diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18072-8.txt | 3335 | ||||
| -rw-r--r-- | 18072-8.zip | bin | 0 -> 73907 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h.zip | bin | 0 -> 1010079 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/18072-h.htm | 3099 | ||||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/back.jpg | bin | 0 -> 91530 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/front.jpg | bin | 0 -> 123835 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p000.jpg | bin | 0 -> 89647 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p009.jpg | bin | 0 -> 7806 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p025.jpg | bin | 0 -> 31958 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p026.jpg | bin | 0 -> 56978 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p038.jpg | bin | 0 -> 23394 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p040.jpg | bin | 0 -> 18649 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p042.jpg | bin | 0 -> 47185 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p044.jpg | bin | 0 -> 9047 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p050.jpg | bin | 0 -> 72476 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p062.jpg | bin | 0 -> 3873 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p068.jpg | bin | 0 -> 17468 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p069.jpg | bin | 0 -> 74667 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p074.jpg | bin | 0 -> 6370 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p081.jpg | bin | 0 -> 84737 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p084.jpg | bin | 0 -> 3859 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p086.jpg | bin | 0 -> 3459 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p090.jpg | bin | 0 -> 7840 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p104.jpg | bin | 0 -> 22843 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p115.jpg | bin | 0 -> 89011 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p116.jpg | bin | 0 -> 10071 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/p124.jpg | bin | 0 -> 18881 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18072-h/images/spine.jpg | bin | 0 -> 16536 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
31 files changed, 6450 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18072-8.txt b/18072-8.txt new file mode 100644 index 0000000..8b896d9 --- /dev/null +++ b/18072-8.txt @@ -0,0 +1,3335 @@ +Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dierenleven in de wildernis + Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg + en wat zij leeren moeten + +Author: William J. Long + +Illustrator: Charles Copeland + +Translator: Cilia Stoffel + +Release Date: March 29, 2006 [EBook #18072] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + Dierenleven in de Wildernis + + Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij + leeren moeten + + + + Met toestemming van den schrijver William J. Long uit het Engelsch + vertaald door Cilia Stoffel + + Teekeningen van Charles Copeland + + + Derde Druk + + Rotterdam MCMXXI + + W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij + + + + + + +INHOUD. + + + Opdracht 6 + Voorrede 7 + Op Weg naar School 9 + Wat een jong Hertje moet weten 25 + Een Kreet in het Donker 36 + Ismaques, de Vischarend 57 + Hoe de kleine Visschers les kregen 75 + Het blijde Leven 86 + Hoe de Dieren sterven 112 + De Indiaansche namen 125 + + + + + + + +DIT BOEK OVER NATUUR EN DIERENLEVEN DRAAG IK AAN DE BROEDERSCHAP VAN +NATUURLIEFHEBBERS OP. + +Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden +aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner andere boeken +de wereld inzond: "Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die +er naar streven hun lessen in natuurlijke historie aantrekkelijker, +pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied +der wetenschap om, een blik gunnen in die wijde natuur, waar hun +een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der +wetenschappelijke feiten reikt." + + C. S. + + + + + +VOORREDE + + +Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de +dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. Zij zijn alle +natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende +levensgeheimen van een massa vogels en andere dieren--schuwe, wilde +wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen +en hun nesten of holen in het hartje der wildernis maken. + +De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die +hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige, +dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze +schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. Een +poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in +de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, vinden, +waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek +voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de dieren hier de +namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit +deels om de prettige herinneringen die ze bij mij opwekken, deels +om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt, +maar toch voornamelijk omdat zoo'n naam de eigenaardigheid heeft, +door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor +oogen te tooveren. Wie het kleine wezen dat onder het trapje van zijn +huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt, +maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo +[1] het heeft over K'dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets +van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik +mij zoo'n beetje voorstellen hoe het er uitziet. + +Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende +tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude +opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn +verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De +bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de +dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken +naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun +eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken +onderzoekend naar mij om--net als ze in de wildernis deden. + + + WILLIAM J. LONG. + + +Stamford, Conn. +September, 1902. + + + + + + + +OP WEG NAAR SCHOOL. + + +'t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe +een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde +zwemmen.--Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof 't +uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den +zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in +dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op +en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde +den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk +bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af, +keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een +poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen +vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen +nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen; +en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren, +het gaf alles niets--zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug +te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich +een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen. + +Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar +huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo'n manier +had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn kant was niet +zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er +heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen +van de jonge ottertjes. + +Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier--en zoo worden er +'s zomers in 't bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand +er op let--opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier +dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze +moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem +bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en +zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich +om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed +de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is. + +Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus +hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw +gezichtspunt op 't gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen +wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door +zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels +door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van +menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in +hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang +zoo'n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het +niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat in +dien voortdurenden strijd om 't bestaan, maar wel van de leerschool +die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen +zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een +andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een +hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe +rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat +oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van +vormt--oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op +al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het +volgende zei: "Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het +er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe +voor tijd en eeuwigheid". Zet zeven weken in plaats van zeven jaar, +en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust +elk moedertje in de natuur handelt. + +Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er +van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het +dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en +veld op verkenning uit is. + +De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos +opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel +aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit +delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen +worden zij alleen groot, die hun natuurlijke voorgangers volgen tot +ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding +van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen, +broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk +tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding +ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende +voorbereid, vallen _zij_ ten prooi aan de zwervende roofdieren, die +hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere +leerschool doormaakten leven en gedijen--in dezelfde bosschen, te +midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier +natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen +welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan +partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna +hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude, +vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct +hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun +vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen; +en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt, +zijn zij de eersten die er 't leven bij laten. + +Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u +versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes +rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van +den omgang en het gezellig verkeer te leeren. Tot op dat oogenblik +hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder, +geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur--een uitstekende +methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog +een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij +elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven 's winters, +als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven. + +Ze werden door de moeders naar een open plek in 't bosch gebracht, +naar 't midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al +heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de +moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij +aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften +ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes +leeren draven en over omgevallen boomen springen--een noodzakelijke, +maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar +in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de +open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo'n verandering +hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden, +zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal +vindt ge een hertje in 't bosch verstopt--zooals het in het volgende +hoofdstuk beschreven is--en ge staat er versteld van dat het niet +wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt, +u achternaloopt en verlangend, droevig blaat, wanneer ge weer gaat. Ge +moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste +dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben, +geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt, +maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen. + +Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling +een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof 't +om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd +bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam 't in uw hart op ook +maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van +Kis [2] gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje +achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die +niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij +wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met +een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen +snelde zij weg. Zoo'n les hoeft maar zelden herhaald te worden--van +dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje; +en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn +neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen +van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht +slaan hebben nog nooit een mensch gezien of kwaad van hem ondervonden; +ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd. + +Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef +stellen. Zoek in 't voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai, +omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden) +en als de jongen bijna "vlug" zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op +een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en +tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang, +of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat +is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel +zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht +houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun +vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag +kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen, +en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes +doen aan 't spelletje mee, en--kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen, +zonder ook maar in 't minst te beseffen dat ze er les in kregen. + +Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde +diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan +worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze +maar zoo'n schijntje hoeven te weten en 't met hun instinct alleen +wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten niet alleen zichzelf +kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze +van die wezens afhankelijk zijn--het is hun voedsel; en een beetje +moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas +zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten +houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts +een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en +dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld. + +Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd +geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze +den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt +de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar +de rivier terug--steeds dezelfde rivier is het--, waar ze werden +uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken +uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik +geloof--en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van +forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen +over diepzee-onderzoek--dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier, +die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden +aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct. + +In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen +tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér +met het verstand te maken heeft dan bij ratten, bij eekhoorntjes, +bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging +tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten, +zouden de jonge vogels in het Noorden of in 't Zuiden nooit hun nest +terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker, +en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten +zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude, +die meer ervaring hebben, en _niet_ door hun instinct, den veiligen +weg naar de kust kennen--de zeeën over, wildernissen door, nog door +geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde +rustplaats en voedsel wacht. + +De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is, +maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of +twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van +Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren, +die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze +kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude +waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen +oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het +mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen, +die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten. + +Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de +hoogere soorten komen. Het voornaamste en krachtigste instinct is daar, +evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid--maar er bestaat een belangrijk +verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het +jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door +dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat +het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten +en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en +langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot +in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid +hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte +van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind +verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct +en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen +heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad +gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de +gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan; +want zonder gehoorzaamheid is het leven een last. + +Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde, +weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in _dat_ rijk wordt gekend +en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn +bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid +onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke +betaalt. Dat begrijpen alle moeders in de natuur, van den patrijs +af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen, +in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat +de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken, +tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig +opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van +het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt, +wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de +natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen +overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst; +hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water +vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren, +en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,--die +moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich +heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij +zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet. + +Daarom zou ik dit boek "de Boschschool" kunnen noemen; want 's zomers +is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal +allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en +waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen +zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens +de regelen der kunst; en zoo'n oppervlakkig Fransch of letterkundig +vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid doet leven: dat +is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter +geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er +haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften +komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en +wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen; +hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld +zien--klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken--uit elkaar moeten +houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te +laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt--nog eens: +al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van 't instinct zijn +als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing. + +Bij de opleiding die ze daar in 't bosch krijgen gaat het om het +leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de +dood. Iemand die lang zoo'n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet +soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk +een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt. + +Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de +geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden; +en die vlugger van begrip zijn--de kraaien en wolven bijv.--maken +onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen +ook _zij_ teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer +geëischt dan ze kunnen. Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven +zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en +worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen, +en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in +'t leven te blijven. + +Er is nog iets. Het is in 't oog loopend hoe vroolijk het op die +bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur +toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe +sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaan _hoe_ +vrij zij zich wel voelen, _hoe_ zij genieten onder 't spelen, _hoe_ +levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart +en oogen open al gauw in de boschschool leert. + +Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in 't dorre gras, en zijn +kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar +boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw +gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat +stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar--voor zoover +ik er over kan oordeelen--hoe volkomen hij voor dien scherpen blik, +waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en +zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook +heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij +eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van +die merkwaardige kleur wezen, _èn_ voor het feit dat de natuur ook nog +aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik +gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, +wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar _nu_ +meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij +in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet. + +Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven +een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik +en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet +vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig +van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen +die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven +gebruiken. + +De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi +loert, geniet niet meer--neen, eer minder--van zijn gezichtsvermogen +dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar +beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens +verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan +maar zoo in 't volle gezicht weg om de aandacht van den roover van +haar kindertjes af te leiden, en op 't laatste oogenblik springt zij +de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is +ook volstrekt niet overstuur, maar als 't gevaar geweken is en zij +terug komt huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als +een koningsvogel. + +Het _is_ gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft +een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert, +hoe prachtig het daar--als een valk zoo licht en vlug--voortsnelt over +een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en +aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo'n zuiver +berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een +schuilplaats te zoeken. 't Is of hoef en wiek om 't hardst het gevaar +uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, +van hun geoefendheid. + +Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor +iedereen die met open oog door 't rijk der natuur gaat, slechts bij +wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker +u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u +'t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, +geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt, +gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met +hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren. + +De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen +van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien +de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat +een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het +denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die +menschen vragen: "Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; +komen ze ten slotte droevig om?" + +Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik +twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de +dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten +liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over +de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: "het blijde Leven" en +"hoe de Dieren sterven". Ze geven er, heel in 't algemeen, een kort +verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk +_is_; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd +dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en +nagegaan, gekomen. + +En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet +verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal +moeten wachten--dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige +van de natuurwezens die er werken en spelen. + + + + +WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN. + + +Tot op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk +oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde +den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van +de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom +over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn +bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs +voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten +boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, +en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden. + +Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde +schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn--en +kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld +onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn +luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, +is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan +waar hij bezig is geweest.--Daar, aan den anderen kant, liggen de +bronsgroene schubben van een pijnappel--spaanders uit de werkplaats +van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van +zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schoot +om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is 't spoor van +een "mink", en 't is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een +poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, +terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen, +hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, +een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd, +zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat +te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als +brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.--Vlak +voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen +dier er over zou loopen, of 't moest een "mink" zijn op roof +uit--gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels +die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, +waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor +de deuropening hingen. "Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik, +"want niemand zou je daar ooit vinden"; maar--alsof 't gebeurde om +mij tegen te spreken--daar vond me een verdwaalde zonnestraal het +plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en +spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom. + +"Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel +en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer +weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de +wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik +bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen--en de bruine +vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte, +de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, +die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun +moeder hen bij 't weggaan verstopt had. + +Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk +als Jozef een "veelvervig" rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een +soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan +liggen, en ze werden onzichtbaar. + +Die eigenaardige teekening--net het spelen van licht en schaduw door de +bladeren--verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en +de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren +een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van +kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo +vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht +naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk +als mijn eigendom beschouwde. In 't heele bosch bestaat er niets +dat zoo stormenderhand ons hart verovert als 't snoetje van een jong +hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog +er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op +deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de +oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar +ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van +sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn +handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond +gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen +boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van +zomerschen zonneschijn. + +Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde +te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes, +zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en +vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als +een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren +aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar +toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was +zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,--ik +kon niet weggaan. + +De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat +er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes +uit waar ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende +beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder +hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, +omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken +ze hun kopjes op. 't Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun +eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij +wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, +onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel +verslagen stond. Zoo'n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben +aangekeken, en we zouden er, als 't noodig was, ons leven voor +overhebben om het te beschermen. + +Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen +zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had +ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot +beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. "Aanvaard de gaven die +de goden u schenken,"--die gedachte ging door hun kopjes, en wat +ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten, +was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, +draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te +halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen +mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden +geaaid en gekrieuweld. + +Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik +prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld +opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, +bij 't minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend +naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een +takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te +zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en +dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen +naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam +naar boven en keken zij mij aan. "Wat een merkwaardige wereld is +dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, +vertel ons er alles eens van,"--dat zeiden die mooie oogen, toen +ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke +leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, +gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje +in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, +vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor +den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe +gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder +dat streelende ruwe, zoo'n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren +nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld, +toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte. + +Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt +want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op +dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje +trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve +wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het +geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk +goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door +'t bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als 't +"_plop_" van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu +achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van +mijn onschuldige kleintjes was in aantocht. + +Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun +dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar +het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege +was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel +door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte +zachtjes, toen ze den stam in 't oog kreeg waar haar leger was. Toen +ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over +haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar +voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij +haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn +handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich +om te vluchten, elke spier gespannen tot den sprong, maar 't was of +haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de +spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; +zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar +lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze _kon_ niet heengaan, +_kon_ haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te +wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking +mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid +_k-a-a-h! k-a-a-h!_--het noodsein der herten--als trompetgeschal door +de bosschen en snelde zij 't beschermende kreupelhout weer in. + +Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en +doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die +vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door +de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze +ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij +aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen, +zonder beven, kalm hun flanken streelden. + +Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, +maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje +met doodsangst in de oogen,--dan weer stoof ze weg met haar witte +staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg +ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste +noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; +hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen +en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden +een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de +mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch +nog,--die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was +door honden en belaagd door geweren--en zij bleven waar zij zich veilig +wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging. + +Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor +het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter +'t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, +duwde ik ze nog eens terug. "Daar blijven, en naar je moeder luisteren; +daar blijven en doen wat je moeder zegt," bleef ik maar fluisteren; +en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen--niet de +woorden, maar den zin die er achter stak--want na een poosje werden +ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik +maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den +gevallen boomstam heen, om ze van 't spoor af te brengen als ze er soms +uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij +niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de +open plek af, een paar meter verder, waar de witgezengde stammen op +de verbrande helling door het groen van 't groote bosch schemerden, +en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats, +totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes +zich onder de wortels verstopt hadden. + +De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was 't weer stil +geworden. Een beweging in 't kreupelhout--en daar kwam de hinde +voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar +ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes: +het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes +vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van +haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, +terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde, +van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch +vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel +waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes +zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij +hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken +met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch +om was en waarom zij was weggesneld. + +Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, +die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar +heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede +les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten +sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het _ka-a-a-h! ka-a-a-h!_ +weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: +dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden +de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar +toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun +ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het +bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken +uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit +meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets +dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits +van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit +het gezicht. + +Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.