summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/17539.txt
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:21 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:51:21 -0700
commit5031934c6fcddefef93cc84f763d9514efc43a66 (patch)
treebccd27cfe113716ea7925bd57671f93f5b1c83da /17539.txt
initial commit of ebook 17539HEADmain
Diffstat (limited to '17539.txt')
-rw-r--r--17539.txt5879
1 files changed, 5879 insertions, 0 deletions
diff --git a/17539.txt b/17539.txt
new file mode 100644
index 0000000..e41fc06
--- /dev/null
+++ b/17539.txt
@@ -0,0 +1,5879 @@
+The Project Gutenberg EBook of Dagen, by Stijn Streuvels
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Dagen
+
+Author: Stijn Streuvels
+
+Release Date: January 23, 2006 [EBook #17539]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+DAGEN
+
+door
+
+STIJN STREUVELS
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+De kalfkoe
+Naar buiten
+Sint-Jan
+Sint-Josef
+Vrede
+Verovering
+
+
+ * * * * *
+
+
+DE KALFKOE
+
+
+De schoone, lange zomerdagen waren uit. De laatste sloepten trage naar
+hun stille dood en dan hingen er alleen nog wat wasems mist in vroege
+en late deemstering over 't land. De kranke zon kwam met den noen even
+bovenpiepen, schreef een rondekring, een steenworp hooge maar, door de
+lucht om varings weer weg te vallen onder d'eerde.
+
+De regen zweepte en mijzelde gedurig, de wegen werden morsig en
+onbegaanbaar en overal stonden de groene meerselkes overwaterd en de
+wilgen daarin half versmoord en moedernaakt. Dan plots steeg ommelands
+de zwartigheid overal op en heerschte de oneindige nacht en de dood.
+De landlieden en herkenden hunne wegen niet meer, zij bleven nu diepe in
+hunne huizen zonder iemand te zien, met een flauw besef: of er bij den
+verren buurman nog iemand leefde. De daken dekten zwart en zwaar de
+leemen wanden en doken achter dichtgeslotene deuren en vensters, het
+schrale pinkje licht en 't warmend koolken vuur. De vijzelende koude
+wilde overal binnen en de groote nacht gaf geen hope van uitkomst of
+van nakende helderheid; de zonne was nu dood, voorgoed.
+
+Doka lag wel en warm onder hare dekens alleen in den diepen polk achter
+'t berdelen beschot op de vaute en ze dacht: hoe gelukkig de menschen
+die een goed bedde hebben en dekens als 't buiten onbermhertig wintert.
+Er waarde in heur hoofd een konkelfoezige wereld van oude zomerdroomen
+uit den goeden tijd van uitgaande gouden dagen, met de warmte van den
+laten avond in de lucht, zonder ziekelijkheid en pijn van stijve leden
+of kwellende verkoudheid en lastigen asemgang, in de blijde
+angstkrasseling van het rijke zamelwerk der late vruchten op 't veld en
+al 't genoegelijke van 't gewonnen goed daarbij om lange van te leven in
+den dooden tijd. Maar daar keek almedeen de koe, de groote, witte koe te
+midden in dien droomwinkel en een angstgevoel dreef al die goede warmte
+weg, zoodat Doka wakker en in de droevige werkelijkheid van haar oud,
+arm lijf, weer terecht kwam. Heur herte klopte om de benieuwdheid van
+eene langverwachte uitkomst met de duidelijkheid nu in die donkerte om
+haar, van den winter en den langen tijd sedert al die goede zomerdingen,
+die ze even in het droombedrog nog loopend en bestaande dacht.
+
+Ghielen zat daar eenig in den stal, koude te lijden, de oude, karbintige
+Ghielen! Wie had er ook gemeend dat het zoo jammerlijk vreemd met die
+koe zou afloopen? In de eerste maanden van de dracht was 't een gerust
+en gestadig aftellen van den tijd, met goede verwachting van een gezond
+kalf, een zekere uitkomst die op den gestelden dag zou gebeuren, zoo
+zeker als de zonne die 's morgens rijst en zonder falen 's avonds
+ondergaat. Maar die tijd was nu lang voorbij--negen trage maanden
+wachten en die langverbeide dag was een leepe teleurstelling geweest en
+de dagen daarna een wrevel die overging, hoe langer hoe meer, in
+angstverwachting omdat het achterstallig kalf niet kwam. Daarna waren de
+dagen gekeerd, en godweet hoeveel weken daarbij, zonder verandering,
+altijd met die belofte, maar zonder uitkomst en met steigende
+bejaagdheid en zotte verbazing verliep de tijd nu verder, onmeedoogend
+en de koe bleef daar roerloos, onveranderlijk, als een betooverd wonder,
+met 't kalf in heur dikspannenden balg, zoo dat men 't tasten kon. Elken
+nieuwen dag groeide in ongeduld en nu dat zoo lange leed, gedeeg het
+ongeduld tot gestadige spijt die teisterde als een gedurige wroeging,
+met de onzekere hoop toch van een voordeeligen uitval.
+
+--Wie weet was 't van den nacht niet gebeurd?! en hoe warm Doka daar
+lag, ze had willen in Ghielens plaats bij de koe in den stal zijn.
+Misschien was de koe in nood en Ghielen in slape! en die ingebeelde
+gebeurtenis plaagde de oude vrouw nu met angst en met vleienden troost
+in den dikken nacht die alle leven en geruchte besloten hield.
+
+Met eene beweging van hare handen voelde Doka ineens al het leed van
+haar oud lijf en de stremheid door 't lange liggen; heur asem begon te
+piepen en te trekken door haar droge keel in lastig reutelen. Ze rechtte
+zich haastig op, zat met de kin over de opgetrokken knieen, de handen om
+de schenen genepen en dan barst het uit in hoesten, scheurend bij vlagen
+en snikkend, zoo droog en schor dat heel haar lijf doorruttelde en
+beefde om te bersten. Zij wachtte halend om den asemgang die achterwege
+bleef, diep met iets in de keel dat kittelde er niet schuiven wilde;--ze
+stootte daaraan en kuchte en bleef hijgend met luid meumelend zuchten,
+afgejaagd als iemand in stervensnood.
+
+De zwarte nacht hing vol de kamer en niets of geen geruchte buiten van
+komenden dag of leven. Daar voelde het wijf de koude langs haren rug
+neervallen en den top van haren neus betintelen. Dan wierp ze 't deksel
+af en tord uit het warm bed in de koude. Hare handen zochten tastend
+naar kleeren en haastig band en vestte zij rokken en lijven aan en
+stroopte wollene kousen om hare beenen die bibberden. Donkerling, bij
+den tast strompelde zij achterwaards de vautesteiger af; zij zocht daar
+beneden om kloefen en klopte voort over den vloer naar de plaats waar ze
+wist het vuurslag te vinden. Onzeker tikte de kei, nog eens en de
+sparken sprongen lichtend op den baanst; daar ving het vuur dat zij
+aanblies met haar piepasem en welhaast lonkte het lampwiekje,
+nieuwgeboren schemerend in de koud-ijle nachtkeuken. De dingen stonden
+er zwaar, vast herkennelijk in gewonen stand en doening, even als
+gisteren en voor langen tijd.
+
+Doka heur hoofd subbelde onder 't lampken dat aan den zolderbalk nog
+wiegelde en ze steunde nu met de magere armen heur oud lijf op de tafel
+om den asem die altijd lastig boven kwam. Achterna voelde zij zich in
+gang komen stillekes beter en veerdig om voort te doen. Ze ontstak de
+lanteern, bond een dikken neusdoek om het hoofd en ze ging de zware
+grendels openschuiven aan de deur. De klink flikte en de hengsels
+kriepten. Een gruwelijk koude tocht stroomde door d' opening binnen.
+Doka boog het hoofd, stak hare hand onder den borstdoek en neep in
+d'andere de lanteernhaak en als de deur achter haar was toegevallen,
+subbelde zij voort in 't donker. Heere-God, de felle wintervorst had
+weer al de waterzabbering bekorst en bevroren! Het wijf heur eerzelende
+voeten stonden onvast op het glibberig plankier en ze doezelde
+waaghoudend met de handen op goed geluk voort, voetje voor voetje
+schorend en slepend langs den muur. Ze vocht om een geweldige hoestbui
+in te houden, bleef wat staan tot het beterde en dan weer voort, naar
+den koestal. Eer de klink te lichten dubde zij nog met de verwachting
+van het voorval,--ze luisterde een wijle, maar 't bleef daar binnen al
+zoo doodstil dat ze 't maar weer opgaf en grimmig de deur openwroette.
+Ze hief zoo gauw haar licht in de hoogte dat een schemering rondwierp in
+den warmen smoordamp en wat verkraakte stroopijlen en een glimmende
+slietrand te zien lieten,--achter de witte ruglijn van de liggende koe
+bleef het al donker en gedoken.
+
+Belle draaide gedoezig den goeden kop, sloeg met den steert en blies
+luide den warmen adem uit de neusgaten. Doka tord dieper en liet de
+lanteern zinken om Ghielen te vinden. 't Schemerde entwat in den ledigen
+sliet; de man lag als een vormelooze, zwarte fakel, zijne oude muts hing
+over de schouders voorwaards tusschen de opgetrokken knieen en de armen
+daarrond gekruist; Ghielen lag lijk lange dood en zonder hoofd
+ineengezonken, moe van waken bij dat groot achterlijf van de koe dat wit
+vlekte nu met den steert die rustig rondkwispelde. Ghielen zijn mutse
+hief. Hij roerde wat aan zijne beenen en rechtte het hoofd als Doka weer
+begon te hoesten en uit zijn kleine zwartstriepte pinkers zag hij haar
+staan schudderen met de lanteern die ging uit hare handen vallen. Maar
+in zijn eerste gewaarworden lonkte hij over den schouder naar den
+witten hoop nevens zich en als het daar allemaal nog was zooals gister,
+kreeg hij goeste om stil in zijnen polk te blijven liggen en voort te
+soezen. Daar kwam ook eene hoestbui in zijne keel kittelen; hij rekte
+den mond open en bij elken ademsnok kwam zijne tong naar buiten in een
+goleken opgedraaid en snorkte weer binnen;--zijn rug schudde en zijne
+handen tastten onduidelijk rond om hulpe. De tranen rolden hem over de
+wangen en de slijmdraden sponnen uit zijnen mond en leekten over zijne
+oude broekspijpen.
+
+Doka had de lanteern ievers aan de balke gehangen en zij ook stond nu te
+midden den stal met de handen op de knieen gestopen, te hoesten. De koe
+met den kop gedoken in den donker van 't sliet, meumelde stil en steende
+en ze sloeg harder met den steert tegen den houten weeg.
+
+Ghielen en Doka hoestten en kuchten en braakscheurden om te meer naar
+hun asem die trage opreutelde, en ze bliezen en haalden om die
+belemmering weg te krijgen, stootten en spouwden het rekspeeksel dat uit
+hunne opene lippen met de tranen uit hunne leepe oogen neerdrupte. Als
+hij bekomen was klaverde Ghielen moeilijk recht op de beenen, zuchtte en
+ging met de lanteern lichten bij de koe, omhoog, rechts en links; hij
+betastte ze in de lanken, dreelde haar over de ruggegraat en hing de
+lanteern weer aan den haak. Hij grommelde binnensmonds en geeuwde en
+trappelde rond wankelwillig en drentelend terbinst Doka het stroo
+effenschudde en zich neerliet in den polk dien Ghielen gewarmd had. Ze
+knoterden nog wat ondereen zonder dat ze malkanders woorden verstonden;
+Doka was reeds luide aan 't snorken en Ghielen blies de lanteern uit en
+tastte naar de deur en vertrok in 't donker.
+
+Doka's asemhalen verflauwde, de koe blies gezapig de lucht door de
+neusgaten en lag rustig te herkauwen.
+
+Ghielen was strompelend in huis gerocht, grendelde zorgelijk de deur
+weer toe en kroop op de vaute in 't warm bedde waar zijn wijf gelegen
+had.
+
+Hier was 't een zaligheid voor zijne leden die stijf en strem waren van
+zitten in den stal. Hij draaide en keerde van welligheid onder 't
+deksel, trok de muts dieper over de ooren, en zijn hoofd in den polk,
+knufte twee, drie keers en zuchtte om de deugd. Buiten was 't zoo koud,
+maar hier werd heel de wereld vergeten. Spijtig was hij toch wel om Doka
+die nu alleen in den stal moest zitten. Dat was vervelend met die koe,
+dat waken al weken lang en loopen bij nachte van huis naar den stal,...
+dat ze dan nog kalfde al 't andere ware niets en gewone werk. Wat was
+het al lang dat ze samen niet waren slapen gegaan! Hij mijmerde nog wat
+op de doening rond en daar kwamen veel dingen tegelijk in zijnen kop en
+rond hem in de kamer staan, maar dat vervaagde allengs, alles liep
+uiteen, zijn adem ging rustig en overal nu was de lange nacht weer
+herbegonnen met een geruste zekerheid van ongestoorden slaap. De koe, de
+koe alleen waarde nog rond door zijne gedachten: ze stond daar, even een
+vreemde onnatuurlijkheid, groot gedrochtelijk, onwetend van heur eigen,
+koppige geslotenheid. En Ghielen zag zichzelf daarbij met Doka als twee
+magere, houtene sukkelaars, te wachten lijk zot naar een ding dat niet
+bestond.
+
+Ze zal wel betooverd zijn, dacht Ghielen, en hij zocht toveral naar
+redens: of er iemand in den stal was gekomen die een kwade hand kon
+leggen. Daarom hadden zij in 't stille, gewijde palm boven de deur
+gestoken en een Antonius-koek in 't sliet gehangen, wasdruppels van
+gewijde keers in de koe heur drinken laten leken en dan met nieuwe hoop
+gewacht in gelatene berusting. Honderd keeren daags waren zij in den
+duik gaan kijken, beurtelings of samen om te zien naar verandering. Ze
+spraken met welgevallen over 't verdikken van den uier en 't opengaan
+der heupbeenderen, maar bij hun eigen geloofden zij toch niet wat ze
+zegden.
+
+'t Kalf kwam niet en de witte, schoone, atige veerze stond daar
+welgedaan te muffelen, gezapig den langen dag door of lag en keerde den
+kop en beurelde lankmoedig. De witte veerze, de schoonste van de streek,
+waar Ghielen zoo fier op was, de schoone, schoone koe stond daar vol,
+met wijd gespannen balg, maar ze wilde niet kalven.
+
+In zijnen droom liep de boer een tijd vooruit: den langen winter beulden
+zij elken nacht wakend zonder uitkomst met vrees voor dien betooverden
+stal, daarin de koe staan bleef als een steenen wanbeeld, met dat
+levenloos kalf dat ze niet ontbinden wilde, in haar lijf. Overal zocht
+Ghielen naar middelen om van dien kwaden last ontdaan te geraken, hoe
+'t beest kwijt en uit den stal gesleept.--Verkoopen! Een volle koe
+verkoopen, een drachtige koe! dat ging eerst als een onuitdenkbare
+onmogelijkheid door zijnen kop en daarna liep zijne bewustheid als water
+uiteen en hij droomde van heel andere dingen. Later verwonderde het hem
+zijn vader en Klette, die al lang dood waren, op 't hof te zien komen en
+rondloopen bij de koe die nu kalvend was. Zij hielpen trekken en daar
+kwam een wit veerzekalf ter wereld, maar achter een tijd zagen zij dat
+'t beestje dubbel gelet was en twee koppen kreeg en vier pooten en oogen
+lijk theeketels, zoo vereend dat Ghielen van den schrik wakker werd. Hij
+zag nog altijd zijne overgrootouders en veel andere vernukkelde mannekes
+en wijvekes, oud, gebocheld en krom katijvig, opgekrompen in de
+sneeuwkoude staan lachen om dat zonderling kalf.
+
+Hij werd er heel aardig van en ontsteld, maar zijn droge keel begon te
+kittelen en hij hoestte en al de schrompelige, oude mannekes uit zijnen
+droom zag hij op de vaute nu, gestopen, met schuddend hoofd, de handen
+op de knieen, vervaarlijk te hoesten, te kikkeren dat 't water hen uit
+de oogen liep, en zij zochten rond over den vloer naar den asem dien zij
+verloren hadden. Het reutelde en steenpiepte uit hunne verstopte, oude
+asempijpen dat hun mager ribbenkot erbij schudde en dreigde uiteen te
+splijten. Door zijne betraande oogen keek Ghielen verweerd in de
+duisternis, veegde 't kwijl van zijnen mond en kroop dan uit het bed om
+ontdaan te zijn van die kwelspoken.
+
+--Alzoo zal dat ne keer het laatste zijn, dacht hij; 'k zal in zoo'n
+hoestbui eens blijven steken; moest mijn asem voorgoed achterwege
+blijven 't ware gedaan en Doka, die ginder in den stal zit, zou er niets
+van weten. Binst hij zijne kleeren zocht en aantrok, kraaide de haan op
+den kiekenpolder en dat ging als de schreeuw van den verlaten eenling
+op een onbewoonde landstreek. Die haan was heel oud, half blind en
+sufachtig en omdat hij nu overlang geslapen had, meende hij toch te
+moeten kraaien al bleef het rond hem altijd even donker, en hij merkte
+wel ievers misschien een kriemelken klaarte.
+
+Doch Ghielen niet en hij meende nu nog blinder te zijn dan de oude haan.
+Hij grommelde zijne misnoegdheid uit om al die oude dingen die heel
+anders en beter waren vroeger,--de winter vooral was nooit zoo domlang
+en koud, en de angsthoop van dat kalf deed hem weer den komenden dag
+eeuwig lang en verdrietig schijnen. Hij doezelde van de vaute, sloeg
+vuur in de keuken en keek rond of alles in orde was. Dan knielde hij bij
+den heerd en groffelde en rakelde met de ijzeren poke de heerdziele open
+en lei nieuwe lemen en kaf op 't vuur dat traagaan in dunne kuilkes
+begon op te rooken. Hij kuchte, kneuzelde en trappelde rond op de
+kloefen in de eenige keuken, knoterde onverstaanbare dingen tusschen
+zijne dunne lippen die gedurig overeen knabbelden. Hij zette zich
+eindelijk dobbeltoe voor eenen stoel en begon stil zijn morgend-devotie,
+in eene meumeling van onsamenhangende Onze-Vaders; want de koe en heel
+dien kalvergang zat alweer, even een razende bezetenheid in zijnen zin.
+Hij herdacht weer heel dien droom en dat "verkoopen" kwam hem nu niet
+zot voor maar als een stellig middel van verlossing, zoodat hij het
+ernstig meende nu en besloten was als na lange overpeinzing.
+
+Zie 't was juist Zondag, 't wilde hem mee en na de mis kon hij Vinie de
+koeiplote, zien te spreken; dan was de zaak zoo seffens al in gang, maar
+Doka moest eerst haar gedacht zeggen.
+
+Hij miek een eindekruis aan zijne gebeden want nu ging het toch niet om
+gemeenstig Ons-Heere te bidden in die bestorming waarmede zijne zinnen
+jaagden.
+
+'t Vuurke vunsde al helder op en de theeketel zong in langen piepvoois
+als Doka de voordeur openstak. 't Oud mensch was heel toegeduffeld in
+doeken en half vervroren hield ze de magere knookhanden ineen en 't lijf
+opgekrompen; ze schormde zeere bij den heerd om warmte te vinden,
+Ghielen keek naar heur op om nieuws te vragen lijk elken morgen.
+
+--Dag, Doka; nog niets?
+
+--Nog niet, Ghielen.
+
+En ze legde de handen open op den buik van den warmen ketel en kroop nog
+dichterbij het vuur.
+
+--'k Heb daar gepeinsd in bedde, Doka, dat 't best ware als we de koe
+maar verkochten ... als ze toch niet kalven wil. En hij bleef half
+bevreesd om 't uitwerksel van zijn zeggen.
+
+--Verkochten? herhaalde Doka, zoo toonloos dof en verstrooid en zij
+scheen diep te overwegen en tijd te vragen eer heur gedacht uit te
+spreken.
+
+--Verkochten? Verkochten? zei ze nog.
+
+--Ja, 'k kan vandage Vinie zien na de mis en 'k zal hem zeggen dat we
+een volle veerze willen kwijt zijn ... dat 't eten schaarsch is, of
+zoo....
+
+--En moet dat nu zoo seffens en al ineens zijn! en als ze morgen of te
+naaste weke kalft?
+
+- Morgen of te naaste weke, hertinselde Ghielen wat bitsig, maar dan
+kalft ze wel, mij verveelt dat wachten ... en als ze niet kalft en heel
+den winter als een droge ratte blijft op stal staan, en den zomer
+daarbij?...
+
+Hij verslikte aan de opgewondene haast waarin hij opliep en ze gingen
+beiden geweldig aan 't hoesten. Als 't over was werd Doka heel heesch
+zoodat Ghielen haar moeilijk verstond; ze zegde in der haast eene reek
+zonder dat ze 't zelf aaneen kon brengen; op 't einde vatte hij toch dat
+ze den ouden voois aan 't zagen was en weer beweren wilde: dat Ghielen
+eene maand gemist was in zijne rekening. Daarom wierd hij boos.
+
+--Maar, Doka, hoe kunt ge toch alzoo zijn? te bamisse was 't negen
+maanden dat we Belle geleid hebben; 't staat geteekend op den deurlijs
+en in den stal--vraag het aan den knecht te Vramme's--en nu zijn we al
+een manesching bijkans, overstier.
+
+--Ja maar, neuzelde Doka weer, we zijn, we worden oud en onze zinnen
+staan niet meer zoo vaat; mijne oogen ... mijne handen zijn niet meer
+lijk overtijd....
+
+Zoo knuffelden zij en knoterden zagewijs voort over en weer zonder einde
+of bescheid; ze hoestten daartusschen als zij den asem kwijt gerochten
+en wachtten weer om van nieuw te herbeginnen. Al dat geraas klonk zoo
+vreemd nuchter, zoo vroeg, ontijdig lijk bij nachte als alleman slaapt,
+in die levenlooze, naakte keuken. Daarbinst wrochten en poenderden zij
+voort aan de koffie, en aan 't effen- en klaarzetten in de keuken; zij
+liepen gebogen, wandelend over den vloer in kleine, pettutige stapjes,
+met trage bewegingen en duttend in de halfdonkere onzekerheid van hunne
+vervaakte oogen. Doka droeg de koe een broodje en dan dronken zij zelf
+aan tafel een kopje koffie met kandijssuiker. Ze taterde nog altijd.
+Ghielen haalde al de redens uit die hij wist om Doka te bewijzen en te
+overhalen dat die vreemd bezetene koe weg moest, dat hij niet meer waken
+wilde of alleen slapen, en dat de menschen zouden gekken met hunne koe
+die niet kalfde en dat het gedurig in zijn zinnen speelde om er gek of
+ziek van te worden. Hij stamelde en steende en hoestte na ieder woord
+en:
+
+--Die koe.
+
+--Die schoone koe, zuchtte Doka, 'k meende dat 't er eene was voor ons
+leven.
+
+Dat vriendelijk beest had zij gekweekt en:
+
+--Ghielen, gij begrijpt dat niet, 'k heb ze zien groeien en groot worden
+lijk een kind en ze keek zoo gedoezig op telkens ik in den stal ging....
+Als men alzoo alle dagen zijn best doet om ze te verzorgen, daarom was
+ze altijd zoo beleefd, zoo trouw en gezapig, en nu is ze zoo net wit en
+schoon geworden, en ik ben al zoo spijtig als gij omdat ze niet
+vernieuwen wil, onze schoone koe.
+
+--Schoone koe, schoone koe, gromde Ghielen in zijn koffiekom, 'k lache
+met zulk eene schoone koe, om alle duivels, neen 't, maar een oude varwe
+koe gelijkt het, een uitgeruttelde, verdroogde kwenekoe die nooit van
+kalf of stier iets geweten heeft,--we gaan ze afsteken. Ware 't niet
+dat ik heur, voor mijne oogen, als kalf gekocht en gekweekt hebbe, 'k
+zou gelooven dat Segher Verschuere ons alle twee bedrogen heeft. Maar
+een nuchter veerzekalf en kan toch op een jaar tijds geen oude munte
+worden? Dunkt 't u niet, Doka?
+
+--Neen 't, Ghielen, dat en kan niet.
+
+--Daarbij, wie zal er durven zeggen dat ze niet drachtig en is? bezie
+dien balg!
+
+--En als ze drachtig is moet ze kalven, vroeg of late.
+
+Ghielen en wist daar zoo seffens geen antwoorde op. Maar hij gebaarde
+van geen verlegenheid.--Zie, Doka, horkt, na de misse ga ik rondzien
+achter eenen kooper; Vinie voorzeker weet er niets van dat onze koe
+haar volle rekening heeft, z'en zal er geen cent te min voor gelden:
+we zeggen hem dat ze kalven moet in Korte-maand en ze is, vet en gezond
+lijk ze daar staat, zeshonderd frank weerd.
+
+--Zeshonderd frank, zuchtte Doka, Vinie zal in vijf minuten zien dat die
+koe niet in regel is.
+
+--Niemand kan daar iets aan zien!
+
+Dan zwegen zij geruimen tijd en bleven zitten peinzen en warmen met de
+kloef en in de heerdassche. 't Bleek, schrale lampke lichtte een klein
+rondeken helderheid over tafel op de witte kommen en door de
+vensterruitjes kriemelde een grijze schemer, zoodat de zwarte daken van
+de schuur en den stal tegen den hemel begonnen af te teekenen in vaag
+blauwe grijseling. De haan kraaide nu herhaaldelijk.
+
+--De menschen kunnen gaan rieken dat onze koe overstier is, herbegon
+Ghielen, en die haar koopt kan op zijne beurt het betooverd kalf
+afwachten. Hij grinnikte zoodat zijne fijne lippen wijd openrekten over
+zijn tandeloozen, ingevallen mond.
+
+--We zullen heel den winter gemakkelijk zijn en we koopen ten uitkomende
+een veerzekalf.
+
+Ze bewrochten en berekenden heel de schikking en de winsten en de
+weerden, stil in hun hoofd, met dezelfde gedachten zonder er nog onder
+malkaar over te spreken.
+
+Doka begon heur bezigheid aan den ketel koeisop, sleurde aan de zak met
+gruis en de lijnzaadkist. Ghielen hing het lampke voor den kleinen
+spiegel tegen de ruiten en haalde scheergerief en zeep bij om zich den
+baard af te doen. Hij wreef het schuim met warm water over kin en wangen
+en schrapte dan traag met 't scheermes over zijn slutshangend vel dat
+'t ruischte.
+
+Doka haalde zijn verschen kiel uit en lakenen frak, en ze hielp hem 't
+een en 't ander aantrekker. Ze wrochten alzoo samen en beulden aan de
+frakmouwen en trokken gezamenlijk aan de leerzen, al hun macht, totdat
+Ghielen op zijn zondagsche stond. Doka hielp nog zijn hemdeband recht,
+zette zijn pet stevig en warmde zijn schaapwollen wanten. Ze maande hem
+op te passen, haalde wat centen uit heuren schortezak en telde ze hem
+in de hand:
+
+--Een voor den kerkstoel, een voor den offer-blok en 't andere voor een
+borrel na de mis. Ghielen stak ze zorgelijk weg in den binnenzak, nam
+wijwater en miek een kruis.
+
+--Doka, 'k ga.
+
+--God beware u, Ghielen.
+
+Ze neep nu 't lampken uit, zette haren stoel bij den heerd en schoof
+hare kloefen in d' assche, zij haalde den paternoster uit om daar heur
+misseplicht te volbrengen. z'En kon, de arme sloore, al lang niet meer
+uit naar de kerk.
+
+Ghielen trok eerst nog naar den stal, hief in eene kwaadheid de koe
+haren steert op, dan kreeg hij goest om het domme beest te schoppen en
+zijn voornemen stond nu voorgoed vast. Hij zette goedmoedig aan, blij
+omdat 't Zondag was en omdat hij op 't goed gedacht gekomen was die koe
+te verzetten. Hij belegde hoe en waar hij Vinie den koopman zou vinden
+en stapte altijd op de oneffene, onbegane wegen die ruw en knoestig
+doorkorven en bestampt met wagenslagen en hoefputten in den laatsten
+regen, nu vastvervroren lagen in al hunne ongeschoftheid. Ommelands was
+alles eenkleurig grijs besmokkeld met ijzelrijm en smoor en dof lijk de
+zware, laaghangende, geslotene hemel. Nievers noch huis noch stake, de
+klokke ook en hoorde Ghielen niet en hij liep daar op goed geluk voort
+lijk verloren in een dood winterveld. Maar zijne voeten kenden den weg
+en volgden vaste den drijf; dat rechts of links inslaan en 't
+overstappen lag door de danige gewoonte in hem vergroeid en heel
+blindelings zelfs herkende hij den uitwendigen vorm van elk grachtje
+of landoever waar hij heel zijn leven voorbij moest naar de kerk.
+De wegelkes lagen verzompeld of overspoeld, hij herkende ze toch zoo
+duidelijk als de rimpels in zijne hand. Hij tjuikelde over de harde
+knuisten, perdompelde over de glad vervroren ijsplasselkes en grommelend
+djoezelde hij zonder opkijken voort.
+
+Zijn hoofd hing gebogen en subbelde, zijne handen zaten wel geborgen
+in de schaapwollene wanten en zijn dikke frak onder den blauwen kiel
+beschutte goed zijne leden, maar de koude voelde hij lijk bijtend
+staalvijlsel in den hals en zijne ooren tingelen en hij moest gedurig
+de druppels wegvegen die van zijnen neus afleekten.
+
+In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke
+gingen. Ze riepen van verre goendag naar malkaar en vorderden hunnen
+weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en
+schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen. De wijven waren
+geduffeld in lange, zwarte mantels, de kap diep over den gebogenen kop
+en de boeren met hunnen blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak
+bij 't gaan hen in de hamen sloeg. Ze hadden meestal eene vellene klak
+met oorlappen diepe neergetrokken en ze liepen vernepen, kerneutelig
+opgekrompen van de koude en haastig vernibbeld om in de kerk te zijn.
+Ghielen zocht zijn oud rustig plaatsken achter den pilaar en las er heel
+de mis zonder opkijken met groot lippengekluts. Na 't sermoen deelde
+boer Van Tomme hem 't nieuws mee dat de pastor daar zoo seffens kwam af
+te lezen:
+
+--Ghielen hebt ge 't g'hoord? Uuznie Pasters is van den nacht gestorven.
+
+--Neen ik, vezelde Ghielen en hij bad voort.
+
+Als 't gedaan was en 't volk allemaal ineens buiten wilde, bleef hij,
+met de andere oude mannekes, nog wat zitten om niet gedrumd te worden.
+Daarna ging hij naar den Gouden Arend waar al de boeren, na de mis, een
+borrel gingen pakken. De herberg was vol volk en geruchte, Ghielen keek
+rond en zette zich big den disch te praten met Marcelein Vramme, over de
+koude, den langen winter, de korte dagen, 't beesteneten en de duurte
+van 't koorn en van den ouden tijd. Ze zaten met hun hoofd bijeen te
+stamelen en te hervragen, te knuffelen en te hoesten en dronken elk eene
+teug van den borrel die de bazinne hun bracht op een tinnen
+schenkschaalken. Ghielen haalde zijn steenen pijpken uit en vulde uit
+boer Vramme's tabakbeurs en ze tikten nog eens geneuchtelijk hunne
+glazekes.
+
+--Weet-je gij niet meer te zeggen, Marcelein, wanneer Belle mijn witte
+koe, gediend is?
+
+Vramme hield den vuurpot in de hand en ontstak zijne pijp; hij trok
+drie, vier keeren, blies den rook door zijne uitgestekene lippen in den
+vunzenden hul, speitte een grooten klak op den vloer en peinzend met de
+pijp omhoog:
+
+--'k En zou 't zoo zeker op geen maand naar kunnen zeggen, Ghielen.
+Er komen zooveel koeien op 't hof--maar z'en kan niet lange van heur
+rekening af zijn.
+
+Ze zaten en lutten alletwee zwijgend nu, aan hunne pijp en keken
+droomend rond op de menschen die luide en gemeenstig koutten, loechen
+onder malkaar en den sterken tababsdamp met volle kuilen rondbliezen.
+De stoof ronkte deugdelijk en de rook hing als een zware mist, al die
+staande of zittende menschen omwonden. De bazinne liep en vlocht zich
+daarin entusschen de stoelen en banken en schonk overal klare genever
+uit de steenen literkruik in kleine glazekes.
+
+Kijk, dacht Ghielen, daar is Vinie, 'k ga hem nu spreken. Maar de
+koopman zat aan een verre tafel ernstig in gesprek met eenen boer. Hij
+hield zijn mispelaren stok tusschen de beenen en keek met opgetrokken
+neus en wenkbrauwen scherp luisterend den boer in de oogen die altijd
+met groote gebaren van den wijsvinger, zijne belangrijke dingen uiteen
+deed.
+
+Boeren vertrokken, andere kwamen binnen in gedurige wisseling met open
+en toevallen van de dubbele voordeur. Daar zaten vier oude makkers al
+aan tafel in een hoek met de speelkaarten bezig, zoo ernstig verslonden
+en vast als voor den heelen dag. Anderen stonden bijeen gedrumd te
+grollachen zoodat hunne wezens purper waren van de pret en ze sloegen
+elkaar vriendelijk vrij op den schouder. En hier en daar een die zijnen
+man was komen vinden en hem stil in zijn oor een groote gelegenheid
+mededeelde.
+
+Ghielen hield alsaan den koopman in 't oog en als deze eindelijk met den
+boer opstond.
+
+--'t Is nu, meende Ghielen en hij naderde.
+
+--Zoo, lijk we gezegd hebben?
+
+--Basta, wederiep Vinie, tot morgen op de markt.
+
+Ghielen trok den koopman lange achter bij den kiel:
+
+--Hork ne keer, 'k moet u spreken.
+
+De vent liet zich gemakkelijk neer, om met geduld te luisteren even als
+bij den anderen boer.
+
+Ghielen vertelde hem van zijne schoone, schoone volle veerze die hij op
+stal had, dat ze moest kalven in 't korte, en dat Doka te oud werd en te
+veel lastig werk had en de koe afsteken wilde,--maar 't was een
+buitenkans, jongen: een kostelijke koe.
+
+En 'k zou ze toch geern kwijt zijn, seffens kwijt zijn.
+
+--Wel, 'k kome zien, na den noen; als we koop slaan moet ze morgen
+uchtend mee, ik weet een kooper,--als ge niet overgaapt in den prijs!
+
+--We zullen genadelijk zijn en overeenkomen. Bazinne nog twee borrels.
+
+Als ze uit waren en betaald, vertrok Ghielen gelukkig en mompelde
+halfluide woorden tusschen zijn klutsend kinnebakken.
+
+De menschen waren al weerom t'huis en de straat was eenig en de huizen
+van weerskanten dichte gesloten met doove ruitjes en daar hingen lange
+ijskrekels lijk gesteven zeeverslijm in reken van de euzies. Daar was
+een halve klaarte gekomen, god-weet van waar, zoodat Ghielen onderweg,
+hier en ginder een boomstam zag uitsteken in den mist en den gevel van
+een boerenhuizeke, doch een stuk lands verre was 't al onduidelijk en
+dood toegedekt lijk bij vallenden avond.
+
+Als hij op 't hof kwam begon er lichtelijk sneeuwmijzel te vallen, de
+boer keek misnoegd in de lucht, stak de lippen op en grommelend tord
+hij binnen.
+
+--Doka 't gaat sneeuwen.
+
+De warme lucht kwam tegen en de goede geur van kokend lijnzaad en
+gebraden vleesch.
+
+Doka had over den blauwsteenen vloer versch, glimmende geluw strooi
+opengeschud en alles zoo behoort, te kante gezet zoodat 't er nu
+ordentelijk zondagsch uit zag. z'Had heur dikken wollen rok aan, heur
+nieuwen gebloemden borstdoek, heur goudewerk en een zwart satijnen
+voorschoot met een geperkt blauwen daarboven. Binst dat Ghielen zijn
+verkleumde knoken warmde bij den heerd, zette Doka de tellooren en soep
+op tafel en al 't ander gerief. Ghielen snuffelde nog boven den
+smakelijken damp uit de eerden kommekes; dan hielp Doka Ghielens leerzen
+uittrekken en zij aten huns tweeens eerst soep met houten lepels en
+daarna een stuk vet zwijnsvleesch met schoone, gebruinde,
+lekkerblinkende gefruite raapkes. Ghielen vertelde van 't loof dat
+jammerlijk vervroren lag achter de velden, en wat hij al wist van Boer
+Vramme en dat Uuznie Pasters schielijk dood was en dat de oude pastor
+van langs om moeilijker sprak zoodat er geen woord van te verstaan viel.
+
+Doka luisterde met nieuwsgierigheid naar al die dingen; het dorp was
+voor haar een wereld uit een ver verleden waar ze eens in meeleefde,
+maar nu al lang geen mensch meer zag of wist wie er nog rondliep. Ze
+vroeg nog een en ander te weten over oude boerinnen die nu nog te gange
+waren en kosten naar de misse komen: of hij deze en gene gezien had en
+hoe 't er mee stond.
+
+--En Vinie, de koeiplote, begon Ghielen. Ka den noen komt hij zien naar
+onze koe. Hoeveel zouden w'er voor vragen, Doka?
+
+--Wat ge wilt,--wat weet ik van de beesten? maar eene schoone koe is 't!
+en een kostelijke; als hij maar niet merkt dat z'al een maand over is.
+
+--We zullen hooren hoe hij zingt, besloot Ghielen.
+
+Het gerei ruimde zij van de tafel en ze lazen beiden een dankgebed. Dan
+sleurden zij samen den pot drinken buiten en voederden de koe, het zwijn
+en den hond; Doka hing een moor water over 't vuur en dan zetten zij
+zich al elken kant van den heerd wat te tukkebollen. Ze hoestten
+onderwijle en trokken lastig aan den asem.
+
+Buiten, uit 't grijs geluchte, ranselde de sneeuwmijzel lijk bloemenstof
+fijn, aanhoudelijk den grond en de daken dekkend stillekens met wit. De
+koude blies over het lage, verlaten land en al dat er nog buiten liep
+was ievers een verdoolde, uitgehongerde hond.
+
+Vinie rotelde al aan de voordeur als Ghielen wakker werd. Hij riep naar
+Doka en ging haastig opendoen.
+
+--Binnen, Vinie, binnen.
+
+Vinie gromde een goeden dag en stampte 't sneeuwstof van zijne schoenen.
+
+--We gaan kwaweer krijgen, boer, en hij kwam ingrimmig, opgekrompen
+nader bij 't vuur.
+
+--'t Is de tijd van 't jaar, meende Ghielen, we zijn in de donkere
+zes-weken. Doka, Vinie zal eerst koffie drinken!
+
+--Danke, boer, hebbe maar weinig tijd. Willen we maar seffens naar de
+koe gaan zien? Maar hij moest eerst koffie nemen. Ghielen stoefte
+daarbinst met zijne koe; daarna gingen ze alle drie naar buiten. De hond
+stormde uit zijn kot en bastte nu naar den vreemdeling, maar ze stapten
+zonder ommezien over de werf. Het zwijn snorkte daar ze voorbij zijn
+kot kwamen. De haan was, om de bijtende koude met zijne hennen in het
+wagenhuis gebleven en stond te midden zijn toom onder eene kar te
+treuren op eenen poot. Doka trok de staldeur open en deed de koe opstaan
+met zacht vermanende woorden.
+
+--Ze heeft het hier warm, meende Vinie.
+
+--Ja ze staat er goed en er kan geen windeken in den stal als de
+luchtgaten toegestopt zijn.
+
+Maar Vinie wilde de koe buiten in den helderen dag zien. Ghielen moest
+ze ontbinden en buiten brengen. Ze waagde zwaar heur eendlijk lijf
+voorwaards en stond daar wijd op de pooten met groote trekken snuivend
+de versche lucht door haren natten neus. Haar oogen keken verweerd rond.
