summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--18069-8.txt5402
-rw-r--r--18069-8.zipbin0 -> 101548 bytes
-rw-r--r--18069-h.zipbin0 -> 104696 bytes
-rw-r--r--18069-h/18069-h.htm5548
-rw-r--r--18069.txt5402
-rw-r--r--18069.zipbin0 -> 101055 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 16368 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/18069-8.txt b/18069-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..67cb9e5
--- /dev/null
+++ b/18069-8.txt
@@ -0,0 +1,5402 @@
+The Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Lente
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: March 29, 2006 [EBook #18069]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE ***
+
+
+
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+
+
+
+LENTE
+
+Cyriel Buysse
+
+1907
+
+
+
+INHOUD.
+
+LENTE.
+
+OBSESSIES.
+I. Het bezoek van engel Gabriel op aarde.
+II. Het hondje.
+III. Het slecht vijffrankstuk.
+IV. "Den Binder".
+V. Restitutie.
+VI. De Stier.
+VII. Berouw.
+VIII. Peetje Pruis.
+IX. Van toekomst en verleden.
+
+
+
+LENTE
+
+Tante Zeunia lag op sterven...
+
+Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken
+en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar
+beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef
+tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand.
+
+--'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog
+eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in
+zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder
+haar nog eens te zien.
+
+--Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien
+voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al
+haar grillen te voldoen.
+
+--Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht.
+
+En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog
+dienzelfden avond zouden schrijven.
+
+Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te
+Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was
+Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds
+lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen
+tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had
+gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder
+gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer
+verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden.
+
+Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging,
+Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en
+verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld,
+het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij
+haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven
+suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer
+toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts.
+
+--Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje.
+
+--Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien.
+
+--Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje.
+
+--Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille
+wij moete schrijven, e-woar?"
+
+Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder
+verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken
+bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar
+steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat
+achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had
+gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen!
+Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte
+vraag van zijn jongeren broeder:
+
+--Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te
+doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien
+keunen ontirven."
+
+--Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerdúle over spreken,"
+raadde Standje.
+
+Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden
+den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder
+omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint,
+achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden
+neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden
+glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging,
+en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de
+illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet.
+
+Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij
+was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat
+gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst.
+Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur
+was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een
+vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een
+seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen
+stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn
+dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo
+keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel
+vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der
+vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen
+boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der
+hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem
+daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen
+verwerven.
+
+Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar
+zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en
+beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge
+schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte
+en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe
+oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een
+glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij
+hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens
+uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren.
+Belzemien, en ook zijn zuster Cordúla, die het huishouden deed en
+nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke
+zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij
+zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst
+op 't boerderijtje niet gehuurd.
+
+De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg
+gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte
+geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht
+der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder
+beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als
+het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van
+boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar
+nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke
+sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht
+als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder
+zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig,
+schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes,
+volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag,
+grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden
+boomgaard van hun boerderijtje.
+
+Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend
+goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en
+glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even
+verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide
+stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun
+wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche
+lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde
+broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog
+van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen
+Cordúla, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws.
+
+Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels
+van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur
+geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin
+Cordúla reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje
+gevolgd.
+
+--Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid,
+de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd.
+
+--Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met
+een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in
+den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en
+ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante.
+
+Coben en Cordúla luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard,
+met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn
+langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen
+broer opvangend. Cordúla, vier jaar jonger dan Belzemien, had een
+beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond,
+groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar,
+dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte
+kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders
+droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een
+zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin
+verkleurd was. Cordúla, mager en gebogen, met smalle, ingevallen
+borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit.
+Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met
+haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar
+van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in
+dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn
+steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus
+scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het
+stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en
+stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid
+verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of
+meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van
+laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en
+een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op
+den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van
+Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde
+knechts der hoeve waren.
+
+--Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep
+wenkbrauw-fronsend Cordúla, toen Belzemien ten slotte het nogmaals
+herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt.
+
+--Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje.
+
+Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof
+hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep.
+
+--Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna
+agressieven toon.
+
+Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?--Alles zou er van
+afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van
+den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou
+ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk
+niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval
+mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst
+niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot
+gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden,
+haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar
+deel,--dat van haar overleden moeder--mocht en zou ze hebben, maar
+ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen!
+
+--Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n
+dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte
+mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op
+Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong
+nichtje nu volstrekt te willen zien.
+
+Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren
+zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest
+ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar
+de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag,
+en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cordúla's groengeverfd
+werktafeltje.
+
+--Hoe lank es da nou geleên dat Leontine hier mee heur ieste
+communie geweest hêt?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e
+gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch
+schrijve?"
+
+Hoe lang...? Cordúla telde even op haar vingers na en wist het
+dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd
+sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was
+toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met
+Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal
+nog zou kennen.
+
+Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar
+toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een
+groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens
+Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en
+aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief
+in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, hè?... hoe
+dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven?
+
+Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes
+aan; en zonder notitie te nemen van Cordúla's nurksch gebrom en
+Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje,
+die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon:
+
+"Ma chère nièce Léontine.
+"J'ai l'honeur de vous informé que...
+
+Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest
+vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij
+zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had,
+hakte hij maar terstond de moeilijkheid door:
+
+"... que tante Zeunia est trè malade en danger
+"de mort et quel ma charger de vous écrire
+"quel désir de vous voir avant de mourir.
+"Venez donc directement comme possible
+"et écriver par quel train. Onkel..."
+
+
+Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen:
+
+--As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen.
+Wie dan van ulder hêt er...?"
+
+--Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei
+Standje met een soort van haast.
+
+En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door
+'t venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde
+verder.
+
+"... Onkel Constant seront avec le tilbury et
+"cheval a la station pour vous atandre."
+
+--Mee den tieprie, nog al! Woarveuren dà, verdeeke! Hè ze zij gien
+bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den
+tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cordúla
+nijdig in.
+
+Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook
+iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig
+sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend
+gezagvoerend:
+
+--'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn.
+En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?"
+
+Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong
+koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie
+broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje
+op hun boerderij wel zouden doen. Cordúla's meening klonk kortaf en
+categorisch:
+
+--Niets bezonders. Ze zal 't hier hén lijk of we 't zelf hén; en es
+ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!"
+
+Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander
+aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor
+Cordúla en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren.
+
+--Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij
+veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering
+zijner kleine oogjes.
+
+--Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk
+'t kort-afdoende antwoord.
+
+Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje
+keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch
+leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de
+gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou
+nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen?
+
+--Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cordúla uitdagend.
+"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie
+mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot
+zijn!"
+
+De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht.
+Cordúla was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje
+nog even de vraag:
+
+--En woar moe ze sloapen?"
+
+--Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde."
+
+--O! niet in de beste koamer!"
+
+Cordúla keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde
+oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En
+plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie:
+
+--Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe
+komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in
+moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?"
+
+De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cordúla in haar kwade
+buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet
+tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog
+wel.
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de
+boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's
+antwoord.
+
+Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het
+velletje papier er uit, ontvouwde dit en las:
+
+"Beminde nonkels en tante,
+"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord
+"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de
+"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat
+"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij
+"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei
+"met de train die om zes uur in de station van
+"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog
+"wel heel goed en hoop u te vind in goed
+"gezonteit.
+"UW bemint nichtje
+LEONTINE."
+
+--Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog
+'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het
+eigenaardig briefje. Maar Cordúla spotlachte smalend om dat
+onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend,
+het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende
+oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit,
+terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog:
+
+--O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van
+die goeje ziepe!"
+
+Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus.
+
+--'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne,
+goeriekende ziepe."
+
+Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling
+zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze
+'t insgelijks Cordúla trachtten te doen ruiken, trok deze zich met
+een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend:
+
+--O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd?
+Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die
+P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen.
+'K zal 't in de beke smijten!"
+
+De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken
+oogslag met elkander wisselen. Cordúla kon nog eens gevaarlijk
+worden in haar onweersbuien.
+
+Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen
+en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich:
+
+--Hè, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze"
+trekken."
+
+Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde
+Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder
+een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury.
+
+--Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje.
+
+Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een
+zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond,
+die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen.
+
+--Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje.
+
+De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn
+hok terug.
+
+--En nou de kerre," zei Standje.
+
+Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af
+en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere
+vensterramen van het woonhuis toe.
+
+De kar werd stil op zij geduwd.
+
+Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de
+verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend,
+kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het
+erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas
+geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd.
+
+--Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte
+hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend.
+
+--Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of
+'t harnas van den tieprie in order es."
+
+--Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij
+goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van
+ulder peuten scheiren, zegt hij."
+
+--Ah, c'est ça, c'est ça," glimlachte Standje tevreden.
+
+Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een
+nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis,
+zei, bijna fluisterend, tot Pierken:
+
+--Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen
+achter de muur van de loeze."
+
+Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de
+achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!...
+juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op
+'t zelfde oogenblik Cordúla op den drempel van het woonhuis staan.
+
+--Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij
+desnoods tot scherpen tegenstand bereid.
+
+Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte
+Cordúla geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het
+rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet
+zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde
+zij naar de stallen toe:
+
+--Hé! Leenie! Leenie!"
+
+Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de
+haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met
+opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder
+opgestropte mouwen.
+
+--Wa es er, bezinne?" riep zij.
+
+--Hé-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cordúla.
+
+--Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid.
+
+--Hawel, as ge gedoan hêt komt in huis om mij 't helpen schuren!"
+
+Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat?
+schuren op een woensdag! Hè... zou zelfs Cordúla, ter eere van de
+komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide
+met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van
+onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen.
+
+
+ * * * * *
+
+Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het
+kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor
+gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was
+schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend
+gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar
+wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het
+wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende
+klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!"
+suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige
+opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te
+spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen,
+grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden
+geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje
+wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje.
+
+Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten
+van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne,
+strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch
+belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij
+van het wachthuisje staan.
+
+--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie
+bij den breidel vasthoudend.
+
+Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een
+enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht
+voor 't kleine station gereden.
+
+--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds
+dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende
+manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd
+omwendde.
+
+De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen
+uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar.
+
+--Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij
+haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar
+plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier,
+een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een
+grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig
+frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende
+oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend
+schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje
+van verre riep:
+
+--Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!"
+
+--Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand
+tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde,
+een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging,
+en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd
+onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn
+harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde:
+
+--Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee
+ou?"
+
+--Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje,
+geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat
+begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan
+met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo
+mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en
+ontroerd door haar gansche verschijning.
+
+--Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es
+'t thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.--En dan weer
+angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou
+hou, Bello, hou hou...!"--Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn
+peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar
+hier, 'k zal 't onder de bank steken."
+
+Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte
+zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de
+stille straten van het kleine plaatsje.
+
+--En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag.
+
+--O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie
+niet meer wetend wat hij zei.
+
+--Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje
+hem diep verbaasd aan.
+
+--Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde
+Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur
+es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?"
+
+--Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur
+vandoag nog keune zien, nonkel?"
+
+--Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r
+mee ou noartoe goan."
+
+Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordúla ging, en
+met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar
+aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en
+verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den
+indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de
+handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo
+fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming,
+dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit
+haar briefje opgesnoven had.
+
+Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de
+houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve,
+stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom
+strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar
+voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen
+donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en
+hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken,
+frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne,
+tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als
+eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote
+boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en
+in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden
+eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken.
+
+--O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't
+jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal
+rondkijkend.
+
+--E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen.
+"'n Greut verschil mee P'rijs, he?"
+
+--O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde
+zij glimlachend.
+
+De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en
+lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het
+zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde,
+slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke
+eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij
+vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels,
+zingend zaten neergestreken.
+
+--O, qu'est-ce que c'est que ça, mon oncle?" riep zij met een zoo
+opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde
+en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou,
+Bello! moest laten hooren.
+
+--Ça, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord
+niet dadelijk vindend.
+
+--Oh! Et que font-elles?
+
+--Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer,
+opnieuw om zijn raar taaltje lachend.
+
+--Comme ça, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd.
+
+--Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje.
+
+--Et ça ne leur fait pas mal? Ça ne pique pas?"
+
+--Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hên, e-woar? Ze
+zijngen..."
+
+De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig
+kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat
+deze maar half begreep.
+
+--Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig.
+
+--Que vous êtes une zolie fille!" schertste hij, haar met
+glinsterende oogen aankijkend.
+
+--Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend.
+
+Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en
+breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen
+juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in
+een wagenspoor bijna omkantelde:
+
+--O mon oncle! mon oncle! Wat es dàt toch!"
+
+'t Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den
+blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde
+onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van
+duizend-en-duizenden zoemende bijen.
+
+--Dàtte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend
+keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend.
+
+--O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij
+nen bouquet van mee nemen!"
+
+--Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen
+seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien
+nie geirn hen, as 't hij moest zien..."
+
+--Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij.
+
+'t Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte
+uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor
+den boer, naar de groote hoeve omkeek.
+
+--Hmm! Hmm! comme ça sent bon!" juichte zij, met volle armen
+plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan
+'t schermen, met haar beide handen.
+
+--Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke
+worden!"
+
+Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij,
+overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch
+gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden
+schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar
+de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen
+de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds
+zichtbaar werden.
+
+--Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje.
+
+--'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps
+jubelde ze 't uit:
+
+--O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen!
+La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas?
+Oh! comme elle est gentille!"
+
+--Owie--owie... çé ça!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig
+dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond.
+
+--En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?"
+
+--Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je
+wel, dat toreken."
+
+--Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A
+présent je me rappelle tout à fait et je reconnais encore le petit
+clocher. C'est là que j'ai fait ma première communion!"
+
+--Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje.
+
+Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over
+'t steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over
+den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van
+'t woonhuis stil.
+
+--Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En
+zij viel in de armen der verbouwereerde Cordúla, die op den drempel
+was verschenen.--Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen
+ook van den verbluften Belzemien.--Bonjour, mon oncle Coben!"...
+En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben.
+
+Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en
+blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van
+gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te
+zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast
+door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet
+minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan
+'t wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank
+overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en
+zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook
+Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard
+naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand,
+keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordúla, als om
+haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven
+moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige
+voute-kamer naast haar te doen slapen.
+
+--O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig
+het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met
+gouden letters uit en bood dien Cordúla aan.
+
+--As 't ou blieft, tante, 'k hê da uit Parijs veur ou mee gebrocht."
+
+--Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een
+plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak
+openend.--Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar,
+kijkt toch ne kier hoe veele."
+
+--Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend,
+Leontientje.
+
+Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordúla; gulzig proevend.
+
+Het was een voile zak pralines, en Cordúla presenteerde er nu ook
+van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met
+aarzelende vingers zich bedienden.
+
+Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordúla vermurwd, en, het
+valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag:
+
+--W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster!
+Alhier zeker, e-woar?"
+
+En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe.
+
+Cordúla scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar
+groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al
+vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil:
+'t hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg,
+haastig in haar verbluftheid stotterend:
+
+--Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier
+moete zien of er niets 'n mankeert."
+
+Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het
+valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel
+neer, kwam er weer uit terwijl Cordúla met 't nichtje binnentrad,
+en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de
+keuken op, stil juichend:
+
+--Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of
+'t zijn moet!"
+
+Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben
+en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt,
+zenuwachtig opgewonden:
+
+--Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie
+meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de
+koeier te doen eten."
+
+--Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdúle
+gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da
+niet meugelijk 'n es."
+
+--Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan
+zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang
+was den knecht en de meid te beleedigen.
+
+--Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel
+miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig.
+
+--Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm
+mee de zuster over klappen."
+
+Cordúla en Leontientje kwamen terug in de keuken.
+
+--Wa goa-je gij eten, Leontine? G-hêt zeker wel honger noar die
+lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien.
+
+--Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei
+Leontientje.
+
+Bezorgd keken de broeders naar Cordúla op. Haast iederen avond aten
+zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen
+smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij
+vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou?
+
+--Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling,
+angstig omdat Cordúla nog niet dadelijk op de kwestie inging.
+
+--O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee
+nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es
+'t bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje.
+
+--Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte
+dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de
+maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een
+schuw-schichtigen blik op Cordúla, die maar aldoor stom en stug en
+roerloos stond te luisteren:
+
+--Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om
+bier goan?"
+
+Plotseling slaakte Leontientje een kreet:
+
+--O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch
+al mijn scheune blommen!"
+
+--Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa,
+'t es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal
+z' ou goan hoalen!"
+
+Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong
+veulen naar de "loeze".
+
+In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat.
+
+--Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid,
+"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie
+zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet
+geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen
+goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden."
+
+--Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordúla
+verontwaardigd.
+
+--'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moên iest en
+veural onz' iere koavelen."
+
+Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen.
+
+--Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch
+en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie
+genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!"
+krijschte Cordúla.
+
+--Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld
+afhouden!" riep Standje grootmoedig.
+
+--Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordúla, meteen zich
+overwonnen gevend. "Hè-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen
+'n keunijnksdochter in huis!"
+
+De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden,
+lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordúla voorspelde nijdig erge
+ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en
+geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet
+schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje,
+roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan
+toevoegen:
+
+--Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan
+ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen
+spoaren as 't geld op es!"
+
+Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht
+half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen.
+
+--Wa hè ze zij doar!" riep Cordúla nurksch verbaasd.
+
+--O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hên ze lang de wig getrokken!"
+juichte 't meisje.
+
+--Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde
+Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat
+Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als
+Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht
+vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu
+fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van
+dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, çe
+du colza, ma nièce." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch
+mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordúla beweerde knorrig dat
+die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en
+ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't
+zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje
+een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste
+kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er
+nog tijd was vóór den eten om eens even rond de boerderij te gaan.
+
+De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille,
+mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordúla bleef brommig in
+huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten,
+putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie,
+liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had
+hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig
+blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij,
+in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte
+goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken,
+pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van
+hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde
+lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden
+in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en
+roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een
+wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant.
+
+--Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij
+haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide
+met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps
+werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en
+las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een
+kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas?
+Tante Cordúla ne sera pas fâchée, n'est-ce pas?" terwijl de drie,
+oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk
+oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun
+zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze
+schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig
+afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordúla er nog niets van en
+Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier
+Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon
+komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje,
+bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in
+'t smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige
+verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte
+waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche
+opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar
+in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat
+haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten
+haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen
+waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam;
+en eindelijk kwamen zij, door Cordúla voor het avondmaal geroepen,
+langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende
+appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in
+'t water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan...
+
+Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel
+blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de
+zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een
+laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte
+eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier.
+Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had
+fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer
+tevreden. Cordúla zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer,
+beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met
+kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen
+ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en
+haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en
+weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje
+scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben.
+
+Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over
+Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog
+steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan
+twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en
+ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel
+werkte.
+
+--Zeu, zeu, veur ne corsé-wijnkel nog al!" zei Standje, met een
+ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen.
+
+--Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten,
+'n hè 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien.
+
+Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende
+handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van
+had.
+
+--En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde
+Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn
+ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en
+kant. 'K hè passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het
+azeu aan ouë kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven
+honder fran in."
+
+--Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle
+drie de ooms verwonderd uit.
+
+--Ha, da es zottigheid! viel Cordúla barsch in. Da es geld wigsmijten
+of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch
+ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed
+droagt!"
+
+--Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't
+almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend.
+
+--O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordúla met van diepe
+minachting neertrekkende lippen. "De dieë 'n zijn nievers beschoamd
+in!"
+
+Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets
+meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar
+frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die
+door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol
+gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje
+keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den
+ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde
+uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon
+gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl
+zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het
+eitje vestigend, gegeneerd stamelde:
+
+--Mais mon oncle tout de même... comme vous êtes drôle...!
+
+Vaag-achterdochtig keek Cordúla met een schuinblik naar hem om; maar
+zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de
+anderen niet goed begrepen...
+
+Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen
+buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de
+knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong
+koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch
+hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk,
+vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht,
+donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op
+en groette "elk ne goên oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan
+de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke
+Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks
+opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover
+Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het
+nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de
+keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste
+vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo
+scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar
+huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in
+verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en
+langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij
+voor een vuur stond.
+
+--He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem
+spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging
+hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van
+Bruuntje. Cordúla bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende
+pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een
+haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote,
+houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te
+slurpen.
+
+--Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent
+donc à même la terrine, sans assiettes!"
+
+--Owie, owie, ils ne demandent pas ça. Ça est comme ça comme dans
+le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen
+glimlach.
+
+--Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel
+overtuiging toe.
+
+Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch
+kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte
+hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was
+zooals Belzemien en Standje zeiden.
+
+--Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig.
+
+En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming,
+begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te
+praten.
+
+De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar
+'t station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster
+ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen
+nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten
+kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed
+mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was
+hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij
+geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had
+zij ook niet eens meer gevraagd.
+
+--'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre
+grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd.
+
+--Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer
+gepraat werd besloten dat Cordúla er den volgenden ochtend met
+Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder
+bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak
+geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar
+testament zoude kunnen veranderen.
+
+Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken,
+waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels,
+overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna
+gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich
+somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den
+zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordúla's
+lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke
+schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van
+heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje
+wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een
+avondluchtje scheppen.
+
+--O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend
+opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs
+zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordúla, goa-je
+gij euk nie ne kier mee?"
+
+--Moar nien nien ik, en àl die schotels nog te wasschen zijn!"
+antwoordde, op half bitsen toon, Cordúla. En tot de dienstmeid:
+
+--Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan hêt goan we 'r al gauwe
+mee beginnen."
+
+Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid
+drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen
+en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het
+landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen,
+onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op.
+Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de
+feeëriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen
+in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de
+diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen
+witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers
+om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde
+schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek,
+zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van
+diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare
+aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende
+gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote,
+donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen.
+
+--O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier
+wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje.
+
+--Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje.
+
+--'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien.
+
+--Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon.
+
+--Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune
+worden?" stotterde Coben.
+
+Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de
+zachte harmonie der geheele poëtische stemming, en Leontientje, tot
+de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde:
+
+--Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?"
+
+Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig
+dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille
+landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in
+traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets
+droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid.
+Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der
+klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar
+even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een
+langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte
+van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een
+verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late
+kar voorbij.
+
+--O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van
+'t plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met
+als 't ware een zweem van spijt.--Overal lichten, en voituren en
+scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?"
+
+--Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog
+eens de broeders.
+
+Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel
+van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms
+door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en
+wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren
+reeds ter ruste. Cordúla stak een nachtkaars aan en opende de deur
+van de "beste kamer".
+
+--Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordúla, die
+zich even verbaasd half achteruit trok.
+
+--Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de
+beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het
+jeugdig-frisch meisje gezoend.
+
+--Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde
+halfluid en verontwaardigd Cordúla, toen zij in de keuken, bij de
+drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een
+slecht huis woare!"
+
+--Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk
+nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld.
+
+Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met
+fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen,
+onduidelijke klanken stotterend.
+
+--Slechte menieren, dà zijn 't," bromde Cordúla boos.--"En gulder,
+ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da
+mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n
+mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit
+verlied van doage!"
+
+Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders
+af, Cordúla goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar
+boven.
+
+ * * * * *
+
+Toen Cordúla den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in
+het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een
+bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter
+voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had.
+
+--Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd
+hêt? vroeg Cordúla, zonder evenwel sterk aan te dringen.
+
+--Niemand, niemand, hêt den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met
+stillen nadruk haar woorden.
+
+Cordúla keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd
+gezicht bij zette.
+
+--Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze
+berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de
+non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws
+zou sturen.
+
+ * * * * *
+
+--Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei
+gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordúla, met Leontientje
+weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde.
+
+--Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress
+van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!"
+
+--T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge
+zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe
+dat 't verder afleupt."
+
+--'t Es da 'k zeu weinig tijd hè," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan
+mij zeu lank niet missen."
+
+Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden
+ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder
+verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje
+verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We
+zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren."
+
+--Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg
+pen en papier om aan haar vader te schrijven.
+
+Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje
+haar brief aan 't opstellen was.
+
+--Wa zoên we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de
+oudste broer knipoogend.
+
+Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had,
+krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig
+verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat
+eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar
+probleem.
+
+--K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa,
+wa zoèn we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee
+heur uitrijen?"--Standje wist eigenlijk wél 't een en ander, hij
+had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben
+moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen
+vermoede dwarsboomerij vanwege Cordúla. Zwijgend ondervragend keek
+hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig,
+ondervragend aankeken.
+
+--'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje
+voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur
+uitgoan en ien van ulder morgend?"
+
+--Ba joa, ba joa, we zoên 't meschien azeu keune probeeren," zei
+Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?"
+
+--Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de
+stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen.
+
+--Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij
+was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n
+beetsen uitrijen."
+
+--Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben
+te hakkelen.
+
+Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in
+opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje
+uit het huis kwam:
+
+--Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den
+achternoene nog ne kier op uitrijen!"
+
+--Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een
+hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen.
+
+Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien.
+
+Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij
+bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en
+de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde.
+
+Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den
+buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den
+boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in
+bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale
+pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon
+het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de
+boterkarn aan het klutsen ging.
+
+--O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het
+grappig-eigenaardige der uitvinding verrast.
+
+--N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar
+verrassing.
+
+Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te
+hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in
+'t achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij
+en wipte, als onder een zweepklap, half op.
+
+--Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig.
+
+De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit:
+
+--'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke
+doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa
+vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel."
+
+--Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend.
+
+--Mé non, mé non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien.
+"Ne kier dat hij de goejen trampel hèt, 'n roaken de peunten hem nie
+meer oan."
+
+--Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje.
+
+--Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs
+om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan."
+
+--Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog
+steeds meelijdend.
+
+--Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers,
+'n uur en half almets."
+
+--Ach!... en zonder iene kier te rusten?"
+
+--Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in
+zijn vel."
+
+--Och...!"
+
+--Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe,"
+glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven
+stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure
+moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen."
+
+--Pauv' bête,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op
+den aldoor trappelenden hond gevestigd.
+
+Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan
+zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het
+gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten
+door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer
+aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden.
+Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend,
+met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende,
+bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn
+naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop.
+
+--Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van
+het schouwspel afwendend.
+
+--Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins
+teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden
+boomgaard wandelen.
+
+ * * * * *
+
+Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo
+rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er
+opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag
+en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend,
+gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn
+blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond
+halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij
+vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er
+bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan;
+Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig
+scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje
+van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna
+iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers
+door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle
+plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een
+voortdurende roes van opgewondenheid.
+
+Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij
+geen van drieën uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen
+slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij
+heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun
+oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en
+'t was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk
+opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch
+en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle
+Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!"
+en wanneer Cordúla niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings
+toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan
+door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte
+zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk
+verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de
+bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij
+eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordúla in de keuken kwam
+om te ontbijten.
+
+Maar Cordúla hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en
+na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van
+lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over
+haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van
+alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te
+durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van
+'t jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin
+veroorzaakt had.
+
+Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen.
+Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar
+eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje
+dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.
+
+--Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte
+Cordúla dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee
+thuisgebleven broeders uit. "Wa moên de meinschen doarvan peizen! Ha
+'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten
+de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouên, Belzemien!
+Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien
+half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier
+den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nóg ou verstand het en
+da g' hier den boas zijt!"
+
+Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest
+hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen?
+Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier
+buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel
+eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de
+geheele oorzaak van alles!--En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat
+dat betrof mocht Cordúla gerust zijn: hij hield Standje in 't oog,
+hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd
+terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je
+wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel
+iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever
+niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als
+hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordúla
+moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles
+zou in orde komen.
+
+Cordúla, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het
+mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar
+zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee
+te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens
+te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante
+gesteld was.
+
+Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi
+en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordúla's
+vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een
+verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het
+Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene
+zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met
+fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een
+lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.
+
+--Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte
+Leontientje.
+
+--Owie, owie, tré chaud, nous aurons peut-être de l'orage," beaamden
+Belzemien en Standje.
+
+De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het
+Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open
+ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van
+witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en
+sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er
+bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de
+oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle
+wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een
+flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als
+zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend
+vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte
+almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en
+eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:
+
+--O wa hé 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant,
+wilt e mij liere zwemmen!"
+
+--Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.
+
+--O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel
+Constant, en wilt-e 't mij lieren?"
+
+Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de
+jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al
+zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs
+aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om
+Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen;
+doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door
+Cordúla's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuïtie van
+een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:
+
+--Joa moar, es 't serieus? Hêt-e oprecht goest om in 't water te
+goan?"
+
+--O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps
+opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.
+
+--Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."
+
+--Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"
+
+Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig
+toegesneld.
+
+--Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij
+'t wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te
+stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit
+wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de
+sidderende hand.
+
+--Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel
+Coben!" smeekte Leontientje.
+
+En de twee oudere broers, door een gelijke intuïtie als die van
+Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en
+hoofdschuddend toe.
+
+Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich
+te verkleeden.
+
+Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering
+wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug:
+Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit
+nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen
+boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun
+eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder
+de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als
+een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn
+smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was
+om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine
+bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte,
+nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende
+lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en
+rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en
+te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in
+krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte
+vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en
+verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar
+middel toegeregen witte nachtkleed.
+
+--Hawèl-e-wel-e-wel! Hawèl-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die
+door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te
+kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid,
+het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende
+handen.
+
+--Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den
+oever glijden.--Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was.
+Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden
+boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en
+al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle
+kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.
+
+--Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den
+oever schouderhuiverend.
+
+--O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom,
+geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."
+
+--O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze
+voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat
+dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje,
+stak beide handen uit naar Standje--... en eensklaps, met een
+grooten plons stond zij in het Zonneputje!
+
+--O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.
+
+Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste,
+koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan
+Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van
+het beekje medetrekken.
+
+Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte
+nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met
+bloote beenen in het helder putje.
+
+--Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het
+weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en
+zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals
+hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen
+en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om
+haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte
+schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een
+vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.
+
+--Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op
+den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje,
+als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.
+
+--Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.
+
+--Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee ouë
+kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k hé ou goe vaste."
+En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou
+moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te
+ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen
+oakpuit"(1).
+
+[Noot van de schrijver:
+(1) Kikvorsch.]
+
+Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij
+kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer,
+omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje,
+gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en
+Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om
+niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid
+van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren
+komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren
+knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door
+het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van
+walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een
+boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen
+recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog
+rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter
+wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen.
+Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan,
+schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms
+nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef
+terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:
+
+--'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er
+nou moar uit. Kerdúle kan doar alle menuten weere zijn!"
+
+Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en
+plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in
+het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan
+naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te
+helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden,
+zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje
+een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van
+dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien.
+Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen
+lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende
+pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen,
+vluchtten naar het woonhuis toe.
+
+Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn
+druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige
+bond met ruige haren.
+
+ * * * * *
+
+Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen;
+Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van
+verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine
+en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun
+dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de
+zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige
+lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.
+
+Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok
+niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende
+kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel
+de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n
+ziele" zooals de menschen zeiden.--O, zou Tante misschien
+plotseling...
+
+Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te
+spreken. Eensklaps kwam Cordúla hijgend om den hoek van 't huis met
+opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle
+stem en strakke, donkere oogen:
+
+--Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom
+seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren
+aflezen!"
+
+Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood?
+Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De
+ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens
+vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren;
+de broers, Leontientje, Cordúla, liepen zenuwachtig, als verloren
+heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet
+duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis,
+het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij
+als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden
+om er Tante's testament te hooren voorlezen.
+
+--Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe!
+herhaalde steeds Cordúla, gejaagd en opgewonden.
+
+Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste
+kamer", de broeders naar den zolder.
+
+--Wa es dâ hier? Wie hêt-er hier mee natte voeten over de vloer
+geleupen?" riep knorrig Cordúla, toen zij in de keuken kwam.--Kijk
+ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"
+
+Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas
+gebeurde; en zelfs Cordúla drong niet aan, geheel en al door 't andere
+in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken
+als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps
+stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.
+
+--'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een
+angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,--'k ben
+toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal
+beveurdielt zijn."
+
+--O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet
+as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n hè ze nie gezien," poogden de
+broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet
+geruster dan Cordúla, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun
+verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en
+even angstig als Cordúla zelve waren zij naar den inhoud van het
+testament benieuwd.
+
+--Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r
+mijn deud aan hoalen!" beefde Cordúla met wijd-uitgezette oogen.
+--Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den
+hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:
+
+--Moar wat ten duvel hèt-e gulder hier toch uitgesteken binst da
+'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in
+huis?"
+
+--Wel, Hiere, 'k hè ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig
+dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.
+
+--Gezwommen!" riep Cordúla met open mond en verwilderde oogen.
+Gezwommen!... mee heur... in de beke?"
+
+--Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen!
+Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.
+
+--O! die sloeze!" gilde Cordúla schor van verontwaardiging.--O, die
+sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch
+zijn, die doarin behoagen schept! En hè 't wirkvolk da gezien? 't Es
+'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof
+nog teugen durft!"
+
+Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen
+straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek,
+beenderig, ontsteld gezicht.--O, gie leulijke, leulijke, vieze
+leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een
+walgkreet rende ze de trappen af.
+
+Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het
+traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de
+zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende
+lentevelden...
+
+ * * * * *
+
+Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!
+
+In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de
+angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordúla het testament
+voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel
+voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten,
+alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster
+der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen
+nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf
+verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel
+tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.
+
+Cordúla voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu
+van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was
+reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en
+Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben
+schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere
+bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden,
+opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had
+plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste
+meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen
+hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe,
+ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit
+te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van
+Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in
+de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens,
+ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering
+hikkende stem:
+
+--Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben
+zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"
+
+Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde,
+barstte in een klinkenden schaterlach uit.
+
+--O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.--Maar zij zag in 't
+bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde
+zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna
+bang.
+
+--Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.
+
+--'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt,
+'t wordt hier loater amoal 't ouë!" herhaalde hij smorend,
+opgewonden.--Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?—-En hartstochtelijk
+greep hij haar hand.
+
+Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden
+achteruit:
+
+--Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en
+gij..."
+
+--Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in
+de rede...--Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien
+achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O,
+Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig!
+Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n hè nog noeit gien uur oprecht
+plezier g' had in mijn leven!"
+
+Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang
+verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als
+een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren,
+zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en
+kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren,
+tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk
+willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde
+die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en
+plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest
+tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden
+zoen te drukken.
+
+--Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge
+mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het
+hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.
+
+Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid
+teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering
+doorschudde heel zijn lichaam.
+
+--Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon,
+g-hêt gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en
+vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier
+lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek
+hij haar in den zachten maneschijn weer aan.
+
+Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.
+
+Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis
+terug....
+
+ * * * * *
+
+'t Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was
+verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje
+aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het
+paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar
+vader nu, weer weg te brengen.
+
+Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,--een voor zijn
+leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur
+en blonde haren--nam van de ooms en van Cordúla afscheid.
+
+--Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi
+tous de venir un beau jour à Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de
+beurt Coben, Cordúla en Belzemien omhelzend.
+
+--Owie, owie, peud-êder," glimlachte Belzemien met fijn knippende
+oogjes.
+
+--Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien,
+mille fois merci, et à plus tard, n'est-ce pas, à Paris?" herhaalde
+ook Leontientje, beurtelings Cordúla en haar ooms een laatste maal
+omhelzend.