--Toen ik ze weer +zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die +twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot +wil worden in het uitgestrekte bosch. + + + + +EEN KREET IN HET DONKER. + + +Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, +die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond--net zooals ik +het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken +ze op 't eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik +ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen +als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard--dat alles was bij +hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was +een verstandig en 't ander een dom klein ding. Het een was volgzaam +en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede +volgde van 't begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het +eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was--maar toen +was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,--ik geloof zeker +dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid +slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders +in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken +van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan. + +Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen +allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was, +in 't hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar +voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereiken kon. Nog dagenlang +na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij 't krieken van den dag, +of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers +aan 't weiden zijn, op uit om het dal van 't begin tot het einde af +te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen +te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken +wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een +boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden +spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen +mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van +het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar +kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van +een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was. + +Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak +waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten +bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom +terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig +waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos _mij_ nauwelijks ontdekt zou +hebben; maar bij 't eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, +als duiveltjes in een doosje, wanneer 't haakje los wordt gemaakt. De +moeder stak haar witte vaantje in de lucht--den sneeuwwitten onderkant +van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken +licht--en sprong weg met een heesch _ka-a-a-a-h!_ tot waarschuwing. Een +van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, +terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen +aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er +op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan +te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een +grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal +toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk +onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde +haar hangend staartje zenuwachtig-- + +Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe +menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen +neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd +is.--Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil +overeind, floep!--vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde +het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had +om aan 't gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het +verwarde kreupelhout. + +Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, +besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een +opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of +hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken, +over het dooreengestrengelde kreupelhout--nu in snellen sprong zwevend +aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij 't dalen pas +weet hoe 't aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog +voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen +om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,--vraagt zich te +vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de +wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie 's nachts +een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een +woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld +heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen, +dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van +een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of +zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke +barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn +pootjes denkt. 't Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in +hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te +zien is. + +Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door 't kwispelen van haar +staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt +slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen +zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap +als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in 't enkelgewricht +en wachten en loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan: +bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein +oogenblik heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam, +getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten, +weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens +op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken, +hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben, +hoe ze zich schrap hebben gezet--in zoo'n ondeelbaar oogenblik, dat +het onzichtbaar blijft voor het oog--voor den schok op steenen of +vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook +ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en +schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de +achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder 't dalen terechtkomen, +en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken +om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen. + +Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot--dat was nog te +weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe +door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan; +maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk +hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt. + +Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd +moeten leeren gehoorzamen dan hun eigen kopje. De moeder moet den +weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een +verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart +ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te +loopen--zelfs als ze al lang volwassen zijn--soms wel een stuk of +zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor, +dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten +deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch, +om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen, +in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt +ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor +'t eerst het vaantje leeren volgen. + +Na die tweede ontdekking ging ik 's middags vaak naar een bepaald +punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte +dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried +waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde +altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij +ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten, +hoorde ik gekraak in 't struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan, +onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige +kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks +den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in +de lucht was, en sprong op de bladeren van de waterlelies af. Soms +lag mijn kano in 't volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar +rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een +graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg, +sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig +naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond. + +Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden, +herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze, +als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen, +in een ommezien in 't kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging +er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend +om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in +een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om +achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen. + +Zoo'n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen--dat bleek +mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo'n bloeddorstig +roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de +klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een +dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging, +plotseling aan 't verhaal over dien kleinen baas een einde hebben +gemaakt. Het was laat op den middag, toen ik op weg naar het meer +langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang, +nauw dal, waar 't vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde +boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene +van die plaats te doen uitkomen. + +Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar +achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te +kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen +te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat +ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de +eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven +op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een +hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout +uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar +kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing +meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of +zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk +op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: "Achter je +moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!" Toen sprong ze weg, +vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en +rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong +klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig +zooals 't hoorde haar volgde. + +Op 't eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in 't +kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te +voorschijn. Ik herkende het dadelijk--het zieltje zonder zorg--en +begreep dat het al te lang dat volgen van 't vlaggetje veronachtzaamd +had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist +niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het +hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van +mij af was. Toen pas kreeg het den man in 't oog, die daar voor hem +op 't pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke +ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder +mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk, +verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,--een +alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de +ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd: +zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift +was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was. + +Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te +bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij +schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk..., +twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. 't +Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het +hem ooit geleerd was. Het is al zoo'n oude krijgslist, iemand een +beweging te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende +gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat +je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat +het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het +pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de +moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er +'t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het +pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee; +dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond +hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen +dat hij niet bang was. + +"Kleine, dappere baas, jou mag ik zien," dacht ik bij mezelf, en +mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond +te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie +snuitje. "Maar," dacht ik verder, "wat zou er nu al lang met je gebeurd +zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen +kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er +hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun +hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je +niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen." + +De nacht daalde snel. 't Geroep der moeder galmde hoe langer hoe +angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de +duisternis toenam. Met plotselinge gewetensknaging en schrik dacht +ik: "Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine +baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets +leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam." Zoo gaat het +gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar +gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze +doet. "Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden +boomstam, en het andere--dat is ginds bij je moeder op 't oogenblik, +waar jij ook hoorde te wezen,--dat begrijpt dat oude wetten veiliger +zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van +zoo'n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij 't verkeerde eind, +kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb +je mijn hart gestolen door 't gestamp met je pootje. Misschien is +het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal +ik het je nu wel anders leeren." + +Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend +en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk +was 't met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg +stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar +hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem, +dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint, +in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht. + +Wie met open oog en oor een week of wat in de wildernis leeft merkt +al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind +toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en +regels woont--een staat van zaken die al van veel ouder datum is +dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te +grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen +schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde +niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd +waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een +grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die +er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal +gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep +om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de +monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen, +en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik +eens op een avond--een dag of veertien later--bezig om te probeeren +of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen. + +Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te +hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling: +de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze 't +water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct +èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor +hun part net andersom genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam +er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen. + +Maar 's nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om +in 't ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten +wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte--in den vorm van +nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige +voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met +zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over 't water viel uitgooide, +ving wel eens een dikkerd. + +Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of +niet. Ik moest als 't ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand +bijna in mijn handen hebben--klaar om gauw en krachtig op te halen, +als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch +ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde +je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot +dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo'n plons +met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward +op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar +het schijnsel van 't vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan +een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel +van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen, +had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op het water +geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er 's +nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en +wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan 't visschen ben staan de +groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal +zijn geuren die alleen 's nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van +dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep, +gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit +de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo +bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het +even prettig 's nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd +vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg. + +Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die +al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of 't weer vertrouwd +was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in 't kreupelhout +hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote, +gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren--de oogen van +een hert. Een vlug geritsel--en een beetje lager nog twee kolen, +die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog +twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij +waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den +grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen +betooverd, die op de schichtige boschbewoners komen aanschieten alsof +zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en +glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen +met hun stille spel. + +Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er +voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en +het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik +te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met +gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu +eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig +heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep +schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen, +die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een +oogenblik. Toen kwam een van de hertjes--zelfs bij het schijnsel +van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn +vroolijk geappelde velletje--recht op mij aan, om bij het oplaaien van +'t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje +te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was. + +De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren +met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde +nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend, +roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en +zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was, +en haar deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en +hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los +uit die betoovering, en haar heesche kreet _k-a-a-ah! k-a-a-ah!_ galmde +als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg, +terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje +op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen. + +Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige +verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en +ging toen weer verder op 't licht af, turend en stampend van louter +dwaze verwondering. + +Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door +zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat +glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als +tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem, +in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu +eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging, +een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik +dat roepen om te volgen, en 't gekraak in het kreupelhout als ze +wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige +geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik +schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe--dat was de +snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die +pracht in duisternis verdween en de reuk van een mensch hem op het +koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas +er springend vandoor--helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant +uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan. + +Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen, +in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm +het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den +heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal +met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij +onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat +er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren +riep het al maar door; 't was een klagende angstkreet. De moeder +draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, +maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het +niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en +weer in den luisterenden nacht.--_Woe-woe_, "kom hier." _Bla-a-a, +bl-r-t_, "ik kan niet; kom bij me." _Ka-a-ah!, ka-a-ah!_ "onraad, +volg me!"--en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde +met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest +ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de +sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er +gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als +ge de taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, +waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag +hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met +gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo +lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, +mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik +stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, +kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging +vlak voor mij heen. Iets in 't geluid misschien--een log en toch bijna +geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis +in staat is--ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst +niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper +ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, +zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads +vermoedende hertje te besluipen. Hij wist--zooveel hadden zijn ooren +hem wel verteld--dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder +was afgeraakt. + +Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug--ofschoon Mooween eigenlijk +op niets let, als zijn wild op de been is--en snelde naar mijn kano +om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, +maar ik was er nog nooit eerder 's nachts zoo laat een tegengekomen, +en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles +hangt trouwens van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier +nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; +en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed, +met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den +trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van. + +Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt +u gerust hieraan houden--wat ge ook voelt: angst of twijfel of +vertrouwen--dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken +en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt +zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam +eens een beer tegen op een nauw pad--maar dat vertel ik wel op een +andere plaats. + +Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik +liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan, +zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik +ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige +moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een +hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al +langzamer en langzamer, tot er--juist aan dezen kant van den dikken, +omgevallen boom--een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk +klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en 't geluid +van een sprong--en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op, +met iets in zijn bek dat zwaar tegen het kreupelhout slingerde en in +'t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de +verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren. + +Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen +oever aan een zijtak van 't groote meer was opgeslagen, de moeder bij +tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te +loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met +haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks +ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig +vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar +mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik +naar de plek terug. 't Kostte mij niet veel moeite te vinden waar +het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd +en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen +had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en +gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels +van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo +ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen +nut had het nog verder te volgen. + +Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug +opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna 't +geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed +een hert. De moeder had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in +kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje +bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had +haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje, +waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen +in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen. + +Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even +maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout +scherp naar mijn oude kano stond te turen; op 't zelfde oogenblik +zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting, +zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs +was gegaan, liet ze haar heesch _ka-a-ah, ka-a-ah!_ hooren en stak +haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een +scherp _ka-a-ah, ka-a-ah!_ beantwoordde het hare; het tweede hertje +drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, +en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong +het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen +stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, +met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch +maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift. + + + + +ISMAQUES, DE VISCHAREND. + + +_Oewit, oewit, tsjwie?_ _Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!_ zoo klonk +gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van +mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien +zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in +mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter +mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch +in 't oog kreeg--een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik +mijn zwartvisch [3] wegborg om ze voor berenaas te gebruiken--schoot +hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat +klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik +geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg +met een aanmoedigend _k'wie-ie!_--dat is zooveel als "goede vangst" +van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar +aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft +in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd +ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit +het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat +zijn gemoedsrust er door verstoord wordt. + +Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan +schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: "zal een luipaard zijne +vlekken veranderen?" schijnt te logenstraffen en tot een ander +mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij 't +verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat +hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die +een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar +nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, +en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als +een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: +voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere +roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw +van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te +verbergen. Dan riepen gaai en kraai: "dief, dief!" Dan liet de +koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om +'t gevecht te beginnen. En nu--de kleine vogels bouwen hun nestjes +tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn +wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat +hebben al lang geleerd dat het maar 't verstandigst is goed op een +afstand te blijven van Ismaques' woonplaats. + +Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in +zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als +hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher +echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepen ze allen hartelijk +"goede vangst" achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen +uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van +plan zijn bij zonsondergang in te gooien. + +De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het +uit bij zijn terugkomst--zoo geregeld als de maanden van het jaar. In +éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de +wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan +jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog +aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot +dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, +een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk, +"openbaarlijk gestraft" hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en +lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de +eieren van een anderen boosaardig vernield had. + +Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit +en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op +jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, +oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan +te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke +menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij +hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij +de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,--en +zijn komst werd door de visschers als een voorteeken van een goede +vangst beschouwd. + +Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, +zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde +noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog +jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid +verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik +mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten +op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede +vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top +van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. _Zij_ waren +het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar +zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte, +en om mij een verheugd _Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie!_ "goeie vangst, +en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er +zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen +dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en +niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging, +en in het succes dat ik er mee behaalde. + +Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar +dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen +van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken +verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels +kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren, +was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat +er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten, +overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest +gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig +rondsluipende dieren. "Minken" staakten hun kikkerjacht in de beek, en +door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, +pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof +geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze +boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen +nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en +tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels +om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze 's nachts te keer +gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden +en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de +rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf +een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het +kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen. + +Hij kwam daar blijkbaar voor 't eerst, en wist niet dat Jan en +alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de +meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit +zijn houding, uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn +geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen +op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde +dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans +eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook +die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was, +gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn +hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou +komen dagen en hem toebijten: "Dat is van mij!" Toen hij later wat +op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend +wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en +door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal +genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter +steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, +bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren, +wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens +was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan +hun ongevraagde gasten. Ismaques--trouwe baas die hij is--paart voor +zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De +eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een +vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer +door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde +met een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk +dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet +hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die +over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien +aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog +naar andere meren--niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit +in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te +zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan +alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid +en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat +de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een +vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in +het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater +en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder +aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een +schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam. + +Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de +helling. Zooals 't gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters, +de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door +den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de +sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden +en niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn +takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal +was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren +afgebroken als de arend ze noodig had. + +Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, +dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan +onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, +waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond, +als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn +vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs +nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat +hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen +op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen +machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang +geduldig aan 't visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn +verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt +hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de +tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar +beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee +hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de +plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door +een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken +keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen +en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna +op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op +streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog. + +Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo'n merkwaardige +vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer +terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo'n heelen winter naar het Zuiden +trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan +de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, +dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude, +verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het +geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig +herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt +is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat +moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst +weggaat, weet hij dat--behoudens onvoorziene omstandigheden--zijn +woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk +op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of +dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee +aan het Groote Squatuk-meer--die ook in andere opzichten merkwaardig +verstandig waren--weet ik niet te vertellen. + +Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een +sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan +bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente +wordt, zult ge alleen vader en moeder bij 't oude nest aantreffen. Ik +geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar +als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water--indringen +doen ze zich niet. Elk paar schijnt er--even als de ijsvogels--zijn +eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke +waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, +staat nog te ontdekken. + +Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen +in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets +zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren +voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de +wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen +langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding +en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, +groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op +het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, +buitengewoon merkwaardig--totdat er een paar breede wieken in 't +zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten +in een gretig gesjilp: _piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie?_ "Heb +je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich +voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig +hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen. + +Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de +andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen +ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder, +die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze +haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje +het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek, +waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer +hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan +was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou +hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof +hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer +deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker +gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den +kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden. + +Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, +kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch, +dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de +jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten; +geen gedrang, geen geduw om den eersten, grootsten hap, zooals we dat +in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een +van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad +als 't ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer +schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den +rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot +het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik +aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen. + +Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een +paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de +kruimels, die er overvloedig van "den disch des rijken" vielen. Het +was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er +door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats +te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de +boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial +is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest +aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en +zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen +edelmoedig beantwoord. + +Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet +als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes +die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij +ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zij de wacht hield +over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt +niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij +ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om +machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar +af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet +van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid +lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde +daar rond, roepend, vragend--want nooit is haar nieuwsgierigheid +bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen +herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze +geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads +in den zin hadden tegen 't nest daarboven. + +Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de +gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden +wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar +het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen +doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van +den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden +met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op +het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom +te klimmen--waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig +om te zien wat het was, maar voordat ik de plaats bereikte, hadden +ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik +een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den +vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de +groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken +bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van +opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij +dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in +'t vervolg goed op hem zou letten. + +Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren +namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen +de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het +meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen +grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen +zeggen. De visscher toonde bij zoo'n gelegenheid in zijn gedrag +een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op +het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen, +gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers +vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en +voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren +Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, +ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken +boven het nest zagen kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren +klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk +last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het +onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was +het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn +twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje +visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij +zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht +in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het +oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen, +turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om +dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen +te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten +diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de +groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van +den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het +eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was, +liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, +nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed +hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best +met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier +zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit +lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als +het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem +ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd. + +De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze +wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven +Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best +te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden +er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen +ontdekken _wat_ ze eigenlijk precies vertelden. + +Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen +wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd +alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun +nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout +tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een +paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest +te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen +sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen, +maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; +maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over +die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk +had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak +boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig naar mij zat te +kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; +maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of +andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik +op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat +ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan +het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen. + +Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit +eerder had opgemerkt. Af en toe--als het weer dreigde om te slaan of +als de vogels en hun jongen verzadigd waren--steeg Ismaques de lucht +in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam +in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den +wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven +alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met +een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van +plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, +hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het +nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend +en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;--net als een +houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt +neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg +Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw +te vertoonen, terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den +sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en +weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die +verbijsterende vertooning van _hun_ papa! + +Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques +er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven +uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat +hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een +mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er +op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het +nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht--zonder ook maar +eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven--of hij op +deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi +er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken +het zelf te doen. + + + + +HOE DE KLEINE VISSCHERS LES KREGEN. + + +Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen +en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk +haar kreet niet als gewoonlijk: _Tsjip, tsj'wie! Tsjip, tsjip, +tsip, tsj'wie-ie-ie?_ Dat was de groet van den visscher wel, o ja, +duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends +en voldaans in, zoo iets van: "kijk nu eens hier!" Eer ik mijn hoofd +om kon draaien--want ik had net beet--volgden er nog meer geluiden: +_pip, pip, pip, tsj'wie! pip, tsj'wie! pip, tsj'wie-ie!_ Wonderlijk +verwarde geluiden, die mij alle een "goede vangst" toeriepen. Ik hoefde +mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee +visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen. + +De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder +teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik +mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes +achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen +tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen +te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden +zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd +hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door +mijn verrekijker van hen zag was de moeder in een boom en de vader +in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen +voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend +klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar +moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals +en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten, +zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat +bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke +list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen +vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit, +en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in +zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn +vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want +Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het +zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen +uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is, +en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, +vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten, +dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in +het bosch gaan jagen--wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch +zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen +geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op +welke wijze dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, +in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun +onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag +te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen +vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden +worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten +de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor +een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan +de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij +sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge +visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende +licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo'n scherpen +blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk +zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en +riepen: _pip!_ "daar heb je d'r een!" _Pip, pip!_ "daar gaat-ie!" als +een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje +van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen; +en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden +hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren. + +Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg +een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de +rotsen in 't oog. _Pip, tsj'wie-ie!_ floot hij, en daar schoten ze me +met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar +lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik +daar doodstil tusschen de rotsen zat. _Pip, pip, pip_, hoezee! klonk +schril hun gefluit onder het dalen. + +Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat +de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong +heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half +angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord +had: _Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!_--en die elken keer als zij +hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en +omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs +en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen. + +En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd +maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat +lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de +visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den +kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het +water; het geglinster en de dansende golven maken 't hem lastig; +hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten +schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij +hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den +visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen, +maar spant zijn vleugels om neer te schieten. "_Tsjip, tsip!_ halt, +hij duikt weer," waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig +om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een +meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar +hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit, +klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden--als er weer een +zilveren glans onder 't golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij +weer neer--_hoe! boe!_--net een jongen die voor het eerst duikt. Een +poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem +heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer +bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich +schuddend dat de droppels om hem heen vliegen--maar zonder visch +natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor +boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een +enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op 't oog, +heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu +ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes +aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den +moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te +steken. _Tsjip, tsjip!_--"let eens op; ik zal het jullie eens wijzen," +fluit zij--_Tsjie-iep!_ met zoo'n plotselingen, schrillen uithaal, dien +ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze +haar vlerken uit, schiet vast en zeker naar beneden, valt dwars op een +rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant +weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen +komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen +haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om +dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit +wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, +ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben, +te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan. + +Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet +dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een +boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken +verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet +ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij +hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra +hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op +een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt +langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar +krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende +golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien +worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. _Tsjie-iep!_ +"probeer 't nu eens," fluit zij. _Pip, pip!_ "daar gaat hij!" roept het +jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, +heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan +geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet +meer noodig. + +Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening +uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in +'t oog heeft en dat hij 't er netjes afbrengt. In een wip is hij +er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking, +den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, +langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker +van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met +den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het +ondiepe van de zandbank. + +Het blijkt nu duidelijk--zelfs mijn oogen kunnen het zien--dat er +een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan +bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, +flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de +seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, +zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De +moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen. + +Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende +schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden, +en boven de glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het +leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het +visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde +gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver +of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak +bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden +in de modder van tracht te bevrijden. Had _ik_ maar iemand gehad om +mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen! + +Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam +opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel +een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn +als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop +Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn +bek, net als "mink" en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen; +maar om een visch--die zoo vlug is als een bliksemflits--onderwater +met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten +meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch +een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens +achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht. + +Nauwelijks kwamen de visschers in 't zicht en klonk hun gretig gepiep +hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van +wal af en liet een stuk of zes zwartvisschen in het ondiepe water +los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in 't leven +gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo'n beetje aan +de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat +ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder +voor haar _Tsj'wie?_ te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om +er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het +moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn +lokaas onmiddellijk in 't oog. Een van de jongen schoot er dadelijk +zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, +steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en +ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, +schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder +duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen +was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel +was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over +de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij +had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent +dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde +langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar +klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig +een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven +op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, op een plaats die ik +niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf +en toog haar jongen achterna naar het nest. + +Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te +laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar +onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, +zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom +eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder +langs den afgelegen oever rondvliegen.--Daar had je de visch weer, in +'t ondiepe; en daar--dat was nu toch veel te gemakkelijk!--dreven er +twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om, +alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij +zich en trok naar ander vischwater. + +Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde _tsj'ie-iep!_ +waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste +landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik +ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat +de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige +schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig +keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de +moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in +te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden +en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit hun kloeken +vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er +den vorigen dag in ontbroken had. + +De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van +mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch +te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere--de +paar die er nog van waren overgebleven--worstelden zoo'n beetje +aan de oppervlakte. "_Tsjip, tsj'wie-ie!_" riep ze minachtend; +"er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te +krijgen!" Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een +dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan +een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende, +dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij +visch vangt. + + + + +HET BLIJDE LEVEN. + + +Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken +tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur +van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee +vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier, +terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij +nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was +afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, +zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje--meer dan +genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar +mijn "kwakzalver" had gesprongen maar op--wat mij wel aan mijn hart +ging, moet ik eerlijk bekennen--en ging op een aangespoeld houtblok +zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de +boschbewoners bezig waren. + +Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden +fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe +kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, +een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar +zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het +voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe +plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan 't +blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend +naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche, +jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig +uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij, +trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn +stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den +oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte +schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die +aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde +mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in +het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met +een slag van zijn staart in flarden. + +Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken--naar de +schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht +en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar +de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde +met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen +uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van +de kolk.--Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te +zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen +doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, +net als de visschen in het vlietende water beneden. + +Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een +vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar +dat ging hem veel te gauw--hij deed het immers maar voor ontspanning, +was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water +gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door +mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in 't oog hield, zag ik +dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun +onderkant te laten afglijden--zooals een schipper zijn schoot viert +om de vaart van het schip te verminderen--en de prachtige, stijgende +spiraalvlucht begon. + +Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is +het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan +er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor +'t eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen +uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat. + +De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert +hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten +cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog +op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder +haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed +uitgespreide vleugelschachten--zoo gering, dat mijn oog het niet meer +kan waarnemen--kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich al wijder +en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in +den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid +ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder. + +Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige +spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt, +met rustigen, vlammenden blik Jesaja's koninklijk gebied overziet, +als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der +aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen +van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol, +met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den +blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen, +deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun +zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem +teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in +de armen heeft. + +Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst +gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen +voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan +kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver +van zijn hart. + +Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: +dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in +hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een +wapenstilstand in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle +wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust +deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt +van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de +zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder +aan de kust. + +Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar +of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is--negen van +de tien keer--, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw +of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van +het kijken naar dien edelen vogel--zoo'n klein, klein stipje op den +eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van +zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk +menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen. + +Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte +rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn +voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen +thuis, maar is op aarde evenzeer. + +Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, +en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en +neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den +tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een +knoest geklemd, voor een houvast; de andere bengelden en zwaaiden +onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder +het wippen--op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed +eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang +als ik naar haar bleef kijken--wel den halven morgen--lag zij daar +te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich +in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen +wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en +beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom +onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende +muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren. + +Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de +groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad, +die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan +getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker +die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen +zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel +merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot +mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in +de natuur--niet om er verslag van te geven of er een verhaal over +te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en +te begrijpen wat ze uitvoerden, wat ze dachten en voelden--ben ik nog +nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was +levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van +heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken +scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, +en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden; +andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een +innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed; +weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde +volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland, +die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; +maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof +het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij +genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van +gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk +leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al. + +Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad +naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het +meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd--eerst het +begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor +mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den +bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was, +dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten +van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers +op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer +dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting +in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen +en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht +met honden is een afschuwelijk vermaak--bij de wet geoorloofd of +niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn, +die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen +op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden. + +Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets +merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch +en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later +weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de +uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de +struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had; +ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en +daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen, +in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich +blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de +natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals +hun moeder hun leerde, zoo'n groote uitwerking had: hen beschermde +tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst +voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou +kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een +oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend +om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend _kwit-kwit?