+En de drie kadoterige oude sukkelwezentjes stonden daar op te kijken
+lijk vereeuwde, slonk-gesnekkerde postenakels uit een donkere, oude
+kerk, voor den eersten keer in 't daglicht gebracht. Hun asem met dien
+van de koe dampte in wazige wolkjes uit hunne neusgaten op. Vinie, met
+zijn hoofd diep tusschen de bochelachtige schouders, piepoogde onder
+zijne groote pet, neep den mispelaar tusschen de vingers en stapte rond
+de koe, mat hare gestalte aan de kin, betastte heupen, pooten en rug en
+balg en ging weer al den overkant.
+
+Ghielen hield de koe big 't zeel en stond verkrompen van de koude, zijn
+vest achteruit getrokken met de armen tot aan de ellebogen bijkans in
+de broekzakken en zijn groote voorbroek spande over den ingevallenen
+buik en heel zijn magerte, zoodat de heupbeenderen lijk twee bulten
+uitstaken boven zijne korte beentjes. Doka hield de handen geborgen
+onder haren voorschoot en haalde ze beurtelings bloot om 't water uit de
+oogen te vegen. Ze klutterbeende en voelde haren neus bevriezen, maar ze
+hield gestadig den blik op den koopman in verwachting of hij iets van de
+gedokene doening zou bemerken.
+
+Vinie ging nu op een afstand staan, kwam weer bij, trok de koe haren
+muil open, en telde de tanden met zijne vingers.
+
+--Wanneer heeft ze hare rekening vol? vroeg hij.
+
+Ze bezagen elkaar en:
+
+--Met 't eerste maansching, zei Ghielen en hij hield zich gesloten om
+niet te pinkoogen.
+
+--Newaar, Doka?
+
+--Ja, nog een manestond. 't Geen ze er nog wilde bijzeggen verging in
+een geweldige hoestbui.
+
+--'t Is hier koud staan, meende Ghielen.
+
+--'t Is eigenlijk een schoone koe.
+
+--Newaar! zegden ze alle twee.
+
+--Steek ze maar weer binnen. Hoeveel moet ze kosten?
+
+--Ik meende zeshonderd franken, zei Ghielen en dan hield hij den adem
+op.
+
+--Doe er honderd af.
+
+--Geen cent min, schudde Ghielen.
+
+Ze stonden een tijdeke sprakeloos.
+
+--Den stok in tweeen, da's mijn laatste woord. Is ze verkocht?
+
+En de koopman stond omgekeerd, gereed te vertrekken.
+
+Ghielen stak zijne koe op stal en Doka durfde niet antwoorden.
+
+--Vijfhonderd vijftig, herzei Vinie, ze gaat morgen naar de markt,
+'k heb daar een kooper.
+
+--Voor min dan zeshonderd gaat ze uit den stal niet, besloot Ghielen.
+
+--Wel, geluk ermee, en de koopman vertrok.
+
+Aan de hofpoort keerde hij zich om en:
+
+--Als ge beter gedachten krijgt, kom zeg het mij van den avond nog en
+'k doe morgen uw beest mee.
+
+--We kunnen wij ook naar de markt gaan, zei Ghielen tegen Doka en hij
+liet Vinie vertrekken.
+
+De zwarte palulhond had heel dat spel aanschouwd en als de koe weer op
+stal en de koopman van 't hof weg was en Ghielen en Doka in huis, gromde
+hij wat en kroop in 't diepste van zijn kot.
+
+Ghielen sloeg Doka op den schouder, kletste op zijne bil en spetterde
+uit in eenen kikkerlach.
+
+--Hij is gefopt, de slimmerik en ziet er niets aan en hij zal onze koe
+komen halen!
+
+Hij viel op eenen stoel om uit te hoesten en Doka ook grijnsmonkelde
+welgezind.
+
+--O, 't is eene schoone koe, zei hij, ze bevalt hem ... ze moet binnen
+de naaste mane kalven! loech Ghielen.
+
+--Zal hij terugkeeren?
+
+--Maar zeker zal hij, zoo zeker als Evangelie.
+
+Dan begonnen ze ondereen in overvloed van gehakte woordekes uit te gaan
+over nieuwe schikkingen en te hoesten daartusschen.
+
+--Nu zal 't slameur gedaan zijn en we leven heel den winter stil op onze
+zokjes; ten uitkomende koopen we een versch veerzekalf.
+
+Ze raasden voort: hoe ze met de nieuwe lente 't land zouden bedrichten;
+ze gingen ook een muurken doen insmijten, een nieuwe haag bouwen en
+boomen verplanten en de 600 franken bij 't ander leggen onder den
+blauwen steen, en ze regelden hunne dingen zoo generig alsof ze nog
+vijftig jaar leven te verwachten hadden.
+
+Ze dronken elk nog een kopje koffie. Doka legde nieuwe lemen aan 't vuur
+en Ghielen haalde krijt en kaartenspel. Hij teekende een dubbelen boom
+op het tafelblad, ontstak eene pijp en zij zetten zich recht overeen in
+de stille schemerkeuken hun zondags-partijtje te doen.
+
+Buiten, voor het venster zwemelde een afgesneden eind koord in den wind
+en de sneeuw mijzelde traag en fijn, gezapig schuin gedreven door den
+windtocht bij striepen gispend in een wevende lijnflikkering zwepend als
+dansende witte regen.
+
+z'En spraken geen woord schier en speelden verslonden. Een zucht
+altemets, een stenen of hoesten of een enkele uitroep van spijt of
+voldoening als de Zot of 't Aas de kans deed keeren of een grooten slag
+besliste. Doka veegde de witte strepen van den boom met heur natten
+vinger uit en ze hielden beiden hun spel gesloten als de vimmen van een
+opengescherrelden waaier in de magere, vereelte handen. Ze dubden,
+betastten de bladen en legden ze stil vooruit neer op tafel of sloegen
+ze hard met eenen vuistslag die bonsde.
+
+Als de eerste boom was afgespeeld, haalde Doka de pulle uit en schonk
+voor elk een goeden druppel;--Ghielen liet den zijne nog eens
+volschenken omdat hij gewonnen had; ze herbegonnen een nieuw spel en dan
+nog een; ze knuffelden en keken bedenkelijk op hunne kaarten en deden
+gezapig voort tot ze tusschen de slagen, den donkere zagen in huis
+vallen en gewaar werden dat de dag op zijn einde draaide. Ze dachten
+alle twee aan Vinie dien ze verwachtten maar z'en zegden er niets van.
+
+--'t Wordt weeral avond, en 't was schaars middag, neuzelde Ghielen.
+
+--'t Is die sneeuwlucht ... en Doka keek overzijds langs heur schouder
+naar buiten maar eigenlijk naar de hofpoort over 't land of er iemand in
+de verte te zien was.
+
+--Zou hij wel zeker komen, Ghielen?
+
+--We kunnen nog wachten.
+
+--En als hij niet komt?
+
+--Wel, wat zouden we doen?--de koe is nu zoo goed als verkocht ... en
+vijfhonderd vijftig is al vet betaald voor eene koe die niet en kalft.
+En ze kan te naaste weke doodgaan met 't kalf in heur lijf.
+
+--En naar de markt leiden, waagde Doka.
+
+--Maar dat was zotternije, lachedingen, kan ik met mijn kranke beenen
+naar stad en die koe drijven?
+
+Ze legden de kaarten neer en zaten op malkaar te kijken om raad. Dan
+ging Ghielen bij 't venster staan en Doka werkte in 't achterhuis.
+
+--Als ge wilt uitgaan, 'k en zou toch in Godsnaam niet wachten tot 't
+avondt, riep ze.
+
+Ghielen draaide onvoldaan en mismoedig rond op zijne kloefen, ging
+buiten aan 't hofgat, keerde weer, altijd in 't gedacht: met wat te
+wachten win ik misschien vijftig franken. Dan keek hij in de dreigende,
+donkere lucht en over 't veld dat reeds onkennelijk overstrooid lag vol
+wittigheid.
+
+--Doka, 'k zal dan maar uitzetten, besloot hij. Ze kwam bij, veegde de
+handen aan heuren voorschoot, haalde zijne kleeren en leerzen en stond
+over hem gebogen, te beulen dat z'er bij steende, om dat alles te helpen
+aantrekken.
+
+--Waar is mijn stok, en mijne wanten? Hij hoestte, snakte achter zijnen
+asem, maar hij toonde zich sterk om Doka geene vrees aan te doen.
+
+--Wat is dat? een wandelingske, twee stukken lands verre!
+
+--Ja maar in 't donker is 't niet goed met die sneeuw, meende zij. Kijk
+hoe zeer het avond wordt; Ghielen, duffel u wel of ge komt met eene
+doodelijke ziekte thuis.
+
+Maar kom, help me eerst den ketel op 't vuur hangen, de koe moet toch
+eten.
+
+-'t Is voorzeker de laatste keer, troostte hij en ze zeulden samen den
+zwaren sopketel tot hij aan den hangel hing.
+
+--Vrouwe, schenk me nog eenen borrel, dat geeft asem.
+
+Hij knoopte eenen zakdoek over zijne ooren, trok de warme wanten aan en:
+
+--Doka, 'k ga.
+
+Zij kwam mee tot aan de deur en daar keerde Ghielen nog weer om te
+zeggen:
+
+--Doka, Vramme sprak mij van de dood van Uuznie Pasters.... Dat hoekje
+land achter de beek zal nu te koope komen, dat zou goed doen bij onze
+driehonderd klaverland, en 't zou goede weide zijn nadat w'er nog een
+paar jaar vruchten opgedaan hebben. 'k Zou best doen daar een woordeken
+naar te gaan vragen als de verkoop van de koe goed deurevalt.
+
+--Maar haast u toch weer, Ghielen, dat we de koe op tijds bestellen en
+'t is hier zoo eenig op 't hof.
+
+Zij zag hem gaan met kleine perneutelige stapjes, een schouder
+opgesteken en stekkend met zijnen stok in de sneeuw.
+
+--Heere-God wat koude, kermde zij, 't is beter in huis. Toch bleef ze
+staan zien en Ghielen werd allengerhand kleiner: een zwarte vlek, alleen
+op het al witte veld, lijk verdoold te midden de sneeuw en met de
+vallende duisternis nakend boven zijn hoofd. Dan miek Doka den hond los
+en liet hem bij haar in huis. Zij deed heur zondagsche kleeren uit, om
+te beginnen werken aan den avondkost voor de beesten. Ze ontstak al
+tastend het lampken, dompelde nog verschillende keers buiten en bracht
+telkens een armvracht eten mee: een mandeken beeten, twee, drie koolen,
+een bakje lijnzaad, oliebrood, boonen en tarwen gruis. Ze stekte en korf
+dat al dooreen in de kuip en goot het mengsel in den ketel en doorroerde
+het met eenen stok.
+
+Ze legde wat droge spaanders op 't vuur, duwde de koffiekan bezijds in
+de heete assche. Dan schepte zij eenen ketel sloebering uit en droeg dat
+naar den zwijnsbak. Daarna stond zij rond te zien en te dubben om te
+weten of er nog iets te doen was? Neen't.--Zij rakelde wat houtkoolkes
+in haren steenen vuurpot en zette hem bij haren stoel onder de voeten,
+ze neep het lampken dood en flokte zich daar onder den heerdmantel warm
+neer.
+
+Heur oogen keken in de fletsflodderige vlammen die rond het gat van den
+zwarten ketel opkrulden. Dan wendde ze 't hoofd naar 't venster waar de
+roode vuurgloed op blonk en zij keek hoe de witte vlokjes zoo stil,
+vlijtig speeldansten, zoo wollig zacht, zonder krijzelen, en licht
+ronddraaiend als waren 't altijd dezelfde die zonder vallen voor 't
+vensterruitje kwamen wentelen.
+
+De hond lag met den muil op de voorpooten in den rossen glans tegen den
+heerdschoot en hij zuchtte van de welligheid.
+
+Doka wist niet meer wat gedaan en ze volgde in hare zinnen Ghielen waar
+hij ging over 't veld; ze zag hem aankomen bij Vinie en ze hoorde hem
+redekavelen en ritsepeeuwen om gelijk te halen en 't voordeeligst den
+koop te sluiten; ze zag hoe Ghielen als 't gedaan en af was, terugkeerde
+naar huis. Maar dan ook liepen heure gedachten veel rasser dan Ghielen
+gaan kon en ze wist nog lang te moeten wachten. Ze wilde een trekje
+slapen eerst.
+
+Zij duffelde de handen onder heuren voorschoot, peinsde nog op het
+hoekje land dat Ghielen wilde koopen en op Uuznie Pastere die nu dood
+was--z'had er honderd keers tegen gekout--en dan zocht ze weer in de
+gedachten naar Ghielen over 't veld. Maar de warmte kloesterde haar zoo
+zacht dat se alles liet varen en heur hoofd knikkebolde neer en buiten
+'t groot statig uurwerk leefde er niets meer in de keuken.
+
+De vlammen kronkelden zoo langen tijd rond het zwarte lijf van den
+koeketel tot er daarbinnen leven kwam, een holle brutseling en de damp
+met ziedend schuim hieven 't deksel met een geuleken op waardoor 't sop
+uitzabberde en de damp opproestte in de schouw. Eindelijk vielen de
+brandschieren verkoold ineen en 't gerucht en de brobbeling hield op.
+
+Dan schrikte Doka uit een vervaarlijken droom, ze keek verweerd door de
+keuken en was blijde dat 't allemaal bedriegelijke leugens waren. Ze
+schormde recht in 't donker, zwaaide de armen en liet ze 't halven den
+haal neervallen als ontdaan nog en half ongerust van wat ze gezien had
+en zocht nu naar den draad van heur verstand.--Ghielen bleef te lange
+weg en ze meende dat 't al late nacht was. De ketel en 't vuur was ze
+vergeten.
+
+O, z'had Ghielen daar zien ronddompelen, heel wit besneeuwd lijk een
+vriezeman, vechtend tegen de koude en den donkere, zonder dat hij zijnen
+weg kon vinden. En z'had hem, tenden gejaagd, zien staan, boutstil in 't
+veld, met de armen wijd open, de handen rondzoekend lijk een blindeman,
+en de sneeuwbrokken dekten hem toe en hij verging daar in een witten
+hoop. z'Had hem willen helpen, was buiten gegaan met de lanteern en op
+eenige stappen van daar bleef ze ook zot ronddolen zonder hem of
+zichzelf te kunnen verlossen, en ze waren daar gestraft om alle twee te
+vergaan in den nacht.
+
+--w'Hebben misdaan dien man te bedriegen met onze koe, meende ze ineens.
+Dan zag ze 't heerdvuur uitgebrand en den ketel hangen; ze ontstak al
+bevend het lampje en lichtte benieuwd om te zien hoe laat het was. Neen,
+'t en was, God zij gedankt, nog geen nacht en ze was zot zichzelf alzoo
+met vrees nutteloos op te winden. Ghielen zal seffens t'huiskomen en wat
+doet die droom daaraan? ze legde nieuw hout op en bleef dan staan
+rekenen al de stappen die Ghielen moest doen om t'huis te geraken, 't
+Was toch helledonker buiten! ze zette 't lampke op de vensterbank omdat
+hij zoo beter 't huis zou vinden. Hij was misschien met Vinie naar de
+Klok of naar 't Wit Peerd, of hij was misschien iemand gaan zoeken om
+van dien koop te spreken....
+
+Ze haalde alsaan nieuwe redens uit om zijn wegblijven uit te leggen en
+alzoo de onrust te verdrijven.
+
+Dat lampke schemerde zoo vreemd tegen die sneeuwruiten en 't was overal
+zoo stil dat ze altijd meende dat 't nacht was. Ze pijnde zich om niet
+vervaard te worden en ze zegde nu de redens luidop om zichzelf te
+paaien.
+
+--Wanneer gaat hij komen? Ze luisterde naar al wat ze peinsde gerucht te
+maken, maar 't was altijd niets.
+
+--Waar is hij nu? Die vragen kwamen lijk spoken rond haar staan en ze
+kon er geen enkele wegdrijven of daar kwam een andere in de plaats.
+
+Ze zette zich weer op den stoel, maar zoo seffens zag zij Ghielen weer
+bejaagd rondzwieren door de sneeuw, versmoord in die zwijgende, witte
+zee, zonder mensch of beeste en al de huizen en boomen donker, met
+zware, witte mutsen bedekt, eenkleurig, onkennelijk onder 't zwart
+geluchte. Ze herinnerde zich de vertelsels van grootvader: van den ouden
+Miechels die een heelen nacht rond zijn hof doolde zonder de poorte van
+zijn eigen hof te vinden en dat ze hem 's morgends versmoord uit den wal
+trokken. Van anderen die ievers op doolkruid getorden hadden, of door
+een kwaden wensch waren misleid om nooit meer uit te komen,--van den
+metser die drie dagen op den doolstap liep en van Ziene 't oude
+werkwijf, die in 't naar huisgaan eenen aweg insloeg en zoo aan de rampe
+kwam.
+
+Doka keek onwillens naar 't venster en als ze de groote sneeuwbrokken
+gruisdikke zag toevallen tegen 't glas, dan ijsde zij en krijzelde bij
+'t gedacht: moet het zoo voortduren, ze hier kon insneeuwen en
+versmachten zonder van een levende ziel hulpe of bijstand te zullen
+krijgen.
+
+Ghielen die daar in rondkrasselde, wekte nu opeens heur groot
+medelijden. Ze tastte in den zak, haalde den paternoster uit en bad
+Ons-Heere en Moeder-Maria toch te willen genadig zijn met twee oude
+dutsen die zoo geern nog lange te leven hadden!
+
+Tusschen heur gebed kwamen alle soort moord-histories en zij hoorde
+mannen rond het huis waareren die wisten dat ze alleen t'huis was en
+heur wilden vermoorden.
+
+Hoor, de koe beurelde om eten.
+
+Beurelen, zoo wreed, vereend dat 't nu ineens duidelijk scheen: de
+groote koe ginder in den donkeren stal trok de rampe die komen ging in
+den nacht. De wreede stilte was als het voorteeken van 't geen gebeuren
+ging.
+
+De wijzer draaide traag naar een nieuw uur, zonder uitkomst.
+
+Dat beurelen riep weer al Doka's vrees wakker, ze aarzelde nog wat en
+eindelijk opende zij zonder schromen en om heur vervaardheid meester te
+blijven, de voordeur.
+
+Twee strepen klaarte lagen op de sneeuw die al schrikkelijk dik gevallen
+lag, verder was 't inktezwarte nacht. Doka kreeg nu eene narigheid in 't
+herte en ze begon te weenen en te vragen om hulpe, doch aan wie zich te
+wenden en wist ze niet. Ze keerde weer binnen en haalde uit de
+schuiflade de gewijde keers en ontstak ze voor 't lieve-Vrouwbeeld, dan
+ging ze buiten en in heur wanhoop riep ze twee, drie keers door 't
+donker:
+
+--Ghielen! Ghielen!
+
+De hond liep over de sneeuw naar zijn kot, anders en zag of en hoorde
+zij niets, ze moest eindelijk wel weer in huis komen.
+
+En met die brandende keers zag 't er nu zoo akelig uit als in eene sterf
+kamer. Daar was toch nog niets gebeurd, en Ghielen kon alle stonden
+t'huis komen. En moest hij die keer se zien hij zou wel vragen wie er
+zot of simpel werd.--Het bleek heur zelf nu als een schendig misbruik
+van gewijd goed en ze blies 't licht uit en draaide de wassen keers weer
+weg. 't Speet heur dat lampke daar ook zoo lang en nutteloos te moeten
+laten branden.
+
+Ze ging nog verschillende keeren buiten staan en keerde maar binnen als
+'t haar te koud werd. Ze was zelf al wit besneeuwd en ze kwam de handen
+drogen bij den heerd.
+
+Ze had deernis met den ouden man die zoo laat in den avond vertrokken
+was. Heur armen hingen moedeloos langs het lijf, en ze verzuchtte:
+
+--Och Herre toch, help mij, Herre!
+
+Het koeisop kookte nu geweldig zoodat 't water sissend uit den ketel in
+'t vuur liep. In een plots besluit spande ze al hare kracht in en wilde
+zichzelf verhelpen in haar enigheid. De koe moest toch eten krijgen! Ze
+proefde om te heffen aan de einze en alzoo den ketel van 't vuur te
+verarmen, maar ze schoot te kort. Dan greep ze met meer kracht bij de
+twee ringen, ging dichter staan en zoo kreeg ze hem boven den haak, maar
+dan voelde ze ineens die bijtende warmte tegen de beenen en ze keek
+beneden, en eer ze den ketel kon laten zakken, zag ze al vlam en rook,
+in brand heur kleeren, overal.
+
+Ze gilde, sloeg met de handen, maar ze laaide altijd en de nijpenden
+pijn was over heel haar lijf en de lekkende vlam liep rap als de
+weerlicht.
+
+Dan verloor ze 't besef en verstikte door den stinkenden rook. In de
+groote beroerte kreeg ze den inval buiten te vluchten.
+
+Heere-God! ze lichtte waar ze stond, een heele klaarte wijd uit en ze
+was al vuur en vlam. Heur gewonde handen trokken de vunzende vendels
+vaneen, tot ze onmachtig was nog iets te doen.
+
+Ze kreet een laatsten asem uit, geweldig om hulp en dan zakte zij door
+hare beenen en viel op den grond en lag er nog wat zoetjes te kermen en
+te piepen en haar droog uitgemergeld lijf en heur kleeren, 't brandde
+daar stillekens uit lijk een wassen keersken.
+
+
+ * * * * *
+
+
+NAAR BUITEN
+
+
+De kerel ontwiek in zijn zelfde donker koolkot, even moe en strem als
+gisteravond, stijf van 't liggen op den harden grond, met de vochtigheid
+van den regen in zijne kleeren en de pijn in de voeten van 't slenteren
+heel den verleden dag. Hij rekte zijne leden en rechtte zich, maar eene
+lusteloosheid hing op zijn gemoed om de werkelooze ijlte die hij voorzag
+en de weerzin voor den nieuwen dropregen waarin hij nog eens zou moeten
+buiten liggen dat lange getij. Met 't opstaan stekten de nagels weer
+door zijne schoenzool in den rechter voet en door den linkerschoen
+voelde hij den grond met zijn bloote teenen.
+
+En het wijf schreeuwde weerom achter de deur zoo bitsig:
+
+--Toe, luizevel, blijft ge weer luileeg in uw kot liggen tot 't al is
+opgeschept!
+
+Hij gromde iets en kwam met mijde treden in de woonkamer kijken.
+
+Zijne snede brood lag gereed bij zijne komme koffie en hij at haastig
+dien morgenkost. Terwijl volgden zijne oogen het wijf in haren gang;
+ze loerden alonder waar zij keerde of keek en als zijn brood was binnen
+geslokt, wachtte hij nog tot ze weer even den rug draaide, dan, met een
+sluwe vlugheid, snapte hij ook den broodkant uit de kast, dook hem onder
+rijn vest en, met den verlegen daver in zijn hart, haastte hij zich in
+gemaakte, trage onverschilligheid buiten. Op een loopken sprong hij den
+hoek om en dan weer den gewonen pikkeltred, mijde op de teenen en
+snukkend been, denzelfden zwemelstap dansend door het steegje. Hij
+vermeed de regenplasschen, zocht de hoogste steenen om zoolang mogelijk
+droog te blijven aan de zeere voeten. Hij hief den kop, zocht met
+opgetrokken neus in 't nauw streepje grijze lucht tusschen de twee vuile
+huizenreken, om te raden wat weer vandaag op zijn lijf zou vallen.
+'t Was overal effen halfdonker, schemermistig, ijverachtig klam van de
+gevallene vochtigheid. Zoo seffens was zijn opmerken gedaan en hij keek
+naar het wijveken dat de planken van haar winkelvenster wegdroeg. Dan
+ontmoette hij Toppie den Slunseman die met zijn ijdelen zak op den rug
+in de vroegte zijne ronde deed al toeterende op zijnen hoorn door de
+stilte. Hij groette met een oogknipje de kennis en hinkte verder. Aan
+den hoek van het straatje bleef hij weer een stonde besluiteloos en
+wendde eindelijk rechts langs de geslotene huizen tot aan de zwarte
+aschhoopen langs de spoorbaan. Hij herkende de oude Lotte die daar als
+een uivallige fakkel gebogen neerlag en haar gerief vuurmaaksel gaarde
+in een mandetje.
+
+--Lotte de Poetser, liggen er veel koolkies, vandaag? loech hij van ver
+en hij bleef staan kijken op zijn een been. Het vervallen wijf wendde
+haar oud wezen.
+
+--Ha, Treite den Bemmel! grijnsde zij en raapte voort op den aschhoop.
+
+--Slechte tegenkomst een wijf in den morgen! gekte hij in 't voortgaan.
+Ze gromde iets van; lammepikkel, maar hij verstond den zin niet. Hij
+loech luide en hinkte voort langs de rij zwart houtene palen die gereekt
+stonden langs de hooge spoorbaan, onafzienbaar ver.
+
+Uit eene doffe dreuning groeide het zwaar gedommel van den aankomenden
+trein; forsig sterk en hoog snorkte het machtig stoomtuig vooruit met
+stampen en blazen. Treite stond met openen mond te kijken naar 't varend
+geweld voorbij de wagens waar de menschen door de vensterkes van uit
+hunne hoogte, op hem neerkeken. Met schrillen schuifelroep reed de trein
+de stad binnen en eene pluime zwarte rook warrelde achter den laatsten
+wagen weg.
+
+--'k Wil dat ik er op zate! wenschte de jongen. Dat was nu in zijn
+gedacht: 't zuiverste genot van rijkdom en droge warmte die de reizigers
+daar hooge beleefden. Maar na dien enkelen trek was de trein al
+verdwenen en zoo gauw uit zijn gedacht en hij schuifelde zijn eerste
+deuntje en hinkte voort over den zinderweg langs de zwarte paalstaken.
+
+Aan 't ijzeren hek bij den los van de goederen stonden er al veel kerels
+van zijne soort. Hij herkende ze bij den eersten blik, elk aan een
+verschillig teeken: een trek van hun wezen, eene aardigheid hunner
+kleeding of gebrek aan hun lijf. 't Deed hem genoegen in gezelschap te
+komen, daarmede was de dag eigenlijk begonnen en in gang zooals al de
+andere die in lange gelijke reeks voorbij waren. De venten zaten of
+lagen zwijgend en keken op de dingen die nog gesloten en dood rondom in
+stilte rustten. Treite zette zich op den arduinen stander tegen de
+ijzeren poort en liet zijne lamme beenen zwemelen. Als hij in de lucht
+keek, kon hij toch raden dat de regen en de vuiligheid gister al was
+uitgevallen en dat zijn lijf vandage zou bevrijd blijven;--'t geluchte
+was toen nog, grijs met zware wolken die over de daken voeren.
+
+Hier en daar rolde reeds een wagen over de straat door de stilte; de
+peerden lieten verdrietig den kop hangen en de voermans, daarnevens,
+vervaakt nog, keken niet naar 't geen rond hen stond. 't Werkvolk stapte
+haastig over de plankieren langs de huizen. Zij hielden de handen in de
+zakken, hun blikken drinkpullen onder den arm en de etenbeurs aan een
+touw over den schouder. Ze krimpten kouderig de schouders en rekten den
+hals vooruit in den gang. Effenaan een die voorbijkwam wisten de
+vrachtleuren een dom, dof woord of eene lachreden die onbeantwoord
+bleef. Treite loech of luisterde niet als hij uitkeek naar iets dat
+elders roerde of aankwam; hij wachtte lijk altijd, naar entwat dat
+gebeuren zou waar hij een kansje zou vinden om een stuiver of een borrel
+te verdienen. En lange nog was er niets te zien 't opkijken weerd en de
+kerels, bleven als lammelingen in den uchtend staan of liggen en keerden
+de oogen met weerzin van den een naar den ander, nijdig dat ze daar met
+zoovelen stonden.
+
+Maar dan kwam eene zware zandkar met vier groote honden bespannen uit
+de poort van een stapelhuis rijden; een groote kerel mende 't span naar
+buiten, sprong boven op de vracht en reed voort.
+
+--Manes! schreeuwde Treite.
+
+De kerel keek op en zocht in de bende.
+
+--Ha, Treite den Bemmel! en hij wenkte met den arm.
+
+Een kansje te snappen! dat doorschokte Treite met een vreugdeklets,
+zijne handen stootten zijn lijf van den paalstaak, hij zwaaide de armen
+open en wiekte als een kieken dat vliegen wil, hinkend naar de kar.
+
+Manes hield in en wachtte.
+
+--Gaat-ge mee? riep hij van ver.
+
+--Rijen? dat was de eerste en eenige voorwaarde die Treite aanlokte:
+zijn zeere voeten niet meer voelen en gevoerd zijn.
+
+--Naar buiten met zand, knikte Manes.
+
+--En de condities? begon Treite omdat hij nu zeker was van 't eerste en
+'t andere er nog bij wilde.
+
+--Te noen een knorre roggenbrood met zwijnsvleesch en pap, en ook wel
+een pinte bier.
+
+--En t' avond?
+
+De kerel loech.
+
+--t' Avond eten we bij de heeren in 't groot gasthof op de markt, met
+een flessche wijn, al naarvolgens de winst.
+
+Maar Treite had zijn kreupel been reeds over 't wiel gezwaaid en
+klaverde met de handen om boven den karrebak te komen. Hij liet zich
+neer en voelde zijn zet diep-rond en zacht in het mullige zand prenten,
+hij legde de beenen gemakkelijk open, nevens Manes. De kar dokkerde
+voort over de straatsteenen en Treite loech om de aardigheid van zoo
+onverwachts vast te zitten en gevoerd te worden, scherend over den weg,
+zonder moeite te doen of pijn te voelen in de voeten en hij langde reeds
+naar 't beloofde roggenbrood en 't zwijnsvleesch--een dingen dat hij
+niet wist ooit geknabbeld te hebben maar dat, naar hij gissen kon, goede
+en smakelijke buikvulling moest zijn. Hij keek naar de voetgangers die
+bezijds de kar liepen, hij knipte oogjes naar elk ende een om te toonen
+hoe goed hij zat en hoe preusch.
+
+--Eila! flikkerbeen, ge blinkt onder uw hoedje! pennelikker met uw kalen
+frak, krebbebijter! riep hij naar den kantoorklerk die naar zijne
+bezigheid ging.
+
+Manes loech.
+
+--We gaan twee dorpen doen vandage, ik moet tonnen koopen gij kunt het
+zand uitventen; een stuiver de maat.
+
+Treite greep reeds de ijzeren schop en woelde in den zeuzelenden hoop
+tusschen de beenen.
+
+--Niet lastig, meende hij.
+
+Manes hield de leidkoorde en snokte zijne honden naar links en rechts
+door de straten en ruischte ze op om 't gespan nog zeerder te doen
+rollen. Hij vertelde ondertusschen wat er bij de boeren te lande al te
+zien was voor aardigheden en van den handel en de geldwinst. Hij zat als
+een degelijk zandman, wel gekleed in de wijde vloeren broek en vest; een
+groote, blonde haarlok lag zorgelijk gekruld en gevet in schuinen hoek
+over zijn voorhoofd en daarover de groote blinkende bek van zijn blauwe
+pet. Treite had ook al geloerd naar het blauwe flanellen hemd, met
+overgelegden halskraag en de geelzijde koord die met twee flosjes onder
+de kin was toegeknoopt. Aan zijn ondervest stonden twee reken koperen
+knopjes die bevielen Treite buitenmate en hij keek met meewarigheid op
+zijn eigene voeten, als hij de stevige, zwaargezoolde en vernagelde,
+waterdichte schoenen van Manes bezien en herbezien had. Treite kende
+zijnen makker van ten tijde dat zij aleven arm en slecht aangekleed,
+samen de kansjes snapten en centen verdienden met pakjes te sleuren en
+peerdenmest te rapen. Maar de beenen en armen en borst waren bij Manes
+zoo stevig uitgegroeid en zijne vloeren kleeren zwabbelden nu zoo los
+om dat forsig lijf van den zwierigen vent, en hij had ook zoo'n kloeken
+neus en zijne oogen stonden zee stout en diepe in den kop. 't Was hem
+dan ook al meegevallen en hij scheen om 't geluk geboren, meende Treite.
+Integendeel was Treite altijd dezelfde tamme sul gebleven; zijne armen
+en beenen waren verdroogd aan zijn lijf, hingen lijk koorden slap en
+zijne oogen zagen loensch zoodat hem niemand en betrouwde of iets liet
+winnen.
+
+--Hoe zijt ge aan die kar en die honden gerocht? vroeg hij.
+
+Manes loech en beet zijn jongen knevel, hij snokte aan 't zeel.
+
+--Juu, Baron, hup! dat is een heele geschiedenis, jongen, en hij vergat
+verder uitleg te geven.
+
+--Is dat allemaal 't uwe, kerel? geerfd van een moeie of zoo? ge zijt
+ineens rijkman geworden?
+
+--Dat is de zaak, Treite; eene vondst! 't ligt te rapen en die het
+grijpen kan heeft het mee.
+
+Treite wachtte naar den uitleg om te leeren: waar zulk een ding wel
+mocht te vinden liggen. Ze reden nu door eene straat die uitwijdde
+tusschen hooge gebouwen en tenden begonnen twee reken boomen waar de
+huizenreeks ophield. De wind woei er vrijer en koel en van weerskanten
+den weg lag het land bewrocht in wijde groensel velden, pachthovekes
+stonden daarin en tegen de verte, lange kazernen van gelijk
+aaneengereekte werkmanswoningen.
+
+--'t En zal niet regenen, Manes?
+
+--Neen 't, de wind zit Oost.
+
+Treite en wist niet waar Manes zijne wijsheid haalde, maar hij geloofde
+hem geern, 't ware anders wel jammer geweest moest het nu weeral regenen
+als hij voor een enkelen keer zoo zachte op zijn vigelante over de bane
+reed. En rijen, jongens, ze reden, de honden, vier aaneen, gelijk effen
+dravend dat ge geen pooten en zaagt en de wielen dokkerden luide over de
+straatsteenen dat de inzittenden malkaar de woorden luide schreeuwen
+moesten als ze iets zeggen of vragen wilden. De boomen draaiden
+achterwaards weg en Treite merkte nu eerst dat er nog geen blaren aan de
+takken waren. De wereld en had hij nog nooit zoo wijd, zoo vlakuit zien
+liggen en hij verlangde reeds om ievers uit te komen waar er weer huizen
+en menschen te vinden zouden zijn. De boeren en de peerden in de verte
+leken hem zoo klein en dat rondtrappelen op het land zoo zot en zoo
+nieuw.
+
+--Is 't nog ver, Manes?
+
+De kerel had zijn pijpje gestopt, keerde zijn lijf gebogen van den wind
+weg en hield het vlammetje in 't holle van de hand; de blauwe rookkuilen
+warrelden als pluimen rond zijn hoofd en hij trok al lastig nieuwe
+walmen.
+
+--Nog een kwartiertje rijdens, en we zijn er! Toen begon hij in korte
+zinnen oolijk monkelend te vertellen.
+
+--De arme leuren zijn zot van daar in stad te liggen luierikken; naar
+den buiten moesten ze komen! Ik was 't al lange beu van honger te lijden
+aan 't ijzeren hek en van pakken te sleuren, 'k wist wel dat er iets
+beters moest zijn, maar ik moest het alevel nog vinden. 'k Prakkezeerde
+bij mijn eigen en ... w'hadden gekaart op een ijdele bierton en al mijn
+oordjes was ik verloren! en dan kwam het gedacht!
+
+Manes hield in, rekte den hals om zijn woorden in Treite's oor te tieren
+en hij deed wijde bewegingen met de armen.
+
+--De makkers vertrokken en als ik alleen was blijven staan als een
+simpelaar, kreeg ik het gedacht de ton door de straat te rollen ... om
+ze ievers in 't droge te krijgen. Ik schopte ze voor mijne voeten en
+daar kwam ik aan de brouwerij daar Moot de Brouwer in de poort stond,
+hij bezag de ton en ik--zonder verpinken, sloeg hand aan mijne pet en:
+"Mijnheer, Mane de kaasvent zendt me uwe ton naar huis." Hij las de
+letters van zijnen naam, op de ton en 't moest wel de zijne zijn--ik
+rolde ze in de poort en hij gaf mij, verdimme, twee stuivers voor de
+moeite! Manes haalde zijn pijpken uit den mond om luide te lachen.
+
+--Dan was 't gevonden jongen, ik kende een nieuw stielken: ik haalde
+door heel de stad al de ijdele tonnen uit de kelders en rolde ze naar de
+brouwerijen--en de stuivers rolden in mijnen zak, Treite! en bier op den
+hoop toe, zooveel ik lustte!
+
+--Ge zijt alzoo rijk man geworden, Manes?
+
+--Nog niet, jongen, ik niet, maar Dompe Kleerik is rijk man geworden,
+deze heeft heel zijn leven met zand gereden en nu blijft hij achter
+zijnen disch t'huis; 't wordt hem toegevoerd met heele schepen en zoo
+goed als gratis, en ik en een ander nu vullen daar ons karren en we zijn
+aan hem verhuurd. Dat is nu niet slecht maar niet goed ook, 't kan nog
+beter,--zie kerel, de buiten is goud weerd, ge verkoopt er al wat ge
+wilt ... dat ik geld had....
+
+Treite luisterde met achting en verbaasdheid voor 't groot verstand van
+Manes en hij hoopte al een beetje zijn voordeel te halen uit die dingen.
+
+--'t Kapetaal mankeert jongen, 't kapetaal! Treite knikte verstandelijk
+en hij tastte in zijn ondervestzak. Hij neep zijn een oog toe en trok
+een oolijk gezicht--Kerel, ik vind je lollig maar ge stoeft een beetje!
+dacht hij. Maar als Manes hem weer in 't wezen keek, was de
+ongeloovigheid er al af en de bewondering en 't goed vertrouwen weer
+bloot en hij luisterde naar den kerel en zijn wondere knapheid.
+
+--'k Heb er dit nu al bij gedacht: de schepen die met steenen varen,
+brengen hout mede van de reis of kolen of kalk en ik keerde langen tijd
+op mijn ledige kar naar huis en de helft van de reis was alzoo ten
+ondomme gedaan; maar nu voer ik zand en koope de boerkes hun oude
+pretolvaten en kom geladen weer in de stad en daar herbegint de
+commersie. Maar eens dat ik geld heb, doe ik de dingen in 't groot, 'k
+voere tien hondekarren en 'k zende knechten uit met kaas, zeepe, rijst,
+speelgoeds--in de winkelkes kost die peneware hondeduur--en 'k zou te
+lande al de groensels opkoopen, appels en peren--dat smijten ze u voor
+'t voeren op de kar en in stad wordt het voor zwaar geld verkocht.
+
+Treite monkelde olijk.
+
+--Hebt gij een oude suikermoei of een ander erfenisje te verwachten,
+Manes? dan word ik evengauw uw knecht en rijde met een vierspan op de
+groenselkar! Maar zie, ginder!
+
+--We zijn er jongen.
+
+Vlak te midden 't einde van den weg stond het oud kerktorentje en al de
+huizekes van 't dorp er dichte rond.
+
+--Afstappen, gebood Manes en hij klopte zijn pijpje uit.
+
+--Zand! zand! zand zijn! tierde hij overluid. Hij gaf een ernstigen
+wrong aan zijn gemeen leurengezicht, zette zijne pet recht en streek
+zijn knevelken. De honden stapten al jagend hun blazenden adem door den
+openen muil. De tong hing hen over de borst.