+
+--Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het
+frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.
+
+Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de
+teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde
+groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.
+
+Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als
+op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende
+zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een
+zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer
+in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas
+vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal
+bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat
+te bibberen...
+
+Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk
+weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter
+der seinhorens schichtigde.
+
+--Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij
+ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste
+afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden
+in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den
+teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en
+zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse
+opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter
+ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een
+sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar
+mond, half op haar zachte wang verloren.
+
+'t Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide
+lente!--De trein reed ruischend met haar weg--hou hou, Belleken, hou
+hou!--en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling
+zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in
+haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het
+neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven...
+wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend
+stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een
+wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der
+spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...
+
+
+
+OBSESSIES
+
+
+I.
+HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE.
+
+Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan
+Soarelke Meule... Ik zag hem vóór mij, zooals ik hem in leven gekend
+heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme
+beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote
+oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander,
+scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...
+
+Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen
+Kwamen toegestroomd.
+
+Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen
+tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol
+tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen,
+bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige
+bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die,
+met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg
+te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond
+bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar
+de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.
+
+Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig
+vertellen!--Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste
+oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls
+krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was
+slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste
+beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot
+lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.--Hij
+was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en
+juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle
+vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk
+tot den grond der dingen door.
+
+Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen
+en konden uren lang naar hem zitten luisteren.--Zij zaten daar,
+onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental,
+vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de
+brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten
+Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem
+goed leuk en ondeugend te stemmen.
+
+--Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriël
+op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was
+da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?
+
+Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog
+eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde.
+met zijn ruwe, korte, barsche stem:
+
+--In 't Muizenhol was 't, hè 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge
+zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!
+
+--En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?
+
+--Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken
+hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.
+
+--Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.
+
+En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens,
+bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske
+stem:
+
+"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriël
+aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen,
+mee zijn vleeren toe.
+
+"Gabriël, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke
+mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?
+
+De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:
+
+"Wat es er ten ouën dienst, ons Hiere?" vroagt hij.
+
+"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou
+beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien
+wat dat er ginter gebeurt. K'en hè doar in doanig lank nie mier van
+g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse
+begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en
+informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."
+
+Goed.--Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriël trekt zijn beste
+geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem
+op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan
+'t Muizenhol!
+
+--Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere
+gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.
+
+--Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke!
+Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.
+
+--Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er
+te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en
+zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee
+'t jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriël, die da nog noeit van zijn
+leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons
+Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te
+sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn
+geiwene vleeren aan!
+
+--Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?
+
+--Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk
+Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere,
+die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne
+weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven
+komen.
+
+--En Gabriël wig, zille! de lucht in!—-Sente-Pieter stond al uit te
+kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten.
+"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar hè-je gij zeu lank
+gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den
+ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem
+rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van
+colère zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn
+kniëns vallen en zegt:
+
+"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!"
+
+"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd hèt!" zegt onze lieven Hiere,
+die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel
+ziet.
+
+"Joa ik, lieven Hiere, 'k hè mij doar oprecht goe geämezeerd: 'k zoe
+liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriël.
+
+"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven
+Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag.
+
+"Ooo, doar 'n hè'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den
+ijngel Gabriël. "'K hè mij loaten neere valle tusschen Vijnck en
+Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n hè mij niet gespeten, zille!'t
+Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en
+sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de
+gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt."
+
+"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?"
+vroeg onze lieven Hiere.
+
+"Giene meinsch die van ou gesproken hèt, lieven Hiere," zei ijngel
+Gabriël. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de
+leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat
+die meinschen ginter zijn!"
+
+Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel
+Gabriël dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twieë te
+weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriël tieken dat
+hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen.
+
+ * * * * *
+
+--Goed!--'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriël weere
+mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen
+treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker.
+
+"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier
+op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter noù gebeurt. En deze
+kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu
+lange wig of dat 't neudig es.
+
+Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem
+'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol!
+
+--Nôg ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke?
+
+--Nôg ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!--Goed.--Den ijngel
+kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat
+hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst
+ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders
+of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa
+noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk
+komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es
+'t zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle
+kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens
+veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch
+dàt aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier
+mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij
+hem boven op en komt er weere mee in den Hemel.
+
+"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Hèt ou van deze
+kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee
+zijn sleuters aan de peurte stoat.
+
+"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij
+al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere.
+
+"Ha, jongen, g'hèt opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere.
+"Hewèl hoe ès 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie
+geklapt?"
+
+"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zéker van ou geklapt! Ze 'n
+klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriël.
+"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En
+zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier!
+'t Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en
+donker; de boeren hén de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es
+verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken
+kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk
+tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om
+t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..."
+
+Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand
+aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen
+board.
+
+"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft
+zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.--Weet-e
+wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat
+hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken."
+
+ * * * * *
+
+Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den
+gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der
+pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid
+mededeelden.--Omheen was 't wonderzacht en stil en in den
+somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren.
+Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden
+de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de
+verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te
+droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een
+krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den
+onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere
+slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens
+der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met
+hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun
+innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het
+twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker
+groepje taalde:
+
+--Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om
+noar bedde te goan.
+
+En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de
+asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal...
+
+
+
+II.
+HET HONDJE.
+
+De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station
+gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even
+wachten.
+
+Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is
+lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele
+railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek,
+schitteren twee miniatuurbloementuintjes.
+
+Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje.
+Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede
+herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg
+doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee
+herbergjes.
+
+'t Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille,
+groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en
+goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van
+het dorpstorentje opschiet.
+
+Daar komt de trein.--Slechts enkele reizigers staan wachtend op
+'t perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op
+den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een
+vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie
+pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken
+houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts
+drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp.
+
+Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te
+belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en
+zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of
+boom.
+
+Knarsend op zijn remmen heeft de trein vóór het stationsgebouw stil
+gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt
+en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden
+opgehaald.
+
+Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog
+even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.--Maar,... het
+lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam
+en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets
+bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar,
+scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje.
+
+Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden?
+Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de
+obsessie!--Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap
+af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie!
+Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot
+verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren?
+En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik
+daarvoor terugkom?--Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik
+er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en
+half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het
+herbergje.
+
+De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het
+schemerig, ongezellig gelagkamertje...
+
+--Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend.
+
+Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie
+pootjes naar mij toegehinkt... het hondje.
+
+--Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend
+over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje.
+
+Het hondje schijnt dat niets naar te vinden.
+
+Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt
+zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger
+aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes.
+
+Daar komt de vrouw.
+
+--'n Pijntsje bier, bezinne.
+
+Het glas wordt mij gebracht.
+
+--Scheun weer, e-woar, meniere?
+
+--Joa 't doanig scheun weere.
+
+Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets
+meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje.
+
+--Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht
+merkend.--Spijtig dat 't zijn peutsen afgereên es!
+
+Ha! daar is de aanleiding!
+
+--Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen.
+
+--Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die
+kapot gereên wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is
+gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie
+geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereên
+wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk
+mee die twie wirkmeinschen! G' hèt doar toch van g'heurd, meniere? En
+de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een
+akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een
+vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd.
+
+'t Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de
+afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik
+denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die
+kleine hondjes bij die groote treinen loopen.--Nu weet ik het, en
+wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen
+belangstelling meer in.
+
+Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.--Maar nu, (en dat is mijn
+voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik
+nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan
+den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt
+onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes
+bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en,
+met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een
+heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar
+de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij
+de praterige vrouw te volgen.
+
+
+
+III.
+HET SLECHT VIJFFRANKSTUK.
+
+Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude,
+onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een
+molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van
+gelijken leeftijd--een jaar of veertig--maar zeer verschillend van
+uiterlijk.
+
+Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge,
+beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige,
+doorzakkende knieën. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar
+voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen
+een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig,
+die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van
+gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig.
+
+Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke
+wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske
+grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter.
+
+Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde
+Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den
+boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske
+werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag
+Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem
+soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige
+armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te
+wenken.
+
+Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche,
+lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis,
+troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in
+'t herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat
+oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag.
+
+Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen
+herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder
+contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve
+bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts
+iedere week één frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te
+brengen.
+
+Eén frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes"
+bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al vóór den
+middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege
+glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst
+van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou.
+Gelukte dat niet, dan bleven ze tóch maar zitten, omdat ze anders
+niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om,
+toch zoo vervelend en ellendig lang was.
+
+ * * * * *
+
+Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een
+vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de
+gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu
+eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een
+vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei:
+
+"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt hèt. en
+niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne
+cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn
+bezit hè zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver
+zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie
+geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hèn. Doet
+er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt."
+
+En hij gaf het stuk aan Theofielke.
+
+ * * * * *
+
+Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te
+Bekijken...
+
+Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als
+veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom
+nu juist dàt stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die
+immers ook maar zilver waren, wèl deugden. Hij woog het in zijn hand
+en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een
+gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een
+hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone
+stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat
+dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling
+ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen,
+terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak
+verborg.
+
+Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met
+Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk
+genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te
+beraadslagen.
+
+Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en
+zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen.
+Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer
+berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de
+omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende.
+
+Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er
+twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank,
+die nu wel aan één stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar,
+in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende
+Deeske.
+
+Toen trokken zij er op los.
+
+ * * * * *
+
+Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij
+stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle
+wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige,
+kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij
+zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof;
+Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende
+schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij
+telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele
+bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen
+lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine,
+omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het
+jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs
+den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee
+vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer,
+die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met
+bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die,
+worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis
+te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen
+gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen;
+en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij
+moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even
+aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen.
+
+Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen
+drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen,
+maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te
+worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het
+kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar
+schenktafel glazen stond om te spoelen.
+
+--Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig
+air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend.
+
+De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem
+even vaag wantrouwend aan.
+
+--Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als
+om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde
+met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te
+voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk
+spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske
+stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke,
+die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had.
+
+--Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes
+op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk
+gestemd, begon zij een praatje over 't weer.
+
+De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun
+sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er
+nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen
+glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof
+er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook
+Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur,
+verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die
+borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe
+vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend
+aankeken, en er waarachtig nóg eentje bestelden.
+
+Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit
+zijn zak, en legde 't op de tafel.
+
+--As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven?
+
+De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar
+schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te
+voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en
+bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het
+raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in.
+
+--Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw
+met ontstelde stem eensklaps zeggen.
+--Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend.
+
+--Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.--Kijk ne
+kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur
+hing, en waar al de vijffrankstukken,--de gangbare en de niet
+gangbare--zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld
+stonden.
+
+Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan.
+
+--Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk!
+verzekerde Theofielke.
+
+--Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met
+haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel,
+'t es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van
+veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge
+moet mij ander geld gêen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke,
+die het kalm weer in zijn zak stopte.
+
+--Ha, sakerdeeke! En 'k hè 't gisteren in de post ontvangen!
+beweerde hij enkel.
+
+--Tuttuttut, 'k 'n hè doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee
+ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend.
+
+--Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos
+veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es!
+
+--En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld
+geên! gilde de vrouw.
+
+--We 'n hèn gien ander! bekende Theofielke.
+
+De vrouw stond even als verslagen.
+
+--O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van
+woede, te krijschen.--Ala! hier buiten! En van den achternoene zend
+ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare!
+Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt!
+
+ * * * * *
+
+Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen
+portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort.
+
+--Hawèl! wat dijnkt ou? Zoên we leute hèn vandoage! lachte
+Theofielke.
+
+Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk
+schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute
+zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke
+mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn
+kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange,
+loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp.
+
+Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine
+boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging.
+
+--We 'n meugen nie àl te ziere drijnken; we zoên te gauwe zat
+worden, meende Deeske.
+
+Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door
+moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf
+wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens
+zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange,
+saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den
+_Groenen Jager_ en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl
+Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet
+rinkelen.
+
+Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan
+Theofielke terug.
+
+--Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste
+verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor
+ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich
+geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval,
+tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het
+verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den
+postmeester tegen een ander hadden ingeruild.
+
+Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde,
+ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme,
+welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de
+menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten,
+en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna
+uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er
+eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen
+werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk,
+onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het
+afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scènes
+plaats en wel het ergst in de afspanning: het _Vliegende Paard_, waar
+zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was
+daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en
+vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het
+aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door
+den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij
+plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat
+gegooid.
+
+Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot
+te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog
+andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en
+kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.
+
+Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het
+_Vliegende Paard_ opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en
+begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar
+heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder
+ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.
+
+--Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na
+een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen.
+-—Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!
+
+Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van
+dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te
+redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.
+
+--Loat ons bij Veel-Hoar goan en de dieë mag 't vijffrankstik hoûen,
+stelde Deeske voor.
+
+Ietwat onthutst keek Theofielke op.
+
+--Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.
+
+--Hà! dà es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de
+knechtejongens bij VeelHoar?
+
+Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn
+slungelige tronie.
+
+--Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse
+trekken, en wie 't langst hêt iest?
+
+Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op,
+frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske
+voor.
+
+Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk
+waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide
+hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te
+voorschijn.
+
+--O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke
+achterdochtig.
+
+--Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.
+
+Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en
+haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in
+'t omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het
+mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk;
+men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde
+wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den
+rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam)
+Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd
+men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door
+Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om
+het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet
+'s zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde één frank,
+twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een
+achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er
+naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van
+Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel
+niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje
+hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige
+kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.
+
+Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te
+vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het
+stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon
+schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het
+donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame
+straten.
+
+Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een
+boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den
+straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der
+overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de
+schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend
+gedoken.
+
+Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef
+doodstil. Het oogenblik was gunstig.
+
+Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te
+kijken door een spleet van het gordijntje.
+
+--Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.
+
+En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden
+binnen.
+
+--Elk ne goên oavend...
+
+Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek,
+bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel,
+dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had
+kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en
+rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel,
+bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude
+moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.
+
+--Kijk, kijk! Wie da we doar hén! riep Veel-Hoar, half spottend,
+half uitdagend.--We zóen wel geld gêen om ulder te zien!
+
+Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel
+kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen.
+"Elk ne gôen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam,
+deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een
+tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde
+bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even
+over 't tafelblad liet rinkelen.
+
+Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd
+door het verleidend geluid even wakker.
+
+--G'hè 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit
+te roepen.
+
+--Ha, w'hèn toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar
+het stuk weer in zijn zak verstoppend.
+
+Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat
+beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.--Vijf frank! dat kwam
+zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.
+
+--Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske
+royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde
+nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar
+den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op
+te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken
+versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore
+zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig
+pratend.
+
+Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is
+zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook
+den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte
+om op te stappen.
+
+De glazen waren leeg.
+
+--Nóg vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde
+Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren
+daar nog een heele poos te blijven.
+
+Langzaam stond de boerepummel op.
+
+--Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem
+beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende,
+heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk,
+kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:
+
+--Joa moar, Sies, vandoag 'n hè 'k gienen tijd, zille; ge moet nen
+andere kier komen.
+
+Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske,
+droop de pummel af.
+
+--Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur
+achter hem dichtsmakkend.
+
+Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met
+een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.
+
+--Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de
+geijkte vraag.--Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield
+intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.
+
+--Joa moar, hoe zit dat? Hé-je gij èùk geld? vroeg zonder omwegen
+Veel-Hoar.
+
+--Theofielke zal ou vijf fran gêen, beloofde Deeske.
+
+--Joa moar, en gij?
+
+--Hij hè 't geld, lijk of ge gezien hèt. Hij zal betoalen veur ons
+alle twieë.
+
+--Hoe, veur alle twieë?
+
+--Wel joa, w'hèn lotse getrokken. Ik há 't langste.
+
+--O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.
+
+--Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske,
+reeds in 't gangetje.
+
+Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze
+weg, Deeske achterna...
+
+ * * * * *
+
+--Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in
+'t gangetje verschijnend.
+
+Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.
+
+--Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.
+
+--Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het
+Gangetje...
+
+Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden
+door het somber tuintje weg.
+
+--Hè ze 't? Hè-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder
+'t vluchten.
+
+--Joa z', zille! Moar hoast ou nou!
+
+Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen
+in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in
+veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog
+en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend,
+schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.
+
+--Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld
+Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend.
+Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen
+galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.
+
+--O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hèn mij 'n slecht
+stik van vijffran gegeên! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen.
+'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar!
+Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over
+de keien in de straat gekeild.
+
+Deeske, die vóor Theofielke zat, zag het even in de duisternis
+zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen
+zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn
+dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat
+door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks
+doorheen.
+
+--Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel!
+riep hij dof.
+
+--'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog
+dienen, fluiserde Theofielke.
+
+--Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoên ons deudsloan! Ala
+toe, wig, wig!
+
+Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor
+een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open
+veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van
+Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat
+opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en
+bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden
+zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.
+
+--Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte
+Deeske.
+
+--Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hèn!
+jammerde Theofielke.--We zoên d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.
+
+--Bah! 't gien dat we g'had hèn, hèn we toch g'had, troostte
+Deeske.--Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft
+ouën boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.
+
+Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend
+aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes,
+zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij
+voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het
+lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast
+elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een
+hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de
+gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij,
+roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.
+
+Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en
+ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den
+dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de
+lange, saaie arbeidsweek.
+
+--Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag hè? zei Theofielke.
+
+--Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.
+
+En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge
+pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.
+
+
+
+IV.
+"DEN BINDER".
+
+Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich
+verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den
+jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.
+
+Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje
+van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht,
+en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit
+gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna
+aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte
+met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde
+kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem
+dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je,
+als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze
+ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder
+licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en
+fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een
+onuitsprekelijken weemoed, die zóó aangrepen, zoo onweêrstaanbaar
+aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer
+zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond
+van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.
+
+Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken,
+menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de
+menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon
+tooveren.
+
+Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste
+dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder".
+Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager,
+houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel
+veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska
+heette zij.
+
+--Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de
+jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:
+
+--Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd:
+treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis!
+Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!
+
+Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het
+voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den
+Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen
+leven. Want,--en dat was wel het aller-ergste,--ook zij geloofde
+dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens,
+na zoo een of andere plaagscène met de straatjongens of de buren,
+overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de
+razendste verwijten.
+
+--O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend
+krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar
+nou in hén as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de
+stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen
+doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven
+lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n
+zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou
+en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden
+hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past
+ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!
+
+Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed
+van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet
+dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar
+maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn
+angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met
+korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu
+en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen
+den vloer stampte:
+
+--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
+zot!
+
+Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille
+stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en
+huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk
+moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met
+open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel
+staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en
+dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat
+de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van
+verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het
+winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half
+verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en
+toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep,
+hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde,
+zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:
+
+--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
+zot!
+
+Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen
+in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met
+hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren,
+of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en
+hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de
+boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst
+niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit
+weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij
+voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de
+deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje
+tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet,
+dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een
+kort gebed.
+
+In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen
+merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen
+mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch
+gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde
+leed. De slag,--zijn zelfmoord--viel als een donderslag, onverwacht.
+
+Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit
+'t water zien halen....
+
+Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn
+paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn
+vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen
+uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen,
+met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die
+afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo
+had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een
+modderige sloot was gehaald.
+
+Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden.
+'t Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het
+lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide
+van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een
+twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.
+
+Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes
+rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.
+
+"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd hèt!" gilt de
+menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den
+Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende
+armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn
+doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij
+lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zóó
+scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den
+rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend.
+'t Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een
+bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den
+Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel
+héél ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en,
+onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat
+warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.
+
+Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van
+mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van
+vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen
+op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder
+verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met
+gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar
+binnen starend.
+
+--Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die
+vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven.
+'t Is er één warboel, in en om het huisje.
+
+De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet
+houdt vóór het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen
+zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder"
+binnendragen.
+
+En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den
+kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke,
+rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:
+
+"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik
+van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder"
+komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"...
+"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt
+voader.--"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"--zeg ik.--"Dag,"
+antwoordt hij.--Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier
+blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater
+toe.--"Wa betiekent dà verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij
+doen?"--"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee
+zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens
+uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg
+ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies
+gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in
+'t woater!...
+
+--En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge
+man niet verder vertelt.
+
+--Hawèl, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.
+
+--Joa moar; wa hèt-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de
+toehoorders aan.
+
+--Wat da 'k gedoan hè?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.--"'K
+ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere
+boven gekomen; hij hè gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten
+geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en
+onder gebleven...
+
+--En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader
+euk niet?
+
+--Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde
+versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de
+schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier
+gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...
+
+Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken
+sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds
+als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid
+opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul
+van een gefolterd beest.
+
+--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!"
+zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...
+
+
+
+V. RESTITUTIE.
+
+Teum Grondnagel lag stervensziek...
+
+'t Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een
+zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang
+geweest. Ik zie hem nog in verbeelding vóór mij staan: groot, zwaar,
+vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en
+zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende
+oogen.
+
+Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en
+benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar
+gesloten blijven, zonder één klank door te laten.
+
+Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren
+vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp
+hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van
+hun tijd verbeuzelden.
+
+Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een
+minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar
+enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat
+noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden,
+"aan 't woaien" was.
+
+Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen
+verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en
+verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling,
+zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen
+ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren
+aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te
+waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".
+
+De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding,
+nog vóór hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis
+tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:
+
+--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan
+'t woaien!"
+
+Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen
+en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en
+krachten!...
+
+Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem
+heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot,
+overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer
+aan het trakteeren en betalen, één woeste dierlijke, liederlijke
+orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het
+zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn
+hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en
+in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn
+walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan
+den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan
+ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor
+het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken
+had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te
+koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige
+slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke
+bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de
+melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort
+geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij
+zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde,
+wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren
+en weêr een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was
+hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij
+voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn
+diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij
+was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende,
+verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en
+van nietelingen onder de knie had.
+
+Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam
+slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was
+eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!
+
+Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den
+donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol
+gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd
+uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en
+afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van
+hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en
+nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zóó sterk gevreesden
+meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog
+raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht
+meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!
+
+Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid,
+die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend
+einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de
+toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening
+hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende
+zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die
+lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten
+'t niet, maar Hij, de Groote Rechter, vóór wiens troon hij weldra zou
+verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem
+tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen
+doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof
+hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende
+oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen
+slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch wàs er
+voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en
+zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost
+geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet
+opgebeurd. Eén enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog,
+voor hem open: restitutie doen!...
+
+Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den
+donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al
+bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te
+veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk
+geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed
+herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te
+rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe
+namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn
+oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij
+begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou.
+Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na
+eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje
+uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken
+eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt
+had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op
+de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime,
+sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg
+hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen.
+Hij zou er hem mild voor beloonen.
+
+Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde
+Jantje, na een korte aarzeling, toe.
+
+En Teum begon één voor één zijn zonden op te sommen, eerst tegenover
+Jantje zelf.
+
+--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud
+verkocht hèt? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n
+woart er nie bij. Hawèl, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou
+betoald hè, worden d'r negen honderd vijftig. 'K hè ou dus dien dag
+veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven
+centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van
+mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn?
+Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim,
+doar es vijf en twintig fran!...
+
+Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde
+Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur
+kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde
+handen beefden op zijn knieën, alsof ze sidderden van kou.
+
+--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met
+droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te
+nemen.
+
+--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de
+handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn
+potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:
+
+--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op
+tien joar leverijnge van eirdappels.
+
+Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos.
+--Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar
+mijngelijnge van rogge in de tarwe.
+
+Jantje knikte.
+
+--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet
+in de boter...
+
+Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en
+bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die
+Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens
+opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.
+
+--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was
+bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg,
+terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen
+'t boerenhuis verliet.
+
+ * * * * *
+
+Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar
+hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin
+alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich
+heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs
+losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.
+
+Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen
+wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als
+stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen
+twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter
+waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in
+alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar
+heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van
+lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig,
+vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere
+levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe
+langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes
+bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die
+hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende
+schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen
+de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon
+vinden.
+
+Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten.
+Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar
+buiten; en, nog vóór Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij
+dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:
+
+--Hawél? Wa hèn ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"
+
+--O! bezônder! bezônder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met
+zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie
+geleuven!"
+
+Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum
+hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij
+merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde,
+met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te
+slaan.
+
+--Wa hèn ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend,
+kortaf, aamechtig hijgend.
+
+--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte
+Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard
+toestruikelend.
+
+Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op
+een afstand te houden.
+
+--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' hèt gewoaid!"
+raasde hij, knarsetandend.
+
+--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje
+beleedigd en verontwaardigd.
+
+--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.
+
+Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen.
+Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef
+haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de
+menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd,
+wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.
+
+ * * * * *
+
+...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht
+geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog
+slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op
+de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge
+met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte
+melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna
+opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu
+onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te
+luisteren.
+
+
+Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en
+oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn
+zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend
+en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude
+ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het
+uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde
+enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de
+doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag
+over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen.
+Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd,
+hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en
+radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een
+bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche
+stilte galmde:
+
+--Hawèl, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en
+donker. Mag ik nou wiggoan?"
+
+Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel
+weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.
+
+--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde
+stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar
+den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende
+vingers aan.
+
+Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog
+nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de
+beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen
+staarde.
+
+--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.
+
+--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.
+
+--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en
+kijkt-e kier!" hijgde Jantje.
+
+De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den
+haard.
+
+--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.
+
+De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op
+den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den
+mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding
+naast het uitgebrande haardvuur... dood.
+
+
+
+VI.
+DE STIER.
+
+Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene
+uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje,
+waar de straatweg, zich in tweeën splitsend, een soort rechthoek
+vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee
+wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het
+herbergje binnen.
+
+'t Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar
+nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes
+beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net,
+klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het
+Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel,
+gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde
+van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de
+bont-gekleurde uithangborden.
+
+Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster:
+menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er
+'t "stameneetje" bijhielden om rond te komen.
+
+Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en
+kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen.
+Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook
+kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat
+voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met
+sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat
+zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige,
+vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, méér dan een donkere
+haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest
+dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in
+'t dorp "de Stier" genoemd.
+
+"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of
+wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het
+zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden:
+"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden
+gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De
+spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende
+beteekenis verloren.
+
+En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet
+uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende
+nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit
+'t omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen
+die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun
+aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een
+praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken
+van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens
+een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs,
+o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de
+Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken
+aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar
+snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog
+en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor
+geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten.
+dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat àl te bont, dan
+zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en
+was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar
+uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een
+flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het
+baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter
+haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen
+en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen
+en naar raden.
+
+ * * * * *
+
+Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!...
+de "Stier" zou trouwen...!
+
+Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder
+beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield
+aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje,
+de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp
+en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd,
+men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn
+zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open
+deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen
+moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos
+midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er
+alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer
+en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat
+zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen
+scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige
+relatie wilde hebben.
+
+Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken,
+zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half
+verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de
+beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een
+middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel
+van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de
+straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje
+verdween...
+
+ * * * * *
+
+Het wàs zoo: de "Stier" ging trouwen...!
+
+De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur
+van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den
+preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had
+de scheiding van hun klein vermogentje geëischt, en het zoolange
+jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in háár
+deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste
+dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven.
+Dáár, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige
+stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk
+af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het
+echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage,
+algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich
+beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.
+
+--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de
+oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken
+hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:
+
+--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde,
+alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te
+zeggen.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje
+op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van
+"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En
+er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions
+en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de
+trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou
+hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.
+
+Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de
+kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke
+scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden
+naar het gemeentehuis toe.
+
+Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen
+gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel
+eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten
+hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was
+deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid
+doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange
+haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar
+gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen
+lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de
+snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna
+uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte
+haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet
+op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname
+buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode
+koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend
+gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door
+overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het
+einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als
+schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen
+gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier",
+'t gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende
+schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een
+vrachtwagen loopen had overgehouden.
+
+De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen.
+Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze
+ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd
+onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat
+joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten
+weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den
+burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de
+geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige
+verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij
+een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te
+kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een
+wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de
+Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield
+zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als
+vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep,
+zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.
+
+De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem
+"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook
+Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En
+hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:
+
+--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n
+nieuw boeksken komen hoalen."
+
+De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van
+den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken
+schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid
+hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren
+in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:
+
+--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"
+
+De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer
+hoe vreemdere oogen op.
+
+De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het
+gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop
+van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek
+wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende
+stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke
+ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren,
+alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden
+doorbrengen.
+
+ * * * * *
+
+Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.
+
+Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk
+geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te
+wiegelen aan gespannen touwen vóór de huizen, een vurige triomfboog
+prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met
+zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de
+man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.
+
+Vóór hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij
+gek-plechtig door het feestcomité verwelkomd. Een der leden trad
+gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene
+hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij
+een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders
+weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man
+begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend
+onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog
+en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het
+glas aan haar echtgenoot, die het in één teug ledigde. Dichtbij nu
+bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en
+plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met
+donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het
+gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest
+ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend
+in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig,
+waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen
+door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun
+huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de
+vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met
+fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte
+hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...
+
+Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat
+geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele
+poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer
+hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van
+hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op
+luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en
+woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was
+een abnormale, gekke, rustelooze nacht.
+
+ * * * * *
+
+'s Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den
+loer.
+
+Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de
+Stier en haar man terug te zien.
+
+Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht
+schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes
+opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort
+geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes
+vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen
+boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn
+hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens
+vlugjes in.
+
+--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der
+buren.
+
+De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman
+hoofdknikkend:
+
+--Ieste klasse! scheun weer, hè?" antwoordde hij; en verdween in het
+huisje.
+
+Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo:
+alles goed! Hè! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als
+elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en
+zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet
+zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun
+raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en
+'t leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had.
+Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij
+aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden
+terug.
+
+Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en
+Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het
+_Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te
+nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn
+tuintje en de Stier ontving haar klanten met een
+helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets
+ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch
+ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord
+en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van
+Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend
+in de ongezellige gelagkamer zat.
+
+--Hawèl, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r
+doar bij geweest. Alles es goed, zille!"
+
+--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat
+'t 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboón worden!"
+
+--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da
+vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee
+heure veint gelukkig es!"
+
+--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie
+meugelijk! Pouah! Pouah...!"
+
+Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken
+'t hoofd voor alle verdere verklaringen.
+
+En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wàt
+ze moesten denken.
+
+ * * * * *
+
+Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de
+Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret
+kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of
+"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat
+of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos,
+wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol
+belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in
+'t _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al
+te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er wàs
+iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en
+sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar
+strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van
+zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange
+haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht
+gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan
+ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de
+dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en
+niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps,
+volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.
+
+ * * * * *
+
+'t Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte
+van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken
+waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar
+troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten,
+dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had,
+dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...
+
+--Watte? Watte? Wat ès er mee?" gilden de menschen, trillend van
+ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het
+ware uit den mond halend.
+
+--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds
+razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide
+met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling,
+hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en
+dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk
+niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging
+pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.
+
+--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!"
+brieschte hij.
+
+'t Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met
+hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem
+opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar
+de Stier vertoonde zich niet.
+
+--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en
+'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te lóan en
+te verhuizen?"
+
+Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond
+aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.
+
+--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte
+zijn deur ruw openstampend.
+
+De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een
+kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden
+in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier
+bleef onzichtbaar.
+
+Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige
+straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje
+opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw,
+reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee
+weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken
+elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden
+zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich
+eindelijk vertoonen zou.
+
+Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...
+
+Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en
+pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog
+eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat
+alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was
+afgeloopen.
+
+--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden
+de menschen.
+
+ * * * * *
+
+Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden
+gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer
+gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in
+zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke
+lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare
+klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds
+onveranderlijk hetzelfde:
+
+--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand
+zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."
+
+Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel
+beter...
+
+'t Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_
+doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den
+nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier,
+niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een
+avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het
+huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.
+
+Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die
+haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en
+vermagerd vond, vroeg enkel:
+
+--Hoe goat 't er mee?"
+
+En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met
+ietwat matte, trieste stem:
+
+--O nog al goed; en mee ou?
+
+--O, euk nog al goed.
+
+Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen
+enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig
+om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam
+sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.
+
+--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.
+
+--'K 'n hè nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as
+'n potse káffee drijnken.
+
+Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden
+ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar
+kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met
+strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en
+stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.
+
+--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of
+snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.
+
+--'t Hè passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den
+achternoen hè 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud
+doen dekken, antwoordde zij.
+
+--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het
+in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets
+meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.
+
+Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan,
+genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op
+zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij
+was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en
+onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine
+oogjes slaperig half open.
+
+--Wat dijnkt ou? Zoên we nie goan sloapen? stelde hij voor.
+
+--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.
+
+Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de
+voordeur dicht te doen.
+
+Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders
+dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Eén hing er in
+haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.
+
+--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.
+
+--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.
+
+Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen
+aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap,
+naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van
+'t stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote
+schaduwen over de witte muren.
+
+Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de
+hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij
+met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had
+aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en
+zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn
+deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.
+
+--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte
+stem.
+
+Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op
+'t smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles
+plotseling heel stil en donker.
+
+Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke
+vlokken...
+
+
+
+VII.
+BEROUW.
+
+Dit is 'n héél zware en droeve obsessie geweest...
+
+'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts,
+niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis.
+Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in
+vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil,
+treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de
+vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den
+blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede
+heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles
+vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!
+
+Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid,
+de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede
+zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen,
+zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de
+vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de
+wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden
+rythmus, halend open...
+
+Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en
+luikjes open; één met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide
+kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de
+luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met
+dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als
+omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien
+kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.
+
+In dat huisje is een doode.
+
+ * * * * *
+
+Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend.
+Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets
+valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een héél slechte
+reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard,
+een vechter en bijna een moordenaar.
+
+Die kwade naam was verdiend. Hij wàs lui,
+hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij
+wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon,
+stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel
+van kwaad tot erger. Nu moèst hij wel van roof en diefstal leven,
+want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen
+hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte
+dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het
+dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette
+zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad
+betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen
+hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er
+nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was
+sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de
+mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur
+had hij in de gevangenis gezeten.
+
+Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die
+'s avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand,
+geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde
+uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.
+
+Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche
+dorp verademde en juichte:
+
+"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"
+
+Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot
+tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals
+hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er
+bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van
+bijna naïeve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor
+deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:
+
+--'K hè mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."
+
+De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien
+avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn
+lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt;
+hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook
+trouwens midden in den nacht gepleegd. Wáár had hij dien nacht dan
+verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.
+
+--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen hè!" herhaalde Jules
+een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur
+behoorde.
+
+Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur
+ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld
+werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de
+gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette
+dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om
+met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in
+schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins
+bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn
+brood wenscht te komen. Wáárom sliep hij als een vagebond in de
+schuren? vroegen de gendarmen.
+
+--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde
+Jules.
+
+De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier
+van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen
+zoo redeneerde!
+
+--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met
+nadruk.
+
+--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.
+
+--Joa ik," zei Jules.
+
+--Woar es 't?"
+
+--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons
+huizeken van t' huren."
+
+Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar
+honderd frank in mooie zilverstukken.
+
+Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in
+bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld
+hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.
+
+--'t Es hem! 't ês hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders
+gedreiën, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"
+
+--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.
