summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--18072-8.txt3335
-rw-r--r--18072-8.zipbin0 -> 73907 bytes
-rw-r--r--18072-h.zipbin0 -> 1010079 bytes
-rw-r--r--18072-h/18072-h.htm3099
-rw-r--r--18072-h/images/back.jpgbin0 -> 91530 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/front.jpgbin0 -> 123835 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p000.jpgbin0 -> 89647 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p009.jpgbin0 -> 7806 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p025.jpgbin0 -> 31958 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p026.jpgbin0 -> 56978 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p038.jpgbin0 -> 23394 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p040.jpgbin0 -> 18649 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p042.jpgbin0 -> 47185 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p044.jpgbin0 -> 9047 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p050.jpgbin0 -> 72476 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p062.jpgbin0 -> 3873 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p068.jpgbin0 -> 17468 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p069.jpgbin0 -> 74667 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p074.jpgbin0 -> 6370 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p081.jpgbin0 -> 84737 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p084.jpgbin0 -> 3859 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p086.jpgbin0 -> 3459 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p090.jpgbin0 -> 7840 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p104.jpgbin0 -> 22843 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p115.jpgbin0 -> 89011 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p116.jpgbin0 -> 10071 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/p124.jpgbin0 -> 18881 bytes
-rw-r--r--18072-h/images/spine.jpgbin0 -> 16536 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
31 files changed, 6450 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/18072-8.txt b/18072-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..8b896d9
--- /dev/null
+++ b/18072-8.txt
@@ -0,0 +1,3335 @@
+Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dierenleven in de wildernis
+ Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg
+ en wat zij leeren moeten
+
+Author: William J. Long
+
+Illustrator: Charles Copeland
+
+Translator: Cilia Stoffel
+
+Release Date: March 29, 2006 [EBook #18072]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ Dierenleven in de Wildernis
+
+ Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij
+ leeren moeten
+
+
+
+ Met toestemming van den schrijver William J. Long uit het Engelsch
+ vertaald door Cilia Stoffel
+
+ Teekeningen van Charles Copeland
+
+
+ Derde Druk
+
+ Rotterdam MCMXXI
+
+ W. L. & J. Brusse's Uitgevers-Maatschappij
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Opdracht 6
+ Voorrede 7
+ Op Weg naar School 9
+ Wat een jong Hertje moet weten 25
+ Een Kreet in het Donker 36
+ Ismaques, de Vischarend 57
+ Hoe de kleine Visschers les kregen 75
+ Het blijde Leven 86
+ Hoe de Dieren sterven 112
+ De Indiaansche namen 125
+
+
+
+
+
+
+
+DIT BOEK OVER NATUUR EN DIERENLEVEN DRAAG IK AAN DE BROEDERSCHAP VAN
+NATUURLIEFHEBBERS OP.
+
+Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden
+aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner andere boeken
+de wereld inzond: "Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die
+er naar streven hun lessen in natuurlijke historie aantrekkelijker,
+pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied
+der wetenschap om, een blik gunnen in die wijde natuur, waar hun
+een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der
+wetenschappelijke feiten reikt."
+
+ C. S.
+
+
+
+
+
+VOORREDE
+
+
+Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de
+dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. Zij zijn alle
+natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende
+levensgeheimen van een massa vogels en andere dieren--schuwe, wilde
+wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen
+en hun nesten of holen in het hartje der wildernis maken.
+
+De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die
+hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige,
+dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze
+schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. Een
+poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in
+de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, vinden,
+waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek
+voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de dieren hier de
+namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit
+deels om de prettige herinneringen die ze bij mij opwekken, deels
+om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt,
+maar toch voornamelijk omdat zoo'n naam de eigenaardigheid heeft,
+door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor
+oogen te tooveren. Wie het kleine wezen dat onder het trapje van zijn
+huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt,
+maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo
+[1] het heeft over K'dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets
+van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik
+mij zoo'n beetje voorstellen hoe het er uitziet.
+
+Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende
+tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude
+opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn
+verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De
+bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de
+dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken
+naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun
+eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken
+onderzoekend naar mij om--net als ze in de wildernis deden.
+
+
+ WILLIAM J. LONG.
+
+
+Stamford, Conn.
+September, 1902.
+
+
+
+
+
+
+
+OP WEG NAAR SCHOOL.
+
+
+'t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe
+een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde
+zwemmen.--Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof 't
+uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den
+zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in
+dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op
+en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde
+den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk
+bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af,
+keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een
+poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen
+vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen
+nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen;
+en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren,
+het gaf alles niets--zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug
+te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich
+een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen.
+
+Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar
+huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo'n manier
+had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn kant was niet
+zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er
+heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen
+van de jonge ottertjes.
+
+Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier--en zoo worden er
+'s zomers in 't bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand
+er op let--opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier
+dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze
+moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem
+bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en
+zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich
+om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed
+de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is.
+
+Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus
+hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw
+gezichtspunt op 't gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen
+wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door
+zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels
+door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van
+menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in
+hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang
+zoo'n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het
+niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat in
+dien voortdurenden strijd om 't bestaan, maar wel van de leerschool
+die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen
+zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een
+andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een
+hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe
+rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat
+oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van
+vormt--oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op
+al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het
+volgende zei: "Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het
+er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe
+voor tijd en eeuwigheid". Zet zeven weken in plaats van zeven jaar,
+en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust
+elk moedertje in de natuur handelt.
+
+Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er
+van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het
+dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en
+veld op verkenning uit is.
+
+De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos
+opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel
+aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit
+delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen
+worden zij alleen groot, die hun natuurlijke voorgangers volgen tot
+ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding
+van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen,
+broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk
+tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding
+ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende
+voorbereid, vallen _zij_ ten prooi aan de zwervende roofdieren, die
+hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere
+leerschool doormaakten leven en gedijen--in dezelfde bosschen, te
+midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier
+natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen
+welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan
+partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna
+hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude,
+vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct
+hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun
+vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen;
+en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt,
+zijn zij de eersten die er 't leven bij laten.
+
+Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u
+versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes
+rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van
+den omgang en het gezellig verkeer te leeren. Tot op dat oogenblik
+hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder,
+geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur--een uitstekende
+methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog
+een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij
+elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven 's winters,
+als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven.
+
+Ze werden door de moeders naar een open plek in 't bosch gebracht,
+naar 't midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al
+heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de
+moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij
+aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften
+ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes
+leeren draven en over omgevallen boomen springen--een noodzakelijke,
+maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar
+in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de
+open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo'n verandering
+hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden,
+zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal
+vindt ge een hertje in 't bosch verstopt--zooals het in het volgende
+hoofdstuk beschreven is--en ge staat er versteld van dat het niet
+wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt,
+u achternaloopt en verlangend, droevig blaat, wanneer ge weer gaat. Ge
+moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste
+dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben,
+geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt,
+maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen.
+
+Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling
+een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof 't
+om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd
+bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam 't in uw hart op ook
+maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van
+Kis [2] gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje
+achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die
+niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij
+wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met
+een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen
+snelde zij weg. Zoo'n les hoeft maar zelden herhaald te worden--van
+dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje;
+en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn
+neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen
+van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht
+slaan hebben nog nooit een mensch gezien of kwaad van hem ondervonden;
+ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd.
+
+Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef
+stellen. Zoek in 't voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai,
+omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden)
+en als de jongen bijna "vlug" zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op
+een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en
+tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang,
+of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat
+is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel
+zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht
+houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun
+vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag
+kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen,
+en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes
+doen aan 't spelletje mee, en--kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen,
+zonder ook maar in 't minst te beseffen dat ze er les in kregen.
+
+Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde
+diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan
+worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze
+maar zoo'n schijntje hoeven te weten en 't met hun instinct alleen
+wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten niet alleen zichzelf
+kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze
+van die wezens afhankelijk zijn--het is hun voedsel; en een beetje
+moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas
+zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten
+houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts
+een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en
+dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld.
+
+Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd
+geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze
+den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt
+de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar
+de rivier terug--steeds dezelfde rivier is het--, waar ze werden
+uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken
+uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik
+geloof--en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van
+forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen
+over diepzee-onderzoek--dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier,
+die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden
+aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct.
+
+In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen
+tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér
+met het verstand te maken heeft dan bij ratten, bij eekhoorntjes,
+bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging
+tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten,
+zouden de jonge vogels in het Noorden of in 't Zuiden nooit hun nest
+terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker,
+en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten
+zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude,
+die meer ervaring hebben, en _niet_ door hun instinct, den veiligen
+weg naar de kust kennen--de zeeën over, wildernissen door, nog door
+geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde
+rustplaats en voedsel wacht.
+
+De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is,
+maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of
+twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van
+Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren,
+die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze
+kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude
+waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen
+oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het
+mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen,
+die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten.
+
+Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de
+hoogere soorten komen. Het voornaamste en krachtigste instinct is daar,
+evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid--maar er bestaat een belangrijk
+verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het
+jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door
+dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat
+het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten
+en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en
+langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot
+in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid
+hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte
+van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind
+verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct
+en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen
+heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad
+gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de
+gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan;
+want zonder gehoorzaamheid is het leven een last.
+
+Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde,
+weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in _dat_ rijk wordt gekend
+en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn
+bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid
+onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke
+betaalt. Dat begrijpen alle moeders in de natuur, van den patrijs
+af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen,
+in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat
+de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken,
+tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig
+opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van
+het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt,
+wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de
+natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen
+overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst;
+hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water
+vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren,
+en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,--die
+moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich
+heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij
+zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet.
+
+Daarom zou ik dit boek "de Boschschool" kunnen noemen; want 's zomers
+is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal
+allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en
+waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen
+zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens
+de regelen der kunst; en zoo'n oppervlakkig Fransch of letterkundig
+vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid doet leven: dat
+is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter
+geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er
+haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften
+komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en
+wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen;
+hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld
+zien--klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken--uit elkaar moeten
+houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te
+laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt--nog eens:
+al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van 't instinct zijn
+als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing.
+
+Bij de opleiding die ze daar in 't bosch krijgen gaat het om het
+leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de
+dood. Iemand die lang zoo'n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet
+soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk
+een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt.
+
+Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de
+geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden;
+en die vlugger van begrip zijn--de kraaien en wolven bijv.--maken
+onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen
+ook _zij_ teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer
+geëischt dan ze kunnen. Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven
+zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en
+worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen,
+en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in
+'t leven te blijven.
+
+Er is nog iets. Het is in 't oog loopend hoe vroolijk het op die
+bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur
+toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe
+sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaan _hoe_
+vrij zij zich wel voelen, _hoe_ zij genieten onder 't spelen, _hoe_
+levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart
+en oogen open al gauw in de boschschool leert.
+
+Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in 't dorre gras, en zijn
+kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar
+boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw
+gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat
+stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar--voor zoover
+ik er over kan oordeelen--hoe volkomen hij voor dien scherpen blik,
+waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en
+zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook
+heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij
+eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van
+die merkwaardige kleur wezen, _èn_ voor het feit dat de natuur ook nog
+aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik
+gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen,
+wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar _nu_
+meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij
+in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.
+
+Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven
+een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik
+en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet
+vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig
+van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen
+die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven
+gebruiken.
+
+De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi
+loert, geniet niet meer--neen, eer minder--van zijn gezichtsvermogen
+dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar
+beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens
+verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan
+maar zoo in 't volle gezicht weg om de aandacht van den roover van
+haar kindertjes af te leiden, en op 't laatste oogenblik springt zij
+de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is
+ook volstrekt niet overstuur, maar als 't gevaar geweken is en zij
+terug komt huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als
+een koningsvogel.
+
+Het _is_ gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft
+een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert,
+hoe prachtig het daar--als een valk zoo licht en vlug--voortsnelt over
+een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en
+aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo'n zuiver
+berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een
+schuilplaats te zoeken. 't Is of hoef en wiek om 't hardst het gevaar
+uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht,
+van hun geoefendheid.
+
+Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor
+iedereen die met open oog door 't rijk der natuur gaat, slechts bij
+wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker
+u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u
+'t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen,
+geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt,
+gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met
+hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren.
+
+De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen
+van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien
+de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat
+een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het
+denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die
+menschen vragen: "Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte;
+komen ze ten slotte droevig om?"
+
+Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik
+twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de
+dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten
+liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over
+de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: "het blijde Leven" en
+"hoe de Dieren sterven". Ze geven er, heel in 't algemeen, een kort
+verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk
+_is_; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd
+dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en
+nagegaan, gekomen.
+
+En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet
+verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal
+moeten wachten--dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige
+van de natuurwezens die er werken en spelen.
+
+
+
+
+WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN.
+
+
+Tot op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk
+oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde
+den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van
+de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom
+over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn
+bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs
+voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten
+boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn,
+en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden.
+
+Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde
+schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn--en
+kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld
+onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn
+luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft,
+is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan
+waar hij bezig is geweest.--Daar, aan den anderen kant, liggen de
+bronsgroene schubben van een pijnappel--spaanders uit de werkplaats
+van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van
+zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schoot
+om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is 't spoor van
+een "mink", en 't is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een
+poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier,
+terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen,
+hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom,
+een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd,
+zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat
+te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als
+brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.--Vlak
+voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen
+dier er over zou loopen, of 't moest een "mink" zijn op roof
+uit--gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels
+die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje,
+waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor
+de deuropening hingen. "Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik,
+"want niemand zou je daar ooit vinden"; maar--alsof 't gebeurde om
+mij tegen te spreken--daar vond me een verdwaalde zonnestraal het
+plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en
+spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.
+
+"Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel
+en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer
+weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de
+wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik
+bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen--en de bruine
+vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte,
+de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes,
+die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun
+moeder hen bij 't weggaan verstopt had.
+
+Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk
+als Jozef een "veelvervig" rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een
+soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan
+liggen, en ze werden onzichtbaar.
+
+Die eigenaardige teekening--net het spelen van licht en schaduw door de
+bladeren--verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en
+de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren
+een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van
+kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo
+vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht
+naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk
+als mijn eigendom beschouwde. In 't heele bosch bestaat er niets
+dat zoo stormenderhand ons hart verovert als 't snoetje van een jong
+hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog
+er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op
+deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de
+oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar
+ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van
+sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn
+handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond
+gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen
+boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van
+zomerschen zonneschijn.
+
+Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde
+te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes,
+zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en
+vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als
+een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren
+aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar
+toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was
+zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,--ik
+kon niet weggaan.
+
+De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat
+er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes
+uit waar ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende
+beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder
+hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn,
+omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken
+ze hun kopjes op. 't Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun
+eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij
+wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote,
+onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel
+verslagen stond. Zoo'n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben
+aangekeken, en we zouden er, als 't noodig was, ons leven voor
+overhebben om het te beschermen.
+
+Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen
+zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had
+ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot
+beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. "Aanvaard de gaven die
+de goden u schenken,"--die gedachte ging door hun kopjes, en wat
+ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten,
+was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde,
+draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te
+halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen
+mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden
+geaaid en gekrieuweld.
+
+Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik
+prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld
+opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd,
+bij 't minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend
+naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een
+takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te
+zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en
+dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen
+naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam
+naar boven en keken zij mij aan. "Wat een merkwaardige wereld is
+dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe,
+vertel ons er alles eens van,"--dat zeiden die mooie oogen, toen
+ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke
+leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten,
+gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje
+in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek,
+vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor
+den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe
+gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder
+dat streelende ruwe, zoo'n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren
+nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld,
+toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.
+
+Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt
+want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op
+dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje
+trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve
+wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het
+geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk
+goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door
+'t bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als 't
+"_plop_" van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu
+achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van
+mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.
+
+Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun
+dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar
+het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege
+was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel
+door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte
+zachtjes, toen ze den stam in 't oog kreeg waar haar leger was. Toen
+ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over
+haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar
+voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij
+haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn
+handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich
+om te vluchten, elke spier gespannen tot den sprong, maar 't was of
+haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de
+spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne;
+zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar
+lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze _kon_ niet heengaan,
+_kon_ haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te
+wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking
+mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid
+_k-a-a-h! k-a-a-h!_--het noodsein der herten--als trompetgeschal door
+de bosschen en snelde zij 't beschermende kreupelhout weer in.
+
+Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en
+doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die
+vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door
+de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze
+ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij
+aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen,
+zonder beven, kalm hun flanken streelden.
+
+Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen,
+maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje
+met doodsangst in de oogen,--dan weer stoof ze weg met haar witte
+staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg
+ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste
+noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig;
+hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen
+en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden
+een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de
+mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch
+nog,--die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was
+door honden en belaagd door geweren--en zij bleven waar zij zich veilig
+wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.
+
+Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor
+het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter
+'t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen,
+duwde ik ze nog eens terug. "Daar blijven, en naar je moeder luisteren;
+daar blijven en doen wat je moeder zegt," bleef ik maar fluisteren;
+en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen--niet de
+woorden, maar den zin die er achter stak--want na een poosje werden
+ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik
+maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den
+gevallen boomstam heen, om ze van 't spoor af te brengen als ze er soms
+uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij
+niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de
+open plek af, een paar meter verder, waar de witgezengde stammen op
+de verbrande helling door het groen van 't groote bosch schemerden,
+en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats,
+totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes
+zich onder de wortels verstopt hadden.
+
+De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was 't weer stil
+geworden. Een beweging in 't kreupelhout--en daar kwam de hinde
+voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar
+ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes:
+het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes
+vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van
+haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was,
+terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde,
+van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch
+vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel
+waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes
+zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij
+hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken
+met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch
+om was en waarom zij was weggesneld.
+
+Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong,
+die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar
+heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede
+les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten
+sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het _ka-a-a-h! ka-a-a-h!_
+weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken:
+dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden
+de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar
+toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun
+ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het
+bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken
+uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit
+meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets
+dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits
+van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit
+het gezicht.
+
+Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.--Toen ik ze weer
+zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die
+twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot
+wil worden in het uitgestrekte bosch.
+
+
+
+
+EEN KREET IN HET DONKER.
+
+
+Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes,
+die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond--net zooals ik
+het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken
+ze op 't eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik
+ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen
+als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard--dat alles was bij
+hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was
+een verstandig en 't ander een dom klein ding. Het een was volgzaam
+en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede
+volgde van 't begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het
+eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was--maar toen
+was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,--ik geloof zeker
+dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid
+slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders
+in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken
+van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.
+
+Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen
+allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was,
+in 't hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar
+voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereiken kon. Nog dagenlang
+na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij 't krieken van den dag,
+of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers
+aan 't weiden zijn, op uit om het dal van 't begin tot het einde af
+te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen
+te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken
+wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een
+boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden
+spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen
+mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van
+het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar
+kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van
+een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.
+
+Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak
+waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten
+bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom
+terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig
+waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos _mij_ nauwelijks ontdekt zou
+hebben; maar bij 't eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind,
+als duiveltjes in een doosje, wanneer 't haakje los wordt gemaakt. De
+moeder stak haar witte vaantje in de lucht--den sneeuwwitten onderkant
+van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken
+licht--en sprong weg met een heesch _ka-a-a-a-h!_ tot waarschuwing. Een
+van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder,
+terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen
+aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er
+op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan
+te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een
+grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal
+toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk
+onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde
+haar hangend staartje zenuwachtig--
+
+Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe
+menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen
+neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd
+is.--Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil
+overeind, floep!--vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde
+het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had
+om aan 't gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het
+verwarde kreupelhout.
+
+Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied,
+besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een
+opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of
+hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken,
+over het dooreengestrengelde kreupelhout--nu in snellen sprong zwevend
+aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij 't dalen pas
+weet hoe 't aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog
+voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen
+om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,--vraagt zich te
+vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de
+wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie 's nachts
+een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een
+woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld
+heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen,
+dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van
+een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of
+zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke
+barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn
+pootjes denkt. 't Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in
+hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te
+zien is.
+
+Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door 't kwispelen van haar
+staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt
+slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen
+zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap
+als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in 't enkelgewricht
+en wachten en loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan:
+bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein
+oogenblik heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam,
+getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten,
+weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens
+op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken,
+hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben,
+hoe ze zich schrap hebben gezet--in zoo'n ondeelbaar oogenblik, dat
+het onzichtbaar blijft voor het oog--voor den schok op steenen of
+vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook
+ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en
+schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de
+achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder 't dalen terechtkomen,
+en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken
+om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen.
+
+Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot--dat was nog te
+weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe
+door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan;
+maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk
+hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt.
+
+Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd
+moeten leeren gehoorzamen dan hun eigen kopje. De moeder moet den
+weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een
+verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart
+ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te
+loopen--zelfs als ze al lang volwassen zijn--soms wel een stuk of
+zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor,
+dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten
+deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch,
+om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen,
+in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt
+ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor
+'t eerst het vaantje leeren volgen.
+
+Na die tweede ontdekking ging ik 's middags vaak naar een bepaald
+punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte
+dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried
+waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde
+altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij
+ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten,
+hoorde ik gekraak in 't struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan,
+onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige
+kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks
+den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in
+de lucht was, en sprong op de bladeren van de waterlelies af. Soms
+lag mijn kano in 't volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar
+rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een
+graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg,
+sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig
+naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond.
+
+Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden,
+herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze,
+als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen,
+in een ommezien in 't kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging
+er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend
+om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in
+een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om
+achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen.
+
+Zoo'n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen--dat bleek
+mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo'n bloeddorstig
+roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de
+klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een
+dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging,
+plotseling aan 't verhaal over dien kleinen baas een einde hebben
+gemaakt. Het was laat op den middag, toen ik op weg naar het meer
+langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang,
+nauw dal, waar 't vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde
+boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene
+van die plaats te doen uitkomen.
+
+Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar
+achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te
+kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen
+te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat
+ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de
+eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven
+op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een
+hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout
+uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar
+kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing
+meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of
+zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk
+op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: "Achter je
+moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!" Toen sprong ze weg,
+vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en
+rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong
+klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig
+zooals 't hoorde haar volgde.
+
+Op 't eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in 't
+kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te
+voorschijn. Ik herkende het dadelijk--het zieltje zonder zorg--en
+begreep dat het al te lang dat volgen van 't vlaggetje veronachtzaamd
+had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist
+niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het
+hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van
+mij af was. Toen pas kreeg het den man in 't oog, die daar voor hem
+op 't pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke
+ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder
+mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk,
+verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,--een
+alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de
+ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd:
+zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift
+was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was.
