diff options
Diffstat (limited to '17539.txt')
| -rw-r--r-- | 17539.txt | 5879 |
1 files changed, 5879 insertions, 0 deletions
diff --git a/17539.txt b/17539.txt new file mode 100644 index 0000000..e41fc06 --- /dev/null +++ b/17539.txt @@ -0,0 +1,5879 @@ +The Project Gutenberg EBook of Dagen, by Stijn Streuvels + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Dagen + +Author: Stijn Streuvels + +Release Date: January 23, 2006 [EBook #17539] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe. + + + + +DAGEN + +door + +STIJN STREUVELS + + + * * * * * + + +INHOUD + +De kalfkoe +Naar buiten +Sint-Jan +Sint-Josef +Vrede +Verovering + + + * * * * * + + +DE KALFKOE + + +De schoone, lange zomerdagen waren uit. De laatste sloepten trage naar +hun stille dood en dan hingen er alleen nog wat wasems mist in vroege +en late deemstering over 't land. De kranke zon kwam met den noen even +bovenpiepen, schreef een rondekring, een steenworp hooge maar, door de +lucht om varings weer weg te vallen onder d'eerde. + +De regen zweepte en mijzelde gedurig, de wegen werden morsig en +onbegaanbaar en overal stonden de groene meerselkes overwaterd en de +wilgen daarin half versmoord en moedernaakt. Dan plots steeg ommelands +de zwartigheid overal op en heerschte de oneindige nacht en de dood. +De landlieden en herkenden hunne wegen niet meer, zij bleven nu diepe in +hunne huizen zonder iemand te zien, met een flauw besef: of er bij den +verren buurman nog iemand leefde. De daken dekten zwart en zwaar de +leemen wanden en doken achter dichtgeslotene deuren en vensters, het +schrale pinkje licht en 't warmend koolken vuur. De vijzelende koude +wilde overal binnen en de groote nacht gaf geen hope van uitkomst of +van nakende helderheid; de zonne was nu dood, voorgoed. + +Doka lag wel en warm onder hare dekens alleen in den diepen polk achter +'t berdelen beschot op de vaute en ze dacht: hoe gelukkig de menschen +die een goed bedde hebben en dekens als 't buiten onbermhertig wintert. +Er waarde in heur hoofd een konkelfoezige wereld van oude zomerdroomen +uit den goeden tijd van uitgaande gouden dagen, met de warmte van den +laten avond in de lucht, zonder ziekelijkheid en pijn van stijve leden +of kwellende verkoudheid en lastigen asemgang, in de blijde +angstkrasseling van het rijke zamelwerk der late vruchten op 't veld en +al 't genoegelijke van 't gewonnen goed daarbij om lange van te leven in +den dooden tijd. Maar daar keek almedeen de koe, de groote, witte koe te +midden in dien droomwinkel en een angstgevoel dreef al die goede warmte +weg, zoodat Doka wakker en in de droevige werkelijkheid van haar oud, +arm lijf, weer terecht kwam. Heur herte klopte om de benieuwdheid van +eene langverwachte uitkomst met de duidelijkheid nu in die donkerte om +haar, van den winter en den langen tijd sedert al die goede zomerdingen, +die ze even in het droombedrog nog loopend en bestaande dacht. + +Ghielen zat daar eenig in den stal, koude te lijden, de oude, karbintige +Ghielen! Wie had er ook gemeend dat het zoo jammerlijk vreemd met die +koe zou afloopen? In de eerste maanden van de dracht was 't een gerust +en gestadig aftellen van den tijd, met goede verwachting van een gezond +kalf, een zekere uitkomst die op den gestelden dag zou gebeuren, zoo +zeker als de zonne die 's morgens rijst en zonder falen 's avonds +ondergaat. Maar die tijd was nu lang voorbij--negen trage maanden +wachten en die langverbeide dag was een leepe teleurstelling geweest en +de dagen daarna een wrevel die overging, hoe langer hoe meer, in +angstverwachting omdat het achterstallig kalf niet kwam. Daarna waren de +dagen gekeerd, en godweet hoeveel weken daarbij, zonder verandering, +altijd met die belofte, maar zonder uitkomst en met steigende +bejaagdheid en zotte verbazing verliep de tijd nu verder, onmeedoogend +en de koe bleef daar roerloos, onveranderlijk, als een betooverd wonder, +met 't kalf in heur dikspannenden balg, zoo dat men 't tasten kon. Elken +nieuwen dag groeide in ongeduld en nu dat zoo lange leed, gedeeg het +ongeduld tot gestadige spijt die teisterde als een gedurige wroeging, +met de onzekere hoop toch van een voordeeligen uitval. + +--Wie weet was 't van den nacht niet gebeurd?! en hoe warm Doka daar +lag, ze had willen in Ghielens plaats bij de koe in den stal zijn. +Misschien was de koe in nood en Ghielen in slape! en die ingebeelde +gebeurtenis plaagde de oude vrouw nu met angst en met vleienden troost +in den dikken nacht die alle leven en geruchte besloten hield. + +Met eene beweging van hare handen voelde Doka ineens al het leed van +haar oud lijf en de stremheid door 't lange liggen; heur asem begon te +piepen en te trekken door haar droge keel in lastig reutelen. Ze rechtte +zich haastig op, zat met de kin over de opgetrokken knieen, de handen om +de schenen genepen en dan barst het uit in hoesten, scheurend bij vlagen +en snikkend, zoo droog en schor dat heel haar lijf doorruttelde en +beefde om te bersten. Zij wachtte halend om den asemgang die achterwege +bleef, diep met iets in de keel dat kittelde er niet schuiven wilde;--ze +stootte daaraan en kuchte en bleef hijgend met luid meumelend zuchten, +afgejaagd als iemand in stervensnood. + +De zwarte nacht hing vol de kamer en niets of geen geruchte buiten van +komenden dag of leven. Daar voelde het wijf de koude langs haren rug +neervallen en den top van haren neus betintelen. Dan wierp ze 't deksel +af en tord uit het warm bed in de koude. Hare handen zochten tastend +naar kleeren en haastig band en vestte zij rokken en lijven aan en +stroopte wollene kousen om hare beenen die bibberden. Donkerling, bij +den tast strompelde zij achterwaards de vautesteiger af; zij zocht daar +beneden om kloefen en klopte voort over den vloer naar de plaats waar ze +wist het vuurslag te vinden. Onzeker tikte de kei, nog eens en de +sparken sprongen lichtend op den baanst; daar ving het vuur dat zij +aanblies met haar piepasem en welhaast lonkte het lampwiekje, +nieuwgeboren schemerend in de koud-ijle nachtkeuken. De dingen stonden +er zwaar, vast herkennelijk in gewonen stand en doening, even als +gisteren en voor langen tijd. + +Doka heur hoofd subbelde onder 't lampken dat aan den zolderbalk nog +wiegelde en ze steunde nu met de magere armen heur oud lijf op de tafel +om den asem die altijd lastig boven kwam. Achterna voelde zij zich in +gang komen stillekes beter en veerdig om voort te doen. Ze ontstak de +lanteern, bond een dikken neusdoek om het hoofd en ze ging de zware +grendels openschuiven aan de deur. De klink flikte en de hengsels +kriepten. Een gruwelijk koude tocht stroomde door d' opening binnen. +Doka boog het hoofd, stak hare hand onder den borstdoek en neep in +d'andere de lanteernhaak en als de deur achter haar was toegevallen, +subbelde zij voort in 't donker. Heere-God, de felle wintervorst had +weer al de waterzabbering bekorst en bevroren! Het wijf heur eerzelende +voeten stonden onvast op het glibberig plankier en ze doezelde +waaghoudend met de handen op goed geluk voort, voetje voor voetje +schorend en slepend langs den muur. Ze vocht om een geweldige hoestbui +in te houden, bleef wat staan tot het beterde en dan weer voort, naar +den koestal. Eer de klink te lichten dubde zij nog met de verwachting +van het voorval,--ze luisterde een wijle, maar 't bleef daar binnen al +zoo doodstil dat ze 't maar weer opgaf en grimmig de deur openwroette. +Ze hief zoo gauw haar licht in de hoogte dat een schemering rondwierp in +den warmen smoordamp en wat verkraakte stroopijlen en een glimmende +slietrand te zien lieten,--achter de witte ruglijn van de liggende koe +bleef het al donker en gedoken. + +Belle draaide gedoezig den goeden kop, sloeg met den steert en blies +luide den warmen adem uit de neusgaten. Doka tord dieper en liet de +lanteern zinken om Ghielen te vinden. 't Schemerde entwat in den ledigen +sliet; de man lag als een vormelooze, zwarte fakel, zijne oude muts hing +over de schouders voorwaards tusschen de opgetrokken knieen en de armen +daarrond gekruist; Ghielen lag lijk lange dood en zonder hoofd +ineengezonken, moe van waken bij dat groot achterlijf van de koe dat wit +vlekte nu met den steert die rustig rondkwispelde. Ghielen zijn mutse +hief. Hij roerde wat aan zijne beenen en rechtte het hoofd als Doka weer +begon te hoesten en uit zijn kleine zwartstriepte pinkers zag hij haar +staan schudderen met de lanteern die ging uit hare handen vallen. Maar +in zijn eerste gewaarworden lonkte hij over den schouder naar den +witten hoop nevens zich en als het daar allemaal nog was zooals gister, +kreeg hij goeste om stil in zijnen polk te blijven liggen en voort te +soezen. Daar kwam ook eene hoestbui in zijne keel kittelen; hij rekte +den mond open en bij elken ademsnok kwam zijne tong naar buiten in een +goleken opgedraaid en snorkte weer binnen;--zijn rug schudde en zijne +handen tastten onduidelijk rond om hulpe. De tranen rolden hem over de +wangen en de slijmdraden sponnen uit zijnen mond en leekten over zijne +oude broekspijpen. + +Doka had de lanteern ievers aan de balke gehangen en zij ook stond nu te +midden den stal met de handen op de knieen gestopen, te hoesten. De koe +met den kop gedoken in den donker van 't sliet, meumelde stil en steende +en ze sloeg harder met den steert tegen den houten weeg. + +Ghielen en Doka hoestten en kuchten en braakscheurden om te meer naar +hun asem die trage opreutelde, en ze bliezen en haalden om die +belemmering weg te krijgen, stootten en spouwden het rekspeeksel dat uit +hunne opene lippen met de tranen uit hunne leepe oogen neerdrupte. Als +hij bekomen was klaverde Ghielen moeilijk recht op de beenen, zuchtte en +ging met de lanteern lichten bij de koe, omhoog, rechts en links; hij +betastte ze in de lanken, dreelde haar over de ruggegraat en hing de +lanteern weer aan den haak. Hij grommelde binnensmonds en geeuwde en +trappelde rond wankelwillig en drentelend terbinst Doka het stroo +effenschudde en zich neerliet in den polk dien Ghielen gewarmd had. Ze +knoterden nog wat ondereen zonder dat ze malkanders woorden verstonden; +Doka was reeds luide aan 't snorken en Ghielen blies de lanteern uit en +tastte naar de deur en vertrok in 't donker. + +Doka's asemhalen verflauwde, de koe blies gezapig de lucht door de +neusgaten en lag rustig te herkauwen. + +Ghielen was strompelend in huis gerocht, grendelde zorgelijk de deur +weer toe en kroop op de vaute in 't warm bedde waar zijn wijf gelegen +had. + +Hier was 't een zaligheid voor zijne leden die stijf en strem waren van +zitten in den stal. Hij draaide en keerde van welligheid onder 't +deksel, trok de muts dieper over de ooren, en zijn hoofd in den polk, +knufte twee, drie keers en zuchtte om de deugd. Buiten was 't zoo koud, +maar hier werd heel de wereld vergeten. Spijtig was hij toch wel om Doka +die nu alleen in den stal moest zitten. Dat was vervelend met die koe, +dat waken al weken lang en loopen bij nachte van huis naar den stal,... +dat ze dan nog kalfde al 't andere ware niets en gewone werk. Wat was +het al lang dat ze samen niet waren slapen gegaan! Hij mijmerde nog wat +op de doening rond en daar kwamen veel dingen tegelijk in zijnen kop en +rond hem in de kamer staan, maar dat vervaagde allengs, alles liep +uiteen, zijn adem ging rustig en overal nu was de lange nacht weer +herbegonnen met een geruste zekerheid van ongestoorden slaap. De koe, de +koe alleen waarde nog rond door zijne gedachten: ze stond daar, even een +vreemde onnatuurlijkheid, groot gedrochtelijk, onwetend van heur eigen, +koppige geslotenheid. En Ghielen zag zichzelf daarbij met Doka als twee +magere, houtene sukkelaars, te wachten lijk zot naar een ding dat niet +bestond. + +Ze zal wel betooverd zijn, dacht Ghielen, en hij zocht toveral naar +redens: of er iemand in den stal was gekomen die een kwade hand kon +leggen. Daarom hadden zij in 't stille, gewijde palm boven de deur +gestoken en een Antonius-koek in 't sliet gehangen, wasdruppels van +gewijde keers in de koe heur drinken laten leken en dan met nieuwe hoop +gewacht in gelatene berusting. Honderd keeren daags waren zij in den +duik gaan kijken, beurtelings of samen om te zien naar verandering. Ze +spraken met welgevallen over 't verdikken van den uier en 't opengaan +der heupbeenderen, maar bij hun eigen geloofden zij toch niet wat ze +zegden. + +'t Kalf kwam niet en de witte, schoone, atige veerze stond daar +welgedaan te muffelen, gezapig den langen dag door of lag en keerde den +kop en beurelde lankmoedig. De witte veerze, de schoonste van de streek, +waar Ghielen zoo fier op was, de schoone, schoone koe stond daar vol, +met wijd gespannen balg, maar ze wilde niet kalven. + +In zijnen droom liep de boer een tijd vooruit: den langen winter beulden +zij elken nacht wakend zonder uitkomst met vrees voor dien betooverden +stal, daarin de koe staan bleef als een steenen wanbeeld, met dat +levenloos kalf dat ze niet ontbinden wilde, in haar lijf. Overal zocht +Ghielen naar middelen om van dien kwaden last ontdaan te geraken, hoe +'t beest kwijt en uit den stal gesleept.--Verkoopen! Een volle koe +verkoopen, een drachtige koe! dat ging eerst als een onuitdenkbare +onmogelijkheid door zijnen kop en daarna liep zijne bewustheid als water +uiteen en hij droomde van heel andere dingen. Later verwonderde het hem +zijn vader en Klette, die al lang dood waren, op 't hof te zien komen en +rondloopen bij de koe die nu kalvend was. Zij hielpen trekken en daar +kwam een wit veerzekalf ter wereld, maar achter een tijd zagen zij dat +'t beestje dubbel gelet was en twee koppen kreeg en vier pooten en oogen +lijk theeketels, zoo vereend dat Ghielen van den schrik wakker werd. Hij +zag nog altijd zijne overgrootouders en veel andere vernukkelde mannekes +en wijvekes, oud, gebocheld en krom katijvig, opgekrompen in de +sneeuwkoude staan lachen om dat zonderling kalf. + +Hij werd er heel aardig van en ontsteld, maar zijn droge keel begon te +kittelen en hij hoestte en al de schrompelige, oude mannekes uit zijnen +droom zag hij op de vaute nu, gestopen, met schuddend hoofd, de handen +op de knieen, vervaarlijk te hoesten, te kikkeren dat 't water hen uit +de oogen liep, en zij zochten rond over den vloer naar den asem dien zij +verloren hadden. Het reutelde en steenpiepte uit hunne verstopte, oude +asempijpen dat hun mager ribbenkot erbij schudde en dreigde uiteen te +splijten. Door zijne betraande oogen keek Ghielen verweerd in de +duisternis, veegde 't kwijl van zijnen mond en kroop dan uit het bed om +ontdaan te zijn van die kwelspoken. + +--Alzoo zal dat ne keer het laatste zijn, dacht hij; 'k zal in zoo'n +hoestbui eens blijven steken; moest mijn asem voorgoed achterwege +blijven 't ware gedaan en Doka, die ginder in den stal zit, zou er niets +van weten. Binst hij zijne kleeren zocht en aantrok, kraaide de haan op +den kiekenpolder en dat ging als de schreeuw van den verlaten eenling +op een onbewoonde landstreek. Die haan was heel oud, half blind en +sufachtig en omdat hij nu overlang geslapen had, meende hij toch te +moeten kraaien al bleef het rond hem altijd even donker, en hij merkte +wel ievers misschien een kriemelken klaarte. + +Doch Ghielen niet en hij meende nu nog blinder te zijn dan de oude haan. +Hij grommelde zijne misnoegdheid uit om al die oude dingen die heel +anders en beter waren vroeger,--de winter vooral was nooit zoo domlang +en koud, en de angsthoop van dat kalf deed hem weer den komenden dag +eeuwig lang en verdrietig schijnen. Hij doezelde van de vaute, sloeg +vuur in de keuken en keek rond of alles in orde was. Dan knielde hij bij +den heerd en groffelde en rakelde met de ijzeren poke de heerdziele open +en lei nieuwe lemen en kaf op 't vuur dat traagaan in dunne kuilkes +begon op te rooken. Hij kuchte, kneuzelde en trappelde rond op de +kloefen in de eenige keuken, knoterde onverstaanbare dingen tusschen +zijne dunne lippen die gedurig overeen knabbelden. Hij zette zich +eindelijk dobbeltoe voor eenen stoel en begon stil zijn morgend-devotie, +in eene meumeling van onsamenhangende Onze-Vaders; want de koe en heel +dien kalvergang zat alweer, even een razende bezetenheid in zijnen zin. +Hij herdacht weer heel dien droom en dat "verkoopen" kwam hem nu niet +zot voor maar als een stellig middel van verlossing, zoodat hij het +ernstig meende nu en besloten was als na lange overpeinzing. + +Zie 't was juist Zondag, 't wilde hem mee en na de mis kon hij Vinie de +koeiplote, zien te spreken; dan was de zaak zoo seffens al in gang, maar +Doka moest eerst haar gedacht zeggen. + +Hij miek een eindekruis aan zijne gebeden want nu ging het toch niet om +gemeenstig Ons-Heere te bidden in die bestorming waarmede zijne zinnen +jaagden. + +'t Vuurke vunsde al helder op en de theeketel zong in langen piepvoois +als Doka de voordeur openstak. 't Oud mensch was heel toegeduffeld in +doeken en half vervroren hield ze de magere knookhanden ineen en 't lijf +opgekrompen; ze schormde zeere bij den heerd om warmte te vinden, +Ghielen keek naar heur op om nieuws te vragen lijk elken morgen. + +--Dag, Doka; nog niets? + +--Nog niet, Ghielen. + +En ze legde de handen open op den buik van den warmen ketel en kroop nog +dichterbij het vuur. + +--'k Heb daar gepeinsd in bedde, Doka, dat 't best ware als we de koe +maar verkochten ... als ze toch niet kalven wil. En hij bleef half +bevreesd om 't uitwerksel van zijn zeggen. + +--Verkochten? herhaalde Doka, zoo toonloos dof en verstrooid en zij +scheen diep te overwegen en tijd te vragen eer heur gedacht uit te +spreken. + +--Verkochten? Verkochten? zei ze nog. + +--Ja, 'k kan vandage Vinie zien na de mis en 'k zal hem zeggen dat we +een volle veerze willen kwijt zijn ... dat 't eten schaarsch is, of +zoo.... + +--En moet dat nu zoo seffens en al ineens zijn! en als ze morgen of te +naaste weke kalft? + +- Morgen of te naaste weke, hertinselde Ghielen wat bitsig, maar dan +kalft ze wel, mij verveelt dat wachten ... en als ze niet kalft en heel +den winter als een droge ratte blijft op stal staan, en den zomer +daarbij?... + +Hij verslikte aan de opgewondene haast waarin hij opliep en ze gingen +beiden geweldig aan 't hoesten. Als 't over was werd Doka heel heesch +zoodat Ghielen haar moeilijk verstond; ze zegde in der haast eene reek +zonder dat ze 't zelf aaneen kon brengen; op 't einde vatte hij toch dat +ze den ouden voois aan 't zagen was en weer beweren wilde: dat Ghielen +eene maand gemist was in zijne rekening. Daarom wierd hij boos. + +--Maar, Doka, hoe kunt ge toch alzoo zijn? te bamisse was 't negen +maanden dat we Belle geleid hebben; 't staat geteekend op den deurlijs +en in den stal--vraag het aan den knecht te Vramme's--en nu zijn we al +een manesching bijkans, overstier. + +--Ja maar, neuzelde Doka weer, we zijn, we worden oud en onze zinnen +staan niet meer zoo vaat; mijne oogen ... mijne handen zijn niet meer +lijk overtijd.... + +Zoo knuffelden zij en knoterden zagewijs voort over en weer zonder einde +of bescheid; ze hoestten daartusschen als zij den asem kwijt gerochten +en wachtten weer om van nieuw te herbeginnen. Al dat geraas klonk zoo +vreemd nuchter, zoo vroeg, ontijdig lijk bij nachte als alleman slaapt, +in die levenlooze, naakte keuken. Daarbinst wrochten en poenderden zij +voort aan de koffie, en aan 't effen- en klaarzetten in de keuken; zij +liepen gebogen, wandelend over den vloer in kleine, pettutige stapjes, +met trage bewegingen en duttend in de halfdonkere onzekerheid van hunne +vervaakte oogen. Doka droeg de koe een broodje en dan dronken zij zelf +aan tafel een kopje koffie met kandijssuiker. Ze taterde nog altijd. +Ghielen haalde al de redens uit die hij wist om Doka te bewijzen en te +overhalen dat die vreemd bezetene koe weg moest, dat hij niet meer waken +wilde of alleen slapen, en dat de menschen zouden gekken met hunne koe +die niet kalfde en dat het gedurig in zijn zinnen speelde om er gek of +ziek van te worden. Hij stamelde en steende en hoestte na ieder woord +en: + +--Die koe. + +--Die schoone koe, zuchtte Doka, 'k meende dat 't er eene was voor ons +leven. + +Dat vriendelijk beest had zij gekweekt en: + +--Ghielen, gij begrijpt dat niet, 'k heb ze zien groeien en groot worden +lijk een kind en ze keek zoo gedoezig op telkens ik in den stal ging.... +Als men alzoo alle dagen zijn best doet om ze te verzorgen, daarom was +ze altijd zoo beleefd, zoo trouw en gezapig, en nu is ze zoo net wit en +schoon geworden, en ik ben al zoo spijtig als gij omdat ze niet +vernieuwen wil, onze schoone koe. + +--Schoone koe, schoone koe, gromde Ghielen in zijn koffiekom, 'k lache +met zulk eene schoone koe, om alle duivels, neen 't, maar een oude varwe +koe gelijkt het, een uitgeruttelde, verdroogde kwenekoe die nooit van +kalf of stier iets geweten heeft,--we gaan ze afsteken. Ware 't niet +dat ik heur, voor mijne oogen, als kalf gekocht en gekweekt hebbe, 'k +zou gelooven dat Segher Verschuere ons alle twee bedrogen heeft. Maar +een nuchter veerzekalf en kan toch op een jaar tijds geen oude munte +worden? Dunkt 't u niet, Doka? + +--Neen 't, Ghielen, dat en kan niet. + +--Daarbij, wie zal er durven zeggen dat ze niet drachtig en is? bezie +dien balg! + +--En als ze drachtig is moet ze kalven, vroeg of late. + +Ghielen en wist daar zoo seffens geen antwoorde op. Maar hij gebaarde +van geen verlegenheid.--Zie, Doka, horkt, na de misse ga ik rondzien +achter eenen kooper; Vinie voorzeker weet er niets van dat onze koe +haar volle rekening heeft, z'en zal er geen cent te min voor gelden: +we zeggen hem dat ze kalven moet in Korte-maand en ze is, vet en gezond +lijk ze daar staat, zeshonderd frank weerd. + +--Zeshonderd frank, zuchtte Doka, Vinie zal in vijf minuten zien dat die +koe niet in regel is. + +--Niemand kan daar iets aan zien! + +Dan zwegen zij geruimen tijd en bleven zitten peinzen en warmen met de +kloef en in de heerdassche. 't Bleek, schrale lampke lichtte een klein +rondeken helderheid over tafel op de witte kommen en door de +vensterruitjes kriemelde een grijze schemer, zoodat de zwarte daken van +de schuur en den stal tegen den hemel begonnen af te teekenen in vaag +blauwe grijseling. De haan kraaide nu herhaaldelijk. + +--De menschen kunnen gaan rieken dat onze koe overstier is, herbegon +Ghielen, en die haar koopt kan op zijne beurt het betooverd kalf +afwachten. Hij grinnikte zoodat zijne fijne lippen wijd openrekten over +zijn tandeloozen, ingevallen mond. + +--We zullen heel den winter gemakkelijk zijn en we koopen ten uitkomende +een veerzekalf. + +Ze bewrochten en berekenden heel de schikking en de winsten en de +weerden, stil in hun hoofd, met dezelfde gedachten zonder er nog onder +malkaar over te spreken. + +Doka begon heur bezigheid aan den ketel koeisop, sleurde aan de zak met +gruis en de lijnzaadkist. Ghielen hing het lampke voor den kleinen +spiegel tegen de ruiten en haalde scheergerief en zeep bij om zich den +baard af te doen. Hij wreef het schuim met warm water over kin en wangen +en schrapte dan traag met 't scheermes over zijn slutshangend vel dat +'t ruischte. + +Doka haalde zijn verschen kiel uit en lakenen frak, en ze hielp hem 't +een en 't ander aantrekker. Ze wrochten alzoo samen en beulden aan de +frakmouwen en trokken gezamenlijk aan de leerzen, al hun macht, totdat +Ghielen op zijn zondagsche stond. Doka hielp nog zijn hemdeband recht, +zette zijn pet stevig en warmde zijn schaapwollen wanten. Ze maande hem +op te passen, haalde wat centen uit heuren schortezak en telde ze hem +in de hand: + +--Een voor den kerkstoel, een voor den offer-blok en 't andere voor een +borrel na de mis. Ghielen stak ze zorgelijk weg in den binnenzak, nam +wijwater en miek een kruis. + +--Doka, 'k ga. + +--God beware u, Ghielen. + +Ze neep nu 't lampken uit, zette haren stoel bij den heerd en schoof +hare kloefen in d' assche, zij haalde den paternoster uit om daar heur +misseplicht te volbrengen. z'En kon, de arme sloore, al lang niet meer +uit naar de kerk. + +Ghielen trok eerst nog naar den stal, hief in eene kwaadheid de koe +haren steert op, dan kreeg hij goest om het domme beest te schoppen en +zijn voornemen stond nu voorgoed vast. Hij zette goedmoedig aan, blij +omdat 't Zondag was en omdat hij op 't goed gedacht gekomen was die koe +te verzetten. Hij belegde hoe en waar hij Vinie den koopman zou vinden +en stapte altijd op de oneffene, onbegane wegen die ruw en knoestig +doorkorven en bestampt met wagenslagen en hoefputten in den laatsten +regen, nu vastvervroren lagen in al hunne ongeschoftheid. Ommelands was +alles eenkleurig grijs besmokkeld met ijzelrijm en smoor en dof lijk de +zware, laaghangende, geslotene hemel. Nievers noch huis noch stake, de +klokke ook en hoorde Ghielen niet en hij liep daar op goed geluk voort +lijk verloren in een dood winterveld. Maar zijne voeten kenden den weg +en volgden vaste den drijf; dat rechts of links inslaan en 't +overstappen lag door de danige gewoonte in hem vergroeid en heel +blindelings zelfs herkende hij den uitwendigen vorm van elk grachtje +of landoever waar hij heel zijn leven voorbij moest naar de kerk. +De wegelkes lagen verzompeld of overspoeld, hij herkende ze toch zoo +duidelijk als de rimpels in zijne hand. Hij tjuikelde over de harde +knuisten, perdompelde over de glad vervroren ijsplasselkes en grommelend +djoezelde hij zonder opkijken voort. + +Zijn hoofd hing gebogen en subbelde, zijne handen zaten wel geborgen +in de schaapwollene wanten en zijn dikke frak onder den blauwen kiel +beschutte goed zijne leden, maar de koude voelde hij lijk bijtend +staalvijlsel in den hals en zijne ooren tingelen en hij moest gedurig +de druppels wegvegen die van zijnen neus afleekten. + +In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke +gingen. Ze riepen van verre goendag naar malkaar en vorderden hunnen +weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en +schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen. De wijven waren +geduffeld in lange, zwarte mantels, de kap diep over den gebogenen kop +en de boeren met hunnen blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak +bij 't gaan hen in de hamen sloeg. Ze hadden meestal eene vellene klak +met oorlappen diepe neergetrokken en ze liepen vernepen, kerneutelig +opgekrompen van de koude en haastig vernibbeld om in de kerk te zijn. +Ghielen zocht zijn oud rustig plaatsken achter den pilaar en las er heel +de mis zonder opkijken met groot lippengekluts. Na 't sermoen deelde +boer Van Tomme hem 't nieuws mee dat de pastor daar zoo seffens kwam af +te lezen: + +--Ghielen hebt ge 't g'hoord? Uuznie Pasters is van den nacht gestorven. + +--Neen ik, vezelde Ghielen en hij bad voort. + +Als 't gedaan was en 't volk allemaal ineens buiten wilde, bleef hij, +met de andere oude mannekes, nog wat zitten om niet gedrumd te worden. +Daarna ging hij naar den Gouden Arend waar al de boeren, na de mis, een +borrel gingen pakken. De herberg was vol volk en geruchte, Ghielen keek +rond en zette zich big den disch te praten met Marcelein Vramme, over de +koude, den langen winter, de korte dagen, 't beesteneten en de duurte +van 't koorn en van den ouden tijd. Ze zaten met hun hoofd bijeen te +stamelen en te hervragen, te knuffelen en te hoesten en dronken elk eene +teug van den borrel die de bazinne hun bracht op een tinnen +schenkschaalken. Ghielen haalde zijn steenen pijpken uit en vulde uit +boer Vramme's tabakbeurs en ze tikten nog eens geneuchtelijk hunne +glazekes. + +--Weet-je gij niet meer te zeggen, Marcelein, wanneer Belle mijn witte +koe, gediend is? + +Vramme hield den vuurpot in de hand en ontstak zijne pijp; hij trok +drie, vier keeren, blies den rook door zijne uitgestekene lippen in den +vunzenden hul, speitte een grooten klak op den vloer en peinzend met de +pijp omhoog: + +--'k En zou 't zoo zeker op geen maand naar kunnen zeggen, Ghielen. +Er komen zooveel koeien op 't hof--maar z'en kan niet lange van heur +rekening af zijn. + +Ze zaten en lutten alletwee zwijgend nu, aan hunne pijp en keken +droomend rond op de menschen die luide en gemeenstig koutten, loechen +onder malkaar en den sterken tababsdamp met volle kuilen rondbliezen. +De stoof ronkte deugdelijk en de rook hing als een zware mist, al die +staande of zittende menschen omwonden. De bazinne liep en vlocht zich +daarin entusschen de stoelen en banken en schonk overal klare genever +uit de steenen literkruik in kleine glazekes. + +Kijk, dacht Ghielen, daar is Vinie, 'k ga hem nu spreken. Maar de +koopman zat aan een verre tafel ernstig in gesprek met eenen boer. Hij +hield zijn mispelaren stok tusschen de beenen en keek met opgetrokken +neus en wenkbrauwen scherp luisterend den boer in de oogen die altijd +met groote gebaren van den wijsvinger, zijne belangrijke dingen uiteen +deed. + +Boeren vertrokken, andere kwamen binnen in gedurige wisseling met open +en toevallen van de dubbele voordeur. Daar zaten vier oude makkers al +aan tafel in een hoek met de speelkaarten bezig, zoo ernstig verslonden +en vast als voor den heelen dag. Anderen stonden bijeen gedrumd te +grollachen zoodat hunne wezens purper waren van de pret en ze sloegen +elkaar vriendelijk vrij op den schouder. En hier en daar een die zijnen +man was komen vinden en hem stil in zijn oor een groote gelegenheid +mededeelde. + +Ghielen hield alsaan den koopman in 't oog en als deze eindelijk met den +boer opstond. + +--'t Is nu, meende Ghielen en hij naderde. + +--Zoo, lijk we gezegd hebben? + +--Basta, wederiep Vinie, tot morgen op de markt. + +Ghielen trok den koopman lange achter bij den kiel: + +--Hork ne keer, 'k moet u spreken. + +De vent liet zich gemakkelijk neer, om met geduld te luisteren even als +bij den anderen boer. + +Ghielen vertelde hem van zijne schoone, schoone volle veerze die hij op +stal had, dat ze moest kalven in 't korte, en dat Doka te oud werd en te +veel lastig werk had en de koe afsteken wilde,--maar 't was een +buitenkans, jongen: een kostelijke koe. + +En 'k zou ze toch geern kwijt zijn, seffens kwijt zijn. + +--Wel, 'k kome zien, na den noen; als we koop slaan moet ze morgen +uchtend mee, ik weet een kooper,--als ge niet overgaapt in den prijs! + +--We zullen genadelijk zijn en overeenkomen. Bazinne nog twee borrels. + +Als ze uit waren en betaald, vertrok Ghielen gelukkig en mompelde +halfluide woorden tusschen zijn klutsend kinnebakken. + +De menschen waren al weerom t'huis en de straat was eenig en de huizen +van weerskanten dichte gesloten met doove ruitjes en daar hingen lange +ijskrekels lijk gesteven zeeverslijm in reken van de euzies. Daar was +een halve klaarte gekomen, god-weet van waar, zoodat Ghielen onderweg, +hier en ginder een boomstam zag uitsteken in den mist en den gevel van +een boerenhuizeke, doch een stuk lands verre was 't al onduidelijk en +dood toegedekt lijk bij vallenden avond. + +Als hij op 't hof kwam begon er lichtelijk sneeuwmijzel te vallen, de +boer keek misnoegd in de lucht, stak de lippen op en grommelend tord +hij binnen. + +--Doka 't gaat sneeuwen. + +De warme lucht kwam tegen en de goede geur van kokend lijnzaad en +gebraden vleesch. + +Doka had over den blauwsteenen vloer versch, glimmende geluw strooi +opengeschud en alles zoo behoort, te kante gezet zoodat 't er nu +ordentelijk zondagsch uit zag. z'Had heur dikken wollen rok aan, heur +nieuwen gebloemden borstdoek, heur goudewerk en een zwart satijnen +voorschoot met een geperkt blauwen daarboven. Binst dat Ghielen zijn +verkleumde knoken warmde bij den heerd, zette Doka de tellooren en soep +op tafel en al 't ander gerief. Ghielen snuffelde nog boven den +smakelijken damp uit de eerden kommekes; dan hielp Doka Ghielens leerzen +uittrekken en zij aten huns tweeens eerst soep met houten lepels en +daarna een stuk vet zwijnsvleesch met schoone, gebruinde, +lekkerblinkende gefruite raapkes. Ghielen vertelde van 't loof dat +jammerlijk vervroren lag achter de velden, en wat hij al wist van Boer +Vramme en dat Uuznie Pasters schielijk dood was en dat de oude pastor +van langs om moeilijker sprak zoodat er geen woord van te verstaan viel. + +Doka luisterde met nieuwsgierigheid naar al die dingen; het dorp was +voor haar een wereld uit een ver verleden waar ze eens in meeleefde, +maar nu al lang geen mensch meer zag of wist wie er nog rondliep. Ze +vroeg nog een en ander te weten over oude boerinnen die nu nog te gange +waren en kosten naar de misse komen: of hij deze en gene gezien had en +hoe 't er mee stond. + +--En Vinie, de koeiplote, begon Ghielen. Ka den noen komt hij zien naar +onze koe. Hoeveel zouden w'er voor vragen, Doka? + +--Wat ge wilt,--wat weet ik van de beesten? maar eene schoone koe is 't! +en een kostelijke; als hij maar niet merkt dat z'al een maand over is. + +--We zullen hooren hoe hij zingt, besloot Ghielen. + +Het gerei ruimde zij van de tafel en ze lazen beiden een dankgebed. Dan +sleurden zij samen den pot drinken buiten en voederden de koe, het zwijn +en den hond; Doka hing een moor water over 't vuur en dan zetten zij +zich al elken kant van den heerd wat te tukkebollen. Ze hoestten +onderwijle en trokken lastig aan den asem. + +Buiten, uit 't grijs geluchte, ranselde de sneeuwmijzel lijk bloemenstof +fijn, aanhoudelijk den grond en de daken dekkend stillekens met wit. De +koude blies over het lage, verlaten land en al dat er nog buiten liep +was ievers een verdoolde, uitgehongerde hond. + +Vinie rotelde al aan de voordeur als Ghielen wakker werd. Hij riep naar +Doka en ging haastig opendoen. + +--Binnen, Vinie, binnen. + +Vinie gromde een goeden dag en stampte 't sneeuwstof van zijne schoenen. + +--We gaan kwaweer krijgen, boer, en hij kwam ingrimmig, opgekrompen +nader bij 't vuur. + +--'t Is de tijd van 't jaar, meende Ghielen, we zijn in de donkere +zes-weken. Doka, Vinie zal eerst koffie drinken! + +--Danke, boer, hebbe maar weinig tijd. Willen we maar seffens naar de +koe gaan zien? Maar hij moest eerst koffie nemen. Ghielen stoefte +daarbinst met zijne koe; daarna gingen ze alle drie naar buiten. De hond +stormde uit zijn kot en bastte nu naar den vreemdeling, maar ze stapten +zonder ommezien over de werf. Het zwijn snorkte daar ze voorbij zijn +kot kwamen. De haan was, om de bijtende koude met zijne hennen in het +wagenhuis gebleven en stond te midden zijn toom onder eene kar te +treuren op eenen poot. Doka trok de staldeur open en deed de koe opstaan +met zacht vermanende woorden. + +--Ze heeft het hier warm, meende Vinie. + +--Ja ze staat er goed en er kan geen windeken in den stal als de +luchtgaten toegestopt zijn. + +Maar Vinie wilde de koe buiten in den helderen dag zien. Ghielen moest +ze ontbinden en buiten brengen. Ze waagde zwaar heur eendlijk lijf +voorwaards en stond daar wijd op de pooten met groote trekken snuivend +de versche lucht door haren natten neus. Haar oogen keken verweerd rond. +En de drie kadoterige oude sukkelwezentjes stonden daar op te kijken +lijk vereeuwde, slonk-gesnekkerde postenakels uit een donkere, oude +kerk, voor den eersten keer in 't daglicht gebracht. Hun asem met dien +van de koe dampte in wazige wolkjes uit hunne neusgaten op. Vinie, met +zijn hoofd diep tusschen de bochelachtige schouders, piepoogde onder +zijne groote pet, neep den mispelaar tusschen de vingers en stapte rond +de koe, mat hare gestalte aan de kin, betastte heupen, pooten en rug en +balg en ging weer al den overkant. + +Ghielen hield de koe big 't zeel en stond verkrompen van de koude, zijn +vest achteruit getrokken met de armen tot aan de ellebogen bijkans in +de broekzakken en zijn groote voorbroek spande over den ingevallenen +buik en heel zijn magerte, zoodat de heupbeenderen lijk twee bulten +uitstaken boven zijne korte beentjes. Doka hield de handen geborgen +onder haren voorschoot en haalde ze beurtelings bloot om 't water uit de +oogen te vegen. Ze klutterbeende en voelde haren neus bevriezen, maar ze +hield gestadig den blik op den koopman in verwachting of hij iets van de +gedokene doening zou bemerken. + +Vinie ging nu op een afstand staan, kwam weer bij, trok de koe haren +muil open, en telde de tanden met zijne vingers. + +--Wanneer heeft ze hare rekening vol? vroeg hij. + +Ze bezagen elkaar en: + +--Met 't eerste maansching, zei Ghielen en hij hield zich gesloten om +niet te pinkoogen. + +--Newaar, Doka? + +--Ja, nog een manestond. 