+
+--Zie, jongen, nu ga ik het u uiteen doen; ge rijdt langs de huizen,
+eerst dien kant af, tot ginder aan den wegwijzer en ge keert langs den
+overkant tot achter de kerk bij de linde, we zullen daar malkaar
+vinden--ik ga om vaten. Een stuiver de mate, hoor, en hij vulde ze lulde
+en striebelde den top open met zijn vingerklauwen:
+
+--Zoo meenen de menschen dat ze sleekende vol besteld zijn! Ge zult wel
+ondervinden met wien gij te doen hebt; maar beleefd zijn--bij den pastor
+moet ge de voeten afvegen en op 't dorpeltapijtje blijven staan en uwe
+pet af! Kletta heeft een vies mondje, en om ne niet zendt ze u weg
+zonder koopen. Ginder op 't hoekje niet te hard aan de bel trekken of ge
+wordt van het huis gejaagd, ge moet luide kouten want 't mensch is
+moor-doof. Ge steekt de stuivers in eenen zak om niet te verdolen in de
+rekening.
+
+--Geen nood beweerde Treite, al mijn zakken zijn gelijk: mijne eigene
+stuivers en heb ik op mij niet.--Juu, Baron!
+
+Treite trok de kar bij de tramen over op den eerdeweg en ging op 't
+plankier en 't getrek hield overal stand waar hij eene deur openduwde.
+Heel dien morgen ging de nieuwe zandman de huizen af, zag er al de
+stille doeningen van de verschillige nette woningen met 't leven er in
+van gezapige, geruste menschen.
+
+Hij verwaterde van eetlust in den winkel van den beenhouwer waar de
+hepsen en schotels zwijnsvleesch aan de vertinde haken langs den muur
+hingen; hij praatte wat tegen de vrouw van den kleermaker en reed verder
+heel 't gebuurte af. De honden volgden hem over de straat en hielden
+stand voor elke deur.
+
+--Moet er zand zijn?
+
+Ze brachten hem een bakje, eenen korf of mandje buiten en de kerel vulde
+de ijzeren mate en keerde ze uit aan eenen stuiver.
+
+Hij was nu aan 't overleggen of Manes wel zoo nauw zijn zand gemeten had
+en of er geen mate aan kon vermeten worden zonder den stuiver er bij te
+doen. Maar hij betrouwde de sluwheid van den kerel niet en vreesde dat
+hij met een onbekenden draai het bedrog zou achterhalen. Er was reeds
+een groote put in 't reuzelende zeezand en heel de andere straat moest
+hij nog doen, den bakker, den winkelier, den smid,--in de Valke kreeg
+hij een pinte bier als hij een greep wilde toemeten, dat was 't gebruik,
+merkte de bazin. Voor de pastorij veegde Treite zijne voeten af,
+jufferde tegen de meid en hield zijne schele oogen neergeslagen;
+dezelfde beleefde houding herhaalde hij bij de meid van den dokter, en
+hij was in de overtuiging dat de klanten en Manes ook, wel tevreden
+zouden zijn over zijne goede manieren. Bij den burgemeester moest hij
+door een net hoveken achter een traliehek en Treite merkte in een draai,
+'t paar nieuwe kloefen die langs het bloemenwegelken stonden afgezet
+nevens de spade van den hovenier.
+
+--Zeezand! wit lijk tin!
+
+De meid kwam gestoord naar buiten en bij 't openstaan der deur hoorde
+Treite den hovenier in de keuken die zijne pinte bier dronk en een
+rookte. In denzelfden stond was de trek belegd, 't groeide als een
+onvermijdelijke drang: de overtuiging dat hij nooit eene gelegenheid
+mocht laten afgletsen en daarbij de aanlokkende bekoring om 't
+moeielijke van het waagstuk. Hij gaf den vollen schotel aan de meid
+terug en in 't ommegaan over 't steenen wegeltje, klopte zijn hert,
+zijne oogen loerden, en als hij de deur hard achter de hielen hoorde
+toeslaan, stond het besluit vast om uit te voeren. Zijne handen beefden.
+Nu is ze weer in heur keuken bij den hovenier, overlegde hij, en ter
+zelfder tijd, zonder ommezien, stoop hij om kwansuis iets op te rapen
+dat gevallen lag, en in 't rechtstaan hadden zijne handen de kloefen
+mede, hij hield ze tegen de borst en liet ze voorover in de kar vallen.
+In eenen draai waren ze onder 't zand gestopt, en Treite volgde zoo kalm
+mogelijk zijnen weg. Hij overschrikkelde vier huizen in de reek om
+gauwer weg te komen. Achter den straathoek hield hij nog eens stil en
+gooide nog een hoopje zand boven de kloefen en dan voelde hij den
+vreugdigen lust omdat 't spel gespeeld was en 't buitenkansje voor eigen
+rekening zoo gemakkelijk te veroveren viel.
+
+Bij de kerk hield Treite stil, zette zich nevens de kar op den grond en
+keek op 't uurwerk boven zijn hoofd. 't Was bijna noenuur en Manes was
+nievers te zien en nu kreeg Treite lust om te eten. Hij haalde den
+gestolen broodkant van onder zijn vest en begon te bijten. De honden
+lagen gerust uitgestrekt en bekeken den kerel en zijn brood met
+verwaterde oogen.
+
+De oude koster kwam uit de kerk, sloot de deur met den grooten sleutel
+en sukkelde al over 't kerkhof naar zijn huis. Dan roerde er niets meer
+rondom en Treite werd ongemakkelijk door de nieuwigheid van die rust op
+een ongekend dorp en verlangde er weg te komen. Een haan wandelde met
+zijne hennen over de grazing achter de beukenhaag en telkens hij op de
+verhevenheid van een grafheuvel stand hield, rekte hij den hals uit en
+wierp zijn scherp gekraai over 't stille kerkhof. De hennen liepen daar
+rond en keesden in 't gras zonder opzien, gestadig voort hun aas
+zoekend.
+
+En eindelijk toch kwam Manes van achter den hoek en wenkte naar de
+honden, om voort te komen.
+
+--We gaan een dorp verder, 't is hier gedaan. Ze sprongen op en de kar
+rotelde door de straat naar den overkant weer buiten de huizen.
+
+De zon was intusschen doorgekomen en onbewust was de vrees voor
+zeeverweer en regen bij Treite vergaan en onwetend genoot hij na van 't
+lustig voorjaarswindeke. Ze kwamen weer op den effenen weg tusschen de
+boomen. Ommelands lag er een andere wereld open, wijd en vlakt
+uitgemeten en al waar de kerel keek werd het nieuw land met kerktorens,
+huizen en boomen in de verte, en daarachter in de blauwte, vermoedde hij
+nog, diepere uitgestrektheid van ongemeten, onbewoonde landerijen.
+
+Manes vertelde nu wat er ook al te winnen was met door de dorpen te
+leuren met mosselen, wollen dekens, printen, biezen zetels, en dat 't
+scheerslijpen ook wel goede leefte bijbracht. Al die bedrijven zou hij
+aangaan als 't kapetaal hem naar ievers te grijpen viel. Maar Treite
+luisterde niet meer, zijn moed was overdaan door die hooge, opene lucht
+en de vlakte die overal rond en wijd zonder gezichteinder van huizen
+weerkeerde en hij langde inwendig om ontdaan te zijn van die wegende,
+zware stilte en verlatenheid, om ingesloten te worden door straten met
+huizen en drukke woeling van volk die hij niet missen kon. Al wat er van
+dien plotsen uitgang nu nog te lusten stond was het beloofde
+zwijnvleesch en de vreugde omdat hij onder den zandhoop een paar kloefen
+zitten had die de zijne waren en dat hij morgen goed geschoeid en droge
+en zonder pijn aan de voeten over zijn oude steegsteenen zou dretsen.
+
+--Zand! zand! zand zijn! zeezand! zong Manes bij 't inrijden van het
+nieuwe dorp. Ze deden nu elk eenen kant van de straat en vulden de mate
+overhands. Binst dat Manes bij den winkelier den koop besprak van een
+petrolvat, haalde Treite de gestolene kloefen van onder 't laatste
+zandhoopje en bond ze onder de kar met een touw aan den as tusschen de
+wielen.
+
+--Wanneer gaan we nu eten krijgen? hervroeg de kerel altijd bij
+zichzelf. De jongens kwamen reeds van school en stonden op een afstandje
+te kijken naar de geraamtemagere honden en wierpen stukjes van hunnen
+boterham om de gulzigheid van de hongerige beesten te zien.
+
+Maar als ze nu op eene verlatene kruisstraat buiten 't dorp kwamen,
+hield Manes ineens de hand uitgestoken naar Treite en:
+
+--Afrekenen, jongen, hoeveel stuivers?
+
+--Hier in mijn onderlijfzak ... en Treite telde 't geld in Manes' hand.
+
+--En in de andere zakken? 't Is hier al?!
+
+--Niets, mijn ziele 't ia al!
+
+--Overtasten jongen.
+
+Treite tastte en schudde al zijne zakken uit om te toonen dat hij geen
+roode munt meer op zich had, maar Manes stak dan zelf nog overal de
+handen in en poorde over Treite's lijf en bepootelde hem al buiten en
+deed hem nog de voering overkeeren van al wat hij voor kleeren aanhad.
+'t Geld hertelde hij en knoopte het met een mistevredenen grol in een
+beursje dat hij wegborg.
+
+--Nu gaan we den kost zoeken, jongen.
+
+--'t Wordt tijd, dacht Treite.
+
+Ze reden op de werf van een boerenhof en Manes trad stoutweg naar de
+huisdeur en binnen de woning en wat later bracht hij waarachtig twee
+stukken brood met vleesch er tusschen bij Treite die de wacht gehouden
+had bij de honden. Ze kropen in de opene schuur en muffelden met
+gulzigheid den geschooiden kost binnen.
+
+--Ja, 't is goed, goed, razend goed! meende Treite, maar zout, jongen,
+zout! en hij beet en scheurde met scherpen tand het brood en vleesch
+vaneen.
+
+--En de honden, Manes? leven die met zand of....
+
+--Wacht jongen.
+
+De werf lag nog verlaten, al het werkvolk was binnen aan het noenmaal.
+Manes ging een ketel met water putten, loerde rond en stool dieveling
+een half roggenbroodje uit de haverkist in den peerdenstal. Hij
+brokkelde het in den ketel en de vier hondekoppen grabbelden tegelijk
+om het zeerst en zwolgen haastelijk hun deel binnen.
+
+Dan kwamen de werklieden buiten en trantelden over de werf naar schuur
+of stal hun ruste zoeken. De koeiers en knapen naderden de zandkar.
+Manes kenden zij, maar den ander met zijn kreupel been, bekeken zij en
+begonnen met halfluide woorden en slimmen monkellach den raren Ko te
+begekken. Treite bleef onverschillig liggen staroogen en nu zijn buik
+zoo wel gevuld was, voelde hij zich goed en liet de kerels begaan. Hij
+ging eenen teug water drinken bij den steenput en drentelde over de
+stoep, stak het hoofd in de stallen en keek vol bewondering naar de
+ongewone doening overal rond. Daar bleef hij staan bij eenen kerel die,
+'t lijf achterover gebogen, gedurig poge deed eenen stuiver van 't
+voorhoofd in den trechter te laten vallen die in zijnen broekband stak.
+Den eenen keer gelukte 't hem den anderen keer niet en Treite volgde
+'t spel met groeiend belang. Andere kerels kwamen ook bij.
+
+--Kent gij 't spel met den trechter? vroeg de knaap aan Treite; als de
+stuiver er in valt is hij de uwe, maar valt hij er nevens, dubbel
+betalen.
+
+Treite stond een wijle verbaasd en te dubben; dat was iets nieuws.
+
+De kans beviel hem.--Een stuiver kan ik wel winnen, maar 't haar van
+eenen steen scheren, dat is wat anders; die niets en heeft blijft vrij
+van 't betalen!
+
+--'t Is aanveerd, jongens.
+
+Treite liet zich den trechter ia den broekband steken en boog zich
+achterover met den stuiver op 't voorhoofd; hij rechtte zich traag,
+loerde naar den top van zijnen neus en ... toen stroomde er plots een
+koude watervloed over zijnen buik en beenen en als hij nog ontdaan van
+schrik, te bibberen stond en lekende nat, schaterlachten de boeren met
+den bedrogen steeling. Treite bezag zijn eigene dommigheid, gooide, den
+trechter weg, ging kwaad worden, maar voelde medeen zijne onmacht; hij
+zou den dader toch eene oorveeg geven maar hij zag dat Manes de kar
+reeds bij de tramen had en de honden van 't hof leidde. Dan hinkte hij;
+achter, beschaamd van de dommigheid waartoe hij zich geleend had en
+kwaad om den bedrogenen uitval met den stuiver dien hij zoo gemakkelijk
+meende te veroveren. Zijn natte broek plakte hem koud tegen de beenen en
+hij was blij gauw op de kar en weg te komen.
+
+--Ge moogt de kerels niet betrouwen! loech Manes.
+
+Treite antwoordde niet en slikte zijne gramschap in.
+
+Ze reden langs een anderen weg weer naar het eerste dorp en daar laadde
+Manes de ijdele petrolvaten op die hij in 't doorgaan gekocht had.
+
+Dan tikte een vinger op de ruit van een klein net huizeke en als de deur
+openging, kwam een wijveke buiten en wenkte naar Manes.
+
+De kerel ging binnen en na langen tijd keerde bij weer buiten en droeg
+eenen baalzak aan de hand met iets er in dat spartelde.
+
+--g'En zult hem toch geen kwaad doen?! smeekte 't oud wijveke en ze keek
+Manes drukkelijk in 't wezen en vouwde de handen.
+
+--Als ze nu toch dood moet?! deed Manes verwonderd.
+
+--'t Is van loutere ouderdom dat ze blind is geworden, maar een goed en
+trouw beest was het altijd.
+
+Meteen zwaaide hij den zak boven zijn hoofd en sloeg hem uit alle macht
+tegen 't wiel van zijn karre. Een scherpe katteschreeuw uit den zak en
+een gillen van 't oud vrouwke dat op den stond was achteruit gewipt en
+in heur angstigheid de deur had toegesmeten.
+
+--'t Is gedaan, daar! en hij gooide den zak die nu slap bleef liggen,
+op de kar;--'t beest en kon geen zachter dood sterven! loech hij wreed.
+Jongen, da's nog een buitenkansje: een gebraden kater is lekker om eten,
+ik ken een poeldenier die ze verkoopt voor konijnenvleesch! en 't vel is
+ook een rond prijzeke weerd bij den apotheker.
+
+Treite stond verbaasd over de handigheid van Manes: wie zou er toch
+denken een blinde munt te slaan uit het lijf van een dooden kater?! 't
+werd den kerel ook in 't handje gegooid! en hij betastte den zak waar
+het dood beest vermorzeld lag.
+
+Dan kreeg hij voor zijn eigen den goeden inval; hij neep een oog toe,
+duwde den vinger tegen 't voorhoofd: maar, zwijgen, jongen, en voor u
+houden, Treite is ook zoo dom niet! en hij schuifelde een deuntje om
+niets te laten merken.
+
+--Kunt gij lezen, jongen? vroeg Manes in 't voortrijden.
+
+--"In de Blinde Vink, verkoopt men drank," spelde Treite en wees naar
+'t uithangbord aan de herberg nevens de bakkerij.
+
+--Goed, meende Manes, 'k zal u gebruiken, jongen, in mijnen handel, en
+daarop neep hij de lippen met gemaakten ernst en geheimzinnigheid, 't
+geen bedieden wilde dat hij mocht gerust zijn: 't ander zou hij hem
+later wel zeggen.
+
+Ze reden naar de brouwerij waar Manes ook al zaken had af te handelen.
+
+--Treite, blijf hier bij de honden, 'k kom aanstonds.
+
+Maar Treite stond zoolang bij de honden tot het hem verdroot. Daarbinst
+overlegde hij dat 't oogenblik nu best was: hij miek de kloefen los
+onder de kar en stak ze haastig bij den dooden kater, bond den baalzak
+weer dicht en legde hem onder de bank al den kant waar hij op de kar zou
+zitten in 't naar huis rijden.
+
+--Dat is nu veerdig, meende hij en loerde nog of 't iemand gezien had.
+Dan kwam hij eenen stap t' eenegader tot in de poort bij den wijden
+keldermond en als hij 't hoofd binnenstak zag hij de dikke tonnen
+gereekt op schragen en 't schuim dat uit de opene bomgaten over de ronde
+tonnebuiken in de gistkuipen neerzeeverde. En de knechten gingen daar
+rond en goten uit koperen kannen het bier weer op. Hij keek en naderde
+eenen stap nederwaards en dan winkte hem een knecht en reikte hem de
+volle kanne bier. Treite zette ze haastig aan den mond en zoop zoolang
+hij zwelgen kon, rustte om te verademen en herbegon op een nieuw. Bier!
+zooveel en had hij er nooit en hij wilde 't al uitdrinken om dien
+enkelen keer in zijn leven dat hij de kans vrij had. De knechten loechen
+en zetten hem aan. Als 't hem langs zijnen mond over de borst liep en 't
+niet meer door zijn keelgat wilde, liet hij de kan zinken.
+
+--Zuip, kerel! zuip toch! riepen zij.
+
+--En als ik, verdimme, niet meer en kan!
+
+'t Was de eerste keer van zijn leven dat Treite iets laten staan moest;
+hij veegde 't vocht van zijnen mond en kroop spijtig de trap weer boven.
+
+Manes rolde de gekochte oude vaten op straat en ze werden achter en
+onder de kar gebonden zoodat 't voer wel aan een wijd geladen schip met
+ballast geleek. Treite gebaarde te helpen, duwde om 't evenwicht te
+zoeken en kroop er met groote moeite boven eene ton; de warmte steeg hem
+naar den kop en de doezeling overviel zijne zinnen: hij voelde zich
+wegvoeren door 't dorp en de doode straat, hij zag nog dat 't duisterde
+rondom op het land, maar gerocht allengs zijn menschelijkheid verloren.
+
+Manes vertelde hem ernstig voort van handelszaken, doch Treite vatte er
+den zin niet meer van en had geen moed nog te antwoorden.
+
+Hij zwom in een lustigen roes die hem dreef om te lachen, te zingen en
+welgezind zijn luide leute los te laten. Hij lag achterover tusschen
+twee tonnen gevallen, de beenen hooger dan zijn hoofd en hij tierde om
+'t door heel de wijde vlakte te laten dreunen, het liedje dat hij van de
+landsche kermisgasten die in de postkoets 's Zondags naar stad
+rotterden, ergens gehoord had:
+
+ Rijen, rijen
+ Dat is pleizant!
+ Zoo te rijen
+ In de vigilant!
+
+Als 't uit was, herdeed hij het opnieuw met verschen moed en luider,
+alsof het altijd den eersten keer, ofwel een ander klauzeke van 't
+zelfde liedje was:
+
+ Rijen, rijen
+ Dat is pleizant!
+ Zoo te rijen
+ In de vigilant!
+
+Hij was in de meening dat zijn gezang nog altijd voortgleed, maar hij
+hoorde zijn eigene stemme niet meer, noch 't rotelen van de kar of iets
+anders van al wat er roerde of leefde op de wereld. Hij werd dooldravend
+meegesleurd over dorpen en velden en de stad was verzonken en niet meer
+te vinden.
+
+Aan zijne ooren zat Manes te zagen over zijne winst, en van de dingen
+die hij aanvangen zou als hij het kapetaal zou vastkrijgen dat zijne
+moei hem moest achterlaten, en hij wist nu zeker dat die moei ver, in
+eene vreemde stad woonde en stokoud was. En de davering wiegde Treite al
+dieper in slaap en deed al die dingen gekkend dooreendansen over 't
+donker land in den wilden avondwind, al weerskanten van den breeden weg.
+Maar opeens voelde hij eene hand over zijn lijf gaan, tastend in zijn
+vest, onder zijn hemd, in zijne broekzakken; hij loech inwendig en liet
+haar doen en ontwiek met de overtuiging dat Manes naar stuivers zocht
+die er toch niet te vinden waren. Daarmede hervoelde hij de kille
+vochtigheid van zijn natte broek. Hij opende de oogen en zag de
+gaslanteerns en veel menschen die over de straat gingen: hij was plots
+weer in stad getooverd! Hij zocht te weten wat er haperde, waar hij was
+en dan herkende hij de steenen pomp aan den straathoek. Daarmede kreeg
+hij de herinnering aan den baalzak, hij zocht met de hand en hield hem
+vast omsloten en gereed.
+
+--Aan de brug, neen daar brandde juist de helderheid van een gaslicht en
+daar was ook te veel beweging van voorbijgangers. Hij wachtte. Nog twee
+straten verder reden zij, tot aan den spoorweg; langs de zwarthouten
+paalstaken lag een breede streep duisternis. Het Tuinstraatje waren ze
+reeds voorbij. Nu moest het ... want 't stapelhuis was maar eene straat
+verder.
+
+Treite draaide den arm al onder weg en gooide den zak over de ton, hij
+zelf hoorde den lichten plof--Manes merkte niets.
+
+--Aan de derde lanteern moet ik er af.
+
+--Tot de naaste reis.
+
+--Lijk we gezegd hebben, jongen.
+
+Manes hield de honden in en Treite wrocht met moeite de beenen uit de
+kar. Hij stond stijf en keek een stonde tot 't getrek was voortgelutst,
+sloop dan naar de donkere vlek langs de palen en tastte naar den zak.
+Nu miek hij een neus achter Manes, krulde zijn lijf met ingehouden
+stuiplach, sloeg op de bil.
+
+--Zie-j'hem gaan, den slimmerik! tierde hij en borst nu los in eenen
+schaterlach. Hij haalde zijne kloefen er uit en stak de oude,
+doortordene nagelvooze schoenbrokken bij den kater en gooide den kluts
+over den schouder. Hij stampte met de houtene blokken over de steenen,
+preusch lijk een kind, naar zijn koolkot. Hij was overdanig blij dat hij
+vandage zooveel geleerd en gezien had, maar 't voornaamste nog was zijne
+welgezindheid om het buitenkansje: de kloefen en den dooden kater.
+
+--Ha kerel, morgen wordt ge 't vel afgestroopt en er zal geld afkomen!
+
+Hij wist bij zichzelf wat duivelsch fijnen toer hij gespeeld had en
+loech nu wel met al de gerekende knapheid van Manes' commersie.
+
+Eer hij nog sliep roesden reeds al die trage, stille dingen van den
+buiten door Treite's hoofd en hij bouwde nu zelf een slimmen handel op
+en hij meende iets gevonden te hebben, sterker dan al wat Manes had
+kunnen uitpeinzen en dan nog zonder daarvoor te moeten naar buiten
+loopen!
+
+--Katten, jongen, katten! maar 't krielde er van in de steeg, ze liepen
+de vensters uit, de daken op en schreeuwden bij nachte lijk kleine
+kinders in pijne. En 't was drommels dood gemakkelijk: een strop op den
+zolder leggen, een in 't koolkot, een op 't dak en de vette, ronde
+katers zouden er in loopen; ze waren al gevild en verkocht--de vellen
+aan den apotheker en 't vleesch, als echte konijnen, gekuischt en
+opgespannen; de poeldenier zou ze nooit uitkennen! Maar opeens grijnsde
+hem die gevilde, ronde katerskop toe uit de donkerte, de diep uitgeholde
+oogpunten blekten en de tanden stonden naaldefijn in den openen muil, en
+uit eenen kop werden er tien eerst dan wel duizend, overal zotgekkende
+katerskoppen op dat gevild konijnenlijf en ze loechen om Treite's fijnen
+streek die nu ontdekt was, belachelijk gemaakt; en wat hij al zocht om
+'t spel een anderen draai te geven, met die koppen kon hij geen raad
+vinden.
+
+--Manes zal daar middel mede weten! dat was nu voorloopig de uitkomst en
+daarmede troostte hij zich in afwachting.
+
+Dan eindelijk kon hij inslapen en rusten van dien vermoeienden dag in de
+dikke, opene lucht.
+
+
+ * * * * *
+
+
+SINT-JAN
+
+
+Als de noenestond stil was uitgeslapen, keerde Jan door den gloeienden
+midzomerdag gaan werken op 't land. En de jonge vrouw bleef alleen met
+heur twee jongens koele in 't huizeke.
+
+Den langen achtermiddag zou de zon weer over 't veld hangen, hooge en
+branden op de vruchten.
+
+'t Was tijd nu om te werken; zij weerde den goeden vaak van daareven en
+rekte om de lamheid te ontdoen die met de drukkende warmte haar in de
+leden woog. Zoo stond ze, plat barvoets op den steenen vloer in de
+kleine woonkamer en bleef wat kijken nog door 't open venster daar de
+bloemen warm bloeiden. Op 't uurwerk lag voor haar 't gebod van
+voortdoen; zij geeuwde en kwam eerst nog bij de wiege kijken waar de
+kleine jongens te slapen lagen. Zoo schoone, zoo poezelig vet lijk
+mollekes gezond te slapen nevenseen. Hunne armkes lagen nog geplooid
+naar 't spel, voor den vaak ze kwam vastleggen en de vingerkes waren
+geloken tot kleine vuistjes. Zij dubde om die handjes te grijpen en te
+kussen nog nen keer terwijl ze alleene was, maar nu wilde zij hen niet
+wekken: zacht laten slapen, en kijken, kijken alleen, met de oogen
+streelen. Zoo schoon, zoo kriekeblozend rond gewangd was haar schat!
+Daar lag nog den monkel op 't eene zijne lippen en de putjes waren nog
+in zijne kaken. 't Andere lag met een ernstigen trek om den mond, als
+een oud manneken in gedachten verslonden. Moeder stond en keek en ze
+glimlachte.
+
+--Toe 'k moete voortdoen, dwong heur gedacht weer, 't is zaterdag en
+Sint-Jan vandage en daarbij overrekende ze al heur werk. Dat schudde
+haar los, ze boog en kuste in onbedachte beweging de mollekaakjes zacht,
+diep duwend de lippen in 't malsch, koele kindervel. Ze dekte bezorgd de
+wiege toe met 't gebloemde doek voor de vliegen en ging haastig in de
+weefkamer werken op 't getouwe.
+
+--Den lap af tot aan de tweede smette, was heur voornemen, dat was de
+duur van een heelen achtermiddag; met dapper te werken kon ze tegen den
+avond gedaan krijgen en te vespertijd nog de kinders te zuigen geven en
+heur Jans besteek gereed doen.
+
+Hij mocht er niets af weten; de verrassing was de helft van het feest.
+En zoo regelde zij voort in hare gedachten om 't fijne te vinden hoe
+alles best geschikt. En terwijl zat zij te midden op de planke en heur
+voeten wrochten op de geterden en heur handen snokten den tap en de
+lade. En heel 't gedoen kwam in drukke beweging; daarmede was 't gerucht
+plots door die stilte gevallen en na 't verschot bedaarde 't nu wat als
+iets dat gewoon door de kamer klabetterde en altijd geduurd had. De
+spoelen rolden kruisend al snorrende over en weer en latten wisselden en
+sloegen onder 't gestamp van de geterden, dat alles op gemeten slag en
+geklets dat galmde naar buiten.
+
+En voor het venster, over 't wijde veld, schong de zon, lijk al de
+dagen, eenbaarlijk zonder vergaan, in een perelblauwen hemel en er dreef
+een vlugge windeke van buiten naar binnen. De blijheid lag in kleur over
+'t hoveken rond het huis. De rijpe krieken lonkten lijk oogen rood onder
+'t loof van 't jonge boomken. In reken, van weerzijds het wegeling tot
+aan de eerdestraat en rond en rond, stonden de bezietronken zwaar
+geladen, de groenselperkjes door de dikke berkenhage omheind. En
+daartusschen schetterde 't kleur van de bloemen. De lelien luidden hoog
+'t wit uit de opene kelkklokken en stonden gesnoerd aan rilde stammen
+die wiegelden genadig bachten 't vlammende rood van de stokrozen hooge
+geritst de ronde ballen en geklest aan rijzige persen. De leeuwenmuilkes
+lonkten laag langs den grond, kleurspetterend blauw, rood en geluw;
+verder een reke thijmstruikjes in gedempt groen; een bussel anijs in
+fijne sprieteling als een groene haarbos luchtig open, verwaaiend en
+gedoken aan den voet, door viooltjes dikke dooreen in duizend kleuren:
+Sint-Pieter-lelien schel uitstekend het geel van hunne kelken tegen 't
+zware gestruik van de dahlias en pioenen. Dat stond allemaal verschillig
+de wegels zoomend en elk tierde in vroolijken groei tegen de blijde
+zonne. De wijngerd berankte de muren onder de euzieen en dekte 't witsel
+en de vensterboorden met zijne groote plakbladeren. In 't midden stond
+de oude vlierboom, gedaagd en krom gebogen, knuistig over den steenput
+en dekte 't water met koelte en lommer in een donkere spelonk, maar al
+den bovenkant ter zonnewaard, lagen de vlakke, ronde, witte zaadblommen
+open als handen zoo groot en strooiden de goede vlierreuke rond.
+
+'t Getouwe kletsklakte, de vogels zongen en als de jonge vrouw buiten
+keek, zag ze hoe de wind heel de groeite en heel dien bloesem kwam
+verwemelen en leven doen: al de kleuren mingelmangelden dooreen, dansend
+en neigend de stengels en de bloemen daarop: 't rood van de rozen boven
+'t wit van de lelien en 't purper van de vette pioenen--met gevezel van
+bladeren die den reuk opjoegen en 't bloemenstof, omhooge in 't goud van
+den zonnezomerglans. De bijen en de verwige, bonte vlinders
+fladderwiekten van blomme te blomme of speelden twee en twee met
+klepelende vlerken op en neer tegen de ijle lucht. Ze voeren weg over 't
+huis naar de breede koornvelden en 't aardappelland, maar deden weer
+een ommedraai en keerden naar 't hoveken onvermoeid hun spel hernemend.
+Heel die blijde, kleurige, warm spetterende, stilvaste, levensvreugde en
+al dat zonnegelonk speierde uit met den reuk van rozen en reseda door 't
+open raam de weefkamer binnen; de vogels schetterden in den vlier en in
+den kriekelaar; 't getouwe klikkakte op luchtigen maatstap mede met de
+geruchten van buiten. Onbedacht en eenstemming met heur omgeving, zong
+de jonge trouw dat 't helmde door al de schatering rondom heur hoofd,
+een liedje uit haar geheugen:
+
+ Wat is de zee al zonder water,
+ Wat is een meisje zonder lief?
+ Helaas zij ondervindt er later
+ De schande van en 't groot verdriet!
+
+Dat kwam boven gewalmd als eene noodzakelijkheid waaraan zij gewillig
+toegaf. Die woorden rolden gereedgemaakt, ongewild uit heur keel, zonder
+dat ze aan den inhoud dacht; ze genoot onbewust van haar vrije, diepe
+moederweelde, heur overvoldanen rijkdom, heur eigen jong fleurig leven
+eerst en 't dubbele van heur zelf: de twee ontbotte, nuchtere
+keestjes--Jantje en Pierke, heel heur wonne, de spartelende knaapkes met
+heuren Jan zijn oogen en heur eigen blonde haar. Al dingen van geluk
+waar ze keek of de gedachten wendde.
+
+Heur handen wrochten en heur voeten torden op mate van 't eigen geruchte
+van getouwe en lied en ze voelde bij elken ademtrek de warmte van buiten
+en den bloemenreuk. Anders was ze alleen en in groote eenzaamheid en
+verlangde naar t'avond en naar Jan en naar 't blijde spel van den
+feestdag.
+
+De spoelen gletsten vlijtig en de latten schrankten en 't stuk
+blauw-en-rood geperkte doek groeide trage, trage achter 't slaan van den
+kam uit het vormelooze garenspan en bij tijden rolde ze het op den
+dikken boom. Aan de laatste smette moest ze komen vandage eer ze den tap
+zou laten schieten en in die afwachting schoof de tijd in de stilte, met
+aanhoudend, luidruchtig leven buiten en binnen. Achterna begon het al
+mede te werken op mate van den ladeslag: gewiegel van bloemen op den
+wind en geflodder van vogels en vlinders, in leute onverpoosd.
+
+ Het zijn al vrijers in mijn' oogen:
+ De blonde knapen, de jonge kerels fijn.
+ Wacht u wel voor hunne logen
+ Want de besten zitten vol venijn!
+
+Dat stond met woorden en slependen zangdraai vergroeid, een geworden
+door langen duur en menig herhalen en dat herbracht als met eene
+windvlaag, heel haar jongen tijd tegenwoordig: 't gevoel en 't gezicht
+van de blijde zotternije midden 't druistig werk met andere meisjes, in
+'t vlas of elders op 't land, onder den grooten zonnehemel. Van den
+inhoud der woorden was er door 't danig herhalen, maar schaars een vage
+verstandenis haar bijgekomen, de voois met onveranderlijke woorden
+samengegroeid tot een vorm: de aanvang klonk als een vermaan van
+grootmoeder over een heel dorp van dansende jonge meisjes waarop niemand
+en schafte; later eerst moest de uitkomst bewijzen dat grootmoeder
+gelijk had en de meisjes gingen weenen om hunne zotternije. Op den
+zelfden sleeptoon sprong het liedjesverhaal zonder overgang, in een
+ander land op een kasteel van groote heeren, als in een vertelsel.
+
+Daar was intusschen iets gebeurd waarvan het liedje niet en gewaagde en
+alles raden liet, maar de zangster en vermiste de achtergelatene
+klauzekes niet omdat ze haar niemand en leerde en 't bedied bleef toch
+al even duidelijk.
+
+ Zij ging het aan haren vader vragen:
+ "Vader vergeef mij voor dien enklen keer!"
+ En heur brave moeder moest nu dragen
+ Den zwaren last van groot hertzeer!
+
+Hoe bondig de verzen vertelden, heel het verloop der gebeurtenis lag er
+in bloot: het meisje stond er duidelijk in de verbeelding der zangster,
+te weenen onder den last van 't groot verdriet en ieder wist nu maar al
+te wel heur schande.
+
+'t Begon haar zelf naar de keel te gaan al zong ze het liedje duizend
+keeren en zonder bedachtheid, klonk het altijd zachter, 't derde
+klauzeken:
+
+ De vader sprak met sture woorden:
+ "Marie-Sophia trek maar uwe schuit van kant,
+ Want in mijn huis zijt gij bedorven
+ En nu moet ge uit uw vaderland!"
+
+En blijder, inniger ging het nu weer, alsof er niets gebeurd en ware,
+de eerste twee reken, een zonnig huizeke was 't rondom in 't groen.
+
+ En voor haar deur, daar lag een warandeke
+ Waar zij alle dagen haar voetjes wascht;
+ En zij dacht al bij heur zelven:
+ 'k Zal mij versmooren in dien waterplas.
+
+ 's Morgens vroeg al bij het klaren
+ Is heur vader tielijk opgestaan;
+ In dat warandeke waar hij ging jagen
+ Kwam die wreede ramp voor zijne oogen staan.
+
+ Hij riep: "Ach, Heere, waar is zij toch belonden?
+ Is dat Sophia mijn eenig kind
+ Die hier ligt in 't nat verslonden?
+ Straf mij Heere! 'k heb het wel verdiend!"
+
+ Daarop heeft hij zijn eigen roer genomen
+ En gedrukt al tegen zijn rouwig hart;
+ Daarmede heeft hij zich het leven ontnomen
+ Omdat hij bezweek van pijn en smart.
+
+Ontlastend troostte het slot en blijder weer klonk het met vlijtiger
+stemme:
+
+ Sa, jonge meiskes, al voor het laatste,
+ Al voor het sluiten van mijn treurig lied,
+ Als gij wilt vrijen, doet maar uw beste
+ Of de jongens brengen u in groot verdriet!
+
+Ze wachtte en luisterde omdat ze meende gerucht te hooren bij de wiege,
+en ze keek hoe ver de lap gegroeid was. De zonne was middelerwijl
+gezonken en brandde nu heur goud schuin in warm groen over de blaren,
+met dikke schaduwvlekken. De bloemen stonden stil en de vogels speelden
+en waren doende in eigen genot. De rust daalde merkbaar met de koelte
+van den uitslependen achtermiddag. De deun van haar eigen lied
+weerhoorde ze nu met den voois van een trekorgel daarbij op een feest of
+kermis ievers en ze voelde de deernis van 't weemoedig vertelsel door de
+luide lente en 't gegiechel der omgeving, als bij 't overdenken van een
+ongeluk dat lange geleden en verre gebeurd is.
+
+Maar dat vage, vergeten ongeluk deed haar dubbele deugd om haar eigen
+voldane leven: haar eigen groene warandeke met den waterplas, onder den
+koelen vlierboom en heel haar leven van nu, mengelde en werd--hoe net
+ook--te verschemeren in de zaligheid van een oud liedje. Ze kon het niet
+meer uithouden, 't kwam op als een vloed, ze wipte van de zitplank en
+met de armen open al, sprong ze naar de wiege.
+
+Ze lagen wakker met oogen groot open en staken de armpjes uit om
+opgenomen te worden.
+
+--O, mijn deugnietjes, alletwee! en moeder hief ze op en duwde ze tegen
+heur lijf en kuste hunne beslapene wezentjes overhands.
+
+Ze zette zich op den stoel en eer ze heur wijde jakke open kreeg,
+woelden en zochten de kleine handjes in de plooien om de bloote borsten
+te vinden; zij grepen ze vast en lokten gulzig. En zoo zat moeder, met
+haar kleed en de knieen open, de voeten op een anderen stoel, geduldig
+te geven heur rijke melk. Zij hield de handen om de ronde kinderlijvekes
+bloot op hun hemdeken en bekeek zichzelf en de twee dutskes die met
+gelokene oogen, neerstig hun voedsel binnenhaalden. Ze voelde hunne
+buikjes op en neder gaan bij 't zwelgen en ze loech om 't aardig vertoog
+van heur eigen zitten en genoot de deugd en de ontlasting in de gegeerde
+bezigheid. Als de twee molletjes hun bekomste gezogen hadden, duwden zij
+met de handjes de witte borst weg en wendden het hoofd om te rusten.
+Maar moeder bleef zitten nog met voldoening; ze rechtte Jantje op haren
+knie en Pierken op den anderen, schikte de hemdekes over hun lijf en
+speelde en dreelde met de opene hand daaronder over de malsche billekes,
+knikte en loech hen tegen, deed ze lichtjes wippen en leerde hen
+"Moeder" zeggen en "da-da" knikken. Ze plooiden hunne lipjes open en
+daarom kuste zij weer met volle grepen hunne kleine mondjes en oogen
+toe. Ze voelde eenen wellust waarbij heel de wereld verging.
+
+--Weer in uw wiegkes nu, mijn poezele ratjes, vader komt t'avond, en
+slaapt nu schoone! Ze koutte bij al heur doen als tegen groote kinders
+die 't al verstaan en begrijpen konden.
+
+--En nu moet ge stilliggen, 'k ben aanstonds weer. Ze douwde en neuriede
+een wiegeliedje om ze in slaap te krijgen. Maar hij was verre weg de
+vaak en ze bleven liggen wentelen en spartelden ongedurig met armen en
+beenen. Daarbinst verliep haren kostelijken tijd zonder dat 't werk
+vorderde.
+
+--Ziet dat ge u zelve paait! en ze dekte de wiege toe en keerde in de
+weefkamer en snokte er vlijtig om de smette te krijgen.
+
+De twee schijterkes gingen luide aan 't schreeuwen en moeder zong door
+al 't geklets van heur getouwe:
+
+ Langs een groen heidetje kwam ik getreden
+ Langs een groen heidetje kwam ik gegaan
+ 'k Was in mijn hemdetje
+ Van tik tak, tik tak hemdetje
+ 'k En had geen rokjes aan
+ Van tik tak, tak!
+
+Zij zong en herzong die reken en zong ze nog als de jongens lange
+sliepen en de vogels al zwegen buiten en de zonneschijn laag nu pinkelde
+door de groene blaren. Dan kreeg zij eindelijk de gelangde smette! 't
+Werk was af! Ze wond het goeds op den boom en kwam voorzichtig op de
+bloote voeten in huis, hief den tip van 't doek op boven de wieg en vond
+de jongens vast in slaap.