+
+Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te
+bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij
+schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk...,
+twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. 't
+Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het
+hem ooit geleerd was. Het is al zoo'n oude krijgslist, iemand een
+beweging te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende
+gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat
+je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat
+het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het
+pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de
+moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er
+'t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het
+pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee;
+dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond
+hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen
+dat hij niet bang was.
+
+"Kleine, dappere baas, jou mag ik zien," dacht ik bij mezelf, en
+mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond
+te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie
+snuitje. "Maar," dacht ik verder, "wat zou er nu al lang met je gebeurd
+zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen
+kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er
+hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun
+hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je
+niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen."
+
+De nacht daalde snel. 't Geroep der moeder galmde hoe langer hoe
+angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de
+duisternis toenam. Met plotselinge gewetensknaging en schrik dacht
+ik: "Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine
+baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets
+leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam." Zoo gaat het
+gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar
+gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze
+doet. "Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden
+boomstam, en het andere--dat is ginds bij je moeder op 't oogenblik,
+waar jij ook hoorde te wezen,--dat begrijpt dat oude wetten veiliger
+zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van
+zoo'n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij 't verkeerde eind,
+kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb
+je mijn hart gestolen door 't gestamp met je pootje. Misschien is
+het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal
+ik het je nu wel anders leeren."
+
+Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend
+en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk
+was 't met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg
+stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar
+hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem,
+dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint,
+in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht.
+
+Wie met open oog en oor een week of wat in de wildernis leeft merkt
+al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind
+toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en
+regels woont--een staat van zaken die al van veel ouder datum is
+dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te
+grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen
+schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde
+niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd
+waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een
+grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die
+er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal
+gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep
+om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de
+monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen,
+en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik
+eens op een avond--een dag of veertien later--bezig om te probeeren
+of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen.
+
+Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te
+hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling:
+de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze 't
+water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct
+èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor
+hun part net andersom genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam
+er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen.
+
+Maar 's nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om
+in 't ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten
+wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte--in den vorm van
+nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige
+voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met
+zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over 't water viel uitgooide,
+ving wel eens een dikkerd.
+
+Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of
+niet. Ik moest als 't ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand
+bijna in mijn handen hebben--klaar om gauw en krachtig op te halen,
+als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch
+ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde
+je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot
+dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo'n plons
+met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward
+op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar
+het schijnsel van 't vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan
+een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel
+van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen,
+had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op het water
+geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er 's
+nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en
+wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan 't visschen ben staan de
+groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal
+zijn geuren die alleen 's nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van
+dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep,
+gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit
+de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo
+bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het
+even prettig 's nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd
+vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg.
+
+Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die
+al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of 't weer vertrouwd
+was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in 't kreupelhout
+hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote,
+gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren--de oogen van
+een hert. Een vlug geritsel--en een beetje lager nog twee kolen,
+die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog
+twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij
+waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den
+grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen
+betooverd, die op de schichtige boschbewoners komen aanschieten alsof
+zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en
+glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen
+met hun stille spel.
+
+Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er
+voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en
+het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik
+te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met
+gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu
+eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig
+heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep
+schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen,
+die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een
+oogenblik. Toen kwam een van de hertjes--zelfs bij het schijnsel
+van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn
+vroolijk geappelde velletje--recht op mij aan, om bij het oplaaien van
+'t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje
+te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was.
+
+De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren
+met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde
+nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend,
+roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en
+zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was,
+en haar deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en
+hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los
+uit die betoovering, en haar heesche kreet _k-a-a-ah! k-a-a-ah!_ galmde
+als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg,
+terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje
+op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen.
+
+Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige
+verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en
+ging toen weer verder op 't licht af, turend en stampend van louter
+dwaze verwondering.
+
+Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door
+zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat
+glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als
+tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem,
+in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu
+eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging,
+een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik
+dat roepen om te volgen, en 't gekraak in het kreupelhout als ze
+wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige
+geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik
+schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe--dat was de
+snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die
+pracht in duisternis verdween en de reuk van een mensch hem op het
+koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas
+er springend vandoor--helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant
+uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan.
+
+Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen,
+in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm
+het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den
+heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal
+met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij
+onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat
+er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren
+riep het al maar door; 't was een klagende angstkreet. De moeder
+draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest,
+maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het
+niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en
+weer in den luisterenden nacht.--_Woe-woe_, "kom hier." _Bla-a-a,
+bl-r-t_, "ik kan niet; kom bij me." _Ka-a-ah!, ka-a-ah!_ "onraad,
+volg me!"--en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde
+met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest
+ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de
+sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er
+gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als
+ge de taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde,
+waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag
+hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met
+gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo
+lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop,
+mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik
+stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan,
+kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging
+vlak voor mij heen. Iets in 't geluid misschien--een log en toch bijna
+geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis
+in staat is--ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst
+niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper
+ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer,
+zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads
+vermoedende hertje te besluipen. Hij wist--zooveel hadden zijn ooren
+hem wel verteld--dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder
+was afgeraakt.
+
+Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug--ofschoon Mooween eigenlijk
+op niets let, als zijn wild op de been is--en snelde naar mijn kano
+om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas,
+maar ik was er nog nooit eerder 's nachts zoo laat een tegengekomen,
+en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles
+hangt trouwens van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier
+nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit;
+en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed,
+met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den
+trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van.
+
+Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt
+u gerust hieraan houden--wat ge ook voelt: angst of twijfel of
+vertrouwen--dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken
+en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt
+zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam
+eens een beer tegen op een nauw pad--maar dat vertel ik wel op een
+andere plaats.
+
+Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik
+liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan,
+zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik
+ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige
+moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een
+hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al
+langzamer en langzamer, tot er--juist aan dezen kant van den dikken,
+omgevallen boom--een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk
+klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en 't geluid
+van een sprong--en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op,
+met iets in zijn bek dat zwaar tegen het kreupelhout slingerde en in
+'t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de
+verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren.
+
+Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen
+oever aan een zijtak van 't groote meer was opgeslagen, de moeder bij
+tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te
+loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met
+haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks
+ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig
+vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar
+mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik
+naar de plek terug. 't Kostte mij niet veel moeite te vinden waar
+het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd
+en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen
+had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en
+gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels
+van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo
+ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen
+nut had het nog verder te volgen.
+
+Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug
+opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna 't
+geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed
+een hert. De moeder had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in
+kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje
+bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had
+haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje,
+waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen
+in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen.
+
+Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even
+maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout
+scherp naar mijn oude kano stond te turen; op 't zelfde oogenblik
+zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting,
+zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs
+was gegaan, liet ze haar heesch _ka-a-ah, ka-a-ah!_ hooren en stak
+haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een
+scherp _ka-a-ah, ka-a-ah!_ beantwoordde het hare; het tweede hertje
+drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen,
+en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong
+het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen
+stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield,
+met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch
+maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.
+
+
+
+
+ISMAQUES, DE VISCHAREND.
+
+
+_Oewit, oewit, tsjwie?_ _Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!_ zoo klonk
+gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van
+mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien
+zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in
+mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter
+mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch
+in 't oog kreeg--een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik
+mijn zwartvisch [3] wegborg om ze voor berenaas te gebruiken--schoot
+hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat
+klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik
+geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg
+met een aanmoedigend _k'wie-ie!_--dat is zooveel als "goede vangst"
+van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar
+aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft
+in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd
+ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit
+het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat
+zijn gemoedsrust er door verstoord wordt.
+
+Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan
+schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: "zal een luipaard zijne
+vlekken veranderen?" schijnt te logenstraffen en tot een ander
+mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij 't
+verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat
+hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die
+een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar
+nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig,
+en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als
+een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend:
+voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere
+roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw
+van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te
+verbergen. Dan riepen gaai en kraai: "dief, dief!" Dan liet de
+koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om
+'t gevecht te beginnen. En nu--de kleine vogels bouwen hun nestjes
+tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn
+wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat
+hebben al lang geleerd dat het maar 't verstandigst is goed op een
+afstand te blijven van Ismaques' woonplaats.
+
+Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in
+zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als
+hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher
+echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepen ze allen hartelijk
+"goede vangst" achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen
+uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van
+plan zijn bij zonsondergang in te gooien.
+
+De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het
+uit bij zijn terugkomst--zoo geregeld als de maanden van het jaar. In
+éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de
+wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan
+jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog
+aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot
+dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen,
+een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk,
+"openbaarlijk gestraft" hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en
+lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de
+eieren van een anderen boosaardig vernield had.
+
+Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit
+en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op
+jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke,
+oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan
+te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke
+menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij
+hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij
+de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,--en
+zijn komst werd door de visschers als een voorteeken van een goede
+vangst beschouwd.
+
+Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat,
+zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde
+noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog
+jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid
+verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik
+mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten
+op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede
+vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top
+van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. _Zij_ waren
+het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar
+zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte,
+en om mij een verheugd _Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie!_ "goeie vangst,
+en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er
+zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen
+dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en
+niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging,
+en in het succes dat ik er mee behaalde.
+
+Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar
+dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen
+van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken
+verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels
+kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren,
+was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat
+er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten,
+overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest
+gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig
+rondsluipende dieren. "Minken" staakten hun kikkerjacht in de beek, en
+door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof,
+pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof
+geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze
+boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen
+nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en
+tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels
+om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze 's nachts te keer
+gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden
+en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de
+rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf
+een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het
+kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen.
+
+Hij kwam daar blijkbaar voor 't eerst, en wist niet dat Jan en
+alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de
+meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit
+zijn houding, uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn
+geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen
+op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde
+dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans
+eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook
+die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was,
+gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn
+hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou
+komen dagen en hem toebijten: "Dat is van mij!" Toen hij later wat
+op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend
+wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en
+door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal
+genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter
+steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren,
+bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren,
+wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens
+was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan
+hun ongevraagde gasten. Ismaques--trouwe baas die hij is--paart voor
+zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De
+eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een
+vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer
+door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde
+met een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk
+dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet
+hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die
+over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien
+aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog
+naar andere meren--niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit
+in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te
+zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan
+alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid
+en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat
+de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een
+vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in
+het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater
+en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder
+aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een
+schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.
+
+Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de
+helling. Zooals 't gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters,
+de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door
+den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de
+sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden
+en niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn
+takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal
+was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren
+afgebroken als de arend ze noodig had.
+
+Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst,
+dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan
+onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig,
+waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond,
+als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn
+vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs
+nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat
+hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen
+op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen
+machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang
+geduldig aan 't visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn
+verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt
+hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de
+tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar
+beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee
+hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de
+plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door
+een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken
+keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen
+en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna
+op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op
+streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog.
+
+Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo'n merkwaardige
+vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer
+terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo'n heelen winter naar het Zuiden
+trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan
+de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe,
+dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude,
+verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het
+geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig
+herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt
+is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat
+moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst
+weggaat, weet hij dat--behoudens onvoorziene omstandigheden--zijn
+woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk
+op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of
+dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee
+aan het Groote Squatuk-meer--die ook in andere opzichten merkwaardig
+verstandig waren--weet ik niet te vertellen.
+
+Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een
+sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan
+bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente
+wordt, zult ge alleen vader en moeder bij 't oude nest aantreffen. Ik
+geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar
+als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water--indringen
+doen ze zich niet. Elk paar schijnt er--even als de ijsvogels--zijn
+eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke
+waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden,
+staat nog te ontdekken.
+
+Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen
+in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets
+zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren
+voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de
+wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen
+langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding
+en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende,
+groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op
+het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte,
+buitengewoon merkwaardig--totdat er een paar breede wieken in 't
+zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten
+in een gretig gesjilp: _piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie?_ "Heb
+je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich
+voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig
+hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.
+
+Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de
+andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen
+ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder,
+die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze
+haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje
+het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek,
+waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer
+hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan
+was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou
+hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof
+hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer
+deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker
+gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den
+kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.
+
+Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde,
+kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch,
+dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de
+jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten;
+geen gedrang, geen geduw om den eersten, grootsten hap, zooals we dat
+in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een
+van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad
+als 't ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer
+schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den
+rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot
+het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik
+aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen.
+
+Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een
+paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de
+kruimels, die er overvloedig van "den disch des rijken" vielen. Het
+was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er
+door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats
+te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de
+boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial
+is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest
+aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en
+zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen
+edelmoedig beantwoord.
+
+Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet
+als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes
+die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij
+ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zij de wacht hield
+over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt
+niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij
+ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om
+machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar
+af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet
+van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid
+lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde
+daar rond, roepend, vragend--want nooit is haar nieuwsgierigheid
+bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen
+herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze
+geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads
+in den zin hadden tegen 't nest daarboven.
+
+Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de
+gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden
+wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar
+het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen
+doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van
+den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden
+met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op
+het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom
+te klimmen--waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig
+om te zien wat het was, maar voordat ik de plaats bereikte, hadden
+ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik
+een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den
+vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de
+groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken
+bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van
+opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij
+dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in
+'t vervolg goed op hem zou letten.
+
+Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren
+namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen
+de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het
+meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen
+grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen
+zeggen. De visscher toonde bij zoo'n gelegenheid in zijn gedrag
+een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op
+het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen,
+gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers
+vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en
+voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren
+Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig,
+ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken
+boven het nest zagen kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren
+klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk
+last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het
+onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was
+het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn
+twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje
+visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij
+zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht
+in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het
+oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen,
+turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om
+dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen
+te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten
+diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de
+groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van
+den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het
+eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was,
+liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien,
+nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed
+hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best
+met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier
+zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit
+lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als
+het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem
+ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd.
+
+De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze
+wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven
+Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best
+te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden
+er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen
+ontdekken _wat_ ze eigenlijk precies vertelden.
+
+Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen
+wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd
+alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun
+nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout
+tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een
+paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest
+te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen
+sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen,
+maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon;
+maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over
+die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk
+had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak
+boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig naar mij zat te
+kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano;
+maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of
+andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik
+op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat
+ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan
+het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.
+
+Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit
+eerder had opgemerkt. Af en toe--als het weer dreigde om te slaan of
+als de vogels en hun jongen verzadigd waren--steeg Ismaques de lucht
+in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam
+in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den
+wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven
+alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met
+een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van
+plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen,
+hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het
+nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend
+en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;--net als een
+houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt
+neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg
+Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw
+te vertoonen, terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den
+sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en
+weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die
+verbijsterende vertooning van _hun_ papa!
+
+Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques
+er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven
+uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat
+hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een
+mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er
+op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het
+nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht--zonder ook maar
+eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven--of hij op
+deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi
+er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken
+het zelf te doen.
+
+
+
+
+HOE DE KLEINE VISSCHERS LES KREGEN.
+
+
+Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen
+en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk
+haar kreet niet als gewoonlijk: _Tsjip, tsj'wie! Tsjip, tsjip,
+tsip, tsj'wie-ie-ie?_ Dat was de groet van den visscher wel, o ja,
+duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends
+en voldaans in, zoo iets van: "kijk nu eens hier!" Eer ik mijn hoofd
+om kon draaien--want ik had net beet--volgden er nog meer geluiden:
+_pip, pip, pip, tsj'wie! pip, tsj'wie! pip, tsj'wie-ie!_ Wonderlijk
+verwarde geluiden, die mij alle een "goede vangst" toeriepen. Ik hoefde
+mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee
+visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.
+
+De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder
+teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik
+mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes
+achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen
+tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen
+te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden
+zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd
+hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door
+mijn verrekijker van hen zag was de moeder in een boom en de vader
+in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen
+voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend
+klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar
+moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals
+en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten,
+zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat
+bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke
+list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen
+vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit,
+en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in
+zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn
+vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want
+Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het
+zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen
+uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is,
+en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf,
+vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten,
+dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in
+het bosch gaan jagen--wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch
+zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen
+geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op
+welke wijze dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar,
+in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun
+onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag
+te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen
+vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden
+worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten
+de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor
+een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan
+de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij
+sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge
+visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende
+licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo'n scherpen
+blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk
+zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en
+riepen: _pip!_ "daar heb je d'r een!" _Pip, pip!_ "daar gaat-ie!" als
+een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje
+van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen;
+en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden
+hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.
+
+Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg
+een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de
+rotsen in 't oog. _Pip, tsj'wie-ie!_ floot hij, en daar schoten ze me
+met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar
+lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik
+daar doodstil tusschen de rotsen zat. _Pip, pip, pip_, hoezee! klonk
+schril hun gefluit onder het dalen.
+
+Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat
+de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong
+heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half
+angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord
+had: _Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!_--en die elken keer als zij
+hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en
+omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs
+en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.
+
+En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd
+maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat
+lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de
+visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den
+kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het
+water; het geglinster en de dansende golven maken 't hem lastig;
+hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten
+schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij
+hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den
+visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen,
+maar spant zijn vleugels om neer te schieten. "_Tsjip, tsip!_ halt,
+hij duikt weer," waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig
+om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een
+meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar
+hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit,
+klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden--als er weer een
+zilveren glans onder 't golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij
+weer neer--_hoe! boe!_--net een jongen die voor het eerst duikt. Een
+poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem
+heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer
+bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich
+schuddend dat de droppels om hem heen vliegen--maar zonder visch
+natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor
+boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een
+enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op 't oog,
+heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu
+ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes
+aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den
+moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te
+steken. _Tsjip, tsjip!_--"let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,"
+fluit zij--_Tsjie-iep!_ met zoo'n plotselingen, schrillen uithaal, dien
+ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze
+haar vlerken uit, schiet vast en zeker naar beneden, valt dwars op een
+rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant
+weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen
+komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen
+haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om
+dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit
+wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna,
+ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben,
+te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.
+
+Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet
+dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een
+boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken
+verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet
+ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij
+hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra
+hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op
+een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt
+langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar
+krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende
+golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien
+worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. _Tsjie-iep!_
+"probeer 't nu eens," fluit zij. _Pip, pip!_ "daar gaat hij!" roept het
+jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden,
+heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan
+geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet
+meer noodig.
+
+Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening
+uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in
+'t oog heeft en dat hij 't er netjes afbrengt. In een wip is hij
+er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking,
+den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage,
+langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker
+van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met
+den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het
+ondiepe van de zandbank.
+
+Het blijkt nu duidelijk--zelfs mijn oogen kunnen het zien--dat er
+een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan
+bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer,
+flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de
+seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien,
+zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De
+moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.
+
+Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende
+schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden,
+en boven de glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het
+leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het
+visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde
+gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver
+of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak
+bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden
+in de modder van tracht te bevrijden. Had _ik_ maar iemand gehad om
+mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!
+
+Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam
+opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel
+een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn
+als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop
+Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn
+bek, net als "mink" en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen;
+maar om een visch--die zoo vlug is als een bliksemflits--onderwater
+met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten
+meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch
+een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens
+achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.
+
+Nauwelijks kwamen de visschers in 't zicht en klonk hun gretig gepiep
+hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van
+wal af en liet een stuk of zes zwartvisschen in het ondiepe water
+los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in 't leven
+gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo'n beetje aan
+de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat
+ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder
+voor haar _Tsj'wie?_ te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om
+er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het
+moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn
+lokaas onmiddellijk in 't oog. Een van de jongen schoot er dadelijk
+zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen,
+steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en
+ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor,
+schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder
+duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen
+was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel
+was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over
+de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij
+had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent
+dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde
+langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar
+klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig
+een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven
+op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, op een plaats die ik
+niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf
+en toog haar jongen achterna naar het nest.
+
+Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te
+laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar
+onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was,
+zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom
+eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder
+langs den afgelegen oever rondvliegen.--Daar had je de visch weer, in
+'t ondiepe; en daar--dat was nu toch veel te gemakkelijk!--dreven er
+twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om,
+alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij
+zich en trok naar ander vischwater.
+
+Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde _tsj'ie-iep!_
+waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste
+landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik
+ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat
+de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige
+schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig
+keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de
+moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in
+te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden
+en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit hun kloeken
+vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er
+den vorigen dag in ontbroken had.
+
+De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van
+mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch
+te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere--de
+paar die er nog van waren overgebleven--worstelden zoo'n beetje
+aan de oppervlakte. "_Tsjip, tsj'wie-ie!_" riep ze minachtend;
+"er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te
+krijgen!" Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een
+dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan
+een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende,
+dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij
+visch vangt.
+
+
+
+
+HET BLIJDE LEVEN.
+
+
+Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken
+tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur
+van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee
+vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier,
+terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij
+nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was
+afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond,
+zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje--meer dan
+genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar
+mijn "kwakzalver" had gesprongen maar op--wat mij wel aan mijn hart
+ging, moet ik eerlijk bekennen--en ging op een aangespoeld houtblok
+zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de
+boschbewoners bezig waren.
+
+Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden
+fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe
+kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen,
+een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar
+zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het
+voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe
+plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan 't
+blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend
+naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche,
+jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig
+uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij,
+trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn
+stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den
+oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte
+schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die
+aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde
+mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in
+het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met
+een slag van zijn staart in flarden.
+
+Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken--naar de
+schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht
+en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar
+de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde
+met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen
+uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van
+de kolk.--Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te
+zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen
+doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde,
+net als de visschen in het vlietende water beneden.
+
+Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een
+vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar
+dat ging hem veel te gauw--hij deed het immers maar voor ontspanning,
+was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water
+gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door
+mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in 't oog hield, zag ik
+dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun
+onderkant te laten afglijden--zooals een schipper zijn schoot viert
+om de vaart van het schip te verminderen--en de prachtige, stijgende
+spiraalvlucht begon.
+
+Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is
+het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan
+er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor
+'t eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen
+uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.
+
+De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert
+hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten
+cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog
+op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder
+haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed
+uitgespreide vleugelschachten--zoo gering, dat mijn oog het niet meer
+kan waarnemen--kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich al wijder
+en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in
+den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid
+ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.