+
+--'t Es hem! 't ês hem!" herhaalde de boer met onverstoorde
+overtuiging.
+
+--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.
+
+De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun
+overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules wàs een der daders en
+proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.
+
+ * * * * *
+
+Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte
+rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij
+zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de
+boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen
+huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en
+trouwden.
+
+Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de
+correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem
+aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou
+hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig
+had?
+
+Vóór de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele
+beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken
+nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het
+allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten
+te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen
+berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken
+leven leidde.
+
+--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hên?" vroeg
+de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik
+te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat
+achtten.
+
+Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde
+beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een
+jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.
+
+Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.
+
+ * * * * *
+
+Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan
+Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden
+onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam
+op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met
+de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw
+met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.
+
+--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje,
+dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de
+gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang,
+verrukt aanstaren.
+
+--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.
+
+--Jules... Julken," snikte zij.
+
+--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van
+het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...
+
+ * * * * *
+
+Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte
+gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche
+rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre,
+verre gedachten.
+
+--'t Kot hè hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij hè bereiw,
+hij es broave geworden."
+
+ * * * * *
+
+Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn
+geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde
+sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen
+gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek
+met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware
+een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren
+klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij
+uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin,
+scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang,
+hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe
+het met hem was.
+
+Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had
+hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar
+eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond
+daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen
+den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze,
+verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er
+onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.
+
+--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat
+gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze
+gevroagd worden?"
+
+Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder
+in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan
+doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat
+hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie
+van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zoovéél dat
+hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij
+het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vól met van die lange, smalle,
+witte kisten onder 't groene gras.
+
+--Ge ziè wel da ze gevroagd worden; da wordt àltijd gevroagd," was
+eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.
+
+En meer was er niet uit te krijgen...
+
+ * * * * *
+
+... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het
+groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de
+grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan
+het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den
+drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden
+en zilveren franjes vóór de dichte, groene luikjes...
+
+Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam
+uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat
+hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil
+verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen
+de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een
+van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op
+voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog
+altijd meer moest timmeren...
+
+Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge
+vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het
+stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met
+uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt
+'t kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in
+zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve
+duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank,
+geen zucht, geen adem komt naar buiten.
+
+Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde
+velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De
+groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder
+lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar
+stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en
+puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte
+wolkjes...
+
+
+
+VIII.
+PEETJE PRUIS.
+
+In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en
+Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in
+Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur.
+Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen
+hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen,
+en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.
+
+Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de
+Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen
+van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich
+Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze
+geïllustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: diè
+welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek
+eenigszins op Bismarck; dàt oud, gebogen ventje uit het
+Armenhuis op Moltke, diè handelsreiziger, die om de zooveel weken
+met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo
+was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning
+Wilhelm.
+
+Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp,
+met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het
+nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met
+gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze
+persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere
+kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het
+ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge,
+donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als
+sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte
+zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en
+fluweelzacht-golvende gazons.
+
+Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet
+bizonderen naam van Amédé Fruytier. Hij hield van lekker eten en
+drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las
+iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.
+
+Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke
+opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel
+precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was
+er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en
+buiten alle partijen stond.
+
+--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend,
+als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en
+zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis
+op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en
+veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."
+
+Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets
+goed-ruws hebben. Hij dééd dan wel heel barsch en sprak wel heel
+kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te
+verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig
+ijdel!
+
+ * * * * *
+
+Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij
+gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wèl de moeite
+waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n
+volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop
+gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn
+vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de
+rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun,
+uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten
+voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer,
+Louis Napoléon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders
+worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!
+
+Hij prononceerde: "Lowie Napoléon" en hij sprak over den Franschen
+Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende.
+Lowie Napoléon zou dit, Lowie Napoléon zou dàt; Lowie Napoléon had
+zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer
+Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel
+enkele bevoorrechten behoorde.
+
+Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Wörth,
+Froeschwiller; en onze geïllustreerde bladen, die eerst niets dan
+Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag
+meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en
+de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.
+
+Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke
+kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van
+den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en
+toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde
+en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zóó treffend, dat
+hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij
+kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen,
+streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en
+vroeg:
+
+--Zie-je gien gelijkenesse?"
+
+--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd,
+door het evenbeeld getroffen.
+
+En mevrouw werd er haast bang onder.
+
+--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.
+
+--Watte!... Wa zoên ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte
+achteroverhellend.
+
+--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met
+verschrikte oogen.
+
+--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten
+lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.
+
+
+ * * * * *
+
+Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone
+"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten
+Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn
+vrienden, haalde 't geïllustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn
+zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het
+konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:
+
+--Hm! Hè-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt
+ge 't?"
+
+--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich
+de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht
+vergelijkend.
+
+--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van
+trots en pret.
+
+Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun
+liet zien wat onderaan stond:
+
+Willem I, Koning van Pruisen.
+
+--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de
+vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie
+dreupels woater! Scheirt ouën board op ouë kinne wig en iederien zal
+mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"
+
+ * * * * *
+
+Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers
+buitenlandsch-politieke gevoelens.
+
+Zonder bepaald op Lowie Napoléon af te geven, die zeer zeker een
+beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten
+invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te
+mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde
+niet lang of de sympathieën van meneer Fruytier en met de zijne ook
+die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van
+het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij
+aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij
+grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn
+voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op
+familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over
+de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij
+weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoléon
+gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom
+verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn
+houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en
+stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook
+of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl
+integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden
+merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:
+
+--Verdeeke! menier Fruytier, ouën board valt uit op ouë kinne. Nou
+wordt-e percies Peetje Pruis!"
+
+--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid
+gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in
+'t dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij
+wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het
+deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht
+erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.
+
+--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hên." raadden
+zijn vrienden hem aan.
+
+Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op
+een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin
+in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem
+na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie"
+beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren,
+en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg
+verdwijnen.
+
+--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde
+huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.
+
+Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het
+ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn,
+ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.
+
+--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hên Lowie Napoléon vaste? _We_ 'n moén
+nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt
+Parijs in onz' handen"...
+
+O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!...
+'t Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de
+koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!
+
+De sensationeele berichten zwollen tot de
+proporties van een algemeene wereldramp, die ook óns zou komen
+aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen
+het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen
+dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de
+dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak
+van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te
+bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had,
+maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.
+
+ * * * * *
+
+Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij
+kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in
+de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij
+zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:
+
+--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"
+
+--Och Hier och God! dàt 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en
+dochter ontsteld overeind.
+
+--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een
+beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.
+
+Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich
+smeekend, snikkend aan zijn kleeren.
+
+--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze
+goan ou ginter deudschieten!"
+
+--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.
+
+--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou
+b'lieft!"
+
+--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en
+vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"
+
+--O, wacht te minsten nog nen dag of twieë, nog ienen dag! nog nen
+halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen
+uchtijnk, tot da we gelezen hén wat dat er in de gazet over
+geschreven stoat!"
+
+Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste
+overhalen.--Goed. Hij zòù wachten tot den volgenden ochtend. Maar
+zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste
+nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en
+bleef onherroepelijk; hij móèst, hij wilde er naartoe. Hij had het
+plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.
+
+Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te
+pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer
+van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind,
+met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.
+
+Reeds vóór het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw
+en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op
+hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende
+aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn
+brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anaïs, de
+dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar
+de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar,
+met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te
+doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij
+geen toebereidselen tot vertrek maken.
+
+Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was,
+het volgende sensationeel bericht:
+
+"Duizenden en duizenden soldaten van het
+"Fransche leger komen onophoudelijk over de
+"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond
+"en allen verkeeren in een allerdroevigsten
+"toestand van uitputting en ellende. Zij worden
+"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk,
+"per spoorweg, naar verschillende plaatsen
+"van het land gedirigeerd. Gisteren avond
+"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik,
+"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee
+"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden
+"er ook twee naar Gent gestuurd, waar
+"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den
+"namiddag zullen aankomen."
+
+Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:
+
+--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.
+
+Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw
+strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.
+
+--En mijn reize noar Sedan?" zei hij.
+
+--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur
+troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw
+Fruytier.
+
+Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.
+
+--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da
+euk wille zien," drong zij aan.
+
+"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps
+opgewonden overeind staande.
+
+ * * * * *
+
+'t Was als een kermisdag in Gent...
+
+Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle
+gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de
+aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.
+
+Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er
+omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was
+overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een
+betrekkelijke orde te handhaven.
+
+Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter,
+elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas
+geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten
+gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover.
+Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme
+sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder
+op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en
+'t maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat
+voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich
+gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet
+hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem
+verhinderd hadden naar Sedan te gaan.
+
+--Wa ès da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!"
+bromde hij.
+
+--'n Beetse passiëncie, man, 'n beetse passiëncie, Pa, smeekten
+vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende
+menigte bijna stikten.
+
+Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.
+
+Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel
+der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard
+voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels
+rechts en links omlijst.
+
+De Fransche krijgsgevangenen!...
+
+Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend
+rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie,
+met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op
+'t stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en
+machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.
+
+Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere,
+hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren,
+ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen
+was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten
+hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de
+bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw
+geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband
+gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe
+kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een
+lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte
+oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als
+een lijk.
+
+De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte
+van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste
+van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die
+welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu
+eindelijk van héél dichtbij, Dàt waar ze maanden van gedroomd en
+zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dàt was
+er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door
+bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten
+waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood
+werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid,
+'t was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche
+Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel
+opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de
+aarde weer in puin stortte.
+
+--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw
+Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.
+
+--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En
+eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet
+goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem
+stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te
+snikken als een kind...
+
+ * * * * *
+
+Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard.
+Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding
+was gedweeër, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve
+autoriteit.
+
+Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...
+
+
+
+IX.
+VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.
+
+Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan
+Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong
+koewachterken denk...
+
+'t Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was
+ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche,
+groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden
+boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen
+prachttooi.
+
+Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poëtisch verscholen,
+met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het
+groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met
+een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine,
+groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.
+
+Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met
+haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.
+
+Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch
+poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met
+fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen
+heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en
+zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode
+lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken
+moest.--Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een
+guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder
+soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd"
+zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe
+en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt
+door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend
+om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem
+gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke
+liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat
+alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde
+ze hem soms.
+
+ * * * * *
+
+'t Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes
+neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal
+frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden.
+Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de
+verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene
+gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de
+overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En
+'t was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo
+liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feërie van
+licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.
+
+ * * * * *
+
+Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden
+woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om
+nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van
+'t boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg
+of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op
+en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te
+krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar
+ongeëvenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een
+beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en
+oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.
+
+Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den
+lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje
+binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond
+er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn
+eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke
+netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de
+versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers
+blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardsteê,
+onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje,
+reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste
+kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte,
+schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar
+schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar
+elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar
+als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere;
+en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in
+afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden.
+Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van
+Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt
+werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom
+van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine
+eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in
+het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak
+scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met
+grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig
+denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die
+midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had
+staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen
+een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn
+verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige
+vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven
+een héél zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het
+rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende
+lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...
+
+
+ * * * * *
+
+Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die
+omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar
+ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande
+deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.
+
+Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij,
+met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.
+
+Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.
+
+--Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou
+leven gezien 'n hét?" fluistert zij met een vreemde, half lachende.
+half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch
+gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En
+schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.
+
+Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn
+oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen.
+zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder
+een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.
+
+--Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.
+
+--Stt!" sist ze, met den vinger vóór den mond. En zacht duwt ze mij
+half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.
+
+Het duurt een poosje vóór ik in die grauwe schemering iets
+duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar
+door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren
+licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:
+
+In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op
+die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend,
+stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong
+kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt
+en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van
+toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide
+rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren,
+dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in
+wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet
+begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.
+
+--Da ès iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze
+toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:
+
+--Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschiën!"
+
+Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje
+zich om, staat daar even sidderend vóór ons, met zijn mes in de hand.
+Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem
+'t mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een
+kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele
+sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en
+paarsrood van wilde inspanning.
+
+--Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden.
+"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as
+'t nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala,
+leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen
+nie mier!"
+
+Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep
+om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.
+
+Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en
+mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch
+nog eens eventjes goed opnemen, vóór ik haar verder over dat gekke
+gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar
+wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar
+voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi
+rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en
+inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar
+schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige,
+bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo
+verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te
+krijgen.
+
+--Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie
+vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.
+
+Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die
+kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd
+geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter,
+van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden
+zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna
+handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij
+koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er
+dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te
+gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu
+'n sloeberken, doar 'n hè-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter;
+ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur
+zijn wirk w'hán hem al wel honder kiers wiggezonden..."
+
+ * * * * *
+
+Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn
+eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de
+hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al
+lang geleden...!
+
+Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo
+heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weêrgezien. Wat is er
+geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van
+'t vechtlustig Feelken... ik weet het niet!--Zoo nu en dan, in den
+loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het
+verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag,
+vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche
+vlammetjes in 't eenzaam haardje, vóór mijn geest opglansde en als
+een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,--hoe of waarom juist
+gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er
+eenige aanleiding toe--gisteren kwam het zich eensklaps met de
+kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de
+oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen
+van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn
+geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik móést er heen.
+
+ * * * * *
+
+'t Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.--De
+wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende
+moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze
+waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast
+scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome
+benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht
+zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes
+voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend
+als van weemoedig, heimweeïg verlangen, in hun haastige, haastige
+vlucht naar mildere oorden.
+
+Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de
+sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en
+als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd
+roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het
+winterdoodsche boomgaardje, kom vóór het groen, half open
+boogdeurtje.
+
+--Gien belet?'
+
+--Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.
+
+--Dag Zieneken!..."
+
+Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een
+heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een
+vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite
+raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend,
+vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel
+roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan.
+Blijkbaar herkent ze mij niet.
+
+--Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne
+komen om mijn puipken t' onsteken?"
+
+--Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide
+handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en
+blozende wangen, komt ze naar mij toe:
+
+--O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend
+hèn!"
+
+En wij praten over het verleden...
+
+Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder
+van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet
+komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten
+zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar
+oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en
+zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.--Moar zet ou,
+meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie;
+'k hè al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons
+allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n
+dreupelke pakken...?"
+
+Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeïge emotie. Ik voel ineens
+den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is
+in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met
+links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt
+werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen
+melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange,
+bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken
+aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog,
+waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf
+zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde
+gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte
+haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds
+levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo
+schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten
+onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van
+mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger
+verloren. De jaren, de zorgen, en àl die kinderen hebben hun
+vernielingswerk aan haar verricht.
+
+Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend
+over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik
+weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en
+zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering
+van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven,
+somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een
+beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poëzie
+en lente?
+
+Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.
+
+--En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee
+zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es
+'t zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?
+
+--Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es
+'t broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den
+boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."
+
+En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de
+wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar.
+beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande
+staldeur verdween.
+
+Feelken!... O, was dàt het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo
+oud, zoo afgeleefd, versleten...!
+
+--'t Veintsjen hè zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei
+Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en
+allien achtergebleven met drei kleine kinders..."
+
+Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje
+datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine
+koewachter, met messen wilde vechten?
+
+--O nien, nien 't," zei Zieneken; de dieë was al lank vergeten.
+
+'t Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling
+geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje.
+Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren
+voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, héél
+oude vreemdeling geworden...!
+
+Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren
+ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het
+achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even
+likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.
+
+Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in
+verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar
+spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een
+heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje
+zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige
+eenzaamheid van het verlaten keukentje...
+
+ * * * * *
+
+'t Is uit... ik voel dat het voor àltijd uit is en dat ik nooit op
+het aardig boerderijtje meer terug zal komen...
+
+Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen
+schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje
+oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,...
+twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen
+en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt
+elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is
+mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes
+zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs
+den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van
+bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige
+verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong
+koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering
+van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen
+te bewaren...
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE ***
+
+***** This file should be named 18069-8.txt or 18069-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/0/6/18069/
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/18069-8.zip b/18069-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..ba95262
--- /dev/null
+++ b/18069-8.zip
Binary files differ
diff --git a/18069-h.zip b/18069-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..5f27e91
--- /dev/null
+++ b/18069-h.zip
Binary files differ
diff --git a/18069-h/18069-h.htm b/18069-h/18069-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..4b794ab
--- /dev/null
+++ b/18069-h/18069-h.htm
@@ -0,0 +1,5548 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Lente, by AUTHOR.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ }
+
+ .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */
+ /* visibility: hidden; */
+ position: absolute;
+ left: 92%;
+ font-size: smaller;
+ text-align: right;
+ } /* page numbers */
+
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Lente
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: March 29, 2006 [EBook #18069]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE ***
+
+
+
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<h1>LENTE</h1>
+
+ <h1>Cyriel Buysse</h1>
+
+ <h1>1907</h1>
+
+ <h2 style="text-align: left">INHOUD.</h2>
+
+ <p><a href="#LENTE.">LENTE.</a></p>
+
+ <p><a href="#OBSESSIES.">OBSESSIES.</a></p>
+
+ <p><a href="#I._HET_BEZOEK_VAN_ENGEL_GABRIEL_OP_AARDE._">I. Het
+ bezoek van engel Gabri&euml;l op aarde.</a><br />
+ <a href="#II._HET_HONDJE._">II. Het hondje.</a><br />
+ <a href="#III._HET_SLECHT_VIJFFRANKSTUK._">III. Het slecht
+ vijffrankstuk</a><br />
+ <a href="#IV._DEN_BINDER._">IV. "Den Binder"</a><br />
+ <a href="#V._RESTITUTIE._">V. Restitutie.</a><br />
+ <a href="#VI._DE_STIER._">VI. De Stier.</a><br />
+ <a href="#VII._BEROUW._">VII. Berouw.</a><br />
+ <a href="#VIII._PEETJE_PRUIS._">VIII. Peetje Pruis.</a><br />
+ <a href="#IX._VAN_TOEKOMST_EN_VERLEDEN._">IX. Van toekomst en
+ verleden.</a></p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+ <h3><a name="LENTE."
+ id="LENTE.">LENTE.</a></h3>
+
+<p>Tante Zeunia lag op sterven...</p>
+
+<p>Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken
+en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar
+beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef
+tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog
+eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in
+zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder
+haar nog eens te zien.</p>
+
+<p>&mdash;Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien
+voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al
+haar grillen te voldoen.</p>
+
+<p>&mdash;Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht.</p>
+
+<p>En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog
+dienzelfden avond zouden schrijven.</p>
+
+<p>Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te
+Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was
+Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds
+lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen
+tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had
+gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder
+gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer
+verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden.</p>
+
+<p>Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging,
+Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en
+verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld,
+het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij
+haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven
+suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer
+toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts.</p>
+
+<p>&mdash;Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje.</p>
+
+<p>&mdash;Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje.</p>
+
+<p>&mdash;Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille
+wij moete schrijven, e-woar?"</p>
+
+<p>Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder
+verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken
+bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar
+steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat
+achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had
+gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen!
+Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte
+vraag van zijn jongeren broeder:</p>
+
+<p>&mdash;Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te
+doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien
+keunen ontirven."</p>
+
+<p>&mdash;Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerd&uacute;le over spreken,"
+raadde Standje.</p>
+
+<p>Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden
+den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder
+omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint,
+achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden
+neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden
+glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging,
+en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de
+illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet.</p>
+
+<p>Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij
+was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat
+gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst.
+Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur
+was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een
+vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een
+seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen
+stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn
+dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo
+keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel
+vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der
+vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen
+boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der
+hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem
+daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen
+verwerven.</p>
+
+<p>Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar
+zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en
+beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge
+schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte
+en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe
+oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een
+glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij
+hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens
+uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren.
+Belzemien, en ook zijn zuster Cord&uacute;la, die het huishouden deed en
+nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke
+zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij
+zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst
+op 't boerderijtje niet gehuurd.</p>
+
+<p>De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg
+gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte
+geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht
+der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder
+beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als
+het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van
+boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar
+nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke
+sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht
+als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder
+zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig,
+schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes,
+volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag,
+grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden
+boomgaard van hun boerderijtje.</p>
+
+<p>Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend
+goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en
+glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even
+verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide
+stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun
+wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche
+lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde
+broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog
+van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen
+Cord&uacute;la, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws.</p>
+
+<p>Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels
+van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur
+geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin
+Cord&uacute;la reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje
+gevolgd.</p>
+
+<p>&mdash;Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid,
+de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd.</p>
+
+<p>&mdash;Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met
+een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in
+den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en
+ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante.</p>
+
+<p>Coben en Cord&uacute;la luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard,
+met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn
+langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen
+broer opvangend. Cord&uacute;la, vier jaar jonger dan Belzemien, had een
+beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond,
+groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar,
+dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte
+kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders
+droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een
+zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin
+verkleurd was. Cord&uacute;la, mager en gebogen, met smalle, ingevallen
+borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit.
+Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met
+haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar
+van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in
+dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn
+steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus
+scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het
+stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en
+stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid
+verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of
+meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van
+laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en
+een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op
+den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van
+Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde
+knechts der hoeve waren.</p>
+
+<p>&mdash;Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep
+wenkbrauw-fronsend Cord&uacute;la, toen Belzemien ten slotte het nogmaals
+herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje.</p>
+
+<p>Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof
+hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna
+agressieven toon.</p>
+
+<p>Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?&mdash;Alles zou er van
+afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van
+den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou
+ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk
+niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval
+mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst
+niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot
+gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden,
+haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar
+deel,&mdash;dat van haar overleden moeder&mdash;mocht en zou ze hebben, maar
+ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen!</p>
+
+<p>&mdash;Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n
+dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte
+mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op
+Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong
+nichtje nu volstrekt te willen zien.</p>
+
+<p>Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren
+zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest
+ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar
+de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag,
+en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cord&uacute;la's groengeverfd
+werktafeltje.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe lank es da nou gele&ecirc;n dat Leontine hier mee heur ieste
+communie geweest h&ecirc;t?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e
+gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch
+schrijve?"</p>
+
+<p>Hoe lang...? Cord&uacute;la telde even op haar vingers na en wist het
+dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd
+sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was
+toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met
+Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal
+nog zou kennen.</p>
+
+<p>Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar
+toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een
+groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens
+Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en
+aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief
+in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, h&egrave;?... hoe
+dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven?</p>
+
+<p>Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes
+aan; en zonder notitie te nemen van Cord&uacute;la's nurksch gebrom en
+Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje,
+die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon:</p>
+
+<p>"Ma ch&egrave;re ni&egrave;ce L&eacute;ontine.
+"J'ai l'honeur de vous inform&eacute; que...</p>
+
+<p>Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest
+vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij
+zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had,
+hakte hij maar terstond de moeilijkheid door:</p>
+
+<p>"... que tante Zeunia est tr&egrave; malade en danger
+"de mort et quel ma charger de vous &eacute;crire
+"quel d&eacute;sir de vous voir avant de mourir.
+"Venez donc directement comme possible
+"et &eacute;criver par quel train. Onkel..."</p>
+
+
+<p>Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen:</p>
+
+<p>&mdash;As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen.
+Wie dan van ulder h&ecirc;t er...?"</p>
+
+<p>&mdash;Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei
+Standje met een soort van haast.</p>
+
+<p>En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door
+'t venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde
+verder.</p>
+
+<p>"... Onkel Constant seront avec le tilbury et
+"cheval a la station pour vous atandre."</p>
+
+<p>&mdash;Mee den tieprie, nog al! Woarveuren d&agrave;, verdeeke! H&egrave; ze zij gien
+bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den
+tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cord&uacute;la
+nijdig in.</p>
+
+<p>Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook
+iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig
+sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend
+gezagvoerend:</p>
+
+<p>&mdash;'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn.
+En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?"</p>
+
+<p>Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong
+koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie
+broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje
+op hun boerderij wel zouden doen. Cord&uacute;la's meening klonk kortaf en
+categorisch:</p>
+
+<p>&mdash;Niets bezonders. Ze zal 't hier h&eacute;n lijk of we 't zelf h&eacute;n; en es
+ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!"</p>
+
+<p>Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander
+aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor
+Cord&uacute;la en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren.</p>
+
+<p>&mdash;Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij
+veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering
+zijner kleine oogjes.</p>
+
+<p>&mdash;Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk
+'t kort-afdoende antwoord.</p>
+
+<p>Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje
+keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch
+leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de
+gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou
+nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen?</p>
+
+<p>&mdash;Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cord&uacute;la uitdagend.
+"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie
+mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot
+zijn!"</p>
+
+<p>De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht.
+Cord&uacute;la was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje
+nog even de vraag:</p>
+
+<p>&mdash;En woar moe ze sloapen?"</p>
+
+<p>&mdash;Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde."</p>
+
+<p>&mdash;O! niet in de beste koamer!"</p>
+
+<p>Cord&uacute;la keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde
+oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En
+plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie:</p>
+
+<p>&mdash;Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe
+komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in
+moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?"</p>
+
+<p>De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cord&uacute;la in haar kwade
+buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet
+tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog
+wel.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de
+boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's
+antwoord.</p>
+
+<p>Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het
+velletje papier er uit, ontvouwde dit en las:</p>
+
+<p>"Beminde nonkels en tante,
+"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord
+"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de
+"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat
+"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij
+"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei
+"met de train die om zes uur in de station van
+"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog
+"wel heel goed en hoop u te vind in goed
+"gezonteit.
+"UW bemint nichtje
+LEONTINE."</p>
+
+<p>&mdash;Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog
+'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het
+eigenaardig briefje. Maar Cord&uacute;la spotlachte smalend om dat
+onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend,
+het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende
+oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit,
+terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog:</p>
+
+<p>&mdash;O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van
+die goeje ziepe!"</p>
+
+<p>Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne,
+goeriekende ziepe."</p>
+
+<p>Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling
+zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze
+'t insgelijks Cord&uacute;la trachtten te doen ruiken, trok deze zich met
+een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend:</p>
+
+<p>&mdash;O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd?
+Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die
+P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen.
+'K zal 't in de beke smijten!"</p>
+
+<p>De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken
+oogslag met elkander wisselen. Cord&uacute;la kon nog eens gevaarlijk
+worden in haar onweersbuien.</p>
+
+<p>Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen
+en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich:</p>
+
+<p>&mdash;H&egrave;, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze"
+trekken."</p>
+
+<p>Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde
+Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder
+een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury.</p>
+
+<p>&mdash;Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje.</p>
+
+<p>Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een
+zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond,
+die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen.</p>
+
+<p>&mdash;Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje.</p>
+
+<p>De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn
+hok terug.</p>
+
+<p>&mdash;En nou de kerre," zei Standje.</p>
+
+<p>Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af
+en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere
+vensterramen van het woonhuis toe.</p>
+
+<p>De kar werd stil op zij geduwd.</p>
+
+<p>Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de
+verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend,
+kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het
+erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas
+geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte
+hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend.</p>
+
+<p>&mdash;Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of
+'t harnas van den tieprie in order es."</p>
+
+<p>&mdash;Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij
+goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van
+ulder peuten scheiren, zegt hij."</p>
+
+<p>&mdash;Ah, c'est &ccedil;a, c'est &ccedil;a," glimlachte Standje tevreden.</p>
+
+<p>Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een
+nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis,
+zei, bijna fluisterend, tot Pierken:</p>
+
+<p>&mdash;Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen
+achter de muur van de loeze."</p>
+
+<p>Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de
+achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!...
+juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op
+'t zelfde oogenblik Cord&uacute;la op den drempel van het woonhuis staan.</p>
+
+<p>&mdash;Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij
+desnoods tot scherpen tegenstand bereid.</p>
+
+<p>Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte
+Cord&uacute;la geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het
+rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet
+zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde
+zij naar de stallen toe:</p>
+
+<p>&mdash;H&eacute;! Leenie! Leenie!"</p>
+
+<p>Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de
+haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met
+opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder
+opgestropte mouwen.</p>
+
+<p>&mdash;Wa es er, bezinne?" riep zij.</p>
+
+<p>&mdash;H&eacute;-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cord&uacute;la.</p>
+
+<p>&mdash;Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid.</p>
+
+<p>&mdash;Hawel, as ge gedoan h&ecirc;t komt in huis om mij 't helpen schuren!"</p>
+
+<p>Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat?
+schuren op een woensdag! H&egrave;... zou zelfs Cord&uacute;la, ter eere van de
+komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide
+met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van
+onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het
+kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor
+gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was
+schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend
+gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar
+wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het
+wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende
+klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!"
+suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige
+opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te
+spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen,
+grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden
+geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje
+wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje.</p>
+
+<p>Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten
+van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne,
+strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch
+belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij
+van het wachthuisje staan.</p>
+
+<p>&mdash;Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie
+bij den breidel vasthoudend.</p>
+
+<p>Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een
+enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht
+voor 't kleine station gereden.</p>
+
+<p>&mdash;Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds
+dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende
+manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd
+omwendde.</p>
+
+<p>De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen
+uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar.</p>
+
+<p>&mdash;Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij
+haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar
+plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier,
+een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een
+grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig
+frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende
+oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend
+schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje
+van verre riep:</p>
+
+<p>&mdash;Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!"</p>
+
+<p>&mdash;Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand
+tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde,
+een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging,
+en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd
+onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn
+harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde:</p>
+
+<p>&mdash;Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee
+ou?"</p>
+
+<p>&mdash;Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje,
+geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat
+begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan
+met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo
+mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en
+ontroerd door haar gansche verschijning.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es
+'t thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.&mdash;En dan weer
+angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou
+hou, Bello, hou hou...!"&mdash;Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn
+peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar
+hier, 'k zal 't onder de bank steken."</p>
+
+<p>Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte
+zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de
+stille straten van het kleine plaatsje.</p>
+
+<p>&mdash;En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag.</p>
+
+<p>&mdash;O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie
+niet meer wetend wat hij zei.</p>
+
+<p>&mdash;Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje
+hem diep verbaasd aan.</p>
+
+<p>&mdash;Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde
+Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur
+es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?"</p>
+
+<p>&mdash;Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur
+vandoag nog keune zien, nonkel?"</p>
+
+<p>&mdash;Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r
+mee ou noartoe goan."</p>
+
+<p>Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cord&uacute;la ging, en
+met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar
+aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en
+verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den
+indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de
+handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo
+fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming,
+dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit
+haar briefje opgesnoven had.</p>
+
+<p>Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de
+houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve,
+stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom
+strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar
+voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen
+donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en
+hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken,
+frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne,
+tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als
+eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote
+boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en
+in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden
+eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken.</p>
+
+<p>&mdash;O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't
+jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal
+rondkijkend.</p>
+
+<p>&mdash;E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen.
+"'n Greut verschil mee P'rijs, he?"</p>
+
+<p>&mdash;O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde
+zij glimlachend.</p>
+
+<p>De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en
+lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het
+zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde,
+slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke
+eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij
+vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels,
+zingend zaten neergestreken.</p>
+
+<p>&mdash;O, qu'est-ce que c'est que &ccedil;a, mon oncle?" riep zij met een zoo
+opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde
+en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou,
+Bello! moest laten hooren.</p>
+
+<p>&mdash;&Ccedil;a, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord
+niet dadelijk vindend.</p>
+
+<p>&mdash;Oh! Et que font-elles?</p>
+
+<p>&mdash;Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer,
+opnieuw om zijn raar taaltje lachend.</p>
+
+<p>&mdash;Comme &ccedil;a, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd.</p>
+
+<p>&mdash;Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje.</p>
+
+<p>&mdash;Et &ccedil;a ne leur fait pas mal? &Ccedil;a ne pique pas?"</p>
+
+<p>&mdash;Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute h&ecirc;n, e-woar? Ze
+zijngen..."</p>
+
+<p>De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig
+kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat
+deze maar half begreep.</p>
+
+<p>&mdash;Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig.</p>
+
+<p>&mdash;Que vous &ecirc;tes une zolie fille!" schertste hij, haar met
+glinsterende oogen aankijkend.</p>
+
+<p>&mdash;Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend.</p>
+
+<p>Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en
+breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen
+juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in
+een wagenspoor bijna omkantelde:</p>
+
+<p>&mdash;O mon oncle! mon oncle! Wat es d&agrave;t toch!"</p>
+
+<p>'t Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den
+blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde
+onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van
+duizend-en-duizenden zoemende bijen.</p>
+
+<p>&mdash;D&agrave;tte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend
+keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend.</p>
+
+<p>&mdash;O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij
+nen bouquet van mee nemen!"</p>
+
+<p>&mdash;Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen
+seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien
+nie geirn hen, as 't hij moest zien..."</p>
+
+<p>&mdash;Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij.</p>
+
+<p>'t Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte
+uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor
+den boer, naar de groote hoeve omkeek.</p>
+
+<p>&mdash;Hmm! Hmm! comme &ccedil;a sent bon!" juichte zij, met volle armen
+plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan
+'t schermen, met haar beide handen.</p>
+
+<p>&mdash;Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke
+worden!"</p>
+
+<p>Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij,
+overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch
+gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden
+schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar
+de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen
+de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds
+zichtbaar werden.</p>
+
+<p>&mdash;Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje.</p>
+
+<p>&mdash;'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps
+jubelde ze 't uit:</p>
+
+<p>&mdash;O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen!
+La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas?
+Oh! comme elle est gentille!"</p>
+
+<p>&mdash;Owie&mdash;owie... &ccedil;&eacute; &ccedil;a!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig
+dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond.</p>
+
+<p>&mdash;En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?"</p>
+
+<p>&mdash;Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je
+wel, dat toreken."</p>
+
+<p>&mdash;Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A
+pr&eacute;sent je me rappelle tout &agrave; fait et je reconnais encore le petit
+clocher. C'est l&agrave; que j'ai fait ma premi&egrave;re communion!"</p>
+
+<p>&mdash;Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje.</p>
+
+<p>Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over
+'t steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over
+den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van
+'t woonhuis stil.</p>
+
+<p>&mdash;Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En
+zij viel in de armen der verbouwereerde Cord&uacute;la, die op den drempel
+was verschenen.&mdash;Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen
+ook van den verbluften Belzemien.&mdash;Bonjour, mon oncle Coben!"...
+En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben.</p>
+
+<p>Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en
+blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van
+gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te
+zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast
+door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet
+minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan
+'t wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank
+overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en
+zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook
+Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard
+naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand,
+keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cord&uacute;la, als om
+haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven
+moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige
+voute-kamer naast haar te doen slapen.</p>
+
+<p>&mdash;O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig
+het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met
+gouden letters uit en bood dien Cord&uacute;la aan.</p>
+
+<p>&mdash;As 't ou blieft, tante, 'k h&ecirc; da uit Parijs veur ou mee gebrocht."</p>
+
+<p>&mdash;Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een
+plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak
+openend.&mdash;Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar,
+kijkt toch ne kier hoe veele."</p>
+
+<p>&mdash;Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend,
+Leontientje.</p>
+
+<p>Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cord&uacute;la; gulzig proevend.</p>
+
+<p>Het was een voile zak pralines, en Cord&uacute;la presenteerde er nu ook
+van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met
+aarzelende vingers zich bedienden.</p>
+
+<p>Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cord&uacute;la vermurwd, en, het
+valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag:</p>
+
+<p>&mdash;W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster!
