diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 17076-8.txt | 5467 | ||||
| -rw-r--r-- | 17076-8.zip | bin | 0 -> 83239 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 17076.txt | 5467 | ||||
| -rw-r--r-- | 17076.zip | bin | 0 -> 82940 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
7 files changed, 10950 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/17076-8.txt b/17076-8.txt new file mode 100644 index 0000000..d286b2c --- /dev/null +++ b/17076-8.txt @@ -0,0 +1,5467 @@ +The Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Lucifer + Treurspel + +Author: Joost van den Vondel + +Release Date: November 20, 2005 [EBook #17076] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + + +LUCIFER + +Treurspel + +door + +JOOST VAN DEN VONDEL + + +Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS + + + * * * * * + + + + PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT + + [HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"-- + + VERGILIUS: AENEIS VI, 599] + + + + + 'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon, + Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste, + Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste. + Dees liet in Griekenland, en midden door de stad + Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat, + Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren + En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren + De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon. + Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon + Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen + En storm den bliksem en den donder na te kuischen + Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid, + Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid + Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken, + _Dreef met een dwarrelwind_, ten spiegel aller volken, + _Hem neder dat hij plofte_. + + Uit VONDELS vertaling van _Vergilius: Aeneis_, VIe Zang + + + * * * * * + + +VOORWOORD + + +Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo +moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van +weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei +opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en +kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en +gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als +wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling +leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen +en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles, +naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied +gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of +nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw +van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en +vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei +verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en +Mohammedanisme. + +Vondels _Lucifer_ is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk" +werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het +verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld +hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld, +had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en +val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd +tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met +wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling +van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den +Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en +bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus, +tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is +de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten +ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs. +Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich +aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere +was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieën en klassieke +overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen +hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en +hooggehouden spel, als zijn _Lucifer_ geworden is, te maken, wanneer +hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn +eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hèm het opperst +wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn _Salmoneus_ +en zijn _Faeton_ zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken +gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in +zijn _Lucifer_ uiting vond. + + * * * * * + +Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen, +naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische +gebeurtenissen en door politieke bedoelingen? + +Men weet dat èn Jonckbloet èn Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat +_Lucifer_ zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een +politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje. + +Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het +allereerst omdat Jonckbloet--en Van Lennep, ondanks zijn groote +Vondelvereering, toch eigenlijk ook--beiden veel te rationalistisch +waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel +met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter- +scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om +in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven, +ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van +Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten +altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in +zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen. +Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen +bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e- +eeuwsche "kunstphilosophie". + +Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den +allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn _Berecht_, dat hij de +Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den +Leeuw en den Draak, vóór Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens +nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn +vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar +Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of +persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen +gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat +hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling, +daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche +bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen +geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen +wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver +objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel +Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (_Cramer_), +en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs +1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn +anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun +wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat +zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor +zijn _Lucifer_ in het bijzonder ons boeien blijft als hèt treurspel van +het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij +bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen +doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins +Willem II (dien hij als _would-be_ overweldiger van zijn Amsterdam niet +kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen +van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam. + + * * * * * + +Een inleiding tot de _Lucifer_ kan niet ontberen een inwijding van den +lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht. +Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en +Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt, _Wereldstelsels_ en +Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde +vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen, +waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus +in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of +boog komt die der vaste sterren; als negende de _kristallen hemel_. +En nog weer daaromheen: het _Empyreum_, of de Hemel van het Volmaakte +Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen +zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch- +katholieke opvatting, verdeeld in drie hiërarchieën (rijen) en elk +dezer weer in drie koren (orden): + +1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen; + +2. Heerschappijen, Krachten, Machten; + +3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen. + +Een verdeeling, die Vondel door Gabriël, ten bate van zijn toehoorders +en lezers, nadrukkelijk laat aangeven: + + + "Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden worden + In drieërhanden rij en negenvoudige orden: + De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon, + Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboôn. + De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten + En Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten, + Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen. + De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên + En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken + Voor 't woord der middenrij"-- + + +Deze schikking, in verband met het feit dat _Lucifer_ herhaalde malen +(vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud) +als _Aartsengel_ wordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur +van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriël +(vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top van _alle_ hierarchijen +geplaatst heeft, terwijl Rafaël hem er op wijst, hoe hij, Lucifer, +_boven_ duizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij) +gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s +volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij), +Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het +woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten +denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den +uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?--gelijk de Inhoud hem dan ook +noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere +zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben; +een mindere zou niet zóó fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op +het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten +troon te verheffen, d.i. bòven Lucifer; en dus tusschen dezen en God +zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet +zóó vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus +niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den +Opperste van _alle_ Hierarchijen. Ook de plaats van Gabriël, Michaël en +Raphaël kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen. +Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste +drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder +gèen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer" +en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden") +te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de +Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als +trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche +Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriël als meêkampende +monsters vermeld. + +En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de +geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen +menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier +toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt! +Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder +de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer +stellen, en hun doel voorbijschieten;--een geschiedenis uit den hoogsten +Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als +menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de +kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn +verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de +pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de +felheid van verzetstuw.[2] + + * * * * * + +Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook +gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings +te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel +taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te +helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven. + +Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn +eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen. + + +Febr. 1913. L. S. + + +Noten: + +[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis. + +[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels + dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn + Inleiding: _Vondels dramatiek_ (1e stuk, 2e deel der complete + uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek). + + + * * * * * + + +OPDRACHT[1] + + + DEN ONVERWINNELIJKSTEN VORST EN HEERE + DEN HEERE FERDINANDUS DEN DERDEN, + GEKOREN ROOMSCHEN KEIZER, ALTIJD VERMEERDER DES RIJKS + + +Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo +zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de +Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid, +of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den +toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke +Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar +voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre, +aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer, +wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt, +waarvan de Poëet spreekt: + + + _Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit_: + + Hoe hoog men drave in stijl en toon, + Het treurspel spant alleen de kroon. + + +Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de +tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden, +die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn +treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5] +aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en +rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit +rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten +boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de +wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historiën getuigen, en +toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen, +met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn, +zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6] +handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een +wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan: +waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze +Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en +den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een +schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en +Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze +eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand +des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen, +tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom +God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H. +Roomschen Rijks, vóór 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in +den Zone, _Ferdinandus den Vierde_[8], te verzekeren; een zegen, waarop +zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche +Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den +overwonnen Lucifer, in Michaëls triomf-staatsie, ommevoert. + + + UWE KEIZERLIJKE MAJESTEITS + + + _allerootmoedigste Dienaar_, + + J. VAN VONDEL. +anno 1653. + + + +Noten: + +[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer +vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf +aangegeven, tusschen de stof van zijn _Lucifer_ en diens verzet tegen de +gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid, +voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr. +Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand +III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij +het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben. + +[2] _Wiens stijl_, voor "welks stijl". + +[3] _hoogdravendheid_ heeft bij V. niet de beteekenis van +"gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid". + +[4] _Staatzuchtigen_: politiek-eerzuchtigen--_Het treurtooneel +bekleeden_: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in +het treurspel spelen. + +[5] _die zich vermat_: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer +op te vatten als: "die het waagde te willen". + +[6] _Machten en Stammen_: De Koninklijke stam is de dynastie. + +[7] _Gods Orakel_: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is". + +[8] _Ferdinand IV_, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning, +'s vaders opvolger, gekozen. + + + * * * * * + + + OP DE AFBEELDINGE VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT + FERDINANDUS DEN DERDE; + + +toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk, +zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde. + + + _Deus nobis haec otia fecit._ + + + + De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen, + Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog, + Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog, + Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen. + + De derde _Ferdinand_, geschapen tot regeeren, + Gelijk een tweede August, en Vader van de peis, + Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis, + En leert met wapenen van Vrede triomfeeren. + + Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken, + Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt, + En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd. + + Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken, + Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd: + Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd. + + +Noten: + +[1] _Sandrart_: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst, +die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk +genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius: + + + "Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blâren + Al wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren." + + +[2] _loofwerk en sieraden_: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de +lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s +ordeteekenen.--_Deus nobis haec otia fecit_. (_Virgilius_): een god +heeft ons deze rust verschaft. + + + * * * * * + + +BERECHT + + +AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN. + + +Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens +te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel +afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michaël, elk +met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagië +stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagiën +zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl +vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken. +Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests +verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4] +bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn +braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder +nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier +geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poëzy +hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen +zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht +en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde +besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten +steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk +geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den +grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen. +Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen +aanhang, Isaïas en Ezechiël[7]; bij den Evangelist, Christus, het +allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te +hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker +spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten +geprint te worden. Isaïas roept: "_O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe +zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt: +Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte +verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil +boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar +gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden_." +God spreekt door Ezechiël aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis, +vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods +Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen, +en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en +smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe +schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende +Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de +blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer +scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken +zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon, +d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in +hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd +worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen +Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den +Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun +misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt +op deze wijze: "_Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet +bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van +duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard._" Wij stuiten +dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus, +leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen, +gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die +de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken. +Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en +eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond +dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te +houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit +den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij +schrijft: "_Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit +ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch +naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem +door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij +zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving, +bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid +aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem +geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde._" +De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "_Dees afvallige +Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te +blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de +heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft._" Het derde en +leste bewijs scheppen wij uit de predikatiën van den honigvloeienden +Bernardus[10]: "_Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch! +d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf, +klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse +heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten +van alle Engelen in eenen Duivel veranderd._" De Hoovaardij en +Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand +van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van +twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers +oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michaël aanvoeren; aangezien +deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want +de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit +verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare +tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn +vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee +hoofdgebreken Lucifer toeëigenende, maalt ons den aard derzelve levendig +af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid, +maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar +genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij, +die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien +ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet +gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan. +Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten +worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de +zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de +gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de +Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus, +Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der +tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel +hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener +is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot +afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt. +Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en +den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het +derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen +geduid; waarom men in Poëzye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al +te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der +schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande +personagiën, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede +Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de +voegelijkheid zelf ons elk personagië, naar heuren staat en aard, leeren +uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den +tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historiën of +Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der +poëzy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen +uitgedrukt: + + + De Schilder en Poëeet ontvingen beide een macht + Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht. + + +Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der +hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de +geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den +Aartsengel Gabriël, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins +ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der +meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel +rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt, +noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze +(waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker, +gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid +opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en +goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de +Hebreën, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk +der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid +van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle +Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der +Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in +de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende +wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd +der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten, +gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker +natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham +aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd +hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en +tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen +opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen +zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der +hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den +anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen +hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en +misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude +Hebreën, tot hun voorbeeld den Poëet Ezechiël[23], die den uittocht +der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder +d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten, +Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in +Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den +Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid +en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn +treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken +en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder +d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26], +Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't +rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de +gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en +het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op, +de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen +nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond +des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele, +der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en +gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals +des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche +Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst, +te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst +instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze, +om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille +ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een +krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge +der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten +kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed +stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat +de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der +zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte +jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was +noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu +overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en +vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke +voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen; +gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk +der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en +meêdoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen, +in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren, +geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van +voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe, +bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat +overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te +verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl +geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een +edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weêrgade, van +dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen, +getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den +tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De +historiën der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige +voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den +Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het +spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd +wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige +speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe +redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan +leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men +geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat +schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt; +maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet +wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien +zin; want _Tragoedia_ is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk +Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen +bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de +tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus +ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met +orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en +ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne +vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het +misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet +ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een +eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens +moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet +misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten +Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter +Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die +zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige +Overheden durven verheffen. + + +Noten: + +[1] _Het heilig treurtooneel_: tooneel waarop gewijd spel gespeeld +wordt. + +[2] _de stellagië stoffeeren_: Uitdrukking verwant aan een andere, bij +V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak +ook van een schilderij stoffeeren, met figuren. + +[3] _hooger laarzen_. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op +grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden, +moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen +dus op _Kothurnen_, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel +"brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze +laarzen. + +[4] _Salmoneus_. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding +van De K., blz. XVII. + +[5] _Reuzenstrijd_. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van +De K. + +[6] _reukeloos_: roekeloos. + +[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel). + +[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met _Engel_, niet met +_Engeland_. _Engelsche Majesteit_: Engelen majesteit. + +[9] _De groote Gregorius_: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw--_bestelt +ons_: bezorgt ons. + +[10] _Bernardus_ (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd _mellifluus_ = +honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst. + +[11] _bestarnde dieren_: dieren die als sterrebeelden voorkomen. + +[12] _Augustijn_, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E. + +[13] _grootschheid_: grandezza, heerlijkheid. + +[14] _Nu dewijl de dieren_. Het verband tusschen de dieren en deze stof +uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's _De Dieren_. Zie ook Beets, +_Verscheidenheden_, N.B. II. + +[15] _Zelfs bij dieren afgeteekend_: door dieren. + +[16] _Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken_: Dichters, +profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak. + +[17] _verzieren_ is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken. +Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel. + +[18] _rijker stof bijzet_. Meer afwisseling geeft. + +[19] _onschuld_: verontschuldigingen. + +[20] _Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn_. V. had hier een +profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze +stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede +voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere +vertooning wisten te ontlokken. + +[21] _zinnelijkheid_, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De +smaken zijn verschillend." + +[22] _heilige treurspeldichters_. "Heilig" behoort bij treurspel, niet +bij dichters: dichters van gewijde stoffen. + +[23] _Poëet Ezechiël_. Niet _profeet_ (2e E. na Chr.). + +[24] _Gregorius Nazianzener_. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw). + +[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was +onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn _Christus Pattens_; voor zijn _Adam +in Ballingschap_ inspireerde hem De Groots _Adamus Exul_; diens derde +Latijnsche treurspel: _Solompaneas_ vertaalde hij. Zie mijn Inleiding +pag. 71. + +[26] _Sir Richard Baker_ (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in +schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis _Bespiegelingen_ en +_Overwegingen_ schreef over Bijbelsche onderwerpen (_Chambers_). + +[27] _wettige treurspelen_: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo +juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter. +Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten? + +[28] _de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen_. Voor de +beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn +Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45. + +[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar +latere) _Jeptha_ den "matigenden" en "manierenden" invloed der +treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten +schrik. + +[30] _spitsvondig_. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te +vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken. + +[31] _tuimelgeest_: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet +tuimelen, dazen. + +[32] _gestoffeerd_: schoon gevuld met. + +[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek", +pag. 24/25 en 31. + + + * * * * * + + +INHOUD + + +Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen, +hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde +Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en +in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij +benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriël, Gods Heraut, alle +Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods +toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom +voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid +vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de +hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen, +en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1], +ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michaël, 's Hemels +Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaëls waarschuwinge, +aanvoerde; en afgestreden, na de neêrlaag, uit wrake den eersten mensch, +en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne +weêrspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd. + + + _Het Tooneel is in den Hemel_. + + +Noot: + +[1] _door zijne medestanders_: d.w.z. met behulp van zijn medestanders. + + + * * * * * + + +PERSONAGIEN + + +BELZEBUB..) +BELIAL....) _Wederspannige Oversten_. +APOLLION..) +GABRIEL, _Gods Geheimenistolk_. +REI VAN ENGELEN. +LUCIFER, _Stedehouder_. +LUCIFERISTEN, _Oproerige Geesten_. +MICHAEL, _Veldheer_.RAFAEL, _Beschermengel_. +URIEL, _Michaëls Schildknaap_. + + +(_Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari_ 1654.) + + + * * * * * + + +HET EERSTE BEDRIJF + + +BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1]. + + +BELZEBUB: + +Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven, +Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven. +Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam, +Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam' +Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden +Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden +Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer. +Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer +En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder. + +BELIAL: + +Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder, +Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht. +Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht +En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken +De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken, +In eenen andren dag en schooner zonneschijn, +Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn. +De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder, +Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder +Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier, +Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier. +Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen, +Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen +Voorspoedig afgeleid. + +BELZEBUB: + +Wat brengt Apollion? + +APOLLION: + +Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon, +Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten +Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten, +Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land +En van den hof, door God gezegend en beplant, +Tot wellust van den mensch[5]. + +BELZEBUB: + + Ik zie de gouden bladen, +Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen. +Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt! +Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud! +'t Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen. +'t Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden +Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag, +En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag. +Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen; +'t Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen. + +APOLLION: + +Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog, +Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog +Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven, +Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven. + +BELZEBUB: + +Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe. + +APOLLION: + +'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe +Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10], +Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen. +Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan, +In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11] +En wolken, afgegleên, bleef hangen op mijn pennen[12]. +Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13], +Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt, +Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt. +Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14], +Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten, +Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin +Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin +Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen +Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen. + +BELZEBUB: + +Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis. + +APOLLION: + +De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is. +In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert, +Die zich in vieren deelt en al het land bewatert, +Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit, +Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17]. +De stroomen geven slib, en koesteren de gronden. +Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden. +Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt, +Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt, +Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen. +Hier woû Natuur haar schat in éénen schoot vergaderen. + +BELZEBUB: + +Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft? + +APOLLION: + +Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft, +Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent, +Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent: +Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur, +En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur. +De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen +Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen +Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen +En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen. + +BELZEBUB: + +Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen. + +APOLLION: + +Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21], +Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan, +En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan. +Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren, +Die op het aardrijk treên, of in de wolken zwieren, +Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend, +En leven schept in zijn bijzonder element. +Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen +Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen. +De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart, +En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard +Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen, +En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren; +Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man, +Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25]. +Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen +En toegekwinkeleerd van 't lustpriëel, vol tongen; +Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt, +En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt. +Had zich Apollion in zijnen last gekweten, +Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26]. + +BELZEBUB: + +Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt? + +APOLLION: + +Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd +Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen +Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28] +Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest, +Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest, +Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen, +Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen. +Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen. +Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen. +De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren. +Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren +Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd +Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd. + +BELZEBUB: + +Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven. + +APOLLION: + +Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven. +D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof. +Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof. +Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis. +Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis, +En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom. +Voor hare majesteit staan alle Geesten stom. +De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen; +Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen. +En hierom huwde God den man aan zijn mannin. + +BELZEBUB: + +Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin? + +APOLLION: + +Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen, +Om mijn gedachten en genegendheên te teugelen, +Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand +Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand, +Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken, +Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken: +Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom, +Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom +En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen; +Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen. +Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30] +Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man. +Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen, +Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen! + +BELZEBUB: + +Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld? + +APOLLION: + +Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld, +En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen. +Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen +En wederminnen met een onderlingen lust, +Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht. + +BELZEBUB: + +Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen. + +APOLLION: + +Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen. +De man en vrouw zijn beî volschapen, even schoon, +Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon, +Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen, +Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen; +Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch: +Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch, +Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen, +Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen +Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor, +En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';-- +Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden, +Het zijn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maagden. + +BELZEBUB: + +Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33]. + +APOLLION: + +Ik heb mijn slagveêr in dat aangename vier +Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen, +Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen. +Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om. +Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom, +Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34], +Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen, +En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht, +Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht. +Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven; +Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven. + +BELZEBUB: + +Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt +En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld? + +APOLLION: + +Zoo lang die hof beneên niet ophoude ooft te geven, +Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven, +Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom, +Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom +Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk. +Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk, +En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk, +Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk +Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten? +Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten +In duizendduizenden, in een oneindig tal. +Nu overreken eens, wat hieruit worden zal. + +BELZEBUB: + +De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen? + +APOLLION[35]: + +Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen, +Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan; +Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan, +Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten. +Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten? +Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem. + +BELZEBUB: + +Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem +Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien. + +APOLLION: + +d'Aartsengel Gabriël, gevolgd van 's Hemels reien, +Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon +T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboôn. + +BELZEBUB: + +Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden. + + + GABRIËL. REI VAN ENGELEN. + + +GABRIËL: + +Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden! +De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit, +Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid +Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten, +Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten; +Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk, +Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk, +En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden +Der opgeleide wet, met God bezitten zouden. +Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal +Der wereld, Gode en ook den mensche te geval, +Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren, +Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren, +En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans +Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans. +Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen; +God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen, +Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot +Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God. +Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en âren, +Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen +Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk, +Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk. +Daar staat de stoel alreê geheiligd in het midden. +Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden. +Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt, +Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt. +Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister, +Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister. +Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37]. +Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38]. + +REI VAN ENGELEN: + +Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen. + +GABRIEL: + +Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen, +Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint. +Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint. +De mensch en Engel, beide uit éénen stam gesproten, +Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41], +Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet. +Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet! +Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42] +In driederhande rij, en negenvoudige orden: +De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon, +Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboôn. +De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten +En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten +Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen. +De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên, +En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43] +Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken +Beneden het gewelf van zuiver kristallijn, +In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'. +Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden, +Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden, +Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon +Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44]. +Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden, +Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden. +Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht, +Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht. +Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden, +En brengen voor Gods troon der menschen offeranden +En wenschen en gebeên, en zingen 's Godheids lof, +Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof. +Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten, +Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten +Met wolken, om den berg te zegenen omlaag, +Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag +Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden +Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden. +Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent, +Die matige op zijn pas een ieder element, +Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden, +Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden. +Een ander sla de treên des menschen gade op 't veld. +De Godheid heeft zijn haar tot op één haar geteld. +Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote. +Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48] +Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht. +Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht. + + REI VAN ENGELEN[49]: + + ZANG. + + Wie is het, die zoo hoog gezeten, + Zoo diep in 't grondelooze licht, + Van tijd noch eeuwigheid gemeten + Noch ronden, zonder tegenwicht[50], + Bij zich bestaat, geen steun van buiten + Ontleent, maar op zichzelven rust, + En in Zijn wezen kan besluiten + Wat om en in Hem, onbewust + Van wanken, draait, en wordt gedreven + Om 't een en eenig middelpunt[51]; + Der zonnen zon, de geest, het leven; + De ziel van alles wat gij kunt + Bevroên, of nimmermeer bevroeden; + Het hart, de bronaâr, d'oceaan + En oorsprong van zoovele goeden[52] + Als uit Hem vloeien en bestaan + Bij zijn genade, en alvermogen, + En wijsheid, die hun 't wezen schonk + Uit niet, eer dit in top voltogen + Paleis, der Heemlen Hemel, blonk; + Daar wij met vleuglen d'oogen dekken, + Voor aller glansen Majesteit; + Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken, + En vallen, uit eerbiedigheid, + Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.-- + Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem, + Met eene Serafijne veder. + Of schort het aan begrijp en stem? + + TEGENZANG. + + Dat 's _God_. Oneindig eeuwig Wezen + Van alle ding, dat wezen heeft. + Vergeef het ons, o nooit volprezen + Van al wat leeft, of niet en leeft; + Nooit uitgesproken, noch te spreken; + Vergeef het ons, en scheld ons kwijt + Dat geen verbeelding, tong, noch teeken + U melden kan. Gij waart, Gij zijt, + Gij blijft dezelve. Alle Englekennis + En uitspraak, zwak, en onbekwaam, + Is maar ontheiliging en schennis: + Want ieder draagt zijn eigen naam. + Behalve Gij. Wie kan U noemen + Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd + Tot Uw Orakel? wie durf roemen? + Gij zijt alleen dan die Gij zijt, + U zelf bekend en niemand nader. + U zulks te kennen, als Gij waart, + Der eeuwigheden glans en ader, + Wien is dat licht geopenbaard? + Wien is der glansen glans verschenen? + Dat zien is nog een hooger heil + Dan wij van uw genade ontleenen; + Dat overschrijdt het perk en peil + Van ons vermogen. Wij verouden + In onzen duur; Gij nimmermeer. + Uw wezen moet ons onderhouden. + Verheft de Godheid; zingt Haar eer! + + TOEZANG. + + Heilig, heilig, nog eens heilig, + Driemaal heilig! eer zij God! + Buiten God is 't nergens veilig. + Heilig is het hoog gebod. + Zijn geheimenis zij bondig[53]; + Men aanbidde Zijn bevel. + Dat men overal verkondig, + Wat de trouwe Gabriël + Ons met zijn bazuin kwam leeren: + Laat ons God in Adam eeren. + Al wat God behaagt, is wel. + + +Noten: + +[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche +namen); APOLLION (Grieksch): verderver.--Deze Engelen zijn dus door +Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen, +duivelschen aard. + +BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; vóór de komst van +Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde +gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de +laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen +gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt +lezers en hoorders in de sfeer der handeling. + +[2] _Kreits in kreits_: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel +der Hemelen en de aarde liggen (_Voorwoord_). + +[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.). + +[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over. + +[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid +geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van +Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel. + +[6] _verf_: kleur. + +[7] _vroolijk_: fleurig. + +[8] hemelsch _mann_: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn +uit den hemel viel. + +[9] _mist me niet_: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan. + +[10] _de negen bogen_: (zie _Voorwoord_). + +[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde. + +[12] _pennen_: vleugels. + +[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel +en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant +des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in +modernen zin lag niet in den geest van dien tijd. + +[14] _verschieten_: in 't verschiet opdoemen. + +[15] _onderwereld_: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de +menschen. + +[16] _valt rond_: is rond (uitgevallen). + +[17] _daar geen gezicht op stuit_; die gezichten weerspiegelen. + +[18] _Bdellion_: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts. + +[19] _Dan_: daardoor. + +[20] _telg_: tak. + +[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen +wenschen? + +[22] _Wiens_: wier. + +[23] _ommegang_ der dieren: hun leven en bedrijven. + +[24] _bergleeuw, landstier_: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger +en voller, voor 't vers. + +[25] _Behemoth, Leviatan_: voorwereldlijke reuzendieren. + +[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels +door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en +was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven. + +[27] _geestig_: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol". + +[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam +in Ballingschap." + +[29] _Zijn ribbe_, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd +in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie. + +[30] _gespan_: Wat _samen_ in een gareel gespannen is. Thans nog: +"span". + + +[31] _Dit eischt Natuurs penseel_. Hier spreekt Vondel (en niet +Apollion, zeker!), wien alle poëzie "levende schilderij" was. + +[32] _wiens_: welker. + +[33] _dier_: schepsel. + +[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van +haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van +Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende? + +[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen +versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent +Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon +te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der +Menschheid te stellen--heel dramatisch--die onrust tot wrevel aansporen +die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s _Dramatiek_ +pag. 112. + +[36] : _van eeuwigheid_, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit +van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen. + +[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen +verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij, +Engelen, grooter en schooner zijn. + +[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in +alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde +lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op +bijzondere wijze beklemtoond. + +[39] _stemt_: bestemt, bepaalt, vaststelt. + +[40] _passen_, (evenals te voren): zorgen. + +[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder +effect dan in noot 38. + +[42] Over die verdeeling der Engelen zie _Voorwoord_. + +[43] _moet duiken_: moet buigen. + +[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't +bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling. + +[45] _Gehoorzaamt Lucifer_. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om +ons den straks afvallige hier door Gabriël te doen noemen als den +eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen. + +[46] _Een ander draai gestarnte_. Het was, ook volgens Dante, de taak +der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie _Ploeg_ +II, pag. 41). + +[47] _Onnoozelheid_. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van +"onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed vóór den +zondeval. + +[48] _gezonden van een Groote_: Zie tevoren, dat een Engel der laagste +rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken +voor een aardsche zending. + +[49] _Rei van Engelen_. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de +_zang_ wordt aangeheven door de lagere rijen, de _Tegenzang_ door die +der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een +_Serafijne_ veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods +Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar: + + Dat zien is nòg een hooger heil, + Dan wij van uw genade ontleenen. + +[50] _noch ronden_. De hemellichamen zijn gebonden aan de _ronden_, +sferen; God niet.--_Zonder tegenwicht bij zich bestaat_: op zich zelf +staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: _Geen steun van buiten +ontleent_. + +[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is +begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het _Al_. + +[52] _Zoovele goeden_: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat +aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het +licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de +Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der +Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn. +Waarom niet als in _Adam in Ballingschap_ vs. 465, "goede dingen"? + +[53] _bondig_. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk. +meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer: +"raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar." +D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn +bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het +opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene +uitdrukt. + + + * * * * * + + +HET TWEEDE BEDRIJF + + +LUCIFER, BELZEBUB + + +LUCIFER: + +Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]: +Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen, +Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer +Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2], +Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven, +Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven. +Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad, +Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad +Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen; +Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen, +En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag, +De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag. +'t Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen: +De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen, +In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend: +Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient +En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen. +De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen. +'t Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag', +Dat ieder op hen passe, en op de handen draag', +Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4]. +Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen. +Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk. +De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk +Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven +De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven +En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort, +Wat Gabriël bazuint voor 's Hemels gouden poort. + +BELZEBUB: + +O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen, +Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen +Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft. +De last van Gabriël leît klaar: dat woord behoeft +Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen. +Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen +Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan, +Wat Adam al bezit, zoo laag beneên de maan: +Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt, +Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt, +En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer +Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer. +De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open. +Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen +Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien +Zoo verre boven u, en, vallende op uw kniên, +Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen, +Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen. +Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht, +Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht, +En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10] +Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden, +Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk, +Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk, +Dat God de menschen wil verheffen, ons verneêren? +Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren +Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand: +Een lager is er, die de kroon daar boven spant, +Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen +En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen +Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad. +Wij zien den Hemel haast veranderen van staat. +De starren zien vast uit, en wijken met verlangen, +Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen. + +LUCIFER: + +Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht. + +BELZEBUB: + +Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht +Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen. +Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen. +Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God, +Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod; +Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden. +De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden, +Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem +Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem? +Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden, +Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden +Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij +Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij. +De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten: +Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten. +En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reên; +Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een. + +LUCIFER: + +Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen +Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen; +Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht; +Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht, +Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren: +Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren. +Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet éénen voet. +Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed, +Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen: +Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12]. +Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd, +Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd, +Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden +En zooveel duizenden als onze zijde houden. +Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof; +En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof, +Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder; +Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder. +Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut, +Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd. +Het waar' niet ongeraân hem nader t' ondervragen. +Ik wil hem tegentreên, en aftreên van den wagen. + + + GABRIEL. LUCIFER. + + +GABRIEL: + +Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis? + +LUCIFER: + +Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis! + +GABRIEL: + +Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen. + +LUCIFER: + +Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen, +Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart, +Verlicht me met uw komst. + +GABRIEL: + + Wat is 't, dat u bezwaart? + +LUCIFER: + +Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde +Des hemels lager schat dan 't element der aarde, +den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel +Door alle starren voert; het menschdom op den stoel +Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven; +Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven. +Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof +Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof +Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen, +En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen? +Waartoe vernedert ons d'oneindige Genâ +Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spâ? +En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen +Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen +Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in +Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin? +Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?-- +Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen? +Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht +Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht, +Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen? +Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen +Zien buigen voor een grof en zakkende element[14], +Daar God zijn majesteit en wezen inneprent? +Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten. +Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten, +Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil +Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil. + +GABRIEL: + +Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen. +Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden. +De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt. +Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind. +De zuivre Wijsheid woû ten deel' haar wil bezegelen[15], +Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen +Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat, +Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat. +De reden en het wit, waarom wij namaals wachten, +Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16], +Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd, +Den schepter voeren zal, en breed en overwijd +De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren, +Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren. +Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord. + +LUCIFER: + +Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord +Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17] +Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten +Zoo verre boven God? + +GABRIEL: + + Genoeg u met uw lot +En staat en waardigheid, u toegeleîd van God. +Hij hief u in den top van alle Hierarchijen: +Doch niet om iemands glans en opgang te benijen. +De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon, +Indien ze wederstreef des Oppersten geboôn. +Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen. + +LUCIFER: + +Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen. + +GABRIEL: + +Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al +Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal, +Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen. + +LUCIFER: + +Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen, +Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon +Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon +Van duizend duizenden eenstemmige koralen, +Verdooft de majesteit en diamanten stralen +Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet; +En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet. + +GABRIEL: + +De zaligheid bestaat in een gerust genoegen, +In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen. + +LUCIFER: + +De majesteit van God en Godheid wordt verkleend, +Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent, +Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader +Aan God en Zijn natuur, als zoons van éénen Vader +Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is +Te stellen tegens een deze ongelijkenis +Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde +Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde +Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19], +Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook +En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven! +Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven! +De zon al majesteits ontberen, in haar loop! +Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop, +Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20], +Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen +In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriël! +Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel, +Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven. +Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven, +Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor +Van mijn gehoorzaamheid. + +GABRIEL: + + Gij ijvert krachtig voor +De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen +Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen, +Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek. +De menschgeworden God zal dit geheimnisboek, +Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten. +Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten +Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom +Van zijn verholendheên, en diep in 't Heiligdom +Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken, +En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken +Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht +De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht. +Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21]. +Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen +Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert, +Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneêrt. +Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten. +Ik ga, daar God mij zendt. + +LUCIFER: + +Men zal er scherp op letten. + + + BELZEBUB. LUCIFER. + + +BELZEBUB: + +De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait, +Dat Gabriëls bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid. +Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken: +Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23]. + +LUCIFER: + +Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien. +Geen minder droome hier zijn meerder te gebiên. + +BELZEBUB: + +Hij dreigt weêrspannigheid haar hoofd en kroon te pletten. + +LUCIFER: + +Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24], +Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans, +Door alle kreitsen hene en starrelichten glans. +Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25], +De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken +Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel. +Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel +Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder +Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder +Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf; +Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf, +Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26] +Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen; +'t Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp +Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27], +En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren. +Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren. +Men dage Apollion. + +BELZEBUB: + +Hier treedt hij voor den dag. + + + APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB. + + +APOLLION: + +O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag, +Orakel, in den Raad der onderdane Goden, +Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden. +Wat eischt de majesteit van haren onderdaan? + +LUCIFER: + +Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan, +Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken. +Het wit is[28] Michaël de slagveêr uit te rukken, +Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'. +Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit, +Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven +In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven +In top der Hemelen, door alle kreitsen heen, +En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneên +Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen. +Het lust me met geweld dien zetel te bestormen, +En op te zetten bij dat opzet, in één slag, +Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag. + +APOLLION: + +Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere +En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere +Te raden, onder u, tot zulk een brave daad. +Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29], +De wil is prijselijk, al woû het niet gedijen. +Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen, +Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan? +Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan? + +LUCIFER: + +Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen. + +APOLLION: + +Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen +In eene zelve schaal met d'Almacht;--haar gewicht +Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht. + +BELZEBUB: + +Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen. + +APOLLION: + +Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen? +Het overpeinzen kwetst alreê Gods majesteit. + +LUCIFER: + +Men hoû haar ongekwetst, en stappe met beleid +Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen. +Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen. + +APOLLION: + +Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na, +Tenzij men leeren wil met naberouw te spâ. +De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken. + +LUCIFER: + +Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken +Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'. +Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg +Met eenen slingerslag; ons heiren overladen +Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden. + +APOLLION: + +Gij weet wat Michaël, Gods Veldheer, al vermag: +Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag. +Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven. +De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34] +Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star +Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35], +Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren. +Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren, +Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart +Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart' +Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen? +Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open, +Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling. + +BELZEBUB: + +Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling, +Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd +Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd. + +APOLLION: + +De Veldheer Michaël voert, ruim zoo trotsch en fier, +Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier, +De zon in top. + +LUCIFER: + + Wat baat een naam met licht geschreven? +Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven +Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed +En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed. +Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41], +Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien. +Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht; +En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht. +Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen; +De hoofden en de leên aan 't woeden en krakeelen; +De meeste macht alreê geblinddoekt en verdoofd, +En oversten en elk vast roepen om een hoofd. +Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42], +Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen +Ga hene, en overleg dit stuk met Belial: +Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal. +Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen, +In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43], +Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee. +De Hofraad is vergaârd en wacht ons' komst alreê. +Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen. +Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen. + + + BELIAL. APOLLION. + + +BELIAL: + +Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog. + +APOLLION: + +Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog. + +BELIAL: + +En doelen op een wit, doch hachelijk te raken. + +APOLLION: + +Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken. + +BELIAL: + +Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan. + +APOLLION: + +Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan? + +BELIAL: + +De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen. + +APOLLION: + +De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen. + +BELIAL: + +Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd. + +APOLLION: + +Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt. + +BELIAL: + +Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten, +En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten. + +APOLLION: + +Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof, +Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof +Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen; +Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48], +En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep, +Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep. +Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven. +Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven, +En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag, +Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag +Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen. +Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen +Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend. +De mensch beware[49] dan zijn eigen element, +Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50] +Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen +Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar. +Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar. +Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden, +En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51]. +Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer? +Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer. +Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten. + +BELIAL: + +Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52]. + +APOLLION: + +Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor. +Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor, +Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen. + +BELIAL: + +Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen. +Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed. + +APOLLION: + +Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed. + +BELIAL: + +Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien. + +APOLLION: + +Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien, +Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag. + +BELIAL: + +Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag, +Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54]. + +APOLLION: + +Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen. + +BELIAL: + +De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid, +Biê zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55]. + +APOLLION: + +Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren: +Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen +Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd. + +BELIAL: + +Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft, +Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen. + +APOLLION: + +Wat reê gewonnen is, behoeft men niet te winnen. +Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat, +Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat +In zooveel duizenden! + +BELIAL: + + De billijkheid en reden +Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden, +Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan, +Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan. + + REI VAN ENGELEN: + + ZANG. + + Hoe zien de hoffelijke gevels[56] + Zoo rood? hoe straalt het heilig licht + Zoo rood op ons gezicht, + Door wolken en bedroefde nevels? + Wat damp, wat mist betrekt + Dat zuiver, nooit bevlekt, + En loutere saffier? + Die vlam, dien glans, dat vier + Van 't heldere Alvermogen? + Hoe schijnt ons nu de diepe gloed + Der Godheid toe, zoo zwart als bloed? + Die flus zoo klaar alle oogen + Verheugde? Wie begrijpt, wie kent + Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen, + Die, boven Adams element, + Nog flus op galm van kelen zwommen; + Op lucht van Geesten, in den glans, + Die galerij, en tin, en trans, + Gewelf van koor en hof verguldde, + En met een ziel van vreugd vervulde + Al wat hier boven leeft, en zweeft? + Wie is er, die ons reden geeft? + + TEGENZANG. + + Toen wij, op Gabriëls bazuinen, + Ontvonkten, en een nieuwe wijs + Aanhieven, God ten prijs; + De rozengaarden, en de tuinen + Van 't Hemelsch Paradijs, + Door zulk een dauw en spijs + Van lof en zang verblijd, + Ontloken;--scheen de Nijd[57] + Van onder in te sluipen. + Een groot getal der Geesten, stom + En bleek en doodsch, ging, drom bij drom + Misnoegend henendruipen. + De winkbrauw hing verslenst op 't oog. + Het gladde voorhoofd zette een rimpel. + De Hemelduiven, hier omhoog, + Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel, + Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen; + Alsof de Hemel viel te kleen + Voor haar, toen Adam wierd verkoren, + En zulk een kroon den mensch beschoren, + Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht. + Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht. + + Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen, + En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen. + + +Noten: + +[1] _Gij snelle geesten--trek onzen wagen_: Lucifer is de eenige engel, +van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van +het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen? + +[2] _deze dubbele star_: Adam en Eva. + +[3] _'t Is nacht met Engelen_: 't Wordt duister voor d'Engelen. + +[4] _op d'allerhoogste tronen_: tot d'allerhoogste tronen; immers naast +God. + +[5] _onze erfenis_: ons erfdeel. + +[6] _strijkt de kroon_: gaat met de kroon strijken. + +[7] _de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven_: de staf Gods +zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen. + +[8] _die 't eeuwig feest:_ de blijschap eeuwigdurendlijk. + +[9] _met nederslachtigheid_: ootmoedig. + +[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt +hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en +ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch. + +[11] _anders_: althans (Wdbk). + +[12] _dien hoek te boven komen_: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm; +ook in _Adam in Ballingschap_ aan te treffen. + +[13] _een wulpsch vermogen_. Een wulp is een jong dier, in het algemeen, +en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig. + +[14] _zakkende element_. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven, +in tegenstelling tot den mensch. + +[15] _Wou haar wil bezegelen_: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie +hiervoor, _op bondig_. + +[16] _een tafel erfgeslachten_: een ganschen stamboom. + +[17] _Een ingeboren zwichten_. Hier kàn V. gedacht hebben aan de oude +grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is +het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene +boven den vreemdeling gaat? + +[18] _vereent, vereeniqt_: één maakt en innig één doet worden. + +[19] _God_: de zon; de smook: de menschheid. + +[20] _Wanorden orden en geschiktheid overrompelen_. "Geschiktheid" staat +hier voor: "'t geen wèl geschikt is," dus in denzelfden zin als orde. + +[21] _tegenstappen_: tegemoetgaan, bejegenen. + +[22] _plakkaat_: ordonnantie; voorschrift. + +[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem vóór te leggen hoe de +menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting. + +[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich +zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s _Berecht_. + +[25] _verstrekken_: zijn tot. + +[26] _bogen, ronden; kreitsen_. Zie _Voorwoord_. + +[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot +den ouden staat van woestheid. _Mengelklomp_ is Chaos. + +[28] _Het wit is_: het doel is. + +[29] _bestaan_: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen". + +[30] _geleende macht_: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan +den Leenheer, God. + +[31] _haar gewicht weegt over_: voor "overweegt" "is zwaarder". + +[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michaël, niet tegen God. + +[33] _den sleutel van het Wapenhuis_: een wat te nuchter-realistisch +trekje, in deze hemelsfeer. + +[34] _Hij houdt op alle Hoven_: _Hof_ werd in de 16e en 17e E. gebruikt +voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar: +de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk). + +[35] _dar_: durft. Zie in het _Voorwoord_: de Engelen geleiden de +Hemellichamen op hun baan. Zie ook: _een ander draaigestarnte_. + +[36] _Men vangt haast aan_: het aanvangen gaat vlug genoeg. + +[37] _braveeren_: als _bravade_: pronken, uittartend glansen, als teeken +van overwinning. + +[38] _Gods wonderlijken naam_: Wonderbaarlijken. + +[39] _tittelen_: titels, gezag, vertoon. + +[40] _treken_: listen. + +[41] _in te luien_: in slaap te wiegen. + +[42] _troonen_: meetronen. + +[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van _voorbij vliegen_: +overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan +"voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht. + +[44] _leg het over_: overleg. + +[45] _dit stuk_: aanslag. + +[46] _ietwat glimpelijks_: iets dat er een goeden glimp aan geeft. + +[47] _te schennen tegens een_: tegen elkaar op te zetten. + +[48] _waren_: verdedigen. Verweren. Zie _Gysbrecht_: "ik kom dit +slot bewaren." + +[49] _beware_: blijve dan in. + +[50] _palen_: grenzen. + +[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de +aarde. + +[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme. + +[53] _door toeval van ontelbre vanen_: ontelbre regimenten (_vanen_) +zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten. + +[54] _Zijn wapen hangen_. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd +op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat +wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk +insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: _arms_). +_Zijn wapen hangen_ = zijn zegel hechten. + +[55] _trotsch beleid_: trotseerend beleid. + +[56] _Hoffelijke gevels_: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een +bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer +gold. + +[57] _De Nijd_ treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die +Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid. + +[58] _Onnoozel_: van kwaad onbewust. + +[59] _die vlam_ (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood +zien". + + + * * * * * + + +HET DERDE BEDRIJF + + +LUCIFERISTEN. REI. + + +LUCIFERISTEN[1]. + +Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden! +Hoe is 't alreê verkeerd! wij schatten niemands Orden +Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk, +Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk, +En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend; +Wanneer[2] ons Gabriël met Gods bazuin bejegent, +En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod, +Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot, +Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken. +Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken +En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht, +De gansche Hierarchy des hemels ongerust, +Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven, +Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven. +O onverwachte slag en staatverwisseling! +Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring +In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren +En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren, +Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbiên. +De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien. +Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien, +Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4], +En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht, +Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht. +Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten. +Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten! +Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart. +Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart. +Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren: +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +REI[5]. + +Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon! +De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon +Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen +Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen, +En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit? +Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit, +Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen? +Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden? +Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag' +Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag +Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert, +Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert. +De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vreê. +Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee. +Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren! + +LUCIFERISTEN (_koor_): + +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +REI: + +Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe? +O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moê? +Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren? +Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren, +Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans. +De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans, +Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven, +In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven, +Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann' +Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan +Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen +Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7], +Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom. +Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom. +Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen. +Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen. + +LUCIFERISTEN: + +Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let? +Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriël trompet: +Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen +In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen, +Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan. +Wat is bij ons[8] alreê mishandeld of misdaan, +Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen, +Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen? +Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof? +Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof, +Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten, +En worden op een sprong gebannen, en gestooten +Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf; +De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf, +Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren +Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10], +En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald. +De zon der Geesten is te plotseling gedaald. +Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren. +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +REI: + +Ontstelt ge u om den last van God en Gabriël? +Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel +Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven? +Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven, +Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil +Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil +Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel. +Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel. +Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk +Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk. +Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!) +Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen. +Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag, +En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag. + +LUCIFERISTEN: + +Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren. + +REI: + +Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren. + +LUCIFERISTEN: + +Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid. + +REI: + +Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid. + +LUCIFERISTEN: + +Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen. + +REI: + +In steê van uwen wil gerust naar God te voegen. + +LUCIFERISTEN: + +Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan. + +REI: + +Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan. + +LUCIFERISTEN: + +Hoe kan de meerder voor een minder zich verneêren? + +REI: + +Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren. + +LUCIFERISTEN: + +Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneên. + +REI: + +De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen. + +LUCIFERISTEN: + +Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren. + +REI: + +Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren. + +LUCIFERISTEN: + +Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik. + +REI: + +Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'. + +LUCIFERISTEN: + +Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen. + +REI: + +De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen. + +LUCIFERISTEN: + +Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan. + +REI: + +Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan! + +LUCIFERISTEN: + +Och, Engelsdom! woû God zich paren met uw wezen! + +REI: + +Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen. + +LUCIFERISTEN: + +Hoe heeft Hij 's menschen peil alreê zoo hoog gemerkt! + +REI: + +Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt. + +LUCIFERISTEN: + +Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]! + +REI: + +Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven. + +LUCIFERISTEN: + +Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof? + +REI: + +Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof. + +LUCIFERISTEN: + +Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen? + + + APOLLION. BELIAL. REI. + + +APOLLION: + +Zij mompelen alreê; gij hoort een strijd van tongen[15]. + +BELIAL: + +Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw, +De sluiers om de borst en lenden; niemand zou +Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten, +Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten, +Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal +Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval +Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen? +Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen. +Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert. + +REI: + +Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert +Door Gabriëls bazuin, en opstijgt boven d'Engelen; +Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen: +De Geesten onderworpt het menschelijk gebied. +Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet. + +APOLLION: + +Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen. + +BELIAL: + +Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen. + +REI: + +Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht. + +APOLLION: + +Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht. + +REI: + +Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken. + +APOLLION: + +Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken? + +REI: + +Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor. + +BELIAL: + +De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor. + +REI: + +Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen. + +APOLLION: + +Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen. + +REI: + +Hij zet den eenen van, den andren op den troon. +De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon. + +BELIAL: + +Gelijkheid van genâ de Godheid best zou passen. +Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16]. +De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag. + +REI: + +Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag, +Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde. +Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde +Veranderen in lucht of water of in vier; +De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier, +Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder. +Eén macht regeert het al en keert het bovenste onder. +Wat d'allerminste ontvangt is loutere genâ. +Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spâ[17]. +In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen. +Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen. +Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur; +De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur; +Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren. +Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18], +Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid; +En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid, +In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren. +De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen. +Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk +En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk, +Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen. +Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen. +Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot, +En onderwerpt u Gods en Gabriëls gebod! + +APOLLION: + +Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig? +Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig. + +REI: + +Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk? +Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk? + +BELIAL: + +Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader. +En lagen Hem aan 't hart: nu leît een minder nader. + +REI: + +Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek +Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek +Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven. +Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven, +Behaagt den Vader, die het al in orden schiep. + +BELIAL: + +Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep; +Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19]. + +REI: + +Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden. +Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud, +En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt; +Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven, +De klaarste een minder klare in luister kan verdooven; +Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft; +De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft; +En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20] +Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden, +Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem +Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem. + +BELIAL: + +'t Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in woû scheppen. +Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22] +Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis, +Noch steurden met geklag de rust van dit paleis. + +REI: + +Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven. + +APOLLION: + +Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven +Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier. +Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier? + + + LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI. + + +LUCIFERISTEN (_koor_): + +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +BELZEBUB: + +'t Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergâren! +En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.--[23] +Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen +T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen? +Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen +Van God, den zegenaâr, vernoegt u dat nog niet? +Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet, +Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden. +Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden +Niet langer, zonder reên, maar heldert uw gezicht +En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht! +De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken, +Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken +En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk. +Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk. +'t Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen +Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen; +En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid, +De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26]. + +LUCIFERISTEN: + +Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden +Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden +Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon +Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriël de kroon +Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten, +Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten? +Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon +Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon. +De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28] +Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich woû kanten +En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld +Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29]. +Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen, +Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen +Onze aangezichten neêr. De Hemel gaf gehoor, +Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor +Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen; +Toen Gabriëls bazuin zich plotseling kwam werpen +Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer; +Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neêr. +De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen. +De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen; +En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit, +Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid, +Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren +Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren +En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat, +Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat +Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven, +Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven +Gelijk hij daar beneên de dieren houdt in dwang. +Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang +Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren: +Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen, +Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan, +'t Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan. + +BELZEBUB: + +Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren, +Verhoê dit liever. Geef geen stof tot muitineeren, +Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid. +Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit? + +LUCIFERISTEN: + +Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken. + +BELZEBUB: + +Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken, +Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou. +O averechtschen loon van onbevlekte trouw! +Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen? + +LUCIFERISTEN: + +Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen. + +BELZEBUB: + +Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk. + +LUCIFERISTEN: + +Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk. + +BELZEBUB: + +Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen. + +LUCIFERISTEN: + +Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen. + +BELZEBUB: + +Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan. + +LUCIFERISTEN: + +De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan. + +BELZEBUB: + +Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven. + +LUCIFERISTEN: + +Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30]. + +BELZEBUB: + +Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31]. + +LUCIFERISTEN: + +Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht. + +BELZEBUB: + +De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten. + +LUCIFERISTEN: + +Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten. + +BELZEBUB: + +Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial? + +LUCIFERISTEN: + +Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal. + +BELZEBUB: + +Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen. + +LUCIFERISTEN: + +De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen. + +BELZEBUB: + +Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars. + +LUCIFERISTEN: + +Wij zien alreê meer kans en voordeel, min gevaars. + +BELZEBUB: + +Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel. + +LUCIFERISTEN: + +Aan d'uitkomst hangt het al, vóór d'uitkomst dwaalt het oordeel. +Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd +En leidsman op dien tocht. + +BELZEBUB: + + Maar wie is zoo beroofd +Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig', +En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig. +Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij. +Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33]. + +REI: + +Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken +Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken +Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg +Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg. +Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren. +Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren! + +LUCIFERISTEN: + +En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35]. +Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied, +En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader. + +BELZEBUB: + +O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader. +Ik wil u voortreên naar den troon van 't groot paleis. +En ons gerechtigheid bemiddelen door peis +En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen. + +REI: + +Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michaël besprongen. + + + MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN. + + +MICHAEL: + +Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree? +Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vreê, +Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden +Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden, +Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad, +Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat? + +BELZEBUB: + +Genade, o Michaël, gewaardig ons te hooren, +Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren, +Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld. + +MICHAEL: + +Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld. + +BELZEBUB: + +De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen, +Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen, +Op Gabriëls bazuin, vereischte een tusschenspraak, +Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak +En klachten kennis koom te nemen, om het muiten, +Bij alle middelen en mooglijkheên, te stuiten; +Zij varen echter voort, al razende en ontzind +Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36] +Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37] +(Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!) +Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel; +Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel +En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen. +De Veldheer treê nu voor: wij staan gereed te volgen, +Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil. + +MICHAEL: + +Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil +Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten, +In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten +Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot, +Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God; +Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken. + +LUCIFERISTEN: + +Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken? +Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd. +Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout. + +MICHAEL: + +D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig. + +LUCIFERISTEN: + +Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig. +De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand. +Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland +Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen +De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen +Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer +Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer +Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten: +Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten. + +MICHAEL: + +Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand. +Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant +Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen. +Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen +Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier! +Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier, +Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken. + +LUCIFERISTEN: + +Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken. +Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht. + +MICHAEL: + +'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt. +Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden. + +LUCIFERISTEN: + +Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden, +Elkandre bij te staan: ook wordt niet één alleen +Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41]. + +MICHAEL: + +Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren? +Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren. +Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht. + +LUCIFERISTEN: + +De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht. +Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden. +Wij willen al op een, en Goden tegens Goden +Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid +Aftreden door geweld. + +MICHAEL: + + Zoo groot een onbescheid[42] +Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder. + +LUCIFERISTEN: + +Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder +Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht. +Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht', +En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen, +De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43]. + +MICHAEL: + +Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht, +Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45]. +Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren; +Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren! +Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien +Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebiên. +Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien +En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien. + +LUCIFERISTEN: + +Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen. + +MICHAEL: + +Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer. + +LUCIFERISTEN: + + Trekt vrij heen. + + + BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN. + + +BELZEBUB: + +De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen. +Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen, +Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraân. +Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan. +Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen. + +LUCIFER: + +De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen. +De keurebenden staan gereten en gedeeld. +Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt +Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen. + +LUCIFERISTEN: + +Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen, +Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michaël, +Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel +Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47], +En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen +Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht +Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht. +Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]? +Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen, +Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem? +Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem, +Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden. +Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden +Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink'; +De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink' +In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen, +Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen. +Indien gij u verneêrt zoo groot een ongelijk, +Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk, +Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten. +Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten. + +LUCIFERISTEN (_koor_): + +Wij zweren u met kracht en volle majesteit, +Te zetten op den troon, aan Adam toegeleîd. +Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten, +Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52]. + +LUCIFER: + +Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht, +Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht. +Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder +Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder. +Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand +Van zijne Almogendheid, als een genadepand +En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen. +Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen, +En lust het hem den mensch, in volle heerschappij, +Te zetten bovenaan, en boven u en mij +Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53]; +Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken? +Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid, +En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleîd, +Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen, +Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54], +Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'. +Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar, +Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve: +Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve. + +LUCIFERISTEN: + +Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch, +En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog. +Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren. +Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren. + +LUCIFER: + +Dit strijdt met onzen eed, en Gabriëls gebod. + +LUCIFERISTEN: + +Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God. + +LUCIFER: + +Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55]. + +LUCIFERISTEN: + +Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren, +U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen. +Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treên. + +LUCIFER: + +De Veldheer Michaël, gewapend onder 't zegenen +Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen. +Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel! + +LUCIFERISTEN: + +Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel +Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde. + +LUCIFER: + +Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de +Verdrukkers van uw Recht. + +LUCIFERISTEN: + + De moed, de dapperheid, +De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid, +De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten, +En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten. + +BELZEBUB: + +Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht. +Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht +En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen; +Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen. + +LUCIFER: + +Ik troost me dan geweld te keeren met geweld. + +BELZEBUB: + +Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58]. +Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren. + +LUCIFER: + +Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren! +Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial! +Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal, +Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren. + +BELZEBUB: + +Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren: +Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar. + +LUCIFERISTEN: + +Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59]. + +BELZEBUB: + +Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen, +Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren, +En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht, +En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht, +Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien. +Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien. +Heft op[60] een heldren toon, +Ter eere van zijn kroon. + + LUCIFERISTEN: + + Op! trekt op, o gij Luciferisten, + Volgt dees' vaan. + Rukt te hoop al uw krachten en listen. + Trekt vrij aan. + Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant; + Beschermt uw Recht en Vaderland, + Helpt hem Michaëls heirkrachten stuiten, + Houdt nu moed. + Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten + En zijn bloed. + Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom. + Beschut de kroon van 't Engelsdom.-- + Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken. + Voor die pracht + Zal des vijands banier haast verzinken, + In der nacht[63]; + Wij met triomf kronen God Lucifer, + Bewierookt hem: aanbidt zijn Star. + + REI VAN ENGELEN: + + ZANG. + + Waar zijn we toe gekomen, + Dat 's Hemels burgertwist + De regementen splitst, + En 't zwaard is opgenomen, + Te zinneloos en blind? + Wie is er van ons benden, + Hij sneuvelt of verwint, + Gelukkig? die d'ellenden + Van hunne broedren zien + En Rijks- en Reigenooten? + Of die verwonnen vliên, + In ballingschap gestooten? + O, zoons van éénen God, + Waartoe verdwaalt uw lot! + + TEGENZANG. + + Helaas! waartoe verdwalen + De Geesten? wat verleidt + Hen, uit de zekerheid + Van hunnen staat en palen + Te spatten, zonder nood? + Zich op het spits te wagen? + Ons' weelde was te groot, + Te dertel om te dragen; + De Hemel niet genoeg + Om Englen te paaien[64]; + De nijdigheid most vroeg + Dit zaad van oorlog zaaien, + In 't vreedzaam Vaderland. + Wie leît dien twist aan band? + + TOEZANG. + + Is dit krijgsvier niet te smoren, + Door een macht van hooger hand, + Wat wil blijven in zijn stand? + Staatzucht[65] zal alle Orden storen: + Hemel, aarde, zee en strand + Zullen staan in lichten brand. + Staatzucht, eens door triomfeeren + Als gewettigd, zal verwoed + God en alle macht braveeren. + Staatzucht kent noch God, noch bloed. + + +Noten: + +[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst +aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der +beweging. + +[2] _Wanneer_: tot dat. + +[3] _verbaast_: ontstelt. + +[4] _livreien_: kleeding. + +[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te +verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren. + +[6] _muziek van druk_ (treurmuziek) _op noten galmen_. Het woord "noten" +lijkt overbodig. + +[7] _Heerschappijen, machten, tronen_. Vlgg. over de verdeeling der +Engelen. En _Voorwoord_. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der +eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen +behoorden. + +[8] _bij ons_: door ons; _mishandeld_: mis gehandeld. + +[9] _onzen plicht bekleeden_. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime +beteekenis. Hier: vervullen. + +[10] _in stede van regeeren zal Adam triumfeeren_: Instede dat wij +regeeren, zal Adam triumf vieren. + +[11] _te rusten_: berusten. + +[12] _tot heerschen min_. Minder tot heerschen. + +[13] _Die zich gelaten stelt_: door in Gods wil te berusten. + +[14] _de kroon verdooven_: in haar glans verdooven. + +[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in +dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij _spreken_ +alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden +als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel +gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog +vóór hij, Belial, _schijnt_ te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij +ongezocht waar hij wezen wil. + +[16] _Nu durft de duisternis_ (de aardwormen) _het hemelsch licht +ontwassen_ (boven het hoofd groeien). + +[17] _Hier komt vernuft te spâ_. Vernuft, 't verstand kan dit niet +begrijpen. + +[18] _Ons schikken is ... verwarren_. Gaan wij er ons in mengen, we +brengen verwarring; misschikken alles. + +[19] _Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden_; Het valt +hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden. + +[20] _in deze oneffenheden_: ongelijkheden. + +[21] _blijft_ in (den) staat. + +[22] _den staat niet te reppen_: ongerept, ongestoord te laten. + +[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan. + +[24] _De schelle kelen_: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei. + +[25] _steurt de maat_: verstoort het evenwicht, de harmonie. + +[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u +niet anders dan als misdaad worden aangerekend. + +[27] _te schutten_: te stuiten. + +[28] _trouwanten_: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk +frouwant geschreven om verband te krijgen met _trouw_. + +[29] _ongeduld_: wat niet te dulden is. + +[30] _Het stuk ontdekken is den handel glad bederven_: door den toeleg +te doen blijken, zou men de actie schade doen. + +[31] _Het Licht_: God. + +[32] _zij trouwen onze zijde_: hangen onze zijde aan. + +[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen. + +[34] _smeeken door middelaars_. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de +kracht der bemiddeling, die de kern van zijn _Jepfta_-treurspel geworden +is. + +[35] _verstout u hooger niet_: waag niet verder te gaan. + +[36] _'t klachtbewind_: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap. + +[37] _Ik poog de macht te scheien_: beproef als scheidsman, kalmeerder, +op te treden. + +[38] _Wij willen uwen zoen bemiddelen_: optreden als bemiddelaar ter +verzoening. + +[39] _d'Inspanner_: Opstandeling. + +[40] _Naturelijk_: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "_Naturelijk_ staat +elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht +des doods onderworpen is". + +[41] _'t raakt ons in 't gemeen_: gemeenschappelijk; het treft ons allen. + +[42] _onbescheid_: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.). + +[43] "dat één Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen +Michaël, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid +genoemd". + +[44] _Hardnekkige aard_, voor: "hardnekkigen van aard". + +[45] _dat voor geen Godheid zwicht_: "dat zich niet buigt voor God." + +[46] _die last_ (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer. + +[47] _dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult +verwerpen_: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen +onder Adams voet, ten teeken van slavernij." + +[48] _den schaars van hem gezienen_: God. + +[49] _snooden worm. Snood_ is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk. + +[50] _werde_: worde. + +[51] _Zoo groot een ongelijk te slechten_: zulk een groot onrecht te +beletten. + +[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den +tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn. +Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht +heeft als in _koor_ gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst +uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas, +waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb +me veroorloofd dit in den tekst aan te geven. + +[53] _schoon we nooit in onzen plicht bezweken_ (te kort schoten). Een +héél gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping +aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke +behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den +draai naar hun zij. + +[54] _'t zich belgen; belgzucht: belgen_ is "opblazen"; dus "zich +daarover vertoornen," "er in verzet over komen." _Belgzucht_: +oproerigheid. + +[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit. + +[56] _den staat der Engelen_: de orde der Engelen. + +[57] _gewapend onder 't zegenen van boven_: wiens wapens door God +gezegend zijn. + +[58] _allerbraafste Held_: aller moedigste. + +[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God èn Lucifer, om te doen +uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het +Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje +trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten. + +[60] _Heft op_: heft aan. + +[61] _volgt dezen God_. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd. +_Trant_ maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen." + +[62] _de Morgenstar_: Lucifer. + +[63] _In der nacht_. Nacht was vroeger vrouwelijk. + +[64] _paaien_, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden +stellen. + +[65] _Staatzucht_. Zie Inleiding, pag. 22. + + + * * * * * + + +HET VIERDE BEDRIJF + + + GABRIEL. MICHAEL. + + +GABRIEL: + +De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand +Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant +Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken +Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken +Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom. +Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom. + +MICHAEL: + +Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd? + +GABRIEL: + +Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd, +Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon +Bewierookt als een God, en met een lastertoon +Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen. +Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen, +En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis +Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch +Van onweêr buldert vast, van boven en van onder. +Het weêrlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder +In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof. +Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof. +Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren. +Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren +Der Engelen, van druk en medelijden, om +Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom. +En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden +Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden, +(Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert +Bij God en Zijnen naam) te passen[3]. + +MICHAEL: + + Wat vervoert +Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten, +Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten? + +GABRIEL: + +De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak +Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak +Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden, +Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden +Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw. +Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw +Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken +In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken, +Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit. +Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6] +Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen. +Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen, +En riepen vast: "Genâ, genâ, o Heer, geen Recht!" +Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht; +Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen: +Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen, +De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid, +Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait +De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen, +Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen. +Genâ had uitgediend. Waak op, in 't harrenas. +De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'. +Betem met uwen arm de woeste Behemotten +En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten. + +MICHAEL: + +Uriël! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier, +Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier. +Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen. +Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen, +Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort, +Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord. +Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels, +Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8] +Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan. +Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan. + +GABRIEL: + +Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9]. +Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen +U toestraalt, en de zon in top u heil belooft. +Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd +Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren. +Schep moed, Vorst Michaël: gij zult Gods oorlog voeren. + +MICHAEL: + +Zoo zal ik. Hoû mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen. + +GABRIEL: + +Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeên[11]. + + + LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN. + + +LUCIFER: + +Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]? + +BELZEBUB: + +Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen, +Te vliegen regelrecht op 't spits van Michaël. + +LUCIFERISTEN: + +Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel, +Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen, +Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen, +En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht. + +LUCIFER: + +Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht? + +BELZEBUB: + +Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen +Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen. +'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij, +Is 't niet de halve streek; want Michaëls getij +Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten. +De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten, +Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij, +Verzweren hunnen Heer, Vorst Michaël, als wij. +Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen +De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen +Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf; +En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf +En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen. +Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen. +Gij draagt alreê de kroon des Hemels op uw kruin. + +LUCIFER: + +Die klank behaagt me meer dan Gabriëls bazuin. +Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14]. +Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen! +En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort. +Gij weet, hoe verre wij alreê zijn uitgestort +In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen, +Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen; +En niemand denken durf deze onuitwischbre smet +Te zuivren door genâ; dies moet de nood een wet, +Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken +Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken, +Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen +Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen. +Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig; +Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig' +Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt. +Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt +In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren, +Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren +In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed, +Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet +Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten +Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten +En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end. +Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16], +Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen; +Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren, +En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar: + +LUCIFERISTEN: + +Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer! + +BELZEBUB: + +Maar zie hoe Rafaël, verbaasd[17] en vol meêdoogen, +Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen, +Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag. + + + RAFAEL. LUCIFER. + + +RAFAEL: + +Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18], +Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven? +Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven? +Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw? +Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw +En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen. + +LUCIFER: + +Oprechte Rafaël! + +RAFAEL: + + Mijn blijschap, mijn verlangen +Ik bidde u, hoor me. + +LUCIFER: + + Spreek, zoo lang het u behaag'. + +RAFAEL: + +Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag +Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne +Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne +En balsem van genâ, gestegen uit den schoot +Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot, +U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen, +Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen. +Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt? +Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20] +Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten +Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten +En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron. +Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon +Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen. +Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen, +Smaragden, diamant, robijn, en louter goud. +De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd, +Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21] +Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]: +En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]? +Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon? +Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren, +Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24], +En mengsel van gedierte en ondier ondereen, +Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheên +Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen, +De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen, +En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw? +Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw +In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27], +Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven +Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt +Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt. +Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen: +Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28]. +Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas, +Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas +Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder, +Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder +Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans; +Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans +Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel, +Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel, +Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet; +'t En ware een leven van ellende, van verdriet, +De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen +En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30]. +Verneêr u, staak dien tocht[31]; ik offere u genâ +Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spâ. + +LUCIFER: + +Heer Rafaël, ik verdien noch dreigement noch tooren. +Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen, +En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht. +Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht +En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren, +De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren, +Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag +Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag, +Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen; +Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen, +Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf, +'t En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf', +Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken, +Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken, +Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst; +Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst, +En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34], +Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen. +Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien +Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'. + +RAFAEL: + +Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzen +Voor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen. +De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis, +De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is, +En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren. +Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren! +Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch. +Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog. + +LUCIFER: + +Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken? + +RAFAEL: + +Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken? +Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen, +En boven Gods gestarnte opstijgen van beneên, +God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade, +'t Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36]. +Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon, +Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon. +Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen, +En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen. + +LUCIFER: + +Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet? + +RAFAEL: + +Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald Gebied +Bepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name. + +LUCIFER: + +Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame, +En, boven de natuur der Engelen, zijn lot +Uit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God? + +RAFAEL: + +Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen, +Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen, +Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven al +Wat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal, +Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen. + +LUCIFER: + +Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37]. + +RAFAEL: + +Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek. +Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlek +Van afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen. +De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen. +Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon, +Het aldoordringende oog, ik deze lastren kon +Bedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven? + +LUCIFER: + +Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven. +Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon, +Den oudsten erfgenaam. + +RAFAEL: + + Vorst Lucifer, verschoon +Uzelven; onderworp u 't opperste behagen. +Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragen +Naar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet. +Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet. +Om Gods wil, wacht u toch weêrspannigen te stijven, +Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven. +Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis, +Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis, +Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren? +Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren, +En kanten tegens God, den sterksten worstelaar? + +LUCIFER: + +Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maar +Een zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken; +Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonken +Van dezen hemeltwist door alle daken heen. +Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leen +Van al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39]. +Den mensch weêrstreven, is de Godheid wederstreven. +Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diep +Vernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep? +Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren, +Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneêren, +Van heerlijkheid ontkleên, en opstaan uit haar staat +En stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraad +Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven +Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven: +Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf. + +RAFAEL: + +Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40]. + +LUCIFER: + +'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten. + +RAFAEL: + +Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten? +Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd, +Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt; +En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten, +Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten? + +LUCIFER: + +Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan; +Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan. +De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege. +Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege? + +RAFAEL: +Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk, +Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk; +En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene Orden +Door hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden. +Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf, +Och, Stedehouder, voer uw regementen af; +Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden. +Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden, +Om, na de neêrlaag, u geketend door de lucht +Te voeren in triomf. Ik hoor alreê gerucht, +En zie allengs het heir van Michaël genaken. +Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken. + +LUCIFER: + +Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste berâ? +Hier is geen hoop op peis. + +RAFAEL: + + 'k Verzeker u genâ, +En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42]. + +LUCIFER: + +Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande! +Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel! + +RAFAEL: + +Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel, +Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen. +Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen, +Een aas verstrekken voor het vratige ingewand +Des afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand? +Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede: +Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede. + +LUCIFER: + +Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]? +Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik: +De zege is hachelijk; de neêrlaag zwaar te mijden. +Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden? +Den eersten standerd op te heffen tegens God, +Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod? +Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen, +En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen? +Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid? +Te kwetsen de genade en liefde en majesteit +Des rijken Vaders, bron van alle zegeningen, +Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen? +Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht! +Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat licht +Mijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?-- +Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen. +Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheên? +De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geen +Genoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemen +Dees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen. +Maar 't is te spâ, en hier geen boete voor ons' smet. +De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet! + + + APOLLION. LUCIFER. RAFAEL. + + +APOLLION: + +Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44]; +De Veldheer Michaël, in aantocht met zijn starren +En regementen, daagt u uit in 't vlakke veld. +De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt. +Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen. + +LUCIFER: + +Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen. +Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht. + +APOLLION: + +Ik zag alreê den schrik in Michaëls gezicht, +En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen. +Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen. +Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan. + +LUCIFER: + +Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan; +Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken! + +APOLLION: + +Wij wachten op uw woord. + +LUCIFER: + + Zoo volgt ons op dit teeken. + +RAFAEL: + +Helaas! hij stond alreede in twijfel en beraad; +Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staat +Van jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen! +Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen, +'t En zij de Godheid dit meêdoogende belett'[45]. +Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed: +Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken. +Het bidden kan een hart van diamantsteen breken. + + + REI VAN ENGELEN. RAFAEL. + + + REI VAN ENGELEN[46]: + + O Vader, die geen wierookvat, + Noch goud, noch lofzang waarder schat + Dan Godgelatenheid en stilte + Van 't schepsel, dat uit needrigheid + Behagen schept aan uw beleid, + En in uw wil zichzelf versmilte; + Gij ziet, o aller telgen stam, + Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kam + Durf kanten tegens uw behagen; + Hoe hij trompet en trommel roert, + En blind, van Staatzucht aangevoerd, + U tergt op zijnen oorlogswagen. + Ontferm u over 't lasterstuk, + En keer, och keer het ongeluk + Van duizend duizend lotgenooten, + Die, al te jammerlijk misleid, + Met zulk een wederspannigheid + Het harnas hebben aangeschoten. + + RAFAEL: + + Verschoon genadig, och! verschoon + Den Stedehouder, die de kroon + Der kronen op zijn hoofd wil zetten, + Om neffens u en boven al + Te triomfeeren. Och! wie zal + Hem zuiveren van zulke smetten? + + REI VAN ENGELEN: + + Gedoog niet, dat de schoonste ziel, + Waarop uw oog genadig viel, + Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve. + Hij boete deze ondankbre daad, + En blijv' gehandhaafd bij zijn staat; + Dat uw genâ zijn schuld vergeve. + + +Noten: + +[1] _'k Verdaag u_: roep u òp. + +[2] _in arbeid_: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't +werk. + +[3] _op uw heilige eeden ... te passen_: uw eeden nà te komen. + +[4] _Hoe bitter wil: wil_, als in 't Engelsch, voor _zal_. + +[5] _in d'oogen van 't licht_: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch +God wordt aangeduid door: de Naam. + +[6] _Genade en Gods gerechtigheid_, eigenschappen van God, hier +allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten. + +[7] _Wierookstank_. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand. + +[8] _drommels_: Voor _drommen_. + +[9] _aangeschapen_. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen ... +aangeschapen; ingeboren ... aangeboren, als tegenstellingen, bijna +verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!) + +[10] _Hou mijn woord omhoog_: Spreek mij vóór bij God. + +[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon +van vader Willebrord, uit den _Gijsbrecht_, dan aan dien van een +Aartsengel. + +[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat +men zich wapent tegen Michaël, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief: +Adams toekomstige heerlijkheid, Michaël allerminst raakt. + +[13] _verschiet zijn groente. Groente_: groenigheid; wat groen is. Bij +Cats vinden we o.a. _in de groente zitten_, voor: in het groen zitten. +_Zijn groente en verf verschieten_ zal dus wel hier zijn op te vatten +als: verschiet zijn blijde, frissche kleur. + +[14] _beneden deze trappen_: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger. + +[15] _en met een aardschen stoet omsingeld_. Adams afkomst zou, ten +hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich +omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen +Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de +Engelschen tegen onzen Willem III. + +[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd. + +[17] _verbaasd_: als te voren: ontzet. + +[18] Dit optreden van Rafaël is een der gevoeligste vonden van onzen +dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste +klanken. + +[19] _Genade, o Lucifer!_ Hier is weer _genade_ in den zin van het +fransche: _de grace_. + +[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld. + +[21] _bommen_, rinkelbommen, waarmee de Godheid geëerd werd. Vgl. Ifis +in _Jeftha_: "Treên we in, op bommen en schalmeîen". + +[22] _kwaamt te brommen_. Hier in den zin van: "zich met luiden galm +verheffen". + +[23] _Uit dien troon_. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde +plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet: _van_ dien troon. + +[24] _in eenen knoop van dieren_: mengeling van dieren. Zie later, +Lucifers gestalte-verandering. + +[25] _misscheppen_, doen wanvormen. + +[26] _zoo laag_: immers in de hel. + +[27] _alle zeven_: de zeven Aartsengelen. + +[28] _met u verlegen_: om u begaan. + +[29] _Hooger niet_: ga niet voort in uw verzet. + +[30] "Tenzij een leven van ellende ... leven mocht heeten". + +[31] _tocht_: dit optrekken (ten verzet). + +[32] _of echter_, of daarna. + +[33] _onder 's hemelseed_, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel. + +[34] _overdrongen_: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk) +Thans: opgedrongen. + +[35] _paaien_, hier: in slaap wiegen. + +[36] _Het leen verheergewaden_: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne +ontleenen." huldigen als leenheer. + +[37] "Juist dàt is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig +uitgedrukt. + +[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt". + +[39] _Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven!_ "Erken +dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn." _Neven_ staat hier in +den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen", +"verwanten." + +[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen; +als de leenheer 't goed van den leenman. + +[41] _'k Misdank me dan_. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft +nog in de Amsterdamsche volkstaal. + +[42] _stel me te pande_: stel mezelf tot borg. + +[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor +de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi +moment in het treurspel. + +[44] : _tijd te marren_, tijd tot toeven, aarzelen. + +[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe +aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk. +Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van +den hemel. + +[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid, +meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie +reizangen. + + + * * * * * + + +HET VIJFDE BEDRIJF + + + RAFAEL. URIEL. + + +RAFAEL: + +De gansche Hemel, van den grond tot op de kruin +Der Aartspaleizen[1], juicht op Michaëls bazuin +En zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen. +Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2]. +Uit elke schildzon straalt een triomfante dag. +Daar komt Uriël zelf, de Schildknaap, uit den slag, +En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijden +Gewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden, +Door schild en harrenas, en helm van diamant, +Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3] +En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen. +Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogen +Bekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig Recht +Zich opworpt, met één slag rechtvaardiglijk beslecht; +Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen, +Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen. +Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit! +Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid, +En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen. + +URIEL[6]: + +Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen. +Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7]. +Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij. + De Veldheer Michaël (verwittigd uit den hoogen, +Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen, +Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet, +Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8] +Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren, +Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren) +Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriël, +Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevel +Aan al zijn Oversten en hoofden en kornellen, +De heiren, in Gods naam[10], in hun geleên te stellen, +Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruim +Van 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuim +Te vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen, +Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen. +Op dezen last vergaârt Gods heirkracht inderijl +Slagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl, +Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen, +In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13], +Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht. +Men zag een enkelheid in een driepuntig licht, +Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen; +Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen. +De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand, +Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand. +Wie moed wil houden, en triomf en zege baren, +Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren. + +RAFAEL: + +Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen woû? + +URIEL: + +Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouw +Gehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten, +Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten. +Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan. +Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan, +Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldieren +En andre monsters, die rondom hem henezwieren, +Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordt +Vorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort', +En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken. +Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken. +De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God, +Verzekerde den buik des legers, om het slot, +Der regementen knoop, in 't midden te bewaren. +De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klaren +Uit zijne morgenstar, werd van Apollion +Gehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon, +In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15]. + +RAFAEL: + +Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten! +Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht! +Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht, +En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien. + +URIEL: + +Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16], +Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17], +In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrok +Van gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagen +Met gouden wielen, van robijnen dicht beslagen. +De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18], +Met starren overal bezaaid op hunnen rug, +In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen. +Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen, +De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19], +Waarin de morgenstar met kunst gedreven was, +Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen. + +RAFAEL: + +O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen. +Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft! +Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd, +En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen, +Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]! +O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weêrom[22]! + +URIEL: + +Zoo stonden zij gekant en slagreê, drom bij drom, +Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijen +Gesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen; +Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompet +Zich mengen; het geluid geweer en handen wet[26], +En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten; +Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27] +Geborsten, slag op slag, een gloênden hagel baart, +Een' storm en onweêr, dat de Hemelen vervaart, +De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren, +Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarren +Of zwijmen op de wacht, en weten niet waarheen +Te drijven, Oost of West, of boven of beneên. +Al weêrlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder. +Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder. +De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29], +Geraken handgemeen met knots en hellebaard, +En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven +En steken. Al wat kan, wat toeleît op bederven, +Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt. +De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent +Zijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven, +Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven, +En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd. +Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd, +En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren; +De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwieren +En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei +Verheft zich uit den stoet der groene liverei; +Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen. +De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen, +En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch, +Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30] +Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten. + +RAFAEL: + +Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31]. + +URIEL: + +De dappre Michaël laat blazen: Eer zij God! +De regementen, op die leus en zijn gebod +Gemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgen +Naar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33]; +Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart, +En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaart +Een valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennen +Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen; +Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemd +Zoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt. +De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten, +Verwacht hem op den bek, om door de borst te stooten +Van onder, als hij ploft van boven op den buit. + +RAFAEL: + +O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit. +Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen. +Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen, +En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond. + +URIEL: + +Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rond +Of halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen; +De regementen, die zich sluiten en ontvouwen, +Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan, +Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan, +Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte, +Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35]. +Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt, +Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt, +En schildert en schakeert door luchte regenbogen. +De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36], +Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneên. +Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een, +Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren, +Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren, +Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim; +Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim, +Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen. +Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen, +Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37], +Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal, +Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen; +Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen, +En masten zonder tal, verpletten en vertreên +Wat tegens woest geweld van stroom en hout en steen +Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel +Der halve mane fel met roode en blauwe zwavel +En vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot. +Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood, +Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39]. +De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken, +Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast), +Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last, +En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven. +De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven, +Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot, +Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood, +Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen. +Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42] +En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan. +De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen van +Zijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften. +D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiften +Met zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast, +En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast. + +RAFAEL: + +Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen. + +URIEL: + +Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen, +Die neêrstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner licht +En schooner stralen schiet, in 't gloên van zijn gezicht. +Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde. +De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde, +Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas, +Totdat hem Michaël, in 't schitterend harrenas, +Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen. +"Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen. +Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God! +Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot, +Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen. +D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen, +Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijl +Den slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijl +Den diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven; +Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven. +De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamant +Aan stukken. Michaël verheft zijn rechte hand, +En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen, +Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogen +Al t' ongenadig[50], dat hij achterover stort, +En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51] +Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken. +Den standerd van de star vergaat hierop het blinken; +Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt, +Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioelt +Van duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharen +In 't vallen, voor den val en neêrsmak, te bewaren. +Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial. +Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren val +Des Stedehouders breekt de boog der halve mane +In stukken. Echter komt Apollion ter bane +Met zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt. +De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt, +En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen, +Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53]. +De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan, +Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan. +De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen. +Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen, +Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien. + +RAFAEL: + +Geloofd zij God! valt neêr, aanbidt hem op uw kniên! +Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen? +Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen? +Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert? + +URIEL: + +Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert, +Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58]; +Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen, +In een wanschapenheid veranderd, al te vuil; +Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil; +De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen; +De voeten en de hand in vierderhande klauwen; +Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid. +De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit. +In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren, +Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59] +Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn: +Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn, +Een tragen ezel, een rinoceros, van tooren +Ontsteken, eene sim[60], van achter en van voren +Al even schaamteloos, en geil en heet van aard, +Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard. +Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen, +Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen. +Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat, +En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat. + +RAFAEL: + +Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken! +Waar bleef Apollion? + +URIEL: + + Hij zag zijn tij verstreken, +Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood. +De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot, +Met weêrlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen, +De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen, +En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarreling +Van buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging, +Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend, +Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent. +Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging, +Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling, +In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen. +D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen +In Engletroniën nu zweemen naar de Hel, +En helsche gruwzaamheên!--Daar hoor ik Michaël. +Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63]. +De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen, +Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit, +En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid. + + + REI VAN ENGELEN. MICHAEL. + + + REI VAN ENGELEN: + + Gezegend zij de Held, + Die 't goddeloos geweld, + En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerd + Ter neder heeft geveld. + Die God stak naar zijn kroon, + Is uit den hoogen troon[64] + Met zijn macht in den nacht neergezonken. + Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon! + Al brandt het oproer fel, + De dappre Michaël + Weet den brand met zijn hand uit te blusschen, + Te straffen dien rebel. + Hij handhaaft Gods banier; + Bekranst hem met laurier. + Dit paleis groeit in peis en in vrede: + Geen tweedracht hoort men hier. + Nu zingt de Godheid lof, + In 't onverwinbaar hof! + Prijs en eer zij den Heere aller Heeren! + Hij geeft ons zingens stof. + +MICHAEL: + +Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd. +D'Aartsvijand[65] leît er toe. Hij laat ons zijnen standerd, +En morgenstar en helm en vanen en rondas, +Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as, +Met juichen en triomf en eere en lofgezangen, +Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangen +Van wederspannigheid en Staatzucht, die de kam +Verheffen tegens God, den onverzetbren stam +En oorsprong en de bron en Vader aller dingen, +Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen. +Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit +Bezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid. +Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen, +Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen, +Beneveld en verblind en ijselijk misvormd. +Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt. + +REI: + +Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden, +Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden. + + + GABRIEL. MICHAEL. REI. + + +GABRIEL: + +Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd! +Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd; +Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen. + +MICHAEL: + +Wat hoor ik, Gabriël? + +GABRIEL: + + Och, Adam is gevallen; +De vader en de stam van 't menschelijk geslacht +Te jammerlijk, te droef alreê ten val gebracht. +Hij leît er toe[67]. + +MICHAEL: + + Dat is een donderslag in d'ooren. +Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren. +Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreên? + +GABRIEL: + +Hij rukte, na den slag, 't verstrooide heir bijeen, +Doch eerst zijn Oversten, die voor elkandre gruwen[68]; +En zette zich, om 't licht van 't alziende oog te schuwen, +In een holle wolk, een duistre moordspelonk +Van neevlen, daar geen vier dan uit hun blikken blonk; +En, midden in den ring des helschen Raads gezeten, +Hief uit zijn zetel aan, te helsch op God gebeten: +"Gij machten, die zoo trotsch voor ons' gerechte zaak +Dien afbreuk hebt geleên; nu is het tijd om wraak +Te nemen van ons leed, en listig en verbolgen, +Met onverzoenbren wrok den Hemel te vervolgen, +In zijn verkoren beeld[69], en 't menschelijk geslacht +Te smoren in zijn wieg en opgang, eer het macht +In zijne zenuw krijge en aanwinne in zijne erven. +Mijn wit is, Adam en zijn afkomst te bederven[70]. +Ik weet, door 't overtreên der eerstgestelde wet, +Hem aan te wrijven zulk een onuitwischbre smet, +Dat hij, naar lijf en ziel, met zijn nakomelingen +Vergiftigd, nimmer zal ten zetel innedringen, +Waaruit men ons verstiet; edoch gebeurt het al, +Dat iemand bovenstijge, een kleen, een dun getal, +En nog door duizend doôn en arrebeid en lijden, +Zal steigren tot den Staat en kroon, die ze ons benijden. +Ellenden zullen zich terstond, op Adams spoor, +Verspreien zonder end de wijde wereld door. +Natuur zal, van dien slag geteisterd, schier verteren, +En wenschen in een Niet of mengelklomp[71] te keeren. +Ik zie den mensch, die naar het beeld der Godheid zweemt, +Van Gods gelijkenis verbasterd en vervreemd, +In wil, geheugenis, en zijn verstand ontluisterd, +Het ingeschapen licht beneveld en verduisterd, +En wat den dag beschreit, in 's moeders bangen schoot, +Gevallen in den muil der onvermijbre Dood. +Ik wil de tiranny verheffen, altijd stouter, +En u, mijn zoons, gewijd tot Godheên[72], op het outer, +In kerken, zonder tal, tot aan de lucht gebouwd, +Vereeren offervee, en wierookgeur, en goud, +Ja zooveel menschen, als geen tong vermag te noemen, +En al wat Adam teelt in eeuwigheid verdoemen, +Door gruwelstuk op stuk, Gods naam ten trots begaan. +Zoo dier wil hem mijn kroon[73] en zijn triomffeest staan!" + +MICHAEL: + +Verwaten vloek, zoo trotsch de Godheid nog braveeren! +Wij willen u eerlang dat lasterstuk verleeren. + +GABRIEL: + +Aldus spreekt Lucifer, en zendt Vorst Belial, +Opdat hij dadelijk de menschen breng' ten val. +Dees schiet[74] de boosheid zelf, de listigste aller dieren, +De slang aan, om met glimp van woorden te verzieren +Het lokaas, 't welk aldus d'onnoozle schepsels ving, +Daar zij geslingerd om den tak der kennis[75] hing: +"Heeft God, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen +Den vrijdom van het ooft, den smaak van 't puik der boomen? +Neen, Eva, simple duif, geenszins; gij zijt verdwaald. +Aanschouw eens, bid ik u, dien appel! Ai, hoe straalt, +Hoe gloeit dit ooft van goud en karmozijn te gader! +Hoe noodt u dit banket! Ai, dochter treê wat nader; +Hier nestelt geen venijn in dit onsterflijk loof. +Hoe lokt dees' vrucht! ai pluk, ai pluk vrij; ik beloof +U wetenschap en licht. Wat deist ge, bang voor schennis? +Tast toe, en word God zelf in wijsheid en in kennis +En wetenschap gelijk, en eere en majesteit, +Hoezeer Hij 't u benij. Zoo vat men 't onderscheid, +Het wezen en den aard en d'eigenschap der zaken." +Terstond begint het hart der schoone bruid te blaken, +T'ontvonken, en zij vlamt op d'aanprezen vrucht. +De vrucht bekoort het oog, het oog den mond, die zucht. +De lust beweegt de hand al bevende te plukken. +Zoo plukt ze en proeft en eet (dat wil haar afkomst drukken!) +Met Adam, en zoodra hunne oogen opengaan, +En zij hun naaktheid zien, bedekken ze, met blaân, +Met vijgenloof, hun schaamte en schande en erfgebreken[77], +En gaan zich in geboomte en schaduwen versteken, +Versteken, maar vergeefs, voor 't aldoordringende oog. +De lucht betrekt allengs. Zij zien den regenboog[78] +Gespannen, als een bode en voorspook van Gods plagen. +De Hemel treurt in rouw. Geen handenwringen, klagen, +Noch schreien helpt den mensch en zijne weêrgade. Ach! +Het weêrlicht reis op reis; het dondert slag op slag[79]. +Al wat men hoort en ziet, is schrik en angst en zuchten. +Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchten +Den worm, die 't hart doorknaagt, het overtuigd gemoed. +Zij knikkebeenen beide, en struiklen, voet voor voet. +Het aangezicht ziet doodsch, en d'oogen, diepverdronken +In tranen, zien geen licht. Hoe is de moed gezonken! +Hoe stak hij flus het hoofd zoo moedig in de lucht! +Het ritslen van een blad of beek, een klein gerucht +Verbijstert hen; terwijl een zwangre wolk komt dalen, +Die scheurt, en baart allengs een licht, een glans en stralen, +Daar d'Opperste uit verschijnt, in dien bedrukten staat, +En dondert met zijn stem, die hen ter aarde slaat. + +REI: + +Och, och! och, och! de mensch waar' nutter nooit geschapen. +Dat leert zich aan een vrucht, een mondvol saps, vergapen! + +GABRIEL: + +"O Adam!" dondert God, "waar zijt gij toe geraakt?" +"Vergeef me, o Heer! Ik vlucht uw aanzicht, bloot en naakt." +"Wie leerde u," vraagt hem God, "uw schaamte en naaktheid kennen? +Durft gij uw lippen aan verboden vruchten schennen[80]?" +"Mijn gade, mijne bruid, bekoorde mij, helaas!" +Zij zegt: "De slimme slang bedroog me met dit aas." +Dus schuift elk van den hals den oorsprong der gebreken[81]. + +REI: + +Genâ! Wat vonnis wordt op dit vergrijp gestreken? + +GABRIEL: + +De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid, +Met weên, en barensnood, en onderworpenheid; +Den man met arbeid, zweet, en zorge, en lastig slaven; +Den akker, die den mensen ten leste zal begraven, +Met onkruid en veel ramp; de Slang, om 't loos misbruik +Van haar doortrapte tong, zal kruipen op den buik +Langs d'aarde hene, en slechts bij stof en aarde leven. +Maar om den armen mensch een' vasten troost te geven, +In zulk een jammernis, belooft de Godheid trouw +Te wekken[82], uit het zaad en bloed van d'eerste vrouw, +Den Sterke[83], die de Slang, den Draak, het hoofd zal pletten +Door erfhaat, van geen tijd noch eeuwen te verzetten. +En schoon dat felle Dier hem naar de hielen bijt[84], +Nog triomfeert de Held met eere, na dien strijd. +Ik koom uit 's Hoogsten naam dat onheil u ontvouwen +Stel daadlijk orden, eer ze ons moeite op moeite brouwen. + +MICHAEL: + +Uriël[85], Schildknaap, die het heilig Recht bewaart +En reukeloosheid straft, grijp aan uw vlammend zwaard: +Vlieg hene naar omlaag, en drijf ze beide uit Eden, +Die d'eerste wet zoo blind, zoo reukloos overtreden. +Bewaak den ingang van 't ontheiligd Paradijs, +En keer de ballingen met kracht af van de spijs, +Den boom, die 't leven rekt. Gedoog niet, dat ze pluiken +D'onsterfelijke vrucht en 't hemelsch ooft misbruiken. +Gij wordt op schildwacht voor den hof en boom gesteld. +Dat Adam buiten zwerve, en, vroeg en spade, veld +En kleigrond ommeploeg', waaruit hem God bootseerde. +Ozias[86], aan wiens vuist de Godheid zelf vereerde +Den zwaren hamer van geklonken diamant, +En ketens van robijn, en krammen, spits van tand, +Ga hene, vang en span het heir der Helsche dieren, +Den Leeuw en fellen Draak, die tegens ons' banieren +Dus woeden; vaag de lucht van dees' vervloekte jacht[87], +En boei ze aan nek en klauw, en keten ze met kracht. +Dees' sleutel van den put der afgronds[88] en zijn holen +Wordt, Azarias, u en uwe zorg bevolen. +Ga hene, sluit in 't hol al wat ons' macht bestrijdt. +Maceda, neem dees' torts, die vlam is u gewijd: +Ontsteek den zwavelpoel in 't middelpunt der aarde, +En pijnig Lucifer, die zooveel gruwelen baarde, +In 't eeuwig brandend vier, gemengd met kille vorst; +Daar Droefheid, Gruwzaamheid, Versteendheid, Honger, Dorst, +De Wanhoop, zonder troost, de prikkel van 't geweten, +En Onverzoenbaarheid, een straf van 't boos vermeten, +Versteken van den glans der Godheid, in dien rook, +Getuigen 's Hemels ban, geveld op 't heilloos Spook; +Terwijl 't beloofde Zaad[89], verzoenende Gods tooren, +Herstelle uit liefde al wat in Adam werd verloren. + +REI[90]: + +Verlosser[91]! die de slang het hoofd verpletten zult, +'t Vervallen menschdom eens van Adams errefschuld +Verlossen, t'zijner tijd, en weer, voor Eva's spruiten, +Een schooner Paradijs hierboven opensluiten; +Wij tellen d'eeuwen, en het jaar, en dag en uur, +Dat uw genâ verschijn'; de kwijnende Natuur +Herstell', verheerelijke, in lichamen en zielen; +Stoffeerende den troon, daar d'Engelen uit vielen. + + + +Noten: + +[1] _van den grond tot op de kruin der Aartspaleizen_: de hemel was +verdeeld in een aantal kringen, bogen, sferen, (_Voorwoord_), hier +gedacht als _verdiepingen_. _Aartspaleis_: Opperst paleis. + +[2] _En scheppen nieuwe zonnen_, nl. in hun schittering en weerkaatsing. + +[3] _de horens kant_: scherpt, punt. _De horens_, in gelijkenis met +stootende stieren. + +[4] _Wat legt ge al prijzen in_: hoeveel prijzen verzekert ge u niet, +vergelijk "wat legt gij een eer in". + +[5] _eerste tocht_: strijd. + +[6] URIEL. Vondel, zoomin als een der klassieke dichters, laat ooit een +strijd, _zien_, maar beschrijft hem. Want hén dramatische kunst is +allereerst die van het woord en niet van de reëel uitgebeelde handeling. +Dat dit in dit geval juister is dan de Shakesperiaansche methode om wèl +dien strijd ten tooneele te brengen, behoeft geen betoog. Er zou van de +grootschheid der hier nu volgende hemelsche worsteling niets terecht +komen, als we haar in werkelijkheid moesten zien, en niet het beeld +ervan in Vondels vers. (Zie ook Inleiding tot V.'s Dramatiek). + +[7] _t' ontvouwen op een rij_: achtereenvolgens uiteen te zetten. + +[8] _tegens 't hoog gebied_: tegen d'oppermacht. + +[9] _op 't aanstaan_: op 't aandringen. + +[10] _in Gods naam_: Natuurlijk niet in onzen alledaagschen zin van: +"omdat hij 't niet laten kon", maar: "in naam des Heeren". + +[11] _op 't luchtig ruim ... te vagen_: het schuim leeft òp het ruim en +daarvan moet het weggevaagd worden. + +[12] _Al dit spook_: al dit gespuis. + +[13] _brommen_. Hier: "zich luidruchtig aanstellen, gereed maken. +--_Driekantig heir_. Het leger van Michaël vormt dus een driehoek; dat van +Lucifer neemt den slagorde-vorm aan van een Halve Maan. Dr. Cramer ziet +in het eerste een toespeling op de heilige Drieëenheid; en in laatste +een op de Turken. Het schijnt inderdaad die eerste opvatting te +bevestigen, doch het volgend verhaal van Uriël doet vermoeden dat Vondel +eer alleen aan het Sterrebeeld van den Stier dan aan de Turken gedacht +heeft, ook al wordt er even van de halve Maan gerept. + +[14] _Werd van Apollion gehandhaafd_: werd door A. in de hand gehouden; +hooggehouden. + +[15] _In zijnen vollen krits omhoog ten troon gezeten_; Apollion troonde +hoog, in zijn volle glorie. + +[16] _groene livereien_: De een ziet in dit "groen", de kleur van de +slang, de ander die van den Turk. Misschien hebben beiden gelijk. + +[17] _Wreevlig aangevoerd van wrok_: door wrok wrevelig geworden en nu +opgestuwd. + +[18] _De Leeuw en de Draak_: twee sterrenbeelden, (zie _Berecht_); _ter +vlucht gereed en vlug_: gereed en in staat tot vliegen. + +[19] _rondas_: rond schild. + +[20] _Gij fenix_: Fenix is de uit zijn asch herlevende vogel; beeld der +onsterfelijkheid en dus der hoogste voortreffelijkheid. Zoo noemt Vondel +ook Huigh de Groot wel een Fenix. + +[21] Zie hiervoor zoowel over _naturelijk_ als over _aangeschapen_. + +[22] Een levendige indruk van 't _gebeurende_ in plaats van 't +beschreven _gebeurde_ geeft die uitroep van Rafael, herhaling van zijn +vroegere bede tot Lucifer. + +[23] _Hoefslag_: wachtpost. + +[24] _gesnoerd aan hun gezag_: onderworpen aan hun commando. + +[25] _dolle trom_: dol, Eng. _dull_: dof. + +[26] _het geluid geweer en handen wet_: op dit geluid komen hand en +wapen in gereedheid tot den aanval. + +[27] _schicht_: pijl; bliksemschicht. + +[28] _de kreitsen ... in hun ronde, de starren ... in hun omloop_. + +[29] _schutgevaart_. De bliksem en het onweer stellen in dezen +hemelschen strijd de eerste uitbarsting voor van het schieten, waarmee +op aarde een strijd begint. In de volgende beschrijving spreekt Uriël +alsof hij een van V.'s tijdgenooten was. Maar dit localiseeren in den +eigen tijd was deze periode nog eigen. Ook voor de volgende beeldspraak +van een zee, beukend op een rots, _de toef_ te krijgen, geldt dit. + +[30] zie [29]. + +[31] _de Wanhoop af te vechten_: een wanhopigen strijd te strijden. + +[32] zie [29]. + +[33] Héél levendig moment, dat opstijgen van Michaëls macht, boven die +van Lucifer uit, om den gunstigen wind te krijgen. Ook het volgende +uitgewerkte beeld van de valk en de reigers is krachtig-gevoelig van +teekening; doet alleen in de beschrijving van dèze worsteling wat klein. +Ditzelfde ook voor de waterval-vergelijking, [37] vlgg. + +[34] _En zinken_. Feitelijk: _zenken_ d.i. doen zinken. + +[35] Uit dezen regel blijkt duidelijk de bevestiging van het opgemerkte +bij [29]: V. denkt zich beide legers voorzien met de aardsche +strijdmiddelen van zijn tijd. + +[36] _De hemelsche adelaar en zijn pennen_: De gevleugelde Michaël. + +[37] zie [33]. + +[38] _roode en blauwe zwavel en vlammen_. Hier denkt V. weer aan de +geschutwerking van bliksem en donder. + +[39] _het hart ... ontzakt voor_: de moed ontzinkt. + +[40] _rustig_ = moedig. + +[41] _voor de vuist_: openlijk. + +[42] _Hij schut de wreedste slagen_: weert de hardste slagen af. + +[43] _hem_ en [44] _hij_ slaan beide op Lucifer. + +[45] Gods naam (zie ook [49]), die op Michaëls schild is aangebracht. + +[46] _Dit voorspook_: voorteeken. + +[47] _den toescheut stuit_, stuit het toeschieten, opdringen; hen, die +opdringen. + +[48] _d'Aartsvijand_: d'Opperste vijand, Lucifer. + +[49] zie [45]. + +[50] _Al t' ongenadig_: in zoo sterken mate ongenadig. + +[51] _kort_: onmiddellijk. + +[52] _De reus Orion_. Hier is Vondels mythologische kennis aan het +woord: de reus Orion, als sterrebeeld met zijn knods, is Grieksch. +Maar ook dezelfde primitieve klassieke herinneringen als hem in de +_Gijsbrecht_ den "Sparre-wouwer reus" aan het gevecht doen deelnemen. +Zonder een reus was deze strijd voor hem niet compleet, ook al verwierp +hij in zijn _Berecht_ het denkbeeld, een goddeloozen Reuzenstrijd te +hebben willen schilderen. (Zie ook _Voorwoord_.) + +[53] "die niet geeft om Orions, knodsen of reuzen". + +[53] De bekende sterrebeelden van de Beer, dicht bij de Noordster. + +[55] De _Hydra_, mythologische draak met vele koppen, òok sterrebeeld. + +[56] _Ik zie een galerij_: Gelijksoortige wending als in het verhaal van +den Bode in _Gijsbrecht_: "ik zie de deugden zelf." De verhaler tracht +even door een samenvattend beeld de verbeelding der toehoorders te doen +wijden in een visioen. _Een galerij van oorlogstafereelen_ is zoo echt +Vondeliaansch. Immers waren hém poëzie en schilderkunst zeer nauw +verwant. + +[57] _nare nacht. Naar_ (Engelsen narrow): nauw. Vandaar dat "naar" en +"eng", angstig, in beteekenis verwant zijn, en naar ook donker +beteekent, met de bijgedachte "beangstigend." + +[58] _vergeet met goud te brallen_, nalaat met goud te pronken, dus: +"eindigt met schitteren." + +[59] _mengelt zeven dieren afgrijselijk ondereen_: neemt de +afgrijselijke gedaante aan van een mengeling der zeven dieren: de +_hoofdzonden_: Hoovaardij, gulzigheid, luiheid, wellust, toornigheid, +nijdigheid en gierigheid. + +[60] _eene sim_: een aap. + +[61] _Kortouw_, kartouw, geschut. Zie de aanteekening bij [29]. + +[62] _Wat green hier_: green, verleden van _grijnen_, boosaardig kijken +(Wdbk). Voor de gedaanteverwisseling der gevallen Engelen zie men o.a. +de schilderij van Pieter Breughel, te Brussel, afgebeeld in _De Ploeg_, +IIe Jaarg. 