't Geen ze er nog wilde bijzeggen verging in +een geweldige hoestbui. + +--'t Is hier koud staan, meende Ghielen. + +--'t Is eigenlijk een schoone koe. + +--Newaar! zegden ze alle twee. + +--Steek ze maar weer binnen. Hoeveel moet ze kosten? + +--Ik meende zeshonderd franken, zei Ghielen en dan hield hij den adem +op. + +--Doe er honderd af. + +--Geen cent min, schudde Ghielen. + +Ze stonden een tijdeke sprakeloos. + +--Den stok in tweeen, da's mijn laatste woord. Is ze verkocht? + +En de koopman stond omgekeerd, gereed te vertrekken. + +Ghielen stak zijne koe op stal en Doka durfde niet antwoorden. + +--Vijfhonderd vijftig, herzei Vinie, ze gaat morgen naar de markt, +'k heb daar een kooper. + +--Voor min dan zeshonderd gaat ze uit den stal niet, besloot Ghielen. + +--Wel, geluk ermee, en de koopman vertrok. + +Aan de hofpoort keerde hij zich om en: + +--Als ge beter gedachten krijgt, kom zeg het mij van den avond nog en +'k doe morgen uw beest mee. + +--We kunnen wij ook naar de markt gaan, zei Ghielen tegen Doka en hij +liet Vinie vertrekken. + +De zwarte palulhond had heel dat spel aanschouwd en als de koe weer op +stal en de koopman van 't hof weg was en Ghielen en Doka in huis, gromde +hij wat en kroop in 't diepste van zijn kot. + +Ghielen sloeg Doka op den schouder, kletste op zijne bil en spetterde +uit in eenen kikkerlach. + +--Hij is gefopt, de slimmerik en ziet er niets aan en hij zal onze koe +komen halen! + +Hij viel op eenen stoel om uit te hoesten en Doka ook grijnsmonkelde +welgezind. + +--O, 't is eene schoone koe, zei hij, ze bevalt hem ... ze moet binnen +de naaste mane kalven! loech Ghielen. + +--Zal hij terugkeeren? + +--Maar zeker zal hij, zoo zeker als Evangelie. + +Dan begonnen ze ondereen in overvloed van gehakte woordekes uit te gaan +over nieuwe schikkingen en te hoesten daartusschen. + +--Nu zal 't slameur gedaan zijn en we leven heel den winter stil op onze +zokjes; ten uitkomende koopen we een versch veerzekalf. + +Ze raasden voort: hoe ze met de nieuwe lente 't land zouden bedrichten; +ze gingen ook een muurken doen insmijten, een nieuwe haag bouwen en +boomen verplanten en de 600 franken bij 't ander leggen onder den +blauwen steen, en ze regelden hunne dingen zoo generig alsof ze nog +vijftig jaar leven te verwachten hadden. + +Ze dronken elk nog een kopje koffie. Doka legde nieuwe lemen aan 't vuur +en Ghielen haalde krijt en kaartenspel. Hij teekende een dubbelen boom +op het tafelblad, ontstak eene pijp en zij zetten zich recht overeen in +de stille schemerkeuken hun zondags-partijtje te doen. + +Buiten, voor het venster zwemelde een afgesneden eind koord in den wind +en de sneeuw mijzelde traag en fijn, gezapig schuin gedreven door den +windtocht bij striepen gispend in een wevende lijnflikkering zwepend als +dansende witte regen. + +z'En spraken geen woord schier en speelden verslonden. Een zucht +altemets, een stenen of hoesten of een enkele uitroep van spijt of +voldoening als de Zot of 't Aas de kans deed keeren of een grooten slag +besliste. Doka veegde de witte strepen van den boom met heur natten +vinger uit en ze hielden beiden hun spel gesloten als de vimmen van een +opengescherrelden waaier in de magere, vereelte handen. Ze dubden, +betastten de bladen en legden ze stil vooruit neer op tafel of sloegen +ze hard met eenen vuistslag die bonsde. + +Als de eerste boom was afgespeeld, haalde Doka de pulle uit en schonk +voor elk een goeden druppel;--Ghielen liet den zijne nog eens +volschenken omdat hij gewonnen had; ze herbegonnen een nieuw spel en dan +nog een; ze knuffelden en keken bedenkelijk op hunne kaarten en deden +gezapig voort tot ze tusschen de slagen, den donkere zagen in huis +vallen en gewaar werden dat de dag op zijn einde draaide. Ze dachten +alle twee aan Vinie dien ze verwachtten maar z'en zegden er niets van. + +--'t Wordt weeral avond, en 't was schaars middag, neuzelde Ghielen. + +--'t Is die sneeuwlucht ... en Doka keek overzijds langs heur schouder +naar buiten maar eigenlijk naar de hofpoort over 't land of er iemand in +de verte te zien was. + +--Zou hij wel zeker komen, Ghielen? + +--We kunnen nog wachten. + +--En als hij niet komt? + +--Wel, wat zouden we doen?--de koe is nu zoo goed als verkocht ... en +vijfhonderd vijftig is al vet betaald voor eene koe die niet en kalft. +En ze kan te naaste weke doodgaan met 't kalf in heur lijf. + +--En naar de markt leiden, waagde Doka. + +--Maar dat was zotternije, lachedingen, kan ik met mijn kranke beenen +naar stad en die koe drijven? + +Ze legden de kaarten neer en zaten op malkaar te kijken om raad. Dan +ging Ghielen bij 't venster staan en Doka werkte in 't achterhuis. + +--Als ge wilt uitgaan, 'k en zou toch in Godsnaam niet wachten tot 't +avondt, riep ze. + +Ghielen draaide onvoldaan en mismoedig rond op zijne kloefen, ging +buiten aan 't hofgat, keerde weer, altijd in 't gedacht: met wat te +wachten win ik misschien vijftig franken. Dan keek hij in de dreigende, +donkere lucht en over 't veld dat reeds onkennelijk overstrooid lag vol +wittigheid. + +--Doka, 'k zal dan maar uitzetten, besloot hij. Ze kwam bij, veegde de +handen aan heuren voorschoot, haalde zijne kleeren en leerzen en stond +over hem gebogen, te beulen dat z'er bij steende, om dat alles te helpen +aantrekken. + +--Waar is mijn stok, en mijne wanten? Hij hoestte, snakte achter zijnen +asem, maar hij toonde zich sterk om Doka geene vrees aan te doen. + +--Wat is dat? een wandelingske, twee stukken lands verre! + +--Ja maar in 't donker is 't niet goed met die sneeuw, meende zij. Kijk +hoe zeer het avond wordt; Ghielen, duffel u wel of ge komt met eene +doodelijke ziekte thuis. + +Maar kom, help me eerst den ketel op 't vuur hangen, de koe moet toch +eten. + +-'t Is voorzeker de laatste keer, troostte hij en ze zeulden samen den +zwaren sopketel tot hij aan den hangel hing. + +--Vrouwe, schenk me nog eenen borrel, dat geeft asem. + +Hij knoopte eenen zakdoek over zijne ooren, trok de warme wanten aan en: + +--Doka, 'k ga. + +Zij kwam mee tot aan de deur en daar keerde Ghielen nog weer om te +zeggen: + +--Doka, Vramme sprak mij van de dood van Uuznie Pasters.... Dat hoekje +land achter de beek zal nu te koope komen, dat zou goed doen bij onze +driehonderd klaverland, en 't zou goede weide zijn nadat w'er nog een +paar jaar vruchten opgedaan hebben. 'k Zou best doen daar een woordeken +naar te gaan vragen als de verkoop van de koe goed deurevalt. + +--Maar haast u toch weer, Ghielen, dat we de koe op tijds bestellen en +'t is hier zoo eenig op 't hof. + +Zij zag hem gaan met kleine perneutelige stapjes, een schouder +opgesteken en stekkend met zijnen stok in de sneeuw. + +--Heere-God wat koude, kermde zij, 't is beter in huis. Toch bleef ze +staan zien en Ghielen werd allengerhand kleiner: een zwarte vlek, alleen +op het al witte veld, lijk verdoold te midden de sneeuw en met de +vallende duisternis nakend boven zijn hoofd. Dan miek Doka den hond los +en liet hem bij haar in huis. Zij deed heur zondagsche kleeren uit, om +te beginnen werken aan den avondkost voor de beesten. Ze ontstak al +tastend het lampken, dompelde nog verschillende keers buiten en bracht +telkens een armvracht eten mee: een mandeken beeten, twee, drie koolen, +een bakje lijnzaad, oliebrood, boonen en tarwen gruis. Ze stekte en korf +dat al dooreen in de kuip en goot het mengsel in den ketel en doorroerde +het met eenen stok. + +Ze legde wat droge spaanders op 't vuur, duwde de koffiekan bezijds in +de heete assche. Dan schepte zij eenen ketel sloebering uit en droeg dat +naar den zwijnsbak. Daarna stond zij rond te zien en te dubben om te +weten of er nog iets te doen was? Neen't.--Zij rakelde wat houtkoolkes +in haren steenen vuurpot en zette hem bij haren stoel onder de voeten, +ze neep het lampken dood en flokte zich daar onder den heerdmantel warm +neer. + +Heur oogen keken in de fletsflodderige vlammen die rond het gat van den +zwarten ketel opkrulden. Dan wendde ze 't hoofd naar 't venster waar de +roode vuurgloed op blonk en zij keek hoe de witte vlokjes zoo stil, +vlijtig speeldansten, zoo wollig zacht, zonder krijzelen, en licht +ronddraaiend als waren 't altijd dezelfde die zonder vallen voor 't +vensterruitje kwamen wentelen. + +De hond lag met den muil op de voorpooten in den rossen glans tegen den +heerdschoot en hij zuchtte van de welligheid. + +Doka wist niet meer wat gedaan en ze volgde in hare zinnen Ghielen waar +hij ging over 't veld; ze zag hem aankomen bij Vinie en ze hoorde hem +redekavelen en ritsepeeuwen om gelijk te halen en 't voordeeligst den +koop te sluiten; ze zag hoe Ghielen als 't gedaan en af was, terugkeerde +naar huis. Maar dan ook liepen heure gedachten veel rasser dan Ghielen +gaan kon en ze wist nog lang te moeten wachten. Ze wilde een trekje +slapen eerst. + +Zij duffelde de handen onder heuren voorschoot, peinsde nog op het +hoekje land dat Ghielen wilde koopen en op Uuznie Pastere die nu dood +was--z'had er honderd keers tegen gekout--en dan zocht ze weer in de +gedachten naar Ghielen over 't veld. Maar de warmte kloesterde haar zoo +zacht dat se alles liet varen en heur hoofd knikkebolde neer en buiten +'t groot statig uurwerk leefde er niets meer in de keuken. + +De vlammen kronkelden zoo langen tijd rond het zwarte lijf van den +koeketel tot er daarbinnen leven kwam, een holle brutseling en de damp +met ziedend schuim hieven 't deksel met een geuleken op waardoor 't sop +uitzabberde en de damp opproestte in de schouw. Eindelijk vielen de +brandschieren verkoold ineen en 't gerucht en de brobbeling hield op. + +Dan schrikte Doka uit een vervaarlijken droom, ze keek verweerd door de +keuken en was blijde dat 't allemaal bedriegelijke leugens waren. Ze +schormde recht in 't donker, zwaaide de armen en liet ze 't halven den +haal neervallen als ontdaan nog en half ongerust van wat ze gezien had +en zocht nu naar den draad van heur verstand.--Ghielen bleef te lange +weg en ze meende dat 't al late nacht was. De ketel en 't vuur was ze +vergeten. + +O, z'had Ghielen daar zien ronddompelen, heel wit besneeuwd lijk een +vriezeman, vechtend tegen de koude en den donkere, zonder dat hij zijnen +weg kon vinden. En z'had hem, tenden gejaagd, zien staan, boutstil in 't +veld, met de armen wijd open, de handen rondzoekend lijk een blindeman, +en de sneeuwbrokken dekten hem toe en hij verging daar in een witten +hoop. z'Had hem willen helpen, was buiten gegaan met de lanteern en op +eenige stappen van daar bleef ze ook zot ronddolen zonder hem of +zichzelf te kunnen verlossen, en ze waren daar gestraft om alle twee te +vergaan in den nacht. + +--w'Hebben misdaan dien man te bedriegen met onze koe, meende ze ineens. +Dan zag ze 't heerdvuur uitgebrand en den ketel hangen; ze ontstak al +bevend het lampje en lichtte benieuwd om te zien hoe laat het was. Neen, +'t en was, God zij gedankt, nog geen nacht en ze was zot zichzelf alzoo +met vrees nutteloos op te winden. Ghielen zal seffens t'huiskomen en wat +doet die droom daaraan? ze legde nieuw hout op en bleef dan staan +rekenen al de stappen die Ghielen moest doen om t'huis te geraken, 't +Was toch helledonker buiten! ze zette 't lampke op de vensterbank omdat +hij zoo beter 't huis zou vinden. Hij was misschien met Vinie naar de +Klok of naar 't Wit Peerd, of hij was misschien iemand gaan zoeken om +van dien koop te spreken.... + +Ze haalde alsaan nieuwe redens uit om zijn wegblijven uit te leggen en +alzoo de onrust te verdrijven. + +Dat lampke schemerde zoo vreemd tegen die sneeuwruiten en 't was overal +zoo stil dat ze altijd meende dat 't nacht was. Ze pijnde zich om niet +vervaard te worden en ze zegde nu de redens luidop om zichzelf te +paaien. + +--Wanneer gaat hij komen? Ze luisterde naar al wat ze peinsde gerucht te +maken, maar 't was altijd niets. + +--Waar is hij nu? Die vragen kwamen lijk spoken rond haar staan en ze +kon er geen enkele wegdrijven of daar kwam een andere in de plaats. + +Ze zette zich weer op den stoel, maar zoo seffens zag zij Ghielen weer +bejaagd rondzwieren door de sneeuw, versmoord in die zwijgende, witte +zee, zonder mensch of beeste en al de huizen en boomen donker, met +zware, witte mutsen bedekt, eenkleurig, onkennelijk onder 't zwart +geluchte. Ze herinnerde zich de vertelsels van grootvader: van den ouden +Miechels die een heelen nacht rond zijn hof doolde zonder de poorte van +zijn eigen hof te vinden en dat ze hem 's morgends versmoord uit den wal +trokken. Van anderen die ievers op doolkruid getorden hadden, of door +een kwaden wensch waren misleid om nooit meer uit te komen,--van den +metser die drie dagen op den doolstap liep en van Ziene 't oude +werkwijf, die in 't naar huisgaan eenen aweg insloeg en zoo aan de rampe +kwam. + +Doka keek onwillens naar 't venster en als ze de groote sneeuwbrokken +gruisdikke zag toevallen tegen 't glas, dan ijsde zij en krijzelde bij +'t gedacht: moet het zoo voortduren, ze hier kon insneeuwen en +versmachten zonder van een levende ziel hulpe of bijstand te zullen +krijgen. + +Ghielen die daar in rondkrasselde, wekte nu opeens heur groot +medelijden. Ze tastte in den zak, haalde den paternoster uit en bad +Ons-Heere en Moeder-Maria toch te willen genadig zijn met twee oude +dutsen die zoo geern nog lange te leven hadden! + +Tusschen heur gebed kwamen alle soort moord-histories en zij hoorde +mannen rond het huis waareren die wisten dat ze alleen t'huis was en +heur wilden vermoorden. + +Hoor, de koe beurelde om eten. + +Beurelen, zoo wreed, vereend dat 't nu ineens duidelijk scheen: de +groote koe ginder in den donkeren stal trok de rampe die komen ging in +den nacht. De wreede stilte was als het voorteeken van 't geen gebeuren +ging. + +De wijzer draaide traag naar een nieuw uur, zonder uitkomst. + +Dat beurelen riep weer al Doka's vrees wakker, ze aarzelde nog wat en +eindelijk opende zij zonder schromen en om heur vervaardheid meester te +blijven, de voordeur. + +Twee strepen klaarte lagen op de sneeuw die al schrikkelijk dik gevallen +lag, verder was 't inktezwarte nacht. Doka kreeg nu eene narigheid in 't +herte en ze begon te weenen en te vragen om hulpe, doch aan wie zich te +wenden en wist ze niet. Ze keerde weer binnen en haalde uit de +schuiflade de gewijde keers en ontstak ze voor 't lieve-Vrouwbeeld, dan +ging ze buiten en in heur wanhoop riep ze twee, drie keers door 't +donker: + +--Ghielen! Ghielen! + +De hond liep over de sneeuw naar zijn kot, anders en zag of en hoorde +zij niets, ze moest eindelijk wel weer in huis komen. + +En met die brandende keers zag 't er nu zoo akelig uit als in eene sterf +kamer. Daar was toch nog niets gebeurd, en Ghielen kon alle stonden +t'huis komen. En moest hij die keer se zien hij zou wel vragen wie er +zot of simpel werd.--Het bleek heur zelf nu als een schendig misbruik +van gewijd goed en ze blies 't licht uit en draaide de wassen keers weer +weg. 't Speet heur dat lampke daar ook zoo lang en nutteloos te moeten +laten branden. + +Ze ging nog verschillende keeren buiten staan en keerde maar binnen als +'t haar te koud werd. Ze was zelf al wit besneeuwd en ze kwam de handen +drogen bij den heerd. + +Ze had deernis met den ouden man die zoo laat in den avond vertrokken +was. Heur armen hingen moedeloos langs het lijf, en ze verzuchtte: + +--Och Herre toch, help mij, Herre! + +Het koeisop kookte nu geweldig zoodat 't water sissend uit den ketel in +'t vuur liep. In een plots besluit spande ze al hare kracht in en wilde +zichzelf verhelpen in haar enigheid. De koe moest toch eten krijgen! Ze +proefde om te heffen aan de einze en alzoo den ketel van 't vuur te +verarmen, maar ze schoot te kort. Dan greep ze met meer kracht bij de +twee ringen, ging dichter staan en zoo kreeg ze hem boven den haak, maar +dan voelde ze ineens die bijtende warmte tegen de beenen en ze keek +beneden, en eer ze den ketel kon laten zakken, zag ze al vlam en rook, +in brand heur kleeren, overal. + +Ze gilde, sloeg met de handen, maar ze laaide altijd en de nijpenden +pijn was over heel haar lijf en de lekkende vlam liep rap als de +weerlicht. + +Dan verloor ze 't besef en verstikte door den stinkenden rook. In de +groote beroerte kreeg ze den inval buiten te vluchten. + +Heere-God! ze lichtte waar ze stond, een heele klaarte wijd uit en ze +was al vuur en vlam. Heur gewonde handen trokken de vunzende vendels +vaneen, tot ze onmachtig was nog iets te doen. + +Ze kreet een laatsten asem uit, geweldig om hulp en dan zakte zij door +hare beenen en viel op den grond en lag er nog wat zoetjes te kermen en +te piepen en haar droog uitgemergeld lijf en heur kleeren, 't brandde +daar stillekens uit lijk een wassen keersken. + + + * * * * * + + +NAAR BUITEN + + +De kerel ontwiek in zijn zelfde donker koolkot, even moe en strem als +gisteravond, stijf van 't liggen op den harden grond, met de vochtigheid +van den regen in zijne kleeren en de pijn in de voeten van 't slenteren +heel den verleden dag. Hij rekte zijne leden en rechtte zich, maar eene +lusteloosheid hing op zijn gemoed om de werkelooze ijlte die hij voorzag +en de weerzin voor den nieuwen dropregen waarin hij nog eens zou moeten +buiten liggen dat lange getij. Met 't opstaan stekten de nagels weer +door zijne schoenzool in den rechter voet en door den linkerschoen +voelde hij den grond met zijn bloote teenen. + +En het wijf schreeuwde weerom achter de deur zoo bitsig: + +--Toe, luizevel, blijft ge weer luileeg in uw kot liggen tot 't al is +opgeschept! + +Hij gromde iets en kwam met mijde treden in de woonkamer kijken. + +Zijne snede brood lag gereed bij zijne komme koffie en hij at haastig +dien morgenkost. Terwijl volgden zijne oogen het wijf in haren gang; +ze loerden alonder waar zij keerde of keek en als zijn brood was binnen +geslokt, wachtte hij nog tot ze weer even den rug draaide, dan, met een +sluwe vlugheid, snapte hij ook den broodkant uit de kast, dook hem onder +rijn vest en, met den verlegen daver in zijn hart, haastte hij zich in +gemaakte, trage onverschilligheid buiten. Op een loopken sprong hij den +hoek om en dan weer den gewonen pikkeltred, mijde op de teenen en +snukkend been, denzelfden zwemelstap dansend door het steegje. Hij +vermeed de regenplasschen, zocht de hoogste steenen om zoolang mogelijk +droog te blijven aan de zeere voeten. Hij hief den kop, zocht met +opgetrokken neus in 't nauw streepje grijze lucht tusschen de twee vuile +huizenreken, om te raden wat weer vandaag op zijn lijf zou vallen. +'t Was overal effen halfdonker, schemermistig, ijverachtig klam van de +gevallene vochtigheid. Zoo seffens was zijn opmerken gedaan en hij keek +naar het wijveken dat de planken van haar winkelvenster wegdroeg. Dan +ontmoette hij Toppie den Slunseman die met zijn ijdelen zak op den rug +in de vroegte zijne ronde deed al toeterende op zijnen hoorn door de +stilte. Hij groette met een oogknipje de kennis en hinkte verder. Aan +den hoek van het straatje bleef hij weer een stonde besluiteloos en +wendde eindelijk rechts langs de geslotene huizen tot aan de zwarte +aschhoopen langs de spoorbaan. Hij herkende de oude Lotte die daar als +een uivallige fakkel gebogen neerlag en haar gerief vuurmaaksel gaarde +in een mandetje. + +--Lotte de Poetser, liggen er veel koolkies, vandaag? loech hij van ver +en hij bleef staan kijken op zijn een been. Het vervallen wijf wendde +haar oud wezen. + +--Ha, Treite den Bemmel! grijnsde zij en raapte voort op den aschhoop. + +--Slechte tegenkomst een wijf in den morgen! gekte hij in 't voortgaan. +Ze gromde iets van; lammepikkel, maar hij verstond den zin niet. Hij +loech luide en hinkte voort langs de rij zwart houtene palen die gereekt +stonden langs de hooge spoorbaan, onafzienbaar ver. + +Uit eene doffe dreuning groeide het zwaar gedommel van den aankomenden +trein; forsig sterk en hoog snorkte het machtig stoomtuig vooruit met +stampen en blazen. Treite stond met openen mond te kijken naar 't varend +geweld voorbij de wagens waar de menschen door de vensterkes van uit +hunne hoogte, op hem neerkeken. Met schrillen schuifelroep reed de trein +de stad binnen en eene pluime zwarte rook warrelde achter den laatsten +wagen weg. + +--'k Wil dat ik er op zate! wenschte de jongen. Dat was nu in zijn +gedacht: 't zuiverste genot van rijkdom en droge warmte die de reizigers +daar hooge beleefden. Maar na dien enkelen trek was de trein al +verdwenen en zoo gauw uit zijn gedacht en hij schuifelde zijn eerste +deuntje en hinkte voort over den zinderweg langs de zwarte paalstaken. + +Aan 't ijzeren hek bij den los van de goederen stonden er al veel kerels +van zijne soort. Hij herkende ze bij den eersten blik, elk aan een +verschillig teeken: een trek van hun wezen, eene aardigheid hunner +kleeding of gebrek aan hun lijf. 't Deed hem genoegen in gezelschap te +komen, daarmede was de dag eigenlijk begonnen en in gang zooals al de +andere die in lange gelijke reeks voorbij waren. De venten zaten of +lagen zwijgend en keken op de dingen die nog gesloten en dood rondom in +stilte rustten. Treite zette zich op den arduinen stander tegen de +ijzeren poort en liet zijne lamme beenen zwemelen. Als hij in de lucht +keek, kon hij toch raden dat de regen en de vuiligheid gister al was +uitgevallen en dat zijn lijf vandage zou bevrijd blijven;--'t geluchte +was toen nog, grijs met zware wolken die over de daken voeren. + +Hier en daar rolde reeds een wagen over de straat door de stilte; de +peerden lieten verdrietig den kop hangen en de voermans, daarnevens, +vervaakt nog, keken niet naar 't geen rond hen stond. 't Werkvolk stapte +haastig over de plankieren langs de huizen. Zij hielden de handen in de +zakken, hun blikken drinkpullen onder den arm en de etenbeurs aan een +touw over den schouder. Ze krimpten kouderig de schouders en rekten den +hals vooruit in den gang. Effenaan een die voorbijkwam wisten de +vrachtleuren een dom, dof woord of eene lachreden die onbeantwoord +bleef. Treite loech of luisterde niet als hij uitkeek naar iets dat +elders roerde of aankwam; hij wachtte lijk altijd, naar entwat dat +gebeuren zou waar hij een kansje zou vinden om een stuiver of een borrel +te verdienen. En lange nog was er niets te zien 't opkijken weerd en de +kerels, bleven als lammelingen in den uchtend staan of liggen en keerden +de oogen met weerzin van den een naar den ander, nijdig dat ze daar met +zoovelen stonden. + +Maar dan kwam eene zware zandkar met vier groote honden bespannen uit +de poort van een stapelhuis rijden; een groote kerel mende 't span naar +buiten, sprong boven op de vracht en reed voort. + +--Manes! schreeuwde Treite. + +De kerel keek op en zocht in de bende. + +--Ha, Treite den Bemmel! en hij wenkte met den arm. + +Een kansje te snappen! dat doorschokte Treite met een vreugdeklets, +zijne handen stootten zijn lijf van den paalstaak, hij zwaaide de armen +open en wiekte als een kieken dat vliegen wil, hinkend naar de kar. + +Manes hield in en wachtte. + +--Gaat-ge mee? riep hij van ver. + +--Rijen? dat was de eerste en eenige voorwaarde die Treite aanlokte: +zijn zeere voeten niet meer voelen en gevoerd zijn. + +--Naar buiten met zand, knikte Manes. + +--En de condities? begon Treite omdat hij nu zeker was van 't eerste en +'t andere er nog bij wilde. + +--Te noen een knorre roggenbrood met zwijnsvleesch en pap, en ook wel +een pinte bier. + +--En t' avond? + +De kerel loech. + +--t' Avond eten we bij de heeren in 't groot gasthof op de markt, met +een flessche wijn, al naarvolgens de winst. + +Maar Treite had zijn kreupel been reeds over 't wiel gezwaaid en +klaverde met de handen om boven den karrebak te komen. Hij liet zich +neer en voelde zijn zet diep-rond en zacht in het mullige zand prenten, +hij legde de beenen gemakkelijk open, nevens Manes. De kar dokkerde +voort over de straatsteenen en Treite loech om de aardigheid van zoo +onverwachts vast te zitten en gevoerd te worden, scherend over den weg, +zonder moeite te doen of pijn te voelen in de voeten en hij langde reeds +naar 't beloofde roggenbrood en 't zwijnsvleesch--een dingen dat hij +niet wist ooit geknabbeld te hebben maar dat, naar hij gissen kon, goede +en smakelijke buikvulling moest zijn. Hij keek naar de voetgangers die +bezijds de kar liepen, hij knipte oogjes naar elk ende een om te toonen +hoe goed hij zat en hoe preusch. + +--Eila! flikkerbeen, ge blinkt onder uw hoedje! pennelikker met uw kalen +frak, krebbebijter! riep hij naar den kantoorklerk die naar zijne +bezigheid ging. + +Manes loech. + +--We gaan twee dorpen doen vandage, ik moet tonnen koopen gij kunt het +zand uitventen; een stuiver de maat. + +Treite greep reeds de ijzeren schop en woelde in den zeuzelenden hoop +tusschen de beenen. + +--Niet lastig, meende hij. + +Manes hield de leidkoorde en snokte zijne honden naar links en rechts +door de straten en ruischte ze op om 't gespan nog zeerder te doen +rollen. Hij vertelde ondertusschen wat er bij de boeren te lande al te +zien was voor aardigheden en van den handel en de geldwinst. Hij zat als +een degelijk zandman, wel gekleed in de wijde vloeren broek en vest; een +groote, blonde haarlok lag zorgelijk gekruld en gevet in schuinen hoek +over zijn voorhoofd en daarover de groote blinkende bek van zijn blauwe +pet. Treite had ook al geloerd naar het blauwe flanellen hemd, met +overgelegden halskraag en de geelzijde koord die met twee flosjes onder +de kin was toegeknoopt. Aan zijn ondervest stonden twee reken koperen +knopjes die bevielen Treite buitenmate en hij keek met meewarigheid op +zijn eigene voeten, als hij de stevige, zwaargezoolde en vernagelde, +waterdichte schoenen van Manes bezien en herbezien had. Treite kende +zijnen makker van ten tijde dat zij aleven arm en slecht aangekleed, +samen de kansjes snapten en centen verdienden met pakjes te sleuren en +peerdenmest te rapen. Maar de beenen en armen en borst waren bij Manes +zoo stevig uitgegroeid en zijne vloeren kleeren zwabbelden nu zoo los +om dat forsig lijf van den zwierigen vent, en hij had ook zoo'n kloeken +neus en zijne oogen stonden zee stout en diepe in den kop. 't Was hem +dan ook al meegevallen en hij scheen om 't geluk geboren, meende Treite. +Integendeel was Treite altijd dezelfde tamme sul gebleven; zijne armen +en beenen waren verdroogd aan zijn lijf, hingen lijk koorden slap en +zijne oogen zagen loensch zoodat hem niemand en betrouwde of iets liet +winnen. + +--Hoe zijt ge aan die kar en die honden gerocht? vroeg hij. + +Manes loech en beet zijn jongen knevel, hij snokte aan 't zeel. + +--Juu, Baron, hup! dat is een heele geschiedenis, jongen, en hij vergat +verder uitleg te geven. + +--Is dat allemaal 't uwe, kerel? geerfd van een moeie of zoo? ge zijt +ineens rijkman geworden? + +--Dat is de zaak, Treite; eene vondst! 't ligt te rapen en die het +grijpen kan heeft het mee. + +Treite wachtte naar den uitleg om te leeren: waar zulk een ding wel +mocht te vinden liggen. Ze reden nu door eene straat die uitwijdde +tusschen hooge gebouwen en tenden begonnen twee reken boomen waar de +huizenreeks ophield. De wind woei er vrijer en koel en van weerskanten +den weg lag het land bewrocht in wijde groensel velden, pachthovekes +stonden daarin en tegen de verte, lange kazernen van gelijk +aaneengereekte werkmanswoningen. + +--'t En zal niet regenen, Manes? + +--Neen 't, de wind zit Oost. + +Treite en wist niet waar Manes zijne wijsheid haalde, maar hij geloofde +hem geern, 't ware anders wel jammer geweest moest het nu weeral regenen +als hij voor een enkelen keer zoo zachte op zijn vigelante over de bane +reed. En rijen, jongens, ze reden, de honden, vier aaneen, gelijk effen +dravend dat ge geen pooten en zaagt en de wielen dokkerden luide over de +straatsteenen dat de inzittenden malkaar de woorden luide schreeuwen +moesten als ze iets zeggen of vragen wilden. De boomen draaiden +achterwaards weg en Treite merkte nu eerst dat er nog geen blaren aan de +takken waren. De wereld en had hij nog nooit zoo wijd, zoo vlakuit zien +liggen en hij verlangde reeds om ievers uit te komen waar er weer huizen +en menschen te vinden zouden zijn. De boeren en de peerden in de verte +leken hem zoo klein en dat rondtrappelen op het land zoo zot en zoo +nieuw. + +--Is 't nog ver, Manes? + +De kerel had zijn pijpje gestopt, keerde zijn lijf gebogen van den wind +weg en hield het vlammetje in 't holle van de hand; de blauwe rookkuilen +warrelden als pluimen rond zijn hoofd en hij trok al lastig nieuwe +walmen. + +--Nog een kwartiertje rijdens, en we zijn er! Toen begon hij in korte +zinnen oolijk monkelend te vertellen. + +--De arme leuren zijn zot van daar in stad te liggen luierikken; naar +den buiten moesten ze komen! Ik was 't al lange beu van honger te lijden +aan 't ijzeren hek en van pakken te sleuren, 'k wist wel dat er iets +beters moest zijn, maar ik moest het alevel nog vinden. 'k Prakkezeerde +bij mijn eigen en ... w'hadden gekaart op een ijdele bierton en al mijn +oordjes was ik verloren! en dan kwam het gedacht! + +Manes hield in, rekte den hals om zijn woorden in Treite's oor te tieren +en hij deed wijde bewegingen met de armen. + +--De makkers vertrokken en als ik alleen was blijven staan als een +simpelaar, kreeg ik het gedacht de ton door de straat te rollen ... om +ze ievers in 't droge te krijgen. Ik schopte ze voor mijne voeten en +daar kwam ik aan de brouwerij daar Moot de Brouwer in de poort stond, +hij bezag de ton en ik--zonder verpinken, sloeg hand aan mijne pet en: +"Mijnheer, Mane de kaasvent zendt me uwe ton naar huis." Hij las de +letters van zijnen naam, op de ton en 't moest wel de zijne zijn--ik +rolde ze in de poort en hij gaf mij, verdimme, twee stuivers voor de +moeite! Manes haalde zijn pijpken uit den mond om luide te lachen. + +--Dan was 't gevonden jongen, ik kende een nieuw stielken: ik haalde +door heel de stad al de ijdele tonnen uit de kelders en rolde ze naar de +brouwerijen--en de stuivers rolden in mijnen zak, Treite! en bier op den +hoop toe, zooveel ik lustte! + +--Ge zijt alzoo rijk man geworden, Manes? + +--Nog niet, jongen, ik niet, maar Dompe Kleerik is rijk man geworden, +deze heeft heel zijn leven met zand gereden en nu blijft hij achter +zijnen disch t'huis; 't wordt hem toegevoerd met heele schepen en zoo +goed als gratis, en ik en een ander nu vullen daar ons karren en we zijn +aan hem verhuurd. Dat is nu niet slecht maar niet goed ook, 't kan nog +beter,--zie kerel, de buiten is goud weerd, ge verkoopt er al wat ge +wilt ... dat ik geld had.... + +Treite luisterde met achting en verbaasdheid voor 't groot verstand van +Manes en hij hoopte al een beetje zijn voordeel te halen uit die dingen. + +--'t Kapetaal mankeert jongen, 't kapetaal! Treite knikte verstandelijk +en hij tastte in zijn ondervestzak. Hij neep zijn een oog toe en trok +een oolijk gezicht--Kerel, ik vind je lollig maar ge stoeft een beetje! +dacht hij. Maar als Manes hem weer in 't wezen keek, was de +ongeloovigheid er al af en de bewondering en 't goed vertrouwen weer +bloot en hij luisterde naar den kerel en zijn wondere knapheid. + +--'k Heb er dit nu al bij gedacht: de schepen die met steenen varen, +brengen hout mede van de reis of kolen of kalk en ik keerde langen tijd +op mijn ledige kar naar huis en de helft van de reis was alzoo ten +ondomme gedaan; maar nu voer ik zand en koope de boerkes hun oude +pretolvaten en kom geladen weer in de stad en daar herbegint de +commersie. Maar eens dat ik geld heb, doe ik de dingen in 't groot, 'k +voere tien hondekarren en 'k zende knechten uit met kaas, zeepe, rijst, +speelgoeds--in de winkelkes kost die peneware hondeduur--en 'k zou te +lande al de groensels opkoopen, appels en peren--dat smijten ze u voor +'t voeren op de kar en in stad wordt het voor zwaar geld verkocht. + +Treite monkelde olijk. + +--Hebt gij een oude suikermoei of een ander erfenisje te verwachten, +Manes? dan word ik evengauw uw knecht en rijde met een vierspan op de +groenselkar! Maar zie, ginder! + +--We zijn er jongen. + +Vlak te midden 't einde van den weg stond het oud kerktorentje en al de +huizekes van 't dorp er dichte rond. + +--Afstappen, gebood Manes en hij klopte zijn pijpje uit. + +--Zand! zand! zand zijn! tierde hij overluid. Hij gaf een ernstigen +wrong aan zijn gemeen leurengezicht, zette zijne pet recht en streek +zijn knevelken. De honden stapten al jagend hun blazenden adem door den +openen muil. De tong hing hen over de borst. + +--Zie, jongen, nu ga ik het u uiteen doen; ge rijdt langs de huizen, +eerst dien kant af, tot ginder aan den wegwijzer en ge keert langs den +overkant tot achter de kerk bij de linde, we zullen daar malkaar +vinden--ik ga om vaten. Een stuiver de mate, hoor, en hij vulde ze lulde +en striebelde den top open met zijn vingerklauwen: + +--Zoo meenen de menschen dat ze sleekende vol besteld zijn! Ge zult wel +ondervinden met wien gij te doen hebt; maar beleefd zijn--bij den pastor +moet ge de voeten afvegen en op 't dorpeltapijtje blijven staan en uwe +pet af! Kletta heeft een vies mondje, en om ne niet zendt ze u weg +zonder koopen. Ginder op 't hoekje niet te hard aan de bel trekken of ge +wordt van het huis gejaagd, ge moet luide kouten want 't mensch is +moor-doof. Ge steekt de stuivers in eenen zak om niet te verdolen in de +rekening. + +--Geen nood beweerde Treite, al mijn zakken zijn gelijk: mijne eigene +stuivers en heb ik op mij niet.