+
+--Nu, binst ik alleene ben, meende zij en haalde geld uit de schuiflade
+en liep haastig, half gekleed lijk ze was, door 't hoveken over de
+straat. Ze sprong als een vlug meisje dat 't zand achter hare voeten
+opvloog en in de weerdij van vijf stonden was ze in 't winkelken op den
+knok bij Dule Trame.
+
+--Dule, spoed-u, jong, een kilo toebak.
+
+'t Oud wijf zat te spinnen en keek onder hare brilglazen over den disch.
+Ze stond op en zocht naar gewichten op de vensterbank waar al de
+winkelwaren lagen uitgestald en reikte traag, met stijve, oude
+bewegingen naar den tabakkorf.
+
+--Een kilo toebak en twee roeten keerskens, en twee lange, steenen
+pijpen; 'k moete mijnen man besteken, en seffens komt hij thuis; hij mag
+het niet weten.
+
+--Ha! 't is morgen Sint-Jan, knikte de oude Dule. Zij pekelde de lange
+drendels tabak af en toe in de weegschaal en sneed twee keerskens uit
+den reesem en reikte twee pijpen uit den steenen pot. Dan leunde zij met
+de ellebogen op den toog in 't voornemen een beetje te kouten met Wieze,
+in 't afgaan van den dag.
+
+Maar Wieze telde haastig het geld, wond de winkelware in heuren
+voorschoot en hield de pijpen weigerlijk in de hand.
+
+--Dule, tot morgen, na de mis! en op een loopken was ze al buiten op
+straat om zoo gauw mogelijk bij de jongens te zijn die alleene waren.
+Heur herte klopte van gejaagdheid en vreugde. Een mei zou ze maken en
+de pijpen pinten! 't Was zoo wonderwel gevonden en 't paste zoo goed:
+Sint-Jan op eenen Zondag! Zij voelde de blijdschap kriewelen inwendig
+bij 't gedacht aan Jans wezen morgen uchtend als ze voor hem zou staan
+met heur jeunste! en heel den Zondag om te rusten thuis.
+
+De kindere lagen even stil toen ze binnen kwam en nu ging zij aan de
+belangende bezigheid. De tabak deelde zij open in een ronde teele,
+plantte er de twee keerskens in en trok donkerkblauwe en purpere
+dagsterren en wond er de binderanken als een kroone om den boord. Dan
+sneed zij eene mand vol van de schoonste bloemen en zette zich plat op
+de zulle in 't deurgat om den mei te binden. Eerst de bloeiende vitsen
+met anijskruid gemengeld en wilde roosjes wond ze rond de lange
+pijpstelen en legde ze kruisgewijs in de tabakteele. Nu de groote,
+ronde boererozen, zenia's, lijk kleursterre, violiers dikke gereesemd
+wit en blauw en rood. Ze koos met de oogen en herschikte de bloemen
+volgens tinte en kleur in den groeienden bos. Ze hield hem uitgesteken
+tenden den arm, herstak eene goudbloeme hier, eene lelie daar, duwde den
+neus met wellust in de reseda om den goeden reuk volop te genieten en
+wrocht voort; het fijne pluimgras--lijk pereltjes aan dunne
+sprietjes--vormde een luchtig afzetsel rond en rond en de floksen
+bengelden hunne roode klokjes daartusschen. Ze knoopte de stelen met een
+bieze toe en zette den prachtigen rieker in het goud-bebloemd kommeken
+met water. En nu alles weggeborgen onder de kannebank in de waschkamer
+en 't bord daarvoor en een stoel daartegen en Jan zou wel niet merken
+dat er iets gaande was.
+
+Ze klom op den boom nog en trok een mandeken krieken en dook ze bachten
+de bedsponde.
+
+--Nu is 't al veerdig! meende zij en haastig bracht ze 't koperwerk
+buiten en schuurde het met zand en zurkel en legde het, afgespoeld,
+blinkend lijk nieuw goud, te drogen op de hage. Jan mocht nu komen.
+
+Ze was al neerstig aan 't werk rond den heerd voor 't avondeten en Jan
+hoorde haar van op strate, vroolijk het oud liedje zingen:
+
+ Wat is de liefde wonderbaar in hare werken!
+ . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
+
+Hij zette zijn alm aan de deur, klopte zijne kloefen af en kwam gestopen
+onder 't lage deurhout, stil in huis. Zijn eerste stap was naar de
+wiege, maar moeder deed haastig teeken om hem te weerhouden.
+
+--Laat ze, ze zijn pas in slape, Jan. Ze zullen schreeuwen heel den
+avond.
+
+Dat was 't minste van de reden: ze was eigenlijk jaloersch als ze er
+niet bij kon zijn om te spelen.
+
+Aan 't lage tafelken aten zij den mageren avondkost met goeden smaak.
+Wieze koutte alsaan, opgeruimd en vervroolijkt omdat ze samen thuis
+waren. 't Andere hield ze met moeite binnen en ze vroeg naar 't werk en
+de groeite en naar 't weer en naar duizend andere dingen nog, blij lijk
+de jongens omdat 't morgen Zondag is. En Jan, met zijn ernstige, grove
+tale daartusschen, zag door haar blinkende oogen 't gedoken spel en
+raadde de heimelijke doening die morgen, zooals alle jaren, zou bloot
+komen, maar hij gebaarde zich onwetend en hield zijn tevreden monkel
+onder den knevel gedoken en liet haar 't genot daarvan alleen.
+
+Na 't eten wandelde hij naar buiten door 't wegelke en rookte eene pijp
+om den avond te zien. Hij leidde de jonge boonranken op, weerde 't
+kruid uit de groenselbedden en goot water op de tabakplanten. Als hij de
+vrouw hoorde schuren met den bezem over den vloer, ging hij stille en
+haalde een mande uit 't achterhuis en sloop bachten den gevel naar 't
+aardappelveld. Hij dook zich achter 't hooge koorn en woelde met de
+vingers de eerste balken open. Ze waren nog jong en heel kleine, lijk
+blinkende bames-pruimen, de muizekes, maar morgen moesten ze proeven van
+de nieuwe vrucht, dat was gebruik op Sint-Jan. Hij weerde 't wakke loof
+en zocht dieper; de mulde eerde stroelde tusschen zijne vingers en zoo
+vischte hij de mande vol jonge aardappels.
+
+Hij keerde lijk hij gekomen was en hing de kostelijke eerstelingen hooge
+aan de ribben in 't achterhuis en rookte bedaard een tweede pijp al
+wandelend in 't wegelke tusschen de bloemen die bedauwd, nu sterker
+geurden. Wieze zat op den grond voor de deur met de twee kinders op den
+schoot en gaf ze te zuigen.
+
+--Maar Jan, wat schoone avond! Ze deed hem kijken door de opening van 't
+hof, tusschen de twee linden naar 't Westen, waar de lucht gewolkt zat
+en over 't land, verre, door de vallende deemstering, waar hier en daar
+de vuren brandden op de hoogten en de rook in dunne streepkes, recht
+opging en verder in lange dunsels, uitgerekt bleef hangen over de
+vlakte. In de avondstilte ging 't geschreeuw van de knapen en daar de
+vlamme in klaarteglans opsloeg, dansten de zwarte gestalten in ronde al
+zingend af en toe en hunne stemmen galmden van den eenen smeulhoop naar
+den anderen:
+
+ Maakt vier!
+ Stookt vier!
+ Sinte Pieter komt alhier!
+
+En veel verder, half gedempt en overwauwd door 't huilen van honden, den
+lang gerekten schreeuw uit de duisternis:
+
+ Leve Sint-Jan!
+
+Dat was de feest-avond, de viering over heel het land. Jan en gebaarde
+er geen woord van en Wieze speelde met heur kinders en ze keek gedoken
+hoe de groote sul met een bundel rijshout in de armen naar den knok ging
+en daar ook het vuur aanstak. De groote vent, hij stond alleen en zwart
+en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte
+met versche groenigheid om veel rook te maken. Heel de streek geurde er
+van en verre hoorden zij de gebuurs den nieuwen laai begroeten met blij
+getier. Rechts en links ontbrandden nieuwe lichtjes, 't werd een kring
+den einder rond en bij sommige reikte de gloed hooge, zoodat de zwarte
+boomen er door gehelderd stonden verre in den omtrek. Uit den hemel
+daalde de dauw van den koelen avond daarover en de deemstering dook het
+al uitgeweerd de vuurkes die pinken bleven als gevallene sterren.
+
+Wieze legde dan de twee bemels in de wiege en ze ontstak de keerse voor
+'t lieve-Vrouw-kapelletje; Jan kwam ook in huis en ze sloten de deur en
+lieten de wijde eenigheid en den avond buiten. Geknield en stil lazen
+zij hun gebed. De woorden die ze daarna nog spraken ondereen gingen
+zoetjes, ingehouden om de ruste niet te storen die omendom al begonnen
+was en ze legden zich bachten 't blauw behangsel, in bedde hun moede
+leden te rusten.
+
+In 't donker en in 't stilliggen eer ze sliep, bedacht Wieze hoe morgen
+in de vroegte Jan te verrassen met den feestelijken besteek waaraf hij
+niets en wist. Zij verlangde lijk andere jaren en voorvoelde reeds uit
+verledene herinnering, den blijden afloop van de doening. Wanneer ze nog
+een klein meisje was, blonk die sint-Jans-dag als de groote gebeurtenis
+waar ze 't heel den zomer op gemunt hielden om te dansen, te zingen rond
+den vuurhoop; en nu viel dat samen met 't feestevieren van dien naamdag
+en de oude indruk was nu nog bijgebleven en vermeerderd tot een hoogtij;
+van genot, die sterk in 't jaar geteekend stond als een groote klaarte
+van blijdschap. Dat verdiep telkens zoo kalm, zonder beslag of luide
+roepen nu, maar innig en welgezind werd dat herdacht als eene
+hernieuwing van hun huwelijksfeest.
+
+De twee mollige, gezonde knaapjes had se er sedert bijgekregen als eene
+onverdiende belooning in heur leven, met al 't genot dat ze niet
+verzwelgen kon en dat bebloemde al het werk en de rust van alle dagen:
+hare kinderkes die ze handelen en kussen mocht en groeien zag in de
+stilte, terwijl Jan haar alleen liet en ging werken op het land.
+
+Al die uren van den verledenen dag herleefde zij weer geleidelijk: het
+versch gebeurde van de kleine, gewone voorvallen speelde zich duidelijk
+af en dan verwischte dat allengerhand in de beginnende dommel-duizeling
+van den slaap, waarin ze verzwijmde met 't vooizeke nog en de woorden,
+die weerkeerden en zongen in haar slappe zinnen:
+
+ En voor haar deur, daar lag een warandeke
+ Waar zij alle dagen haar voetjes wascht;
+ En zij dacht al bij heur zelven:
+ 'k Zal mij versmooren in dien waterplas!
+
+De vroege klaarte van den nieuwen dag hing over 't veld met de wakte in
+de lucht van dauw en damp, en 't geurde sterk naar bloemen en den rook
+van 't gedoofde feestvuur, en Wieze wist niet hoe en waarom al de dingen
+zoo nuchter voor haar oogen stonden en ze vroeg bij zichzelf: wat er wel
+gebeuren ging? waarnaar ze kijken kwam of wat ze wel vergeten of misdaan
+had om zoo angstig te zijn, zonder de oorzaak te vinden van de
+beroerte. De bloemen neigden en de blaren wemelden vol kleur en groen
+onder den frisschen tocht van den wind en 't was of zag ze dat al den
+eersten keer in heur leven. 't En scheen haar niet wonderlijk of vreemd
+ongeloofbaar, toen Jantje en Pierke, lijk jongens die vijf jaar oud
+gegroeid zijn, zonder struikelen door 't prieeltje gewandeld kwamen.
+
+Ze hielden de armpjes over malkaar, de kopkes tegeneen en droegen een
+groot rhubarbeblad dat ze openhielden als een zonnewere, voor de leute.
+De witte vlinders vlogen al rond en beetten in de opene bloemkelken hun
+zeem gaan zoeken. En de twee knaapjes zagen dat af en deden de pepels en
+de bijen na: ze trokken lelien en dagsterren en bloedroode papavers en
+goudene trompetten en ze zogen 't zeem uit de bloem-stengels. Ze zetten
+zich daarbij met de beentjes open, trokken de leeuwenmuilkes af en met
+eenen duw van hunne vingers deden zij de bloemkes gapen--het muilken
+open en toe--en ze loechen omdat het alzoo een wiegje geleek met twee
+stengels daarin, lijk kleine kinderkes die ze zelve waren.
+
+Moeder kreeg eene krijzeling van vervaardheid. Ze wilde hen tegenhouden,
+in huis roepen omdat er vergiftige bloemen bij waren; zij hield den adem
+op en bespiedde al hunne stappen in angstvalligheid. Als ze geweld deed
+om te roepen, bleef de stem haar in de keel en wat ze ook wrocht om de
+armen te zwaaien en teeken te doen, heur leden bleven slap en zie, heere
+God, nu naderden zij den vlierboom en ze gingen reiken op de teenen om
+te zien over 't steenen omhein van den waterput! Het geweld bepraamde
+haar en 't zweet perste haar 't wezen uit. Ze klaverden er op, de
+onschuldige deugnieten en zij loechen naar malkaar omdat ze alleen
+meester waren en gerust rondliepen in eigene wereld voor den eersten
+keer, in al die nieuwigheden. Ze lagen plat op hun buikje over den rand
+en renden wiegewagend zoodat hun bloote beentjes hooger gingen telkens
+dan hun hoofd en ze verdwenen over den vreeselijk diepen put, altijd
+verder.
+
+Oei! Heur bloed verkroop en de hevige spanning doorbrak den kwaden dwang
+als 't ongeluk gebeurd was. Op 't geruchte van den dubbelen plons,
+gerocht den schreeuw uit hare keel.
+
+--Jan, ze versmooren! Jan!
+
+En met den slag, losgelaten, in een sprong, stond zij werkelijk buiten
+nu, verdwaasd te kijken en houdend aan heur herte dat bonsde. De bloemen
+stonden stil in den nuchteren morgen, bedauwd en daar was niemand te
+ziene of omtrent geweest, ook geen vlinders vlogen er rond. De schrik
+had haar zoo doordaverd en de koude rilling overliep nu haar half
+gekleede leden en in de onthutsing kon ze nog niet uitmaken wat er
+gebeurd of gedroomd was. De steenen waterput stond als een ramptuig
+onder den donkeren vlierboom en ze gruwde om er bij te gaan.
+
+Naar de wiege eerst om eene uitkomst en zekerheid! Met een ruk, die 't
+al zou uitmaken, was de voorhang weg en daar lagen ze nevenseen, gezond
+en bewaard van alle kwaad, als kriekappels die bleuzen aan den boom,
+wakker te lachen uit hunne blauwe oogen.
+
+Het bloed sloeg in storm naar heur herte en in de plotse blijheid, die
+nu als een tweede slag kwam gevallen, liet ze tranen leken die heur
+lange gepraamd hadden en nu ontlastend uitvielen. Ze neigde heur lijf en
+duwde de lippen op hunne malsche wezentjes lange en herhaaldelijk. z'En
+rechtte zich maar om te zien of Jan ontwekt was.
+
+Hij lag vaste in slaap met zijn wezen naar den muur. Ze wilde nu 't
+uitgestaan verschot verspelen en den angst, alleen met heur
+weergevonden, dubbel diere kindjes. De vreugde overliep haar als eene
+razernij die ze met geweldig streelen moest kalmen. Ze legde, ze duwde
+haar wezen tusschen die twee kopjes, haar ronde, vleezige wangen die
+gloeiden, te koelen tegen de frissche, jonge gezichtjes; heur lippen
+beeten en nepen zonder zeer te doen, overal waar ze vel vonden om te
+knabbelen. Heur handen overgrepen de lijvekes en haaiden over de bloote,
+ronde buikjes en billekes, nooit genoeg, om de deugd te voelen,
+tastelijk, van den schat dien ze behouden mocht en die zoo nipte
+verloren was. Ze moest in 't stille genieten, geen geruchte maken om
+Jan niet te wekken die haar zottigheid zou zien; maar de woorden moest
+ze met geweld binnenhouden of 't stormde luide uit in groot geruchte.
+Ze vezelde stil dien overvloed tusschen de genepene lippen.
+
+--O, mijn arme, kleine dutskes! hier mijn sloeberkes en gij mijn
+deugnietje, aan mijn herte! mijn moordenaarkes, mijn zachte, kleine
+leeuwkes, mijn kapoentjes, mijn poezelige oude weerwolvekes, mijn
+tooverwiemkes!
+
+Ze herbegon met nieuwe macht van dreelen en kussen tot de kleintjes er
+onder versmachtten bijkans en benauwd voor dat geweld, aan 't weenen
+gingen. Ze was den adem af en tenden ook en rustte wat om ze te bekijken
+nu al rechtstaande, om hare borst te laten uitgolven in lange trekken.
+
+De feestdag, de blijde Sint-Jan viel haar nu te binnen en dat de leute
+nog niet uit was en moest duren heel den dag!
+
+Ze haalde heur gereedschap en schikte 't voorzichtig op tafel voor 't
+bedde: de teele tabak met bloemen en keersen en de lange bloeiende,
+steenen pijpen en de mande met krieken.
+
+Ze legde de jongens op 't deksel bij Jan en hielp hen trekken aan zijnen
+knevel en zijnen baard. Ze schetterlachte omdat ze hunne kleine
+vingerkes boorden in zijne neusgaten, in zijne ooren en in zijnen mond,
+daar hij lag als een slapende reus. Toen hij trage en verrast, de oogen
+wijd openrekte om te zien wat er werkende was zoo vroeg bij zich in
+bedde, hield ze den grooten mei voor hem uitgestoken met lachend blijde
+wezen:
+
+--Jan, zei ze, 't was gister uwe avond en vandage is 't uwe dag, 'k ben
+blij, da'k u besteken mag!
+
+Hij greep den mei met beide handen en rook er aan. Hij vond geen woord
+om te zeggen, maar zijne oogen bekeken haar en daarmee raadde ze al wat
+hij zeggen wilde. De jongens woelden weer over zijn lijf en zij hielp
+hen van op den beddekant. Ze staken ze omhoog, kaatsten en vingen ze
+weer van hand te hand het spel hernemend.
+
+Dien feestdag voorzag zij als den besten van heel haar leven, omdat ze
+zoo nakende haar ongeluk was, en onder de vreeze nog en 't verschot van
+den genadeslag, die bezijds geweken was, zonder schade of hinder te
+doen. Zij 'n zou er hem geen woord van vertellen en alles bij zich
+houden--niets dan blijde dingen mochten er vermond worden vandaag! Ze
+joelden onbekommerd voort ondereen en binnen hielden zij den sterken
+vrede en de verwachting van een langen, stillen rustedag, die al zoo
+goed begonnen was.
+
+
+ * * * * *
+
+
+SINT-JOSEF
+
+
+Voor den eersten keer van al den tijd dat ze huishielden en jongens
+kweekten, hadden Ivo en Dille vandage niet genoenmaald.
+
+Vroeger--en bijna elken winter--hadden zij nog wel kort gezeten; Dille
+had de jongens meer dan eens met wat potfoefeling van gevonden kost
+gepaaid, maar onvoorziens was er dan van ievers hulpe gekomen en
+beternis in den nood.
+
+Nu was er niets: ze hadden aan tafel niet gezeten; gister hadden ze 't
+laatste stuk brood gedeeld, en Ivo vond maar geen werk en vuurmaaksel
+was er ook niet. En dat noenuur was zoo benauwelijk voorbijgegaan: waar
+ze anders luidruchtig met de vorken wrochten, hadden ze nu op malkaar
+zitten kijken en de jongens hadden geweend.
+
+Ze waren zonder eten naar school!
+
+Dille kon de vreeselijke nieuwigheid van dat gedacht niet verdrijven,
+heur handen lagen lam in haren schoot en de kous waaraan ze wrocht was
+op den grond gevallen. Heur eigenen honger voelde zij niet, 't was eene
+eindelooze weemoedigheid, eene onlust die drukte en te ziene stond op de
+vuile muren, op de doode stoof en de manke stoelen. "Geen eten!" 't
+Schreeuwde luide overal rond waar ze de oogen wendde en van dezen keer
+was 't zonder eenige hoop op beternis. 't Verdriet stropte heur keel vol
+omdat ze met alle inspanning niet vinden kon 't geen er zoo doodnoodig
+was of waar het te zoeken: eten voor de jongens.
+
+En als 't weerom en nog eens al rondgedraaid was en heroverdacht en dat
+'t altijd verneenend of onmeedoogend grijnspotte waar ze de zinnen
+wendde om hulpe of uitkomst,--dan keerde het lamme, krieperige wee in
+onverduldigheid, in spannenden opstand, angst die uitbrak in wanhopige
+kwaadheid, woede om 't gevoel dat praamde: te moeten, te moeten eten! en
+dat de jongens weer huilend zouden van school naar huis keeren. Ze vond
+het nu zonde hier stil op malkaar te zitten kijken en zonder reppen dood
+te vallen, verhongerd. Daar woonden toch menschen in de straat en met
+brood reden de bakkers gedurig voor de deur, dat 't een verdommelijke
+schande was om zien.
+
+Dan sprong zij recht in opgewondenheid, al wist ze nog niet waarop heur
+korzelige gramte uitwerken; ze stootte de deur van de zijkamer open, ze
+spande de vuisten op de heupen en stond voor 't bed in de kamer waar
+heuren vent lang lag uitgestrekt.
+
+--Ivo, riep ze, Ivo!
+
+Hij hoorde het wel, maar wat voordeel? Hij lag en bleef liggen op het
+uivallig ledikant, slapeloos op den rug en zijne oogen waren open, en
+zijn hoofd lag achterover in de handen.
+
+--Ivo, wat den duivel, gaat ge de jongens alzoo zienling laten
+doodvallen van honger, en daar liggen, gij luie leegganger?!
+
+Ivo had in de eerste verwondering, om die plotse furte het hoofd gewend
+in 't gedacht dat zijn wijf hem wat nieuws kwam schreeuwen: dat er werk
+gevonden was of eene boodschap te doen,--als hij hoorde heur zotten
+uitval, keerde hij de oogen weer naar boven en roerde geen spier.
+
+--Gij groote, lange, luie lummel! zijt ge niet beschaamd, 'k zou liever
+mijne vingers afeten.
+
+--Zwijg, wijf, zwijg, wederzei hij kalm weg, de gebuurs gaan 't weer
+hooren en....
+
+--Dat zij 't verdomd hooren! heel de wereld moest 't hooren! dan zoudt
+ge daar in uw nest niet liggen rotten bij schoonen klaren dag, als de
+jongens zonder eten naar schole zijn.
+
+--Hm, 'k heb het al afgeloopen. Dat verdroot Ivo,--wat moest ik gaan
+doen? en zonder schoenen aan mijne voeten en mijn broek is ook kapot.
+
+--Ja, zoek maar uitvluchtsels--wat gij moet doen? werk zoeken of meent
+ge dat ze 't u gaan brengen waar ge ligt?! Zeg het aan Wimpel, den
+smeerlap, die u afdankte, dat hij de smouters, de dronkaards uit zijnen
+winkel schoppe, en u werk geve, zeg hem dat we creveeren van honger.
+
+--Hm, Ivo vertrok de schouders, zotteklap, mompelde hij. En dat bracht
+Dille tot het uiterste.
+
+--Roep het langs de straten, tierde zij, zeg dat we zonder eten zitten;
+ga, raap de kolen op die van de karren rollen; vraag aan de heeren hun
+pakken te dragen, help steken aan de vrachtwagens, steel het, verdoemd,
+als 't niet te pakken en valt! maar ge zijt te grootsch, gij
+mannemensch, dat 't pinten-drinken ware, dat 't stoffen ware met uwe
+macht, dat wel ... maar gij zijt te lui, te laf, te groote nietweerd,
+te verdommelijke trunterd!
+
+Ivo voorzag dat het niet eindigen ging en dat hij nu beter buiten was
+in de koude dan hier in bedde. Hij stond op, trok de pet diep over de
+ooren, stak de handen in de bodemlooze vestezakken en de voordeur voelde
+hij tegen de hielen slaan zonder dat hij dorst ommekijken.
+
+--En zie dat ge den voet in huis niet zet met leege handen! hoorde hij
+nog roepen.
+
+Hij liep op goed geluk, de strate langs en was blij van weg te zijn,
+al beet de koude wind door de vele gaten van zijne versletene kleeren.
+
+Met koortsigen ijver hervatte Dille het werk aan de oude kousen. Zoo was
+het toch beter, de angst bleef er wel en de hoop was klein, maar kans
+was er altijd dat haren man iets zou vinden en 't een of 't ander naar
+huis brengen.
+
+--Al moest hij het stelen! 't Waren toch ook zijn jongens, en liever dan
+ze te zien wentelen van honger.
+
+--Hoelang zouden we 't wel uithouden zonder eten? Wij menschen dat is 't
+minste, ze betrouwde en twijfelde geen zier aan heur eigen sterkte; ze
+zou alles uitzien, daaraan dacht ze niet--maar de jongens, heere-God, ze
+zagen zoo bleek, zoo drukkelijk, en ze zien krullen en krimpen, en dat
+akelig huilen,--dat men ze toch den bek kon toehouden--maar 't scheurt
+de ooren, als ze zoo alle vijf om eten schreeuwen.
+
+--Dat ik ze kon in slaap krijgen, vanavond, met een slaapdrankje!
+
+En opgesmeten als door den druk van een losgesprongene veer, wipte ze
+recht, ze ging en doorzocht en keerde nog eens de zakken uit van al
+de kleeding die in huis was--misschien was er een stuiver ievers
+vergeten--ze trok de lade open, doorzocht het naaikussen, legde zich
+plat op den grond en keek onder 't bed, onder de kast--er kon vroeger
+een halffranksken onder gerold zijn.... Maar ze vond heur doen
+belachelijk--zot was het te gelooven dat er verloren geld achter den
+grond zou liggen als 't altijd zoo wel geteld en zoo nauwe verteerd
+was--ze keerde naar heuren stoel en zuchtte.
+
+In heur wanhoop besloot ze nu hulpe te zoeken, gelijk waar--ze overging
+in gedachten al de huizen in de straat, Gusten, heur schoonbroer, en
+Slina haar zuster--maar hoe ver ze reisde, ze voorzag wat ze krijgen
+zou: spotredens eerst en scheldwoorden later, die menschen waren niet
+weeldiger dan zij zelf en geven kenden zij niet.
+
+Buiten liepen de dronken lotelingen in drieste benden zingend over
+straat; het trekorgel schreeuwde en ze brulden woest hun vreugde of
+spijtigheid uit met schorre keel.
+
+Dille en hoorde het niet. Heur gedachten draaiden al zotter, 't was
+wakker droomen dat ze deed en werken, om onmogelijk zotte dingen een
+verstandelijken kant te geven en waarheid te maken van 't geen ze
+beeldelijk wenschte; dacht ze niet dat de bakker heur een brood bracht,
+'t geen hij al twee dagen weigerde te geven als er geen geld bij
+lag!--dat er plots entwie binnen kwam met een zak kolen; dat Wimpel naar
+Ivo kwam vragen; dat de briefdrager een brief bracht en als ze hem
+opendeed dat er bankbriefjes uitvielen! veel andere dingen meer, maar ze
+schrikte plots en kreeg een slag in 't herte--de schooljongens gingen
+gearmd over straat al zingend:
+
+ De troep is goed
+ Hij 'n kan niet beter wezen
+ De troep is goed
+ Hij 'n kan niet beter zijn!
+ Albij den troep
+ We leven zonder werken
+ Albij den troep
+ 't Is altijd vleesch en soep!
+
+Ze hadden een groot telteeken op de muts gevest en kleurige linten
+wapperden achter hun hoofd. De school was gedaan en ze gingen
+huizewaards en aapten de echte lotelingen na die ze binst den dag
+zottigheid hadden zien bedrijven.
+
+--God! 't was al zoo laai! ze zouden zoo gauw binnenkomen en daar was
+nog altijd niets. Dille trappelde rond, keek scheef uit naar 't venster
+en knarsetandde van woede, van ongeduld in heur hulpeloosheid.
+
+En dan ging de voordeur open, 't was Frielde 't gebuurwijf, ze loech
+welgezind en ze haalde van onder den voorschoot een blikken pintje en
+zette 't op tafel.
+
+--Dille, onze Miel heeft een goed nummer getrokken! menschen-God is dat
+een dingen, is dat een dingen! 'k Sterve van blijdschap! 'k heb gebeefd
+heel den dag, maar nu peins ik eerst op u, Dille, ge moet meevieren ent
+ook uw deel hebben, hier, drink dat uit, hier ze, 't is beste genever;
+maar 'k moete naar huis, is dat een dingen, t' onzent: er zijn wel
+vijftig menschen en ze dansen dat 't kot dreunt! en Dille, ze hebben mij
+doen drinken, mijn hoofd draait er van, Dille, dat is een dingen: mijn
+oudste jongen die nu vrij is van de soldaten, een beeld van een jongen,
+ge kent hem,--en dat hij nu vrij is! Ze sloeg op heur bil en wakelde
+naar buiten. Tegen dat Dille een woord ging uitbrengen en verstout was
+om iets te vragen, was Frielde de deur uit en weg.
+
+Ze was opgeschrikt in de valsche hoop, en stond verslegen nog van
+ontroering: op den slag had zij gemeend dat 't in der daad de bakker was
+met brood of de brief drager met geld, of....
+
+In een onbedachte beweging greep Dille naar 't pintje en dronk in een
+zwaai de genever uit, om de ontroering neer te spoelen.
+
+--Dat zal mij beteren, meende zij.
+
+En waarlijk, 't deed deugd, 't warmde heur lijf inwendig waar 't vocht
+voorbij liep en na eene stonde klaarden heur gedachten, ze was zoo
+verlegen en angstig niet meer om wat er komen zou: die "later" was in
+eenen nevel gedoken en, daar waren bij haar weten, nog geen menschen in
+hun huis doodgevonden of vergaan van honger, er moest dus enthoe hulpe
+komen?! En, hoe grooter nood hoe nader de beternis, na de grootste
+armoede keerden de dingen dikwijls beter dan ooit....
+
+Ja, ze waren daar, Dille hoorde 't getrappel en ze zag hoe ze opkeken
+naar 't venster, verlangend.
+
+Hunne oogen waren rood gekreten, hunne handjes en wezens waren blauw van
+de koude en ze kwamen uit gewoonte, warmte zoeken rond de stoof waar er
+van heel den dag nog geen vuur en was. Ze keken naar moeder en zoetjes
+eerst, begonnen zij te weenen, ingehouden.
+
+--Moeder, honger, geef ons eten, kermden zij, g'hebt het beloofd,
+moeder.
+
+En als moeder ook heur voorschoot aan de oogen hield, lieten zij 't
+luide los, ze barstten uit met geweld en huilden.
+
+Ze stonden alle vijf, rond moeder, schamel in hun gescheurde en verlapte
+kleeren, de haartressen wild onder de muts en uit hunne natte oogen keek
+de meewarige, drukkelijke angst. Het kleinste meisje hield de handjes
+aan den buik en wrong haar lijveken van pijn en ze schreeuwden allen om
+ter luidst.
+
+--Moeder, moeder, moeder!
+
+Ze trokken aan heur armen, aan haren rok en riepen altijd:
+
+--Moeder, moeder! mijn buikske, moeder.
+
+--Mij eerst, moeder, Gustje heeft een halven boterham gekregen van den
+mulder en Marietje twee aardappels.
+
+--Zwijgt of 'k worde zot!'riep Dille tenden raad. Ze schokte ineens heur
+lijden weg en raasde van ongeduld.
+
+--Zwijgt! wacht en zwijgt, 'k en heb geen eten; heb ik zelf geeten in
+drie dagen?! wacht en zwijgt--ge zult eten krijgen!
+
+Ze zegde dat en ze meende 't ook, doch waar ze't halen zou en vroeg of
+wist ze niet. Inwendig gloeide een deugddoende warmte in haar lijf.
+Heur moed was gekomen zonder dat ze wist van waar en eene stoutigheid en
+vaste zekerte zonder oorzaak, 't Was 't toppunt nu, het hoogste en nu
+moesten de dingen keeren, gelijk hoe, dat was heur zekere overtuiging.
+Zij voelde een plechtigheid door die hoogte die de wanhoop verdreef en
+'t uiterste moest nu gedaan worden. Ze nam de handjes van een der
+knechtjes in de hare en 't waren als ijsbrokjes.
+
+--g'Hebt koud, mijn dutske.
+
+Ze keek rond.
+
+--Ja, we gaan vuur maken en warmen, en als ge zwijgt ge zult eten
+krijgen, maar zwijgen, ze zouden buiten gaan denken dat ge hier vermoord
+wordt.
+
+Ze nam het kapmes en kloof de zoutlade, 't naaibakje;--'t was haar een
+troost dat ze die uiterste dingen te vernielen nog over had. De houtene
+lepels, de tafellade, 't vloog al aan splenters. Ze ontstak en vulde de
+stoof met de kapperlingen en de vlamme spokkerde dat 't ijzer al gauw
+rood stond en 't ronkte door de versleten stoofbuis. De jongens kropen
+er rond, wreven de handen en monkelden door hunne tranen.
+
+Er was plots als een ophemmende beternis, de warme lucht in huis bracht
+nieuwen levenslust en ze genoten er van in stilte. Al de oogen draaiden
+mede waar moeder ging. Ze stond te wachten naar entwat--Ivo kwam niet
+terug--en dan schoot het haar plots te binnen,--'t was als een slag die
+inval--de menschelijke hulp was verder dan ooit--'t wonder moest van
+elders komen, en de nood was nu zoo geweldig dat 't zonder bovenaardsche
+hulp niet meer te beteren was.
+
+--Lezen, jongens, lezen! riep zij. Allemaal op de knieen hier rond mij,
+hier op de knieen.
+
+Ze nam het ouderwetsch, steenen beeldeken van de kaafbank en hield het
+in beide handen gesloten. Ze deed teeken met de ellebogen dat de jongens
+moesten nader komen.
+
+--Al in ronde, en de handjes samen en hier naar Sint-Josef kijken, en
+nazeggen wat ik zeg, schoon.
+
+Al de oogen waren op moeders beeldeken gericht en zij zelf en keek er
+niet van weg; al de handjes staken gevouwen uit in smeekende houding.
+
+Zij begon met luide stem en snakkende woorden:
+
+--Sint-Josef, ge moet ons helpen!
+
+Ze wachtte en de vijf kinderstemmekes herhaalden, op zachteren toon:
+
+--Sint-Josef, ge moet ons helpen!
+
+--'k Kenne maar U alleen!
+
+--Van d'ander Heiligen houde ik niet!
+
+--Gij alleene zijt getrouwd geweest en weet wat het is jongens te
+kweeken en armoede te lijden!
+
+Effenaan, elke reek haalden de jongens heur af en herzegden moeders
+woorden met eenbaarlijk smeekende stem. Geen hand en verroerde, geen oog
+en verpinkte.
+
+--w'Hebben honger, Sint-Josef!
+
+--Grooten honger.
+
+--En ge moet vader werk geven, dat we eten krijgen en vuurmaaksel.
+
+--En als ge ons dat geeft zullen wij u bedanken op de bloote knieen en
+voor u een groote keerse branden.
+
+--Ge moogt ons niet laten sterven van honger!
+
+--Ge moogt ons niet laten sterven van honger!
+
+Dille zocht en als zij niets meer te zeggen vond, begon zij:
+
+--Onze vader die in de hemelen zijt.
+
+--Die in de hemelen zijt.
+
+--Geheiligd zij uw naam.
+
+--Ons toekome uw rijk.
+
+--Uw wil geschiede op aarde als in den hemel.
+
+--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
+
+--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
+
+--Nog ne keer, en luide, allemaal:
+
+--Geef ons heden ons dagelijksch brood.
+
+Zij herhaalde dat vijf keeren en herbegon nog vijftien keeren het
+onze-Vader en 't weesgegroet.
+
+Heur armen werden niet moe van 't beeldeken uit te steken en de kinders
+ook durfden niet lossen en bleven met gevouwene handen reiken en
+starling het beeldeken bezien dat als de wonderdoener, de Heilige Josef
+zelf, in moeders handen stak.
+
+'t Was in middelertijd donker geworden en z'en zagen malkander maar bij
+de klaarte die door de kloven van de brandende stoof uitschong. Buiten
+gingen altijd benden dronken lotelingen voorbij al tierend. Ivo kwam
+thuis. Hij zag zijn wijf en de jongens in kring op den vloer bij die
+deemstering; hij nam de muts af en en kroop stil achter de deur in bed.
+Dille bezag hem.
+
+--Sint-Josef, nu kunnen we u geen keerse branden, w'en hebben geen geld
+maar morgen koopen wij ze.
+
+Daarmede was 't uit. De jongens zochten rond met de oogen waar of 't
+brood nu ievers door de kave gevallen was en 't geld, daaraf moeder met
+zulk eene zekerheid gewaagde. Maar:
+
+--Nu allemaal naar bed, g' hebt nu warm--en zonder kriepen, dat ik
+niemend en hoore! Die durft piepen moet morgen weer zonder eten
+optrekken!
+
+Stil, tegeneen gedrumd, verlegen en beangst voor moeders geheimzinnige
+belofte en bedreiging, kropen zij in den grooten bak op de strooien
+bedding. Dille dekte de jongens lekker toe met oude kleeren, met een
+ouden mantel, die ze van haar eigen bedde nam en met de gordijnen die
+aan 't venster hingen.
+
+Geen een die roerde.
+
+Dille zocht ook haar ruste en als ze wat gelegen had, voelde zij de
+warmte uit haar lijf vergaan en medeen verloor zij ook al haren moed en
+betrouwen en de nuchterheid kwam in haar ijle hoofd en de pijn in haar
+ingewand. z'En geloofde niet meer aan 't geen ze daareven zelf nog zoo
+vast beloofd had en zij verzonk in gedachten die donkerder waren dan de
+kamer rond haar en z'en kende 't einde niet van de gruwelijke wanhoop.
+Ze weende, weende stil ingehouden, heur snikken pramend door den
+gesloten krop. Ivo mocht het hooren maar de jongens mochten niet weten
+dat ze flauw viel en begaf in heur sterk geloof.
+
+--Morgenuchtend is er brood, herhaalde zij gedurig om zichzelf te
+overtuigen, maar ze had altijd geern geweten hoe het er komen zou. Ze
+leed mede de pijn van haar jongens, de narigheid en de flauwte van hun
+ijdele maag en de krampe van hun buik. Dat belette haar te slapen. Tegen
+Ivo wilde zij nu geen woord spreken. Ze wachtte alzoo heel den nacht met
+ontroerd gemoed, tusschen hoop en vrees, lang, lang naar den morgen. Als
+de dag schaarsch begon, eer 't nog vol klaar was, verlangde Dille reeds
+op te staan, en de jongens ook waren al gewekt door den grooten honger.
+
+*t Was weerom koud in huis maar er hing entwat in de lucht: 't
+overblijfsel van die sterke hoop op uitkomst waarmede ze gister gaan
+slapen waren en dat miek den uchtend anders en buiten de gewone
+verdrietigheid van koude en gebrek.
+
+De jongens roerden stille zonder spreken. In de schemering overal was
+'t zoo plechtig als een Sinter-Klaasdag als ze hun pander met dingen uit
+den hemel moesten gaan vinden. Ze zochten sjerpen en kloefen en muts,
+en stonden te wachten zonder te durven vragen of zeggen wat er hun
+scheelde, met den krijsch gereed op de lippen.