+
+Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige
+spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt,
+met rustigen, vlammenden blik Jesaja's koninklijk gebied overziet,
+als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der
+aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen
+van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol,
+met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den
+blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen,
+deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun
+zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem
+teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in
+de armen heeft.
+
+Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst
+gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen
+voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan
+kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver
+van zijn hart.
+
+Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs:
+dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in
+hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een
+wapenstilstand in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle
+wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust
+deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt
+van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de
+zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder
+aan de kust.
+
+Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar
+of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is--negen van
+de tien keer--, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw
+of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van
+het kijken naar dien edelen vogel--zoo'n klein, klein stipje op den
+eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van
+zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk
+menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen.
+
+Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte
+rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn
+voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen
+thuis, maar is op aarde evenzeer.
+
+Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier,
+en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en
+neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den
+tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een
+knoest geklemd, voor een houvast; de andere bengelden en zwaaiden
+onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder
+het wippen--op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed
+eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang
+als ik naar haar bleef kijken--wel den halven morgen--lag zij daar
+te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich
+in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen
+wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en
+beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom
+onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende
+muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.
+
+Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de
+groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad,
+die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan
+getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker
+die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen
+zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel
+merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot
+mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in
+de natuur--niet om er verslag van te geven of er een verhaal over
+te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en
+te begrijpen wat ze uitvoerden, wat ze dachten en voelden--ben ik nog
+nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was
+levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van
+heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken
+scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten,
+en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden;
+andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een
+innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed;
+weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde
+volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland,
+die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden;
+maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof
+het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij
+genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van
+gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk
+leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.
+
+Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad
+naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het
+meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd--eerst het
+begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor
+mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den
+bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was,
+dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten
+van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers
+op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer
+dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting
+in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen
+en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht
+met honden is een afschuwelijk vermaak--bij de wet geoorloofd of
+niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn,
+die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen
+op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.
+
+Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets
+merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch
+en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later
+weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de
+uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de
+struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had;
+ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en
+daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen,
+in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich
+blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de
+natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals
+hun moeder hun leerde, zoo'n groote uitwerking had: hen beschermde
+tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst
+voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou
+kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een
+oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend
+om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend _kwit-kwit?_ En
+dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed
+verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die
+daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist
+niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg
+uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?
+
+Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke
+soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen
+overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts
+groote waakzaamheid beteekent,--toen er een gekraak in de takken
+ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak
+bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn
+gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd
+over zoo'n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs
+mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als
+goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de
+richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk
+over, dien hij--heerlijk vertoon van kracht--zoo sierlijk "nam",
+alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den
+geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen.
+
+Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer
+ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar
+stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren
+naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd,
+had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om
+zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo
+gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak
+er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het
+booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn
+van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg
+was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen,
+die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar
+de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel
+bezielde hem.
+
+Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg
+afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze
+herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze
+boschwolven hun op 't spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit
+zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid
+tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag
+dik, heb ik een hert het leven gered; net op 't nippertje, want de
+honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat
+hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de
+sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken
+angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde
+dieren toeschrijven.
+
+Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De
+zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de
+klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft
+al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw
+volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan
+schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren.
+
+Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun
+pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten
+een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten
+aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest
+gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met
+stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn,
+gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze
+blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral
+wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de
+inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil
+te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen
+neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan
+zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit
+om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen
+dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn;
+daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer
+thuis aanhinken.
+
+Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad
+opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo
+licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote,
+wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf
+van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen,
+zelfvoldaan als hij is, jaagt--wanneer het een jonge vos is--zijn
+staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar
+de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna
+voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden,
+naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien,
+en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf
+hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar
+het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier
+bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten
+regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij
+een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen die ik met
+woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik
+er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer
+pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij
+zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk
+tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer,
+dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem
+zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij
+een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol,
+waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen:
+de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.
+
+Ik vertel deze drie verhalen--van den patrijs, van het hert, van den
+vos--en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig
+andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel
+bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur;
+zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld;
+dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet
+doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste
+zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden
+zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op
+de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het
+boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van
+den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland,
+die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten,
+als de takken van eschdoorn en lederhout [4] tijdens de noorderstormen
+diep onder de sneeuw begraven zijn.
+
+Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit
+een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun
+ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden
+de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen
+rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den
+zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden
+over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid
+zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: "zegen
+God en sterf", er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die
+godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere
+oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan 't roepen tegen
+elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van
+onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in
+'t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op
+eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had
+geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze
+verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven
+ondertusschen wel het leven waard was--zelfs hier.
+
+Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen--geeft
+ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in 't oog te loopen,
+en rappe pootjes om mee weg te snellen--dat ze zelden over iets
+anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden,
+voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven
+af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en
+bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem
+alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij
+ons zijn blijdschap begrijpen.
+
+In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden,
+ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al
+ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of
+een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke
+pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden
+wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een
+even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier
+bezit geen groote geestvermogens--niet genoeg in alle geval om daardoor
+zijn zorg meer dan te verdubbelen--en geen greintje verbeelding om
+het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet
+zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te
+vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit
+ook en gaat als een verstandig dier slapen; is hij gezond, dan heeft
+hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij
+heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in
+zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel
+veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er
+een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig
+mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.
+
+Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk
+getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken
+botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen,
+zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang
+waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet
+merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze
+vergeleken slechts zeer gering is.
+
+Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden,
+die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in
+den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand
+opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen
+doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter,
+en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame
+behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even
+pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang
+blijven zij daar dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen,
+tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te
+zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.
+
+Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard
+aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de
+halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg
+kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat
+met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val
+waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer,
+want ik heb net zoo'n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb
+ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde
+die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.
+
+Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben
+veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder
+dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs,
+hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of
+ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en
+aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele
+verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst
+in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen.
+
+Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht:
+wanneer het treurt over het verlies van metgezel of -gezellin, of van
+zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van
+gelezene--dan nog heel zeldzame uitzonderingen,--die ook al gekleurd
+waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders,
+en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen
+omtrent dierenleed gekomen.
+
+Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het
+naar beneden, of de zwarte slang [5] kronkelt er zich om heen,
+of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de
+beroeps-eierverzamelaar--verwenscht zij zijn naam en bezigheid!--bergt
+het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan
+een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter
+eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en
+heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is
+geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig
+maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er
+geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld
+zijn van klaagliederen.
+
+Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige
+sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de
+moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk
+genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het 's
+zomers zoo'n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts een
+voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna
+verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat
+ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in
+het vleesch kan zetten tegen den kouden winter.
+
+Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog
+niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met
+nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol,
+brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet
+haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar
+nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg
+aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in 't oog loopend,
+hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor
+de vorige;--elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het
+wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter
+gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te
+bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood
+en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen,
+waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo
+in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en
+weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.
+
+Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft
+voor het hert en den patrijs te zorgen, maar moet ook aan den panter
+en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe
+kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen
+haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere
+kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende,
+waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.
+
+Hoe 't ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen
+alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij
+de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij
+schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten
+deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken--want
+het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder
+zorg--maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens
+voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat.
+
+De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven
+is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde
+en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud
+van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen
+van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van
+waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar
+te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke
+angst niet instinctmatig is, maar eenvoudig een zaak van al of niet
+goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren
+is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat
+ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.
+
+Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen
+te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen
+een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me
+een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen,
+naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van
+gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte
+tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns
+en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: "eens
+kijken wat hij daar uitvoert", betrapt. Ga eens ergens in het bosch
+zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid;
+dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond
+schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet
+te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien
+hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt,
+en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft.
+
+Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft,
+zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal
+waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste,
+het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien
+al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te
+sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals
+de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken
+zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen,
+waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er
+bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden:
+wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn,
+geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij
+deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan den _blik_
+van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is
+echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het
+jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een
+menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het
+onderricht in waakzaamheid en schuwheid--die wij angst noemen--,in
+het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien
+en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet:
+nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten
+om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens
+sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer
+wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht
+nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld,
+en niet door hun aanleg.
+
+En het zijn geen blijken van angst--in de beteekenis die wij aan dat
+woord hechten--maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven
+is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de
+mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder
+het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich
+een onbekend geluid hoort.
+
+Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze
+menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan
+pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en
+de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid
+dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen
+wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige
+waardoor die angst overwonnen kan worden.
+
+Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier
+leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken
+vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan--behalve
+dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren
+gehoorzamen--; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte
+bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft
+hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet.
+
+En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje,
+want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek
+nu niet over wat wij van de toekomst die het dier wacht afweten of
+meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft
+te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar
+dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig,
+zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten
+toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming
+van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit
+zijn ervaring put. Wat den dood betreft--die valt geheel buiten het
+gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat
+ooit den dood ziet--behalve insecten of andere dieren die ze eten,
+natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker
+hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien,
+gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets
+anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd
+wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls
+vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje
+of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden,
+behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan,
+kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand
+zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich
+verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt,
+of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle
+kanten in het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten
+hebben elders zoeken.
+
+Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen
+geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de
+mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de
+bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die
+wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig,
+er is zoo'n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en
+verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen
+nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct
+volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun
+geheele leven door elken dag doen.
+
+Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood--ziedaar de drie dingen die
+een dier zich nooit bewust in 't hoofd haalt; en zijn ondervinding
+geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend,
+eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun
+barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.
+
+
+
+Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de
+zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte
+schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn
+wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen
+op en neer, in den stroom, die alles maar goedmoedig toelaat. Beneden
+hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar
+zijn--en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog
+boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde
+omlaag heeft eten en drinken--hij zal wel komen, als hij hongerig
+is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is
+voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog
+niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat
+doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen
+de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend
+op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen,
+in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die
+van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van
+echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand,
+zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht,
+dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren
+om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden.
+
+
+
+
+HOE DE DIEREN STERVEN.
+
+
+De kreet van een adelaar--een zeldzaam geluid, 's zomers in de
+wildernis--maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te
+zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij
+dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte
+in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is
+te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken,
+en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden.
+
+Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was
+geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor
+het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. 't
+Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had
+gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste
+ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel
+eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen,
+ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer
+al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. _Hij_ galmde
+daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls
+met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke,
+wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de
+jongere adelaars had overgegeven--zijn eigen broed wellicht.
+
+Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven
+jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid
+hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen
+jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, of _zij_ moeten het
+hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste
+raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes
+tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn
+grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in
+'t oog te houden en te zien wat hij zou doen.
+
+Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt,
+waar de groote adelaar omheen vloog alsof 't een spil was. De wilde
+kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen,
+zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon
+ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien
+oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden,
+langer; verbreedde zich--en toen wist ik dat het recht op mij af naar
+beneden kwam.
+
+Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare
+treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog
+lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn
+kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een
+zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de
+landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischen van zware zij het flauwe
+geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar
+beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het
+voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te
+ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn
+weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de
+landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de
+armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich
+boven hem sloot.
+
+Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik
+een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij
+tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen
+en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den
+boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van
+een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene
+varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij
+moeder aarde,--dood.
+
+
+
+Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn
+tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar
+om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar
+het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes
+opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak
+te vervullen en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat
+te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het
+zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als
+ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren
+en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder,
+en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen
+en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat.
+
+Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak,
+die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden
+dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen
+in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals
+ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en
+eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de
+geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze
+oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme
+berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks
+op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn
+bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik
+mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar
+ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel
+een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig
+met de oogen, maar als ik het aan mijn vingertop een droppel water
+reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het
+bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak,
+waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging.
+
+Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een
+lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand
+en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering
+vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen;
+zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd--nooit meer zouden ze
+loslaten--en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan
+de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het
+rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn
+beeld in het hart tot het laatste oogenblik.
+
+
+
+Hoe sterven de dieren?--Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals
+de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het
+liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder
+de dood in de bosschen optreedt;--onafgebroken gaat hij zijn gang.--Het
+eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken,
+want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe
+die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra
+zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken.
+
+'t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk
+instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk
+weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen
+van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van
+kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats
+uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd,
+wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen.
+
+Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit
+misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo'n
+dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets
+tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook,
+koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins
+vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een
+kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden,
+enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan
+en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden,
+de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends
+dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct
+waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat
+"dood" is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden
+ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en--het is
+voor den laatsten keer. Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo
+heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het
+toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij
+een ouden beer dien ik 's zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk
+onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden,
+maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem
+vroolijk wakker riep. 't Gebeurt ook wel eens met het zegevierende
+bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer
+ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met
+de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan
+weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen,
+vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls
+ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere
+geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend
+waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo
+niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen
+en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om
+maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de
+zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels
+op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt.
+
+Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn
+ongeoefende wiekjes onophoudelijk tegen de tralies van zijn kooi
+opfladderde--zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge
+verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem,
+veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen
+dat _gij_ u geschapen hebt, roept hem tot zich--de stem van de
+vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den
+bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog
+onnatuurlijker dan zijn arme leventje.
+
+"Maar," brengt een lezer hiertegen in, "die vreeselijke dingen, die
+treurtooneelen dan?" Misschien komen ze wel eens voor, als we meer
+door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel
+zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En
+zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed
+sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen
+verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij
+zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de
+mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van
+zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.--Een
+patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding
+voor den patrijs,--maar het is bijna altijd een van de zwakkere of
+domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun
+broertje,--en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen,
+die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje,
+dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt.
+
+Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie
+hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze
+zorg, evenals wij menschen in zoo'n geval doen. Zelfs de vos kan ze
+in zoo'n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de
+moeder er het leven bij inschieten--en bij die veronderstelling is
+zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan--dan verhongerden de
+jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen
+hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen,
+om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen
+in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze,
+en--in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit
+gezin. Zoo gaat het in het woud.
+
+Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen
+zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert
+valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op
+de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is,
+en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in
+werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen
+Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag,
+zijn arm overdekt met gapende wonden, waarvan hij de litteekens tot
+aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs
+niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen
+op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een
+soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt
+en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand
+maar blij is stil te kunnen blijven liggen--het eenige, tusschen twee
+haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van
+den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren,
+die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten.
+
+Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat
+haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende
+charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten
+er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft
+wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van
+een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden
+of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten--konijnen,
+hazelhoenders, herten--, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels
+die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid
+der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en
+gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er
+van geheel voor het dier verborgen bleef en het er zich over verbaasde
+wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak
+uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo'n bitter kouden morgen dood
+en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje
+er omheen geklemd. Zoo'n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik
+ben zelf wel 's winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die
+heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen
+sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging
+schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet
+meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is.
+
+Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle
+voerplaatsen bevroren houdt,--en dit is ook nog veel minder erg dan
+ziekte, onder welken vorm dan ook--; dat weet iedereen die wel eens
+dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt
+elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.--Soms
+zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier
+vast en zeker op zijn pooten of wieken--dat doet hij immers altijd--en
+gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan
+'t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen
+en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een
+groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In
+één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven nog niet bezitten
+en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is
+de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt,
+want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of
+verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van
+den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte
+iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood.
+
+Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste,
+hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in
+het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun
+tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood--omdat een
+mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder,
+maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit
+zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte
+raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij 't nog nooit eerder
+gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct
+van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem
+vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de
+zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als
+de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen--het oude,
+lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de
+wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering
+wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij sluimert in. En zijn
+laatste bewuste gedachte--van den dood weet hij immers niets af--is
+dat hij 's morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept.
+
+
+
+
+
+
+DE INDIAANSCHE NAMEN.
+
+
+Cheokhes, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.
+
+Cheplahgan, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.
+
+Ch'geegeelokh-sis, tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees:
+parus atricapillus.
+
+Chigwooltz, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.
+
+Clote Scarpe, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke
+Indianen, zooals Hiawatha.
+
+Commoossie, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast
+en takken gemaakt.
+
+Deedeeaskh, die-die'-ask, de blauwe gaai.
+
+Eleemos, el-ie'mos, de vos.
+
+Hawahak, ha-wa-hek', de havik.
+
+Hukweem, huk-wiem', de groote noordelijke duiker of ijsduiker.
+
+Ismaques, is-ma-kwez', de vischarend.
+
+Kagax, ke'-guaks, de wezel.
+
+Kakagos, ka-ka-guoz, de raaf.
+
+K'dunk, k'dunk', de pad.
+
+Keeokuskh, kie-o-kusk', de muskusrat.
+
+Keeonekh, kie'-o-nek, de otter.
+
+Killoleet, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.
+
+Kookooskoos, koe-koes-koes', de groote oehoe.
+
+Koskomenos, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.
+
+Kupkawis, kup-kee'-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
+
+Kwaseekho, kwa-ziek'o, de zaagbek.
+
+Lhoks, loks, de panter.
+
+Malsun, mel'-sun, de wolf.
+
+Meeko, mie'-ko, de roode eekhoorn.
+
+Megaleep, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.
+
+Milicete, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook
+Malicete geschreven.
+
+Mitches, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse":
+bonasia umbellis of Amerikaansche "patrijs".
+
+Moktaques, mok-ta'-kwes, de haas.
+
+Mooween, moe-wien', de zwarte beer.
+
+Musquash, mus'kwosj, de muskusrat.
+
+Nemox, nem'-moks, Pekquam, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer.
+
+Quoskh, kwosk, de blauwe reiger.
+
+Seksagadagee, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen,
+ook een soort "grouse".
+
+Skooktum, skoek'-tum, de forel.
+
+Tookhees, tok'-ies, de boschmuis.
+
+Umquenawis, um-kwie-na'-wiz, de eland.
+
+Unk-Wunk, unk'-wunk, het stekelvarken.
+
+Upweekis, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.
+
+Whitooweek, wit'-oe-wiek, de houtsnip.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een Indiaansche metgezel van den schrijver.
+
+[2] I Samuel 9 : 2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul)
+hooger dan al het volk.
+
+[3] Blackfish of Tautoga Americana.
+
+[4] Dirca palustris.
+
+[5] Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.
