diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:52:29 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:52:29 -0700 |
| commit | febc8f8c1288d07576ef2af7404a2fed912d0bf7 (patch) | |
| tree | 4ba9667448a0f46725403b49912efd906f6df8b1 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 18069-8.txt | 5402 | ||||
| -rw-r--r-- | 18069-8.zip | bin | 0 -> 101548 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18069-h.zip | bin | 0 -> 104696 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 18069-h/18069-h.htm | 5548 | ||||
| -rw-r--r-- | 18069.txt | 5402 | ||||
| -rw-r--r-- | 18069.zip | bin | 0 -> 101055 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
9 files changed, 16368 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/18069-8.txt b/18069-8.txt new file mode 100644 index 0000000..67cb9e5 --- /dev/null +++ b/18069-8.txt @@ -0,0 +1,5402 @@ +The Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Lente + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: March 29, 2006 [EBook #18069] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE *** + + + + +Produced by Johan Boelaert + + + + +LENTE + +Cyriel Buysse + +1907 + + + +INHOUD. + +LENTE. + +OBSESSIES. +I. Het bezoek van engel Gabriel op aarde. +II. Het hondje. +III. Het slecht vijffrankstuk. +IV. "Den Binder". +V. Restitutie. +VI. De Stier. +VII. Berouw. +VIII. Peetje Pruis. +IX. Van toekomst en verleden. + + + +LENTE + +Tante Zeunia lag op sterven... + +Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken +en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar +beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef +tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand. + +--'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog +eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in +zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder +haar nog eens te zien. + +--Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien +voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al +haar grillen te voldoen. + +--Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht. + +En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog +dienzelfden avond zouden schrijven. + +Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te +Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was +Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds +lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen +tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had +gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder +gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer +verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden. + +Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging, +Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en +verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld, +het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij +haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven +suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer +toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts. + +--Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje. + +--Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien. + +--Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje. + +--Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille +wij moete schrijven, e-woar?" + +Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder +verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken +bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar +steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat +achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had +gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen! +Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte +vraag van zijn jongeren broeder: + +--Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te +doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien +keunen ontirven." + +--Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerdúle over spreken," +raadde Standje. + +Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden +den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder +omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint, +achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden +neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden +glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging, +en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de +illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet. + +Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij +was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat +gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst. +Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur +was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een +vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een +seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen +stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn +dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo +keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel +vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der +vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen +boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der +hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem +daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen +verwerven. + +Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar +zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en +beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge +schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte +en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe +oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een +glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij +hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens +uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren. +Belzemien, en ook zijn zuster Cordúla, die het huishouden deed en +nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke +zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij +zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst +op 't boerderijtje niet gehuurd. + +De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg +gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte +geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht +der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder +beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als +het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van +boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar +nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke +sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht +als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder +zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig, +schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes, +volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag, +grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden +boomgaard van hun boerderijtje. + +Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend +goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en +glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even +verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide +stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun +wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche +lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde +broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog +van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen +Cordúla, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws. + +Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels +van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur +geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin +Cordúla reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje +gevolgd. + +--Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid, +de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd. + +--Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met +een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in +den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en +ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante. + +Coben en Cordúla luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard, +met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn +langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen +broer opvangend. Cordúla, vier jaar jonger dan Belzemien, had een +beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond, +groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar, +dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte +kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders +droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een +zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin +verkleurd was. Cordúla, mager en gebogen, met smalle, ingevallen +borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit. +Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met +haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar +van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in +dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn +steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus +scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het +stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en +stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid +verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of +meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van +laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en +een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op +den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van +Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde +knechts der hoeve waren. + +--Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep +wenkbrauw-fronsend Cordúla, toen Belzemien ten slotte het nogmaals +herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt. + +--Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje. + +Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof +hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep. + +--Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna +agressieven toon. + +Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?--Alles zou er van +afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van +den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou +ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk +niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval +mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst +niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot +gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden, +haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar +deel,--dat van haar overleden moeder--mocht en zou ze hebben, maar +ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen! + +--Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n +dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte +mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op +Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong +nichtje nu volstrekt te willen zien. + +Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren +zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest +ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar +de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag, +en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cordúla's groengeverfd +werktafeltje. + +--Hoe lank es da nou geleên dat Leontine hier mee heur ieste +communie geweest hêt?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e +gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch +schrijve?" + +Hoe lang...? Cordúla telde even op haar vingers na en wist het +dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd +sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was +toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met +Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal +nog zou kennen. + +Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar +toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een +groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens +Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en +aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief +in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, hè?... hoe +dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven? + +Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes +aan; en zonder notitie te nemen van Cordúla's nurksch gebrom en +Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje, +die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon: + +"Ma chère nièce Léontine. +"J'ai l'honeur de vous informé que... + +Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest +vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij +zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had, +hakte hij maar terstond de moeilijkheid door: + +"... que tante Zeunia est trè malade en danger +"de mort et quel ma charger de vous écrire +"quel désir de vous voir avant de mourir. +"Venez donc directement comme possible +"et écriver par quel train. Onkel..." + + +Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen: + +--As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen. +Wie dan van ulder hêt er...?" + +--Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei +Standje met een soort van haast. + +En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door +'t venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde +verder. + +"... Onkel Constant seront avec le tilbury et +"cheval a la station pour vous atandre." + +--Mee den tieprie, nog al! Woarveuren dà, verdeeke! Hè ze zij gien +bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den +tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cordúla +nijdig in. + +Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook +iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig +sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend +gezagvoerend: + +--'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn. +En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?" + +Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong +koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie +broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje +op hun boerderij wel zouden doen. Cordúla's meening klonk kortaf en +categorisch: + +--Niets bezonders. Ze zal 't hier hén lijk of we 't zelf hén; en es +ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!" + +Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander +aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor +Cordúla en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren. + +--Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij +veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering +zijner kleine oogjes. + +--Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk +'t kort-afdoende antwoord. + +Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje +keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch +leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de +gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou +nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen? + +--Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cordúla uitdagend. +"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie +mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot +zijn!" + +De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht. +Cordúla was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje +nog even de vraag: + +--En woar moe ze sloapen?" + +--Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde." + +--O! niet in de beste koamer!" + +Cordúla keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde +oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En +plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie: + +--Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe +komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in +moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?" + +De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cordúla in haar kwade +buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet +tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog +wel. + + * * * * * + +Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de +boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's +antwoord. + +Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het +velletje papier er uit, ontvouwde dit en las: + +"Beminde nonkels en tante, +"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord +"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de +"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat +"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij +"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei +"met de train die om zes uur in de station van +"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog +"wel heel goed en hoop u te vind in goed +"gezonteit. +"UW bemint nichtje +LEONTINE." + +--Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog +'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het +eigenaardig briefje. Maar Cordúla spotlachte smalend om dat +onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend, +het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende +oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit, +terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog: + +--O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van +die goeje ziepe!" + +Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus. + +--'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne, +goeriekende ziepe." + +Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling +zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze +'t insgelijks Cordúla trachtten te doen ruiken, trok deze zich met +een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend: + +--O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd? +Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die +P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen. +'K zal 't in de beke smijten!" + +De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken +oogslag met elkander wisselen. Cordúla kon nog eens gevaarlijk +worden in haar onweersbuien. + +Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen +en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich: + +--Hè, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze" +trekken." + +Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde +Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder +een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury. + +--Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje. + +Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een +zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond, +die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen. + +--Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje. + +De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn +hok terug. + +--En nou de kerre," zei Standje. + +Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af +en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere +vensterramen van het woonhuis toe. + +De kar werd stil op zij geduwd. + +Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de +verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend, +kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het +erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas +geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd. + +--Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte +hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend. + +--Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of +'t harnas van den tieprie in order es." + +--Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij +goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van +ulder peuten scheiren, zegt hij." + +--Ah, c'est ça, c'est ça," glimlachte Standje tevreden. + +Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een +nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis, +zei, bijna fluisterend, tot Pierken: + +--Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen +achter de muur van de loeze." + +Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de +achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!... +juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op +'t zelfde oogenblik Cordúla op den drempel van het woonhuis staan. + +--Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij +desnoods tot scherpen tegenstand bereid. + +Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte +Cordúla geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het +rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet +zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde +zij naar de stallen toe: + +--Hé! Leenie! Leenie!" + +Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de +haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met +opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder +opgestropte mouwen. + +--Wa es er, bezinne?" riep zij. + +--Hé-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cordúla. + +--Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid. + +--Hawel, as ge gedoan hêt komt in huis om mij 't helpen schuren!" + +Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat? +schuren op een woensdag! Hè... zou zelfs Cordúla, ter eere van de +komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide +met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van +onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen. + + + * * * * * + +Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het +kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor +gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was +schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend +gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar +wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het +wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende +klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!" +suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige +opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te +spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen, +grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden +geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje +wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje. + +Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten +van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne, +strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch +belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij +van het wachthuisje staan. + +--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie +bij den breidel vasthoudend. + +Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een +enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht +voor 't kleine station gereden. + +--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds +dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende +manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd +omwendde. + +De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen +uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar. + +--Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij +haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar +plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier, +een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een +grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig +frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende +oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend +schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje +van verre riep: + +--Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!" + +--Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand +tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde, +een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging, +en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd +onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn +harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde: + +--Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee +ou?" + +--Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje, +geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat +begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan +met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo +mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en +ontroerd door haar gansche verschijning. + +--Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es +'t thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.--En dan weer +angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou +hou, Bello, hou hou...!"--Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn +peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar +hier, 'k zal 't onder de bank steken." + +Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte +zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de +stille straten van het kleine plaatsje. + +--En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag. + +--O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie +niet meer wetend wat hij zei. + +--Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje +hem diep verbaasd aan. + +--Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde +Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur +es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?" + +--Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur +vandoag nog keune zien, nonkel?" + +--Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r +mee ou noartoe goan." + +Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordúla ging, en +met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar +aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en +verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den +indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de +handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo +fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming, +dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit +haar briefje opgesnoven had. + +Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de +houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve, +stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom +strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar +voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen +donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en +hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken, +frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne, +tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als +eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote +boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en +in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden +eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken. + +--O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't +jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal +rondkijkend. + +--E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen. +"'n Greut verschil mee P'rijs, he?" + +--O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde +zij glimlachend. + +De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en +lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het +zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde, +slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke +eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij +vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels, +zingend zaten neergestreken. + +--O, qu'est-ce que c'est que ça, mon oncle?" riep zij met een zoo +opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde +en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou, +Bello! moest laten hooren. + +--Ça, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord +niet dadelijk vindend. + +--Oh! Et que font-elles? + +--Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer, +opnieuw om zijn raar taaltje lachend. + +--Comme ça, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd. + +--Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje. + +--Et ça ne leur fait pas mal? Ça ne pique pas?" + +--Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hên, e-woar? Ze +zijngen..." + +De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig +kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat +deze maar half begreep. + +--Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig. + +--Que vous êtes une zolie fille!" schertste hij, haar met +glinsterende oogen aankijkend. + +--Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend. + +Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en +breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen +juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in +een wagenspoor bijna omkantelde: + +--O mon oncle! mon oncle! Wat es dàt toch!" + +'t Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den +blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde +onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van +duizend-en-duizenden zoemende bijen. + +--Dàtte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend +keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend. + +--O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij +nen bouquet van mee nemen!" + +--Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen +seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien +nie geirn hen, as 't hij moest zien..." + +--Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij. + +'t Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte +uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor +den boer, naar de groote hoeve omkeek. + +--Hmm! Hmm! comme ça sent bon!" juichte zij, met volle armen +plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan +'t schermen, met haar beide handen. + +--Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke +worden!" + +Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij, +overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch +gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden +schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar +de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen +de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds +zichtbaar werden. + +--Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje. + +--'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps +jubelde ze 't uit: + +--O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen! +La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas? +Oh! comme elle est gentille!" + +--Owie--owie... çé ça!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig +dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond. + +--En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?" + +--Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je +wel, dat toreken." + +--Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A +présent je me rappelle tout à fait et je reconnais encore le petit +clocher. C'est là que j'ai fait ma première communion!" + +--Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje. + +Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over +'t steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over +den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van +'t woonhuis stil. + +--Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En +zij viel in de armen der verbouwereerde Cordúla, die op den drempel +was verschenen.--Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen +ook van den verbluften Belzemien.--Bonjour, mon oncle Coben!"... +En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben. + +Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en +blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van +gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te +zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast +door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet +minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan +'t wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank +overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en +zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook +Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard +naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand, +keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordúla, als om +haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven +moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige +voute-kamer naast haar te doen slapen. + +--O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig +het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met +gouden letters uit en bood dien Cordúla aan. + +--As 't ou blieft, tante, 'k hê da uit Parijs veur ou mee gebrocht." + +--Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een +plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak +openend.--Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar, +kijkt toch ne kier hoe veele." + +--Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend, +Leontientje. + +Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordúla; gulzig proevend. + +Het was een voile zak pralines, en Cordúla presenteerde er nu ook +van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met +aarzelende vingers zich bedienden. + +Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordúla vermurwd, en, het +valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag: + +--W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster! +Alhier zeker, e-woar?" + +En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe. + +Cordúla scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar +groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al +vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil: +'t hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg, +haastig in haar verbluftheid stotterend: + +--Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier +moete zien of er niets 'n mankeert." + +Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het +valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel +neer, kwam er weer uit terwijl Cordúla met 't nichtje binnentrad, +en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de +keuken op, stil juichend: + +--Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of +'t zijn moet!" + +Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben +en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt, +zenuwachtig opgewonden: + +--Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie +meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de +koeier te doen eten." + +--Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdúle +gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da +niet meugelijk 'n es." + +--Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan +zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang +was den knecht en de meid te beleedigen. + +--Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel +miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig. + +--Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm +mee de zuster over klappen." + +Cordúla en Leontientje kwamen terug in de keuken. + +--Wa goa-je gij eten, Leontine? G-hêt zeker wel honger noar die +lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien. + +--Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei +Leontientje. + +Bezorgd keken de broeders naar Cordúla op. Haast iederen avond aten +zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen +smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij +vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou? + +--Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling, +angstig omdat Cordúla nog niet dadelijk op de kwestie inging. + +--O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee +nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es +'t bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje. + +--Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte +dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de +maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een +schuw-schichtigen blik op Cordúla, die maar aldoor stom en stug en +roerloos stond te luisteren: + +--Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om +bier goan?" + +Plotseling slaakte Leontientje een kreet: + +--O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch +al mijn scheune blommen!" + +--Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa, +'t es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal +z' ou goan hoalen!" + +Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong +veulen naar de "loeze". + +In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat. + +--Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid, +"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie +zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet +geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen +goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden." + +--Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordúla +verontwaardigd. + +--'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moên iest en +veural onz' iere koavelen." + +Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen. + +--Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch +en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie +genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!" +krijschte Cordúla. + +--Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld +afhouden!" riep Standje grootmoedig. + +--Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordúla, meteen zich +overwonnen gevend. "Hè-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen +'n keunijnksdochter in huis!" + +De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden, +lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordúla voorspelde nijdig erge +ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en +geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet +schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje, +roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan +toevoegen: + +--Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan +ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen +spoaren as 't geld op es!" + +Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht +half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen. + +--Wa hè ze zij doar!" riep Cordúla nurksch verbaasd. + +--O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hên ze lang de wig getrokken!" +juichte 't meisje. + +--Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde +Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat +Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als +Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht +vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu +fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van +dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, çe +du colza, ma nièce." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch +mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordúla beweerde knorrig dat +die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en +ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't +zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje +een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste +kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er +nog tijd was vóór den eten om eens even rond de boerderij te gaan. + +De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille, +mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordúla bleef brommig in +huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten, +putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie, +liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had +hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig +blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij, +in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte +goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken, +pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van +hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde +lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden +in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en +roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een +wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant. + +--Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij +haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide +met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps +werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en +las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een +kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas? +Tante Cordúla ne sera pas fâchée, n'est-ce pas?" terwijl de drie, +oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk +oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun +zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze +schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig +afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordúla er nog niets van en +Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier +Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon +komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje, +bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in +'t smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige +verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte +waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche +opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar +in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat +haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten +haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen +waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam; +en eindelijk kwamen zij, door Cordúla voor het avondmaal geroepen, +langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende +appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in +'t water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan... + +Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel +blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de +zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een +laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte +eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier. +Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had +fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer +tevreden. Cordúla zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer, +beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met +kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen +ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en +haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en +weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje +scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben. + +Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over +Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog +steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan +twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en +ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel +werkte. + +--Zeu, zeu, veur ne corsé-wijnkel nog al!" zei Standje, met een +ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen. + +--Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten, +'n hè 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien. + +Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende +handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van +had. + +--En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde +Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn +ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en +kant. 'K hè passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het +azeu aan ouë kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven +honder fran in." + +--Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle +drie de ooms verwonderd uit. + +--Ha, da es zottigheid! viel Cordúla barsch in. Da es geld wigsmijten +of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch +ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed +droagt!" + +--Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't +almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend. + +--O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordúla met van diepe +minachting neertrekkende lippen. "De dieë 'n zijn nievers beschoamd +in!" + +Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets +meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar +frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die +door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol +gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje +keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den +ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde +uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon +gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl +zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het +eitje vestigend, gegeneerd stamelde: + +--Mais mon oncle tout de même... comme vous êtes drôle...! + +Vaag-achterdochtig keek Cordúla met een schuinblik naar hem om; maar +zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de +anderen niet goed begrepen... + +Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen +buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de +knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong +koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch +hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk, +vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht, +donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op +en groette "elk ne goên oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan +de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke +Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks +opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover +Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het +nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de +keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste +vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo +scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar +huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in +verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en +langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij +voor een vuur stond. + +--He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem +spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging +hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van +Bruuntje. Cordúla bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende +pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een +haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote, +houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te +slurpen. + +--Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent +donc à même la terrine, sans assiettes!" + +--Owie, owie, ils ne demandent pas ça. Ça est comme ça comme dans +le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen +glimlach. + +--Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel +overtuiging toe. + +Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch +kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte +hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was +zooals Belzemien en Standje zeiden. + +--Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig. + +En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming, +begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te +praten. + +De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar +'t station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster +ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen +nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten +kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed +mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was +hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij +geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had +zij ook niet eens meer gevraagd. + +--'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre +grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd. + +--Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer +gepraat werd besloten dat Cordúla er den volgenden ochtend met +Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder +bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak +geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar +testament zoude kunnen veranderen. + +Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken, +waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels, +overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna +gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich +somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den +zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordúla's +lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke +schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van +heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje +wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een +avondluchtje scheppen. + +--O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend +opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs +zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordúla, goa-je +gij euk nie ne kier mee?" + +--Moar nien nien ik, en àl die schotels nog te wasschen zijn!" +antwoordde, op half bitsen toon, Cordúla. En tot de dienstmeid: + +--Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan hêt goan we 'r al gauwe +mee beginnen." + +Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid +drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen +en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het +landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen, +onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op. +Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de +feeëriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen +in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de +diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen +witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers +om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde +schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek, +zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van +diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare +aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende +gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote, +donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen. + +--O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier +wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje. + +--Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje. + +--'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien. + +--Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon. + +--Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune +worden?" stotterde Coben. + +Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de +zachte harmonie der geheele poëtische stemming, en Leontientje, tot +de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde: + +--Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?" + +Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig +dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille +landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in +traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets +droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid. +Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der +klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar +even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een +langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte +van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een +verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late +kar voorbij. + +--O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van +'t plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met +als 't ware een zweem van spijt.--Overal lichten, en voituren en +scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?" + +--Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog +eens de broeders. + +Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel +van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms +door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en +wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren +reeds ter ruste. Cordúla stak een nachtkaars aan en opende de deur +van de "beste kamer". + +--Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordúla, die +zich even verbaasd half achteruit trok. + +--Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de +beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het +jeugdig-frisch meisje gezoend. + +--Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde +halfluid en verontwaardigd Cordúla, toen zij in de keuken, bij de +drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een +slecht huis woare!" + +--Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk +nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld. + +Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met +fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen, +onduidelijke klanken stotterend. + +--Slechte menieren, dà zijn 't," bromde Cordúla boos.--"En gulder, +ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da +mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n +mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit +verlied van doage!" + +Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders +af, Cordúla goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar +boven. + + * * * * * + +Toen Cordúla den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in +het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een +bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter +voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had. + +--Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd +hêt? vroeg Cordúla, zonder evenwel sterk aan te dringen. + +--Niemand, niemand, hêt den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met +stillen nadruk haar woorden. + +Cordúla keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd +gezicht bij zette. + +--Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze +berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de +non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws +zou sturen. + + * * * * * + +--Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei +gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordúla, met Leontientje +weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde. + +--Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress +van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!" + +--T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge +zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe +dat 't verder afleupt." + +--'t Es da 'k zeu weinig tijd hè," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan +mij zeu lank niet missen." + +Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden +ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder +verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje +verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We +zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren." + +--Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg +pen en papier om aan haar vader te schrijven. + +Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje +haar brief aan 't opstellen was. + +--Wa zoên we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de +oudste broer knipoogend. + +Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had, +krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig +verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat +eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar +probleem. + +--K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa, +wa zoèn we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee +heur uitrijen?"--Standje wist eigenlijk wél 't een en ander, hij +had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben +moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen +vermoede dwarsboomerij vanwege Cordúla. Zwijgend ondervragend keek +hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig, +ondervragend aankeken. + +--'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje +voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur +uitgoan en ien van ulder morgend?" + +--Ba joa, ba joa, we zoên 't meschien azeu keune probeeren," zei +Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?" + +--Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de +stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen. + +--Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij +was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n +beetsen uitrijen." + +--Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben +te hakkelen. + +Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in +opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje +uit het huis kwam: + +--Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den +achternoene nog ne kier op uitrijen!" + +--Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een +hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen. + +Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien. + +Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij +bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en +de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde. + +Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den +buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den +boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in +bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale +pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon +het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de +boterkarn aan het klutsen ging. + +--O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het +grappig-eigenaardige der uitvinding verrast. + +--N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar +verrassing. + +Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te +hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in +'t achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij +en wipte, als onder een zweepklap, half op. + +--Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig. + +De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit: + +--'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke +doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa +vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel." + +--Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend. + +--Mé non, mé non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien. +"Ne kier dat hij de goejen trampel hèt, 'n roaken de peunten hem nie +meer oan." + +--Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje. + +--Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs +om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan." + +--Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog +steeds meelijdend. + +--Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers, +'n uur en half almets." + +--Ach!... en zonder iene kier te rusten?" + +--Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in +zijn vel." + +--Och...!" + +--Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe," +glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven +stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure +moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen." + +--Pauv' bête,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op +den aldoor trappelenden hond gevestigd. + +Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan +zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het +gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten +door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer +aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden. +Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend, +met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende, +bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn +naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop. + +--Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van +het schouwspel afwendend. + +--Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins +teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden +boomgaard wandelen. + + * * * * * + +Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo +rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er +opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag +en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend, +gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn +blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond +halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij +vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er +bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan; +Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig +scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje +van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna +iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers +door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle +plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een +voortdurende roes van opgewondenheid. + +Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij +geen van drieën uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen +slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij +heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun +oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en +'t was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk +opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch +en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle +Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!" +en wanneer Cordúla niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings +toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan +door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte +zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk +verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de +bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij +eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordúla in de keuken kwam +om te ontbijten. + +Maar Cordúla hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en +na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van +lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over +haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van +alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te +durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van +'t jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin +veroorzaakt had. + +Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen. +Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar +eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje +dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam. + +--Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte +Cordúla dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee +thuisgebleven broeders uit. "Wa moên de meinschen doarvan peizen! Ha +'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten +de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouên, Belzemien! +Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien +half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier +den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nóg ou verstand het en +da g' hier den boas zijt!" + +Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest +hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen? +Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier +buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel +eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de +geheele oorzaak van alles!--En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat +dat betrof mocht Cordúla gerust zijn: hij hield Standje in 't oog, +hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd +terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je +wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel +iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever +niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als +hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordúla +moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles +zou in orde komen. + +Cordúla, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het +mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar +zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee +te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens +te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante +gesteld was. + +Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi +en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordúla's +vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een +verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het +Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene +zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met +fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een +lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden. + +--Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte +Leontientje. + +--Owie, owie, tré chaud, nous aurons peut-être de l'orage," beaamden +Belzemien en Standje. + +De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het +Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open +ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van +witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en +sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er +bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de +oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle +wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een +flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als +zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend +vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte +almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en +eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit: + +--O wa hé 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant, +wilt e mij liere zwemmen!" + +--Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd. + +--O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel +Constant, en wilt-e 't mij lieren?" + +Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de +jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al +zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs +aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om +Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen; +doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door +Cordúla's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuïtie van +een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend: + +--Joa moar, es 't serieus? Hêt-e oprecht goest om in 't water te +goan?" + +--O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps +opspringend, huppelend en dansend van blijdschap. + +--Joa moar, het-e gij doar klieren veuren." + +--Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!" + +Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig +toegesneld. + +--Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij +'t wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te +stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit +wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de +sidderende hand. + +--Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel +Coben!" smeekte Leontientje. + +En de twee oudere broers, door een gelijke intuïtie als die van +Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en +hoofdschuddend toe. + +Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich +te verkleeden. + +Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering +wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug: +Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit +nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen +boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun +eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder +de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als +een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn +smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was +om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine +bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte, +nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende +lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en +rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en +te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in +krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte +vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en +verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar +middel toegeregen witte nachtkleed. + +--Hawèl-e-wel-e-wel! Hawèl-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die +door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te +kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid, +het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende +handen. + +--Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den +oever glijden.--Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was. +Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden +boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en +al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle +kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg. + +--Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den +oever schouderhuiverend. + +--O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom, +geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen." + +--O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze +voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat +dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje, +stak beide handen uit naar Standje--... en eensklaps, met een +grooten plons stond zij in het Zonneputje! + +--O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij. + +Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste, +koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan +Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van +het beekje medetrekken. + +Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte +nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met +bloote beenen in het helder putje. + +--Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het +weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en +zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals +hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen +en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om +haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte +schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een +vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst. + +--Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op +den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje, +als bedwelmd van emotie in het water stond te beven. + +--Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje. + +--Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee ouë +kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k hé ou goe vaste." +En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou +moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te +ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen +oakpuit"(1). + +[Noot van de schrijver: +(1) Kikvorsch.] + +Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij +kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer, +omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje, +gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en +Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om +niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid +van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren +komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren +knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door +het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van +walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een +boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen +recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog +rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter +wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen. +Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan, +schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms +nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef +terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend: + +--'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er +nou moar uit. Kerdúle kan doar alle menuten weere zijn!" + +Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en +plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in +het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan +naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te +helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden, +zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje +een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van +dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien. +Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen +lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende +pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen, +vluchtten naar het woonhuis toe. + +Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn +druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige +bond met ruige haren. + + * * * * * + +Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen; +Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van +verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine +en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun +dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de +zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige +lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde. + +Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok +niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende +kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel +de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n +ziele" zooals de menschen zeiden.--O, zou Tante misschien +plotseling... + +Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te +spreken. Eensklaps kwam Cordúla hijgend om den hoek van 't huis met +opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle +stem en strakke, donkere oogen: + +--Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom +seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren +aflezen!" + +Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood? +Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De +ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens +vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren; +de broers, Leontientje, Cordúla, liepen zenuwachtig, als verloren +heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet +duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis, +het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij +als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden +om er Tante's testament te hooren voorlezen. + +--Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe! +herhaalde steeds Cordúla, gejaagd en opgewonden. + +Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste +kamer", de broeders naar den zolder. + +--Wa es dâ hier? Wie hêt-er hier mee natte voeten over de vloer +geleupen?" riep knorrig Cordúla, toen zij in de keuken kwam.--Kijk +ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!" + +Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas +gebeurde; en zelfs Cordúla drong niet aan, geheel en al door 't andere +in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken +als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps +stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders. + +--'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een +angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,--'k ben +toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal +beveurdielt zijn." + +--O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet +as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n hè ze nie gezien," poogden de +broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet +geruster dan Cordúla, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun +verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en +even angstig als Cordúla zelve waren zij naar den inhoud van het +testament benieuwd. + +--Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r +mijn deud aan hoalen!" beefde Cordúla met wijd-uitgezette oogen. +--Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den +hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend: + +--Moar wat ten duvel hèt-e gulder hier toch uitgesteken binst da +'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in +huis?" + +--Wel, Hiere, 'k hè ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig +dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend. + +--Gezwommen!" riep Cordúla met open mond en verwilderde oogen. +Gezwommen!... mee heur... in de beke?" + +--Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen! +Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje. + +--O! die sloeze!" gilde Cordúla schor van verontwaardiging.--O, die +sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch +zijn, die doarin behoagen schept! En hè 't wirkvolk da gezien? 't Es +'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof +nog teugen durft!" + +Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen +straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek, +beenderig, ontsteld gezicht.--O, gie leulijke, leulijke, vieze +leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een +walgkreet rende ze de trappen af. + +Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het +traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de +zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende +lentevelden... + + * * * * * + +Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...! + +In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de +angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordúla het testament +voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel +voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten, +alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster +der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen +nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf +verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel +tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven. + +Cordúla voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu +van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was +reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en +Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben +schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere +bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden, +opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had +plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste +meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen +hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe, +ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit +te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van +Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in +de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens, +ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering +hikkende stem: + +--Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben +zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?" + +Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde, +barstte in een klinkenden schaterlach uit. + +--O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.--Maar zij zag in 't +bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde +zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna +bang. + +--Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter. + +--'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt, +'t wordt hier loater amoal 't ouë!" herhaalde hij smorend, +opgewonden.--Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?—-En hartstochtelijk +greep hij haar hand. + +Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden +achteruit: + +--Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en +gij..." + +--Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in +de rede...--Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien +achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O, +Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig! +Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n hè nog noeit gien uur oprecht +plezier g' had in mijn leven!" + +Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang +verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als +een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren, +zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en +kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren, +tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk +willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde +die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en +plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest +tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden +zoen te drukken. + +--Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge +mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het +hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend. + +Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid +teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering +doorschudde heel zijn lichaam. + +--Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon, +g-hêt gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en +vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier +lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek +hij haar in den zachten maneschijn weer aan. + +Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe. + +Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis +terug.... + + * * * * * + +'t Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was +verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje +aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het +paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar +vader nu, weer weg te brengen. + +Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,--een voor zijn +leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur +en blonde haren--nam van de ooms en van Cordúla afscheid. + +--Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi +tous de venir un beau jour à Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de +beurt Coben, Cordúla en Belzemien omhelzend. + +--Owie, owie, peud-êder," glimlachte Belzemien met fijn knippende +oogjes. + +--Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien, +mille fois merci, et à plus tard, n'est-ce pas, à Paris?" herhaalde +ook Leontientje, beurtelings Cordúla en haar ooms een laatste maal +omhelzend. + +--Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het +frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten. + +Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de +teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde +groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg. + +Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als +op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende +zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een +zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer +in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas +vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal +bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat +te bibberen... + +Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk +weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter +der seinhorens schichtigde. + +--Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij +ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste +afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden +in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den +teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en +zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse +opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter +ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een +sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar +mond, half op haar zachte wang verloren. + +'t Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide +lente!--De trein reed ruischend met haar weg--hou hou, Belleken, hou +hou!--en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling +zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in +haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het +neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven... +wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend +stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een +wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der +spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween... + + + +OBSESSIES + + +I. +HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE. + +Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan +Soarelke Meule... Ik zag hem vóór mij, zooals ik hem in leven gekend +heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme +beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote +oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander, +scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde... + +Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen +Kwamen toegestroomd. + +Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen +tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol +tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen, +bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige +bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die, +met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg +te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond +bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar +de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat. + +Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig +vertellen!--Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste +oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls +krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was +slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste +beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot +lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.--Hij +was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en +juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle +vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk +tot den grond der dingen door. + +Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen +en konden uren lang naar hem zitten luisteren.--Zij zaten daar, +onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental, +vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de +brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten +Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem +goed leuk en ondeugend te stemmen. + +--Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriël +op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was +da niet te Poeke, in 't Luizegevecht? + +Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog +eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde. +met zijn ruwe, korte, barsche stem: + +--In 't Muizenhol was 't, hè 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge +zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele! + +--En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd? + +--Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken +hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke. + +--Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier. + +En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens, +bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske +stem: + +"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriël +aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen, +mee zijn vleeren toe. + +"Gabriël, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke +mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen? + +De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren: + +"Wat es er ten ouën dienst, ons Hiere?" vroagt hij. + +"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou +beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien +wat dat er ginter gebeurt. K'en hè doar in doanig lank nie mier van +g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse +begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en +informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt." + +Goed.--Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriël trekt zijn beste +geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem +op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan +'t Muizenhol! + +--Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere +gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels. + +--Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke! +Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen. + +--Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er +te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en +zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee +'t jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriël, die da nog noeit van zijn +leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons +Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te +sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn +geiwene vleeren aan! + +--Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke? + +--Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk +Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere, +die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne +weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven +komen. + +--En Gabriël wig, zille! de lucht in!—-Sente-Pieter stond al uit te +kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten. +"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar hè-je gij zeu lank +gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den +ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem +rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van +colère zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn +kniëns vallen en zegt: + +"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!" + +"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd hèt!" zegt onze lieven Hiere, +die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel +ziet. + +"Joa ik, lieven Hiere, 'k hè mij doar oprecht goe geämezeerd: 'k zoe +liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriël. + +"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven +Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag. + +"Ooo, doar 'n hè'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den +ijngel Gabriël. "'K hè mij loaten neere valle tusschen Vijnck en +Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n hè mij niet gespeten, zille!'t +Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en +sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de +gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt." + +"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?" +vroeg onze lieven Hiere. + +"Giene meinsch die van ou gesproken hèt, lieven Hiere," zei ijngel +Gabriël. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de +leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat +die meinschen ginter zijn!" + +Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel +Gabriël dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twieë te +weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriël tieken dat +hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen. + + * * * * * + +--Goed!--'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriël weere +mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen +treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker. + +"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier +op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter noù gebeurt. En deze +kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu +lange wig of dat 't neudig es. + +Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem +'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol! + +--Nôg ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke? + +--Nôg ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!--Goed.--Den ijngel +kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat +hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst +ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders +of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa +noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk +komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es +'t zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle +kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens +veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch +dàt aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier +mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij +hem boven op en komt er weere mee in den Hemel. + +"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Hèt ou van deze +kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee +zijn sleuters aan de peurte stoat. + +"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij +al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere. + +"Ha, jongen, g'hèt opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere. +"Hewèl hoe ès 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie +geklapt?" + +"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zéker van ou geklapt! Ze 'n +klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriël. +"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En +zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier! +'t Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en +donker; de boeren hén de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es +verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken +kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk +tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om +t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..." + +Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand +aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen +board. + +"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft +zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.--Weet-e +wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat +hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken." + + * * * * * + +Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den +gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der +pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid +mededeelden.--Omheen was 't wonderzacht en stil en in den +somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren. +Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden +de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de +verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te +droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een +krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den +onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere +slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens +der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met +hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun +innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het +twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker +groepje taalde: + +--Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om +noar bedde te goan. + +En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de +asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal... + + + +II. +HET HONDJE. + +De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station +gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even +wachten. + +Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is +lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele +railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek, +schitteren twee miniatuurbloementuintjes. + +Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje. +Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede +herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg +doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee +herbergjes. + +'t Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille, +groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en +goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van +het dorpstorentje opschiet. + +Daar komt de trein.--Slechts enkele reizigers staan wachtend op +'t perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op +den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een +vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie +pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken +houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts +drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp. + +Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te +belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en +zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of +boom. + +Knarsend op zijn remmen heeft de trein vóór het stationsgebouw stil +gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt +en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden +opgehaald. + +Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog +even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.--Maar,... het +lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam +en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets +bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar, +scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje. + +Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden? +Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de +obsessie!--Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap +af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie! +Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot +verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren? +En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik +daarvoor terugkom?--Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik +er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en +half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het +herbergje. + +De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het +schemerig, ongezellig gelagkamertje... + +--Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend. + +Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie +pootjes naar mij toegehinkt... het hondje. + +--Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend +over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje. + +Het hondje schijnt dat niets naar te vinden. + +Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt +zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger +aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes. + +Daar komt de vrouw. + +--'n Pijntsje bier, bezinne. + +Het glas wordt mij gebracht. + +--Scheun weer, e-woar, meniere? + +--Joa 't doanig scheun weere. + +Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets +meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje. + +--Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht +merkend.--Spijtig dat 't zijn peutsen afgereên es! + +Ha! daar is de aanleiding! + +--Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen. + +--Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die +kapot gereên wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is +gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie +geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereên +wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk +mee die twie wirkmeinschen! G' hèt doar toch van g'heurd, meniere? En +de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een +akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een +vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd. + +'t Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de +afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik +denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die +kleine hondjes bij die groote treinen loopen.--Nu weet ik het, en +wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen +belangstelling meer in. + +Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.--Maar nu, (en dat is mijn +voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik +nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan +den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt +onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes +bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en, +met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een +heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar +de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij +de praterige vrouw te volgen. + + + +III. +HET SLECHT VIJFFRANKSTUK. + +Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude, +onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een +molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van +gelijken leeftijd--een jaar of veertig--maar zeer verschillend van +uiterlijk. + +Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge, +beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige, +doorzakkende knieën. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar +voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen +een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig, +die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van +gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig. + +Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke +wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske +grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter. + +Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde +Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den +boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske +werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag +Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem +soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige +armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te +wenken. + +Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche, +lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis, +troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in +'t herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat +oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag. + +Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen +herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder +contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve +bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts +iedere week één frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te +brengen. + +Eén frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes" +bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al vóór den +middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege +glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst +van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou. +Gelukte dat niet, dan bleven ze tóch maar zitten, omdat ze anders +niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om, +toch zoo vervelend en ellendig lang was. + + * * * * * + +Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een +vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de +gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu +eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een +vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei: + +"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt hèt. en +niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne +cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn +bezit hè zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver +zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie +geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hèn. Doet +er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt." + +En hij gaf het stuk aan Theofielke. + + * * * * * + +Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te +Bekijken... + +Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als +veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom +nu juist dàt stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die +immers ook maar zilver waren, wèl deugden. Hij woog het in zijn hand +en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een +gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een +hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone +stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat +dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling +ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen, +terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak +verborg. + +Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met +Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk +genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te +beraadslagen. + +Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en +zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen. +Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer +berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de +omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende. + +Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er +twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank, +die nu wel aan één stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar, +in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende +Deeske. + +Toen trokken zij er op los. + + * * * * * + +Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij +stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle +wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige, +kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij +zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof; +Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende +schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij +telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele +bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen +lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine, +omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het +jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs +den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee +vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer, +die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met +bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die, +worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis +te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen +gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen; +en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij +moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even +aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen. + +Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen +drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen, +maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te +worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het +kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar +schenktafel glazen stond om te spoelen. + +--Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig +air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend. + +De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem +even vaag wantrouwend aan. + +--Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als +om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde +met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te +voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk +spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske +stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke, +die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had. + +--Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes +op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk +gestemd, begon zij een praatje over 't weer. + +De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun +sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er +nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen +glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof +er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook +Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur, +verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die +borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe +vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend +aankeken, en er waarachtig nóg eentje bestelden. + +Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit +zijn zak, en legde 't op de tafel. + +--As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven? + +De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar +schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te +voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en +bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het +raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in. + +--Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw +met ontstelde stem eensklaps zeggen. +--Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend. + +--Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.--Kijk ne +kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur +hing, en waar al de vijffrankstukken,--de gangbare en de niet +gangbare--zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld +stonden. + +Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan. + +--Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk! +verzekerde Theofielke. + +--Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met +haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel, +'t es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van +veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge +moet mij ander geld gêen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke, +die het kalm weer in zijn zak stopte. + +--Ha, sakerdeeke! En 'k hè 't gisteren in de post ontvangen! +beweerde hij enkel. + +--Tuttuttut, 'k 'n hè doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee +ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend. + +--Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos +veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es! + +--En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld +geên! gilde de vrouw. + +--We 'n hèn gien ander! bekende Theofielke. + +De vrouw stond even als verslagen. + +--O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van +woede, te krijschen.--Ala! hier buiten! En van den achternoene zend +ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare! +Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt! + + * * * * * + +Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen +portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort. + +--Hawèl! wat dijnkt ou? Zoên we leute hèn vandoage! lachte +Theofielke. + +Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk +schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute +zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke +mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn +kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange, +loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp. + +Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine +boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging. + +--We 'n meugen nie àl te ziere drijnken; we zoên te gauwe zat +worden, meende Deeske. + +Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door +moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf +wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens +zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange, +saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den +_Groenen Jager_ en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl +Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet +rinkelen. + +Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan +Theofielke terug. + +--Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste +verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor +ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich +geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval, +tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het +verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den +postmeester tegen een ander hadden ingeruild. + +Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde, +ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme, +welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de +menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten, +en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna +uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er +eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen +werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk, +onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het +afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scènes +plaats en wel het ergst in de afspanning: het _Vliegende Paard_, waar +zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was +daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en +vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het +aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door +den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij +plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat +gegooid. + +Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot +te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog +andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en +kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee. + +Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het +_Vliegende Paard_ opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en +begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar +heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder +ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen. + +--Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na +een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen. +-—Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen! + +Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van +dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te +redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen. + +--Loat ons bij Veel-Hoar goan en de dieë mag 't vijffrankstik hoûen, +stelde Deeske voor. + +Ietwat onthutst keek Theofielke op. + +--Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk. + +--Hà! dà es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de +knechtejongens bij VeelHoar? + +Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn +slungelige tronie. + +--Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse +trekken, en wie 't langst hêt iest? + +Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op, +frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske +voor. + +Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk +waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide +hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te +voorschijn. + +--O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke +achterdochtig. + +--Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske. + +Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en +haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in +'t omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het +mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk; +men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde +wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den +rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam) +Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd +men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door +Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om +het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet +'s zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde één frank, +twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een +achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er +naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van +Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel +niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje +hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige +kans, die zij niet mochten laten ontsnappen. + +Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te +vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het +stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon +schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het +donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame +straten. + +Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een +boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den +straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der +overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de +schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend +gedoken. + +Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef +doodstil. Het oogenblik was gunstig. + +Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te +kijken door een spleet van het gordijntje. + +--Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke. + +En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden +binnen. + +--Elk ne goên oavend... + +Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek, +bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel, +dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had +kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en +rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel, +bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude +moeder, suffigduttend in elkaar gezakt. + +--Kijk, kijk! Wie da we doar hén! riep Veel-Hoar, half spottend, +half uitdagend.--We zóen wel geld gêen om ulder te zien! + +Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel +kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen. +"Elk ne gôen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam, +deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een +tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde +bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even +over 't tafelblad liet rinkelen. + +Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd +door het verleidend geluid even wakker. + +--G'hè 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit +te roepen. + +--Ha, w'hèn toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar +het stuk weer in zijn zak verstoppend. + +Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat +beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.--Vijf frank! dat kwam +zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden. + +--Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske +royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde +nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar +den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op +te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken +versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore +zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig +pratend. + +Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is +zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook +den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte +om op te stappen. + +De glazen waren leeg. + +--Nóg vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde +Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren +daar nog een heele poos te blijven. + +Langzaam stond de boerepummel op. + +--Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem +beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende, +heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk, +kortaf, op boozen toon bijna, afhakte: + +--Joa moar, Sies, vandoag 'n hè 'k gienen tijd, zille; ge moet nen +andere kier komen. + +Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske, +droop de pummel af. + +--Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur +achter hem dichtsmakkend. + +Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met +een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan. + +--Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de +geijkte vraag.--Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield +intusschen de oude, suffe moeder aan de praat. + +--Joa moar, hoe zit dat? Hé-je gij èùk geld? vroeg zonder omwegen +Veel-Hoar. + +--Theofielke zal ou vijf fran gêen, beloofde Deeske. + +--Joa moar, en gij? + +--Hij hè 't geld, lijk of ge gezien hèt. Hij zal betoalen veur ons +alle twieë. + +--Hoe, veur alle twieë? + +--Wel joa, w'hèn lotse getrokken. Ik há 't langste. + +--O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend. + +--Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske, +reeds in 't gangetje. + +Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze +weg, Deeske achterna... + + * * * * * + +--Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in +'t gangetje verschijnend. + +Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe. + +--Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten. + +--Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het +Gangetje... + +Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden +door het somber tuintje weg. + +--Hè ze 't? Hè-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder +'t vluchten. + +--Joa z', zille! Moar hoast ou nou! + +Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen +in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in +veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog +en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend, +schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen. + +--Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld +Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend. +Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen +galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend. + +--O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hèn mij 'n slecht +stik van vijffran gegeên! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen. +'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar! +Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over +de keien in de straat gekeild. + +Deeske, die vóor Theofielke zat, zag het even in de duisternis +zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen +zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn +dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat +door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks +doorheen. + +--Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel! +riep hij dof. + +--'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog +dienen, fluiserde Theofielke. + +--Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoên ons deudsloan! Ala +toe, wig, wig! + +Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor +een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open +veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van +Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat +opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en +bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden +zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit. + +--Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte +Deeske. + +--Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hèn! +jammerde Theofielke.--We zoên d'r nog ne kier kennen mee uitgoan. + +--Bah! 't gien dat we g'had hèn, hèn we toch g'had, troostte +Deeske.--Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft +ouën boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik. + +Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend +aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes, +zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij +voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het +lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast +elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een +hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de +gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij, +roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort. + +Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en +ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den +dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de +lange, saaie arbeidsweek. + +--Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag hè? zei Theofielke. + +--Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske. + +En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge +pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld. + + + +IV. +"DEN BINDER". + +Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich +verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den +jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen. + +Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje +van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht, +en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit +gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna +aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte +met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde +kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem +dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je, +als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze +ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder +licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en +fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een +onuitsprekelijken weemoed, die zóó aangrepen, zoo onweêrstaanbaar +aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer +zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond +van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen. + +Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken, +menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de +menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon +tooveren. + +Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste +dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder". +Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager, +houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel +veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska +heette zij. + +--Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de +jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,: + +--Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd: +treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis! +Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt! + +Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het +voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den +Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen +leven. Want,--en dat was wel het aller-ergste,--ook zij geloofde +dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens, +na zoo een of andere plaagscène met de straatjongens of de buren, +overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de +razendste verwijten. + +--O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend +krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar +nou in hén as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de +stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen +doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven +lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n +zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou +en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden +hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past +ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert! + +Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed +van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet +dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar +maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn +angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met +korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu +en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen +den vloer stampte: + +--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij +zot! + +Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille +stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en +huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk +moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met +open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel +staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en +dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat +de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van +verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het +winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half +verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en +toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep, +hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde, +zwakke, onbenullige weerlegging herhalend: + +--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij +zot! + +Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen +in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met +hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren, +of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en +hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de +boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst +niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit +weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij +voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de +deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje +tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet, +dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een +kort gebed. + +In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen +merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen +mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch +gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde +leed. De slag,--zijn zelfmoord--viel als een donderslag, onverwacht. + +Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit +'t water zien halen.... + +Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn +paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn +vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen +uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen, +met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die +afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo +had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een +modderige sloot was gehaald. + +Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden. +'t Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het +lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide +van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een +twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen. + +Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes +rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld. + +"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd hèt!" gilt de +menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den +Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende +armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn +doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij +lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zóó +scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den +rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend. +'t Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een +bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den +Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel +héél ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en, +onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat +warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen. + +Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van +mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van +vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen +op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder +verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met +gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar +binnen starend. + +--Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die +vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven. +'t Is er één warboel, in en om het huisje. + +De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet +houdt vóór het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen +zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder" +binnendragen. + +En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den +kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke, +rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal: + +"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik +van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder" +komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"... +"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt +voader.--"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"--zeg ik.--"Dag," +antwoordt hij.--Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier +blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater +toe.--"Wa betiekent dà verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij +doen?"--"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee +zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens +uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg +ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies +gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in +'t woater!... + +--En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge +man niet verder vertelt. + +--Hawèl, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon. + +--Joa moar; wa hèt-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de +toehoorders aan. + +--Wat da 'k gedoan hè?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.--"'K +ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere +boven gekomen; hij hè gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten +geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en +onder gebleven... + +--En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader +euk niet? + +--Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde +versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de +schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier +gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen... + +Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken +sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds +als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid +opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul +van een gefolterd beest. + +--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!" +zeggen de menschen, langzaam uiteengaande... + + + +V. RESTITUTIE. + +Teum Grondnagel lag stervensziek... + +'t Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een +zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang +geweest. Ik zie hem nog in verbeelding vóór mij staan: groot, zwaar, +vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en +zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende +oogen. + +Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en +benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar +gesloten blijven, zonder één klank door te laten. + +Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren +vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp +hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van +hun tijd verbeuzelden. + +Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een +minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar +enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat +noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden, +"aan 't woaien" was. + +Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen +verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en +verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling, +zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen +ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren +aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te +waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien". + +De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding, +nog vóór hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis +tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij: + +--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan +'t woaien!" + +Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen +en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en +krachten!... + +Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem +heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot, +overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer +aan het trakteeren en betalen, één woeste dierlijke, liederlijke +orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het +zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn +hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en +in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn +walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan +den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan +ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor +het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken +had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te +koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige +slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke +bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de +melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort +geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij +zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde, +wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren +en weêr een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was +hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij +voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn +diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij +was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende, +verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en +van nietelingen onder de knie had. + +Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam +slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was +eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd! + +Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den +donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol +gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd +uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en +afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van +hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en +nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zóó sterk gevreesden +meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog +raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht +meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam! + +Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid, +die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend +einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de +toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening +hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende +zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die +lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten +'t niet, maar Hij, de Groote Rechter, vóór wiens troon hij weldra zou +verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem +tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen +doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof +hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende +oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen +slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch wàs er +voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en +zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost +geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet +opgebeurd. Eén enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog, +voor hem open: restitutie doen!... + +Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den +donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al +bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te +veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk +geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed +herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te +rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe +namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn +oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij +begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou. +Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na +eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje +uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken +eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt +had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op +de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime, +sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg +hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen. +Hij zou er hem mild voor beloonen. + +Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde +Jantje, na een korte aarzeling, toe. + +En Teum begon één voor één zijn zonden op te sommen, eerst tegenover +Jantje zelf. + +--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud +verkocht hèt? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n +woart er nie bij. Hawèl, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou +betoald hè, worden d'r negen honderd vijftig. 'K hè ou dus dien dag +veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven +centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van +mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn? +Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim, +doar es vijf en twintig fran!... + +Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde +Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur +kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde +handen beefden op zijn knieën, alsof ze sidderden van kou. + +--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met +droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te +nemen. + +--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de +handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn +potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor: + +--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op +tien joar leverijnge van eirdappels. + +Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos. +--Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar +mijngelijnge van rogge in de tarwe. + +Jantje knikte. + +--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet +in de boter... + +Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en +bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die +Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens +opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde. + +--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was +bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg, +terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen +'t boerenhuis verliet. + + * * * * * + +Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar +hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin +alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich +heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs +losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde. + +Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen +wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als +stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen +twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter +waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in +alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar +heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van +lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig, +vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere +levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe +langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes +bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die +hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende +schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen +de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon +vinden. + +Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten. +Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar +buiten; en, nog vóór Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij +dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem: + +--Hawél? Wa hèn ze gezeid? Hoe es 't gegoan?" + +--O! bezônder! bezônder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met +zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie +geleuven!" + +Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum +hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij +merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde, +met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te +slaan. + +--Wa hèn ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend, +kortaf, aamechtig hijgend. + +--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte +Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard +toestruikelend. + +Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op +een afstand te houden. + +--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' hèt gewoaid!" +raasde hij, knarsetandend. + +--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje +beleedigd en verontwaardigd. + +--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe. + +Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen. +Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef +haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de +menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd, +wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden. + + * * * * * + +...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht +geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog +slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op +de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge +met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte +melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna +opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu +onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te +luisteren. + + +Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en +oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn +zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend +en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude +ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het +uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde +enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de +doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag +over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen. +Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd, +hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en +radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een +bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche +stilte galmde: + +--Hawèl, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en +donker. Mag ik nou wiggoan?" + +Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel +weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord. + +--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde +stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar +den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende +vingers aan. + +Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog +nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de +beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen +staarde. + +--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen. + +--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend. + +--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en +kijkt-e kier!" hijgde Jantje. + +De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den +haard. + +--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit. + +De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op +den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den +mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding +naast het uitgebrande haardvuur... dood. + + + +VI. +DE STIER. + +Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene +uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje, +waar de straatweg, zich in tweeën splitsend, een soort rechthoek +vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee +wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het +herbergje binnen. + +'t Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar +nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes +beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net, +klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het +Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel, +gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde +van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de +bont-gekleurde uithangborden. + +Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster: +menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er +'t "stameneetje" bijhielden om rond te komen. + +Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en +kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen. +Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook +kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat +voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met +sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat +zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige, +vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, méér dan een donkere +haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest +dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in +'t dorp "de Stier" genoemd. + +"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of +wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het +zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden: +"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden +gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De +spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende +beteekenis verloren. + +En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet +uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende +nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit +'t omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen +die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun +aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een +praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken +van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens +een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs, +o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de +Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken +aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar +snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog +en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor +geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten. +dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat àl te bont, dan +zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en +was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar +uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een +flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het +baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter +haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen +en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen +en naar raden. + + * * * * * + +Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!... +de "Stier" zou trouwen...! + +Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder +beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield +aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje, +de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp +en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd, +men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn +zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open +deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen +moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos +midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er +alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer +en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat +zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen +scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige +relatie wilde hebben. + +Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken, +zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half +verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de +beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een +middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel +van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de +straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje +verdween... + + * * * * * + +Het wàs zoo: de "Stier" ging trouwen...! + +De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur +van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den +preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had +de scheiding van hun klein vermogentje geëischt, en het zoolange +jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in háár +deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste +dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven. +Dáár, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige +stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk +af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het +echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage, +algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich +beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden. + +--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de +oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken +hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen: + +--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde, +alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te +zeggen. + + * * * * * + +Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje +op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van +"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En +er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions +en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de +trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou +hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden. + +Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de +kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke +scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden +naar het gemeentehuis toe. + +Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen +gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel +eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten +hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was +deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid +doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange +haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar +gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen +lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de +snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna +uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte +haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet +op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname +buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode +koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend +gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door +overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het +einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als +schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen +gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier", +'t gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende +schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een +vrachtwagen loopen had overgehouden. + +De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen. +Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze +ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd +onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat +joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten +weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den +burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de +geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige +verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij +een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te +kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een +wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de +Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield +zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als +vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep, +zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op. + +De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem +"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook +Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En +hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen: + +--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n +nieuw boeksken komen hoalen." + +De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van +den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken +schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid +hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren +in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw: + +--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!" + +De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer +hoe vreemdere oogen op. + +De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het +gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop +van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek +wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende +stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke +ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren, +alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden +doorbrengen. + + * * * * * + +Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug. + +Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk +geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te +wiegelen aan gespannen touwen vóór de huizen, een vurige triomfboog +prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met +zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de +man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet. + +Vóór hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij +gek-plechtig door het feestcomité verwelkomd. Een der leden trad +gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene +hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij +een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders +weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man +begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend +onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog +en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het +glas aan haar echtgenoot, die het in één teug ledigde. Dichtbij nu +bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en +plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met +donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het +gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest +ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend +in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig, +waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen +door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun +huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de +vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met +fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte +hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit... + +Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat +geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele +poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer +hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van +hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op +luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en +woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was +een abnormale, gekke, rustelooze nacht. + + * * * * * + +'s Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den +loer. + +Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de +Stier en haar man terug te zien. + +Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht +schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes +opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort +geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes +vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen +boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn +hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens +vlugjes in. + +--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der +buren. + +De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman +hoofdknikkend: + +--Ieste klasse! scheun weer, hè?" antwoordde hij; en verdween in het +huisje. + +Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo: +alles goed! Hè! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als +elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en +zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet +zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun +raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en +'t leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had. +Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij +aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden +terug. + +Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en +Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het +_Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te +nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn +tuintje en de Stier ontving haar klanten met een +helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets +ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch +ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord +en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van +Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend +in de ongezellige gelagkamer zat. + +--Hawèl, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r +doar bij geweest. Alles es goed, zille!" + +--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat +'t 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboón worden!" + +--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da +vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee +heure veint gelukkig es!" + +--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie +meugelijk! Pouah! Pouah...!" + +Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken +'t hoofd voor alle verdere verklaringen. + +En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wàt +ze moesten denken. + + * * * * * + +Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de +Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret +kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of +"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat +of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos, +wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol +belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in +'t _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al +te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er wàs +iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en +sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar +strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van +zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange +haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht +gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan +ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de +dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en +niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps, +volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte. + + * * * * * + +'t Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte +van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken +waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar +troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten, +dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had, +dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier... + +--Watte? Watte? Wat ès er mee?" gilden de menschen, trillend van +ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het +ware uit den mond halend. + +--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds +razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide +met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling, +hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en +dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk +niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging +pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren. + +--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!" +brieschte hij. + +'t Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met +hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem +opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar +de Stier vertoonde zich niet. + +--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en +'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te lóan en +te verhuizen?" + +Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond +aan om zijn goed naar buiten te sjouwen. + +--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte +zijn deur ruw openstampend. + +De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een +kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden +in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier +bleef onzichtbaar. + +Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige +straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje +opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw, +reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee +weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken +elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden +zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich +eindelijk vertoonen zou. + +Maar de Stier was en bleef onzichtbaar... + +Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en +pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog +eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat +alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was +afgeloopen. + +--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden +de menschen. + + * * * * * + +Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden +gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer +gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in +zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke +lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare +klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds +onveranderlijk hetzelfde: + +--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand +zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint." + +Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel +beter... + +'t Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_ +doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den +nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier, +niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een +avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het +huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht. + +Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die +haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en +vermagerd vond, vroeg enkel: + +--Hoe goat 't er mee?" + +En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met +ietwat matte, trieste stem: + +--O nog al goed; en mee ou? + +--O, euk nog al goed. + +Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen +enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig +om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam +sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op. + +--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof. + +--'K 'n hè nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as +'n potse káffee drijnken. + +Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden +ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar +kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met +strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en +stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat. + +--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of +snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos. + +--'t Hè passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den +achternoen hè 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud +doen dekken, antwoordde zij. + +--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het +in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets +meer van den vreemden indringer die weggeloopen was. + +Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan, +genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op +zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij +was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en +onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine +oogjes slaperig half open. + +--Wat dijnkt ou? Zoên we nie goan sloapen? stelde hij voor. + +--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij. + +Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de +voordeur dicht te doen. + +Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders +dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Eén hing er in +haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt. + +--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd. + +--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij. + +Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen +aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap, +naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van +'t stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote +schaduwen over de witte muren. + +Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de +hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij +met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had +aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en +zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn +deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte. + +--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte +stem. + +Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op +'t smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles +plotseling heel stil en donker. + +Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke +vlokken... + + + +VII. +BEROUW. + +Dit is 'n héél zware en droeve obsessie geweest... + +'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts, +niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis. +Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in +vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil, +treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de +vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den +blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede +heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles +vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid! + +Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid, +de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede +zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen, +zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de +vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de +wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden +rythmus, halend open... + +Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en +luikjes open; één met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide +kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de +luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met +dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als +omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien +kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt. + +In dat huisje is een doode. + + * * * * * + +Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend. +Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets +valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een héél slechte +reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard, +een vechter en bijna een moordenaar. + +Die kwade naam was verdiend. Hij wàs lui, +hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij +wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon, +stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel +van kwaad tot erger. Nu moèst hij wel van roof en diefstal leven, +want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen +hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte +dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het +dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette +zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad +betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen +hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er +nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was +sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de +mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur +had hij in de gevangenis gezeten. + +Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die +'s avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand, +geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde +uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders. + +Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche +dorp verademde en juichte: + +"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!" + +Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot +tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals +hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er +bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van +bijna naïeve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor +deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden: + +--'K hè mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen." + +De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien +avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn +lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt; +hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook +trouwens midden in den nacht gepleegd. Wáár had hij dien nacht dan +verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan. + +--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen hè!" herhaalde Jules +een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur +behoorde. + +Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur +ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld +werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de +gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette +dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om +met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in +schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins +bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn +brood wenscht te komen. Wáárom sliep hij als een vagebond in de +schuren? vroegen de gendarmen. + +--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde +Jules. + +De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier +van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen +zoo redeneerde! + +--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met +nadruk. + +--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen. + +--Joa ik," zei Jules. + +--Woar es 't?" + +--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons +huizeken van t' huren." + +Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar +honderd frank in mooie zilverstukken. + +Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in +bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld +hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd. + +--'t Es hem! 't ês hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders +gedreiën, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!" + +--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede. + +--'t Es hem! 't ês hem!" herhaalde de boer met onverstoorde +overtuiging. + +--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules. + +De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun +overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules wàs een der daders en +proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt. + + * * * * * + +Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte +rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij +zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de +boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen +huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en +trouwden. + +Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de +correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem +aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou +hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig +had? + +Vóór de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele +beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken +nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het +allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten +te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen +berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken +leven leidde. + +--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hên?" vroeg +de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik +te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat +achtten. + +Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde +beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een +jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden. + +Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf. + + * * * * * + +Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan +Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden +onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam +op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met +de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw +met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was. + +--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje, +dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de +gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang, +verrukt aanstaren. + +--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem. + +--Jules... Julken," snikte zij. + +--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van +het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte... + + * * * * * + +Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte +gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche +rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre, +verre gedachten. + +--'t Kot hè hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij hè bereiw, +hij es broave geworden." + + * * * * * + +Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn +geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde +sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen +gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek +met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware +een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren +klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij +uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin, +scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang, +hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe +het met hem was. + +Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had +hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar +eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond +daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen +den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze, +verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er +onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats. + +--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat +gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze +gevroagd worden?" + +Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder +in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan +doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat +hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie +van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zoovéél dat +hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij +het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vól met van die lange, smalle, +witte kisten onder 't groene gras. + +--Ge ziè wel da ze gevroagd worden; da wordt àltijd gevroagd," was +eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord. + +En meer was er niet uit te krijgen... + + * * * * * + +... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het +groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de +grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan +het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den +drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden +en zilveren franjes vóór de dichte, groene luikjes... + +Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam +uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat +hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil +verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen +de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een +van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op +voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog +altijd meer moest timmeren... + +Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge +vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het +stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met +uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt +'t kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in +zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve +duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank, +geen zucht, geen adem komt naar buiten. + +Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde +velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De +groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder +lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar +stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en +puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte +wolkjes... + + + +VIII. +PEETJE PRUIS. + +In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en +Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in +Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur. +Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen +hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen, +en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer. + +Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de +Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen +van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich +Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze +geïllustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: diè +welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek +eenigszins op Bismarck; dàt oud, gebogen ventje uit het +Armenhuis op Moltke, diè handelsreiziger, die om de zooveel weken +met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo +was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning +Wilhelm. + +Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp, +met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het +nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met +gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze +persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere +kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het +ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge, +donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als +sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte +zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en +fluweelzacht-golvende gazons. + +Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet +bizonderen naam van Amédé Fruytier. Hij hield van lekker eten en +drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las +iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten. + +Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke +opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel +precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was +er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en +buiten alle partijen stond. + +--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend, +als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en +zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis +op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en +veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen." + +Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets +goed-ruws hebben. Hij dééd dan wel heel barsch en sprak wel heel +kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te +verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig +ijdel! + + * * * * * + +Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij +gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wèl de moeite +waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n +volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop +gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn +vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de +rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun, +uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten +voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer, +Louis Napoléon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders +worden, zoodra die zelf het heft in handen nam! + +Hij prononceerde: "Lowie Napoléon" en hij sprak over den Franschen +Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende. +Lowie Napoléon zou dit, Lowie Napoléon zou dàt; Lowie Napoléon had +zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer +Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel +enkele bevoorrechten behoorde. + +Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Wörth, +Froeschwiller; en onze geïllustreerde bladen, die eerst niets dan +Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag +meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en +de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend. + +Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke +kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van +den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en +toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde +en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zóó treffend, dat +hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij +kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen, +streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en +vroeg: + +--Zie-je gien gelijkenesse?" + +--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd, +door het evenbeeld getroffen. + +En mevrouw werd er haast bang onder. + +--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij. + +--Watte!... Wa zoên ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte +achteroverhellend. + +--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met +verschrikte oogen. + +--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten +lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend. + + + * * * * * + +Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone +"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten +Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn +vrienden, haalde 't geïllustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn +zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het +konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind: + +--Hm! Hè-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt +ge 't?" + +--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich +de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht +vergelijkend. + +--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van +trots en pret. + +Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun +liet zien wat onderaan stond: + +Willem I, Koning van Pruisen. + +--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de +vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie +dreupels woater! Scheirt ouën board op ouë kinne wig en iederien zal +mienen dat ge Peetje Pruis zijt!" + + * * * * * + +Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers +buitenlandsch-politieke gevoelens. + +Zonder bepaald op Lowie Napoléon af te geven, die zeer zeker een +beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten +invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te +mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde +niet lang of de sympathieën van meneer Fruytier en met de zijne ook +die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van +het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij +aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij +grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn +voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op +familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over +de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij +weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoléon +gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom +verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn +houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en +stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook +of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl +integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden +merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend: + +--Verdeeke! menier Fruytier, ouën board valt uit op ouë kinne. Nou +wordt-e percies Peetje Pruis!" + +--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid +gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in +'t dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij +wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het +deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht +erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen. + +--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hên." raadden +zijn vrienden hem aan. + +Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op +een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin +in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem +na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie" +beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren, +en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg +verdwijnen. + +--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde +huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte. + +Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het +ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn, +ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor. + +--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hên Lowie Napoléon vaste? _We_ 'n moén +nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt +Parijs in onz' handen"... + +O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!... +'t Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de +koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde! + +De sensationeele berichten zwollen tot de +proporties van een algemeene wereldramp, die ook óns zou komen +aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen +het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen +dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de +dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak +van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te +bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had, +maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien. + + * * * * * + +Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij +kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in +de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij +zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede: + +--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!" + +--Och Hier och God! dàt 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en +dochter ontsteld overeind. + +--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een +beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken. + +Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich +smeekend, snikkend aan zijn kleeren. + +--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze +goan ou ginter deudschieten!" + +--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij. + +--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou +b'lieft!" + +--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en +vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!" + +--O, wacht te minsten nog nen dag of twieë, nog ienen dag! nog nen +halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen +uchtijnk, tot da we gelezen hén wat dat er in de gazet over +geschreven stoat!" + +Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste +overhalen.--Goed. Hij zòù wachten tot den volgenden ochtend. Maar +zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste +nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en +bleef onherroepelijk; hij móèst, hij wilde er naartoe. Hij had het +plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd. + +Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te +pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer +van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag. + + * * * * * + +Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind, +met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld. + +Reeds vóór het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw +en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op +hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende +aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn +brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anaïs, de +dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar +de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar, +met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te +doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij +geen toebereidselen tot vertrek maken. + +Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was, +het volgende sensationeel bericht: + +"Duizenden en duizenden soldaten van het +"Fransche leger komen onophoudelijk over de +"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond +"en allen verkeeren in een allerdroevigsten +"toestand van uitputting en ellende. Zij worden +"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk, +"per spoorweg, naar verschillende plaatsen +"van het land gedirigeerd. Gisteren avond +"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik, +"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee +"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden +"er ook twee naar Gent gestuurd, waar +"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den +"namiddag zullen aankomen." + +Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval: + +--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij. + +Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw +strak-roerloos al over zijn brilglazen aan. + +--En mijn reize noar Sedan?" zei hij. + +--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur +troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw +Fruytier. + +Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen. + +--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da +euk wille zien," drong zij aan. + +"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps +opgewonden overeind staande. + + * * * * * + +'t Was als een kermisdag in Gent... + +Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle +gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de +aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan. + +Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er +omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was +overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een +betrekkelijke orde te handhaven. + +Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter, +elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas +geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten +gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover. +Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme +sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder +op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en +'t maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat +voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich +gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet +hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem +verhinderd hadden naar Sedan te gaan. + +--Wa ès da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!" +bromde hij. + +--'n Beetse passiëncie, man, 'n beetse passiëncie, Pa, smeekten +vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende +menigte bijna stikten. + +Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte. + +Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel +der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard +voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels +rechts en links omlijst. + +De Fransche krijgsgevangenen!... + +Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend +rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie, +met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op +'t stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en +machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen. + +Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere, +hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren, +ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen +was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten +hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de +bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw +geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband +gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe +kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een +lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte +oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als +een lijk. + +De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte +van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste +van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die +welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu +eindelijk van héél dichtbij, Dàt waar ze maanden van gedroomd en +zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dàt was +er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door +bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten +waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood +werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid, +'t was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche +Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel +opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de +aarde weer in puin stortte. + +--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw +Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend. + +--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En +eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet +goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem +stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te +snikken als een kind... + + * * * * * + +Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard. +Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding +was gedweeër, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve +autoriteit. + +Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer... + + + +IX. +VAN TOEKOMST EN VERLEDEN. + +Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan +Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong +koewachterken denk... + +'t Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was +ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche, +groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden +boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen +prachttooi. + +Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poëtisch verscholen, +met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het +groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met +een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine, +groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat. + +Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met +haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder. + +Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch +poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met +fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen +heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en +zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode +lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken +moest.--Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een +guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder +soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd" +zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe +en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt +door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend +om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem +gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke +liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat +alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde +ze hem soms. + + * * * * * + +'t Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes +neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal +frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden. +Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de +verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene +gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de +overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En +'t was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo +liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feërie van +licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond. + + * * * * * + +Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden +woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om +nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van +'t boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg +of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op +en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te +krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar +ongeëvenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een +beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en +oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was. + +Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den +lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje +binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond +er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn +eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke +netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de +versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers +blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardsteê, +onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje, +reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste +kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte, +schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar +schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar +elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar +als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere; +en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in +afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden. +Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van +Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt +werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom +van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine +eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in +het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak +scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met +grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig +denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die +midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had +staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen +een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn +verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige +vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven +een héél zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het +rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende +lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten... + + + * * * * * + +Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die +omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar +ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande +deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar. + +Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij, +met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich. + +Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe. + +--Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou +leven gezien 'n hét?" fluistert zij met een vreemde, half lachende. +half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch +gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En +schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur. + +Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn +oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen. +zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder +een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept. + +--Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd. + +--Stt!" sist ze, met den vinger vóór den mond. En zacht duwt ze mij +half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren. + +Het duurt een poosje vóór ik in die grauwe schemering iets +duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar +door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren +licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik: + +In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op +die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend, +stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong +kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt +en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van +toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide +rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren, +dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in +wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet +begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan. + +--Da ès iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze +toe en gilt ze 't verontwaardigd uit: + +--Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschiën!" + +Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje +zich om, staat daar even sidderend vóór ons, met zijn mes in de hand. +Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem +'t mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een +kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele +sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en +paarsrood van wilde inspanning. + +--Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden. +"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as +'t nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala, +leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen +nie mier!" + +Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep +om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten. + +Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en +mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch +nog eens eventjes goed opnemen, vóór ik haar verder over dat gekke +gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar +wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar +voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi +rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en +inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar +schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige, +bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo +verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te +krijgen. + +--Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie +vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk. + +Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die +kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd +geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter, +van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden +zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna +handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij +koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er +dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te +gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu +'n sloeberken, doar 'n hè-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter; +ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur +zijn wirk w'hán hem al wel honder kiers wiggezonden..." + + * * * * * + +Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn +eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de +hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al +lang geleden...! + +Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo +heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weêrgezien. Wat is er +geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van +'t vechtlustig Feelken... ik weet het niet!--Zoo nu en dan, in den +loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het +verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag, +vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche +vlammetjes in 't eenzaam haardje, vóór mijn geest opglansde en als +een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,--hoe of waarom juist +gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er +eenige aanleiding toe--gisteren kwam het zich eensklaps met de +kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de +oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen +van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn +geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik móést er heen. + + * * * * * + +'t Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.--De +wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende +moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze +waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast +scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome +benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht +zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes +voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend +als van weemoedig, heimweeïg verlangen, in hun haastige, haastige +vlucht naar mildere oorden. + +Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de +sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en +als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd +roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het +winterdoodsche boomgaardje, kom vóór het groen, half open +boogdeurtje. + +--Gien belet?' + +--Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem. + +--Dag Zieneken!..." + +Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een +heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een +vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite +raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend, +vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel +roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan. +Blijkbaar herkent ze mij niet. + +--Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne +komen om mijn puipken t' onsteken?" + +--Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide +handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en +blozende wangen, komt ze naar mij toe: + +--O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend +hèn!" + +En wij praten over het verleden... + +Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder +van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet +komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten +zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar +oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en +zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.--Moar zet ou, +meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie; +'k hè al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons +allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n +dreupelke pakken...?" + +Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeïge emotie. Ik voel ineens +den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is +in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met +links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt +werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen +melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange, +bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken +aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog, +waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf +zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde +gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte +haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds +levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo +schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten +onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van +mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger +verloren. De jaren, de zorgen, en àl die kinderen hebben hun +vernielingswerk aan haar verricht. + +Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend +over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik +weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en +zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering +van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven, +somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een +beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poëzie +en lente? + +Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou. + +--En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee +zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es +'t zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde? + +--Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es +'t broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den +boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..." + +En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de +wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar. +beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande +staldeur verdween. + +Feelken!... O, was dàt het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo +oud, zoo afgeleefd, versleten...! + +--'t Veintsjen hè zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei +Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en +allien achtergebleven met drei kleine kinders..." + +Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje +datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine +koewachter, met messen wilde vechten? + +--O nien, nien 't," zei Zieneken; de dieë was al lank vergeten. + +'t Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling +geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje. +Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren +voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, héél +oude vreemdeling geworden...! + +Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren +ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het +achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even +likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand. + +Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in +verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar +spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een +heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje +zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige +eenzaamheid van het verlaten keukentje... + + * * * * * + +'t Is uit... ik voel dat het voor àltijd uit is en dat ik nooit op +het aardig boerderijtje meer terug zal komen... + +Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen +schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje +oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,... +twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen +en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt +elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is +mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes +zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs +den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van +bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige +verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong +koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering +van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen +te bewaren... + + + +EINDE. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE *** + +***** This file should be named 18069-8.txt or 18069-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/6/18069/ + +Produced by Johan Boelaert + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/18069-8.zip b/18069-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba95262 --- /dev/null +++ b/18069-8.zip diff --git a/18069-h.zip b/18069-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5f27e91 --- /dev/null +++ b/18069-h.zip diff --git a/18069-h/18069-h.htm b/18069-h/18069-h.htm new file mode 100644 index 0000000..4b794ab --- /dev/null +++ b/18069-h/18069-h.htm @@ -0,0 +1,5548 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" + "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> + +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml"> + <head> + <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" /> + <title> + The Project Gutenberg eBook of Lente, by AUTHOR. + </title> + <style type="text/css"> +/*<![CDATA[ XML blockout */ +<!-- + p { margin-top: .75em; + text-align: justify; + margin-bottom: .75em; + } + h1,h2,h3,h4,h5,h6 { + text-align: center; /* all headings centered */ + clear: both; + } + hr { width: 33%; + margin-top: 2em; + margin-bottom: 2em; + margin-left: auto; + margin-right: auto; + clear: both; + } + + table {margin-left: auto; margin-right: auto;} + + body{margin-left: 10%; + margin-right: 10%; + } + + .pagenum { /* uncomment the next line for invisible page numbers */ + /* visibility: hidden; */ + position: absolute; + left: 92%; + font-size: smaller; + text-align: right; + } /* page numbers */ + + .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */ + .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;} + .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em; + padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em; + float: right; clear: right; margin-top: 1em; + font-size: smaller; color: black; background: #eeeeee; border: dashed 1px;} + + .bb {border-bottom: solid 2px;} + .bl {border-left: solid 2px;} + .bt {border-top: solid 2px;} + .br {border-right: solid 2px;} + .bbox {border: solid 2px;} + + .center {text-align: center;} + .smcap {font-variant: small-caps;} + .u {text-decoration: underline;} + + .caption {font-weight: bold;} + + .figcenter {margin: auto; text-align: center;} + + .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top: + 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;} + + .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em; + margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;} + + .footnotes {border: dashed 1px;} + .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;} + .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;} + .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;} + + .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;} + .poem br {display: none;} + .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;} + .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;} + // --> + /* XML end ]]>*/ + </style> + </head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Lente + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: March 29, 2006 [EBook #18069] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE *** + + + + +Produced by Johan Boelaert + + + + + +</pre> + + +<h1>LENTE</h1> + + <h1>Cyriel Buysse</h1> + + <h1>1907</h1> + + <h2 style="text-align: left">INHOUD.</h2> + + <p><a href="#LENTE.">LENTE.</a></p> + + <p><a href="#OBSESSIES.">OBSESSIES.</a></p> + + <p><a href="#I._HET_BEZOEK_VAN_ENGEL_GABRIEL_OP_AARDE._">I. Het + bezoek van engel Gabriël op aarde.</a><br /> + <a href="#II._HET_HONDJE._">II. Het hondje.</a><br /> + <a href="#III._HET_SLECHT_VIJFFRANKSTUK._">III. Het slecht + vijffrankstuk</a><br /> + <a href="#IV._DEN_BINDER._">IV. "Den Binder"</a><br /> + <a href="#V._RESTITUTIE._">V. Restitutie.</a><br /> + <a href="#VI._DE_STIER._">VI. De Stier.</a><br /> + <a href="#VII._BEROUW._">VII. Berouw.</a><br /> + <a href="#VIII._PEETJE_PRUIS._">VIII. Peetje Pruis.</a><br /> + <a href="#IX._VAN_TOEKOMST_EN_VERLEDEN._">IX. Van toekomst en + verleden.</a></p> + <hr style='width: 45%;' /> + + <h3><a name="LENTE." + id="LENTE.">LENTE.</a></h3> + +<p>Tante Zeunia lag op sterven...</p> + +<p>Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken +en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar +beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef +tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand.</p> + +<p>—'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog +eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in +zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder +haar nog eens te zien.</p> + +<p>—Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien +voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al +haar grillen te voldoen.</p> + +<p>—Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht.</p> + +<p>En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog +dienzelfden avond zouden schrijven.</p> + +<p>Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te +Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was +Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds +lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen +tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had +gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder +gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer +verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden.</p> + +<p>Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging, +Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en +verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld, +het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij +haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven +suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer +toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts.</p> + +<p>—Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje.</p> + +<p>—Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien.</p> + +<p>—Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje.</p> + +<p>—Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille +wij moete schrijven, e-woar?"</p> + +<p>Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder +verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken +bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar +steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat +achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had +gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen! +Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte +vraag van zijn jongeren broeder:</p> + +<p>—Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te +doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien +keunen ontirven."</p> + +<p>—Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerdúle over spreken," +raadde Standje.</p> + +<p>Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden +den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder +omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint, +achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden +neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden +glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging, +en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de +illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet.</p> + +<p>Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij +was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat +gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst. +Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur +was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een +vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een +seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen +stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn +dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo +keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel +vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der +vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen +boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der +hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem +daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen +verwerven.</p> + +<p>Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar +zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en +beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge +schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte +en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe +oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een +glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij +hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens +uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren. +Belzemien, en ook zijn zuster Cordúla, die het huishouden deed en +nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke +zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij +zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst +op 't boerderijtje niet gehuurd.</p> + +<p>De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg +gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte +geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht +der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder +beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als +het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van +boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar +nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke +sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht +als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder +zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig, +schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes, +volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag, +grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden +boomgaard van hun boerderijtje.</p> + +<p>Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend +goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en +glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even +verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide +stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun +wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche +lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde +broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog +van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen +Cordúla, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws.</p> + +<p>Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels +van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur +geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin +Cordúla reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje +gevolgd.</p> + +<p>—Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid, +de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd.</p> + +<p>—Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met +een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in +den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en +ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante.</p> + +<p>Coben en Cordúla luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard, +met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn +langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen +broer opvangend. Cordúla, vier jaar jonger dan Belzemien, had een +beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond, +groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar, +dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte +kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders +droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een +zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin +verkleurd was. Cordúla, mager en gebogen, met smalle, ingevallen +borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit. +Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met +haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar +van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in +dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn +steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus +scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het +stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en +stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid +verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of +meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van +laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en +een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op +den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van +Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde +knechts der hoeve waren.</p> + +<p>—Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep +wenkbrauw-fronsend Cordúla, toen Belzemien ten slotte het nogmaals +herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt.</p> + +<p>—Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje.</p> + +<p>Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof +hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep.</p> + +<p>—Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna +agressieven toon.</p> + +<p>Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?—Alles zou er van +afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van +den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou +ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk +niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval +mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst +niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot +gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden, +haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar +deel,—dat van haar overleden moeder—mocht en zou ze hebben, maar +ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen!</p> + +<p>—Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n +dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte +mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op +Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong +nichtje nu volstrekt te willen zien.</p> + +<p>Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren +zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest +ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar +de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag, +en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cordúla's groengeverfd +werktafeltje.</p> + +<p>—Hoe lank es da nou geleên dat Leontine hier mee heur ieste +communie geweest hêt?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e +gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch +schrijve?"</p> + +<p>Hoe lang...? Cordúla telde even op haar vingers na en wist het +dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd +sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was +toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met +Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal +nog zou kennen.</p> + +<p>Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar +toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een +groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens +Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en +aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief +in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, hè?... hoe +dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven?</p> + +<p>Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes +aan; en zonder notitie te nemen van Cordúla's nurksch gebrom en +Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje, +die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon:</p> + +<p>"Ma chère nièce Léontine. +"J'ai l'honeur de vous informé que...</p> + +<p>Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest +vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij +zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had, +hakte hij maar terstond de moeilijkheid door:</p> + +<p>"... que tante Zeunia est trè malade en danger +"de mort et quel ma charger de vous écrire +"quel désir de vous voir avant de mourir. +"Venez donc directement comme possible +"et écriver par quel train. Onkel..."</p> + + +<p>Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen:</p> + +<p>—As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen. +Wie dan van ulder hêt er...?"</p> + +<p>—Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei +Standje met een soort van haast.</p> + +<p>En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door +'t venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde +verder.</p> + +<p>"... Onkel Constant seront avec le tilbury et +"cheval a la station pour vous atandre."</p> + +<p>—Mee den tieprie, nog al! Woarveuren dà, verdeeke! Hè ze zij gien +bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den +tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cordúla +nijdig in.</p> + +<p>Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook +iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig +sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend +gezagvoerend:</p> + +<p>—'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn. +En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?"</p> + +<p>Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong +koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie +broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje +op hun boerderij wel zouden doen. Cordúla's meening klonk kortaf en +categorisch:</p> + +<p>—Niets bezonders. Ze zal 't hier hén lijk of we 't zelf hén; en es +ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!"</p> + +<p>Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander +aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor +Cordúla en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren.</p> + +<p>—Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij +veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering +zijner kleine oogjes.</p> + +<p>—Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk +'t kort-afdoende antwoord.</p> + +<p>Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje +keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch +leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de +gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou +nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen?</p> + +<p>—Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cordúla uitdagend. +"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie +mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot +zijn!"</p> + +<p>De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht. +Cordúla was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje +nog even de vraag:</p> + +<p>—En woar moe ze sloapen?"</p> + +<p>—Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde."</p> + +<p>—O! niet in de beste koamer!"</p> + +<p>Cordúla keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde +oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En +plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie:</p> + +<p>—Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe +komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in +moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?"</p> + +<p>De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cordúla in haar kwade +buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet +tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog +wel.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de +boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's +antwoord.</p> + +<p>Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het +velletje papier er uit, ontvouwde dit en las:</p> + +<p>"Beminde nonkels en tante, +"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord +"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de +"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat +"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij +"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei +"met de train die om zes uur in de station van +"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog +"wel heel goed en hoop u te vind in goed +"gezonteit. +"UW bemint nichtje +LEONTINE."</p> + +<p>—Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog +'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het +eigenaardig briefje. Maar Cordúla spotlachte smalend om dat +onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend, +het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende +oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit, +terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog:</p> + +<p>—O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van +die goeje ziepe!"</p> + +<p>Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus.</p> + +<p>—'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne, +goeriekende ziepe."</p> + +<p>Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling +zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze +'t insgelijks Cordúla trachtten te doen ruiken, trok deze zich met +een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend:</p> + +<p>—O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd? +Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die +P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen. +'K zal 't in de beke smijten!"</p> + +<p>De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken +oogslag met elkander wisselen. Cordúla kon nog eens gevaarlijk +worden in haar onweersbuien.</p> + +<p>Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen +en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich:</p> + +<p>—Hè, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze" +trekken."</p> + +<p>Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde +Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder +een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury.</p> + +<p>—Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje.</p> + +<p>Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een +zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond, +die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen.</p> + +<p>—Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje.</p> + +<p>De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn +hok terug.</p> + +<p>—En nou de kerre," zei Standje.</p> + +<p>Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af +en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere +vensterramen van het woonhuis toe.</p> + +<p>De kar werd stil op zij geduwd.</p> + +<p>Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de +verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend, +kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het +erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas +geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd.</p> + +<p>—Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte +hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend.</p> + +<p>—Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of +'t harnas van den tieprie in order es."</p> + +<p>—Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij +goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van +ulder peuten scheiren, zegt hij."</p> + +<p>—Ah, c'est ça, c'est ça," glimlachte Standje tevreden.</p> + +<p>Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een +nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis, +zei, bijna fluisterend, tot Pierken:</p> + +<p>—Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen +achter de muur van de loeze."</p> + +<p>Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de +achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!... +juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op +'t zelfde oogenblik Cordúla op den drempel van het woonhuis staan.</p> + +<p>—Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij +desnoods tot scherpen tegenstand bereid.</p> + +<p>Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte +Cordúla geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het +rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet +zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde +zij naar de stallen toe:</p> + +<p>—Hé! Leenie! Leenie!"</p> + +<p>Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de +haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met +opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder +opgestropte mouwen.</p> + +<p>—Wa es er, bezinne?" riep zij.</p> + +<p>—Hé-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cordúla.</p> + +<p>—Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid.</p> + +<p>—Hawel, as ge gedoan hêt komt in huis om mij 't helpen schuren!"</p> + +<p>Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat? +schuren op een woensdag! Hè... zou zelfs Cordúla, ter eere van de +komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide +met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van +onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het +kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor +gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was +schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend +gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar +wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het +wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende +klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!" +suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige +opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te +spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen, +grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden +geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje +wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje.</p> + +<p>Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten +van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne, +strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch +belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij +van het wachthuisje staan.</p> + +<p>—Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie +bij den breidel vasthoudend.</p> + +<p>Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een +enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht +voor 't kleine station gereden.</p> + +<p>—Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds +dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende +manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd +omwendde.</p> + +<p>De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen +uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar.</p> + +<p>—Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij +haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar +plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier, +een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een +grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig +frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende +oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend +schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje +van verre riep:</p> + +<p>—Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!"</p> + +<p>—Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand +tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde, +een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging, +en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd +onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn +harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde:</p> + +<p>—Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee +ou?"</p> + +<p>—Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje, +geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat +begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan +met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo +mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en +ontroerd door haar gansche verschijning.</p> + +<p>—Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es +'t thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.—En dan weer +angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou +hou, Bello, hou hou...!"—Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn +peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar +hier, 'k zal 't onder de bank steken."</p> + +<p>Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte +zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de +stille straten van het kleine plaatsje.</p> + +<p>—En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag.</p> + +<p>—O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie +niet meer wetend wat hij zei.</p> + +<p>—Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje +hem diep verbaasd aan.</p> + +<p>—Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde +Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur +es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?"</p> + +<p>—Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur +vandoag nog keune zien, nonkel?"</p> + +<p>—Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r +mee ou noartoe goan."</p> + +<p>Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordúla ging, en +met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar +aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en +verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den +indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de +handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo +fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming, +dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit +haar briefje opgesnoven had.</p> + +<p>Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de +houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve, +stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom +strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar +voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen +donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en +hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken, +frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne, +tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als +eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote +boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en +in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden +eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken.</p> + +<p>—O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't +jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal +rondkijkend.</p> + +<p>—E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen. +"'n Greut verschil mee P'rijs, he?"</p> + +<p>—O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde +zij glimlachend.</p> + +<p>De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en +lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het +zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde, +slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke +eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij +vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels, +zingend zaten neergestreken.</p> + +<p>—O, qu'est-ce que c'est que ça, mon oncle?" riep zij met een zoo +opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde +en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou, +Bello! moest laten hooren.</p> + +<p>—Ça, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord +niet dadelijk vindend.</p> + +<p>—Oh! Et que font-elles?</p> + +<p>—Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer, +opnieuw om zijn raar taaltje lachend.</p> + +<p>—Comme ça, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd.</p> + +<p>—Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje.</p> + +<p>—Et ça ne leur fait pas mal? Ça ne pique pas?"</p> + +<p>—Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hên, e-woar? Ze +zijngen..."</p> + +<p>De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig +kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat +deze maar half begreep.</p> + +<p>—Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig.</p> + +<p>—Que vous êtes une zolie fille!" schertste hij, haar met +glinsterende oogen aankijkend.</p> + +<p>—Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend.</p> + +<p>Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en +breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen +juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in +een wagenspoor bijna omkantelde:</p> + +<p>—O mon oncle! mon oncle! Wat es dàt toch!"</p> + +<p>'t Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den +blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde +onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van +duizend-en-duizenden zoemende bijen.</p> + +<p>—Dàtte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend +keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend.</p> + +<p>—O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij +nen bouquet van mee nemen!"</p> + +<p>—Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen +seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien +nie geirn hen, as 't hij moest zien..."</p> + +<p>—Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij.</p> + +<p>'t Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte +uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor +den boer, naar de groote hoeve omkeek.</p> + +<p>—Hmm! Hmm! comme ça sent bon!" juichte zij, met volle armen +plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan +'t schermen, met haar beide handen.</p> + +<p>—Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke +worden!"</p> + +<p>Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij, +overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch +gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden +schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar +de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen +de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds +zichtbaar werden.</p> + +<p>—Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje.</p> + +<p>—'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps +jubelde ze 't uit:</p> + +<p>—O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen! +La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas? +Oh! comme elle est gentille!"</p> + +<p>—Owie—owie... çé ça!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig +dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond.</p> + +<p>—En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?"</p> + +<p>—Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je +wel, dat toreken."</p> + +<p>—Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A +présent je me rappelle tout à fait et je reconnais encore le petit +clocher. C'est là que j'ai fait ma première communion!"</p> + +<p>—Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje.</p> + +<p>Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over +'t steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over +den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van +'t woonhuis stil.</p> + +<p>—Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En +zij viel in de armen der verbouwereerde Cordúla, die op den drempel +was verschenen.—Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen +ook van den verbluften Belzemien.—Bonjour, mon oncle Coben!"... +En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben.</p> + +<p>Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en +blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van +gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te +zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast +door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet +minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan +'t wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank +overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en +zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook +Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard +naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand, +keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordúla, als om +haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven +moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige +voute-kamer naast haar te doen slapen.</p> + +<p>—O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig +het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met +gouden letters uit en bood dien Cordúla aan.</p> + +<p>—As 't ou blieft, tante, 'k hê da uit Parijs veur ou mee gebrocht."</p> + +<p>—Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een +plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak +openend.—Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar, +kijkt toch ne kier hoe veele."</p> + +<p>—Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend, +Leontientje.</p> + +<p>Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordúla; gulzig proevend.</p> + +<p>Het was een voile zak pralines, en Cordúla presenteerde er nu ook +van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met +aarzelende vingers zich bedienden.</p> + +<p>Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordúla vermurwd, en, het +valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag:</p> + +<p>—W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster! +Alhier zeker, e-woar?"</p> + +<p>En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe.</p> + +<p>Cordúla scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar +groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al +vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil: +'t hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg, +haastig in haar verbluftheid stotterend:</p> + +<p>—Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier +moete zien of er niets 'n mankeert."</p> + +<p>Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het +valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel +neer, kwam er weer uit terwijl Cordúla met 't nichtje binnentrad, +en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de +keuken op, stil juichend:</p> + +<p>—Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of +'t zijn moet!"</p> + +<p>Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben +en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt, +zenuwachtig opgewonden:</p> + +<p>—Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie +meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de +koeier te doen eten."</p> + +<p>—Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdúle +gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da +niet meugelijk 'n es."</p> + +<p>—Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan +zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang +was den knecht en de meid te beleedigen.</p> + +<p>—Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel +miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig.</p> + +<p>—Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm +mee de zuster over klappen."</p> + +<p>Cordúla en Leontientje kwamen terug in de keuken.</p> + +<p>—Wa goa-je gij eten, Leontine? G-hêt zeker wel honger noar die +lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien.</p> + +<p>—Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei +Leontientje.</p> + +<p>Bezorgd keken de broeders naar Cordúla op. Haast iederen avond aten +zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen +smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij +vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou?</p> + +<p>—Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling, +angstig omdat Cordúla nog niet dadelijk op de kwestie inging.</p> + +<p>—O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee +nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es +'t bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje.</p> + +<p>—Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte +dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de +maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een +schuw-schichtigen blik op Cordúla, die maar aldoor stom en stug en +roerloos stond te luisteren:</p> + +<p>—Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om +bier goan?"</p> + +<p>Plotseling slaakte Leontientje een kreet:</p> + +<p>—O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch +al mijn scheune blommen!"</p> + +<p>—Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa, +'t es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal +z' ou goan hoalen!"</p> + +<p>Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong +veulen naar de "loeze".</p> + +<p>In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat.</p> + +<p>—Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid, +"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie +zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet +geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen +goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden."</p> + +<p>—Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordúla +verontwaardigd.</p> + +<p>—'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moên iest en +veural onz' iere koavelen."</p> + +<p>Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen.</p> + +<p>—Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch +en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie +genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!" +krijschte Cordúla.</p> + +<p>—Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld +afhouden!" riep Standje grootmoedig.</p> + +<p>—Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordúla, meteen zich +overwonnen gevend. "Hè-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen +'n keunijnksdochter in huis!"</p> + +<p>De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden, +lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordúla voorspelde nijdig erge +ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en +geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet +schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje, +roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan +toevoegen:</p> + +<p>—Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan +ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen +spoaren as 't geld op es!"</p> + +<p>Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht +half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen.</p> + +<p>—Wa hè ze zij doar!" riep Cordúla nurksch verbaasd.</p> + +<p>—O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hên ze lang de wig getrokken!" +juichte 't meisje.</p> + +<p>—Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde +Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat +Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als +Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht +vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu +fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van +dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, çe +du colza, ma nièce." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch +mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordúla beweerde knorrig dat +die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en +ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't +zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje +een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste +kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er +nog tijd was vóór den eten om eens even rond de boerderij te gaan.</p> + +<p>De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille, +mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordúla bleef brommig in +huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten, +putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie, +liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had +hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig +blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij, +in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte +goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken, +pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van +hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde +lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden +in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en +roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een +wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant.</p> + +<p>—Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij +haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide +met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps +werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en +las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een +kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas? +Tante Cordúla ne sera pas fâchée, n'est-ce pas?" terwijl de drie, +oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk +oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun +zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze +schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig +afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordúla er nog niets van en +Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier +Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon +komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje, +bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in +'t smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige +verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte +waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche +opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar +in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat +haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten +haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen +waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam; +en eindelijk kwamen zij, door Cordúla voor het avondmaal geroepen, +langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende +appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in +'t water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan...</p> + +<p>Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel +blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de +zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een +laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte +eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier. +Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had +fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer +tevreden. Cordúla zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer, +beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met +kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen +ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en +haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en +weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje +scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben.</p> + +<p>Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over +Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog +steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan +twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en +ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel +werkte.</p> + +<p>—Zeu, zeu, veur ne corsé-wijnkel nog al!" zei Standje, met een +ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen.</p> + +<p>—Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten, +'n hè 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien.</p> + +<p>Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende +handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van +had.</p> + +<p>—En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde +Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn +ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en +kant. 'K hè passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het +azeu aan ouë kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven +honder fran in."</p> + +<p>—Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle +drie de ooms verwonderd uit.</p> + +<p>—Ha, da es zottigheid! viel Cordúla barsch in. Da es geld wigsmijten +of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch +ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed +droagt!"</p> + +<p>—Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't +almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend.</p> + +<p>—O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordúla met van diepe +minachting neertrekkende lippen. "De dieë 'n zijn nievers beschoamd +in!"</p> + +<p>Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets +meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar +frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die +door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol +gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje +keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den +ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde +uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon +gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl +zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het +eitje vestigend, gegeneerd stamelde:</p> + +<p>—Mais mon oncle tout de même... comme vous êtes drôle...!</p> + +<p>Vaag-achterdochtig keek Cordúla met een schuinblik naar hem om; maar +zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de +anderen niet goed begrepen...</p> + +<p>Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen +buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de +knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong +koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch +hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk, +vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht, +donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op +en groette "elk ne goên oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan +de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke +Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks +opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover +Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het +nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de +keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste +vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo +scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar +huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in +verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en +langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij +voor een vuur stond.</p> + +<p>—He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem +spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging +hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van +Bruuntje. Cordúla bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende +pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een +haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote, +houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te +slurpen.</p> + +<p>—Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent +donc à même la terrine, sans assiettes!"</p> + +<p>—Owie, owie, ils ne demandent pas ça. Ça est comme ça comme dans +le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen +glimlach.</p> + +<p>—Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel +overtuiging toe.</p> + +<p>Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch +kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte +hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was +zooals Belzemien en Standje zeiden.</p> + +<p>—Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig.</p> + +<p>En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming, +begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te +praten.</p> + +<p>De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar +'t station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster +ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen +nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten +kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed +mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was +hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij +geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had +zij ook niet eens meer gevraagd.</p> + +<p>—'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre +grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd.</p> + +<p>—Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer +gepraat werd besloten dat Cordúla er den volgenden ochtend met +Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder +bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak +geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar +testament zoude kunnen veranderen.</p> + +<p>Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken, +waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels, +overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna +gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich +somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den +zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordúla's +lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke +schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van +heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje +wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een +avondluchtje scheppen.</p> + +<p>—O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend +opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs +zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordúla, goa-je +gij euk nie ne kier mee?"</p> + +<p>—Moar nien nien ik, en àl die schotels nog te wasschen zijn!" +antwoordde, op half bitsen toon, Cordúla. En tot de dienstmeid:</p> + +<p>—Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan hêt goan we 'r al gauwe +mee beginnen."</p> + +<p>Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid +drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen +en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het +landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen, +onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op. +Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de +feeëriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen +in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de +diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen +witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers +om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde +schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek, +zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van +diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare +aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende +gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote, +donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen.</p> + +<p>—O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier +wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje.</p> + +<p>—Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje.</p> + +<p>—'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien.</p> + +<p>—Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon.</p> + +<p>—Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune +worden?" stotterde Coben.</p> + +<p>Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de +zachte harmonie der geheele poëtische stemming, en Leontientje, tot +de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde:</p> + +<p>—Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?"</p> + +<p>Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig +dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille +landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in +traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets +droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid. +Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der +klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar +even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een +langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte +van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een +verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late +kar voorbij.</p> + +<p>—O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van +'t plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met +als 't ware een zweem van spijt.—Overal lichten, en voituren en +scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?"</p> + +<p>—Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog +eens de broeders.</p> + +<p>Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel +van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms +door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en +wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren +reeds ter ruste. Cordúla stak een nachtkaars aan en opende de deur +van de "beste kamer".</p> + +<p>—Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordúla, die +zich even verbaasd half achteruit trok.</p> + +<p>—Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de +beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het +jeugdig-frisch meisje gezoend.</p> + +<p>—Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde +halfluid en verontwaardigd Cordúla, toen zij in de keuken, bij de +drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een +slecht huis woare!"</p> + +<p>—Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk +nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld.</p> + +<p>Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met +fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen, +onduidelijke klanken stotterend.</p> + +<p>—Slechte menieren, dà zijn 't," bromde Cordúla boos.—"En gulder, +ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da +mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n +mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit +verlied van doage!"</p> + +<p>Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders +af, Cordúla goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar +boven.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Toen Cordúla den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in +het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een +bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter +voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had.</p> + +<p>—Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd +hêt? vroeg Cordúla, zonder evenwel sterk aan te dringen.</p> + +<p>—Niemand, niemand, hêt den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met +stillen nadruk haar woorden.</p> + +<p>Cordúla keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd +gezicht bij zette.</p> + +<p>—Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze +berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de +non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws +zou sturen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>—Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei +gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordúla, met Leontientje +weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde.</p> + +<p>—Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress +van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!"</p> + +<p>—T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge +zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe +dat 't verder afleupt."</p> + +<p>—'t Es da 'k zeu weinig tijd hè," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan +mij zeu lank niet missen."</p> + +<p>Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden +ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder +verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje +verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We +zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren."</p> + +<p>—Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg +pen en papier om aan haar vader te schrijven.</p> + +<p>Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje +haar brief aan 't opstellen was.</p> + +<p>—Wa zoên we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de +oudste broer knipoogend.</p> + +<p>Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had, +krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig +verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat +eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar +probleem.</p> + +<p>—K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa, +wa zoèn we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee +heur uitrijen?"—Standje wist eigenlijk wél 't een en ander, hij +had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben +moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen +vermoede dwarsboomerij vanwege Cordúla. Zwijgend ondervragend keek +hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig, +ondervragend aankeken.</p> + +<p>—'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje +voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur +uitgoan en ien van ulder morgend?"</p> + +<p>—Ba joa, ba joa, we zoên 't meschien azeu keune probeeren," zei +Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?"</p> + +<p>—Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de +stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen.</p> + +<p>—Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij +was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n +beetsen uitrijen."</p> + +<p>—Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben +te hakkelen.</p> + +<p>Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in +opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje +uit het huis kwam:</p> + +<p>—Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den +achternoene nog ne kier op uitrijen!"</p> + +<p>—Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een +hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen.</p> + +<p>Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien.</p> + +<p>Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij +bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en +de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde.</p> + +<p>Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den +buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den +boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in +bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale +pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon +het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de +boterkarn aan het klutsen ging.</p> + +<p>—O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het +grappig-eigenaardige der uitvinding verrast.</p> + +<p>—N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar +verrassing.</p> + +<p>Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te +hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in +'t achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij +en wipte, als onder een zweepklap, half op.</p> + +<p>—Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig.</p> + +<p>De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit:</p> + +<p>—'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke +doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa +vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel."</p> + +<p>—Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend.</p> + +<p>—Mé non, mé non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien. +"Ne kier dat hij de goejen trampel hèt, 'n roaken de peunten hem nie +meer oan."</p> + +<p>—Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje.</p> + +<p>—Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs +om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan."</p> + +<p>—Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog +steeds meelijdend.</p> + +<p>—Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers, +'n uur en half almets."</p> + +<p>—Ach!... en zonder iene kier te rusten?"</p> + +<p>—Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in +zijn vel."</p> + +<p>—Och...!"</p> + +<p>—Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe," +glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven +stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure +moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen."</p> + +<p>—Pauv' bête,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op +den aldoor trappelenden hond gevestigd.</p> + +<p>Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan +zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het +gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten +door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer +aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden. +Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend, +met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende, +bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn +naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop.</p> + +<p>—Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van +het schouwspel afwendend.</p> + +<p>—Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins +teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden +boomgaard wandelen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo +rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er +opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag +en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend, +gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn +blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond +halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij +vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er +bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan; +Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig +scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje +van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna +iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers +door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle +plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een +voortdurende roes van opgewondenheid.</p> + +<p>Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij +geen van drieën uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen +slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij +heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun +oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en +'t was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk +opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch +en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle +Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!" +en wanneer Cordúla niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings +toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan +door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte +zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk +verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de +bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij +eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordúla in de keuken kwam +om te ontbijten.</p> + +<p>Maar Cordúla hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en +na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van +lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over +haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van +alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te +durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van +'t jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin +veroorzaakt had.</p> + +<p>Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen. +Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar +eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje +dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.</p> + +<p>—Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte +Cordúla dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee +thuisgebleven broeders uit. "Wa moên de meinschen doarvan peizen! Ha +'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten +de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouên, Belzemien! +Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien +half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier +den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nóg ou verstand het en +da g' hier den boas zijt!"</p> + +<p>Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest +hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen? +Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier +buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel +eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de +geheele oorzaak van alles!—En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat +dat betrof mocht Cordúla gerust zijn: hij hield Standje in 't oog, +hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd +terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je +wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel +iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever +niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als +hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordúla +moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles +zou in orde komen.</p> + +<p>Cordúla, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het +mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar +zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee +te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens +te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante +gesteld was.</p> + +<p>Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi +en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordúla's +vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een +verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het +Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene +zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met +fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een +lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.</p> + +<p>—Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte +Leontientje.</p> + +<p>—Owie, owie, tré chaud, nous aurons peut-être de l'orage," beaamden +Belzemien en Standje.</p> + +<p>De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het +Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open +ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van +witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en +sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er +bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de +oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle +wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een +flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als +zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend +vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte +almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en +eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:</p> + +<p>—O wa hé 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant, +wilt e mij liere zwemmen!"</p> + +<p>—Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.</p> + +<p>—O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel +Constant, en wilt-e 't mij lieren?"</p> + +<p>Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de +jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al +zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs +aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om +Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen; +doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door +Cordúla's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuïtie van +een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:</p> + +<p>—Joa moar, es 't serieus? Hêt-e oprecht goest om in 't water te +goan?"</p> + +<p>—O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps +opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.</p> + +<p>—Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."</p> + +<p>—Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"</p> + +<p>Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig +toegesneld.</p> + +<p>—Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij +'t wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te +stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit +wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de +sidderende hand.</p> + +<p>—Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel +Coben!" smeekte Leontientje.</p> + +<p>En de twee oudere broers, door een gelijke intuïtie als die van +Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en +hoofdschuddend toe.</p> + +<p>Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich +te verkleeden.</p> + +<p>Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering +wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug: +Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit +nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen +boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun +eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder +de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als +een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn +smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was +om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine +bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte, +nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende +lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en +rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en +te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in +krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte +vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en +verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar +middel toegeregen witte nachtkleed.</p> + +<p>—Hawèl-e-wel-e-wel! Hawèl-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die +door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te +kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid, +het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende +handen.</p> + +<p>—Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den +oever glijden.—Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was. +Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden +boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en +al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle +kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.</p> + +<p>—Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den +oever schouderhuiverend.</p> + +<p>—O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom, +geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."</p> + +<p>—O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze +voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat +dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje, +stak beide handen uit naar Standje—... en eensklaps, met een +grooten plons stond zij in het Zonneputje!</p> + +<p>—O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.</p> + +<p>Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste, +koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan +Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van +het beekje medetrekken.</p> + +<p>Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte +nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met +bloote beenen in het helder putje.</p> + +<p>—Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het +weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en +zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals +hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen +en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om +haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte +schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een +vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.</p> + +<p>—Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op +den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje, +als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.</p> + +<p>—Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.</p> + +<p>—Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee ouë +kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k hé ou goe vaste." +En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou +moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te +ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen +oakpuit"(1).</p> + +<p>[Noot van de schrijver: +(1) Kikvorsch.]</p> + +<p>Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij +kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer, +omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje, +gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en +Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om +niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid +van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren +komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren +knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door +het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van +walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een +boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen +recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog +rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter +wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen. +Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan, +schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms +nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef +terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:</p> + +<p>—'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er +nou moar uit. Kerdúle kan doar alle menuten weere zijn!"</p> + +<p>Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en +plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in +het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan +naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te +helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden, +zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje +een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van +dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien. +Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen +lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende +pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen, +vluchtten naar het woonhuis toe.</p> + +<p>Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn +druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige +bond met ruige haren.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen; +Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van +verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine +en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun +dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de +zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige +lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.</p> + +<p>Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok +niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende +kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel +de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n +ziele" zooals de menschen zeiden.—O, zou Tante misschien +plotseling...</p> + +<p>Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te +spreken. Eensklaps kwam Cordúla hijgend om den hoek van 't huis met +opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle +stem en strakke, donkere oogen:</p> + +<p>—Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom +seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren +aflezen!"</p> + +<p>Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood? +Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De +ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens +vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren; +de broers, Leontientje, Cordúla, liepen zenuwachtig, als verloren +heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet +duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis, +het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij +als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden +om er Tante's testament te hooren voorlezen.</p> + +<p>—Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe! +herhaalde steeds Cordúla, gejaagd en opgewonden.</p> + +<p>Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste +kamer", de broeders naar den zolder.</p> + +<p>—Wa es dâ hier? Wie hêt-er hier mee natte voeten over de vloer +geleupen?" riep knorrig Cordúla, toen zij in de keuken kwam.—Kijk +ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"</p> + +<p>Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas +gebeurde; en zelfs Cordúla drong niet aan, geheel en al door 't andere +in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken +als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps +stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.</p> + +<p>—'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een +angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,—'k ben +toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal +beveurdielt zijn."</p> + +<p>—O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet +as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n hè ze nie gezien," poogden de +broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet +geruster dan Cordúla, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun +verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en +even angstig als Cordúla zelve waren zij naar den inhoud van het +testament benieuwd.</p> + +<p>—Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r +mijn deud aan hoalen!" beefde Cordúla met wijd-uitgezette oogen. +—Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den +hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:</p> + +<p>—Moar wat ten duvel hèt-e gulder hier toch uitgesteken binst da +'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in +huis?"</p> + +<p>—Wel, Hiere, 'k hè ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig +dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.</p> + +<p>—Gezwommen!" riep Cordúla met open mond en verwilderde oogen. +Gezwommen!... mee heur... in de beke?"</p> + +<p>—Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen! +Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.</p> + +<p>—O! die sloeze!" gilde Cordúla schor van verontwaardiging.—O, die +sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch +zijn, die doarin behoagen schept! En hè 't wirkvolk da gezien? 't Es +'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof +nog teugen durft!"</p> + +<p>Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen +straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek, +beenderig, ontsteld gezicht.—O, gie leulijke, leulijke, vieze +leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een +walgkreet rende ze de trappen af.</p> + +<p>Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het +traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de +zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende +lentevelden...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!</p> + +<p>In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de +angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordúla het testament +voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel +voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten, +alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster +der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen +nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf +verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel +tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.</p> + +<p>Cordúla voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu +van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was +reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en +Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben +schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere +bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden, +opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had +plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste +meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen +hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe, +ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit +te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van +Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in +de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens, +ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering +hikkende stem:</p> + +<p>—Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben +zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"</p> + +<p>Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde, +barstte in een klinkenden schaterlach uit.</p> + +<p>—O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.—Maar zij zag in 't +bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde +zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna +bang.</p> + +<p>—Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.</p> + +<p>—'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt, +'t wordt hier loater amoal 't ouë!" herhaalde hij smorend, +opgewonden.—Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?—-En hartstochtelijk +greep hij haar hand.</p> + +<p>Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden +achteruit:</p> + +<p>—Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en +gij..."</p> + +<p>—Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in +de rede...—Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien +achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O, +Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig! +Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n hè nog noeit gien uur oprecht +plezier g' had in mijn leven!"</p> + +<p>Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang +verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als +een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren, +zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en +kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren, +tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk +willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde +die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en +plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest +tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden +zoen te drukken.</p> + +<p>—Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge +mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het +hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.</p> + +<p>Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid +teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering +doorschudde heel zijn lichaam.</p> + +<p>—Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon, +g-hêt gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en +vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier +lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek +hij haar in den zachten maneschijn weer aan.</p> + +<p>Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.</p> + +<p>Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis +terug....</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was +verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje +aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het +paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar +vader nu, weer weg te brengen.</p> + +<p>Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,—een voor zijn +leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur +en blonde haren—nam van de ooms en van Cordúla afscheid.</p> + +<p>—Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi +tous de venir un beau jour à Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de +beurt Coben, Cordúla en Belzemien omhelzend.</p> + +<p>—Owie, owie, peud-êder," glimlachte Belzemien met fijn knippende +oogjes.</p> + +<p>—Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien, +mille fois merci, et à plus tard, n'est-ce pas, à Paris?" herhaalde +ook Leontientje, beurtelings Cordúla en haar ooms een laatste maal +omhelzend.</p> + +<p>—Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het +frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.</p> + +<p>Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de +teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde +groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.</p> + +<p>Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als +op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende +zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een +zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer +in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas +vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal +bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat +te bibberen...</p> + +<p>Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk +weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter +der seinhorens schichtigde.</p> + +<p>—Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij +ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste +afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden +in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den +teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en +zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse +opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter +ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een +sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar +mond, half op haar zachte wang verloren.</p> + +<p>'t Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide +lente!—De trein reed ruischend met haar weg—hou hou, Belleken, hou +hou!—en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling +zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in +haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het +neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven... +wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend +stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een +wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der +spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...</p> + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h2><a name="OBSESSIES.">OBSESSIES.</a></h2> + + +<h3 style="text-align: left"> </h3> +<h3 style="text-align: left"> +<a name="I._HET_BEZOEK_VAN_ENGEL_GABRIEL_OP_AARDE._">I. +HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE.</a></h3> + +<p>Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan +Soarelke Meule... Ik zag hem vóór mij, zooals ik hem in leven gekend +heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme +beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote +oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander, +scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...</p> + +<p>Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen +Kwamen toegestroomd.</p> + +<p>Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen +tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol +tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen, +bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige +bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die, +met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg +te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond +bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar +de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.</p> + +<p>Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig +vertellen!—Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste +oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls +krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was +slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste +beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot +lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.—Hij +was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en +juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle +vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk +tot den grond der dingen door.</p> + +<p>Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen +en konden uren lang naar hem zitten luisteren.—Zij zaten daar, +onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental, +vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de +brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten +Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem +goed leuk en ondeugend te stemmen.</p> + +<p>—Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriël +op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was +da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?</p> + +<p>Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog +eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde. +met zijn ruwe, korte, barsche stem:</p> + +<p>—In 't Muizenhol was 't, hè 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge +zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!</p> + +<p>—En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?</p> + +<p>—Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken +hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.</p> + +<p>—Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.</p> + +<p>En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens, +bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske +stem:</p> + +<p>"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriël +aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen, +mee zijn vleeren toe.</p> + +<p>"Gabriël, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke +mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?</p> + +<p>De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:</p> + +<p>"Wat es er ten ouën dienst, ons Hiere?" vroagt hij.</p> + +<p>"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou +beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien +wat dat er ginter gebeurt. K'en hè doar in doanig lank nie mier van +g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse +begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en +informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."</p> + +<p>Goed.—Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriël trekt zijn beste +geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem +op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan +'t Muizenhol!</p> + +<p>—Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere +gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.</p> + +<p>—Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke! +Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.</p> + +<p>—Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er +te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en +zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee +'t jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriël, die da nog noeit van zijn +leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons +Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te +sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn +geiwene vleeren aan!</p> + +<p>—Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?</p> + +<p>—Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk +Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere, +die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne +weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven +komen.</p> + +<p>—En Gabriël wig, zille! de lucht in!—-Sente-Pieter stond al uit te +kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten. +"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar hè-je gij zeu lank +gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den +ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem +rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van +colère zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn +kniëns vallen en zegt:</p> + +<p>"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!"</p> + +<p>"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd hèt!" zegt onze lieven Hiere, +die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel +ziet.</p> + +<p>"Joa ik, lieven Hiere, 'k hè mij doar oprecht goe geämezeerd: 'k zoe +liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriël.</p> + +<p>"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven +Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag.</p> + +<p>"Ooo, doar 'n hè'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den +ijngel Gabriël. "'K hè mij loaten neere valle tusschen Vijnck en +Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n hè mij niet gespeten, zille!'t +Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en +sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de +gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt."</p> + +<p>"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?" +vroeg onze lieven Hiere.</p> + +<p>"Giene meinsch die van ou gesproken hèt, lieven Hiere," zei ijngel +Gabriël. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de +leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat +die meinschen ginter zijn!"</p> + +<p>Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel +Gabriël dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twieë te +weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriël tieken dat +hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>—Goed!—'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriël weere +mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen +treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker.</p> + +<p>"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier +op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter noù gebeurt. En deze +kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu +lange wig of dat 't neudig es.</p> + +<p>Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem +'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol!</p> + +<p>—Nôg ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke?</p> + +<p>—Nôg ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!—Goed.—Den ijngel +kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat +hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst +ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders +of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa +noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk +komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es +'t zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle +kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens +veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch +dàt aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier +mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij +hem boven op en komt er weere mee in den Hemel.</p> + +<p>"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Hèt ou van deze +kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee +zijn sleuters aan de peurte stoat.</p> + +<p>"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij +al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere.</p> + +<p>"Ha, jongen, g'hèt opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere. +"Hewèl hoe ès 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie +geklapt?"</p> + +<p>"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zéker van ou geklapt! Ze 'n +klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriël. +"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En +zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier! +'t Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en +donker; de boeren hén de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es +verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken +kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk +tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om +t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..."</p> + +<p>Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand +aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen +board.</p> + +<p>"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft +zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.—Weet-e +wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat +hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken."</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den +gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der +pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid +mededeelden.—Omheen was 't wonderzacht en stil en in den +somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren. +Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden +de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de +verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te +droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een +krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den +onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere +slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens +der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met +hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun +innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het +twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker +groepje taalde:</p> + +<p>—Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om +noar bedde te goan.</p> + +<p>En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de +asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal...</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="II._HET_HONDJE._">II. +HET HONDJE.</a></h3> + +<p>De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station +gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even +wachten.</p> + +<p>Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is +lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele +railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek, +schitteren twee miniatuurbloementuintjes.</p> + +<p>Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje. +Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede +herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg +doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee +herbergjes.</p> + +<p>'t Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille, +groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en +goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van +het dorpstorentje opschiet.</p> + +<p>Daar komt de trein.—Slechts enkele reizigers staan wachtend op +'t perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op +den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een +vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie +pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken +houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts +drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp.</p> + +<p>Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te +belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en +zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of +boom.</p> + +<p>Knarsend op zijn remmen heeft de trein vóór het stationsgebouw stil +gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt +en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden +opgehaald.</p> + +<p>Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog +even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.—Maar,... het +lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam +en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets +bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar, +scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje.</p> + +<p>Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden? +Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de +obsessie!—Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap +af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie! +Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot +verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren? +En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik +daarvoor terugkom?—Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik +er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en +half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het +herbergje.</p> + +<p>De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het +schemerig, ongezellig gelagkamertje...</p> + +<p>—Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend.</p> + +<p>Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie +pootjes naar mij toegehinkt... het hondje.</p> + +<p>—Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend +over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje.</p> + +<p>Het hondje schijnt dat niets naar te vinden.</p> + +<p>Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt +zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger +aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes.</p> + +<p>Daar komt de vrouw.</p> + +<p>—'n Pijntsje bier, bezinne.</p> + +<p>Het glas wordt mij gebracht.</p> + +<p>—Scheun weer, e-woar, meniere?</p> + +<p>—Joa 't doanig scheun weere.</p> + +<p>Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets +meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje.</p> + +<p>—Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht +merkend.—Spijtig dat 't zijn peutsen afgereên es!</p> + +<p>Ha! daar is de aanleiding!</p> + +<p>—Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen.</p> + +<p>—Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die +kapot gereên wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is +gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie +geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereên +wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk +mee die twie wirkmeinschen! G' hèt doar toch van g'heurd, meniere? En +de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een +akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een +vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd.</p> + +<p>'t Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de +afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik +denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die +kleine hondjes bij die groote treinen loopen.—Nu weet ik het, en +wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen +belangstelling meer in.</p> + +<p>Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.—Maar nu, (en dat is mijn +voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik +nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan +den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt +onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes +bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en, +met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een +heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar +de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij +de praterige vrouw te volgen.</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="III._HET_SLECHT_VIJFFRANKSTUK._">III. +HET SLECHT VIJFFRANKSTUK.</a></h3> + +<p>Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude, +onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een +molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van +gelijken leeftijd—een jaar of veertig—maar zeer verschillend van +uiterlijk.</p> + +<p>Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge, +beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige, +doorzakkende knieën. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar +voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen +een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig, +die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van +gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig.</p> + +<p>Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke +wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske +grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter.</p> + +<p>Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde +Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den +boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske +werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag +Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem +soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige +armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te +wenken.</p> + +<p>Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche, +lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis, +troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in +'t herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat +oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag.</p> + +<p>Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen +herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder +contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve +bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts +iedere week één frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te +brengen.</p> + +<p>Eén frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes" +bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al vóór den +middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege +glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst +van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou. +Gelukte dat niet, dan bleven ze tóch maar zitten, omdat ze anders +niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om, +toch zoo vervelend en ellendig lang was.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een +vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de +gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu +eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een +vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei:</p> + +<p>"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt hèt. en +niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne +cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn +bezit hè zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver +zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie +geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hèn. Doet +er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt."</p> + +<p>En hij gaf het stuk aan Theofielke.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te +Bekijken...</p> + +<p>Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als +veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom +nu juist dàt stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die +immers ook maar zilver waren, wèl deugden. Hij woog het in zijn hand +en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een +gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een +hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone +stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat +dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling +ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen, +terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak +verborg.</p> + +<p>Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met +Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk +genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te +beraadslagen.</p> + +<p>Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en +zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen. +Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer +berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de +omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende.</p> + +<p>Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er +twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank, +die nu wel aan één stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar, +in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende +Deeske.</p> + +<p>Toen trokken zij er op los.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij +stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle +wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige, +kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij +zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof; +Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende +schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij +telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele +bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen +lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine, +omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het +jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs +den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee +vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer, +die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met +bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die, +worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis +te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen +gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen; +en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij +moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even +aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen.</p> + +<p>Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen +drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen, +maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te +worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het +kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar +schenktafel glazen stond om te spoelen.</p> + +<p>—Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig +air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend.</p> + +<p>De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem +even vaag wantrouwend aan.</p> + +<p>—Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als +om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde +met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te +voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk +spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske +stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke, +die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had.</p> + +<p>—Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes +op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk +gestemd, begon zij een praatje over 't weer.</p> + +<p>De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun +sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er +nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen +glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof +er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook +Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur, +verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die +borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe +vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend +aankeken, en er waarachtig nóg eentje bestelden.</p> + +<p>Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit +zijn zak, en legde 't op de tafel.</p> + +<p>—As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven?</p> + +<p>De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar +schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te +voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en +bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het +raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in.</p> + +<p>—Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw +met ontstelde stem eensklaps zeggen. +—Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend.</p> + +<p>—Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.—Kijk ne +kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur +hing, en waar al de vijffrankstukken,—de gangbare en de niet +gangbare—zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld +stonden.</p> + +<p>Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan.</p> + +<p>—Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk! +verzekerde Theofielke.</p> + +<p>—Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met +haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel, +'t es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van +veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge +moet mij ander geld gêen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke, +die het kalm weer in zijn zak stopte.</p> + +<p>—Ha, sakerdeeke! En 'k hè 't gisteren in de post ontvangen! +beweerde hij enkel.</p> + +<p>—Tuttuttut, 'k 'n hè doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee +ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend.</p> + +<p>—Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos +veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es!</p> + +<p>—En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld +geên! gilde de vrouw.</p> + +<p>—We 'n hèn gien ander! bekende Theofielke.</p> + +<p>De vrouw stond even als verslagen.</p> + +<p>—O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van +woede, te krijschen.—Ala! hier buiten! En van den achternoene zend +ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare! +Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt!</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen +portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort.</p> + +<p>—Hawèl! wat dijnkt ou? Zoên we leute hèn vandoage! lachte +Theofielke.</p> + +<p>Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk +schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute +zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke +mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn +kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange, +loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp.</p> + +<p>Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine +boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging.</p> + +<p>—We 'n meugen nie àl te ziere drijnken; we zoên te gauwe zat +worden, meende Deeske.</p> + +<p>Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door +moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf +wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens +zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange, +saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den +<i>Groenen Jager</i> en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl +Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet +rinkelen.</p> + +<p>Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan +Theofielke terug.</p> + +<p>—Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste +verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor +ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich +geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval, +tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het +verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den +postmeester tegen een ander hadden ingeruild.</p> + +<p>Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde, +ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme, +welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de +menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten, +en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna +uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er +eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen +werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk, +onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het +afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scènes +plaats en wel het ergst in de afspanning: het <i>Vliegende Paard</i>, waar +zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was +daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en +vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het +aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door +den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij +plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat +gegooid.</p> + +<p>Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot +te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog +andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en +kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.</p> + +<p>Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het +<i>Vliegende Paard</i> opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en +begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar +heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder +ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.</p> + +<p>—Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na +een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen. +-—Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!</p> + +<p>Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van +dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te +redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.</p> + +<p>—Loat ons bij Veel-Hoar goan en de dieë mag 't vijffrankstik hoûen, +stelde Deeske voor.</p> + +<p>Ietwat onthutst keek Theofielke op.</p> + +<p>—Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.</p> + +<p>—Hà! dà es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de +knechtejongens bij VeelHoar?</p> + +<p>Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn +slungelige tronie.</p> + +<p>—Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse +trekken, en wie 't langst hêt iest?</p> + +<p>Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op, +frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske +voor.</p> + +<p>Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk +waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide +hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te +voorschijn.</p> + +<p>—O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke +achterdochtig.</p> + +<p>—Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.</p> + +<p>Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en +haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in +'t omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het +mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk; +men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde +wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den +rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam) +Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd +men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door +Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om +het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet +'s zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde één frank, +twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een +achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er +naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van +Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel +niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje +hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige +kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.</p> + +<p>Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te +vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het +stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon +schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het +donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame +straten.</p> + +<p>Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een +boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den +straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der +overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de +schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend +gedoken.</p> + +<p>Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef +doodstil. Het oogenblik was gunstig.</p> + +<p>Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te +kijken door een spleet van het gordijntje.</p> + +<p>—Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.</p> + +<p>En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden +binnen.</p> + +<p>—Elk ne goên oavend...</p> + +<p>Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek, +bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel, +dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had +kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en +rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel, +bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude +moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.</p> + +<p>—Kijk, kijk! Wie da we doar hén! riep Veel-Hoar, half spottend, +half uitdagend.—We zóen wel geld gêen om ulder te zien!</p> + +<p>Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel +kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen. +"Elk ne gôen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam, +deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een +tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde +bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even +over 't tafelblad liet rinkelen.</p> + +<p>Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd +door het verleidend geluid even wakker.</p> + +<p>—G'hè 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit +te roepen.</p> + +<p>—Ha, w'hèn toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar +het stuk weer in zijn zak verstoppend.</p> + +<p>Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat +beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.—Vijf frank! dat kwam +zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.</p> + +<p>—Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske +royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde +nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar +den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op +te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken +versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore +zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig +pratend.</p> + +<p>Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is +zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook +den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte +om op te stappen.</p> + +<p>De glazen waren leeg.</p> + +<p>—Nóg vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde +Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren +daar nog een heele poos te blijven.</p> + +<p>Langzaam stond de boerepummel op.</p> + +<p>—Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem +beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende, +heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk, +kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:</p> + +<p>—Joa moar, Sies, vandoag 'n hè 'k gienen tijd, zille; ge moet nen +andere kier komen.</p> + +<p>Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske, +droop de pummel af.</p> + +<p>—Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur +achter hem dichtsmakkend.</p> + +<p>Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met +een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.</p> + +<p>—Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de +geijkte vraag.—Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield +intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.</p> + +<p>—Joa moar, hoe zit dat? Hé-je gij èùk geld? vroeg zonder omwegen +Veel-Hoar.</p> + +<p>—Theofielke zal ou vijf fran gêen, beloofde Deeske.</p> + +<p>—Joa moar, en gij?</p> + +<p>—Hij hè 't geld, lijk of ge gezien hèt. Hij zal betoalen veur ons +alle twieë.</p> + +<p>—Hoe, veur alle twieë?</p> + +<p>—Wel joa, w'hèn lotse getrokken. Ik há 't langste.</p> + +<p>—O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.</p> + +<p>—Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske, +reeds in 't gangetje.</p> + +<p>Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze +weg, Deeske achterna...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>—Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in +'t gangetje verschijnend.</p> + +<p>Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.</p> + +<p>—Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.</p> + +<p>—Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het +Gangetje...</p> + +<p>Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden +door het somber tuintje weg.</p> + +<p>—Hè ze 't? Hè-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder +'t vluchten.</p> + +<p>—Joa z', zille! Moar hoast ou nou!</p> + +<p>Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen +in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in +veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog +en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend, +schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.</p> + +<p>—Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld +Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend. +Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen +galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.</p> + +<p>—O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hèn mij 'n slecht +stik van vijffran gegeên! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen. +'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar! +Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over +de keien in de straat gekeild.</p> + +<p>Deeske, die vóor Theofielke zat, zag het even in de duisternis +zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen +zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn +dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat +door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks +doorheen.</p> + +<p>—Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel! +riep hij dof.</p> + +<p>—'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog +dienen, fluiserde Theofielke.</p> + +<p>—Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoên ons deudsloan! Ala +toe, wig, wig!</p> + +<p>Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor +een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open +veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van +Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat +opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en +bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden +zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.</p> + +<p>—Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte +Deeske.</p> + +<p>—Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hèn! +jammerde Theofielke.—We zoên d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.</p> + +<p>—Bah! 't gien dat we g'had hèn, hèn we toch g'had, troostte +Deeske.—Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft +ouën boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.</p> + +<p>Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend +aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes, +zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij +voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het +lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast +elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een +hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de +gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij, +roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.</p> + +<p>Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en +ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den +dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de +lange, saaie arbeidsweek.</p> + +<p>—Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag hè? zei Theofielke.</p> + +<p>—Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.</p> + +<p>En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge +pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="IV._DEN_BINDER._">IV. +"DEN BINDER".</a></h3> + +<p>Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich +verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den +jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.</p> + +<p>Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje +van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht, +en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit +gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna +aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte +met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde +kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem +dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je, +als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze +ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder +licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en +fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een +onuitsprekelijken weemoed, die zóó aangrepen, zoo onweêrstaanbaar +aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer +zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond +van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.</p> + +<p>Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken, +menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de +menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon +tooveren.</p> + +<p>Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste +dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder". +Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager, +houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel +veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska +heette zij.</p> + +<p>—Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de +jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:</p> + +<p>—Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd: +treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis! +Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!</p> + +<p>Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het +voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den +Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen +leven. Want,—en dat was wel het aller-ergste,—ook zij geloofde +dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens, +na zoo een of andere plaagscène met de straatjongens of de buren, +overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de +razendste verwijten.</p> + +<p>—O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend +krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar +nou in hén as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de +stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen +doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven +lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n +zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou +en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden +hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past +ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!</p> + +<p>Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed +van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet +dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar +maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn +angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met +korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu +en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen +den vloer stampte:</p> + +<p>—Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij +zot!</p> + +<p>Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille +stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en +huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk +moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met +open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel +staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en +dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat +de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van +verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het +winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half +verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en +toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep, +hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde, +zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:</p> + +<p>—Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij +zot!</p> + +<p>Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen +in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met +hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren, +of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en +hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de +boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst +niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit +weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij +voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de +deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje +tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet, +dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een +kort gebed.</p> + +<p>In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen +merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen +mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch +gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde +leed. De slag,—zijn zelfmoord—viel als een donderslag, onverwacht.</p> + +<p>Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit +'t water zien halen....</p> + +<p>Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn +paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn +vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen +uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen, +met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die +afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo +had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een +modderige sloot was gehaald.</p> + +<p>Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden. +'t Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het +lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide +van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een +twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.</p> + +<p>Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes +rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.</p> + +<p>"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd hèt!" gilt de +menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den +Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende +armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn +doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij +lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zóó +scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den +rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend. +'t Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een +bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den +Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel +héél ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en, +onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat +warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.</p> + +<p>Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van +mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van +vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen +op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder +verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met +gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar +binnen starend.</p> + +<p>—Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die +vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven. +'t Is er één warboel, in en om het huisje.</p> + +<p>De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet +houdt vóór het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen +zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder" +binnendragen.</p> + +<p>En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den +kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke, +rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:</p> + +<p>"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik +van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder" +komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"... +"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt +voader.—"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"—zeg ik.—"Dag," +antwoordt hij.—Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier +blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater +toe.—"Wa betiekent dà verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij +doen?"—"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee +zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens +uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg +ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies +gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in +'t woater!...</p> + +<p>—En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge +man niet verder vertelt.</p> + +<p>—Hawèl, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.</p> + +<p>—Joa moar; wa hèt-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de +toehoorders aan.</p> + +<p>—Wat da 'k gedoan hè?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.—"'K +ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere +boven gekomen; hij hè gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten +geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en +onder gebleven...</p> + +<p>—En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader +euk niet?</p> + +<p>—Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde +versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de +schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier +gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...</p> + +<p>Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken +sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds +als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid +opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul +van een gefolterd beest.</p> + +<p>—Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!" +zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="V._RESTITUTIE._">V. RESTITUTIE.</a></h3> + +<p>Teum Grondnagel lag stervensziek...</p> + +<p>'t Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een +zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang +geweest. Ik zie hem nog in verbeelding vóór mij staan: groot, zwaar, +vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en +zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende +oogen.</p> + +<p>Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en +benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar +gesloten blijven, zonder één klank door te laten.</p> + +<p>Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren +vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp +hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van +hun tijd verbeuzelden.</p> + +<p>Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een +minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar +enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat +noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden, +"aan 't woaien" was.</p> + +<p>Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen +verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en +verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling, +zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen +ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren +aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te +waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".</p> + +<p>De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding, +nog vóór hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis +tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:</p> + +<p>—Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan +'t woaien!"</p> + +<p>Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen +en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en +krachten!...</p> + +<p>Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem +heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot, +overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer +aan het trakteeren en betalen, één woeste dierlijke, liederlijke +orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het +zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn +hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en +in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn +walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan +den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan +ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor +het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken +had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te +koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige +slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke +bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de +melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort +geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij +zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde, +wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren +en weêr een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was +hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij +voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn +diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij +was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende, +verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en +van nietelingen onder de knie had.</p> + +<p>Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam +slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was +eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!</p> + +<p>Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den +donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol +gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd +uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en +afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van +hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en +nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zóó sterk gevreesden +meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog +raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht +meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!</p> + +<p>Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid, +die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend +einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de +toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening +hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende +zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die +lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten +'t niet, maar Hij, de Groote Rechter, vóór wiens troon hij weldra zou +verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem +tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen +doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof +hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende +oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen +slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch wàs er +voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en +zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost +geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet +opgebeurd. Eén enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog, +voor hem open: restitutie doen!...</p> + +<p>Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den +donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al +bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te +veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk +geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed +herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te +rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe +namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn +oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij +begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou. +Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na +eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje +uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken +eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt +had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op +de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime, +sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg +hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen. +Hij zou er hem mild voor beloonen.</p> + +<p>Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde +Jantje, na een korte aarzeling, toe.</p> + +<p>En Teum begon één voor één zijn zonden op te sommen, eerst tegenover +Jantje zelf.</p> + +<p>—Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud +verkocht hèt? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n +woart er nie bij. Hawèl, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou +betoald hè, worden d'r negen honderd vijftig. 'K hè ou dus dien dag +veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven +centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van +mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn? +Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim, +doar es vijf en twintig fran!...</p> + +<p>Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde +Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur +kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde +handen beefden op zijn knieën, alsof ze sidderden van kou.</p> + +<p>—Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met +droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te +nemen.</p> + +<p>—Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de +handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn +potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:</p> + +<p>—Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op +tien joar leverijnge van eirdappels.</p> + +<p>Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos. +—Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar +mijngelijnge van rogge in de tarwe.</p> + +<p>Jantje knikte.</p> + +<p>—Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet +in de boter...</p> + +<p>Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en +bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die +Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens +opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.</p> + +<p>—Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was +bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg, +terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen +'t boerenhuis verliet.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.—Daar waar +hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin +alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich +heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs +losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.</p> + +<p>Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen +wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als +stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen +twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter +waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in +alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar +heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van +lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig, +vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere +levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe +langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes +bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die +hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende +schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen +de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon +vinden.</p> + +<p>Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten. +Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar +buiten; en, nog vóór Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij +dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:</p> + +<p>—Hawél? Wa hèn ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"</p> + +<p>—O! bezônder! bezônder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met +zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie +geleuven!"</p> + +<p>Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum +hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij +merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde, +met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te +slaan.</p> + +<p>—Wa hèn ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend, +kortaf, aamechtig hijgend.</p> + +<p>—Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte +Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard +toestruikelend.</p> + +<p>Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op +een afstand te houden.</p> + +<p>—Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' hèt gewoaid!" +raasde hij, knarsetandend.</p> + +<p>—Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje +beleedigd en verontwaardigd.</p> + +<p>—Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.</p> + +<p>Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen. +Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef +haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de +menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd, +wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>...—In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht +geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog +slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op +de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge +met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte +melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna +opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu +onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te +luisteren.</p> + + +<p>Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en +oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn +zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend +en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude +ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het +uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde +enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de +doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag +over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen. +Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd, +hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en +radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een +bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche +stilte galmde:</p> + +<p>—Hawèl, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en +donker. Mag ik nou wiggoan?"</p> + +<p>Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel +weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.</p> + +<p>—Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde +stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar +den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende +vingers aan.</p> + +<p>Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog +nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de +beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen +staarde.</p> + +<p>—Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.</p> + +<p>—Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.</p> + +<p>—Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en +kijkt-e kier!" hijgde Jantje.</p> + +<p>De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den +haard.</p> + +<p>—Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.</p> + +<p>De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op +den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den +mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding +naast het uitgebrande haardvuur... dood.</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="VI._DE_STIER._">VI. +DE STIER.</a></h3> + +<p>Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene +uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje, +waar de straatweg, zich in tweeën splitsend, een soort rechthoek +vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee +wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het +herbergje binnen.</p> + +<p>'t Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar +nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes +beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net, +klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam <i>Het +Koffijhuis</i>, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel, +gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde +van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de +bont-gekleurde uithangborden.</p> + +<p>Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster: +menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er +'t "stameneetje" bijhielden om rond te komen.</p> + +<p>Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en +kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen. +Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook +kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat +voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met +sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat +zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige, +vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, méér dan een donkere +haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest +dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in +'t dorp "de Stier" genoemd.</p> + +<p>"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of +wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het +zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden: +"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden +gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De +spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende +beteekenis verloren.</p> + +<p>En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet +uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende +nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit +'t omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen +die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun +aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een +praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken +van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens +een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs, +o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de +Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken +aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar +snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog +en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor +geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten. +dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat àl te bont, dan +zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en +was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar +uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een +flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het +baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter +haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen +en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen +en naar raden.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!... +de "Stier" zou trouwen...!</p> + +<p>Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder +beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield +aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje, +de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp +en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd, +men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn +zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open +deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen +moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos +midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er +alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer +en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat +zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen +scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige +relatie wilde hebben.</p> + +<p>Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken, +zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half +verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de +beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een +middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel +van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de +straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje +verdween...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het wàs zoo: de "Stier" ging trouwen...!</p> + +<p>De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur +van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den +preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had +de scheiding van hun klein vermogentje geëischt, en het zoolange +jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in háár +deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste +dorpsherbergen: <i>Het huis van Commercie</i>, op kamers te gaan leven. +Dáár, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige +stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk +af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het +echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage, +algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich +beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.</p> + +<p>—Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de +oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken +hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:</p> + +<p>—Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde, +alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te +zeggen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje +op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van +"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En +er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions +en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de +trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou +hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.</p> + +<p>Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de +kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke +scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden +naar het gemeentehuis toe.</p> + +<p>Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen +gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel +eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten +hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was +deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid +doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange +haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar +gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen +lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de +snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna +uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte +haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet +op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname +buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode +koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend +gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door +overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het +einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als +schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen +gebeurde.—Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier", +'t gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende +schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een +vrachtwagen loopen had overgehouden.</p> + +<p>De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen. +Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze +ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd +onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat +joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten +weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den +burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de +geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige +verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij +een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te +kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een +wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de +Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.—De Stier hield +zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als +vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep, +zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.</p> + +<p>De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem +"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook +Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En +hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:</p> + +<p>—Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n +nieuw boeksken komen hoalen."</p> + +<p>De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van +den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken +schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid +hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren +in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:</p> + +<p>—De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"</p> + +<p>De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer +hoe vreemdere oogen op.</p> + +<p>De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het +gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop +van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek +wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende +stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke +ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren, +alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden +doorbrengen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.</p> + +<p>Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk +geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te +wiegelen aan gespannen touwen vóór de huizen, een vurige triomfboog +prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met +zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de +man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.</p> + +<p>Vóór hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij +gek-plechtig door het feestcomité verwelkomd. Een der leden trad +gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene +hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij +een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders +weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man +begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend +onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog +en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het +glas aan haar echtgenoot, die het in één teug ledigde. Dichtbij nu +bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en +plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met +donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het +gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest +ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend +in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig, +waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen +door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun +huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de +vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met +fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte +hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...</p> + +<p>Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat +geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele +poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer +hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van +hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op +luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en +woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was +een abnormale, gekke, rustelooze nacht.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'s Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den +loer.</p> + +<p>Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de +Stier en haar man terug te zien.</p> + +<p>Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht +schitterde, werd een der groene luikjes van <i>Het Koffijhuis</i> zachtjes +opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort +geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes +vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen +boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn +hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens +vlugjes in.</p> + +<p>—Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der +buren.</p> + +<p>De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman +hoofdknikkend:</p> + +<p>—Ieste klasse! scheun weer, hè?" antwoordde hij; en verdween in het +huisje.</p> + +<p>Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo: +alles goed! Hè! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als +elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en +zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet +zeggen kon!—Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun +raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en +'t leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had. +Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij +aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden +terug.</p> + +<p>Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en +Twaalf—het borreltjes-uur—gingen enkele kerels eens tot aan het +<i>Koffijhuis</i> om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te +nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn +tuintje en de Stier ontving haar klanten met een +helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets +ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch +ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord +en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't <i>Huis van +Commercie</i>, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend +in de ongezellige gelagkamer zat.</p> + +<p>—Hawèl, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r +doar bij geweest. Alles es goed, zille!"</p> + +<p>—Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat +'t 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboón worden!"</p> + +<p>—Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da +vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee +heure veint gelukkig es!"</p> + +<p>—Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie +meugelijk! Pouah! Pouah...!"</p> + +<p>Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken +'t hoofd voor alle verdere verklaringen.</p> + +<p>En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wàt +ze moesten denken.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de +Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret +kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of +"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat +of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos, +wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol +belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in +'t <i>Koffijhuis</i>, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al +te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er wàs +iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en +sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar +strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van +zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange +haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht +gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan +ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de +dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en +niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps, +volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte +van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken +waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar +troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten, +dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had, +dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...</p> + +<p>—Watte? Watte? Wat ès er mee?" gilden de menschen, trillend van +ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het +ware uit den mond halend.</p> + +<p>—Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds +razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide +met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling, +hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en +dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk +niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging +pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.</p> + +<p>—Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!" +brieschte hij.</p> + +<p>'t Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met +hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,—meer en meer hem +opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar +de Stier vertoonde zich niet.</p> + +<p>—'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en +'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te lóan en +te verhuizen?"</p> + +<p>Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond +aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.</p> + +<p>—Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte +zijn deur ruw openstampend.</p> + +<p>De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een +kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden +in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier +bleef onzichtbaar.</p> + +<p>Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige +straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje +opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw, +reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee +weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken +elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden +zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich +eindelijk vertoonen zou.</p> + +<p>Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...</p> + +<p>Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en +pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog +eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat +alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was +afgeloopen.</p> + +<p>—Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden +de menschen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden +gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer +gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in +zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke +lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare +klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds +onveranderlijk hetzelfde:</p> + +<p>—Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand +zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."</p> + +<p>Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel +beter...</p> + +<p>'t Kuipken, die zich in het ongezellig <i>Huis van Commercie</i> +doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den +nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier, +niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een +avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het +huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.</p> + +<p>Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die +haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en +vermagerd vond, vroeg enkel:</p> + +<p>—Hoe goat 't er mee?"</p> + +<p>En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met +ietwat matte, trieste stem:</p> + +<p>—O nog al goed; en mee ou?</p> + +<p>—O, euk nog al goed.</p> + +<p>Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen +enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig +om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam +sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.</p> + +<p>—En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.</p> + +<p>—'K 'n hè nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as +'n potse káffee drijnken.</p> + +<p>Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden +ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar +kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met +strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en +stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.</p> + +<p>—'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of +snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.</p> + +<p>—'t Hè passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den +achternoen hè 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud +doen dekken, antwoordde zij.</p> + +<p>—Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het +in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets +meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.</p> + +<p>Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan, +genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op +zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij +was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en +onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine +oogjes slaperig half open.</p> + +<p>—Wat dijnkt ou? Zoên we nie goan sloapen? stelde hij voor.</p> + +<p>—O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.</p> + +<p>Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de +voordeur dicht te doen.</p> + +<p>Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders +dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Eén hing er in +haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.</p> + +<p>—Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.</p> + +<p>—Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.</p> + +<p>Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen +aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap, +naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van +'t stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote +schaduwen over de witte muren.</p> + +<p>Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de +hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij +met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had +aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en +zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn +deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.</p> + +<p>—Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte +stem.</p> + +<p>Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op +'t smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles +plotseling heel stil en donker.</p> + +<p>Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke +vlokken...</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="VII._BEROUW._">VII. +BEROUW.</a></h3> + +<p>Dit is 'n héél zware en droeve obsessie geweest...</p> + +<p>'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts, +niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis. +Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in +vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.—Het is er somber, kil, +treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de +vieze, altijd natte greppels glimmen.—Maar, even voorbij den +blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede +heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles +vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!</p> + +<p>Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid, +de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede +zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen, +zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de +vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de +wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden +rythmus, halend open...</p> + +<p>Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en +luikjes open; één met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide +kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de +luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met +dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als +omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien +kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.</p> + +<p>In dat huisje is een doode.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend. +Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets +valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een héél slechte +reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard, +een vechter en bijna een moordenaar.</p> + +<p>Die kwade naam was verdiend. Hij wàs lui, +hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader—een timmerman—bij +wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon, +stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel +van kwaad tot erger. Nu moèst hij wel van roof en diefstal leven, +want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen +hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte +dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het +dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette +zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad +betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen +hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er +nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was +sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de +mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur +had hij in de gevangenis gezeten.</p> + +<p>Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die +'s avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand, +geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde +uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.</p> + +<p>Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche +dorp verademde en juichte:</p> + +<p>"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"</p> + +<p>Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot +tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals +hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er +bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van +bijna naïeve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor +deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:</p> + +<p>—'K hè mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."</p> + +<p>De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien +avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn +lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt; +hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook +trouwens midden in den nacht gepleegd. Wáár had hij dien nacht dan +verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.</p> + +<p>—Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen hè!" herhaalde Jules +een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur +behoorde.</p> + +<p>Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur +ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld +werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de +gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette +dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om +met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in +schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins +bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn +brood wenscht te komen. Wáárom sliep hij als een vagebond in de +schuren? vroegen de gendarmen.</p> + +<p>—Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde +Jules.</p> + +<p>De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier +van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen +zoo redeneerde!</p> + +<p>—'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met +nadruk.</p> + +<p>—Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.</p> + +<p>—Joa ik," zei Jules.</p> + +<p>—Woar es 't?"</p> + +<p>—Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons +huizeken van t' huren."</p> + +<p>Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar +honderd frank in mooie zilverstukken.</p> + +<p>Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in +bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld +hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.</p> + +<p>—'t Es hem! 't ês hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders +gedreiën, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"</p> + +<p>—Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.</p> + +<p>—'t Es hem! 't ês hem!" herhaalde de boer met onverstoorde +overtuiging.</p> + +<p>—'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.</p> + +<p>De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun +overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules wàs een der daders en +proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte +rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij +zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de +boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen +huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en +trouwden.</p> + +<p>Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de +correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem +aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou +hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig +had?</p> + +<p>Vóór de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele +beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken +nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het +allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten +te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen +berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken +leven leidde.</p> + +<p>—Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hên?" vroeg +de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik +te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat +achtten.</p> + +<p>Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde +beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een +jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.</p> + +<p>Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ik weet niet,—en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,—wat aan +Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden +onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam +op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met +de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw +met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.</p> + +<p>—Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje, +dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de +gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang, +verrukt aanstaren.</p> + +<p>—Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.</p> + +<p>—Jules... Julken," snikte zij.</p> + +<p>—Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van +het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte +gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche +rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre, +verre gedachten.</p> + +<p>—'t Kot hè hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij hè bereiw, +hij es broave geworden."</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn +geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde +sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen +gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek +met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware +een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren +klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij +uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin, +scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang, +hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe +het met hem was.</p> + +<p>Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had +hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar +eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond +daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen +den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze, +verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er +onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.</p> + +<p>—Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat +gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze +gevroagd worden?"</p> + +<p>Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder +in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan +doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat +hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie +van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zoovéél dat +hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij +het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vól met van die lange, smalle, +witte kisten onder 't groene gras.</p> + +<p>—Ge ziè wel da ze gevroagd worden; da wordt àltijd gevroagd," was +eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.</p> + +<p>En meer was er niet uit te krijgen...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het +groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de +grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan +het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den +drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden +en zilveren franjes vóór de dichte, groene luikjes...</p> + +<p>Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam +uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat +hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil +verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen +de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een +van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op +voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog +altijd meer moest timmeren...</p> + +<p>Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge +vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het +stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met +uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt +'t kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in +zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve +duisternis bijna niet ziet?—Het is er alles zoo stil! Geen klank, +geen zucht, geen adem komt naar buiten.</p> + +<p>Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde +velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De +groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder +lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar +stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en +puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte +wolkjes...</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="VIII._PEETJE_PRUIS._">VIII. +PEETJE PRUIS.</a></h3> + +<p>In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en +Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in +Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur. +Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen +hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen, +en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.</p> + +<p>Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de +Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen +van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich +Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze +geïllustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: diè +welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek +eenigszins op Bismarck; dàt oud, gebogen ventje uit het +Armenhuis op Moltke, diè handelsreiziger, die om de zooveel weken +met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo +was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning +Wilhelm.</p> + +<p>Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp, +met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het +nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met +gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze +persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere +kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het +ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge, +donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als +sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte +zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en +fluweelzacht-golvende gazons.</p> + +<p>Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet +bizonderen naam van Amédé Fruytier. Hij hield van lekker eten en +drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las +iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.</p> + +<p>Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke +opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel +precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was +er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en +buiten alle partijen stond.</p> + +<p>—Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend, +als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en +zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis +op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en +veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."</p> + +<p>Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets +goed-ruws hebben. Hij dééd dan wel heel barsch en sprak wel heel +kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te +verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig +ijdel!</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij +gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wèl de moeite +waard om er zich warm voor te maken.—De Duitschers, pouah! wat 'n +volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop +gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn +vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de +rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun, +uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten +voor.—Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer, +Louis Napoléon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders +worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!</p> + +<p>Hij prononceerde: "Lowie Napoléon" en hij sprak over den Franschen +Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende. +Lowie Napoléon zou dit, Lowie Napoléon zou dàt; Lowie Napoléon had +zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer +Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel +enkele bevoorrechten behoorde.</p> + +<p>Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Wörth, +Froeschwiller; en onze geïllustreerde bladen, die eerst niets dan +Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag +meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en +de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.</p> + +<p>Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke +kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van +den Pruisischen vorst was geschoren—dat was het eenige verschil—en +toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde +en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zóó treffend, dat +hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij +kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen, +streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en +vroeg:</p> + +<p>—Zie-je gien gelijkenesse?"</p> + +<p>—Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd, +door het evenbeeld getroffen.</p> + +<p>En mevrouw werd er haast bang onder.</p> + +<p>—O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.</p> + +<p>—Watte!... Wa zoên ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte +achteroverhellend.