_ En +dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed +verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die +daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist +niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg +uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen? + +Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke +soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen +overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts +groote waakzaamheid beteekent,--toen er een gekraak in de takken +ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak +bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn +gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd +over zoo'n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs +mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als +goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de +richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk +over, dien hij--heerlijk vertoon van kracht--zoo sierlijk "nam", +alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den +geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen. + +Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer +ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar +stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren +naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd, +had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om +zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo +gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak +er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het +booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn +van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg +was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen, +die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar +de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel +bezielde hem. + +Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg +afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze +herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze +boschwolven hun op 't spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit +zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid +tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag +dik, heb ik een hert het leven gered; net op 't nippertje, want de +honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat +hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de +sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken +angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde +dieren toeschrijven. + +Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De +zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de +klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft +al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw +volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan +schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren. + +Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun +pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten +een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten +aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest +gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met +stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn, +gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze +blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral +wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de +inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil +te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen +neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan +zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit +om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen +dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn; +daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer +thuis aanhinken. + +Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad +opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo +licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, +wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf +van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, +zelfvoldaan als hij is, jaagt--wanneer het een jonge vos is--zijn +staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar +de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna +voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, +naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, +en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf +hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar +het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier +bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten +regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij +een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen die ik met +woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik +er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer +pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij +zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk +tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, +dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem +zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij +een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, +waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: +de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven. + +Ik vertel deze drie verhalen--van den patrijs, van het hert, van den +vos--en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig +andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel +bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur; +zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; +dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet +doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste +zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden +zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op +de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het +boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van +den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, +die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, +als de takken van eschdoorn en lederhout [4] tijdens de noorderstormen +diep onder de sneeuw begraven zijn. + +Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit +een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun +ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden +de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen +rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den +zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden +over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid +zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: "zegen +God en sterf", er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die +godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere +oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan 't roepen tegen +elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van +onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in +'t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op +eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had +geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze +verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven +ondertusschen wel het leven waard was--zelfs hier. + +Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen--geeft +ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in 't oog te loopen, +en rappe pootjes om mee weg te snellen--dat ze zelden over iets +anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden, +voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven +af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en +bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem +alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij +ons zijn blijdschap begrijpen. + +In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, +ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al +ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of +een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke +pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden +wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een +even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier +bezit geen groote geestvermogens--niet genoeg in alle geval om daardoor +zijn zorg meer dan te verdubbelen--en geen greintje verbeelding om +het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet +zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te +vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit +ook en gaat als een verstandig dier slapen; is hij gezond, dan heeft +hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij +heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in +zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel +veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er +een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig +mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van. + +Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk +getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken +botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, +zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang +waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet +merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze +vergeleken slechts zeer gering is. + +Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, +die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in +den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand +opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen +doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, +en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame +behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even +pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang +blijven zij daar dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, +tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te +zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen. + +Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard +aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de +halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg +kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat +met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val +waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer, +want ik heb net zoo'n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb +ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde +die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden. + +Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben +veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder +dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, +hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of +ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en +aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele +verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst +in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen. + +Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: +wanneer het treurt over het verlies van metgezel of -gezellin, of van +zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van +gelezene--dan nog heel zeldzame uitzonderingen,--die ook al gekleurd +waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, +en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen +omtrent dierenleed gekomen. + +Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het +naar beneden, of de zwarte slang [5] kronkelt er zich om heen, +of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de +beroeps-eierverzamelaar--verwenscht zij zijn naam en bezigheid!--bergt +het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan +een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter +eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en +heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is +geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig +maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er +geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld +zijn van klaagliederen. + +Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige +sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de +moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk +genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het 's +zomers zoo'n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts een +voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna +verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat +ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in +het vleesch kan zetten tegen den kouden winter. + +Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog +niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met +nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, +brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet +haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar +nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg +aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in 't oog loopend, +hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor +de vorige;--elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het +wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter +gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te +bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood +en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen, +waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo +in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en +weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven. + +Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft +voor het hert en den patrijs te zorgen, maar moet ook aan den panter +en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe +kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen +haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere +kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende, +waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt. + +Hoe 't ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen +alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij +de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij +schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten +deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken--want +het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder +zorg--maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens +voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat. + +De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven +is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde +en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud +van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen +van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van +waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar +te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke +angst niet instinctmatig is, maar eenvoudig een zaak van al of niet +goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren +is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat +ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen. + +Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen +te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen +een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me +een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen, +naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van +gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte +tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns +en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: "eens +kijken wat hij daar uitvoert", betrapt. Ga eens ergens in het bosch +zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid; +dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond +schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet +te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien +hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt, +en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft. + +Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft, +zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal +waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste, +het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien +al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te +sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals +de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken +zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen, +waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er +bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden: +wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn, +geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij +deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan den _blik_ +van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is +echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het +jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een +menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het +onderricht in waakzaamheid en schuwheid--die wij angst noemen--,in +het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien +en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet: +nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten +om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens +sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer +wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht +nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld, +en niet door hun aanleg. + +En het zijn geen blijken van angst--in de beteekenis die wij aan dat +woord hechten--maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven +is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de +mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder +het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich +een onbekend geluid hoort. + +Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze +menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan +pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en +de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid +dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen +wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige +waardoor die angst overwonnen kan worden. + +Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier +leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken +vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan--behalve +dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren +gehoorzamen--; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte +bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft +hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet. + +En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje, +want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek +nu niet over wat wij van de toekomst die het dier wacht afweten of +meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft +te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar +dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig, +zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten +toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming +van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit +zijn ervaring put. Wat den dood betreft--die valt geheel buiten het +gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat +ooit den dood ziet--behalve insecten of andere dieren die ze eten, +natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker +hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien, +gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets +anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd +wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls +vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje +of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden, +behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan, +kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand +zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich +verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt, +of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle +kanten in het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten +hebben elders zoeken. + +Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen +geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de +mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de +bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die +wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig, +er is zoo'n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en +verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen +nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct +volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun +geheele leven door elken dag doen. + +Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood--ziedaar de drie dingen die +een dier zich nooit bewust in 't hoofd haalt; en zijn ondervinding +geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, +eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun +barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef. + + + +Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de +zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte +schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn +wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen +op en neer, in den stroom, die alles maar goedmoedig toelaat. Beneden +hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar +zijn--en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog +boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde +omlaag heeft eten en drinken--hij zal wel komen, als hij hongerig +is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is +voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog +niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat +doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen +de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend +op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen, +in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die +van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van +echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand, +zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht, +dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren +om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden. + + + + +HOE DE DIEREN STERVEN. + + +De kreet van een adelaar--een zeldzaam geluid, 's zomers in de +wildernis--maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te +zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij +dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte +in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is +te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken, +en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden. + +Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was +geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor +het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. 't +Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had +gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste +ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel +eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen, +ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer +al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. _Hij_ galmde +daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls +met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke, +wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de +jongere adelaars had overgegeven--zijn eigen broed wellicht. + +Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven +jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid +hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen +jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, of _zij_ moeten het +hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste +raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes +tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn +grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in +'t oog te houden en te zien wat hij zou doen. + +Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt, +waar de groote adelaar omheen vloog alsof 't een spil was. De wilde +kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen, +zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon +ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien +oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden, +langer; verbreedde zich--en toen wist ik dat het recht op mij af naar +beneden kwam. + +Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare +treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog +lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn +kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een +zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de +landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischen van zware zij het flauwe +geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar +beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het +voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te +ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn +weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de +landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de +armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich +boven hem sloot. + +Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik +een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij +tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen +en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den +boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van +een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene +varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij +moeder aarde,--dood. + + + +Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn +tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar +om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar +het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes +opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak +te vervullen en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat +te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het +zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als +ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren +en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder, +en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen +en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat. + +Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak, +die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden +dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen +in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals +ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en +eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de +geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze +oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme +berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks +op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn +bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik +mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar +ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel +een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig +met de oogen, maar als ik het aan mijn vingertop een droppel water +reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het +bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak, +waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging. + +Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een +lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand +en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering +vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen; +zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd--nooit meer zouden ze +loslaten--en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan +de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het +rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn +beeld in het hart tot het laatste oogenblik. + + + +Hoe sterven de dieren?--Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals +de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het +liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder +de dood in de bosschen optreedt;--onafgebroken gaat hij zijn gang.--Het +eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken, +want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe +die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra +zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken. + +'t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk +instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk +weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen +van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van +kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats +uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd, +wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen. + +Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit +misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo'n +dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets +tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook, +koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins +vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een +kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden, +enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan +en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden, +de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends +dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct +waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat +"dood" is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden +ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en--het is +voor den laatsten keer. Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo +heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het +toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij +een ouden beer dien ik 's zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk +onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden, +maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem +vroolijk wakker riep. 't Gebeurt ook wel eens met het zegevierende +bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer +ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met +de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan +weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen, +vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls +ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere +geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend +waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo +niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen +en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om +maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de +zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels +op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt. + +Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn +ongeoefende wiekjes onophoudelijk tegen de tralies van zijn kooi +opfladderde--zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge +verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem, +veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen +dat _gij_ u geschapen hebt, roept hem tot zich--de stem van de +vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den +bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog +onnatuurlijker dan zijn arme leventje. + +"Maar," brengt een lezer hiertegen in, "die vreeselijke dingen, die +treurtooneelen dan?" Misschien komen ze wel eens voor, als we meer +door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel +zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En +zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed +sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen +verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij +zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de +mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van +zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.--Een +patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding +voor den patrijs,--maar het is bijna altijd een van de zwakkere of +domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun +broertje,--en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen, +die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje, +dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt. + +Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie +hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze +zorg, evenals wij menschen in zoo'n geval doen. Zelfs de vos kan ze +in zoo'n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de +moeder er het leven bij inschieten--en bij die veronderstelling is +zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan--dan verhongerden de +jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen +hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen, +om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen +in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze, +en--in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit +gezin. Zoo gaat het in het woud. + +Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen +zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert +valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op +de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is, +en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in +werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen +Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag, +zijn arm overdekt met gapende wonden, waarvan hij de litteekens tot +aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs +niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen +op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een +soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt +en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand +maar blij is stil te kunnen blijven liggen--het eenige, tusschen twee +haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van +den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren, +die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten. + +Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat +haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende +charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten +er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft +wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van +een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden +of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten--konijnen, +hazelhoenders, herten--, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels +die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid +der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en +gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er +van geheel voor het dier verborgen bleef en het er zich over verbaasde +wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak +uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo'n bitter kouden morgen dood +en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje +er omheen geklemd. Zoo'n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik +ben zelf wel 's winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die +heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen +sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging +schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet +meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is. + +Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle +voerplaatsen bevroren houdt,--en dit is ook nog veel minder erg dan +ziekte, onder welken vorm dan ook--; dat weet iedereen die wel eens +dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt +elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.--Soms +zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier +vast en zeker op zijn pooten of wieken--dat doet hij immers altijd--en +gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan +'t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen +en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een +groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In +één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven nog niet bezitten +en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is +de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt, +want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of +verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van +den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte +iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood. + +Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, +hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in +het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun +tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood--omdat een +mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, +maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit +zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte +raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij 't nog nooit eerder +gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct +van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem +vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de +zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als +de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen--het oude, +lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de +wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering +wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij sluimert in. En zijn +laatste bewuste gedachte--van den dood weet hij immers niets af--is +dat hij 's morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept. + + + + + + +DE INDIAANSCHE NAMEN. + + +Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort. + +Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend. + +Ch'geegeelokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees: +parus atricapillus. + +Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch. + +Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke +Indianen, zooals Hiawatha. + +Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast +en takken gemaakt. + +Deedeeaskh, die-die'-ask, de blauwe gaai. + +Eleemos, el-ie'mos, de vos. + +Hawahak, ha-wa-hek', de havik. + +Hukweem, huk-wiem', de groote noordelijke duiker of ijsduiker. + +Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend. + +Kagax, ke'-guaks, de wezel. + +Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf. + +K'dunk, k'dunk', de pad. + +Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat. + +Keeonekh, kie'-o-nek, de otter. + +Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch. + +Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe. + +Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel. + +Kupkawis, kup-kee'-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil. + +Kwaseekho, kwa-ziek'o, de zaagbek. + +Lhoks, loks, de panter. + +Malsun, mel'-sun, de wolf. + +Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn. + +Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier. + +Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook +Malicete geschreven. + +Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse": +bonasia umbellis of Amerikaansche "patrijs". + +Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas. + +Mooween, moe-wien', de zwarte beer. + +Musquash, mus'kwosj, de muskusrat. + +Nemox, nem'-moks, Pekquam, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer. + +Quoskh, kwosk, de blauwe reiger. + +Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen, +ook een soort "grouse". + +Skooktum, skoek'-tum, de forel. + +Tookhees, tok'-ies, de boschmuis. + +Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland. + +Unk-Wunk, unk'-wunk, het stekelvarken. + +Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx. + +Whitooweek, wit'-oe-wiek, de houtsnip. + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een Indiaansche metgezel van den schrijver. + +[2] I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) +hooger dan al het volk. + +[3] Blackfish of Tautoga Americana. + +[4] Dirca palustris. + +[5] Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen. + + + + + + +Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel +met teekeningen van Charles Copeland: + + + 1 Dierenleven in de Wildernis (3de druk) + 2 Kijkjes in het Dierenleven (2de druk) + 3 Het Boschvolkje + 4 Op Eenzame Zwerftochten + 5 Boschgeheimen + 6 Een Broertje van den Beer + 7 Op Herten Uit + 8 Zonder Geweer op Jacht + 9 De Witte Wolf + 10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden + + + + + +End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS *** + +***** This file should be named 18072-8.txt or 18072-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/7/18072/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + diff --git a/18072-8.zip b/18072-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ca476ae --- /dev/null +++ b/18072-8.zip diff --git a/18072-h.zip b/18072-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0c3cda2 --- /dev/null +++ b/18072-h.zip diff --git a/18072-h/18072-h.htm b/18072-h/18072-h.htm new file mode 100644 index 0000000..b4b7d7d --- /dev/null +++ b/18072-h/18072-h.htm @@ -0,0 +1,3099 @@ + +<!DOCTYPE html +PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> + +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> + +<title>The Project Gutenberg eBook of Dierenleven in de Wildernis</title> +<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="author" content="William J. Long"> +<meta name="DC.Creator" content="William J. Long"> +<meta name="DC.Title" content="Dierenleven in de Wildernis"> +<meta name="DC.Date" content="# 2006"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css"> + + +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16% 1.58em 16%; +text-align: left; +} + +/****** Title Page ******/ + +h1.docTitle +{ +font-size: 1.6em; +line-height: 2em; +} + +h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle +{ +text-align: center; +} + +h2.byline +{ +font-size: 1.1em; +line-height: 1.44em; +font-weight: normal; +} + +span.docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} + +h2.docImprint +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: normal; +} + +/******* Headers ******/ + +.div0 +{ +padding-bottom: 1.6em; +} + +.div1 +{ +padding-bottom: 1.44em; +} + +.div2 +{ +padding-bottom: 1.2em; +} + +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-bottom: 1.0em; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +font-style: normal; +text-transform: none; +clear: both; +} + +h1 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h1.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h2 +{ +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5em; +} + +h2.label +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h3 +{ +font-size: 1.2em; +line-height: 1.2em; +} + +h3.label +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} + +h4 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.2em; +} + +h4.lghead +{ +margin-left: 10%; +margin-right: 10%; +} + +h5 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +h6 +{ +font-size: 1.0em; +line-height: 1.0em; +font-style: italic; +} + +/****** Paragraphs ******/ + +p +{ +text-indent: 0; +} + +.alignleft +{ +text-align: left; +} + +.aligncenter +{ +text-align: center; +} + +.alignright +{ +text-align: right; +} + +.alignblock +{ +text-align: justify; +} + +p.poetry +{ +margin: 0em 10% 1.58em 10%; +} + +p.line +{ +margin: 0 10% 0 10%; +} + +p.beforeline, p.afterline +{ +margin-top: 1em; +} + +p.initial +{ +text-indent: 0em; +} + +p.argument, p.note +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +text-indent: 0em; +} + +p.argument +{ +margin: 1.58em 10% 1.58em 10%; +} + +p.quote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + +div.blockquote +{ +font-size: 0.9em; +line-height: 1.2em; +margin: 1.58em 5% 1.58em 5%; +} + + +/****** Figures ******/ + +div.divFigure +{ +text-align: center; +} + +.floatLeft +{ +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} + +.floatRight +{ +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} + +p.figureHead +{ +text-align: center; +} + +p.figure, p.legend +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} + +p.smallprint, li.smallprint +{ +font-size: 80%; +color: #666666; +} + +/* Special cases for Filipino Riddles */ + +p.question +{ +text-align: left; +margin-bottom: 0em; +} + +p.answer +{ +text-align: right; +margin-top: 0em; +} + +p.explanation +{ +margin-left: 0.9em; +margin-right: 0.9em; +font-size: smaller; +} + + +/****** Sidenotes ******/ + +.leftnote +{ +position:absolute; +left:1%; +height:0em; +width:14%; +font-size: 0.8em; +text-indent: 0em; +line-height: 1.2em; +} + +/****** Page Numbers ******/ + +.pagenum +{ +display: inline; +font-size: 70%; +text-align: right; +position: absolute; right: 1%; +padding: 0 0 0 0; +margin: 0 0 0 0; +} + +.pagenum a +{ +text-decoration: none; +} + + +/****** Footnotes ******/ + +a.noteref:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.noteref +{ +font-size: 80%; +vertical-align: 0.25em; +text-decoration: none; +} + +div.footnotes +{ +padding: 0 0 0 0; +margin-top: 1em; +} + +hr.fnsep +{ +width: 25%; +text-align: left; +margin-left: 0; +margin-right: 0; +} + +p.footnote +{ +font-size: 80%; +margin-top: 0.5em; +margin-bottom: 0.5em; +} + +p.footnote .label +{ +float: left; +text-align: left; +width: 2em; +} + +/****** Poetry ******/ + +div.poem +{ +text-align: left; +margin-left: 5%; +width: 90%; +position: relative; +} + +.poem h4 +{ +margin-left: 5em; +font-weight: normal; +text-decoration: underline; +} + +.poem .stanza +{ +margin-top: 1em; +} + +.poem .linenum +{ +position: absolute; +top: auto; +left: -2.5em; +margin: 0; +text-indent: 0; +font-size: 90%; +text-align: center; +width: 1.75em; +color: #777; +} + +.