+
+
+
+
+
+
+Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel
+met teekeningen van Charles Copeland:
+
+
+ 1 Dierenleven in de Wildernis (3de druk)
+ 2 Kijkjes in het Dierenleven (2de druk)
+ 3 Het Boschvolkje
+ 4 Op Eenzame Zwerftochten
+ 5 Boschgeheimen
+ 6 Een Broertje van den Beer
+ 7 Op Herten Uit
+ 8 Zonder Geweer op Jacht
+ 9 De Witte Wolf
+ 10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS ***
+
+***** This file should be named 18072-8.txt or 18072-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/0/7/18072/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+
diff --git a/18072-8.zip b/18072-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..ca476ae
--- /dev/null
+++ b/18072-8.zip
Binary files differ
diff --git a/18072-h.zip b/18072-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..0c3cda2
--- /dev/null
+++ b/18072-h.zip
Binary files differ
diff --git a/18072-h/18072-h.htm b/18072-h/18072-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..b4b7d7d
--- /dev/null
+++ b/18072-h/18072-h.htm
@@ -0,0 +1,3099 @@
+
+<!DOCTYPE html
+PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source, using XSLT. If you find any mistakes, please edit the XML source. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1">
+
+<title>The Project Gutenberg eBook of Dierenleven in de Wildernis</title>
+<link rel="schema.DC" href="http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="author" content="William J. Long">
+<meta name="DC.Creator" content="William J. Long">
+<meta name="DC.Title" content="Dierenleven in de Wildernis">
+<meta name="DC.Date" content="# 2006">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900"><style type="text/css">
+
+
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16% 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+
+/****** Title Page ******/
+
+h1.docTitle
+{
+font-size: 1.6em;
+line-height: 2em;
+}
+
+h2.docImprint, h1.docTitle, h2.byline, h2.docTitle
+{
+text-align: center;
+}
+
+h2.byline
+{
+font-size: 1.1em;
+line-height: 1.44em;
+font-weight: normal;
+}
+
+span.docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+
+h2.docImprint
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: normal;
+}
+
+/******* Headers ******/
+
+.div0
+{
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+
+.div1
+{
+padding-bottom: 1.44em;
+}
+
+.div2
+{
+padding-bottom: 1.2em;
+}
+
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-bottom: 1.0em;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+clear: both;
+}
+
+h1
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h1.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h2
+{
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5em;
+}
+
+h2.label
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h3
+{
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h3.label
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+
+h4
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+h4.lghead
+{
+margin-left: 10%;
+margin-right: 10%;
+}
+
+h5
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+h6
+{
+font-size: 1.0em;
+line-height: 1.0em;
+font-style: italic;
+}
+
+/****** Paragraphs ******/
+
+p
+{
+text-indent: 0;
+}
+
+.alignleft
+{
+text-align: left;
+}
+
+.aligncenter
+{
+text-align: center;
+}
+
+.alignright
+{
+text-align: right;
+}
+
+.alignblock
+{
+text-align: justify;
+}
+
+p.poetry
+{
+margin: 0em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.line
+{
+margin: 0 10% 0 10%;
+}
+
+p.beforeline, p.afterline
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+p.initial
+{
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument, p.note
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+text-indent: 0em;
+}
+
+p.argument
+{
+margin: 1.58em 10% 1.58em 10%;
+}
+
+p.quote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+div.blockquote
+{
+font-size: 0.9em;
+line-height: 1.2em;
+margin: 1.58em 5% 1.58em 5%;
+}
+
+
+/****** Figures ******/
+
+div.divFigure
+{
+text-align: center;
+}
+
+.floatLeft
+{
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+
+.floatRight
+{
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+
+p.figureHead
+{
+text-align: center;
+}
+
+p.figure, p.legend
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+
+p.smallprint, li.smallprint
+{
+font-size: 80%;
+color: #666666;
+}
+
+/* Special cases for Filipino Riddles */
+
+p.question
+{
+text-align: left;
+margin-bottom: 0em;
+}
+
+p.answer
+{
+text-align: right;
+margin-top: 0em;
+}
+
+p.explanation
+{
+margin-left: 0.9em;
+margin-right: 0.9em;
+font-size: smaller;
+}
+
+
+/****** Sidenotes ******/
+
+.leftnote
+{
+position:absolute;
+left:1%;
+height:0em;
+width:14%;
+font-size: 0.8em;
+text-indent: 0em;
+line-height: 1.2em;
+}
+
+/****** Page Numbers ******/
+
+.pagenum
+{
+display: inline;
+font-size: 70%;
+text-align: right;
+position: absolute; right: 1%;
+padding: 0 0 0 0;
+margin: 0 0 0 0;
+}
+
+.pagenum a
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+
+/****** Footnotes ******/
+
+a.noteref:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.noteref
+{
+font-size: 80%;
+vertical-align: 0.25em;
+text-decoration: none;
+}
+
+div.footnotes
+{
+padding: 0 0 0 0;
+margin-top: 1em;
+}
+
+hr.fnsep
+{
+width: 25%;
+text-align: left;
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+}
+
+p.footnote
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 0.5em;
+margin-bottom: 0.5em;
+}
+
+p.footnote .label
+{
+float: left;
+text-align: left;
+width: 2em;
+}
+
+/****** Poetry ******/
+
+div.poem
+{
+text-align: left;
+margin-left: 5%;
+width: 90%;
+position: relative;
+}
+
+.poem h4
+{
+margin-left: 5em;
+font-weight: normal;
+text-decoration: underline;
+}
+
+.poem .stanza
+{
+margin-top: 1em;
+}
+
+.poem .linenum
+{
+position: absolute;
+top: auto;
+left: -2.5em;
+margin: 0;
+text-indent: 0;
+font-size: 90%;
+text-align: center;
+width: 1.75em;
+color: #777;
+}
+
+.poem .i0 { display: block; margin-left: 2em; }
+.poem .i1 { display: block; margin-left: 3em; }
+.poem .i2 { display: block; margin-left: 4em; }
+.poem .i3 { display: block; margin-left: 5em; }
+.poem .i4 { display: block; margin-left: 6em; }
+.poem .i5 { display: block; margin-left: 7em; }
+.poem .i6 { display: block; margin-left: 8em; }
+.poem .i7 { display: block; margin-left: 9em; }
+.poem .i8 { display: block; margin-left: 10em; }
+.poem .i9 { display: block; margin-left: 11em; }
+
+
+
+/****** Annotations ******/
+
+span.corr
+{
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+
+span.abbr
+{
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+
+span.measure
+{
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+
+.letterspaced
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+
+.smallcaps
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+
+
+/****** Anchors ******/
+
+a.hidden:hover
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+a.hidden
+{
+text-decoration: none;
+}
+
+hr
+{
+width: 45%;
+margin-top: 1em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+clear: both;
+text-align: center;
+height: 1px;
+}
+
+
+
+
+
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+
+h1, h2, h3, h4, h5, h6
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+
+.figureHead, .noteref, span.leftnote, p.legend
+{
+color: #001FA4;
+}
+
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+
+
+</style></head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dierenleven in de wildernis
+ Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg
+ en wat zij leeren moeten
+
+Author: William J. Long
+
+Illustrator: Charles Copeland
+
+Translator: Cilia Stoffel
+
+Release Date: March 29, 2006 [EBook #18072]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<div class="frontmatter"><a id="d0e63"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e63">1</a>]</span><p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/front.jpg" alt="Voorkant oorspronkelijke uitgave."></p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/spine.jpg" alt="Rug oorspronkelijke uitgave."></p>
+</div><p>
+
+</p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p class="aligncenter">Dierenleven in de Wildernis
+<a id="d0e78"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e78">2</a>]</span></p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p000.jpg" alt="Haar staartje had zij weer rechtopgestoken, dit diende als baken, terwijl ze wegsprong."></p>
+<p class="figureHead">Haar staartje had zij weer rechtopgestoken, dit diende als baken, terwijl ze wegsprong.</p>
+</div><p>
+<a id="d0e85"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e85">3</a>]</span></p>
+<h1 class="docTitle">Dierenleven in de Wildernis</h1>
+<h1 class="docTitle">Schetsen uit het leven der dieren hun natuurlijke aanleg en wat zij leeren moeten</h1>
+<h2 class="byline">Met toestemming van den schrijver <span class="docAuthor">William J. Long</span> uit het Engelsch vertaald door <span class="docAuthor">Cilia Stoffel</span>
+<br>
+Teekeningen van <span class="docAuthor">Charles Copeland</span></h2>
+<h2 class="docImprint">Derde Druk
+<br>
+Rotterdam MCMXXI
+<br>
+W. L. &amp; J. Brusse&#8217;s Uitgevers-Maatschappij
+</h2>
+<p class="div1"><a id="d0e111"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Inhoud.</h2>
+<p></p>
+<ul>
+<li><a href="#d0e158">Opdracht</a> 6
+
+</li>
+<li><a href="#d0e166">Voorrede</a> 7
+
+</li>
+<li><a href="#d0e190">Op Weg naar School</a> 9
+
+</li>
+<li><a href="#d0e322">Wat een jong Hertje moet weten</a> 25
+
+</li>
+<li><a href="#d0e403">Een Kreet in het Donker</a> 36
+
+</li>
+<li><a href="#d0e564">Ismaques, de Vischarend</a> 57
+
+</li>
+<li><a href="#d0e693">Hoe de kleine Visschers les kregen</a> 75
+
+</li>
+<li><a href="#d0e806">Het blijde Leven</a> 86
+
+</li>
+<li><a href="#d0e976">Hoe de Dieren sterven</a> 112
+
+</li>
+<li><a href="#d0e1069">De Indiaansche namen</a> 125
+</li>
+</ul><p>
+
+
+
+<a id="d0e157"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e157">6</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e158"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Dit boek over Natuur en Dierenleven draag ik aan de Broederschap van Natuurliefhebbers op.</h2>
+<p>Zoo luidt de opdracht van deze schetsen, en ik meende er de woorden aan te mogen toevoegen, waarmee de schrijver een zijner
+andere boeken de wereld inzond: &#8220;Deze schetsen draag ik aan de onderwijzers op, die er naar streven hun lessen in natuurlijke
+historie aantrekkelijker, pittiger te maken; die hun leerlingen, buiten het eigenlijke gebied der wetenschap om, een blik
+gunnen in die wijde natuur, waar hun een wereld opengaat, zoo heerlijk, dat ze ver boven de wereld der wetenschappelijke feiten
+reikt.&#8221;
+
+</p>
+<p>C. S.
+
+
+<a id="d0e165"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e165">7</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e166"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Voorrede</h2>
+<p>Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden.
+Zij zijn alle natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende levensgeheimen van een massa vogels en andere
+dieren&#8212;schuwe, wilde wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen en hun nesten of holen in het hartje
+der wildernis maken.
+
+</p>
+<p>De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige,
+dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken.
+Een poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk,
+vinden, waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de
+dieren hier de namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit deels om de prettige herinneringen die
+ze bij mij opwekken, deels om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt, maar toch voornamelijk omdat zoo&#8217;n
+naam de eigenaardigheid heeft, door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor oogen te tooveren. Wie het
+kleine wezen dat onder het trapje van zijn huisdeur woont, <a id="d0e173"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e173">8</a>]</span>dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt, maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo<a id="d0e175src" href="#d0e175" class="noteref">1</a> het heeft over K&#8217;dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt
+en kan ik mij zoo&#8217;n beetje voorstellen hoe het er uitziet.
+
+</p>
+<p>Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn
+oude opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit
+nieuwe boek. De bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de dieren weer leven, tot ze van achter oude,
+mossige boomstronken naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun eenzame schuilhoeken; even nog blijven
+ze staan luisteren en kijken onderzoekend naar mij om&#8212;net als ze in de wildernis deden.
+
+
+</p>
+<p><span class="smallcaps">William J. Long.</span>
+
+
+</p>
+<p>Stamford, Conn.<br>
+September, 1902.
+
+
+
+</p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e175" href="#d0e175src" class="noteref">1</a></span> Een Indiaansche metgezel van den schrijver.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="bodytext"><a id="d0e189"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e189">9</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e190"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Op Weg naar School.</h2>
+<p>&#8217;t Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde zwemmen.&#8212;Daarbij
+droeg zij ze op haar rug het water in, alsof &#8217;t uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den zin had,
+was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen
+op en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit
+eindelijk bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af, keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten
+dan hun hol in. Een poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen vriendelijke overredingskracht van
+de moeder kon er hen toe krijgen nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen; en al vleide ze nog zoo,
+al rolde zij jolig in de dorre bladeren, het gaf alles niets&#8212;zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug te klimmen, zooals
+ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatRight">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p009.jpg" alt="Twee vogeltjes op een tak."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op
+net zoo&#8217;n manier had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn <a id="d0e202"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e202">10</a>]</span>kant was niet zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er heel wat meer geplas en gespartel aan te
+pas dan bij de vorderingen van de jonge ottertjes.
+
+</p>
+<p>Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier&#8212;en zoo worden er &#8217;s zomers in &#8217;t bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat
+iemand er op let&#8212;opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op
+dezelfde wijze moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn
+oude opschrijfboekjes en zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich om &eacute;&eacute;n hoofdgedachte; deze
+namelijk: van hoe v&eacute;r-strekkenden invloed de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is.
+
+</p>
+<p>Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw
+gezichtspunt op &#8217;t gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht
+wordt door zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren
+tot diezelfde groep van menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in hun gewone doen heb waargenomen,
+van overtuigd dat het instinct lang zoo&#8217;n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het niet van het instinct
+afhangt of een dier al dan niet ondergaat in <a id="d0e208"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e208">11</a>]</span>dien voortdurenden strijd om &#8217;t bestaan, maar wel van de leerschool die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer
+ik van kinderen zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een andere naam voor een geheel van instincten,
+die langzamerhand een hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe rol speelt in de geschiedenis en
+de bestemming van het kind, maar dat oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van vormt&#8212;oefening in
+de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het volgende
+zei: &#8220;Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort
+het toe voor tijd en eeuwigheid&#8221;. Zet zeven weken in plaats van zeven jaar, en ge zult een flauw besef krijgen van het plan
+waarnaar onbewust elk moedertje in de natuur handelt.
+
+</p>
+<p>Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit
+het dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en veld op verkenning uit is.
+
+</p>
+<p>De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben
+niet veel aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit delven in hun strijd tegen de sterkeren. In
+de uitgestrekte bosschen worden zij alleen groot, die hun <a id="d0e214"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e214">12</a>]</span>natuurlijke voorgangers volgen tot ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding van de kleintjes voltooid
+is, krijgen de dieren nog wel eens jongen, broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk tegen den
+winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende
+voorbereid, vallen <i>zij</i> ten prooi aan de zwervende roofdieren, die hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere leerschool
+doormaakten leven en gedijen&#8212;in dezelfde bosschen, te midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier
+natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er
+niet aan partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster
+raken of het oude, vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct hun niet; ze weten zich niet zooals hun
+wilde stamgenooten voor hun vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen; en als de havik neerschiet
+of de boschkat te voorschijn springt, zijn zij de eersten die er &#8217;t leven bij laten.
+
+</p>
+<p>Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe
+vijf of zes rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van den omgang en het gezellig verkeer te leeren.
+<a id="d0e221"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e221">13</a>]</span>Tot op dat oogenblik hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder, geleefd, zooals alle andere dieren
+in de natuur&#8212;een uitstekende methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog een voorbeeld aan kunnen nemen.
+Nu werden ze voor het eerst bij elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven &#8217;s winters, als alle rendieren in kudden
+over de open vlakten zwerven.
+
+</p>
+<p>Ze werden door de moeders naar een open plek in &#8217;t bosch gebracht, naar &#8217;t midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis
+te maken, wat al heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de moeders uit de schaduw naar hen te
+kijken; de bedeesde moedigden zij aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften ze of duwden ze op zij.
+Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes leeren draven en over omgevallen boomen springen&#8212;een noodzakelijke, maar toch een
+heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de
+open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo&#8217;n verandering hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor
+hem is geworden, zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal vindt ge een hertje in &#8217;t bosch verstopt&#8212;zooals
+het in het volgende hoofdstuk beschreven is&#8212;en ge staat er versteld van dat het niet wegspringt, maar zonder de minste vrees
+op u afkomt, uw handen likt, u achternaloopt en verlangend, droevig <a id="d0e225"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e225">14</a>]</span>blaat, wanneer ge weer gaat. Ge moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste dieren, als ge ze maar
+zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben, geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt, maar
+een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen.
+
+</p>
+<p>Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven,
+alsof &#8217;t om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger
+kwam &#8217;t in uw hart op ook maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van Kis<a id="d0e229src" href="#d0e229" class="noteref">1</a> gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout
+dreef die niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij wierp haar kop achterover, stak haar neus
+in den wind, snoof, en met een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen snelde zij weg. Zoo&#8217;n les
+hoeft maar zelden herhaald te worden&#8212;van dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje; en als de wind
+het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen van
+de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht slaan hebben nog nooit een mensch gezien <a id="d0e232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e232">15</a>]</span>of kwaad van hem ondervonden; ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd.
+
+</p>
+<p>Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef stellen. Zoek in &#8217;t voorjaar eens een kraaiennest (ik kies
+de kraai, omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden) en als de jongen bijna &#8220;vlug&#8221; zijn, ga er
+dan eens stilletjes heen. Op een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en tegenover de jongen haar
+vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang, of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat is de
+eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen
+in evenwicht houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun vleugels het vermogen hebben hen te dragen.
+Den daarop volgenden dag kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen, en als de afstand groot is gebruiken
+ze hun vleugels. De kleintjes doen aan &#8217;t spelletje mee, en&#8212;kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen, zonder ook maar in &#8217;t
+minst te beseffen dat ze er les in kregen.
+
+</p>
+<p>Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan
+worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze maar zoo&#8217;n schijntje hoeven te weten en &#8217;t met hun instinct
+alleen wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten <a id="d0e238"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e238">16</a>]</span>niet alleen zichzelf kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze van die wezens afhankelijk zijn&#8212;het
+is hun voedsel; en een beetje moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas zijn, omdat ze er zich door
+list of vlugheid tegen beveiligd moeten houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts een zorgvuldige,
+moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld.
+
+</p>
+<p>Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar
+gaan, waar ze den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken
+ze den weg van de zee naar de rivier terug&#8212;steeds dezelfde rivier is het&#8212;, waar ze werden uitgebroed. De meening is geuit,
+als zou dat heen- en weertrekken uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik geloof&#8212;en dat geloof berust
+op de bijzondere studie die ik van forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen over diepzee-onderzoek&#8212;dat
+ze de groote visschen uit dezelfde rivier, die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden aangetroffen,
+volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct.
+
+</p>
+<p>In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks
+m&eacute;&eacute;r met het verstand te maken heeft <a id="d0e244"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e244">17</a>]</span><span class="corr" title="Bron: maken heeft "></span>dan bij ratten, bij eekhoorntjes, bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging tot trekken openbaart.
+Als ze aan zichzelve werden overgelaten, zouden de jonge vogels in het Noorden of in &#8217;t Zuiden nooit hun nest terugvinden.
+Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker, en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten zich
+dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude, die meer ervaring hebben, en <i>niet</i> door hun instinct, den veiligen weg naar de kust kennen&#8212;de zee&euml;n over, wildernissen door, nog door geen menschelijken voet
+betreden, tot daar waar hen een ongestoorde rustplaats en voedsel wacht.
+
+</p>
+<p>De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is, maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of
+tien of twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van Labrador tot Patagoni&euml; over. In een groote vlucht
+jonge goudpluvieren, die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze kust aan land te gaan, heb ik er een
+enkelen keer twee, drie oude waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen oogenblik aan of deze oudere
+vogels zijn de gidsen. Ook komt het mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen, die de plevieren zoo
+geregeld houden als een peloton soldaten.
+
+</p>
+<p>Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de hoogere soorten komen. Het voornaamste <a id="d0e254"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e254">18</a>]</span>en krachtigste instinct is daar, evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid&#8212;maar er bestaat een belangrijk verschil tusschen
+die twee, tusschen het jonge menschelijke en het jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door dagelijksche
+oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten
+en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen,
+dat tot in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid hoeft te geven en iedereen luistert er naar en
+er wordt een drukte van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind verliest daardoor dikwijls genoeg het
+reddende gehoorzaamheidsinstinct en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen heeft uit te deelen die
+anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de gehoorzaamheid
+gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan; want zonder gehoorzaamheid is het leven een last.
+
+</p>
+<p>Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde, weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in <i>dat</i> rijk wordt gekend en ge&euml;erbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn bestaan in de natuur heeft. Het is de
+cijns, dien de onwetendheid onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke betaalt. Dat begrijpen <a id="d0e261"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e261">19</a>]</span>alle moeders in de natuur, van den patrijs af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen, in stille, ster-heldere
+nachten, geven zij er onderricht in, totdat de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken, tot zij, dank
+zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig opgroeien. Dit is in &eacute;&eacute;n woord, dunkt mij, het geheele geheim van het
+dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt, wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de
+natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst;
+hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren,
+en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,&#8212;die moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar
+om zich heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij zijn onvolledige theorie&euml;n over instinct en erfelijkheid
+herziet.
+
+</p>
+<p>Daarom zou ik dit boek &#8220;de Boschschool&#8221; kunnen noemen; want &#8217;s zomers is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal
+aan lokaal allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige,
+tweederangs-navolgingen zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens de regelen der kunst; en zoo&#8217;n
+oppervlakkig Fransch of letterkundig vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid <a id="d0e265"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e265">20</a>]</span>doet leven: dat is voorschrift n&ordm;. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder
+het; zij dankt er haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften komen pas in de tweede plaats: wanneer
+ze zich moeten verstoppen en wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen; hoe ze die groote verscheidenheid
+van dingen die ze in de wereld zien&#8212;klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken&#8212;uit elkaar moeten houden en in hun geheugen
+prenten, om oogenblikkelijk de daad te laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt&#8212;nog eens: al die verrichtingen
+die niet zoozeer een zaak van &#8217;t instinct zijn als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing.
+
+</p>
+<p>Bij de opleiding die ze daar in &#8217;t bosch krijgen gaat het om het leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk
+als de dood. Iemand die lang zoo&#8217;n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer
+hij ziet met welk een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt.
+
+</p>
+<p>Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes
+dulden; en die vlugger van begrip zijn&#8212;de kraaien en wolven bijv.&#8212;maken onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood.
+Toch kennen ook <i>zij</i> teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer ge&euml;ischt dan ze kunnen. <a id="d0e274"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e274">21</a>]</span>Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en worden daarna
+de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen, en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in
+&#8217;t leven te blijven.
+
+</p>
+<p>Er is nog iets. Het is in &#8217;t oog loopend hoe vroolijk het op die bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de
+natuur toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen
+nagaan <i>hoe</i> vrij zij zich wel voelen, <i>hoe</i> zij genieten onder &#8217;t spelen, <i>hoe</i> levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart en oogen open al gauw in de boschschool leert.
+
+</p>
+<p>Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in &#8217;t dorre gras, en zijn kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die
+al maar boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het
+verstandige van dat stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar&#8212;voor zoover ik er over kan oordeelen&#8212;hoe volkomen
+hij voor dien scherpen blik, waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en zijn roerloosheid. Negen
+en negentig van de honderd keer is hij er ook heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij eenig
+begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van die merkwaardige kleur <a id="d0e289"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e289">22</a>]</span>wezen, <i>&egrave;n</i> voor het feit dat de natuur ook nog aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik gaf en maakte dat
+die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen, wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar <i>nu</i> meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.
+
+</p>
+<p>Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou
+zijn, van schrik en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn.
+Het dier maakt eenvoudig van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen die mensch en dier altijd kenmerken
+als ze hun buitengewone gaven gebruiken.
+
+</p>
+<p>De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi loert, geniet niet meer&#8212;neen, eer minder&#8212;van zijn gezichtsvermogen
+dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en
+haar jongen ergens verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan maar zoo in &#8217;t volle gezicht weg om
+de aandacht van den roover van haar kindertjes af te leiden, en op &#8217;t laatste oogenblik springt zij de ruigte in, waar de
+breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is ook volstrekt niet overstuur, maar als &#8217;t gevaar geweken is en zij terug komt
+<a id="d0e301"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e301">23</a>]</span>huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als een koningsvogel.
+
+</p>
+<p>Het <i>is</i> gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op
+dat hert, hoe prachtig het daar&#8212;als een valk zoo licht en vlug&#8212;voortsnelt over een terrein waar elk ander dier met zijn pooten
+zou verward raken en aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo&#8217;n zuiver berekenden boog in de altijd-groene
+moerasplanten neerduikt om een schuilplaats te zoeken. &#8217;t Is of hoef en wiek om &#8217;t hardst het gevaar uitlachen dat achter
+hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht, van hun geoefendheid.
+
+</p>
+<p>Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor iedereen die met open oog door &#8217;t rijk der natuur gaat,
+slechts bij wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker u dat er werkelijk zoo goed als niets te
+zien zal zijn van al wat u &#8217;t hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen, geen tooneeleffect van ellende
+en strijd; integendeel: een opgewekt, gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met hernieuwden moed tot
+onze eigen leerschool doet terugkeeren.
+
+</p>
+<p>De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren
+houden en wien de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat <a id="d0e312"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e312">24</a>]</span>een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten;
+en al die menschen vragen: &#8220;Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte; komen ze ten slotte droevig om?&#8221;
+
+</p>
+<p>Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen,
+die de dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten liggen tot er in een lateren bundel opstellen
+en mededeelingen over de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: &#8220;het blijde Leven&#8221; en &#8220;hoe de Dieren sterven&#8221;. Ze geven
+er, heel in &#8217;t algemeen, een kort verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk <i>is</i>; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen
+en nagegaan, gekomen.
+
+</p>
+<p>En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal
+moeten wachten&#8212;dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige van de natuurwezens die er werken en spelen.
+
+
+<a id="d0e321"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e321">25</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e229" href="#d0e229src" class="noteref">1</a></span> I Samuel 9&nbsp;:&nbsp;2: Van zijn schouderen en opwaarts was hij (Saul) hooger dan al het volk.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e322"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Wat een jong Hertje moet Weten.</h2>
+<p>Tot op dezen dag is &#8217;t nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk oog ze ooit heeft kunnen vinden, z&oacute;&oacute; goed waren ze
+verstopt. Ik volgde den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van de groote bosschen naar een diepe
+vallei bracht. Er was een zware boom over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn bruggen er om er
+over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten boomtronk
+zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn, en wat voor pootjes er zoo al langs &#8217;s Heeren wegen wandelden.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatRight">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p025.jpg" alt="Vos die over omgevallen boom loopt."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde schors. Zoo&#8217;n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn&#8212;en
+kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween!