+Alhier zeker, e-woar?"</p>
+
+<p>En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe.</p>
+
+<p>Cord&uacute;la scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar
+groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al
+vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil:
+'t hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg,
+haastig in haar verbluftheid stotterend:</p>
+
+<p>&mdash;Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier
+moete zien of er niets 'n mankeert."</p>
+
+<p>Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het
+valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel
+neer, kwam er weer uit terwijl Cord&uacute;la met 't nichtje binnentrad,
+en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de
+keuken op, stil juichend:</p>
+
+<p>&mdash;Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of
+'t zijn moet!"</p>
+
+<p>Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben
+en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt,
+zenuwachtig opgewonden:</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie
+meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de
+koeier te doen eten."</p>
+
+<p>&mdash;Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerd&uacute;le
+gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da
+niet meugelijk 'n es."</p>
+
+<p>&mdash;Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan
+zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang
+was den knecht en de meid te beleedigen.</p>
+
+<p>&mdash;Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel
+miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig.</p>
+
+<p>&mdash;Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm
+mee de zuster over klappen."</p>
+
+<p>Cord&uacute;la en Leontientje kwamen terug in de keuken.</p>
+
+<p>&mdash;Wa goa-je gij eten, Leontine? G-h&ecirc;t zeker wel honger noar die
+lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien.</p>
+
+<p>&mdash;Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei
+Leontientje.</p>
+
+<p>Bezorgd keken de broeders naar Cord&uacute;la op. Haast iederen avond aten
+zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen
+smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij
+vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou?</p>
+
+<p>&mdash;Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling,
+angstig omdat Cord&uacute;la nog niet dadelijk op de kwestie inging.</p>
+
+<p>&mdash;O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee
+nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es
+'t bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje.</p>
+
+<p>&mdash;Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte
+dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de
+maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een
+schuw-schichtigen blik op Cord&uacute;la, die maar aldoor stom en stug en
+roerloos stond te luisteren:</p>
+
+<p>&mdash;Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om
+bier goan?"</p>
+
+<p>Plotseling slaakte Leontientje een kreet:</p>
+
+<p>&mdash;O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch
+al mijn scheune blommen!"</p>
+
+<p>&mdash;Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa,
+'t es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal
+z' ou goan hoalen!"</p>
+
+<p>Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong
+veulen naar de "loeze".</p>
+
+<p>In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat.</p>
+
+<p>&mdash;Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid,
+"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie
+zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet
+geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen
+goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden."</p>
+
+<p>&mdash;Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cord&uacute;la
+verontwaardigd.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We mo&ecirc;n iest en
+veural onz' iere koavelen."</p>
+
+<p>Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen.</p>
+
+<p>&mdash;Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch
+en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie
+genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!"
+krijschte Cord&uacute;la.</p>
+
+<p>&mdash;Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld
+afhouden!" riep Standje grootmoedig.</p>
+
+<p>&mdash;Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cord&uacute;la, meteen zich
+overwonnen gevend. "H&egrave;-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen
+'n keunijnksdochter in huis!"</p>
+
+<p>De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden,
+lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cord&uacute;la voorspelde nijdig erge
+ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en
+geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet
+schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje,
+roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan
+toevoegen:</p>
+
+<p>&mdash;Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan
+ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen
+spoaren as 't geld op es!"</p>
+
+<p>Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht
+half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen.</p>
+
+<p>&mdash;Wa h&egrave; ze zij doar!" riep Cord&uacute;la nurksch verbaasd.</p>
+
+<p>&mdash;O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'h&ecirc;n ze lang de wig getrokken!"
+juichte 't meisje.</p>
+
+<p>&mdash;Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde
+Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat
+Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als
+Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht
+vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu
+fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van
+dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, &ccedil;e
+du colza, ma ni&egrave;ce." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch
+mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cord&uacute;la beweerde knorrig dat
+die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en
+ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't
+zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje
+een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste
+kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er
+nog tijd was v&oacute;&oacute;r den eten om eens even rond de boerderij te gaan.</p>
+
+<p>De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille,
+mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cord&uacute;la bleef brommig in
+huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten,
+putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie,
+liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had
+hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig
+blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij,
+in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte
+goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken,
+pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van
+hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde
+lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden
+in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en
+roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een
+wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant.</p>
+
+<p>&mdash;Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij
+haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide
+met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps
+werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en
+las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een
+kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas?
+Tante Cord&uacute;la ne sera pas f&acirc;ch&eacute;e, n'est-ce pas?" terwijl de drie,
+oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk
+oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun
+zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze
+schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig
+afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cord&uacute;la er nog niets van en
+Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier
+Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon
+komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje,
+bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in
+'t smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige
+verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte
+waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche
+opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar
+in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat
+haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten
+haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen
+waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam;
+en eindelijk kwamen zij, door Cord&uacute;la voor het avondmaal geroepen,
+langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende
+appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in
+'t water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan...</p>
+
+<p>Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel
+blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de
+zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een
+laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte
+eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier.
+Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had
+fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer
+tevreden. Cord&uacute;la zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer,
+beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met
+kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen
+ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en
+haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en
+weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje
+scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben.</p>
+
+<p>Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over
+Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog
+steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan
+twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en
+ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel
+werkte.</p>
+
+<p>&mdash;Zeu, zeu, veur ne cors&eacute;-wijnkel nog al!" zei Standje, met een
+ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten,
+'n h&egrave; 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien.</p>
+
+<p>Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende
+handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van
+had.</p>
+
+<p>&mdash;En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde
+Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn
+ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en
+kant. 'K h&egrave; passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het
+azeu aan ou&euml; kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven
+honder fran in."</p>
+
+<p>&mdash;Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle
+drie de ooms verwonderd uit.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, da es zottigheid! viel Cord&uacute;la barsch in. Da es geld wigsmijten
+of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch
+ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed
+droagt!"</p>
+
+<p>&mdash;Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't
+almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend.</p>
+
+<p>&mdash;O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cord&uacute;la met van diepe
+minachting neertrekkende lippen. "De die&euml; 'n zijn nievers beschoamd
+in!"</p>
+
+<p>Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets
+meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar
+frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die
+door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol
+gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje
+keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den
+ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde
+uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon
+gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl
+zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het
+eitje vestigend, gegeneerd stamelde:</p>
+
+<p>&mdash;Mais mon oncle tout de m&ecirc;me... comme vous &ecirc;tes dr&ocirc;le...!</p>
+
+<p>Vaag-achterdochtig keek Cord&uacute;la met een schuinblik naar hem om; maar
+zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de
+anderen niet goed begrepen...</p>
+
+<p>Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen
+buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de
+knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong
+koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch
+hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk,
+vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht,
+donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op
+en groette "elk ne go&ecirc;n oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan
+de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke
+Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks
+opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover
+Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het
+nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de
+keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste
+vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo
+scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar
+huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in
+verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en
+langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij
+voor een vuur stond.</p>
+
+<p>&mdash;He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem
+spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging
+hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van
+Bruuntje. Cord&uacute;la bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende
+pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een
+haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote,
+houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te
+slurpen.</p>
+
+<p>&mdash;Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent
+donc &agrave; m&ecirc;me la terrine, sans assiettes!"</p>
+
+<p>&mdash;Owie, owie, ils ne demandent pas &ccedil;a. &Ccedil;a est comme &ccedil;a comme dans
+le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen
+glimlach.</p>
+
+<p>&mdash;Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel
+overtuiging toe.</p>
+
+<p>Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch
+kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte
+hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was
+zooals Belzemien en Standje zeiden.</p>
+
+<p>&mdash;Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig.</p>
+
+<p>En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming,
+begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te
+praten.</p>
+
+<p>De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar
+'t station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster
+ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen
+nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten
+kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed
+mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was
+hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij
+geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had
+zij ook niet eens meer gevraagd.</p>
+
+<p>&mdash;'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre
+grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd.</p>
+
+<p>&mdash;Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer
+gepraat werd besloten dat Cord&uacute;la er den volgenden ochtend met
+Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder
+bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak
+geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar
+testament zoude kunnen veranderen.</p>
+
+<p>Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken,
+waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels,
+overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna
+gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich
+somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den
+zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cord&uacute;la's
+lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke
+schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van
+heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje
+wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een
+avondluchtje scheppen.</p>
+
+<p>&mdash;O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend
+opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs
+zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cord&uacute;la, goa-je
+gij euk nie ne kier mee?"</p>
+
+<p>&mdash;Moar nien nien ik, en &agrave;l die schotels nog te wasschen zijn!"
+antwoordde, op half bitsen toon, Cord&uacute;la. En tot de dienstmeid:</p>
+
+<p>&mdash;Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan h&ecirc;t goan we 'r al gauwe
+mee beginnen."</p>
+
+<p>Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid
+drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen
+en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het
+landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen,
+onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op.
+Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de
+fee&euml;riek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen
+in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de
+diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen
+witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers
+om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde
+schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek,
+zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van
+diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare
+aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende
+gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote,
+donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen.</p>
+
+<p>&mdash;O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier
+wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje.</p>
+
+<p>&mdash;Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien.</p>
+
+<p>&mdash;Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon.</p>
+
+<p>&mdash;Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune
+worden?" stotterde Coben.</p>
+
+<p>Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de
+zachte harmonie der geheele po&euml;tische stemming, en Leontientje, tot
+de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde:</p>
+
+<p>&mdash;Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?"</p>
+
+<p>Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig
+dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille
+landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in
+traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets
+droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid.
+Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der
+klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar
+even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een
+langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte
+van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een
+verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late
+kar voorbij.</p>
+
+<p>&mdash;O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van
+'t plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met
+als 't ware een zweem van spijt.&mdash;Overal lichten, en voituren en
+scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?"</p>
+
+<p>&mdash;Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog
+eens de broeders.</p>
+
+<p>Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel
+van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms
+door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en
+wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren
+reeds ter ruste. Cord&uacute;la stak een nachtkaars aan en opende de deur
+van de "beste kamer".</p>
+
+<p>&mdash;Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cord&uacute;la, die
+zich even verbaasd half achteruit trok.</p>
+
+<p>&mdash;Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de
+beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het
+jeugdig-frisch meisje gezoend.</p>
+
+<p>&mdash;Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde
+halfluid en verontwaardigd Cord&uacute;la, toen zij in de keuken, bij de
+drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een
+slecht huis woare!"</p>
+
+<p>&mdash;Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk
+nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld.</p>
+
+<p>Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met
+fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen,
+onduidelijke klanken stotterend.</p>
+
+<p>&mdash;Slechte menieren, d&agrave; zijn 't," bromde Cord&uacute;la boos.&mdash;"En gulder,
+ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da
+mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n
+mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit
+verlied van doage!"</p>
+
+<p>Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders
+af, Cord&uacute;la goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar
+boven.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Toen Cord&uacute;la den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in
+het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een
+bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter
+voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had.</p>
+
+<p>&mdash;Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd
+h&ecirc;t? vroeg Cord&uacute;la, zonder evenwel sterk aan te dringen.</p>
+
+<p>&mdash;Niemand, niemand, h&ecirc;t den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met
+stillen nadruk haar woorden.</p>
+
+<p>Cord&uacute;la keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd
+gezicht bij zette.</p>
+
+<p>&mdash;Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze
+berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de
+non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws
+zou sturen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>&mdash;Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei
+gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cord&uacute;la, met Leontientje
+weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde.</p>
+
+<p>&mdash;Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress
+van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!"</p>
+
+<p>&mdash;T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge
+zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe
+dat 't verder afleupt."</p>
+
+<p>&mdash;'t Es da 'k zeu weinig tijd h&egrave;," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan
+mij zeu lank niet missen."</p>
+
+<p>Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden
+ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder
+verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje
+verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We
+zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren."</p>
+
+<p>&mdash;Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg
+pen en papier om aan haar vader te schrijven.</p>
+
+<p>Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje
+haar brief aan 't opstellen was.</p>
+
+<p>&mdash;Wa zo&ecirc;n we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de
+oudste broer knipoogend.</p>
+
+<p>Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had,
+krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig
+verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat
+eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar
+probleem.</p>
+
+<p>&mdash;K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa,
+wa zo&egrave;n we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee
+heur uitrijen?"&mdash;Standje wist eigenlijk w&eacute;l 't een en ander, hij
+had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben
+moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen
+vermoede dwarsboomerij vanwege Cord&uacute;la. Zwijgend ondervragend keek
+hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig,
+ondervragend aankeken.</p>
+
+<p>&mdash;'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje
+voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur
+uitgoan en ien van ulder morgend?"</p>
+
+<p>&mdash;Ba joa, ba joa, we zo&ecirc;n 't meschien azeu keune probeeren," zei
+Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?"</p>
+
+<p>&mdash;Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de
+stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen.</p>
+
+<p>&mdash;Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij
+was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n
+beetsen uitrijen."</p>
+
+<p>&mdash;Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben
+te hakkelen.</p>
+
+<p>Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in
+opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje
+uit het huis kwam:</p>
+
+<p>&mdash;Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den
+achternoene nog ne kier op uitrijen!"</p>
+
+<p>&mdash;Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een
+hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen.</p>
+
+<p>Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien.</p>
+
+<p>Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij
+bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en
+de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde.</p>
+
+<p>Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den
+buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den
+boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in
+bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale
+pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon
+het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de
+boterkarn aan het klutsen ging.</p>
+
+<p>&mdash;O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het
+grappig-eigenaardige der uitvinding verrast.</p>
+
+<p>&mdash;N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar
+verrassing.</p>
+
+<p>Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te
+hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in
+'t achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij
+en wipte, als onder een zweepklap, half op.</p>
+
+<p>&mdash;Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig.</p>
+
+<p>De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit:</p>
+
+<p>&mdash;'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke
+doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa
+vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel."</p>
+
+<p>&mdash;Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend.</p>
+
+<p>&mdash;M&eacute; non, m&eacute; non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien.
+"Ne kier dat hij de goejen trampel h&egrave;t, 'n roaken de peunten hem nie
+meer oan."</p>
+
+<p>&mdash;Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje.</p>
+
+<p>&mdash;Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs
+om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan."</p>
+
+<p>&mdash;Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog
+steeds meelijdend.</p>
+
+<p>&mdash;Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers,
+'n uur en half almets."</p>
+
+<p>&mdash;Ach!... en zonder iene kier te rusten?"</p>
+
+<p>&mdash;Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in
+zijn vel."</p>
+
+<p>&mdash;Och...!"</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe,"
+glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven
+stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure
+moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen."</p>
+
+<p>&mdash;Pauv' b&ecirc;te,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op
+den aldoor trappelenden hond gevestigd.</p>
+
+<p>Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan
+zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het
+gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten
+door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer
+aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden.
+Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend,
+met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende,
+bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn
+naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop.</p>
+
+<p>&mdash;Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van
+het schouwspel afwendend.</p>
+
+<p>&mdash;Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins
+teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden
+boomgaard wandelen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo
+rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er
+opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag
+en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend,
+gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn
+blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond
+halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij
+vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er
+bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan;
+Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig
+scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje
+van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna
+iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers
+door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle
+plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een
+voortdurende roes van opgewondenheid.</p>
+
+<p>Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij
+geen van drie&euml;n uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen
+slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij
+heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun
+oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en
+'t was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk
+opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch
+en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle
+Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!"
+en wanneer Cord&uacute;la niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings
+toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan
+door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte
+zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk
+verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de
+bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij
+eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cord&uacute;la in de keuken kwam
+om te ontbijten.</p>
+
+<p>Maar Cord&uacute;la hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en
+na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van
+lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over
+haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van
+alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te
+durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van
+'t jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin
+veroorzaakt had.</p>
+
+<p>Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen.
+Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar
+eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje
+dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.</p>
+
+<p>&mdash;Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte
+Cord&uacute;la dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee
+thuisgebleven broeders uit. "Wa mo&ecirc;n de meinschen doarvan peizen! Ha
+'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten
+de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophou&ecirc;n, Belzemien!
+Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien
+half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier
+den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge n&oacute;g ou verstand het en
+da g' hier den boas zijt!"</p>
+
+<p>Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest
+hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen?
+Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier
+buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel
+eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de
+geheele oorzaak van alles!&mdash;En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat
+dat betrof mocht Cord&uacute;la gerust zijn: hij hield Standje in 't oog,
+hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd
+terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je
+wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel
+iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever
+niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als
+hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cord&uacute;la
+moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles
+zou in orde komen.</p>
+
+<p>Cord&uacute;la, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het
+mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar
+zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee
+te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens
+te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante
+gesteld was.</p>
+
+<p>Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi
+en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cord&uacute;la's
+vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een
+verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het
+Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene
+zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met
+fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een
+lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.</p>
+
+<p>&mdash;Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte
+Leontientje.</p>
+
+<p>&mdash;Owie, owie, tr&eacute; chaud, nous aurons peut-&ecirc;tre de l'orage," beaamden
+Belzemien en Standje.</p>
+
+<p>De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het
+Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open
+ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van
+witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en
+sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er
+bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de
+oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle
+wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een
+flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als
+zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend
+vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte
+almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en
+eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:</p>
+
+<p>&mdash;O wa h&eacute; 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant,
+wilt e mij liere zwemmen!"</p>
+
+<p>&mdash;Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.</p>
+
+<p>&mdash;O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel
+Constant, en wilt-e 't mij lieren?"</p>
+
+<p>Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de
+jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al
+zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs
+aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om
+Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen;
+doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door
+Cord&uacute;la's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intu&iuml;tie van
+een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, es 't serieus? H&ecirc;t-e oprecht goest om in 't water te
+goan?"</p>
+
+<p>&mdash;O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps
+opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."</p>
+
+<p>&mdash;Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"</p>
+
+<p>Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig
+toegesneld.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij
+'t wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te
+stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit
+wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de
+sidderende hand.</p>
+
+<p>&mdash;Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel
+Coben!" smeekte Leontientje.</p>
+
+<p>En de twee oudere broers, door een gelijke intu&iuml;tie als die van
+Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en
+hoofdschuddend toe.</p>
+
+<p>Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich
+te verkleeden.</p>
+
+<p>Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering
+wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug:
+Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit
+nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen
+boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun
+eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder
+de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als
+een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn
+smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was
+om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine
+bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte,
+nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende
+lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en
+rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en
+te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in
+krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte
+vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en
+verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar
+middel toegeregen witte nachtkleed.</p>
+
+<p>&mdash;Haw&egrave;l-e-wel-e-wel! Haw&egrave;l-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die
+door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te
+kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid,
+het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende
+handen.</p>
+
+<p>&mdash;Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den
+oever glijden.&mdash;Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was.
+Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden
+boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en
+al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle
+kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.</p>
+
+<p>&mdash;Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den
+oever schouderhuiverend.</p>
+
+<p>&mdash;O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom,
+geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."</p>
+
+<p>&mdash;O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze
+voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat
+dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje,
+stak beide handen uit naar Standje&mdash;... en eensklaps, met een
+grooten plons stond zij in het Zonneputje!</p>
+
+<p>&mdash;O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.</p>
+
+<p>Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste,
+koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan
+Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van
+het beekje medetrekken.</p>
+
+<p>Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte
+nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met
+bloote beenen in het helder putje.</p>
+
+<p>&mdash;Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het
+weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en
+zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals
+hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen
+en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om
+haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte
+schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een
+vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.</p>
+
+<p>&mdash;Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op
+den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje,
+als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.</p>
+
+<p>&mdash;Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.</p>
+
+<p>&mdash;Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee ou&euml;
+kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k h&eacute; ou goe vaste."
+En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou
+moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te
+ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen
+oakpuit"(1).</p>
+
+<p>[Noot van de schrijver:
+(1) Kikvorsch.]</p>
+
+<p>Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij
+kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer,
+omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje,
+gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en
+Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om
+niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid
+van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren
+komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren
+knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door
+het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van
+walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een
+boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen
+recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog
+rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter
+wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen.
+Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan,
+schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms
+nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef
+terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:</p>
+
+<p>&mdash;'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er
+nou moar uit. Kerd&uacute;le kan doar alle menuten weere zijn!"</p>
+
+<p>Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en
+plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in
+het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan
+naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te
+helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden,
+zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje
+een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van
+dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien.
+Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen
+lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende
+pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen,
+vluchtten naar het woonhuis toe.</p>
+
+<p>Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn
+druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige
+bond met ruige haren.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen;
+Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van
+verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine
+en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun
+dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de
+zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige
+lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.</p>
+
+<p>Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok
+niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende
+kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel
+de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n
+ziele" zooals de menschen zeiden.&mdash;O, zou Tante misschien
+plotseling...</p>
+
+<p>Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te
+spreken. Eensklaps kwam Cord&uacute;la hijgend om den hoek van 't huis met
+opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle
+stem en strakke, donkere oogen:</p>
+
+<p>&mdash;Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom
+seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren
+aflezen!"</p>
+
+<p>Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood?
+Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De
+ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens
+vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren;
+de broers, Leontientje, Cord&uacute;la, liepen zenuwachtig, als verloren
+heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet
+duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis,
+het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij
+als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden
+om er Tante's testament te hooren voorlezen.</p>
+
+<p>&mdash;Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe!
+herhaalde steeds Cord&uacute;la, gejaagd en opgewonden.</p>
+
+<p>Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste
+kamer", de broeders naar den zolder.</p>
+
+<p>&mdash;Wa es d&acirc; hier? Wie h&ecirc;t-er hier mee natte voeten over de vloer
+geleupen?" riep knorrig Cord&uacute;la, toen zij in de keuken kwam.&mdash;Kijk
+ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"</p>
+
+<p>Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas
+gebeurde; en zelfs Cord&uacute;la drong niet aan, geheel en al door 't andere
+in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken
+als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps
+stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.</p>
+
+<p>&mdash;'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een
+angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,&mdash;'k ben
+toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal
+beveurdielt zijn."</p>
+
+<p>&mdash;O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet
+as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n h&egrave; ze nie gezien," poogden de
+broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet
+geruster dan Cord&uacute;la, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun
+verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en
+even angstig als Cord&uacute;la zelve waren zij naar den inhoud van het
+testament benieuwd.</p>
+
+<p>&mdash;Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r
+mijn deud aan hoalen!" beefde Cord&uacute;la met wijd-uitgezette oogen.
+&mdash;Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den
+hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:</p>
+
+<p>&mdash;Moar wat ten duvel h&egrave;t-e gulder hier toch uitgesteken binst da
+'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in
+huis?"</p>
+
+<p>&mdash;Wel, Hiere, 'k h&egrave; ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig
+dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.</p>
+
+<p>&mdash;Gezwommen!" riep Cord&uacute;la met open mond en verwilderde oogen.
+Gezwommen!... mee heur... in de beke?"</p>
+
+<p>&mdash;Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen!
+Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.</p>
+
+<p>&mdash;O! die sloeze!" gilde Cord&uacute;la schor van verontwaardiging.&mdash;O, die
+sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch
+zijn, die doarin behoagen schept! En h&egrave; 't wirkvolk da gezien? 't Es
+'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof
+nog teugen durft!"</p>
+
+<p>Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen
+straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek,
+beenderig, ontsteld gezicht.&mdash;O, gie leulijke, leulijke, vieze
+leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een
+walgkreet rende ze de trappen af.</p>
+
+<p>Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het
+traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de
+zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende
+lentevelden...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!</p>
+
+<p>In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de
+angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cord&uacute;la het testament
+voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel
+voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten,
+alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster
+der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen
+nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf
+verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel
+tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.</p>
+
+<p>Cord&uacute;la voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu
+van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was
+reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en
+Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben
+schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere
+bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden,
+opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had
+plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste
+meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen
+hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe,
+ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit
+te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van
+Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in
+de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens,
+ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering
+hikkende stem:</p>
+
+<p>&mdash;Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben
+zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"</p>
+
+<p>Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde,
+barstte in een klinkenden schaterlach uit.</p>
+
+<p>&mdash;O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.&mdash;Maar zij zag in 't
+bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde
+zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna
+bang.</p>
+
+<p>&mdash;Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.</p>
+
+<p>&mdash;'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt,
+'t wordt hier loater amoal 't ou&euml;!" herhaalde hij smorend,
+opgewonden.&mdash;Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?&#8212;-En hartstochtelijk
+greep hij haar hand.</p>
+
+<p>Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden
+achteruit:</p>
+
+<p>&mdash;Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en
+gij..."</p>
+
+<p>&mdash;Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in
+de rede...&mdash;Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien
+achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O,
+Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig!
+Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n h&egrave; nog noeit gien uur oprecht
+plezier g' had in mijn leven!"</p>
+
+<p>Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang
+verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als
+een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren,
+zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en
+kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren,
+tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk
+willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde
+die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en
+plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest
+tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden
+zoen te drukken.</p>
+
+<p>&mdash;Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge
+mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het
+hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.</p>
+
+<p>Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid
+teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering
+doorschudde heel zijn lichaam.</p>
+
+<p>&mdash;Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon,
+g-h&ecirc;t gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en
+vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier
+lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek
+hij haar in den zachten maneschijn weer aan.</p>
+
+<p>Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.</p>
+
+<p>Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis
+terug....</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was
+verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje
+aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het
+paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar
+vader nu, weer weg te brengen.</p>
+
+<p>Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,&mdash;een voor zijn
+leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur
+en blonde haren&mdash;nam van de ooms en van Cord&uacute;la afscheid.</p>
+
+<p>&mdash;Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi
+tous de venir un beau jour &agrave; Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de
+beurt Coben, Cord&uacute;la en Belzemien omhelzend.</p>
+
+<p>&mdash;Owie, owie, peud-&ecirc;der," glimlachte Belzemien met fijn knippende
+oogjes.</p>
+
+<p>&mdash;Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien,
+mille fois merci, et &agrave; plus tard, n'est-ce pas, &agrave; Paris?" herhaalde
+ook Leontientje, beurtelings Cord&uacute;la en haar ooms een laatste maal
+omhelzend.</p>
+
+<p>&mdash;Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het
+frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.</p>
+
+<p>Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de
+teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde
+groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.</p>
+
+<p>Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als
+op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende
+zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een
+zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer
+in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas
+vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal
+bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat
+te bibberen...</p>
+
+<p>Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk
+weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter
+der seinhorens schichtigde.</p>
+
+<p>&mdash;Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij
+ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste
+afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden
+in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den
+teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en
+zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse
+opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter
+ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een
+sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar
+mond, half op haar zachte wang verloren.</p>
+
+<p>'t Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide
+lente!&mdash;De trein reed ruischend met haar weg&mdash;hou hou, Belleken, hou
+hou!&mdash;en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling
+zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in
+haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het
+neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven...
+wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend
+stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een
+wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der
+spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...</p>
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h2><a name="OBSESSIES.">OBSESSIES.</a></h2>
+
+
+<h3 style="text-align: left">&nbsp;</h3>
+<h3 style="text-align: left">
+<a name="I._HET_BEZOEK_VAN_ENGEL_GABRIEL_OP_AARDE._">I.
+HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE.</a></h3>
+
+<p>Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan
+Soarelke Meule... Ik zag hem v&oacute;&oacute;r mij, zooals ik hem in leven gekend
+heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme
+beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote
+oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander,
+scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...</p>
+
+<p>Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen
+Kwamen toegestroomd.</p>
+
+<p>Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen
+tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol
+tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen,
+bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige
+bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die,
+met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg
+te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond
+bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar
+de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.</p>
+
+<p>Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig
+vertellen!&mdash;Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste
+oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls
+krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was
+slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste
+beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot
+lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.&mdash;Hij
+was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en
+juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle
+vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk
+tot den grond der dingen door.</p>
+
+<p>Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen
+en konden uren lang naar hem zitten luisteren.&mdash;Zij zaten daar,
+onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental,
+vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de
+brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten
+Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem
+goed leuk en ondeugend te stemmen.</p>
+
+<p>&mdash;Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabri&euml;l
+op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was
+da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?</p>
+
+<p>Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog
+eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde.
+met zijn ruwe, korte, barsche stem:</p>
+
+<p>&mdash;In 't Muizenhol was 't, h&egrave; 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge
+zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!</p>
+
+<p>&mdash;En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?</p>
+
+<p>&mdash;Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken
+hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.</p>
+
+<p>En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens,
+bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske
+stem:</p>
+
+<p>"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabri&euml;l
+aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen,
+mee zijn vleeren toe.</p>
+
+<p>"Gabri&euml;l, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke
+mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?</p>
+
+<p>De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:</p>
+
+<p>"Wat es er ten ou&euml;n dienst, ons Hiere?" vroagt hij.</p>
+
+<p>"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou
+beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien
+wat dat er ginter gebeurt. K'en h&egrave; doar in doanig lank nie mier van
+g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse
+begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en
+informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."</p>
+
+<p>Goed.&mdash;Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabri&euml;l trekt zijn beste
+geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem
+op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan
+'t Muizenhol!</p>
+
+<p>&mdash;Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere
+gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.</p>
+
+<p>&mdash;Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke!
+Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.</p>
+
+<p>&mdash;Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er
+te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en
+zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee
+'t jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabri&euml;l, die da nog noeit van zijn
+leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons
+Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te
+sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn
+geiwene vleeren aan!</p>
+
+<p>&mdash;Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?</p>
+
+<p>&mdash;Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk
+Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere,
+die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne
+weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven
+komen.</p>
+
+<p>&mdash;En Gabri&euml;l wig, zille! de lucht in!&#8212;-Sente-Pieter stond al uit te
+kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten.
+"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar h&egrave;-je gij zeu lank
+gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den
+ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem
+rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van
+col&egrave;re zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn
+kni&euml;ns vallen en zegt:</p>
+
+<p>"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!"</p>
+
+<p>"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd h&egrave;t!" zegt onze lieven Hiere,
+die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel
+ziet.</p>
+
+<p>"Joa ik, lieven Hiere, 'k h&egrave; mij doar oprecht goe ge&auml;mezeerd: 'k zoe
+liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabri&euml;l.</p>
+
+<p>"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven
+Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag.</p>
+
+<p>"Ooo, doar 'n h&egrave;'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den
+ijngel Gabri&euml;l. "'K h&egrave; mij loaten neere valle tusschen Vijnck en
+Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n h&egrave; mij niet gespeten, zille!'t
+Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en
+sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de
+gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt."</p>
+
+<p>"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?"
+vroeg onze lieven Hiere.</p>
+
+<p>"Giene meinsch die van ou gesproken h&egrave;t, lieven Hiere," zei ijngel
+Gabri&euml;l. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de
+leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat
+die meinschen ginter zijn!"</p>
+
+<p>Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel
+Gabri&euml;l dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twie&euml; te
+weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabri&euml;l tieken dat
+hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>&mdash;Goed!&mdash;'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabri&euml;l weere
+mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen
+treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker.</p>
+
+<p>"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier
+op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter no&ugrave; gebeurt. En deze
+kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu
+lange wig of dat 't neudig es.</p>
+
+<p>Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem
+'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol!</p>
+
+<p>&mdash;N&ocirc;g ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke?</p>
+
+<p>&mdash;N&ocirc;g ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!&mdash;Goed.&mdash;Den ijngel
+kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat
+hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst
+ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders
+of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa
+noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk
+komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es
+'t zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle
+kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens
+veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch
+d&agrave;t aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier
+mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij
+hem boven op en komt er weere mee in den Hemel.</p>
+
+<p>"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! H&egrave;t ou van deze
+kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee
+zijn sleuters aan de peurte stoat.</p>
+
+<p>"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij
+al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere.</p>
+
+<p>"Ha, jongen, g'h&egrave;t opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere.
+"Hew&egrave;l hoe &egrave;s 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie
+geklapt?"</p>
+
+<p>"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor z&eacute;ker van ou geklapt! Ze 'n
+klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabri&euml;l.
+"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En
+zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier!
+'t Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en
+donker; de boeren h&eacute;n de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es
+verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken
+kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk
+tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om
+t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..."</p>
+
+<p>Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand
+aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen
+board.</p>
+
+<p>"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft
+zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.&mdash;Weet-e
+wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat
+hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken."</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den
+gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der
+pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid
+mededeelden.&mdash;Omheen was 't wonderzacht en stil en in den
+somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren.
+Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden
+de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de
+verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te
+droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een
+krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den
+onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere
+slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens
+der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met
+hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun
+innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het
+twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker
+groepje taalde:</p>
+
+<p>&mdash;Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om
+noar bedde te goan.</p>
+
+<p>En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de
+asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal...</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="II._HET_HONDJE._">II.
+HET HONDJE.</a></h3>
+
+<p>De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station
+gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even
+wachten.</p>
+
+<p>Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is
+lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele
+railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek,
+schitteren twee miniatuurbloementuintjes.</p>
+
+<p>Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje.
+Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede
+herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg
+doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee
+herbergjes.</p>
+
+<p>'t Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille,
+groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en
+goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van
+het dorpstorentje opschiet.</p>
+
+<p>Daar komt de trein.&mdash;Slechts enkele reizigers staan wachtend op
+'t perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op
+den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een
+vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie
+pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken
+houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts
+drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp.</p>
+
+<p>Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te
+belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en
+zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of
+boom.</p>
+
+<p>Knarsend op zijn remmen heeft de trein v&oacute;&oacute;r het stationsgebouw stil
+gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt
+en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden
+opgehaald.</p>
+
+<p>Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog
+even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.&mdash;Maar,... het
+lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam
+en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets
+bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar,
+scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje.</p>
+
+<p>Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden?
+Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de
+obsessie!&mdash;Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap
+af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie!
+Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot
+verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren?
+En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik
+daarvoor terugkom?&mdash;Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik
+er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en
+half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het
+herbergje.</p>
+
+<p>De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het
+schemerig, ongezellig gelagkamertje...</p>
+
+<p>&mdash;Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend.</p>
+
+<p>Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie
+pootjes naar mij toegehinkt... het hondje.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend
+over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje.</p>
+
+<p>Het hondje schijnt dat niets naar te vinden.</p>
+
+<p>Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt
+zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger
+aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes.</p>
+
+<p>Daar komt de vrouw.</p>
+
+<p>&mdash;'n Pijntsje bier, bezinne.</p>
+
+<p>Het glas wordt mij gebracht.</p>
+
+<p>&mdash;Scheun weer, e-woar, meniere?</p>
+
+<p>&mdash;Joa 't doanig scheun weere.</p>
+
+<p>Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets
+meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje.</p>
+
+<p>&mdash;Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht
+merkend.&mdash;Spijtig dat 't zijn peutsen afgere&ecirc;n es!</p>
+
+<p>Ha! daar is de aanleiding!</p>
+
+<p>&mdash;Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen.</p>
+
+<p>&mdash;Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die
+kapot gere&ecirc;n wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is
+gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie
+geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gere&ecirc;n
+wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk
+mee die twie wirkmeinschen! G' h&egrave;t doar toch van g'heurd, meniere? En
+de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een
+akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een
+vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd.</p>
+
+<p>'t Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de
+afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik
+denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die
+kleine hondjes bij die groote treinen loopen.&mdash;Nu weet ik het, en
+wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen
+belangstelling meer in.</p>
+
+<p>Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.&mdash;Maar nu, (en dat is mijn
+voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik
+nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan
+den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt
+onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes
+bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en,
+met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een
+heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar
+de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij
+de praterige vrouw te volgen.</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="III._HET_SLECHT_VIJFFRANKSTUK._">III.