+
+Dille was nog bij 't bedde en in de uchtend-stilte begon zij al luide:
+
+--Ivo, toe, kom er maar uit, 't is 's nuchtens best om iets te betrapen
+buiten, de eerste aankomers zijn eerst besteld. Ge moet naar den
+brouwer, en naar Fleters aan 't fabriek; en aan de wasscherij en aan de
+werf, daar kan een scheep te lossen liggen.
+
+Ivo kroop er uit en zoo gauw was hij buiten, zonder een woord te
+spreken.
+
+--Lezen eerst, jongens, allen op de knieen.
+
+De jongens knielden neer en baden stil met de handjes gevouwen.
+
+Dille stond zonder te weten wat aanvangen; ze keek nog buiten in 't
+grauw, donker steegje en dan hing ze weer de gordijnen aan 't venster
+die als deksel op het bedde dienst gedaan hadden.
+
+--Kom hier nu, gasten! Gij Marietje naar Maarten den bakker en vraag een
+brood en zeg dat moeder 't morgen zal komen betalen, schoone beleefd
+vragen, kind.--Gij, Zulma, hier met dat zakje naar den winkel op den
+hoek om aardappels. En gij, Oskar, en Fideel neemt Gustje mede en raapt
+de branders uit den aschhoop aan de poorte van Vanneste's stokerij, maar
+uit het koolkot niet te stelen, hoor!
+
+Ze vertrokken zonder spreken. Hun kloefkes klopten op 't plankier.
+
+Dille, als ze alleen was, nam weer 't kapmes en kloof een slechten stoel
+en legde de splinters op de stoofbuis. Dan bleef ze boutstil met de
+handen onder den voorschoot, staan wachten, 't Beeldeken stond nog op de
+kaafbank, roerloos, steenstil en dood, 't was als een zotje in
+gedwongene ingetogenheid, met neerhangend hoofd en gedweee, gelokene
+oogen, maar er hing eene lucht van wonderheid en gedokene macht rond die
+simpele nietigheid. Dille kon er de oogen niet van keeren, ze geloofde
+nog altijd, maar bidden deed ze niet meer; heur gemoed was droog en hard
+en heur zinnen liet ze vrij aan 't noodlot over. Ze luisterde naar al de
+geruchten op straat en ze telde of raadde met een flauw besef, de kansen
+die lukken konden, heel gelaten wachtend naar 't geen de jongens haar
+brengen zouden. Hopen durfde zij niet, maar de vrees en de angst waren
+weg ook; ze voelde alleen de rauwe pijn van de maag en de ruischingen in
+den kop die haar deden wakelen op de beenen. Ze ging leunen tegen den
+muur. De ijzige koude en de rilling overvielen haar lijf en de
+vermoeienis drukte haar nu van dien slapeloozen nacht
+
+Marietje kwam eerst naar huis en het weende.
+
+--Moeder, hij zegt dat ge zelf om het brood moet gaan, en 't ander eerst
+betalen.
+
+Die slag joeg haar lamme lusteloosheid weer tot woede op.
+
+--Die smeerlap! De vrek, gaat verhongeren om des wille van een
+broodje!--'k wil dat hij in zijn leven....
+
+De deur vloog open en de knechtjes kwamen binnen geloopen met Zulma.
+
+--Moeder, moeder, kijk, 'k heb een schoonen cent gevonden!
+
+En Oskar hield zijn blinkend geldstuk uitgestoken. Dille had hem met den
+eersten greep bij den pols zoodat de cent in hare hand viel en als ze
+wel gekeken had:
+
+--'t Is 'ne frank, 't is sakkerdomme 'ne frank! waar hebt ge dat
+gehaald? waar de verdomme, zeg het mij! en ze schudde den jongen bij de
+schouders.
+
+--Gestolen, newaar, deugniet!
+
+--Neen, moeder, gevonden! riep de jongen die 't heel anders verwacht
+had; hij keek rond in 't wezen van de broers om hunne
+getuigenis--gevonden aan den aschhoop.
+
+--Gevonden aan den aschhoop, gevonden, moeder, herhaalden zij.
+
+--En lieg niet, sloeber, of 'k vermoord u!
+
+En nu vertelden zij al dooreen, hoe 't gebeurd was, wie hem 't eerst zag
+liggen blinken, en wie hem opraapte en dat er niemand bij of omtrent was
+om te vragen....
+
+De deur was ongemerkt opengegaan en daar stond een wijf.
+
+--Ewel, Dille, gaat ge mee? vroeg ze.
+
+'t Was Anzela en ze had een baalzak onder den arm.
+
+--Wat, naar waar?
+
+--Dat is nu wel, vervolgt ge de dagen niet meer? Dille,--of deelt ge
+niet meer mee aan de armkamer? 't Is verjaardienst vandage met dubbelen
+brooddeel, voor Schafels, hoort ge de klokken niet?
+
+--Jezus Maria--menschen! Anzela! dat was mijn ziele, uit mijn gedacht!
+wijf, kom, gauw, 'k zat waarachtig zonder eten, jong, gauw,--jongens
+houdt u koes, 'k ben seffens weer, riep ze nog aleer de deur toe te
+trekken.
+
+--Mensch, mensch dat was leelijk uit mijnen kop gerocht, vergeten van
+zuivere mezerie!
+
+Aan de armkamer stonden de wijven in grooten drom voor de poort te
+wachten. En na den kerkedienst kregen zij elk drie brooden.
+
+Dille en genaakte geen grond, ze liep onderweg in eenen winkel, ze
+tastte of de wondere frank wel zuivere munte gebleven was in hare hand
+en dan kocht ze een kwartje smout en verder in een anderen winkel, liep
+ze weer binnen om een groote keers. En geladen draafde zij naar huis.
+Heur berekening was gemaakt en heur voornemen. De jongens wachtten op
+den drempel.
+
+Zij veurde groote sneden van 't brood en smeerde er smout op.
+
+--Ge zult allen besteld worden, niet te vechten, ge krijgt vandage den
+buik vol. En vader nog niet thuis?! 't zit goed, hij zal iets gevonden
+hebben!--God van den hemel!'t was ineens weer de gouden tijd geworden!
+
+--Jongens, jongens! eet maar! ze loech, ze weende, 't geld van den
+gewisselden frank rinkelde in haren schortezak bij elke snede die van 't
+brood viel en wat was het een lust de jongens te zien bijten! Dan vond
+ze de keers.
+
+--Lezen, eerst en vooral lezen, op de bloote knieen! zie-je wel
+Sint-Josef is er tusschen gekomen.
+
+Ze ontstak de keers en plantte ze vast op 't schouwberd in 't vet dat ze
+er liet afdruppelen. En ze viel nevens de jongens neer en ze robbelde
+ook hare rokken op om met bloote knieen de belofte te volbrengen.
+
+Ze reikten allen de handen naar 't verlichte beeldeken en zoo begon zij:
+
+--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen!
+
+--Sint-Josef, Heilige man, gij hebt ons geholpen! herhaalden de jongens
+met den mond vol brood en ze beeten een nieuwen greep en eer 't
+verzwolgen was en met hun brood opgesteken, herhaalden zij:
+
+--w'En zullen u van 's leven niet vergeten!
+
+--We bedanken u voor 't groot mirakel!
+
+--'t Groot mirakel!
+
+--'k Wist het wel dat ge onze mezerie kendet!
+
+--En ons zoudt helpen!
+
+--Alle dagen nu--'t is vast--lezen we een groot gebed voor u, op ons
+bloote knieen.
+
+--Als ge nu wat werk geeft aan vader, geraken wij door den kwaden
+winter, gewonnen; geef het hem, wij vragen 't u schoone, Heilige man!
+
+--Onze Vader die in de hemelen zijt!
+
+En ze lazen woord voor woord, halen en herhalen, hunne vijftien
+onze-Vaders en wees-gegroeten ter eere van Sint-Josef, in dankzegging.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VREDE
+
+
+Als de klaver in ronde bundels hoog en vol op de kar gestapeld lag,
+reden zij van 't veld door de zandstraat, traag naar huis.
+
+De oude boer zat op 't snak en mende den os; zijne lange beenen
+zwemelden nevens 't voorwiel, zijn rug was kromgebogen en zijn groot,
+donker hoofd woog boven de knieen, met ingetogenen ernst. Zijne handen
+hielden los het leizeel en de witbonte os trok met breede grepen
+schouderwringend de oude, krakende kar door 't zand. Achteraan stapte
+Free, de gebrokene knecht, en droeg de zeis hoog als een wreed wapen
+over den schouder.
+
+'t Getrek wielde piepend door de diepe slagen van den wagenweg, zonder
+haast, in de rust van de omliggende doode dingen en den schemerval van
+het stille dageinde.
+
+De bossen kriepten, en de krekels ook in den gerskant. Al het landvolk
+was reeds thuis of weg en de oude boer en keek niet naar 't geen hij
+voorbijreed. Het achterlijf van den os bekeek hij niet en de kloefen die
+onder zijne oogen, aan de magere voeten hingen, zag hij wel rakelings
+over 't zand slepen, maar hij was elders en met een groot gedacht vol
+bezig. De kar rolde en de avond was gelijk al de andere en 't gepiep van
+de draaiende wielen knersde altijd keerend in zijne ooren.
+
+--Krakende wagens rijden langst, bracht hem dat in den geest, en van
+daar voort doelde hij op zijn eigen, oud lijf, dat nu ook wel een
+krakenden wagen geleek die rolde, rolde een heel leven lang over
+hetzelfde veld... zijn eigen veld ... en dan weer welde de oude
+sleepgedachte op, die nu een vol jaar reeds, zijn vroegere gerustheid
+bestormde en te niete deed; het haverstuk, het gekende akkerland--de
+vijfhonderd, die hij zijn levensdagen gebruikte, die te midden zijn
+eigendom lag en hem op dien heugelijken verkoop ontfutseld werd,
+schandalig ontfutseld door zijnen vriend en gebuur; door boer Vanhoutte,
+de verrader!
+
+En de luizige streek speelde in heel heur lengte, met al de kleine
+bijzonderheden, voor den duizendsten keer door zijn hoofd.
+
+--Maar, Verlinde, als ge hier Vanhoutte's weide in de plaats kreegt, was
+de schade en het kwaad daardoor toch wat verholpen?...
+
+Den boer zijn eendlijk hoofd hief en voor zijne oogen, beneden de
+gracht, lag het vierkant weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net
+omtuind.
+
+--Wie zegde, wie sprak er daar? Hij luisterde verwonderd, en onthutst
+door de verrassing van die vreemde veropenbaring, hoorde hij nog de
+natinseling van die laatste woorden en terwijl hij zocht wie,--of hij 't
+eigenlijk gehoord of wel bij zichzelf zoo maar aan 't verzinnen was,
+vervolgde dezelfde stem wat treitend nu:
+
+--Hier kost gij evengoed een klaverijtje aanleggen ... en dan moest ge
+ook geen uur ver om uw voeder rijden, door den avond....
+
+--Ho, Dolf! riep hij ineens. Hij hoorde 't zoo duidelijk nu als van een
+mensch uitgesproken, en eer hij 't zijn handen vast bevolen had, snokten
+ze 't zeel en Dolf, de gezapige os, stond palstil te wachten. Verlinde
+wist nu eigenlijk niet wat hij er van houden moest.
+
+--Free, zegt ge entwat?
+
+De oude knecht rekte den hals lang uit bezijds de kar en:
+
+--Ik, neen-ik, boer.
+
+--Dolf heeft het evenmin uitgesproken, dacht Verlinde en hij mokte aan
+'t zeel.
+
+De os herbegon gewillig zijn schouderwringen en 't getrek rolde weer
+traag vooruit. De boer zat nu wat opgewakkerd--kwaad om zijn eigen
+doezeling en hij keek niet weg van de kopwilgen, die hem zoo even aan 't
+dolen brachten. Hij wilde niet meer denken.
+
+De weg hield aan in effene, uitgerekte, rechte lijn waar hij in de
+duisternis eindde.
+
+De reuk van warmen stalmest kwam met een zwaai door de lucht gewaaid en
+Verlinde voelde nu van waar hij zat--drukken op zijnen rug, bachten
+zich, de tegenwoordigheid van Vanhoutte's hoving.
+
+Eene zenuwrilling dreef door zijnen arm en zijne hand snokte nijdig het
+zeel om den gezapigen os te dwingen haastig voorbij te rijden.
+
+'t Was er doodsch, zwart, warm-stil rondom en niemand langs de baan.
+
+Verder ademde Verlinde onbewust de frischheid op van den koelen avond en
+binst dat de dauw als eene dunne droomwolk, wijd onder de stil-innige
+manelucht neerviel, kwam in hem de herinnering aan dienzelfden avond van
+verleden jaar: toen ze beiden nog bevriende gebuurs waren, hij en
+Vanhoutte, en op morgen samen naar den eigenaar hun pachtgeld droegen
+... dat was hun jaarlijksche uitgang, een blijdag in 't eentonig
+boerejaar, waar ze naar verlangden als naar de groote kermis.
+
+Den laatsten keer nog, waren ze wat besnoven door den drank, weergekeerd
+en hadden onderweg malkaar den arm gegeven om gebroederlijk zonder
+struikelen hun huis te vinden.
+
+Dat was nu allemaal weg, gebroken, uit voor altijd en Vanhoutte stond
+bij Verlinde in zijne zware schuld, lijk den eersten dag van 't verraad,
+als de bedrieger, de valschaard. De verwijtsels kropten weer den boer in
+de keel en de stilte rondom hield hem alleen in, ze luie uit te
+schreeuwen.
+
+--Morgen ga ik zonder hem met het pachtgeld naar den Heer, meende hij
+... en gedoken, zonder dat hij het zichzelf wilde toegeven, woekerde de
+onrust: of Vanhoutte ook aan zijn gewonen dag zou houden? of hij 't niet
+uitstellen zou?... en de aandoening zinderde daarbij in Verlinde's
+gemoed voor een mogelijke botsing.
+
+In het fluweelzachte deemster, stonden de boomkruinen matpurper, pal
+stil op de rilde stammen, de bladertrossen zwaar van schaduw en
+duisternis en daarachter, de stompzwarte stroodaken en puntige gevels,
+scherpgesneden tegen de teedere, maneklare avondlucht.
+
+De kar wendde naar rechts de straat af en over den doortocht, tusschen
+de twee einden singelgracht, die met glim-zwarte watervlak tusschen den
+dubbelen krans van elzenhout het hof insloten, reed de kar door de opene
+balie de werf op. Eene fijne mistvlaak overzifte de dingen met droomige
+onduidelijkheid.
+
+--Ho, Dolf.
+
+De boer spande den os uit en stak hem op stal, terwijl Free de
+klaverbundels in 't voederkot ketste. De vrouw kwam bij, wenschte
+"welkom" en stond met de handen op de heupen te zien naar de bezigheid.
+
+De avondkost was gereed en de drie menschen aten bij tafel, in de
+donkere keuken.
+
+De flauwe manesching viel door 't venster, helderend in schemervaagte de
+tafel en de witte borden;--en de vlamme die in den heerd het zwarte gat
+van den koeketel lekte, danste met vaal rooden glans op de uitsprongen
+van de ernstig zwijgende wezens der drie ingenooten.
+
+--Morgen weer een warme dag, viel de stem van de boerin daar tusschen.
+
+Op dat woord wendde de boer in gedwongene beweging het hoofd naar het
+venster en kuchte eene doffe bevestiging. De knecht at voort zonder
+opzien.
+
+--De klaver staat goed? vroeg de vrouw weer.
+
+Free meende dat de vraag nu tot hem gericht was en als de boer toch niet
+antwoordde, voelde hij de ijle stilte die naar zijn wederwoord hangend
+openwachtte.
+
+--Ja 't, vrouwe, malsch en dikke staat ze gelijk 't haar op den hond.
+
+Als de opgehoopte borden nu waren leeggestekt, kwam de pappot op tafel
+en met de houtene lepels haalden ze nu gezamelijk of overhands, de
+spijze uit, met dezelfde gedaagde beweging, zonder dat er nog een woord
+tusschen viel.
+
+Nu de schotel uit was, vielen de lepels op tafel en Free stond recht.
+Hij bleef nog wat aarzelen voor 't venster en dan;--Wat is er voor
+morgen? vroeg hij.
+
+Terbinst die vraagwoorden nog in de keuken hingen, was Verlinde aan 't
+regelen en zoeken naar een bescheid; hij zag 't verloop van den
+volgenden dag gebeuren. Als ik vroeg uitzet, dacht hij, ben ik 's noens
+terug; dan kunnen we in 't hooi werken, en als 't even zonnewarm is als
+vandaag, kan het tegen s' avonds al droog zijn.
+
+--Jawel, Free, morgen tijdelijk, 't hooi openvimmen, na den noen kunnen
+we samen hopperen....
+
+Free stond en wachtte nog wat. De vrouw was in 't achterhuis heur
+schotelgerief aan 't wasschen. De damp pruttelde in den ketel en de
+druppels koeisop zeeverden langs den zwarten balg sissend in de vlamme.
+
+En Verlinde plots uit zijne gedachten schietend, besloot er een eind aan
+te maken:
+
+--Ja, morgen vroeg met de zon aan 't hooi. Als de dauw is opgedroogd
+kunt ge ook de lammersteert afmaaien.
+
+--'t Heeft vandage fel gedroogd, meende de knecht, 't zal gauw
+veraarzeld zijn, 't weer is vast. Zoo tot morgen, goen avond vrouw.
+
+--n' Avond Free.
+
+De boer kwam ook naar buiten en zag den gekrookten, ouden vent voor
+zijne voeten het hof verlaten. De maan blonk vlijtig in 't effen
+geluchte met zeldzame sterren en de lichte smoor zweefde hier manhoogte
+in dunne deklaag over de velden. Free wees naar de wolkenbank die als
+een vereende, uitgerekte vischgedaante ten Westen aan den einder hing.
+
+--'t Geluchte trekt op, versterking, meende hij.
+
+De boer knuffelde iets en als de knecht over den walweg, buiten de balie
+was, draaide Verlinde den slagboom toe en legde 't grendelijzer in. Hij
+miek den hond van zijnen band los en kwam weer in huis met den buik
+tegen 't venster staan.
+
+De mist lag dikker nu en overwaterde de werf met blauwigheid. Daaruit
+staken de hooge boomstammen hunnen zwaren kruinenbos en over de schuine
+stroodaken gleed in effen blinklicht, de zachte, zuivere maneschemer.
+
+Omhoog was 't een reine ijlte den hemel vol blauw en wolkenrust.
+
+Verlinde wachtte tot dat Trezia uit den stal zou keeren, hij trok eerst
+de horlogieklompen op en kwam weer bij 't venster. Die rustige
+avondkalmte stoorde hem met misnoegdheid omdat de dingen nu effen zoo
+waren als verleden jaar in dezelfde doening--maar toen was het in zijn
+gemoed zoo kalm--nu echter beangstigde hem diezelfde stilte en hij
+voelde zich daarin alleen staan met de onrust in zijn binnenste,--de
+strijd met de dingen die alom in vrede, hun gewoon leven leidden. Hij
+voelde spijt omdat alles tegen zijn wil toch, zoo geworden was, spijt om
+dezelfde stille avonden van vroeger, om 't geen weg en niet meer te
+vinden was. Maar daarbij bleef zijn eigene meening even vast, zijn
+stijve hals kropte straf, zijn zware wenkbrauwen fronsten over de diepe
+oogen en de vuisten balden in zijne broekzakken.
+
+Hij stond alleen, ja, buiten al 't andere, maar sterk in zijne
+eenschheid en de beleediging was even zwaar en even onvergeeflijk als
+den eersten dag. Binnen woelde het om uit te barsten, maar inwendig
+bleef hij kalm; hij dwong zich nog wat te staan staren over zijne werf
+en dan wilde hij niet meer wachten. Hij legde nieuw hout op het
+heerdvuur, ging zijnen wandelstok halen uit de horlogiekast en zette
+zich in den helderschijn van de houtvlam den koperen minsel en de kruk
+te poetsen.
+
+Trezia vond hem daaraan doende als ze binnen kwam en met 't eerste
+opkijken wist ze reeds wat het te beduiden was; maar Verlinde hief
+haastig het hoofd.
+
+--Als ik heel vroeg uitzet, kan ik voor den noen terug zijn, 't hooi
+kunnen we dan algelijk inhalen.
+
+--Hoe, wat? en Trezia gebaarde zich onwetend.
+
+--Wat?... 't is morgen toch vervaldag van de pacht.
+
+--'k Meende dat ge het een dag zoudt uitstellen, overmorgen is 't groot
+werk gedaan ... en morgen botst ge voorzeker op Vanhoutte.
+
+Dat was eene ophitsing.
+
+--Botsen op Vanhoutte? en hij trok hoog de wenkbrauwen die lijk
+borstels, donker boven de oogputten rondden: Wat scheelt mij Vanhoutte?
+voor wien moet ik uit mijnen weg? 't is dertig jaar dat we geen dag
+gemist hebben! De straat blijft vrij en als ik maar mijn geld afgeef,
+wat doet Vanhoutte daar tusschen?
+
+--O, mij goed, verschoonde de boerin.
+
+En hij kuischte voort het koperen beslag en zette den stok dan glimmend
+in den hoek van den heerd. De vrouw smeerde den boers beste schoenen in
+en zette ze nevens den wandelstok. Binst dat Verlinde nu met de beenen
+uitgestrekt en de handen diep in de broekzakken te blekken bleef,
+ontstak Trezia het oliepitje en haalde zijne zondagsche kleeren uit de
+kast en legde ze open in de kamer op het pronkbed. Heur adem en heur
+voetstappen gingen door de eenige avondstilte en 't lamplichtje helderde
+in ronde vlekken, al de hoeken van 't huis waar ze voorbijging; 't
+vlammeke en verpinkte niet.
+
+--'k Zou ook nog een dobbele snede en wat hespe mededragen, zei Verlinde
+in 't opstaan en eer hij de deur van zijne slaapkamer toestak:
+
+--'k Zal voor 't klaren uitzetten, rond twee uur,--als ge eerst wakker
+wordt....
+
+--Zoo vroeg? en ge geraakt eerst om negen uur bij den burgemeester
+binnen....
+
+Het vragend woordgeluid bleef hangen in huis en wachten naar antwoord,
+lijk gesmacht in de dikke stilte.
+
+In de kamer rinkelde Verlinde de zilverstukken die hij op zijn bed
+opentelde. Trezia's stappen mieken nu dubbel geruchte in 't werken aan
+den kokenden ketel.
+
+Heur mans' hoed kuischte ze nog af, zijn halsdoek en een versche kiel
+schudde zij uit de vouwen. Als zijn brood en zijn vleesch was
+afgesneden, dekte zij het heerdvuur dicht en grendelde de voordeur. Toen
+zij in de slaapkamer kwam, hoorde zij Verlinde's asem in 't donker daar
+hij bij eenen stoel zijn avondbede deed. z'En spraken geen woord meer en
+kropen zonder geruchte in bed en bleven elk bij zijn eigen gedachten
+bezig, in de verwachting van den slaap.
+
+Heel buiten tijd kraaide de haan daar hij verdoken zat op zijnen polder
+en die gedoofde nachtschreeuw ten ontijde, met dat lang eind ongemetene
+stilte voor en achter, liep verloren in de groote rust, zonder dat
+iemand er op lette. Verlinde ontwaakte wel nu en dan, lag wat te
+peinzen, luisterde naar den klokslag, loerde naar den loop van de maan
+en keerde weer in slaap. De rocheladem van Trezia haalde en blies in
+geregelden gang zonder stoornis. Zoo vorderde de nacht.
+
+Verlinde ontwiek uit eenen lastigen droom--hij zweette er af en was blij
+van verlost te zijn en te weten dat 't leugens waren en bedrog waaronder
+hij gepijnd had. Maar als hij wilde achterhalen de reden van zijnen
+angst, gerocht hij den draad kwijt en heel 't verloop van de gebeurtenis
+wischtte uit op den stond dat hij zich rechtte.
+
+--De nacht is gekeerd, meende hij, en nu bleef hij liggen wachten om 't
+uur te hooren slaan. Verleden jaar kwam Vanhoutte rond dienzelfden tijd
+hem wekken, samen hadden ze koffie gedronken en trokken blijgemoed door
+den vroegen zomeruchtend op. Hoe dingen toch keeren kunnen! Nu zag hij
+zichzelf, de groote, kalme man, die daar straks alleen met zijn eenige
+gedachten, de lange reis zou doen over 't veld--en Vanhoutte--dat stak
+hem plots met jagende onrust---hij ook zou op eigen hand uitzetten, hij
+was er zeker van....
+
+'k Wil de eerste zijn! en in een plots besluit beende hij uit het bed en
+trok haastig zijn versch wit hemd en zijne lakene broek aan. Trezia
+ontwiek met een zucht en was allichte in de keuken. Tastelings ontstak
+zij vuur en door 't dringende van heur te doene bezigheden, voorzag zij:
+als Verlinde nu weg is, kan ik het brood bakken en den stal gedaan
+hebben, tegen dat 't ochtend is ben ik streek met mijn werk en ik ga
+Free helpen in 't hooi. Al de noodigheden lagen gereed en al gaan en
+keeren gerochten Verlinde en zijn wijf uit hunne doezeling wakker en
+kwamen tot sprake; hij noemde al de dingen die hij moest medenemen: het
+geld in den binnenzak, den kost in de beurs, zijne pijp, tabak en
+vuurslag. Trezia was gereed met 't ontbijt, ze hielp heuren man eerst
+zijnen halsdoek in een lets knopen, en trok zijnen hemdeband neer.
+Verlinde dronk koffie met den wandelstok tusschen de knieen. Ze deed
+hem nog twee eieren zuipen en dan was hij veerdig.--Zoo, Trezia, 'k ga,
+zegde hij heel gemoedelijk.
+
+--God beware u, en goe thuiskomst, de groeten aan den Heer.
+
+--Moet ik iets zeggen aan Free? riep ze hem nog achterna.
+
+--Neen, en te noen ben ik toch thuis.
+
+Langs de stallen stak hij zijn hoofd nog over de halve deuren en trok
+het hof af.
+
+De frissche, vochtige nachtdauw koelde zijne handen en wangen en een
+windeke speelde nauw voelbaar door 't lijnwaad van zijnen kiel, over
+zijn lijf. Hij zocht door de schemering in de lucht en raadde den warmen
+zonnedag die vandage uit het Oosten groeien moest. En nu vooruit met 't
+voornemen haastig te gaan, den langen, eentonigen weg. Hij tastte nog
+even naar de beurs in zijnen binnenzak en dan, stekkend met den stok,
+begon hij eigenlijk voor goed den uitgang. Hij zocht over den
+halfduisteren weg en ontwaarde nievers eenig leven. De nacht hing nog
+over de velden, met dunne dwalende mistvlaken en nuchtere vochtigheid
+die in druppelregen oploste.
+
+De koeien en veerzen lagen en sliepen in 't gras tegeneengedrumd.
+
+Voorbij Vanhoutte's hof hield Verlinde den stap in om geen gerucht te
+maken. Hij vestigde de oogen starlings op de poort, in de vrees elke
+stonde den boer te zien buitenkomen, 't Was er al gesloten nog en in
+slaap; de warme stalreuk stoorde sterk in de zuivere, frissche lucht. De
+hond zelf bleef slapen en Verlinde tord op de teenen, drumde langs de
+boomen, keek nog eens over den schouder en liet een grol van ontlasting
+als hij 't hof bachten den rug had. Nu ging hij weer met vollen stap,
+blij niemand gezien te hebben. Een eind verder was hij al los bezig met
+de vruchten langs den weg en met de helderheid die den oosthemel met
+volle geweld openstiet. De boer was aan 't zinnen op het weer, op de
+klaarte en op de aanstaande warmte en op 't geen hem effenaan onder de
+oogen kwam. Door de doode dorpstraat stekte hij met den stok en stapte
+met de zware schoenen luide over de steenen, en al waar hij keek, waren
+de vensters en deuren dicht. Achter de laatste huizenrij lagen de nieuwe
+velden ineens open in roze klaarte, met een wijden nevelkring omzoomd.
+De liggende wolken waren doorschijnend bebloosd en de spietsen licht
+staken hoog uit den grond waar de zon zou opstaan.
+
+Verlinde voelde de eenigheid wegen en verlangde naar den dag en om
+menschen te zien; hij vermiste zijnen makker achter de bane om tegen te
+kouten, om al de kleine bemerkingen over land en weer uit te spreken die
+hij nu moest binnenhouden. Halfluide soms ontsnapte hem eene goedkeuring
+over een koornstuk of eene verwondering over 't werk dat men hier
+gister, zoo of anders, met of tegen zijn boerenzin, bedreven had. En
+langs de rechte bane, waar hij nu een verre zicht kreeg, merkte hij nog
+altijd geen levenden wandelaar.
+
+--Vanhoutte slaapt nog, *k ben de eerste er uit vandaag,... of hij durft
+niet komen, gromde hij. Nog eens keek hij om en zocht of niemand hem
+kwam nagegaan. Eer hij nog aan 't ander dorp gerocht, hief de zon haar
+bovensten rand uit d'eerde, ze steeg als een gloeiend wiel, effen
+afgerond, zonder stralen en versmachtte hooger in een wolkenbed van roze
+en goud dooreen gedraaid, in gesteven kabbeling.
+
+Zie, op gindschen dorpstoren stak de vlag uit! 't was hier gister
+kermiszondag geweest--en in de straat waren de herbergen ook bevlagd.
+De groote driekleurige vanen hingen slap in de lucht-stilte neer, aan de
+persen boven de daken, nat van den dauw. De dorpels en plankieren waren
+bevuild met gestorten drank en de straat was volgestrooid met
+verfrommeld papier en afval en bucht. Drie kraamtenten en een
+peerdjesmolen stonden toegedekt onder grauw lijnwaad en 't geraamte van
+eene kiosk praalde verlaten, met papieren lanteerns versierd, te midden
+de dorpsplaats. Al de kermisvierders waren weg en sliepen zwaar.
+
+Verlinde was de eenig levende vent en hij ging dwars 't dorp door,
+zonder een kerel te zien of een schreeuw te hooren. Tenden een nauw
+straatje kwam hij aan de opene, vlakke weide. Ineens zag hij uren ver
+in de ronde al groen, al gras, zonder een huis daarin. Bij stukken stond
+de lammersteert nog recht, elders platgemaaid of volzet in ronde oppers.
+Met 't groeien van den dag was 't windeke gaan liggen, volkomen stil en
+geen pijlke roerde nog. En dan ineens, als bij tooverslag, onverwacht
+brak daar ver in de lucht het wolkengevaarte open en door den
+gescheurden voorhang, stroomde 't licht bij gulpen uit en gutste in
+dansende reuzeling loopend in een trek over 't natte dauwgras in
+flonkerende tinteling--een vloed van kleur en vuur. Verlinde neep de
+oogen toe en trok den rand van den hoed neer omdat hij de felle
+tinteling niet verdragen kon.
+
+Voor hem, in de verte, gingen twee kerels met eene zeis op den schouder
+en bezijds in de linkere richting waren er anderen bezig aan 't maaien.
+
+--Ze ratten er al vroeg aan! meende hij. En hij verhaastte den stap
+omdat hij voelde nu zijn eigen drukke bezigheid thuis, die liggen bleef.
+Bij haalde de twee landlieden in toen ze den weg af, over de gracht
+sprongen en aan 't werk gingen.
+
+Zonder overgang was de nieuwe dag uit den nevel opgesprongen en ingang,
+zonder dat Verlinde gemerkt had hoe al die bedrijvigheid begonnen was.
+De mist bleek in een zonneteug opgezopen en de zon stak vol heerlijkheid
+boven den wolkenstoel, in 't schaaierend bleek-blauw geluchte van
+waaruit zij de wereld warmde. De leeuweriken vlogen overal omhoog en
+vielen beurtelings een gejaagd en daalden met eene macht van
+schaterrellend schuifelen en gezang.
+
+De steenen wetter klabetterde over 't staal van de zeissens en de
+boothamer klopte klinkend; overal ronkte en reusde de slag en Verlinde
+hoorde 't vlieden van de grasstalen als voor een onzichtbaren wind. De
+vorken vimden en 't hooi werd gedraaid en gekeerd en opengegaffeld en in
+de verte reden de ijdele wagens al om de lading. De zweepen kletsten
+over den rug van de peerden en de bellenkransen rinkelden boven al 't
+geluid uit. Zoo kleurig stonden de menschen gekleed, zoo vlug, zoo
+vroolijk ging het werk als bij een feestig bedrijf.
+
+Verlinde keek als een zot wijds en zijds over al dat leven, hij baadde
+in de groene zeevlakte en eene ongekende lustigheid voelde hij met den
+nieuwen dag in zich opkomen. Meteen kreeg hij warm, hij droeg zijnen
+hoed in de hand en liet het zweet van zijn wezen druppelen; de hitte
+woog hem tegen de borst, maar hij stapte al haastiger op den hoogen weg,
+recht naar de zon toe.
+
+Dan zag hij aan den hoek van 't veerhuis een vent en op denzelfden stond
+kreeg hij een schok die zijn lijf doordaverde en zijne beenen met lamte
+sloeg--Vanhoutte! Hij wilde zich duiken, hem verre den voorweg laten om
+niet gezien te worden, hij draalde ... maar ineens kwam zijn eigenmoed
+boven, hij verstoutte en werd kwaad op zijn eigene bedremmeling.
+
+--Wat de sakker, ik ben Verlinde! en voor geen honderd Vanhoutten...!
+Van dan af was 't besloten, vast: in alle mogelijke ontmoetingen zou hij
+zijnen eigenen weg gaan, stijf en zeker alsof hij alleen over de wereld
+liep, en niemand kennen of zien, alsof Vanhoutte dood was en nooit
+bestaan had.
+
+Maar intusschen knaagde hem de spijt, omdat die leelijkaard er toch
+eerst uit en hem voor was.
+
+Hij zag hoe hij de delling afstapte met Lowie den veerman, en verdwijnen
+achter den oever in de boot--na een tijdeke stapte hij weer boven al den
+overkant en ging.
+
+Verlinde vorderde nu met vaste grepen naar de Schelde toe en heel luide
+riep hij met gemaakte lustigheid, naar den veerman:
+
+--Lowie, vroeg al aan de bezigheid!
+
+--Vroeg al op wandel!
+
+De schuit slierde stil over den blauwen stroom en Verlinde stond recht
+en keek over de klare waterbaan tusschen de groene oevers, waar gedoken
+in 't lisch, de eenden duikelden in de koelte.
+
+--Tot in 't weerkeeren, boer, en de goe reize! en terwijl de veerman
+over de waterstraat weer naar zijn huis slierde, steeg Verlinde haastig
+de steenen trappen op.
+
+Ja, voor hem ging Vanhoutte met zijnen vasten stap, de korte beenen
+strak gespannen, en de dikke, stijve hals recht uitstekend boven zijn
+blauwen kiel; hij vermoedde niet dat er iemand achter hem ging. Met
+gelijken zwaai van den arm dreef hij den mispelaren wandelstok en ging
+zonder achterdocht of zonder den kop te wenden, neerstig voort.
+Verlinde's oogen brandden op dien rug en die hooge zijdene muts, die zoo
+trotsch in de lucht opstak;--hij zag of hoorde niets meer daar rond en
+ging om gelijken stap te houden, loerend als een bespieder, met angstige
+verwachting hoe het zou afloopen.
+
+De weg liep nu tusschen vruchtvelden en op de helling van den heuvel,
+die den einder met blauwe lijn afsneed, lag het wit en het rood van de
+dorpshuizen in de zon te blinken.
+
+Vanhoutte's gestalte verdween tot over de schouders achter een koornstuk
+en Verlinde zag den kop alleen boven de halmen in 't stroo
+vooruitschuiven. Hij zelf kwam in het nauwe wegeling en zijn stok deed
+de koornstalen ruischen; hij zwaaide hem al meer om de deugd van de
+ritseling te hooren. Wat den boer 't meest belaagde nu, was: te weten of
+zijn voorganger, volgens gewoonte, in de gekende herberg "Het vlammend
+Hert" zou ingaan. Hij zal niet durven, dacht hij. Hij is benauwd mij te
+ontmoeten, hij zal elders gaan. En als hij er toch gaat?... Verlinde nam
+nog geen besluit. De weg klom merkelijk en door de groeiende hitte werd
+het lastiger te gaan. Al 't geen de boer van den morgen doorwandelde,
+had in hem onbewust een gevoel van vrede doen ontstaan, hij voelde zich
+zoo stil gestemd, zoo rustig, de dag was zoo kalm begonnen en die reine
+wijdte was zoo grootsch, zoo plechtig onder den eeuwigen hemel, en van
+hier uit gezien, werd alle haat zoo klein, dat kijven zoo ongepast, zoo
+schendig; en Verlinde neep de lippen, beet en vocht om zijn straf, stoer
+gemoed niet te laten versmelten; hij besloot een kalm, gesloten,
+hooguitziend stilzwijgen te behouden en elderwaards te kijken. Hij werd
+moe van 't gaan en lam van de hitte, en verlangde naar eene koele
+herberg om wat te rusten.
+
+Intusschen stapte Vanhoutte voort door de dorpstraat en recht de opene
+poort binnen van "Het vlammend Hert". Nu voelde Verlinde zich flauw
+worden, 't was hier zoo stil bij die dorpsmenschen, die versch uit hun
+bed opstonden, en hij had nu liever Vanhoutte niet te ontmoeten.
+
+--'k Ga hier binnen, meende hij, en hij draaide den hoek om en ging naar
+den "Bonten Gaai".--Hier kan ik hem zien buitenkomen en wachten. Maar op
+dienzelfden stond oordeelde hij zijne daad als kleinmoedige kuiperij,
+doch hij wilde het zichzelf niet bekennen.
+
+Hij was alleen in de koele gelagkamer, zette zich aan tafel bij het
+venster en vroeg koffie aan de vrouw, die met opgesloofde mouwen, heur
+handen afdrogend aan den voorschoot, van heur bezigheid uitscheidde. Zoo
+aanstonds begon zij met luide stem te kouten over 't warm weer van de
+vruchten en van 't nieuws en de menschen uit 't dorp, die Verlinde niet
+kende. De kamer was ineens vol leven en geruchte. De vrouw keerde en
+ging en de boer zat bij het tafeltje zijn zweet af te drogen; hij haalde
+een paar boterhammen uit zijne beurs en tusschen hare redens in, dronk
+hij zijne koffie en keek beurtelings naar 't uurwerk en door 't venster.
+
+--Uwe burgmeester stelt het altijd goed?
+
+--O, zeker, een beste mensch.
+
+En Verlinde overlegde, of het niet best was nu maar voor negen uur te
+gaan bellen, om er toch eerst mede gedaan te krijgen; maar dan voorzag
+hij, dat Vanhoutte hem zou zien over de straat gaan, of dat hij hem aan
+de deur zou ontmoeten en hem in 't gezicht loopen. Hij bleef dus maar
+zitten en loerde alsaan bachten zijne kijkwere naar de groote poort van
+"Het vlammend Hert". In de herberg was het nu even stil als op straat,
+de vrouw was uitgekout en weer naar heur werk, en 't scheen den boer dat
+hij hier alleen zijnen vijand zat af te wachten om eenen slag te slaan.
+Nog een half uurken, rekende hij, en hij ontstak zijn eerste pijp om den
+tijd te bedriegen. Zijn gemoed was onrustig, gejaagd, omdat hij nu in
+eene vreemde herberg was gaan zitten en niet gedaan had als Vanhoutte:
+onbeschroomd naar "Het vlammend Hert" gaan zonder niemand te duchten.
+Daarbij keerden in zijn eenzaam turen, al de kleine gebeurtenissen van
+verleden jaar bij hunne komst hier in 't dorp voor zijnen geest--samen
+hadden ze ontbeten onder gezellig kouten, in afwachting naar 't uur dat
+de burgemeesters kantoor open ging.