+Als zijn luie aard hem op zoo&#8217;n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft, is het op de helling wel veertig mijlen in &#8217;t
+rond na te gaan waar hij bezig is geweest.&#8212;Daar, aan den anderen kant, liggen de bronsgroene schubben van een pijnappel&#8212;spaanders
+uit de werkplaats van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van zijn gele voorschoot had gestreken,
+toen hij te voorschijn schoot <a id="d0e334"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e334">26</a>]</span>om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is &#8217;t spoor van een &#8220;mink&#8221;, en &#8217;t is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar
+een poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier, terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek
+zit te bengelen, hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom, een gekronkeld geel haar. Dit verraadt
+mij hoe Eleemos, de Leeperd, zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat te maken en daarom een omgevallen
+boom of een steen in de beek als brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.&#8212;Vlak voor mij lag nog een gevallen
+boom z&oacute;&oacute; langs het water dat geen dier er over zou loopen, of &#8217;t moest een &#8220;mink&#8221; zijn op roof uit&#8212;gevaarlijker beest zou
+er niet over denken. Onder de wortels die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje, waar de uiteinden
+der neerhangende sparretakken als een gordijn voor de deuropening hingen. &#8220;Wat een mooie plaats voor een hol,&#8221; dacht ik, &#8220;want
+niemand zou je daar ooit vinden&#8221;; maar&#8212;alsof &#8217;t gebeurde om mij tegen te spreken&#8212;daar vond me een verdwaalde zonnestraal het
+plekje en wekte een geglans en geflonker van <a id="d0e336"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e336">27</a>]</span>dansende schaduw en spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p026.jpg" alt="Twee herten verstopt in struikgewas."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>&#8220;Wat mooi!&#8221; riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte
+weer weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van
+wit en geel. Ik bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen&#8212;en de bruine vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht
+vachtje; de witte, de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes, die daar doodstil en angstig bleven
+liggen op de plaats waar hun moeder hen bij &#8217;t weggaan verstopt had.
+
+</p>
+<p>Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk als Jozef een &#8220;veelvervig&#8221; rokje aan; en mij dunkt dat
+ze ook een soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan liggen, en ze werden onzichtbaar.
+
+</p>
+<p>Die eigenaardige teekening&#8212;net het spelen van licht en schaduw door de bladeren&#8212;verborg de beestjes volkomen, zoolang zij
+zich stilhielden en de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren een studie voor een kunstenaar, zoo
+teer, zoo sierlijk, zoo fijn van kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo vragende onschuld, toen
+ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk als mijn eigendom
+beschouwde. In &#8217;t heele bosch bestaat er niets dat zoo <a id="d0e349"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e349">28</a>]</span>stormenderhand ons hart verovert als &#8217;t snoetje van een jong hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets
+bewoog er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct.
+Dit was de oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam.
+Dus toen het gordijn van sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn handen ze aanraakten, hielden
+ze hun kopjes nog stijf tegen den grond gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen boschgrond, de teekening
+op hun glanzende velletjes maar vlekken van zomerschen zonneschijn.
+
+</p>
+<p>Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke
+mooie beestjes, zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en vragen tintelend in hun zachte oogen, toen
+zij mij weer aankeken als een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren aanleg, dat wij nergens iets
+moois kunnen zien of wij willen er naar toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was zoo mooi als men
+maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,&#8212;ik kon niet weggaan.
+
+</p>
+<p>De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte
+ooren de plekjes uit waar <a id="d0e355"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e355">29</a>]</span>ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm
+onder hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn, omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden.
+Plotseling staken ze hun kopjes op. &#8217;t Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun eerste les vergeten, vergeten dat zij
+zich moesten verbergen. Zij wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote, onschuldige vraagoogen. Het
+was zoo heerlijk mooi dat ik geheel verslagen stond. Zoo&#8217;n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben aangekeken, en we
+zouden er, als &#8217;t noodig was, ons leven voor overhebben om het te beschermen.
+
+</p>
+<p>Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit.
+Hun moeder had ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen.
+&#8220;Aanvaard de gaven die de goden u schenken,&#8221;&#8212;die gedachte ging door hun kopjes, en wat ze proefden, toen ze met het tipje
+van hun tong mijn hand belikten, was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde, draafden ze met een klagend
+geluidje achter mij aan om mij terug te halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen mij aan, elk aan
+een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden geaaid en gekrieuweld.
+<a id="d0e359"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e359">30</a>]</span></p>
+<p>Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken
+van de wereld opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd, bij &#8217;t minste geluid zenuwachtig te trillen
+en zich luisterend naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een takje te knappen; het ruischen van de
+beek hoefde maar even aan te zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en dadelijk waren de hertjes
+op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam naar boven en keken
+zij mij aan. &#8220;Wat een merkwaardige wereld is dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe, vertel ons
+er alles eens van,&#8221;&#8212;dat zeiden die mooie oogen, toen ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke leven.
+De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten, gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje
+in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek, vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes
+voor den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe gewaarwording van te likken aan een menschenhand,
+waar, ergens onder dat streelende ruwe, zoo&#8217;n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren nog bezig mijn handen te belikken, dicht
+tegen mij aan genesteld, toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.
+<a id="d0e362"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e362">31</a>]</span></p>
+<p>Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich
+op dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak,
+behalve wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer
+het hem eigenlijk goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door &#8217;t bosch snelt, geeft dat een licht,
+kort, knappend geluid, als &#8217;t &#8220;<i>plop</i>&#8221; van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder
+van mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.
+
+</p>
+<p>Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte
+ik mij naar het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege was, brak er weer met een korten knap een
+tak; er schoot een geritsel door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte zachtjes, toen ze den stam in
+&#8217;t oog kreeg waar haar leger was. Toen ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over haar heele lichaam,
+haar ooren als twee beschuldigende vingers naar voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij haar
+jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde
+zich om te vluchten, elke spier <a id="d0e370"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e370">32</a>]</span>gespannen tot den sprong, maar &#8217;t was of haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de spieren zich
+en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne; zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte
+haar lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze <i>kon</i> niet heengaan, <i>kon</i> haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking
+mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid <i>k-a-a-h! k-a-a-h!</i>&#8212;het noodsein der herten&#8212;als trompetgeschal door de bosschen en snelde zij &#8217;t beschermende kreupelhout weer in.
+
+</p>
+<p>Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout.
+Maar die vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen
+met een naamlooze ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij aan en langzamerhand werden ze weer rustig,
+doordat mijn handen, zonder beven, kalm hun flanken streelden.
+
+</p>
+<p>Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen, maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich
+haar kopje met doodsangst in de oogen,&#8212;dan weer stoof ze weg met haar witte staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te
+wijzen welken weg ze moesten nemen. Maar de <a id="d0e385"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e385">33</a>]</span>hertjes letten niet meer op dat eerste noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig; hun oogen, die
+nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden
+een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid
+toch nog,&#8212;die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was door honden en belaagd door geweren&#8212;en zij bleven
+waar zij zich veilig wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.
+
+</p>
+<p>Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer
+achter &#8217;t gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen, duwde ik ze nog eens terug. &#8220;Daar blijven, en
+naar je moeder luisteren; daar blijven en doen wat je moeder zegt,&#8221; bleef ik maar fluisteren; en ik geloof altijd nog half
+en half dat ze het begrepen&#8212;niet de woorden, maar den zin die er achter stak&#8212;want na een poosje werden ze kalm en gluurden
+met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den gevallen boomstam
+heen, om ze van &#8217;t spoor af te brengen als ze er soms uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij
+niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de open plek af, een paar meter verder, <a id="d0e389"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e389">34</a>]</span>waar de witgezengde stammen op de verbrande helling door het groen van &#8217;t groote bosch schemerden, en ik klauterde en keek
+uit, en veranderde net zoo lang van plaats, totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes zich onder
+de wortels verstopt hadden.
+
+</p>
+<p>De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was &#8217;t weer stil geworden. Een beweging in &#8217;t kreupelhout&#8212;en daar kwam de
+hinde voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte
+zachtjes: het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit.
+Elke lijn van haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was, terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog
+en ze scherp besnuffelde, van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch vooral maar zeker, heel zeker
+te zijn dat het haar eigen jongen wel waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes zich dicht tegen
+haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken
+met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch om was en waarom zij was weggesneld.
+
+</p>
+<p>Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong, die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een
+golf over haar heen, hoe volstrekt <a id="d0e395"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e395">35</a>]</span>noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten sprong
+schoot ze op zij en heesch snerpte het <i>ka-a-a-h! ka-a-a-h!</i> weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken: dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik
+stonden de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en
+hobbelden ze weg op hun ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het bosch hun leidsvrouw dapper achterna.
+En ik zat er naar te kijken uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit meer zouden toehooren, geen
+enkel oogenblikje meer, en ik zag niets dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits van een wit vaantje.
+Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit het gezicht.
+
+</p>
+<p>Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.&#8212;Toen ik ze weer zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen
+aan die twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot wil worden in het uitgestrekte bosch.
+
+<a id="d0e402"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e402">36</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e403"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Een Kreet in het Donker.</h2>
+<p>Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes, die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond&#8212;net zooals ik
+het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken ze op &#8217;t eerste gezicht als twee droppels water op elkander,
+ik ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard&#8212;dat
+alles was bij hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was een verstandig en &#8217;t ander een dom klein ding.
+Het een was volgzaam en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede volgde van &#8217;t begin af alleen zijn
+eigenwijze kopje en pootjes, tot het eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was&#8212;maar toen was het te laat.
+Voordat de beer hem te pakken kreeg,&#8212;ik geloof zeker dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid
+slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik
+maken van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.
+
+</p>
+<p>Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het
+nog eenzamer was, in &#8217;t hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar voedsel haalde en hen dus des te gauwer
+bereiken <a id="d0e410"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e410">37</a>]</span>kon. Nog dagenlang na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij &#8217;t krieken van den dag, of laat in den middag, als de hertemoeders
+gewoonlijk langs de oevers aan &#8217;t weiden zijn, op uit om het dal van &#8217;t begin tot het einde af te zoeken, in de hoop de kalfjes
+terug te vinden en hun vertrouwen te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken wijdde ik mijn aandacht
+aan een otterfamilie, die in een hol onder een boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden spar kwam
+slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden
+van het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen
+onder de kruin van een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.
+
+</p>
+<p>Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder
+mijn voeten bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond
+kon ik ze prachtig waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos <i>mij</i> nauwelijks ontdekt zou hebben; maar bij &#8217;t eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind, als duiveltjes in een doosje, wanneer
+&#8217;t haakje los wordt gemaakt. De moeder stak haar witte vaantje in de lucht&#8212;den sneeuwwitten onderkant van haar nuttige staartje,
+die bij dag en bij nacht als een baken licht&#8212;en sprong <a id="d0e417"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e417">38</a>]</span>weg met een heesch <i>ka-a-a-a-h!</i> tot waarschuwing. Een van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder, terwijl het met zijn eigen
+witte vaantje wuifde om den weg te wijzen aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er op staanden
+voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een
+grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar
+eindelijk onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde haar hangend staartje zenuwachtig&#8212;
+
+</p>
+<p>Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen
+neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd is.&#8212;Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje
+steil overeind, floep!&#8212;vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde het, zoo goed als elke andere taal, welk sein
+het maar te volgen had om aan &#8217;t gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het verwarde kreupelhout.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p038.jpg" alt="Hertje dat net wegspringt in het kreupelhout."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied, besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is.
+Wie een opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte
+boomstronken, over het dooreengestrengelde <a id="d0e431"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e431">39</a>]</span>kreupelhout&#8212;nu in snellen sprong zwevend aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij &#8217;t dalen pas weet hoe &#8217;t
+aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen om
+geen voet te verstuiken of een enkel te breken,&#8212;vraagt zich te vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar
+in de wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie &#8217;s nachts een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak,
+misschien wel over een woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld heeft, zoodat ge er u bij dag
+nauwelijks een weg door kunt banen, dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van een hertenopvoeding
+niet uit een scherp gezicht of trompetooren of zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke barometer)
+blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn pootjes denkt. &#8217;t Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in
+hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te zien is.
+
+</p>
+<p>Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door &#8217;t kwispelen van haar staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen
+moet. Zij denkt slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam
+zweeft, hangen ze zoo slap als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in &#8217;t enkelgewricht en wachten en <a id="d0e435"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e435">40</a>]</span>loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan: bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein <span class="corr" title="Bron: oogenklik">oogenblik</span> heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam, getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten,
+weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze
+grond raken, hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben, hoe ze zich schrap hebben gezet&#8212;in zoo&#8217;n
+ondeelbaar oogenblik, dat het onzichtbaar blijft voor het oog&#8212;voor den schok op steenen of vermolmd hout of veerend mos, of
+wat daar aan dien anderen kant ook ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en schieten vast en zeker
+op hun landingsplaats neer; de hoeven van de achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder &#8217;t dalen terechtkomen, en voordat
+ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p040.jpg" alt="Hert in het water staand."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Maar &eacute;&eacute;ns vond ik een jong hertje met een gebroken poot&#8212;dat was nog te weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde
+bok, ten doode toe door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan; maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig
+toch dat het niet met elk hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt.
+
+</p>
+<p>Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd moeten leeren gehoorzamen dan <a id="d0e449"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e449">41</a>]</span>hun eigen kopje. De moeder moet den weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een verstandig hertekalf
+zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te loopen&#8212;zelfs
+als ze al lang volwassen zijn&#8212;soms wel een stuk of zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor, dat ze
+maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch,
+om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen, in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar
+het geschiedt ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor &#8217;t eerst het vaantje leeren volgen.
+
+</p>
+<p>Na die tweede ontdekking ging ik &#8217;s middags vaak naar een bepaald punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde,
+wachtte dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel
+alsof de hinde altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar
+in mijn kano zat te wachten, hoorde ik gekraak in &#8217;t struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan, onachtzaam bijna, op het
+meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks den
+tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in de lucht was, en sprong op de bladeren <a id="d0e453"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e453">42</a>]</span>van de waterlelies af. Soms lag mijn kano in &#8217;t volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar rukte de sappige knoppen en
+stengels af en slikte ze door met een graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg, sloeg de richting
+in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond.
+
+</p>
+<p>Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden, herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting,
+zoodat ze, als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen, in een ommezien in &#8217;t kreupelhout gesprongen
+waren. Het eene ging er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend om te toonen dat hij zijn les had onthouden;
+het andere liep in een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om achterom te kijken en mij nieuwsgierig
+met oogen en ooren op te nemen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatRight">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p042.jpg" alt="Lynx die aan bot kluift."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Zoo&#8217;n ongehoorzaamheid kon maar op &eacute;en manier afloopen&#8212;dat bleek mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo&#8217;n bloeddorstig
+roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken
+waar een dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging, plotseling aan &#8217;t verhaal over dien kleinen baas
+een einde hebben gemaakt. Het was laat op den middag, toen <a id="d0e464"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e464">43</a>]</span>ik op weg naar het meer langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang, nauw dal, waar &#8217;t vol frambozen
+stond met hier en daar wat geblakerde boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene van die plaats
+te doen uitkomen.
+
+</p>
+<p>Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje
+zoo aan te kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij
+haar kon komen, en wat ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de eerste beweging die ik maakte,
+(ik had als een oude boomstomp boven op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een hertekalf te voorschijn,
+dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar kop in den
+nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde
+of zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende:
+&#8220;Achter je moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!&#8221; Toen sprong ze weg, vlug als de wind den heuvel aan den overkant
+op, boomwortels en rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong klonk haar heesche schreeuw, terwijl
+haar waakzame kleintje prachtig zooals &#8217;t hoorde haar volgde.
+<a id="d0e468"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e468">44</a>]</span></p>
+<p>Op &#8217;t eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in &#8217;t kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te
+voorschijn. Ik herkende het dadelijk&#8212;het zieltje zonder zorg&#8212;en begreep dat het al te lang dat volgen van &#8217;t vlaggetje veronachtzaamd
+had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant
+uit rennen het hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van mij af was. Toen pas kreeg het den man
+in &#8217;t oog, die daar voor hem op &#8217;t pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke ontdekking stond het stokstijf
+stil en scheen ineen te krimpen onder mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk, verschool zich
+tusschen de wortels en bleef roerloos staan,&#8212;een alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de ruige
+bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd: zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede
+voorschrift was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p044.jpg" alt="Hert van voren gezien."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste
+lesje: hij schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk..., twee passen naar mij toe, en stampte grappig
+met zijn linkerpoot. &#8217;t Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het hem ooit geleerd was. Het is al zoo&#8217;n
+oude krijgslist, iemand een beweging <a id="d0e478"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e478">45</a>]</span>te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat
+je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging,
+het pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet
+aan, hij wilde er &#8217;t zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn
+en wuifde er zachtjes mee; dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond hij weer stil en keek en
+stampte met zijn pootje, om mij te toonen dat hij niet bang was.
+
+</p>
+<p>&#8220;Kleine, dappere baas, jou mag ik zien,&#8221; dacht ik bij mezelf, en mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje
+stond te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie snuitje. &#8220;Maar,&#8221; dacht ik verder, &#8220;wat zou er
+nu al lang met je gebeurd zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen kijken? De volgende maand zal
+de jacht helaas open zijn; dan komen er hier jagers in de bosschen, die soms m&egrave;t vrouw en kinderen ook hun hart hebben achtergelaten.
+Geloof me maar, kleine baas, die kun je niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen.&#8221;
+
+</p>
+<p>De nacht daalde snel. &#8217;t Geroep der moeder galmde hoe langer hoe angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar
+de duisternis toenam. Met <a id="d0e484"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e484">46</a>]</span>plotselinge gewetensknaging en schrik dacht ik: &#8220;Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine baas, toen
+ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam.&#8221; Zoo gaat het gewoonlijk
+wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze
+doet. &#8220;Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden boomstam, en het andere&#8212;dat is ginds bij je moeder
+op &#8217;t oogenblik, waar jij ook hoorde te wezen,&#8212;dat begrijpt dat oude wetten veiliger zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als
+die opkomen in het kopje van zoo&#8217;n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij &#8217;t verkeerde eind, kleine baas, al lijkt
+je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb je mijn hart gestolen door &#8217;t gestamp met je pootje. Misschien is het alles
+bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal ik het je nu wel anders leeren.&#8221;
+
+</p>
+<p>Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe.
+Oogenblikkelijk was &#8217;t met zijn heldenmoed gedaan; &ograve;p ging zijn staartje en weg stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken
+op de helling. Daar hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem, dank zij de boschtelegraaf en den
+wind die de berichten overseint, in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht.
+
+</p>
+<p>Wie met open oog en oor een week of wat in de <a id="d0e490"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e490">47</a>]</span>wildernis leeft merkt al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind toeval, zooals het lijkt, maar
+dat hij er te midden van wetten en regels woont&#8212;een staat van zaken die al van veel ouder datum is dan die waaraan hij is
+gewend en waar het ook niet geraden is in te grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen schemeravond
+langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd
+waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde
+botjes die er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad
+op het meer uitliep om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de monding van dat beekje lag een diepe
+waterkom tusschen de rotsen, en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik eens op een avond&#8212;een dag of
+veertien later&#8212;bezig om te probeeren of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen.
+
+</p>
+<p>Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling:
+de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze &#8217;t water nog raakten; en ze schenen best te weten, &egrave;n door
+hun instinct &egrave;n door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor hun part net andersom <a id="d0e494"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e494">48</a>]</span>genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen.
+
+</p>
+<p>Maar &#8217;s nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om in &#8217;t ondiepe water langs den oever rond te loeren en
+af te wachten wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte&#8212;in den vorm van nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten
+te kwaken, van slaperige voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met zilveren vlerkjes in de lichtstreep
+die over &#8217;t water viel uitgooide, ving wel eens een dikkerd.
+
+</p>
+<p>Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of niet. Ik moest als &#8217;t ware met mijn ooren visschen en al
+mijn verstand bijna in mijn handen hebben&#8212;klaar om gauw en krachtig op te halen, als het juiste oogenblik gekomen was na een
+uur lang vergeefsch ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde je alleen den harden plons, als hij
+met de vlieg naar beneden schoot dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo&#8217;n plons met een ruk op, dan kreeg
+ik mijn vlieg terug of ze raakte verward op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar het schijnsel
+van &#8217;t vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel
+van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen, had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart
+op het <a id="d0e500"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e500">49</a>]</span>water geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er &#8217;s nachts op na om er achter te komen wat voor raar
+ding dat toch is en wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan &#8217;t visschen ben staan de groote, donkere bosschen dicht om
+mij heen stil te luisteren. Overal zijn geuren die alleen &#8217;s nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van dauw. Langs de helling
+ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep, gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit de
+lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren.
+Daarom is het even prettig &#8217;s nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd vol indrukken weer naar huis te keeren,
+al is de vischben dan leeg.
+
+</p>
+<p>Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of &#8217;t
+weer vertrouwd was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in &#8217;t kreupelhout hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar
+zag ik twee groote, gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren&#8212;de oogen van een hert. Een vlug geritsel&#8212;en een beetje
+lager nog twee kolen, die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog twee. Toen begreep ik dat het de
+hinde met haar kalfjes was. Zij waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den grond genageld, door dat
+wonderlijke licht en de dansende schaduwen betooverd, die op de schichtige boschbewoners <a id="d0e504"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e504">50</a>]</span>komen aanschieten alsof zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en glijden weer terug, dat het wel
+een uitnoodiging lijkt om mee te doen met hun stille spel.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p050.jpg" alt="....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder."></p>
+<p class="figureHead">....met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Ik ging bedaard op mijn knie&euml;n bij het vuur liggen en legde er voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde
+en het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de
+moeder, met gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu eens staarde ze strak in het vuur, dan weer
+sprong ze zenuwachtig heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep schaduwen kwam aansnellen om hinkepink
+met de kleintjes te spelen, die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een oogenblik. Toen kwam een van
+de hertjes&#8212;zelfs bij het schijnsel van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn vroolijk geappelde
+velletje&#8212;recht op mij aan, om bij het oplaaien van &#8217;t vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje
+te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was.
+
+</p>
+<p>De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden
+en trippelde nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend, roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen
+haar en het vuur in kwam en zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was, en haar <a id="d0e515"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e515">51</a>]</span>deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met
+geweld los uit die betoovering, en haar heesche kreet <i>k-a-a-ah! k-a-a-ah!</i> galmde als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg, terwijl haar staartje in de duisternis glansde
+als het schuimkroontje op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen.
+
+</p>
+<p>Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij
+bleef, en ging toen weer verder op &#8217;t licht af, turend en stampend van louter dwaze verwondering.
+
+</p>
+<p>Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren
+met dat glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als tintelende regenbogen door het vlammende vuur
+ontstoken. Achter hem, in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu eens dichter bij, dan weer ver weg.