+HET SLECHT VIJFFRANKSTUK.</a></h3>
+
+<p>Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude,
+onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een
+molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van
+gelijken leeftijd&mdash;een jaar of veertig&mdash;maar zeer verschillend van
+uiterlijk.</p>
+
+<p>Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge,
+beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige,
+doorzakkende knie&euml;n. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar
+voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen
+een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig,
+die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van
+gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig.</p>
+
+<p>Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke
+wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske
+grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter.</p>
+
+<p>Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde
+Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den
+boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske
+werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag
+Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem
+soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige
+armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te
+wenken.</p>
+
+<p>Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche,
+lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis,
+troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in
+'t herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat
+oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag.</p>
+
+<p>Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen
+herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder
+contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve
+bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts
+iedere week &eacute;&eacute;n frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te
+brengen.</p>
+
+<p>E&eacute;n frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes"
+bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al v&oacute;&oacute;r den
+middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege
+glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst
+van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou.
+Gelukte dat niet, dan bleven ze t&oacute;ch maar zitten, omdat ze anders
+niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om,
+toch zoo vervelend en ellendig lang was.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een
+vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de
+gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu
+eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een
+vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei:</p>
+
+<p>"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt h&egrave;t. en
+niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne
+cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn
+bezit h&egrave; zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver
+zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie
+geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het h&egrave;n. Doet
+er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt."</p>
+
+<p>En hij gaf het stuk aan Theofielke.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te
+Bekijken...</p>
+
+<p>Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als
+veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom
+nu juist d&agrave;t stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die
+immers ook maar zilver waren, w&egrave;l deugden. Hij woog het in zijn hand
+en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een
+gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een
+hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone
+stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat
+dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling
+ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen,
+terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak
+verborg.</p>
+
+<p>Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met
+Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk
+genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te
+beraadslagen.</p>
+
+<p>Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en
+zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen.
+Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer
+berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de
+omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende.</p>
+
+<p>Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er
+twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank,
+die nu wel aan &eacute;&eacute;n stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar,
+in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende
+Deeske.</p>
+
+<p>Toen trokken zij er op los.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij
+stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle
+wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige,
+kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij
+zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof;
+Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende
+schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij
+telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele
+bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen
+lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine,
+omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het
+jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs
+den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee
+vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer,
+die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met
+bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die,
+worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis
+te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen
+gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen;
+en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij
+moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even
+aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen.</p>
+
+<p>Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen
+drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen,
+maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te
+worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het
+kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar
+schenktafel glazen stond om te spoelen.</p>
+
+<p>&mdash;Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig
+air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend.</p>
+
+<p>De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem
+even vaag wantrouwend aan.</p>
+
+<p>&mdash;Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als
+om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde
+met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te
+voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk
+spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske
+stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke,
+die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had.</p>
+
+<p>&mdash;Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes
+op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk
+gestemd, begon zij een praatje over 't weer.</p>
+
+<p>De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun
+sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er
+nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen
+glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof
+er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook
+Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur,
+verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die
+borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe
+vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend
+aankeken, en er waarachtig n&oacute;g eentje bestelden.</p>
+
+<p>Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit
+zijn zak, en legde 't op de tafel.</p>
+
+<p>&mdash;As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven?</p>
+
+<p>De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar
+schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te
+voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en
+bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het
+raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in.</p>
+
+<p>&mdash;Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw
+met ontstelde stem eensklaps zeggen.
+&mdash;Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend.</p>
+
+<p>&mdash;Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.&mdash;Kijk ne
+kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur
+hing, en waar al de vijffrankstukken,&mdash;de gangbare en de niet
+gangbare&mdash;zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld
+stonden.</p>
+
+<p>Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk!
+verzekerde Theofielke.</p>
+
+<p>&mdash;Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met
+haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel,
+'t es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van
+veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge
+moet mij ander geld g&ecirc;en! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke,
+die het kalm weer in zijn zak stopte.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, sakerdeeke! En 'k h&egrave; 't gisteren in de post ontvangen!
+beweerde hij enkel.</p>
+
+<p>&mdash;Tuttuttut, 'k 'n h&egrave; doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee
+ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos
+veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es!</p>
+
+<p>&mdash;En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld
+ge&ecirc;n! gilde de vrouw.</p>
+
+<p>&mdash;We 'n h&egrave;n gien ander! bekende Theofielke.</p>
+
+<p>De vrouw stond even als verslagen.</p>
+
+<p>&mdash;O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van
+woede, te krijschen.&mdash;Ala! hier buiten! En van den achternoene zend
+ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare!
+Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt!</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen
+portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort.</p>
+
+<p>&mdash;Haw&egrave;l! wat dijnkt ou? Zo&ecirc;n we leute h&egrave;n vandoage! lachte
+Theofielke.</p>
+
+<p>Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk
+schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute
+zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke
+mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn
+kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange,
+loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp.</p>
+
+<p>Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine
+boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging.</p>
+
+<p>&mdash;We 'n meugen nie &agrave;l te ziere drijnken; we zo&ecirc;n te gauwe zat
+worden, meende Deeske.</p>
+
+<p>Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door
+moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf
+wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens
+zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange,
+saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den
+<i>Groenen Jager</i> en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl
+Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet
+rinkelen.</p>
+
+<p>Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan
+Theofielke terug.</p>
+
+<p>&mdash;Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste
+verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor
+ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich
+geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval,
+tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het
+verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den
+postmeester tegen een ander hadden ingeruild.</p>
+
+<p>Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde,
+ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme,
+welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de
+menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten,
+en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna
+uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er
+eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen
+werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk,
+onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het
+afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename sc&egrave;nes
+plaats en wel het ergst in de afspanning: het <i>Vliegende Paard</i>, waar
+zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was
+daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en
+vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het
+aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door
+den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij
+plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat
+gegooid.</p>
+
+<p>Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot
+te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog
+andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en
+kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.</p>
+
+<p>Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het
+<i>Vliegende Paard</i> opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en
+begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar
+heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder
+ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.</p>
+
+<p>&mdash;Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na
+een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen.
+-&#8212;Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!</p>
+
+<p>Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van
+dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te
+redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.</p>
+
+<p>&mdash;Loat ons bij Veel-Hoar goan en de die&euml; mag 't vijffrankstik ho&ucirc;en,
+stelde Deeske voor.</p>
+
+<p>Ietwat onthutst keek Theofielke op.</p>
+
+<p>&mdash;Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.</p>
+
+<p>&mdash;H&agrave;! d&agrave; es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de
+knechtejongens bij VeelHoar?</p>
+
+<p>Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn
+slungelige tronie.</p>
+
+<p>&mdash;Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse
+trekken, en wie 't langst h&ecirc;t iest?</p>
+
+<p>Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op,
+frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske
+voor.</p>
+
+<p>Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk
+waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide
+hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te
+voorschijn.</p>
+
+<p>&mdash;O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke
+achterdochtig.</p>
+
+<p>&mdash;Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.</p>
+
+<p>Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en
+haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in
+'t omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het
+mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk;
+men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde
+wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den
+rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam)
+Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd
+men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door
+Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om
+het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet
+'s zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde &eacute;&eacute;n frank,
+twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een
+achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er
+naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van
+Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel
+niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje
+hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige
+kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.</p>
+
+<p>Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te
+vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het
+stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon
+schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het
+donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame
+straten.</p>
+
+<p>Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een
+boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den
+straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der
+overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de
+schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend
+gedoken.</p>
+
+<p>Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef
+doodstil. Het oogenblik was gunstig.</p>
+
+<p>Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te
+kijken door een spleet van het gordijntje.</p>
+
+<p>&mdash;Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.</p>
+
+<p>En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden
+binnen.</p>
+
+<p>&mdash;Elk ne go&ecirc;n oavend...</p>
+
+<p>Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek,
+bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel,
+dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had
+kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en
+rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel,
+bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude
+moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.</p>
+
+<p>&mdash;Kijk, kijk! Wie da we doar h&eacute;n! riep Veel-Hoar, half spottend,
+half uitdagend.&mdash;We z&oacute;en wel geld g&ecirc;en om ulder te zien!</p>
+
+<p>Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel
+kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen.
+"Elk ne g&ocirc;en oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam,
+deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een
+tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde
+bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even
+over 't tafelblad liet rinkelen.</p>
+
+<p>Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd
+door het verleidend geluid even wakker.</p>
+
+<p>&mdash;G'h&egrave; 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit
+te roepen.</p>
+
+<p>&mdash;Ha, w'h&egrave;n toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar
+het stuk weer in zijn zak verstoppend.</p>
+
+<p>Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat
+beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.&mdash;Vijf frank! dat kwam
+zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.</p>
+
+<p>&mdash;Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske
+royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde
+nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar
+den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op
+te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken
+versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore
+zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig
+pratend.</p>
+
+<p>Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is
+zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook
+den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte
+om op te stappen.</p>
+
+<p>De glazen waren leeg.</p>
+
+<p>&mdash;N&oacute;g vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde
+Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren
+daar nog een heele poos te blijven.</p>
+
+<p>Langzaam stond de boerepummel op.</p>
+
+<p>&mdash;Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem
+beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende,
+heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk,
+kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, Sies, vandoag 'n h&egrave; 'k gienen tijd, zille; ge moet nen
+andere kier komen.</p>
+
+<p>Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske,
+droop de pummel af.</p>
+
+<p>&mdash;Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur
+achter hem dichtsmakkend.</p>
+
+<p>Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met
+een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.</p>
+
+<p>&mdash;Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de
+geijkte vraag.&mdash;Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield
+intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, hoe zit dat? H&eacute;-je gij &egrave;&ugrave;k geld? vroeg zonder omwegen
+Veel-Hoar.</p>
+
+<p>&mdash;Theofielke zal ou vijf fran g&ecirc;en, beloofde Deeske.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar, en gij?</p>
+
+<p>&mdash;Hij h&egrave; 't geld, lijk of ge gezien h&egrave;t. Hij zal betoalen veur ons
+alle twie&euml;.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe, veur alle twie&euml;?</p>
+
+<p>&mdash;Wel joa, w'h&egrave;n lotse getrokken. Ik h&aacute; 't langste.</p>
+
+<p>&mdash;O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.</p>
+
+<p>&mdash;Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske,
+reeds in 't gangetje.</p>
+
+<p>Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze
+weg, Deeske achterna...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>&mdash;Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in
+'t gangetje verschijnend.</p>
+
+<p>Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.</p>
+
+<p>&mdash;Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.</p>
+
+<p>&mdash;Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het
+Gangetje...</p>
+
+<p>Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden
+door het somber tuintje weg.</p>
+
+<p>&mdash;H&egrave; ze 't? H&egrave;-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder
+'t vluchten.</p>
+
+<p>&mdash;Joa z', zille! Moar hoast ou nou!</p>
+
+<p>Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen
+in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in
+veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog
+en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend,
+schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.</p>
+
+<p>&mdash;Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld
+Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend.
+Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen
+galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.</p>
+
+<p>&mdash;O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'h&egrave;n mij 'n slecht
+stik van vijffran gege&ecirc;n! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen.
+'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar!
+Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over
+de keien in de straat gekeild.</p>
+
+<p>Deeske, die v&oacute;or Theofielke zat, zag het even in de duisternis
+zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen
+zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn
+dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat
+door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks
+doorheen.</p>
+
+<p>&mdash;Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel!
+riep hij dof.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog
+dienen, fluiserde Theofielke.</p>
+
+<p>&mdash;Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zo&ecirc;n ons deudsloan! Ala
+toe, wig, wig!</p>
+
+<p>Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor
+een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open
+veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van
+Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat
+opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en
+bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden
+zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.</p>
+
+<p>&mdash;Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte
+Deeske.</p>
+
+<p>&mdash;Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n h&egrave;n!
+jammerde Theofielke.&mdash;We zo&ecirc;n d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.</p>
+
+<p>&mdash;Bah! 't gien dat we g'had h&egrave;n, h&egrave;n we toch g'had, troostte
+Deeske.&mdash;Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft
+ou&euml;n boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.</p>
+
+<p>Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend
+aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes,
+zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij
+voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het
+lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast
+elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een
+hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de
+gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij,
+roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.</p>
+
+<p>Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en
+ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den
+dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de
+lange, saaie arbeidsweek.</p>
+
+<p>&mdash;Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag h&egrave;? zei Theofielke.</p>
+
+<p>&mdash;Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.</p>
+
+<p>En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge
+pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="IV._DEN_BINDER._">IV.
+"DEN BINDER".</a></h3>
+
+<p>Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich
+verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den
+jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.</p>
+
+<p>Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje
+van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht,
+en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit
+gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna
+aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte
+met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde
+kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem
+dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je,
+als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze
+ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder
+licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en
+fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een
+onuitsprekelijken weemoed, die z&oacute;&oacute; aangrepen, zoo onwe&ecirc;rstaanbaar
+aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer
+zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond
+van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.</p>
+
+<p>Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken,
+menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de
+menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon
+tooveren.</p>
+
+<p>Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste
+dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder".
+Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager,
+houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel
+veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska
+heette zij.</p>
+
+<p>&mdash;Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de
+jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:</p>
+
+<p>&mdash;Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd:
+treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis!
+Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!</p>
+
+<p>Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het
+voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den
+Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen
+leven. Want,&mdash;en dat was wel het aller-ergste,&mdash;ook zij geloofde
+dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens,
+na zoo een of andere plaagsc&egrave;ne met de straatjongens of de buren,
+overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de
+razendste verwijten.</p>
+
+<p>&mdash;O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend
+krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar
+nou in h&eacute;n as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de
+stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen
+doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven
+lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n
+zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou
+en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden
+hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past
+ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!</p>
+
+<p>Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed
+van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet
+dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar
+maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn
+angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met
+korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu
+en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen
+den vloer stampte:</p>
+
+<p>&mdash;Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
+zot!</p>
+
+<p>Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille
+stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en
+huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk
+moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met
+open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel
+staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en
+dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat
+de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van
+verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het
+winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half
+verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en
+toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep,
+hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde,
+zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:</p>
+
+<p>&mdash;Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
+zot!</p>
+
+<p>Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen
+in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met
+hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren,
+of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en
+hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de
+boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst
+niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit
+weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij
+voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de
+deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje
+tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet,
+dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een
+kort gebed.</p>
+
+<p>In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen
+merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen
+mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch
+gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde
+leed. De slag,&mdash;zijn zelfmoord&mdash;viel als een donderslag, onverwacht.</p>
+
+<p>Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit
+'t water zien halen....</p>
+
+<p>Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn
+paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn
+vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen
+uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen,
+met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die
+afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo
+had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een
+modderige sloot was gehaald.</p>
+
+<p>Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden.
+'t Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het
+lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide
+van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een
+twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.</p>
+
+<p>Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes
+rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.</p>
+
+<p>"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd h&egrave;t!" gilt de
+menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den
+Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende
+armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn
+doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij
+lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt z&oacute;&oacute;
+scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den
+rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend.
+'t Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een
+bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den
+Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel
+h&eacute;&eacute;l ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en,
+onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat
+warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.</p>
+
+<p>Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van
+mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van
+vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen
+op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder
+verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met
+gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar
+binnen starend.</p>
+
+<p>&mdash;Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die
+vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven.
+'t Is er &eacute;&eacute;n warboel, in en om het huisje.</p>
+
+<p>De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet
+houdt v&oacute;&oacute;r het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen
+zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder"
+binnendragen.</p>
+
+<p>En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den
+kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke,
+rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:</p>
+
+<p>"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik
+van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder"
+komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"...
+"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt
+voader.&mdash;"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"&mdash;zeg ik.&mdash;"Dag,"
+antwoordt hij.&mdash;Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier
+blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater
+toe.&mdash;"Wa betiekent d&agrave; verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij
+doen?"&mdash;"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee
+zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens
+uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg
+ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies
+gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in
+'t woater!...</p>
+
+<p>&mdash;En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge
+man niet verder vertelt.</p>
+
+<p>&mdash;Haw&egrave;l, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.</p>
+
+<p>&mdash;Joa moar; wa h&egrave;t-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de
+toehoorders aan.</p>
+
+<p>&mdash;Wat da 'k gedoan h&egrave;?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.&mdash;"'K
+ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere
+boven gekomen; hij h&egrave; gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten
+geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en
+onder gebleven...</p>
+
+<p>&mdash;En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader
+euk niet?</p>
+
+<p>&mdash;Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde
+versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de
+schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier
+gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...</p>
+
+<p>Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken
+sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds
+als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid
+opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul
+van een gefolterd beest.</p>
+
+<p>&mdash;Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!"
+zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="V._RESTITUTIE._">V. RESTITUTIE.</a></h3>
+
+<p>Teum Grondnagel lag stervensziek...</p>
+
+<p>'t Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een
+zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang
+geweest. Ik zie hem nog in verbeelding v&oacute;&oacute;r mij staan: groot, zwaar,
+vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en
+zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende
+oogen.</p>
+
+<p>Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en
+benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar
+gesloten blijven, zonder &eacute;&eacute;n klank door te laten.</p>
+
+<p>Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren
+vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp
+hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van
+hun tijd verbeuzelden.</p>
+
+<p>Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een
+minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar
+enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat
+noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden,
+"aan 't woaien" was.</p>
+
+<p>Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen
+verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en
+verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling,
+zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen
+ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren
+aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te
+waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".</p>
+
+<p>De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding,
+nog v&oacute;&oacute;r hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis
+tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:</p>
+
+<p>&mdash;Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan
+'t woaien!"</p>
+
+<p>Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen
+en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en
+krachten!...</p>
+
+<p>Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem
+heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot,
+overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer
+aan het trakteeren en betalen, &eacute;&eacute;n woeste dierlijke, liederlijke
+orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het
+zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn
+hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en
+in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn
+walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan
+den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan
+ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor
+het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken
+had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te
+koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige
+slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke
+bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de
+melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort
+geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij
+zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde,
+wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren
+en we&ecirc;r een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was
+hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij
+voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn
+diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij
+was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende,
+verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en
+van nietelingen onder de knie had.</p>
+
+<p>Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam
+slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was
+eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!</p>
+
+<p>Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den
+donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol
+gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd
+uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en
+afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van
+hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en
+nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang z&oacute;&oacute; sterk gevreesden
+meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog
+raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht
+meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!</p>
+
+<p>Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid,
+die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend
+einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de
+toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening
+hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende
+zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die
+lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten
+'t niet, maar Hij, de Groote Rechter, v&oacute;&oacute;r wiens troon hij weldra zou
+verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem
+tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen
+doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof
+hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende
+oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen
+slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch w&agrave;s er
+voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en
+zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost
+geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet
+opgebeurd. E&eacute;n enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog,
+voor hem open: restitutie doen!...</p>
+
+<p>Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den
+donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al
+bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te
+veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk
+geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed
+herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te
+rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe
+namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn
+oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij
+begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou.
+Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na
+eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje
+uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken
+eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt
+had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op
+de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime,
+sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg
+hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen.
+Hij zou er hem mild voor beloonen.</p>
+
+<p>Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde
+Jantje, na een korte aarzeling, toe.</p>
+
+<p>En Teum begon &eacute;&eacute;n voor &eacute;&eacute;n zijn zonden op te sommen, eerst tegenover
+Jantje zelf.</p>
+
+<p>&mdash;Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud
+verkocht h&egrave;t? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n
+woart er nie bij. Haw&egrave;l, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou
+betoald h&egrave;, worden d'r negen honderd vijftig. 'K h&egrave; ou dus dien dag
+veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven
+centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van
+mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn?
+Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim,
+doar es vijf en twintig fran!...</p>
+
+<p>Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde
+Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur
+kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde
+handen beefden op zijn knie&euml;n, alsof ze sidderden van kou.</p>
+
+<p>&mdash;Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met
+droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te
+nemen.</p>
+
+<p>&mdash;Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de
+handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn
+potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:</p>
+
+<p>&mdash;Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op
+tien joar leverijnge van eirdappels.</p>
+
+<p>Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos.
+&mdash;Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar
+mijngelijnge van rogge in de tarwe.</p>
+
+<p>Jantje knikte.</p>
+
+<p>&mdash;Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet
+in de boter...</p>
+
+<p>Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en
+bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die
+Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens
+opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.</p>
+
+<p>&mdash;Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was
+bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg,
+terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen
+'t boerenhuis verliet.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.&mdash;Daar waar
+hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin
+alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich
+heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs
+losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.</p>
+
+<p>Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen
+wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als
+stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen
+twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter
+waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in
+alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar
+heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van
+lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig,
+vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere
+levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe
+langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes
+bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die
+hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende
+schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen
+de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon
+vinden.</p>
+
+<p>Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten.
+Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar
+buiten; en, nog v&oacute;&oacute;r Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij
+dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:</p>
+
+<p>&mdash;Haw&eacute;l? Wa h&egrave;n ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"</p>
+
+<p>&mdash;O! bez&ocirc;nder! bez&ocirc;nder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met
+zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie
+geleuven!"</p>
+
+<p>Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum
+hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij
+merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde,
+met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te
+slaan.</p>
+
+<p>&mdash;Wa h&egrave;n ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend,
+kortaf, aamechtig hijgend.</p>
+
+<p>&mdash;Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte
+Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard
+toestruikelend.</p>
+
+<p>Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op
+een afstand te houden.</p>
+
+<p>&mdash;Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' h&egrave;t gewoaid!"
+raasde hij, knarsetandend.</p>
+
+<p>&mdash;Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje
+beleedigd en verontwaardigd.</p>
+
+<p>&mdash;Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.</p>
+
+<p>Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen.
+Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef
+haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de
+menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd,
+wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>...&mdash;In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht
+geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog
+slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op
+de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge
+met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte
+melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna
+opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu
+onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te
+luisteren.</p>
+
+
+<p>Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en
+oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn
+zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend
+en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude
+ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het
+uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde
+enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de
+doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag
+over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen.
+Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd,
+hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en
+radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een
+bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche
+stilte galmde:</p>
+
+<p>&mdash;Haw&egrave;l, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en
+donker. Mag ik nou wiggoan?"</p>
+
+<p>Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel
+weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.</p>
+
+<p>&mdash;Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde
+stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar
+den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende
+vingers aan.</p>
+
+<p>Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog
+nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de
+beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen
+staarde.</p>
+
+<p>&mdash;Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.</p>
+
+<p>&mdash;Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.</p>
+
+<p>&mdash;Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en
+kijkt-e kier!" hijgde Jantje.</p>
+
+<p>De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den
+haard.</p>
+
+<p>&mdash;Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.</p>
+
+<p>De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op
+den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den
+mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding
+naast het uitgebrande haardvuur... dood.</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="VI._DE_STIER._">VI.
+DE STIER.</a></h3>
+
+<p>Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene
+uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje,
+waar de straatweg, zich in twee&euml;n splitsend, een soort rechthoek
+vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee
+wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het
+herbergje binnen.</p>
+
+<p>'t Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar
+nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes
+beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net,
+klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam <i>Het
+Koffijhuis</i>, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel,
+gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde
+van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de
+bont-gekleurde uithangborden.</p>
+
+<p>Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster:
+menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er
+'t "stameneetje" bijhielden om rond te komen.</p>
+
+<p>Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en
+kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen.
+Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook
+kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat
+voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met
+sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat
+zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige,
+vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, m&eacute;&eacute;r dan een donkere
+haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest
+dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in
+'t dorp "de Stier" genoemd.</p>
+
+<p>"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of
+wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het
+zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden:
+"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden
+gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De
+spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende
+beteekenis verloren.</p>
+
+<p>En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet
+uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende
+nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit
+'t omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen
+die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun
+aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een
+praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken
+van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens
+een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs,
+o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de
+Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken
+aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar
+snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog
+en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor
+geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten.
+dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat &agrave;l te bont, dan
+zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en
+was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar
+uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een
+flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het
+baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter
+haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen
+en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen
+en naar raden.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!...
+de "Stier" zou trouwen...!</p>
+
+<p>Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder
+beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield
+aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje,
+de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp
+en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd,
+men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn
+zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open
+deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen
+moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos
+midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er
+alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer
+en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat
+zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen
+scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige
+relatie wilde hebben.</p>
+
+<p>Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken,
+zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half
+verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de
+beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een
+middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel
+van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de
+straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje
+verdween...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het w&agrave;s zoo: de "Stier" ging trouwen...!</p>
+
+<p>De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur
+van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den
+preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had
+de scheiding van hun klein vermogentje ge&euml;ischt, en het zoolange
+jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in h&aacute;&aacute;r
+deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste
+dorpsherbergen: <i>Het huis van Commercie</i>, op kamers te gaan leven.
+D&aacute;&aacute;r, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige
+stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk
+af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het
+echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage,
+algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich
+beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.</p>
+
+<p>&mdash;Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de
+oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken
+hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:</p>
+
+<p>&mdash;Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde,
+alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te
+zeggen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje
+op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van
+"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En
+er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions
+en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de
+trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou
+hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.</p>
+
+<p>Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de
+kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke
+scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden
+naar het gemeentehuis toe.</p>
+
+<p>Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen
+gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel
+eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten
+hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was
+deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid
+doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange
+haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar
+gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen
+lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de
+snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna
+uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte
+haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet
+op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname
+buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode
+koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend
+gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door
+overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het
+einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als
+schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen
+gebeurde.&mdash;Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier",
+'t gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende
+schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een
+vrachtwagen loopen had overgehouden.</p>
+
+<p>De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen.
+Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze
+ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd
+onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat
+joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten
+weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den
+burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de
+geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige
+verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij
+een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te
+kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een
+wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de
+Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.&mdash;De Stier hield
+zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als
+vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep,
+zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.</p>
+
+<p>De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem
+"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook
+Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En
+hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:</p>
+
+<p>&mdash;Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n
+nieuw boeksken komen hoalen."</p>
+
+<p>De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van
+den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken
+schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid
+hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren
+in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:</p>
+
+<p>&mdash;De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"</p>
+
+<p>De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer
+hoe vreemdere oogen op.</p>
+
+<p>De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het
+gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop
+van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek
+wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende
+stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke
+ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren,
+alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden
+doorbrengen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.</p>
+
+<p>Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk
+geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te
+wiegelen aan gespannen touwen v&oacute;&oacute;r de huizen, een vurige triomfboog
+prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met
+zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de
+man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij
+gek-plechtig door het feestcomit&eacute; verwelkomd. Een der leden trad
+gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene
+hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij
+een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders
+weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man
+begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend
+onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog
+en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het
+glas aan haar echtgenoot, die het in &eacute;&eacute;n teug ledigde. Dichtbij nu
+bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en
+plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met
+donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het
+gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest
+ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend
+in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig,
+waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen
+door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun
+huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de
+vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met
+fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte
+hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...</p>
+
+<p>Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat
+geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele
+poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer
+hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van
+hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op
+luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en
+woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was
+een abnormale, gekke, rustelooze nacht.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'s Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den
+loer.</p>
+
+<p>Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de
+Stier en haar man terug te zien.</p>
+
+<p>Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht
+schitterde, werd een der groene luikjes van <i>Het Koffijhuis</i> zachtjes
+opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort
+geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes
+vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen
+boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn
+hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens
+vlugjes in.</p>
+
+<p>&mdash;Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der
+buren.</p>
+
+<p>De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman
+hoofdknikkend:</p>
+
+<p>&mdash;Ieste klasse! scheun weer, h&egrave;?" antwoordde hij; en verdween in het
+huisje.</p>
+
+<p>Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo:
+alles goed! H&egrave;! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als
+elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en
+zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet
+zeggen kon!&mdash;Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun
+raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en
+'t leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had.
+Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij
+aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden
+terug.</p>
+
+<p>Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en
+Twaalf&mdash;het borreltjes-uur&mdash;gingen enkele kerels eens tot aan het
+<i>Koffijhuis</i> om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te
+nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn
+tuintje en de Stier ontving haar klanten met een
+helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets
+ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch
+ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord
+en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't <i>Huis van
+Commercie</i>, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend
+in de ongezellige gelagkamer zat.</p>
+
+<p>&mdash;Haw&egrave;l, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r
+doar bij geweest. Alles es goed, zille!"</p>
+
+<p>&mdash;Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat
+'t 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verbo&oacute;n worden!"</p>
+
+<p>&mdash;Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da
+vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee
+heure veint gelukkig es!"</p>
+
+<p>&mdash;Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie
+meugelijk! Pouah! Pouah...!"</p>
+
+<p>Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken
+'t hoofd voor alle verdere verklaringen.</p>
+
+<p>En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer w&agrave;t
+ze moesten denken.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de
+Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret
+kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of
+"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat
+of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos,
+wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol
+belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in
+'t <i>Koffijhuis</i>, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al
+te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er w&agrave;s
+iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en
+sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar
+strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van
+zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange
+haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht
+gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan
+ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de
+dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en
+niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps,
+volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte
+van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken
+waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar
+troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten,
+dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had,
+dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...</p>
+
+<p>&mdash;Watte? Watte? Wat &egrave;s er mee?" gilden de menschen, trillend van
+ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het
+ware uit den mond halend.</p>
+
+<p>&mdash;Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds
+razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide
+met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling,
+hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en
+dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk
+niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging
+pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.</p>
+
+<p>&mdash;Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!"
+brieschte hij.</p>
+
+<p>'t Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met
+hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,&mdash;meer en meer hem
+opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar
+de Stier vertoonde zich niet.</p>
+
+<p>&mdash;'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en
+'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te l&oacute;an en
+te verhuizen?"</p>
+
+<p>Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond
+aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.</p>
+
+<p>&mdash;Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte
+zijn deur ruw openstampend.</p>
+
+<p>De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een
+kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden
+in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier
+bleef onzichtbaar.</p>
+
+<p>Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige
+straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje
+opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw,
+reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee
+weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken
+elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden
+zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich
+eindelijk vertoonen zou.</p>
+
+<p>Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...</p>
+
+<p>Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en
+pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog
+eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat
+alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was
+afgeloopen.</p>
+
+<p>&mdash;Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden
+de menschen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden
+gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer
+gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in
+zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke
+lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare
+klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds
+onveranderlijk hetzelfde:</p>
+
+<p>&mdash;Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand
+zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."</p>
+
+<p>Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel
+beter...</p>
+
+<p>'t Kuipken, die zich in het ongezellig <i>Huis van Commercie</i>
+doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den
+nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier,
+niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een
+avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het
+huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.</p>
+
+<p>Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die
+haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en
+vermagerd vond, vroeg enkel:</p>
+
+<p>&mdash;Hoe goat 't er mee?"</p>
+
+<p>En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met
+ietwat matte, trieste stem:</p>
+
+<p>&mdash;O nog al goed; en mee ou?</p>
+
+<p>&mdash;O, euk nog al goed.</p>
+
+<p>Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen
+enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig
+om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam
+sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.</p>
+
+<p>&mdash;En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.</p>
+
+<p>&mdash;'K 'n h&egrave; nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as
+'n potse k&aacute;ffee drijnken.</p>
+
+<p>Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden
+ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar
+kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met
+strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en
+stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of
+snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.</p>
+
+<p>&mdash;'t H&egrave; passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den
+achternoen h&egrave; 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud
+doen dekken, antwoordde zij.</p>
+
+<p>&mdash;Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het
+in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets
+meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.</p>
+
+<p>Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan,
+genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op
+zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij
+was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en
+onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine
+oogjes slaperig half open.</p>
+
+<p>&mdash;Wat dijnkt ou? Zo&ecirc;n we nie goan sloapen? stelde hij voor.</p>
+
+<p>&mdash;O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.</p>
+
+<p>Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de
+voordeur dicht te doen.</p>
+
+<p>Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders
+dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. E&eacute;n hing er in
+haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.</p>
+
+<p>&mdash;Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.</p>
+
+<p>&mdash;Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.</p>
+
+<p>Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen
+aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap,
+naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van
+'t stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote
+schaduwen over de witte muren.</p>
+
+<p>Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de
+hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij
+met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had
+aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en
+zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn
+deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.</p>
+
+<p>&mdash;Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte
+stem.</p>
+
+<p>Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op
+'t smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles
+plotseling heel stil en donker.</p>
+
+<p>Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke
+vlokken...</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="VII._BEROUW._">VII.
+BEROUW.</a></h3>
+
+<p>Dit is 'n h&eacute;&eacute;l zware en droeve obsessie geweest...</p>
+
+<p>'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts,
+niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis.
+Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in
+vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.&mdash;Het is er somber, kil,
+treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de
+vieze, altijd natte greppels glimmen.&mdash;Maar, even voorbij den
+blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede
+heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles
+vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!</p>
+
+<p>Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid,
+de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede
+zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen,
+zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de
+vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de
+wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden
+rythmus, halend open...</p>
+
+<p>Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en
+luikjes open; &eacute;&eacute;n met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide
+kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de
+luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met
+dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als
+omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien
+kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.</p>
+
+<p>In dat huisje is een doode.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend.
+Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets
+valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een h&eacute;&eacute;l slechte
+reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard,
+een vechter en bijna een moordenaar.</p>
+
+<p>Die kwade naam was verdiend. Hij w&agrave;s lui,
+hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader&mdash;een timmerman&mdash;bij
+wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon,
+stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel
+van kwaad tot erger. Nu mo&egrave;st hij wel van roof en diefstal leven,
+want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen
+hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte
+dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het
+dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette
+zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad
+betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen
+hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er
+nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was
+sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de
+mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur
+had hij in de gevangenis gezeten.</p>
+
+<p>Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die
+'s avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand,
+geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde
+uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.</p>
+
+<p>Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche
+dorp verademde en juichte:</p>
+
+<p>"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"</p>
+
+<p>Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot
+tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals
+hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er
+bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van
+bijna na&iuml;eve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor
+deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:</p>
+
+<p>&mdash;'K h&egrave; mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."</p>
+
+<p>De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien
+avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn
+lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt;
+hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook
+trouwens midden in den nacht gepleegd. W&aacute;&aacute;r had hij dien nacht dan
+verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.</p>
+
+<p>&mdash;Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen h&egrave;!" herhaalde Jules
+een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur
+behoorde.</p>
+
+<p>Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur
+ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld
+werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de
+gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette
+dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om
+met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in
+schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins
+bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn
+brood wenscht te komen. W&aacute;&aacute;rom sliep hij als een vagebond in de
+schuren? vroegen de gendarmen.</p>
+
+<p>&mdash;Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde
+Jules.</p>
+
+<p>De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier
+van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen
+zoo redeneerde!</p>
+
+<p>&mdash;'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met
+nadruk.</p>
+
+<p>&mdash;Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.</p>
+
+<p>&mdash;Joa ik," zei Jules.</p>
+
+<p>&mdash;Woar es 't?"</p>
+
+<p>&mdash;Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons
+huizeken van t' huren."</p>
+
+<p>Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar
+honderd frank in mooie zilverstukken.</p>
+
+<p>Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in
+bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld
+hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es hem! 't &ecirc;s hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders
+gedrei&euml;n, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"</p>
+
+<p>&mdash;Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.</p>
+
+<p>&mdash;'t Es hem! 't &ecirc;s hem!" herhaalde de boer met onverstoorde
+overtuiging.</p>
+
+<p>&mdash;'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.</p>
+
+<p>De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun
+overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules w&agrave;s een der daders en
+proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte
+rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij
+zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de
+boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen
+huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en
+trouwden.</p>
+
+<p>Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de
+correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem
+aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou
+hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig
+had?</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele
+beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken
+nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het
+allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten
+te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen
+berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken
+leven leidde.</p>
+
+<p>&mdash;Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' h&ecirc;n?" vroeg
+de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik
+te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat
+achtten.</p>
+
+<p>Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde
+beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een
+jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.</p>
+
+<p>Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ik weet niet,&mdash;en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,&mdash;wat aan
+Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden
+onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam
+op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met
+de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw
+met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.</p>
+
+<p>&mdash;Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje,
+dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de
+gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang,
+verrukt aanstaren.</p>
+
+<p>&mdash;Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.</p>
+
+<p>&mdash;Jules... Julken," snikte zij.</p>
+
+<p>&mdash;Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van
+het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte
+gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche
+rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre,
+verre gedachten.</p>
+
+<p>&mdash;'t Kot h&egrave; hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij h&egrave; bereiw,
+hij es broave geworden."</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn
+geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde
+sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen
+gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek
+met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware
+een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren
+klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij
+uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin,
+scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang,
+hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe
+het met hem was.</p>
+
+<p>Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had
+hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar
+eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond
+daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen
+den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze,
+verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er
+onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.</p>
+
+<p>&mdash;Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat
+gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze
+gevroagd worden?"</p>
+
+<p>Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder
+in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan
+doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat
+hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie
+van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zoov&eacute;&eacute;l dat
+hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij
+het in verbeelding, dat kerkhof, vol, v&oacute;l met van die lange, smalle,
+witte kisten onder 't groene gras.</p>
+
+<p>&mdash;Ge zi&egrave; wel da ze gevroagd worden; da wordt &agrave;ltijd gevroagd," was
+eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.</p>
+
+<p>En meer was er niet uit te krijgen...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het
+groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de
+grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan
+het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den
+drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden
+en zilveren franjes v&oacute;&oacute;r de dichte, groene luikjes...</p>
+
+<p>Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam
+uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat
+hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil
+verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen
+de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een
+van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op
+voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog
+altijd meer moest timmeren...</p>
+
+<p>Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge
+vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het
+stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met
+uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt
+'t kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in
+zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve
+duisternis bijna niet ziet?&mdash;Het is er alles zoo stil! Geen klank,
+geen zucht, geen adem komt naar buiten.</p>
+
+<p>Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde
+velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De
+groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder
+lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar
+stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en
+puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte
+wolkjes...</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="VIII._PEETJE_PRUIS._">VIII.
+PEETJE PRUIS.</a></h3>
+
+<p>In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en
+Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in
+Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur.
+Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen
+hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen,
+en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.</p>
+
+<p>Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de
+Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen
+van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich
+Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze
+ge&iuml;llustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: di&egrave;
+welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek
+eenigszins op Bismarck; d&agrave;t oud, gebogen ventje uit het
+Armenhuis op Moltke, di&egrave; handelsreiziger, die om de zooveel weken
+met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo
+was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning
+Wilhelm.</p>
+
+<p>Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp,
+met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het
+nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met
+gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze
+persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere
+kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het
+ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge,
+donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als
+sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte
+zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en
+fluweelzacht-golvende gazons.</p>
+
+<p>Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet
+bizonderen naam van Am&eacute;d&eacute; Fruytier. Hij hield van lekker eten en
+drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las
+iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.</p>
+
+<p>Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke
+opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel
+precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was
+er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en
+buiten alle partijen stond.</p>
+
+<p>&mdash;Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend,
+als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en
+zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis
+op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en
+veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."</p>
+
+<p>Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets
+goed-ruws hebben. Hij d&eacute;&eacute;d dan wel heel barsch en sprak wel heel
+kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te
+verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig
+ijdel!</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij
+gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch w&egrave;l de moeite
+waard om er zich warm voor te maken.&mdash;De Duitschers, pouah! wat 'n
+volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop
+gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn
+vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de
+rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun,
+uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten
+voor.&mdash;Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer,
+Louis Napol&eacute;on, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders
+worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!</p>
+
+<p>Hij prononceerde: "Lowie Napol&eacute;on" en hij sprak over den Franschen
+Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende.
+Lowie Napol&eacute;on zou dit, Lowie Napol&eacute;on zou d&agrave;t; Lowie Napol&eacute;on had
+zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer
+Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel
+enkele bevoorrechten behoorde.</p>
+
+<p>Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. W&ouml;rth,
+Froeschwiller; en onze ge&iuml;llustreerde bladen, die eerst niets dan
+Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag
+meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en
+de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.</p>
+
+<p>Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke
+kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van
+den Pruisischen vorst was geschoren&mdash;dat was het eenige verschil&mdash;en
+toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde
+en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis z&oacute;&oacute; treffend, dat
+hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij
+kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen,
+streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en
+vroeg:</p>
+
+<p>&mdash;Zie-je gien gelijkenesse?"</p>
+
+<p>&mdash;Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd,
+door het evenbeeld getroffen.</p>
+
+<p>En mevrouw werd er haast bang onder.</p>
+
+<p>&mdash;O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.</p>
+
+<p>&mdash;Watte!... Wa zo&ecirc;n ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte
+achteroverhellend.</p>
+
+<p>&mdash;Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met
+verschrikte oogen.</p>
+
+<p>&mdash;Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten
+lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone
+"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten
+Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn
+vrienden, haalde 't ge&iuml;llustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn
+zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het
+konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:</p>
+
+<p>&mdash;Hm! H&egrave;-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt
+ge 't?"</p>
+
+<p>&mdash;O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich
+de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht
+vergelijkend.</p>
+
+<p>&mdash;Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van
+trots en pret.</p>
+
+<p>Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun
+liet zien wat onderaan stond:</p>
+
+<p>Willem I, Koning van Pruisen.</p>
+
+<p>&mdash;Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de
+vrienden.&mdash;O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie
+dreupels woater! Scheirt ou&euml;n board op ou&euml; kinne wig en iederien zal
+mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers
+buitenlandsch-politieke gevoelens.</p>
+
+<p>Zonder bepaald op Lowie Napol&eacute;on af te geven, die zeer zeker een
+beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten
+invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te
+mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde
+niet lang of de sympathie&euml;n van meneer Fruytier en met de zijne ook
+die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van
+het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij
+aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij
+grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn
+voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op
+familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over
+de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij
+weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napol&eacute;on
+gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom
+verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn
+houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en
+stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook
+of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl
+integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden
+merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:</p>
+
+<p>&mdash;Verdeeke! menier Fruytier, ou&euml;n board valt uit op ou&euml; kinne. Nou
+wordt-e percies Peetje Pruis!"</p>
+
+<p>&mdash;Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid
+gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in
+'t dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij
+wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het
+deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht
+erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.</p>
+
+<p>&mdash;Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van h&ecirc;n." raadden
+zijn vrienden hem aan.</p>
+
+<p>Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op
+een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin
+in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem
+na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie"
+beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren,
+en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg
+verdwijnen.</p>
+
+<p>&mdash;O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde
+huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.</p>
+
+<p>Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het
+ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn,
+ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.</p>
+
+<p>&mdash;<i>We</i> zijn d'r!" zei hij... <i>W'</i> h&ecirc;n Lowie Napol&eacute;on vaste? <i>We</i> 'n mo&eacute;n
+nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt
+Parijs in onz' handen"...</p>
+
+<p>O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!...
+'t Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de
+koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!</p>
+
+<p>De sensationeele berichten zwollen tot de
+proporties van een algemeene wereldramp, die ook &oacute;ns zou komen
+aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen
+het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen
+dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de
+dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak
+van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te
+bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had,
+maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij
+kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in
+de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij
+zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:</p>
+
+<p>&mdash;Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"</p>
+
+<p>&mdash;Och Hier och God! d&agrave;t 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en
+dochter ontsteld overeind.</p>
+
+<p>&mdash;Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een
+beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.</p>
+
+<p>Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich
+smeekend, snikkend aan zijn kleeren.</p>
+
+<p>&mdash;O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze
+goan ou ginter deudschieten!"</p>
+
+<p>&mdash;Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.</p>
+
+<p>&mdash;O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou
+b'lieft!"</p>
+
+<p>&mdash;Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en
+vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"</p>
+
+<p>&mdash;O, wacht te minsten nog nen dag of twie&euml;, nog ienen dag! nog nen
+halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen
+uchtijnk, tot da we gelezen h&eacute;n wat dat er in de gazet over
+geschreven stoat!"</p>
+
+<p>Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste
+overhalen.&mdash;Goed. Hij z&ograve;&ugrave; wachten tot den volgenden ochtend. Maar
+zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste
+nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en
+bleef onherroepelijk; hij m&oacute;&egrave;st, hij wilde er naartoe. Hij had het
+plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.</p>
+
+<p>Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te
+pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer
+van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind,
+met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.</p>
+
+<p>Reeds v&oacute;&oacute;r het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw
+en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op
+hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende
+aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn
+brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Ana&iuml;s, de
+dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar
+de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar,
+met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te
+doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij
+geen toebereidselen tot vertrek maken.</p>
+
+<p>Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was,
+het volgende sensationeel bericht:</p>
+
+<p>"Duizenden en duizenden soldaten van het
+"Fransche leger komen onophoudelijk over de
+"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond
+"en allen verkeeren in een allerdroevigsten
+"toestand van uitputting en ellende. Zij worden
+"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk,
+"per spoorweg, naar verschillende plaatsen
+"van het land gedirigeerd. Gisteren avond
+"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik,
+"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee
+"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden
+"er ook twee naar Gent gestuurd, waar
+"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den
+"namiddag zullen aankomen."</p>
+
+<p>Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:</p>
+
+<p>&mdash;O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.</p>
+
+<p>Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw
+strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.</p>
+
+<p>&mdash;En mijn reize noar Sedan?" zei hij.</p>
+
+<p>&mdash;Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur
+troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw
+Fruytier.</p>
+
+<p>Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.</p>
+
+<p>&mdash;Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da
+euk wille zien," drong zij aan.</p>
+
+<p>"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps
+opgewonden overeind staande.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Was als een kermisdag in Gent...</p>
+
+<p>Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle
+gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de
+aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.</p>
+
+<p>Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er
+omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was
+overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een
+betrekkelijke orde te handhaven.</p>
+
+<p>Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter,
+elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas
+geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten
+gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover.
+Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme
+sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder
+op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en
+'t maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat
+voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich
+gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet
+hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem
+verhinderd hadden naar Sedan te gaan.</p>
+
+<p>&mdash;Wa &egrave;s da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!"
+bromde hij.</p>
+
+<p>&mdash;'n Beetse passi&euml;ncie, man, 'n beetse passi&euml;ncie, Pa, smeekten
+vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende
+menigte bijna stikten.</p>
+
+<p>Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.</p>
+
+<p>Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel
+der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard
+voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels
+rechts en links omlijst.</p>
+
+<p>De Fransche krijgsgevangenen!...</p>
+
+<p>Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend
+rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie,
+met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op
+'t stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en
+machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.</p>
+
+<p>Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere,
+hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren,
+ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen
+was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten
+hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de
+bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw
+geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband
+gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe
+kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een
+lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte
+oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als
+een lijk.</p>
+
+<p>De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte
+van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste
+van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die
+welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu
+eindelijk van h&eacute;&eacute;l dichtbij, D&agrave;t waar ze maanden van gedroomd en
+zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... D&agrave;t was
+er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door
+bloed, van al die menschen&mdash;hun medemenschen&mdash;die niet eens wisten
+waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood
+werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid,
+'t was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche
+Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel
+opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de
+aarde weer in puin stortte.</p>
+
+<p>&mdash;Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw
+Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.</p>
+
+<p>&mdash;Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En
+eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet
+goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem
+stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te
+snikken als een kind...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard.
+Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding
+was gedwee&euml;r, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve
+autoriteit.</p>
+
+<p>Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...</p>
+
+
+
+ <hr style='width: 45%;' />
+
+
+
+<h3 style="text-align: left"><a name="IX._VAN_TOEKOMST_EN_VERLEDEN._">IX.
+VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.</a></h3>
+
+<p>Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan
+Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong
+koewachterken denk...</p>
+
+<p>'t Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was
+ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche,
+groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden
+boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen
+prachttooi.</p>
+
+<p>Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar po&euml;tisch verscholen,
+met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het
+groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met
+een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine,
+groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.</p>
+
+<p>Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met
+haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.</p>
+
+<p>Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch
+poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met
+fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen
+heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en
+zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode
+lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken
+moest.&mdash;Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een
+guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder
+soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd"
+zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe
+en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt
+door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend
+om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem
+gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke
+liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat
+alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde
+ze hem soms.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes
+neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal
+frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden.
+Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de
+verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene
+gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de
+overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En
+'t was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo
+liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die fe&euml;rie van
+licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden
+woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om
+nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van
+'t boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg
+of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op
+en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te
+krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar
+onge&euml;venaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een
+beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en
+oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.</p>
+
+<p>Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den
+lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje
+binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond
+er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn
+eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke
+netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de
+versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers
+blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardste&ecirc;,
+onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje,
+reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste
+kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte,
+schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar
+schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar
+elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar
+als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere;
+en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in
+afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden.
+Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van
+Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt
+werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom
+van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine
+eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in
+het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak
+scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met
+grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig
+denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die
+midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had
+staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen
+een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn
+verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige
+vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven
+een h&eacute;&eacute;l zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het
+rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende
+lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...</p>
+
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die
+omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar
+ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande
+deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.</p>
+
+<p>Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij,
+met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.</p>
+
+<p>Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.</p>
+
+<p>&mdash;Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou
+leven gezien 'n h&eacute;t?" fluistert zij met een vreemde, half lachende.
+half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch
+gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En
+schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.</p>
+
+<p>Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn
+oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen.
+zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder
+een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.</p>
+
+<p>&mdash;Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.</p>
+
+<p>&mdash;Stt!" sist ze, met den vinger v&oacute;&oacute;r den mond. En zacht duwt ze mij
+half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.</p>
+
+<p>Het duurt een poosje v&oacute;&oacute;r ik in die grauwe schemering iets
+duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar
+door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren
+licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:</p>
+
+<p>In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op
+die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend,
+stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong
+kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt
+en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van
+toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide
+rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren,
+dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in
+wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet
+begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.</p>
+
+<p>&mdash;Da &egrave;s iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze
+toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:</p>
+
+<p>&mdash;Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschi&euml;n!"</p>
+
+<p>Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje
+zich om, staat daar even sidderend v&oacute;&oacute;r ons, met zijn mes in de hand.
+Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem
+'t mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een
+kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele
+sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en
+paarsrood van wilde inspanning.</p>
+
+<p>&mdash;Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden.
+"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as
+'t nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala,
+leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen
+nie mier!"</p>
+
+<p>Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep
+om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.</p>
+
+<p>Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en
+mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch
+nog eens eventjes goed opnemen, v&oacute;&oacute;r ik haar verder over dat gekke
+gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar
+wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar
+voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi
+rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en
+inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar
+schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige,
+bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo
+verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te
+krijgen.</p>
+
+<p>&mdash;Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie
+vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.</p>
+
+<p>Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die
+kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd
+geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter,
+van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden
+zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna
+handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij
+koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er
+dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te
+gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu
+'n sloeberken, doar 'n h&egrave;-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter;
+ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur
+zijn wirk w'h&aacute;n hem al wel honder kiers wiggezonden..."</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn
+eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de
+hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al
+lang geleden...!</p>
+
+<p>Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo
+heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet we&ecirc;rgezien. Wat is er
+geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van
+'t vechtlustig Feelken... ik weet het niet!&mdash;Zoo nu en dan, in den
+loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het
+verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag,
+vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche
+vlammetjes in 't eenzaam haardje, v&oacute;&oacute;r mijn geest opglansde en als
+een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,&mdash;hoe of waarom juist
+gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er
+eenige aanleiding toe&mdash;gisteren kwam het zich eensklaps met de
+kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de
+oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen
+van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn
+geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik m&oacute;&eacute;st er heen.</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.&mdash;De
+wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende
+moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze
+waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast
+scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome
+benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht
+zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes
+voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend
+als van weemoedig, heimwee&iuml;g verlangen, in hun haastige, haastige
+vlucht naar mildere oorden.</p>
+
+<p>Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de
+sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en
+als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd
+roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het
+winterdoodsche boomgaardje, kom v&oacute;&oacute;r het groen, half open
+boogdeurtje.</p>
+
+<p>&mdash;Gien belet?'</p>
+
+<p>&mdash;Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.</p>
+
+<p>&mdash;Dag Zieneken!..."</p>
+
+<p>Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een
+heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een
+vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite
+raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend,
+vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel
+roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan.
+Blijkbaar herkent ze mij niet.</p>
+
+<p>&mdash;Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne
+komen om mijn puipken t' onsteken?"</p>
+
+<p>&mdash;Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide
+handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en
+blozende wangen, komt ze naar mij toe:</p>
+
+<p>&mdash;O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend
+h&egrave;n!"</p>
+
+<p>En wij praten over het verleden...</p>
+
+<p>Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder
+van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet
+komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten
+zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar
+oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en
+zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.&mdash;Moar zet ou,
+meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie;
+'k h&egrave; al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons
+allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n
+dreupelke pakken...?"</p>
+
+<p>Er is in mij een vreemde, diepe, heimwee&iuml;ge emotie. Ik voel ineens
+den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is
+in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met
+links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt
+werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen
+melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange,
+bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken
+aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog,
+waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf
+zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde
+gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte
+haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds
+levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo
+schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten
+onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van
+mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger
+verloren. De jaren, de zorgen, en &agrave;l die kinderen hebben hun
+vernielingswerk aan haar verricht.</p>
+
+<p>Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend
+over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik
+weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en
+zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering
+van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven,
+somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een
+beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en po&euml;zie
+en lente?</p>
+
+<p>Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.</p>
+
+<p>&mdash;En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee
+zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es
+'t zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?</p>
+
+<p>&mdash;Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es
+'t broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den
+boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."</p>
+
+<p>En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de
+wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar.
+beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande
+staldeur verdween.</p>
+
+<p>Feelken!... O, was d&agrave;t het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo
+oud, zoo afgeleefd, versleten...!</p>
+
+<p>&mdash;'t Veintsjen h&egrave; zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei
+Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en
+allien achtergebleven met drei kleine kinders..."</p>
+
+<p>Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje
+datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine
+koewachter, met messen wilde vechten?</p>
+
+<p>&mdash;O nien, nien 't," zei Zieneken; de die&euml; was al lank vergeten.</p>
+
+<p>'t Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling
+geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje.
+Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren
+voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, h&eacute;&eacute;l
+oude vreemdeling geworden...!</p>
+
+<p>Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren
+ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het
+achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even
+likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.</p>
+
+<p>Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in
+verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar
+spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een
+heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje
+zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige
+eenzaamheid van het verlaten keukentje...</p>
+
+<hr style='width: 45%;' />
+
+<p>'t Is uit... ik voel dat het voor &agrave;ltijd uit is en dat ik nooit op
+het aardig boerderijtje meer terug zal komen...</p>
+
+<p>Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen
+schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje
+oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,...
+twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen
+en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt
+elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is
+mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes
+zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs
+den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van
+bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige
+verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong
+koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering
+van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen
+te bewaren...</p>
+
+
+
+<p>&nbsp;</p>
+<p>EINDE.</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE ***
+
+***** This file should be named 18069-h.htm or 18069-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/0/6/18069/
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/18069.txt b/18069.txt
new file mode 100644
index 0000000..0510b63
--- /dev/null
+++ b/18069.txt
@@ -0,0 +1,5402 @@
+The Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Lente
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: March 29, 2006 [EBook #18069]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE ***
+
+
+
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+
+
+
+LENTE
+
+Cyriel Buysse
+
+1907
+
+
+
+INHOUD.
+
+LENTE.
+
+OBSESSIES.
+I. Het bezoek van engel Gabriel op aarde.
+II. Het hondje.
+III. Het slecht vijffrankstuk.
+IV. "Den Binder".
+V. Restitutie.
+VI. De Stier.
+VII. Berouw.
+VIII. Peetje Pruis.
+IX. Van toekomst en verleden.
+
+
+
+LENTE
+
+Tante Zeunia lag op sterven...
+
+Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken
+en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar
+beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef
+tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand.
+
+--'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog
+eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in
+zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder
+haar nog eens te zien.
+
+--Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien
+voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al
+haar grillen te voldoen.
+
+--Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht.
+
+En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog
+dienzelfden avond zouden schrijven.
+
+Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te
+Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was
+Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds
+lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen
+tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had
+gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder
+gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer
+verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden.
+
+Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging,
+Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en
+verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld,
+het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij
+haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven
+suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer
+toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts.
+
+--Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje.
+
+--Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien.
+
+--Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje.
+
+--Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille
+wij moete schrijven, e-woar?"
+
+Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder
+verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken
+bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar
+steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat
+achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had
+gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen!
+Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte
+vraag van zijn jongeren broeder:
+
+--Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te
+doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien
+keunen ontirven."
+
+--Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerdule over spreken,"
+raadde Standje.
+
+Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden
+den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder
+omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint,
+achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden
+neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden
+glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging,
+en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de
+illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet.
+
+Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij
+was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat
+gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst.
+Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur
+was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een
+vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een
+seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen
+stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn
+dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo
+keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel
+vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der
+vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen
+boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der
+hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem
+daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen
+verwerven.
+
+Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar
+zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en
+beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge
+schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte
+en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe
+oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een
+glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij
+hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens
+uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren.
+Belzemien, en ook zijn zuster Cordula, die het huishouden deed en
+nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke
+zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij
+zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst
+op 't boerderijtje niet gehuurd.
+
+De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg
+gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte
+geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht
+der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder
+beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als
+het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van
+boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar
+nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke
+sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht
+als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder
+zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig,
+schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes,
+volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag,
+grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden
+boomgaard van hun boerderijtje.
+
+Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend
+goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en
+glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even
+verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide
+stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun
+wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche
+lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde
+broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog
+van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen
+Cordula, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws.
+
+Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels
+van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur
+geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin
+Cordula reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje
+gevolgd.
+
+--Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid,
+de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd.
+
+--Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met
+een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in
+den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en
+ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante.
+
+Coben en Cordula luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard,
+met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn
+langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen
+broer opvangend. Cordula, vier jaar jonger dan Belzemien, had een
+beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond,
+groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar,
+dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte
+kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders
+droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een
+zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin
+verkleurd was. Cordula, mager en gebogen, met smalle, ingevallen
+borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit.
+Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met
+haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar
+van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in
+dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn
+steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus
+scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het
+stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en
+stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid
+verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of
+meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van
+laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en
+een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op
+den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van
+Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde
+knechts der hoeve waren.
+
+--Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep
+wenkbrauw-fronsend Cordula, toen Belzemien ten slotte het nogmaals
+herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt.
+
+--Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje.
+
+Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof
+hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep.
+
+--Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna
+agressieven toon.
+
+Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?--Alles zou er van
+afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van
+den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou
+ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk
+niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval
+mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst
+niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot
+gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden,
+haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar
+deel,--dat van haar overleden moeder--mocht en zou ze hebben, maar
+ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen!
+
+--Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n
+dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte
+mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op
+Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong
+nichtje nu volstrekt te willen zien.
+
+Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren
+zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest
+ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar
+de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag,
+en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cordula's groengeverfd
+werktafeltje.
+
+--Hoe lank es da nou geleen dat Leontine hier mee heur ieste
+communie geweest het?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e
+gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch
+schrijve?"
+
+Hoe lang...? Cordula telde even op haar vingers na en wist het
+dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd
+sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was
+toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met
+Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal
+nog zou kennen.
+
+Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar
+toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een
+groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens
+Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en
+aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief
+in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, he?... hoe
+dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven?
+
+Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes
+aan; en zonder notitie te nemen van Cordula's nurksch gebrom en
+Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje,
+die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon:
+
+"Ma chere niece Leontine.
+"J'ai l'honeur de vous informe que...
+
+Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest
+vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij
+zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had,
+hakte hij maar terstond de moeilijkheid door:
+
+"... que tante Zeunia est tre malade en danger
+"de mort et quel ma charger de vous ecrire
+"quel desir de vous voir avant de mourir.
+"Venez donc directement comme possible
+"et ecriver par quel train. Onkel..."
+
+
+Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen:
+
+--As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen.
+Wie dan van ulder het er...?"
+
+--Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei
+Standje met een soort van haast.
+
+En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door
+'t venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde
+verder.
+
+"... Onkel Constant seront avec le tilbury et
+"cheval a la station pour vous atandre."
+
+--Mee den tieprie, nog al! Woarveuren da, verdeeke! He ze zij gien
+bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den
+tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cordula
+nijdig in.
+
+Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook
+iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig
+sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend
+gezagvoerend:
+
+--'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn.
+En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?"
+
+Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong
+koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie
+broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje
+op hun boerderij wel zouden doen. Cordula's meening klonk kortaf en
+categorisch:
+
+--Niets bezonders. Ze zal 't hier hen lijk of we 't zelf hen; en es
+ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!"
+
+Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander
+aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor
+Cordula en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren.
+
+--Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij
+veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering
+zijner kleine oogjes.
+
+--Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk
+'t kort-afdoende antwoord.
+
+Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje
+keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch
+leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de
+gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou
+nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen?
+
+--Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cordula uitdagend.
+"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie
+mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot
+zijn!"
+
+De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht.
+Cordula was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje
+nog even de vraag:
+
+--En woar moe ze sloapen?"
+
+--Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde."
+
+--O! niet in de beste koamer!"
+
+Cordula keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde
+oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En
+plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie:
+
+--Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe
+komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in
+moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?"
+
+De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cordula in haar kwade
+buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet
+tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog
+wel.
+
+ * * * * *
+
+Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de
+boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's
+antwoord.
+
+Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het
+velletje papier er uit, ontvouwde dit en las:
+
+"Beminde nonkels en tante,
+"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord
+"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de
+"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat
+"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij
+"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei
+"met de train die om zes uur in de station van
+"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog
+"wel heel goed en hoop u te vind in goed
+"gezonteit.
+"UW bemint nichtje
+LEONTINE."
+
+--Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog
+'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het
+eigenaardig briefje. Maar Cordula spotlachte smalend om dat
+onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend,
+het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende
+oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit,
+terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog:
+
+--O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van
+die goeje ziepe!"
+
+Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus.
+
+--'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne,
+goeriekende ziepe."
+
+Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling
+zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze
+'t insgelijks Cordula trachtten te doen ruiken, trok deze zich met
+een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend:
+
+--O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd?
+Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die
+P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen.
+'K zal 't in de beke smijten!"
+
+De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken
+oogslag met elkander wisselen. Cordula kon nog eens gevaarlijk
+worden in haar onweersbuien.
+
+Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen
+en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich:
+
+--He, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze"
+trekken."
+
+Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde
+Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder
+een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury.
+
+--Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje.
+
+Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een
+zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond,
+die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen.
+
+--Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje.
+
+De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn
+hok terug.
+
+--En nou de kerre," zei Standje.
+
+Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af
+en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere
+vensterramen van het woonhuis toe.
+
+De kar werd stil op zij geduwd.
+
+Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de
+verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend,
+kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het
+erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas
+geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd.
+
+--Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte
+hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend.
+
+--Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of
+'t harnas van den tieprie in order es."
+
+--Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij
+goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van
+ulder peuten scheiren, zegt hij."
+
+--Ah, c'est ca, c'est ca," glimlachte Standje tevreden.
+
+Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een
+nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis,
+zei, bijna fluisterend, tot Pierken:
+
+--Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen
+achter de muur van de loeze."
+
+Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de
+achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!...
+juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op
+'t zelfde oogenblik Cordula op den drempel van het woonhuis staan.
+
+--Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij
+desnoods tot scherpen tegenstand bereid.
+
+Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte
+Cordula geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het
+rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet
+zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde
+zij naar de stallen toe:
+
+--He! Leenie! Leenie!"
+
+Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de
+haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met
+opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder
+opgestropte mouwen.
+
+--Wa es er, bezinne?" riep zij.
+
+--He-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cordula.
+
+--Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid.
+
+--Hawel, as ge gedoan het komt in huis om mij 't helpen schuren!"
+
+Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat?
+schuren op een woensdag! He... zou zelfs Cordula, ter eere van de
+komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide
+met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van
+onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen.
+
+
+ * * * * *
+
+Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het
+kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor
+gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was
+schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend
+gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar
+wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het
+wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende
+klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!"
+suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige
+opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te
+spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen,
+grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden
+geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje
+wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje.
+
+Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten
+van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne,
+strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch
+belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij
+van het wachthuisje staan.
+
+--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie
+bij den breidel vasthoudend.
+
+Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een
+enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht
+voor 't kleine station gereden.
+
+--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds
+dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende
+manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd
+omwendde.
+
+De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen
+uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar.
+
+--Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij
+haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar
+plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier,
+een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een
+grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig
+frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende
+oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend
+schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje
+van verre riep:
+
+--Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!"
+
+--Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand
+tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde,
+een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging,
+en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd
+onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn
+harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde:
+
+--Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee
+ou?"
+
+--Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje,
+geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat
+begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan
+met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo
+mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en
+ontroerd door haar gansche verschijning.
+
+--Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es
+'t thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.--En dan weer
+angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou
+hou, Bello, hou hou...!"--Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn
+peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar
+hier, 'k zal 't onder de bank steken."
+
+Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte
+zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de
+stille straten van het kleine plaatsje.
+
+--En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag.
+
+--O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie
+niet meer wetend wat hij zei.
+
+--Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje
+hem diep verbaasd aan.
+
+--Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde
+Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur
+es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?"
+
+--Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur
+vandoag nog keune zien, nonkel?"
+
+--Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r
+mee ou noartoe goan."
+
+Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordula ging, en
+met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar
+aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en
+verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den
+indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de
+handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo
+fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming,
+dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit
+haar briefje opgesnoven had.
+
+Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de
+houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve,
+stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom
+strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar
+voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen
+donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en
+hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken,
+frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne,
+tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als
+eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote
+boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en
+in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden
+eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken.
+
+--O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't
+jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal
+rondkijkend.
+
+--E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen.
+"'n Greut verschil mee P'rijs, he?"
+
+--O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde
+zij glimlachend.
+
+De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en
+lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het
+zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde,
+slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke
+eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij
+vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels,
+zingend zaten neergestreken.
+
+--O, qu'est-ce que c'est que ca, mon oncle?" riep zij met een zoo
+opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde
+en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou,
+Bello! moest laten hooren.
+
+--Ca, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord
+niet dadelijk vindend.
+
+--Oh! Et que font-elles?
+
+--Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer,
+opnieuw om zijn raar taaltje lachend.
+
+--Comme ca, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd.
+
+--Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje.
+
+--Et ca ne leur fait pas mal? Ca ne pique pas?"
+
+--Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hen, e-woar? Ze
+zijngen..."
+
+De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig
+kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat
+deze maar half begreep.
+
+--Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig.
+
+--Que vous etes une zolie fille!" schertste hij, haar met
+glinsterende oogen aankijkend.
+
+--Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend.
+
+Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en
+breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen
+juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in
+een wagenspoor bijna omkantelde:
+
+--O mon oncle! mon oncle! Wat es dat toch!"
+
+'t Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den
+blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde
+onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van
+duizend-en-duizenden zoemende bijen.
+
+--Datte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend
+keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend.
+
+--O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij
+nen bouquet van mee nemen!"
+
+--Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen
+seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien
+nie geirn hen, as 't hij moest zien..."
+
+--Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij.
+
+'t Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte
+uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor
+den boer, naar de groote hoeve omkeek.
+
+--Hmm! Hmm! comme ca sent bon!" juichte zij, met volle armen
+plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan
+'t schermen, met haar beide handen.
+
+--Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke
+worden!"
+
+Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij,
+overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch
+gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden
+schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar
+de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen
+de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds
+zichtbaar werden.
+
+--Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje.
+
+--'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps
+jubelde ze 't uit:
+
+--O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen!
+La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas?
+Oh! comme elle est gentille!"
+
+--Owie--owie... ce ca!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig
+dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond.
+
+--En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?"
+
+--Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je
+wel, dat toreken."
+
+--Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A
+present je me rappelle tout a fait et je reconnais encore le petit
+clocher. C'est la que j'ai fait ma premiere communion!"
+
+--Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje.
+
+Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over
+'t steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over
+den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van
+'t woonhuis stil.
+
+--Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En
+zij viel in de armen der verbouwereerde Cordula, die op den drempel
+was verschenen.--Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen
+ook van den verbluften Belzemien.--Bonjour, mon oncle Coben!"...
+En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben.
+
+Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en
+blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van
+gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te
+zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast
+door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet
+minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan
+'t wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank
+overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en
+zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook
+Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard
+naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand,
+keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordula, als om
+haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven
+moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige
+voute-kamer naast haar te doen slapen.
+
+--O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig
+het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met
+gouden letters uit en bood dien Cordula aan.
+
+--As 't ou blieft, tante, 'k he da uit Parijs veur ou mee gebrocht."
+
+--Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een
+plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak
+openend.--Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar,
+kijkt toch ne kier hoe veele."
+
+--Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend,
+Leontientje.
+
+Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordula; gulzig proevend.
+
+Het was een voile zak pralines, en Cordula presenteerde er nu ook
+van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met
+aarzelende vingers zich bedienden.
+
+Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordula vermurwd, en, het
+valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag:
+
+--W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster!
+Alhier zeker, e-woar?"
+
+En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe.
+
+Cordula scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar
+groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al
+vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil:
+'t hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg,
+haastig in haar verbluftheid stotterend:
+
+--Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier
+moete zien of er niets 'n mankeert."
+
+Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het
+valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel
+neer, kwam er weer uit terwijl Cordula met 't nichtje binnentrad,
+en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de
+keuken op, stil juichend:
+
+--Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of
+'t zijn moet!"
+
+Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben
+en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt,
+zenuwachtig opgewonden:
+
+--Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie
+meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de
+koeier te doen eten."
+
+--Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdule
+gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da
+niet meugelijk 'n es."
+
+--Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan
+zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang
+was den knecht en de meid te beleedigen.
+
+--Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel
+miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig.