+
+--O, Vanhoutte kon hij anders wel missen! 't was nu al een jaar rond dat
+ze, sedert hun onverschil, malkaar niet meer zagen. En het mocht nog
+negentig jaar alzoo voortduren.
+
+De herinnering aan hun vroegere partijtjes in de herbergen den Zondag,
+en de avonden 's winters rond malkaars heerd, liet nu bij Verlinde zelfs
+geen spijt meer na. Sedertdien hadden ze malkaar slechts twee keeren
+ontmoet en ze waren met stijven hals voorbijgegaan zonder de een den
+ander te bezien. Met geen woord hadden ze gescholden of geschimpt, maar
+bij elkeen stond de haat vastgegroeid door den tijd en geen van beiden
+zou een vinger toegeven, ze wisten het. Ze waren er nu aan gewend en
+Verlinde dacht niet meer aan ruzie en heel zelden aan Vanhoutte. De
+dagen keerden lijk voortijds, maar nu hij den vijand zoo voor de voeten
+zag gaan en ze samen opeen moesten loopen lijk vandaag, joeg dat
+Verlinde 't bloed weer op en hij kreeg eene kriezeling in de vuisten om
+zijn onrecht effen te vechten. 't Was alsof het maar gister gebeurd was
+en bij 't minste woord of gebaar, zou 't er gestoven hebben. Verlinde
+zat geleund op zijnen wandelstok, lokte aan zijne pijp en binst dat
+zijne oogen het pintenrek en den disch bekeken en de veilingsbrieven
+lazen aan de wanden in de herberg, waren zijne gedachten te huis in de
+doening op zijn land--hij herleefde in zijn geheugen den dag voor die
+verkooping, als hij staan praten had met Vanhoutte; hij hoorde zijne
+eigene woorden nog: ze bespraken de zaken als fijne vossen die bevriend
+zijn en malkaar helpen willen waar 't den een den ander niet schaden
+kon. Ze waren overeengekomen dat Verlinde de vijfhonderd tarweland
+koopen zou die aan zijn eigendom geland lag, en Vanhoutte besprak de
+weide achter Verlinde's hof. Hij zag nu weer beeldelijk den notaris
+staan die bij de verkooping, die vijf honderd instelde. Verlinde was de
+eerste die een bod deed--een stem hoogde hem af! Verlinde had een
+nieuwen prijs geboden en weer dezelfde stem die afhoogde. Hij had
+gekeken om den kerel te kennen die hem zoo kwam opjagen, hij zou zoeken
+hem te bewilligen met schoone woorden en wat drinkgeld,--hij dacht nog
+dat hij van perceel of koop gemist was, vroeg inlichting aan zijnen
+gebuur en als hij weer het hoofd hief om meer te bieden:
+
+"Verbleven! Proficiat!" en toen was het gebleken dat Vanhoutte kooper
+was en Verlinde gefopt stond! Dat was hem toen als een steensmete op 't
+hert gevallen; hij stond verdutst eerst, geloofde het niet en binst hij
+nog aan 't dubben was, besluiteloos en verdwaasd, was de weide ook aan
+Vanhoutte toegeslegen.
+
+Dien avond was Verlinde met geslotene lippen naar huis getrokken, maar
+inwendig had hij geweldig gevloekt. Aan zijne vrouw had hij geen woord
+gezegd. Op dien stond was zijn spijt zoozeer niet om het land--dat hij
+toch wel missen kon--maar omdat 't voor al de menschen nu bekend was dat
+hij dommelijk gefopt werd en dat zijn gebuur, zijn vriend--de boer
+waarmede hij deur en deur woonde, waarmede hij dagelijks omging, hem zoo
+verraderlijk bedrogen had. Zijne woede had hij stil binnen gehouden, al
+zijne redens had hij verkropt, maar sedertdien was er een wantrouwen in
+hem ontstaan, een zwart ongeloof aan alle mogelijke genegenheid of
+vriendschap, eene verbolgenheid tegen al de menschen op de wereld, en
+toen besloot hij voor altijd zijne deuren gesloten te houden. Hij zweeg
+en vocht inwendig tegen den drang van zijn hert dat wilde toegeven,
+vergeten en vrede maken. Want de tijd was daarover gegleden en de
+menschen hadden reeds vergeten van waar het ongelijk kwam, ze
+verdraaiden de zaak en omdat hij niet mede wilde, veroordeelden zij
+Verlinde om zijn norsche koppigheid. Vanhoutte had er immers eene
+lachreden van gemaakt en in zijne lichthartigheid had hij getaterd en
+gezongen alsof er niets gebeurd was en de dorpelingen wilden hem ook
+geen kwaad om den kleinen streek, dien hij zijnen gierigen gebuur
+gespeeld had. Verlinde echter kon of wilde niet vergeten; al de dingen
+waarop hij keek herinnerden hem aan 't geleden onrecht--hij moest stand
+houden, zonder herstelling kon hij niet toegeven; een woord ware genoeg,
+maar het woord moest er komen en hij droeg gelaten de gedurige drukking
+van 't ongelijk dat de menschen hem aandeden. In zijn binnenste verjoeg
+hij den drang die hem dwong toe te geven en weer te keeren in den kring
+van gezonde leutigheid, bij de lachende menschen en hij dook zijne
+eigene onrust te midden al het rustige waar hij in leefde. Hij zag de
+dorpelingen voor hem uit den weg gaan, ze lieten hem alleen in de
+herberg waar hij binnenkwam, ze vermeden hem aan te spreken--de leute en
+'t gelach hielden op waar hij zich vertoonde ... en de boomen en 't gras
+en de vruchten groeiden en de zon schong daar zoo allemachtig
+onverschillig over, dat Verlinde zijne eigene zaak zoo klein vond, iets
+dat lang geleden en uitgewischt was. Bij zichzelf haalde hij al dieper
+ongelijk om zijn koppig vasthouden. Hij had het anders gewild, maar wist
+niet hoe het goed te maken en daarom bleef hij aan zijn voornemen
+getrouw: hij hield den kop omhoog en zag met koele verachting neer op
+alles wat rond hem leefde. Niemand, zijne vrouw zelfs niet, liet hij in
+zijn binnenste kijken en de norsche boer bleef sterk nu, uitsluitelijk
+omdat hij het tegen alle meening in, wilde blijven.
+
+Maar nu verdroot hem dat wachten hier in die eensche herberg, te meer
+daar hij beloofd had tegen den noen te huis te zijn. Hij zag het felle
+weer buiten en als hij aan zijn hooi dacht, werd hij ongeduldig. 't Was
+over den tijd reeds! Toen begon hij te denken: Vanhoutte kan weg zijn
+zonder ik hem gezien heb. Nu kon er komen wat wilde, hij nam een kloek
+besluit en trok de straat over. Aan de deur van den burgemeester
+gekomen, sloeg hij het stof uit zijne broek en trok aan de bel.
+
+De meid opende voorzichtig en leidde den boer binnen.
+
+--Is mijnheer te spreken? 'k Ben hier met geld en wat haastig.
+
+Zij knikte en ging de deur van de spreekplaats opentrekken, maar
+Verlinde hield haar bij de mouw en beslist, luide:
+
+--Vanhoutte is hier, schreeuwde hij, steek me bij hem niet of we vechten!
+
+De meid stond versteld, ze kende Vanhoutte noch Verlinde en stamelend:
+
+--Er is een boer bij mijnheer in 't kantoor,
+
+--Dan is 't goed, en Verlinde liet het meisje in hare verwondering en
+stapte in de spreekkamer. De deur viel weer dicht en nu zat hij als een
+gevangene en wachtte in groote stilte af, wat er gebeuren ging. De
+bloemkrullen op het behangpapier waren bleek vergaan en de bollefrinjen
+aan de rolgordijnen hingen in effene reek boven 't kruisraam zonder dat
+er eentje roerde. Verlinde zat op eenen stoel en luisterde naar het
+bromronken van twee stemmen in het aanpalend vertrek. Eene deur ging
+open en weer dicht, de bel klonk, er werd nog iemand binnengelaten, maar
+Verlinde kon niet raden waar de nieuwe bezoeker aanlandde. De klok sloeg
+op den kerktoren en dat was hem een verwijt omdat hij hier doelloos te
+wachten zat, zonder wete van korting of uitkomst. Nu eindelijk hoorde
+hij de stemmen luider: Vanhoutte die afscheid nam en de kantoordeur
+dichttrok trok. Toen barst er iets los in Verlinde, hij wilde zich niet
+langer als een duts en verslagene laten doorgaan, hj; wilde zich wreken
+over zijne verdrietigheid van heel den uchtend--met een stout gebaar
+trok hij de deur der spreekplaats open en daar stonden de twee vijanden
+bek en bek, in de gang.
+
+--He, he he, een gekkende ekstersschettering met bitsige scheldwoorden,
+onverstaanbaar dooreen gesmeten uit schorre kelen--'t had maar een
+stonde geduurd, de weerdij van 't voorbijgaan, Vanhoutte naar buiten en
+Verlinde naar 't kantoor. Hij stond nog wat daverachtig, purper in zijn
+wezen, kwaad omdat hij met woorden heel zijne gramte niet had kunnen
+uitbraken; maar nu was 't weeral over, hij wilde kalm schijnen, want de
+burgemeester had niets te zien in hunne ruzie
+
+--Ha! Verlinde, en de oude stak den pachter de hand toe, hoe gaat 't? en
+te huis?
+
+Verlinde groette koel en zonder veel talmen haalde hij de beurs uit den
+binnenzak en telde de zilverstukken in reken. De burgemeester schreef
+eenen kwijtbrief en overtelde de som. De meid bracht een kanne bier en
+glazen. Verlinde besprak eene herstelling aan de staldeur en aan het
+keldervenster en de burgemeester beloofde in de eerste drie weken eens
+te komen zien.
+
+--Vanhoutte is juist vertrokken, zegde hij, en bij 't optrekken der
+wenkbrauwen zag Verlinde dat 't den burgemeester vreemd voorkwam de twee
+pachters, die gewend waren samen te komen, nu verscheen te zien
+vertrekken. Verlinde stond met de schaamte in zijn binnenste en voelde
+zich niet geneigd hier uitleg te geven over hun onverschil.
+
+--Hij is er van morgen te vroeg uitgekomen, veinsde hij, het werk dringt
+... maar 'k kan hem nog inhalen--'k was wat verachterd met dat we een
+zieke koe op stal hebben. Bij die moedwillige leugen schoot 't
+schaamterood hem in 't wezen. En hij verlangde weg te zijn.
+
+--'t Is volle hooitijd, menheer, ge neemt niet kwalijk.
+
+Hij had zijnen hoed al op en greep naar de deurklink.
+
+--Ja, Verlinde, tot binnenkort en de groeten aan de vrouw.
+
+'t Was bij den noen als hij buiten op straat stond. Alle soorten van
+meeningen stormden hem door den kop en eene groote misnoegdheid met
+zichzelf knaagde hem. Hij wilde zijne schuchtere houding van daareven
+weer goedmaken door eene stoute daad, ter zelfder tijde verdroot het in
+dat huis gekeven te hebben.--Waarom bleef ik niet koes tot hij buiten
+was, gromde hij. Maar nu wilde hij bij alle duivels in 't Vlammend Hert,
+zijne plaats niet meer verloochenen, al zaten er honderd Vanhoutten. Met
+kloeken duw stak hij de deur der gelagkamer open. Zijn gebuur zat aan
+een tafeltje te eten, hun blik kruiste als de weerlicht en dan bezagen
+de twee boeren malkaar niet meer. Vanhoutte at voort zijnen noenkost en
+Verlinde ging aan een andere tafel, vroeg luide een pot bier en haalde
+ook zijnen mondvoorraad uit. De baas ging over en weer, praatte van den
+een tot den ander en kreeg van beide boeren om de beurt antwoord. Ze
+bestelden overhand nieuwe potten bier en Verlinde was vast besloten: er
+nog vijf en twintig te drinken als de ander het dorst volhouden. Ze
+hadden gedaan met eten en lagen nu achterover geleund, te wijpelen op
+hunnen stoel, onder het rooken hunner pijp en ze dreven om ter meest,
+met luid geblaas de kuilen naar de balke. De waard was weg en nu werd er
+geen woord meer gesproken. Op straat kwamen de menschen van hun werk
+naar huis om te noenmalen en geen enkele voorbijganger vermoedde, dat de
+twee kemphanen hier bijeen te vunzen zaten, gereed tot vechten. De
+gloeizon vulde den dorpsbrink met loome hitte en schitterlicht. En
+Verlinde was kwaad omdat er niet meer geruchte was, omdat de dingen zoo
+lam hingen, zonder hitsigheid als zij hier getweeen over malkaar zaten
+te blekken. Hij rochelde luide 't speeksel door zijne keel en trommelde
+met zijnen stok op tafel. Vanhoutte rookte genoeglijk, gerust en blies
+met welbehagen, stilden rook in kringetjes door zijne lippen.
+
+Eindelijk klopte hij zijne pijp uit op den top van zijnen schoen, stond
+recht, betaalde en vertrok, alsof hij heel alleen in 't Vlammend Hert
+genoenmaald had. Verlinde ontstak er nog een nieuwe en wilde nog wat
+blijven, maar 't verdroot hem gauw in de herberg, hij voelde er zich
+eenzaam en het werk drong hem ook naar huis te gaan. Hij vertrok.
+Inwendig was hij goed gesteld, ververscht door 't koele bier, uitgerust
+van de vermoeidheid en kloek op de beenen. De hitte deed hem geen hinder
+en hij stapte dapper aan, in 't voornemen zonder verbeiden, gauw t'huis
+te komen. Hij keek nog naar 't uurwerk op den toren en meende wel laat,
+maar toch bij tijds aan te komen om 't hooi in te halen. Vanhoutte was
+nievers te ontwaren, misschien langs een omweg naar huis,--zoo bleef de
+bane vrij en voor niemand zou de boer den stap moeten breken.
+
+De velden, het reuzelende koorn, 't lag al zoo rustig onder de
+verbijsterende schittering der zon en Verlinde voelde zich een klein,
+nietig zierken onder de drukking van de wijde lucht, op de helling van
+den heuvel, met dat breed landschap voor zich.
+
+'t Zweet droop hem weer van onder den rand van zijnen hoed en barst
+overal uit zijn lijf; de zon zengelde door 't blauw van zijnen kiel en
+stak hem op de schouders als zwaar gewicht 't Werd lastig dat neerloopen
+op den deinenden weg en 't geen nog te doen bleef, lag in wanhopige
+lengte bloot. Maar Verlinde ging zonder opzien of overdenken, stap voor
+stap, met 't gelaten geduld van iemand die heel zijn leven over 't land
+geloopen heeft.
+
+Al over 't hooge koorn zag hij tegen den witten muur van 't veerhuis, de
+menschen zitten en hier in de weide krioelde het van druk gerid van
+wagens en karren met hooi. Nader gekomen, zag Verlinde aan den overkant
+twee menschen voor de deur van 't veerhuis en binst-hij te wachten stond
+aan den scheldeoever en de veerman hem met de boot halen kwam, herkende
+hij Vanhoutte die met Vandoorn den veekoopman, in de schaduw zaten bij
+een tafeltje waar ze gemakkelijk hun pintje dronken. Hij hoorde de
+vette, ronde stem van Vandoorn en zijn eeuwigen lach en merkte duidelijk
+dat de koeiplote er zijn behagen in had en er op gesteld was iets te
+zien gebeuren bij de ontmoeting van die twee boeren.
+
+--Ze gaan mij voor den gek houden, vreesde Verlinde terwijl hij recht in
+de boot stond,--ze gaan zeggen dat ik niet durf ... dat ik Vanhoutte uit
+den weg loop; ik moest thuis zijn--maar dat gelooven ze niet.
+
+Ze zaten daar zoo kostelijk in het lommer met hun pinte bier, langs het
+water!
+
+--Ha! Verlinde! loech Vandoorn al uit de verte, gij zijt gaan wandelen,
+ge zweet eraf, drink een pot met ons om u te verkoelen. Baas, schenk hem
+een pinte, 'k heb vandage goe zaken gedaan, en hij sloeg met den
+mispelaar op tafel.
+
+Verlinde kon niet anders en hij zette zich bij met den schouder gekeerd
+naar Vanhoutte die niets en zegde.
+
+--Op onze gezondheid! riep de vroolijke koopman, hij hief zijn glas op
+en tikte het tegen de twee andere.
+
+Hij praatte voort in luid galmende woorden, zijne gevaarten met de
+boeren die hij vandaag bezocht had, en hij bracht Vanhoutte ook aan 't
+kouten en deze vroeg ineens ook drie pinten om den koopman zijne
+weerjunste te doen. Eindelijk gerochten alle twee de boeren los, ze
+praatten elk al zijnen kant met Vandoorn, maar onderling bezagen ze
+malkaar niet.
+
+Verlinde bestelde op zijne beurt ook drie pinten.
+
+--Op onze gezondheid! riep de koopman, goed zoo makkers! De glazen
+tikten tegeneen.
+
+De koopman legde het het blijkbaar op aan de twee boeren te duivelen:
+
+--Dat is goed! riep hij; 'k wist wel dat ge de koppige kerels waart,
+maar 't mag niet blijven duren, we moeten eten en vergeven!
+
+Die woorden vielen als in eenen kelder en versmachtten er zonder
+naklank; geen van de twee boeren verpinkte, 't was alsof ze 't niet
+gehoord hadden. Maar de grove kerel wilde er verder op los, en luider
+schreeuwde hij ineens:
+
+--Maar zeg, jongens, is dat nog altijd om dat schamel stukje land dat
+ge malkaar het herte opvreet?! Gij subbedutten! onnoozelaars! Voor twee
+gebuurs, 't is een schande! Toe, laat ons pleizier maken binst we leven!
+
+De koopman riep dat ronduit, onbeschroomd in dien wijden meersch en
+daarmede lag hunne zaak daar ineens bloot in haar pieterige kleinheid:
+geen mensch had het ooit met een woord durven aanroeren 't geen ze een
+jaar lang in hun eigen bezaagd, gekeerd en herkeerd en met hun
+versteenden haat zoo ingewikkeld groot en vast hadden laten
+opgroeien--en dat wierp de kerel in een mondsgreep er uit. Nu voelde
+Verlinde de schaamte van binnen in zijn herte komen en zijn hof en 't
+hof van Vanhoutte, met de lucht er rondom en het land, lag als speelgoed
+heel veraf en hun beider houding daarbij, scheen hem nu eene
+verachtelijke beuzelarij.
+
+--Ze schrikten zienlijk omdat hun gevoelige snaar zoo onverwachts, zoo
+fel aangegrepen werd, en ze voelden zich evenzeer gedwongen voor de
+oogen van dien levenslustigen veekoopman, hunne trunterij te vergeten en
+zich open en breed mannelijk te toonen ... en ze monkelden verlegen als
+om te zeggen: dat 't hunne schuld niet was als ze om zoo'n dingen
+elkaar in den weg liepen en de wereld te nauw vonden. Maar dat 't
+inwendig zoo erg niet was, durfden ze niet openlijk bekennen. Vandoorn
+raadde het zoo, en zonder nog naar overgang of naar uitleg te vragen:
+
+--Baas, nog drie pinten! op de herstelling van den vrede! Dat blekken
+heeft nu om den drommel lang genoeg geduurd!
+
+Geen van beide boeren dorst zich achteruit trekken en ze tikten de drie
+glazen tegeneen, maar zonder malkaar te bezien.
+
+De drank liep zoo koel lavend binnen; rond het veerhuis lag de weide vol
+goudgroen zoo ver oogen zien konden en de boeren zaten daar zoo alleen,
+innig gezellig onder 't strooien euzie, tegen den oever der blauwe
+waterstreep die in ronde bocht hen insloot. 't Was hier heel buiten hun
+gewoon leven van ginder, hier was alles breeder, open en grootsch onder
+de machtige lucht.
+
+Volgens Vandoorns opvatting was 't met dat kleine voorval nu effen en
+uit, hij ratelde en loech en viel van 't een op 't ander, zoo leutig en
+los; mengelde zijne spreuken en vlocht zijne redens zoo behendig dat hij
+de twee boeren dwong in 't gesprek zoodat ze, onwillig eerst, maar toch
+elkaar het woord moesten geven om mee te kouten en ook het hunne er bij
+te vertellen. Verlinde zijn zinnen dansten uiteen, zijn verstand waterde
+open en zijn lijf zat zwaar doorwegend op de zate van zijnen stoel.
+Zijne oogen loechen in de wijdte, dwaas dronken en inwendig voelde hij
+de lustigheid groeien en een buitengewoon genoegen te zitten en te
+drinken;--als er tusschenin een verwijt hem dwong om voort, als hij op
+t'huis dacht en op zijn hooi, keerde hij de zinnen anderwaards, want hij
+had een voorgevoel dat hij hier ook iets moest verrichten, iets
+herstellen dat gewichtiger was en dringender dan zijn werk tehuis en dat
+nu aanstonds een groot dingen gebeuren zou, welk hem veel geluk en zijn
+leven op den ouden plooi moest brengen.
+
+--Lowie, nog drie pinten! 'k Ben vergeven van den dorst!
+
+Hij wilde laten zien dat hij geen hond was, dat hij er ook breed kon
+doorgaan, zoo goed als gelijk wie. En hij was nu ook overtuigd dat het
+leven zonder leute geen pijpe tabak weerd was.
+
+Zij ledigden al dapper de pinten en ondertusschen gingen zij achter den
+hoek van het huis, tegen den boom gaan staan en keerden ontlast, met
+nieuwen lust, om 't drinken te herbeginnen. De twee boeren moesten
+bekennen dat Vandoorn een kostelijke kerel was, hij vertelde
+ongelooflijke histories, die met hem zelf gebeurd waren en waarbij men
+krullen moest van 't lachen.
+
+En als Vanhoutte nu weer naar den boom ging bachten 't huis, voelde
+Verlinde ook eene behoefte en binst ze daar rug en rug alleen bezig
+waren, gerochten de groote dingen al ineens hun gewonen ernst kwijt;
+dat leek hun nu heel gewoon en ongedwongen spraken zij over 't geleden
+verraad als over een gespeelde kluchte uit den ouden tijd.
+
+--Ge moest me toch dat meerselke gelaten hebben, bachten mijn huis!
+loech Verlinde.
+
+--Als u dat nu bezonder plezier kan doen, 't ware geern gegeven, zei
+Vanhoutte, zonder zich om te keeren of uit te scheiden van zijne
+bezigheid.
+
+--Zeker kerel, 'k moet nu alle dagen een half uur ver om mijne klaver
+rijden! Is 't gedaan?
+
+--'t Is gedaan.
+
+--Ehwel, goed dan: vrienden lijk voren en na!
+
+--Lijk voren en na! Ze scheidden tegelijk uit en kwamen bijeen om de
+zaak met eenen handslag te bevestigen.
+
+--Als ik de weide krijg, wel, dan is 't haverland u gejond!
+
+--Ja, we konden dat ook wel vroeger in orde brengen; menschen spreken
+menschen.
+
+Verlinde grinnikte en ze kwamen weer bij tafel en ze vroegen opnieuw om
+bier en Lowie moest meedrinken.
+
+Niemand merkte hoe de zon nu schuin heur stralen over de weide schoot en
+'t al in rijker goudglans deed boenen. Lijk mieren stonden en wroetten
+de maaiers daarin en de hoog geladene wagens voerden 't hooi naar huis.
+Maar wie kon het schelen! De drie kerels zaten met een wezen purper
+gezwollen, glimmend van zweet en ze zwaaiden de armen en hunnen hoed
+lijk Janklaas in het poppenspel. 't Geen ze uitbrachten hield zin noch
+reek, z'en verstonden malkaar niet meer en al wat ze nog zeggen wilden,
+smachtte in dreunenden lach. Ze hielden al wat ze konden om hun glas aan
+den mond te brengen.
+
+--We drinken ... zoolang we zwelgen kunnen! riep er een.
+
+--Voor eene wedding: die eerst door zijne beenen valt, deze moet heel 't
+gelag betalen!
+
+--Goed! Goed! En te gelijker tijd kregen ze 't voornemen te blijven
+zitten en te drinken zoolang ... o, altijd voort, tot ze rollen zouden
+of zien rollen. Er was een blijde dingen gebeurd,--z'en wisten niet goed
+meer wat--maar dat moest gevierd, begoten worden met bier, zoolang of
+dat er de veerman in den kelder had. Bij vlagen kwam bij Verlinde 't
+gedacht aan zijn nieuw meerselken en van nog iets dat na langen tijd
+effen en in orde was; dan overmeesterde hem eene wilde leute, hij greep
+de steenen bierkan en gooide ze te midden de Schelde.
+
+--Daar, baas, een grooter kruike moet ge brengen, of ge wordt nog lam
+van halen en schenken; tap het bier in ketels, of haal de ton uit den
+kelder--breng ze boven! Dat we drinken zonder ophouden!
+
+Hunne aders spanden paars en puilden uit hunnen hals van 't lachen en
+schreeuwen en hun kiel en bestovene lakene broek waren belabberd van 't
+bier dat ze stortten.
+
+Al 't geruchte dat ze mieken galmde over de vlakte en verstierf in de
+ijle lucht; rondom bleef het ongestoord rustig, zoodat niemand acht gaf
+op 't geen ze hier doende waren. z'En zagen malkaar niet meer zitten en
+ze lonkten door hunne halfopene oogen om te weten of er nog niemand
+gevallen lag. z'En dachten noch aan avond noch aan huis, of dat er van
+hun levensdagen nog hooi moest binnengehaald worden.
+
+Verlinde deed wederom geweld om iets te zeggen, maar al wat er uitkwam
+was brobbeling.
+
+--Dorst, dorst! tierde Vandoorn, 't is al van die zon, van die zon ...
+ik zou de Schelde leeg drinken! en hij reikte naar eene versche pint.
+
+De baas stond geleund in zijn deurgat en kwam telkens bij om de glazen
+te vullen: hij ook wakelde al op de beenen en schonk met onvaste hand.
+En als Vandoorn verademd had, hief hij de oogen en wijzend naar
+Verlinde:
+
+--Kerel, kunt ge nog op de beenen staan? vroeg hij.
+
+--Ik! ik? bofte Verlinde.
+
+--'k Wed dat ge er door valt!
+
+--Ik, sterk van natuur, jongen!
+
+Hij wikkelde de beenen van onder den stoel, wakelde, greep naar de tafel
+en tuimelde met al het gerief, onder te boven in 't gras en bleef er
+voor dood liggen blazen. De anderen sprongen recht met luiden
+schaterlach, ze stonden rond den gevallene en keken met lodderlijk,
+gelokene oogen en gemaakten schijn van spottende treurnis en ze zongen
+de uitvaart van den bezopene:
+
+ Onze broeder Lazarus
+ die is dood
+ zottekloot;
+ we zullen hem begraven
+ al in Jerusalem-me-lem-
+ me-lem.
+ We zullen hem begraven
+ al in Jerusa-
+ lem.
+
+Ze trokken de tafels en de stoelen weg en legden hem de armen gekruist
+op de borst, raat de beenen lang uitgestrekt als een doode in zijne kist
+en herbegonnen hun liedje, gestopen staande als lijkbidders:
+
+ We zullen hem begraven
+ al in Jerusalem-me-lem
+ me-lem.
+
+--We gaan onzen broeder eerst een slokske geven! en ze goten Verlinde
+een teugsken bier in den mond, maar ineens klaverde de schijndoode boer
+weer op de beenen, greep Vandoorn en Vanhoutte bij de hand en alle drie
+in ronde dansend zongen zij, Verlinde het luidst:
+
+ En onze broeder Lazarus
+ die is dood
+ zottekloot!
+ . . . . . . . . . . . . .
+
+--Gij zijt verloren! riep Vanhoutte, we gaan de verrijzenis vieren, en
+dan....
+
+De kanne werd gevuld. Maar z'en konden niet meer, de glazen ontvielen
+hunne handen en ze moesten elkaar bij de lenden grijpen om niet te
+vallen.
+
+--Laat ons naar huis gaan, naar huis gaan, besloten zij.
+
+--Ja, ik ga betalen, zei Verlinde. Hij tastte onder zijnen kiel, en
+haalde geld uit en wierp het op tafel.--Daar!
+
+De veerman was niet meer in staat te tellen en de drie dronken boeren
+vertrokken arm aan arm, gebroederlijk--Vandoorn in 't midden. Zoo
+waggelden zij voort op hunne slappe beenen en zwenkend lijf. z'En
+hielden geen straat en gingen op goed geluk, tot aan den buik in 't
+gras, den wijden meersch in. Ze zwaaiden hunne armen tastend naar
+evenwicht en hunne beenen schrankten van links naar rechts, schommelend
+voort.
+
+ We zullen hem begraven
+ al in Jerusalem-me-lem
+ me-lem.
+ We zullen hem begraven
+ al in Jerusalem.
+
+De meersch lag als een groene zee zonder einde; de zon was weg en de
+koele, blauwende schemermist steeg uit de grachten en overwaterde den
+einder.
+
+De drie boeren vorderden traag, ze stonden nu en dan om adem te halen,
+te rusten of zich te ontlasten, en arm aan arm hernamen zij hun
+treuzelenden gang.
+
+De veerman stond nog tegen den muur van zijn huis geleund en zag hoe ze
+verminderden in de verte, hoe ze stand hielden soms en plots alle drie
+verdwenen in 't gras en traag weer opklaverden, en voort djoezelden weer
+met vage armzwaaien, zwemmend boven de groene zee van hoog gras. Hij
+volgde nog den flauwen gang van hun liedje, zag de gestalten
+verminderen, en eindelijk werden zij drie zwarte vlekken tegeneen. Ze
+tuimelden altemets, lijk kerels omgeblazen en bleven een thoelang
+gedoken liggen. Later kropen ze een voor een weer boven, hernamen den
+wankelgang en doolden voort tot ze onzichtbaar werden, versmolten in den
+schemer, bachten den voorhang van den vallenden dauw.
+
+'t Liedje was uit en al het drukke van den warmen dag keerde weer in
+dezelfde rost en den vrede met den gewonen zomeravond.
+
+
+ * * * * *
+
+
+VEROVERING
+
+
+Dien zondagmorgen was het bijtend winterweer. De oude boeren waren thuis
+gebleven en na de mis stonden de jonge kerels een enkel stondeke maar,
+in twee hagen gereekt, langs den kerkeweg en stampten op den harden
+grond en pierden naar de meisjes die bibberend en in zwarte mantels
+gedoken, haastig naar huis gingen, 't Gedrom was zoo gauw geruimd op 't
+kerkplein, want de knapen polkten de handen diepe in de broekzakken en
+liepen met ingetrokkene schouders, om 't zeerst naar de Klokke of naar
+den Hert, hunne borrels pakken. Daar had de bazinne den heerd goed
+aangestookt zoodat de warmte van ver al deugddoende tegenkwam. De
+klanten kropen dicht in de ronde, lieten hunne schenen roosten,
+ontstaken eene pijp en dompten lustig. Het luide gebabbel ging overal en
+elk snapte naar een borrel klare genever om 't herte te warmen.
+
+Odo en Andre, de rijke boerenzonen, hielden zich afgezonderd in hunnen
+hoogmoed, maar de gezellen uit dezelfde buurt zaten den linkschen hoek
+vol en loechen en praatten onder elkaar en, ze begekten den ouden Filie
+die vandage zijne geboden kreeg van den preekstoel om de aanstaande week
+te trouwen ... met een meisje dat hij al veertien jaar vrijde! Ze
+bespraken dat boerinnetje rechts en links, met al de gissingen in het
+leven der aanstaande echtelingen en den toestand der oude hofstede waar
+ze gingen inwonen. En Filie, de oude jonkman, zat daar zelve bij en hij
+luisterde dat af, goeloos, met een onnoozelen monkellach zonder een
+weergekkend woord uit te laten. En de luide, jolige leute ging al hooger
+bij elke nieuwe spotspreuk. Bintsdien grepen de grove handen naar
+versche borrels op 't schenkschaalken en de koperen vuurpot deed alsaan
+de ronde om nieuwe pijpen te ontsteken. De klap ging elders onbezorgd,
+vrij, lustig, vriendelijk. Onder makkers werd afgesproken hoe men den
+achtermiddag zou overbrengen, naar wat gehucht of welken hoek of herberg
+of waar ze malkaar zouden vinden om te schieten, te bollen of te
+kaarten.
+
+Dan stonden zij bij benden recht en vertrokken gezamenlijk; maar in de
+"Gouden Leerze" wilden, ze nog eerst binnen bij Leentje, het geestig
+dochterken. Daar bleven zij staan lanterfanten bij den disch en taterden
+tegen 't mesje dat vrij meegiechelde, terwijl heur poezelige hand met de
+flesch het klokkend geneverwater klaar als gesmolten ijs, perelend de
+glazekes volschonk. Ze gaarde de stuivers in den zak van haren netten
+voorschoot.
+
+Vandaar vertrokken de gasten te veldewaard elk naar zijn huis en 't dorp
+bleef leeg en dood, lijk bij wekedage als ieder in zijn huis en aan 't
+werk is.
+
+Odo en Andre ontstaken eene laatste pijp en gingen ook hunne wegen
+korten. Zij moesten langs denzelfden kant en daardoor was het sedert
+lange jaren gewoonte geworden samen naar huis te gaan. Ze praatten stil
+en schaars lijk menschen die malkaar veel zien en niets nieuws te zeggen
+hebben. Maar ze rookten duchtig fel om de koude en als ze aan 't houten
+kappelleken kwamen waar hun wegen verscheen liepen:
+
+--Wat schikt gij te doen, vandage? vroeg Andre.
+
+--Weet niet.
+
+--'t Weer is te goed om te slapen heel den dag. 't Regende of sneeuwde
+nu al zes zondagen aan een eind; zouden we niet een tochtje te peerde
+doen? De beesten staan daar, ze zullen er deugd van hebben en de wegen
+zijn goed.
+
+--Voor mij niet gelaten, meende Odo.
+
+--We moeten er nu gebruik van maken binst dat 't deugt en de weken zijn
+zoo drommels lang om verluieren.
+
+--Waar rijden we?
+
+--Waar ge wilt. Wel we schikken dat als we te peerde zitten.
+
+--Goed, hoe late?
+
+--Doppe na 't eten, 't is anders te gauw donker. Ik kom u halen.
+
+--Goed, na 't eten.
+
+Ze gingen elk zijnen weg. Een zware stap klinkend over den vervrozen
+grond en de blauwe damp dwarrelde als pluimkes altijd nieuw uit hunne
+pijp achter hun hoofd weg. Het land lag vlak als een kale vloer, grof
+verbrokkeld en gedeeld in wintervoren; en de harde haardkluiten,
+overpoeierd met lichten sneeuwmijzel, glinsterden in de nabijheid en
+bleekten verder uit in grijze eentonigheid. De lucht daarboven zat vaal
+zonder zon of kleur, triestig en eindeloos. Overal eenzame,
+uitgestorvene rust van liggend doode land. De hoven daarin stonden
+zeldzaam met naakte boomen verzaaid over de wereldvlakte. De wegen zelf
+waren half verwischt en lagen in hun kronkeligen kruisloop, oud,
+doorkorven met wagenslagen, gerimpeld als doodvergane, nuttelooze
+dingen. Daardoor stapte Odo onverschillig voort, met de leegheid der
+blekkende lucht en grijze omgeving die hij onbewust drukken voelde op
+zijn gemoed, zonder gedachten stappend uit gewoonte, over dezelfde baan,
+op denzelfden tijd, lijk elken zondagmorgen, zonder nieuws of
+verandering eentonig. Ginder herkende hij zijn hof in de verte: de oude,
+zwaar staande daken, wit berijmd onder den berijmden hemel, op de
+sombere muren die zwart vlekten tegen den grijzen grond; heel de doening
+stond lijk gedroomd en gereed te vergaan, te smelten in 't overwegend
+wintergrijs, verdrietig om zien.
+
+Dingen uit het dorp kwamen nog in zijn gedacht, de hardklinkende,
+lachgalmende woorden van daareven in de herberg hoorde hij hier stikken
+over de verre vlakte heen. De menschen zag hij van rond zich uit de
+kerk, de aangezichten van makkers, het leutig, lief smoeltje van Leentje
+en den walmende tabaksdamp overal op. De doode dingen ook uit de
+verledene week kwamen in zijn gedacht: doffe, kleine gebeurtenissen van
+alle dagen, avonden gesleten bij Andre en zijne zuster Ida en elders op
+andere hoven in de buurt. En met Ida kwam heel den geleidelijken sleep
+van hunne lange kennis en verkeer en hij dacht aan dat meisje dat eens
+moest komen zijne vrouw te worden op 't hof, maar dat was 't einde, dat
+stond verre nog, heel ver en onvast, uitgesteld als een lastig, moeilijk
+ding waar hij nog niet durfde mede bezig zijn omdat het heel den
+gemakkelijken sleur van gewoon boerenleven en boerenrust, die nu zoo
+vast stond in den harden winter, moest komen storen en veranderen: een
+vreemde vrouw in dat innig, omsloten huis die er al het ongewone van de
+nieuwe doening zou moeten aanleeren. Hij wierp dat weg en seffens zag
+hij zijne zware peerden staan, warm en lui in den stal, en Jan den ouden
+knecht, die er zijn gewoon zondagwerk verrichtte. Daarbij raadde hij al
+den wagenden stilgang en doening in de zondagsche keuken waar hij zoo
+seffens zou binnenkomen; de warmte en den reuk van den maaltijd snoof
+hij reeds met 't gedacht aan moeder en Julie zijne zuster....
+
+Hij lichtte den ring van de groote hofpoort en stapte tusschen wagens en
+karren door de schuur. Daarbinst overviel hem een groote, verdrietige
+moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche
+winterstilte hier alom. Hij vroeg niet hoe het kwam of waarom, maar
+dacht alleen aan de verdrietigheid omdat 't overal en eeuwig eenbaarlijk
+'t eigenste en 't zelfde was in eentonigheid: 't gedraai van menschen en
+dingen die hij zoo lange kende en die nooit beu waren van de wintersche
+triestigheid, den godslagen Zondag.
+
+Hij klopte als gewoonlijk 't vuur uit zijne pijp, keek over de werf die
+levenloos en goed opgeschikt lag heel de lange wintermaanden, maar hij
+vond niets om over te vitten tegen 't werkvolk. Huis en staldeuren en
+schuurpoorten en luchtgaten, 't was alles zorgvuldig dichtgestopt en
+stil, 't scheen er bachten al uit verhuisd--geen beest dat leven miek.
+De hennen ook, en de wakkere haan bleven op hunnen warmen zolder tenzij
+juist den tijd om te eten.
+
+Waar Odo door de vensters gluurde, gaandeweg over de hooge stoep, zag
+hij al de gordijntjes nauw dichtgeschoven. De deur kriepte haar gewonen
+kriep onder den stoot van zijne hand en binnen vond hij moeder en zuster
+met hun ernstig gelaat, stil bij den haard zitten wachten. Over 't vuur
+en in de heerdasch er rond, hingen en stonden ijzeren potten en pannen
+waar dampen uit walmden tusschen de spleet van de deksels. Over het
+verste eind van de lange tafel was een blauw geperkte dwale gespreid
+waarop de witte borden met vorken en lepels gereed stonden. Dat alles
+gaf Odo een tegenzin van vunze gewoonte, vastgegroeid in ouderdom,
+dringend als eene noodzaak. Zonder spreken nam hij plaats bij den heerd,
+trok de leerden uit en zijn vest, deed de wit gewasschene kloefen aan en
+bleef in de baaimouwen zitten geeuwen en rekken met de armen achterover.
+
+Hij keek bezijds naar de gedekte tafel en naar moeder, die den blik
+verstond, hij lonkte naar het uurwerk, stond op en zette zich bij tafel.
+
+--Julie, 't is tijd, we gaan eten.
+
+Het meisje ging eerst aan 't venster kijken over de werf en riep naar
+Jan voor 't noengetij. De kerel kwam allichte binnen, zette zich op de
+bank bij tafel, nam zijne muts in de handen en las zijne gebeden. De
+anderen ook kwamen bij en mieken een kruis.