+Plotseling kwam er een wijziging, een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik dat roepen om te volgen,
+en &#8217;t gekraak in het kreupelhout als ze wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige geschiedenis die
+daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe&#8212;dat was de snelste
+manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die pracht in duisternis <a id="d0e524"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e524">52</a>]</span>verdween en de reuk van een mensch hem op het koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas er springend
+vandoor&#8212;helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan.
+
+</p>
+<p>Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen, in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en
+ik liep kalm het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den heuvel, waar het dalende pad verloren ging
+in een nauw, donker dal met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij onder de hooge boomen het hertje
+antwoorden en begreep dadelijk dat er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren riep het al maar door;
+&#8217;t was een klagende angstkreet. De moeder draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest, maar het bleef
+hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en weer
+in den luisterenden nacht.&#8212;<i>Woe-woe</i>, &#8220;kom hier.&#8221; <i>Bla-a-a, bl-r-t</i>, &#8220;ik kan niet; kom bij me.&#8221; <i>Ka-a-ah!, ka-a-ah!</i> &#8220;onraad, volg me!&#8221;&#8212;en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde met het andere hertje achter zich aan; dat zou
+ze redden, al moest ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de sluipende wilde beesten in den nacht.
+Het was duidelijk genoeg wat er gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als ge de <a id="d0e537"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e537">53</a>]</span>taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde, waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar
+lag hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren
+dat hij zoo lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop, mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker,
+en elk oogenblik stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan, kwam er iets met gedruisch langzaam,
+zwaar, van den heuvel, en ging vlak voor mij heen. Iets in &#8217;t geluid misschien&#8212;een log en toch bijna geruischloos voortbewegen,
+waartoe slechts &eacute;&eacute;n dier in de wildernis in staat is&#8212;ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst niet was in de vochtige
+lucht, verried mij dadelijk dat scherper ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer, zijn boschbessenterrein
+in den steek had gelaten om het niets kwaads vermoedende hertje te besluipen. Hij wist&#8212;zooveel hadden zijn ooren hem wel verteld&#8212;dat
+het in de duisternis van zijn waakzame moeder was afgeraakt.
+
+</p>
+<p>Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug&#8212;ofschoon Mooween eigenlijk op niets let, als zijn wild op de been is&#8212;en snelde
+naar mijn kano om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas, maar ik was er nog nooit eerder &#8217;s nachts
+zoo laat een tegengekomen, en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles hangt trouwens <a id="d0e541"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e541">54</a>]</span>van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit; en doet
+ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed, met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder
+den trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van.
+
+</p>
+<p>Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt u gerust hieraan houden&#8212;wat ge ook voelt: angst of twijfel
+of vertrouwen&#8212;dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel
+gekenmerkt zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam eens een beer tegen op een nauw pad&#8212;maar dat
+vertel ik wel op een andere plaats.
+
+</p>
+<p>Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug
+was gegaan, zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven
+aan de wanhopige moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en ori&euml;nteerde mij naar een hoogen boom op den heuvel, die tegen den
+hemel stond afgeteekend; al langzamer en langzamer, tot er&#8212;juist aan dezen kant van den dikken, omgevallen boom&#8212;een tak luid
+kraakte onder mijn voet. Dadelijk klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en &#8217;t geluid van een sprong&#8212;en toen
+vluchtte er een beer krakend den heuvel op, met iets in zijn bek dat zwaar <a id="d0e547"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e547">55</a>]</span>tegen het kreupelhout slingerde en in &#8217;t voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de verte met zwak
+geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren.
+
+</p>
+<p>Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen oever aan een zijtak van &#8217;t groote meer was opgeslagen,
+de moeder bij tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te loopen, boven de plaats waar het treurspel
+zich had afgespeeld. Met haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks ze met haar kleintje gedaan
+hadden wist zij niet. Er klonk een angstig vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar mijn tent werd
+voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik naar de plek terug. &#8217;t Kostte mij niet veel moeite te vinden waar het
+hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen
+had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige
+uitsteeksels van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo ging het den heuvel op, naar een woeste,
+wilde streek, waar het geen nut had het nog verder te volgen.
+
+</p>
+<p>Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna &#8217;t
+geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed een hert. De moeder <a id="d0e553"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e553">56</a>]</span>had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje bij
+mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene
+hertje, waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen in de stilte van de groote, onnaspeurlijke
+bosschen.
+
+</p>
+<p>Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het
+kreupelhout scherp naar mijn oude kano stond te turen; op &#8217;t zelfde oogenblik zag ze mij echter en verdween ze met een sprong
+in mijn richting, zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs was gegaan, liet ze haar heesch <i>ka-a-ah, ka-a-ah!</i> hooren en stak haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een scherp <i>ka-a-ah, ka-a-ah!</i> beantwoordde het hare; het tweede hertje drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen, en schoot met
+haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen
+stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield, met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje,
+om toch maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.
+<a id="d0e563"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e563">57</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e564"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Ismaques, de Vischarend.</h2>
+<p><i>Oewit, oewit, tsjwie?</i> <i>Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!</i> zoo klonk gierend en snerpend Ismaques&#8217; jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede
+wieken over mij heen zien zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in mijn kano spiedde of naar het
+koele plekje tusschen de rotsen achter mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch in &#8217;t oog kreeg&#8212;een
+zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik mijn zwartvisch<a id="d0e574src" href="#d0e574" class="noteref">1</a> wegborg om ze voor berenaas te gebruiken&#8212;schoot hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat klaarspeelde.
+Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer
+weg met een aanmoedigend <i>k&#8217;wie-ie!</i>&#8212;dat is zooveel als &#8220;goede vangst&#8221; van een broeder van &#8217;t visschersgilde. Want er is geen kwaad haar aan Ismaques, er schuilt
+geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd ophaalt, zelfs
+al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat zijn
+gemoedsrust er door verstoord wordt.
+
+</p>
+<p>Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: <a id="d0e582"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e582">58</a>]</span>&#8220;zal een luipaard zijne vlekken veranderen?&#8221; schijnt te logenstraffen en tot een ander mensch schijnt te maken wie als de
+knoppen zwellen zich haast bij &#8217;t verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat hij visscher werd was
+hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar nu leeft hij
+met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig, en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als
+een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend: voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als
+alle andere roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het
+sein om zich te verbergen. Dan riepen gaai en kraai: &#8220;dief, dief!&#8221; Dan liet de koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen
+en schoot voor den dag om &#8217;t gevecht te beginnen. En nu&#8212;de kleine vogels bouwen hun nestjes tusschen de takken van zijn groote
+woning en de schaduw van zijn wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat hebben al lang geleerd dat
+het maar &#8217;t verstandigst is goed op een afstand te blijven van Ismaques&#8217; woonplaats.
+
+</p>
+<p>Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg
+maken als hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht,
+roepen <a id="d0e586"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e586">59</a>]</span>ze allen hartelijk &#8220;goede vangst&#8221; achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen uit de eigen waterkom waar de dikke
+forellen huizen en waar zij van plan zijn bij zonsondergang in te gooien.
+
+</p>
+<p>De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het uit bij zijn terugkomst&#8212;zoo geregeld als de maanden van
+het jaar. In &eacute;en staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders
+zelfs, die niet aan jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog aan en maakten met hem een uitzondering
+op dat algemeene verlof tot dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen, een zekeren Eliphalet Bodman,
+een Belialskind klaarblijkelijk, &#8220;openbaarlijk gestraft&#8221; hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en lood een vischarend om
+het leven had gebracht en het nest met de eieren van een anderen boosaardig vernield had.
+
+</p>
+<p>Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of
+eenvoudig op jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke, oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient
+hier echter alleen, om aan te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke menschen waren; dat die brave,
+eenvoudige visscher, met zijn nest bij hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij de Duitsche
+dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,&#8212;en zijn komst <a id="d0e592"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e592">60</a>]</span>werd door de visschers als een voorteeken van een goede vangst beschouwd.
+
+</p>
+<p>Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat, zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge
+door weelde noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog jong waren al op onze verbeelding werkte en
+zich een goede gezindheid verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik mijn tent aan het meer opgeslagen;
+ik kon er maar niet toe besluiten op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede vischwater. Tegenover
+mij hadden een paar vischarenden in den top van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. <i>Zij</i> waren het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien
+hoe ik het maakte, en om mij een verheugd <i>Tsj&#8217;wie! tsjip, tsj&#8217;wie-ie!</i> &#8220;goeie vangst, en visch plezierig!&#8221; toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn,
+om er mij van te overtuigen dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en niet oprecht belang stelden in
+de manier waarop ik te werk ging, en in het succes dat ik er mee behaalde.
+
+</p>
+<p>Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op
+te vangen van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken <a id="d0e604"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e604">61</a>]</span>verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun
+groei waren, was er altijd meer dan genoeg in &#8217;t groote nest op den sparretop. Wat er van dien overvloed restte, in den vorm
+van koppen, graten, overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest gegooid en leverde een uitgezochte
+lekkernij voor allerlei hongerig rondsluipende dieren. &#8220;Minken&#8221; staakten hun kikkerjacht in de beek, en door den lekkeren
+geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof, pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof geluid,
+waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen
+nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten
+als duivels om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze &#8217;s nachts te keer gaan. En eens, laat op een middag, toen
+de schaduwen dieper werden en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de rotsen te verlaten, kwam er heel
+behoedzaam, alsof hij voor zichzelf een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het kreupelhout, die kieschkeurig
+aan de vischgraten begon te snuffelen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p062.jpg" alt="Kop van roofvogel."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Hij kwam daar blijkbaar voor &#8217;t eerst, en wist niet dat Jan en alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd
+in de meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit zijn houding, <a id="d0e613"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e613">62</a>]</span>uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen
+op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor
+een andermans eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook die groote kat. Hij had trek in visch, maar
+zoo groot als hij was, gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn hielen te lichten voor het eerste
+het beste kleine beest, dat op zou komen dagen en hem toebijten: &#8220;Dat is van mij!&#8221; Toen hij later wat op zijn gemak raakte
+en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en door
+het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar
+nu echter steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren, bood hij gelegenheid om het recht onder de
+dieren te bestudeeren, wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens was. Maar de arenden zelf boezemden
+mij meer belangstelling in dan hun ongevraagde gasten. Ismaques&#8212;trouwe baas die hij is&#8212;paart voor zijn heele leven en keert
+jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een vischarend
+dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde
+met <a id="d0e615"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e615">63</a>]</span>een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die
+anders niet hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die over het stille zomerwoud schalde was het
+te hooren; het was te zien aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog naar andere meren&#8212;niet om te
+visschen, want Ismaques vischt nooit in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te zoeken. Wekenlang
+bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid
+en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam
+er een vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels
+elkaars vischwater en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder aarzeling bezit van nemen, alsof ze
+op de een of andere wijze een schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.
+
+</p>
+<p>Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de helling. Zooals &#8217;t gewoonlijk gaat, had de boom zich aan
+zijn meesters, de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door den bast gesijpeld, al meer en meer naar
+beneden getrokken, zoodat de sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden en <a id="d0e619"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e619">64</a>]</span>niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen.
+Overal was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren afgebroken als de arend ze noodig had.
+
+</p>
+<p>Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst, dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels
+gade te slaan onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig, waar de grond mee bezaaid ligt. Maar
+Ismaques komt nooit op den grond, als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn vlucht een buitengewoon
+zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat hij honger
+heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen machteloos.
+Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang geduldig aan &#8217;t visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn
+verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode
+af. Wil de tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet,
+en door de kracht waarmee hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de plaats waar Ismaques en zijn
+wijfje bouwmateriaal verzamelden, door een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken <a id="d0e623"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e623">65</a>]</span>keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag
+ik hem bijna op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op streek geraakte en zegevierend met zijn
+vier voet langen tak wegvloog.
+
+</p>
+<p>Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo&#8217;n merkwaardige vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het
+meer terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo&#8217;n heelen winter naar het Zuiden trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op
+genade of ongenade aan de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe, dikke takken worden stevig in het
+dak van het nest gedreven; oude, verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het geheele gebouw kant en
+klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt is, wat
+het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst
+weggaat, weet hij dat&#8212;behoudens onvoorziene omstandigheden&#8212;zijn woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig,
+vriendelijk op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of dit een gewoonte is van alle vischarenden,
+of alleen van die twee aan het Groote Squatuk-meer&#8212;die ook in andere opzichten merkwaardig verstandig waren&#8212;weet ik niet te
+vertellen.
+<a id="d0e627"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e627">66</a>]</span></p>
+<p>Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een sterke familieband, en de jongen blijven veel langer
+bij de oude dan bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente wordt, zult ge alleen vader en moeder bij
+&#8217;t oude nest aantreffen. Ik geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar als het meer klein is, bouwen
+ze nooit aan hetzelfde water&#8212;indringen doen ze zich niet. Elk paar schijnt er&#8212;even als de ijsvogels&#8212;zijn eigen meer, of gedeelte
+van een meer, op na te houden; maar aan welke waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden, staat nog
+te ontdekken.
+
+</p>
+<p>Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat
+niets zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en
+voldaan over de wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen langs de helling, naar het meer staan
+kijken; en naar hun houding en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende, groene wereld, de vogels die
+voorbijtrokken, de lichtflitsen op het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte, buitengewoon merkwaardig&#8212;totdat
+er een paar breede wieken in &#8217;t zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten in een gretig gesjilp:
+<i>piep, piep, tsj&#8217;wie? tsj&#8217;wie-ie-ie?</i> &#8220;Heb je hem gevangen? <a id="d0e635"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e635">67</a>]</span>Is &#8217;t een groote, moeder?&#8221; En dan richtten zij zich voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig hun
+halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.
+
+</p>
+<p>Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes
+was, togen ze alle twee naar het meer. Bij zoo&#8217;n gelegenheid vischte de moeder, die grooter en sterker is dan het mannetje,
+langs de kust, waar ze haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje het meer over zeilde naar de
+forellenkolken in de monding der beek, waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer hij met zijn
+visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou hij
+pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust,
+wanneer deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd
+overlangs droeg, met den kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.
+
+</p>
+<p>Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde, kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote
+visch, dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk
+hun beurt afwachtten; geen gedrang, geen geduw om <a id="d0e641"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e641">68</a>]</span>den eersten, grootsten hap, zooals we dat in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een van de jongen
+hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad als &#8217;t ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer
+schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en
+wachtte, tot het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik aan te denken van zijn broertje naast hem
+wat af te grijpen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p068.jpg" alt="Gaai op tak."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht
+met de kruimels, die er overvloedig van &#8220;den disch des rijken&#8221; vielen. Het was buitengewoon merkwaardig de verandering gade
+te slaan, die er door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt
+geen enkelen vriend onder de boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial is, en jagen haar onverbiddelijk
+weg, als ze haar bij hun nest aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en zonder erg ontvangen; en
+zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen edelmoedig beantwoord.
+
+</p>
+<p>Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de
+kliekjes die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop
+zij <a id="d0e652"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e652">69</a>]</span>de wacht hield over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt niets in het bosch zonder dat de gaai het
+weet; en hier leek zij ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om machtige vleugels en klauwen te
+doen verschijnen, in staat elk gevaar af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet van den boom aan
+de koppen en graten te smullen, die daar verspreid lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde daar
+rond, roepend, vragend&#8212;want nooit is haar nieuwsgierigheid bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij
+er geen herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken
+dat ze wat kwaads in den zin hadden tegen &#8217;t nest daarboven.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p069.jpg" alt="Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten..."></p>
+<p class="figureHead">Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten...</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden
+wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet
+tot hen doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven
+de boomtoppen wielden met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op het een of andere beest te stooten,
+dat beneden bezig was in den boom te klimmen&#8212;waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig om te zien wat het was,
+maar voordat ik de plaats <a id="d0e661"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e661">70</a>]</span>bereikte, hadden ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik een van de gaaien, die tierend achter
+den roover aantrok, om den vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de groote, donkere vleugels boven
+in de lucht beschaduwd, ineengedoken bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van opwinding, om hun
+op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in &#8217;t
+vervolg goed op hem zou letten.
+
+</p>
+<p>Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen
+ging, sloegen de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid
+over zijn eigen jongen grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen zeggen. De visscher toonde bij zoo&#8217;n
+gelegenheid in zijn gedrag een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op het nest, terwijl Ismaques
+er boven kringde en beide een schellen, gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers vielen ze nooit
+zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren Kookooskoos,
+de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig, ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken boven
+het nest zagen <a id="d0e665"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e665">71</a>]</span>kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren klonk. Slechts &eacute;&eacute;n vijand bestond er die den vischarenden werkelijk last veroorzaakte,
+en deze deed het dan nog zoo netjes als het onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was het. Wanneer
+hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje
+visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en
+steeg de lucht in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang
+in groote kringen rondzeilen, turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om dan snel als de bliksem
+naar beneden te schieten en hem op de hielen te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten diende
+nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in &#8217;t geluid
+van den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die
+verstandig was, liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien, nog dikwijls voor hij in het water viel.
+Maar de vischarenden deed hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best met elkaar overweg konden. Cheplahgan
+bezorgde zich op zijn manier zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit lang hongerig hoefde te <a id="d0e667"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e667">72</a>]</span>blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem ook geduld en
+een verstandige levensopvatting heeft geleerd.
+
+</p>
+<p>De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren,
+als Cheplahgan boven Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best te begrijpen hoe die ongelijke strijd
+moest eindigen, en ze hadden er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen ontdekken <i>wat</i> ze eigenlijk precies vertelden.
+
+</p>
+<p>Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg
+hij altijd alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen
+in het kreupelhout tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een paar maal verborgen had, en dan geen
+aanstalten maakte om het nest te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen sluipen om zich aan de milde
+gaven van den vischarend te goed te doen, maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon; maar hij zou
+toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk had
+te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig <a id="d0e676"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e676">73</a>]</span>naar mij zat te kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano; maar de vischarenden riep hij niet weer,
+behalve wanneer de een of andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na &eacute;&eacute;n blik op mij vlogen ze dadelijk
+weer in kringen weg, alsof ze beseften dat ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan het visschen
+gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.
+
+</p>
+<p>Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit eerder had opgemerkt. Af en toe&#8212;als het weer dreigde om
+te slaan of als de vogels en hun jongen verzadigd waren&#8212;steeg Ismaques de lucht in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had;
+dan bleef hij langzaam in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den wind, alsof hij een gewone kiekendief
+was die plezier had en boven alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met een helderen, doordringenden
+kreet, om aan te kondigen wat hij van plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen, hield zich midden
+in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend en onderwijl
+van verrukking zijn wilde kreten slakend;&#8212;net als een houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt neerschieten:
+wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw te vertoonen,
+<a id="d0e680"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e680">74</a>]</span>terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en weer
+sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die verbijsterende vertooning van <i>hun</i> papa!
+
+</p>
+<p>Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik
+te verwerven uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat hij er meer gebruik van maakte, toen de
+jonge vischarenden al een mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er op alle mogelijke vriendelijke
+manieren toe trachtten te krijgen het nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht&#8212;zonder ook maar eenigszins in staat
+te zijn die veronderstelling te staven&#8212;of hij op deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi er
+kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken het zelf te doen.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p074.jpg" alt="Vliegende vogel."></p>
+</div><p>
+
+
+
+<a id="d0e692"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e692">75</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e574" href="#d0e574src" class="noteref">1</a></span> Blackfish of Tautoga Americana.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e693"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoe de kleine Visschers les kregen.</h2>
+<p>Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk
+haar kreet niet als gewoonlijk: <i>Tsjip, tsj&#8217;wie! Tsjip, tsjip, tsip, tsj&#8217;wie-ie-ie?</i> Dat was de groet van den visscher wel, o ja, duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends en voldaans
+in, zoo iets van: &#8220;kijk nu eens hier!&#8221; Eer ik mijn hoofd om kon draaien&#8212;want ik had net beet&#8212;volgden er nog meer geluiden:
+<i>pip, pip, pip, tsj&#8217;wie! pip, tsj&#8217;wie! pip, tsj&#8217;wie-ie!</i> Wonderlijk verwarde geluiden, die mij alle een &#8220;goede vangst&#8221; toeriepen. Ik hoefde mij niet eens om te keeren, maar begreep
+zoo al wel dat er nog twee visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.
+
+</p>
+<p>De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen
+ik mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een
+paar dagen tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog
+op het nest en hielden zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd hun groote vleugels eens te gaan
+gebruiken. Het laatste wat ik door mijn verrekijker van <a id="d0e706"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e706">76</a>]</span>hen zag was de moeder in een boom en de vader in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen voorhielden.
+De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar moesten
+komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten,
+zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke
+list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles
+uit, en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar
+een aal mijn vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct,
+maar hebben het zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen uit dagelijksche ondervinding dat visch
+hun eigenlijke voedsel is, en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf, vooral wanneer ze met vleesch
+grootgebracht en daarna waren losgelaten, dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in het bosch
+gaan jagen&#8212;wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen
+geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op welke wijze <a id="d0e708"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e708">77</a>]</span>dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar, in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun
+onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen
+vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen,
+door fluiten de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor een vischarend nog niets, want hij moet zijn
+prooi tamelijk dicht aan de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij sterke golfslag en de zon scheen
+er vroolijk over, zoodat de jonge visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende licht en dat rumoerige
+watervlak. Ze hadden nog niet zoo&#8217;n scherpen blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk zilverachtig
+geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en riepen: <i>pip!</i> &#8220;daar heb je d&#8217;r een!&#8221; <i>Pip, pip!</i> &#8220;daar gaat-ie!&#8221; als een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje van de moeder hield hen in, voordat
+zij zich nog hadden laten vallen; en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden hem best vangen, als
+zij het hun maar eens liet probeeren.
+
+</p>
+<p>Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch
+tusschen de rotsen in &#8217;t oog. <i>Pip, tsj&#8217;wie-ie!</i> floot hij, en daar schoten ze me <a id="d0e721"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e721">78</a>]</span>met z&#8217;n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt
+dat ik daar doodstil tusschen de rotsen zat. <i>Pip, pip, pip</i>, hoezee! klonk schril hun gefluit onder het dalen.
+
+</p>
+<p>Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong
+heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van
+haar gehoord had: <i>Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!</i>&#8212;en die elken keer als zij hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en omzwenkten. Toen werden zij
+in een grooten boog apart genomen en wijs en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.
+
+</p>
+<p>En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch
+en vliegt wat lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de visch schuin naar de oppervlakte komt, laat
+ze heel verstandig den kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het water; het geglinster en de dansende
+golven maken &#8217;t hem lastig; hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten schuimkop over hem heenschiet.