+
+--Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm
+mee de zuster over klappen."
+
+Cordula en Leontientje kwamen terug in de keuken.
+
+--Wa goa-je gij eten, Leontine? G-het zeker wel honger noar die
+lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien.
+
+--Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei
+Leontientje.
+
+Bezorgd keken de broeders naar Cordula op. Haast iederen avond aten
+zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen
+smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij
+vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou?
+
+--Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling,
+angstig omdat Cordula nog niet dadelijk op de kwestie inging.
+
+--O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee
+nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es
+'t bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje.
+
+--Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte
+dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de
+maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een
+schuw-schichtigen blik op Cordula, die maar aldoor stom en stug en
+roerloos stond te luisteren:
+
+--Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om
+bier goan?"
+
+Plotseling slaakte Leontientje een kreet:
+
+--O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch
+al mijn scheune blommen!"
+
+--Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa,
+'t es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal
+z' ou goan hoalen!"
+
+Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong
+veulen naar de "loeze".
+
+In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat.
+
+--Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid,
+"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie
+zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet
+geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen
+goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden."
+
+--Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordula
+verontwaardigd.
+
+--'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moen iest en
+veural onz' iere koavelen."
+
+Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen.
+
+--Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch
+en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie
+genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!"
+krijschte Cordula.
+
+--Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld
+afhouden!" riep Standje grootmoedig.
+
+--Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordula, meteen zich
+overwonnen gevend. "He-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen
+'n keunijnksdochter in huis!"
+
+De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden,
+lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordula voorspelde nijdig erge
+ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en
+geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet
+schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje,
+roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan
+toevoegen:
+
+--Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan
+ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen
+spoaren as 't geld op es!"
+
+Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht
+half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen.
+
+--Wa he ze zij doar!" riep Cordula nurksch verbaasd.
+
+--O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hen ze lang de wig getrokken!"
+juichte 't meisje.
+
+--Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde
+Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat
+Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als
+Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht
+vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu
+fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van
+dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, ce
+du colza, ma niece." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch
+mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordula beweerde knorrig dat
+die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en
+ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't
+zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje
+een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste
+kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er
+nog tijd was voor den eten om eens even rond de boerderij te gaan.
+
+De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille,
+mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordula bleef brommig in
+huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten,
+putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie,
+liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had
+hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig
+blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij,
+in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte
+goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken,
+pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van
+hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde
+lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden
+in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en
+roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een
+wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant.
+
+--Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij
+haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide
+met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps
+werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en
+las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een
+kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas?
+Tante Cordula ne sera pas fachee, n'est-ce pas?" terwijl de drie,
+oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk
+oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun
+zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze
+schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig
+afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordula er nog niets van en
+Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier
+Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon
+komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje,
+bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in
+'t smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige
+verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte
+waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche
+opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar
+in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat
+haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten
+haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen
+waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam;
+en eindelijk kwamen zij, door Cordula voor het avondmaal geroepen,
+langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende
+appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in
+'t water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan...
+
+Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel
+blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de
+zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een
+laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte
+eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier.
+Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had
+fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer
+tevreden. Cordula zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer,
+beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met
+kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen
+ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en
+haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en
+weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje
+scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben.
+
+Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over
+Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog
+steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan
+twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en
+ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel
+werkte.
+
+--Zeu, zeu, veur ne corse-wijnkel nog al!" zei Standje, met een
+ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen.
+
+--Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten,
+'n he 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien.
+
+Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende
+handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van
+had.
+
+--En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde
+Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn
+ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en
+kant. 'K he passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het
+azeu aan oue kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven
+honder fran in."
+
+--Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle
+drie de ooms verwonderd uit.
+
+--Ha, da es zottigheid! viel Cordula barsch in. Da es geld wigsmijten
+of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch
+ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed
+droagt!"
+
+--Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't
+almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend.
+
+--O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordula met van diepe
+minachting neertrekkende lippen. "De diee 'n zijn nievers beschoamd
+in!"
+
+Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets
+meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar
+frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die
+door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol
+gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje
+keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den
+ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde
+uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon
+gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl
+zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het
+eitje vestigend, gegeneerd stamelde:
+
+--Mais mon oncle tout de meme... comme vous etes drole...!
+
+Vaag-achterdochtig keek Cordula met een schuinblik naar hem om; maar
+zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de
+anderen niet goed begrepen...
+
+Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen
+buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de
+knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong
+koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch
+hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk,
+vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht,
+donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op
+en groette "elk ne goen oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan
+de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke
+Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks
+opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover
+Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het
+nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de
+keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste
+vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo
+scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar
+huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in
+verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en
+langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij
+voor een vuur stond.
+
+--He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem
+spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging
+hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van
+Bruuntje. Cordula bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende
+pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een
+haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote,
+houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te
+slurpen.
+
+--Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent
+donc a meme la terrine, sans assiettes!"
+
+--Owie, owie, ils ne demandent pas ca. Ca est comme ca comme dans
+le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen
+glimlach.
+
+--Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel
+overtuiging toe.
+
+Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch
+kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte
+hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was
+zooals Belzemien en Standje zeiden.
+
+--Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig.
+
+En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming,
+begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te
+praten.
+
+De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar
+'t station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster
+ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen
+nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten
+kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed
+mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was
+hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij
+geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had
+zij ook niet eens meer gevraagd.
+
+--'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre
+grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd.
+
+--Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer
+gepraat werd besloten dat Cordula er den volgenden ochtend met
+Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder
+bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak
+geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar
+testament zoude kunnen veranderen.
+
+Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken,
+waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels,
+overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna
+gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich
+somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den
+zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordula's
+lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke
+schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van
+heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje
+wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een
+avondluchtje scheppen.
+
+--O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend
+opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs
+zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordula, goa-je
+gij euk nie ne kier mee?"
+
+--Moar nien nien ik, en al die schotels nog te wasschen zijn!"
+antwoordde, op half bitsen toon, Cordula. En tot de dienstmeid:
+
+--Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan het goan we 'r al gauwe
+mee beginnen."
+
+Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid
+drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen
+en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het
+landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen,
+onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op.
+Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de
+feeeriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen
+in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de
+diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen
+witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers
+om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde
+schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek,
+zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van
+diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare
+aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende
+gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote,
+donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen.
+
+--O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier
+wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje.
+
+--Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje.
+
+--'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien.
+
+--Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon.
+
+--Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune
+worden?" stotterde Coben.
+
+Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de
+zachte harmonie der geheele poetische stemming, en Leontientje, tot
+de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde:
+
+--Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?"
+
+Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig
+dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille
+landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in
+traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets
+droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid.
+Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der
+klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar
+even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een
+langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte
+van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een
+verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late
+kar voorbij.
+
+--O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van
+'t plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met
+als 't ware een zweem van spijt.--Overal lichten, en voituren en
+scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?"
+
+--Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog
+eens de broeders.
+
+Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel
+van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms
+door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en
+wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren
+reeds ter ruste. Cordula stak een nachtkaars aan en opende de deur
+van de "beste kamer".
+
+--Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordula, die
+zich even verbaasd half achteruit trok.
+
+--Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de
+beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het
+jeugdig-frisch meisje gezoend.
+
+--Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde
+halfluid en verontwaardigd Cordula, toen zij in de keuken, bij de
+drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een
+slecht huis woare!"
+
+--Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk
+nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld.
+
+Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met
+fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen,
+onduidelijke klanken stotterend.
+
+--Slechte menieren, da zijn 't," bromde Cordula boos.--"En gulder,
+ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da
+mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n
+mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit
+verlied van doage!"
+
+Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders
+af, Cordula goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar
+boven.
+
+ * * * * *
+
+Toen Cordula den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in
+het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een
+bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter
+voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had.
+
+--Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd
+het? vroeg Cordula, zonder evenwel sterk aan te dringen.
+
+--Niemand, niemand, het den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met
+stillen nadruk haar woorden.
+
+Cordula keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd
+gezicht bij zette.
+
+--Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze
+berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de
+non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws
+zou sturen.
+
+ * * * * *
+
+--Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei
+gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordula, met Leontientje
+weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde.
+
+--Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress
+van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!"
+
+--T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge
+zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe
+dat 't verder afleupt."
+
+--'t Es da 'k zeu weinig tijd he," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan
+mij zeu lank niet missen."
+
+Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden
+ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder
+verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje
+verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We
+zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren."
+
+--Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg
+pen en papier om aan haar vader te schrijven.
+
+Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje
+haar brief aan 't opstellen was.
+
+--Wa zoen we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de
+oudste broer knipoogend.
+
+Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had,
+krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig
+verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat
+eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar
+probleem.
+
+--K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa,
+wa zoen we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee
+heur uitrijen?"--Standje wist eigenlijk wel 't een en ander, hij
+had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben
+moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen
+vermoede dwarsboomerij vanwege Cordula. Zwijgend ondervragend keek
+hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig,
+ondervragend aankeken.
+
+--'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje
+voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur
+uitgoan en ien van ulder morgend?"
+
+--Ba joa, ba joa, we zoen 't meschien azeu keune probeeren," zei
+Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?"
+
+--Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de
+stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen.
+
+--Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij
+was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n
+beetsen uitrijen."
+
+--Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben
+te hakkelen.
+
+Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in
+opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje
+uit het huis kwam:
+
+--Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den
+achternoene nog ne kier op uitrijen!"
+
+--Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een
+hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen.
+
+Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien.
+
+Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij
+bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en
+de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde.
+
+Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den
+buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den
+boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in
+bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale
+pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon
+het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de
+boterkarn aan het klutsen ging.
+
+--O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het
+grappig-eigenaardige der uitvinding verrast.
+
+--N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar
+verrassing.
+
+Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te
+hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in
+'t achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij
+en wipte, als onder een zweepklap, half op.
+
+--Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig.
+
+De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit:
+
+--'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke
+doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa
+vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel."
+
+--Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend.
+
+--Me non, me non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien.
+"Ne kier dat hij de goejen trampel het, 'n roaken de peunten hem nie
+meer oan."
+
+--Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje.
+
+--Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs
+om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan."
+
+--Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog
+steeds meelijdend.
+
+--Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers,
+'n uur en half almets."
+
+--Ach!... en zonder iene kier te rusten?"
+
+--Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in
+zijn vel."
+
+--Och...!"
+
+--Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe,"
+glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven
+stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure
+moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen."
+
+--Pauv' bete,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op
+den aldoor trappelenden hond gevestigd.
+
+Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan
+zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het
+gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten
+door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer
+aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden.
+Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend,
+met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende,
+bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn
+naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop.
+
+--Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van
+het schouwspel afwendend.
+
+--Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins
+teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden
+boomgaard wandelen.
+
+ * * * * *
+
+Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo
+rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er
+opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag
+en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend,
+gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn
+blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond
+halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij
+vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er
+bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan;
+Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig
+scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje
+van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna
+iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers
+door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle
+plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een
+voortdurende roes van opgewondenheid.
+
+Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij
+geen van drieen uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen
+slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij
+heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun
+oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en
+'t was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk
+opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch
+en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle
+Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!"
+en wanneer Cordula niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings
+toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan
+door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte
+zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk
+verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de
+bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij
+eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordula in de keuken kwam
+om te ontbijten.
+
+Maar Cordula hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en
+na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van
+lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over
+haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van
+alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te
+durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van
+'t jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin
+veroorzaakt had.
+
+Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen.
+Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar
+eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje
+dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.
+
+--Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte
+Cordula dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee
+thuisgebleven broeders uit. "Wa moen de meinschen doarvan peizen! Ha
+'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten
+de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouen, Belzemien!
+Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien
+half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier
+den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nog ou verstand het en
+da g' hier den boas zijt!"
+
+Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest
+hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen?
+Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier
+buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel
+eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de
+geheele oorzaak van alles!--En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat
+dat betrof mocht Cordula gerust zijn: hij hield Standje in 't oog,
+hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd
+terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je
+wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel
+iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever
+niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als
+hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordula
+moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles
+zou in orde komen.
+
+Cordula, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het
+mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar
+zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee
+te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens
+te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante
+gesteld was.
+
+Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi
+en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordula's
+vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een
+verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het
+Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene
+zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met
+fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een
+lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.
+
+--Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte
+Leontientje.
+
+--Owie, owie, tre chaud, nous aurons peut-etre de l'orage," beaamden
+Belzemien en Standje.
+
+De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het
+Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open
+ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van
+witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en
+sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er
+bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de
+oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle
+wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een
+flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als
+zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend
+vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte
+almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en
+eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:
+
+--O wa he 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant,
+wilt e mij liere zwemmen!"
+
+--Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.
+
+--O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel
+Constant, en wilt-e 't mij lieren?"
+
+Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de
+jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al
+zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs
+aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om
+Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen;
+doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door
+Cordula's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuitie van
+een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:
+
+--Joa moar, es 't serieus? Het-e oprecht goest om in 't water te
+goan?"
+
+--O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps
+opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.
+
+--Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."
+
+--Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"
+
+Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig
+toegesneld.
+
+--Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij
+'t wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te
+stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit
+wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de
+sidderende hand.
+
+--Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel
+Coben!" smeekte Leontientje.
+
+En de twee oudere broers, door een gelijke intuitie als die van
+Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en
+hoofdschuddend toe.
+
+Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich
+te verkleeden.
+
+Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering
+wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug:
+Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit
+nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen
+boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun
+eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder
+de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als
+een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn
+smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was
+om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine
+bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte,
+nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende
+lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en
+rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en
+te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in
+krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte
+vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en
+verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar
+middel toegeregen witte nachtkleed.
+
+--Hawel-e-wel-e-wel! Hawel-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die
+door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te
+kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid,
+het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende
+handen.
+
+--Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den
+oever glijden.--Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was.
+Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden
+boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en
+al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle
+kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.
+
+--Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den
+oever schouderhuiverend.
+
+--O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom,
+geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."
+
+--O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze
+voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat
+dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje,
+stak beide handen uit naar Standje--... en eensklaps, met een
+grooten plons stond zij in het Zonneputje!
+
+--O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.
+
+Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste,
+koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan
+Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van
+het beekje medetrekken.
+
+Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte
+nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met
+bloote beenen in het helder putje.
+
+--Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het
+weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en
+zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals
+hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen
+en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om
+haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte
+schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een
+vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.
+
+--Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op
+den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje,
+als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.
+
+--Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.
+
+--Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee oue
+kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k he ou goe vaste."
+En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou
+moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te
+ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen
+oakpuit"(1).
+
+[Noot van de schrijver:
+(1) Kikvorsch.]
+
+Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij
+kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer,
+omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje,
+gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en
+Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om
+niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid
+van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren
+komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren
+knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door
+het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van
+walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een
+boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen
+recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog
+rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter
+wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen.
+Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan,
+schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms
+nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef
+terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:
+
+--'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er
+nou moar uit. Kerdule kan doar alle menuten weere zijn!"
+
+Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en
+plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in
+het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan
+naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te
+helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden,
+zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje
+een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van
+dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien.
+Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen
+lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende
+pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen,
+vluchtten naar het woonhuis toe.
+
+Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn
+druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige
+bond met ruige haren.
+
+ * * * * *
+
+Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen;
+Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van
+verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine
+en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun
+dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de
+zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige
+lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.
+
+Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok
+niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende
+kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel
+de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n
+ziele" zooals de menschen zeiden.--O, zou Tante misschien
+plotseling...
+
+Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te
+spreken. Eensklaps kwam Cordula hijgend om den hoek van 't huis met
+opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle
+stem en strakke, donkere oogen:
+
+--Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom
+seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren
+aflezen!"
+
+Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood?
+Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De
+ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens
+vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren;
+de broers, Leontientje, Cordula, liepen zenuwachtig, als verloren
+heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet
+duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis,
+het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij
+als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden
+om er Tante's testament te hooren voorlezen.
+
+--Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe!
+herhaalde steeds Cordula, gejaagd en opgewonden.
+
+Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste
+kamer", de broeders naar den zolder.
+
+--Wa es da hier? Wie het-er hier mee natte voeten over de vloer
+geleupen?" riep knorrig Cordula, toen zij in de keuken kwam.--Kijk
+ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"
+
+Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas
+gebeurde; en zelfs Cordula drong niet aan, geheel en al door 't andere
+in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken
+als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps
+stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.
+
+--'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een
+angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,--'k ben
+toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal
+beveurdielt zijn."
+
+--O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet
+as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n he ze nie gezien," poogden de
+broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet
+geruster dan Cordula, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun
+verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en
+even angstig als Cordula zelve waren zij naar den inhoud van het
+testament benieuwd.
+
+--Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r
+mijn deud aan hoalen!" beefde Cordula met wijd-uitgezette oogen.
+--Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den
+hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:
+
+--Moar wat ten duvel het-e gulder hier toch uitgesteken binst da
+'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in
+huis?"
+
+--Wel, Hiere, 'k he ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig
+dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.
+
+--Gezwommen!" riep Cordula met open mond en verwilderde oogen.
+Gezwommen!... mee heur... in de beke?"
+
+--Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen!
+Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.
+
+--O! die sloeze!" gilde Cordula schor van verontwaardiging.--O, die
+sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch
+zijn, die doarin behoagen schept! En he 't wirkvolk da gezien? 't Es
+'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof
+nog teugen durft!"
+
+Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen
+straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek,
+beenderig, ontsteld gezicht.--O, gie leulijke, leulijke, vieze
+leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een
+walgkreet rende ze de trappen af.
+
+Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het
+traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de
+zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende
+lentevelden...
+
+ * * * * *
+
+Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!
+
+In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de
+angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordula het testament
+voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel
+voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten,
+alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster
+der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen
+nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf
+verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel
+tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.
+
+Cordula voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu
+van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was
+reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en
+Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben
+schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere
+bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden,
+opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had
+plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste
+meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen
+hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe,
+ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit
+te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van
+Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in
+de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens,
+ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering
+hikkende stem:
+
+--Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben
+zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"
+
+Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde,
+barstte in een klinkenden schaterlach uit.
+
+--O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.--Maar zij zag in 't
+bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde
+zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna
+bang.
+
+--Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.
+
+--'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt,
+'t wordt hier loater amoal 't oue!" herhaalde hij smorend,
+opgewonden.--Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?--En hartstochtelijk
+greep hij haar hand.
+
+Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden
+achteruit:
+
+--Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en
+gij..."
+
+--Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in
+de rede...--Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien
+achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O,
+Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig!
+Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n he nog noeit gien uur oprecht
+plezier g' had in mijn leven!"
+
+Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang
+verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als
+een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren,
+zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en
+kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren,
+tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk
+willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde
+die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en
+plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest
+tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden
+zoen te drukken.
+
+--Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge
+mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het
+hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.
+
+Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid
+teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering
+doorschudde heel zijn lichaam.
+
+--Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon,
+g-het gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en
+vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier
+lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek
+hij haar in den zachten maneschijn weer aan.
+
+Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.
+
+Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis
+terug....
+
+ * * * * *
+
+'t Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was
+verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje
+aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het
+paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar
+vader nu, weer weg te brengen.
+
+Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,--een voor zijn
+leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur
+en blonde haren--nam van de ooms en van Cordula afscheid.
+
+--Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi
+tous de venir un beau jour a Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de
+beurt Coben, Cordula en Belzemien omhelzend.
+
+--Owie, owie, peud-eder," glimlachte Belzemien met fijn knippende
+oogjes.
+
+--Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien,
+mille fois merci, et a plus tard, n'est-ce pas, a Paris?" herhaalde
+ook Leontientje, beurtelings Cordula en haar ooms een laatste maal
+omhelzend.
+
+--Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het
+frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.
+
+Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de
+teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde
+groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.
+
+Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als
+op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende
+zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een
+zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer
+in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas
+vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal
+bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat
+te bibberen...
+
+Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk
+weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter
+der seinhorens schichtigde.
+
+--Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij
+ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste
+afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden
+in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den
+teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en
+zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse
+opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter
+ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een
+sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar
+mond, half op haar zachte wang verloren.
+
+'t Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide
+lente!--De trein reed ruischend met haar weg--hou hou, Belleken, hou
+hou!--en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling
+zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in
+haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het
+neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven...
+wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend
+stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een
+wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der
+spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...
+
+
+
+OBSESSIES
+
+
+I.
+HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE.
+
+Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan
+Soarelke Meule... Ik zag hem voor mij, zooals ik hem in leven gekend
+heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme
+beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote
+oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander,
+scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...
+
+Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen
+Kwamen toegestroomd.
+
+Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen
+tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol
+tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen,
+bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige
+bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die,
+met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg
+te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond
+bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar
+de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.
+
+Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig
+vertellen!--Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste
+oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls
+krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was
+slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste
+beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot
+lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.--Hij
+was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en
+juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle
+vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk
+tot den grond der dingen door.
+
+Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen
+en konden uren lang naar hem zitten luisteren.--Zij zaten daar,
+onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental,
+vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de
+brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten
+Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem
+goed leuk en ondeugend te stemmen.
+
+--Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriel
+op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was
+da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?
+
+Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog
+eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde.
+met zijn ruwe, korte, barsche stem:
+
+--In 't Muizenhol was 't, he 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge
+zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!
+
+--En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?
+
+--Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken
+hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.
+
+--Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.
+
+En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens,
+bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske
+stem:
+
+"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriel
+aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen,
+mee zijn vleeren toe.
+
+"Gabriel, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke
+mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?
+
+De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:
+
+"Wat es er ten ouen dienst, ons Hiere?" vroagt hij.
+
+"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou
+beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien
+wat dat er ginter gebeurt. K'en he doar in doanig lank nie mier van
+g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse
+begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en
+informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."
+
+Goed.--Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriel trekt zijn beste
+geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem
+op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan
+'t Muizenhol!
+
+--Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere
+gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.
+
+--Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke!
+Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.
+
+--Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er
+te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en
+zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee
+'t jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriel, die da nog noeit van zijn
+leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons
+Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te
+sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn
+geiwene vleeren aan!
+
+--Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?
+
+--Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk
+Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere,
+die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne
+weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven
+komen.
+
+--En Gabriel wig, zille! de lucht in!--Sente-Pieter stond al uit te
+kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten.
+"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar he-je gij zeu lank
+gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den
+ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem
+rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van
+colere zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn
+kniens vallen en zegt:
+
+"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!"
+
+"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd het!" zegt onze lieven Hiere,
+die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel
+ziet.
+
+"Joa ik, lieven Hiere, 'k he mij doar oprecht goe geamezeerd: 'k zoe
+liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriel.
+
+"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven
+Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag.
+
+"Ooo, doar 'n he'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den
+ijngel Gabriel. "'K he mij loaten neere valle tusschen Vijnck en
+Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n he mij niet gespeten, zille!'t
+Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en
+sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de
+gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt."
+
+"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?"
+vroeg onze lieven Hiere.
+
+"Giene meinsch die van ou gesproken het, lieven Hiere," zei ijngel
+Gabriel. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de
+leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat
+die meinschen ginter zijn!"
+
+Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel
+Gabriel dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twiee te
+weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriel tieken dat
+hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen.
+
+ * * * * *
+
+--Goed!--'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriel weere
+mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen
+treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker.
+
+"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier
+op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter nou gebeurt. En deze
+kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu
+lange wig of dat 't neudig es.
+
+Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem
+'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol!
+
+--Nog ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke?
+
+--Nog ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!--Goed.--Den ijngel
+kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat
+hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst
+ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders
+of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa
+noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk
+komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es
+'t zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle
+kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens
+veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch
+dat aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier
+mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij
+hem boven op en komt er weere mee in den Hemel.
+
+"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Het ou van deze
+kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee
+zijn sleuters aan de peurte stoat.
+
+"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij
+al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere.
+
+"Ha, jongen, g'het opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere.
+"Hewel hoe es 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie
+geklapt?"
+
+"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zeker van ou geklapt! Ze 'n
+klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriel.
+"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En
+zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier!
+'t Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en
+donker; de boeren hen de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es
+verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken
+kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk
+tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om
+t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..."
+
+Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand
+aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen
+board.
+
+"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft
+zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.--Weet-e
+wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat
+hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken."
+
+ * * * * *
+
+Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den
+gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der
+pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid
+mededeelden.--Omheen was 't wonderzacht en stil en in den
+somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren.
+Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden
+de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de
+verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te
+droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een
+krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den
+onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere
+slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens
+der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met
+hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun
+innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het
+twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker
+groepje taalde:
+
+--Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om
+noar bedde te goan.
+
+En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de
+asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal...
+
+
+
+II.
+HET HONDJE.
+
+De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station
+gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even
+wachten.
+
+Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is
+lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele
+railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek,
+schitteren twee miniatuurbloementuintjes.
+
+Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje.
+Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede
+herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg
+doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee
+herbergjes.
+
+'t Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille,
+groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en
+goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van
+het dorpstorentje opschiet.
+
+Daar komt de trein.--Slechts enkele reizigers staan wachtend op
+'t perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op
+den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een
+vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie
+pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken
+houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts
+drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp.
+
+Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te
+belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en
+zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of
+boom.
+
+Knarsend op zijn remmen heeft de trein voor het stationsgebouw stil
+gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt
+en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden
+opgehaald.
+
+Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog
+even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.--Maar,... het
+lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam
+en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets
+bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar,
+scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje.
+
+Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden?
+Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de
+obsessie!--Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap
+af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie!
+Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot
+verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren?
+En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik
+daarvoor terugkom?--Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik
+er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en
+half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het
+herbergje.
+
+De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het
+schemerig, ongezellig gelagkamertje...
+
+--Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend.
+
+Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie
+pootjes naar mij toegehinkt... het hondje.
+
+--Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend
+over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje.
+
+Het hondje schijnt dat niets naar te vinden.
+
+Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt
+zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger
+aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes.
+
+Daar komt de vrouw.
+
+--'n Pijntsje bier, bezinne.
+
+Het glas wordt mij gebracht.
+
+--Scheun weer, e-woar, meniere?
+
+--Joa 't doanig scheun weere.
+
+Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets
+meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje.
+
+--Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht
+merkend.--Spijtig dat 't zijn peutsen afgereen es!
+
+Ha! daar is de aanleiding!
+
+--Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen.
+
+--Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die
+kapot gereen wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is
+gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie
+geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereen
+wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk
+mee die twie wirkmeinschen! G' het doar toch van g'heurd, meniere? En
+de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een
+akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een
+vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd.
+
+'t Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de
+afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik
+denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die
+kleine hondjes bij die groote treinen loopen.--Nu weet ik het, en
+wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen
+belangstelling meer in.
+
+Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.--Maar nu, (en dat is mijn
+voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik
+nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan
+den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt
+onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes
+bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en,
+met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een
+heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar
+de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij
+de praterige vrouw te volgen.
+
+
+
+III.
+HET SLECHT VIJFFRANKSTUK.
+
+Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude,
+onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een
+molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van
+gelijken leeftijd--een jaar of veertig--maar zeer verschillend van
+uiterlijk.
+
+Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge,
+beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige,
+doorzakkende knieen. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar
+voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen
+een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig,
+die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van
+gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig.
+
+Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke
+wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske
+grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter.
+
+Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde
+Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den
+boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske
+werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag
+Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem
+soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige
+armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te
+wenken.
+
+Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche,
+lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis,
+troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in
+'t herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat
+oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag.
+
+Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen
+herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder
+contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve
+bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts
+iedere week een frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te
+brengen.
+
+Een frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes"
+bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al voor den
+middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege
+glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst
+van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou.
+Gelukte dat niet, dan bleven ze toch maar zitten, omdat ze anders
+niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om,
+toch zoo vervelend en ellendig lang was.
+
+ * * * * *
+
+Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een
+vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de
+gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu
+eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een
+vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei:
+
+"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt het. en
+niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne
+cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn
+bezit he zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver
+zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie
+geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hen. Doet
+er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt."
+
+En hij gaf het stuk aan Theofielke.
+
+ * * * * *
+
+Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te
+Bekijken...
+
+Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als
+veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom
+nu juist dat stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die
+immers ook maar zilver waren, wel deugden. Hij woog het in zijn hand
+en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een
+gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een
+hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone
+stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat
+dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling
+ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen,
+terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak
+verborg.
+
+Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met
+Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk
+genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te
+beraadslagen.
+
+Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en
+zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen.
+Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer
+berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de
+omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende.
+
+Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er
+twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank,
+die nu wel aan een stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar,
+in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende
+Deeske.
+
+Toen trokken zij er op los.
+
+ * * * * *
+
+Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij
+stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle
+wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige,
+kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij
+zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof;
+Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende
+schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij
+telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele
+bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen
+lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine,
+omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het
+jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs
+den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee
+vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer,
+die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met
+bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die,
+worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis
+te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen
+gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen;
+en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij
+moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even
+aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen.
+
+Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen
+drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen,
+maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te
+worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het
+kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar
+schenktafel glazen stond om te spoelen.
+
+--Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig
+air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend.
+
+De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem
+even vaag wantrouwend aan.
+
+--Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als
+om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde
+met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te
+voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk
+spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske
+stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke,
+die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had.
+
+--Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes
+op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk
+gestemd, begon zij een praatje over 't weer.
+
+De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun
+sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er
+nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen
+glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof
+er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook
+Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur,
+verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die
+borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe
+vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend
+aankeken, en er waarachtig nog eentje bestelden.
+
+Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit
+zijn zak, en legde 't op de tafel.
+
+--As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven?
+
+De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar
+schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te
+voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en
+bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het
+raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in.
+
+--Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw
+met ontstelde stem eensklaps zeggen.
+--Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend.
+
+--Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.--Kijk ne
+kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur
+hing, en waar al de vijffrankstukken,--de gangbare en de niet
+gangbare--zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld
+stonden.
+
+Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan.
+
+--Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk!
+verzekerde Theofielke.
+
+--Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met
+haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel,
+'t es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van
+veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge
+moet mij ander geld geen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke,
+die het kalm weer in zijn zak stopte.
+
+--Ha, sakerdeeke! En 'k he 't gisteren in de post ontvangen!
+beweerde hij enkel.
+
+--Tuttuttut, 'k 'n he doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee
+ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend.
+
+--Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos
+veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es!
+
+--En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld
+geen! gilde de vrouw.
+
+--We 'n hen gien ander! bekende Theofielke.
+
+De vrouw stond even als verslagen.
+
+--O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van
+woede, te krijschen.--Ala! hier buiten! En van den achternoene zend
+ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare!
+Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt!
+
+ * * * * *
+
+Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen
+portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort.
+
+--Hawel! wat dijnkt ou? Zoen we leute hen vandoage! lachte
+Theofielke.
+
+Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk
+schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute
+zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke
+mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn
+kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange,
+loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp.
+
+Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine
+boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging.
+
+--We 'n meugen nie al te ziere drijnken; we zoen te gauwe zat
+worden, meende Deeske.
+
+Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door
+moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf
+wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens
+zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange,
+saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den
+_Groenen Jager_ en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl
+Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet
+rinkelen.
+
+Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan
+Theofielke terug.
+
+--Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste
+verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor
+ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich
+geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval,
+tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het
+verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den
+postmeester tegen een ander hadden ingeruild.
+
+Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde,
+ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme,
+welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de
+menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten,
+en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna
+uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er
+eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen
+werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk,
+onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het
+afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scenes
+plaats en wel het ergst in de afspanning: het _Vliegende Paard_, waar
+zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was
+daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en
+vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het
+aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door
+den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij
+plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat
+gegooid.
+
+Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot
+te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog
+andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en
+kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.
+
+Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het
+_Vliegende Paard_ opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en
+begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar
+heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder
+ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.
+
+--Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na
+een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen.
+--Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!
+
+Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van
+dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te
+redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.
+
+--Loat ons bij Veel-Hoar goan en de diee mag 't vijffrankstik houen,
+stelde Deeske voor.
+
+Ietwat onthutst keek Theofielke op.
+
+--Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.
+
+--Ha! da es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de
+knechtejongens bij VeelHoar?
+
+Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn
+slungelige tronie.
+
+--Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse
+trekken, en wie 't langst het iest?
+
+Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op,
+frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske
+voor.
+
+Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk
+waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide
+hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te
+voorschijn.
+
+--O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke
+achterdochtig.
+
+--Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.
+
+Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en
+haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in
+'t omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het
+mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk;
+men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde
+wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den
+rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam)
+Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd
+men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door
+Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om
+het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet
+'s zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde een frank,
+twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een
+achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er
+naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van
+Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel
+niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje
+hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige
+kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.
+
+Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te
+vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het
+stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon
+schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het
+donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame
+straten.
+
+Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een
+boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den
+straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der
+overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de
+schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend
+gedoken.
+
+Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef
+doodstil. Het oogenblik was gunstig.
+
+Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te
+kijken door een spleet van het gordijntje.
+
+--Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.
+
+En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden
+binnen.
+
+--Elk ne goen oavend...
+
+Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek,
+bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel,
+dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had
+kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en
+rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel,
+bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude
+moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.
+
+--Kijk, kijk! Wie da we doar hen! riep Veel-Hoar, half spottend,
+half uitdagend.--We zoen wel geld geen om ulder te zien!
+
+Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel
+kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen.
+"Elk ne goen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam,
+deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een
+tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde
+bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even
+over 't tafelblad liet rinkelen.
+
+Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd
+door het verleidend geluid even wakker.
+
+--G'he 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit
+te roepen.
+
+--Ha, w'hen toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar
+het stuk weer in zijn zak verstoppend.
+
+Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat
+beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.--Vijf frank! dat kwam
+zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.
+
+--Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske
+royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde
+nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar
+den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op
+te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken
+versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore
+zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig
+pratend.
+
+Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is
+zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook
+den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte
+om op te stappen.
+
+De glazen waren leeg.
+
+--Nog vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde
+Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren
+daar nog een heele poos te blijven.
+
+Langzaam stond de boerepummel op.
+
+--Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem
+beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende,
+heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk,
+kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:
+
+--Joa moar, Sies, vandoag 'n he 'k gienen tijd, zille; ge moet nen
+andere kier komen.
+
+Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske,
+droop de pummel af.
+
+--Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur
+achter hem dichtsmakkend.
+
+Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met
+een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.
+
+--Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de
+geijkte vraag.--Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield
+intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.
+
+--Joa moar, hoe zit dat? He-je gij euk geld? vroeg zonder omwegen
+Veel-Hoar.
+
+--Theofielke zal ou vijf fran geen, beloofde Deeske.
+
+--Joa moar, en gij?
+
+--Hij he 't geld, lijk of ge gezien het. Hij zal betoalen veur ons
+alle twiee.
+
+--Hoe, veur alle twiee?
+
+--Wel joa, w'hen lotse getrokken. Ik ha 't langste.
+
+--O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.
+
+--Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske,
+reeds in 't gangetje.
+
+Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze
+weg, Deeske achterna...
+
+ * * * * *
+
+--Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in
+'t gangetje verschijnend.
+
+Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.
+
+--Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.
+
+--Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het
+Gangetje...
+
+Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden
+door het somber tuintje weg.