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; } +.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; } +.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; } +.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; } +.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; } +.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; } +.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; } +.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; } +.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; } +.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; } + + + +/****** Annotations ******/ + +span.corr +{ +border-bottom: 1px dotted red; +} + +span.abbr +{ +border-bottom: 1px dotted gray; +} + +span.measure +{ +border-bottom: 1px dotted green; +} + +.letterspaced +{ +letter-spacing: 0.2em; +} + +.smallcaps +{ +font-variant: small-caps; +} + + +/****** Anchors ******/ + +a.hidden:hover +{ +text-decoration: none; +} + +a.hidden +{ +text-decoration: none; +} + +hr +{ +width: 45%; +margin-top: 1em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +clear: both; +text-align: center; +height: 1px; +} + + + + + +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} + +body, a.hidden +{ +color: black; +} + +h1, h2, h3, h4, h5, h6 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} + +.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend +{ +color: #001FA4; +} + +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} + +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} + + +</style></head> +<body> + + +<pre> + +Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dierenleven in de wildernis + Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg + en wat zij leeren moeten + +Author: William J. Long + +Illustrator: Charles Copeland + +Translator: Cilia Stoffel + +Release Date: March 29, 2006 [EBook #18072] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + +</pre> + + +<div class="frontmatter"><a id="d0e63"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e63">1</a>]</span><p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/front.jpg" alt="Voorkant oorspronkelijke uitgave."></p> +</div><p> + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt="Rug oorspronkelijke uitgave."></p> +</div><p> + +</p> +<p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<p class="aligncenter">Dierenleven in de Wildernis +<a id="d0e78"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e78">2</a>]</span></p> +<p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Haar staartje had zij weer rechtopgestoken, dit diende als baken, terwijl ze wegsprong."></p> +<p class="figureHead">Haar staartje had zij weer rechtopgestoken, dit diende als baken, terwijl ze wegsprong.</p> +</div><p> +<a id="d0e85"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e85">3</a>]</span></p> +<h1 class="docTitle">Dierenleven in de Wildernis</h1> +<h1 class="docTitle">Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij leeren moeten</h1> +<h2 class="byline">Met toestemming van den schrijver <span class="docAuthor">William J. Long</span> uit het Engelsch vertaald door <span class="docAuthor">Cilia Stoffel</span> +<br> +Teekeningen van <span class="docAuthor">Charles Copeland</span></h2> +<h2 class="docImprint">Derde Druk +<br> +Rotterdam MCMXXI +<br> +W. L. & J. Brusse’s Uitgevers-Maatschappij +</h2> +<p class="div1"><a id="d0e111"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Inhoud.</h2> +<p></p> +<ul> +<li><a href="#d0e158">Opdracht</a> 6 + +</li> +<li><a href="#d0e166">Voorrede</a> 7 + +</li> +<li><a href="#d0e190">Op Weg naar School</a> 9 + +</li> +<li><a href="#d0e322">Wat een jong Hertje moet weten</a> 25 + +</li> +<li><a href="#d0e403">Een Kreet in het Donker</a> 36 + +</li> +<li><a href="#d0e564">Ismaques, de Vischarend</a> 57 + +</li> +<li><a href="#d0e693">Hoe de kleine Visschers les kregen</a> 75 + +</li> +<li><a href="#d0e806">Het blijde Leven</a> 86 + +</li> +<li><a href="#d0e976">Hoe de Dieren sterven</a> 112 + +</li> +<li><a href="#d0e1069">De Indiaansche namen</a> 125 +</li> +</ul><p> + + + +<a id="d0e157"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e157">6</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e158"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Dit boek over Natuur en Dierenleven draag ik aan de Broederschap van Natuurliefhebbers op.</h2> +<p>Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner +andere boeken de wereld inzond: “Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die er naar streven hun lessen in natuurlijke +historie aantrekkelijker, pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied der wetenschap om, een blik +gunnen in die wijde natuur, waar hun een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der wetenschappelijke feiten +reikt.” + +</p> +<p>C. S. + + +<a id="d0e165"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e165">7</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e166"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Voorrede</h2> +<p>Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. +Zij zijn alle natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende levensgeheimen van een massa vogels en andere +dieren—schuwe, wilde wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen en hun nesten of holen in het hartje +der wildernis maken. + +</p> +<p>De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige, +dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. +Een poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, +vinden, waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de +dieren hier de namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit deels om de prettige herinneringen die +ze bij mij opwekken, deels om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt, maar toch voornamelijk omdat zoo’n +naam de eigenaardigheid heeft, door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor oogen te tooveren. Wie het +kleine wezen dat onder het trapje van zijn huisdeur woont, <a id="d0e173"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e173">8</a>]</span>dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt, maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo<a id="d0e175src" href="#d0e175" class="noteref">1</a> het heeft over K’dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt +en kan ik mij zoo’n beetje voorstellen hoe het er uitziet. + +</p> +<p>Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn +oude opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit +nieuwe boek. De bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de dieren weer leven, tot ze van achter oude, +mossige boomstronken naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun eenzame schuilhoeken; even nog blijven +ze staan luisteren en kijken onderzoekend naar mij om—net als ze in de wildernis deden. + + +</p> +<p><span class="smallcaps">William J. Long.</span> + + +</p> +<p>Stamford, Conn.<br> +September, 1902. + + + +</p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e175" href="#d0e175src" class="noteref">1</a></span> Een Indiaansche metgezel van den schrijver. +</p> +</div> +</div> +<div class="bodytext"><a id="d0e189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e189">9</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e190"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Op Weg naar School.</h2> +<p>’t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde zwemmen.—Daarbij +droeg zij ze op haar rug het water in, alsof ’t uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den zin had, +was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen +op en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit +eindelijk bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af, keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten +dan hun hol in. Een poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen vriendelijke overredingskracht van +de moeder kon er hen toe krijgen nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen; en al vleide ze nog zoo, +al rolde zij jolig in de dorre bladeren, het gaf alles niets—zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug te klimmen, zooals +ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatRight"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p009.jpg" alt="Twee vogeltjes op een tak."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op +net zoo’n manier had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn <a id="d0e202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e202">10</a>]</span>kant was niet zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er heel wat meer geplas en gespartel aan te +pas dan bij de vorderingen van de jonge ottertjes. + +</p> +<p>Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier—en zoo worden er ’s zomers in ’t bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat +iemand er op let—opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op +dezelfde wijze moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn +oude opschrijfboekjes en zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich om één hoofdgedachte; deze +namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is. + +</p> +<p>Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw +gezichtspunt op ’t gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht +wordt door zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren +tot diezelfde groep van menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in hun gewone doen heb waargenomen, +van overtuigd dat het instinct lang zoo’n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het niet van het instinct +afhangt of een dier al dan niet ondergaat in <a id="d0e208"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e208">11</a>]</span>dien voortdurenden strijd om ’t bestaan, maar wel van de leerschool die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer +ik van kinderen zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een andere naam voor een geheel van instincten, +die langzamerhand een hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe rol speelt in de geschiedenis en +de bestemming van het kind, maar dat oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van vormt—oefening in +de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het volgende +zei: “Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort +het toe voor tijd en eeuwigheid”. Zet zeven weken in plaats van zeven jaar, en ge zult een flauw besef krijgen van het plan +waarnaar onbewust elk moedertje in de natuur handelt. + +</p> +<p>Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit +het dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en veld op verkenning uit is. + +</p> +<p>De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben +niet veel aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit delven in hun strijd tegen de sterkeren. In +de uitgestrekte bosschen worden zij alleen groot, die hun <a id="d0e214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e214">12</a>]</span>natuurlijke voorgangers volgen tot ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding van de kleintjes voltooid +is, krijgen de dieren nog wel eens jongen, broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk tegen den +winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende +voorbereid, vallen <i>zij</i> ten prooi aan de zwervende roofdieren, die hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere leerschool +doormaakten leven en gedijen—in dezelfde bosschen, te midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier +natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er +niet aan partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster +raken of het oude, vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct hun niet; ze weten zich niet zooals hun +wilde stamgenooten voor hun vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen; en als de havik neerschiet +of de boschkat te voorschijn springt, zijn zij de eersten die er ’t leven bij laten. + +</p> +<p>Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe +vijf of zes rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van den omgang en het gezellig verkeer te leeren. +<a id="d0e221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e221">13</a>]</span>Tot op dat oogenblik hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder, geleefd, zooals alle andere dieren +in de natuur—een uitstekende methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog een voorbeeld aan kunnen nemen. +Nu werden ze voor het eerst bij elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven ’s winters, als alle rendieren in kudden +over de open vlakten zwerven. + +</p> +<p>Ze werden door de moeders naar een open plek in ’t bosch gebracht, naar ’t midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis +te maken, wat al heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de moeders uit de schaduw naar hen te +kijken; de bedeesde moedigden zij aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften ze of duwden ze op zij. +Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes leeren draven en over omgevallen boomen springen—een noodzakelijke, maar toch een +heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de +open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo’n verandering hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor +hem is geworden, zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal vindt ge een hertje in ’t bosch verstopt—zooals +het in het volgende hoofdstuk beschreven is—en ge staat er versteld van dat het niet wegspringt, maar zonder de minste vrees +op u afkomt, uw handen likt, u achternaloopt en verlangend, droevig <a id="d0e225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e225">14</a>]</span>blaat, wanneer ge weer gaat. Ge moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste dieren, als ge ze maar +zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben, geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt, maar +een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen. + +</p> +<p>Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, +alsof ’t om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger +kwam ’t in uw hart op ook maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van Kis<a id="d0e229src" href="#d0e229" class="noteref">1</a> gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout +dreef die niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij wierp haar kop achterover, stak haar neus +in den wind, snoof, en met een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen snelde zij weg. Zoo’n les +hoeft maar zelden herhaald te worden—van dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje; en als de wind +het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen van +de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht slaan hebben nog nooit een mensch gezien <a id="d0e232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e232">15</a>]</span>of kwaad van hem ondervonden; ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd. + +</p> +<p>Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef stellen. Zoek in ’t voorjaar eens een kraaiennest (ik kies +de kraai, omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden) en als de jongen bijna “vlug” zijn, ga er +dan eens stilletjes heen. Op een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en tegenover de jongen haar +vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang, of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat is de +eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen +in evenwicht houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun vleugels het vermogen hebben hen te dragen. +Den daarop volgenden dag kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen, en als de afstand groot is gebruiken +ze hun vleugels. De kleintjes doen aan ’t spelletje mee, en—kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen, zonder ook maar in ’t +minst te beseffen dat ze er les in kregen. + +</p> +<p>Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan +worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze maar zoo’n schijntje hoeven te weten en ’t met hun instinct +alleen wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten <a id="d0e238"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e238">16</a>]</span>niet alleen zichzelf kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze van die wezens afhankelijk zijn—het +is hun voedsel; en een beetje moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas zijn, omdat ze er zich door +list of vlugheid tegen beveiligd moeten houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts een zorgvuldige, +moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld. + +</p> +<p>Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar +gaan, waar ze den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken +ze den weg van de zee naar de rivier terug—steeds dezelfde rivier is het—, waar ze werden uitgebroed. De meening is geuit, +als zou dat heen- en weertrekken uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik geloof—en dat geloof berust +op de bijzondere studie die ik van forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen over diepzee-onderzoek—dat +ze de groote visschen uit dezelfde rivier, die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden aangetroffen, +volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct. + +</p> +<p>In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks +méér met het verstand te maken heeft <a id="d0e244"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e244">17</a>]</span><span class="corr" title="Bron: maken heeft "></span>dan bij ratten, bij eekhoorntjes, bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging tot trekken openbaart. +Als ze aan zichzelve werden overgelaten, zouden de jonge vogels in het Noorden of in ’t Zuiden nooit hun nest terugvinden. +Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker, en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten zich +dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude, die meer ervaring hebben, en <i>niet</i> door hun instinct, den veiligen weg naar de kust kennen—de zeeën over, wildernissen door, nog door geen menschelijken voet +betreden, tot daar waar hen een ongestoorde rustplaats en voedsel wacht. + +</p> +<p>De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is, maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of +tien of twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht +jonge goudpluvieren, die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze kust aan land te gaan, heb ik er een +enkelen keer twee, drie oude waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen oogenblik aan of deze oudere +vogels zijn de gidsen. Ook komt het mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen, die de plevieren zoo +geregeld houden als een peloton soldaten. + +</p> +<p>Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de hoogere soorten komen. Het voornaamste <a id="d0e254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e254">18</a>]</span>en krachtigste instinct is daar, evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid—maar er bestaat een belangrijk verschil tusschen +die twee, tusschen het jonge menschelijke en het jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door dagelijksche +oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten +en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, +dat tot in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid hoeft te geven en iedereen luistert er naar en +er wordt een drukte van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind verliest daardoor dikwijls genoeg het +reddende gehoorzaamheidsinstinct en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen heeft uit te deelen die +anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de gehoorzaamheid +gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan; want zonder gehoorzaamheid is het leven een last. + +</p> +<p>Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde, weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in <i>dat</i> rijk wordt gekend en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn bestaan in de natuur heeft. Het is de +cijns, dien de onwetendheid onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke betaalt. Dat begrijpen <a id="d0e261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e261">19</a>]</span>alle moeders in de natuur, van den patrijs af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen, in stille, ster-heldere +nachten, geven zij er onderricht in, totdat de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken, tot zij, dank +zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van het +dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt, wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de +natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst; +hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren, +en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,—die moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar +om zich heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid +herziet. + +</p> +<p>Daarom zou ik dit boek “de Boschschool” kunnen noemen; want ’s zomers is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal +aan lokaal allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, +tweederangs-navolgingen zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens de regelen der kunst; en zoo’n +oppervlakkig Fransch of letterkundig vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid <a id="d0e265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e265">20</a>]</span>doet leven: dat is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder +het; zij dankt er haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften komen pas in de tweede plaats: wanneer +ze zich moeten verstoppen en wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen; hoe ze die groote verscheidenheid +van dingen die ze in de wereld zien—klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken—uit elkaar moeten houden en in hun geheugen +prenten, om oogenblikkelijk de daad te laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt—nog eens: al die verrichtingen +die niet zoozeer een zaak van ’t instinct zijn als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing. + +</p> +<p>Bij de opleiding die ze daar in ’t bosch krijgen gaat het om het leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk +als de dood. Iemand die lang zoo’n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer +hij ziet met welk een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt. + +</p> +<p>Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes +dulden; en die vlugger van begrip zijn—de kraaien en wolven bijv.—maken onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. +Toch kennen ook <i>zij</i> teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer geëischt dan ze kunnen. <a id="d0e274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e274">21</a>]</span>Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en worden daarna +de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen, en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in +’t leven te blijven. + +</p> +<p>Er is nog iets. Het is in ’t oog loopend hoe vroolijk het op die bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de +natuur toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen +nagaan <i>hoe</i> vrij zij zich wel voelen, <i>hoe</i> zij genieten onder ’t spelen, <i>hoe</i> levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart en oogen open al gauw in de boschschool leert. + +</p> +<p>Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in ’t dorre gras, en zijn kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die +al maar boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het +verstandige van dat stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar—voor zoover ik er over kan oordeelen—hoe volkomen +hij voor dien scherpen blik, waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en zijn roerloosheid. Negen +en negentig van de honderd keer is hij er ook heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij eenig +begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van die merkwaardige kleur <a id="d0e289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e289">22</a>]</span>wezen, <i>èn</i> voor het feit dat de natuur ook nog aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik gaf en maakte dat +die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar <i>nu</i> meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet. + +</p> +<p>Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou +zijn, van schrik en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. +Het dier maakt eenvoudig van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen die mensch en dier altijd kenmerken +als ze hun buitengewone gaven gebruiken. + +</p> +<p>De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi loert, geniet niet meer—neen, eer minder—van zijn gezichtsvermogen +dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en +haar jongen ergens verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan maar zoo in ’t volle gezicht weg om +de aandacht van den roover van haar kindertjes af te leiden, en op ’t laatste oogenblik springt zij de ruigte in, waar de +breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is ook volstrekt niet overstuur, maar als ’t gevaar geweken is en zij terug komt +<a id="d0e301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e301">23</a>]</span>huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als een koningsvogel. + +</p> +<p>Het <i>is</i> gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op +dat hert, hoe prachtig het daar—als een valk zoo licht en vlug—voortsnelt over een terrein waar elk ander dier met zijn pooten +zou verward raken en aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo’n zuiver berekenden boog in de altijd-groene +moerasplanten neerduikt om een schuilplaats te zoeken. ’t Is of hoef en wiek om ’t hardst het gevaar uitlachen dat achter +hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, van hun geoefendheid. + +</p> +<p>Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor iedereen die met open oog door ’t rijk der natuur gaat, +slechts bij wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker u dat er werkelijk zoo goed als niets te +zien zal zijn van al wat u ’t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, geen tooneeleffect van ellende +en strijd; integendeel: een opgewekt, gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met hernieuwden moed tot +onze eigen leerschool doet terugkeeren. + +</p> +<p>De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren +houden en wien de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat <a id="d0e312"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e312">24</a>]</span>een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; +en al die menschen vragen: “Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; komen ze ten slotte droevig om?” + +</p> +<p>Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, +die de dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten liggen tot er in een lateren bundel opstellen +en mededeelingen over de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: “het blijde Leven” en “hoe de Dieren sterven”. Ze geven +er, heel in ’t algemeen, een kort verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk <i>is</i>; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen +en nagegaan, gekomen. + +</p> +<p>En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal +moeten wachten—dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige van de natuurwezens die er werken en spelen. + + +<a id="d0e321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e321">25</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e229" href="#d0e229src" class="noteref">1</a></span> I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) hooger dan al het volk. +</p> +</div> +<p class="div1"><a id="d0e322"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Wat een jong Hertje moet Weten.</h2> +<p>Tot op dezen dag is ’t nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze +verstopt. Ik volgde den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van de groote bosschen naar een diepe +vallei bracht. Er was een zware boom over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn bruggen er om er +over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten boomtronk +zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, en wat voor pootjes er zoo al langs ’s Heeren wegen wandelden. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatRight"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p025.jpg" alt="Vos die over omgevallen boom loopt."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde schors. Zoo’n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn—en +kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! +Als zijn luie aard hem op zoo’n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, is het op de helling wel veertig mijlen in ’t +rond na te gaan waar hij bezig is geweest.—Daar, aan den anderen kant, liggen de bronsgroene schubben van een pijnappel—spaanders +uit de werkplaats van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van zijn gele voorschoot had gestreken, +toen hij te voorschijn schoot <a id="d0e334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e334">26</a>]</span>om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is ’t spoor van een “mink”, en ’t is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar +een poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek +zit te bengelen, hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, een gekronkeld geel haar. Dit verraadt +mij hoe Eleemos, de Leeperd, zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat te maken en daarom een omgevallen +boom of een steen in de beek als brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.—Vlak voor mij lag nog een gevallen +boom zóó langs het water dat geen dier er over zou loopen, of ’t moest een “mink” zijn op roof uit—gevaarlijker beest zou +er niet over denken. Onder de wortels die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, waar de uiteinden +der neerhangende sparretakken als een gordijn voor de deuropening hingen. “Wat een mooie plaats voor een hol,” dacht ik, “want +niemand zou je daar ooit vinden”; maar—alsof ’t gebeurde om mij tegen te spreken—daar vond me een verdwaalde zonnestraal het +plekje en wekte een geglans en geflonker van <a id="d0e336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e336">27</a>]</span>dansende schaduw en spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p026.jpg" alt="Twee herten verstopt in struikgewas."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>“Wat mooi!” riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte +weer weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van +wit en geel. Ik bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen—en de bruine vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht +vachtje; de witte, de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, die daar doodstil en angstig bleven +liggen op de plaats waar hun moeder hen bij ’t weggaan verstopt had. + +</p> +<p>Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk als Jozef een “veelvervig” rokje aan; en mij dunkt dat +ze ook een soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan liggen, en ze werden onzichtbaar. + +</p> +<p>Die eigenaardige teekening—net het spelen van licht en schaduw door de bladeren—verborg de beestjes volkomen, zoolang zij +zich stilhielden en de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren een studie voor een kunstenaar, zoo +teer, zoo sierlijk, zoo fijn van kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo vragende onschuld, toen +ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk als mijn eigendom +beschouwde. In ’t heele bosch bestaat er niets dat zoo <a id="d0e349"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e349">28</a>]</span>stormenderhand ons hart verovert als ’t snoetje van een jong hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets +bewoog er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. +Dit was de oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. +Dus toen het gordijn van sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn handen ze aanraakten, hielden +ze hun kopjes nog stijf tegen den grond gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen boschgrond, de teekening +op hun glanzende velletjes maar vlekken van zomerschen zonneschijn. + +</p> +<p>Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke +mooie beestjes, zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en vragen tintelend in hun zachte oogen, toen +zij mij weer aankeken als een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren aanleg, dat wij nergens iets +moois kunnen zien of wij willen er naar toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was zoo mooi als men +maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,—ik kon niet weggaan. + +</p> +<p>De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte +ooren de plekjes uit waar <a id="d0e355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e355">29</a>]</span>ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm +onder hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. +Plotseling staken ze hun kopjes op. ’t Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun eerste les vergeten, vergeten dat zij +zich moesten verbergen. Zij wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, onschuldige vraagoogen. Het +was zoo heerlijk mooi dat ik geheel verslagen stond. Zoo’n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben aangekeken, en we +zouden er, als ’t noodig was, ons leven voor overhebben om het te beschermen. + +</p> +<p>Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. +Hun moeder had ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. +“Aanvaard de gaven die de goden u schenken,”—die gedachte ging door hun kopjes, en wat ze proefden, toen ze met het tipje +van hun tong mijn hand belikten, was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, draafden ze met een klagend +geluidje achter mij aan om mij terug te halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen mij aan, elk aan +een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden geaaid en gekrieuweld. +<a id="d0e359"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e359">30</a>]</span></p> +<p>Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken +van de wereld opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, bij ’t minste geluid zenuwachtig te trillen +en zich luisterend naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een takje te knappen; het ruischen van de +beek hoefde maar even aan te zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en dadelijk waren de hertjes +op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam naar boven en keken +zij mij aan. “Wat een merkwaardige wereld is dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, vertel ons +er alles eens van,”—dat zeiden die mooie oogen, toen ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke leven. +De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje +in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes +voor den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe gewaarwording van te likken aan een menschenhand, +waar, ergens onder dat streelende ruwe, zoo’n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren nog bezig mijn handen te belikken, dicht +tegen mij aan genesteld, toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte. +<a id="d0e362"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e362">31</a>]</span></p> +<p>Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich +op dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, +behalve wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer +het hem eigenlijk goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door ’t bosch snelt, geeft dat een licht, +kort, knappend geluid, als ’t “<i>plop</i>” van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder +van mijn onschuldige kleintjes was in aantocht. + +</p> +<p>Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte +ik mij naar het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege was, brak er weer met een korten knap een +tak; er schoot een geritsel door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte zachtjes, toen ze den stam in +’t oog kreeg waar haar leger was. Toen ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over haar heele lichaam, +haar ooren als twee beschuldigende vingers naar voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij haar +jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde +zich om te vluchten, elke spier <a id="d0e370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e370">32</a>]</span>gespannen tot den sprong, maar ’t was of haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de spieren zich +en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte +haar lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze <i>kon</i> niet heengaan, <i>kon</i> haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking +mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid <i>k-a-a-h! k-a-a-h!</i>—het noodsein der herten—als trompetgeschal door de bosschen en snelde zij ’t beschermende kreupelhout weer in. + +</p> +<p>Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. +Maar die vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen +met een naamlooze ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij aan en langzamerhand werden ze weer rustig, +doordat mijn handen, zonder beven, kalm hun flanken streelden. + +</p> +<p>Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich +haar kopje met doodsangst in de oogen,—dan weer stoof ze weg met haar witte staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te +wijzen welken weg ze moesten nemen. Maar de <a id="d0e385"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e385">33</a>]</span>hertjes letten niet meer op dat eerste noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; hun oogen, die +nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden +een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid +toch nog,—die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was door honden en belaagd door geweren—en zij bleven +waar zij zich veilig wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging. + +</p> +<p>Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer +achter ’t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, duwde ik ze nog eens terug. “Daar blijven, en +naar je moeder luisteren; daar blijven en doen wat je moeder zegt,” bleef ik maar fluisteren; en ik geloof altijd nog half +en half dat ze het begrepen—niet de woorden, maar den zin die er achter stak—want na een poosje werden ze kalm en gluurden +met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den gevallen boomstam +heen, om ze van ’t spoor af te brengen als ze er soms uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij +niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de open plek af, een paar meter verder, <a id="d0e389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e389">34</a>]</span>waar de witgezengde stammen op de verbrande helling door het groen van ’t groote bosch schemerden, en ik klauterde en keek +uit, en veranderde net zoo lang van plaats, totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes zich onder +de wortels verstopt hadden. + +</p> +<p>De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was ’t weer stil geworden. Een beweging in ’t kreupelhout—en daar kwam de +hinde voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte +zachtjes: het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. +Elke lijn van haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog +en ze scherp besnuffelde, van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch vooral maar zeker, heel zeker +te zijn dat het haar eigen jongen wel waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes zich dicht tegen +haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken +met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch om was en waarom zij was weggesneld. + +</p> +<p>Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een +golf over haar heen, hoe volstrekt <a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">35</a>]</span>noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten sprong +schoot ze op zij en heesch snerpte het <i>ka-a-a-h! ka-a-a-h!