</p> + +<p>—Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met +verschrikte oogen.</p> + +<p>—Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten +lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone +"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten +Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn +vrienden, haalde 't geïllustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn +zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het +konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:</p> + +<p>—Hm! Hè-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt +ge 't?"</p> + +<p>—O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich +de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht +vergelijkend.</p> + +<p>—Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van +trots en pret.</p> + +<p>Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun +liet zien wat onderaan stond:</p> + +<p>Willem I, Koning van Pruisen.</p> + +<p>—Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de +vrienden.—O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie +dreupels woater! Scheirt ouën board op ouë kinne wig en iederien zal +mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers +buitenlandsch-politieke gevoelens.</p> + +<p>Zonder bepaald op Lowie Napoléon af te geven, die zeer zeker een +beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten +invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te +mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde +niet lang of de sympathieën van meneer Fruytier en met de zijne ook +die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van +het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij +aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij +grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn +voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op +familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over +de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij +weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoléon +gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom +verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn +houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en +stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook +of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl +integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden +merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:</p> + +<p>—Verdeeke! menier Fruytier, ouën board valt uit op ouë kinne. Nou +wordt-e percies Peetje Pruis!"</p> + +<p>—Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid +gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in +'t dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij +wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het +deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht +erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.</p> + +<p>—Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hên." raadden +zijn vrienden hem aan.</p> + +<p>Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op +een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin +in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem +na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie" +beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren, +en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg +verdwijnen.</p> + +<p>—O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde +huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.</p> + +<p>Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het +ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn, +ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.</p> + +<p>—<i>We</i> zijn d'r!" zei hij... <i>W'</i> hên Lowie Napoléon vaste? <i>We</i> 'n moén +nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt +Parijs in onz' handen"...</p> + +<p>O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!... +'t Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de +koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!</p> + +<p>De sensationeele berichten zwollen tot de +proporties van een algemeene wereldramp, die ook óns zou komen +aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen +het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen +dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de +dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak +van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te +bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had, +maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij +kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in +de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij +zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:</p> + +<p>—Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"</p> + +<p>—Och Hier och God! dàt 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en +dochter ontsteld overeind.</p> + +<p>—Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een +beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.</p> + +<p>Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich +smeekend, snikkend aan zijn kleeren.</p> + +<p>—O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze +goan ou ginter deudschieten!"</p> + +<p>—Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.</p> + +<p>—O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou +b'lieft!"</p> + +<p>—Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en +vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"</p> + +<p>—O, wacht te minsten nog nen dag of twieë, nog ienen dag! nog nen +halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen +uchtijnk, tot da we gelezen hén wat dat er in de gazet over +geschreven stoat!"</p> + +<p>Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste +overhalen.—Goed. Hij zòù wachten tot den volgenden ochtend. Maar +zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste +nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en +bleef onherroepelijk; hij móèst, hij wilde er naartoe. Hij had het +plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.</p> + +<p>Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te +pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer +van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind, +met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.</p> + +<p>Reeds vóór het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw +en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op +hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende +aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn +brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anaïs, de +dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar +de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar, +met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te +doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij +geen toebereidselen tot vertrek maken.</p> + +<p>Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was, +het volgende sensationeel bericht:</p> + +<p>"Duizenden en duizenden soldaten van het +"Fransche leger komen onophoudelijk over de +"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond +"en allen verkeeren in een allerdroevigsten +"toestand van uitputting en ellende. Zij worden +"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk, +"per spoorweg, naar verschillende plaatsen +"van het land gedirigeerd. Gisteren avond +"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik, +"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee +"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden +"er ook twee naar Gent gestuurd, waar +"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den +"namiddag zullen aankomen."</p> + +<p>Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:</p> + +<p>—O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.</p> + +<p>Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw +strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.</p> + +<p>—En mijn reize noar Sedan?" zei hij.</p> + +<p>—Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur +troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw +Fruytier.</p> + +<p>Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.</p> + +<p>—Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da +euk wille zien," drong zij aan.</p> + +<p>"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps +opgewonden overeind staande.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Was als een kermisdag in Gent...</p> + +<p>Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle +gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de +aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.</p> + +<p>Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er +omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was +overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een +betrekkelijke orde te handhaven.</p> + +<p>Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter, +elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas +geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten +gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover. +Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme +sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder +op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en +'t maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat +voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich +gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet +hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem +verhinderd hadden naar Sedan te gaan.</p> + +<p>—Wa ès da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!" +bromde hij.</p> + +<p>—'n Beetse passiëncie, man, 'n beetse passiëncie, Pa, smeekten +vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende +menigte bijna stikten.</p> + +<p>Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.</p> + +<p>Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel +der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard +voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels +rechts en links omlijst.</p> + +<p>De Fransche krijgsgevangenen!...</p> + +<p>Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend +rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie, +met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op +'t stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en +machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.</p> + +<p>Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere, +hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren, +ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen +was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten +hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de +bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw +geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband +gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe +kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een +lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte +oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als +een lijk.</p> + +<p>De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte +van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste +van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die +welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu +eindelijk van héél dichtbij, Dàt waar ze maanden van gedroomd en +zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dàt was +er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door +bloed, van al die menschen—hun medemenschen—die niet eens wisten +waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood +werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid, +'t was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche +Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel +opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de +aarde weer in puin stortte.</p> + +<p>—Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw +Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.</p> + +<p>—Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En +eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet +goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem +stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te +snikken als een kind...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard. +Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding +was gedweeër, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve +autoriteit.</p> + +<p>Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...</p> + + + + <hr style='width: 45%;' /> + + + +<h3 style="text-align: left"><a name="IX._VAN_TOEKOMST_EN_VERLEDEN._">IX. +VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.</a></h3> + +<p>Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan +Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong +koewachterken denk...</p> + +<p>'t Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was +ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche, +groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden +boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen +prachttooi.</p> + +<p>Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poëtisch verscholen, +met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het +groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met +een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine, +groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.</p> + +<p>Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met +haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.</p> + +<p>Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch +poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met +fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen +heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en +zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode +lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken +moest.—Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een +guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder +soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd" +zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe +en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt +door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend +om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem +gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke +liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat +alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde +ze hem soms.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes +neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal +frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden. +Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de +verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene +gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de +overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En +'t was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo +liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feërie van +licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden +woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om +nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van +'t boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg +of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op +en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te +krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar +ongeëvenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een +beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en +oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.</p> + +<p>Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den +lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje +binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond +er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn +eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke +netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de +versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers +blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardsteê, +onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje, +reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste +kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte, +schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar +schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar +elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar +als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere; +en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in +afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden. +Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van +Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt +werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom +van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine +eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in +het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak +scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met +grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig +denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die +midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had +staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen +een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn +verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige +vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven +een héél zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het +rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende +lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...</p> + + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die +omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar +ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande +deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.</p> + +<p>Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij, +met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.</p> + +<p>Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.</p> + +<p>—Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou +leven gezien 'n hét?" fluistert zij met een vreemde, half lachende. +half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch +gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En +schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.</p> + +<p>Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn +oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen. +zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder +een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.</p> + +<p>—Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.</p> + +<p>—Stt!" sist ze, met den vinger vóór den mond. En zacht duwt ze mij +half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.</p> + +<p>Het duurt een poosje vóór ik in die grauwe schemering iets +duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar +door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren +licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:</p> + +<p>In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op +die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend, +stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong +kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt +en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van +toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide +rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren, +dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in +wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet +begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.</p> + +<p>—Da ès iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze +toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:</p> + +<p>—Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschiën!"</p> + +<p>Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje +zich om, staat daar even sidderend vóór ons, met zijn mes in de hand. +Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem +'t mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een +kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele +sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en +paarsrood van wilde inspanning.</p> + +<p>—Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden. +"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as +'t nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala, +leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen +nie mier!"</p> + +<p>Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep +om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.</p> + +<p>Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en +mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch +nog eens eventjes goed opnemen, vóór ik haar verder over dat gekke +gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar +wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar +voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi +rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en +inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar +schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige, +bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo +verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te +krijgen.</p> + +<p>—Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie +vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.</p> + +<p>Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die +kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd +geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter, +van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden +zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna +handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij +koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er +dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te +gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu +'n sloeberken, doar 'n hè-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter; +ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur +zijn wirk w'hán hem al wel honder kiers wiggezonden..."</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn +eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de +hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al +lang geleden...!</p> + +<p>Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo +heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weêrgezien. Wat is er +geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van +'t vechtlustig Feelken... ik weet het niet!—Zoo nu en dan, in den +loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het +verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag, +vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche +vlammetjes in 't eenzaam haardje, vóór mijn geest opglansde en als +een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,—hoe of waarom juist +gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er +eenige aanleiding toe—gisteren kwam het zich eensklaps met de +kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de +oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen +van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn +geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik móést er heen.</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.—De +wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende +moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze +waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast +scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome +benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht +zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes +voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend +als van weemoedig, heimweeïg verlangen, in hun haastige, haastige +vlucht naar mildere oorden.</p> + +<p>Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de +sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en +als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd +roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het +winterdoodsche boomgaardje, kom vóór het groen, half open +boogdeurtje.</p> + +<p>—Gien belet?'</p> + +<p>—Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.</p> + +<p>—Dag Zieneken!..."</p> + +<p>Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een +heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een +vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite +raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend, +vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel +roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan. +Blijkbaar herkent ze mij niet.</p> + +<p>—Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne +komen om mijn puipken t' onsteken?"</p> + +<p>—Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide +handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en +blozende wangen, komt ze naar mij toe:</p> + +<p>—O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend +hèn!"</p> + +<p>En wij praten over het verleden...</p> + +<p>Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder +van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet +komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten +zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar +oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en +zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.—Moar zet ou, +meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie; +'k hè al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons +allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n +dreupelke pakken...?"</p> + +<p>Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeïge emotie. Ik voel ineens +den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is +in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met +links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt +werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen +melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange, +bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken +aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog, +waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf +zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde +gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte +haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds +levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo +schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten +onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van +mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger +verloren. De jaren, de zorgen, en àl die kinderen hebben hun +vernielingswerk aan haar verricht.</p> + +<p>Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend +over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik +weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en +zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering +van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven, +somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een +beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poëzie +en lente?</p> + +<p>Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.</p> + +<p>—En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee +zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es +'t zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?</p> + +<p>—Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es +'t broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den +boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."</p> + +<p>En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de +wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar. +beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande +staldeur verdween.</p> + +<p>Feelken!... O, was dàt het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo +oud, zoo afgeleefd, versleten...!</p> + +<p>—'t Veintsjen hè zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei +Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en +allien achtergebleven met drei kleine kinders..."</p> + +<p>Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje +datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine +koewachter, met messen wilde vechten?</p> + +<p>—O nien, nien 't," zei Zieneken; de dieë was al lank vergeten.</p> + +<p>'t Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling +geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje. +Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren +voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, héél +oude vreemdeling geworden...!</p> + +<p>Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren +ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het +achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even +likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.</p> + +<p>Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in +verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar +spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een +heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje +zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige +eenzaamheid van het verlaten keukentje...</p> + +<hr style='width: 45%;' /> + +<p>'t Is uit... ik voel dat het voor àltijd uit is en dat ik nooit op +het aardig boerderijtje meer terug zal komen...</p> + +<p>Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen +schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje +oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,... +twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen +en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt +elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is +mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes +zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs +den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van +bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige +verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong +koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering +van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen +te bewaren...</p> + + + +<p> </p> +<p>EINDE.</p> + + + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE *** + +***** This file should be named 18069-h.htm or 18069-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/6/18069/ + +Produced by Johan Boelaert + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/18069.txt b/18069.txt new file mode 100644 index 0000000..0510b63 --- /dev/null +++ b/18069.txt @@ -0,0 +1,5402 @@ +The Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Lente + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: March 29, 2006 [EBook #18069] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE *** + + + + +Produced by Johan Boelaert + + + + +LENTE + +Cyriel Buysse + +1907 + + + +INHOUD. + +LENTE. + +OBSESSIES. +I. Het bezoek van engel Gabriel op aarde. +II. Het hondje. +III. Het slecht vijffrankstuk. +IV. "Den Binder". +V. Restitutie. +VI. De Stier. +VII. Berouw. +VIII. Peetje Pruis. +IX. Van toekomst en verleden. + + + +LENTE + +Tante Zeunia lag op sterven... + +Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken +en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar +beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef +tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand. + +--'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog +eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in +zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder +haar nog eens te zien. + +--Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien +voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al +haar grillen te voldoen. + +--Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht. + +En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog +dienzelfden avond zouden schrijven. + +Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te +Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was +Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds +lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen +tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had +gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder +gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer +verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden. + +Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging, +Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en +verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld, +het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij +haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven +suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer +toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts. + +--Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje. + +--Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien. + +--Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje. + +--Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille +wij moete schrijven, e-woar?" + +Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder +verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken +bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar +steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat +achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had +gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen! +Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte +vraag van zijn jongeren broeder: + +--Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te +doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien +keunen ontirven." + +--Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerdule over spreken," +raadde Standje. + +Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden +den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder +omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint, +achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden +neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden +glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging, +en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de +illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet. + +Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij +was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat +gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst. +Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur +was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een +vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een +seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen +stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn +dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo +keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel +vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der +vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen +boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der +hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem +daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen +verwerven. + +Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar +zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en +beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge +schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte +en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe +oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een +glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij +hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens +uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren. +Belzemien, en ook zijn zuster Cordula, die het huishouden deed en +nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke +zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij +zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst +op 't boerderijtje niet gehuurd. + +De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg +gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte +geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht +der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder +beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als +het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van +boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar +nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke +sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht +als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder +zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig, +schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes, +volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag, +grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden +boomgaard van hun boerderijtje. + +Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend +goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en +glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even +verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide +stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun +wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche +lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde +broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog +van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen +Cordula, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws. + +Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels +van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur +geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin +Cordula reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje +gevolgd. + +--Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid, +de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd. + +--Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met +een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in +den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en +ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante. + +Coben en Cordula luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard, +met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn +langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen +broer opvangend. Cordula, vier jaar jonger dan Belzemien, had een +beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond, +groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar, +dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte +kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders +droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een +zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin +verkleurd was. Cordula, mager en gebogen, met smalle, ingevallen +borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit. +Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met +haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar +van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in +dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn +steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus +scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het +stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en +stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid +verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of +meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van +laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en +een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op +den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van +Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde +knechts der hoeve waren. + +--Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep +wenkbrauw-fronsend Cordula, toen Belzemien ten slotte het nogmaals +herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt. + +--Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje. + +Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof +hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep. + +--Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna +agressieven toon. + +Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?--Alles zou er van +afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van +den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou +ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk +niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval +mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst +niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot +gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden, +haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar +deel,--dat van haar overleden moeder--mocht en zou ze hebben, maar +ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen! + +--Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n +dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte +mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op +Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong +nichtje nu volstrekt te willen zien. + +Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren +zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest +ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar +de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag, +en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cordula's groengeverfd +werktafeltje. + +--Hoe lank es da nou geleen dat Leontine hier mee heur ieste +communie geweest het?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e +gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch +schrijve?" + +Hoe lang...? Cordula telde even op haar vingers na en wist het +dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd +sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was +toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met +Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal +nog zou kennen. + +Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar +toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een +groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens +Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en +aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief +in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, he?... hoe +dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven? + +Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes +aan; en zonder notitie te nemen van Cordula's nurksch gebrom en +Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje, +die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon: + +"Ma chere niece Leontine. +"J'ai l'honeur de vous informe que... + +Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest +vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij +zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had, +hakte hij maar terstond de moeilijkheid door: + +"... que tante Zeunia est tre malade en danger +"de mort et quel ma charger de vous ecrire +"quel desir de vous voir avant de mourir. +"Venez donc directement comme possible +"et ecriver par quel train. Onkel..." + + +Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen: + +--As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen. +Wie dan van ulder het er...?" + +--Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei +Standje met een soort van haast. + +En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door +'t venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde +verder. + +"... Onkel Constant seront avec le tilbury et +"cheval a la station pour vous atandre." + +--Mee den tieprie, nog al! Woarveuren da, verdeeke! He ze zij gien +bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den +tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cordula +nijdig in. + +Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook +iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig +sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend +gezagvoerend: + +--'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn. +En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?" + +Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong +koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie +broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje +op hun boerderij wel zouden doen. Cordula's meening klonk kortaf en +categorisch: + +--Niets bezonders. Ze zal 't hier hen lijk of we 't zelf hen; en es +ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!" + +Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander +aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor +Cordula en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren. + +--Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij +veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering +zijner kleine oogjes. + +--Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk +'t kort-afdoende antwoord. + +Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje +keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch +leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de +gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou +nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen? + +--Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cordula uitdagend. +"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie +mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot +zijn!" + +De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht. +Cordula was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje +nog even de vraag: + +--En woar moe ze sloapen?" + +--Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde." + +--O! niet in de beste koamer!" + +Cordula keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde +oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En +plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie: + +--Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe +komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in +moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?" + +De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cordula in haar kwade +buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet +tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog +wel. + + * * * * * + +Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de +boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's +antwoord. + +Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het +velletje papier er uit, ontvouwde dit en las: + +"Beminde nonkels en tante, +"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord +"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de +"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat +"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij +"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei +"met de train die om zes uur in de station van +"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog +"wel heel goed en hoop u te vind in goed +"gezonteit. +"UW bemint nichtje +LEONTINE." + +--Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog +'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het +eigenaardig briefje. Maar Cordula spotlachte smalend om dat +onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend, +het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende +oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit, +terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog: + +--O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van +die goeje ziepe!" + +Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus. + +--'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne, +goeriekende ziepe." + +Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling +zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze +'t insgelijks Cordula trachtten te doen ruiken, trok deze zich met +een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend: + +--O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd? +Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die +P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen. +'K zal 't in de beke smijten!" + +De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken +oogslag met elkander wisselen. Cordula kon nog eens gevaarlijk +worden in haar onweersbuien. + +Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen +en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich: + +--He, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze" +trekken." + +Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde +Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder +een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury. + +--Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje. + +Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een +zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond, +die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen. + +--Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje. + +De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn +hok terug. + +--En nou de kerre," zei Standje. + +Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af +en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere +vensterramen van het woonhuis toe. + +De kar werd stil op zij geduwd. + +Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de +verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend, +kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het +erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas +geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd. + +--Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte +hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend. + +--Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of +'t harnas van den tieprie in order es." + +--Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij +goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van +ulder peuten scheiren, zegt hij." + +--Ah, c'est ca, c'est ca," glimlachte Standje tevreden. + +Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een +nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis, +zei, bijna fluisterend, tot Pierken: + +--Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen +achter de muur van de loeze." + +Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de +achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!... +juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op +'t zelfde oogenblik Cordula op den drempel van het woonhuis staan. + +--Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij +desnoods tot scherpen tegenstand bereid. + +Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte +Cordula geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het +rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet +zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde +zij naar de stallen toe: + +--He! Leenie! Leenie!" + +Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de +haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met +opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder +opgestropte mouwen. + +--Wa es er, bezinne?" riep zij. + +--He-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cordula. + +--Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid. + +--Hawel, as ge gedoan het komt in huis om mij 't helpen schuren!" + +Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat? +schuren op een woensdag! He... zou zelfs Cordula, ter eere van de +komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide +met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van +onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen. + + + * * * * * + +Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het +kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor +gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was +schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend +gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar +wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het +wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende +klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!" +suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige +opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te +spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen, +grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden +geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje +wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje. + +Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten +van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne, +strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch +belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij +van het wachthuisje staan. + +--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie +bij den breidel vasthoudend. + +Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een +enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht +voor 't kleine station gereden. + +--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds +dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende +manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd +omwendde. + +De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen +uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar. + +--Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij +haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar +plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier, +een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een +grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig +frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende +oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend +schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje +van verre riep: + +--Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!" + +--Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand +tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde, +een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging, +en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd +onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn +harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde: + +--Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee +ou?" + +--Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje, +geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat +begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan +met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo +mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en +ontroerd door haar gansche verschijning. + +--Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es +'t thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.--En dan weer +angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou +hou, Bello, hou hou...!"--Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn +peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar +hier, 'k zal 't onder de bank steken." + +Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte +zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de +stille straten van het kleine plaatsje. + +--En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag. + +--O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie +niet meer wetend wat hij zei. + +--Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje +hem diep verbaasd aan. + +--Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde +Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur +es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?" + +--Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur +vandoag nog keune zien, nonkel?" + +--Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r +mee ou noartoe goan." + +Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordula ging, en +met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar +aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en +verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den +indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de +handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo +fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming, +dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit +haar briefje opgesnoven had. + +Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de +houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve, +stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom +strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar +voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen +donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en +hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken, +frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne, +tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als +eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote +boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en +in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden +eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken. + +--O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't +jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal +rondkijkend. + +--E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen. +"'n Greut verschil mee P'rijs, he?" + +--O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde +zij glimlachend. + +De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en +lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het +zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde, +slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke +eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij +vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels, +zingend zaten neergestreken. + +--O, qu'est-ce que c'est que ca, mon oncle?" riep zij met een zoo +opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde +en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou, +Bello! moest laten hooren. + +--Ca, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord +niet dadelijk vindend. + +--Oh! Et que font-elles? + +--Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer, +opnieuw om zijn raar taaltje lachend. + +--Comme ca, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd. + +--Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje. + +--Et ca ne leur fait pas mal? Ca ne pique pas?" + +--Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hen, e-woar? Ze +zijngen..." + +De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig +kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat +deze maar half begreep. + +--Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig. + +--Que vous etes une zolie fille!" schertste hij, haar met +glinsterende oogen aankijkend. + +--Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend. + +Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en +breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen +juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in +een wagenspoor bijna omkantelde: + +--O mon oncle! mon oncle! Wat es dat toch!" + +'t Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den +blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde +onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van +duizend-en-duizenden zoemende bijen. + +--Datte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend +keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend. + +--O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij +nen bouquet van mee nemen!" + +--Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen +seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien +nie geirn hen, as 't hij moest zien..." + +--Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij. + +'t Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte +uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor +den boer, naar de groote hoeve omkeek. + +--Hmm! Hmm! comme ca sent bon!" juichte zij, met volle armen +plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan +'t schermen, met haar beide handen. + +--Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke +worden!" + +Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij, +overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch +gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden +schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar +de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen +de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds +zichtbaar werden. + +--Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje. + +--'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps +jubelde ze 't uit: + +--O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen! +La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas? +Oh! comme elle est gentille!" + +--Owie--owie... ce ca!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig +dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond. + +--En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?" + +--Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je +wel, dat toreken." + +--Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A +present je me rappelle tout a fait et je reconnais encore le petit +clocher. C'est la que j'ai fait ma premiere communion!" + +--Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje. + +Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over +'t steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over +den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van +'t woonhuis stil. + +--Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En +zij viel in de armen der verbouwereerde Cordula, die op den drempel +was verschenen.--Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen +ook van den verbluften Belzemien.--Bonjour, mon oncle Coben!"... +En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben. + +Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en +blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van +gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te +zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast +door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet +minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan +'t wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank +overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en +zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook +Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard +naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand, +keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordula, als om +haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven +moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige +voute-kamer naast haar te doen slapen. + +--O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig +het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met +gouden letters uit en bood dien Cordula aan. + +--As 't ou blieft, tante, 'k he da uit Parijs veur ou mee gebrocht." + +--Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een +plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak +openend.--Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar, +kijkt toch ne kier hoe veele." + +--Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend, +Leontientje. + +Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordula; gulzig proevend. + +Het was een voile zak pralines, en Cordula presenteerde er nu ook +van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met +aarzelende vingers zich bedienden. + +Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordula vermurwd, en, het +valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag: + +--W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster! +Alhier zeker, e-woar?" + +En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe. + +Cordula scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar +groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al +vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil: +'t hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg, +haastig in haar verbluftheid stotterend: + +--Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier +moete zien of er niets 'n mankeert." + +Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het +valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel +neer, kwam er weer uit terwijl Cordula met 't nichtje binnentrad, +en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de +keuken op, stil juichend: + +--Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of +'t zijn moet!" + +Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben +en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt, +zenuwachtig opgewonden: + +--Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie +meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de +koeier te doen eten." + +--Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdule +gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da +niet meugelijk 'n es." + +--Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan +zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang +was den knecht en de meid te beleedigen. + +--Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel +miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig. + +--Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm +mee de zuster over klappen." + +Cordula en Leontientje kwamen terug in de keuken. + +--Wa goa-je gij eten, Leontine? G-het zeker wel honger noar die +lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien. + +--Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei +Leontientje. + +Bezorgd keken de broeders naar Cordula op. Haast iederen avond aten +zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen +smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij +vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou? + +--Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling, +angstig omdat Cordula nog niet dadelijk op de kwestie inging. + +--O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee +nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es +'t bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje. + +--Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte +dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de +maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een +schuw-schichtigen blik op Cordula, die maar aldoor stom en stug en +roerloos stond te luisteren: + +--Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om +bier goan?" + +Plotseling slaakte Leontientje een kreet: + +--O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch +al mijn scheune blommen!" + +--Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa, +'t es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal +z' ou goan hoalen!" + +Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong +veulen naar de "loeze". + +In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat. + +--Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid, +"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie +zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet +geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen +goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden." + +--Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordula +verontwaardigd. + +--'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moen iest en +veural onz' iere koavelen." + +Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen. + +--Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch +en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie +genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!" +krijschte Cordula. + +--Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld +afhouden!" riep Standje grootmoedig. + +--Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordula, meteen zich +overwonnen gevend. "He-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen +'n keunijnksdochter in huis!" + +De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden, +lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordula voorspelde nijdig erge +ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en +geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet +schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje, +roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan +toevoegen: + +--Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan +ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen +spoaren as 't geld op es!" + +Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht +half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen. + +--Wa he ze zij doar!" riep Cordula nurksch verbaasd. + +--O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hen ze lang de wig getrokken!" +juichte 't meisje. + +--Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde +Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat +Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als +Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht +vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu +fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van +dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, ce +du colza, ma niece." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch +mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordula beweerde knorrig dat +die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en +ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't +zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje +een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste +kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er +nog tijd was voor den eten om eens even rond de boerderij te gaan. + +De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille, +mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordula bleef brommig in +huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten, +putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie, +liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had +hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig +blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij, +in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte +goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken, +pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van +hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde +lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden +in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en +roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een +wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant. + +--Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij +haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide +met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps +werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en +las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een +kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas? +Tante Cordula ne sera pas fachee, n'est-ce pas?" terwijl de drie, +oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk +oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun +zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze +schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig +afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordula er nog niets van en +Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier +Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon +komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje, +bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in +'t smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige +verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte +waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche +opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar +in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat +haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten +haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen +waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam; +en eindelijk kwamen zij, door Cordula voor het avondmaal geroepen, +langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende +appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in +'t water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan... + +Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel +blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de +zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een +laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte +eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier. +Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had +fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer +tevreden. Cordula zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer, +beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met +kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen +ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en +haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en +weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje +scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben. + +Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over +Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog +steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan +twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en +ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel +werkte. + +--Zeu, zeu, veur ne corse-wijnkel nog al!" zei Standje, met een +ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen. + +--Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten, +'n he 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien. + +Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende +handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van +had. + +--En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde +Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn +ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en +kant. 'K he passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het +azeu aan oue kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven +honder fran in." + +--Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle +drie de ooms verwonderd uit. + +--Ha, da es zottigheid! viel Cordula barsch in. Da es geld wigsmijten +of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch +ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed +droagt!" + +--Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't +almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend. + +--O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordula met van diepe +minachting neertrekkende lippen. "De diee 'n zijn nievers beschoamd +in!" + +Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets +meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar +frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die +door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol +gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje +keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den +ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde +uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon +gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl +zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het +eitje vestigend, gegeneerd stamelde: + +--Mais mon oncle tout de meme... comme vous etes drole...! + +Vaag-achterdochtig keek Cordula met een schuinblik naar hem om; maar +zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de +anderen niet goed begrepen... + +Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen +buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de +knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong +koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch +hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk, +vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht, +donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op +en groette "elk ne goen oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan +de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke +Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks +opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover +Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het +nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de +keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste +vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo +scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar +huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in +verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en +langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij +voor een vuur stond. + +--He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem +spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging +hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van +Bruuntje. Cordula bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende +pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een +haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote, +houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te +slurpen. + +--Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent +donc a meme la terrine, sans assiettes!" + +--Owie, owie, ils ne demandent pas ca. Ca est comme ca comme dans +le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen +glimlach. + +--Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel +overtuiging toe. + +Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch +kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte +hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was +zooals Belzemien en Standje zeiden. + +--Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig. + +En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming, +begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te +praten. + +De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar +'t station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster +ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen +nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten +kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed +mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was +hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij +geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had +zij ook niet eens meer gevraagd. + +--'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre +grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd. + +--Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer +gepraat werd besloten dat Cordula er den volgenden ochtend met +Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder +bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak +geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar +testament zoude kunnen veranderen. + +Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken, +waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels, +overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna +gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich +somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den +zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordula's +lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke +schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van +heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje +wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een +avondluchtje scheppen. + +--O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend +opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs +zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordula, goa-je +gij euk nie ne kier mee?" + +--Moar nien nien ik, en al die schotels nog te wasschen zijn!" +antwoordde, op half bitsen toon, Cordula. En tot de dienstmeid: + +--Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan het goan we 'r al gauwe +mee beginnen." + +Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid +drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen +en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het +landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen, +onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op. +Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de +feeeriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen +in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de +diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen +witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers +om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde +schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek, +zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van +diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare +aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende +gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote, +donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen. + +--O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier +wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje. + +--Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje. + +--'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien. + +--Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon. + +--Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune +worden?" stotterde Coben. + +Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de +zachte harmonie der geheele poetische stemming, en Leontientje, tot +de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde: + +--Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?" + +Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig +dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille +landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in +traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets +droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid. +Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der +klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar +even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een +langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte +van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een +verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late +kar voorbij. + +--O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van +'t plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met +als 't ware een zweem van spijt.--Overal lichten, en voituren en +scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?" + +--Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog +eens de broeders. + +Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel +van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms +door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en +wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren +reeds ter ruste. Cordula stak een nachtkaars aan en opende de deur +van de "beste kamer". + +--Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordula, die +zich even verbaasd half achteruit trok. + +--Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de +beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het +jeugdig-frisch meisje gezoend. + +--Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde +halfluid en verontwaardigd Cordula, toen zij in de keuken, bij de +drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een +slecht huis woare!" + +--Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk +nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld. + +Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met +fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen, +onduidelijke klanken stotterend. + +--Slechte menieren, da zijn 't," bromde Cordula boos.