+
+Julie diende de soep op in een bruinen eerden kom die dampte en zij
+schepte met den ijzeren pollepel de borden vol. Zonder spreken, zonder
+opzien, elk gebogen over tafel, namen zij met gelijke beweging van den
+arm, de soep met lepels binnen. Het getik van ijzer en geschreep op
+gleier miek 't eenig gerucht. Als de kom uit was, rekte Odo weer de
+armen open en keek naar zijne zuster en naar den pot op den heerd,
+wachtend om 't andere. Ze bracht de dampende aardappels en gebraden
+zwijnsvleesch en schonk de glazekes vol bier. Nu hernamen zij het eten
+met de vorke en het mes, zonder haast of zichtbaren smaak of genot,
+snijden en stekken en binnenhalen, als gewone, onverschillige bezigheid.
+
+Moeder knabbelde lastig haren kost en herkauwde en peuzelde en hielp met
+bevende handen haren tandeloozen mond. Ze bekeek al de stukjes eer ze
+binnen te moffelen met weifelende meening, in beraad of ze wilde
+uitscheiden of voortdoen heur lastigen maaltijd. En Odo merkte het niet
+omdat hij met 't zijne alleen bezig was en hij at met knappe beten
+gestadig voort, om gedaan.
+
+Als 't uit was deden zij hun dankgebed en namen hunne gewone plaats weer
+in bij den heerd. Jan haalde zijn zwart berookt pijpken uit den
+ondervestezak, vulde het en nam vuur uit de assche. Moeder zette zich in
+den ouden leunstoel te tukkebollen. Julie liep over den vloer, haakte
+den moor met warm water van den hangel en ging in 't achterhuis de
+schotels wasschen. Odo zat en keek naar de zolderribben, naar den top
+van zijne kloefen, op 't gewiebel van 't vlammeken in den heerd en op de
+blauwe walmkes van Jan zijne pijp. En als die walmkes verminderden en
+achterbleven en 't laatste met een blaas als een uitsproeiend
+aschfonteintje door den bak opvloog, zei Odo, alsof hij met alle geduld
+naar 't einde gewacht had:
+
+--Jan, doe dan Baai gereed, smeer zijne hoeven en leg hem den zadel op.
+
+De knecht stond op, luisterde zonder roeren tot de reek was uitgezegd,
+dan knikte hij instemmend, stak de pijp in den ondervestezak en vertrok.
+Odo ook veegde den vaak uit de oogen, keek nog eens op 't uurwerk, rekte
+de armen en ging geeuwend naar de vaute.
+
+--Gaat ge rijden? vroeg Julie.
+
+--Ja, Andre komt alhier, maak de koffie gereed. Dat was de gewone
+gebeurtenis van elken Zondagnoen en daarom en sprak men daar niet verder
+over. Odo kwam beneden in zijne rijbroek, gespte de sporen vast en de
+zeemvellene beenkleeren als Andre met vasten stoot de deur openduwde en
+binnenkwam. De jonge boerenzoon knikte goedgezind naar Julie, riep een
+luiden goen dag naar de vrouwe en een vroolijken:
+
+--De maaltijd wel gesmaakt? Prinselijk weer buiten, jongen! Echt om te
+rijden!
+
+Hij zette zich ongedwongen als in eigen huis op eenen stoel, stond zoo
+seffens weer op en ging bij 't venster een deuntje fluiten; vandaar
+keerde hij naar 't achterhuis en bleef in 't deurgat luide staan kouten
+tegen Julie. Hij stond daar zelfgenoegelijk, de jonge kerel, geleersd en
+gespoord en verschblinkend, frisch uitgeborsteld en vertelde en plaagde
+op blijden toon. Zoo gauw was de gespannene, zwijgende doening vergeten
+en alles keerde in beweging en geruchte.
+
+Odo gerocht ook aan 't gekken en de trotsch opgeruimde moed kwam weer
+over zijn frisch en sterk gelaat. De lach klonk op bij elke spreuk en
+'t was nu blijruchtig en gezellig in de groote, warme winterkeuken.
+Het meisje handelde met vlugge, beweging heur schotels en lonkte met
+vlijtige oogen naar Andre al loopend vol bedrijvigheid, met lichten
+tred. Zoo deed ze ook de noenekoffie gereed.
+
+Moeder had er zoo wel wel heur schik in, ze zag den jongen geern om
+zijne aanvalligheid en omdat zijn vriendelijk gezelschap zoo'n deugd
+deed aan haren Odo. Andre was anders ook een flinke boerenzoon en ze
+merkte met behagen dat hij trek had naar Julie en hoe dat het meisje zoo
+blij voldaan weerlonkte en ze leutig uitbloeiden zoo gauw ze bijeen
+kwamen. Andre had daarenboven ook eene ferme, goede zuster en daarom zag
+de oude boerin geern dat haren zoon daar veel ten huize ging; hij kon
+zijne zinnen nergens beter vastzetten, en 't was heur blij, gerust
+voorgevoel: de jongens al ondereen samen gelukkig te zien, dat was haar
+troost in heur afgaande, oud leven. En heel de geschiedenis van haat en
+vroegere veete, heel het droevig kwaad leven van voortijds hield zij de
+jongens gedoken achter heur oud, gerimpeld aangezicht. Boer Vanmarcke
+was dood en Boer Verschaeve ook en de kinders waren onwetend van 't
+kwaad bedrijf hunner eigene ouders, en dat was maar beter ook.
+
+--Ze zijn van weerskanten brave, deugdelijke kinders, dacht ze, de twee
+families leven nu zoo goed als maagschap ondereen en 't ware een geluk
+als ze door een dubbel huwelijk voorgoed den vrede bestendigden eer ik
+doodga. Eerlijke, begoede ouders van beiderzijde en hun hof en stalling
+met bed en bulster staat voor malkaar gereed. Maar niemand en sprak daar
+openlijk over, tenzij de knapen in de herberg en de meiden rond den
+heerd. Voor dezen die er in betrokken waren, bleef dat eene verwachting
+voor de toekomst en het was onnoodig er over te spreken omdat de tijd er
+nog niet was daarmede voort te doen; ze waren van weerskanten te jong
+nog en als de vriendelijke omgang nu maar onderhouden bleef, was 't al
+een deugdelijk dingen en eene gerustheid voor later. Intusschen namen
+Odo en Andre samen hun verzet en genoten vrij van hun jong leven.
+
+Door de keukenvensters zagen zij nu Jan die Baai bij den breidel buiten
+bracht. Het forsch peerd lei schichtig de ooren en in zijne
+brooddronkene weelde begon het te steigeren, hief den kop en snoffelde
+naar 't vreemd peerd dat bij de schuurpoort gebonden stond. 't Sloeg in
+een plotse zotternije de hoeven hoog in de lucht en dan, op een vermaan
+van den ouden knecht, begon het ingehouden te trappelen op licht
+dansende pooten en liet zich leiden tot bij de voordeur.
+
+--We zijn gereed, meende Andre en hij ging nu ook zijn peerd halen.
+
+--Mijne rijzweep en mijne handschoenen? vroeg Odo. Moeder, tot t'avond!
+
+--Julie! en de jonge kerel belonkte nog eens vlijtig het meisje voor een
+afzonderlijken groet. Ze kwamen mede buiten om de knapen te zien
+opstijgen.
+
+Jan hield het onrustig peerd alsaan bij den toom. Odo onderzocht den
+zadelriem, greep den stijgbeugel, tord met den linkschen voet in en met
+vluchtigen zwaai zwierde hij 't lijf naar boven. Baai was hem bijna
+ontsprongen en nu, in 't verschot van de verrassing buitelde het ineens
+zijn onwillige zottigheid uit en wilde wegrennen. De vier hoeven
+kletsten twee en twee overhand tegen den harden grond met wreeden zwong
+van zware pooten en slaanden kop. Jan was bezijds gesprongen, maar Odo
+zat vast met knellende knieen en praamde den toom in de vuist; daar zat
+hij trotsch te glimlachen, preusch om het groot geweld dat hij met
+handige macht in bedwang hield. Andre was ook op zijne merrie gesprongen
+en de twee peerden hinnikten nu en begonnen eene wilde danspooterije,
+eerselden en kapten, ongedurig met drang om weg en in 't vrije te
+geraken. In hunne bradde wildheid zwierden zij den kop dat 't schuim
+rondspatte en ze knabbelden met de tanden het ijzeren gebit dat al hunne
+kracht gebonden hield. Zoo kwamen zij er eindelijk toe door veel
+gepraam van toom en gremmet, hunne rijdieren in bedwang te houden en
+kregen ze nevenseen als een getemd koppel waar zij bleven staan
+strappelen en slaan met den kop in ongeduld om aan te zetten. Maar als
+ze den toom voelden lossen, dreven zij gezamenlijk met harden hoefslag
+stampend den grond, een fermen ademsnoffel uit en zoo stoven zij 't hof
+af door de opene poort en in wilde vaart vooruit, zoo geweldig dat
+moeder en dochter bewonderend eerst dat spel, nu angstig opschreeuwden
+en buiten de poorte liepen met vrees voor ongelukken. Maar de twee felle
+ruiters waren al een eind ver en zaten er goed en gemakkelijk gewiegd op
+de breede, dansende ruggen en ze keken nog eens over den schouder ter
+geruststelling en om bewonderd te worden. Andre zond nog een laatsten
+groet naar 't meisje dat hem glimlachend nakeek. Als zij gezien hadden
+dat het goed ging, keerden de twee vrouwen in huis. Moeder schudde toch
+bedenkelijk het hoofd:
+
+--De waaghalzen, ze zullen toch eens den nekke breken met die zotte
+peerden!
+
+--Maar moeder, zij zijn jong en zitten er vast op.
+
+Daarmee zweeg moeder en 't meisje ging zich nu wat opschikken en zou
+moeder komen voorlezen uit een oud boek. In de keuken hing weer de
+kalme, oude stilte, met eene onrust die onuitgesproken bleef: 't was
+eene te vroege verwachting om Odo ongedeerd te zien thuiskeeren, maar
+de stilte hield dat onuitgesproken verlangen besloten heel den
+achtermiddag tot t' avond late als 't nacht zou zijn misschien.
+
+Terwijl zaten de twee kerels onbezorgd, hoog in de winterlucht en lieten
+zich gaan in vluggen draf. Zij loechen om de vrees van het lichte
+vrouwvolk en waren vol van de verwachting der vreugde die ze zoeken
+gingen.
+
+Aan den ingang van 't dorp kletsten de hoefijzers dubbel hard op de
+kasseisteenen en de menschen kwamen uit hunne huizen kijken en
+bewonderden de twee ferme ruiters: Odo, de zoon van den ouden
+burgemeester, en Andre, de landrijke boer. Ze reden over 't kerkplein
+door de straat en hielden nu de leden sterk uitgespannen, als twee
+schoone knapen, en keken met overmoed uit de hoogte, preusch om hunne
+kostelijke peerden, rechts en links en knikten naar de dorpelingen die
+vriendelijk monkelden. De peerden gingen stapvoets nevenseen en Odo en
+Andre zaten er stijf en statig op, met gespannene knieen, de beenen
+stevig in de glimmende leerzen en zeemvellene broek, de rijzweep en
+teugels vast in de geschoeide banden, bewust van hunnen rijkdom en
+broederlijke weelde. Odo hief zijn gezond bleuzenden zwaren boerenkop
+met trotsoh-blinkende oogen, stijf op den breeden hals. Hij wist zijne
+schouders eendlijk en zijnen rechten rug sterker dan den sterkste van
+'t dorp. Andre daarnevens wat rilder, hooger opgeschoten op zijne
+stevige leden die plooiden genadig in het wiegen van zijn ros.
+
+--Dat zijn een prachtig koppel ruiters, zegden de kennissen, jong zijn
+ze en niets en kan hen deren, ze hebben 't geluk in pachte! Dat wisten
+zij zelf ook, de twee boerenzonen en dat kropte hoogmoedig in hunnen
+zin, maar hunne wezens bleven goedaardig kijken en vriendelijk. Ze waren
+als prinsen in hun eigen land, met al de dorpsgenooten als onderdanen,
+zoo sterk, zoo schoon als niemand. Nu gingen ze hunne kracht en hunne
+prachtige peerden toonen naar 't vreemde; daar zouden ze met trotschen,
+onverschilligen blik laten zien en bewonderen wie ze waren en van waar
+ze kwamen.
+
+--Waar rijden we nu eigenlijk? vroeg Andre.
+
+--Voorwaards! loech Odo; hebt ge zin ergens te zijn?
+
+--Neen.
+
+'t En was nievers noch feest noch kermis; z' en hadden geen kennissen
+te bezoeken of vrienden; 't meisje dat ze vrijden woonde in 't huis van
+waar ze kwamen en al de andere deernen bleven hen doodonverschillig,
+'t bezien niet weerd.
+
+Aan den keerdraai waar de kassei weer in harde, oud verknuiste
+eerdestraat uitliep, draaide Odo zijn peerd om en Andre volgde zijnen
+makker.
+
+--Naar 't Meulenhout, raadden zij beiden.
+
+Ze kwamen weer in 't vlakke veld, eentonig dezelfde landstreek, met de
+platte eerdelaag en eenzame, verkrompene huisjes en magere boomen in
+reken of alleen, berijmeld en grijs, tegen den einder het donkerblauw
+van een bosch.
+
+Met 't noenuur was 't geluchte wat opgeklaard en in 't eindelooze zwerk,
+eendikte vol wolken, teekende de zon een flauwe klaarteronde achter dien
+voorhang van somber grijs. Over 't veld lag de sneeuwmijzel nu in
+glinsterkristaaltjes te blinken, eene dunne laag perelgrijze wittigheid.
+Maar dezelfde spijtige wind dreef gestadig zijn kouden tocht van 't
+Noorden naar 't Zuiden en beet de ruiters in rug en hals. De beweging in
+de vrije lucht hield hun echter 't bloed warm, en hun wel ingekleed lijf
+voelde er te meer de prikkelende deugd van. Ze ademden met genot even
+als hunne snuivende peerden, de dikke, gezonde lucht.
+
+De twee ruiters kwamen aan 't vreemd dorp en daar tusschen de huizen,
+lieten zij hunne peerden op stap gaan om gemakkelijk de menschen te
+bezien die ze ontmoetten.
+
+--Kent ge hier iemand? vroeg Odo.
+
+--Niets bezonders, we zullen moeten vragen waar 't plezier woont, anders
+maken we 't zelf.
+
+De dorpsplaats lag in zondagsche ruste, zonder leven in de herbergen.
+'t Was al dat er een vent of wijf te ziene was op straat en een deel
+jongens die poenderden in eenen hoek en dansten over de straatgoot om
+hunne voeten warm te houden.
+
+--"In 't Meulenhof" las Andre op 't uithangbord van eene oude
+afspanning.
+
+--Willen we maar eens zien en een glas bier drinken?
+
+'t Was zoo gauw besloten en ze dreven hunne peerden bij de deur. De baas
+kwam haastig buiten, groette vriendelijk en wenschte de heeren welkom.
+
+--Beste weer om uit te rijden!
+
+--Breng ons twee pinten bier.
+
+Vlugbeende was de baas weer binnen en zoo seffens bracht hij hun twee
+glazen.
+
+--Dat verwarmt het bloed. Ge zijt een wandelingske komen doen naar 't
+dorp ... wellicht de beesten komen bezien in 't Meulenhof ... of de
+meisjes?... en hij bezag de kerels met een fijn vragend oogknipje.
+
+Odo en Andre namen 't glas van de lippen en wat benieuwd:
+
+--Is er iets bezonders te zien op de streek? loech Andre. Waar er mooie
+dochters zijn, zouden we wel een paar kalvers koopen vandaag!
+
+--Maar als wij den Zondag op zoek gaan, moet het puike ware zijn,
+zwetste Odo. Als ge ons iets bijzonders kunt aanwijzen, ziet ge ons
+terug en we zullen u weten te zeggen of 't naar den smaak is.
+
+--Den weg zult ge wel vinden zonder mij, merkte de baas, al de
+boerenjongens van de streek raden zulke dingen op den reuk.
+
+--'t Is gemeend, we zijn onbekend en niemand bij ons en spreekt van 't
+Meulenhof, niet meer als van gelijk welk ander. Zonder dat zouden we zoo
+lang niet gewacht hebben dien boer een bezoek te brengen.
+
+--Als 't alzoo is, loech de baas, ge zult er mij weten van te
+vertellen: op heel de streek en vindt ge de weergade niet!
+
+--Ernstig gesproken, meende Odo, dat belangt ons, waar wonen ze nu
+eigenlijk die fleurige rozen?
+
+--De eerste straatjongen de beste zou ze u wijzen; den Zondag in de kerk
+zijn al de aanzichten op boer Meulenhofs twee dochters gekeerd; en naar
+'t geen er van bezoekers, ver en bij, daar op 't hof komt, moet het wel
+de moeite weerd zijn.
+
+--Ge doet me verlangen, loech Odo.
+
+--De twee schoonste bloemen van de streke, meende de baas, de balie is
+stuk gereden van de ruiters die daar 's Zondagsch bezoek doen.
+
+--We gaan er naartoe voor de leute, zegde Andre gedoken tot zijnen
+makker.
+
+--'t Is hier dicht bij, ginder 't groot hof met die blauwe daken, dat ge
+ziet tusschen de boomen, de dreef leidt er heen, 't is nauwe tien
+minuten rijdens. Maar, let op dat ge den hals niet en breekt en t' avond
+gave bij moeder thuis geraakt, want de dorpsjongens hier zijn eenhandig
+en zij beweren dat de snelle poesjes van de streke niet weg en mogen en
+hier op 't eigen dorp moeten blijven als ze verkocht geraken.
+
+Dat prikkelde de kerels.
+
+--Waarlijk, baas, zoo ge ons grappen wijsmaakt komen we uwen kelder
+afdrinken en we steken onze peerden in uwe beste kamer. Zeg, hoe heeten
+de meisjes?
+
+--Meisjes, meisjes?! freulen zijn 't, sterke deernen: Paula, de bruine
+en Anna de blonde.
+
+--'t Is half gewonnen spel nu we de namen kennen! loech Andre. Vooruit!
+
+Ze gaven hunne peerden de spoor en reden weg.
+
+--Ik neme de bruine, zei Andre.
+
+--En ik de blonde; is 't aanveerd?
+
+--Zeker, en zonder zien.
+
+--We gaan er alleszins naartoe, meende Odo.
+
+--Werkelijk? Maar wat zullen we daar uitkramen als we binnenkomen? Weet
+ge eene reden?
+
+--Naar den duivel, eene reden! moeten boerenzonen lijk wij redens hebben
+om eene dochter te bezoeken! Al de hofsteden der wereld staan voor ons
+open. We gaan eenvoudig de meisjes bezien en wil de boer ze ons niet
+toonen, wel dan bezien we zijne peerden en kalvers en hij toogt ons
+seffens de dochters op den hoop toe!
+
+De dreef liep tusschen twee reken populieren naar de opene poort.
+
+Odo en Andre ze loechen om hunne eigene, zotte stoutigheid en meer nog
+om de verwachting van 't geen gebeuren zou.
+
+--De boer moest eens met zijn roer uitkomen of ons de werfhonden
+achternazenden! meende Odo.
+
+--Laat mij maar doen en ik verwed dat we er vandage nog onthaald worden
+op hespe en bier! beweerde Andre.
+
+--Gewed voor eene ronde pinten, Zondag na de hoogmis te drinken onder al
+de makkers, stelde Odo voor.
+
+--Aanveerd!
+
+Twee groote honden kwamen inderdaad uit hun kot geschormd en basten op
+de vreemdelingen.
+
+--Kijk, kijk! riep Odo.
+
+Terwijl ze over de werf reden, zagen ze achter de vensters van 't
+boerenhuis twee meisjeswezens kijken. Maar als de peerden voor de deur
+stilhielden, stoven zij weg lijk schuwe musschen. 't Was de boer zelf
+die de deur opende. Een korte, dikke stamper, stevig op de beenen, de
+handen in de wijde broekzakken en een dikken baai over zijn ronden buik.
+Zijn rood, bleuzend wezen loech vriendelijk verrast, met een greintje
+spotlust en hij groette al van ver:
+
+--Ha, ha! jonge kerels, ge komt 'ne keer de streke bezien en de
+menschen! welgekomen. Pier-Cies! riep hij luide naar buiten, steek die
+schoone peerden op stal.
+
+--Danke, boer, danke, begon Andre, we hebben weinig tijd, we zullen maar
+even afspringen en u goendag zeggen.
+
+Ze merkten reeds dat de boer aan zulke bezoeken gewend was en de twee
+kerels gevoelden zich daardoor op den stond gemakkelijk en ongedwongen.
+
+Een vlasharige, halfvolgroeide koeier kwam uit den stal naar de peerden
+toe.
+
+--Pier-Cies, ge zult hier bij de peerden blijven. Terwijl kwam de boer,
+als kenner en liefhebber, nader bij de beesten zien.
+
+--Een kostelijke reun, meende hij, en dat....
+
+--Een tweejaarsche merrie, zei Andre op zijn peerd doelend.
+
+--Kostelijke beesten! en de boer smekte er bij van bewondering.
+
+--Komt gij van ver, als ik vragen mag? Ik ken veel menschen, maar 't
+jong volk groeit boven mijn hoofd.
+
+--g'Hebt nog gehoord van den Hoogen Doorn? vroeg Odo.
+
+--Zeker, zeker, loech de boer, 'k ben er dikwijls geweest! wie zou boer
+Verschaeve niet gekend hebben!? g'En zijt toch nooit zijn zoon?
+
+--Wel en zeker.
+
+--En 't Berkenhof, kent ge dat? vroeg Andre.
+
+--Boer Vanmarcke? zeker, 'k heb hem veel peerden helpen koopen en vrouw
+Vermeulen ken ik best. Maar dat is nu langen tijd geleden.
+
+De naam van eene hofstee draagt al de faam en de weerdigheid en den
+rijkdom in den klank zelf van het woord en elken boer is daarmede goed
+bekend. Over heel de streek blijft dat onveranderlijk en vast en
+duidelijk omdat het van vader tot zoon, ver en wijd vermaard is, evenals
+de honderdjarige linden aan 't hofgat. 't Gewicht en weerde van belaai
+en rijkdom van land ligt voor elk ende een open onder den blooten hemel
+en 't valt te schatten voor al wie tellen kan en van de zaken op de
+hoogte is.
+
+Met 't vermelden van die twee namen, klaarde 't aangezicht van den boer
+ineens op, zijne handen bleven alevenwel gerust in zijne broekzakken
+zitten, maar hij draaide den rug en ging binnen, zonder ommezien, in de
+overtuiging dat de bezoekers, zonder verdere uitnoodiging, hem wel
+volgen zouden.
+
+--Zet u maar wat bij 't vuur, kerels, we gaan kouten, we zijn immers
+oude kennissen.
+
+Hij zat al gemakkelijk in zijnen hoogen stoel bij den heerd en streek
+met de handen over zijn rond gevulden baai.
+
+--Wel, jongens, Berkenhof en den Hoogen Doorn! dat zijn twee hoven zoo
+oud als 't land! En in zijn gedacht kwam heel die reeks stevige boeren
+en burgemeesters, die rijke als koningen, daar geheerscht hadden over
+hunne wijde werf en 't land er rond. Ze zaten er van over oude tijden
+muurvast en warm geland; 't waren eigenzinnige, koppige tjokken, hard
+als eekenhout, maar goedaardig met 't volk en wreed met de vijanden.
+
+Andre knipte een oog naar Odo om te bedieden dat zijne wedding gewonnen
+was. De andere had geen tijd te antwoorden, al zijne oogen waren op de
+twee deernen,--dat sloeg hem eerst met verbazing--zulk vrouwvolk had hij
+nooit gezien, en zijn eerste gedacht was: dat zijn eigen zuster en Ida
+ook, daar begijntjes bij waren en meisjes van niemendal! 't Geen de twee
+bezoekers trof was: de wijde, ouderwetsche, glimnette keuken, waar alles
+in schoone orde geschikt stond, maar 't meest greide het hen in de
+oogen te kijken van die twee prachtige dochters, de bruine en de blonde,
+die hen zoo vrank in 't gelaat loechen. In 't begin stonden Odo en Andre
+er wat mijde voor en in 't eerste kennismaken hielden zij zich nog op
+hun weerhouden, maar op het bloeiend wezen en den openen glimlach der
+twee freulen was het genoeg te zien dat zij met geen beschroomdheid
+gediend waren, dat ze aan bezoek van vreemde liefhebbers hun genoegen
+hadden. Al stonden ze op de kloefen, kortgerokt en den balen voorschoot
+aan, ze bloosden maar niet van schaamte en ze hadden leute om hunne
+verwaarloosde, vreemde zondagdracht.
+
+--De meiden zijn naar 't dorp en wij waren tewege naar den stal, zegde
+de oudste.
+
+--Dat gebeurt bij ons ook, doe maar vrij, merkte Odo. En hoeveel koeien
+hebt ge te melken, Anna? en hij duwde op dien naam, met slimmen toon.
+
+De deerne keek verrast op en heur mond plooide gereed om 't uit te
+schateren, maar eer ze iets kon zeggen:
+
+--En gij, Paula? vroeg Andre.
+
+Ze bezagen elkaar en dan kikkerden zij om de aardigheid dat twee
+jonkheden die zij nooit gezien hadden, hun naam kenden! z'En dachten er
+niet aan de vrage te beantwoorden en bleven staan lachen en de boer ook
+dreunde daarbij met volle geweld.
+
+Toen stonden de bezoekers nog recht, en nu merkten de dochters eerst
+hunne nalatigheid. Anna en Paula snapten te gelijkertijd naar stoelen
+en:
+
+--Zet u, gasten; vader, wat moet ik opbrengen?
+
+--Eerst een kanne bier om te beginnen, als ge in den stal gedaan hebt
+kunt ge eten gereed doen--of 't en ware de heeren nu iets wilden
+aanveerden? vroeg de Boer.
+
+--Neen, niets, we moeten weg, 't is vroeg avond en onze peerden....
+
+--De peerden staan al warm op stal, en de boer grinnikte fijn om zijne
+vondst. En van avond is 't klare mane.... En ineens tot zijne dochters:
+
+--Ge Weet het Berkenhof? en den Hoogen Doorn? dat zijn....
+
+--O, riep Paula, Ida Van Marcke is uw zuster?
+
+--Kent ge haar? vroeg Andre.
+
+De meissens knikten bevestigend.
+
+Nu waren zij seffens bekenden en vrienden van thuis; 't vuur werd
+aangestookt en een grooten pot bier kregen ze op de tafel waar rond de
+bezoekers met den boer vaste gestoeld zaten om lange en genoegelijk te
+kouten.
+
+De dochters was 't alsof ze met vertrouwde kennissen te doen hadden,
+met wien zij van overlange bevriend waren; ze keken om als ze naar stal
+gingen en riepen:
+
+--Tot straks! Dan vezelden zij nog wat ondereen achter de deur en liepen
+giechelend over 't hof.
+
+Met den boer wendde de kout over gewone zaken van 't landbouwbedrijf.
+Eerst over eigen kweek van peerden en koeien die ze nu op stal hadden,
+dan over vroeger gekochte of verkochte hoornbeesten. De boer kende bij
+name al de runders en 't vee van de streek, hij wist histories en
+wondere gevallen van kachtelen of kalven, vijftig jaar verre geleden.
+Dat was een ophalen en beschrijven met groot geweld van handgebaar, rond
+zijn gerust, liggend, breed lijf en goedig monkelend hoofd, in eigen
+sterk vette spraak, met boffende overtuiging zijner kennis van beesten
+en de kostelijkheden van zijnen kweek. De deugd en 't genoegen had en
+voelde hij in zijne eigene woorden.
+
+Elk deed er 't zijne bij, met nieuwe vondsten, verzonnen of gebeurd,
+maar alles met slaande beweringen voor waarheid uitgesproken. Het werd
+eene reeks zonder einde. Tot dat de luchtige zang van de deernen klonk
+met gerinkel van akers en teelen in de melkkamer, zaten de boeren vol
+bezig. Dan stonden zij op met dreigende meening van vertrekken, maar:
+
+--Daar en ia geen gedacht van, nu al, zegde de boer, onze achternoen is
+gezellig voorbij, we gaan er nog een steertje aanbinden met hespe en
+brood en een versche kruike bier of moet ge nog entwie of entwat gaan
+bezoeken? vroeg hij fijn pieroogend,--ge hebt hier uw gerief, en hij
+schetterlachte bij die geestigheid.
+
+--Neen, maar we hebben heusch beloofd bij tijd thuis te zijn, merkten de
+knapen.
+
+--Een boerenzoon die bijtijds thuis is! spotte de boer.
+
+In een draai was de tafel gedekt en voorzien met borden en brood en een
+groote hesp. De dochters liepen vlijtig en heel opgeschikt nu: het haar
+gekamd en in kraaknette, klare jakken en blauwe schorten die versch uit
+de voegen geschud waren.
+
+De boer had er waarlijk deugd in zijn volk zoo pertig en bloeiend te
+zien en hij merkte wel hoe de kerels rechts en links met de oogen
+lonkten.
+
+--Ja, ja, ze zijn de bloemen van 't dorp, loech hij weer, en zonder
+zweem van grootspraak, als van een gewoon dingen: en 'k krijge meer
+kijkers in mijne keuken dan in mijnen peerdenstal!
+
+De meissens lieten dat ongestoord over hen gaan en monkelden.
+
+--Een schoon meisje en een schoon peerd, anders en is er niet vele 't
+ziene weerd, vleide Andre.
+
+De boer knikte instemmend al snijdend, d'eene schel zwijnvleesch achter
+de andere.
+
+Onder 't eten begon hij nu eigene gevallen te vertellen uit zijn jongen
+tijd; toen hij verkeerde met Vrouw Verkamer, zijn wijf ter zaliger; hij
+noemde al de hoven waar dertig jaar geleden, 't schoonste vrouwvolk
+woonde, en hoe ze dan vrijden en 't eene dorp na 't andere afdretsten te
+peerde. Odo's vader en moeder, boer en boerinne Verschaeve waren meestal
+van de mededoende geweest en in die oude gebeurtenissen betrokken.
+
+--Dat was een tijd! en uit zijn onuitputtelijken, dikken kop haaide hij
+maar nieuwe histories. De kerels proestten van 't lachen en de twee
+deernen wisselden leute met de oogen en lieten onophoudend de witte
+tanden blinken achter de vol roze lippen. 't Werd een plezierige avond
+en late zonder dat 't iemand gemerkt had. Eer ze hunnen hoed kregen,
+moesten ze beloven terug te keeren om de beesten te bezien en om nog
+eens te kouten. De peerden werden uitgehaald en na eenen korten maar
+gullen groet met oogengelonk, reden de twee jonge boeren 't hof af naar
+huis. Ze bezagen elkaar als ze in de dreve kwamen en schoten in luiden
+lach. Dat was nu een vrijtochtje op 't onverwachts uit leute en zoo wel
+meegevallen voor een eerste bezoek.
+
+--Een warme boer, een van de levenden! meende Andre. Hij zou liever
+zijne dochters verkoopen dan zijne peerden; welk eene neemt ge voor u?
+ik houde mij aan de bruine.
+
+Odo monkelde en antwoordde onduidelijk.
+
+--Verdomd prachtig volk toch! meende Andre. Iets om van te vertellen aan
+de makkers een zondagavond; met een woord kunnen we heel 't dorp naar 't
+Meulenhof Benden!
+
+Ze reden in schoonen draf door den manesching. Ze waren gerust, voldaan
+over hun tochtje en lieten zich wiegen op hunne peerden. Het land lag
+verlaten, half gehelderd en donker in het bosseke waar ze door moesten.
+
+--Die sukkelaars van boerenjongens hier, kunnen nu gaan denken dat we 't
+meenen en ons hier afwachten om hunne jaloerschheid op ons uit te
+kloppen! loech Andre weer.
+
+Odo monkelde nog, maar rechtte den stijven hals,
+
+--'t Zou er moeten een groote bende zijn om ons te lijve te komen,
+meende hij.
+
+Daarop reden ze sprakeloos voort. Elk was bij zijn eigene gedachten.
+En ze luisterden naar de geruchten, verre. De koude wind was gevallen en
+'t werd nu een aangename, heldere lucht, dikke en gezond om te ademen.
+De hemel zat vol sterren en de mane blonk lijk geschuurd koper.
+
+--'t Gaat herbeginnen vriezen, de sneeuw is weggevaagd, dachten zij.
+
+Ze reden door 't bosselke gerust en betrouwend op hunne sterke leden,
+onbeschroomd. Tusschen de ijdele boomstammen, was er niets, de takken
+waren donkerzwart met wit sneeuwstof omzet, dat glinsterde al den
+bovenkant.
+
+Tegen dat ze in 't dorp aankwamen, waren de herbergen gesloten en alle
+licht en geruchte dood. De stap van het koppel peerden klonk als bij
+nachte.
+
+--'t Blijft lijk we gezegd hebben, plaagde Andre weer: gij de blonde en
+ik de zwarte!
+
+--Neem ze vrij alle twee, merkte Odo om gerust gelaten te worden.
+De welgezindheid van zijnen makker verdroot hem.
+
+Maar Andre liet niet los.
+
+--Hoe is de blonde niet wel zoo schoon? en lonkt ze niet even
+vriendelijk?
+
+--Ja, vrijwel, ze lonkten alle twee bezonderlijk naar u.
+
+--En uwe wedding zijt ge verloren!
+
+--'k Betale geern, 't plezier van den dag is 't verlies wel weerd, wist
+Odo.
+
+Ze kwamen aan 't Berkenhof en Odo reed als naar gewoonte, met zijnen
+makker 't hof op, zonder dat Andre hem zelfs meegevraagd had. Ze
+brachten hunne peerden in stal.
+
+Moeder Vanmarcke en Ida zaten bij tafel in de rijke kamer. Bij 't
+binnenkomen rechtte de oude 't hoofd en 't meisje glimlachte
+vriendelijk.
+
+--'n Avond Odo.
+
+--'n Avond Ida.
+
+Ze wisselden zoo gemakkelijk dien groet omdat ze gewend waren malkaar te
+zien en te spreken, 't Meisje draaide de lamp wat op en elk zocht zijne
+plaats om te zitten.
+
+--Braaf van zoo vroeg te huis te komen, begon moeder, en ze schoof haren
+bril op en legde zich achterover om te luisteren naar 't nieuws dat de
+ruiters op hunnen tocht vernomen hadden.
+
+En zoo gauw begon Andre met zijne gulle babbelachtigheid:
+
+--Moeder, o, we zijn te vrijen geweest, naar de twee schoonste meisjes
+van 't land! en hij vertelde lang en breed heel het bezoek op 't
+Meulenhof. Ida keek ongeloovig en vragend Odo in de oogen en de kerel,
+om haar te plagen, loech stil bevestigend en deed er dan ook nog 't
+zijne bij. Hij vertelde: nooit schooner zomerrozen van meisjes gezien te
+hebben en hoe bovenmate vriendelijk, beleefd en welgemanierd ze waren en
+dat het er op 't Meulenhof vooral deftig en rijke uitzag. Eindelijk kwam
+hij heel en al los:
+
+--Wonderschoone boerinnen! riep hij, meissens lijk boomen zoo groot! met
+een lijf en eene leest! met armen en heupen! en blinkende oogen en
+tanden, en krullend haar: de eene blond en de andere bruin.
+
+Andre op zijne beurt, somde nog andere gaven op, naar de wijze van
+peerdenliefhebbers die met kennis over een nieuw ontdekten kostbaren
+kweek, uitpakken.
+
+Ida keek half pruilend met een goedig lachje al wist ze toch dat 't
+allemaal plagerije was.
+
+--Zot volk! meende ze, g'hebt in eene herberg wat veel gedronken en ge
+zijt blind geworden aan uwe oogen.
+
+Moeder loech stil.
+
+--En ons akkoord is al gemaakt, spotte Andre. Odo heeft de blonde en ik
+de bruine. We regelden 't zoo onder den weg om in ruzie niet te geraken,
+maar de slimmerik, 'k gevoel het, hij zou de afspraak willen verbreken
+en mij de bruine ontfutselen.
+
+--'k Zou ze alle twee willen! dat is 't, riep
+
+Odo ineens opschietend uit zijne mijmering, en hij loech mee, omdat ze
+allemaal in luiden lach uitschoten en zijne buitensporige reden aardig
+vonden.
+
+Daarmee bleef de zaak uitgepraat en Odo stond op om te vertrekken. Heden
+avond vond hij de warme gezelligheid niet als naar gewoonte en hij
+voelde zich nu op zijn ongemak waar hij anders zoo genoegelijk zitten
+kon zonder spreken, in 't genot alleen van de warme genegenheid waarmede
+hij hier altijd onthaald werd. In korte plegingen wenschte hij nu
+goenavond en ging zijn peerd halen naar den stal met Andre; Ida kwam mee
+met de lanteern.
+
+De kerel sprong op en riep een laatsten groet in 't wegrijen en 't
+meisje hield heur licht hoog om hem langer te zien en heur eigen wezen
+in de klaarte te houden, en zijnen laatsten groet op te vangen.
+
+Zoo gauw Odo buiten op strate en alleene was, neep hij de vuisten en
+knieen en beet op de tanden dat ze kraakten.
+
+--Alle twee de mijne zijn 't! en gij of een ander en zult er geen poot
+aan steken, verdoemenis! de mijne alle twee! Hij wist zelf niet van waar
+die plotse ophitsing en hevigheid in hem kwam, maar die onverschillige
+spotlust van Andre was hem onuitstaanbaar en hij voelde daarom lust nu
+om te vechten, gelijk met wie. Hij sloeg de sporen in zijn peerds balg
+en rende zot voort door den laten avond in den maneschijn. Aan zijn
+hofgat kreeg hij nog een plotsen inval en lust om terug naar 't
+Meulenhout te rijden,--naar 't Meulenhout zou hij niet gaan, maar die
+weg alleen trok hem als een belangende nieuwigheid, al wat nu maar in
+die richting lag had een nieuwe weerde.
+
+--Morgen! meende hij en daarmede wilde hij zijne begeerte nu intoomen.
+Hij reed 't hof op en hij gaf zijn jagende peerd aan Jan die heel
+vervaakt en met verslapene oogen het licht bracht. Odo ging schoffelig
+in huis, wierp de leerzen over den vloer en ging zonder iets te zeggen
+aan zijne zuster, rechte door, gaan slapen. Uitgestrekt in de duisternis
+dacht hij aan 't zottespel van den achtermiddag en eerst wilde hij heel
+die stoornis uit de zinnen schudden,--in zijne verbeelding overkeek hij
+die twee groote boerendeernen, de bruine en de blonde, hij zag hen staan
+in die wijde keuken en herdeed met hen al de gesprokene woorden, en 't
+greide hem 't wenden van hunne vlijtige blikken en 't bewegen van hun
+raaide lijf na te gaan. Hij hoorde hun galmend lachen, wezenlijk alsof
+hij er bij was. En de bruine en de blonde, Paula en Anna, hij bekeek ze
+overhand, vergeleek en koos wie de beste en de schoonste was, stelde
+zijne voorkeur nu eens op de blonde en dan weer op de bruine, maar bij
+'t gedacht dat de andere dan door Andre te pakken was, kwam even gauw de
+hitsige jaloerschheid op en hij raasde weer waar hij lag en 't brieschen
+joeg op in zijn gemoed en hij vloekte omdat hij ze vast alle twee wilde
+en geen eene laten gaan of nemen door 't is gelijk wie anders.
+
+De opgewondenheid bedaarde weer en hij keerde de gedachten naar 't stil
+huiselijke van al die winteravonden op 't Berkenhof, bij Ida en Andre en
+hij kende moeders verwachtingen en die van het meisje ... dan verkoos
+hij voor dezen nacht aan niets meer te denken, hij keerde zich op de
+linker zijde om te slapen.