</i> weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik +stonden de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en +hobbelden ze weg op hun ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het bosch hun leidsvrouw dapper achterna. +En ik zat er naar te kijken uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit meer zouden toehooren, geen +enkel oogenblikje meer, en ik zag niets dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits van een wit vaantje. +Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit het gezicht. + +</p> +<p>Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.—Toen ik ze weer zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen +aan die twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot wil worden in het uitgestrekte bosch. + +<a id="d0e402"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e402">36</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e403"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Een Kreet in het Donker.</h2> +<p>Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond—net zooals ik +het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken ze op ’t eerste gezicht als twee droppels water op elkander, +ik ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard—dat +alles was bij hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was een verstandig en ’t ander een dom klein ding. +Het een was volgzaam en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede volgde van ’t begin af alleen zijn +eigenwijze kopje en pootjes, tot het eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was—maar toen was het te laat. +Voordat de beer hem te pakken kreeg,—ik geloof zeker dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid +slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik +maken van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan. + +</p> +<p>Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het +nog eenzamer was, in ’t hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar voedsel haalde en hen dus des te gauwer +bereiken <a id="d0e410"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e410">37</a>]</span>kon. Nog dagenlang na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij ’t krieken van den dag, of laat in den middag, als de hertemoeders +gewoonlijk langs de oevers aan ’t weiden zijn, op uit om het dal van ’t begin tot het einde af te zoeken, in de hoop de kalfjes +terug te vinden en hun vertrouwen te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken wijdde ik mijn aandacht +aan een otterfamilie, die in een hol onder een boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden spar kwam +slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden +van het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen +onder de kruin van een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was. + +</p> +<p>Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder +mijn voeten bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond +kon ik ze prachtig waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos <i>mij</i> nauwelijks ontdekt zou hebben; maar bij ’t eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, als duiveltjes in een doosje, wanneer +’t haakje los wordt gemaakt. De moeder stak haar witte vaantje in de lucht—den sneeuwwitten onderkant van haar nuttige staartje, +die bij dag en bij nacht als een baken licht—en sprong <a id="d0e417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e417">38</a>]</span>weg met een heesch <i>ka-a-a-a-h!</i> tot waarschuwing. Een van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, terwijl het met zijn eigen +witte vaantje wuifde om den weg te wijzen aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er op staanden +voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een +grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar +eindelijk onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde haar hangend staartje zenuwachtig— + +</p> +<p>Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen +neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd is.—Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje +steil overeind, floep!—vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde het, zoo goed als elke andere taal, welk sein +het maar te volgen had om aan ’t gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het verwarde kreupelhout. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p038.jpg" alt="Hertje dat net wegspringt in het kreupelhout."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. +Wie een opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte +boomstronken, over het dooreengestrengelde <a id="d0e431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e431">39</a>]</span>kreupelhout—nu in snellen sprong zwevend aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij ’t dalen pas weet hoe ’t +aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen om +geen voet te verstuiken of een enkel te breken,—vraagt zich te vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar +in de wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie ’s nachts een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, +misschien wel over een woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld heeft, zoodat ge er u bij dag +nauwelijks een weg door kunt banen, dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van een hertenopvoeding +niet uit een scherp gezicht of trompetooren of zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke barometer) +blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn pootjes denkt. ’t Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in +hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te zien is. + +</p> +<p>Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door ’t kwispelen van haar staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen +moet. Zij denkt slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam +zweeft, hangen ze zoo slap als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in ’t enkelgewricht en wachten en <a id="d0e435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e435">40</a>]</span>loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan: bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein <span class="corr" title="Bron: oogenklik">oogenblik</span> heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam, getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten, +weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze +grond raken, hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben, hoe ze zich schrap hebben gezet—in zoo’n +ondeelbaar oogenblik, dat het onzichtbaar blijft voor het oog—voor den schok op steenen of vermolmd hout of veerend mos, of +wat daar aan dien anderen kant ook ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en schieten vast en zeker +op hun landingsplaats neer; de hoeven van de achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder ’t dalen terechtkomen, en voordat +ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p040.jpg" alt="Hert in het water staand."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot—dat was nog te weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde +bok, ten doode toe door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan; maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig +toch dat het niet met elk hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt. + +</p> +<p>Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd moeten leeren gehoorzamen dan <a id="d0e449"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e449">41</a>]</span>hun eigen kopje. De moeder moet den weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een verstandig hertekalf +zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te loopen—zelfs +als ze al lang volwassen zijn—soms wel een stuk of zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor, dat ze +maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch, +om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen, in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar +het geschiedt ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor ’t eerst het vaantje leeren volgen. + +</p> +<p>Na die tweede ontdekking ging ik ’s middags vaak naar een bepaald punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, +wachtte dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel +alsof de hinde altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar +in mijn kano zat te wachten, hoorde ik gekraak in ’t struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan, onachtzaam bijna, op het +meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks den +tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in de lucht was, en sprong op de bladeren <a id="d0e453"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e453">42</a>]</span>van de waterlelies af. Soms lag mijn kano in ’t volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar rukte de sappige knoppen en +stengels af en slikte ze door met een graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg, sloeg de richting +in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond. + +</p> +<p>Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden, herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, +zoodat ze, als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen, in een ommezien in ’t kreupelhout gesprongen +waren. Het eene ging er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend om te toonen dat hij zijn les had onthouden; +het andere liep in een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om achterom te kijken en mij nieuwsgierig +met oogen en ooren op te nemen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatRight"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p042.jpg" alt="Lynx die aan bot kluift."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Zoo’n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen—dat bleek mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo’n bloeddorstig +roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken +waar een dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging, plotseling aan ’t verhaal over dien kleinen baas +een einde hebben gemaakt. Het was laat op den middag, toen <a id="d0e464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e464">43</a>]</span>ik op weg naar het meer langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang, nauw dal, waar ’t vol frambozen +stond met hier en daar wat geblakerde boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene van die plaats +te doen uitkomen. + +</p> +<p>Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje +zoo aan te kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij +haar kon komen, en wat ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de eerste beweging die ik maakte, +(ik had als een oude boomstomp boven op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een hertekalf te voorschijn, +dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar kop in den +nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde +of zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: +“Achter je moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!” Toen sprong ze weg, vlug als de wind den heuvel aan den overkant +op, boomwortels en rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong klonk haar heesche schreeuw, terwijl +haar waakzame kleintje prachtig zooals ’t hoorde haar volgde. +<a id="d0e468"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e468">44</a>]</span></p> +<p>Op ’t eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in ’t kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te +voorschijn. Ik herkende het dadelijk—het zieltje zonder zorg—en begreep dat het al te lang dat volgen van ’t vlaggetje veronachtzaamd +had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant +uit rennen het hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van mij af was. Toen pas kreeg het den man +in ’t oog, die daar voor hem op ’t pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke ontdekking stond het stokstijf +stil en scheen ineen te krimpen onder mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk, verschool zich +tusschen de wortels en bleef roerloos staan,—een alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de ruige +bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd: zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede +voorschrift was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p044.jpg" alt="Hert van voren gezien."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste +lesje: hij schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk..., twee passen naar mij toe, en stampte grappig +met zijn linkerpoot. ’t Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het hem ooit geleerd was. Het is al zoo’n +oude krijgslist, iemand een beweging <a id="d0e478"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e478">45</a>]</span>te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat +je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, +het pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet +aan, hij wilde er ’t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn +en wuifde er zachtjes mee; dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond hij weer stil en keek en +stampte met zijn pootje, om mij te toonen dat hij niet bang was. + +</p> +<p>“Kleine, dappere baas, jou mag ik zien,” dacht ik bij mezelf, en mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje +stond te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie snuitje. “Maar,” dacht ik verder, “wat zou er +nu al lang met je gebeurd zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen kijken? De volgende maand zal +de jacht helaas open zijn; dan komen er hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun hart hebben achtergelaten. +Geloof me maar, kleine baas, die kun je niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen.” + +</p> +<p>De nacht daalde snel. ’t Geroep der moeder galmde hoe langer hoe angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar +de duisternis toenam. Met <a id="d0e484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e484">46</a>]</span>plotselinge gewetensknaging en schrik dacht ik: “Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine baas, toen +ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam.” Zoo gaat het gewoonlijk +wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze +doet. “Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden boomstam, en het andere—dat is ginds bij je moeder +op ’t oogenblik, waar jij ook hoorde te wezen,—dat begrijpt dat oude wetten veiliger zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als +die opkomen in het kopje van zoo’n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij ’t verkeerde eind, kleine baas, al lijkt +je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb je mijn hart gestolen door ’t gestamp met je pootje. Misschien is het alles +bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal ik het je nu wel anders leeren.” + +</p> +<p>Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. +Oogenblikkelijk was ’t met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken +op de helling. Daar hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem, dank zij de boschtelegraaf en den +wind die de berichten overseint, in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht. + +</p> +<p>Wie met open oog en oor een week of wat in de <a id="d0e490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e490">47</a>]</span>wildernis leeft merkt al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind toeval, zooals het lijkt, maar +dat hij er te midden van wetten en regels woont—een staat van zaken die al van veel ouder datum is dan die waaraan hij is +gewend en waar het ook niet geraden is in te grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen schemeravond +langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd +waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde +botjes die er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad +op het meer uitliep om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de monding van dat beekje lag een diepe +waterkom tusschen de rotsen, en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik eens op een avond—een dag of +veertien later—bezig om te probeeren of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen. + +</p> +<p>Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling: +de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze ’t water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door +hun instinct èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor hun part net andersom <a id="d0e494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e494">48</a>]</span>genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen. + +</p> +<p>Maar ’s nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om in ’t ondiepe water langs den oever rond te loeren en +af te wachten wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte—in den vorm van nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten +te kwaken, van slaperige voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met zilveren vlerkjes in de lichtstreep +die over ’t water viel uitgooide, ving wel eens een dikkerd. + +</p> +<p>Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of niet. Ik moest als ’t ware met mijn ooren visschen en al +mijn verstand bijna in mijn handen hebben—klaar om gauw en krachtig op te halen, als het juiste oogenblik gekomen was na een +uur lang vergeefsch ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde je alleen den harden plons, als hij +met de vlieg naar beneden schoot dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo’n plons met een ruk op, dan kreeg +ik mijn vlieg terug of ze raakte verward op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar het schijnsel +van ’t vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel +van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen, had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart +op het <a id="d0e500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e500">49</a>]</span>water geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er ’s nachts op na om er achter te komen wat voor raar +ding dat toch is en wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan ’t visschen ben staan de groote, donkere bosschen dicht om +mij heen stil te luisteren. Overal zijn geuren die alleen ’s nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van dauw. Langs de helling +ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep, gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit de +lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. +Daarom is het even prettig ’s nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd vol indrukken weer naar huis te keeren, +al is de vischben dan leeg. + +</p> +<p>Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of ’t +weer vertrouwd was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in ’t kreupelhout hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar +zag ik twee groote, gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren—de oogen van een hert. Een vlug geritsel—en een beetje +lager nog twee kolen, die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog twee. Toen begreep ik dat het de +hinde met haar kalfjes was. Zij waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den grond genageld, door dat +wonderlijke licht en de dansende schaduwen betooverd, die op de schichtige boschbewoners <a id="d0e504"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e504">50</a>]</span>komen aanschieten alsof zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en glijden weer terug, dat het wel +een uitnoodiging lijkt om mee te doen met hun stille spel. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p050.jpg" alt="....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder."></p> +<p class="figureHead">....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde +en het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de +moeder, met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu eens staarde ze strak in het vuur, dan weer +sprong ze zenuwachtig heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep schaduwen kwam aansnellen om hinkepink +met de kleintjes te spelen, die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een oogenblik. Toen kwam een van +de hertjes—zelfs bij het schijnsel van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn vroolijk geappelde +velletje—recht op mij aan, om bij het oplaaien van ’t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje +te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was. + +</p> +<p>De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden +en trippelde nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend, roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen +haar en het vuur in kwam en zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was, en haar <a id="d0e515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e515">51</a>]</span>deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met +geweld los uit die betoovering, en haar heesche kreet <i>k-a-a-ah! k-a-a-ah!</i> galmde als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg, terwijl haar staartje in de duisternis glansde +als het schuimkroontje op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen. + +</p> +<p>Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij +bleef, en ging toen weer verder op ’t licht af, turend en stampend van louter dwaze verwondering. + +</p> +<p>Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren +met dat glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als tintelende regenbogen door het vlammende vuur +ontstoken. Achter hem, in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu eens dichter bij, dan weer ver weg. +Plotseling kwam er een wijziging, een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik dat roepen om te volgen, +en ’t gekraak in het kreupelhout als ze wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige geschiedenis die +daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe—dat was de snelste +manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die pracht in duisternis <a id="d0e524"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e524">52</a>]</span>verdween en de reuk van een mensch hem op het koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas er springend +vandoor—helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan. + +</p> +<p>Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen, in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en +ik liep kalm het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den heuvel, waar het dalende pad verloren ging +in een nauw, donker dal met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij onder de hooge boomen het hertje +antwoorden en begreep dadelijk dat er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren riep het al maar door; +’t was een klagende angstkreet. De moeder draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, maar het bleef +hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en weer +in den luisterenden nacht.—<i>Woe-woe</i>, “kom hier.” <i>Bla-a-a, bl-r-t</i>, “ik kan niet; kom bij me.” <i>Ka-a-ah!, ka-a-ah!</i> “onraad, volg me!”—en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde met het andere hertje achter zich aan; dat zou +ze redden, al moest ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de sluipende wilde beesten in den nacht. +Het was duidelijk genoeg wat er gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als ge de <a id="d0e537"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e537">53</a>]</span>taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar +lag hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren +dat hij zoo lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, +en elk oogenblik stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, kwam er iets met gedruisch langzaam, +zwaar, van den heuvel, en ging vlak voor mij heen. Iets in ’t geluid misschien—een log en toch bijna geruischloos voortbewegen, +waartoe slechts één dier in de wildernis in staat is—ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst niet was in de vochtige +lucht, verried mij dadelijk dat scherper ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, zijn boschbessenterrein +in den steek had gelaten om het niets kwaads vermoedende hertje te besluipen. Hij wist—zooveel hadden zijn ooren hem wel verteld—dat +het in de duisternis van zijn waakzame moeder was afgeraakt. + +</p> +<p>Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug—ofschoon Mooween eigenlijk op niets let, als zijn wild op de been is—en snelde +naar mijn kano om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, maar ik was er nog nooit eerder ’s nachts +zoo laat een tegengekomen, en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles hangt trouwens <a id="d0e541"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e541">54</a>]</span>van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; en doet +ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed, met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder +den trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van. + +</p> +<p>Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt u gerust hieraan houden—wat ge ook voelt: angst of twijfel +of vertrouwen—dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel +gekenmerkt zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam eens een beer tegen op een nauw pad—maar dat +vertel ik wel op een andere plaats. + +</p> +<p>Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug +was gegaan, zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven +aan de wanhopige moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een hoogen boom op den heuvel, die tegen den +hemel stond afgeteekend; al langzamer en langzamer, tot er—juist aan dezen kant van den dikken, omgevallen boom—een tak luid +kraakte onder mijn voet. Dadelijk klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en ’t geluid van een sprong—en toen +vluchtte er een beer krakend den heuvel op, met iets in zijn bek dat zwaar <a id="d0e547"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e547">55</a>]</span>tegen het kreupelhout slingerde en in ’t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de verte met zwak +geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren. + +</p> +<p>Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen oever aan een zijtak van ’t groote meer was opgeslagen, +de moeder bij tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te loopen, boven de plaats waar het treurspel +zich had afgespeeld. Met haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks ze met haar kleintje gedaan +hadden wist zij niet. Er klonk een angstig vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar mijn tent werd +voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik naar de plek terug. ’t Kostte mij niet veel moeite te vinden waar het +hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen +had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige +uitsteeksels van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo ging het den heuvel op, naar een woeste, +wilde streek, waar het geen nut had het nog verder te volgen. + +</p> +<p>Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna ’t +geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed een hert. De moeder <a id="d0e553"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e553">56</a>]</span>had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje bij +mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene +hertje, waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen in de stilte van de groote, onnaspeurlijke +bosschen. + +</p> +<p>Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het +kreupelhout scherp naar mijn oude kano stond te turen; op ’t zelfde oogenblik zag ze mij echter en verdween ze met een sprong +in mijn richting, zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs was gegaan, liet ze haar heesch <i>ka-a-ah, ka-a-ah!</i> hooren en stak haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een scherp <i>ka-a-ah, ka-a-ah!</i> beantwoordde het hare; het tweede hertje drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, en schoot met +haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen +stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, +om toch maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift. +<a id="d0e563"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e563">57</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e564"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Ismaques, de Vischarend.</h2> +<p><i>Oewit, oewit, tsjwie?</i> <i>Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!</i> zoo klonk gierend en snerpend Ismaques’ jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede +wieken over mij heen zien zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in mijn kano spiedde of naar het +koele plekje tusschen de rotsen achter mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch in ’t oog kreeg—een +zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik mijn zwartvisch<a id="d0e574src" href="#d0e574" class="noteref">1</a> wegborg om ze voor berenaas te gebruiken—schoot hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat klaarspeelde. +Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer +weg met een aanmoedigend <i>k’wie-ie!</i>—dat is zooveel als “goede vangst” van een broeder van ’t visschersgilde. Want er is geen kwaad haar aan Ismaques, er schuilt +geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd ophaalt, zelfs +al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat zijn +gemoedsrust er door verstoord wordt. + +</p> +<p>Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: <a id="d0e582"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e582">58</a>]</span>“zal een luipaard zijne vlekken veranderen?” schijnt te logenstraffen en tot een ander mensch schijnt te maken wie als de +knoppen zwellen zich haast bij ’t verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat hij visscher werd was +hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar nu leeft hij +met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als +een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als +alle andere roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het +sein om zich te verbergen. Dan riepen gaai en kraai: “dief, dief!” Dan liet de koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen +en schoot voor den dag om ’t gevecht te beginnen. En nu—de kleine vogels bouwen hun nestjes tusschen de takken van zijn groote +woning en de schaduw van zijn wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat hebben al lang geleerd dat +het maar ’t verstandigst is goed op een afstand te blijven van Ismaques’ woonplaats. + +</p> +<p>Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg +maken als hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, +roepen <a id="d0e586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e586">59</a>]</span>ze allen hartelijk “goede vangst” achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen uit de eigen waterkom waar de dikke +forellen huizen en waar zij van plan zijn bij zonsondergang in te gooien. + +</p> +<p>De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het uit bij zijn terugkomst—zoo geregeld als de maanden van +het jaar. In éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders +zelfs, die niet aan jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog aan en maakten met hem een uitzondering +op dat algemeene verlof tot dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, een zekeren Eliphalet Bodman, +een Belialskind klaarblijkelijk, “openbaarlijk gestraft” hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en lood een vischarend om +het leven had gebracht en het nest met de eieren van een anderen boosaardig vernield had. + +</p> +<p>Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of +eenvoudig op jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient +hier echter alleen, om aan te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke menschen waren; dat die brave, +eenvoudige visscher, met zijn nest bij hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij de Duitsche +dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,—en zijn komst <a id="d0e592"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e592">60</a>]</span>werd door de visschers als een voorteeken van een goede vangst beschouwd. + +</p> +<p>Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge +door weelde noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog jong waren al op onze verbeelding werkte en +zich een goede gezindheid verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik mijn tent aan het meer opgeslagen; +ik kon er maar niet toe besluiten op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede vischwater. Tegenover +mij hadden een paar vischarenden in den top van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. <i>Zij</i> waren het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien +hoe ik het maakte, en om mij een verheugd <i>Tsj’wie! tsjip, tsj’wie-ie!</i> “goeie vangst, en visch plezierig!” toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, +om er mij van te overtuigen dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en niet oprecht belang stelden in +de manier waarop ik te werk ging, en in het succes dat ik er mee behaalde. + +</p> +<p>Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op +te vangen van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken <a id="d0e604"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e604">61</a>]</span>verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun +groei waren, was er altijd meer dan genoeg in ’t groote nest op den sparretop. Wat er van dien overvloed restte, in den vorm +van koppen, graten, overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest gegooid en leverde een uitgezochte +lekkernij voor allerlei hongerig rondsluipende dieren. “Minken” staakten hun kikkerjacht in de beek, en door den lekkeren +geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof geluid, +waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen +nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten +als duivels om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze ’s nachts te keer gaan. En eens, laat op een middag, toen +de schaduwen dieper werden en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de rotsen te verlaten, kwam er heel +behoedzaam, alsof hij voor zichzelf een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het kreupelhout, die kieschkeurig +aan de vischgraten begon te snuffelen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p062.jpg" alt="Kop van roofvogel."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Hij kwam daar blijkbaar voor ’t eerst, en wist niet dat Jan en alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd +in de meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit zijn houding, <a id="d0e613"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e613">62</a>]</span>uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen +op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor +een andermans eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook die groote kat. Hij had trek in visch, maar +zoo groot als hij was, gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn hielen te lichten voor het eerste +het beste kleine beest, dat op zou komen dagen en hem toebijten: “Dat is van mij!” Toen hij later wat op zijn gemak raakte +en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en door +het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar +nu echter steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, bood hij gelegenheid om het recht onder de +dieren te bestudeeren, wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens was. Maar de arenden zelf boezemden +mij meer belangstelling in dan hun ongevraagde gasten. Ismaques—trouwe baas die hij is—paart voor zijn heele leven en keert +jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een vischarend +dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde +met <a id="d0e615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e615">63</a>]</span>een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die +anders niet hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die over het stille zomerwoud schalde was het +te hooren; het was te zien aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog naar andere meren—niet om te +visschen, want Ismaques vischt nooit in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te zoeken. Wekenlang +bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid +en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam +er een vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels +elkaars vischwater en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder aarzeling bezit van nemen, alsof ze +op de een of andere wijze een schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam. + +</p> +<p>Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de helling. Zooals ’t gewoonlijk gaat, had de boom zich aan +zijn meesters, de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door den bast gesijpeld, al meer en meer naar +beneden getrokken, zoodat de sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden en <a id="d0e619"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e619">64</a>]</span>niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. +Overal was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren afgebroken als de arend ze noodig had. + +</p> +<p>Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels +gade te slaan onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, waar de grond mee bezaaid ligt. Maar +Ismaques komt nooit op den grond, als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn vlucht een buitengewoon +zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat hij honger +heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen machteloos. +Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang geduldig aan ’t visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn +verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode +af. Wil de tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, +en door de kracht waarmee hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de plaats waar Ismaques en zijn +wijfje bouwmateriaal verzamelden, door een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken <a id="d0e623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e623">65</a>]</span>keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag +ik hem bijna op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op streek geraakte en zegevierend met zijn +vier voet langen tak wegvloog. + +</p> +<p>Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo’n merkwaardige vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het +meer terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo’n heelen winter naar het Zuiden trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op +genade of ongenade aan de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, dikke takken worden stevig in het +dak van het nest gedreven; oude, verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het geheele gebouw kant en +klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt is, wat +het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst +weggaat, weet hij dat—behoudens onvoorziene omstandigheden—zijn woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, +vriendelijk op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of dit een gewoonte is van alle vischarenden, +of alleen van die twee aan het Groote Squatuk-meer—die ook in andere opzichten merkwaardig verstandig waren—weet ik niet te +vertellen. +<a id="d0e627"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e627">66</a>]</span></p> +<p>Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een sterke familieband, en de jongen blijven veel langer +bij de oude dan bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente wordt, zult ge alleen vader en moeder bij +’t oude nest aantreffen. Ik geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar als het meer klein is, bouwen +ze nooit aan hetzelfde water—indringen doen ze zich niet. Elk paar schijnt er—even als de ijsvogels—zijn eigen meer, of gedeelte +van een meer, op na te houden; maar aan welke waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, staat nog +te ontdekken. + +</p> +<p>Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat +niets zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en +voldaan over de wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen langs de helling, naar het meer staan +kijken; en naar hun houding en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, groene wereld, de vogels die +voorbijtrokken, de lichtflitsen op het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, buitengewoon merkwaardig—totdat +er een paar breede wieken in ’t zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten in een gretig gesjilp: +<i>piep, piep, tsj’wie? tsj’wie-ie-ie?