--Juu, Baron! + +Treite trok de kar bij de tramen over op den eerdeweg en ging op 't +plankier en 't getrek hield overal stand waar hij eene deur openduwde. +Heel dien morgen ging de nieuwe zandman de huizen af, zag er al de +stille doeningen van de verschillige nette woningen met 't leven er in +van gezapige, geruste menschen. + +Hij verwaterde van eetlust in den winkel van den beenhouwer waar de +hepsen en schotels zwijnsvleesch aan de vertinde haken langs den muur +hingen; hij praatte wat tegen de vrouw van den kleermaker en reed verder +heel 't gebuurte af. De honden volgden hem over de straat en hielden +stand voor elke deur. + +--Moet er zand zijn? + +Ze brachten hem een bakje, eenen korf of mandje buiten en de kerel vulde +de ijzeren mate en keerde ze uit aan eenen stuiver. + +Hij was nu aan 't overleggen of Manes wel zoo nauw zijn zand gemeten had +en of er geen mate aan kon vermeten worden zonder den stuiver er bij te +doen. Maar hij betrouwde de sluwheid van den kerel niet en vreesde dat +hij met een onbekenden draai het bedrog zou achterhalen. Er was reeds +een groote put in 't reuzelende zeezand en heel de andere straat moest +hij nog doen, den bakker, den winkelier, den smid,--in de Valke kreeg +hij een pinte bier als hij een greep wilde toemeten, dat was 't gebruik, +merkte de bazin. Voor de pastorij veegde Treite zijne voeten af, +jufferde tegen de meid en hield zijne schele oogen neergeslagen; +dezelfde beleefde houding herhaalde hij bij de meid van den dokter, en +hij was in de overtuiging dat de klanten en Manes ook, wel tevreden +zouden zijn over zijne goede manieren. Bij den burgemeester moest hij +door een net hoveken achter een traliehek en Treite merkte in een draai, +'t paar nieuwe kloefen die langs het bloemenwegelken stonden afgezet +nevens de spade van den hovenier. + +--Zeezand! wit lijk tin! + +De meid kwam gestoord naar buiten en bij 't openstaan der deur hoorde +Treite den hovenier in de keuken die zijne pinte bier dronk en een +rookte. In denzelfden stond was de trek belegd, 't groeide als een +onvermijdelijke drang: de overtuiging dat hij nooit eene gelegenheid +mocht laten afgletsen en daarbij de aanlokkende bekoring om 't +moeielijke van het waagstuk. Hij gaf den vollen schotel aan de meid +terug en in 't ommegaan over 't steenen wegeltje, klopte zijn hert, +zijne oogen loerden, en als hij de deur hard achter de hielen hoorde +toeslaan, stond het besluit vast om uit te voeren. Zijne handen beefden. +Nu is ze weer in heur keuken bij den hovenier, overlegde hij, en ter +zelfder tijd, zonder ommezien, stoop hij om kwansuis iets op te rapen +dat gevallen lag, en in 't rechtstaan hadden zijne handen de kloefen +mede, hij hield ze tegen de borst en liet ze voorover in de kar vallen. +In eenen draai waren ze onder 't zand gestopt, en Treite volgde zoo kalm +mogelijk zijnen weg. Hij overschrikkelde vier huizen in de reek om +gauwer weg te komen. Achter den straathoek hield hij nog eens stil en +gooide nog een hoopje zand boven de kloefen en dan voelde hij den +vreugdigen lust omdat 't spel gespeeld was en 't buitenkansje voor eigen +rekening zoo gemakkelijk te veroveren viel. + +Bij de kerk hield Treite stil, zette zich nevens de kar op den grond en +keek op 't uurwerk boven zijn hoofd. 't Was bijna noenuur en Manes was +nievers te zien en nu kreeg Treite lust om te eten. Hij haalde den +gestolen broodkant van onder zijn vest en begon te bijten. De honden +lagen gerust uitgestrekt en bekeken den kerel en zijn brood met +verwaterde oogen. + +De oude koster kwam uit de kerk, sloot de deur met den grooten sleutel +en sukkelde al over 't kerkhof naar zijn huis. Dan roerde er niets meer +rondom en Treite werd ongemakkelijk door de nieuwigheid van die rust op +een ongekend dorp en verlangde er weg te komen. Een haan wandelde met +zijne hennen over de grazing achter de beukenhaag en telkens hij op de +verhevenheid van een grafheuvel stand hield, rekte hij den hals uit en +wierp zijn scherp gekraai over 't stille kerkhof. De hennen liepen daar +rond en keesden in 't gras zonder opzien, gestadig voort hun aas +zoekend. + +En eindelijk toch kwam Manes van achter den hoek en wenkte naar de +honden, om voort te komen. + +--We gaan een dorp verder, 't is hier gedaan. Ze sprongen op en de kar +rotelde door de straat naar den overkant weer buiten de huizen. + +De zon was intusschen doorgekomen en onbewust was de vrees voor +zeeverweer en regen bij Treite vergaan en onwetend genoot hij na van 't +lustig voorjaarswindeke. Ze kwamen weer op den effenen weg tusschen de +boomen. Ommelands lag er een andere wereld open, wijd en vlakt +uitgemeten en al waar de kerel keek werd het nieuw land met kerktorens, +huizen en boomen in de verte, en daarachter in de blauwte, vermoedde hij +nog, diepere uitgestrektheid van ongemeten, onbewoonde landerijen. + +Manes vertelde nu wat er ook al te winnen was met door de dorpen te +leuren met mosselen, wollen dekens, printen, biezen zetels, en dat 't +scheerslijpen ook wel goede leefte bijbracht. Al die bedrijven zou hij +aangaan als 't kapetaal hem naar ievers te grijpen viel. Maar Treite +luisterde niet meer, zijn moed was overdaan door die hooge, opene lucht +en de vlakte die overal rond en wijd zonder gezichteinder van huizen +weerkeerde en hij langde inwendig om ontdaan te zijn van die wegende, +zware stilte en verlatenheid, om ingesloten te worden door straten met +huizen en drukke woeling van volk die hij niet missen kon. Al wat er van +dien plotsen uitgang nu nog te lusten stond was het beloofde +zwijnvleesch en de vreugde omdat hij onder den zandhoop een paar kloefen +zitten had die de zijne waren en dat hij morgen goed geschoeid en droge +en zonder pijn aan de voeten over zijn oude steegsteenen zou dretsen. + +--Zand! zand! zand zijn! zeezand! zong Manes bij 't inrijden van het +nieuwe dorp. Ze deden nu elk eenen kant van de straat en vulden de mate +overhands. Binst dat Manes bij den winkelier den koop besprak van een +petrolvat, haalde Treite de gestolene kloefen van onder 't laatste +zandhoopje en bond ze onder de kar met een touw aan den as tusschen de +wielen. + +--Wanneer gaan we nu eten krijgen? hervroeg de kerel altijd bij +zichzelf. De jongens kwamen reeds van school en stonden op een afstandje +te kijken naar de geraamtemagere honden en wierpen stukjes van hunnen +boterham om de gulzigheid van de hongerige beesten te zien. + +Maar als ze nu op eene verlatene kruisstraat buiten 't dorp kwamen, +hield Manes ineens de hand uitgestoken naar Treite en: + +--Afrekenen, jongen, hoeveel stuivers? + +--Hier in mijn onderlijfzak ... en Treite telde 't geld in Manes' hand. + +--En in de andere zakken? 't Is hier al?! + +--Niets, mijn ziele 't ia al! + +--Overtasten jongen. + +Treite tastte en schudde al zijne zakken uit om te toonen dat hij geen +roode munt meer op zich had, maar Manes stak dan zelf nog overal de +handen in en poorde over Treite's lijf en bepootelde hem al buiten en +deed hem nog de voering overkeeren van al wat hij voor kleeren aanhad. +'t Geld hertelde hij en knoopte het met een mistevredenen grol in een +beursje dat hij wegborg. + +--Nu gaan we den kost zoeken, jongen. + +--'t Wordt tijd, dacht Treite. + +Ze reden op de werf van een boerenhof en Manes trad stoutweg naar de +huisdeur en binnen de woning en wat later bracht hij waarachtig twee +stukken brood met vleesch er tusschen bij Treite die de wacht gehouden +had bij de honden. Ze kropen in de opene schuur en muffelden met +gulzigheid den geschooiden kost binnen. + +--Ja, 't is goed, goed, razend goed! meende Treite, maar zout, jongen, +zout! en hij beet en scheurde met scherpen tand het brood en vleesch +vaneen. + +--En de honden, Manes? leven die met zand of.... + +--Wacht jongen. + +De werf lag nog verlaten, al het werkvolk was binnen aan het noenmaal. +Manes ging een ketel met water putten, loerde rond en stool dieveling +een half roggenbroodje uit de haverkist in den peerdenstal. Hij +brokkelde het in den ketel en de vier hondekoppen grabbelden tegelijk +om het zeerst en zwolgen haastelijk hun deel binnen. + +Dan kwamen de werklieden buiten en trantelden over de werf naar schuur +of stal hun ruste zoeken. De koeiers en knapen naderden de zandkar. +Manes kenden zij, maar den ander met zijn kreupel been, bekeken zij en +begonnen met halfluide woorden en slimmen monkellach den raren Ko te +begekken. Treite bleef onverschillig liggen staroogen en nu zijn buik +zoo wel gevuld was, voelde hij zich goed en liet de kerels begaan. Hij +ging eenen teug water drinken bij den steenput en drentelde over de +stoep, stak het hoofd in de stallen en keek vol bewondering naar de +ongewone doening overal rond. Daar bleef hij staan bij eenen kerel die, +'t lijf achterover gebogen, gedurig poge deed eenen stuiver van 't +voorhoofd in den trechter te laten vallen die in zijnen broekband stak. +Den eenen keer gelukte 't hem den anderen keer niet en Treite volgde +'t spel met groeiend belang. Andere kerels kwamen ook bij. + +--Kent gij 't spel met den trechter? vroeg de knaap aan Treite; als de +stuiver er in valt is hij de uwe, maar valt hij er nevens, dubbel +betalen. + +Treite stond een wijle verbaasd en te dubben; dat was iets nieuws. + +De kans beviel hem.--Een stuiver kan ik wel winnen, maar 't haar van +eenen steen scheren, dat is wat anders; die niets en heeft blijft vrij +van 't betalen! + +--'t Is aanveerd, jongens. + +Treite liet zich den trechter ia den broekband steken en boog zich +achterover met den stuiver op 't voorhoofd; hij rechtte zich traag, +loerde naar den top van zijnen neus en ... toen stroomde er plots een +koude watervloed over zijnen buik en beenen en als hij nog ontdaan van +schrik, te bibberen stond en lekende nat, schaterlachten de boeren met +den bedrogen steeling. Treite bezag zijn eigene dommigheid, gooide, den +trechter weg, ging kwaad worden, maar voelde medeen zijne onmacht; hij +zou den dader toch eene oorveeg geven maar hij zag dat Manes de kar +reeds bij de tramen had en de honden van 't hof leidde. Dan hinkte hij; +achter, beschaamd van de dommigheid waartoe hij zich geleend had en +kwaad om den bedrogenen uitval met den stuiver dien hij zoo gemakkelijk +meende te veroveren. Zijn natte broek plakte hem koud tegen de beenen en +hij was blij gauw op de kar en weg te komen. + +--Ge moogt de kerels niet betrouwen! loech Manes. + +Treite antwoordde niet en slikte zijne gramschap in. + +Ze reden langs een anderen weg weer naar het eerste dorp en daar laadde +Manes de ijdele petrolvaten op die hij in 't doorgaan gekocht had. + +Dan tikte een vinger op de ruit van een klein net huizeke en als de deur +openging, kwam een wijveke buiten en wenkte naar Manes. + +De kerel ging binnen en na langen tijd keerde bij weer buiten en droeg +eenen baalzak aan de hand met iets er in dat spartelde. + +--g'En zult hem toch geen kwaad doen?! smeekte 't oud wijveke en ze keek +Manes drukkelijk in 't wezen en vouwde de handen. + +--Als ze nu toch dood moet?! deed Manes verwonderd. + +--'t Is van loutere ouderdom dat ze blind is geworden, maar een goed en +trouw beest was het altijd. + +Meteen zwaaide hij den zak boven zijn hoofd en sloeg hem uit alle macht +tegen 't wiel van zijn karre. Een scherpe katteschreeuw uit den zak en +een gillen van 't oud vrouwke dat op den stond was achteruit gewipt en +in heur angstigheid de deur had toegesmeten. + +--'t Is gedaan, daar! en hij gooide den zak die nu slap bleef liggen, +op de kar;--'t beest en kon geen zachter dood sterven! loech hij wreed. +Jongen, da's nog een buitenkansje: een gebraden kater is lekker om eten, +ik ken een poeldenier die ze verkoopt voor konijnenvleesch! en 't vel is +ook een rond prijzeke weerd bij den apotheker. + +Treite stond verbaasd over de handigheid van Manes: wie zou er toch +denken een blinde munt te slaan uit het lijf van een dooden kater?! 't +werd den kerel ook in 't handje gegooid! en hij betastte den zak waar +het dood beest vermorzeld lag. + +Dan kreeg hij voor zijn eigen den goeden inval; hij neep een oog toe, +duwde den vinger tegen 't voorhoofd: maar, zwijgen, jongen, en voor u +houden, Treite is ook zoo dom niet! en hij schuifelde een deuntje om +niets te laten merken. + +--Kunt gij lezen, jongen? vroeg Manes in 't voortrijden. + +--"In de Blinde Vink, verkoopt men drank," spelde Treite en wees naar +'t uithangbord aan de herberg nevens de bakkerij. + +--Goed, meende Manes, 'k zal u gebruiken, jongen, in mijnen handel, en +daarop neep hij de lippen met gemaakten ernst en geheimzinnigheid, 't +geen bedieden wilde dat hij mocht gerust zijn: 't ander zou hij hem +later wel zeggen. + +Ze reden naar de brouwerij waar Manes ook al zaken had af te handelen. + +--Treite, blijf hier bij de honden, 'k kom aanstonds. + +Maar Treite stond zoolang bij de honden tot het hem verdroot. Daarbinst +overlegde hij dat 't oogenblik nu best was: hij miek de kloefen los +onder de kar en stak ze haastig bij den dooden kater, bond den baalzak +weer dicht en legde hem onder de bank al den kant waar hij op de kar zou +zitten in 't naar huis rijden. + +--Dat is nu veerdig, meende hij en loerde nog of 't iemand gezien had. +Dan kwam hij eenen stap t' eenegader tot in de poort bij den wijden +keldermond en als hij 't hoofd binnenstak zag hij de dikke tonnen +gereekt op schragen en 't schuim dat uit de opene bomgaten over de ronde +tonnebuiken in de gistkuipen neerzeeverde. En de knechten gingen daar +rond en goten uit koperen kannen het bier weer op. Hij keek en naderde +eenen stap nederwaards en dan winkte hem een knecht en reikte hem de +volle kanne bier. Treite zette ze haastig aan den mond en zoop zoolang +hij zwelgen kon, rustte om te verademen en herbegon op een nieuw. Bier! +zooveel en had hij er nooit en hij wilde 't al uitdrinken om dien +enkelen keer in zijn leven dat hij de kans vrij had. De knechten loechen +en zetten hem aan. Als 't hem langs zijnen mond over de borst liep en 't +niet meer door zijn keelgat wilde, liet hij de kan zinken. + +--Zuip, kerel! zuip toch! riepen zij. + +--En als ik, verdimme, niet meer en kan! + +'t Was de eerste keer van zijn leven dat Treite iets laten staan moest; +hij veegde 't vocht van zijnen mond en kroop spijtig de trap weer boven. + +Manes rolde de gekochte oude vaten op straat en ze werden achter en +onder de kar gebonden zoodat 't voer wel aan een wijd geladen schip met +ballast geleek. Treite gebaarde te helpen, duwde om 't evenwicht te +zoeken en kroop er met groote moeite boven eene ton; de warmte steeg hem +naar den kop en de doezeling overviel zijne zinnen: hij voelde zich +wegvoeren door 't dorp en de doode straat, hij zag nog dat 't duisterde +rondom op het land, maar gerocht allengs zijn menschelijkheid verloren. + +Manes vertelde hem ernstig voort van handelszaken, doch Treite vatte er +den zin niet meer van en had geen moed nog te antwoorden. + +Hij zwom in een lustigen roes die hem dreef om te lachen, te zingen en +welgezind zijn luide leute los te laten. Hij lag achterover tusschen +twee tonnen gevallen, de beenen hooger dan zijn hoofd en hij tierde om +'t door heel de wijde vlakte te laten dreunen, het liedje dat hij van de +landsche kermisgasten die in de postkoets 's Zondags naar stad +rotterden, ergens gehoord had: + + Rijen, rijen + Dat is pleizant! + Zoo te rijen + In de vigilant! + +Als 't uit was, herdeed hij het opnieuw met verschen moed en luider, +alsof het altijd den eersten keer, ofwel een ander klauzeke van 't +zelfde liedje was: + + Rijen, rijen + Dat is pleizant! + Zoo te rijen + In de vigilant! + +Hij was in de meening dat zijn gezang nog altijd voortgleed, maar hij +hoorde zijn eigene stemme niet meer, noch 't rotelen van de kar of iets +anders van al wat er roerde of leefde op de wereld. Hij werd dooldravend +meegesleurd over dorpen en velden en de stad was verzonken en niet meer +te vinden. + +Aan zijne ooren zat Manes te zagen over zijne winst, en van de dingen +die hij aanvangen zou als hij het kapetaal zou vastkrijgen dat zijne +moei hem moest achterlaten, en hij wist nu zeker dat die moei ver, in +eene vreemde stad woonde en stokoud was. En de davering wiegde Treite al +dieper in slaap en deed al die dingen gekkend dooreendansen over 't +donker land in den wilden avondwind, al weerskanten van den breeden weg. +Maar opeens voelde hij eene hand over zijn lijf gaan, tastend in zijn +vest, onder zijn hemd, in zijne broekzakken; hij loech inwendig en liet +haar doen en ontwiek met de overtuiging dat Manes naar stuivers zocht +die er toch niet te vinden waren. Daarmede hervoelde hij de kille +vochtigheid van zijn natte broek. Hij opende de oogen en zag de +gaslanteerns en veel menschen die over de straat gingen: hij was plots +weer in stad getooverd! Hij zocht te weten wat er haperde, waar hij was +en dan herkende hij de steenen pomp aan den straathoek. Daarmede kreeg +hij de herinnering aan den baalzak, hij zocht met de hand en hield hem +vast omsloten en gereed. + +--Aan de brug, neen daar brandde juist de helderheid van een gaslicht en +daar was ook te veel beweging van voorbijgangers. Hij wachtte. Nog twee +straten verder reden zij, tot aan den spoorweg; langs de zwarthouten +paalstaken lag een breede streep duisternis. Het Tuinstraatje waren ze +reeds voorbij. Nu moest het ... want 't stapelhuis was maar eene straat +verder. + +Treite draaide den arm al onder weg en gooide den zak over de ton, hij +zelf hoorde den lichten plof--Manes merkte niets. + +--Aan de derde lanteern moet ik er af. + +--Tot de naaste reis. + +--Lijk we gezegd hebben, jongen. + +Manes hield de honden in en Treite wrocht met moeite de beenen uit de +kar. Hij stond stijf en keek een stonde tot 't getrek was voortgelutst, +sloop dan naar de donkere vlek langs de palen en tastte naar den zak. +Nu miek hij een neus achter Manes, krulde zijn lijf met ingehouden +stuiplach, sloeg op de bil. + +--Zie-j'hem gaan, den slimmerik! tierde hij en borst nu los in eenen +schaterlach. Hij haalde zijne kloefen er uit en stak de oude, +doortordene nagelvooze schoenbrokken bij den kater en gooide den kluts +over den schouder. Hij stampte met de houtene blokken over de steenen, +preusch lijk een kind, naar zijn koolkot. Hij was overdanig blij dat hij +vandage zooveel geleerd en gezien had, maar 't voornaamste nog was zijne +welgezindheid om het buitenkansje: de kloefen en den dooden kater. + +--Ha kerel, morgen wordt ge 't vel afgestroopt en er zal geld afkomen! + +Hij wist bij zichzelf wat duivelsch fijnen toer hij gespeeld had en +loech nu wel met al de gerekende knapheid van Manes' commersie. + +Eer hij nog sliep roesden reeds al die trage, stille dingen van den +buiten door Treite's hoofd en hij bouwde nu zelf een slimmen handel op +en hij meende iets gevonden te hebben, sterker dan al wat Manes had +kunnen uitpeinzen en dan nog zonder daarvoor te moeten naar buiten +loopen! + +--Katten, jongen, katten! maar 't krielde er van in de steeg, ze liepen +de vensters uit, de daken op en schreeuwden bij nachte lijk kleine +kinders in pijne. En 't was drommels dood gemakkelijk: een strop op den +zolder leggen, een in 't koolkot, een op 't dak en de vette, ronde +katers zouden er in loopen; ze waren al gevild en verkocht--de vellen +aan den apotheker en 't vleesch, als echte konijnen, gekuischt en +opgespannen; de poeldenier zou ze nooit uitkennen! Maar opeens grijnsde +hem die gevilde, ronde katerskop toe uit de donkerte, de diep uitgeholde +oogpunten blekten en de tanden stonden naaldefijn in den openen muil, en +uit eenen kop werden er tien eerst dan wel duizend, overal zotgekkende +katerskoppen op dat gevild konijnenlijf en ze loechen om Treite's fijnen +streek die nu ontdekt was, belachelijk gemaakt; en wat hij al zocht om +'t spel een anderen draai te geven, met die koppen kon hij geen raad +vinden. + +--Manes zal daar middel mede weten! dat was nu voorloopig de uitkomst en +daarmede troostte hij zich in afwachting. + +Dan eindelijk kon hij inslapen en rusten van dien vermoeienden dag in de +dikke, opene lucht. + + + * * * * * + + +SINT-JAN + + +Als de noenestond stil was uitgeslapen, keerde Jan door den gloeienden +midzomerdag gaan werken op 't land. En de jonge vrouw bleef alleen met +heur twee jongens koele in 't huizeke. + +Den langen achtermiddag zou de zon weer over 't veld hangen, hooge en +branden op de vruchten. + +'t Was tijd nu om te werken; zij weerde den goeden vaak van daareven en +rekte om de lamheid te ontdoen die met de drukkende warmte haar in de +leden woog. Zoo stond ze, plat barvoets op den steenen vloer in de +kleine woonkamer en bleef wat kijken nog door 't open venster daar de +bloemen warm bloeiden. Op 't uurwerk lag voor haar 't gebod van +voortdoen; zij geeuwde en kwam eerst nog bij de wiege kijken waar de +kleine jongens te slapen lagen. Zoo schoone, zoo poezelig vet lijk +mollekes gezond te slapen nevenseen. Hunne armkes lagen nog geplooid +naar 't spel, voor den vaak ze kwam vastleggen en de vingerkes waren +geloken tot kleine vuistjes. Zij dubde om die handjes te grijpen en te +kussen nog nen keer terwijl ze alleene was, maar nu wilde zij hen niet +wekken: zacht laten slapen, en kijken, kijken alleen, met de oogen +streelen. Zoo schoon, zoo kriekeblozend rond gewangd was haar schat! +Daar lag nog den monkel op 't eene zijne lippen en de putjes waren nog +in zijne kaken. 't Andere lag met een ernstigen trek om den mond, als +een oud manneken in gedachten verslonden. Moeder stond en keek en ze +glimlachte. + +--Toe 'k moete voortdoen, dwong heur gedacht weer, 't is zaterdag en +Sint-Jan vandage en daarbij overrekende ze al heur werk. Dat schudde +haar los, ze boog en kuste in onbedachte beweging de mollekaakjes zacht, +diep duwend de lippen in 't malsch, koele kindervel. Ze dekte bezorgd de +wiege toe met 't gebloemde doek voor de vliegen en ging haastig in de +weefkamer werken op 't getouwe. + +--Den lap af tot aan de tweede smette, was heur voornemen, dat was de +duur van een heelen achtermiddag; met dapper te werken kon ze tegen den +avond gedaan krijgen en te vespertijd nog de kinders te zuigen geven en +heur Jans besteek gereed doen. + +Hij mocht er niets af weten; de verrassing was de helft van het feest. +En zoo regelde zij voort in hare gedachten om 't fijne te vinden hoe +alles best geschikt. En terwijl zat zij te midden op de planke en heur +voeten wrochten op de geterden en heur handen snokten den tap en de +lade. En heel 't gedoen kwam in drukke beweging; daarmede was 't gerucht +plots door die stilte gevallen en na 't verschot bedaarde 't nu wat als +iets dat gewoon door de kamer klabetterde en altijd geduurd had. De +spoelen rolden kruisend al snorrende over en weer en latten wisselden en +sloegen onder 't gestamp van de geterden, dat alles op gemeten slag en +geklets dat galmde naar buiten. + +En voor het venster, over 't wijde veld, schong de zon, lijk al de +dagen, eenbaarlijk zonder vergaan, in een perelblauwen hemel en er dreef +een vlugge windeke van buiten naar binnen. De blijheid lag in kleur over +'t hoveken rond het huis. De rijpe krieken lonkten lijk oogen rood onder +'t loof van 't jonge boomken. In reken, van weerzijds het wegeling tot +aan de eerdestraat en rond en rond, stonden de bezietronken zwaar +geladen, de groenselperkjes door de dikke berkenhage omheind. En +daartusschen schetterde 't kleur van de bloemen. De lelien luidden hoog +'t wit uit de opene kelkklokken en stonden gesnoerd aan rilde stammen +die wiegelden genadig bachten 't vlammende rood van de stokrozen hooge +geritst de ronde ballen en geklest aan rijzige persen. De leeuwenmuilkes +lonkten laag langs den grond, kleurspetterend blauw, rood en geluw; +verder een reke thijmstruikjes in gedempt groen; een bussel anijs in +fijne sprieteling als een groene haarbos luchtig open, verwaaiend en +gedoken aan den voet, door viooltjes dikke dooreen in duizend kleuren: +Sint-Pieter-lelien schel uitstekend het geel van hunne kelken tegen 't +zware gestruik van de dahlias en pioenen. Dat stond allemaal verschillig +de wegels zoomend en elk tierde in vroolijken groei tegen de blijde +zonne. De wijngerd berankte de muren onder de euzieen en dekte 't witsel +en de vensterboorden met zijne groote plakbladeren. In 't midden stond +de oude vlierboom, gedaagd en krom gebogen, knuistig over den steenput +en dekte 't water met koelte en lommer in een donkere spelonk, maar al +den bovenkant ter zonnewaard, lagen de vlakke, ronde, witte zaadblommen +open als handen zoo groot en strooiden de goede vlierreuke rond. + +'t Getouwe kletsklakte, de vogels zongen en als de jonge vrouw buiten +keek, zag ze hoe de wind heel de groeite en heel dien bloesem kwam +verwemelen en leven doen: al de kleuren mingelmangelden dooreen, dansend +en neigend de stengels en de bloemen daarop: 't rood van de rozen boven +'t wit van de lelien en 't purper van de vette pioenen--met gevezel van +bladeren die den reuk opjoegen en 't bloemenstof, omhooge in 't goud van +den zonnezomerglans. De bijen en de verwige, bonte vlinders +fladderwiekten van blomme te blomme of speelden twee en twee met +klepelende vlerken op en neer tegen de ijle lucht. Ze voeren weg over 't +huis naar de breede koornvelden en 't aardappelland, maar deden weer +een ommedraai en keerden naar 't hoveken onvermoeid hun spel hernemend. +Heel die blijde, kleurige, warm spetterende, stilvaste, levensvreugde en +al dat zonnegelonk speierde uit met den reuk van rozen en reseda door 't +open raam de weefkamer binnen; de vogels schetterden in den vlier en in +den kriekelaar; 't getouwe klikkakte op luchtigen maatstap mede met de +geruchten van buiten. Onbedacht en eenstemming met heur omgeving, zong +de jonge trouw dat 't helmde door al de schatering rondom heur hoofd, +een liedje uit haar geheugen: + + Wat is de zee al zonder water, + Wat is een meisje zonder lief? + Helaas zij ondervindt er later + De schande van en 't groot verdriet! + +Dat kwam boven gewalmd als eene noodzakelijkheid waaraan zij gewillig +toegaf. Die woorden rolden gereedgemaakt, ongewild uit heur keel, zonder +dat ze aan den inhoud dacht; ze genoot onbewust van haar vrije, diepe +moederweelde, heur overvoldanen rijkdom, heur eigen jong fleurig leven +eerst en 't dubbele van heur zelf: de twee ontbotte, nuchtere +keestjes--Jantje en Pierke, heel heur wonne, de spartelende knaapkes met +heuren Jan zijn oogen en heur eigen blonde haar. Al dingen van geluk +waar ze keek of de gedachten wendde. + +Heur handen wrochten en heur voeten torden op mate van 't eigen geruchte +van getouwe en lied en ze voelde bij elken ademtrek de warmte van buiten +en den bloemenreuk. Anders was ze alleen en in groote eenzaamheid en +verlangde naar t'avond en naar Jan en naar 't blijde spel van den +feestdag. + +De spoelen gletsten vlijtig en de latten schrankten en 't stuk +blauw-en-rood geperkte doek groeide trage, trage achter 't slaan van den +kam uit het vormelooze garenspan en bij tijden rolde ze het op den +dikken boom. Aan de laatste smette moest ze komen vandage eer ze den tap +zou laten schieten en in die afwachting schoof de tijd in de stilte, met +aanhoudend, luidruchtig leven buiten en binnen. Achterna begon het al +mede te werken op mate van den ladeslag: gewiegel van bloemen op den +wind en geflodder van vogels en vlinders, in leute onverpoosd. + + Het zijn al vrijers in mijn' oogen: + De blonde knapen, de jonge kerels fijn. + Wacht u wel voor hunne logen + Want de besten zitten vol venijn! + +Dat stond met woorden en slependen zangdraai vergroeid, een geworden +door langen duur en menig herhalen en dat herbracht als met eene +windvlaag, heel haar jongen tijd tegenwoordig: 't gevoel en 't gezicht +van de blijde zotternije midden 't druistig werk met andere meisjes, in +'t vlas of elders op 't land, onder den grooten zonnehemel. Van den +inhoud der woorden was er door 't danig herhalen, maar schaars een vage +verstandenis haar bijgekomen, de voois met onveranderlijke woorden +samengegroeid tot een vorm: de aanvang klonk als een vermaan van +grootmoeder over een heel dorp van dansende jonge meisjes waarop niemand +en schafte; later eerst moest de uitkomst bewijzen dat grootmoeder +gelijk had en de meisjes gingen weenen om hunne zotternije. Op den +zelfden sleeptoon sprong het liedjesverhaal zonder overgang, in een +ander land op een kasteel van groote heeren, als in een vertelsel. + +Daar was intusschen iets gebeurd waarvan het liedje niet en gewaagde en +alles raden liet, maar de zangster en vermiste de achtergelatene +klauzekes niet omdat ze haar niemand en leerde en 't bedied bleef toch +al even duidelijk. + + Zij ging het aan haren vader vragen: + "Vader vergeef mij voor dien enklen keer!" + En heur brave moeder moest nu dragen + Den zwaren last van groot hertzeer! + +Hoe bondig de verzen vertelden, heel het verloop der gebeurtenis lag er +in bloot: het meisje stond er duidelijk in de verbeelding der zangster, +te weenen onder den last van 't groot verdriet en ieder wist nu maar al +te wel heur schande. + +'t Begon haar zelf naar de keel te gaan al zong ze het liedje duizend +keeren en zonder bedachtheid, klonk het altijd zachter, 't derde +klauzeken: + + De vader sprak met sture woorden: + "Marie-Sophia trek maar uwe schuit van kant, + Want in mijn huis zijt gij bedorven + En nu moet ge uit uw vaderland!" + +En blijder, inniger ging het nu weer, alsof er niets gebeurd en ware, +de eerste twee reken, een zonnig huizeke was 't rondom in 't groen. + + En voor haar deur, daar lag een warandeke + Waar zij alle dagen haar voetjes wascht; + En zij dacht al bij heur zelven: + 'k Zal mij versmooren in dien waterplas. + + 's Morgens vroeg al bij het klaren + Is heur vader tielijk opgestaan; + In dat warandeke waar hij ging jagen + Kwam die wreede ramp voor zijne oogen staan. + + Hij riep: "Ach, Heere, waar is zij toch belonden? + Is dat Sophia mijn eenig kind + Die hier ligt in 't nat verslonden? + Straf mij Heere! 'k heb het wel verdiend!" + + Daarop heeft hij zijn eigen roer genomen + En gedrukt al tegen zijn rouwig hart; + Daarmede heeft hij zich het leven ontnomen + Omdat hij bezweek van pijn en smart. + +Ontlastend troostte het slot en blijder weer klonk het met vlijtiger +stemme: + + Sa, jonge meiskes, al voor het laatste, + Al voor het sluiten van mijn treurig lied, + Als gij wilt vrijen, doet maar uw beste + Of de jongens brengen u in groot verdriet! + +Ze wachtte en luisterde omdat ze meende gerucht te hooren bij de wiege, +en ze keek hoe ver de lap gegroeid was. De zonne was middelerwijl +gezonken en brandde nu heur goud schuin in warm groen over de blaren, +met dikke schaduwvlekken. De bloemen stonden stil en de vogels speelden +en waren doende in eigen genot. De rust daalde merkbaar met de koelte +van den uitslependen achtermiddag. De deun van haar eigen lied +weerhoorde ze nu met den voois van een trekorgel daarbij op een feest of +kermis ievers en ze voelde de deernis van 't weemoedig vertelsel door de +luide lente en 't gegiechel der omgeving, als bij 't overdenken van een +ongeluk dat lange geleden en verre gebeurd is. + +Maar dat vage, vergeten ongeluk deed haar dubbele deugd om haar eigen +voldane leven: haar eigen groene warandeke met den waterplas, onder den +koelen vlierboom en heel haar leven van nu, mengelde en werd--hoe net +ook--te verschemeren in de zaligheid van een oud liedje. Ze kon het niet +meer uithouden, 't kwam op als een vloed, ze wipte van de zitplank en +met de armen open al, sprong ze naar de wiege. + +Ze lagen wakker met oogen groot open en staken de armpjes uit om +opgenomen te worden. + +--O, mijn deugnietjes, alletwee! en moeder hief ze op en duwde ze tegen +heur lijf en kuste hunne beslapene wezentjes overhands. + +Ze zette zich op den stoel en eer ze heur wijde jakke open kreeg, +woelden en zochten de kleine handjes in de plooien om de bloote borsten +te vinden; zij grepen ze vast en lokten gulzig. En zoo zat moeder, met +haar kleed en de knieen open, de voeten op een anderen stoel, geduldig +te geven heur rijke melk. Zij hield de handen om de ronde kinderlijvekes +bloot op hun hemdeken en bekeek zichzelf en de twee dutskes die met +gelokene oogen, neerstig hun voedsel binnenhaalden. Ze voelde hunne +buikjes op en neder gaan bij 't zwelgen en ze loech om 't aardig vertoog +van heur eigen zitten en genoot de deugd en de ontlasting in de gegeerde +bezigheid. Als de twee molletjes hun bekomste gezogen hadden, duwden zij +met de handjes de witte borst weg en wendden het hoofd om te rusten. +Maar moeder bleef zitten nog met voldoening; ze rechtte Jantje op haren +knie en Pierken op den anderen, schikte de hemdekes over hun lijf en +speelde en dreelde met de opene hand daaronder over de malsche billekes, +knikte en loech hen tegen, deed ze lichtjes wippen en leerde hen +"Moeder" zeggen en "da-da" knikken. Ze plooiden hunne lipjes open en +daarom kuste zij weer met volle grepen hunne kleine mondjes en oogen +toe. Ze voelde eenen wellust waarbij heel de wereld verging. + +--Weer in uw wiegkes nu, mijn poezele ratjes, vader komt t'avond, en +slaapt nu schoone! Ze koutte bij al heur doen als tegen groote kinders +die 't al verstaan en begrijpen konden. + +--En nu moet ge stilliggen, 'k ben aanstonds weer. Ze douwde en neuriede +een wiegeliedje om ze in slaap te krijgen. Maar hij was verre weg de +vaak en ze bleven liggen wentelen en spartelden ongedurig met armen en +beenen. Daarbinst verliep haren kostelijken tijd zonder dat 't werk +vorderde. + +--Ziet dat ge u zelve paait! en ze dekte de wiege toe en keerde in de +weefkamer en snokte er vlijtig om de smette te krijgen. + +De twee schijterkes gingen luide aan 't schreeuwen en moeder zong door +al 't geklets van heur getouwe: + + Langs een groen heidetje kwam ik getreden + Langs een groen heidetje kwam ik gegaan + 'k Was in mijn hemdetje + Van tik tak, tik tak hemdetje + 'k En had geen rokjes aan + Van tik tak, tak! + +Zij zong en herzong die reken en zong ze nog als de jongens lange +sliepen en de vogels al zwegen buiten en de zonneschijn laag nu pinkelde +door de groene blaren. Dan kreeg zij eindelijk de gelangde smette! 