--"En gulder, +ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da +mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n +mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit +verlied van doage!" + +Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders +af, Cordula goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar +boven. + + * * * * * + +Toen Cordula den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in +het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een +bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter +voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had. + +--Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd +het? vroeg Cordula, zonder evenwel sterk aan te dringen. + +--Niemand, niemand, het den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met +stillen nadruk haar woorden. + +Cordula keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd +gezicht bij zette. + +--Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze +berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de +non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws +zou sturen. + + * * * * * + +--Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei +gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordula, met Leontientje +weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde. + +--Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress +van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!" + +--T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge +zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe +dat 't verder afleupt." + +--'t Es da 'k zeu weinig tijd he," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan +mij zeu lank niet missen." + +Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden +ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder +verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje +verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We +zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren." + +--Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg +pen en papier om aan haar vader te schrijven. + +Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje +haar brief aan 't opstellen was. + +--Wa zoen we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de +oudste broer knipoogend. + +Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had, +krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig +verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat +eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar +probleem. + +--K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa, +wa zoen we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee +heur uitrijen?"--Standje wist eigenlijk wel 't een en ander, hij +had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben +moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen +vermoede dwarsboomerij vanwege Cordula. Zwijgend ondervragend keek +hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig, +ondervragend aankeken. + +--'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje +voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur +uitgoan en ien van ulder morgend?" + +--Ba joa, ba joa, we zoen 't meschien azeu keune probeeren," zei +Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?" + +--Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de +stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen. + +--Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij +was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n +beetsen uitrijen." + +--Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben +te hakkelen. + +Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in +opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje +uit het huis kwam: + +--Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den +achternoene nog ne kier op uitrijen!" + +--Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een +hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen. + +Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien. + +Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij +bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en +de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde. + +Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den +buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den +boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in +bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale +pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon +het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de +boterkarn aan het klutsen ging. + +--O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het +grappig-eigenaardige der uitvinding verrast. + +--N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar +verrassing. + +Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te +hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in +'t achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij +en wipte, als onder een zweepklap, half op. + +--Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig. + +De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit: + +--'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke +doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa +vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel." + +--Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend. + +--Me non, me non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien. +"Ne kier dat hij de goejen trampel het, 'n roaken de peunten hem nie +meer oan." + +--Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje. + +--Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs +om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan." + +--Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog +steeds meelijdend. + +--Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers, +'n uur en half almets." + +--Ach!... en zonder iene kier te rusten?" + +--Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in +zijn vel." + +--Och...!" + +--Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe," +glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven +stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure +moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen." + +--Pauv' bete,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op +den aldoor trappelenden hond gevestigd. + +Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan +zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het +gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten +door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer +aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden. +Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend, +met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende, +bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn +naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop. + +--Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van +het schouwspel afwendend. + +--Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins +teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden +boomgaard wandelen. + + * * * * * + +Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo +rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er +opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag +en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend, +gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn +blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond +halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij +vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er +bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan; +Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig +scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje +van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna +iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers +door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle +plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een +voortdurende roes van opgewondenheid. + +Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij +geen van drieen uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen +slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij +heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun +oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en +'t was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk +opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch +en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle +Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!" +en wanneer Cordula niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings +toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan +door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte +zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk +verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de +bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij +eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordula in de keuken kwam +om te ontbijten. + +Maar Cordula hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en +na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van +lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over +haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van +alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te +durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van +'t jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin +veroorzaakt had. + +Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen. +Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar +eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje +dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam. + +--Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte +Cordula dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee +thuisgebleven broeders uit. "Wa moen de meinschen doarvan peizen! Ha +'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten +de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouen, Belzemien! +Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien +half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier +den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nog ou verstand het en +da g' hier den boas zijt!" + +Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest +hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen? +Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier +buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel +eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de +geheele oorzaak van alles!--En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat +dat betrof mocht Cordula gerust zijn: hij hield Standje in 't oog, +hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd +terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je +wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel +iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever +niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als +hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordula +moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles +zou in orde komen. + +Cordula, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het +mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar +zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee +te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens +te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante +gesteld was. + +Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi +en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordula's +vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een +verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het +Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene +zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met +fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een +lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden. + +--Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte +Leontientje. + +--Owie, owie, tre chaud, nous aurons peut-etre de l'orage," beaamden +Belzemien en Standje. + +De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het +Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open +ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van +witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en +sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er +bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de +oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle +wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een +flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als +zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend +vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte +almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en +eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit: + +--O wa he 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant, +wilt e mij liere zwemmen!" + +--Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd. + +--O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel +Constant, en wilt-e 't mij lieren?" + +Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de +jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al +zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs +aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om +Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen; +doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door +Cordula's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuitie van +een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend: + +--Joa moar, es 't serieus? Het-e oprecht goest om in 't water te +goan?" + +--O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps +opspringend, huppelend en dansend van blijdschap. + +--Joa moar, het-e gij doar klieren veuren." + +--Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!" + +Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig +toegesneld. + +--Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij +'t wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te +stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit +wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de +sidderende hand. + +--Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel +Coben!" smeekte Leontientje. + +En de twee oudere broers, door een gelijke intuitie als die van +Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en +hoofdschuddend toe. + +Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich +te verkleeden. + +Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering +wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug: +Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit +nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen +boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun +eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder +de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als +een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn +smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was +om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine +bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte, +nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende +lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en +rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en +te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in +krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte +vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en +verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar +middel toegeregen witte nachtkleed. + +--Hawel-e-wel-e-wel! Hawel-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die +door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te +kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid, +het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende +handen. + +--Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den +oever glijden.--Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was. +Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden +boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en +al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle +kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg. + +--Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den +oever schouderhuiverend. + +--O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom, +geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen." + +--O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze +voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat +dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje, +stak beide handen uit naar Standje--... en eensklaps, met een +grooten plons stond zij in het Zonneputje! + +--O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij. + +Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste, +koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan +Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van +het beekje medetrekken. + +Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte +nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met +bloote beenen in het helder putje. + +--Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het +weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en +zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals +hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen +en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om +haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte +schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een +vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst. + +--Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op +den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje, +als bedwelmd van emotie in het water stond te beven. + +--Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje. + +--Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee oue +kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k he ou goe vaste." +En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou +moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te +ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen +oakpuit"(1). + +[Noot van de schrijver: +(1) Kikvorsch.] + +Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij +kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer, +omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje, +gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en +Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om +niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid +van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren +komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren +knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door +het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van +walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een +boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen +recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog +rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter +wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen. +Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan, +schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms +nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef +terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend: + +--'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er +nou moar uit. Kerdule kan doar alle menuten weere zijn!" + +Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en +plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in +het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan +naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te +helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden, +zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje +een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van +dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien. +Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen +lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende +pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen, +vluchtten naar het woonhuis toe. + +Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn +druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige +bond met ruige haren. + + * * * * * + +Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen; +Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van +verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine +en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun +dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de +zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige +lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde. + +Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok +niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende +kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel +de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n +ziele" zooals de menschen zeiden.--O, zou Tante misschien +plotseling... + +Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te +spreken. Eensklaps kwam Cordula hijgend om den hoek van 't huis met +opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle +stem en strakke, donkere oogen: + +--Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom +seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren +aflezen!" + +Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood? +Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De +ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens +vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren; +de broers, Leontientje, Cordula, liepen zenuwachtig, als verloren +heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet +duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis, +het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij +als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden +om er Tante's testament te hooren voorlezen. + +--Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe! +herhaalde steeds Cordula, gejaagd en opgewonden. + +Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste +kamer", de broeders naar den zolder. + +--Wa es da hier? Wie het-er hier mee natte voeten over de vloer +geleupen?" riep knorrig Cordula, toen zij in de keuken kwam.--Kijk +ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!" + +Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas +gebeurde; en zelfs Cordula drong niet aan, geheel en al door 't andere +in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken +als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps +stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders. + +--'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een +angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,--'k ben +toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal +beveurdielt zijn." + +--O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet +as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n he ze nie gezien," poogden de +broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet +geruster dan Cordula, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun +verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en +even angstig als Cordula zelve waren zij naar den inhoud van het +testament benieuwd. + +--Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r +mijn deud aan hoalen!" beefde Cordula met wijd-uitgezette oogen. +--Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den +hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend: + +--Moar wat ten duvel het-e gulder hier toch uitgesteken binst da +'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in +huis?" + +--Wel, Hiere, 'k he ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig +dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend. + +--Gezwommen!" riep Cordula met open mond en verwilderde oogen. +Gezwommen!... mee heur... in de beke?" + +--Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen! +Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje. + +--O! die sloeze!" gilde Cordula schor van verontwaardiging.--O, die +sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch +zijn, die doarin behoagen schept! En he 't wirkvolk da gezien? 't Es +'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof +nog teugen durft!" + +Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen +straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek, +beenderig, ontsteld gezicht.--O, gie leulijke, leulijke, vieze +leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een +walgkreet rende ze de trappen af. + +Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het +traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de +zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende +lentevelden... + + * * * * * + +Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...! + +In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de +angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordula het testament +voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel +voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten, +alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster +der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen +nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf +verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel +tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven. + +Cordula voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu +van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was +reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en +Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben +schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere +bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden, +opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had +plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste +meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen +hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe, +ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit +te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van +Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in +de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens, +ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering +hikkende stem: + +--Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben +zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?" + +Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde, +barstte in een klinkenden schaterlach uit. + +--O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.--Maar zij zag in 't +bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde +zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna +bang. + +--Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter. + +--'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt, +'t wordt hier loater amoal 't oue!" herhaalde hij smorend, +opgewonden.--Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?--En hartstochtelijk +greep hij haar hand. + +Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden +achteruit: + +--Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en +gij..." + +--Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in +de rede...--Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien +achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O, +Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig! +Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n he nog noeit gien uur oprecht +plezier g' had in mijn leven!" + +Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang +verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als +een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren, +zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en +kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren, +tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk +willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde +die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en +plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest +tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden +zoen te drukken. + +--Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge +mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het +hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend. + +Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid +teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering +doorschudde heel zijn lichaam. + +--Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon, +g-het gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en +vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier +lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek +hij haar in den zachten maneschijn weer aan. + +Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe. + +Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis +terug.... + + * * * * * + +'t Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was +verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje +aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het +paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar +vader nu, weer weg te brengen. + +Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,--een voor zijn +leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur +en blonde haren--nam van de ooms en van Cordula afscheid. + +--Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi +tous de venir un beau jour a Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de +beurt Coben, Cordula en Belzemien omhelzend. + +--Owie, owie, peud-eder," glimlachte Belzemien met fijn knippende +oogjes. + +--Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien, +mille fois merci, et a plus tard, n'est-ce pas, a Paris?" herhaalde +ook Leontientje, beurtelings Cordula en haar ooms een laatste maal +omhelzend. + +--Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het +frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten. + +Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de +teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde +groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg. + +Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als +op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende +zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een +zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer +in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas +vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal +bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat +te bibberen... + +Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk +weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter +der seinhorens schichtigde. + +--Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij +ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste +afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden +in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den +teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en +zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse +opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter +ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een +sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar +mond, half op haar zachte wang verloren. + +'t Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide +lente!--De trein reed ruischend met haar weg--hou hou, Belleken, hou +hou!--en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling +zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in +haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het +neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven... +wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend +stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een +wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der +spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween... + + + +OBSESSIES + + +I. +HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE. + +Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan +Soarelke Meule... Ik zag hem voor mij, zooals ik hem in leven gekend +heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme +beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote +oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander, +scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde... + +Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen +Kwamen toegestroomd. + +Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen +tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol +tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen, +bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige +bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die, +met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg +te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond +bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar +de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat. + +Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig +vertellen!--Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste +oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls +krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was +slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste +beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot +lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.--Hij +was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en +juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle +vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk +tot den grond der dingen door. + +Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen +en konden uren lang naar hem zitten luisteren.--Zij zaten daar, +onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental, +vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de +brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten +Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem +goed leuk en ondeugend te stemmen. + +--Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriel +op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was +da niet te Poeke, in 't Luizegevecht? + +Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog +eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde. +met zijn ruwe, korte, barsche stem: + +--In 't Muizenhol was 't, he 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge +zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele! + +--En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd? + +--Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken +hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke. + +--Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier. + +En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens, +bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske +stem: + +"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriel +aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen, +mee zijn vleeren toe. + +"Gabriel, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke +mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen? + +De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren: + +"Wat es er ten ouen dienst, ons Hiere?" vroagt hij. + +"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou +beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien +wat dat er ginter gebeurt. K'en he doar in doanig lank nie mier van +g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse +begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en +informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt." + +Goed.--Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriel trekt zijn beste +geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem +op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan +'t Muizenhol! + +--Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere +gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels. + +--Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke! +Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen. + +--Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er +te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en +zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee +'t jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriel, die da nog noeit van zijn +leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons +Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te +sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn +geiwene vleeren aan! + +--Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke? + +--Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk +Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere, +die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne +weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven +komen. + +--En Gabriel wig, zille! de lucht in!--Sente-Pieter stond al uit te +kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten. +"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar he-je gij zeu lank +gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den +ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem +rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van +colere zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn +kniens vallen en zegt: + +"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!" + +"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd het!" zegt onze lieven Hiere, +die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel +ziet. + +"Joa ik, lieven Hiere, 'k he mij doar oprecht goe geamezeerd: 'k zoe +liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriel. + +"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven +Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag. + +"Ooo, doar 'n he'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den +ijngel Gabriel. "'K he mij loaten neere valle tusschen Vijnck en +Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n he mij niet gespeten, zille!'t +Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en +sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de +gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt." + +"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?" +vroeg onze lieven Hiere. + +"Giene meinsch die van ou gesproken het, lieven Hiere," zei ijngel +Gabriel. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de +leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat +die meinschen ginter zijn!" + +Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel +Gabriel dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twiee te +weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriel tieken dat +hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen. + + * * * * * + +--Goed!--'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriel weere +mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen +treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker. + +"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier +op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter nou gebeurt. En deze +kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu +lange wig of dat 't neudig es. + +Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem +'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol! + +--Nog ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke? + +--Nog ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!--Goed.--Den ijngel +kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat +hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst +ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders +of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa +noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk +komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es +'t zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle +kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens +veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch +dat aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier +mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij +hem boven op en komt er weere mee in den Hemel. + +"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Het ou van deze +kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee +zijn sleuters aan de peurte stoat. + +"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij +al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere. + +"Ha, jongen, g'het opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere. +"Hewel hoe es 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie +geklapt?" + +"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zeker van ou geklapt! Ze 'n +klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriel. +"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En +zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier! +'t Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en +donker; de boeren hen de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es +verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken +kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk +tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om +t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..." + +Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand +aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen +board. + +"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft +zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.--Weet-e +wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat +hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken." + + * * * * * + +Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den +gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der +pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid +mededeelden.--Omheen was 't wonderzacht en stil en in den +somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren. +Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden +de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de +verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te +droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een +krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den +onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere +slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens +der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met +hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun +innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het +twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker +groepje taalde: + +--Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om +noar bedde te goan. + +En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de +asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal... + + + +II. +HET HONDJE. + +De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station +gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even +wachten. + +Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is +lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele +railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek, +schitteren twee miniatuurbloementuintjes. + +Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje. +Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede +herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg +doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee +herbergjes. + +'t Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille, +groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en +goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van +het dorpstorentje opschiet. + +Daar komt de trein.--Slechts enkele reizigers staan wachtend op +'t perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op +den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een +vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie +pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken +houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts +drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp. + +Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te +belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en +zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of +boom. + +Knarsend op zijn remmen heeft de trein voor het stationsgebouw stil +gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt +en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden +opgehaald. + +Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog +even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.--Maar,... het +lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam +en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets +bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar, +scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje. + +Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden? +Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de +obsessie!--Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap +af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie! +Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot +verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren? +En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik +daarvoor terugkom?--Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik +er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en +half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het +herbergje. + +De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het +schemerig, ongezellig gelagkamertje... + +--Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend. + +Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie +pootjes naar mij toegehinkt... het hondje. + +--Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend +over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje. + +Het hondje schijnt dat niets naar te vinden. + +Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt +zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger +aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes. + +Daar komt de vrouw. + +--'n Pijntsje bier, bezinne. + +Het glas wordt mij gebracht. + +--Scheun weer, e-woar, meniere? + +--Joa 't doanig scheun weere. + +Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets +meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje. + +--Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht +merkend.--Spijtig dat 't zijn peutsen afgereen es! + +Ha! daar is de aanleiding! + +--Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen. + +--Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die +kapot gereen wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is +gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie +geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereen +wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk +mee die twie wirkmeinschen! G' het doar toch van g'heurd, meniere? En +de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een +akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een +vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd. + +'t Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de +afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik +denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die +kleine hondjes bij die groote treinen loopen.--Nu weet ik het, en +wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen +belangstelling meer in. + +Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.--Maar nu, (en dat is mijn +voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik +nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan +den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt +onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes +bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en, +met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een +heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar +de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij +de praterige vrouw te volgen. + + + +III. +HET SLECHT VIJFFRANKSTUK. + +Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude, +onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een +molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van +gelijken leeftijd--een jaar of veertig--maar zeer verschillend van +uiterlijk. + +Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge, +beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige, +doorzakkende knieen. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar +voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen +een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig, +die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van +gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig. + +Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke +wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske +grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter. + +Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde +Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den +boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske +werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag +Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem +soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige +armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te +wenken. + +Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche, +lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis, +troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in +'t herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat +oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag. + +Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen +herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder +contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve +bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts +iedere week een frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te +brengen. + +Een frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes" +bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al voor den +middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege +glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst +van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou. +Gelukte dat niet, dan bleven ze toch maar zitten, omdat ze anders +niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om, +toch zoo vervelend en ellendig lang was. + + * * * * * + +Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een +vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de +gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu +eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een +vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei: + +"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt het. en +niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne +cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn +bezit he zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver +zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie +geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hen. Doet +er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt." + +En hij gaf het stuk aan Theofielke. + + * * * * * + +Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te +Bekijken... + +Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als +veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom +nu juist dat stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die +immers ook maar zilver waren, wel deugden. Hij woog het in zijn hand +en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een +gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een +hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone +stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat +dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling +ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen, +terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak +verborg. + +Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met +Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk +genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te +beraadslagen. + +Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en +zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen. +Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer +berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de +omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende. + +Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er +twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank, +die nu wel aan een stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar, +in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende +Deeske. + +Toen trokken zij er op los. + + * * * * * + +Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij +stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle +wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige, +kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij +zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof; +Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende +schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij +telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele +bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen +lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine, +omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het +jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs +den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee +vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer, +die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met +bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die, +worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis +te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen +gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen; +en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij +moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even +aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen. + +Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen +drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen, +maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te +worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het +kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar +schenktafel glazen stond om te spoelen. + +--Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig +air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend. + +De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem +even vaag wantrouwend aan. + +--Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als +om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde +met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te +voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk +spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske +stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke, +die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had. + +--Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes +op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk +gestemd, begon zij een praatje over 't weer. + +De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun +sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er +nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen +glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof +er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook +Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur, +verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die +borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe +vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend +aankeken, en er waarachtig nog eentje bestelden. + +Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit +zijn zak, en legde 't op de tafel. + +--As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven? + +De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar +schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te +voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en +bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het +raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in. + +--Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw +met ontstelde stem eensklaps zeggen. +--Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend. + +--Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.--Kijk ne +kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur +hing, en waar al de vijffrankstukken,--de gangbare en de niet +gangbare--zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld +stonden. + +Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan. + +--Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk! +verzekerde Theofielke. + +--Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met +haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel, +'t es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van +veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge +moet mij ander geld geen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke, +die het kalm weer in zijn zak stopte. + +--Ha, sakerdeeke! En 'k he 't gisteren in de post ontvangen! +beweerde hij enkel. + +--Tuttuttut, 'k 'n he doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee +ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend. + +--Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos +veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es! + +--En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld +geen! gilde de vrouw. + +--We 'n hen gien ander! bekende Theofielke. + +De vrouw stond even als verslagen. + +--O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van +woede, te krijschen.--Ala! hier buiten! En van den achternoene zend +ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare! +Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt! + + * * * * * + +Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen +portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort. + +--Hawel! wat dijnkt ou? Zoen we leute hen vandoage! lachte +Theofielke. + +Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk +schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute +zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke +mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn +kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange, +loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp. + +Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine +boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging. + +--We 'n meugen nie al te ziere drijnken; we zoen te gauwe zat +worden, meende Deeske. + +Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door +moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf +wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens +zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange, +saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den +_Groenen Jager_ en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl +Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet +rinkelen. + +Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan +Theofielke terug. + +--Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste +verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor +ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich +geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval, +tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het +verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den +postmeester tegen een ander hadden ingeruild. + +Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde, +ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme, +welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de +menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten, +en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna +uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er +eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen +werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk, +onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het +afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scenes +plaats en wel het ergst in de afspanning: het _Vliegende Paard_, waar +zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was +daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en +vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het +aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door +den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij +plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat +gegooid. + +Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot +te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog +andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en +kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee. + +Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het +_Vliegende Paard_ opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en +begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar +heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder +ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen. + +--Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na +een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen. +--Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen! + +Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van +dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te +redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen. + +--Loat ons bij Veel-Hoar goan en de diee mag 't vijffrankstik houen, +stelde Deeske voor. + +Ietwat onthutst keek Theofielke op. + +--Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk. + +--Ha! da es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de +knechtejongens bij VeelHoar? + +Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn +slungelige tronie. + +--Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse +trekken, en wie 't langst het iest? + +Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op, +frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske +voor. + +Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk +waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide +hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te +voorschijn. + +--O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke +achterdochtig. + +--Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske. + +Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en +haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in +'t omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het +mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk; +men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde +wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den +rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam) +Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd +men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door +Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om +het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet +'s zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde een frank, +twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een +achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er +naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van +Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel +niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje +hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige +kans, die zij niet mochten laten ontsnappen. + +Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te +vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het +stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon +schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het +donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame +straten. + +Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een +boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den +straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der +overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de +schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend +gedoken. + +Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef +doodstil. Het oogenblik was gunstig. + +Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te +kijken door een spleet van het gordijntje. + +--Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke. + +En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden +binnen. + +--Elk ne goen oavend... + +Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek, +bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel, +dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had +kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en +rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel, +bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude +moeder, suffigduttend in elkaar gezakt. + +--Kijk, kijk! Wie da we doar hen! riep Veel-Hoar, half spottend, +half uitdagend.--We zoen wel geld geen om ulder te zien! + +Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel +kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen. +"Elk ne goen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam, +deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een +tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde +bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even +over 't tafelblad liet rinkelen. + +Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd +door het verleidend geluid even wakker. + +--G'he 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit +te roepen. + +--Ha, w'hen toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar +het stuk weer in zijn zak verstoppend. + +Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat +beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.--Vijf frank! dat kwam +zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden. + +--Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske +royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde +nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar +den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op +te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken +versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore +zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig +pratend. + +Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is +zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook +den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte +om op te stappen. + +De glazen waren leeg. + +--Nog vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde +Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren +daar nog een heele poos te blijven. + +Langzaam stond de boerepummel op. + +--Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem +beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende, +heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk, +kortaf, op boozen toon bijna, afhakte: + +--Joa moar, Sies, vandoag 'n he 'k gienen tijd, zille; ge moet nen +andere kier komen. + +Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske, +droop de pummel af. + +--Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur +achter hem dichtsmakkend. + +Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met +een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan. + +--Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de +geijkte vraag.--Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield +intusschen de oude, suffe moeder aan de praat. + +--Joa moar, hoe zit dat? He-je gij euk geld? vroeg zonder omwegen +Veel-Hoar. + +--Theofielke zal ou vijf fran geen, beloofde Deeske. + +--Joa moar, en gij? + +--Hij he 't geld, lijk of ge gezien het. Hij zal betoalen veur ons +alle twiee. + +--Hoe, veur alle twiee? + +--Wel joa, w'hen lotse getrokken. Ik ha 't langste. + +--O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend. + +--Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske, +reeds in 't gangetje. + +Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze +weg, Deeske achterna... + + * * * * * + +--Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in +'t gangetje verschijnend. + +Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe. + +--Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten. + +--Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het +Gangetje... + +Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden +door het somber tuintje weg. + +--He ze 't? He-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder +'t vluchten. + +--Joa z', zille! Moar hoast ou nou! + +Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen +in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in +veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog +en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend, +schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen. + +--Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld +Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend. +Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen +galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend. + +--O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hen mij 'n slecht +stik van vijffran gegeen! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen. +'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar! +Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over +de keien in de straat gekeild. + +Deeske, die voor Theofielke zat, zag het even in de duisternis +zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen +zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn +dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat +door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks +doorheen. + +--Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel! +riep hij dof. + +--'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog +dienen, fluiserde Theofielke. + +--Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoen ons deudsloan! Ala +toe, wig, wig! + +Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor +een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open +veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van +Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat +opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en +bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden +zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit. + +--Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte +Deeske. + +--Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hen! +jammerde Theofielke.--We zoen d'r nog ne kier kennen mee uitgoan. + +--Bah! 't gien dat we g'had hen, hen we toch g'had, troostte +Deeske.--Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft +ouen boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik. + +Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend +aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes, +zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij +voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het +lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast +elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een +hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de +gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij, +roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort. + +Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en +ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den +dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de +lange, saaie arbeidsweek. + +--Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag he? zei Theofielke. + +--Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske. + +En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge +pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld. + + + +IV. +"DEN BINDER". + +Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich +verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den +jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen. + +Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje +van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht, +en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit +gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna +aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte +met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde +kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem +dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je, +als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze +ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder +licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en +fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een +onuitsprekelijken weemoed, die zoo aangrepen, zoo onweerstaanbaar +aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer +zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond +van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen. + +Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken, +menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de +menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon +tooveren. + +Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste +dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder". +Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager, +houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel +veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska +heette zij. + +--Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de +jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,: + +--Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd: +treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis! +Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt! + +Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het +voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den +Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen +leven. Want,--en dat was wel het aller-ergste,--ook zij geloofde +dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens, +na zoo een of andere plaagscene met de straatjongens of de buren, +overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de +razendste verwijten. + +--O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend +krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar +nou in hen as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de +stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen +doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven +lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n +zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou +en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden +hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past +ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert! + +Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed +van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet +dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar +maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn +angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met +korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu +en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen +den vloer stampte: + +--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij +zot! + +Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille +stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en +huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk +moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met +open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel +staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en +dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat +de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van +verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het +winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half +verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en +toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep, +hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde, +zwakke, onbenullige weerlegging herhalend: + +--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij +zot! + +Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen +in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met +hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren, +of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en +hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de +boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst +niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit +weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij +voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de +deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje +tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet, +dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een +kort gebed. + +In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen +merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen +mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch +gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde +leed. De slag,--zijn zelfmoord--viel als een donderslag, onverwacht. + +Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit +'t water zien halen.... + +Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn +paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn +vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen +uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen, +met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die +afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo +had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een +modderige sloot was gehaald. + +Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden. +'t Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het +lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide +van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een +twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen. + +Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes +rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld. + +"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd het!" gilt de +menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den +Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende +armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn +doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij +lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zoo +scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den +rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend. +'t Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een +bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den +Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel +heel ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en, +onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat +warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen. + +Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van +mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van +vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen +op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder +verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met +gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar +binnen starend. + +--Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die +vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven. +'t Is er een warboel, in en om het huisje. + +De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet +houdt voor het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen +zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder" +binnendragen. + +En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den +kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke, +rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal: + +"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik +van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder" +komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"... +"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt +voader.--"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"--zeg ik.--"Dag," +antwoordt hij.--Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier +blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater +toe.--"Wa betiekent da verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij +doen?"--"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee +zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens +uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg +ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies +gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in +'t woater!... + +--En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge +man niet verder vertelt. + +--Hawel, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon. + +--Joa moar; wa het-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de +toehoorders aan. + +--Wat da 'k gedoan he?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.