+
+Als de koude dagklaarte al lang in Odo's kamer zat, bleef hij daar
+liggen met opene oogen; hij wilde niet opstaan en was slecht gezind
+omdat het weeral een dag was zooals al d'andere. Hij voorzag hoe hij
+den tijd zou verslijten en wist het overal koud tenzij in bed en in
+de keuken, en zijn moeder en zuster wilde hij nu onder de oogen niet
+hebben. Dat dingen van gister had hij meenen te vergeten met slapen en
+'t stond daar nu groot gegroeid, sterker dan ooit in zijne nieuwigheid,
+met hevige verlangens en zotte voornemens. Al 't andere daarbuiten werd
+groote nietigheid, en daar zat een harden angst in zijn gemoed en eene
+felle afgunst ook: het was hem te wers dat iemand "Zijne" meissens zou
+bezien of afnemen eer hij ze voor vast zijn eigendom gemaakt had--want
+hij wilde, hij moest ze hebben--alle twee. Maar ter zelfder tijde wist
+hij dat 't groote zottigheid was, eene verwaande koppigheid, eene
+onmogelijkheid en dat er zijn gerust gemoed zou door verstoord worden,
+maar hij gaf zichzelf de buitensporigheid toe en 't moest, muurvast! Hij
+zag daar Paula en Anna, met de fijnste trekjes van hun wezen, beter dan
+dichtebij met oogen, en den zwaai en 't keeren van armen en hoofd en
+leden, duidelijker dan de doening en voeren van zijn eigene zuster die
+heel zijn leven dagelijks onder zijne oogen liep. En 't pijnde hem dat
+de bruine met haar fieren lippenplooi en prachtigen hals, en de blonde
+met haar bollekaken en blauwe oogen zoo blijde, dat ze nu voort hunne
+wegen gingen en loechen, in zijne afwezigheid en dat hij, Odo van den
+Hoogen Doorn uit de verte, misschien niet heel hun gedacht en vulde. De
+onzekerheid welken indruk hij op de eene en op de andere gemaakt had,
+was zijne groote bezorgdheid. Hij werd gedreven om zich te laten zien,
+om er tegen te gaan praten, om over 't hof te rijden op zijn zwarten
+hengst, die vervaarlijk steigeren zou. Moed en kracht had hij er willen
+bij te pas brengen om hen beiden te veroveren, te schaken of vast te
+leggen als eigen bezit voor later. En Andre liep daar tusschen als een
+ongelegene gast dien hij uit den weg weren moest. En hij voelde
+priemende steken van drift telkens die tooverende meisjesoogen naar hem
+lonkten. De bruine deed het met rappe weerlichten die ketsten als
+vuurgensters, uitdagend en spottend,--als priemen waren 't die overal
+doordrongen. De oogen der blonde streelden meer en keken weemoedig, om
+dan ineens zot uit te proesten om haar eigen smachtend gelonk. Hij wist
+dat ze hem aan 't betooveren waren, maar moest hen laten begaan omdat 't
+hem zoo razend belustte. Niemand zou er toch iets van merken wat er in
+hem gebeurde, en met een knip van zijn vinger was het allemaal dood als
+hij 't wilde,... en 't had nooit bestaan! Want de sterk duidelijke
+boerderije stond hier zoo ernstig, met den geest daarop van de stevige,
+koppige Verschaeven die geen zotternije en duldden, en nu was hij bang
+dat moeder iets van zijne gedachten zou raden en vermoeden wat er in hem
+gebeurde. Hij sprong recht en met spijtigen nijd trachtte hij weer de
+sobere kerel te zijn die 't gewoon dagelijksch werk moest gaan bewaken,
+'t Overige zou wel van zelfs uitslijten.
+
+Hij draaide wat rond op zijne kloefen in de keuken en wandelde dan
+buiten, naar 't land waar 't werkvolk den mest openvoerde. Als hij 't
+daar ook moe werd, haalde hij zijn roer en ging kraaien schieten.
+
+'s Avonds bleef hij tegen zijne gewoonte, thuis en zat sprakeloos bij
+den heerd.
+
+'s Anderen daags kwam Andre te peerde hem al lachend vragen: of hij
+meereed naar 't Meulenhout?
+
+--'k Moet in de buurt een kalf gaan koopen bij eenen boer, 't is eene
+gelegenheid om eens te gaan zien en wat plezier te maken bij onze twee
+prachtmeiden!
+
+Odo weigerde kort.
+
+--Zoo zal ik maar uwen groet brengen aan de blonde!
+
+--Kan mij niet schelen.
+
+Andre's gezicht was hem nu onverdragelijk, hij had hem willen beletten
+naar ginder te rijden en hij was in den grond jaloersch van zijn makkers
+gezonde gerustheid. Hij zag hem wegrijden en van dan af werd hij
+ongemakkelijk, zocht rond, keek langs de straat in de richting van 't
+dorp, ging wat zitten op de haverkiste in den peerdenstal en trachtte
+bij zichzelf de woorden te raden die Andre ginder zeggen zou. Dan gaf
+hij toe aan den drang: hij zocht eene reden uit, verkleedde zich haastig
+en deed den zadel opleggen. Hij hoopte de gejaagde onrust te verdrijven
+met veel beweging en buitenlucht en wilde zijne eigene drift loslaten
+omdat 't hier al zoo voos en 't zelfde winterdoof, zwijgzaam leven was,
+met menschen die suffig hun werk deden, zoo gerust als ossen. Hij reed
+al wat hij drijven kon langs eenen omweg achter 't dorp, om verder op de
+straat te komen waar Andre voorbij was.
+
+Na de eerste spanning kwam de kalmte van 't deemsterend ommeland op hem
+werken en hij vond zijne doening flauw, jongensachtig; hij zag zich als
+een hond die op den reuk uitzet en belachen en verjaagd wordt. Hij werd
+beschaamd en op den stond wendde hij zijn peerd in eene zijstraat links
+en reed langs een ander dorp weer naar huis. De doffe zon hing tegen
+den einder toen en ging varings wegzinken; de dag eindde voor hem in
+lange triestigheid omdat de verlangde zaak niet gebeurd was en morgen
+weer niet zou gebeuren. Hij was kwaad op al dat hij zag en meest op zijn
+eigene, ongedurige gejaagdheid. De peerden trokken stil de mestkarren
+naar huis en 't land lag dood en toegedekt met den vallenden nacht.
+
+Aan eene herberg herkende Odo het peerd van Vinie den kalverkoopman en
+hij ging zoo seffens in beraad. Zijn voornemen was: naar 't Meulenhof te
+gaan, niet als een verliefde schijtjongen, maar met een vaste reden, als
+een onverschillige koopman die voor zaken een bezoek doet. Om dat
+besluit te doorvoeren wilde hij Vinie spreken. Hij sprong af en bond
+zijn peerd.
+
+Aan eene tafel zat de kooiman met een grooten druppel genever en hij
+koutte luide met den baas over zijnen handel. Zoo gauw groette hij met
+eere den rijken boerenzoon en Odo zette zich bij om met hen te drinken.
+Odo wachtte tot de koopman opstond en dan:
+
+--We rijden samen?
+
+--Met genoegen, jonge heer.
+
+Vinie sprong op zijn manken schimmel en hij dreef hem nevens de
+kostelijke merrie.
+
+--Niet te druistig boer of 'k moet achterblijven.
+
+Odo had anders geen lust hard te rijden.
+
+--Kent gij 't Meulenhof? begon hij.
+
+--Al de Meulenhoven van 't land! bofte Vinie. Boer Verkamer en zijn
+schoone dochters?
+
+Odo wist niet hoe zijn ontwerp uiteenzetten, en hij voorzag al dat de
+geslepene fijnaard raadde waar hij zijn wilde.
+
+--Is 't een schoon hof?
+
+--Een schoon hof, een heerenhof! meende Vinie.
+
+--Hij zit er warm in, Verkamer?
+
+--Vast en warm, heere--en de koopman trok zijn voorhoofd in rimpels en
+duwde de onderlip over de bovenste.
+
+--En de dochters kent ge goed?
+
+--O, plezierig volk, leutig maar prompt, kostelijke kermispeerden! flink
+van pooten en hals geen beste prijsmerrie in 't land die zooveel
+bezoekers krijgt als die meissens; maar ze zijn wat verleerd: z'hebben
+knepen in 't lijf en wonen op hunne bovenkamer,--ze zouden een jonkman
+doen dansen om hem dan uit te fluiten, meende Vinie.
+
+--De meisjes kunnen dat al, merkte Odo, maar, Vinie, herbegon hij,
+ineens gul uitsprekend, kunt ge me daar eens op 't hof brengen? ge zoudt
+kunnen meegaan als makelaar om 't een of 't ander te koopen?
+
+--O, best! Verkamer heeft lijnzaad en tarwe zijne zolders vol, en
+veulens ook wel,--ge geraakt daar anders best bij als peerdenliefhebber,
+--hij heeft een prachtigen stal.
+
+En Vinie vertelde voort van de doening en den peerdenkweek op 't
+Meulenhof; hoe hij met veel boerenzoons daar was naartoe gegaan, maar ze
+waren allen te dom,--geen aanleg,--te bot of te zot! zoo werd de rijkste
+kerel van de streek geweigerd en nu vrijt de oudste met den jongen
+burgemeester van een dorp ievers uit 't ronde.
+
+--Maar dat gij wildet, vleide de koopman, ik verwed een peerd dat ik u
+op drie maanden een dochter zal leveren!
+
+--Maar 'k moet ze alle twee krijgen--om te kiezen, voegde de jonge
+Verschaeve er lachend bij. Nu, ge brengt me met d'een of d'ander reden
+daar op 't hof.
+
+--'t Is aanveerd, we gaan den eersten keer naar den peerdenstal, 't
+ander doet ge zelf als ge verstand hebt. Prachtig ras van meisjes zijn
+t, rond geblokt en welgemaakt alleszins, en verstand, wat mijde in 't
+begin, maar dat is er gauw af! en voor de zwaarte: nievers van beter! en
+de koopman wreef inzichtig den duim over de vingers.
+
+--Zondag na den noen? vroeg Odo.
+
+--Best.
+
+--Zoo tot Zondag!
+
+De boer draaide zijn peerd de dreef in en Vinie reed langs 't dorp naar
+huis.
+
+--Andre hier niet geweest? vroeg Odo aan zijne zuster. Dat belangde hem
+nu en in al zijn weerzin wilde hij den makker toch zien omdat hij,
+bezeten door nieuwsgierigheid, alles weten wilde wat er ginder gebeurd
+was. Na 't avondeten ging hij recht naar 't Berkenhof.
+
+En Andre vertelde zonder achterdocht, hoe hij boer Verkamer langs den
+weg, op 't land ontmoette, dat hij werd meegevraagd in huis.
+
+--En daar hebben we samen leutig zitten praten en oogjes geknipt, en de
+bruine was vriendelijk en de blonde nog vriendelijker, loech Andre, en
+z' hebben gevraagd wat we meenden van onzen rit van Zondag en wanneer we
+'t zouden hergaan.
+
+Odo gloeide van binnen maar hield zich uitwendig als verdroot hem die
+zaak op 't einde, en als moeder Vermeulen binnenkwam met Ida, begonnen
+zij over andere dingen te praten, heel den avond lijk gewoonte. Odo
+bleef vriendelijk met het meisje en hij vond bij zichzelf een stonde de
+oude gezelligheid weer.
+
+Als hij vertrok deed Andre een stap uitgeleid en bij 't scheiden vroeg
+de kerel lachend aan zijnen makker:
+
+--Gaan we Zondag weer op bezoek?
+
+Odo gaf hem geen bescheid en Andre keerde naar huis met 't gedacht dat
+Odo gelijk had en dat 't tijd werd aan heel die zotte geschiedenis niet
+meer te denken.
+
+Odo integendeel wilde het niet vergeten, hij hield het alleen, diepe
+voor zich; Andre moest daar verre van en uit blijven: daarom vertelde
+hij niets van zijne afspraak met Vinie en zijn voornemen.
+
+De wrok duurde en groeide van langs om heviger en hij bleef onder den
+druk van dien plotsen minneslag, onkennelijk voor zichzelf. Hij wilde
+het doordrijven en als hij de zake wel naging en er dieper in doordrong,
+wist hij niet waar 't zou uitkomen. Aan zijne moeder en zuster sprak hij
+er ook niet over. Hij werd weer vriendelijk uitwendig, om niemand te
+verontrusten, maar van binnen grolde zijn trots: hij vroeg of er wel
+iemand,--pastor of burgemeester--iets te raden of te zeggen had aan 't
+geen de boer van den Hoogen Doorn wilde!? Om 't stoute en 't
+raadselachtige van de onderneming zelf, beviel hem die nieuwe liefde en
+hij grijnslachte er bij van genoegen omdat hij--de sterkste en rijkste
+kerel van de streek, nu eene buitensporigheid ging doen en met een ruk
+vernietigen al 't geen moeder en al de anderen zoo zachtjes meenden op
+een lijntje te houden. Ida haatte hij om haar gedoezige zoetheid en heel
+die afgesprokene handeling van jaren ver, scheen hem een lam, kwenig
+kousekraam dat hij nu met zijn mannelijke voeten wilde in gruis stampen!
+Dat bespookte zijnen kop heel de week lang, maar daarboven lag de kalmte
+waarmede hij wachtte naar den Zondag daar hij handelen ging.
+
+Hij trok naar de vroegmis morgens om Andre niet te ontmoeten en bleef
+thuis tot 's noens.
+
+Hij beval aan Jan den zwarten hengst te wrijven en met veel zorg de
+hoeven te blinken. Hij bleef er zelf bij om te zien hoe alles gebeurde
+en in orde was; dan ging hij zich met veel zorg aankleeden. Als Vinie na
+den noen op 't hof kwam, vond hij Odo in zijn wintersche rijkleeren met
+blinkende leerzen, ongeduldig staan spelen met zijne zweep.
+
+--Ge komt op tijd, kerel! 'k ben gereed! riep hij al van ver. En hij
+ging in stal zijn peerd uithalen.
+
+De eendlijke, zwarte hengst stak den kop in de lucht en sprong met zwaar
+gestamp, te vierklauwe in de dagklaarte en zoo gauw richtte hij zich op
+de achterpooten, schudderde de lippen, brieschend om los, maar Odo duwde
+den schouder tegen de felle borst van het hingstdier en hield met
+forsche hand den toom gesloten. Hij dwong het felle beest met eenen ruk
+van den arm, stil te blijven; hij bekeek het staal, met kwaden blik
+zoodat de wilde oogappels van het peerd schichtig wegkeerden, 't legde
+de ooren en 't achterlijf hukte om weer in vervaarlijken slag de pooten
+uit te smijten boven den kop. Odo wilde zijne kracht laten zien en
+weigerde hulpe van Jan en Vinie die dat bewonderend en bevreesd stonden
+aan te zien.
+
+--'t Is de eerste, keer van den winter dat hij uit stal komt, Vinie, we
+zullen plezier hebben vandage! De achterhoeven sloegen herhaaldelijk,
+kort lijk bliksem, hooge zoevend en vielen met doffen slag op den grond.
+En Odo hield met oogen en handen het hingstdier in bedwang en hij
+trappelde medegerukt door den zwaai van dat machtig lijf, maar
+binstdien zocht hij naar een gunstigen stand; alsaan moest hij rond met
+den eerselenden pootendans tot hij meteens: in een zwaai, met de hand
+aan de manen, den teugel losliet hem terug ving in den sprong, en zonder
+hulpe van stijgbeugels zat hij, eer 't iemand geraden had, bovenop, vast
+in den zadel, zijne voeten hadden reeds stand gevonden als 't zwarte
+gedrocht door 't verschot aangezet, weer 't lijf oprichtte, achterwaards
+deinzend op twee pooten en zwaaide de twee voorklauwen in de lucht.
+Vinie sprong toe maar Odo even kalm, liet zich voorover wegen en dwong
+het peerd beneden. Het wendde den kop, speelde met de ooren en zocht met
+de pooten een uitweg om van onder den dwang te geraken.
+
+--'k Ben gereed, Vinie! loech de ruiter, preusch over zijne handigheid,
+we kunnen rijden. Hij dwong met de knieen en neep het gebit zoo fel dat
+het driftig ros stapvoets naar de poorte danste, nevens het tam
+peerdeken van den koopman.
+
+Ze praatten onder den weg van nieuws en van zaken. Vinie de makelaar,
+met zijne losse tong, wist de toedracht te vertellen van al de hoven
+waar hij voor zaken ten huize was. Odo beaamde dat met schaarsche
+woorden. Zijne gedachten verlangden naar ginder op 't Meulenhof en zijn
+makker en telde maar als een voorwensel voor 't bezoek.
+
+--Als we er maar geen ander liefhebbers aantreffen is 't goed, merkte
+Vinie.
+
+--Dan kunnen we best zien hen een beentje te lichten.
+
+De kerel was zoo overmoedig als zijn peerd en hij reed met stijven hals
+en monkelde van uit zijne hoogte naar de menschen die beneden over den
+grond gingen. De kerels en boerenknapen bezagen den vreemden ruiter die
+zoo fier zijn jonge knevels wribbelde en ze keken hem na om te weten
+waar hij wel mocht naartoe rijden.
+
+Hij kwam op 't Meulenhof als een ridder uit oude tijden en met eene
+kitteling van de sporen, deed hij zijn peerd geweldig steigeren.
+Verkamer en de dochters kwamen ijlings buiten kijken en ze loechen
+vriendelijk en voldaan naar de welgekomene bezoekers. Odo liet zijn
+blinkend peerd bewonderen binst bij er nog op zat en keerde en wendde
+het waar hij zijn wilde. Hij loech als Vinie met zijne boodschap voor
+den dag kwam:
+
+--Boer 'k brenge u hier een kerel die wenscht uwen stal te zien en een
+veulen wil koopen als ge hebbelijk zijt.
+
+Maar de boer en had geen oogen genoeg voor den zwarten hengst die
+glimmend bleusde van 't loopen en zoo zwierig forsch met de pooten kapte
+en hoog den kop droeg en den steert. Hij kwam nader er rond, altijd met
+de handen in de broekzakken en keek zonder moe te worden. Hij opende
+zelf den stal en hielp het prachtig peerd ontzadelen. Dan noodde hij de
+bezoekers naar binnen.
+
+--Twee boerenkerels zijn juiste vertrokken, merkte hij, 'k wilde hadden
+zij uw peerd gezien.
+
+Vinie zwaaide zijn mispelaren stok en begon zoo seffens zijn gewonen
+klap over zaken, lijk hij overal gewend was te doen. Hij wond er veel
+zotte spreuken tusschen en wist wat vleiends voor de dochters.
+
+Anna en Paula waren even vriendelijk en leutig en Odo moest bekennen, nu
+hij de twee nevenseen staan zag, dat hij om de dood, d'eene voor
+d'andere niet kon verkiezen; hij bleef dol afgunstig van beiden.
+
+Vinie hield den boer in druk gesprek en daarbinst waren de meisjes bij
+den schoonen ruiter en onderhielden zich met halfluide woorden en
+lachjes en oogenspel. Hij zag met genoegen dat ze hem om 't even
+bewonderden; maar terwijl was hij zelf onder den toover van de lonkende
+oogen, de schoone handen, de bleuzende kaken en kriekroode monden. Hij
+dacht het niet noodig groote woorden te zoeken of verklaringen te doen,
+ze verstonden hem alle twee zoo wel en hij liet zich maar wiegen in
+wellust. Hij wist niet aan wie 't beste woord geven of hoe hij 't doen
+zou en ze praatten opgewekt en vroegen naar thuis en naar moeder en
+zuster, met dubbelzinnige lachedingen daartusschen.
+
+--Nu gaan we binst dat 't nog klaar is en dag, naar den stal gaan zien,
+meende Verkamer. Vinie was al gereed en Odo volgde. Als ze reeds op weg
+en buiten waren, zag hij Anna alleen die met lichten voet over 't
+messingstroo huppelde. Paula zou in huis blijven en voor eten zorgen,
+zegde zij en daarom kwam ze nader bij Odo, toonde hem alles waarin hij
+belang stelde, maar onderwijl praatten zij maar door en ze loechen
+daarbij en keken elkaar telkens lang in de oogen.
+
+In den grooten stal stonden de veertien peerden in twee reken te stampen
+en te trekken 't hooi uit de rosteelen. De boer overging een voor een en
+deed Vinie tasten en bewonderen; hij kroop onder hunnen balg en hief hen
+de pooten op, al vertellend al hunne gaven en kostbaarheden.
+
+Anna leidde Odo al den overkant en ze bleven huns getweeen en spraken
+voor hun eigen van heel andere dingen. Ze waren nog altijd aan 't eerste
+sliet bij eene gedaagde, baaide merrie in den halfdonkeren stalhoek en
+z'en voelden d'een noch d'ander, haast om voort te wandelen. Anna
+dreelde de gummende heupe van de merrie en Odo's oogen volgden de klare
+vlek van de witte hand aan den ronden poezeligen arm die over en weer
+ging. Dan begon hij te dreelen op dezelfde plaats en hij greep met zijne
+andere hand heuren arm die naast hem neerhing en hield de woorden in
+waaraan hij bezig was om het meisje in de oogen te kijken. Ze monkelde
+en greep ook met hare vingers en duwde hem ferm den arm. Dan liet hij
+haar los. Hun dingen was gezeid zonder dat ze een woord gesproken
+hadden. Hare oogen keken hem vragend aan en in haren blijden blik las
+hij hare instemming: eene belofte met niets meer te breken. Dat voldeed
+hem en gerustgesteld als na 't afhandelen eener zake, gingen zij
+gezamenlijk bij den boer en bij Vinie en spraken nu in 't gemeene van
+peerden, Odo schafte verder niet meer bijzonder op het meisje.
+
+Vandaar gingen zij naar den veulenstal. Odo liet hen binnengaan en
+gebaarde nog iets te bezien buiten en zonder ommekijken draaide hij
+achter den muur en ging recht naar de keuken. Hij vond er Paula alleen,
+de bleuzende met heur bruin golvend haar. Hij trad op haar toe en met
+een plotse stoutmoedigheid, zonder aarzelen:
+
+--Ge zijt mij de schoonste boerendochter van de wereld! en 'k kom u
+vragen of ge wilt komen boerinne zijn op den Hoogen Doorn?
+
+Ze waren er zoo alleen, zoo stil in het keukenhuis en zoo vrij; eer hij
+'t goed wist was hij zoo dichte genaderd en zijn arm duwde 't meisje om
+de leden en hij trok haar hoofd tegen zijnen schouder.
+
+--'t Is de eerste keer van mijn leven dat ik een meisje in de armen
+krijge, vezelde hij,--dat was zoo gemeend en zoo openhertig en waar
+gezegd, dat de dochter, die zich eerst wilde losworstelen, nu gerust
+bleef en hem verwonderd aanstaarde, zonder verweer of poging te doen om
+los te geraken.
+
+--En g'en gaat bij alle duivels uit mijne handen niet eer ge mij
+belooft....
+
+Zijne armen praamden en zijne oogen dwongen om antwoord. Hij zag alleen
+heur hoogblozend gelaat en heur oogen die nere doken om niet te moeten
+ja zeggen. Dan draaide zij het hoofd weg en achter het venster zagen zij
+Anna die naar de deure toekwam. Met een blik van overeenkomst lieten zij
+malkander los en stonden kalm en lachend te midden den vloer.
+
+--z'En krijgen niet gedaan met de peerden! merkte Anna.
+
+--Laat hen maar doen, we zijn hier goed met ons drieen, merkte de kerel.
+Nu begonnen ze ongedwongen te kouten over de vele bezoekers op 't
+Meulenhof en Odo zocht hen beiden evenzeer te plagen en te doen lachen.
+Hij was zelve voldaan over zijne geestigheden en omdat alles best naar
+zijnen zin uitviel. Door de vallende deemstering zag hij niets dan de
+twee lachende wezens aanhoudend naar hem toe gekeerd en als Vinie met
+Verkamer binnenkwam, wist Odo zichzelf niet te zeggen: welke van de twee
+dochters hij eigenlijk gevrijd had.
+
+Binst het avondeten duurde de gulle leute voort en ze bleven in druk
+gesprek ondereen. Vinie zag wel dat 't onnoodig was nog van peerdenkoop
+of van veulens te gewagen en hij vroeg met een oogknipje: of de zaken
+klaar waren? dat 't tijd was naar huis te rijden.
+
+--Ja, kerel, we gaan uitzetten, anders wordt het laat.
+
+In den stal kreeg hij den boer alleen en trok hem bij de mouw en vroeg
+onbeschroomd:
+
+--Zeg, Verkamer, g'en zult uwe dochters niet uitleveren zonder mij 't
+eerste woord te geven?
+
+--Voor u, lijk voor een ander, loech de boer, de meissens loopen daar
+vrij, kunt gij ze krijgen ge neemt ze mee!
+
+--Goed, 'k kome u kortelings nieuws brengen.
+
+Odo haalde zijnen hengst buiten en met lichten zwaai zat hij
+scherrelings ten dorse.
+
+--Moet ik ze allebei beschikbaar houden? vroeg Verkamer nog, opzettelijk
+luide om door die dubbelzinnigheid den veekoopman te misleiden.
+
+--Allebei! gebood hij met een krachtigen hoofdknik en de kerel sloeg de
+sporen in 't peerd zijne lanken en deed het in vervaarlijken drift
+opwaards schieten; wippend neer sloegen de achterhoeven en weer omhoog
+klauwend in wreede smete. Odo wiegde mee in heusche zwenking als op een
+gemakkelijke wippe en hij loech naar den boer.
+
+--Kom, Vinie, we zijn weg, en houdend dat de teugels kraakten om zijn
+peerd te bedwingen, wierp hij een handgroet naar de dochters die
+nevenseen onder malkaars armen, 't spel van den schoonen ruiter stonden
+na te zien. Hij merkte hoe ze hem beiden met 't zelfde inzicht om ter
+vriendelijkst den groet weerjeunden. Vinie praatte zijne bewondering uit
+over Verkamers peerden, maar Odo liet hem gaan, zijne gedachten bleven
+in de boerenkeuken, en hij loech inwendig, nu 't een gedane zake was:
+daar Andre en al de boeren -en burgemeesterszonen van heel de wereld,
+buiten spel gezet waren en hij zelf, op een halven dag tijd, meester en
+baas bleef en de twee prachtdeernen gewonnen had. Hij was tevreden over
+zijn optreden en vond dat hij kort maar goed spel had gespeeld. Zijne
+eigene woorden was hij aan 't overleggen en al de genoeglijkheid van den
+avond en zijne oogen waren in de verte gericht daar de mane als een
+versleten ding aan 't varen was in 't reine wintergeluchte. De weg was
+onbedacht ingekort zoodat ze al door 't bosselken reden waar de wind
+tusschen de ronkruttelende boomkes joeg en kwam bijten tegen 't wezen
+van de ruiters. En zij wiebelden voort op den rug van hun slapdravende
+peerden. Dan, meteen stronkelde Vinie's schimmel en viel met korten
+slag, den kop stuikend op den grond en Vinie wat verder. En ter zelfder
+tijd voelde Odo in 't verschot twee sterke handen die zijn been grepen
+zoodat hij bijna uit den zadel keerde. Onderwijl zag hij eenen kerel
+Vinie bespringen--maar daarbinst was hij 't verschot te boven en hij gaf
+zijn eigenen aanvaller een striemenden slag met de rijzweep in 't
+gezicht en zonder overleg, sloegen zijne hielen de sporen in 't peerd
+dat wipte in grooten sprong vooruit en los uit de handen der aanvallers.
+Daar hoorde hij Vinie kermen onder 't geweld van de slagen die hij
+kreeg. De razernije welde toen in Odo op en hij kwam nu eerst tot
+bezinning van 't geen er gebeurende was.
+
+--'t Zijn jaloerschaards! jongens van 't dorp, die ons willen kwaad
+uitgeleid doen!
+
+In een wrong keerde hij zijn peerd, hij riep een duchtigen "Ho!" en was
+al beneden. Hij greep en tastte en sloeg naar de zwarte mannen en zonder
+zijn peerd los te laten, sleurde en gooide hij blindelings met de eene
+vrije hand, dat 't al scheurde en kraakte waar hij aankwam. In de hitte
+van 't gevecht voelde hij iets schribbelen in den hals, maar gaf er in
+de hitsige drift geen acht op en door de vliemende pijne stampte en
+sloeg hij al woedender. z'Hadden hem ruggelings besprongen en nu hij
+zich omsnapte om met slaande hand zijn kerel te betalen, waren ze al weg
+en zijn razende gramschap moest hij uitvechten in de ijdele lucht. Vinie
+kwam recht nevens zijn peerdeken dat hij ophielp.
+
+--Ze zijn ontsnapt! riep Odo, ze zijn weg, verdoeme! en zijne gramte
+wierp hij nu op Vinie omdat de aanranders er zoo goed van af waren.
+
+--Waarom liet ge u slaan, laffe kerel?! Ge ligt daar op den grond als
+een weerloos kalf en gij laat ze booten op uwen rug!
+
+Vinie raasde binnensmonds en hield de handen aan de vermorzelde leden.
+
+--Smerig boerenvolk! schold hij, met al hun vrouwengetrek, dat ze nog
+wisten wien ze vermoorden! hadt gij er maar wat meer van gekregen! Wat
+heb ik daarin te zien?
+
+Odo stond te lachen met den armen kerel en toen eerst voelde hij die
+vochtigheid en warmte in den hals en de hand waarmede hij tastte zag hij
+klaar bloed. Hij grolde zijne woede uit en zijne onmacht.
+
+--'k Ben gesteken! Als ik maar wist wie 't gedaan heeft! Maar weten zal
+ik en de snotbek zal het bekoopen! Van den avond nog moeten ze 't
+boeten, van den avond!
+
+Hij tierde zijne woorden luide uit in de lucht en hij stampte op den
+grond en snokte nijdig zijn peerd dat achteruit trappelde.
+
+--Van den avond moet ik weten wie mij gesteken heeft. We zullen zien wie
+er den boer van den Hoogen Doorn durft te keere gaan!
+
+Hij vloekte, raasde en miek groot misbaar met de armen en snokte zijn
+ongedurigen hengst.
+
+Maar al dat gerucht bleef tusschen de boomkes weergalmen. De mane hing
+daar wreed en onverschillig en de droge takken ruttelden bij trekken als
+er de wind deure joeg. De sneeuwmijzel viel uit de kruinen.
+
+Dat bleef lijden zonder dat er ievers entwat levends verroerde en
+eindelijk zagen zij alle twee dat hier niets te verrichten viel. Odo
+bond den zakdoek rond zijnen hals en hielp Vinie op zijn peerdeken. Ze
+vonden dan de koorde waarover zij gestruikeld hadden en ze besloten
+voorzichtig te rijden.
+
+--We zullen ze pakken als we ze krijgen! gromde Vinie en hij hield 't
+ander binnensmonds, woedend dat hij was om de slagen op zijn lijf en
+dat hij betrokken werd in die domme historie waaraan hij geen schuld en
+had.
+
+--Die ezels, ze nemen mij nu nog voor een jongen vrijer! riep hij om
+zijn spijt te luchten, doch inwendig blij aan 't gevaar ontsnapt te
+zijn.
+
+Maar Odo was niet te bedaren.
+
+--Ik zal ze vinden, de rakkers! en hij neep de vuisten en zocht rond
+achter de bane om iets te ontwaren waarop hij zijn gramte kon uitwerken.
+Op 't dorp gingen ze al de herbergen af; ze dronken hun bier met haaste
+uit en bekeken er de menschen die bij tafel of aan den disch zaten.
+
+--En nu naar "den Hert" meende Odo, daar gaan we ons verschot afspoelen.
+Zij sprongen af, en:
+
+--Baas, bind ons peerden in de poorte en geef ons bier, beval hij kort.
+Een bende boerenzoons waren aan 't kegelspel en Andre Van Marcke zat,
+volgens gewoonte, in zijne eenigheid te rooken, met den elleboog geleund
+op 't roedeijzer van de stoof.
+
+Ze bekeken benieuwd Vinie die mankte en Odo Verschaeve, purper in 't
+wezen, met schuim tusschen de lippen en al bloed aan den hals die
+verbonden was.
+
+Hij dronk zijn glas in een teug ledig en sloeg het te bersten tegen den
+disch. Noch niemand had een woord gesproken, maar de spelers keken toe,
+om te weten wat er gebeurd was. Toen zag Odo naar den hoek waar Andre
+zat en op denzelfden stond sprong het los in hem als eene uitzinnige
+woede: hij sloeg met de vuist op tafel dat de glazen rinkelden en 't
+dreunde met zijn felste stem:
+
+--Ezels zijt ge allemaal, vervaarde strooventen, zeekers van ver! ze
+slaan ons dood langs den weg; maar we zullen zien wie er den boer van
+den Doorn durft aanpakken! Wie er zal piepen? Wie heeft er met mij te
+doen? met messen of zonder? Hij wond zijne woede op omdat zijne woorden
+geen weerklank en vonden en de omstanders hem met vervaarde gezichten
+aanstaarden, verpaft door dien plotsen uitval. Hij gooide den baas, die
+hem wilde inhouden, tenden over den vloer en dat werd 't begin van den
+aanval.
+
+--En gij, trunterik, durft gij nu nog den mond roeren van 't Meulenhof?
+ik verpletter u!
+
+Hij sprong met gelokene vuisten naar Andre. Op dien eigensten stond wist
+hij zijn doen uitzinnig; hij zocht naar tegenstand om zijne woede eene
+reden te geven, maar 't bleef allemaal stil en zijne woorden kregen een
+valschen klank door de herberg--maar omdat 't spel begonnen was wilde
+hij voortdoen en dien kerel daar haatte hij en nu liever dan later,
+moest er een gevecht van komen.
+
+--Mijn meissens zijn 't! de mijne, en allebei, en steekt er de handen
+aan, durft ge!
+
+Andre zat bleek van 't verschot en nu nog maar seffens, raadde hij
+waarop zijn dronken makker doelde, zonder alevenwel te weten wat er
+gebeurd was. Hij wilde Odo sussen, trachtte hem te overhalen om samen
+naar huis te gaan. Maar de andere brieschte al luider:
+
+--De mijne alle twee! Zijne vuisten dreigden en hij greep naar al wat
+onder zijne handen kwam. Hij wilde woorden vinden die kwetsten en tergen
+zouden, om alzoo eenen kamper te vinden die zich tegen hem stellen zou.
+
+--En uwe zuster, schreeuwde hij Andre in 't wezen, uwe zuster, ik lache
+met uwe zuster, bindt ze bij 't werkvolk om te....
+
+Andre's gelokene vuist zwaaide kort en viel den lasteraar in 't wezen,
+zoodat de leelijkheid die hij ging uitbraken hem in de kele bleef.
+Daarop ontstond eene schorming van armen en lijven; al de boeren schoten
+toe, maar in een wenk lag Odo overmand ten gronde en met drie, vier
+sleepten zij den dronken ruziemaker naar buiten. De deur sloot hem op
+straat en daar zag hij de dorpelingen die te luisteren en te kijken
+stonden. Hij werd beschaamd en voelde zich tegenover de nieuwsgierigen
+weer de deftige, hooghartige boer. Statig ontbond hij zijn peerd en reed
+weg. Al wat er woelde hield hij gesloten van binnen, hij verbeet zijne
+gramschap tusschen de krakende tanden. Bij zichzelf was en bleef hij de
+sterke overwinnaar die gedurfd had. Ze beefden allen rond hem en niemand
+durfde komen zijne macht meten. Nog een ding nu moest er van zijn herte
+en daar wilde hij vanavond ook mee effen komen, dan was alles klaar en
+in orde: thuis ging hij bekend maken wat hij in den zin had!
+
+Hij gaf zijn peerd aan Jan en kwam haastig naar de keuken waar het
+licht nog gloeide achter de gordijnen door de vensters.
+
+--Waar is moeder? vroeg hij.
+
+--Naar bedde, Odo. Wat scheelt er? en Julie bekeek heur broer verschrikt
+van zijn kwade oogen en opgewondene beweging. Wat scheelt er? moet gij
+moeder hebben?
+
+--Neen, 'k zal 't haar morgen zeggen.
+
+Hij dook de wonde en 't bloed onder zijn overgeslagenen vestekraag en
+trok, zonder zijne leerzen uit de trekken, naar boven.
+
+De woede viel allengs en de trotsche tevredenheid was alles wat er over
+bleef van 't geen gebeurd was. En als dat stormig tooneel weer voor zijn
+gedacht gedanst kwam, stond de geweldige koppigheid vast om 't
+voorgenomene des te zekerder uit te voeren. Hoe meer moeilijkheden hoe
+liever. De twee prachtige meissens waren nu wat op den achtergrond, als
+onverschillige bijzaak--meissens lijk veel andere die hem onverschillig
+waren, maar 't voorwendsel en de oorzaak bleven zij van 't losgekomen
+geweld dat in hem veel te lange geslapen had. Zijn eendlijk lijf en
+zijne macht wilde hij lucht geven en iets doen dat verboden was: een
+buitensporigheid, waarmede hij zich uitgeven zou als de zoon van zijn
+vader, boer op den Hoogen Doorn! Zijn eigene dwaasheid wilde hij niet
+inzien: hij wilde enkel die dwaasheid! Tegen de pijne van moeder en heur
+gejank moest hij op voorbaat harden, want daar moest hij over heen.
+Niets en kende hij nog van den vriendelijken omgang met zijnen makker en
+de minninge met diens zuster, dat moest allemaal kapot. Hij stond
+alleen, sterk in zijn voornemen en door 't donkere van zijn kamer,
+herkende hij zichzelf in den ouden boer, vader Verschaeve en deze knikte
+met straffen hals en de lippen gesloten, goedkeurend om 't geen zijn
+zoon doende was.
+
+Hij lag lange wakker nog en hij zag beeldelijk over de werf d'eene of
+d'andere deerne van 't Meulenhof als boerinne op den Hoogen Doorn
+rondloopen, terwijl hij zelf de plannen miek voor den bouw en bevelen
+gaf aan veel werkvolk--bezig aan 't optrekken van een nieuwen stal, eene
+groote schaapskooi, en een splinternieuw woonhuis. Want al het geld lag
+te grijpen en hij wilde van den Hoogen Doorn iets maken wat het
+voortijds eens was: een overgroot kasteel, omsloten door wallen, met
+kudden hoornvee en peerden ontelbaar, en hij de eenige meester daarover,
+de sterkste boer van de streek, met de schoonste vrouw van 't land en
+veel volk onder zijn gebied en veel boeren die hij haten en teisteren
+zou.
+
+Hij voelde en voorzag reeds al de deugd, als zijn voornemen zou stooten
+tegen pastor en burgemeester, als de oorlog zou beginnen.
+
+Dan vroeg hij zichzelf: wat die twee boerendochters, Anna en Paula van
+hem zouden denken, eens dat ze aan elkaar zouden vertellen 't geen hij
+hun had wijs gemaakt!? Verder overlegde hij: hoe het aan te leggen om
+hen alle twee te nemen, of tenminste te beletten dat de tweede in
+iemands bezit kwam.
+
+Moeder Verschaeve wist maar 's anderen daags dat de vrede tusschen den
+Hoogen Doorn en Berkenhof, de verzoening die ze van Verschaeve met
+Vermeulen op hun sterfbedde bekomen had, dat 't werk van heel heur
+leven, vernietigd was. De oude haat bleek eene noodzaak die, met zooveel
+zorg gedempt, na zooveel jaren onvoorziens weer uitschoot en sterker dan
+ooit, voorgoed zoo herbeginnen.
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Dagen, by Stijn Streuvels
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN ***
+
+***** This file should be named 17539.txt or 17539.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/5/3/17539/
+
+Produced by Marc D'Hooghe, marcdh@pandora.be.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.