't +Werk was af! Ze wond het goeds op den boom en kwam voorzichtig op de +bloote voeten in huis, hief den tip van 't doek op boven de wieg en vond +de jongens vast in slaap. + +--Nu, binst ik alleene ben, meende zij en haalde geld uit de schuiflade +en liep haastig, half gekleed lijk ze was, door 't hoveken over de +straat. Ze sprong als een vlug meisje dat 't zand achter hare voeten +opvloog en in de weerdij van vijf stonden was ze in 't winkelken op den +knok bij Dule Trame. + +--Dule, spoed-u, jong, een kilo toebak. + +'t Oud wijf zat te spinnen en keek onder hare brilglazen over den disch. +Ze stond op en zocht naar gewichten op de vensterbank waar al de +winkelwaren lagen uitgestald en reikte traag, met stijve, oude +bewegingen naar den tabakkorf. + +--Een kilo toebak en twee roeten keerskens, en twee lange, steenen +pijpen; 'k moete mijnen man besteken, en seffens komt hij thuis; hij mag +het niet weten. + +--Ha! 't is morgen Sint-Jan, knikte de oude Dule. Zij pekelde de lange +drendels tabak af en toe in de weegschaal en sneed twee keerskens uit +den reesem en reikte twee pijpen uit den steenen pot. Dan leunde zij met +de ellebogen op den toog in 't voornemen een beetje te kouten met Wieze, +in 't afgaan van den dag. + +Maar Wieze telde haastig het geld, wond de winkelware in heuren +voorschoot en hield de pijpen weigerlijk in de hand. + +--Dule, tot morgen, na de mis! en op een loopken was ze al buiten op +straat om zoo gauw mogelijk bij de jongens te zijn die alleene waren. +Heur herte klopte van gejaagdheid en vreugde. Een mei zou ze maken en +de pijpen pinten! 't Was zoo wonderwel gevonden en 't paste zoo goed: +Sint-Jan op eenen Zondag! Zij voelde de blijdschap kriewelen inwendig +bij 't gedacht aan Jans wezen morgen uchtend als ze voor hem zou staan +met heur jeunste! en heel den Zondag om te rusten thuis. + +De kindere lagen even stil toen ze binnen kwam en nu ging zij aan de +belangende bezigheid. De tabak deelde zij open in een ronde teele, +plantte er de twee keerskens in en trok donkerkblauwe en purpere +dagsterren en wond er de binderanken als een kroone om den boord. Dan +sneed zij eene mand vol van de schoonste bloemen en zette zich plat op +de zulle in 't deurgat om den mei te binden. Eerst de bloeiende vitsen +met anijskruid gemengeld en wilde roosjes wond ze rond de lange +pijpstelen en legde ze kruisgewijs in de tabakteele. Nu de groote, +ronde boererozen, zenia's, lijk kleursterre, violiers dikke gereesemd +wit en blauw en rood. Ze koos met de oogen en herschikte de bloemen +volgens tinte en kleur in den groeienden bos. Ze hield hem uitgesteken +tenden den arm, herstak eene goudbloeme hier, eene lelie daar, duwde den +neus met wellust in de reseda om den goeden reuk volop te genieten en +wrocht voort; het fijne pluimgras--lijk pereltjes aan dunne +sprietjes--vormde een luchtig afzetsel rond en rond en de floksen +bengelden hunne roode klokjes daartusschen. Ze knoopte de stelen met een +bieze toe en zette den prachtigen rieker in het goud-bebloemd kommeken +met water. En nu alles weggeborgen onder de kannebank in de waschkamer +en 't bord daarvoor en een stoel daartegen en Jan zou wel niet merken +dat er iets gaande was. + +Ze klom op den boom nog en trok een mandeken krieken en dook ze bachten +de bedsponde. + +--Nu is 't al veerdig! meende zij en haastig bracht ze 't koperwerk +buiten en schuurde het met zand en zurkel en legde het, afgespoeld, +blinkend lijk nieuw goud, te drogen op de hage. Jan mocht nu komen. + +Ze was al neerstig aan 't werk rond den heerd voor 't avondeten en Jan +hoorde haar van op strate, vroolijk het oud liedje zingen: + + Wat is de liefde wonderbaar in hare werken! + . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . + +Hij zette zijn alm aan de deur, klopte zijne kloefen af en kwam gestopen +onder 't lage deurhout, stil in huis. Zijn eerste stap was naar de +wiege, maar moeder deed haastig teeken om hem te weerhouden. + +--Laat ze, ze zijn pas in slape, Jan. Ze zullen schreeuwen heel den +avond. + +Dat was 't minste van de reden: ze was eigenlijk jaloersch als ze er +niet bij kon zijn om te spelen. + +Aan 't lage tafelken aten zij den mageren avondkost met goeden smaak. +Wieze koutte alsaan, opgeruimd en vervroolijkt omdat ze samen thuis +waren. 't Andere hield ze met moeite binnen en ze vroeg naar 't werk en +de groeite en naar 't weer en naar duizend andere dingen nog, blij lijk +de jongens omdat 't morgen Zondag is. En Jan, met zijn ernstige, grove +tale daartusschen, zag door haar blinkende oogen 't gedoken spel en +raadde de heimelijke doening die morgen, zooals alle jaren, zou bloot +komen, maar hij gebaarde zich onwetend en hield zijn tevreden monkel +onder den knevel gedoken en liet haar 't genot daarvan alleen. + +Na 't eten wandelde hij naar buiten door 't wegelke en rookte eene pijp +om den avond te zien. Hij leidde de jonge boonranken op, weerde 't +kruid uit de groenselbedden en goot water op de tabakplanten. Als hij de +vrouw hoorde schuren met den bezem over den vloer, ging hij stille en +haalde een mande uit 't achterhuis en sloop bachten den gevel naar 't +aardappelveld. Hij dook zich achter 't hooge koorn en woelde met de +vingers de eerste balken open. Ze waren nog jong en heel kleine, lijk +blinkende bames-pruimen, de muizekes, maar morgen moesten ze proeven van +de nieuwe vrucht, dat was gebruik op Sint-Jan. Hij weerde 't wakke loof +en zocht dieper; de mulde eerde stroelde tusschen zijne vingers en zoo +vischte hij de mande vol jonge aardappels. + +Hij keerde lijk hij gekomen was en hing de kostelijke eerstelingen hooge +aan de ribben in 't achterhuis en rookte bedaard een tweede pijp al +wandelend in 't wegelke tusschen de bloemen die bedauwd, nu sterker +geurden. Wieze zat op den grond voor de deur met de twee kinders op den +schoot en gaf ze te zuigen. + +--Maar Jan, wat schoone avond! Ze deed hem kijken door de opening van 't +hof, tusschen de twee linden naar 't Westen, waar de lucht gewolkt zat +en over 't land, verre, door de vallende deemstering, waar hier en daar +de vuren brandden op de hoogten en de rook in dunne streepkes, recht +opging en verder in lange dunsels, uitgerekt bleef hangen over de +vlakte. In de avondstilte ging 't geschreeuw van de knapen en daar de +vlamme in klaarteglans opsloeg, dansten de zwarte gestalten in ronde al +zingend af en toe en hunne stemmen galmden van den eenen smeulhoop naar +den anderen: + + Maakt vier! + Stookt vier! + Sinte Pieter komt alhier! + +En veel verder, half gedempt en overwauwd door 't huilen van honden, den +lang gerekten schreeuw uit de duisternis: + + Leve Sint-Jan! + +Dat was de feest-avond, de viering over heel het land. Jan en gebaarde +er geen woord van en Wieze speelde met heur kinders en ze keek gedoken +hoe de groote sul met een bundel rijshout in de armen naar den knok ging +en daar ook het vuur aanstak. De groote vent, hij stond alleen en zwart +en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte +met versche groenigheid om veel rook te maken. Heel de streek geurde er +van en verre hoorden zij de gebuurs den nieuwen laai begroeten met blij +getier. Rechts en links ontbrandden nieuwe lichtjes, 't werd een kring +den einder rond en bij sommige reikte de gloed hooge, zoodat de zwarte +boomen er door gehelderd stonden verre in den omtrek. Uit den hemel +daalde de dauw van den koelen avond daarover en de deemstering dook het +al uitgeweerd de vuurkes die pinken bleven als gevallene sterren. + +Wieze legde dan de twee bemels in de wiege en ze ontstak de keerse voor +'t lieve-Vrouw-kapelletje; Jan kwam ook in huis en ze sloten de deur en +lieten de wijde eenigheid en den avond buiten. Geknield en stil lazen +zij hun gebed. De woorden die ze daarna nog spraken ondereen gingen +zoetjes, ingehouden om de ruste niet te storen die omendom al begonnen +was en ze legden zich bachten 't blauw behangsel, in bedde hun moede +leden te rusten. + +In 't donker en in 't stilliggen eer ze sliep, bedacht Wieze hoe morgen +in de vroegte Jan te verrassen met den feestelijken besteek waaraf hij +niets en wist. Zij verlangde lijk andere jaren en voorvoelde reeds uit +verledene herinnering, den blijden afloop van de doening. Wanneer ze nog +een klein meisje was, blonk die sint-Jans-dag als de groote gebeurtenis +waar ze 't heel den zomer op gemunt hielden om te dansen, te zingen rond +den vuurhoop; en nu viel dat samen met 't feestevieren van dien naamdag +en de oude indruk was nu nog bijgebleven en vermeerderd tot een hoogtij; +van genot, die sterk in 't jaar geteekend stond als een groote klaarte +van blijdschap. Dat verdiep telkens zoo kalm, zonder beslag of luide +roepen nu, maar innig en welgezind werd dat herdacht als eene +hernieuwing van hun huwelijksfeest. + +De twee mollige, gezonde knaapjes had se er sedert bijgekregen als eene +onverdiende belooning in heur leven, met al 't genot dat ze niet +verzwelgen kon en dat bebloemde al het werk en de rust van alle dagen: +hare kinderkes die ze handelen en kussen mocht en groeien zag in de +stilte, terwijl Jan haar alleen liet en ging werken op het land. + +Al die uren van den verledenen dag herleefde zij weer geleidelijk: het +versch gebeurde van de kleine, gewone voorvallen speelde zich duidelijk +af en dan verwischte dat allengerhand in de beginnende dommel-duizeling +van den slaap, waarin ze verzwijmde met 't vooizeke nog en de woorden, +die weerkeerden en zongen in haar slappe zinnen: + + En voor haar deur, daar lag een warandeke + Waar zij alle dagen haar voetjes wascht; + En zij dacht al bij heur zelven: + 'k Zal mij versmooren in dien waterplas! + +De vroege klaarte van den nieuwen dag hing over 't veld met de wakte in +de lucht van dauw en damp, en 't geurde sterk naar bloemen en den rook +van 't gedoofde feestvuur, en Wieze wist niet hoe en waarom al de dingen +zoo nuchter voor haar oogen stonden en ze vroeg bij zichzelf: wat er wel +gebeuren ging? waarnaar ze kijken kwam of wat ze wel vergeten of misdaan +had om zoo angstig te zijn, zonder de oorzaak te vinden van de +beroerte. De bloemen neigden en de blaren wemelden vol kleur en groen +onder den frisschen tocht van den wind en 't was of zag ze dat al den +eersten keer in heur leven. 't En scheen haar niet wonderlijk of vreemd +ongeloofbaar, toen Jantje en Pierke, lijk jongens die vijf jaar oud +gegroeid zijn, zonder struikelen door 't prieeltje gewandeld kwamen. + +Ze hielden de armpjes over malkaar, de kopkes tegeneen en droegen een +groot rhubarbeblad dat ze openhielden als een zonnewere, voor de leute. +De witte vlinders vlogen al rond en beetten in de opene bloemkelken hun +zeem gaan zoeken. En de twee knaapjes zagen dat af en deden de pepels en +de bijen na: ze trokken lelien en dagsterren en bloedroode papavers en +goudene trompetten en ze zogen 't zeem uit de bloem-stengels. Ze zetten +zich daarbij met de beentjes open, trokken de leeuwenmuilkes af en met +eenen duw van hunne vingers deden zij de bloemkes gapen--het muilken +open en toe--en ze loechen omdat het alzoo een wiegje geleek met twee +stengels daarin, lijk kleine kinderkes die ze zelve waren. + +Moeder kreeg eene krijzeling van vervaardheid. Ze wilde hen tegenhouden, +in huis roepen omdat er vergiftige bloemen bij waren; zij hield den adem +op en bespiedde al hunne stappen in angstvalligheid. Als ze geweld deed +om te roepen, bleef de stem haar in de keel en wat ze ook wrocht om de +armen te zwaaien en teeken te doen, heur leden bleven slap en zie, heere +God, nu naderden zij den vlierboom en ze gingen reiken op de teenen om +te zien over 't steenen omhein van den waterput! Het geweld bepraamde +haar en 't zweet perste haar 't wezen uit. Ze klaverden er op, de +onschuldige deugnieten en zij loechen naar malkaar omdat ze alleen +meester waren en gerust rondliepen in eigene wereld voor den eersten +keer, in al die nieuwigheden. Ze lagen plat op hun buikje over den rand +en renden wiegewagend zoodat hun bloote beentjes hooger gingen telkens +dan hun hoofd en ze verdwenen over den vreeselijk diepen put, altijd +verder. + +Oei! Heur bloed verkroop en de hevige spanning doorbrak den kwaden dwang +als 't ongeluk gebeurd was. Op 't geruchte van den dubbelen plons, +gerocht den schreeuw uit hare keel. + +--Jan, ze versmooren! Jan! + +En met den slag, losgelaten, in een sprong, stond zij werkelijk buiten +nu, verdwaasd te kijken en houdend aan heur herte dat bonsde. De bloemen +stonden stil in den nuchteren morgen, bedauwd en daar was niemand te +ziene of omtrent geweest, ook geen vlinders vlogen er rond. De schrik +had haar zoo doordaverd en de koude rilling overliep nu haar half +gekleede leden en in de onthutsing kon ze nog niet uitmaken wat er +gebeurd of gedroomd was. De steenen waterput stond als een ramptuig +onder den donkeren vlierboom en ze gruwde om er bij te gaan. + +Naar de wiege eerst om eene uitkomst en zekerheid! Met een ruk, die 't +al zou uitmaken, was de voorhang weg en daar lagen ze nevenseen, gezond +en bewaard van alle kwaad, als kriekappels die bleuzen aan den boom, +wakker te lachen uit hunne blauwe oogen. + +Het bloed sloeg in storm naar heur herte en in de plotse blijheid, die +nu als een tweede slag kwam gevallen, liet ze tranen leken die heur +lange gepraamd hadden en nu ontlastend uitvielen. Ze neigde heur lijf en +duwde de lippen op hunne malsche wezentjes lange en herhaaldelijk. z'En +rechtte zich maar om te zien of Jan ontwekt was. + +Hij lag vaste in slaap met zijn wezen naar den muur. Ze wilde nu 't +uitgestaan verschot verspelen en den angst, alleen met heur +weergevonden, dubbel diere kindjes. De vreugde overliep haar als eene +razernij die ze met geweldig streelen moest kalmen. Ze legde, ze duwde +haar wezen tusschen die twee kopjes, haar ronde, vleezige wangen die +gloeiden, te koelen tegen de frissche, jonge gezichtjes; heur lippen +beeten en nepen zonder zeer te doen, overal waar ze vel vonden om te +knabbelen. Heur handen overgrepen de lijvekes en haaiden over de bloote, +ronde buikjes en billekes, nooit genoeg, om de deugd te voelen, +tastelijk, van den schat dien ze behouden mocht en die zoo nipte +verloren was. Ze moest in 't stille genieten, geen geruchte maken om +Jan niet te wekken die haar zottigheid zou zien; maar de woorden moest +ze met geweld binnenhouden of 't stormde luide uit in groot geruchte. +Ze vezelde stil dien overvloed tusschen de genepene lippen. + +--O, mijn arme, kleine dutskes! hier mijn sloeberkes en gij mijn +deugnietje, aan mijn herte! mijn moordenaarkes, mijn zachte, kleine +leeuwkes, mijn kapoentjes, mijn poezelige oude weerwolvekes, mijn +tooverwiemkes! + +Ze herbegon met nieuwe macht van dreelen en kussen tot de kleintjes er +onder versmachtten bijkans en benauwd voor dat geweld, aan 't weenen +gingen. Ze was den adem af en tenden ook en rustte wat om ze te bekijken +nu al rechtstaande, om hare borst te laten uitgolven in lange trekken. + +De feestdag, de blijde Sint-Jan viel haar nu te binnen en dat de leute +nog niet uit was en moest duren heel den dag! + +Ze haalde heur gereedschap en schikte 't voorzichtig op tafel voor 't +bedde: de teele tabak met bloemen en keersen en de lange bloeiende, +steenen pijpen en de mande met krieken. + +Ze legde de jongens op 't deksel bij Jan en hielp hen trekken aan zijnen +knevel en zijnen baard. Ze schetterlachte omdat ze hunne kleine +vingerkes boorden in zijne neusgaten, in zijne ooren en in zijnen mond, +daar hij lag als een slapende reus. Toen hij trage en verrast, de oogen +wijd openrekte om te zien wat er werkende was zoo vroeg bij zich in +bedde, hield ze den grooten mei voor hem uitgestoken met lachend blijde +wezen: + +--Jan, zei ze, 't was gister uwe avond en vandage is 't uwe dag, 'k ben +blij, da'k u besteken mag! + +Hij greep den mei met beide handen en rook er aan. Hij vond geen woord +om te zeggen, maar zijne oogen bekeken haar en daarmee raadde ze al wat +hij zeggen wilde. De jongens woelden weer over zijn lijf en zij hielp +hen van op den beddekant. Ze staken ze omhoog, kaatsten en vingen ze +weer van hand te hand het spel hernemend. + +Dien feestdag voorzag zij als den besten van heel haar leven, omdat ze +zoo nakende haar ongeluk was, en onder de vreeze nog en 't verschot van +den genadeslag, die bezijds geweken was, zonder schade of hinder te +doen. Zij 'n zou er hem geen woord van vertellen en alles bij zich +houden--niets dan blijde dingen mochten er vermond worden vandaag! Ze +joelden onbekommerd voort ondereen en binnen hielden zij den sterken +vrede en de verwachting van een langen, stillen rustedag, die al zoo +goed begonnen was. + + + * * * * * + + +SINT-JOSEF + + +Voor den eersten keer van al den tijd dat ze huishielden en jongens +kweekten, hadden Ivo en Dille vandage niet genoenmaald. + +Vroeger--en bijna elken winter--hadden zij nog wel kort gezeten; Dille +had de jongens meer dan eens met wat potfoefeling van gevonden kost +gepaaid, maar onvoorziens was er dan van ievers hulpe gekomen en +beternis in den nood. + +Nu was er niets: ze hadden aan tafel niet gezeten; gister hadden ze 't +laatste stuk brood gedeeld, en Ivo vond maar geen werk en vuurmaaksel +was er ook niet. En dat noenuur was zoo benauwelijk voorbijgegaan: waar +ze anders luidruchtig met de vorken wrochten, hadden ze nu op malkaar +zitten kijken en de jongens hadden geweend. + +Ze waren zonder eten naar school! + +Dille kon de vreeselijke nieuwigheid van dat gedacht niet verdrijven, +heur handen lagen lam in haren schoot en de kous waaraan ze wrocht was +op den grond gevallen. Heur eigenen honger voelde zij niet, 't was eene +eindelooze weemoedigheid, eene onlust die drukte en te ziene stond op de +vuile muren, op de doode stoof en de manke stoelen. "Geen eten!" 't +Schreeuwde luide overal rond waar ze de oogen wendde en van dezen keer +was 't zonder eenige hoop op beternis. 't Verdriet stropte heur keel vol +omdat ze met alle inspanning niet vinden kon 't geen er zoo doodnoodig +was of waar het te zoeken: eten voor de jongens. + +En als 't weerom en nog eens al rondgedraaid was en heroverdacht en dat +'t altijd verneenend of onmeedoogend grijnspotte waar ze de zinnen +wendde om hulpe of uitkomst,--dan keerde het lamme, krieperige wee in +onverduldigheid, in spannenden opstand, angst die uitbrak in wanhopige +kwaadheid, woede om 't gevoel dat praamde: te moeten, te moeten eten! en +dat de jongens weer huilend zouden van school naar huis keeren. Ze vond +het nu zonde hier stil op malkaar te zitten kijken en zonder reppen dood +te vallen, verhongerd. Daar woonden toch menschen in de straat en met +brood reden de bakkers gedurig voor de deur, dat 't een verdommelijke +schande was om zien. + +Dan sprong zij recht in opgewondenheid, al wist ze nog niet waarop heur +korzelige gramte uitwerken; ze stootte de deur van de zijkamer open, ze +spande de vuisten op de heupen en stond voor 't bed in de kamer waar +heuren vent lang lag uitgestrekt. + +--Ivo, riep ze, Ivo! + +Hij hoorde het wel, maar wat voordeel? Hij lag en bleef liggen op het +uivallig ledikant, slapeloos op den rug en zijne oogen waren open, en +zijn hoofd lag achterover in de handen. + +--Ivo, wat den duivel, gaat ge de jongens alzoo zienling laten +doodvallen van honger, en daar liggen, gij luie leegganger?! + +Ivo had in de eerste verwondering, om die plotse furte het hoofd gewend +in 't gedacht dat zijn wijf hem wat nieuws kwam schreeuwen: dat er werk +gevonden was of eene boodschap te doen,--als hij hoorde heur zotten +uitval, keerde hij de oogen weer naar boven en roerde geen spier. + +--Gij groote, lange, luie lummel! zijt ge niet beschaamd, 'k zou liever +mijne vingers afeten. + +--Zwijg, wijf, zwijg, wederzei hij kalm weg, de gebuurs gaan 't weer +hooren en.... + +--Dat zij 't verdomd hooren! heel de wereld moest 't hooren! dan zoudt +ge daar in uw nest niet liggen rotten bij schoonen klaren dag, als de +jongens zonder eten naar schole zijn. + +--Hm, 'k heb het al afgeloopen. Dat verdroot Ivo,--wat moest ik gaan +doen? en zonder schoenen aan mijne voeten en mijn broek is ook kapot. + +--Ja, zoek maar uitvluchtsels--wat gij moet doen? werk zoeken of meent +ge dat ze 't u gaan brengen waar ge ligt?! Zeg het aan Wimpel, den +smeerlap, die u afdankte, dat hij de smouters, de dronkaards uit zijnen +winkel schoppe, en u werk geve, zeg hem dat we creveeren van honger. + +--Hm, Ivo vertrok de schouders, zotteklap, mompelde hij. En dat bracht +Dille tot het uiterste. + +--Roep het langs de straten, tierde zij, zeg dat we zonder eten zitten; +ga, raap de kolen op die van de karren rollen; vraag aan de heeren hun +pakken te dragen, help steken aan de vrachtwagens, steel het, verdoemd, +als 't niet te pakken en valt! maar ge zijt te grootsch, gij +mannemensch, dat 't pinten-drinken ware, dat 't stoffen ware met uwe +macht, dat wel ... maar gij zijt te lui, te laf, te groote nietweerd, +te verdommelijke trunterd! + +Ivo voorzag dat het niet eindigen ging en dat hij nu beter buiten was +in de koude dan hier in bedde. Hij stond op, trok de pet diep over de +ooren, stak de handen in de bodemlooze vestezakken en de voordeur voelde +hij tegen de hielen slaan zonder dat hij dorst ommekijken. + +--En zie dat ge den voet in huis niet zet met leege handen! hoorde hij +nog roepen. + +Hij liep op goed geluk, de strate langs en was blij van weg te zijn, +al beet de koude wind door de vele gaten van zijne versletene kleeren. + +Met koortsigen ijver hervatte Dille het werk aan de oude kousen. Zoo was +het toch beter, de angst bleef er wel en de hoop was klein, maar kans +was er altijd dat haren man iets zou vinden en 't een of 't ander naar +huis brengen. + +--Al moest hij het stelen! 't Waren toch ook zijn jongens, en liever dan +ze te zien wentelen van honger. + +--Hoelang zouden we 't wel uithouden zonder eten? Wij menschen dat is 't +minste, ze betrouwde en twijfelde geen zier aan heur eigen sterkte; ze +zou alles uitzien, daaraan dacht ze niet--maar de jongens, heere-God, ze +zagen zoo bleek, zoo drukkelijk, en ze zien krullen en krimpen, en dat +akelig huilen,--dat men ze toch den bek kon toehouden--maar 't scheurt +de ooren, als ze zoo alle vijf om eten schreeuwen. + +--Dat ik ze kon in slaap krijgen, vanavond, met een slaapdrankje! + +En opgesmeten als door den druk van een losgesprongene veer, wipte ze +recht, ze ging en doorzocht en keerde nog eens de zakken uit van al +de kleeding die in huis was--misschien was er een stuiver ievers +vergeten--ze trok de lade open, doorzocht het naaikussen, legde zich +plat op den grond en keek onder 't bed, onder de kast--er kon vroeger +een halffranksken onder gerold zijn.... Maar ze vond heur doen +belachelijk--zot was het te gelooven dat er verloren geld achter den +grond zou liggen als 't altijd zoo wel geteld en zoo nauwe verteerd +was--ze keerde naar heuren stoel en zuchtte. + +In heur wanhoop besloot ze nu hulpe te zoeken, gelijk waar--ze overging +in gedachten al de huizen in de straat, Gusten, heur schoonbroer, en +Slina haar zuster--maar hoe ver ze reisde, ze voorzag wat ze krijgen +zou: spotredens eerst en scheldwoorden later, die menschen waren niet +weeldiger dan zij zelf en geven kenden zij niet. + +Buiten liepen de dronken lotelingen in drieste benden zingend over +straat; het trekorgel schreeuwde en ze brulden woest hun vreugde of +spijtigheid uit met schorre keel. + +Dille en hoorde het niet. Heur gedachten draaiden al zotter, 't was +wakker droomen dat ze deed en werken, om onmogelijk zotte dingen een +verstandelijken kant te geven en waarheid te maken van 't geen ze +beeldelijk wenschte; dacht ze niet dat de bakker heur een brood bracht, +'t geen hij al twee dagen weigerde te geven als er geen geld bij +lag!--dat er plots entwie binnen kwam met een zak kolen; dat Wimpel naar +Ivo kwam vragen; dat de briefdrager een brief bracht en als ze hem +opendeed dat er bankbriefjes uitvielen! veel andere dingen meer, maar ze +schrikte plots en kreeg een slag in 't herte--de schooljongens gingen +gearmd over straat al zingend: + + De troep is goed + Hij 'n kan niet beter wezen + De troep is goed + Hij 'n kan niet beter zijn! + Albij den troep + We leven zonder werken + Albij den troep + 't Is altijd vleesch en soep! + +Ze hadden een groot telteeken op de muts gevest en kleurige linten +wapperden achter hun hoofd. De school was gedaan en ze gingen +huizewaards en aapten de echte lotelingen na die ze binst den dag +zottigheid hadden zien bedrijven. + +--God! 't was al zoo laai! ze zouden zoo gauw binnenkomen en daar was +nog altijd niets. Dille trappelde rond, keek scheef uit naar 't venster +en knarsetandde van woede, van ongeduld in heur hulpeloosheid. + +En dan ging de voordeur open, 't was Frielde 't gebuurwijf, ze loech +welgezind en ze haalde van onder den voorschoot een blikken pintje en +zette 't op tafel. + +--Dille, onze Miel heeft een goed nummer getrokken! menschen-God is dat +een dingen, is dat een dingen! 'k Sterve van blijdschap! 'k heb gebeefd +heel den dag, maar nu peins ik eerst op u, Dille, ge moet meevieren ent +ook uw deel hebben, hier, drink dat uit, hier ze, 't is beste genever; +maar 'k moete naar huis, is dat een dingen, t' onzent: er zijn wel +vijftig menschen en ze dansen dat 't kot dreunt! en Dille, ze hebben mij +doen drinken, mijn hoofd draait er van, Dille, dat is een dingen: mijn +oudste jongen die nu vrij is van de soldaten, een beeld van een jongen, +ge kent hem,--en dat hij nu vrij is! Ze sloeg op heur bil en wakelde +naar buiten. Tegen dat Dille een woord ging uitbrengen en verstout was +om iets te vragen, was Frielde de deur uit en weg. + +Ze was opgeschrikt in de valsche hoop, en stond verslegen nog van +ontroering: op den slag had zij gemeend dat 't in der daad de bakker was +met brood of de brief drager met geld, of.... + +In een onbedachte beweging greep Dille naar 't pintje en dronk in een +zwaai de genever uit, om de ontroering neer te spoelen. + +--Dat zal mij beteren, meende zij. + +En waarlijk, 't deed deugd, 't warmde heur lijf inwendig waar 't vocht +voorbij liep en na eene stonde klaarden heur gedachten, ze was zoo +verlegen en angstig niet meer om wat er komen zou: die "later" was in +eenen nevel gedoken en, daar waren bij haar weten, nog geen menschen in +hun huis doodgevonden of vergaan van honger, er moest dus enthoe hulpe +komen?! En, hoe grooter nood hoe nader de beternis, na de grootste +armoede keerden de dingen dikwijls beter dan ooit.... + +Ja, ze waren daar, Dille hoorde 't getrappel en ze zag hoe ze opkeken +naar 't venster, verlangend. + +Hunne oogen waren rood gekreten, hunne handjes en wezens waren blauw van +de koude en ze kwamen uit gewoonte, warmte zoeken rond de stoof waar er +van heel den dag nog geen vuur en was. Ze keken naar moeder en zoetjes +eerst, begonnen zij te weenen, ingehouden. + +--Moeder, honger, geef ons eten, kermden zij, g'hebt het beloofd, +moeder. + +En als moeder ook heur voorschoot aan de oogen hield, lieten zij 't +luide los, ze barstten uit met geweld en huilden. + +Ze stonden alle vijf, rond moeder, schamel in hun gescheurde en verlapte +kleeren, de haartressen wild onder de muts en uit hunne natte oogen keek +de meewarige, drukkelijke angst. Het kleinste meisje hield de handjes +aan den buik en wrong haar lijveken van pijn en ze schreeuwden allen om +ter luidst. + +--Moeder, moeder, moeder! + +Ze trokken aan heur armen, aan haren rok en riepen altijd: + +--Moeder, moeder! mijn buikske, moeder. + +--Mij eerst, moeder, Gustje heeft een halven boterham gekregen van den +mulder en Marietje twee aardappels. + +--Zwijgt of 'k worde zot!'riep Dille tenden raad. Ze schokte ineens heur +lijden weg en raasde van ongeduld. + +--Zwijgt! wacht en zwijgt, 'k en heb geen eten; heb ik zelf geeten in +drie dagen?! wacht en zwijgt--ge zult eten krijgen! + +Ze zegde dat en ze meende 't ook, doch waar ze't halen zou en vroeg of +wist ze niet. Inwendig gloeide een deugddoende warmte in haar lijf. +Heur moed was gekomen zonder dat ze wist van waar en eene stoutigheid en +vaste zekerte zonder oorzaak, 't Was 't toppunt nu, het hoogste en nu +moesten de dingen keeren, gelijk hoe, dat was heur zekere overtuiging. +Zij voelde een plechtigheid door die hoogte die de wanhoop verdreef en +'t uiterste moest nu gedaan worden. Ze nam de handjes van een der +knechtjes in de hare en 't waren als ijsbrokjes. + +--g'Hebt koud, mijn dutske. + +Ze keek rond. + +--Ja, we gaan vuur maken en warmen, en als ge zwijgt ge zult eten +krijgen, maar zwijgen, ze zouden buiten gaan denken dat ge hier vermoord +wordt. + +Ze nam het kapmes en kloof de zoutlade, 't naaibakje;--'t was haar een +troost dat ze die uiterste dingen te vernielen nog over had. De houtene +lepels, de tafellade, 't vloog al aan splenters. Ze ontstak en vulde de +stoof met de kapperlingen en de vlamme spokkerde dat 't ijzer al gauw +rood stond en 't ronkte door de versleten stoofbuis. De jongens kropen +er rond, wreven de handen en monkelden door hunne tranen. + +Er was plots als een ophemmende beternis, de warme lucht in huis bracht +nieuwen levenslust en ze genoten er van in stilte. Al de oogen draaiden +mede waar moeder ging. Ze stond te wachten naar entwat--Ivo kwam niet +terug--en dan schoot het haar plots te binnen,--'t was als een slag die +inval--de menschelijke hulp was verder dan ooit--'t wonder moest van +elders komen, en de nood was nu zoo geweldig dat 't zonder bovenaardsche +hulp niet meer te beteren was. + +--Lezen, jongens, lezen! riep zij. Allemaal op de knieen hier rond mij, +hier op de knieen. + +Ze nam het ouderwetsch, steenen beeldeken van de kaafbank en hield het +in beide handen gesloten. Ze deed teeken met de ellebogen dat de jongens +moesten nader komen. + +--Al in ronde, en de handjes samen en hier naar Sint-Josef kijken, en +nazeggen wat ik zeg, schoon. + +Al de oogen waren op moeders beeldeken gericht en zij zelf en keek er +niet van weg; al de handjes staken gevouwen uit in smeekende houding. + +Zij begon met luide stem en snakkende woorden: + +--Sint-Josef, ge moet ons helpen! + +Ze wachtte en de vijf kinderstemmekes herhaalden, op zachteren toon: + +--Sint-Josef, ge moet ons helpen! + +--'k Kenne maar U alleen! + +--Van d'ander Heiligen houde ik niet! + +--Gij alleene zijt getrouwd geweest en weet wat het is jongens te +kweeken en armoede te lijden! + +Effenaan, elke reek haalden de jongens heur af en herzegden moeders +woorden met eenbaarlijk smeekende stem. Geen hand en verroerde, geen oog +en verpinkte. + +--w'Hebben honger, Sint-Josef! + +--Grooten honger. + +--En ge moet vader werk geven, dat we eten krijgen en vuurmaaksel. + +--En als ge ons dat geeft zullen wij u bedanken op de bloote knieen en +voor u een groote keerse branden. + +--Ge moogt ons niet laten sterven van honger! + +--Ge moogt ons niet laten sterven van honger! + +Dille zocht en als zij niets meer te zeggen vond, begon zij: + +--Onze vader die in de hemelen zijt. + +--Die in de hemelen zijt. + +--Geheiligd zij uw naam. + +--Ons toekome uw rijk. + +--Uw wil geschiede op aarde als in den hemel. + +--Geef ons heden ons dagelijksch brood. + +--Geef ons heden ons dagelijksch brood. + +--Nog ne keer, en luide, allemaal: + +--Geef ons heden ons dagelijksch brood. + +Zij herhaalde dat vijf keeren en herbegon nog vijftien keeren het +onze-Vader en 't weesgegroet. + +Heur armen werden niet moe van 't beeldeken uit te steken en de kinders +ook durfden niet lossen en bleven met gevouwene handen reiken en +starling het beeldeken bezien dat als de wonderdoener, de Heilige Josef +zelf, in moeders handen stak. + +'t Was in middelertijd donker geworden en z'en zagen malkander maar bij +de klaarte die door de kloven van de brandende stoof uitschong. Buiten +gingen altijd benden dronken lotelingen voorbij al tierend. Ivo kwam +thuis. Hij zag zijn wijf en de jongens in kring op den vloer bij die +deemstering; hij nam de muts af en en kroop stil achter de deur in bed. +Dille bezag hem. + +--Sint-Josef, nu kunnen we u geen keerse branden, w'en hebben geen geld +maar morgen koopen wij ze. + +Daarmede was 't uit. De jongens zochten rond met de oogen waar of 't +brood nu ievers door de kave gevallen was en 't geld, daaraf moeder met +zulk eene zekerheid gewaagde. Maar: + +--Nu allemaal naar bed, g' hebt nu warm--en zonder kriepen, dat ik +niemend en hoore! Die durft piepen moet morgen weer zonder eten +optrekken! + +Stil, tegeneen gedrumd, verlegen en beangst voor moeders geheimzinnige +belofte en bedreiging, kropen zij in den grooten bak op de strooien +bedding. Dille dekte de jongens lekker toe met oude kleeren, met een +ouden mantel, die ze van haar eigen bedde nam en met de gordijnen die +aan 't venster hingen. + +Geen een die roerde. + +Dille zocht ook haar ruste en als ze wat gelegen had, voelde zij de +warmte uit haar lijf vergaan en medeen verloor zij ook al haren moed en +betrouwen en de nuchterheid kwam in haar ijle hoofd en de pijn in haar +ingewand. z'En geloofde niet meer aan 't geen ze daareven zelf nog zoo +vast beloofd had en zij verzonk in gedachten die donkerder waren dan de +kamer rond haar en z'en kende 't einde niet van de gruwelijke wanhoop. +Ze weende, weende stil ingehouden, heur snikken pramend door den +gesloten krop. Ivo mocht het hooren maar de jongens mochten niet weten +dat ze flauw viel en begaf in heur sterk geloof. + +--Morgenuchtend is er brood, herhaalde zij gedurig om zichzelf te +overtuigen, maar ze had altijd geern geweten hoe het er komen zou. Ze +leed mede de pijn van haar jongens, de narigheid en de flauwte van hun +ijdele maag en de krampe van hun buik. Dat belette haar te slapen. Tegen +Ivo wilde zij nu geen woord spreken. Ze wachtte alzoo heel den nacht met +ontroerd gemoed, tusschen hoop en vrees, lang, lang naar den morgen. Als +de dag schaarsch begon, eer 't nog vol klaar was, verlangde Dille reeds +op te staan, en de jongens ook waren al gewekt door den grooten honger. + +*t Was weerom koud in huis maar er hing entwat in de lucht: 't +overblijfsel van die sterke hoop op uitkomst waarmede ze gister gaan +slapen waren en dat miek den uchtend anders en buiten de gewone +verdrietigheid van koude en gebrek. + +De jongens roerden stille zonder spreken. In de schemering overal was +'t zoo plechtig als een Sinter-Klaasdag als ze hun pander met dingen uit +den hemel moesten gaan vinden. Ze zochten sjerpen en kloefen en muts, +en stonden te wachten zonder te durven vragen of zeggen wat er hun +scheelde, met den krijsch gereed op de lippen. + +Dille was nog bij 't bedde en in de uchtend-stilte begon zij al luide: + +--Ivo, toe, kom er maar uit, 't is 's nuchtens best om iets te betrapen +buiten, de eerste aankomers zijn eerst besteld. Ge moet naar den +brouwer, en naar Fleters aan 't fabriek; en aan de wasscherij en aan de +werf, daar kan een scheep te lossen liggen. + +Ivo kroop er uit en zoo gauw was hij buiten, zonder een woord te +spreken. + +--Lezen eerst, jongens, allen op de knieen. + +De jongens knielden neer en baden stil met de handjes gevouwen. + +Dille stond zonder te weten wat aanvangen; ze keek nog buiten in 't +grauw, donker steegje en dan hing ze weer de gordijnen aan 't venster +die als deksel op het bedde dienst gedaan hadden. + +--Kom hier nu, gasten! Gij Marietje naar Maarten den bakker en vraag een +brood en zeg dat moeder 't morgen zal komen betalen, schoone beleefd +vragen, kind.