--"'K +ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere +boven gekomen; hij he gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten +geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en +onder gebleven... + +--En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader +euk niet? + +--Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde +versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de +schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier +gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen... + +Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken +sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds +als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid +opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul +van een gefolterd beest. + +--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!" +zeggen de menschen, langzaam uiteengaande... + + + +V. RESTITUTIE. + +Teum Grondnagel lag stervensziek... + +'t Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een +zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang +geweest. Ik zie hem nog in verbeelding voor mij staan: groot, zwaar, +vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en +zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende +oogen. + +Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en +benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar +gesloten blijven, zonder een klank door te laten. + +Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren +vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp +hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van +hun tijd verbeuzelden. + +Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een +minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar +enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat +noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden, +"aan 't woaien" was. + +Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen +verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en +verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling, +zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen +ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren +aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te +waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien". + +De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding, +nog voor hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis +tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij: + +--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan +'t woaien!" + +Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen +en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en +krachten!... + +Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem +heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot, +overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer +aan het trakteeren en betalen, een woeste dierlijke, liederlijke +orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het +zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn +hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en +in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn +walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan +den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan +ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor +het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken +had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te +koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige +slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke +bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de +melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort +geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij +zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde, +wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren +en weer een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was +hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij +voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn +diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij +was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende, +verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en +van nietelingen onder de knie had. + +Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam +slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was +eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd! + +Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den +donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol +gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd +uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en +afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van +hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en +nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zoo sterk gevreesden +meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog +raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht +meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam! + +Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid, +die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend +einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de +toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening +hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende +zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die +lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten +'t niet, maar Hij, de Groote Rechter, voor wiens troon hij weldra zou +verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem +tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen +doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof +hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende +oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen +slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch was er +voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en +zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost +geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet +opgebeurd. Een enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog, +voor hem open: restitutie doen!... + +Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den +donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al +bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te +veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk +geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed +herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te +rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe +namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn +oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij +begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou. +Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na +eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje +uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken +eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt +had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op +de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime, +sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg +hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen. +Hij zou er hem mild voor beloonen. + +Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde +Jantje, na een korte aarzeling, toe. + +En Teum begon een voor een zijn zonden op te sommen, eerst tegenover +Jantje zelf. + +--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud +verkocht het? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n +woart er nie bij. Hawel, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou +betoald he, worden d'r negen honderd vijftig. 'K he ou dus dien dag +veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven +centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van +mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn? +Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim, +doar es vijf en twintig fran!... + +Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde +Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur +kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde +handen beefden op zijn knieen, alsof ze sidderden van kou. + +--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met +droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te +nemen. + +--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de +handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn +potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor: + +--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op +tien joar leverijnge van eirdappels. + +Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos. +--Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar +mijngelijnge van rogge in de tarwe. + +Jantje knikte. + +--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet +in de boter... + +Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en +bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die +Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens +opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde. + +--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was +bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg, +terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen +'t boerenhuis verliet. + + * * * * * + +Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar +hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin +alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich +heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs +losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde. + +Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen +wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als +stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen +twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter +waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in +alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar +heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van +lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig, +vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere +levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe +langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes +bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die +hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende +schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen +de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon +vinden. + +Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten. +Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar +buiten; en, nog voor Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij +dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem: + +--Hawel? Wa hen ze gezeid? Hoe es 't gegoan?" + +--O! bezonder! bezonder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met +zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie +geleuven!" + +Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum +hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij +merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde, +met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te +slaan. + +--Wa hen ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend, +kortaf, aamechtig hijgend. + +--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte +Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard +toestruikelend. + +Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op +een afstand te houden. + +--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' het gewoaid!" +raasde hij, knarsetandend. + +--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje +beleedigd en verontwaardigd. + +--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe. + +Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen. +Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef +haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de +menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd, +wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden. + + * * * * * + +...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht +geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog +slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op +de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge +met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte +melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna +opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu +onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te +luisteren. + + +Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en +oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn +zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend +en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude +ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het +uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde +enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de +doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag +over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen. +Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd, +hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en +radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een +bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche +stilte galmde: + +--Hawel, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en +donker. Mag ik nou wiggoan?" + +Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel +weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord. + +--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde +stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar +den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende +vingers aan. + +Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog +nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de +beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen +staarde. + +--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen. + +--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend. + +--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en +kijkt-e kier!" hijgde Jantje. + +De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den +haard. + +--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit. + +De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op +den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den +mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding +naast het uitgebrande haardvuur... dood. + + + +VI. +DE STIER. + +Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene +uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje, +waar de straatweg, zich in tweeen splitsend, een soort rechthoek +vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee +wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het +herbergje binnen. + +'t Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar +nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes +beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net, +klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het +Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel, +gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde +van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de +bont-gekleurde uithangborden. + +Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster: +menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er +'t "stameneetje" bijhielden om rond te komen. + +Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en +kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen. +Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook +kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat +voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met +sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat +zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige, +vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, meer dan een donkere +haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest +dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in +'t dorp "de Stier" genoemd. + +"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of +wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het +zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden: +"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden +gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De +spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende +beteekenis verloren. + +En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet +uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende +nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit +'t omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen +die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun +aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een +praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken +van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens +een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs, +o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de +Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken +aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar +snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog +en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor +geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten. +dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat al te bont, dan +zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en +was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar +uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een +flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het +baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter +haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen +en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen +en naar raden. + + * * * * * + +Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!... +de "Stier" zou trouwen...! + +Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder +beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield +aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje, +de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp +en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd, +men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn +zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open +deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen +moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos +midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er +alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer +en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat +zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen +scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige +relatie wilde hebben. + +Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken, +zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half +verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de +beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een +middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel +van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de +straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje +verdween... + + * * * * * + +Het was zoo: de "Stier" ging trouwen...! + +De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur +van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den +preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had +de scheiding van hun klein vermogentje geeischt, en het zoolange +jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in haar +deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste +dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven. +Daar, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige +stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk +af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het +echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage, +algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich +beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden. + +--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de +oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken +hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen: + +--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde, +alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te +zeggen. + + * * * * * + +Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje +op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van +"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En +er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions +en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de +trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou +hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden. + +Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de +kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke +scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden +naar het gemeentehuis toe. + +Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen +gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel +eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten +hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was +deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid +doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange +haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar +gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen +lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de +snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna +uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte +haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet +op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname +buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode +koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend +gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door +overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het +einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als +schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen +gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier", +'t gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende +schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een +vrachtwagen loopen had overgehouden. + +De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen. +Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze +ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd +onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat +joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten +weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den +burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de +geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige +verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij +een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te +kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een +wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de +Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield +zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als +vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep, +zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op. + +De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem +"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook +Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En +hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen: + +--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n +nieuw boeksken komen hoalen." + +De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van +den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken +schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid +hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren +in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw: + +--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!" + +De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer +hoe vreemdere oogen op. + +De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het +gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop +van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek +wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende +stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke +ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren, +alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden +doorbrengen. + + * * * * * + +Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug. + +Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk +geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te +wiegelen aan gespannen touwen voor de huizen, een vurige triomfboog +prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met +zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de +man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet. + +Voor hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij +gek-plechtig door het feestcomite verwelkomd. Een der leden trad +gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene +hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij +een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders +weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man +begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend +onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog +en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het +glas aan haar echtgenoot, die het in een teug ledigde. Dichtbij nu +bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en +plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met +donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het +gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest +ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend +in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig, +waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen +door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun +huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de +vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met +fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte +hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit... + +Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat +geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele +poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer +hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van +hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op +luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en +woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was +een abnormale, gekke, rustelooze nacht. + + * * * * * + +'s Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den +loer. + +Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de +Stier en haar man terug te zien. + +Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht +schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes +opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort +geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes +vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen +boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn +hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens +vlugjes in. + +--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der +buren. + +De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman +hoofdknikkend: + +--Ieste klasse! scheun weer, he?" antwoordde hij; en verdween in het +huisje. + +Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo: +alles goed! He! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als +elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en +zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet +zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun +raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en +'t leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had. +Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij +aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden +terug. + +Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en +Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het +_Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te +nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn +tuintje en de Stier ontving haar klanten met een +helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets +ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch +ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord +en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van +Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend +in de ongezellige gelagkamer zat. + +--Hawel, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r +doar bij geweest. Alles es goed, zille!" + +--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat +'t 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboon worden!" + +--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da +vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee +heure veint gelukkig es!" + +--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie +meugelijk! Pouah! Pouah...!" + +Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken +'t hoofd voor alle verdere verklaringen. + +En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wat +ze moesten denken. + + * * * * * + +Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de +Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret +kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of +"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat +of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos, +wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol +belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in +'t _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al +te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er was +iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en +sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar +strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van +zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange +haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht +gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan +ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de +dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en +niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps, +volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte. + + * * * * * + +'t Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte +van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken +waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar +troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten, +dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had, +dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier... + +--Watte? Watte? Wat es er mee?" gilden de menschen, trillend van +ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het +ware uit den mond halend. + +--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds +razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide +met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling, +hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en +dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk +niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging +pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren. + +--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!" +brieschte hij. + +'t Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met +hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem +opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar +de Stier vertoonde zich niet. + +--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en +'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te loan en +te verhuizen?" + +Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond +aan om zijn goed naar buiten te sjouwen. + +--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte +zijn deur ruw openstampend. + +De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een +kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden +in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier +bleef onzichtbaar. + +Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige +straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje +opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw, +reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee +weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken +elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden +zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich +eindelijk vertoonen zou. + +Maar de Stier was en bleef onzichtbaar... + +Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en +pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog +eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat +alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was +afgeloopen. + +--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden +de menschen. + + * * * * * + +Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden +gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer +gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in +zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke +lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare +klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds +onveranderlijk hetzelfde: + +--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand +zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint." + +Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel +beter... + +'t Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_ +doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den +nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier, +niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een +avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het +huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht. + +Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die +haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en +vermagerd vond, vroeg enkel: + +--Hoe goat 't er mee?" + +En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met +ietwat matte, trieste stem: + +--O nog al goed; en mee ou? + +--O, euk nog al goed. + +Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen +enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig +om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam +sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op. + +--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof. + +--'K 'n he nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as +'n potse kaffee drijnken. + +Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden +ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar +kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met +strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en +stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat. + +--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of +snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos. + +--'t He passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den +achternoen he 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud +doen dekken, antwoordde zij. + +--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het +in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets +meer van den vreemden indringer die weggeloopen was. + +Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan, +genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op +zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij +was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en +onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine +oogjes slaperig half open. + +--Wat dijnkt ou? Zoen we nie goan sloapen? stelde hij voor. + +--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij. + +Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de +voordeur dicht te doen. + +Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders +dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Een hing er in +haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt. + +--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd. + +--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij. + +Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen +aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap, +naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van +'t stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote +schaduwen over de witte muren. + +Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de +hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij +met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had +aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en +zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn +deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte. + +--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte +stem. + +Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op +'t smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles +plotseling heel stil en donker. + +Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke +vlokken... + + + +VII. +BEROUW. + +Dit is 'n heel zware en droeve obsessie geweest... + +'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts, +niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis. +Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in +vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil, +treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de +vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den +blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede +heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles +vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid! + +Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid, +de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede +zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen, +zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de +vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de +wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden +rythmus, halend open... + +Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en +luikjes open; een met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide +kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de +luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met +dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als +omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien +kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt. + +In dat huisje is een doode. + + * * * * * + +Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend. +Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets +valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een heel slechte +reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard, +een vechter en bijna een moordenaar. + +Die kwade naam was verdiend. Hij was lui, +hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij +wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon, +stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel +van kwaad tot erger. Nu moest hij wel van roof en diefstal leven, +want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen +hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte +dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het +dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette +zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad +betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen +hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er +nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was +sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de +mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur +had hij in de gevangenis gezeten. + +Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die +'s avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand, +geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde +uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders. + +Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche +dorp verademde en juichte: + +"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!" + +Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot +tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals +hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er +bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van +bijna naieve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor +deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden: + +--'K he mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen." + +De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien +avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn +lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt; +hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook +trouwens midden in den nacht gepleegd. Waar had hij dien nacht dan +verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan. + +--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen he!" herhaalde Jules +een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur +behoorde. + +Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur +ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld +werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de +gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette +dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om +met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in +schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins +bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn +brood wenscht te komen. Waarom sliep hij als een vagebond in de +schuren? vroegen de gendarmen. + +--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde +Jules. + +De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier +van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen +zoo redeneerde! + +--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met +nadruk. + +--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen. + +--Joa ik," zei Jules. + +--Woar es 't?" + +--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons +huizeken van t' huren." + +Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar +honderd frank in mooie zilverstukken. + +Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in +bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld +hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd. + +--'t Es hem! 't es hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders +gedreien, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!" + +--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede. + +--'t Es hem! 't es hem!" herhaalde de boer met onverstoorde +overtuiging. + +--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules. + +De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun +overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules was een der daders en +proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt. + + * * * * * + +Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte +rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij +zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de +boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen +huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en +trouwden. + +Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de +correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem +aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou +hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig +had? + +Voor de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele +beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken +nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het +allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten +te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen +berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken +leven leidde. + +--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hen?" vroeg +de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik +te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat +achtten. + +Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde +beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een +jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden. + +Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf. + + * * * * * + +Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan +Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden +onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam +op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met +de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw +met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was. + +--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje, +dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de +gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang, +verrukt aanstaren. + +--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem. + +--Jules... Julken," snikte zij. + +--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van +het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte... + + * * * * * + +Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte +gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche +rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre, +verre gedachten. + +--'t Kot he hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij he bereiw, +hij es broave geworden." + + * * * * * + +Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn +geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde +sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen +gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek +met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware +een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren +klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij +uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin, +scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang, +hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe +het met hem was. + +Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had +hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar +eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond +daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen +den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze, +verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er +onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats. + +--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat +gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze +gevroagd worden?" + +Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder +in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan +doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat +hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie +van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zooveel dat +hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij +het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vol met van die lange, smalle, +witte kisten onder 't groene gras. + +--Ge zie wel da ze gevroagd worden; da wordt altijd gevroagd," was +eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord. + +En meer was er niet uit te krijgen... + + * * * * * + +... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het +groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de +grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan +het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den +drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden +en zilveren franjes voor de dichte, groene luikjes... + +Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam +uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat +hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil +verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen +de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een +van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op +voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog +altijd meer moest timmeren... + +Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge +vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het +stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met +uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt +'t kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in +zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve +duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank, +geen zucht, geen adem komt naar buiten. + +Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde +velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De +groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder +lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar +stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en +puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte +wolkjes... + + + +VIII. +PEETJE PRUIS. + +In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en +Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in +Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur. +Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen +hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen, +en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer. + +Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de +Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen +van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich +Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze +geillustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: die +welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek +eenigszins op Bismarck; dat oud, gebogen ventje uit het +Armenhuis op Moltke, die handelsreiziger, die om de zooveel weken +met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo +was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning +Wilhelm. + +Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp, +met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het +nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met +gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze +persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere +kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het +ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge, +donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als +sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte +zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en +fluweelzacht-golvende gazons. + +Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet +bizonderen naam van Amede Fruytier. Hij hield van lekker eten en +drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las +iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten. + +Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke +opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel +precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was +er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en +buiten alle partijen stond. + +--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend, +als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en +zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis +op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en +veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen." + +Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets +goed-ruws hebben. Hij deed dan wel heel barsch en sprak wel heel +kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te +verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig +ijdel! + + * * * * * + +Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij +gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wel de moeite +waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n +volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop +gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn +vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de +rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun, +uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten +voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer, +Louis Napoleon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders +worden, zoodra die zelf het heft in handen nam! + +Hij prononceerde: "Lowie Napoleon" en hij sprak over den Franschen +Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende. +Lowie Napoleon zou dit, Lowie Napoleon zou dat; Lowie Napoleon had +zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer +Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel +enkele bevoorrechten behoorde. + +Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Worth, +Froeschwiller; en onze geillustreerde bladen, die eerst niets dan +Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag +meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en +de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend. + +Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke +kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van +den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en +toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde +en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zoo treffend, dat +hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij +kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen, +streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en +vroeg: + +--Zie-je gien gelijkenesse?" + +--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd, +door het evenbeeld getroffen. + +En mevrouw werd er haast bang onder. + +--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij. + +--Watte!... Wa zoen ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte +achteroverhellend. + +--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met +verschrikte oogen. + +--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten +lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend. + + + * * * * * + +Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone +"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten +Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn +vrienden, haalde 't geillustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn +zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het +konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind: + +--Hm! He-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt +ge 't?" + +--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich +de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht +vergelijkend. + +--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van +trots en pret. + +Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun +liet zien wat onderaan stond: + +Willem I, Koning van Pruisen. + +--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de +vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie +dreupels woater! Scheirt ouen board op oue kinne wig en iederien zal +mienen dat ge Peetje Pruis zijt!" + + * * * * * + +Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers +buitenlandsch-politieke gevoelens. + +Zonder bepaald op Lowie Napoleon af te geven, die zeer zeker een +beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten +invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te +mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde +niet lang of de sympathieen van meneer Fruytier en met de zijne ook +die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van +het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij +aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij +grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn +voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op +familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over +de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij +weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoleon +gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom +verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn +houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en +stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook +of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl +integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden +merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend: + +--Verdeeke! menier Fruytier, ouen board valt uit op oue kinne. Nou +wordt-e percies Peetje Pruis!" + +--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid +gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in +'t dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij +wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het +deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht +erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen. + +--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hen." raadden +zijn vrienden hem aan. + +Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op +een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin +in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem +na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie" +beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren, +en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg +verdwijnen. + +--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde +huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte. + +Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het +ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn, +ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor. + +--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hen Lowie Napoleon vaste? _We_ 'n moen +nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt +Parijs in onz' handen"... + +O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!... +'t Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de +koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde! + +De sensationeele berichten zwollen tot de +proporties van een algemeene wereldramp, die ook ons zou komen +aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen +het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen +dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de +dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak +van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te +bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had, +maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien. + + * * * * * + +Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij +kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in +de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij +zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede: + +--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!" + +--Och Hier och God! dat 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en +dochter ontsteld overeind. + +--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een +beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken. + +Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich +smeekend, snikkend aan zijn kleeren. + +--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze +goan ou ginter deudschieten!" + +--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij. + +--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou +b'lieft!" + +--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en +vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!" + +--O, wacht te minsten nog nen dag of twiee, nog ienen dag! nog nen +halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen +uchtijnk, tot da we gelezen hen wat dat er in de gazet over +geschreven stoat!" + +Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste +overhalen.--Goed. Hij zou wachten tot den volgenden ochtend. Maar +zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste +nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en +bleef onherroepelijk; hij moest, hij wilde er naartoe. Hij had het +plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd. + +Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te +pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer +van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag. + + * * * * * + +Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind, +met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld. + +Reeds voor het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw +en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op +hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende +aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn +brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anais, de +dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar +de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar, +met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te +doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij +geen toebereidselen tot vertrek maken. + +Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was, +het volgende sensationeel bericht: + +"Duizenden en duizenden soldaten van het +"Fransche leger komen onophoudelijk over de +"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond +"en allen verkeeren in een allerdroevigsten +"toestand van uitputting en ellende. Zij worden +"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk, +"per spoorweg, naar verschillende plaatsen +"van het land gedirigeerd. Gisteren avond +"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik, +"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee +"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden +"er ook twee naar Gent gestuurd, waar +"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den +"namiddag zullen aankomen." + +Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval: + +--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij. + +Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw +strak-roerloos al over zijn brilglazen aan. + +--En mijn reize noar Sedan?" zei hij. + +--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur +troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw +Fruytier. + +Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen. + +--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da +euk wille zien," drong zij aan. + +"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps +opgewonden overeind staande. + + * * * * * + +'t Was als een kermisdag in Gent... + +Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle +gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de +aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan. + +Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er +omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was +overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een +betrekkelijke orde te handhaven. + +Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter, +elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas +geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten +gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover. +Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme +sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder +op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en +'t maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat +voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich +gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet +hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem +verhinderd hadden naar Sedan te gaan. + +--Wa es da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!" +bromde hij. + +--'n Beetse passiencie, man, 'n beetse passiencie, Pa, smeekten +vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende +menigte bijna stikten. + +Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte. + +Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel +der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard +voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels +rechts en links omlijst. + +De Fransche krijgsgevangenen!... + +Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend +rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie, +met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op +'t stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en +machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen. + +Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere, +hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren, +ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen +was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten +hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de +bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw +geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband +gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe +kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een +lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte +oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als +een lijk. + +De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte +van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste +van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die +welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu +eindelijk van heel dichtbij, Dat waar ze maanden van gedroomd en +zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dat was +er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door +bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten +waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood +werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid, +'t was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche +Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel +opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de +aarde weer in puin stortte. + +--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw +Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend. + +--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En +eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet +goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem +stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te +snikken als een kind... + + * * * * * + +Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard. +Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding +was gedweeer, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve +autoriteit. + +Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer... + + + +IX. +VAN TOEKOMST EN VERLEDEN. + +Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan +Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong +koewachterken denk... + +'t Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was +ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche, +groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden +boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen +prachttooi. + +Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poetisch verscholen, +met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het +groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met +een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine, +groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat. + +Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met +haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder. + +Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch +poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met +fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen +heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en +zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode +lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken +moest.--Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een +guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder +soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd" +zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe +en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt +door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend +om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem +gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke +liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat +alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde +ze hem soms. + + * * * * * + +'t Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes +neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal +frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden. +Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de +verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene +gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de +overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En +'t was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo +liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feerie van +licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond. + + * * * * * + +Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden +woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om +nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van +'t boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg +of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op +en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te +krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar +ongeevenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een +beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en +oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was. + +Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den +lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje +binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond +er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn +eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke +netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de +versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers +blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardstee, +onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje, +reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste +kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte, +schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar +schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar +elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar +als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere; +en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in +afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden. +Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van +Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt +werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom +van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine +eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in +het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak +scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met +grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig +denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die +midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had +staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen +een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn +verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige +vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven +een heel zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het +rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende +lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten... + + + * * * * * + +Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die +omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar +ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande +deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar. + +Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij, +met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich. + +Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe. + +--Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou +leven gezien 'n het?" fluistert zij met een vreemde, half lachende. +half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch +gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En +schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur. + +Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn +oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen. +zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder +een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept. + +--Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd. + +--Stt!" sist ze, met den vinger voor den mond. En zacht duwt ze mij +half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren. + +Het duurt een poosje voor ik in die grauwe schemering iets +duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar +door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren +licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik: + +In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op +die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend, +stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong +kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt +en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van +toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide +rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren, +dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in +wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet +begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan. + +--Da es iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze +toe en gilt ze 't verontwaardigd uit: + +--Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschien!" + +Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje +zich om, staat daar even sidderend voor ons, met zijn mes in de hand. +Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem +'t mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een +kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele +sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en +paarsrood van wilde inspanning. + +--Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden. +"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as +'t nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala, +leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen +nie mier!" + +Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep +om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten. + +Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en +mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch +nog eens eventjes goed opnemen, voor ik haar verder over dat gekke +gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar +wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar +voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi +rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en +inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar +schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige, +bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo +verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te +krijgen. + +--Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie +vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk. + +Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die +kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd +geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter, +van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden +zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna +handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij +koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er +dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te +gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu +'n sloeberken, doar 'n he-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter; +ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur +zijn wirk w'han hem al wel honder kiers wiggezonden..." + + * * * * * + +Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn +eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de +hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al +lang geleden...! + +Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo +heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weergezien. Wat is er +geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van +'t vechtlustig Feelken... ik weet het niet!--Zoo nu en dan, in den +loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het +verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag, +vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche +vlammetjes in 't eenzaam haardje, voor mijn geest opglansde en als +een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,--hoe of waarom juist +gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er +eenige aanleiding toe--gisteren kwam het zich eensklaps met de +kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de +oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen +van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn +geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik moest er heen. + + * * * * * + +'t Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.--De +wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende +moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze +waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast +scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome +benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht +zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes +voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend +als van weemoedig, heimweeig verlangen, in hun haastige, haastige +vlucht naar mildere oorden. + +Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de +sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en +als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd +roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het +winterdoodsche boomgaardje, kom voor het groen, half open +boogdeurtje. + +--Gien belet?' + +--Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem. + +--Dag Zieneken!..." + +Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een +heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een +vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite +raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend, +vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel +roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan. +Blijkbaar herkent ze mij niet. + +--Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne +komen om mijn puipken t' onsteken?" + +--Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide +handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en +blozende wangen, komt ze naar mij toe: + +--O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend +hen!" + +En wij praten over het verleden... + +Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder +van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet +komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten +zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar +oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en +zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.--Moar zet ou, +meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie; +'k he al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons +allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n +dreupelke pakken...?" + +Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeige emotie. Ik voel ineens +den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is +in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met +links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt +werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen +melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange, +bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken +aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog, +waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf +zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde +gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte +haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds +levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo +schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten +onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van +mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger +verloren. De jaren, de zorgen, en al die kinderen hebben hun +vernielingswerk aan haar verricht. + +Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend +over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik +weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en +zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering +van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven, +somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een +beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poezie +en lente? + +Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou. + +--En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee +zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es +'t zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde? + +--Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es +'t broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den +boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..." + +En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de +wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar. +beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande +staldeur verdween. + +Feelken!... O, was dat het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo +oud, zoo afgeleefd, versleten...! + +--'t Veintsjen he zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei +Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en +allien achtergebleven met drei kleine kinders..." + +Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje +datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine +koewachter, met messen wilde vechten? + +--O nien, nien 't," zei Zieneken; de diee was al lank vergeten. + +'t Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling +geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje. +Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren +voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, heel +oude vreemdeling geworden...! + +Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren +ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het +achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even +likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand. + +Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in +verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar +spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een +heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje +zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige +eenzaamheid van het verlaten keukentje... + + * * * * * + +'t Is uit... ik voel dat het voor altijd uit is en dat ik nooit op +het aardig boerderijtje meer terug zal komen... + +Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen +schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje +oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,... +twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen +en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt +elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is +mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes +zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs +den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van +bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige +verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong +koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering +van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen +te bewaren... + + + +EINDE. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Lente, by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LENTE *** + +***** This file should be named 18069.txt or 18069.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/1/8/0/6/18069/ + +Produced by Johan Boelaert + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/18069.zip b/18069.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e4727d5 --- /dev/null +++ b/18069.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..fbfb3cf --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #18069 (https://www.gutenberg.org/ebooks/18069) |