+De moeder stijgt, en fluit dat hij hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den visch weer, en de kleine,
+hongerige baas denkt aan geen overwegingen, <a id="d0e733"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e733">79</a>]</span>maar spant zijn vleugels om neer te schieten. &#8220;<i>Tsjip, tsip!</i> halt, hij duikt weer,&#8221; waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig om te wachten en schiet als een pijl naar beneden.
+Hij is zoowat een meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar hem toespringt. Daar wordt hij bang van;
+hij aarzelt, wijkt uit, klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden&#8212;als er weer een zilveren glans onder &#8217;t golvenschuim
+schemert. Onmiddellijk schiet hij weer neer&#8212;<i>hoe! boe!</i>&#8212;net een jongen die voor het eerst duikt. Een poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem heen, en
+ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich
+schuddend dat de droppels om hem heen vliegen&#8212;maar zonder visch natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor
+boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch
+op &#8217;t oog, heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen,
+waar de voorntjes aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den moed verliezen en dat het tijd wordt ze
+een hart onder den riem te steken. <i>Tsjip, tsjip!</i>&#8212;&#8220;let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,&#8221; fluit zij&#8212;<i>Tsjie-iep!</i> met zoo&#8217;n plotselingen, schrillen uithaal, dien ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze haar
+vlerken uit, schiet vast en <a id="d0e747"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e747">80</a>]</span>zeker naar beneden, valt dwars op een rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant weer te voorschijn
+met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen
+haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan.
+Dit wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna, ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl
+gehad hebben, te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.
+
+</p>
+<p>Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en
+dat er nog een boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken verdwijnen en zij met hun allen naar de
+kust moeten trekken. Zij weet ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij hen juist voor hier gebracht
+heeft: een visch altijd te grijpen zoodra hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op een golf neer
+te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door &eacute;&eacute;n houw van haar
+krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte
+kan zien worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. <i>Tsjie-iep!</i> &#8220;probeer &#8217;t nu eens,&#8221; fluit zij. <i>Pip, pip!</i> <a id="d0e757"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e757">81</a>]</span>&#8220;daar gaat hij!&#8221; roept het jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden, heelemaal er onder, ongeduldig
+als hij door zijn honger is. Aan geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet meer noodig.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p081.jpg" alt="...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen."></p>
+<p class="figureHead">...gierend van verrukking, den visch in zijn klauwen.</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij
+hem in &#8217;t oog heeft en dat hij &#8217;t er netjes afbrengt. In een wip is hij er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend
+van verrukking, den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage, langzame vlucht. De moeder kringt een poosje
+boven hem, om er zeker van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met den anderen beginneling terug,
+om heen en weer te zweven boven het ondiepe van de zandbank.
+
+</p>
+<p>Het blijkt nu duidelijk&#8212;zelfs mijn oogen kunnen het zien&#8212;dat er een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden
+kan bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer, flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder
+doet; hij let op de seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien, zekeren boog neer om weer met een
+visch voor den dag te komen. De moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.
+
+</p>
+<p>Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude
+kameraden, en boven de <a id="d0e770"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e770">82</a>]</span>glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het visschen
+voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver
+of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal
+zich beneden in de modder van tracht te bevrijden. Had <i>ik</i> maar iemand gehad om mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!
+
+</p>
+<p>Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing.
+Wel een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs
+in de manier waarop Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn bek, net als &#8220;mink&#8221; en otter dit
+doen, dan zou ik het beter begrijpen; maar om een visch&#8212;die zoo vlug is als een bliksemflits&#8212;onderwater met zijn klauwen te
+grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch een berekening
+noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.
+
+</p>
+<p>Nauwelijks kwamen de visschers in &#8217;t zicht en klonk hun gretig gepiep hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig
+van wal af en liet een stuk of <a id="d0e779"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e779">83</a>]</span>zes zwartvisschen in het ondiepe water los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in &#8217;t leven gehouden, en ze
+hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo&#8217;n beetje aan de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat ik als
+gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder voor haar <i>Tsj&#8217;wie?</i> te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het moest
+wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn lokaas onmiddellijk in &#8217;t oog. Een van de jongen schoot er
+dadelijk zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen, steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal
+had hij hem en ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor, schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en
+ving zijn visch zonder duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen was. De moeder bleef een poosje
+rondkringen, alsof het haar een raadsel was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over de helling naar
+hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent dan
+boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die
+daar klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn
+buik naar boven op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, <a id="d0e784"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e784">84</a>]</span>op een plaats die ik niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf en toog haar jongen achterna naar
+het nest.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p084.jpg" alt="Klauw van visarend."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde
+met haar onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was, zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen,
+en kwam daarom eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder langs den afgelegen oever rondvliegen.&#8212;Daar
+had je de visch weer, in &#8217;t ondiepe; en daar&#8212;dat was nu toch veel te gemakkelijk!&#8212;dreven er twee dood tusschen de schuimende
+golven. Plotseling zwenkte zij om, alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij zich en trok naar ander
+vischwater.
+
+</p>
+<p>Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde <i>tsj&#8217;ie-iep!</i> waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte
+ik ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies
+een veilige schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze
+iets kregen, terwijl de moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in te spreken. Toen ze echter ten
+langen leste hun visch gehaakt hadden en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit <a id="d0e798"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e798">85</a>]</span>hun kloeken vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er den vorigen dag in ontbroken had.
+
+</p>
+<p>De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar
+de visch te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere&#8212;de paar die er nog van waren overgebleven&#8212;worstelden
+zoo&#8217;n beetje aan de oppervlakte. &#8220;<i>Tsjip, tsj&#8217;wie-ie!</i>&#8221; riep ze minachtend; &#8220;er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te krijgen!&#8221; Toen schoot zij neer, dook,
+kwam weer te voorschijn met een dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan een oogverblindenden
+watersluier en groeiende kringen van lachende, dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij visch vangt.
+
+
+<a id="d0e805"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e805">86</a>]</span></p>
+<p class="div1"><a id="d0e806"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Het blijde Leven.</h2>
+<p>Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven
+in het azuur van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad
+op haar wijze plezier, terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij nu weer met genoegen voor den
+geest roep. Het visschen &#8217;s morgens was afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond, zoo uit zee terug,
+lagen knus bij elkaar in mijn bennetje&#8212;meer dan genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar mijn &#8220;kwakzalver&#8221;
+had gesprongen maar op&#8212;wat mij wel aan mijn hart ging, moet ik eerlijk bekennen&#8212;en ging op een aangespoeld houtblok zitten
+om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de boschbewoners bezig waren.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p086.jpg" alt="Adelaar."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de
+diepe kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen, een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den
+stroom, waar zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het voorbijschietende, ziedende water. Boven was
+het water op de ondiepe plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan &#8217;t <a id="d0e818"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e818">87</a>]</span>blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen,
+waar een speelsche, jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig uiteenstoven. Wel een dozijn bellen
+en waterrimpels kwamen er nog bij, trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn stille water, dat het
+klaterend opsprong en alle zangvogels aan den oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte schuimlap
+aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar
+huisde mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in het kalme water gedompeld werd, schoot hij er
+onder, sloeg hem met een slag van zijn staart in flarden.
+
+</p>
+<p>Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken&#8212;naar de schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van
+het licht en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij
+voorbaat en wedde met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder &#8217;t spelen uit elkaar zou slaan: tot de tweede
+wielingen, of tot den rand van de kolk.&#8212;Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te zien hoe de groote adelaar
+daar boven mij de machtige luchtstroomen doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde, net als de
+visschen in het vlietende water beneden.
+<a id="d0e822"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e822">88</a>]</span></p>
+<p>Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is
+opgelaten. Maar dat ging hem veel te gauw&#8212;hij deed het immers maar voor ontspanning, was slechts uit louter nieuwsgierigheid
+beneden bij het water gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door mijn verrekijker zijn vleugeltoppen
+scherp in &#8217;t oog hield, zag ik dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun onderkant te laten afglijden&#8212;zooals
+een schipper zijn schoot viert om de vaart van het schip te verminderen&#8212;en de prachtige, stijgende spiraalvlucht begon.
+
+</p>
+<p>Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge
+vogels slaan er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor &#8217;t eerst probeeren, achter de moeder aan, die
+vlak boven en voor hen uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.
+
+</p>
+<p>De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger
+dan zijn laatsten cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog op de eindelooze trap der winden, die
+onder hem wegglipt. Zonder haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed uitgespreide vleugelschachten&#8212;zoo
+gering, dat mijn oog het niet meer kan waarnemen&#8212;kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich <a id="d0e829"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e829">89</a>]</span>al wijder en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt,
+dat uitgespreid ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.
+
+</p>
+<p>Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in
+de lucht hangt, met rustigen, vlammenden blik Jesaja&#8217;s koninklijk gebied overziet, als een kolibrietje dat zich wiegelt boven
+den grooten bloemkelk der aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen van het bestaande heen kan kijken
+en onze aarde als een grooten bol, met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den blauwen ether ziet drijven.
+En hij blijft daar dobberen, wiegelen, deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun zachte armen.
+Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in
+de armen heeft.
+
+</p>
+<p>Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn
+jongen voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel
+door hem, was ver van zijn hart.
+
+</p>
+<p>Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs: dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig
+hebben om in hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een wapenstilstand <a id="d0e837"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e837">90</a>]</span>in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust deelen
+zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied
+van de zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder aan de kust.
+
+</p>
+<p>Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht
+is&#8212;negen van de tien keer&#8212;, toont niet &eacute;en dier zich bang voor hem, hoe schuw of weerloos het ook is. Ten langen leste worden
+mijn oogen moe van het kijken naar dien edelen vogel&#8212;zoo&#8217;n klein, klein stipje op den eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan
+denk ik aan de vreugde van zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk menschenbestaan, en er komt plotseling
+een floers voor mijn oogen.
+
+</p>
+<p>Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme
+water aan mijn voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen thuis, maar is op aarde evenzeer.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatRight">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p090.jpg" alt="Schildpad op takje."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier, en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom
+op en neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met
+&eacute;en poot om een knoest geklemd, voor een houvast; de andere <a id="d0e850"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e850">91</a>]</span>bengelden en zwaaiden onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder het wippen&#8212;op en neer, op en neer.
+De groote, ruischende rivier deed eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang als ik naar haar bleef
+kijken&#8212;wel den halven morgen&#8212;lag zij daar te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich in haar klein
+leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht
+en beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom onder zich, zwakken weerklank van de ruischende,
+kabbelende, fluitende muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.
+
+</p>
+<p>Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde
+de kleine schildpad, die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan getuigde elk zingend vogeltje en
+elke springende zalm, en elke kikker die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen zonneschijn om de
+ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot mij doorgedrongen
+was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in de natuur&#8212;niet om er verslag van te geven of er een verhaal over te schrijven,
+maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en te begrijpen wat ze uitvoerden, <a id="d0e854"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e854">92</a>]</span>wat ze dachten en voelden&#8212;ben ik nog nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was levenslust hun
+voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur &eacute;&eacute;n vraagteeken
+scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten, en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon
+houden; andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak
+met zijn kille bloed; weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig,
+als die groote mannetjeseland, die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden; maar al die dieren, groot
+of klein, maakten altijd den indruk alsof het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij genoot van
+zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk
+leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.
+
+</p>
+<p>Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd
+werd. Op het meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd&#8212;eerst het begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen,
+waar een versch spoor mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den bergrug galmend opstoof en verried
+hoe er een hert op de been was, dat <a id="d0e858"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e858">93</a>]</span>door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten van de herten uit die streek wel zoo&#8217;n beetje; wist ook
+dat de jagers op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer dat het hert al weken geleden verlaten had;
+dus sloeg ik de richting in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen en de honden weg te ranselen als
+zij aankwamen. Want een hertenjacht met honden is een afschuwelijk vermaak&#8212;bij de wet geoorloofd of niet. Evenmin maakt het
+verschil of de honden bastaard-mormels zijn, die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen op hun
+oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.
+
+</p>
+<p>Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend
+forsch en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk,
+naar de uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij
+daar toch te maken had; ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en daar zag ik eerst een, toen vijf
+of zes volwassen jonge patrijzen, in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich blijkbaar verkneukelden
+over de bewonderenswaardige kleur die de natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals hun moeder hun leerde,
+zoo&#8217;n groote uitwerking <a id="d0e862"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e862">94</a>]</span>had: hen beschermde tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst voelden of bang waren voor een kleinen
+domoor, die zijn kopje zou kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een oogenblik later gleden ze allemaal
+weg, hun kopjes naar mij gewend om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend <i>kwit-kwit?</i> En dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer
+aan den arend, die daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist niet heerlijk voor den mal gehouden,
+en keken ze niet scherp genoeg uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?
+
+</p>
+<p>Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen
+overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts groote waakzaamheid beteekent,&#8212;toen er een gekraak in de
+takken ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak bij mij stond hij stil om zich luisterend om te
+keeren, met zijn gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd over zoo&#8217;n spektakel in zijn rustige
+wouden; toen snelde hij langs mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als goed gesmeerde machinedeelen.
+In plaats van daarna zijn weg in de richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk over, dien hij&#8212;heerlijk
+vertoon van <a id="d0e869"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e869">95</a>]</span>kracht&#8212;zoo sierlijk &#8220;nam&#8221;, alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den geur dien zijn vluchtende hoeven
+achterlieten te verdelgen.
+
+</p>
+<p>Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant
+zwemmen. Daar stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren naar het hondengeblaf in de verte. Hij had
+naar hartelust gedraafd, had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om zich verder te vermoeien door nog
+langer te rennen, nu hij toch zoo gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak er niet uit de wijze
+waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn van zijn
+kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen,
+die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen
+ander gevoel bezielde hem.
+
+</p>
+<p>Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar
+ik heb ze herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze boschwolven hun op &#8217;t spoor waren; en toch
+heb ik een hert nog nooit zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid tegenover zijn achtervolgers
+zien verliezen. Eens, de sneeuw lag dik, <a id="d0e875"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e875">96</a>]</span>heb ik een hert het leven gered; net op &#8217;t nippertje, want de honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe
+dat hij nog &eacute;&eacute;ns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen
+van den vreeselijken angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde dieren toeschrijven.
+
+</p>
+<p>Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels
+of de klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot
+elke spier, elke zenuw volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan schijnen te denken hoe er eindelijk
+een gevaar kan komen en zegevieren.
+
+</p>
+<p>Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten,
+laten een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen
+is met hun woest gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met stokslagen van het spoor brengen. Het
+lijkt wel of ze half dol zijn, gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze blindelings door het bosch
+rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de inspanning die
+er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak <a id="d0e881"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e881">97</a>]</span>voor hen neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en
+tijgen er weer op uit om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen dag door; dan volgen ze hem tot hun
+pooten pijn doen en ze moe zijn; daarna gaan ze een poosje liggen slapen en &#8217;s morgens komen ze weer thuis aanhinken.
+
+</p>
+<p>Laten we de honden nu eens v&oacute;or zijn en Reintje bij het vossenpad opwachten. Daar is &#8217;t gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen,
+zoo licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote, wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het
+plompe gedraaf van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen, zelfvoldaan als hij is, jaagt&#8212;wanneer het een
+jonge vos is&#8212;zijn staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar de beek en springt van den eenen
+steen op den anderen; kiest daarna voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden, naar den top van
+den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien, en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf
+hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel
+blaast. Ook hier bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten regel van het dierenleven: vroolijkheid
+overal, zelfs dan wanneer wij een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen <a id="d0e885"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e885">98</a>]</span>die ik met woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik er slechts &eacute;en ontdekt, die niet den indruk
+gaf alsof hij veel meer pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij zoo zelden in zijn hol vlucht,
+dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer, dan blijft hij den geheelen
+dag op de been, maar als het loopen hem zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij een poosje om
+zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol, waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen: de
+grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.
+
+</p>
+<p>Ik vertel deze drie verhalen&#8212;van den patrijs, van het hert, van den vos&#8212;en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog
+wel twintig andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor
+de kinderen der natuur; zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld; dat het gevaar ze niet kan
+overstelpen, de honger haar zelfs niet doodt. Dit blijkt uit al wat in &#8217;t wild leeft, van het allerkleinste zangvogeltje,
+dat bij &#8217;t zonnegloren te midden van tallooze vijanden zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig
+op de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder
+de klauwen van den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland, die <a id="d0e889"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e889">99</a>]</span>met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten, als de takken van eschdoorn en lederhout<a id="d0e891src" href="#d0e891" class="noteref">1</a> tijdens de noorderstormen diep onder de sneeuw begraven zijn.
+
+</p>
+<p>Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd,
+dat al hun ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden de jongen met elkaar, toen zij door de kale,
+onttakelde bosschen rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den zoom gestaan van de wanhopig eenzame
+vlakten, als de ijzige rukwinden over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid zoo diep begraven lag,
+dat alleen de raad van Jobs vrouw: &#8220;zegen God en sterf&#8221;, er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die godslastering...
+fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan &#8217;t roepen tegen elkaar,
+druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar
+in &#8217;t najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel
+op een fluitje had geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze verlatenheid, om mij te vertellen
+dat het lente werd en dat het leven ondertusschen wel het leven waard was&#8212;zelfs hier.
+<a id="d0e896"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e896">100</a>]</span></p>
+<p>E&eacute;n ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen&#8212;geeft ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in &#8217;t oog
+te loopen, en rappe pootjes om mee weg te snellen&#8212;dat ze zelden over iets anders denken dan over de gewone levensbehoeften
+en levensvreugden, voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven af beschouwen, het eens een oogenblik
+zielkundig bestudeeren, en bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem alle ellende van een angstwekkend
+voorgevoel te besparen, kunnen wij ons zijn blijdschap begrijpen.
+
+</p>
+<p>In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden, ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde
+van al ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen
+uit die werkelijke pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden wij ons geplaagd bestaan nog wel een
+poosje kunnen voortsleepen en een even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier bezit geen groote
+geestvermogens&#8212;niet genoeg in alle geval om daardoor zijn zorg meer dan te verdubbelen&#8212;en geen greintje verbeelding om het
+hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk
+te vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit ook en gaat als een verstandig dier slapen; <a id="d0e901"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e901">101</a>]</span>is hij gezond, dan heeft hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij heeft stellig ook zijn smart
+wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel veel grover
+dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig
+mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.
+
+</p>
+<p>Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden,
+de gebroken botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen, zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen
+had en zij niet bang waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet merken dat ze pijn leden. Het is
+een feit, dat die pijn bij de onze vergeleken slechts zeer gering is.
+
+</p>
+<p>Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden, die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten
+welke ze in den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die
+vreeselijke wonden zullen doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter, en binnen tien minuten heeft
+zij ze in haar macht door haar bekwame behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even pijnloos en zonder
+zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang blijven zij daar <a id="d0e907"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e907">102</a>]</span>dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen, tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te zoeken,
+of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.
+
+</p>
+<p>Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen,
+waar de halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien
+hoe een muskusrat met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val waar zij tusschen geklemd zat (geheel
+tegen mijn zin, waarde lezer, want ik heb net zoo&#8217;n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb ik een dier gezien, dat
+ook maar een honderdste van de pijn voelde die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.
+
+</p>
+<p>Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken
+minder dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs, hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht
+of ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar
+een van de vele verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst in staat zijn pijn te verdragen bijna
+geheel te sparen.
+
+</p>
+<p>Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht: wanneer het treurt over het verlies van metgezel <a id="d0e915"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e915">103</a>]</span>of -gezellin, of van zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van gelezene&#8212;dan nog heel zeldzame uitzonderingen,&#8212;die
+ook al gekleurd waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders, en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk
+overdreven voorstellingen omtrent dierenleed gekomen.
+
+</p>
+<p>Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het naar beneden, of de zwarte slang<a id="d0e919src" href="#d0e919" class="noteref">2</a> kronkelt er zich om heen, of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de beroeps-eierverzamelaar&#8212;verwenscht
+zij zijn naam en bezigheid!&#8212;bergt het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan een paar uur op de plek
+rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en heeft ze de
+eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven.
+Gelukkig maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud
+steeds vervuld zijn van klaagliederen.
+
+</p>
+<p>Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de
+moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het
+&#8217;s zomers zoo&#8217;n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts <a id="d0e924"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e924">104</a>]</span>een voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen,
+en de moeder laat ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in het vleesch kan zetten tegen den kouden
+winter.
+
+</p>
+<p>Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar
+uur met nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol, brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek
+ter wereld en vergeet haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer
+in zijn werk en er wordt minder zorg aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in &#8217;t oog loopend, hoeveel minder goed
+er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor de vorige;&#8212;elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het wijfje
+moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich
+om te bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood en schaarschte zijn het nu voornamelijk die
+tweede soort van jongen, waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo in de puntjes geweest, zoodat
+ze gemakkelijker gesnapt worden; en weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p104.jpg" alt="Twee vogeltjes op een tak."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft voor het hert en den patrijs te zorgen, <a id="d0e935"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e935">105</a>]</span>maar moet ook aan den panter en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid
+doen geschieden zonder onzen haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere kinderen ook het menschelijk
+leed en de menschelijke smart toekende, waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.
+
+</p>
+<p>Hoe &#8217;t ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering
+bij de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig
+te vinden. Ten deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken&#8212;want het mannetje is uit den aard der zaak
+een zelfzuchtig zieltje zonder zorg&#8212;maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens voor zich te winnen daardoor
+opnieuw voor hen opengaat.
+
+</p>
+<p>De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde
+en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo
+volkomen van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten
+spreken om strikt waar te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke angst niet instinctmatig is,
+maar eenvoudig <a id="d0e941"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e941">106</a>]</span>een zaak van al of niet goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren is dan vrees. De wereld is zoo
+vol dingen die zij niet begrijpen, dat ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.
+
+</p>
+<p>Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in
+verdiept was, toen een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me een groote mannetjeseland, half
+tusschen de dwergsparretjes verscholen, naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van gespannen nieuwsgierigheid
+en verbazing op zijn leelijke zwarte tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns en kleine zangvogeltjes
+uit het bosch op datzelfde spelletje: &#8220;eens kijken wat hij daar uitvoert&#8221;, betrapt. Ga eens ergens in het bosch zitten, en
+ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid; dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond
+schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet te houden en uw belangstelling te verbergen, is het
+een genot te zien hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt, en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds
+weer terugdrijft.