--Gij, Zulma, hier met dat zakje naar den winkel op den +hoek om aardappels. En gij, Oskar, en Fideel neemt Gustje mede en raapt +de branders uit den aschhoop aan de poorte van Vanneste's stokerij, maar +uit het koolkot niet te stelen, hoor! + +Ze vertrokken zonder spreken. Hun kloefkes klopten op 't plankier. + +Dille, als ze alleen was, nam weer 't kapmes en kloof een slechten stoel +en legde de splinters op de stoofbuis. Dan bleef ze boutstil met de +handen onder den voorschoot, staan wachten, 't Beeldeken stond nog op de +kaafbank, roerloos, steenstil en dood, 't was als een zotje in +gedwongene ingetogenheid, met neerhangend hoofd en gedweee, gelokene +oogen, maar er hing eene lucht van wonderheid en gedokene macht rond die +simpele nietigheid. Dille kon er de oogen niet van keeren, ze geloofde +nog altijd, maar bidden deed ze niet meer; heur gemoed was droog en hard +en heur zinnen liet ze vrij aan 't noodlot over. Ze luisterde naar al de +geruchten op straat en ze telde of raadde met een flauw besef, de kansen +die lukken konden, heel gelaten wachtend naar 't geen de jongens haar +brengen zouden. Hopen durfde zij niet, maar de vrees en de angst waren +weg ook; ze voelde alleen de rauwe pijn van de maag en de ruischingen in +den kop die haar deden wakelen op de beenen. Ze ging leunen tegen den +muur. De ijzige koude en de rilling overvielen haar lijf en de +vermoeienis drukte haar nu van dien slapeloozen nacht + +Marietje kwam eerst naar huis en het weende. + +--Moeder, hij zegt dat ge zelf om het brood moet gaan, en 't ander eerst +betalen. + +Die slag joeg haar lamme lusteloosheid weer tot woede op. + +--Die smeerlap! De vrek, gaat verhongeren om des wille van een +broodje!--'k wil dat hij in zijn leven.... + +De deur vloog open en de knechtjes kwamen binnen geloopen met Zulma. + +--Moeder, moeder, kijk, 'k heb een schoonen cent gevonden! + +En Oskar hield zijn blinkend geldstuk uitgestoken. Dille had hem met den +eersten greep bij den pols zoodat de cent in hare hand viel en als ze +wel gekeken had: + +--'t Is 'ne frank, 't is sakkerdomme 'ne frank! waar hebt ge dat +gehaald? waar de verdomme, zeg het mij! en ze schudde den jongen bij de +schouders. + +--Gestolen, newaar, deugniet! + +--Neen, moeder, gevonden! riep de jongen die 't heel anders verwacht +had; hij keek rond in 't wezen van de broers om hunne +getuigenis--gevonden aan den aschhoop. + +--Gevonden aan den aschhoop, gevonden, moeder, herhaalden zij. + +--En lieg niet, sloeber, of 'k vermoord u! + +En nu vertelden zij al dooreen, hoe 't gebeurd was, wie hem 't eerst zag +liggen blinken, en wie hem opraapte en dat er niemand bij of omtrent was +om te vragen.... + +De deur was ongemerkt opengegaan en daar stond een wijf. + +--Ewel, Dille, gaat ge mee? vroeg ze. + +'t Was Anzela en ze had een baalzak onder den arm. + +--Wat, naar waar? + +--Dat is nu wel, vervolgt ge de dagen niet meer? Dille,--of deelt ge +niet meer mee aan de armkamer? 't Is verjaardienst vandage met dubbelen +brooddeel, voor Schafels, hoort ge de klokken niet? + +--Jezus Maria--menschen! Anzela! dat was mijn ziele, uit mijn gedacht! +wijf, kom, gauw, 'k zat waarachtig zonder eten, jong, gauw,--jongens +houdt u koes, 'k ben seffens weer, riep ze nog aleer de deur toe te +trekken. + +--Mensch, mensch dat was leelijk uit mijnen kop gerocht, vergeten van +zuivere mezerie! + +Aan de armkamer stonden de wijven in grooten drom voor de poort te +wachten. En na den kerkedienst kregen zij elk drie brooden. + +Dille en genaakte geen grond, ze liep onderweg in eenen winkel, ze +tastte of de wondere frank wel zuivere munte gebleven was in hare hand +en dan kocht ze een kwartje smout en verder in een anderen winkel, liep +ze weer binnen om een groote keers. En geladen draafde zij naar huis. +Heur berekening was gemaakt en heur voornemen. De jongens wachtten op +den drempel. + +Zij veurde groote sneden van 't brood en smeerde er smout op. + +--Ge zult allen besteld worden, niet te vechten, ge krijgt vandage den +buik vol. En vader nog niet thuis?! 't zit goed, hij zal iets gevonden +hebben!--God van den hemel!'t was ineens weer de gouden tijd geworden! + +--Jongens, jongens! eet maar! ze loech, ze weende, 't geld van den +gewisselden frank rinkelde in haren schortezak bij elke snede die van 't +brood viel en wat was het een lust de jongens te zien bijten! Dan vond +ze de keers. + +--Lezen, eerst en vooral lezen, op de bloote knieen! zie-je wel +Sint-Josef is er tusschen gekomen. + +Ze ontstak de keers en plantte ze vast op 't schouwberd in 't vet dat ze +er liet afdruppelen. En ze viel nevens de jongens neer en ze robbelde +ook hare rokken op om met bloote knieen de belofte te volbrengen. + +Ze reikten allen de handen naar 't verlichte beeldeken en zoo begon zij: + +--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen! + +--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen! herhaalden de jongens +met den mond vol brood en ze beeten een nieuwen greep en eer 't +verzwolgen was en met hun brood opgesteken, herhaalden zij: + +--w'En zullen u van 's leven niet vergeten! + +--We bedanken u voor 't groot mirakel! + +--'t Groot mirakel! + +--'k Wist het wel dat ge onze mezerie kendet! + +--En ons zoudt helpen! + +--Alle dagen nu--'t is vast--lezen we een groot gebed voor u, op ons +bloote knieen. + +--Als ge nu wat werk geeft aan vader, geraken wij door den kwaden +winter, gewonnen; geef het hem, wij vragen 't u schoone, Heilige man! + +--Onze Vader die in de hemelen zijt! + +En ze lazen woord voor woord, halen en herhalen, hunne vijftien +onze-Vaders en wees-gegroeten ter eere van Sint-Josef, in dankzegging. + + + * * * * * + + +VREDE + + +Als de klaver in ronde bundels hoog en vol op de kar gestapeld lag, +reden zij van 't veld door de zandstraat, traag naar huis. + +De oude boer zat op 't snak en mende den os; zijne lange beenen +zwemelden nevens 't voorwiel, zijn rug was kromgebogen en zijn groot, +donker hoofd woog boven de knieen, met ingetogenen ernst. Zijne handen +hielden los het leizeel en de witbonte os trok met breede grepen +schouderwringend de oude, krakende kar door 't zand. Achteraan stapte +Free, de gebrokene knecht, en droeg de zeis hoog als een wreed wapen +over den schouder. + +'t Getrek wielde piepend door de diepe slagen van den wagenweg, zonder +haast, in de rust van de omliggende doode dingen en den schemerval van +het stille dageinde. + +De bossen kriepten, en de krekels ook in den gerskant. Al het landvolk +was reeds thuis of weg en de oude boer en keek niet naar 't geen hij +voorbijreed. Het achterlijf van den os bekeek hij niet en de kloefen die +onder zijne oogen, aan de magere voeten hingen, zag hij wel rakelings +over 't zand slepen, maar hij was elders en met een groot gedacht vol +bezig. De kar rolde en de avond was gelijk al de andere en 't gepiep van +de draaiende wielen knersde altijd keerend in zijne ooren. + +--Krakende wagens rijden langst, bracht hem dat in den geest, en van +daar voort doelde hij op zijn eigen, oud lijf, dat nu ook wel een +krakenden wagen geleek die rolde, rolde een heel leven lang over +hetzelfde veld... zijn eigen veld ... en dan weer welde de oude +sleepgedachte op, die nu een vol jaar reeds, zijn vroegere gerustheid +bestormde en te niete deed; het haverstuk, het gekende akkerland--de +vijfhonderd, die hij zijn levensdagen gebruikte, die te midden zijn +eigendom lag en hem op dien heugelijken verkoop ontfutseld werd, +schandalig ontfutseld door zijnen vriend en gebuur; door boer Vanhoutte, +de verrader! + +En de luizige streek speelde in heel heur lengte, met al de kleine +bijzonderheden, voor den duizendsten keer door zijn hoofd. + +--Maar, Verlinde, als ge hier Vanhoutte's weide in de plaats kreegt, was +de schade en het kwaad daardoor toch wat verholpen?... + +Den boer zijn eendlijk hoofd hief en voor zijne oogen, beneden de +gracht, lag het vierkant weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net +omtuind. + +--Wie zegde, wie sprak er daar? Hij luisterde verwonderd, en onthutst +door de verrassing van die vreemde veropenbaring, hoorde hij nog de +natinseling van die laatste woorden en terwijl hij zocht wie,--of hij 't +eigenlijk gehoord of wel bij zichzelf zoo maar aan 't verzinnen was, +vervolgde dezelfde stem wat treitend nu: + +--Hier kost gij evengoed een klaverijtje aanleggen ... en dan moest ge +ook geen uur ver om uw voeder rijden, door den avond.... + +--Ho, Dolf! riep hij ineens. Hij hoorde 't zoo duidelijk nu als van een +mensch uitgesproken, en eer hij 't zijn handen vast bevolen had, snokten +ze 't zeel en Dolf, de gezapige os, stond palstil te wachten. Verlinde +wist nu eigenlijk niet wat hij er van houden moest. + +--Free, zegt ge entwat? + +De oude knecht rekte den hals lang uit bezijds de kar en: + +--Ik, neen-ik, boer. + +--Dolf heeft het evenmin uitgesproken, dacht Verlinde en hij mokte aan +'t zeel. + +De os herbegon gewillig zijn schouderwringen en 't getrek rolde weer +traag vooruit. De boer zat nu wat opgewakkerd--kwaad om zijn eigen +doezeling en hij keek niet weg van de kopwilgen, die hem zoo even aan 't +dolen brachten. Hij wilde niet meer denken. + +De weg hield aan in effene, uitgerekte, rechte lijn waar hij in de +duisternis eindde. + +De reuk van warmen stalmest kwam met een zwaai door de lucht gewaaid en +Verlinde voelde nu van waar hij zat--drukken op zijnen rug, bachten +zich, de tegenwoordigheid van Vanhoutte's hoving. + +Eene zenuwrilling dreef door zijnen arm en zijne hand snokte nijdig het +zeel om den gezapigen os te dwingen haastig voorbij te rijden. + +'t Was er doodsch, zwart, warm-stil rondom en niemand langs de baan. + +Verder ademde Verlinde onbewust de frischheid op van den koelen avond en +binst dat de dauw als eene dunne droomwolk, wijd onder de stil-innige +manelucht neerviel, kwam in hem de herinnering aan dienzelfden avond van +verleden jaar: toen ze beiden nog bevriende gebuurs waren, hij en +Vanhoutte, en op morgen samen naar den eigenaar hun pachtgeld droegen +... dat was hun jaarlijksche uitgang, een blijdag in 't eentonig +boerejaar, waar ze naar verlangden als naar de groote kermis. + +Den laatsten keer nog, waren ze wat besnoven door den drank, weergekeerd +en hadden onderweg malkaar den arm gegeven om gebroederlijk zonder +struikelen hun huis te vinden. + +Dat was nu allemaal weg, gebroken, uit voor altijd en Vanhoutte stond +bij Verlinde in zijne zware schuld, lijk den eersten dag van 't verraad, +als de bedrieger, de valschaard. De verwijtsels kropten weer den boer in +de keel en de stilte rondom hield hem alleen in, ze luie uit te +schreeuwen. + +--Morgen ga ik zonder hem met het pachtgeld naar den Heer, meende hij +... en gedoken, zonder dat hij het zichzelf wilde toegeven, woekerde de +onrust: of Vanhoutte ook aan zijn gewonen dag zou houden? of hij 't niet +uitstellen zou?... en de aandoening zinderde daarbij in Verlinde's +gemoed voor een mogelijke botsing. + +In het fluweelzachte deemster, stonden de boomkruinen matpurper, pal +stil op de rilde stammen, de bladertrossen zwaar van schaduw en +duisternis en daarachter, de stompzwarte stroodaken en puntige gevels, +scherpgesneden tegen de teedere, maneklare avondlucht. + +De kar wendde naar rechts de straat af en over den doortocht, tusschen +de twee einden singelgracht, die met glim-zwarte watervlak tusschen den +dubbelen krans van elzenhout het hof insloten, reed de kar door de opene +balie de werf op. Eene fijne mistvlaak overzifte de dingen met droomige +onduidelijkheid. + +--Ho, Dolf. + +De boer spande den os uit en stak hem op stal, terwijl Free de +klaverbundels in 't voederkot ketste. De vrouw kwam bij, wenschte +"welkom" en stond met de handen op de heupen te zien naar de bezigheid. + +De avondkost was gereed en de drie menschen aten bij tafel, in de +donkere keuken. + +De flauwe manesching viel door 't venster, helderend in schemervaagte de +tafel en de witte borden;--en de vlamme die in den heerd het zwarte gat +van den koeketel lekte, danste met vaal rooden glans op de uitsprongen +van de ernstig zwijgende wezens der drie ingenooten. + +--Morgen weer een warme dag, viel de stem van de boerin daar tusschen. + +Op dat woord wendde de boer in gedwongene beweging het hoofd naar het +venster en kuchte eene doffe bevestiging. De knecht at voort zonder +opzien. + +--De klaver staat goed? vroeg de vrouw weer. + +Free meende dat de vraag nu tot hem gericht was en als de boer toch niet +antwoordde, voelde hij de ijle stilte die naar zijn wederwoord hangend +openwachtte. + +--Ja 't, vrouwe, malsch en dikke staat ze gelijk 't haar op den hond. + +Als de opgehoopte borden nu waren leeggestekt, kwam de pappot op tafel +en met de houtene lepels haalden ze nu gezamelijk of overhands, de +spijze uit, met dezelfde gedaagde beweging, zonder dat er nog een woord +tusschen viel. + +Nu de schotel uit was, vielen de lepels op tafel en Free stond recht. +Hij bleef nog wat aarzelen voor 't venster en dan;--Wat is er voor +morgen? vroeg hij. + +Terbinst die vraagwoorden nog in de keuken hingen, was Verlinde aan 't +regelen en zoeken naar een bescheid; hij zag 't verloop van den +volgenden dag gebeuren. Als ik vroeg uitzet, dacht hij, ben ik 's noens +terug; dan kunnen we in 't hooi werken, en als 't even zonnewarm is als +vandaag, kan het tegen s' avonds al droog zijn. + +--Jawel, Free, morgen tijdelijk, 't hooi openvimmen, na den noen kunnen +we samen hopperen.... + +Free stond en wachtte nog wat. De vrouw was in 't achterhuis heur +schotelgerief aan 't wasschen. De damp pruttelde in den ketel en de +druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme. + +En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan +te maken: + +--Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd +kunt ge ook de lammersteert afmaaien. + +--'t Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw +veraarzeld zijn, 't weer is vast. Zoo tot morgen, goen avond vrouw. + +--n' Avond Free. + +De boer kwam ook naar buiten en zag den gekrookten, ouden vent voor +zijne voeten het hof verlaten. De maan blonk vlijtig in 't effen +geluchte met zeldzame sterren en de lichte smoor zweefde hier manhoogte +in dunne deklaag over de velden. Free wees naar de wolkenbank die als +een vereende, uitgerekte vischgedaante ten Westen aan den einder hing. + +--'t Geluchte trekt op, versterking, meende hij. + +De boer knuffelde iets en als de knecht over den walweg, buiten de balie +was, draaide Verlinde den slagboom toe en legde 't grendelijzer in. Hij +miek den hond van zijnen band los en kwam weer in huis met den buik +tegen 't venster staan. + +De mist lag dikker nu en overwaterde de werf met blauwigheid. Daaruit +staken de hooge boomstammen hunnen zwaren kruinenbos en over de schuine +stroodaken gleed in effen blinklicht, de zachte, zuivere maneschemer. + +Omhoog was 't een reine ijlte den hemel vol blauw en wolkenrust. + +Verlinde wachtte tot dat Trezia uit den stal zou keeren, hij trok eerst +de horlogieklompen op en kwam weer bij 't venster. Die rustige +avondkalmte stoorde hem met misnoegdheid omdat de dingen nu effen zoo +waren als verleden jaar in dezelfde doening--maar toen was het in zijn +gemoed zoo kalm--nu echter beangstigde hem diezelfde stilte en hij +voelde zich daarin alleen staan met de onrust in zijn binnenste,--de +strijd met de dingen die alom in vrede, hun gewoon leven leidden. Hij +voelde spijt omdat alles tegen zijn wil toch, zoo geworden was, spijt om +dezelfde stille avonden van vroeger, om 't geen weg en niet meer te +vinden was. Maar daarbij bleef zijn eigene meening even vast, zijn +stijve hals kropte straf, zijn zware wenkbrauwen fronsten over de diepe +oogen en de vuisten balden in zijne broekzakken. + +Hij stond alleen, ja, buiten al 't andere, maar sterk in zijne +eenschheid en de beleediging was even zwaar en even onvergeeflijk als +den eersten dag. Binnen woelde het om uit te barsten, maar inwendig +bleef hij kalm; hij dwong zich nog wat te staan staren over zijne werf +en dan wilde hij niet meer wachten. Hij legde nieuw hout op het +heerdvuur, ging zijnen wandelstok halen uit de horlogiekast en zette +zich in den helderschijn van de houtvlam den koperen minsel en de kruk +te poetsen. + +Trezia vond hem daaraan doende als ze binnen kwam en met 't eerste +opkijken wist ze reeds wat het te beduiden was; maar Verlinde hief +haastig het hoofd. + +--Als ik heel vroeg uitzet, kan ik voor den noen terug zijn, 't hooi +kunnen we dan algelijk inhalen. + +--Hoe, wat? en Trezia gebaarde zich onwetend. + +--Wat?... 't is morgen toch vervaldag van de pacht. + +--'k Meende dat ge het een dag zoudt uitstellen, overmorgen is 't groot +werk gedaan ... en morgen botst ge voorzeker op Vanhoutte. + +Dat was eene ophitsing. + +--Botsen op Vanhoutte? en hij trok hoog de wenkbrauwen die lijk +borstels, donker boven de oogputten rondden: Wat scheelt mij Vanhoutte? +voor wien moet ik uit mijnen weg? 't is dertig jaar dat we geen dag +gemist hebben! De straat blijft vrij en als ik maar mijn geld afgeef, +wat doet Vanhoutte daar tusschen? + +--O, mij goed, verschoonde de boerin. + +En hij kuischte voort het koperen beslag en zette den stok dan glimmend +in den hoek van den heerd. De vrouw smeerde den boers beste schoenen in +en zette ze nevens den wandelstok. Binst dat Verlinde nu met de beenen +uitgestrekt en de handen diep in de broekzakken te blekken bleef, +ontstak Trezia het oliepitje en haalde zijne zondagsche kleeren uit de +kast en legde ze open in de kamer op het pronkbed. Heur adem en heur +voetstappen gingen door de eenige avondstilte en 't lamplichtje helderde +in ronde vlekken, al de hoeken van 't huis waar ze voorbijging; 't +vlammeke en verpinkte niet. + +--'k Zou ook nog een dobbele snede en wat hespe mededragen, zei Verlinde +in 't opstaan en eer hij de deur van zijne slaapkamer toestak: + +--'k Zal voor 't klaren uitzetten, rond twee uur,--als ge eerst wakker +wordt.... + +--Zoo vroeg? en ge geraakt eerst om negen uur bij den burgemeester +binnen.... + +Het vragend woordgeluid bleef hangen in huis en wachten naar antwoord, +lijk gesmacht in de dikke stilte. + +In de kamer rinkelde Verlinde de zilverstukken die hij op zijn bed +opentelde. Trezia's stappen mieken nu dubbel geruchte in 't werken aan +den kokenden ketel. + +Heur mans' hoed kuischte ze nog af, zijn halsdoek en een versche kiel +schudde zij uit de vouwen. Als zijn brood en zijn vleesch was +afgesneden, dekte zij het heerdvuur dicht en grendelde de voordeur. Toen +zij in de slaapkamer kwam, hoorde zij Verlinde's asem in 't donker daar +hij bij eenen stoel zijn avondbede deed. z'En spraken geen woord meer en +kropen zonder geruchte in bed en bleven elk bij zijn eigen gedachten +bezig, in de verwachting van den slaap. + +Heel buiten tijd kraaide de haan daar hij verdoken zat op zijnen polder +en die gedoofde nachtschreeuw ten ontijde, met dat lang eind ongemetene +stilte voor en achter, liep verloren in de groote rust, zonder dat +iemand er op lette. Verlinde ontwaakte wel nu en dan, lag wat te +peinzen, luisterde naar den klokslag, loerde naar den loop van de maan +en keerde weer in slaap. De rocheladem van Trezia haalde en blies in +geregelden gang zonder stoornis. Zoo vorderde de nacht. + +Verlinde ontwiek uit eenen lastigen droom--hij zweette er af en was blij +van verlost te zijn en te weten dat 't leugens waren en bedrog waaronder +hij gepijnd had. Maar als hij wilde achterhalen de reden van zijnen +angst, gerocht hij den draad kwijt en heel 't verloop van de gebeurtenis +wischtte uit op den stond dat hij zich rechtte. + +--De nacht is gekeerd, meende hij, en nu bleef hij liggen wachten om 't +uur te hooren slaan. Verleden jaar kwam Vanhoutte rond dienzelfden tijd +hem wekken, samen hadden ze koffie gedronken en trokken blijgemoed door +den vroegen zomeruchtend op. Hoe dingen toch keeren kunnen! Nu zag hij +zichzelf, de groote, kalme man, die daar straks alleen met zijn eenige +gedachten, de lange reis zou doen over 't veld--en Vanhoutte--dat stak +hem plots met jagende onrust---hij ook zou op eigen hand uitzetten, hij +was er zeker van.... + +'k Wil de eerste zijn! en in een plots besluit beende hij uit het bed en +trok haastig zijn versch wit hemd en zijne lakene broek aan. Trezia +ontwiek met een zucht en was allichte in de keuken. Tastelings ontstak +zij vuur en door 't dringende van heur te doene bezigheden, voorzag zij: +als Verlinde nu weg is, kan ik het brood bakken en den stal gedaan +hebben, tegen dat 't ochtend is ben ik streek met mijn werk en ik ga +Free helpen in 't hooi. Al de noodigheden lagen gereed en al gaan en +keeren gerochten Verlinde en zijn wijf uit hunne doezeling wakker en +kwamen tot sprake; hij noemde al de dingen die hij moest medenemen: het +geld in den binnenzak, den kost in de beurs, zijne pijp, tabak en +vuurslag. Trezia was gereed met 't ontbijt, ze hielp heuren man eerst +zijnen halsdoek in een lets knopen, en trok zijnen hemdeband neer. +Verlinde dronk koffie met den wandelstok tusschen de knieen. Ze deed +hem nog twee eieren zuipen en dan was hij veerdig.--Zoo, Trezia, 'k ga, +zegde hij heel gemoedelijk. + +--God beware u, en goe thuiskomst, de groeten aan den Heer. + +--Moet ik iets zeggen aan Free? riep ze hem nog achterna. + +--Neen, en te noen ben ik toch thuis. + +Langs de stallen stak hij zijn hoofd nog over de halve deuren en trok +het hof af. + +De frissche, vochtige nachtdauw koelde zijne handen en wangen en een +windeke speelde nauw voelbaar door 't lijnwaad van zijnen kiel, over +zijn lijf. Hij zocht door de schemering in de lucht en raadde den warmen +zonnedag die vandage uit het Oosten groeien moest. En nu vooruit met 't +voornemen haastig te gaan, den langen, eentonigen weg. Hij tastte nog +even naar de beurs in zijnen binnenzak en dan, stekkend met den stok, +begon hij eigenlijk voor goed den uitgang. Hij zocht over den +halfduisteren weg en ontwaarde nievers eenig leven. De nacht hing nog +over de velden, met dunne dwalende mistvlaken en nuchtere vochtigheid +die in druppelregen oploste. + +De koeien en veerzen lagen en sliepen in 't gras tegeneengedrumd. + +Voorbij Vanhoutte's hof hield Verlinde den stap in om geen gerucht te +maken. Hij vestigde de oogen starlings op de poort, in de vrees elke +stonde den boer te zien buitenkomen, 't Was er al gesloten nog en in +slaap; de warme stalreuk stoorde sterk in de zuivere, frissche lucht. De +hond zelf bleef slapen en Verlinde tord op de teenen, drumde langs de +boomen, keek nog eens over den schouder en liet een grol van ontlasting +als hij 't hof bachten den rug had. Nu ging hij weer met vollen stap, +blij niemand gezien te hebben. Een eind verder was hij al los bezig met +de vruchten langs den weg en met de helderheid die den oosthemel met +volle geweld openstiet. De boer was aan 't zinnen op het weer, op de +klaarte en op de aanstaande warmte en op 't geen hem effenaan onder de +oogen kwam. Door de doode dorpstraat stekte hij met den stok en stapte +met de zware schoenen luide over de steenen, en al waar hij keek, waren +de vensters en deuren dicht. Achter de laatste huizenrij lagen de nieuwe +velden ineens open in roze klaarte, met een wijden nevelkring omzoomd. +De liggende wolken waren doorschijnend bebloosd en de spietsen licht +staken hoog uit den grond waar de zon zou opstaan. + +Verlinde voelde de eenigheid wegen en verlangde naar den dag en om +menschen te zien; hij vermiste zijnen makker achter de bane om tegen te +kouten, om al de kleine bemerkingen over land en weer uit te spreken die +hij nu moest binnenhouden. Halfluide soms ontsnapte hem eene goedkeuring +over een koornstuk of eene verwondering over 't werk dat men hier +gister, zoo of anders, met of tegen zijn boerenzin, bedreven had. En +langs de rechte bane, waar hij nu een verre zicht kreeg, merkte hij nog +altijd geen levenden wandelaar. + +--Vanhoutte slaapt nog, *k ben de eerste er uit vandaag,... of hij durft +niet komen, gromde hij. Nog eens keek hij om en zocht of niemand hem +kwam nagegaan. Eer hij nog aan 't ander dorp gerocht, hief de zon haar +bovensten rand uit d'eerde, ze steeg als een gloeiend wiel, effen +afgerond, zonder stralen en versmachtte hooger in een wolkenbed van roze +en goud dooreen gedraaid, in gesteven kabbeling. + +Zie, op gindschen dorpstoren stak de vlag uit! 't was hier gister +kermiszondag geweest--en in de straat waren de herbergen ook bevlagd. +De groote driekleurige vanen hingen slap in de lucht-stilte neer, aan de +persen boven de daken, nat van den dauw. De dorpels en plankieren waren +bevuild met gestorten drank en de straat was volgestrooid met +verfrommeld papier en afval en bucht. Drie kraamtenten en een +peerdjesmolen stonden toegedekt onder grauw lijnwaad en 't geraamte van +eene kiosk praalde verlaten, met papieren lanteerns versierd, te midden +de dorpsplaats. Al de kermisvierders waren weg en sliepen zwaar. + +Verlinde was de eenig levende vent en hij ging dwars 't dorp door, +zonder een kerel te zien of een schreeuw te hooren. Tenden een nauw +straatje kwam hij aan de opene, vlakke weide. Ineens zag hij uren ver +in de ronde al groen, al gras, zonder een huis daarin. Bij stukken stond +de lammersteert nog recht, elders platgemaaid of volzet in ronde oppers. +Met 't groeien van den dag was 't windeke gaan liggen, volkomen stil en +geen pijlke roerde nog. En dan ineens, als bij tooverslag, onverwacht +brak daar ver in de lucht het wolkengevaarte open en door den +gescheurden voorhang, stroomde 't licht bij gulpen uit en gutste in +dansende reuzeling loopend in een trek over 't natte dauwgras in +flonkerende tinteling--een vloed van kleur en vuur. Verlinde neep de +oogen toe en trok den rand van den hoed neer omdat hij de felle +tinteling niet verdragen kon. + +Voor hem, in de verte, gingen twee kerels met eene zeis op den schouder +en bezijds in de linkere richting waren er anderen bezig aan 't maaien. + +--Ze ratten er al vroeg aan! meende hij. En hij verhaastte den stap +omdat hij voelde nu zijn eigen drukke bezigheid thuis, die liggen bleef. +Bij haalde de twee landlieden in toen ze den weg af, over de gracht +sprongen en aan 't werk gingen. + +Zonder overgang was de nieuwe dag uit den nevel opgesprongen en ingang, +zonder dat Verlinde gemerkt had hoe al die bedrijvigheid begonnen was. +De mist bleek in een zonneteug opgezopen en de zon stak vol heerlijkheid +boven den wolkenstoel, in 't schaaierend bleek-blauw geluchte van +waaruit zij de wereld warmde. De leeuweriken vlogen overal omhoog en +vielen beurtelings een gejaagd en daalden met eene macht van +schaterrellend schuifelen en gezang. + +De steenen wetter klabetterde over 't staal van de zeissens en de +boothamer klopte klinkend; overal ronkte en reusde de slag en Verlinde +hoorde 't vlieden van de grasstalen als voor een onzichtbaren wind. De +vorken vimden en 't hooi werd gedraaid en gekeerd en opengegaffeld en in +de verte reden de ijdele wagens al om de lading. De zweepen kletsten +over den rug van de peerden en de bellenkransen rinkelden boven al 't +geluid uit. Zoo kleurig stonden de menschen gekleed, zoo vlug, zoo +vroolijk ging het werk als bij een feestig bedrijf. + +Verlinde keek als een zot wijds en zijds over al dat leven, hij baadde +in de groene zeevlakte en eene ongekende lustigheid voelde hij met den +nieuwen dag in zich opkomen. Meteen kreeg hij warm, hij droeg zijnen +hoed in de hand en liet het zweet van zijn wezen druppelen; de hitte +woog hem tegen de borst, maar hij stapte al haastiger op den hoogen weg, +recht naar de zon toe. + +Dan zag hij aan den hoek van 't veerhuis een vent en op denzelfden stond +kreeg hij een schok die zijn lijf doordaverde en zijne beenen met lamte +sloeg--Vanhoutte! Hij wilde zich duiken, hem verre den voorweg laten om +niet gezien te worden, hij draalde ... maar ineens kwam zijn eigenmoed +boven, hij verstoutte en werd kwaad op zijn eigene bedremmeling. + +--Wat de sakker, ik ben Verlinde! en voor geen honderd Vanhoutten...! +Van dan af was 't besloten, vast: in alle mogelijke ontmoetingen zou hij +zijnen eigenen weg gaan, stijf en zeker alsof hij alleen over de wereld +liep, en niemand kennen of zien, alsof Vanhoutte dood was en nooit +bestaan had. + +Maar intusschen knaagde hem de spijt, omdat die leelijkaard er toch +eerst uit en hem voor was. + +Hij zag hoe hij de delling afstapte met Lowie den veerman, en verdwijnen +achter den oever in de boot--na een tijdeke stapte hij weer boven al den +overkant en ging. + +Verlinde vorderde nu met vaste grepen naar de Schelde toe en heel luide +riep hij met gemaakte lustigheid, naar den veerman: + +--Lowie, vroeg al aan de bezigheid! + +--Vroeg al op wandel! + +De schuit slierde stil over den blauwen stroom en Verlinde stond recht +en keek over de klare waterbaan tusschen de groene oevers, waar gedoken +in 't lisch, de eenden duikelden in de koelte. + +--Tot in 't weerkeeren, boer, en de goe reize! en terwijl de veerman +over de waterstraat weer naar zijn huis slierde, steeg Verlinde haastig +de steenen trappen op. + +Ja, voor hem ging Vanhoutte met zijnen vasten stap, de korte beenen +strak gespannen, en de dikke, stijve hals recht uitstekend boven zijn +blauwen kiel; hij vermoedde niet dat er iemand achter hem ging. Met +gelijken zwaai van den arm dreef hij den mispelaren wandelstok en ging +zonder achterdocht of zonder den kop te wenden, neerstig voort. +Verlinde's oogen brandden op dien rug en die hooge zijdene muts, die zoo +trotsch in de lucht opstak;--hij zag of hoorde niets meer daar rond en +ging om gelijken stap te houden, loerend als een bespieder, met angstige +verwachting hoe het zou afloopen. + +De weg liep nu tusschen vruchtvelden en op de helling van den heuvel, +die den einder met blauwe lijn afsneed, lag het wit en het rood van de +dorpshuizen in de zon te blinken. + +Vanhoutte's gestalte verdween tot over de schouders achter een koornstuk +en Verlinde zag den kop alleen boven de halmen in 't stroo +vooruitschuiven. Hij zelf kwam in het nauwe wegeling en zijn stok deed +de koornstalen ruischen; hij zwaaide hem al meer om de deugd van de +ritseling te hooren. Wat den boer 't meest belaagde nu, was: te weten of +zijn voorganger, volgens gewoonte, in de gekende herberg "Het vlammend +Hert" zou ingaan. Hij zal niet durven, dacht hij. Hij is benauwd mij te +ontmoeten, hij zal elders gaan. En als hij er toch gaat?... Verlinde nam +nog geen besluit. De weg klom merkelijk en door de groeiende hitte werd +het lastiger te gaan. Al 't geen de boer van den morgen doorwandelde, +had in hem onbewust een gevoel van vrede doen ontstaan, hij voelde zich +zoo stil gestemd, zoo rustig, de dag was zoo kalm begonnen en die reine +wijdte was zoo grootsch, zoo plechtig onder den eeuwigen hemel, en van +hier uit gezien, werd alle haat zoo klein, dat kijven zoo ongepast, zoo +schendig; en Verlinde neep de lippen, beet en vocht om zijn straf, stoer +gemoed niet te laten versmelten; hij besloot een kalm, gesloten, +hooguitziend stilzwijgen te behouden en elderwaards te kijken. Hij werd +moe van 't gaan en lam van de hitte, en verlangde naar eene koele +herberg om wat te rusten. + +Intusschen stapte Vanhoutte voort door de dorpstraat en recht de opene +poort binnen van "Het vlammend Hert". Nu voelde Verlinde zich flauw +worden, 't was hier zoo stil bij die dorpsmenschen, die versch uit hun +bed opstonden, en hij had nu liever Vanhoutte niet te ontmoeten. + +--'k Ga hier binnen, meende hij, en hij draaide den hoek om en ging naar +den "Bonten Gaai".--Hier kan ik hem zien buitenkomen en wachten. Maar op +dienzelfden stond oordeelde hij zijne daad als kleinmoedige kuiperij, +doch hij wilde het zichzelf niet bekennen. + +Hij was alleen in de koele gelagkamer, zette zich aan tafel bij het +venster en vroeg koffie aan de vrouw, die met opgesloofde mouwen, heur +handen afdrogend aan den voorschoot, van heur bezigheid uitscheidde. Zoo +aanstonds begon zij met luide stem te kouten over 't warm weer van de +vruchten en van 't nieuws en de menschen uit 't dorp, die Verlinde niet +kende. De kamer was ineens vol leven en geruchte. De vrouw keerde en +ging en de boer zat bij het tafeltje zijn zweet af te drogen; hij haalde +een paar boterhammen uit zijne beurs en tusschen hare redens in, dronk +hij zijne koffie en keek beurtelings naar 't uurwerk en door 't venster. + +--Uwe burgmeester stelt het altijd goed? + +--O, zeker, een beste mensch. + +En Verlinde overlegde, of het niet best was nu maar voor negen uur te +gaan bellen, om er toch eerst mede gedaan te krijgen; maar dan voorzag +hij, dat Vanhoutte hem zou zien over de straat gaan, of dat hij hem aan +de deur zou ontmoeten en hem in 't gezicht loopen. Hij bleef dus maar +zitten en loerde alsaan bachten zijne kijkwere naar de groote poort van +"Het vlammend Hert". In de herberg was het nu even stil als op straat, +de vrouw was uitgekout en weer naar heur werk, en 't scheen den boer dat +hij hier alleen zijnen vijand zat af te wachten om eenen slag te slaan. +Nog een half uurken, rekende hij, en hij ontstak zijn eerste pijp om den +tijd te bedriegen. Zijn gemoed was onrustig, gejaagd, omdat hij nu in +eene vreemde herberg was gaan zitten en niet gedaan had als Vanhoutte: +onbeschroomd naar "Het vlammend Hert" gaan zonder niemand te duchten. +Daarbij keerden in zijn eenzaam turen, al de kleine gebeurtenissen van +verleden jaar bij hunne komst hier in 't dorp voor zijnen geest--samen +hadden ze ontbeten onder gezellig kouten, in afwachting naar 't uur dat +de burgemeesters kantoor open ging. + +--O, Vanhoutte kon hij anders wel missen! 