+
+--He ze 't? He-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder
+'t vluchten.
+
+--Joa z', zille! Moar hoast ou nou!
+
+Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen
+in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in
+veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog
+en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend,
+schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.
+
+--Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld
+Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend.
+Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen
+galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.
+
+--O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hen mij 'n slecht
+stik van vijffran gegeen! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen.
+'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar!
+Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over
+de keien in de straat gekeild.
+
+Deeske, die voor Theofielke zat, zag het even in de duisternis
+zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen
+zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn
+dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat
+door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks
+doorheen.
+
+--Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel!
+riep hij dof.
+
+--'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog
+dienen, fluiserde Theofielke.
+
+--Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoen ons deudsloan! Ala
+toe, wig, wig!
+
+Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor
+een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open
+veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van
+Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat
+opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en
+bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden
+zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.
+
+--Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte
+Deeske.
+
+--Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hen!
+jammerde Theofielke.--We zoen d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.
+
+--Bah! 't gien dat we g'had hen, hen we toch g'had, troostte
+Deeske.--Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft
+ouen boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.
+
+Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend
+aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes,
+zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij
+voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het
+lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast
+elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een
+hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de
+gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij,
+roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.
+
+Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en
+ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den
+dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de
+lange, saaie arbeidsweek.
+
+--Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag he? zei Theofielke.
+
+--Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.
+
+En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge
+pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.
+
+
+
+IV.
+"DEN BINDER".
+
+Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich
+verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den
+jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.
+
+Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje
+van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht,
+en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit
+gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna
+aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte
+met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde
+kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem
+dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je,
+als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze
+ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder
+licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en
+fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een
+onuitsprekelijken weemoed, die zoo aangrepen, zoo onweerstaanbaar
+aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer
+zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond
+van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.
+
+Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken,
+menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de
+menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon
+tooveren.
+
+Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste
+dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder".
+Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager,
+houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel
+veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska
+heette zij.
+
+--Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de
+jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:
+
+--Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd:
+treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis!
+Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!
+
+Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het
+voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den
+Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen
+leven. Want,--en dat was wel het aller-ergste,--ook zij geloofde
+dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens,
+na zoo een of andere plaagscene met de straatjongens of de buren,
+overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de
+razendste verwijten.
+
+--O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend
+krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar
+nou in hen as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de
+stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen
+doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven
+lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n
+zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou
+en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden
+hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past
+ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!
+
+Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed
+van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet
+dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar
+maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn
+angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met
+korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu
+en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen
+den vloer stampte:
+
+--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
+zot!
+
+Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille
+stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en
+huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk
+moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met
+open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel
+staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en
+dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat
+de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van
+verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het
+winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half
+verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en
+toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep,
+hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde,
+zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:
+
+--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
+zot!
+
+Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen
+in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met
+hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren,
+of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en
+hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de
+boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst
+niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit
+weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij
+voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de
+deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje
+tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet,
+dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een
+kort gebed.
+
+In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen
+merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen
+mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch
+gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde
+leed. De slag,--zijn zelfmoord--viel als een donderslag, onverwacht.
+
+Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit
+'t water zien halen....
+
+Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn
+paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn
+vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen
+uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen,
+met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die
+afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo
+had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een
+modderige sloot was gehaald.
+
+Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden.
+'t Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het
+lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide
+van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een
+twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.
+
+Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes
+rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.
+
+"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd het!" gilt de
+menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den
+Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende
+armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn
+doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij
+lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zoo
+scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den
+rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend.
+'t Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een
+bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den
+Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel
+heel ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en,
+onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat
+warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.
+
+Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van
+mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van
+vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen
+op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder
+verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met
+gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar
+binnen starend.
+
+--Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die
+vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven.
+'t Is er een warboel, in en om het huisje.
+
+De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet
+houdt voor het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen
+zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder"
+binnendragen.
+
+En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den
+kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke,
+rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:
+
+"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik
+van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder"
+komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"...
+"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt
+voader.--"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"--zeg ik.--"Dag,"
+antwoordt hij.--Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier
+blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater
+toe.--"Wa betiekent da verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij
+doen?"--"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee
+zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens
+uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg
+ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies
+gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in
+'t woater!...
+
+--En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge
+man niet verder vertelt.
+
+--Hawel, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.
+
+--Joa moar; wa het-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de
+toehoorders aan.
+
+--Wat da 'k gedoan he?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.--"'K
+ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere
+boven gekomen; hij he gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten
+geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en
+onder gebleven...
+
+--En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader
+euk niet?
+
+--Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde
+versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de
+schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier
+gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...
+
+Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken
+sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds
+als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid
+opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul
+van een gefolterd beest.
+
+--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!"
+zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...
+
+
+
+V. RESTITUTIE.
+
+Teum Grondnagel lag stervensziek...
+
+'t Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een
+zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang
+geweest. Ik zie hem nog in verbeelding voor mij staan: groot, zwaar,
+vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en
+zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende
+oogen.
+
+Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en
+benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar
+gesloten blijven, zonder een klank door te laten.
+
+Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren
+vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp
+hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van
+hun tijd verbeuzelden.
+
+Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een
+minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar
+enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat
+noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden,
+"aan 't woaien" was.
+
+Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen
+verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en
+verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling,
+zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen
+ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren
+aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te
+waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".
+
+De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding,
+nog voor hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis
+tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:
+
+--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan
+'t woaien!"
+
+Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen
+en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en
+krachten!...
+
+Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem
+heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot,
+overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer
+aan het trakteeren en betalen, een woeste dierlijke, liederlijke
+orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het
+zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn
+hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en
+in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn
+walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan
+den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan
+ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor
+het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken
+had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te
+koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige
+slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke
+bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de
+melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort
+geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij
+zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde,
+wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren
+en weer een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was
+hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij
+voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn
+diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij
+was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende,
+verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en
+van nietelingen onder de knie had.
+
+Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam
+slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was
+eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!
+
+Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den
+donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol
+gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd
+uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en
+afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van
+hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en
+nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zoo sterk gevreesden
+meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog
+raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht
+meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!
+
+Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid,
+die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend
+einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de
+toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening
+hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende
+zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die
+lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten
+'t niet, maar Hij, de Groote Rechter, voor wiens troon hij weldra zou
+verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem
+tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen
+doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof
+hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende
+oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen
+slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch was er
+voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en
+zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost
+geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet
+opgebeurd. Een enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog,
+voor hem open: restitutie doen!...
+
+Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den
+donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al
+bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te
+veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk
+geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed
+herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te
+rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe
+namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn
+oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij
+begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou.
+Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na
+eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje
+uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken
+eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt
+had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op
+de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime,
+sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg
+hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen.
+Hij zou er hem mild voor beloonen.
+
+Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde
+Jantje, na een korte aarzeling, toe.
+
+En Teum begon een voor een zijn zonden op te sommen, eerst tegenover
+Jantje zelf.
+
+--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud
+verkocht het? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n
+woart er nie bij. Hawel, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou
+betoald he, worden d'r negen honderd vijftig. 'K he ou dus dien dag
+veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven
+centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van
+mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn?
+Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim,
+doar es vijf en twintig fran!...
+
+Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde
+Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur
+kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde
+handen beefden op zijn knieen, alsof ze sidderden van kou.
+
+--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met
+droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te
+nemen.
+
+--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de
+handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn
+potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:
+
+--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op
+tien joar leverijnge van eirdappels.
+
+Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos.
+--Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar
+mijngelijnge van rogge in de tarwe.
+
+Jantje knikte.
+
+--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet
+in de boter...
+
+Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en
+bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die
+Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens
+opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.
+
+--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was
+bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg,
+terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen
+'t boerenhuis verliet.
+
+ * * * * *
+
+Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar
+hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin
+alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich
+heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs
+losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.
+
+Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen
+wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als
+stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen
+twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter
+waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in
+alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar
+heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van
+lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig,
+vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere
+levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe
+langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes
+bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die
+hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende
+schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen
+de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon
+vinden.
+
+Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten.
+Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar
+buiten; en, nog voor Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij
+dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:
+
+--Hawel? Wa hen ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"
+
+--O! bezonder! bezonder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met
+zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie
+geleuven!"
+
+Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum
+hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij
+merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde,
+met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te
+slaan.
+
+--Wa hen ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend,
+kortaf, aamechtig hijgend.
+
+--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte
+Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard
+toestruikelend.
+
+Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op
+een afstand te houden.
+
+--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' het gewoaid!"
+raasde hij, knarsetandend.
+
+--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje
+beleedigd en verontwaardigd.
+
+--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.
+
+Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen.
+Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef
+haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de
+menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd,
+wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.
+
+ * * * * *
+
+...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht
+geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog
+slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op
+de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge
+met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte
+melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna
+opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu
+onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te
+luisteren.
+
+
+Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en
+oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn
+zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend
+en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude
+ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het
+uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde
+enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de
+doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag
+over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen.
+Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd,
+hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en
+radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een
+bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche
+stilte galmde:
+
+--Hawel, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en
+donker. Mag ik nou wiggoan?"
+
+Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel
+weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.
+
+--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde
+stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar
+den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende
+vingers aan.
+
+Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog
+nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de
+beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen
+staarde.
+
+--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.
+
+--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.
+
+--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en
+kijkt-e kier!" hijgde Jantje.
+
+De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den
+haard.
+
+--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.
+
+De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op
+den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den
+mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding
+naast het uitgebrande haardvuur... dood.
+
+
+
+VI.
+DE STIER.
+
+Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene
+uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje,
+waar de straatweg, zich in tweeen splitsend, een soort rechthoek
+vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee
+wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het
+herbergje binnen.
+
+'t Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar
+nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes
+beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net,
+klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het
+Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel,
+gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde
+van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de
+bont-gekleurde uithangborden.
+
+Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster:
+menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er
+'t "stameneetje" bijhielden om rond te komen.
+
+Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en
+kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen.
+Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook
+kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat
+voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met
+sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat
+zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige,
+vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, meer dan een donkere
+haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest
+dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in
+'t dorp "de Stier" genoemd.
+
+"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of
+wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het
+zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden:
+"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden
+gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De
+spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende
+beteekenis verloren.
+
+En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet
+uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende
+nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit
+'t omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen
+die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun
+aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een
+praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken
+van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens
+een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs,
+o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de
+Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken
+aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar
+snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog
+en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor
+geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten.
+dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat al te bont, dan
+zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en
+was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar
+uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een
+flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het
+baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter
+haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen
+en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen
+en naar raden.
+
+ * * * * *
+
+Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!...
+de "Stier" zou trouwen...!
+
+Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder
+beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield
+aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje,
+de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp
+en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd,
+men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn
+zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open
+deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen
+moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos
+midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er
+alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer
+en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat
+zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen
+scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige
+relatie wilde hebben.
+
+Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken,
+zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half
+verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de
+beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een
+middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel
+van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de
+straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje
+verdween...
+
+ * * * * *
+
+Het was zoo: de "Stier" ging trouwen...!
+
+De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur
+van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den
+preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had
+de scheiding van hun klein vermogentje geeischt, en het zoolange
+jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in haar
+deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste
+dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven.
+Daar, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige
+stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk
+af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het
+echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage,
+algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich
+beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.
+
+--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de
+oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken
+hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:
+
+--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde,
+alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te
+zeggen.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje
+op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van
+"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En
+er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions
+en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de
+trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou
+hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.
+
+Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de
+kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke
+scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden
+naar het gemeentehuis toe.
+
+Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen
+gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel
+eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten
+hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was
+deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid
+doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange
+haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar
+gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen
+lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de
+snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna
+uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte
+haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet
+op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname
+buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode
+koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend
+gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door
+overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het
+einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als
+schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen
+gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier",
+'t gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende
+schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een
+vrachtwagen loopen had overgehouden.
+
+De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen.
+Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze
+ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd
+onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat
+joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten
+weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den
+burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de
+geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige
+verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij
+een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te
+kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een
+wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de
+Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield
+zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als
+vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep,
+zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.
+
+De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem
+"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook
+Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En
+hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:
+
+--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n
+nieuw boeksken komen hoalen."
+
+De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van
+den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken
+schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid
+hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren
+in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:
+
+--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"
+
+De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer
+hoe vreemdere oogen op.
+
+De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het
+gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop
+van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek
+wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende
+stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke
+ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren,
+alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden
+doorbrengen.
+
+ * * * * *
+
+Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.
+
+Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk
+geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te
+wiegelen aan gespannen touwen voor de huizen, een vurige triomfboog
+prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met
+zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de
+man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.
+
+Voor hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij
+gek-plechtig door het feestcomite verwelkomd. Een der leden trad
+gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene
+hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij
+een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders
+weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man
+begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend
+onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog
+en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het
+glas aan haar echtgenoot, die het in een teug ledigde. Dichtbij nu
+bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en
+plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met
+donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het
+gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest
+ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend
+in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig,
+waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen
+door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun
+huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de
+vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met
+fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte
+hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...
+
+Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat
+geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele
+poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer
+hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van
+hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op
+luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en
+woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was
+een abnormale, gekke, rustelooze nacht.
+
+ * * * * *
+
+'s Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den
+loer.
+
+Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de
+Stier en haar man terug te zien.
+
+Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht
+schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes
+opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort
+geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes
+vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen
+boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn
+hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens
+vlugjes in.
+
+--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der
+buren.
+
+De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman
+hoofdknikkend:
+
+--Ieste klasse! scheun weer, he?" antwoordde hij; en verdween in het
+huisje.
+
+Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo:
+alles goed! He! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als
+elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en
+zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet
+zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun
+raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en
+'t leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had.
+Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij
+aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden
+terug.
+
+Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en
+Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het
+_Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te
+nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn
+tuintje en de Stier ontving haar klanten met een
+helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets
+ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch
+ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord
+en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van
+Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend
+in de ongezellige gelagkamer zat.
+
+--Hawel, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r
+doar bij geweest. Alles es goed, zille!"
+
+--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat
+'t 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboon worden!"
+
+--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da
+vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee
+heure veint gelukkig es!"
+
+--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie
+meugelijk! Pouah! Pouah...!"
+
+Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken
+'t hoofd voor alle verdere verklaringen.
+
+En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wat
+ze moesten denken.
+
+ * * * * *
+
+Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de
+Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret
+kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of
+"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat
+of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos,
+wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol
+belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in
+'t _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al
+te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er was
+iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en
+sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar
+strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van
+zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange
+haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht
+gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan
+ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de
+dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en
+niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps,
+volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.
+
+ * * * * *
+
+'t Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte
+van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken
+waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar
+troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten,
+dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had,
+dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...
+
+--Watte? Watte? Wat es er mee?" gilden de menschen, trillend van
+ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het
+ware uit den mond halend.
+
+--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds
+razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide
+met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling,
+hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en
+dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk
+niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging
+pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.
+
+--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!"
+brieschte hij.
+
+'t Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met
+hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem
+opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar
+de Stier vertoonde zich niet.
+
+--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en
+'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te loan en
+te verhuizen?"
+
+Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond
+aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.
+
+--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte
+zijn deur ruw openstampend.
+
+De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een
+kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden
+in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier
+bleef onzichtbaar.
+
+Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige
+straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje
+opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw,
+reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee
+weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken
+elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden
+zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich
+eindelijk vertoonen zou.
+
+Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...
+
+Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en
+pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog
+eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat
+alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was
+afgeloopen.
+
+--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden
+de menschen.
+
+ * * * * *
+
+Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden
+gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer
+gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in
+zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke
+lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare
+klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds
+onveranderlijk hetzelfde:
+
+--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand
+zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."
+
+Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel
+beter...
+
+'t Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_
+doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den
+nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier,
+niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een
+avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het
+huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.
+
+Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die
+haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en
+vermagerd vond, vroeg enkel:
+
+--Hoe goat 't er mee?"
+
+En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met
+ietwat matte, trieste stem:
+
+--O nog al goed; en mee ou?
+
+--O, euk nog al goed.
+
+Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen
+enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig
+om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam
+sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.
+
+--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.
+
+--'K 'n he nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as
+'n potse kaffee drijnken.
+
+Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden
+ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar
+kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met
+strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en
+stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.
+
+--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of
+snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.
+
+--'t He passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den
+achternoen he 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud
+doen dekken, antwoordde zij.
+
+--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het
+in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets
+meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.
+
+Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan,
+genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op
+zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij
+was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en
+onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine
+oogjes slaperig half open.
+
+--Wat dijnkt ou? Zoen we nie goan sloapen? stelde hij voor.
+
+--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.
+
+Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de
+voordeur dicht te doen.
+
+Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders
+dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Een hing er in
+haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.
+
+--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.
+
+--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.
+
+Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen
+aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap,
+naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van
+'t stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote
+schaduwen over de witte muren.
+
+Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de
+hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij
+met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had
+aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en
+zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn
+deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.
+
+--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte
+stem.
+
+Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op
+'t smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles
+plotseling heel stil en donker.
+
+Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke
+vlokken...
+
+
+
+VII.
+BEROUW.
+
+Dit is 'n heel zware en droeve obsessie geweest...
+
+'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts,
+niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis.
+Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in
+vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil,
+treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de
+vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den
+blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede
+heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles
+vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!
+
+Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid,
+de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede
+zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen,
+zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de
+vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de
+wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden
+rythmus, halend open...
+
+Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en
+luikjes open; een met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide
+kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de
+luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met
+dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als
+omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien
+kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.
+
+In dat huisje is een doode.
+
+ * * * * *
+
+Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend.
+Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets
+valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een heel slechte
+reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard,
+een vechter en bijna een moordenaar.
+
+Die kwade naam was verdiend. Hij was lui,
+hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij
+wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon,
+stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel
+van kwaad tot erger. Nu moest hij wel van roof en diefstal leven,
+want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen
+hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte
+dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het
+dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette
+zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad
+betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen
+hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er
+nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was
+sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de
+mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur
+had hij in de gevangenis gezeten.
+
+Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die
+'s avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand,
+geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde
+uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.
+
+Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche
+dorp verademde en juichte:
+
+"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"
+
+Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot
+tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals
+hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er
+bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van
+bijna naieve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor
+deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:
+
+--'K he mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."
+
+De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien
+avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn
+lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt;
+hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook
+trouwens midden in den nacht gepleegd. Waar had hij dien nacht dan
+verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.
+
+--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen he!" herhaalde Jules
+een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur
+behoorde.
+
+Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur
+ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld
+werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de
+gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette
+dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om
+met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in
+schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins
+bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn
+brood wenscht te komen. Waarom sliep hij als een vagebond in de
+schuren? vroegen de gendarmen.
+
+--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde
+Jules.
+
+De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier
+van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen
+zoo redeneerde!
+
+--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met
+nadruk.
+
+--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.
+
+--Joa ik," zei Jules.
+
+--Woar es 't?"
+
+--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons
+huizeken van t' huren."
+
+Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar
+honderd frank in mooie zilverstukken.
+
+Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in
+bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld
+hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.
+
+--'t Es hem! 't es hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders
+gedreien, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"
+
+--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.
+
+--'t Es hem! 't es hem!" herhaalde de boer met onverstoorde
+overtuiging.
+
+--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.
+
+De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun
+overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules was een der daders en
+proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.
+
+ * * * * *
+
+Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte
+rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij
+zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de
+boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen
+huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en
+trouwden.
+
+Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de
+correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem
+aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou
+hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig
+had?
+
+Voor de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele
+beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken
+nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het
+allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten
+te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen
+berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken
+leven leidde.
+
+--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hen?" vroeg
+de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik
+te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat
+achtten.
+
+Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde
+beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een
+jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.
+
+Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.
+
+ * * * * *
+
+Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan
+Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden
+onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam
+op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met
+de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw
+met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.
+
+--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje,
+dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de
+gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang,
+verrukt aanstaren.
+
+--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.
+
+--Jules... Julken," snikte zij.
+
+--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van
+het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...
+
+ * * * * *
+
+Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte
+gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche
+rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre,
+verre gedachten.
+
+--'t Kot he hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij he bereiw,
+hij es broave geworden."
+
+ * * * * *
+
+Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn
+geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde
+sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen
+gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek
+met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware
+een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren
+klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij
+uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin,
+scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang,
+hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe
+het met hem was.
+
+Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had
+hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar
+eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond
+daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen
+den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze,
+verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er
+onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.
+
+--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat
+gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze
+gevroagd worden?"
+
+Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder
+in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan
+doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat
+hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie
+van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zooveel dat
+hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij
+het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vol met van die lange, smalle,
+witte kisten onder 't groene gras.
+
+--Ge zie wel da ze gevroagd worden; da wordt altijd gevroagd," was
+eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.
+
+En meer was er niet uit te krijgen...
+
+ * * * * *
+
+... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het
+groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de
+grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan
+het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den
+drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden
+en zilveren franjes voor de dichte, groene luikjes...
+
+Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam
+uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat
+hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil
+verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen
+de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een
+van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op
+voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog
+altijd meer moest timmeren...
+
+Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge
+vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het
+stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met
+uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt
+'t kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in
+zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve
+duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank,
+geen zucht, geen adem komt naar buiten.
+
+Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde
+velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De
+groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder
+lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar
+stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en
+puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte
+wolkjes...
+
+
+
+VIII.
+PEETJE PRUIS.
+
+In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en
+Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in
+Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur.
+Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen
+hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen,
+en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.
+
+Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de
+Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen
+van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich
+Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze
+geillustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: die
+welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek
+eenigszins op Bismarck; dat oud, gebogen ventje uit het
+Armenhuis op Moltke, die handelsreiziger, die om de zooveel weken
+met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo
+was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning
+Wilhelm.
+
+Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp,
+met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het
+nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met
+gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze
+persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere
+kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het
+ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge,
+donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als
+sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte
+zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en
+fluweelzacht-golvende gazons.
+
+Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet
+bizonderen naam van Amede Fruytier. Hij hield van lekker eten en
+drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las
+iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.
+
+Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke
+opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel
+precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was
+er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en
+buiten alle partijen stond.
+
+--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend,
+als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en
+zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis
+op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en
+veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."
+
+Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets
+goed-ruws hebben. Hij deed dan wel heel barsch en sprak wel heel
+kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te
+verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig
+ijdel!
+
+ * * * * *
+
+Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij
+gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wel de moeite
+waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n
+volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop
+gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn
+vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de
+rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun,
+uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten
+voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer,
+Louis Napoleon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders
+worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!
+
+Hij prononceerde: "Lowie Napoleon" en hij sprak over den Franschen
+Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende.
+Lowie Napoleon zou dit, Lowie Napoleon zou dat; Lowie Napoleon had
+zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer
+Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel
+enkele bevoorrechten behoorde.
+
+Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Worth,
+Froeschwiller; en onze geillustreerde bladen, die eerst niets dan
+Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag
+meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en
+de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.
+
+Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke
+kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van
+den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en
+toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde
+en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zoo treffend, dat
+hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij
+kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen,
+streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en
+vroeg:
+
+--Zie-je gien gelijkenesse?"
+
+--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd,
+door het evenbeeld getroffen.
+
+En mevrouw werd er haast bang onder.
+
+--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.
+
+--Watte!... Wa zoen ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte
+achteroverhellend.
+
+--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met
+verschrikte oogen.
+
+--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten
+lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.
+
+
+ * * * * *
+
+Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone
+"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten
+Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn
+vrienden, haalde 't geillustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn
+zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het
+konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:
+
+--Hm! He-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt
+ge 't?"
+
+--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich
+de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht
+vergelijkend.
+
+--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van
+trots en pret.
+
+Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun
+liet zien wat onderaan stond:
+
+Willem I, Koning van Pruisen.
+
+--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de
+vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie
+dreupels woater! Scheirt ouen board op oue kinne wig en iederien zal
+mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"
+
+ * * * * *
+
+Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers
+buitenlandsch-politieke gevoelens.
+
+Zonder bepaald op Lowie Napoleon af te geven, die zeer zeker een
+beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten
+invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te
+mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde
+niet lang of de sympathieen van meneer Fruytier en met de zijne ook
+die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van
+het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij
+aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij
+grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn
+voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op
+familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over
+de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij
+weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoleon
+gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom
+verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn
+houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en
+stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook
+of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl
+integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden
+merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:
+
+--Verdeeke! menier Fruytier, ouen board valt uit op oue kinne. Nou
+wordt-e percies Peetje Pruis!"
+
+--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid
+gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in
+'t dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij
+wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het
+deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht
+erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.
+
+--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hen." raadden
+zijn vrienden hem aan.
+
+Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op
+een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin
+in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem
+na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie"
+beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren,
+en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg
+verdwijnen.
+
+--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde
+huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.
+
+Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het
+ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn,
+ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.
+
+--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hen Lowie Napoleon vaste? _We_ 'n moen
+nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt
+Parijs in onz' handen"...
+
+O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!...
+'t Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de
+koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!
+
+De sensationeele berichten zwollen tot de
+proporties van een algemeene wereldramp, die ook ons zou komen
+aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen
+het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen
+dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de
+dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak
+van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te
+bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had,
+maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.
+
+ * * * * *
+
+Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij
+kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in
+de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij
+zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:
+
+--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"
+
+--Och Hier och God! dat 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en
+dochter ontsteld overeind.
+
+--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een
+beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.
+
+Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich
+smeekend, snikkend aan zijn kleeren.
+
+--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze
+goan ou ginter deudschieten!"
+
+--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.
+
+--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou
+b'lieft!"
+
+--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en
+vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"
+
+--O, wacht te minsten nog nen dag of twiee, nog ienen dag! nog nen
+halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen
+uchtijnk, tot da we gelezen hen wat dat er in de gazet over
+geschreven stoat!"
+
+Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste
+overhalen.--Goed. Hij zou wachten tot den volgenden ochtend. Maar
+zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste
+nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en
+bleef onherroepelijk; hij moest, hij wilde er naartoe. Hij had het
+plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.
+
+Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te
+pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer
+van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.
+
+ * * * * *
+
+Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind,
+met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.
+
+Reeds voor het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw
+en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op
+hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende
+aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn
+brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anais, de
+dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar
+de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar,
+met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te
+doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij
+geen toebereidselen tot vertrek maken.
+
+Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was,
+het volgende sensationeel bericht:
+
+"Duizenden en duizenden soldaten van het
+"Fransche leger komen onophoudelijk over de
+"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond
+"en allen verkeeren in een allerdroevigsten
+"toestand van uitputting en ellende. Zij worden
+"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk,
+"per spoorweg, naar verschillende plaatsen
+"van het land gedirigeerd. Gisteren avond
+"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik,
+"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee
+"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden
+"er ook twee naar Gent gestuurd, waar
+"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den
+"namiddag zullen aankomen."
+
+Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:
+
+--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.
+
+Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw
+strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.
+
+--En mijn reize noar Sedan?" zei hij.
+
+--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur
+troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw
+Fruytier.
+
+Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.
+
+--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da
+euk wille zien," drong zij aan.
+
+"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps
+opgewonden overeind staande.
+
+ * * * * *
+
+'t Was als een kermisdag in Gent...
+
+Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle
+gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de
+aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.
+
+Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er
+omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was
+overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een
+betrekkelijke orde te handhaven.
+
+Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter,
+elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas
+geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten
+gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover.
+Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme
+sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder
+op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en
+'t maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat
+voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich
+gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet
+hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem
+verhinderd hadden naar Sedan te gaan.
+
+--Wa es da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!"
+bromde hij.
+
+--'n Beetse passiencie, man, 'n beetse passiencie, Pa, smeekten
+vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende
+menigte bijna stikten.
+
+Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.
+
+Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel
+der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard
+voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels
+rechts en links omlijst.
+
+De Fransche krijgsgevangenen!...
+
+Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend
+rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie,
+met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op
+'t stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en
+machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.
+
+Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere,
+hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren,
+ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen
+was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten
+hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de
+bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw
+geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband
+gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe
+kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een
+lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte
+oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als
+een lijk.
+
+De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte
+van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste
+van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die
+welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu
+eindelijk van heel dichtbij, Dat waar ze maanden van gedroomd en
+zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dat was
+er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door
+bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten
+waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood
+werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid,
+'t was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche
+Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel
+opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de
+aarde weer in puin stortte.
+
+--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw
+Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.
+
+--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En
+eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet
+goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem
+stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te
+snikken als een kind...
+
+ * * * * *
+
+Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard.
+Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding
+was gedweeer, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve
+autoriteit.
+
+Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...
+
+
+
+IX.
+VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.
+
+Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan
+Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong
+koewachterken denk...
+
+'t Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was
+ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche,
+groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden
+boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen
+prachttooi.
+
+Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poetisch verscholen,
+met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het
+groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met
+een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine,
+groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.
+
+Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met
+haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.
+
+Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch
+poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met
+fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen
+heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en
+zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode
+lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken
+moest.--Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een
+guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder
+soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd"
+zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe
+en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt
+door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend
+om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem
+gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke
+liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat
+alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde
+ze hem soms.
+
+ * * * * *
+
+'t Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes
+neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal
+frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden.
+Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de
+verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene
+gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de
+overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En
+'t was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo
+liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feerie van
+licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.
+
+ * * * * *
+
+Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden
+woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om
+nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van
+'t boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg
+of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op
+en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te
+krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar
+ongeevenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een
+beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en
+oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.
+
+Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den
+lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje
+binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond
+er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn
+eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke
+netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de
+versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers
+blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardstee,
+onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje,
+reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste
+kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte,
+schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar
+schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar
+elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar
+als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere;
+en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in
+afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden.
+Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van
+Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt
+werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom
+van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine
+eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in
+het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak
+scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met
+grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig
+denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die
+midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had
+staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen
+een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn
+verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige
+vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven
+een heel zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het
+rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende
+lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...
+
+
+ * * * * *
+
+Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die
+omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar
+ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande
+deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.
+
+Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij,
+met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.
+
+Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.
+
+--Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou
+leven gezien 'n het?" fluistert zij met een vreemde, half lachende.
+half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch
+gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En
+schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.
+
+Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn
+oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen.
+zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder
+een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.
+
+--Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.
+
+--Stt!" sist ze, met den vinger voor den mond. En zacht duwt ze mij
+half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.
+
+Het duurt een poosje voor ik in die grauwe schemering iets
+duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar
+door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren
+licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:
+
+In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op
+die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend,
+stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong
+kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt
+en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van
+toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide
+rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren,
+dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in
+wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet
+begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.
+
+--Da es iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze
+toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:
+
+--Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschien!"
+
+Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje
+zich om, staat daar even sidderend voor ons, met zijn mes in de hand.
+Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem
+'t mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een
+kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele
+sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en
+paarsrood van wilde inspanning.
+
+--Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden.
+"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as
+'t nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala,
+leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen
+nie mier!"
+
+Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep
+om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.
+
+Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en
+mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch
+nog eens eventjes goed opnemen, voor ik haar verder over dat gekke
+gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar
+wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar
+voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi
+rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en
+inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar
+schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige,
+bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo
+verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te
+krijgen.
+
+--Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie
+vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.
+
+Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die
+kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd
+geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter,
+van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden
+zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna
+handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij
+koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er
+dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te
+gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu
+'n sloeberken, doar 'n he-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter;
+ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur
+zijn wirk w'han hem al wel honder kiers wiggezonden..."
+
+ * * * * *
+
+Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn
+eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de
+hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al
+lang geleden...!
+
+Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo
+heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weergezien. Wat is er
+geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van
+'t vechtlustig Feelken... ik weet het niet!--Zoo nu en dan, in den
+loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het
+verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag,
+vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche
+vlammetjes in 't eenzaam haardje, voor mijn geest opglansde en als
+een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,--hoe of waarom juist
+gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er
+eenige aanleiding toe--gisteren kwam het zich eensklaps met de
+kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de
+oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen
+van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn
+geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik moest er heen.
+
+ * * * * *
+
+'t Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.--De
+wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende
+moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze
+waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast
+scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome
+benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht
+zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes
+voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend
+als van weemoedig, heimweeig verlangen, in hun haastige, haastige
+vlucht naar mildere oorden.
+
+Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de
+sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en
+als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd
+roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het
+winterdoodsche boomgaardje, kom voor het groen, half open
+boogdeurtje.
+
+--Gien belet?'
+
+--Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.
+
+--Dag Zieneken!..."
+
+Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een
+heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een
+vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite
+raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend,
+vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel
+roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan.
+Blijkbaar herkent ze mij niet.
+
+--Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne
+komen om mijn puipken t' onsteken?"
+
+--Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide
+handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en
+blozende wangen, komt ze naar mij toe:
+
+--O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend
+hen!"
+
+En wij praten over het verleden...
+
+Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder
+van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet
+komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten
+zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar
+oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en
+zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.--Moar zet ou,
+meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie;
+'k he al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons
+allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n
+dreupelke pakken...?"
+
+Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeige emotie. Ik voel ineens
+den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is
+in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met
+links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt
+werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen
+melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange,
+bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken
+aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog,
+waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf
+zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde
+gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte
+haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds
+levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo
+schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten
+onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van
+mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger
+verloren. De jaren, de zorgen, en al die kinderen hebben hun
+vernielingswerk aan haar verricht.
+
+Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend
+over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik
+weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en
+zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering
+van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven,
+somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een
+beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poezie
+en lente?
+
+Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.
+
+--En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee
+zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es
+'t zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?
+
+--Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es
+'t broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den
+boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."
+
+En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de
+wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar.
+beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande
+staldeur verdween.
+
+Feelken!... O, was dat het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo
+oud, zoo afgeleefd, versleten...!
+
+--'t Veintsjen he zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei
+Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en
+allien achtergebleven met drei kleine kinders..."
+
+Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje
+datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine
+koewachter, met messen wilde vechten?
+
+--O nien, nien 't," zei Zieneken; de diee was al lank vergeten.
+
+'t Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling
+geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje.
+Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren
+voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, heel
+oude vreemdeling geworden...!
+
+Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren
+ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het
+achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even
+likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.
+
+Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in
+verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar
+spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een
+heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje
+zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige
+eenzaamheid van het verlaten keukentje...
+
+ * * * * *
+
+'t Is uit... ik voel dat het voor altijd uit is en dat ik nooit op
+het aardig boerderijtje meer terug zal komen...
+
+Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen
+schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje
+oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,...
+twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen
+en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt
+elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is
+mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes
+zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs
+den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van
+bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige
+verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong
+koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering
+van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen
+te bewaren...
+
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE ***
+
+***** This file should be named 18069.txt or 18069.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/1/8/0/6/18069/
+
+Produced by Johan Boelaert
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/18069.zip b/18069.zip
new file mode 100644
index 0000000..e4727d5
--- /dev/null
+++ b/18069.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..fbfb3cf
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #18069 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18069)