+
+</p>
+<p>Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft, zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft
+gehad, zal waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste, <a id="d0e947"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e947">107</a>]</span>het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader
+te sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig
+zult ontdekken zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen, waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede
+dekking zorgt. (Er bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden: wanneer hij zich namelijk niet beweegt en
+zijn pori&euml;n gesloten zijn, geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij deze niet zoo sterk. Hij ligt
+stil, niet alleen om aan den <i>blik</i> van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want
+wanneer het jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen.
+Later komt het onderricht in waakzaamheid en schuwheid&#8212;die wij angst noemen&#8212;,in het onderscheiden der geluiden van al wat
+er in de bosschen te zien en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet: nu eens stilliggen, dan al zijn
+stoppelige veeren overeind zetten om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens sissen of grommen of krabben
+of hard moeder roepen; ten slotte weer wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht nemen. Zij kennen
+het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld, en niet door hun aanleg.
+<a id="d0e952"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e952">108</a>]</span></p>
+<p>En het zijn geen blijken van angst&#8212;in de beteekenis die wij aan dat woord hechten&#8212;maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven
+is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt
+hij zich onder het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich een onbekend geluid hoort.
+
+</p>
+<p>Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte
+aan pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar
+barmhartigheid dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen wapenen, en zij zijn evenmin in staat
+tot een geloof, het eenige waardoor die angst overwonnen kan worden.
+
+</p>
+<p>Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen
+pijn, in welken vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan&#8212;behalve dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw
+gaf om hem te leeren gehoorzamen&#8212;; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte bosschen zonder dat de gedachte aan
+pijn bij hem opkomt; die heeft hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet.
+
+</p>
+<p>En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje, want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn.
+Ik spreek nu niet over wat wij <a id="d0e961"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e961">109</a>]</span>van de toekomst die het dier wacht afweten of meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft te weten.
+Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig, zijn
+oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste
+kromming van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit zijn ervaring put. Wat den dood betreft&#8212;die valt
+geheel buiten het gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet &eacute;en op de duizend dat ooit den dood ziet&#8212;behalve insecten
+of andere dieren die ze eten, natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker hapje, zooals een biefstuk
+voor ons is. Wanneer ze iets doods zien, gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets anders dat
+ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls
+vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te
+worden, behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan, kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen
+het op een afstand zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich verbaasd afvragend waarom het zoo koud
+is, waarom het niet beweegt, of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle kanten in <a id="d0e963"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e963">110</a>]</span>het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten hebben elders zoeken.
+
+</p>
+<p>Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen geldenden regel maar &eacute;&eacute;n uitzondering mogelijk zijn,
+en wel bij de mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de bijen, die de darren als hun tijd gekomen
+is om het leven brengen. Die wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig, er is zoo&#8217;n tegenstrijdigheid
+in de mengeling van oliedomheid en verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen nahouden, in hoeverre
+zij helder denken of blindelings hun instinct volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun geheele leven
+door elken dag doen.
+
+</p>
+<p>Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood&#8212;ziedaar de drie dingen die een dier zich nooit bewust in &#8217;t hoofd haalt; en zijn
+ondervinding geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend, eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn
+dus gelukkig, doordat hun barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met
+de witte schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn wipplank heeft gezelschap van een tweede
+gekregen; ze zwiepen samen op en neer, in den stroom, die alles <a id="d0e973"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e973">111</a>]</span>maar goedmoedig toelaat. Beneden hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar zijn&#8212;en ondertusschen
+wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde omlaag
+heeft eten en drinken&#8212;hij zal wel komen, als hij hongerig is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is
+voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten
+en moeten nog wat doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen de zalmen op, krachtig als ze zijn;
+kikvorschen zitten glimmend op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen, in den stroomenden zonneschijn,
+zoemen de myriaden insecten, die van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van echte levensblijheid.
+Als een bron welt die vreugde over den rand, zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht, dat zijn
+geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden.
+
+
+<a id="d0e975"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e975">112</a>]</span></p>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e891" href="#d0e891src" class="noteref">1</a></span> Dirca palustris.
+</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a id="d0e919" href="#d0e919src" class="noteref">2</a></span> Een Amerikaansche benaming voor allerlei ongevaarlijke slangen.
+</p>
+</div>
+<p class="div1"><a id="d0e976"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>Hoe de Dieren sterven.</h2>
+<p>De kreet van een adelaar&#8212;een zeldzaam geluid, &#8217;s zomers in de wildernis&#8212;maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens
+te zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn
+bergtop en wiekte in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is te leeren hoe hij den wind moet gebruiken
+onder zijn breede vlerken, en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden.
+
+</p>
+<p>Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje
+riep of voor het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. &#8217;t Was evenmin een der twee koninklijke vogels
+die ik al weken lang had gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste ver weg op een rotsklip had
+ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen, ouden baas, zonder
+wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. <i>Hij</i> galmde daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien,
+over het heerlijke, wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de jongere adelaars had overgegeven&#8212;zijn
+eigen broed wellicht.
+<a id="d0e986"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e986">113</a>]</span></p>
+<p>Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den
+schepter gezwaaid hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen jachtgebied op na, waar geen ander komt
+stroopen, of <i>zij</i> moeten het hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong,
+ging stilletjes tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn grijze jas had, en richtte mijn kijker op
+Cheplahgan, om hem goed in &#8217;t oog te houden en te zien wat hij zou doen.
+
+</p>
+<p>Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt, waar de groote adelaar omheen vloog alsof &#8217;t een spil
+was. De wilde kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen, zooals een adelaar dat doet die op de lucht
+drijft. Minuten lang kon ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien oneindigen blauwen achtergrond
+getrokken. Het begon langer te worden, langer; verbreedde zich&#8212;en toen wist ik dat het recht op mij af naar beneden kwam.
+
+</p>
+<p>Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen
+wieken. Nog lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op
+adelaarsmanier een zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de landtong, zoo vlak bij, dat ik als
+ruischen <a id="d0e996"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e996">114</a>]</span>van zware zij het flauwe geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar beneden en zijn vurige, wilde
+oogen hield hij half gesloten in het voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te ontgaan die naakt
+en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de landtong,
+nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat
+zich boven hem sloot.
+
+</p>
+<p>Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de
+plaats waar hij tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen en ging er gauw in mijn kano naar toe.
+Daar vond ik hem vlak bij den boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van een ouden ceder, zijn wieken
+uitgebreid tusschen de koele, groene varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij moeder aarde,&#8212;dood.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om
+te drinken, maar om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar het koele water dat uit de donkere
+aarde tusschen de dansende keitjes opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak te vervullen <a id="d0e1004"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1004">115</a>]</span>en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het zachte
+geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te
+gluren en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder, en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor
+den dag kwamen en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p115.jpg" alt="...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing..."></p>
+<p class="figureHead">...zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing...</p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak, die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden
+dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals
+ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde
+grijs en de geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze oud worden. Het scheen niet bang voor
+mij te zijn, alsof het de kalme berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks op zij als ik naderde,
+kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik mijn
+hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes
+dicht. Wel een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig met de oogen, maar als ik <a id="d0e1013"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1013">116</a>]</span>het aan mijn vingertop een droppel water reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het bosch met al
+zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak, waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure floatLeft">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p116.jpg" alt="Gevallen bladeren."></p>
+</div><p>
+
+
+</p>
+<p>Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het
+zich in mijn hand en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering vond ik het met zijn kopje naar beneden
+aan een sparrewortel hangen; zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd&#8212;nooit meer zouden ze loslaten&#8212;en even raakte zijn
+snaveltje het leven-wekkende water. Aan de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het rustig ingeslapen;
+haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn beeld in het hart tot het laatste oogenblik.
+</p>
+<hr><p>
+
+</p>
+<p>Hoe sterven de dieren?&#8212;Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje
+aan de bron die het liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder de dood in de bosschen optreedt;&#8212;onafgebroken
+gaat hij zijn gang.&#8212;Het eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken, want verreweg de meeste dieren
+sluipen naar de eenzame plekjes toe die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra zullen de bladeren hen
+voor het oog van vriend en vijand bedekken.
+<a id="d0e1026"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1026">117</a>]</span></p>
+<p>&#8217;t Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver
+mogelijk weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk
+in den greep van kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats uitzoeken en voor het laatst hun oogen
+sluiten even kalm als altijd, wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen.
+
+</p>
+<p>Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch
+zoo&#8217;n dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder
+uitzondering, vogels ook, koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins vreemd of ongewoon is onder hun
+soortgenooten. Nooit zullen zij een kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden, enkele bijzondere gevallen
+uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden, de zonderlinge
+gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct waar
+hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat &#8220;dood&#8221; is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden
+ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en&#8212;het is voor den laatsten keer. <a id="d0e1031"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1031">118</a>]</span>Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het toch zou kunnen
+wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij een ouden beer dien ik &#8217;s zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk onder
+een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden, maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem
+vroolijk wakker riep. &#8217;t Gebeurt ook wel eens met het zegevierende bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden,
+die wanneer ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met de gedachte dat ze daar prachtig aan hun
+vijanden ontkomen zijn. Dan weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen, vaag en onbeschrijfelijk.
+Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere geslachten
+hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater
+hun zoo niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook
+een blinde aandrift om maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de zee in, totdat ze niet meer
+kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt.
+
+</p>
+<p>Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn ongeoefende wiekjes onophoudelijk <a id="d0e1035"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1035">119</a>]</span>tegen de tralies van zijn kooi opfladderde&#8212;zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge verstandig waart zoudt ge het
+deurtje openzetten, want een stem, veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen dat <i>gij</i> u geschapen hebt, roept hem tot zich&#8212;de stem van de vergeten geslachten v&oacute;&oacute;r hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den
+bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog onnatuurlijker dan zijn arme leventje.
+
+</p>
+<p>&#8220;Maar,&#8221; brengt een lezer hiertegen in, &#8220;die vreeselijke dingen, die treurtooneelen dan?&#8221; Misschien komen ze wel eens voor,
+als we meer door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen
+onder de menschen. En zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed sterft en niet met een aardbeving
+of hongersnood omkomt, zoo eindigen verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij zichzelf kiezen. De
+natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van zaken,
+wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.&#8212;Een patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding
+voor den patrijs,&#8212;maar het is bijna altijd een van de zwakkere of domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals
+hun broertje,&#8212;en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen, <a id="d0e1042"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1042">120</a>]</span>die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje, dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt.
+
+</p>
+<p>Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze
+zorg, evenals wij menschen in zoo&#8217;n geval doen. Zelfs de vos kan ze in zoo&#8217;n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs.
+Maar mocht de moeder er het leven bij inschieten&#8212;en bij die veronderstelling is zooeven onze verbeelding al met ons op hol
+gegaan&#8212;dan verhongerden de jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen hard om eten; de moeder
+is niet in de buurt om ze tot stilte te manen, om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen in het bosch.
+Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze, en&#8212;in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit gezin.
+Zoo gaat het in het woud.
+
+</p>
+<p>Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk
+af. Een hert valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op de loer lag. Wij verbeelden ons dat het z&oacute;o
+een vreeselijke dood is, en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in werkelijkheid wordt er waarschijnlijk
+zoo goed als niet geleden. Toen Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag, zijn arm overdekt met
+gapende wonden, <a id="d0e1048"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1048">121</a>]</span>waarvan hij de litteekens tot aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs niet dat hij gewond was.
+Hij was de eerste om de aandacht te vestigen op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een soort weldadige
+verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand maar
+blij is stil te kunnen blijven liggen&#8212;het eenige, tusschen twee haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit
+van den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren, die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten.
+
+</p>
+<p>Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van
+een vliegende charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten er niets van, totdat zij een uur later
+in zwijm vallen. Iedereen heeft wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van een slang gezien, en
+weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten&#8212;konijnen, hazelhoenders,
+herten&#8212;, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid
+der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat
+de beteekenis er van geheel voor het dier verborgen bleef en <a id="d0e1052"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1052">122</a>]</span>het er zich over verbaasde wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak uilen, kraaien, kleine vogeltjes,
+op zoo&#8217;n bitter kouden morgen dood en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje er omheen geklemd.
+Zoo&#8217;n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik ben zelf wel &#8217;s winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die heerlijke
+matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging
+schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar
+is.
+
+</p>
+<p>Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle voerplaatsen bevroren houdt,&#8212;en dit is ook nog veel minder
+erg dan ziekte, onder welken vorm dan ook&#8212;; dat weet iedereen die wel eens dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat
+de pijn begint, wordt elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.&#8212;Soms zijn brand of overstrooming de
+oorzaak, maar dan vertrouwt het dier vast en zeker op zijn pooten of wieken&#8212;dat doet hij immers altijd&#8212;en gaat op de vlucht,
+totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan &#8217;t gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen
+en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd
+is. In &eacute;&eacute;n woord, zoolang de dieren het eeuwige leven <a id="d0e1056"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1056">123</a>]</span>nog niet bezitten en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is de natuur barmhartig; ook dan wanneer
+zij onverbiddelijk optreedt, want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of verschrikkelijk is. En wat van
+de dieren geldt gold ook eenmaal van den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte iets ondraaglijks te
+maken en een vijand van den dood.
+
+</p>
+<p>Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste, hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen
+regel in het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over
+hun dood&#8212;omdat een mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder, maar ziet de zonsondergangen niet.
+Er komt iets dat het dier uit zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte raakt hem zachtjes aan,
+op een wijze zooals hij &#8217;t nog nooit eerder gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct van zijn
+geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar
+de zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen&#8212;het
+oude, lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen,
+de schemering wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij <a id="d0e1060"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1060">124</a>]</span>sluimert in. En zijn laatste bewuste gedachte&#8212;van den dood weet hij immers niets af&#8212;is dat hij &#8217;s morgens weer zal ontwaken,
+als het licht hem roept.
+
+
+</p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/p124.jpg" alt="Hert, van achteren gezien, in het bos."></p>
+</div><p>
+
+
+
+</p>
+</div>
+<div class="backmatter"><a id="d0e1068"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1068">125</a>]</span><p class="div1"><a id="d0e1069"></a><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<h2>De Indiaansche namen.</h2>
+<p><i>Cheokhes</i>, kie-ok-ez&#8217;, de Amerikaansche &#8220;mink&#8221;, een ottersoort.
+
+</p>
+<p><i>Cheplahgan</i>, tsjep-la&#8217;-guan, de Canadeesche arend.
+
+</p>
+<p><i>Ch&#8217;geegeelokh-sis</i>, tsj-dsjie-dsjie&#8217;-lok-siz, de zwartkopmees: parus atricapillus.
+
+</p>
+<p><i>Chigwooltz</i>, tsjigg-woelts&#8217;, de stierkikvorsch.
+
+</p>
+<p><i>Clote Scarpe</i>, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de noordelijke Indianen, zooals Hiawatha.
+
+</p>
+<p><i>Commoossie</i>, kom-moe-sie&#8217;, een kleine schuilplaats of hut, van bast en takken gemaakt.
+
+</p>
+<p><i>Deedeeaskh</i>, die-die&#8217;-ask, de blauwe gaai.
+
+</p>
+<p><i>Eleemos</i>, el-ie&#8217;mos, de vos.
+
+</p>
+<p><i>Hawahak</i>, ha-wa-hek&#8217;, de havik.
+
+</p>
+<p><i>Hukweem</i>, huk-wiem&#8217;, de groote noordelijke duiker of ijsduiker.
+
+</p>
+<p><i>Ismaques</i>, is-ma-kwez&#8217;, de vischarend.
+
+</p>
+<p><i>Kagax</i>, ke&#8217;-guaks, de wezel.
+
+</p>
+<p><i>Kakagos</i>, ka-ka-guoz, de raaf.
+
+</p>
+<p><i>K&#8217;dunk</i>, k&#8217;dunk&#8217;, de pad.
+
+</p>
+<p><i>Keeokuskh</i>, kie-o-kusk&#8217;, de muskusrat.
+
+</p>
+<p><i>Keeonekh</i>, kie&#8217;-o-nek, de otter.
+
+</p>
+<p><i>Killoleet</i>, kil&#8217;-loe-liet, de witkeel-musch.
+
+</p>
+<p><i>Kookooskoos</i>, koe-koes-koes&#8217;, de groote oehoe.
+
+</p>
+<p><i>Koskomenos</i>, kos&#8217;-kom-ie-nos&#8217;, de ijsvogel.
+
+</p>
+<p><i>Kupkawis</i>, kup-kee&#8217;-wiz: syrnium nebulosum, een gestreepte uil.
+<a id="d0e1152"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1152">126</a>]</span></p>
+<p><i>Kwaseekho</i>, kwa-ziek&#8217;o, de zaagbek.
+
+</p>
+<p><i>Lhoks</i>, loks, de panter.
+
+</p>
+<p><i>Malsun</i>, mel&#8217;-sun, de wolf.
+
+</p>
+<p><i>Meeko</i>, mie&#8217;-ko, de roode eekhoorn.
+
+</p>
+<p><i>Megaleep</i>, meg&#8217;-a-liep, de caribou of &#8217;t N.-Amerikaansche rendier.
+
+</p>
+<p><i>Milicete</i>, mil&#8217;-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook Malicete geschreven.
+
+</p>
+<p><i>Mitches</i>, mit&#8217;-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort &#8220;grouse&#8221;: bonasia umbellis of Amerikaansche &#8220;patrijs&#8221;.
+
+</p>
+<p><i>Moktaques</i>, mok-ta&#8217;-kwes, de haas.
+
+</p>
+<p><i>Mooween</i>, moe-wien&#8217;, de zwarte beer.
+
+</p>
+<p><i>Musquash</i>, mus&#8217;kwosj, de muskusrat.
+
+</p>
+<p><i>Nemox</i>, nem&#8217;-moks, <i>Pekquam</i>, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer.
+
+</p>
+<p><i>Quoskh</i>, kwosk, de blauwe reiger.
+
+</p>
+<p><i>Seksagadagee</i>, sek&#8217;-sa-guee-da&#8217;-guie, het Canadeesche hazelhoen, ook een soort &#8220;grouse&#8221;.
+
+</p>
+<p><i>Skooktum</i>, skoek&#8217;-tum, de forel.
+
+</p>
+<p><i>Tookhees</i>, tok&#8217;-ies, de boschmuis.
+
+</p>
+<p><i>Umquenawis</i>, um-kwie-na&#8217;-wiz, de eland.
+
+</p>
+<p><i>Unk-Wunk</i>, unk&#8217;-wunk, het stekelvarken.
+
+</p>
+<p><i>Upweekis</i>, up-wiek&#8217;-is, de Canadeesche lynx.
+
+</p>
+<p><i>Whitooweek</i>, wit&#8217;-oe-wiek, de houtsnip.
+
+<a id="d0e1232"></a><span class="pagenum">[<a href="#d0e1232">4</a>]</span></p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p>Van William J. Long verschijnen in de vertaling van Cilia Stoffel met teekeningen van Charles Copeland:
+
+
+</p>
+<ul>
+<li>1 Dierenleven in de Wildernis (3<sup>de</sup> druk)
+
+</li>
+<li>2 Kijkjes in het Dierenleven (2<sup>de</sup> druk)
+
+</li>
+<li>3 Het Boschvolkje
+
+</li>
+<li>4 Op Eenzame Zwerftochten
+
+</li>
+<li>5 Boschgeheimen
+
+</li>
+<li>6 Een Broertje van den Beer
+
+</li>
+<li>7 Op Herten Uit
+
+</li>
+<li>8 Zonder Geweer op Jacht
+
+</li>
+<li>9 De Witte Wolf
+
+</li>
+<li>10 Langs Dierenpaden in het Hooge Noorden</li>
+</ul><p>
+
+
+</p>
+<p class="div1"><span class="pagenum">
+[<a href="#d0e111">Inhoud</a>]
+</span></p>
+<p></p>
+<div class="divFigure">
+<p class="legend"><img border="0" src="images/back.jpg" alt="Achterkant oorspronkelijke uitgave."></p>
+</div><p>
+
+</p>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Dierenleven in de wildernis, by William J. Long
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DIERENLEVEN IN DE WILDERNIS ***
+
+***** This file should be named 18072-h.htm or 18072-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/0/7/18072/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
diff --git a/18072-h/images/back.jpg b/18072-h/images/back.jpg
new file mode 100644
index 0000000..53ec4e4
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/back.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/front.jpg b/18072-h/images/front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..930dd48
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/front.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p000.jpg b/18072-h/images/p000.jpg
new file mode 100644
index 0000000..065971f
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p000.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p009.jpg b/18072-h/images/p009.jpg
new file mode 100644
index 0000000..f947535
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p009.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p025.jpg b/18072-h/images/p025.jpg
new file mode 100644
index 0000000..09fdcc3
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p025.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p026.jpg b/18072-h/images/p026.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c7dd101
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p026.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p038.jpg b/18072-h/images/p038.jpg
new file mode 100644
index 0000000..859f441
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p038.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p040.jpg b/18072-h/images/p040.jpg
new file mode 100644
index 0000000..2a444df
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p040.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p042.jpg b/18072-h/images/p042.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bfc4c29
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p042.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p044.jpg b/18072-h/images/p044.jpg
new file mode 100644
index 0000000..350bff2
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p044.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p050.jpg b/18072-h/images/p050.jpg
new file mode 100644
index 0000000..c78874d
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p050.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p062.jpg b/18072-h/images/p062.jpg
new file mode 100644
index 0000000..b583c2c
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p062.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p068.jpg b/18072-h/images/p068.jpg
new file mode 100644
index 0000000..1bd7448
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p068.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p069.jpg b/18072-h/images/p069.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e38777c
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p069.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p074.jpg b/18072-h/images/p074.jpg
new file mode 100644
index 0000000..3d384cc
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p074.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p081.jpg b/18072-h/images/p081.jpg
new file mode 100644
index 0000000..262d7a7
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p081.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p084.jpg b/18072-h/images/p084.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7839d04
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p084.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p086.jpg b/18072-h/images/p086.jpg
new file mode 100644
index 0000000..7a3328a
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p086.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p090.jpg b/18072-h/images/p090.jpg
new file mode 100644
index 0000000..bfae81c
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p090.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p104.jpg b/18072-h/images/p104.jpg
new file mode 100644
index 0000000..e7a80c2
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p104.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p115.jpg b/18072-h/images/p115.jpg
new file mode 100644
index 0000000..55b9497
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p115.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p116.jpg b/18072-h/images/p116.jpg
new file mode 100644
index 0000000..356500f
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p116.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/p124.jpg b/18072-h/images/p124.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0d15ab6
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/p124.jpg
Binary files differ
diff --git a/18072-h/images/spine.jpg b/18072-h/images/spine.jpg
new file mode 100644
index 0000000..8919f0c
--- /dev/null
+++ b/18072-h/images/spine.jpg
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..95b919b
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #18072 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18072)