't was nu al een jaar rond dat +ze, sedert hun onverschil, malkaar niet meer zagen. En het mocht nog +negentig jaar alzoo voortduren. + +De herinnering aan hun vroegere partijtjes in de herbergen den Zondag, +en de avonden 's winters rond malkaars heerd, liet nu bij Verlinde zelfs +geen spijt meer na. Sedertdien hadden ze malkaar slechts twee keeren +ontmoet en ze waren met stijven hals voorbijgegaan zonder de een den +ander te bezien. Met geen woord hadden ze gescholden of geschimpt, maar +bij elkeen stond de haat vastgegroeid door den tijd en geen van beiden +zou een vinger toegeven, ze wisten het. Ze waren er nu aan gewend en +Verlinde dacht niet meer aan ruzie en heel zelden aan Vanhoutte. De +dagen keerden lijk voortijds, maar nu hij den vijand zoo voor de voeten +zag gaan en ze samen opeen moesten loopen lijk vandaag, joeg dat +Verlinde 't bloed weer op en hij kreeg eene kriezeling in de vuisten om +zijn onrecht effen te vechten. 't Was alsof het maar gister gebeurd was +en bij 't minste woord of gebaar, zou 't er gestoven hebben. Verlinde +zat geleund op zijnen wandelstok, lokte aan zijne pijp en binst dat +zijne oogen het pintenrek en den disch bekeken en de veilingsbrieven +lazen aan de wanden in de herberg, waren zijne gedachten te huis in de +doening op zijn land--hij herleefde in zijn geheugen den dag voor die +verkooping, als hij staan praten had met Vanhoutte; hij hoorde zijne +eigene woorden nog: ze bespraken de zaken als fijne vossen die bevriend +zijn en malkaar helpen willen waar 't den een den ander niet schaden +kon. Ze waren overeengekomen dat Verlinde de vijfhonderd tarweland +koopen zou die aan zijn eigendom geland lag, en Vanhoutte besprak de +weide achter Verlinde's hof. Hij zag nu weer beeldelijk den notaris +staan die bij de verkooping, die vijf honderd instelde. Verlinde was de +eerste die een bod deed--een stem hoogde hem af! Verlinde had een +nieuwen prijs geboden en weer dezelfde stem die afhoogde. Hij had +gekeken om den kerel te kennen die hem zoo kwam opjagen, hij zou zoeken +hem te bewilligen met schoone woorden en wat drinkgeld,--hij dacht nog +dat hij van perceel of koop gemist was, vroeg inlichting aan zijnen +gebuur en als hij weer het hoofd hief om meer te bieden: + +"Verbleven! Proficiat!" en toen was het gebleken dat Vanhoutte kooper +was en Verlinde gefopt stond! Dat was hem toen als een steensmete op 't +hert gevallen; hij stond verdutst eerst, geloofde het niet en binst hij +nog aan 't dubben was, besluiteloos en verdwaasd, was de weide ook aan +Vanhoutte toegeslegen. + +Dien avond was Verlinde met geslotene lippen naar huis getrokken, maar +inwendig had hij geweldig gevloekt. Aan zijne vrouw had hij geen woord +gezegd. Op dien stond was zijn spijt zoozeer niet om het land--dat hij +toch wel missen kon--maar omdat 't voor al de menschen nu bekend was dat +hij dommelijk gefopt werd en dat zijn gebuur, zijn vriend--de boer +waarmede hij deur en deur woonde, waarmede hij dagelijks omging, hem zoo +verraderlijk bedrogen had. Zijne woede had hij stil binnen gehouden, al +zijne redens had hij verkropt, maar sedertdien was er een wantrouwen in +hem ontstaan, een zwart ongeloof aan alle mogelijke genegenheid of +vriendschap, eene verbolgenheid tegen al de menschen op de wereld, en +toen besloot hij voor altijd zijne deuren gesloten te houden. Hij zweeg +en vocht inwendig tegen den drang van zijn hert dat wilde toegeven, +vergeten en vrede maken. Want de tijd was daarover gegleden en de +menschen hadden reeds vergeten van waar het ongelijk kwam, ze +verdraaiden de zaak en omdat hij niet mede wilde, veroordeelden zij +Verlinde om zijn norsche koppigheid. Vanhoutte had er immers eene +lachreden van gemaakt en in zijne lichthartigheid had hij getaterd en +gezongen alsof er niets gebeurd was en de dorpelingen wilden hem ook +geen kwaad om den kleinen streek, dien hij zijnen gierigen gebuur +gespeeld had. Verlinde echter kon of wilde niet vergeten; al de dingen +waarop hij keek herinnerden hem aan 't geleden onrecht--hij moest stand +houden, zonder herstelling kon hij niet toegeven; een woord ware genoeg, +maar het woord moest er komen en hij droeg gelaten de gedurige drukking +van 't ongelijk dat de menschen hem aandeden. In zijn binnenste verjoeg +hij den drang die hem dwong toe te geven en weer te keeren in den kring +van gezonde leutigheid, bij de lachende menschen en hij dook zijne +eigene onrust te midden al het rustige waar hij in leefde. Hij zag de +dorpelingen voor hem uit den weg gaan, ze lieten hem alleen in de +herberg waar hij binnenkwam, ze vermeden hem aan te spreken--de leute en +'t gelach hielden op waar hij zich vertoonde ... en de boomen en 't gras +en de vruchten groeiden en de zon schong daar zoo allemachtig +onverschillig over, dat Verlinde zijne eigene zaak zoo klein vond, iets +dat lang geleden en uitgewischt was. Bij zichzelf haalde hij al dieper +ongelijk om zijn koppig vasthouden. Hij had het anders gewild, maar wist +niet hoe het goed te maken en daarom bleef hij aan zijn voornemen +getrouw: hij hield den kop omhoog en zag met koele verachting neer op +alles wat rond hem leefde. Niemand, zijne vrouw zelfs niet, liet hij in +zijn binnenste kijken en de norsche boer bleef sterk nu, uitsluitelijk +omdat hij het tegen alle meening in, wilde blijven. + +Maar nu verdroot hem dat wachten hier in die eensche herberg, te meer +daar hij beloofd had tegen den noen te huis te zijn. Hij zag het felle +weer buiten en als hij aan zijn hooi dacht, werd hij ongeduldig. 't Was +over den tijd reeds! Toen begon hij te denken: Vanhoutte kan weg zijn +zonder ik hem gezien heb. Nu kon er komen wat wilde, hij nam een kloek +besluit en trok de straat over. Aan de deur van den burgemeester +gekomen, sloeg hij het stof uit zijne broek en trok aan de bel. + +De meid opende voorzichtig en leidde den boer binnen. + +--Is mijnheer te spreken? 'k Ben hier met geld en wat haastig. + +Zij knikte en ging de deur van de spreekplaats opentrekken, maar +Verlinde hield haar bij de mouw en beslist, luide: + +--Vanhoutte is hier, schreeuwde hij, steek me bij hem niet of we vechten! + +De meid stond versteld, ze kende Vanhoutte noch Verlinde en stamelend: + +--Er is een boer bij mijnheer in 't kantoor, + +--Dan is 't goed, en Verlinde liet het meisje in hare verwondering en +stapte in de spreekkamer. De deur viel weer dicht en nu zat hij als een +gevangene en wachtte in groote stilte af, wat er gebeuren ging. De +bloemkrullen op het behangpapier waren bleek vergaan en de bollefrinjen +aan de rolgordijnen hingen in effene reek boven 't kruisraam zonder dat +er eentje roerde. Verlinde zat op eenen stoel en luisterde naar het +bromronken van twee stemmen in het aanpalend vertrek. Eene deur ging +open en weer dicht, de bel klonk, er werd nog iemand binnengelaten, maar +Verlinde kon niet raden waar de nieuwe bezoeker aanlandde. De klok sloeg +op den kerktoren en dat was hem een verwijt omdat hij hier doelloos te +wachten zat, zonder wete van korting of uitkomst. Nu eindelijk hoorde +hij de stemmen luider: Vanhoutte die afscheid nam en de kantoordeur +dichttrok trok. Toen barst er iets los in Verlinde, hij wilde zich niet +langer als een duts en verslagene laten doorgaan, hj; wilde zich wreken +over zijne verdrietigheid van heel den uchtend--met een stout gebaar +trok hij de deur der spreekplaats open en daar stonden de twee vijanden +bek en bek, in de gang. + +--He, he he, een gekkende ekstersschettering met bitsige scheldwoorden, +onverstaanbaar dooreen gesmeten uit schorre kelen--'t had maar een +stonde geduurd, de weerdij van 't voorbijgaan, Vanhoutte naar buiten en +Verlinde naar 't kantoor. Hij stond nog wat daverachtig, purper in zijn +wezen, kwaad omdat hij met woorden heel zijne gramte niet had kunnen +uitbraken; maar nu was 't weeral over, hij wilde kalm schijnen, want de +burgemeester had niets te zien in hunne ruzie + +--Ha! Verlinde, en de oude stak den pachter de hand toe, hoe gaat 't? en +te huis? + +Verlinde groette koel en zonder veel talmen haalde hij de beurs uit den +binnenzak en telde de zilverstukken in reken. De burgemeester schreef +eenen kwijtbrief en overtelde de som. De meid bracht een kanne bier en +glazen. Verlinde besprak eene herstelling aan de staldeur en aan het +keldervenster en de burgemeester beloofde in de eerste drie weken eens +te komen zien. + +--Vanhoutte is juist vertrokken, zegde hij, en bij 't optrekken der +wenkbrauwen zag Verlinde dat 't den burgemeester vreemd voorkwam de twee +pachters, die gewend waren samen te komen, nu verscheen te zien +vertrekken. Verlinde stond met de schaamte in zijn binnenste en voelde +zich niet geneigd hier uitleg te geven over hun onverschil. + +--Hij is er van morgen te vroeg uitgekomen, veinsde hij, het werk dringt +... maar 'k kan hem nog inhalen--'k was wat verachterd met dat we een +zieke koe op stal hebben. Bij die moedwillige leugen schoot 't +schaamterood hem in 't wezen. En hij verlangde weg te zijn. + +--'t Is volle hooitijd, menheer, ge neemt niet kwalijk. + +Hij had zijnen hoed al op en greep naar de deurklink. + +--Ja, Verlinde, tot binnenkort en de groeten aan de vrouw. + +'t Was bij den noen als hij buiten op straat stond. Alle soorten van +meeningen stormden hem door den kop en eene groote misnoegdheid met +zichzelf knaagde hem. Hij wilde zijne schuchtere houding van daareven +weer goedmaken door eene stoute daad, ter zelfder tijde verdroot het in +dat huis gekeven te hebben.--Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten +was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert, +zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met +kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan +een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen +de twee boeren malkaar niet meer. Vanhoutte at voort zijnen noenkost en +Verlinde ging aan een andere tafel, vroeg luide een pot bier en haalde +ook zijnen mondvoorraad uit. De baas ging over en weer, praatte van den +een tot den ander en kreeg van beide boeren om de beurt antwoord. Ze +bestelden overhand nieuwe potten bier en Verlinde was vast besloten: er +nog vijf en twintig te drinken als de ander het dorst volhouden. Ze +hadden gedaan met eten en lagen nu achterover geleund, te wijpelen op +hunnen stoel, onder het rooken hunner pijp en ze dreven om ter meest, +met luid geblaas de kuilen naar de balke. De waard was weg en nu werd er +geen woord meer gesproken. Op straat kwamen de menschen van hun werk +naar huis om te noenmalen en geen enkele voorbijganger vermoedde, dat de +twee kemphanen hier bijeen te vunzen zaten, gereed tot vechten. De +gloeizon vulde den dorpsbrink met loome hitte en schitterlicht. En +Verlinde was kwaad omdat er niet meer geruchte was, omdat de dingen zoo +lam hingen, zonder hitsigheid als zij hier getweeen over malkaar zaten +te blekken. Hij rochelde luide 't speeksel door zijne keel en trommelde +met zijnen stok op tafel. Vanhoutte rookte genoeglijk, gerust en blies +met welbehagen, stilden rook in kringetjes door zijne lippen. + +Eindelijk klopte hij zijne pijp uit op den top van zijnen schoen, stond +recht, betaalde en vertrok, alsof hij heel alleen in 't Vlammend Hert +genoenmaald had. Verlinde ontstak er nog een nieuwe en wilde nog wat +blijven, maar 't verdroot hem gauw in de herberg, hij voelde er zich +eenzaam en het werk drong hem ook naar huis te gaan. Hij vertrok. +Inwendig was hij goed gesteld, ververscht door 't koele bier, uitgerust +van de vermoeidheid en kloek op de beenen. De hitte deed hem geen hinder +en hij stapte dapper aan, in 't voornemen zonder verbeiden, gauw t'huis +te komen. Hij keek nog naar 't uurwerk op den toren en meende wel laat, +maar toch bij tijds aan te komen om 't hooi in te halen. Vanhoutte was +nievers te ontwaren, misschien langs een omweg naar huis,--zoo bleef de +bane vrij en voor niemand zou de boer den stap moeten breken. + +De velden, het reuzelende koorn, 't lag al zoo rustig onder de +verbijsterende schittering der zon en Verlinde voelde zich een klein, +nietig zierken onder de drukking van de wijde lucht, op de helling van +den heuvel, met dat breed landschap voor zich. + +'t Zweet droop hem weer van onder den rand van zijnen hoed en barst +overal uit zijn lijf; de zon zengelde door 't blauw van zijnen kiel en +stak hem op de schouders als zwaar gewicht 't Werd lastig dat neerloopen +op den deinenden weg en 't geen nog te doen bleef, lag in wanhopige +lengte bloot. Maar Verlinde ging zonder opzien of overdenken, stap voor +stap, met 't gelaten geduld van iemand die heel zijn leven over 't land +geloopen heeft. + +Al over 't hooge koorn zag hij tegen den witten muur van 't veerhuis, de +menschen zitten en hier in de weide krioelde het van druk gerid van +wagens en karren met hooi. Nader gekomen, zag Verlinde aan den overkant +twee menschen voor de deur van 't veerhuis en binst-hij te wachten stond +aan den scheldeoever en de veerman hem met de boot halen kwam, herkende +hij Vanhoutte die met Vandoorn den veekoopman, in de schaduw zaten bij +een tafeltje waar ze gemakkelijk hun pintje dronken. Hij hoorde de +vette, ronde stem van Vandoorn en zijn eeuwigen lach en merkte duidelijk +dat de koeiplote er zijn behagen in had en er op gesteld was iets te +zien gebeuren bij de ontmoeting van die twee boeren. + +--Ze gaan mij voor den gek houden, vreesde Verlinde terwijl hij recht in +de boot stond,--ze gaan zeggen dat ik niet durf ... dat ik Vanhoutte uit +den weg loop; ik moest thuis zijn--maar dat gelooven ze niet. + +Ze zaten daar zoo kostelijk in het lommer met hun pinte bier, langs het +water! + +--Ha! Verlinde! loech Vandoorn al uit de verte, gij zijt gaan wandelen, +ge zweet eraf, drink een pot met ons om u te verkoelen. Baas, schenk hem +een pinte, 'k heb vandage goe zaken gedaan, en hij sloeg met den +mispelaar op tafel. + +Verlinde kon niet anders en hij zette zich bij met den schouder gekeerd +naar Vanhoutte die niets en zegde. + +--Op onze gezondheid! riep de vroolijke koopman, hij hief zijn glas op +en tikte het tegen de twee andere. + +Hij praatte voort in luid galmende woorden, zijne gevaarten met de +boeren die hij vandaag bezocht had, en hij bracht Vanhoutte ook aan 't +kouten en deze vroeg ineens ook drie pinten om den koopman zijne +weerjunste te doen. Eindelijk gerochten alle twee de boeren los, ze +praatten elk al zijnen kant met Vandoorn, maar onderling bezagen ze +malkaar niet. + +Verlinde bestelde op zijne beurt ook drie pinten. + +--Op onze gezondheid! riep de koopman, goed zoo makkers! De glazen +tikten tegeneen. + +De koopman legde het het blijkbaar op aan de twee boeren te duivelen: + +--Dat is goed! riep hij; 'k wist wel dat ge de koppige kerels waart, +maar 't mag niet blijven duren, we moeten eten en vergeven! + +Die woorden vielen als in eenen kelder en versmachtten er zonder +naklank; geen van de twee boeren verpinkte, 't was alsof ze 't niet +gehoord hadden. Maar de grove kerel wilde er verder op los, en luider +schreeuwde hij ineens: + +--Maar zeg, jongens, is dat nog altijd om dat schamel stukje land dat +ge malkaar het herte opvreet?! Gij subbedutten! onnoozelaars! Voor twee +gebuurs, 't is een schande! Toe, laat ons pleizier maken binst we leven! + +De koopman riep dat ronduit, onbeschroomd in dien wijden meersch en +daarmede lag hunne zaak daar ineens bloot in haar pieterige kleinheid: +geen mensch had het ooit met een woord durven aanroeren 't geen ze een +jaar lang in hun eigen bezaagd, gekeerd en herkeerd en met hun +versteenden haat zoo ingewikkeld groot en vast hadden laten +opgroeien--en dat wierp de kerel in een mondsgreep er uit. Nu voelde +Verlinde de schaamte van binnen in zijn herte komen en zijn hof en 't +hof van Vanhoutte, met de lucht er rondom en het land, lag als speelgoed +heel veraf en hun beider houding daarbij, scheen hem nu eene +verachtelijke beuzelarij. + +--Ze schrikten zienlijk omdat hun gevoelige snaar zoo onverwachts, zoo +fel aangegrepen werd, en ze voelden zich evenzeer gedwongen voor de +oogen van dien levenslustigen veekoopman, hunne trunterij te vergeten en +zich open en breed mannelijk te toonen ... en ze monkelden verlegen als +om te zeggen: dat 't hunne schuld niet was als ze om zoo'n dingen +elkaar in den weg liepen en de wereld te nauw vonden. Maar dat 't +inwendig zoo erg niet was, durfden ze niet openlijk bekennen. Vandoorn +raadde het zoo, en zonder nog naar overgang of naar uitleg te vragen: + +--Baas, nog drie pinten! op de herstelling van den vrede! Dat blekken +heeft nu om den drommel lang genoeg geduurd! + +Geen van beide boeren dorst zich achteruit trekken en ze tikten de drie +glazen tegeneen, maar zonder malkaar te bezien. + +De drank liep zoo koel lavend binnen; rond het veerhuis lag de weide vol +goudgroen zoo ver oogen zien konden en de boeren zaten daar zoo alleen, +innig gezellig onder 't strooien euzie, tegen den oever der blauwe +waterstreep die in ronde bocht hen insloot. 't Was hier heel buiten hun +gewoon leven van ginder, hier was alles breeder, open en grootsch onder +de machtige lucht. + +Volgens Vandoorns opvatting was 't met dat kleine voorval nu effen en +uit, hij ratelde en loech en viel van 't een op 't ander, zoo leutig en +los; mengelde zijne spreuken en vlocht zijne redens zoo behendig dat hij +de twee boeren dwong in 't gesprek zoodat ze, onwillig eerst, maar toch +elkaar het woord moesten geven om mee te kouten en ook het hunne er bij +te vertellen. Verlinde zijn zinnen dansten uiteen, zijn verstand waterde +open en zijn lijf zat zwaar doorwegend op de zate van zijnen stoel. +Zijne oogen loechen in de wijdte, dwaas dronken en inwendig voelde hij +de lustigheid groeien en een buitengewoon genoegen te zitten en te +drinken;--als er tusschenin een verwijt hem dwong om voort, als hij op +t'huis dacht en op zijn hooi, keerde hij de zinnen anderwaards, want hij +had een voorgevoel dat hij hier ook iets moest verrichten, iets +herstellen dat gewichtiger was en dringender dan zijn werk tehuis en dat +nu aanstonds een groot dingen gebeuren zou, welk hem veel geluk en zijn +leven op den ouden plooi moest brengen. + +--Lowie, nog drie pinten! 'k Ben vergeven van den dorst! + +Hij wilde laten zien dat hij geen hond was, dat hij er ook breed kon +doorgaan, zoo goed als gelijk wie. En hij was nu ook overtuigd dat het +leven zonder leute geen pijpe tabak weerd was. + +Zij ledigden al dapper de pinten en ondertusschen gingen zij achter den +hoek van het huis, tegen den boom gaan staan en keerden ontlast, met +nieuwen lust, om 't drinken te herbeginnen. De twee boeren moesten +bekennen dat Vandoorn een kostelijke kerel was, hij vertelde +ongelooflijke histories, die met hem zelf gebeurd waren en waarbij men +krullen moest van 't lachen. + +En als Vanhoutte nu weer naar den boom ging bachten 't huis, voelde +Verlinde ook eene behoefte en binst ze daar rug en rug alleen bezig +waren, gerochten de groote dingen al ineens hun gewonen ernst kwijt; +dat leek hun nu heel gewoon en ongedwongen spraken zij over 't geleden +verraad als over een gespeelde kluchte uit den ouden tijd. + +--Ge moest me toch dat meerselke gelaten hebben, bachten mijn huis! +loech Verlinde. + +--Als u dat nu bezonder plezier kan doen, 't ware geern gegeven, zei +Vanhoutte, zonder zich om te keeren of uit te scheiden van zijne +bezigheid. + +--Zeker kerel, 'k moet nu alle dagen een half uur ver om mijne klaver +rijden! Is 't gedaan? + +--'t Is gedaan. + +--Ehwel, goed dan: vrienden lijk voren en na! + +--Lijk voren en na! Ze scheidden tegelijk uit en kwamen bijeen om de +zaak met eenen handslag te bevestigen. + +--Als ik de weide krijg, wel, dan is 't haverland u gejond! + +--Ja, we konden dat ook wel vroeger in orde brengen; menschen spreken +menschen. + +Verlinde grinnikte en ze kwamen weer bij tafel en ze vroegen opnieuw om +bier en Lowie moest meedrinken. + +Niemand merkte hoe de zon nu schuin heur stralen over de weide schoot en +'t al in rijker goudglans deed boenen. Lijk mieren stonden en wroetten +de maaiers daarin en de hoog geladene wagens voerden 't hooi naar huis. +Maar wie kon het schelen! De drie kerels zaten met een wezen purper +gezwollen, glimmend van zweet en ze zwaaiden de armen en hunnen hoed +lijk Janklaas in het poppenspel. 't Geen ze uitbrachten hield zin noch +reek, z'en verstonden malkaar niet meer en al wat ze nog zeggen wilden, +smachtte in dreunenden lach. Ze hielden al wat ze konden om hun glas aan +den mond te brengen. + +--We drinken ... zoolang we zwelgen kunnen! riep er een. + +--Voor eene wedding: die eerst door zijne beenen valt, deze moet heel 't +gelag betalen! + +--Goed! Goed! En te gelijker tijd kregen ze 't voornemen te blijven +zitten en te drinken zoolang ... o, altijd voort, tot ze rollen zouden +of zien rollen. Er was een blijde dingen gebeurd,--z'en wisten niet goed +meer wat--maar dat moest gevierd, begoten worden met bier, zoolang of +dat er de veerman in den kelder had. Bij vlagen kwam bij Verlinde 't +gedacht aan zijn nieuw meerselken en van nog iets dat na langen tijd +effen en in orde was; dan overmeesterde hem eene wilde leute, hij greep +de steenen bierkan en gooide ze te midden de Schelde. + +--Daar, baas, een grooter kruike moet ge brengen, of ge wordt nog lam +van halen en schenken; tap het bier in ketels, of haal de ton uit den +kelder--breng ze boven! Dat we drinken zonder ophouden! + +Hunne aders spanden paars en puilden uit hunnen hals van 't lachen en +schreeuwen en hun kiel en bestovene lakene broek waren belabberd van 't +bier dat ze stortten. + +Al 't geruchte dat ze mieken galmde over de vlakte en verstierf in de +ijle lucht; rondom bleef het ongestoord rustig, zoodat niemand acht gaf +op 't geen ze hier doende waren. z'En zagen malkaar niet meer zitten en +ze lonkten door hunne halfopene oogen om te weten of er nog niemand +gevallen lag. z'En dachten noch aan avond noch aan huis, of dat er van +hun levensdagen nog hooi moest binnengehaald worden. + +Verlinde deed wederom geweld om iets te zeggen, maar al wat er uitkwam +was brobbeling. + +--Dorst, dorst! tierde Vandoorn, 't is al van die zon, van die zon ... +ik zou de Schelde leeg drinken! en hij reikte naar eene versche pint. + +De baas stond geleund in zijn deurgat en kwam telkens bij om de glazen +te vullen: hij ook wakelde al op de beenen en schonk met onvaste hand. +En als Vandoorn verademd had, hief hij de oogen en wijzend naar +Verlinde: + +--Kerel, kunt ge nog op de beenen staan? vroeg hij. + +--Ik! ik? bofte Verlinde. + +--'k Wed dat ge er door valt! + +--Ik, sterk van natuur, jongen! + +Hij wikkelde de beenen van onder den stoel, wakelde, greep naar de tafel +en tuimelde met al het gerief, onder te boven in 't gras en bleef er +voor dood liggen blazen. De anderen sprongen recht met luiden +schaterlach, ze stonden rond den gevallene en keken met lodderlijk, +gelokene oogen en gemaakten schijn van spottende treurnis en ze zongen +de uitvaart van den bezopene: + + Onze broeder Lazarus + die is dood + zottekloot; + we zullen hem begraven + al in Jerusalem-me-lem- + me-lem. + We zullen hem begraven + al in Jerusa- + lem. + +Ze trokken de tafels en de stoelen weg en legden hem de armen gekruist +op de borst, raat de beenen lang uitgestrekt als een doode in zijne kist +en herbegonnen hun liedje, gestopen staande als lijkbidders: + + We zullen hem begraven + al in Jerusalem-me-lem + me-lem. + +--We gaan onzen broeder eerst een slokske geven! en ze goten Verlinde +een teugsken bier in den mond, maar ineens klaverde de schijndoode boer +weer op de beenen, greep Vandoorn en Vanhoutte bij de hand en alle drie +in ronde dansend zongen zij, Verlinde het luidst: + + En onze broeder Lazarus + die is dood + zottekloot! + . . . . . . . . . . . . . + +--Gij zijt verloren! riep Vanhoutte, we gaan de verrijzenis vieren, en +dan.... + +De kanne werd gevuld. Maar z'en konden niet meer, de glazen ontvielen +hunne handen en ze moesten elkaar bij de lenden grijpen om niet te +vallen. + +--Laat ons naar huis gaan, naar huis gaan, besloten zij. + +--Ja, ik ga betalen, zei Verlinde. Hij tastte onder zijnen kiel, en +haalde geld uit en wierp het op tafel.--Daar! + +De veerman was niet meer in staat te tellen en de drie dronken boeren +vertrokken arm aan arm, gebroederlijk--Vandoorn in 't midden. Zoo +waggelden zij voort op hunne slappe beenen en zwenkend lijf. z'En +hielden geen straat en gingen op goed geluk, tot aan den buik in 't +gras, den wijden meersch in. Ze zwaaiden hunne armen tastend naar +evenwicht en hunne beenen schrankten van links naar rechts, schommelend +voort. + + We zullen hem begraven + al in Jerusalem-me-lem + me-lem. + We zullen hem begraven + al in Jerusalem. + +De meersch lag als een groene zee zonder einde; de zon was weg en de +koele, blauwende schemermist steeg uit de grachten en overwaterde den +einder. + +De drie boeren vorderden traag, ze stonden nu en dan om adem te halen, +te rusten of zich te ontlasten, en arm aan arm hernamen zij hun +treuzelenden gang. + +De veerman stond nog tegen den muur van zijn huis geleund en zag hoe ze +verminderden in de verte, hoe ze stand hielden soms en plots alle drie +verdwenen in 't gras en traag weer opklaverden, en voort djoezelden weer +met vage armzwaaien, zwemmend boven de groene zee van hoog gras. Hij +volgde nog den flauwen gang van hun liedje, zag de gestalten +verminderen, en eindelijk werden zij drie zwarte vlekken tegeneen. Ze +tuimelden altemets, lijk kerels omgeblazen en bleven een thoelang +gedoken liggen. Later kropen ze een voor een weer boven, hernamen den +wankelgang en doolden voort tot ze onzichtbaar werden, versmolten in den +schemer, bachten den voorhang van den vallenden dauw. + +'t Liedje was uit en al het drukke van den warmen dag keerde weer in +dezelfde rost en den vrede met den gewonen zomeravond. + + + * * * * * + + +VEROVERING + + +Dien zondagmorgen was het bijtend winterweer. De oude boeren waren thuis +gebleven en na de mis stonden de jonge kerels een enkel stondeke maar, +in twee hagen gereekt, langs den kerkeweg en stampten op den harden +grond en pierden naar de meisjes die bibberend en in zwarte mantels +gedoken, haastig naar huis gingen, 't Gedrom was zoo gauw geruimd op 't +kerkplein, want de knapen polkten de handen diepe in de broekzakken en +liepen met ingetrokkene schouders, om 't zeerst naar de Klokke of naar +den Hert, hunne borrels pakken. Daar had de bazinne den heerd goed +aangestookt zoodat de warmte van ver al deugddoende tegenkwam. De +klanten kropen dicht in de ronde, lieten hunne schenen roosten, +ontstaken eene pijp en dompten lustig. Het luide gebabbel ging overal en +elk snapte naar een borrel klare genever om 't herte te warmen. + +Odo en Andre, de rijke boerenzonen, hielden zich afgezonderd in hunnen +hoogmoed, maar de gezellen uit dezelfde buurt zaten den linkschen hoek +vol en loechen en praatten onder elkaar en, ze begekten den ouden Filie +die vandage zijne geboden kreeg van den preekstoel om de aanstaande week +te trouwen ... met een meisje dat hij al veertien jaar vrijde! Ze +bespraken dat boerinnetje rechts en links, met al de gissingen in het +leven der aanstaande echtelingen en den toestand der oude hofstede waar +ze gingen inwonen. En Filie, de oude jonkman, zat daar zelve bij en hij +luisterde dat af, goeloos, met een onnoozelen monkellach zonder een +weergekkend woord uit te laten. En de luide, jolige leute ging al hooger +bij elke nieuwe spotspreuk. Bintsdien grepen de grove handen naar +versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan +de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd, +vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den +achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg +of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te +kaarten. + +Dan stonden zij bij benden recht en vertrokken gezamenlijk; maar in de +"Gouden Leerze" wilden, ze nog eerst binnen bij Leentje, het geestig +dochterken. Daar bleven zij staan lanterfanten bij den disch en taterden +tegen 't mesje dat vrij meegiechelde, terwijl heur poezelige hand met de +flesch het klokkend geneverwater klaar als gesmolten ijs, perelend de +glazekes volschonk. Ze gaarde de stuivers in den zak van haren netten +voorschoot. + +Vandaar vertrokken de gasten te veldewaard elk naar zijn huis en 't dorp +bleef leeg en dood, lijk bij wekedage als ieder in zijn huis en aan 't +werk is. + +Odo en Andre ontstaken eene laatste pijp en gingen ook hunne wegen +korten. Zij moesten langs denzelfden kant en daardoor was het sedert +lange jaren gewoonte geworden samen naar huis te gaan. Ze praatten stil +en schaars lijk menschen die malkaar veel zien en niets nieuws te zeggen +hebben. Maar ze rookten duchtig fel om de koude en als ze aan 't houten +kappelleken kwamen waar hun wegen verscheen liepen: + +--Wat schikt gij te doen, vandage? vroeg Andre. + +--Weet niet. + +--'t Weer is te goed om te slapen heel den dag. 't Regende of sneeuwde +nu al zes zondagen aan een eind; zouden we niet een tochtje te peerde +doen? De beesten staan daar, ze zullen er deugd van hebben en de wegen +zijn goed. + +--Voor mij niet gelaten, meende Odo. + +--We moeten er nu gebruik van maken binst dat 't deugt en de weken zijn +zoo drommels lang om verluieren. + +--Waar rijden we? + +--Waar ge wilt. Wel we schikken dat als we te peerde zitten. + +--Goed, hoe late? + +--Doppe na 't eten, 't is anders te gauw donker. Ik kom u halen. + +--Goed, na 't eten. + +Ze gingen elk zijnen weg. Een zware stap klinkend over den vervrozen +grond en de blauwe damp dwarrelde als pluimkes altijd nieuw uit hunne +pijp achter hun hoofd weg. Het land lag vlak als een kale vloer, grof +verbrokkeld en gedeeld in wintervoren; en de harde haardkluiten, +overpoeierd met lichten sneeuwmijzel, glinsterden in de nabijheid en +bleekten verder uit in grijze eentonigheid. De lucht daarboven zat vaal +zonder zon of kleur, triestig en eindeloos. Overal eenzame, +uitgestorvene rust van liggend doode land. De hoven daarin stonden +zeldzaam met naakte boomen verzaaid over de wereldvlakte. De wegen zelf +waren half verwischt en lagen in hun kronkeligen kruisloop, oud, +doorkorven met wagenslagen, gerimpeld als doodvergane, nuttelooze +dingen. Daardoor stapte Odo onverschillig voort, met de leegheid der +blekkende lucht en grijze omgeving die hij onbewust drukken voelde op +zijn gemoed, zonder gedachten stappend uit gewoonte, over dezelfde baan, +op denzelfden tijd, lijk elken zondagmorgen, zonder nieuws of +verandering eentonig. Ginder herkende hij zijn hof in de verte: de oude, +zwaar staande daken, wit berijmd onder den berijmden hemel, op de +sombere muren die zwart vlekten tegen den grijzen grond; heel de doening +stond lijk gedroomd en gereed te vergaan, te smelten in 't overwegend +wintergrijs, verdrietig om zien. + +Dingen uit het dorp kwamen nog in zijn gedacht, de hardklinkende, +lachgalmende woorden van daareven in de herberg hoorde hij hier stikken +over de verre vlakte heen. De menschen zag hij van rond zich uit de +kerk, de aangezichten van makkers, het leutig, lief smoeltje van Leentje +en den walmende tabaksdamp overal op. De doode dingen ook uit de +verledene week kwamen in zijn gedacht: doffe, kleine gebeurtenissen van +alle dagen, avonden gesleten bij Andre en zijne zuster Ida en elders op +andere hoven in de buurt. En met Ida kwam heel den geleidelijken sleep +van hunne lange kennis en verkeer en hij dacht aan dat meisje dat eens +moest komen zijne vrouw te worden op 't hof, maar dat was 't einde, dat +stond verre nog, heel ver en onvast, uitgesteld als een lastig, moeilijk +ding waar hij nog niet durfde mede bezig zijn omdat het heel den +gemakkelijken sleur van gewoon boerenleven en boerenrust, die nu zoo +vast stond in den harden winter, moest komen storen en veranderen: een +vreemde vrouw in dat innig, omsloten huis die er al het ongewone van de +nieuwe doening zou moeten aanleeren. Hij wierp dat weg en seffens zag +hij zijne zware peerden staan, warm en lui in den stal, en Jan den ouden +knecht, die er zijn gewoon zondagwerk verrichtte. Daarbij raadde hij al +den wagenden stilgang en doening in de zondagsche keuken waar hij zoo +seffens zou binnenkomen; de warmte en den reuk van den maaltijd snoof +hij reeds met 't gedacht aan moeder en Julie zijne zuster.... + +Hij lichtte den ring van de groote hofpoort en stapte tusschen wagens en +karren door de schuur. Daarbinst overviel hem een groote, verdrietige +moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche +winterstilte hier alom. Hij vroeg niet hoe het kwam of waarom, maar +dacht alleen aan de verdrietigheid omdat 't overal en eeuwig eenbaarlijk +'t eigenste en 't zelfde was in eentonigheid: 't gedraai van menschen en +dingen die hij zoo lange kende en die nooit beu waren van de wintersche +triestigheid, den godslagen Zondag. + +Hij klopte als gewoonlijk 't vuur uit zijne pijp, keek over de werf die +levenloos en goed opgeschikt lag heel de lange wintermaanden, maar hij +vond niets om over te vitten tegen 't werkvolk. Huis en staldeuren en +schuurpoorten en luchtgaten, 't was alles zorgvuldig dichtgestopt en +stil, 't scheen er bachten al uit verhuisd--geen beest dat leven miek. +De hennen ook, en de wakkere haan bleven op hunnen warmen zolder tenzij +juist den tijd om te eten. + +Waar Odo door de vensters gluurde, gaandeweg over de hooge stoep, zag +hij al de gordijntjes nauw dichtgeschoven. De deur kriepte haar gewonen +kriep onder den stoot van zijne hand en binnen vond hij moeder en zuster +met hun ernstig gelaat, stil bij den haard zitten wachten. Over 't vuur +en in de heerdasch er rond, hingen en stonden ijzeren potten en pannen +waar dampen uit walmden tusschen de spleet van de deksels. Over het +verste eind van de lange tafel was een blauw geperkte dwale gespreid +waarop de witte borden met vorken en lepels gereed stonden. Dat alles +gaf Odo een tegenzin van vunze gewoonte, vastgegroeid in ouderdom, +dringend als eene noodzaak. Zonder spreken nam hij plaats bij den heerd, +trok de leerden uit en zijn vest, deed de wit gewasschene kloefen aan en +bleef in de baaimouwen zitten geeuwen en rekken met de armen achterover. + +Hij keek bezijds naar