</i> “Heb je hem gevangen? <a id="d0e635"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e635">67</a>]</span>Is ’t een groote, moeder?” En dan richtten zij zich voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig hun +halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen. + +</p> +<p>Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes +was, togen ze alle twee naar het meer. Bij zoo’n gelegenheid vischte de moeder, die grooter en sterker is dan het mannetje, +langs de kust, waar ze haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje het meer over zeilde naar de +forellenkolken in de monding der beek, waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer hij met zijn +visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou hij +pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, +wanneer deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd +overlangs droeg, met den kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden. + +</p> +<p>Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote +visch, dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk +hun beurt afwachtten; geen gedrang, geen geduw om <a id="d0e641"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e641">68</a>]</span>den eersten, grootsten hap, zooals we dat in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een van de jongen +hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad als ’t ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer +schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en +wachtte, tot het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik aan te denken van zijn broertje naast hem +wat af te grijpen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p068.jpg" alt="Gaai op tak."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht +met de kruimels, die er overvloedig van “den disch des rijken” vielen. Het was buitengewoon merkwaardig de verandering gade +te slaan, die er door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt +geen enkelen vriend onder de boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial is, en jagen haar onverbiddelijk +weg, als ze haar bij hun nest aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en zonder erg ontvangen; en +zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen edelmoedig beantwoord. + +</p> +<p>Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de +kliekjes die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop +zij <a id="d0e652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e652">69</a>]</span>de wacht hield over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt niets in het bosch zonder dat de gaai het +weet; en hier leek zij ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om machtige vleugels en klauwen te +doen verschijnen, in staat elk gevaar af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet van den boom aan +de koppen en graten te smullen, die daar verspreid lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde daar +rond, roepend, vragend—want nooit is haar nieuwsgierigheid bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij +er geen herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken +dat ze wat kwaads in den zin hadden tegen ’t nest daarboven. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p069.jpg" alt="Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten..."></p> +<p class="figureHead">Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden +wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet +tot hen doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven +de boomtoppen wielden met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten, +dat beneden bezig was in den boom te klimmen—waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig om te zien wat het was, +maar voordat ik de plaats <a id="d0e661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e661">70</a>]</span>bereikte, hadden ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik een van de gaaien, die tierend achter +den roover aantrok, om den vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de groote, donkere vleugels boven +in de lucht beschaduwd, ineengedoken bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van opwinding, om hun +op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in ’t +vervolg goed op hem zou letten. + +</p> +<p>Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen +ging, sloegen de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid +over zijn eigen jongen grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen zeggen. De visscher toonde bij zoo’n +gelegenheid in zijn gedrag een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op het nest, terwijl Ismaques +er boven kringde en beide een schellen, gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers vielen ze nooit +zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren Kookooskoos, +de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken boven +het nest zagen <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">71</a>]</span>kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk last veroorzaakte, +en deze deed het dan nog zoo netjes als het onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was het. Wanneer +hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje +visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en +steeg de lucht in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang +in groote kringen rondzeilen, turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om dan snel als de bliksem +naar beneden te schieten en hem op de hielen te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten diende +nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in ’t geluid +van den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die +verstandig was, liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, nog dikwijls voor hij in het water viel. +Maar de vischarenden deed hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best met elkaar overweg konden. Cheplahgan +bezorgde zich op zijn manier zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit lang hongerig hoefde te <a id="d0e667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e667">72</a>]</span>blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem ook geduld en +een verstandige levensopvatting heeft geleerd. + +</p> +<p>De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, +als Cheplahgan boven Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best te begrijpen hoe die ongelijke strijd +moest eindigen, en ze hadden er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen ontdekken <i>wat</i> ze eigenlijk precies vertelden. + +</p> +<p>Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg +hij altijd alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen +in het kreupelhout tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een paar maal verborgen had, en dan geen +aanstalten maakte om het nest te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen sluipen om zich aan de milde +gaven van den vischarend te goed te doen, maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; maar hij zou +toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk had +te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig <a id="d0e676"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e676">73</a>]</span>naar mij zat te kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; maar de vischarenden riep hij niet weer, +behalve wanneer de een of andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik op mij vlogen ze dadelijk +weer in kringen weg, alsof ze beseften dat ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan het visschen +gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen. + +</p> +<p>Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit eerder had opgemerkt. Af en toe—als het weer dreigde om +te slaan of als de vogels en hun jongen verzadigd waren—steeg Ismaques de lucht in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; +dan bleef hij langzaam in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den wind, alsof hij een gewone kiekendief +was die plezier had en boven alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met een helderen, doordringenden +kreet, om aan te kondigen wat hij van plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, hield zich midden +in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend en onderwijl +van verrukking zijn wilde kreten slakend;—net als een houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt neerschieten: +wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw te vertoonen, +<a id="d0e680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e680">74</a>]</span>terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en weer +sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die verbijsterende vertooning van <i>hun</i> papa! + +</p> +<p>Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik +te verwerven uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat hij er meer gebruik van maakte, toen de +jonge vischarenden al een mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er op alle mogelijke vriendelijke +manieren toe trachtten te krijgen het nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht—zonder ook maar eenigszins in staat +te zijn die veronderstelling te staven—of hij op deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi er +kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken het zelf te doen. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p074.jpg" alt="Vliegende vogel."></p> +</div><p> + + + +<a id="d0e692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e692">75</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e574" href="#d0e574src" class="noteref">1</a></span> Blackfish of Tautoga Americana. +</p> +</div> +<p class="div1"><a id="d0e693"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoe de kleine Visschers les kregen.</h2> +<p>Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk +haar kreet niet als gewoonlijk: <i>Tsjip, tsj’wie! Tsjip, tsjip, tsip, tsj’wie-ie-ie?</i> Dat was de groet van den visscher wel, o ja, duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends en voldaans +in, zoo iets van: “kijk nu eens hier!” Eer ik mijn hoofd om kon draaien—want ik had net beet—volgden er nog meer geluiden: +<i>pip, pip, pip, tsj’wie! pip, tsj’wie! pip, tsj’wie-ie!</i> Wonderlijk verwarde geluiden, die mij alle een “goede vangst” toeriepen. Ik hoefde mij niet eens om te keeren, maar begreep +zoo al wel dat er nog twee visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen. + +</p> +<p>De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen +ik mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een +paar dagen tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog +op het nest en hielden zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd hun groote vleugels eens te gaan +gebruiken. Het laatste wat ik door mijn verrekijker van <a id="d0e706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e706">76</a>]</span>hen zag was de moeder in een boom en de vader in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen voorhielden. +De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar moesten +komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten, +zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke +list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles +uit, en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar +een aal mijn vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, +maar hebben het zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen uit dagelijksche ondervinding dat visch +hun eigenlijke voedsel is, en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, vooral wanneer ze met vleesch +grootgebracht en daarna waren losgelaten, dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in het bosch +gaan jagen—wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen +geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op welke wijze <a id="d0e708"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e708">77</a>]</span>dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun +onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen +vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, +door fluiten de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor een vischarend nog niets, want hij moet zijn +prooi tamelijk dicht aan de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij sterke golfslag en de zon scheen +er vroolijk over, zoodat de jonge visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende licht en dat rumoerige +watervlak. Ze hadden nog niet zoo’n scherpen blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk zilverachtig +geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en riepen: <i>pip!</i> “daar heb je d’r een!” <i>Pip, pip!</i> “daar gaat-ie!” als een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje van de moeder hield hen in, voordat +zij zich nog hadden laten vallen; en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden hem best vangen, als +zij het hun maar eens liet probeeren. + +</p> +<p>Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch +tusschen de rotsen in ’t oog. <i>Pip, tsj’wie-ie!</i> floot hij, en daar schoten ze me <a id="d0e721"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e721">78</a>]</span>met z’n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt +dat ik daar doodstil tusschen de rotsen zat. <i>Pip, pip, pip</i>, hoezee! klonk schril hun gefluit onder het dalen. + +</p> +<p>Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong +heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van +haar gehoord had: <i>Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!</i>—en die elken keer als zij hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en omzwenkten. Toen werden zij +in een grooten boog apart genomen en wijs en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen. + +</p> +<p>En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch +en vliegt wat lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de visch schuin naar de oppervlakte komt, laat +ze heel verstandig den kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het water; het geglinster en de dansende +golven maken ’t hem lastig; hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten schuimkop over hem heenschiet. +De moeder stijgt, en fluit dat hij hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den visch weer, en de kleine, +hongerige baas denkt aan geen overwegingen, <a id="d0e733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e733">79</a>]</span>maar spant zijn vleugels om neer te schieten. “<i>Tsjip, tsip!</i> halt, hij duikt weer,” waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. +Hij is zoowat een meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar hem toespringt. Daar wordt hij bang van; +hij aarzelt, wijkt uit, klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden—als er weer een zilveren glans onder ’t golvenschuim +schemert. Onmiddellijk schiet hij weer neer—<i>hoe! boe!</i>—net een jongen die voor het eerst duikt. Een poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem heen, en +ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich +schuddend dat de droppels om hem heen vliegen—maar zonder visch natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor +boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch +op ’t oog, heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, +waar de voorntjes aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den moed verliezen en dat het tijd wordt ze +een hart onder den riem te steken. <i>Tsjip, tsjip!</i>—“let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,” fluit zij—<i>Tsjie-iep!</i> met zoo’n plotselingen, schrillen uithaal, dien ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze haar +vlerken uit, schiet vast en <a id="d0e747"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e747">80</a>]</span>zeker naar beneden, valt dwars op een rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant weer te voorschijn +met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen +haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. +Dit wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl +gehad hebben, te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan. + +</p> +<p>Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en +dat er nog een boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken verdwijnen en zij met hun allen naar de +kust moeten trekken. Zij weet ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij hen juist voor hier gebracht +heeft: een visch altijd te grijpen zoodra hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op een golf neer +te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar +krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte +kan zien worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. <i>Tsjie-iep!</i> “probeer ’t nu eens,” fluit zij. <i>Pip, pip!</i> <a id="d0e757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e757">81</a>]</span>“daar gaat hij!” roept het jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, heelemaal er onder, ongeduldig +als hij door zijn honger is. Aan geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet meer noodig. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p081.jpg" alt="...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen."></p> +<p class="figureHead">...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen.</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij +hem in ’t oog heeft en dat hij ’t er netjes afbrengt. In een wip is hij er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend +van verrukking, den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, langzame vlucht. De moeder kringt een poosje +boven hem, om er zeker van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met den anderen beginneling terug, +om heen en weer te zweven boven het ondiepe van de zandbank. + +</p> +<p>Het blijkt nu duidelijk—zelfs mijn oogen kunnen het zien—dat er een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden +kan bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder +doet; hij let op de seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, zekeren boog neer om weer met een +visch voor den dag te komen. De moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen. + +</p> +<p>Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude +kameraden, en boven de <a id="d0e770"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e770">82</a>]</span>glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het visschen +voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver +of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal +zich beneden in de modder van tracht te bevrijden. Had <i>ik</i> maar iemand gehad om mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen! + +</p> +<p>Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. +Wel een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs +in de manier waarop Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn bek, net als “mink” en otter dit +doen, dan zou ik het beter begrijpen; maar om een visch—die zoo vlug is als een bliksemflits—onderwater met zijn klauwen te +grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch een berekening +noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht. + +</p> +<p>Nauwelijks kwamen de visschers in ’t zicht en klonk hun gretig gepiep hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig +van wal af en liet een stuk of <a id="d0e779"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e779">83</a>]</span>zes zwartvisschen in het ondiepe water los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in ’t leven gehouden, en ze +hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo’n beetje aan de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat ik als +gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder voor haar <i>Tsj’wie?</i> te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het moest +wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn lokaas onmiddellijk in ’t oog. Een van de jongen schoot er +dadelijk zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal +had hij hem en ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en +ving zijn visch zonder duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen was. De moeder bleef een poosje +rondkringen, alsof het haar een raadsel was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over de helling naar +hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent dan +boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die +daar klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn +buik naar boven op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, <a id="d0e784"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e784">84</a>]</span>op een plaats die ik niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf en toog haar jongen achterna naar +het nest. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p084.jpg" alt="Klauw van visarend."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde +met haar onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, +en kwam daarom eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder langs den afgelegen oever rondvliegen.—Daar +had je de visch weer, in ’t ondiepe; en daar—dat was nu toch veel te gemakkelijk!—dreven er twee dood tusschen de schuimende +golven. Plotseling zwenkte zij om, alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij zich en trok naar ander +vischwater. + +</p> +<p>Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde <i>tsj’ie-iep!</i> waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte +ik ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies +een veilige schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze +iets kregen, terwijl de moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in te spreken. Toen ze echter ten +langen leste hun visch gehaakt hadden en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit <a id="d0e798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e798">85</a>]</span>hun kloeken vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er den vorigen dag in ontbroken had. + +</p> +<p>De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar +de visch te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere—de paar die er nog van waren overgebleven—worstelden +zoo’n beetje aan de oppervlakte. “<i>Tsjip, tsj’wie-ie!</i>” riep ze minachtend; “er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te krijgen!” Toen schoot zij neer, dook, +kwam weer te voorschijn met een dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan een oogverblindenden +watersluier en groeiende kringen van lachende, dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij visch vangt. + + +<a id="d0e805"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e805">86</a>]</span></p> +<p class="div1"><a id="d0e806"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Het blijde Leven.</h2> +<p>Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven +in het azuur van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad +op haar wijze plezier, terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij nu weer met genoegen voor den +geest roep. Het visschen ’s morgens was afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, zoo uit zee terug, +lagen knus bij elkaar in mijn bennetje—meer dan genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar mijn “kwakzalver” +had gesprongen maar op—wat mij wel aan mijn hart ging, moet ik eerlijk bekennen—en ging op een aangespoeld houtblok zitten +om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de boschbewoners bezig waren. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p086.jpg" alt="Adelaar."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de +diepe kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den +stroom, waar zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het voorbijschietende, ziedende water. Boven was +het water op de ondiepe plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan ’t <a id="d0e818"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e818">87</a>]</span>blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, +waar een speelsche, jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig uiteenstoven. Wel een dozijn bellen +en waterrimpels kwamen er nog bij, trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn stille water, dat het +klaterend opsprong en alle zangvogels aan den oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte schuimlap +aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar +huisde mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in het kalme water gedompeld werd, schoot hij er +onder, sloeg hem met een slag van zijn staart in flarden. + +</p> +<p>Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken—naar de schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van +het licht en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij +voorbaat en wedde met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder ’t spelen uit elkaar zou slaan: tot de tweede +wielingen, of tot den rand van de kolk.—Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te zien hoe de groote adelaar +daar boven mij de machtige luchtstroomen doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, net als de +visschen in het vlietende water beneden. +<a id="d0e822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e822">88</a>]</span></p> +<p>Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is +opgelaten. Maar dat ging hem veel te gauw—hij deed het immers maar voor ontspanning, was slechts uit louter nieuwsgierigheid +beneden bij het water gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door mijn verrekijker zijn vleugeltoppen +scherp in ’t oog hield, zag ik dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun onderkant te laten afglijden—zooals +een schipper zijn schoot viert om de vaart van het schip te verminderen—en de prachtige, stijgende spiraalvlucht begon. + +</p> +<p>Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge +vogels slaan er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor ’t eerst probeeren, achter de moeder aan, die +vlak boven en voor hen uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat. + +</p> +<p>De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger +dan zijn laatsten cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog op de eindelooze trap der winden, die +onder hem wegglipt. Zonder haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed uitgespreide vleugelschachten—zoo +gering, dat mijn oog het niet meer kan waarnemen—kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich <a id="d0e829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e829">89</a>]</span>al wijder en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, +dat uitgespreid ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder. + +</p> +<p>Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in +de lucht hangt, met rustigen, vlammenden blik Jesaja’s koninklijk gebied overziet, als een kolibrietje dat zich wiegelt boven +den grooten bloemkelk der aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen van het bestaande heen kan kijken +en onze aarde als een grooten bol, met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den blauwen ether ziet drijven. +En hij blijft daar dobberen, wiegelen, deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun zachte armen. +Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in +de armen heeft. + +</p> +<p>Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn +jongen voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel +door hem, was ver van zijn hart. + +</p> +<p>Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig +hebben om in hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een wapenstilstand <a id="d0e837"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e837">90</a>]</span>in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust deelen +zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied +van de zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder aan de kust. + +</p> +<p>Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht +is—negen van de tien keer—, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw of weerloos het ook is. Ten langen leste worden +mijn oogen moe van het kijken naar dien edelen vogel—zoo’n klein, klein stipje op den eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan +denk ik aan de vreugde van zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk menschenbestaan, en er komt plotseling +een floers voor mijn oogen. + +</p> +<p>Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme +water aan mijn voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen thuis, maar is op aarde evenzeer. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatRight"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p090.jpg" alt="Schildpad op takje."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom +op en neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met +éen poot om een knoest geklemd, voor een houvast; de andere <a id="d0e850"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e850">91</a>]</span>bengelden en zwaaiden onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder het wippen—op en neer, op en neer. +De groote, ruischende rivier deed eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang als ik naar haar bleef +kijken—wel den halven morgen—lag zij daar te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich in haar klein +leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht +en beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, +kabbelende, fluitende muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren. + +</p> +<p>Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde +de kleine schildpad, die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan getuigde elk zingend vogeltje en +elke springende zalm, en elke kikker die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen zonneschijn om de +ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot mij doorgedrongen +was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in de natuur—niet om er verslag van te geven of er een verhaal over te schrijven, +maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en te begrijpen wat ze uitvoerden, <a id="d0e854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e854">92</a>]</span>wat ze dachten en voelden—ben ik nog nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was levenslust hun +voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken +scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon +houden; andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak +met zijn kille bloed; weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, +als die groote mannetjeseland, die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; maar al die dieren, groot +of klein, maakten altijd den indruk alsof het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij genoot van +zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk +leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al. + +</p> +<p>Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd +werd. Op het meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd—eerst het begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, +waar een versch spoor mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den bergrug galmend opstoof en verried +hoe er een hert op de been was, dat <a id="d0e858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e858">93</a>]</span>door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten van de herten uit die streek wel zoo’n beetje; wist ook +dat de jagers op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer dat het hert al weken geleden verlaten had; +dus sloeg ik de richting in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen en de honden weg te ranselen als +zij aankwamen. Want een hertenjacht met honden is een afschuwelijk vermaak—bij de wet geoorloofd of niet. Evenmin maakt het +verschil of de honden bastaard-mormels zijn, die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen op hun +oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden. + +</p> +<p>Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend +forsch en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, +naar de uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij +daar toch te maken had; ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en daar zag ik eerst een, toen vijf +of zes volwassen jonge patrijzen, in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich blijkbaar verkneukelden +over de bewonderenswaardige kleur die de natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals hun moeder hun leerde, +zoo’n groote uitwerking <a id="d0e862"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e862">94</a>]</span>had: hen beschermde tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst voelden of bang waren voor een kleinen +domoor, die zijn kopje zou kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een oogenblik later gleden ze allemaal +weg, hun kopjes naar mij gewend om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend <i>kwit-kwit?