de gedekte tafel en naar moeder, die den blik +verstond, hij lonkte naar het uurwerk, stond op en zette zich bij tafel. + +--Julie, 't is tijd, we gaan eten. + +Het meisje ging eerst aan 't venster kijken over de werf en riep naar +Jan voor 't noengetij. De kerel kwam allichte binnen, zette zich op de +bank bij tafel, nam zijne muts in de handen en las zijne gebeden. De +anderen ook kwamen bij en mieken een kruis. + +Julie diende de soep op in een bruinen eerden kom die dampte en zij +schepte met den ijzeren pollepel de borden vol. Zonder spreken, zonder +opzien, elk gebogen over tafel, namen zij met gelijke beweging van den +arm, de soep met lepels binnen. Het getik van ijzer en geschreep op +gleier miek 't eenig gerucht. Als de kom uit was, rekte Odo weer de +armen open en keek naar zijne zuster en naar den pot op den heerd, +wachtend om 't andere. Ze bracht de dampende aardappels en gebraden +zwijnsvleesch en schonk de glazekes vol bier. Nu hernamen zij het eten +met de vorke en het mes, zonder haast of zichtbaren smaak of genot, +snijden en stekken en binnenhalen, als gewone, onverschillige bezigheid. + +Moeder knabbelde lastig haren kost en herkauwde en peuzelde en hielp met +bevende handen haren tandeloozen mond. Ze bekeek al de stukjes eer ze +binnen te moffelen met weifelende meening, in beraad of ze wilde +uitscheiden of voortdoen heur lastigen maaltijd. En Odo merkte het niet +omdat hij met 't zijne alleen bezig was en hij at met knappe beten +gestadig voort, om gedaan. + +Als 't uit was deden zij hun dankgebed en namen hunne gewone plaats weer +in bij den heerd. Jan haalde zijn zwart berookt pijpken uit den +ondervestezak, vulde het en nam vuur uit de assche. Moeder zette zich in +den ouden leunstoel te tukkebollen. Julie liep over den vloer, haakte +den moor met warm water van den hangel en ging in 't achterhuis de +schotels wasschen. Odo zat en keek naar de zolderribben, naar den top +van zijne kloefen, op 't gewiebel van 't vlammeken in den heerd en op de +blauwe walmkes van Jan zijne pijp. En als die walmkes verminderden en +achterbleven en 't laatste met een blaas als een uitsproeiend +aschfonteintje door den bak opvloog, zei Odo, alsof hij met alle geduld +naar 't einde gewacht had: + +--Jan, doe dan Baai gereed, smeer zijne hoeven en leg hem den zadel op. + +De knecht stond op, luisterde zonder roeren tot de reek was uitgezegd, +dan knikte hij instemmend, stak de pijp in den ondervestezak en vertrok. +Odo ook veegde den vaak uit de oogen, keek nog eens op 't uurwerk, rekte +de armen en ging geeuwend naar de vaute. + +--Gaat ge rijden? vroeg Julie. + +--Ja, Andre komt alhier, maak de koffie gereed. Dat was de gewone +gebeurtenis van elken Zondagnoen en daarom en sprak men daar niet verder +over. Odo kwam beneden in zijne rijbroek, gespte de sporen vast en de +zeemvellene beenkleeren als Andre met vasten stoot de deur openduwde en +binnenkwam. De jonge boerenzoon knikte goedgezind naar Julie, riep een +luiden goen dag naar de vrouwe en een vroolijken: + +--De maaltijd wel gesmaakt? Prinselijk weer buiten, jongen! Echt om te +rijden! + +Hij zette zich ongedwongen als in eigen huis op eenen stoel, stond zoo +seffens weer op en ging bij 't venster een deuntje fluiten; vandaar +keerde hij naar 't achterhuis en bleef in 't deurgat luide staan kouten +tegen Julie. Hij stond daar zelfgenoegelijk, de jonge kerel, geleersd en +gespoord en verschblinkend, frisch uitgeborsteld en vertelde en plaagde +op blijden toon. Zoo gauw was de gespannene, zwijgende doening vergeten +en alles keerde in beweging en geruchte. + +Odo gerocht ook aan 't gekken en de trotsch opgeruimde moed kwam weer +over zijn frisch en sterk gelaat. De lach klonk op bij elke spreuk en +'t was nu blijruchtig en gezellig in de groote, warme winterkeuken. +Het meisje handelde met vlugge, beweging heur schotels en lonkte met +vlijtige oogen naar Andre al loopend vol bedrijvigheid, met lichten +tred. Zoo deed ze ook de noenekoffie gereed. + +Moeder had er zoo wel wel heur schik in, ze zag den jongen geern om +zijne aanvalligheid en omdat zijn vriendelijk gezelschap zoo'n deugd +deed aan haren Odo. Andre was anders ook een flinke boerenzoon en ze +merkte met behagen dat hij trek had naar Julie en hoe dat het meisje zoo +blij voldaan weerlonkte en ze leutig uitbloeiden zoo gauw ze bijeen +kwamen. Andre had daarenboven ook eene ferme, goede zuster en daarom zag +de oude boerin geern dat haren zoon daar veel ten huize ging; hij kon +zijne zinnen nergens beter vastzetten, en 't was heur blij, gerust +voorgevoel: de jongens al ondereen samen gelukkig te zien, dat was haar +troost in heur afgaande, oud leven. En heel de geschiedenis van haat en +vroegere veete, heel het droevig kwaad leven van voortijds hield zij de +jongens gedoken achter heur oud, gerimpeld aangezicht. Boer Vanmarcke +was dood en Boer Verschaeve ook en de kinders waren onwetend van 't +kwaad bedrijf hunner eigene ouders, en dat was maar beter ook. + +--Ze zijn van weerskanten brave, deugdelijke kinders, dacht ze, de twee +families leven nu zoo goed als maagschap ondereen en 't ware een geluk +als ze door een dubbel huwelijk voorgoed den vrede bestendigden eer ik +doodga. Eerlijke, begoede ouders van beiderzijde en hun hof en stalling +met bed en bulster staat voor malkaar gereed. Maar niemand en sprak daar +openlijk over, tenzij de knapen in de herberg en de meiden rond den +heerd. Voor dezen die er in betrokken waren, bleef dat eene verwachting +voor de toekomst en het was onnoodig er over te spreken omdat de tijd er +nog niet was daarmede voort te doen; ze waren van weerskanten te jong +nog en als de vriendelijke omgang nu maar onderhouden bleef, was 't al +een deugdelijk dingen en eene gerustheid voor later. Intusschen namen +Odo en Andre samen hun verzet en genoten vrij van hun jong leven. + +Door de keukenvensters zagen zij nu Jan die Baai bij den breidel buiten +bracht. Het forsch peerd lei schichtig de ooren en in zijne +brooddronkene weelde begon het te steigeren, hief den kop en snoffelde +naar 't vreemd peerd dat bij de schuurpoort gebonden stond. 't Sloeg in +een plotse zotternije de hoeven hoog in de lucht en dan, op een vermaan +van den ouden knecht, begon het ingehouden te trappelen op licht +dansende pooten en liet zich leiden tot bij de voordeur. + +--We zijn gereed, meende Andre en hij ging nu ook zijn peerd halen. + +--Mijne rijzweep en mijne handschoenen? vroeg Odo. Moeder, tot t'avond! + +--Julie! en de jonge kerel belonkte nog eens vlijtig het meisje voor een +afzonderlijken groet. Ze kwamen mede buiten om de knapen te zien +opstijgen. + +Jan hield het onrustig peerd alsaan bij den toom. Odo onderzocht den +zadelriem, greep den stijgbeugel, tord met den linkschen voet in en met +vluchtigen zwaai zwierde hij 't lijf naar boven. Baai was hem bijna +ontsprongen en nu, in 't verschot van de verrassing buitelde het ineens +zijn onwillige zottigheid uit en wilde wegrennen. De vier hoeven +kletsten twee en twee overhand tegen den harden grond met wreeden zwong +van zware pooten en slaanden kop. Jan was bezijds gesprongen, maar Odo +zat vast met knellende knieen en praamde den toom in de vuist; daar zat +hij trotsch te glimlachen, preusch om het groot geweld dat hij met +handige macht in bedwang hield. Andre was ook op zijne merrie gesprongen +en de twee peerden hinnikten nu en begonnen eene wilde danspooterije, +eerselden en kapten, ongedurig met drang om weg en in 't vrije te +geraken. In hunne bradde wildheid zwierden zij den kop dat 't schuim +rondspatte en ze knabbelden met de tanden het ijzeren gebit dat al hunne +kracht gebonden hield. Zoo kwamen zij er eindelijk toe door veel +gepraam van toom en gremmet, hunne rijdieren in bedwang te houden en +kregen ze nevenseen als een getemd koppel waar zij bleven staan +strappelen en slaan met den kop in ongeduld om aan te zetten. Maar als +ze den toom voelden lossen, dreven zij gezamenlijk met harden hoefslag +stampend den grond, een fermen ademsnoffel uit en zoo stoven zij 't hof +af door de opene poort en in wilde vaart vooruit, zoo geweldig dat +moeder en dochter bewonderend eerst dat spel, nu angstig opschreeuwden +en buiten de poorte liepen met vrees voor ongelukken. Maar de twee felle +ruiters waren al een eind ver en zaten er goed en gemakkelijk gewiegd op +de breede, dansende ruggen en ze keken nog eens over den schouder ter +geruststelling en om bewonderd te worden. Andre zond nog een laatsten +groet naar 't meisje dat hem glimlachend nakeek. Als zij gezien hadden +dat het goed ging, keerden de twee vrouwen in huis. Moeder schudde toch +bedenkelijk het hoofd: + +--De waaghalzen, ze zullen toch eens den nekke breken met die zotte +peerden! + +--Maar moeder, zij zijn jong en zitten er vast op. + +Daarmee zweeg moeder en 't meisje ging zich nu wat opschikken en zou +moeder komen voorlezen uit een oud boek. In de keuken hing weer de +kalme, oude stilte, met eene onrust die onuitgesproken bleef: 't was +eene te vroege verwachting om Odo ongedeerd te zien thuiskeeren, maar +de stilte hield dat onuitgesproken verlangen besloten heel den +achtermiddag tot t' avond late als 't nacht zou zijn misschien. + +Terwijl zaten de twee kerels onbezorgd, hoog in de winterlucht en lieten +zich gaan in vluggen draf. Zij loechen om de vrees van het lichte +vrouwvolk en waren vol van de verwachting der vreugde die ze zoeken +gingen. + +Aan den ingang van 't dorp kletsten de hoefijzers dubbel hard op de +kasseisteenen en de menschen kwamen uit hunne huizen kijken en +bewonderden de twee ferme ruiters: Odo, de zoon van den ouden +burgemeester, en Andre, de landrijke boer. Ze reden over 't kerkplein +door de straat en hielden nu de leden sterk uitgespannen, als twee +schoone knapen, en keken met overmoed uit de hoogte, preusch om hunne +kostelijke peerden, rechts en links en knikten naar de dorpelingen die +vriendelijk monkelden. De peerden gingen stapvoets nevenseen en Odo en +Andre zaten er stijf en statig op, met gespannene knieen, de beenen +stevig in de glimmende leerzen en zeemvellene broek, de rijzweep en +teugels vast in de geschoeide banden, bewust van hunnen rijkdom en +broederlijke weelde. Odo hief zijn gezond bleuzenden zwaren boerenkop +met trotsoh-blinkende oogen, stijf op den breeden hals. Hij wist zijne +schouders eendlijk en zijnen rechten rug sterker dan den sterkste van +'t dorp. Andre daarnevens wat rilder, hooger opgeschoten op zijne +stevige leden die plooiden genadig in het wiegen van zijn ros. + +--Dat zijn een prachtig koppel ruiters, zegden de kennissen, jong zijn +ze en niets en kan hen deren, ze hebben 't geluk in pachte! Dat wisten +zij zelf ook, de twee boerenzonen en dat kropte hoogmoedig in hunnen +zin, maar hunne wezens bleven goedaardig kijken en vriendelijk. Ze waren +als prinsen in hun eigen land, met al de dorpsgenooten als onderdanen, +zoo sterk, zoo schoon als niemand. Nu gingen ze hunne kracht en hunne +prachtige peerden toonen naar 't vreemde; daar zouden ze met trotschen, +onverschilligen blik laten zien en bewonderen wie ze waren en van waar +ze kwamen. + +--Waar rijden we nu eigenlijk? vroeg Andre. + +--Voorwaards! loech Odo; hebt ge zin ergens te zijn? + +--Neen. + +'t En was nievers noch feest noch kermis; z' en hadden geen kennissen +te bezoeken of vrienden; 't meisje dat ze vrijden woonde in 't huis van +waar ze kwamen en al de andere deernen bleven hen doodonverschillig, +'t bezien niet weerd. + +Aan den keerdraai waar de kassei weer in harde, oud verknuiste +eerdestraat uitliep, draaide Odo zijn peerd om en Andre volgde zijnen +makker. + +--Naar 't Meulenhout, raadden zij beiden. + +Ze kwamen weer in 't vlakke veld, eentonig dezelfde landstreek, met de +platte eerdelaag en eenzame, verkrompene huisjes en magere boomen in +reken of alleen, berijmeld en grijs, tegen den einder het donkerblauw +van een bosch. + +Met 't noenuur was 't geluchte wat opgeklaard en in 't eindelooze zwerk, +eendikte vol wolken, teekende de zon een flauwe klaarteronde achter dien +voorhang van somber grijs. Over 't veld lag de sneeuwmijzel nu in +glinsterkristaaltjes te blinken, eene dunne laag perelgrijze wittigheid. +Maar dezelfde spijtige wind dreef gestadig zijn kouden tocht van 't +Noorden naar 't Zuiden en beet de ruiters in rug en hals. De beweging in +de vrije lucht hield hun echter 't bloed warm, en hun wel ingekleed lijf +voelde er te meer de prikkelende deugd van. Ze ademden met genot even +als hunne snuivende peerden, de dikke, gezonde lucht. + +De twee ruiters kwamen aan 't vreemd dorp en daar tusschen de huizen, +lieten zij hunne peerden op stap gaan om gemakkelijk de menschen te +bezien die ze ontmoetten. + +--Kent ge hier iemand? vroeg Odo. + +--Niets bezonders, we zullen moeten vragen waar 't plezier woont, anders +maken we 't zelf. + +De dorpsplaats lag in zondagsche ruste, zonder leven in de herbergen. +'t Was al dat er een vent of wijf te ziene was op straat en een deel +jongens die poenderden in eenen hoek en dansten over de straatgoot om +hunne voeten warm te houden. + +--"In 't Meulenhof" las Andre op 't uithangbord van eene oude +afspanning. + +--Willen we maar eens zien en een glas bier drinken? + +'t Was zoo gauw besloten en ze dreven hunne peerden bij de deur. De baas +kwam haastig buiten, groette vriendelijk en wenschte de heeren welkom. + +--Beste weer om uit te rijden! + +--Breng ons twee pinten bier. + +Vlugbeende was de baas weer binnen en zoo seffens bracht hij hun twee +glazen. + +--Dat verwarmt het bloed. Ge zijt een wandelingske komen doen naar 't +dorp ... wellicht de beesten komen bezien in 't Meulenhof ... of de +meisjes?... en hij bezag de kerels met een fijn vragend oogknipje. + +Odo en Andre namen 't glas van de lippen en wat benieuwd: + +--Is er iets bezonders te zien op de streek? loech Andre. Waar er mooie +dochters zijn, zouden we wel een paar kalvers koopen vandaag! + +--Maar als wij den Zondag op zoek gaan, moet het puike ware zijn, +zwetste Odo. Als ge ons iets bijzonders kunt aanwijzen, ziet ge ons +terug en we zullen u weten te zeggen of 't naar den smaak is. + +--Den weg zult ge wel vinden zonder mij, merkte de baas, al de +boerenjongens van de streek raden zulke dingen op den reuk. + +--'t Is gemeend, we zijn onbekend en niemand bij ons en spreekt van 't +Meulenhof, niet meer als van gelijk welk ander. Zonder dat zouden we zoo +lang niet gewacht hebben dien boer een bezoek te brengen. + +--Als 't alzoo is, loech de baas, ge zult er mij weten van te +vertellen: op heel de streek en vindt ge de weergade niet! + +--Ernstig gesproken, meende Odo, dat belangt ons, waar wonen ze nu +eigenlijk die fleurige rozen? + +--De eerste straatjongen de beste zou ze u wijzen; den Zondag in de kerk +zijn al de aanzichten op boer Meulenhofs twee dochters gekeerd; en naar +'t geen er van bezoekers, ver en bij, daar op 't hof komt, moet het wel +de moeite weerd zijn. + +--Ge doet me verlangen, loech Odo. + +--De twee schoonste bloemen van de streke, meende de baas, de balie is +stuk gereden van de ruiters die daar 's Zondagsch bezoek doen. + +--We gaan er naartoe voor de leute, zegde Andre gedoken tot zijnen +makker. + +--'t Is hier dicht bij, ginder 't groot hof met die blauwe daken, dat ge +ziet tusschen de boomen, de dreef leidt er heen, 't is nauwe tien +minuten rijdens. Maar, let op dat ge den hals niet en breekt en t' avond +gave bij moeder thuis geraakt, want de dorpsjongens hier zijn eenhandig +en zij beweren dat de snelle poesjes van de streke niet weg en mogen en +hier op 't eigen dorp moeten blijven als ze verkocht geraken. + +Dat prikkelde de kerels. + +--Waarlijk, baas, zoo ge ons grappen wijsmaakt komen we uwen kelder +afdrinken en we steken onze peerden in uwe beste kamer. Zeg, hoe heeten +de meisjes? + +--Meisjes, meisjes?! freulen zijn 't, sterke deernen: Paula, de bruine +en Anna de blonde. + +--'t Is half gewonnen spel nu we de namen kennen! loech Andre. Vooruit! + +Ze gaven hunne peerden de spoor en reden weg. + +--Ik neme de bruine, zei Andre. + +--En ik de blonde; is 't aanveerd? + +--Zeker, en zonder zien. + +--We gaan er alleszins naartoe, meende Odo. + +--Werkelijk? Maar wat zullen we daar uitkramen als we binnenkomen? Weet +ge eene reden? + +--Naar den duivel, eene reden! moeten boerenzonen lijk wij redens hebben +om eene dochter te bezoeken! Al de hofsteden der wereld staan voor ons +open. We gaan eenvoudig de meisjes bezien en wil de boer ze ons niet +toonen, wel dan bezien we zijne peerden en kalvers en hij toogt ons +seffens de dochters op den hoop toe! + +De dreef liep tusschen twee reken populieren naar de opene poort. + +Odo en Andre ze loechen om hunne eigene, zotte stoutigheid en meer nog +om de verwachting van 't geen gebeuren zou. + +--De boer moest eens met zijn roer uitkomen of ons de werfhonden +achternazenden! meende Odo. + +--Laat mij maar doen en ik verwed dat we er vandage nog onthaald worden +op hespe en bier! beweerde Andre. + +--Gewed voor eene ronde pinten, Zondag na de hoogmis te drinken onder al +de makkers, stelde Odo voor. + +--Aanveerd! + +Twee groote honden kwamen inderdaad uit hun kot geschormd en basten op +de vreemdelingen. + +--Kijk, kijk! riep Odo. + +Terwijl ze over de werf reden, zagen ze achter de vensters van 't +boerenhuis twee meisjeswezens kijken. Maar als de peerden voor de deur +stilhielden, stoven zij weg lijk schuwe musschen. 't Was de boer zelf +die de deur opende. Een korte, dikke stamper, stevig op de beenen, de +handen in de wijde broekzakken en een dikken baai over zijn ronden buik. +Zijn rood, bleuzend wezen loech vriendelijk verrast, met een greintje +spotlust en hij groette al van ver: + +--Ha, ha! jonge kerels, ge komt 'ne keer de streke bezien en de +menschen! welgekomen. Pier-Cies! riep hij luide naar buiten, steek die +schoone peerden op stal. + +--Danke, boer, danke, begon Andre, we hebben weinig tijd, we zullen maar +even afspringen en u goendag zeggen. + +Ze merkten reeds dat de boer aan zulke bezoeken gewend was en de twee +kerels gevoelden zich daardoor op den stond gemakkelijk en ongedwongen. + +Een vlasharige, halfvolgroeide koeier kwam uit den stal naar de peerden +toe. + +--Pier-Cies, ge zult hier bij de peerden blijven. Terwijl kwam de boer, +als kenner en liefhebber, nader bij de beesten zien. + +--Een kostelijke reun, meende hij, en dat.... + +--Een tweejaarsche merrie, zei Andre op zijn peerd doelend. + +--Kostelijke beesten! en de boer smekte er bij van bewondering. + +--Komt gij van ver, als ik vragen mag? Ik ken veel menschen, maar 't +jong volk groeit boven mijn hoofd. + +--g'Hebt nog gehoord van den Hoogen Doorn? vroeg Odo. + +--Zeker, zeker, loech de boer, 'k ben er dikwijls geweest! wie zou boer +Verschaeve niet gekend hebben!? g'En zijt toch nooit zijn zoon? + +--Wel en zeker. + +--En 't Berkenhof, kent ge dat? vroeg Andre. + +--Boer Vanmarcke? zeker, 'k heb hem veel peerden helpen koopen en vrouw +Vermeulen ken ik best. Maar dat is nu langen tijd geleden. + +De naam van eene hofstee draagt al de faam en de weerdigheid en den +rijkdom in den klank zelf van het woord en elken boer is daarmede goed +bekend. Over heel de streek blijft dat onveranderlijk en vast en +duidelijk omdat het van vader tot zoon, ver en wijd vermaard is, evenals +de honderdjarige linden aan 't hofgat. 't Gewicht en weerde van belaai +en rijkdom van land ligt voor elk ende een open onder den blooten hemel +en 't valt te schatten voor al wie tellen kan en van de zaken op de +hoogte is. + +Met 't vermelden van die twee namen, klaarde 't aangezicht van den boer +ineens op, zijne handen bleven alevenwel gerust in zijne broekzakken +zitten, maar hij draaide den rug en ging binnen, zonder ommezien, in de +overtuiging dat de bezoekers, zonder verdere uitnoodiging, hem wel +volgen zouden. + +--Zet u maar wat bij 't vuur, kerels, we gaan kouten, we zijn immers +oude kennissen. + +Hij zat al gemakkelijk in zijnen hoogen stoel bij den heerd en streek +met de handen over zijn rond gevulden baai. + +--Wel, jongens, Berkenhof en den Hoogen Doorn! dat zijn twee hoven zoo +oud als 't land! En in zijn gedacht kwam heel die reeks stevige boeren +en burgemeesters, die rijke als koningen, daar geheerscht hadden over +hunne wijde werf en 't land er rond. Ze zaten er van over oude tijden +muurvast en warm geland; 't waren eigenzinnige, koppige tjokken, hard +als eekenhout, maar goedaardig met 't volk en wreed met de vijanden. + +Andre knipte een oog naar Odo om te bedieden dat zijne wedding gewonnen +was. De andere had geen tijd te antwoorden, al zijne oogen waren op de +twee deernen,--dat sloeg hem eerst met verbazing--zulk vrouwvolk had hij +nooit gezien, en zijn eerste gedacht was: dat zijn eigen zuster en Ida +ook, daar begijntjes bij waren en meisjes van niemendal! 't Geen de twee +bezoekers trof was: de wijde, ouderwetsche, glimnette keuken, waar alles +in schoone orde geschikt stond, maar 't meest greide het hen in de +oogen te kijken van die twee prachtige dochters, de bruine en de blonde, +die hen zoo vrank in 't gelaat loechen. In 't begin stonden Odo en Andre +er wat mijde voor en in 't eerste kennismaken hielden zij zich nog op +hun weerhouden, maar op het bloeiend wezen en den openen glimlach der +twee freulen was het genoeg te zien dat zij met geen beschroomdheid +gediend waren, dat ze aan bezoek van vreemde liefhebbers hun genoegen +hadden. Al stonden ze op de kloefen, kortgerokt en den balen voorschoot +aan, ze bloosden maar niet van schaamte en ze hadden leute om hunne +verwaarloosde, vreemde zondagdracht. + +--De meiden zijn naar 't dorp en wij waren tewege naar den stal, zegde +de oudste. + +--Dat gebeurt bij ons ook, doe maar vrij, merkte Odo. En hoeveel koeien +hebt ge te melken, Anna? en hij duwde op dien naam, met slimmen toon. + +De deerne keek verrast op en heur mond plooide gereed om 't uit te +schateren, maar eer ze iets kon zeggen: + +--En gij, Paula? vroeg Andre. + +Ze bezagen elkaar en dan kikkerden zij om de aardigheid dat twee +jonkheden die zij nooit gezien hadden, hun naam kenden! z'En dachten er +niet aan de vrage te beantwoorden en bleven staan lachen en de boer ook +dreunde daarbij met volle geweld. + +Toen stonden de bezoekers nog recht, en nu merkten de dochters eerst +hunne nalatigheid. Anna en Paula snapten te gelijkertijd naar stoelen +en: + +--Zet u, gasten; vader, wat moet ik opbrengen? + +--Eerst een kanne bier om te beginnen, als ge in den stal gedaan hebt +kunt ge eten gereed doen--of 't en ware de heeren nu iets wilden +aanveerden? vroeg de Boer. + +--Neen, niets, we moeten weg, 't is vroeg avond en onze peerden.... + +--De peerden staan al warm op stal, en de boer grinnikte fijn om zijne +vondst. En van avond is 't klare mane.... En ineens tot zijne dochters: + +--Ge Weet het Berkenhof? en den Hoogen Doorn? dat zijn.... + +--O, riep Paula, Ida Van Marcke is uw zuster? + +--Kent ge haar? vroeg Andre. + +De meissens knikten bevestigend. + +Nu waren zij seffens bekenden en vrienden van thuis; 't vuur werd +aangestookt en een grooten pot bier kregen ze op de tafel waar rond de +bezoekers met den boer vaste gestoeld zaten om lange en genoegelijk te +kouten. + +De dochters was 't alsof ze met vertrouwde kennissen te doen hadden, +met wien zij van overlange bevriend waren; ze keken om als ze naar stal +gingen en riepen: + +--Tot straks! Dan vezelden zij nog wat ondereen achter de deur en liepen +giechelend over 't hof. + +Met den boer wendde de kout over gewone zaken van 't landbouwbedrijf. +Eerst over eigen kweek van peerden en koeien die ze nu op stal hadden, +dan over vroeger gekochte of verkochte hoornbeesten. De boer kende bij +name al de runders en 't vee van de streek, hij wist histories en +wondere gevallen van kachtelen of kalven, vijftig jaar verre geleden. +Dat was een ophalen en beschrijven met groot geweld van handgebaar, rond +zijn gerust, liggend, breed lijf en goedig monkelend hoofd, in eigen +sterk vette spraak, met boffende overtuiging zijner kennis van beesten +en de kostelijkheden van zijnen kweek. De deugd en 't genoegen had en +voelde hij in zijne eigene woorden. + +Elk deed er 't zijne bij, met nieuwe vondsten, verzonnen of gebeurd, +maar alles met slaande beweringen voor waarheid uitgesproken. Het werd +eene reeks zonder einde. Tot dat de luchtige zang van de deernen klonk +met gerinkel van akers en teelen in de melkkamer, zaten de boeren vol +bezig. Dan stonden zij op met dreigende meening van vertrekken, maar: + +--Daar en ia geen gedacht van, nu al, zegde de boer, onze achternoen is +gezellig voorbij, we gaan er nog een steertje aanbinden met hespe en +brood en een versche kruike bier of moet ge nog entwie of entwat gaan +bezoeken? vroeg hij fijn pieroogend,--ge hebt hier uw gerief, en hij +schetterlachte bij die geestigheid. + +--Neen, maar we hebben heusch beloofd bij tijd thuis te zijn, merkten de +knapen. + +--Een boerenzoon die bijtijds thuis is! spotte de boer. + +In een draai was de tafel gedekt en voorzien met borden en brood en een +groote hesp. De dochters liepen vlijtig en heel opgeschikt nu: het haar +gekamd en in kraaknette, klare jakken en blauwe schorten die versch uit +de voegen geschud waren. + +De boer had er waarlijk deugd in zijn volk zoo pertig en bloeiend te +zien en hij merkte wel hoe de kerels rechts en links met de oogen +lonkten. + +--Ja, ja, ze zijn de bloemen van 't dorp, loech hij weer, en zonder +zweem van grootspraak, als van een gewoon dingen: en 'k krijge meer +kijkers in mijne keuken dan in mijnen peerdenstal! + +De meissens lieten dat ongestoord over hen gaan en monkelden. + +--Een schoon meisje en een schoon peerd, anders en is er niet vele 't +ziene weerd, vleide Andre. + +De boer knikte instemmend al snijdend, d'eene schel zwijnvleesch achter +de andere. + +Onder 't eten begon hij nu eigene gevallen te vertellen uit zijn jongen +tijd; toen hij verkeerde met Vrouw Verkamer, zijn wijf ter zaliger; hij +noemde al de hoven waar dertig jaar geleden, 't schoonste vrouwvolk +woonde, en hoe ze dan vrijden en 't eene dorp na 't andere afdretsten te +peerde. Odo's vader en moeder, boer en boerinne Verschaeve waren meestal +van de mededoende geweest en in die oude gebeurtenissen betrokken. + +--Dat was een tijd! en uit zijn onuitputtelijken, dikken kop haaide hij +maar nieuwe histories. De kerels proestten van 't lachen en de twee +deernen wisselden leute met de oogen en lieten onophoudend de witte +tanden blinken achter de vol roze lippen. 't Werd een plezierige avond +en late zonder dat 't iemand gemerkt had. Eer ze hunnen hoed kregen, +moesten ze beloven terug te keeren om de beesten te bezien en om nog +eens te kouten. De peerden werden uitgehaald en na eenen korten maar +gullen groet met oogengelonk, reden de twee jonge boeren 't hof af naar +huis. Ze bezagen elkaar als ze in de dreve kwamen en schoten in luiden +lach. Dat was nu een vrijtochtje op 't onverwachts uit leute en zoo wel +meegevallen voor een eerste bezoek. + +--Een warme boer, een van de levenden! meende Andre. Hij zou liever +zijne dochters verkoopen dan zijne peerden; welk eene neemt ge voor u? +ik houde mij aan de bruine. + +Odo monkelde en antwoordde onduidelijk. + +--Verdomd prachtig volk toch! meende Andre. Iets om van te vertellen aan +de makkers een zondagavond; met een woord kunnen we heel 't dorp naar 't +Meulenhof Benden! + +Ze reden in schoonen draf door den manesching. Ze waren gerust, voldaan +over hun tochtje en lieten zich wiegen op hunne peerden. Het land lag +verlaten, half gehelderd en donker in het bosseke waar ze door moesten. + +--Die sukkelaars van boerenjongens hier, kunnen nu gaan denken dat we 't +meenen en ons hier afwachten om hunne jaloerschheid op ons uit te +kloppen! loech Andre weer. + +Odo monkelde nog, maar rechtte den stijven hals, + +--'t Zou er moeten een groote bende zijn om ons te lijve te komen, +meende hij. + +Daarop reden ze sprakeloos voort. Elk was bij zijn eigene gedachten. +En ze luisterden naar de geruchten, verre. De koude wind was gevallen en +'t werd nu een aangename, heldere lucht, dikke en gezond om te ademen. +De hemel zat vol sterren en de mane blonk lijk geschuurd koper. + +--'t Gaat herbeginnen vriezen, de sneeuw is weggevaagd, dachten zij. + +Ze reden door 't bosselke gerust en betrouwend op hunne sterke leden, +onbeschroomd. Tusschen de ijdele boomstammen, was er niets, de takken +waren donkerzwart met wit sneeuwstof omzet, dat glinsterde al den +bovenkant. + +Tegen dat ze in 't dorp aankwamen, waren de herbergen gesloten en alle +licht en geruchte dood. De stap van het koppel peerden klonk als bij +nachte. + +--'t Blijft lijk we gezegd hebben, plaagde Andre weer: gij de blonde en +ik de zwarte! + +--Neem ze vrij alle twee, merkte Odo om gerust gelaten te worden. +De welgezindheid van zijnen makker verdroot hem. + +Maar Andre liet niet los. + +--Hoe is de blonde niet wel zoo schoon? en lonkt ze niet even +vriendelijk? + +--Ja, vrijwel, ze lonkten alle twee bezonderlijk naar u. + +--En uwe wedding zijt ge verloren! + +--'k Betale geern, 't plezier van den dag is 't verlies wel weerd, wist +Odo. + +Ze kwamen aan 't Berkenhof en Odo reed als naar gewoonte, met zijnen +makker 't hof op, zonder dat Andre hem zelfs meegevraagd had. Ze +brachten hunne peerden in stal. + +Moeder Vanmarcke en Ida zaten bij tafel in de rijke kamer. Bij 't +binnenkomen rechtte de oude 't hoofd en 't meisje glimlachte +vriendelijk. + +--'n Avond Odo. + +--'n Avond Ida. + +Ze wisselden zoo gemakkelijk dien groet omdat ze gewend waren malkaar te +zien en te spreken, 't Meisje draaide de lamp wat op en elk zocht zijne +plaats om te zitten. + +--Braaf van zoo vroeg te huis te komen, begon moeder, en ze schoof haren +bril op en legde zich achterover om te luisteren naar 't nieuws dat de +ruiters op hunnen tocht vernomen hadden. + +En zoo gauw begon Andre met zijne gulle babbelachtigheid: + +--Moeder, o, we zijn te vrijen geweest, naar de twee schoonste meisjes +van 't land! en hij vertelde lang en breed heel het bezoek op 't +Meulenhof. Ida keek ongeloovig en vragend Odo in de oogen en de kerel, +om haar te plagen, loech stil bevestigend en deed er dan ook nog 't +zijne bij. Hij vertelde: nooit schooner zomerrozen van meisjes gezien te +hebben en hoe bovenmate vriendelijk, beleefd en welgemanierd ze waren en +dat het er op 't Meulenhof vooral deftig en rijke uitzag. Eindelijk kwam +hij heel en al los: + +--Wonderschoone boerinnen! riep hij, meissens lijk boomen zoo groot! met +een lijf en eene leest! met armen en heupen! en blinkende oogen en +tanden, en krullend haar: de eene blond en de andere bruin. + +Andre op zijne beurt, somde nog andere gaven op, naar de wijze van +peerdenliefhebbers die met kennis over een nieuw ontdekten kostbaren +kweek, uitpakken. + +Ida keek half pruilend met een goedig lachje al wist ze toch dat 't +allemaal plagerije was. + +--Zot volk! meende ze, g'hebt in eene herberg wat veel gedronken en ge +zijt blind geworden aan uwe oogen. + +Moeder loech stil. + +--En ons akkoord is al gemaakt, spotte Andre. Odo heeft de blonde en ik +de bruine. We regelden 't zoo onder den weg om in ruzie niet te geraken, +maar de slimmerik, 'k gevoel het, hij zou de afspraak willen verbreken +en mij de bruine ontfutselen. + +--'k Zou ze alle twee willen! dat is 't, riep + +Odo ineens opschietend uit zijne mijmering, en hij loech mee, omdat ze +allemaal in luiden lach uitschoten en zijne buitensporige reden aardig +vonden. + +Daarmee bleef de zaak uitgepraat en Odo stond op om te vertrekken. Heden +avond vond hij de warme gezelligheid niet als naar gewoonte en hij +voelde zich nu op zijn ongemak waar hij anders zoo genoegelijk zitten +kon zonder spreken, in 't genot alleen van de warme genegenheid waarmede +hij hier altijd onthaald werd. In korte plegingen wenschte hij nu +goenavond en ging zijn peerd halen naar den stal met Andre; Ida kwam mee +met de lanteern. + +De kerel sprong op en riep een laatsten groet in 't wegrijen en 't +meisje hield heur licht hoog om hem langer te zien en heur eigen wezen +in de klaarte te houden, en zijnen laatsten groet op te vangen. + +Zoo gauw Odo buiten op strate en alleene was, neep hij de vuisten en +knieen en beet op de tanden dat ze kraakten. + +--Alle twee de mijne zijn 't! en gij of een ander en zult er geen poot +aan steken, verdoemenis! de mijne alle twee! Hij wist zelf niet van waar +die plotse ophitsing en hevigheid in hem kwam, maar die onverschillige +spotlust van Andre was hem onuitstaanbaar en hij voelde daarom lust nu +om te vechten, gelijk met wie. Hij sloeg de sporen in zijn peerds balg +en rende zot voort door den laten avond in den maneschijn. Aan zijn +hofgat kreeg hij nog een plotsen inval en lust om terug naar 't +Meulenhout te rijden,--naar 't Meulenhout zou hij niet gaan, maar die +weg alleen trok hem als een belangende nieuwigheid, al wat nu maar in +die richting lag had een nieuwe weerde. + +--Morgen! meende hij en daarmede wilde hij zijne begeerte nu intoomen. +Hij reed 't hof op en hij gaf zijn jagende peerd aan Jan die heel +vervaakt en met verslapene oogen het licht bracht. Odo ging schoffelig +in huis, wierp de leerzen over den vloer en ging zonder iets te zeggen +aan zijne zuster, rechte door, gaan slapen. Uitgestrekt in de duisternis +dacht hij aan 't zottespel van den achtermiddag en eerst wilde hij heel +die stoornis uit de zinnen schudden,--in zijne verbeelding overkeek hij +die twee groote boerendeernen, de bruine en de blonde, hij zag hen staan +in die wijde keuken en herdeed met hen al de gesprokene woorden, en 't +greide hem 't wenden van hunne vlijtige blikken en 't bewegen van hun +raaide lijf na te gaan. Hij hoorde hun galmend lachen, wezenlijk alsof +hij er bij was. En de bruine en de blonde, Paula en Anna, hij bekeek ze +overhand, vergeleek en koos wie de beste en de schoonste was, stelde +zijne voorkeur nu eens op de blonde en dan weer op de bruine, maar bij +'t gedacht dat de andere dan door Andre te pakken was, kwam even gauw de +hitsige jaloerschheid op en hij raasde weer waar hij lag en 't brieschen +joeg op in zijn gemoed en hij vloekte omdat hij ze vast alle twee wilde +en geen eene laten gaan of nemen door 't is gelijk wie anders. + +De opgewondenheid bedaarde weer en hij keerde de gedachten naar 't stil +huiselijke van al die winteravonden op 't Berkenhof, bij Ida en Andre en +hij kende moeders verwachtingen en die van het meisje ... dan verkoos +hij voor dezen nacht aan niets meer te denken, hij keerde zich op de +linker zijde om te slapen. + +Als de koude dagklaarte al lang in Odo's kamer zat, bleef hij daar +liggen met opene oogen; hij wilde niet opstaan en was slecht gezind +omdat het weeral een dag was zooals al d'andere. Hij voorzag hoe hij +den tijd zou verslijten en wist het overal koud tenzij in bed en in +de keuken, en zijn moeder en zuster wilde hij nu onder de oogen niet +hebben. Dat dingen van gister had hij meenen te vergeten met slapen en +'t stond daar nu groot gegroeid, sterker dan ooit in zijne nieuwigheid, +met hevige verlangens en zotte voornemens. Al 't andere daarbuiten werd +groote nietigheid, en daar zat een harden angst in zijn gemoed en eene +felle afgunst ook: het was hem te wers dat iemand "Zijne" meissens zou +bezien of afnemen eer hij ze voor vast zijn eigendom gemaakt had--want +hij wilde, hij moest ze hebben--alle twee. Maar ter zelfder tijde wist +hij dat 't groote zottigheid was, eene verwaande koppigheid, eene +onmogelijkheid en dat er zijn gerust gemoed zou door verstoord worden, +maar hij gaf zichzelf de buitensporigheid toe en 't moest, muurvast! Hij +zag daar Paula en Anna, met de fijnste trekjes van hun wezen, beter dan +dichtebij met oogen, en den zwaai en 't keeren van armen en hoofd en +leden, duidelijker dan de doening en voeren van zijn eigene zuster die +heel zijn leven dagelijks onder zijne oogen liep. En 't pijnde hem dat +de bruine met haar fieren lippenplooi en prachtigen hals, en de blonde +met haar bollekaken en blauwe oogen zoo blijde, dat ze nu voort hunne +wegen gingen en loechen, in zijne afwezigheid en dat hij, Odo van den +Hoogen Doorn uit de verte, misschien niet heel hun gedacht en vulde. De +onzekerheid welken indruk hij op de eene en op de andere gemaakt had, +was zijne groote bezorgdheid. Hij werd gedreven om zich te laten zien, +om er tegen te gaan praten, om over 't hof te rijden op zijn zwarten +hengst, die vervaarlijk steigeren zou. Moed en kracht had hij er willen +bij te pas brengen om hen beiden te veroveren, te schaken of vast te +leggen als eigen bezit voor later. En Andre liep daar tusschen als een +ongelegene gast dien hij uit den weg weren moest. En hij voelde +priemende steken van drift telkens die tooverende meisjesoogen naar hem +lonkten. De bruine deed het met rappe weerlichten die ketsten als +vuurgensters, uitdagend en spottend,--als priemen waren 't die overal +doordrongen. De oogen der blonde streelden meer en keken weemoedig, om +dan ineens zot uit te proesten om haar eigen smachtend gelonk. Hij wist +dat ze hem aan 't betooveren waren, maar moest hen laten begaan omdat 't +hem zoo razend belustte. Niemand zou er toch iets van merken wat er in +hem gebeurde, en met een knip van zijn vinger was het allemaal dood als +hij 't wilde,... en 't had nooit bestaan! Want de sterk duidelijke +boerderije stond hier zoo ernstig, met den geest daarop van de stevige, +koppige Verschaeven die geen zotternije en duldden, en nu was hij bang +dat moeder iets van zijne gedachten zou raden en vermoeden wat er in hem +gebeurde. Hij sprong recht en met spijtigen nijd trachtte hij weer de +sobere kerel te zijn die 't gewoon dagelijksch werk moest gaan bewaken, +'t Overige zou wel van zelfs uitslijten. + +Hij draaide wat rond op zijne kloefen in de keuken en wandelde dan +buiten, naar 't land waar 't werkvolk den mest openvoerde. Als hij 't +daar ook moe werd, haalde hij zijn roer en ging kraaien schieten. + +'s Avonds bleef hij tegen zijne gewoonte, thuis en zat sprakeloos bij +den heerd. + +'s Anderen daags kwam Andre te peerde hem al lachend vragen: of hij +meereed naar 't Meulenhout? + +--'k Moet in de buurt een kalf gaan koopen bij eenen boer, 't is eene +gelegenheid om eens te gaan zien en wat plezier te maken bij onze twee +prachtmeiden! + +Odo weigerde kort. + +--Zoo zal ik maar uwen groet brengen aan de blonde! + +--Kan mij niet schelen. + +Andre's gezicht was hem nu onverdragelijk, hij had hem willen beletten +naar ginder te rijden en hij was in den grond jaloersch van zijn makkers +gezonde gerustheid. Hij zag hem wegrijden en van dan af werd hij +ongemakkelijk, zocht rond, keek langs de straat in de richting van 't +dorp, ging wat zitten op de haverkiste in den peerdenstal en trachtte +bij zichzelf de woorden te raden die Andre ginder zeggen zou. Dan gaf +hij toe aan den drang: hij zocht eene reden uit, verkleedde zich haastig +en deed den zadel opleggen. Hij hoopte de gejaagde onrust te verdrijven +met veel beweging en buitenlucht en wilde zijne eigene drift loslaten +omdat 't hier al zoo voos en 't zelfde winterdoof, zwijgzaam leven was, +met menschen die suffig hun werk deden, zoo gerust als ossen. Hij reed +al wat hij drijven kon langs eenen omweg achter 't dorp, om verder op de +straat te komen waar Andre voorbij was. + +Na de eerste spanning kwam de kalmte van 't deemsterend ommeland op hem +werken en hij vond zijne doening flauw, jongensachtig; hij zag zich als +een hond die op den reuk uitzet en belachen en verjaagd wordt. Hij werd +beschaamd en op den stond wendde hij zijn peerd in eene zijstraat links +en reed langs een ander dorp weer naar huis. De doffe zon hing tegen +den einder toen en ging varings wegzinken; de dag eindde voor hem in +lange triestigheid omdat de verlangde zaak niet gebeurd was en morgen +weer niet zou gebeuren. Hij was kwaad op al dat hij zag en meest op zijn +eigene, ongedurige gejaagdheid. De peerden trokken stil de mestkarren +naar huis en 't land lag dood en toegedekt met den vallenden nacht. + +Aan eene herberg herkende Odo het peerd van Vinie den kalverkoopman en +hij ging zoo seffens in beraad. Zijn voornemen was: naar 't Meulenhof te +gaan, niet als een verliefde schijtjongen, maar met een vaste reden, als +een onverschillige koopman die voor zaken een bezoek doet. Om dat +besluit te doorvoeren wilde hij Vinie spreken. Hij sprong af en bond +zijn peerd. + +Aan eene tafel zat de kooiman met een grooten druppel genever en hij +koutte luide met den baas over zijnen handel. Zoo gauw groette hij met +eere den rijken boerenzoon en Odo zette zich bij om met hen te drinken. +Odo wachtte tot de koopman opstond en dan: + +--We rijden samen? + +--Met genoegen, jonge heer. + +Vinie sprong op zijn manken schimmel en hij dreef hem nevens de +kostelijke merrie. + +--Niet te druistig boer of 'k moet achterblijven. + +Odo had anders geen lust hard te rijden. + +--Kent gij 't Meulenhof? begon hij. + +--Al de Meulenhoven van 't land! bofte Vinie. Boer Verkamer en zijn +schoone dochters? + +Odo wist niet hoe zijn ontwerp uiteenzetten, en hij voorzag al dat de +geslepene fijnaard raadde waar hij zijn wilde. + +--Is 't een schoon hof? + +--Een schoon hof, een heerenhof! meende Vinie. + +--Hij zit er warm in, Verkamer? + +--Vast en warm, heere--en de koopman trok zijn voorhoofd in rimpels en +duwde de onderlip over de bovenste. + +--En de dochters kent ge goed? + +--O, plezierig volk, leutig maar prompt, kostelijke kermispeerden! flink +van pooten en hals geen beste prijsmerrie in 't land die zooveel +bezoekers krijgt als die meissens; maar ze zijn wat verleerd: z'hebben +knepen in 't lijf en wonen op hunne bovenkamer,--ze zouden een jonkman +doen dansen om hem dan uit te fluiten, meende Vinie. + +--De meisjes kunnen dat al, merkte Odo, maar, Vinie, herbegon hij, +ineens gul uitsprekend, kunt ge me daar eens op 't hof brengen? ge zoudt +kunnen meegaan als makelaar om 't een of 't ander te koopen? + +--O, best! Verkamer heeft lijnzaad en tarwe zijne zolders vol, en +veulens ook wel,--ge geraakt daar anders best bij als peerdenliefhebber, +--hij heeft een prachtigen stal. + +En Vinie vertelde voort van de doening en den peerdenkweek op 't +Meulenhof; hoe hij met veel boerenzoons daar was naartoe gegaan, maar ze +waren allen te dom,--geen aanleg,--te bot of te zot! zoo werd de rijkste +kerel van de streek geweigerd en nu vrijt de oudste met den jongen +burgemeester van een dorp ievers uit 't ronde. + +--Maar dat gij wildet, vleide de koopman, ik verwed een peerd dat ik u +op drie maanden een dochter zal leveren! + +--Maar 'k moet ze alle twee krijgen--om te kiezen, voegde de jonge +Verschaeve er lachend bij. Nu, ge brengt me met d'een of d'ander reden +daar op 't hof. + +--'t Is aanveerd, we gaan den eersten keer naar den peerdenstal, 't +ander doet ge zelf als ge verstand hebt. Prachtig ras van meisjes zijn +t, rond geblokt en welgemaakt alleszins, en verstand, wat mijde in 't +begin, maar dat is er gauw af! en voor de zwaarte: nievers van beter! en +de koopman wreef inzichtig den duim over de vingers. + +--Zondag na den noen? vroeg Odo. + +--Best. + +--Zoo tot Zondag! + +De boer draaide zijn peerd de dreef in en Vinie reed langs 't dorp naar +huis. + +--Andre hier niet geweest? vroeg Odo aan zijne zuster. Dat belangde hem +nu en in al zijn weerzin wilde hij den makker toch zien omdat hij, +bezeten door nieuwsgierigheid, alles weten wilde wat er ginder gebeurd +was. Na 't avondeten ging hij recht naar 't Berkenhof. + +En Andre vertelde zonder achterdocht, hoe hij boer Verkamer langs den +weg, op 't land ontmoette, dat hij werd meegevraagd in huis. + +--En daar hebben we samen leutig zitten praten en oogjes geknipt, en de +bruine was vriendelijk en de blonde nog vriendelijker, loech Andre, en +z' hebben gevraagd wat we meenden van onzen rit van Zondag en wanneer we +'t zouden hergaan. + +Odo gloeide van binnen maar hield zich uitwendig als verdroot hem die +zaak op 't einde, en als moeder Vermeulen binnenkwam met Ida, begonnen +zij over andere dingen te praten, heel den avond lijk gewoonte. Odo +bleef vriendelijk met het meisje en hij vond bij zichzelf een stonde de +oude gezelligheid weer. + +Als hij vertrok deed Andre een stap uitgeleid en bij 't scheiden vroeg +de kerel lachend aan zijnen makker: + +--Gaan we Zondag weer op bezoek? + +Odo gaf hem geen bescheid en Andre keerde naar huis met 't gedacht dat +Odo gelijk had en dat 't tijd werd aan heel die zotte geschiedenis niet +meer te denken. + +Odo integendeel wilde het niet vergeten, hij hield het alleen, diepe +voor zich; Andre moest daar verre van en uit blijven: daarom vertelde +hij niets van zijne afspraak met Vinie en zijn voornemen. + +De wrok duurde en groeide van langs om heviger en hij bleef onder den +druk van dien plotsen minneslag, onkennelijk voor zichzelf. Hij wilde +het doordrijven en als hij de zake wel naging en er dieper in doordrong, +wist hij niet waar 't zou uitkomen. Aan zijne moeder en zuster sprak hij +er ook niet over. Hij werd weer vriendelijk uitwendig, om niemand te +verontrusten, maar van binnen grolde zijn trots: hij vroeg of er wel +iemand,--pastor of burgemeester--iets te raden of te zeggen had aan 't +geen de boer van den Hoogen Doorn wilde!? Om 't stoute en 't +raadselachtige van de onderneming zelf, beviel hem die nieuwe liefde en +hij grijnslachte er bij van genoegen omdat hij--de sterkste en rijkste +kerel van de streek, nu eene buitensporigheid ging doen en met een ruk +vernietigen al 't geen moeder en al de anderen zoo zachtjes meenden op +een lijntje te houden. Ida haatte hij om haar gedoezige zoetheid en heel +die afgesprokene handeling van jaren ver, scheen hem een lam, kwenig +kousekraam dat hij nu met zijn mannelijke voeten wilde in gruis stampen! +Dat bespookte zijnen kop heel de week lang, maar daarboven lag de kalmte +waarmede hij wachtte naar den Zondag daar hij handelen ging. + +Hij trok naar de vroegmis morgens om Andre niet te ontmoeten en bleef +thuis tot 's noens. + +Hij beval aan Jan den zwarten hengst te wrijven en met veel zorg de +hoeven te blinken. Hij bleef er zelf bij om te zien hoe alles gebeurde +en in orde was; dan ging hij zich met veel zorg aankleeden. Als Vinie na +den noen op 't hof kwam, vond hij Odo in zijn wintersche rijkleeren met +blinkende leerzen, ongeduldig staan spelen met zijne zweep. + +--Ge komt op tijd, kerel! 'k ben gereed! riep hij al van ver. En hij +ging in stal zijn peerd uithalen. + +De eendlijke, zwarte hengst stak den kop in de lucht en sprong met zwaar +gestamp, te vierklauwe in de dagklaarte en zoo gauw richtte hij zich op +de achterpooten, schudderde de lippen, brieschend om los, maar Odo duwde +den schouder tegen de felle borst van het hingstdier en hield met +forsche hand den toom gesloten. Hij dwong het felle beest met eenen ruk +van den arm, stil te blijven; hij bekeek het staal, met kwaden blik +zoodat de wilde oogappels van het peerd schichtig wegkeerden, 't legde +de ooren en 't achterlijf hukte om weer in vervaarlijken slag de pooten +uit te smijten boven den kop. Odo wilde zijne kracht laten zien en +weigerde hulpe van Jan en Vinie die dat bewonderend en bevreesd stonden +aan te zien. + +--'t Is de eerste, keer van den winter dat hij uit stal komt, Vinie, we +zullen plezier hebben vandage! De achterhoeven sloegen herhaaldelijk, +kort lijk bliksem, hooge zoevend en vielen met doffen slag op den grond. +En Odo hield met oogen en handen het hingstdier in bedwang en hij +trappelde medegerukt door den zwaai van dat machtig lijf, maar +binstdien zocht hij naar een gunstigen stand; alsaan moest hij rond met +den eerselenden pootendans tot hij meteens: in een zwaai, met de hand +aan de manen, den teugel losliet hem terug ving in den sprong, en zonder +hulpe van stijgbeugels zat hij, eer 't iemand geraden had, bovenop, vast +in den zadel, zijne voeten hadden reeds stand gevonden als 't zwarte +gedrocht door 't verschot aangezet, weer 't lijf oprichtte, achterwaards +deinzend op twee pooten en zwaaide de twee voorklauwen in de lucht. +Vinie sprong toe maar Odo even kalm, liet zich voorover wegen en dwong +het peerd beneden. Het wendde den kop, speelde met de ooren en zocht met +de pooten een uitweg om van onder den dwang te geraken. + +--'k Ben gereed, Vinie! loech de ruiter, preusch over zijne handigheid, +we kunnen rijden. Hij dwong met de knieen en neep het gebit zoo fel dat +het driftig ros stapvoets naar de poorte danste, nevens het tam +peerdeken van den koopman. + +Ze praatten onder den weg van nieuws en van zaken. Vinie de makelaar, +met zijne losse tong, wist de toedracht te vertellen van al de hoven +waar hij voor zaken ten huize was. Odo beaamde dat met schaarsche +woorden. Zijne gedachten verlangden naar ginder op 't Meulenhof en zijn +makker en telde maar als een voorwensel voor 't bezoek. + +--Als we er maar geen ander liefhebbers aantreffen is 't goed, merkte +Vinie. + +--Dan kunnen we best zien hen een beentje te lichten. + +De kerel was zoo overmoedig als zijn peerd en hij reed met stijven hals +en monkelde van uit zijne hoogte naar de menschen die beneden over den +grond gingen. De kerels en boerenknapen bezagen den vreemden ruiter die +zoo fier zijn jonge knevels wribbelde en ze keken hem na om te weten +waar hij wel mocht naartoe rijden. + +Hij kwam op 't Meulenhof als een ridder uit oude tijden en met eene +kitteling van de sporen, deed hij zijn peerd geweldig steigeren. +Verkamer en de dochters kwamen ijlings buiten kijken en ze loechen +vriendelijk en voldaan naar de welgekomene bezoekers. Odo liet zijn +blinkend peerd bewonderen binst bij er nog op zat en keerde en wendde +het waar hij zijn wilde. Hij loech als Vinie met zijne boodschap voor +den dag kwam: + +--Boer 'k brenge u hier een kerel die wenscht uwen stal te zien en een +veulen wil koopen als ge hebbelijk zijt. + +Maar de boer en had geen oogen genoeg voor den zwarten hengst die +glimmend bleusde van 't loopen en zoo zwierig forsch met de pooten kapte +en hoog den kop droeg en den steert. Hij kwam nader er rond, altijd met +de handen in de broekzakken en keek zonder moe te worden. Hij opende +zelf den stal en hielp het prachtig peerd ontzadelen. Dan noodde hij de +bezoekers naar binnen. + +--Twee boerenkerels zijn juiste vertrokken, merkte hij, 'k wilde hadden +zij uw peerd gezien. + +Vinie zwaaide zijn mispelaren stok en begon zoo seffens zijn gewonen +klap over zaken, lijk hij overal gewend was te doen. Hij wond er veel +zotte spreuken tusschen en wist wat vleiends voor de dochters. + +Anna en Paula waren even vriendelijk en leutig en Odo moest bekennen, nu +hij de twee nevenseen staan zag, dat hij om de dood, d'eene voor +d'andere niet kon verkiezen; hij bleef dol afgunstig van beiden. + +Vinie hield den boer in druk gesprek en daarbinst waren de meisjes bij +den schoonen ruiter en onderhielden zich met halfluide woorden en +lachjes en oogenspel. Hij zag met genoegen dat ze hem om 't even +bewonderden; maar terwijl was hij zelf onder den toover van de lonkende +oogen, de schoone handen, de bleuzende kaken en kriekroode monden. Hij +dacht het niet noodig groote woorden te zoeken of verklaringen te doen, +ze verstonden hem alle twee zoo wel en hij liet zich maar wiegen in +wellust. Hij wist niet aan wie 't beste woord geven of hoe hij 't doen +zou en ze praatten opgewekt en vroegen naar thuis en naar moeder en +zuster, met dubbelzinnige lachedingen daartusschen. + +--Nu gaan we binst dat 't nog klaar is en dag, naar den stal gaan zien, +meende Verkamer. Vinie was al gereed en Odo volgde. Als ze reeds op weg +en buiten waren, zag hij Anna alleen die met lichten voet over 't +messingstroo huppelde. Paula zou in huis blijven en voor eten zorgen, +zegde zij en daarom kwam ze nader bij Odo, toonde hem alles waarin hij +belang stelde, maar onderwijl praatten zij maar door en ze loechen +daarbij en keken elkaar telkens lang in de oogen. + +In den grooten stal stonden de veertien peerden in twee reken te stampen +en te trekken 't hooi uit de rosteelen. De boer overging een voor een en +deed Vinie tasten en bewonderen; hij kroop onder hunnen balg en hief hen +de pooten op, al vertellend al hunne gaven en kostbaarheden. + +Anna leidde Odo al den overkant en ze bleven huns getweeen en spraken +voor hun eigen van heel andere dingen. Ze waren nog altijd aan 't eerste +sliet bij eene gedaagde, baaide merrie in den halfdonkeren stalhoek en +z'en voelden d'een noch d'ander, haast om voort te wandelen. Anna +dreelde de gummende heupe van de merrie en Odo's oogen volgden de klare +vlek van de witte hand aan den ronden poezeligen arm die over en weer +ging. Dan begon hij te dreelen op dezelfde plaats en hij greep met zijne +andere hand heuren arm die naast hem neerhing en hield de woorden in +waaraan hij bezig was om het meisje in de oogen te kijken. Ze monkelde +en greep ook met hare vingers en duwde hem ferm den arm. Dan liet hij +haar los. Hun dingen was gezeid zonder dat ze een woord gesproken +hadden. Hare oogen keken hem vragend aan en in haren blijden blik las +hij hare instemming: eene belofte met niets meer te breken. Dat voldeed +hem en gerustgesteld als na 't afhandelen eener zake, gingen zij +gezamenlijk bij den boer en bij Vinie en spraken nu in 't gemeene van +peerden, Odo schafte verder niet meer bijzonder op het meisje. + +Vandaar gingen zij naar den veulenstal. Odo liet hen binnengaan en +gebaarde nog iets te bezien buiten en zonder ommekijken draaide hij +achter den muur en ging recht naar de keuken. Hij vond er Paula alleen, +de bleuzende met heur bruin golvend haar. Hij trad op haar toe en met +een plotse stoutmoedigheid, zonder aarzelen: + +--Ge zijt mij de schoonste boerendochter van de wereld! en 'k kom u +vragen of ge wilt komen boerinne zijn op den Hoogen Doorn? + +Ze waren er zoo alleen, zoo stil in het keukenhuis en zoo vrij; eer hij +'t goed wist was hij zoo dichte genaderd en zijn arm duwde 't meisje om +de leden en hij trok haar hoofd tegen zijnen schouder. + +--'t Is de eerste keer van mijn leven dat ik een meisje in de armen +krijge, vezelde hij,--dat was zoo gemeend en zoo openhertig en waar +gezegd, dat de dochter, die zich eerst wilde losworstelen, nu gerust +bleef en hem verwonderd aanstaarde, zonder verweer of poging te doen om +los te geraken. + +--En g'en gaat bij alle duivels uit mijne handen niet eer ge mij +belooft.... + +Zijne armen praamden en zijne oogen dwongen om antwoord. Hij zag alleen +heur hoogblozend gelaat en heur oogen die nere doken om niet te moeten +ja zeggen. Dan draaide zij het hoofd weg en achter het venster zagen zij +Anna die naar de deure toekwam. Met een blik van overeenkomst lieten zij +malkander los en stonden kalm en lachend te midden den vloer. + +--z'En krijgen niet gedaan met de peerden! merkte Anna. + +--Laat hen maar doen, we zijn hier goed met ons drieen, merkte de kerel. +Nu begonnen ze ongedwongen te kouten over de vele bezoekers op 't +Meulenhof en Odo zocht hen beiden evenzeer te plagen en te doen lachen. +Hij was zelve voldaan over zijne geestigheden en omdat alles best naar +zijnen zin uitviel. Door de vallende deemstering zag hij niets dan de +twee lachende wezens aanhoudend naar hem toe gekeerd en als Vinie met +Verkamer binnenkwam, wist Odo zichzelf niet te zeggen: welke van de twee +dochters hij eigenlijk gevrijd had. + +Binst het avondeten duurde de gulle leute voort en ze bleven in druk +gesprek ondereen. Vinie zag wel dat 't onnoodig was nog van peerdenkoop +of van veulens te gewagen en hij vroeg met een oogknipje: of de zaken +klaar waren? dat 't tijd was naar huis te rijden. + +--Ja, kerel, we gaan uitzetten, anders wordt het laat. + +In den stal kreeg hij den boer alleen en trok hem bij de mouw en vroeg +onbeschroomd: + +--Zeg, Verkamer, g'en zult uwe dochters niet uitleveren zonder mij 't +eerste woord te geven? + +--Voor u, lijk voor een ander, loech de boer, de meissens loopen daar +vrij, kunt gij ze krijgen ge neemt ze mee! + +--Goed, 'k kome u kortelings nieuws brengen. + +Odo haalde zijnen hengst buiten en met lichten zwaai zat hij +scherrelings ten dorse. + +--Moet ik ze allebei beschikbaar houden? vroeg Verkamer nog, opzettelijk +luide om door die dubbelzinnigheid den veekoopman te misleiden. + +--Allebei! gebood hij met een krachtigen hoofdknik en de kerel sloeg de +sporen in 't peerd zijne lanken en deed het in vervaarlijken drift +opwaards schieten; wippend neer sloegen de achterhoeven en weer omhoog +klauwend in wreede smete. Odo wiegde mee in heusche zwenking als op een +gemakkelijke wippe en hij loech naar den boer. + +--Kom, Vinie, we zijn weg, en houdend dat de teugels kraakten om zijn +peerd te bedwingen, wierp hij een handgroet naar de dochters die +nevenseen onder malkaars armen, 't spel van den schoonen ruiter stonden +na te zien. Hij merkte hoe ze hem beiden met 't zelfde inzicht om ter +vriendelijkst den groet weerjeunden. Vinie praatte zijne bewondering uit +over Verkamers peerden, maar Odo liet hem gaan, zijne gedachten bleven +in de boerenkeuken, en hij loech inwendig, nu 't een gedane zake was: +daar Andre en al de boeren -en burgemeesterszonen van heel de wereld, +buiten spel gezet waren en hij zelf, op een halven dag tijd, meester en +baas bleef en de twee prachtdeernen gewonnen had. Hij was tevreden over +zijn optreden en vond dat hij kort maar goed spel had gespeeld. Zijne +eigene woorden was hij aan 't overleggen en al de genoeglijkheid van den +avond en zijne oogen waren in de verte gericht daar de mane als een +versleten ding aan 't varen was in 't reine wintergeluchte. De weg was +onbedacht ingekort zoodat ze al door 't bosselken reden waar de wind +tusschen de ronkruttelende boomkes joeg en kwam bijten tegen 't wezen +van de ruiters. En zij wiebelden voort op den rug van hun slapdravende +peerden. Dan, meteen stronkelde Vinie's schimmel en viel met korten +slag, den kop stuikend op den grond en Vinie wat verder. En ter zelfder +tijd voelde Odo in 't verschot twee sterke handen die zijn been grepen +zoodat hij bijna uit den zadel keerde. Onderwijl zag hij eenen kerel +Vinie bespringen--maar daarbinst was hij 't verschot te boven en hij gaf +zijn eigenen aanvaller een striemenden slag met de rijzweep in 't +gezicht en zonder overleg, sloegen zijne hielen de sporen in 't peerd +dat wipte in grooten sprong vooruit en los uit de handen der aanvallers. +Daar hoorde hij Vinie kermen onder 't geweld van de slagen die hij +kreeg. De razernije welde toen in Odo op en hij kwam nu eerst tot +bezinning van 't geen er gebeurende was. + +--'t Zijn jaloerschaards! jongens van 't dorp, die ons willen kwaad +uitgeleid doen! + +In een wrong keerde hij zijn peerd, hij riep een duchtigen "Ho!" en was +al beneden. Hij greep en tastte en sloeg naar de zwarte mannen en zonder +zijn peerd los te laten, sleurde en gooide hij blindelings met de eene +vrije hand, dat 't al scheurde en kraakte waar hij aankwam. In de hitte +van 't gevecht voelde hij iets schribbelen in den hals, maar gaf er in +de hitsige drift geen acht op en door de vliemende pijne stampte en +sloeg hij al woedender. z'Hadden hem ruggelings besprongen en nu hij +zich omsnapte om met slaande hand zijn kerel te betalen, waren ze al weg +en zijn razende gramschap moest hij uitvechten in de ijdele lucht. Vinie +kwam recht nevens zijn peerdeken dat hij ophielp. + +--Ze zijn ontsnapt! riep Odo, ze zijn weg, verdoeme! en zijne gramte +wierp hij nu op Vinie omdat de aanranders er zoo goed van af waren. + +--Waarom liet ge u slaan, laffe kerel?! Ge ligt daar op den grond als +een weerloos kalf en gij laat ze booten op uwen rug! + +Vinie raasde binnensmonds en hield de handen aan de vermorzelde leden. + +--Smerig boerenvolk! schold hij, met al hun vrouwengetrek, dat ze nog +wisten wien ze vermoorden! hadt gij er maar wat meer van gekregen! Wat +heb ik daarin te zien? + +Odo stond te lachen met den armen kerel en toen eerst voelde hij die +vochtigheid en warmte in den hals en de hand waarmede hij tastte zag hij +klaar bloed. Hij grolde zijne woede uit en zijne onmacht. + +--'k Ben gesteken! Als ik maar wist wie 't gedaan heeft! Maar weten zal +ik en de snotbek zal het bekoopen! Van den avond nog moeten ze 't +boeten, van den avond! + +Hij tierde zijne woorden luide uit in de lucht en hij stampte op den +grond en snokte nijdig zijn peerd dat achteruit trappelde. + +--Van den avond moet ik weten wie mij gesteken heeft. We zullen zien wie +er den boer van den Hoogen Doorn durft te keere gaan! + +Hij vloekte, raasde en miek groot misbaar met de armen en snokte zijn +ongedurigen hengst. + +Maar al dat gerucht bleef tusschen de boomkes weergalmen. De mane hing +daar wreed en onverschillig en de droge takken ruttelden bij trekken als +er de wind deure joeg. De sneeuwmijzel viel uit de kruinen. + +Dat bleef lijden zonder dat er ievers entwat levends verroerde en +eindelijk zagen zij alle twee dat hier niets te verrichten viel. Odo +bond den zakdoek rond zijnen hals en hielp Vinie op zijn peerdeken. Ze +vonden dan de koorde waarover zij gestruikeld hadden en ze besloten +voorzichtig te rijden. + +--We zullen ze pakken als we ze krijgen! gromde Vinie en hij hield 't +ander binnensmonds, woedend dat hij was om de slagen op zijn lijf en +dat hij betrokken werd in die domme historie waaraan hij geen schuld en +had. + +--Die ezels, ze nemen mij nu nog voor een jongen vrijer! riep hij om +zijn spijt te luchten, doch inwendig blij aan 't gevaar ontsnapt te +zijn. + +Maar Odo was niet te bedaren. + +--Ik zal ze vinden, de rakkers! en hij neep de vuisten en zocht rond +achter de bane om iets te ontwaren waarop hij zijn gramte kon uitwerken. +Op 't dorp gingen ze al de herbergen af; ze dronken hun bier met haaste +uit en bekeken er de menschen die bij tafel of aan den disch zaten. + +--En nu naar "den Hert" meende Odo, daar gaan we ons verschot afspoelen. +Zij sprongen af, en: + +--Baas, bind ons peerden in de poorte en geef ons bier, beval hij kort. +Een bende boerenzoons waren aan 't kegelspel en Andre Van Marcke zat, +volgens gewoonte, in zijne eenigheid te rooken, met den elleboog geleund +op 't roedeijzer van de stoof. + +Ze bekeken benieuwd Vinie die mankte en Odo Verschaeve, purper in 't +wezen, met schuim tusschen de lippen en al bloed aan den hals die +verbonden was. + +Hij dronk zijn glas in een teug ledig en sloeg het te bersten tegen den +disch. Noch niemand had een woord gesproken, maar de spelers keken toe, +om te weten wat er gebeurd was. Toen zag Odo naar den hoek waar Andre +zat en op denzelfden stond sprong het los in hem als eene uitzinnige +woede: hij sloeg met de vuist op tafel dat de glazen rinkelden en 't +dreunde met zijn felste stem: + +--Ezels zijt ge allemaal, vervaarde strooventen, zeekers van ver! ze +slaan ons dood langs den weg; maar we zullen zien wie er den boer van +den Doorn durft aanpakken! Wie er zal piepen? Wie heeft er met mij te +doen? met messen of zonder? Hij wond zijne woede op omdat zijne woorden +geen weerklank en vonden en de omstanders hem met vervaarde gezichten +aanstaarden, verpaft door dien plotsen uitval. Hij gooide den baas, die +hem wilde inhouden, tenden over den vloer en dat werd 't begin van den +aanval. + +--En gij, trunterik, durft gij nu nog den mond roeren van 't Meulenhof? +ik verpletter u! + +Hij sprong met gelokene vuisten naar Andre. Op dien eigensten stond wist +hij zijn doen uitzinnig; hij zocht naar tegenstand om zijne woede eene +reden te geven, maar 't bleef allemaal stil en zijne woorden kregen een +valschen klank door de herberg--maar omdat 't spel begonnen was wilde +hij voortdoen en dien kerel daar haatte hij en nu liever dan later, +moest er een gevecht van komen. + +--Mijn meissens zijn 't! de mijne, en allebei, en steekt er de handen +aan, durft ge! + +Andre zat bleek van 't verschot en nu nog maar seffens, raadde hij +waarop zijn dronken makker doelde, zonder alevenwel te weten wat er +gebeurd was. Hij wilde Odo sussen, trachtte hem te overhalen om samen +naar huis te gaan. Maar de andere brieschte al luider: + +--De mijne alle twee! Zijne vuisten dreigden en hij greep naar al wat +onder zijne handen kwam. Hij wilde woorden vinden die kwetsten en tergen +zouden, om alzoo eenen kamper te vinden die zich tegen hem stellen zou. + +--En uwe zuster, schreeuwde hij Andre in 't wezen, uwe zuster, ik lache +met uwe zuster, bindt ze bij 't werkvolk om te.... + +Andre's gelokene vuist zwaaide kort en viel den lasteraar in 't wezen, +zoodat de leelijkheid die hij ging uitbraken hem in de kele bleef. +Daarop ontstond eene schorming van armen en lijven; al de boeren schoten +toe, maar in een wenk lag Odo overmand ten gronde en met drie, vier +sleepten zij den dronken ruziemaker naar buiten. De deur sloot hem op +straat en daar zag hij de dorpelingen die te luisteren en te kijken +stonden. Hij werd beschaamd en voelde zich tegenover de nieuwsgierigen +weer de deftige, hooghartige boer. Statig ontbond hij zijn peerd en reed +weg. Al wat er woelde hield hij gesloten van binnen, hij verbeet zijne +gramschap tusschen de krakende tanden. Bij zichzelf was en bleef hij de +sterke overwinnaar die gedurfd had. Ze beefden allen rond hem en niemand +durfde komen zijne macht meten. Nog een ding nu moest er van zijn herte +en daar wilde hij vanavond ook mee effen komen, dan was alles klaar en +in orde: thuis ging hij bekend maken wat hij in den zin had! + +Hij gaf zijn peerd aan Jan en kwam haastig naar de keuken waar het +licht nog gloeide achter de gordijnen door de vensters. + +--Waar is moeder? vroeg hij. + +--Naar bedde, Odo. Wat scheelt er? en Julie bekeek heur broer verschrikt +van zijn kwade oogen en opgewondene beweging. Wat scheelt er? moet gij +moeder hebben? + +--Neen, 'k zal 't haar morgen zeggen. + +Hij dook de wonde en 't bloed onder zijn overgeslagenen vestekraag en +trok, zonder zijne leerzen uit de trekken, naar boven. + +De woede viel allengs en de trotsche tevredenheid was alles wat er over +bleef van 't geen gebeurd was. En als dat stormig tooneel weer voor zijn +gedacht gedanst kwam, stond de geweldige koppigheid vast om 't +voorgenomene des te zekerder uit te voeren. Hoe meer moeilijkheden hoe +liever. De twee prachtige meissens waren nu wat op den achtergrond, als +onverschillige bijzaak--meissens lijk veel andere die hem onverschillig +waren, maar 't voorwendsel en de oorzaak bleven zij van 't losgekomen +geweld dat in hem veel te lange geslapen had. Zijn eendlijk lijf en +zijne macht wilde hij lucht geven en iets doen dat verboden was: een +buitensporigheid, waarmede hij zich uitgeven zou als de zoon van zijn +vader, boer op den Hoogen Doorn! Zijn eigene dwaasheid wilde hij niet +inzien: hij wilde enkel die dwaasheid! Tegen de pijne van moeder en heur +gejank moest hij op voorbaat harden, want daar moest hij over heen. +Niets en kende hij nog van den vriendelijken omgang met zijnen makker en +de minninge met diens zuster, dat moest allemaal kapot. Hij stond +alleen, sterk in zijn voornemen en door 't donkere van zijn kamer, +herkende hij zichzelf in den ouden boer, vader Verschaeve en deze knikte +met straffen hals en de lippen gesloten, goedkeurend om 't geen zijn +zoon doende was. + +Hij lag lange wakker nog en hij zag beeldelijk over de werf d'eene of +d'andere deerne van 't Meulenhof als boerinne op den Hoogen Doorn +rondloopen, terwijl hij zelf de plannen miek voor den bouw en bevelen +gaf aan veel werkvolk--bezig aan 't optrekken van een nieuwen stal, eene +groote schaapskooi, en een splinternieuw woonhuis. Want al het geld lag +te grijpen en hij wilde van den Hoogen Doorn iets maken wat het +voortijds eens was: een overgroot kasteel, omsloten door wallen, met +kudden hoornvee en peerden ontelbaar, en hij de eenige meester daarover, +de sterkste boer van de streek, met de schoonste vrouw van 't land en +veel volk onder zijn gebied en veel boeren die hij haten en teisteren +zou. + +Hij voelde en voorzag reeds al de deugd, als zijn voornemen zou stooten +tegen pastor en burgemeester, als de oorlog zou beginnen. + +Dan vroeg hij zichzelf: wat die twee boerendochters, Anna en Paula van +hem zouden denken, eens dat ze aan elkaar zouden vertellen 't geen hij +hun had wijs gemaakt!? Verder overlegde hij: hoe het aan te leggen om +hen alle twee te nemen, of tenminste te beletten dat de tweede in +iemands bezit kwam. + +Moeder Verschaeve wist maar 's anderen daags dat de vrede tusschen den +Hoogen Doorn en Berkenhof, de verzoening die ze van Verschaeve met +Vermeulen op hun sterfbedde bekomen had, dat 't werk van heel heur +leven, vernietigd was. De oude haat bleek eene noodzaak die, met zooveel +zorg gedempt, na zooveel jaren onvoorziens weer uitschoot en sterker dan +ooit, voorgoed zoo herbeginnen. + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Dagen, by Stijn Streuvels + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN *** + +***** This file should be named 17539.txt or 17539.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17539/ + +Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