</i> En dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer +aan den arend, die daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist niet heerlijk voor den mal gehouden, +en keken ze niet scherp genoeg uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen? + +</p> +<p>Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen +overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts groote waakzaamheid beteekent,—toen er een gekraak in de +takken ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak bij mij stond hij stil om zich luisterend om te +keeren, met zijn gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd over zoo’n spektakel in zijn rustige +wouden; toen snelde hij langs mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als goed gesmeerde machinedeelen. +In plaats van daarna zijn weg in de richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk over, dien hij—heerlijk +vertoon van <a id="d0e869"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e869">95</a>]</span>kracht—zoo sierlijk “nam”, alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den geur dien zijn vluchtende hoeven +achterlieten te verdelgen. + +</p> +<p>Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant +zwemmen. Daar stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren naar het hondengeblaf in de verte. Hij had +naar hartelust gedraafd, had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om zich verder te vermoeien door nog +langer te rennen, nu hij toch zoo gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak er niet uit de wijze +waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn van zijn +kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen, +die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen +ander gevoel bezielde hem. + +</p> +<p>Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar +ik heb ze herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze boschwolven hun op ’t spoor waren; en toch +heb ik een hert nog nooit zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid tegenover zijn achtervolgers +zien verliezen. Eens, de sneeuw lag dik, <a id="d0e875"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e875">96</a>]</span>heb ik een hert het leven gered; net op ’t nippertje, want de honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe +dat hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen +van den vreeselijken angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde dieren toeschrijven. + +</p> +<p>Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels +of de klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot +elke spier, elke zenuw volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan schijnen te denken hoe er eindelijk +een gevaar kan komen en zegevieren. + +</p> +<p>Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, +laten een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen +is met hun woest gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met stokslagen van het spoor brengen. Het +lijkt wel of ze half dol zijn, gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze blindelings door het bosch +rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de inspanning die +er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak <a id="d0e881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e881">97</a>]</span>voor hen neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en +tijgen er weer op uit om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen dag door; dan volgen ze hem tot hun +pooten pijn doen en ze moe zijn; daarna gaan ze een poosje liggen slapen en ’s morgens komen ze weer thuis aanhinken. + +</p> +<p>Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad opwachten. Daar is ’t gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, +zoo licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het +plompe gedraaf van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, zelfvoldaan als hij is, jaagt—wanneer het een +jonge vos is—zijn staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar de beek en springt van den eenen +steen op den anderen; kiest daarna voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, naar den top van +den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf +hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel +blaast. Ook hier bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten regel van het dierenleven: vroolijkheid +overal, zelfs dan wanneer wij een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen <a id="d0e885"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e885">98</a>]</span>die ik met woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik er slechts éen ontdekt, die niet den indruk +gaf alsof hij veel meer pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij zoo zelden in zijn hol vlucht, +dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, dan blijft hij den geheelen +dag op de been, maar als het loopen hem zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij een poosje om +zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: de +grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven. + +</p> +<p>Ik vertel deze drie verhalen—van den patrijs, van het hert, van den vos—en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog +wel twintig andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor +de kinderen der natuur; zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; dat het gevaar ze niet kan +overstelpen, de honger haar zelfs niet doodt. Dit blijkt uit al wat in ’t wild leeft, van het allerkleinste zangvogeltje, +dat bij ’t zonnegloren te midden van tallooze vijanden zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig +op de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder +de klauwen van den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, die <a id="d0e889"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e889">99</a>]</span>met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, als de takken van eschdoorn en lederhout<a id="d0e891src" href="#d0e891" class="noteref">1</a> tijdens de noorderstormen diep onder de sneeuw begraven zijn. + +</p> +<p>Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, +dat al hun ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden de jongen met elkaar, toen zij door de kale, +onttakelde bosschen rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den zoom gestaan van de wanhopig eenzame +vlakten, als de ijzige rukwinden over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid zoo diep begraven lag, +dat alleen de raad van Jobs vrouw: “zegen God en sterf”, er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die godslastering... +fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan ’t roepen tegen elkaar, +druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar +in ’t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel +op een fluitje had geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze verlatenheid, om mij te vertellen +dat het lente werd en dat het leven ondertusschen wel het leven waard was—zelfs hier. +<a id="d0e896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e896">100</a>]</span></p> +<p>Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen—geeft ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in ’t oog +te loopen, en rappe pootjes om mee weg te snellen—dat ze zelden over iets anders denken dan over de gewone levensbehoeften +en levensvreugden, voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven af beschouwen, het eens een oogenblik +zielkundig bestudeeren, en bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem alle ellende van een angstwekkend +voorgevoel te besparen, kunnen wij ons zijn blijdschap begrijpen. + +</p> +<p>In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde +van al ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen +uit die werkelijke pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden wij ons geplaagd bestaan nog wel een +poosje kunnen voortsleepen en een even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier bezit geen groote +geestvermogens—niet genoeg in alle geval om daardoor zijn zorg meer dan te verdubbelen—en geen greintje verbeelding om het +hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk +te vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit ook en gaat als een verstandig dier slapen; <a id="d0e901"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e901">101</a>]</span>is hij gezond, dan heeft hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij heeft stellig ook zijn smart +wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel veel grover +dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig +mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van. + +</p> +<p>Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, +de gebroken botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen +had en zij niet bang waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet merken dat ze pijn leden. Het is +een feit, dat die pijn bij de onze vergeleken slechts zeer gering is. + +</p> +<p>Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten +welke ze in den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die +vreeselijke wonden zullen doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, en binnen tien minuten heeft +zij ze in haar macht door haar bekwame behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even pijnloos en zonder +zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang blijven zij daar <a id="d0e907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e907">102</a>]</span>dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te zoeken, +of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen. + +</p> +<p>Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, +waar de halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien +hoe een muskusrat met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val waar zij tusschen geklemd zat (geheel +tegen mijn zin, waarde lezer, want ik heb net zoo’n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb ik een dier gezien, dat +ook maar een honderdste van de pijn voelde die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden. + +</p> +<p>Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken +minder dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht +of ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar +een van de vele verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst in staat zijn pijn te verdragen bijna +geheel te sparen. + +</p> +<p>Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: wanneer het treurt over het verlies van metgezel <a id="d0e915"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e915">103</a>]</span>of -gezellin, of van zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van gelezene—dan nog heel zeldzame uitzonderingen,—die +ook al gekleurd waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk +overdreven voorstellingen omtrent dierenleed gekomen. + +</p> +<p>Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het naar beneden, of de zwarte slang<a id="d0e919src" href="#d0e919" class="noteref">2</a> kronkelt er zich om heen, of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de beroeps-eierverzamelaar—verwenscht +zij zijn naam en bezigheid!—bergt het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan een paar uur op de plek +rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en heeft ze de +eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. +Gelukkig maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud +steeds vervuld zijn van klaagliederen. + +</p> +<p>Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de +moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het +’s zomers zoo’n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts <a id="d0e924"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e924">104</a>]</span>een voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, +en de moeder laat ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in het vleesch kan zetten tegen den kouden +winter. + +</p> +<p>Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar +uur met nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek +ter wereld en vergeet haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer +in zijn werk en er wordt minder zorg aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in ’t oog loopend, hoeveel minder goed +er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor de vorige;—elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het wijfje +moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich +om te bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood en schaarschte zijn het nu voornamelijk die +tweede soort van jongen, waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo in de puntjes geweest, zoodat +ze gemakkelijker gesnapt worden; en weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p104.jpg" alt="Twee vogeltjes op een tak."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft voor het hert en den patrijs te zorgen, <a id="d0e935"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e935">105</a>]</span>maar moet ook aan den panter en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid +doen geschieden zonder onzen haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere kinderen ook het menschelijk +leed en de menschelijke smart toekende, waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt. + +</p> +<p>Hoe ’t ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering +bij de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig +te vinden. Ten deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken—want het mannetje is uit den aard der zaak +een zelfzuchtig zieltje zonder zorg—maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens voor zich te winnen daardoor +opnieuw voor hen opengaat. + +</p> +<p>De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde +en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo +volkomen van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten +spreken om strikt waar te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke angst niet instinctmatig is, +maar eenvoudig <a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">106</a>]</span>een zaak van al of niet goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren is dan vrees. De wereld is zoo +vol dingen die zij niet begrijpen, dat ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen. + +</p> +<p>Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in +verdiept was, toen een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me een groote mannetjeseland, half +tusschen de dwergsparretjes verscholen, naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van gespannen nieuwsgierigheid +en verbazing op zijn leelijke zwarte tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns en kleine zangvogeltjes +uit het bosch op datzelfde spelletje: “eens kijken wat hij daar uitvoert”, betrapt. Ga eens ergens in het bosch zitten, en +ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid; dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond +schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet te houden en uw belangstelling te verbergen, is het +een genot te zien hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt, en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds +weer terugdrijft. + +</p> +<p>Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft, zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft +gehad, zal waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste, <a id="d0e947"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e947">107</a>]</span>het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader +te sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig +zult ontdekken zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen, waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede +dekking zorgt. (Er bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden: wanneer hij zich namelijk niet beweegt en +zijn poriën gesloten zijn, geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij deze niet zoo sterk. Hij ligt +stil, niet alleen om aan den <i>blik</i> van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want +wanneer het jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. +Later komt het onderricht in waakzaamheid en schuwheid—die wij angst noemen—,in het onderscheiden der geluiden van al wat +er in de bosschen te zien en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet: nu eens stilliggen, dan al zijn +stoppelige veeren overeind zetten om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens sissen of grommen of krabben +of hard moeder roepen; ten slotte weer wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht nemen. Zij kennen +het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld, en niet door hun aanleg. +<a id="d0e952"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e952">108</a>]</span></p> +<p>En het zijn geen blijken van angst—in de beteekenis die wij aan dat woord hechten—maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven +is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt +hij zich onder het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich een onbekend geluid hoort. + +</p> +<p>Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte +aan pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar +barmhartigheid dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen wapenen, en zij zijn evenmin in staat +tot een geloof, het eenige waardoor die angst overwonnen kan worden. + +</p> +<p>Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen +pijn, in welken vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan—behalve dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw +gaf om hem te leeren gehoorzamen—; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte bosschen zonder dat de gedachte aan +pijn bij hem opkomt; die heeft hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet. + +</p> +<p>En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje, want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. +Ik spreek nu niet over wat wij <a id="d0e961"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e961">109</a>]</span>van de toekomst die het dier wacht afweten of meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft te weten. +Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig, zijn +oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste +kromming van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit zijn ervaring put. Wat den dood betreft—die valt +geheel buiten het gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat ooit den dood ziet—behalve insecten +of andere dieren die ze eten, natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker hapje, zooals een biefstuk +voor ons is. Wanneer ze iets doods zien, gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets anders dat +ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls +vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te +worden, behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan, kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen +het op een afstand zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich verbaasd afvragend waarom het zoo koud +is, waarom het niet beweegt, of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle kanten in <a id="d0e963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e963">110</a>]</span>het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten hebben elders zoeken. + +</p> +<p>Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, +en wel bij de mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de bijen, die de darren als hun tijd gekomen +is om het leven brengen. Die wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig, er is zoo’n tegenstrijdigheid +in de mengeling van oliedomheid en verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen nahouden, in hoeverre +zij helder denken of blindelings hun instinct volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun geheele leven +door elken dag doen. + +</p> +<p>Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood—ziedaar de drie dingen die een dier zich nooit bewust in ’t hoofd haalt; en zijn +ondervinding geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn +dus gelukkig, doordat hun barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met +de witte schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn wipplank heeft gezelschap van een tweede +gekregen; ze zwiepen samen op en neer, in den stroom, die alles <a id="d0e973"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e973">111</a>]</span>maar goedmoedig toelaat. Beneden hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar zijn—en ondertusschen +wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde omlaag +heeft eten en drinken—hij zal wel komen, als hij hongerig is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is +voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten +en moeten nog wat doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen de zalmen op, krachtig als ze zijn; +kikvorschen zitten glimmend op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen, in den stroomenden zonneschijn, +zoemen de myriaden insecten, die van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van echte levensblijheid. +Als een bron welt die vreugde over den rand, zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht, dat zijn +geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden. + + +<a id="d0e975"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e975">112</a>]</span></p> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e891" href="#d0e891src" class="noteref">1</a></span> Dirca palustris. +</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e919" href="#d0e919src" class="noteref">2</a></span> Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen. +</p> +</div> +<p class="div1"><a id="d0e976"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>Hoe de Dieren sterven.</h2> +<p>De kreet van een adelaar—een zeldzaam geluid, ’s zomers in de wildernis—maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens +te zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn +bergtop en wiekte in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is te leeren hoe hij den wind moet gebruiken +onder zijn breede vlerken, en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden. + +</p> +<p>Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje +riep of voor het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. ’t Was evenmin een der twee koninklijke vogels +die ik al weken lang had gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste ver weg op een rotsklip had +ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen, ouden baas, zonder +wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. <i>Hij</i> galmde daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, +over het heerlijke, wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de jongere adelaars had overgegeven—zijn +eigen broed wellicht. +<a id="d0e986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e986">113</a>]</span></p> +<p>Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den +schepter gezwaaid hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen jachtgebied op na, waar geen ander komt +stroopen, of <i>zij</i> moeten het hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, +ging stilletjes tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn grijze jas had, en richtte mijn kijker op +Cheplahgan, om hem goed in ’t oog te houden en te zien wat hij zou doen. + +</p> +<p>Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt, waar de groote adelaar omheen vloog alsof ’t een spil +was. De wilde kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen, zooals een adelaar dat doet die op de lucht +drijft. Minuten lang kon ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien oneindigen blauwen achtergrond +getrokken. Het begon langer te worden, langer; verbreedde zich—en toen wist ik dat het recht op mij af naar beneden kwam. + +</p> +<p>Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen +wieken. Nog lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op +adelaarsmanier een zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de landtong, zoo vlak bij, dat ik als +ruischen <a id="d0e996"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e996">114</a>]</span>van zware zij het flauwe geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar beneden en zijn vurige, wilde +oogen hield hij half gesloten in het voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te ontgaan die naakt +en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de landtong, +nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat +zich boven hem sloot. + +</p> +<p>Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de +plaats waar hij tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen en ging er gauw in mijn kano naar toe. +Daar vond ik hem vlak bij den boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van een ouden ceder, zijn wieken +uitgebreid tusschen de koele, groene varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij moeder aarde,—dood. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om +te drinken, maar om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar het koele water dat uit de donkere +aarde tusschen de dansende keitjes opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak te vervullen <a id="d0e1004"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1004">115</a>]</span>en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het zachte +geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te +gluren en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder, en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor +den dag kwamen en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p115.jpg" alt="...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing..."></p> +<p class="figureHead">...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing...</p> +</div><p> + + +</p> +<p>Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden +dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals +ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde +grijs en de geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze oud worden. Het scheen niet bang voor +mij te zijn, alsof het de kalme berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks op zij als ik naderde, +kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik mijn +hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes +dicht. Wel een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig met de oogen, maar als ik <a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">116</a>]</span>het aan mijn vingertop een droppel water reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het bosch met al +zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak, waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure floatLeft"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p116.jpg" alt="Gevallen bladeren."></p> +</div><p> + + +</p> +<p>Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het +zich in mijn hand en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering vond ik het met zijn kopje naar beneden +aan een sparrewortel hangen; zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd—nooit meer zouden ze loslaten—en even raakte zijn +snaveltje het leven-wekkende water. Aan de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het rustig ingeslapen; +haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn beeld in het hart tot het laatste oogenblik. +</p> +<hr><p> + +</p> +<p>Hoe sterven de dieren?—Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje +aan de bron die het liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder de dood in de bosschen optreedt;—onafgebroken +gaat hij zijn gang.—Het eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken, want verreweg de meeste dieren +sluipen naar de eenzame plekjes toe die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra zullen de bladeren hen +voor het oog van vriend en vijand bedekken. +<a id="d0e1026"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1026">117</a>]</span></p> +<p>’t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver +mogelijk weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk +in den greep van kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats uitzoeken en voor het laatst hun oogen +sluiten even kalm als altijd, wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen. + +</p> +<p>Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch +zoo’n dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder +uitzondering, vogels ook, koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins vreemd of ongewoon is onder hun +soortgenooten. Nooit zullen zij een kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden, enkele bijzondere gevallen +uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden, de zonderlinge +gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct waar +hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat “dood” is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden +ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en—het is voor den laatsten keer. <a id="d0e1031"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1031">118</a>]</span>Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het toch zou kunnen +wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij een ouden beer dien ik ’s zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk onder +een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden, maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem +vroolijk wakker riep. ’t Gebeurt ook wel eens met het zegevierende bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, +die wanneer ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met de gedachte dat ze daar prachtig aan hun +vijanden ontkomen zijn. Dan weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen, vaag en onbeschrijfelijk. +Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere geslachten +hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater +hun zoo niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook +een blinde aandrift om maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de zee in, totdat ze niet meer +kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt. + +</p> +<p>Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn ongeoefende wiekjes onophoudelijk <a id="d0e1035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1035">119</a>]</span>tegen de tralies van zijn kooi opfladderde—zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge verstandig waart zoudt ge het +deurtje openzetten, want een stem, veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen dat <i>gij</i> u geschapen hebt, roept hem tot zich—de stem van de vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den +bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog onnatuurlijker dan zijn arme leventje. + +</p> +<p>“Maar,” brengt een lezer hiertegen in, “die vreeselijke dingen, die treurtooneelen dan?” Misschien komen ze wel eens voor, +als we meer door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen +onder de menschen. En zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed sterft en niet met een aardbeving +of hongersnood omkomt, zoo eindigen verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij zichzelf kiezen. De +natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van zaken, +wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.—Een patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding +voor den patrijs,—maar het is bijna altijd een van de zwakkere of domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals +hun broertje,—en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen, <a id="d0e1042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1042">120</a>]</span>die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje, dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt. + +</p> +<p>Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze +zorg, evenals wij menschen in zoo’n geval doen. Zelfs de vos kan ze in zoo’n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. +Maar mocht de moeder er het leven bij inschieten—en bij die veronderstelling is zooeven onze verbeelding al met ons op hol +gegaan—dan verhongerden de jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen hard om eten; de moeder +is niet in de buurt om ze tot stilte te manen, om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen in het bosch. +Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze, en—in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit gezin. +Zoo gaat het in het woud. + +</p> +<p>Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk +af. Een hert valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo +een vreeselijke dood is, en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in werkelijkheid wordt er waarschijnlijk +zoo goed als niet geleden. Toen Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag, zijn arm overdekt met +gapende wonden, <a id="d0e1048"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1048">121</a>]</span>waarvan hij de litteekens tot aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs niet dat hij gewond was. +Hij was de eerste om de aandacht te vestigen op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een soort weldadige +verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand maar +blij is stil te kunnen blijven liggen—het eenige, tusschen twee haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit +van den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren, die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten. + +</p> +<p>Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van +een vliegende charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten er niets van, totdat zij een uur later +in zwijm vallen. Iedereen heeft wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van een slang gezien, en +weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten—konijnen, hazelhoenders, +herten—, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid +der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat +de beteekenis er van geheel voor het dier verborgen bleef en <a id="d0e1052"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1052">122</a>]</span>het er zich over verbaasde wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak uilen, kraaien, kleine vogeltjes, +op zoo’n bitter kouden morgen dood en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje er omheen geklemd. +Zoo’n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik ben zelf wel ’s winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die heerlijke +matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging +schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar +is. + +</p> +<p>Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle voerplaatsen bevroren houdt,—en dit is ook nog veel minder +erg dan ziekte, onder welken vorm dan ook—; dat weet iedereen die wel eens dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat +de pijn begint, wordt elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.—Soms zijn brand of overstrooming de +oorzaak, maar dan vertrouwt het dier vast en zeker op zijn pooten of wieken—dat doet hij immers altijd—en gaat op de vlucht, +totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan ’t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen +en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd +is. In één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven <a id="d0e1056"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1056">123</a>]</span>nog niet bezitten en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is de natuur barmhartig; ook dan wanneer +zij onverbiddelijk optreedt, want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of verschrikkelijk is. En wat van +de dieren geldt gold ook eenmaal van den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte iets ondraaglijks te +maken en een vijand van den dood. + +</p> +<p>Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen +regel in het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over +hun dood—omdat een mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, maar ziet de zonsondergangen niet. +Er komt iets dat het dier uit zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte raakt hem zachtjes aan, +op een wijze zooals hij ’t nog nooit eerder gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct van zijn +geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar +de zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen—het +oude, lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, +de schemering wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij <a id="d0e1060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1060">124</a>]</span>sluimert in. En zijn laatste bewuste gedachte—van den dood weet hij immers niets af—is dat hij ’s morgens weer zal ontwaken, +als het licht hem roept. + + +</p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/p124.jpg" alt="Hert, van achteren gezien, in het bos."></p> +</div><p> + + + +</p> +</div> +<div class="backmatter"><a id="d0e1068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1068">125</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e1069"></a><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<h2>De Indiaansche namen.</h2> +<p><i>Cheokhes</i>, kie-ok-ez’, de Amerikaansche “mink”, een ottersoort. + +</p> +<p><i>Cheplahgan</i>, tsjep-la’-guan, de Canadeesche arend. + +</p> +<p><i>Ch’geegeelokh-sis</i>, tsj-dsjie-dsjie’-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus. + +</p> +<p><i>Chigwooltz</i>, tsjigg-woelts’, de stierkikvorsch. + +</p> +<p><i>Clote Scarpe</i>, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha. + +</p> +<p><i>Commoossie</i>, kom-moe-sie’, een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt. + +</p> +<p><i>Deedeeaskh</i>, die-die’-ask, de blauwe gaai. + +</p> +<p><i>Eleemos</i>, el-ie’mos, de vos. + +</p> +<p><i>Hawahak</i>, ha-wa-hek’, de havik. + +</p> +<p><i>Hukweem</i>, huk-wiem’, de groote noordelijke duiker of ijsduiker. + +</p> +<p><i>Ismaques</i>, is-ma-kwez’, de vischarend. + +</p> +<p><i>Kagax</i>, ke’-guaks, de wezel. + +</p> +<p><i>Kakagos</i>, ka-ka-guoz, de raaf. + +</p> +<p><i>K’dunk</i>, k’dunk’, de pad. + +</p> +<p><i>Keeokuskh</i>, kie-o-kusk’, de muskusrat. + +</p> +<p><i>Keeonekh</i>, kie’-o-nek, de otter. + +</p> +<p><i>Killoleet</i>, kil’-loe-liet, de witkeel-musch. + +</p> +<p><i>Kookooskoos</i>, koe-koes-koes’, de groote oehoe. + +</p> +<p><i>Koskomenos</i>, kos’-kom-ie-nos’, de ijsvogel. + +</p> +<p><i>Kupkawis</i>, kup-kee’-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil. +<a id="d0e1152"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1152">126</a>]</span></p> +<p><i>Kwaseekho</i>, kwa-ziek’o, de zaagbek. + +</p> +<p><i>Lhoks</i>, loks, de panter. + +</p> +<p><i>Malsun</i>, mel’-sun, de wolf. + +</p> +<p><i>Meeko</i>, mie’-ko, de roode eekhoorn. + +</p> +<p><i>Megaleep</i>, meg’-a-liep, de caribou of ’t N.-Amerikaansche rendier. + +</p> +<p><i>Milicete</i>, mil’-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven. + +</p> +<p><i>Mitches</i>, mit’-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort “grouse”: bonasia umbellis of Amerikaansche “patrijs”. + +</p> +<p><i>Moktaques</i>, mok-ta’-kwes, de haas. + +</p> +<p><i>Mooween</i>, moe-wien’, de zwarte beer. + +</p> +<p><i>Musquash</i>, mus’kwosj, de muskusrat. + +</p> +<p><i>Nemox</i>, nem’-moks, <i>Pekquam</i>, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer. + +</p> +<p><i>Quoskh</i>, kwosk, de blauwe reiger. + +</p> +<p><i>Seksagadagee</i>, sek’-sa-guee-da’-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort “grouse”. + +</p> +<p><i>Skooktum</i>, skoek’-tum, de forel. + +</p> +<p><i>Tookhees</i>, tok’-ies, de boschmuis. + +</p> +<p><i>Umquenawis</i>, um-kwie-na’-wiz, de eland. + +</p> +<p><i>Unk-Wunk</i>, unk’-wunk, het stekelvarken. + +</p> +<p><i>Upweekis</i>, up-wiek’-is, de Canadeesche lynx. + +</p> +<p><i>Whitooweek</i>, wit’-oe-wiek, de houtsnip. + +<a id="d0e1232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1232">4</a>]</span></p> +<p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<p>Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel met teekeningen van Charles Copeland: + + +</p> +<ul> +<li>1 Dierenleven in de Wildernis (3<sup>de</sup> druk) + +</li> +<li>2 Kijkjes in het Dierenleven (2<sup>de</sup> druk) + +</li> +<li>3 Het Boschvolkje + +</li> +<li>4 Op Eenzame Zwerftochten + +</li> +<li>5 Boschgeheimen + +</li> +<li>6 Een Broertje van den Beer + +</li> +<li>7 Op Herten Uit + +</li> +<li>8 Zonder Geweer op Jacht + +</li> +<li>9 De Witte Wolf + +</li> +<li>10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden</li> +</ul><p> + + +</p> +<p class="div1"><span class="pagenum"> +[<a href="#d0e111">Inhoud</a>] +</span></p> +<p></p> +<div class="divFigure"> +<p class="legend"><img border="0" src="images/back.jpg" alt="Achterkant oorspronkelijke uitgave."></p> +</div><p> + +</p> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS *** + +***** This file should be named 18072-h.htm or 18072-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/7/18072/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + +*** END: FULL LICENSE *** + + + +</pre> + +</body> +</html> + diff --git a/18072-h/images/back.jpg b/18072-h/images/back.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..53ec4e4 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/back.jpg diff --git a/18072-h/images/front.jpg b/18072-h/images/front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..930dd48 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/front.jpg diff --git a/18072-h/images/p000.jpg b/18072-h/images/p000.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..065971f --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p000.jpg diff --git a/18072-h/images/p009.jpg b/18072-h/images/p009.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..f947535 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p009.jpg diff --git a/18072-h/images/p025.jpg b/18072-h/images/p025.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..09fdcc3 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p025.jpg diff --git a/18072-h/images/p026.jpg b/18072-h/images/p026.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c7dd101 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p026.jpg diff --git a/18072-h/images/p038.jpg b/18072-h/images/p038.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..859f441 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p038.jpg diff --git a/18072-h/images/p040.jpg b/18072-h/images/p040.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..2a444df --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p040.jpg diff --git a/18072-h/images/p042.jpg b/18072-h/images/p042.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bfc4c29 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p042.jpg diff --git a/18072-h/images/p044.jpg b/18072-h/images/p044.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..350bff2 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p044.jpg diff --git a/18072-h/images/p050.jpg b/18072-h/images/p050.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..c78874d --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p050.jpg diff --git a/18072-h/images/p062.jpg b/18072-h/images/p062.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..b583c2c --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p062.jpg diff --git a/18072-h/images/p068.jpg b/18072-h/images/p068.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1bd7448 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p068.jpg diff --git a/18072-h/images/p069.jpg b/18072-h/images/p069.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e38777c --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p069.jpg diff --git a/18072-h/images/p074.jpg b/18072-h/images/p074.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..3d384cc --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p074.jpg diff --git a/18072-h/images/p081.jpg b/18072-h/images/p081.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..262d7a7 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p081.jpg diff --git a/18072-h/images/p084.jpg b/18072-h/images/p084.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7839d04 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p084.jpg diff --git a/18072-h/images/p086.jpg b/18072-h/images/p086.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..7a3328a --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p086.jpg diff --git a/18072-h/images/p090.jpg b/18072-h/images/p090.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..bfae81c --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p090.jpg diff --git a/18072-h/images/p104.jpg b/18072-h/images/p104.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e7a80c2 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p104.jpg diff --git a/18072-h/images/p115.jpg b/18072-h/images/p115.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..55b9497 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p115.jpg diff --git a/18072-h/images/p116.jpg b/18072-h/images/p116.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..356500f --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p116.jpg diff --git a/18072-h/images/p124.jpg b/18072-h/images/p124.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0d15ab6 --- /dev/null +++ b/18072-h/images/p124.jpg diff --git a/18072-h/images/spine.jpg b/18072-h/images/spine.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..8919f0c --- /dev/null +++ b/18072-h/images/spine.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..95b919b --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18072 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18072) |