120. + +[63] _met Engelenroof te pralen_: "Te pralen met 't den Engelen (zie ook +[66]) "ontroofde". Een barbaarsch idee; zeker niet hemelsch. + +[64] _troon_: hemel. + +[65] _d'Aartsvijand leît er toe_. Ligt onder, is overwonnen. Zie ook [67]. + +[66] zie [63]. + +[67] zie [65]. + +[68] _die voor elkander gruwen_. Na hun gedaanteverwisseling. + +[69] _In zijn verkoren beeld_. Immers: God schiep den mensch naar Zijn +Evenbeeld. + +[70] _te bederven_: ten verderf te brengen. + +[71] _Mengelklomp_, gelukkig Nederlandsen woord voor _chaos_. + +[72] _U mijn zoons, gewijd tot Godheên_. De duivelen en de heidensche +afgoden worden in de Christelijke opvattingen vereenzelvigd. Maar ook +kan Vondel hier gedacht hebben aan de duivel-aanbidding, die tot op +onzen tijd voortleeft. + +[73] _Mijn kroon_, d.w.z. de mij ontroofde kroon. + +[74] _schiet_ (de gestalte van) _de slang aan_. + +[75] _tak der kennis voor_: "tak van den boom der kennisse". + +[76] _bang voor schennis_: bevreesd het verbod te schenden; zie [80]: uw +lippen schennen: bezoedelen. + +[77] _Erfgebreken_: Erfzonden. Zie ook [81]. + +[78] _Regenboog_. Ietwat vreemd den bijbelvasten Vondel hier den +regenboog te zien aanduiden als een voorspelling van straf, in plaats +van als teeken van Gods verbond met den mensch. Genesis IX, 12-17. + +[79] vlgg. Een levendige, aangrijpende schildering van angst en berouw. + +[80] zie [76]. + +[81] zie [77]. + +[82] _belooft de Godheid trouw te wekken_. Trouw: "zekerlijk." + +[83] Zie ook [90]. _De Sterke_ is de Verlosser (En [89]: 't beloofde +Zaad). Immers Jezus overwon het kwaad (_door erfhaat_, ingrondigen haat) +ondanks Satans pogen hem te bestrijden en verleiden [84]. + +[84] zie [83]. + +[85] _Uriël_. In _Adam in Ballingschap_ treedt dezelfde Engel op, om +Adam en Eva ter verantwoording te roepen, ze daarna uit Eden te +verjagen. Doch de dramatische toestand is in beide stukken in ieder +opzicht verschillend, en in de _Adam_ moest de hier geschilderde +volgorde en rol der personagiën wel afwijken. + +[86] _Ozias, Azarias_ en _Maceda_. Of Vondel deze Engelennamen zelf +verzonnen heeft, dan wel ze aan onbekend gebleven overleveringen +ontleende, is nog niet gebleken. V. was ontzaglijk belezen in de +theologische literatuur van zijn tijd (zie ook mijn studie over zijn +_Jeftha_) en het zou me niet verwonderen als men ook hier den oorsprong +van deze namen nog eens vond. De rol van Ozias doet denken aan die van +Hephaistos in Aeschylos' _Promotheus Geboeid_ (W.B. 182.) + +[87] _Vervloekte jacht_, 't Vervloekte wild. + +[88] _de put des afgronds en zijn holen_: de Hel met al haar +afdeelingen, waarin 't eeuwige vuur en de felste koude samen wonen, met +al de verdere gruwelen, door Dante beschreven. + +[89] zie [83]. + +[90] vlgg. Plechtiger en vromer kon Vondel zijn gewijd treurspel +moeilijk besluiten dan met deze laatste aanbidding van den Rei. (Zie +_Inleiding_.) + +[91] zie [83]. + + + * * * * * + + + + + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER *** + +***** This file should be named 17076-8.txt or 17076-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17076/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/17076-8.zip b/17076-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..d307507 --- /dev/null +++ b/17076-8.zip diff --git a/17076.txt b/17076.txt new file mode 100644 index 0000000..73eaf9a --- /dev/null +++ b/17076.txt @@ -0,0 +1,5467 @@ +The Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Lucifer + Treurspel + +Author: Joost van den Vondel + +Release Date: November 20, 2005 [EBook #17076] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + + +LUCIFER + +Treurspel + +door + +JOOST VAN DEN VONDEL + + +Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS + + + * * * * * + + + + PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT + + [HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"-- + + VERGILIUS: AENEIS VI, 599] + + + + + 'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon, + Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste, + Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste. + Dees liet in Griekenland, en midden door de stad + Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat, + Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren + En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren + De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon. + Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon + Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen + En storm den bliksem en den donder na te kuischen + Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid, + Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid + Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken, + _Dreef met een dwarrelwind_, ten spiegel aller volken, + _Hem neder dat hij plofte_. + + Uit VONDELS vertaling van _Vergilius: Aeneis_, VIe Zang + + + * * * * * + + +VOORWOORD + + +Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo +moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van +weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei +opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en +kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en +gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als +wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling +leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen +en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles, +naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied +gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of +nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw +van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en +vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei +verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en +Mohammedanisme. + +Vondels _Lucifer_ is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk" +werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het +verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld +hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld, +had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en +val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd +tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met +wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling +van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den +Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en +bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus, +tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is +de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten +ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs. +Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich +aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere +was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieen en klassieke +overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen +hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en +hooggehouden spel, als zijn _Lucifer_ geworden is, te maken, wanneer +hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn +eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hem het opperst +wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn _Salmoneus_ +en zijn _Faeton_ zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken +gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in +zijn _Lucifer_ uiting vond. + + * * * * * + +Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen, +naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische +gebeurtenissen en door politieke bedoelingen? + +Men weet dat en Jonckbloet en Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat +_Lucifer_ zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een +politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje. + +Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het +allereerst omdat Jonckbloet--en Van Lennep, ondanks zijn groote +Vondelvereering, toch eigenlijk ook--beiden veel te rationalistisch +waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel +met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter- +scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om +in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven, +ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van +Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten +altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in +zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen. +Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen +bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e- +eeuwsche "kunstphilosophie". + +Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den +allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn _Berecht_, dat hij de +Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den +Leeuw en den Draak, voor Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens +nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn +vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar +Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of +persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen +gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat +hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling, +daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche +bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen +geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen +wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver +objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel +Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (_Cramer_), +en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs +1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn +anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun +wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat +zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor +zijn _Lucifer_ in het bijzonder ons boeien blijft als het treurspel van +het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij +bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen +doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins +Willem II (dien hij als _would-be_ overweldiger van zijn Amsterdam niet +kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen +van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam. + + * * * * * + +Een inleiding tot de _Lucifer_ kan niet ontberen een inwijding van den +lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht. +Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en +Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt, _Wereldstelsels_ en +Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde +vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen, +waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus +in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of +boog komt die der vaste sterren; als negende de _kristallen hemel_. +En nog weer daaromheen: het _Empyreum_, of de Hemel van het Volmaakte +Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen +zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch- +katholieke opvatting, verdeeld in drie hierarchieen (rijen) en elk +dezer weer in drie koren (orden): + +1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen; + +2. Heerschappijen, Krachten, Machten; + +3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen. + +Een verdeeling, die Vondel door Gabriel, ten bate van zijn toehoorders +en lezers, nadrukkelijk laat aangeven: + + + "Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden worden + In drieerhanden rij en negenvoudige orden: + De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon, + Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboon. + De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten + En Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten, + Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen. + De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheen + En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken + Voor 't woord der middenrij"-- + + +Deze schikking, in verband met het feit dat _Lucifer_ herhaalde malen +(vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud) +als _Aartsengel_ wordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur +van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriel +(vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top van _alle_ hierarchijen +geplaatst heeft, terwijl Rafael hem er op wijst, hoe hij, Lucifer, +_boven_ duizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij) +gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s +volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij), +Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het +woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten +denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den +uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?--gelijk de Inhoud hem dan ook +noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere +zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben; +een mindere zou niet zoo fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op +het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten +troon te verheffen, d.i. boven Lucifer; en dus tusschen dezen en God +zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet +zoo vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus +niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den +Opperste van _alle_ Hierarchijen. Ook de plaats van Gabriel, Michael en +Raphael kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen. +Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste +drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder +geen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer" +en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden") +te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de +Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als +trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche +Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriel als meekampende +monsters vermeld. + +En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de +geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen +menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier +toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt! +Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder +de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer +stellen, en hun doel voorbijschieten;--een geschiedenis uit den hoogsten +Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als +menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de +kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn +verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de +pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de +felheid van verzetstuw.[2] + + * * * * * + +Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook +gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings +te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel +taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te +helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven. + +Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn +eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen. + + +Febr. 1913. L. S. + + +Noten: + +[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis. + +[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels + dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn + Inleiding: _Vondels dramatiek_ (1e stuk, 2e deel der complete + uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek). + + + * * * * * + + +OPDRACHT[1] + + + DEN ONVERWINNELIJKSTEN VORST EN HEERE + DEN HEERE FERDINANDUS DEN DERDEN, + GEKOREN ROOMSCHEN KEIZER, ALTIJD VERMEERDER DES RIJKS + + +Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo +zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de +Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid, +of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den +toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke +Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar +voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre, +aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer, +wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt, +waarvan de Poeet spreekt: + + + _Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit_: + + Hoe hoog men drave in stijl en toon, + Het treurspel spant alleen de kroon. + + +Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de +tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden, +die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn +treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5] +aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en +rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit +rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten +boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de +wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historien getuigen, en +toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen, +met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn, +zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6] +handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een +wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan: +waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze +Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en +den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een +schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en +Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze +eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand +des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen, +tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom +God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H. +Roomschen Rijks, voor 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in +den Zone, _Ferdinandus den Vierde_[8], te verzekeren; een zegen, waarop +zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche +Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den +overwonnen Lucifer, in Michaels triomf-staatsie, ommevoert. + + + UWE KEIZERLIJKE MAJESTEITS + + + _allerootmoedigste Dienaar_, + + J. VAN VONDEL. +anno 1653. + + + +Noten: + +[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer +vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf +aangegeven, tusschen de stof van zijn _Lucifer_ en diens verzet tegen de +gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid, +voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr. +Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand +III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij +het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben. + +[2] _Wiens stijl_, voor "welks stijl". + +[3] _hoogdravendheid_ heeft bij V. niet de beteekenis van +"gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid". + +[4] _Staatzuchtigen_: politiek-eerzuchtigen--_Het treurtooneel +bekleeden_: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in +het treurspel spelen. + +[5] _die zich vermat_: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer +op te vatten als: "die het waagde te willen". + +[6] _Machten en Stammen_: De Koninklijke stam is de dynastie. + +[7] _Gods Orakel_: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is". + +[8] _Ferdinand IV_, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning, +'s vaders opvolger, gekozen. + + + * * * * * + + + OP DE AFBEELDINGE VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT + FERDINANDUS DEN DERDE; + + +toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk, +zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde. + + + _Deus nobis haec otia fecit._ + + + + De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen, + Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog, + Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog, + Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen. + + De derde _Ferdinand_, geschapen tot regeeren, + Gelijk een tweede August, en Vader van de peis, + Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis, + En leert met wapenen van Vrede triomfeeren. + + Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken, + Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt, + En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd. + + Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken, + Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd: + Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd. + + +Noten: + +[1] _Sandrart_: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst, +die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk +genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius: + + + "Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blaren + Al wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren." + + +[2] _loofwerk en sieraden_: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de +lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s +ordeteekenen.--_Deus nobis haec otia fecit_. (_Virgilius_): een god +heeft ons deze rust verschaft. + + + * * * * * + + +BERECHT + + +AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN. + + +Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens +te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel +afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michael, elk +met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagie +stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagien +zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl +vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken. +Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests +verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4] +bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn +braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder +nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier +geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poezy +hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen +zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht +en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde +besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten +steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk +geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den +grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen. +Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen +aanhang, Isaias en Ezechiel[7]; bij den Evangelist, Christus, het +allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te +hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker +spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten +geprint te worden. Isaias roept: "_O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe +zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt: +Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte +verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil +boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar +gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden_." +God spreekt door Ezechiel aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis, +vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods +Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen, +en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en +smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe +schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende +Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de +blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer +scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken +zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon, +d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in +hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd +worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen +Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den +Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun +misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt +op deze wijze: "_Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet +bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van +duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard._" Wij stuiten +dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus, +leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen, +gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die +de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken. +Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en +eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond +dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te +houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit +den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij +schrijft: "_Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit +ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch +naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem +door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij +zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving, +bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid +aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem +geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde._" +De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "_Dees afvallige +Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te +blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de +heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft._" Het derde en +leste bewijs scheppen wij uit de predikatien van den honigvloeienden +Bernardus[10]: "_Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch! +d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf, +klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse +heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten +van alle Engelen in eenen Duivel veranderd._" De Hoovaardij en +Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand +van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van +twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers +oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michael aanvoeren; aangezien +deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want +de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit +verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare +tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn +vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee +hoofdgebreken Lucifer toeeigenende, maalt ons den aard derzelve levendig +af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid, +maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar +genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij, +die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien +ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet +gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan. +Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten +worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de +zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de +gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de +Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus, +Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der +tooneelpoezye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel +hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener +is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot +afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt. +Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en +den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het +derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen +geduid; waarom men in Poezye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al +te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der +schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande +personagien, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede +Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de +voegelijkheid zelf ons elk personagie, naar heuren staat en aard, leeren +uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den +tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historien of +Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der +poezy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen +uitgedrukt: + + + De Schilder en Poeeet ontvingen beide een macht + Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht. + + +Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der +hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de +geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den +Aartsengel Gabriel, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins +ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der +meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel +rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt, +noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze +(waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker, +gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid +opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en +goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de +Hebreen, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk +der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid +van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle +Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der +Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in +de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende +wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd +der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten, +gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker +natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham +aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd +hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en +tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen +opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen +zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der +hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den +anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen +hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en +misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude +Hebreen, tot hun voorbeeld den Poeet Ezechiel[23], die den uittocht +der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder +d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten, +Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in +Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den +Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid +en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn +treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken +en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder +d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26], +Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't +rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de +gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en +het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op, +de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen +nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond +des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele, +der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en +gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals +des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche +Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst, +te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst +instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze, +om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille +ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een +krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge +der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten +kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed +stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat +de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der +zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte +jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was +noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu +overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en +vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke +voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen; +gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk +der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en +meedoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen, +in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren, +geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van +voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe, +bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat +overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te +verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl +geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een +edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weergade, van +dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen, +getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den +tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De +historien der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige +voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den +Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het +spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd +wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige +speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe +redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan +leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men +geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat +schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt; +maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet +wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien +zin; want _Tragoedia_ is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk +Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen +bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de +tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus +ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met +orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en +ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne +vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het +misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet +ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een +eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens +moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet +misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten +Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter +Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die +zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige +Overheden durven verheffen. + + +Noten: + +[1] _Het heilig treurtooneel_: tooneel waarop gewijd spel gespeeld +wordt. + +[2] _de stellagie stoffeeren_: Uitdrukking verwant aan een andere, bij +V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak +ook van een schilderij stoffeeren, met figuren. + +[3] _hooger laarzen_. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op +grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden, +moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen +dus op _Kothurnen_, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel +"brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze +laarzen. + +[4] _Salmoneus_. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding +van De K., blz. XVII. + +[5] _Reuzenstrijd_. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van +De K. + +[6] _reukeloos_: roekeloos. + +[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel). + +[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met _Engel_, niet met +_Engeland_. _Engelsche Majesteit_: Engelen majesteit. + +[9] _De groote Gregorius_: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw--_bestelt +ons_: bezorgt ons. + +[10] _Bernardus_ (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd _mellifluus_ = +honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst. + +[11] _bestarnde dieren_: dieren die als sterrebeelden voorkomen. + +[12] _Augustijn_, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E. + +[13] _grootschheid_: grandezza, heerlijkheid. + +[14] _Nu dewijl de dieren_. Het verband tusschen de dieren en deze stof +uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's _De Dieren_. Zie ook Beets, +_Verscheidenheden_, N.B. II. + +[15] _Zelfs bij dieren afgeteekend_: door dieren. + +[16] _Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken_: Dichters, +profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak. + +[17] _verzieren_ is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken. +Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel. + +[18] _rijker stof bijzet_. Meer afwisseling geeft. + +[19] _onschuld_: verontschuldigingen. + +[20] _Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn_. V. had hier een +profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze +stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede +voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere +vertooning wisten te ontlokken. + +[21] _zinnelijkheid_, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De +smaken zijn verschillend." + +[22] _heilige treurspeldichters_. "Heilig" behoort bij treurspel, niet +bij dichters: dichters van gewijde stoffen. + +[23] _Poeet Ezechiel_. Niet _profeet_ (2e E. na Chr.). + +[24] _Gregorius Nazianzener_. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw). + +[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was +onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn _Christus Pattens_; voor zijn _Adam +in Ballingschap_ inspireerde hem De Groots _Adamus Exul_; diens derde +Latijnsche treurspel: _Solompaneas_ vertaalde hij. Zie mijn Inleiding +pag. 71. + +[26] _Sir Richard Baker_ (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in +schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis _Bespiegelingen_ en +_Overwegingen_ schreef over Bijbelsche onderwerpen (_Chambers_). + +[27] _wettige treurspelen_: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo +juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter. +Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten? + +[28] _de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen_. Voor de +beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn +Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45. + +[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar +latere) _Jeptha_ den "matigenden" en "manierenden" invloed der +treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten +schrik. + +[30] _spitsvondig_. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te +vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken. + +[31] _tuimelgeest_: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet +tuimelen, dazen. + +[32] _gestoffeerd_: schoon gevuld met. + +[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek", +pag. 24/25 en 31. + + + * * * * * + + +INHOUD + + +Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen, +hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde +Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en +in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij +benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriel, Gods Heraut, alle +Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods +toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom +voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid +vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de +hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen, +en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1], +ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michael, 's Hemels +Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaels waarschuwinge, +aanvoerde; en afgestreden, na de neerlaag, uit wrake den eersten mensch, +en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne +weerspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd. + + + _Het Tooneel is in den Hemel_. + + +Noot: + +[1] _door zijne medestanders_: d.w.z. met behulp van zijn medestanders. + + + * * * * * + + +PERSONAGIEN + + +BELZEBUB..) +BELIAL....) _Wederspannige Oversten_. +APOLLION..) +GABRIEL, _Gods Geheimenistolk_. +REI VAN ENGELEN. +LUCIFER, _Stedehouder_. +LUCIFERISTEN, _Oproerige Geesten_. +MICHAEL, _Veldheer_.RAFAEL, _Beschermengel_. +URIEL, _Michaels Schildknaap_. + + +(_Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari_ 1654.) + + + * * * * * + + +HET EERSTE BEDRIJF + + +BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1]. + + +BELZEBUB: + +Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven, +Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven. +Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam, +Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam' +Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden +Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden +Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer. +Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer +En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder. + +BELIAL: + +Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder, +Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht. +Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht +En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken +De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken, +In eenen andren dag en schooner zonneschijn, +Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn. +De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder, +Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder +Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier, +Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier. +Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen, +Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen +Voorspoedig afgeleid. + +BELZEBUB: + +Wat brengt Apollion? + +APOLLION: + +Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon, +Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten +Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten, +Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land +En van den hof, door God gezegend en beplant, +Tot wellust van den mensch[5]. + +BELZEBUB: + + Ik zie de gouden bladen, +Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen. +Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt! +Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud! +'t Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen. +'t Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden +Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag, +En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag. +Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen; +'t Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen. + +APOLLION: + +Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog, +Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog +Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven, +Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven. + +BELZEBUB: + +Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe. + +APOLLION: + +'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe +Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10], +Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen. +Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan, +In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11] +En wolken, afgegleen, bleef hangen op mijn pennen[12]. +Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13], +Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt, +Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt. +Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14], +Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten, +Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin +Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin +Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen +Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen. + +BELZEBUB: + +Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis. + +APOLLION: + +De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is. +In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert, +Die zich in vieren deelt en al het land bewatert, +Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit, +Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17]. +De stroomen geven slib, en koesteren de gronden. +Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden. +Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt, +Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt, +Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen. +Hier wou Natuur haar schat in eenen schoot vergaderen. + +BELZEBUB: + +Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft? + +APOLLION: + +Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft, +Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent, +Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent: +Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur, +En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur. +De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen +Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen +Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen +En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen. + +BELZEBUB: + +Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen. + +APOLLION: + +Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21], +Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan, +En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan. +Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren, +Die op het aardrijk treen, of in de wolken zwieren, +Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend, +En leven schept in zijn bijzonder element. +Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen +Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen. +De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart, +En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard +Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen, +En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren; +Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man, +Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25]. +Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen +En toegekwinkeleerd van 't lustprieel, vol tongen; +Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt, +En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt. +Had zich Apollion in zijnen last gekweten, +Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26]. + +BELZEBUB: + +Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt? + +APOLLION: + +Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd +Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen +Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28] +Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest, +Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest, +Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen, +Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen. +Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen. +Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen. +De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren. +Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren +Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd +Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd. + +BELZEBUB: + +Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven. + +APOLLION: + +Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven. +D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof. +Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof. +Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis. +Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis, +En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom. +Voor hare majesteit staan alle Geesten stom. +De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen; +Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen. +En hierom huwde God den man aan zijn mannin. + +BELZEBUB: + +Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin? + +APOLLION: + +Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen, +Om mijn gedachten en genegendheen te teugelen, +Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand +Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand, +Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken, +Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken: +Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom, +Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom +En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen; +Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen. +Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30] +Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man. +Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen, +Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen! + +BELZEBUB: + +Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld? + +APOLLION: + +Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld, +En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen. +Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen +En wederminnen met een onderlingen lust, +Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht. + +BELZEBUB: + +Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen. + +APOLLION: + +Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen. +De man en vrouw zijn bei volschapen, even schoon, +Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon, +Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen, +Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen; +Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch: +Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch, +Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen, +Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen +Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor, +En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';-- +Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden, +Het zijn wanschapenheen bij 't morgenlicht der maagden. + +BELZEBUB: + +Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33]. + +APOLLION: + +Ik heb mijn slagveer in dat aangename vier +Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen, +Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen. +Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om. +Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom, +Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34], +Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen, +En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht, +Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht. +Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven; +Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven. + +BELZEBUB: + +Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt +En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld? + +APOLLION: + +Zoo lang die hof beneen niet ophoude ooft te geven, +Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven, +Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom, +Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom +Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk. +Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk, +En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk, +Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk +Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten? +Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten +In duizendduizenden, in een oneindig tal. +Nu overreken eens, wat hieruit worden zal. + +BELZEBUB: + +De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen? + +APOLLION[35]: + +Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen, +Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan; +Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan, +Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten. +Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten? +Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem. + +BELZEBUB: + +Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem +Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien. + +APOLLION: + +d'Aartsengel Gabriel, gevolgd van 's Hemels reien, +Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon +T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboon. + +BELZEBUB: + +Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden. + + + GABRIEL. REI VAN ENGELEN. + + +GABRIEL: + +Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden! +De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit, +Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid +Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten, +Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten; +Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk, +Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk, +En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden +Der opgeleide wet, met God bezitten zouden. +Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal +Der wereld, Gode en ook den mensche te geval, +Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren, +Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren, +En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans +Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans. +Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen; +God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen, +Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot +Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God. +Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en aren, +Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen +Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk, +Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk. +Daar staat de stoel alree geheiligd in het midden. +Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden. +Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt, +Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt. +Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister, +Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister. +Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37]. +Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38]. + +REI VAN ENGELEN: + +Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen. + +GABRIEL: + +Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen, +Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint. +Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint. +De mensch en Engel, beide uit eenen stam gesproten, +Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41], +Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet. +Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet! +Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42] +In driederhande rij, en negenvoudige orden: +De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon, +Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboon. +De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten +En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten +Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen. +De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheen, +En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43] +Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken +Beneden het gewelf van zuiver kristallijn, +In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'. +Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden, +Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden, +Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon +Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44]. +Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden, +Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden. +Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht, +Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht. +Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden, +En brengen voor Gods troon der menschen offeranden +En wenschen en gebeen, en zingen 's Godheids lof, +Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof. +Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten, +Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten +Met wolken, om den berg te zegenen omlaag, +Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag +Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden +Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden. +Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent, +Die matige op zijn pas een ieder element, +Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden, +Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden. +Een ander sla de treen des menschen gade op 't veld. +De Godheid heeft zijn haar tot op een haar geteld. +Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote. +Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48] +Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht. +Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht. + + REI VAN ENGELEN[49]: + + ZANG. + + Wie is het, die zoo hoog gezeten, + Zoo diep in 't grondelooze licht, + Van tijd noch eeuwigheid gemeten + Noch ronden, zonder tegenwicht[50], + Bij zich bestaat, geen steun van buiten + Ontleent, maar op zichzelven rust, + En in Zijn wezen kan besluiten + Wat om en in Hem, onbewust + Van wanken, draait, en wordt gedreven + Om 't een en eenig middelpunt[51]; + Der zonnen zon, de geest, het leven; + De ziel van alles wat gij kunt + Bevroen, of nimmermeer bevroeden; + Het hart, de bronaar, d'oceaan + En oorsprong van zoovele goeden[52] + Als uit Hem vloeien en bestaan + Bij zijn genade, en alvermogen, + En wijsheid, die hun 't wezen schonk + Uit niet, eer dit in top voltogen + Paleis, der Heemlen Hemel, blonk; + Daar wij met vleuglen d'oogen dekken, + Voor aller glansen Majesteit; + Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken, + En vallen, uit eerbiedigheid, + Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.-- + Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem, + Met eene Serafijne veder. + Of schort het aan begrijp en stem? + + TEGENZANG. + + Dat 's _God_. Oneindig eeuwig Wezen + Van alle ding, dat wezen heeft. + Vergeef het ons, o nooit volprezen + Van al wat leeft, of niet en leeft; + Nooit uitgesproken, noch te spreken; + Vergeef het ons, en scheld ons kwijt + Dat geen verbeelding, tong, noch teeken + U melden kan. Gij waart, Gij zijt, + Gij blijft dezelve. Alle Englekennis + En uitspraak, zwak, en onbekwaam, + Is maar ontheiliging en schennis: + Want ieder draagt zijn eigen naam. + Behalve Gij. Wie kan U noemen + Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd + Tot Uw Orakel? wie durf roemen? + Gij zijt alleen dan die Gij zijt, + U zelf bekend en niemand nader. + U zulks te kennen, als Gij waart, + Der eeuwigheden glans en ader, + Wien is dat licht geopenbaard? + Wien is der glansen glans verschenen? + Dat zien is nog een hooger heil + Dan wij van uw genade ontleenen; + Dat overschrijdt het perk en peil + Van ons vermogen. Wij verouden + In onzen duur; Gij nimmermeer. + Uw wezen moet ons onderhouden. + Verheft de Godheid; zingt Haar eer! + + TOEZANG. + + Heilig, heilig, nog eens heilig, + Driemaal heilig! eer zij God! + Buiten God is 't nergens veilig. + Heilig is het hoog gebod. + Zijn geheimenis zij bondig[53]; + Men aanbidde Zijn bevel. + Dat men overal verkondig, + Wat de trouwe Gabriel + Ons met zijn bazuin kwam leeren: + Laat ons God in Adam eeren. + Al wat God behaagt, is wel. + + +Noten: + +[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche +namen); APOLLION (Grieksch): verderver.--Deze Engelen zijn dus door +Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen, +duivelschen aard. + +BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; voor de komst van +Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde +gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de +laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen +gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt +lezers en hoorders in de sfeer der handeling. + +[2] _Kreits in kreits_: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel +der Hemelen en de aarde liggen (_Voorwoord_). + +[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.). + +[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over. + +[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid +geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van +Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel. + +[6] _verf_: kleur. + +[7] _vroolijk_: fleurig. + +[8] hemelsch _mann_: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn +uit den hemel viel. + +[9] _mist me niet_: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan. + +[10] _de negen bogen_: (zie _Voorwoord_). + +[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde. + +[12] _pennen_: vleugels. + +[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel +en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant +des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in +modernen zin lag niet in den geest van dien tijd. + +[14] _verschieten_: in 't verschiet opdoemen. + +[15] _onderwereld_: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de +menschen. + +[16] _valt rond_: is rond (uitgevallen). + +[17] _daar geen gezicht op stuit_; die gezichten weerspiegelen. + +[18] _Bdellion_: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts. + +[19] _Dan_: daardoor. + +[20] _telg_: tak. + +[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen +wenschen? + +[22] _Wiens_: wier. + +[23] _ommegang_ der dieren: hun leven en bedrijven. + +[24] _bergleeuw, landstier_: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger +en voller, voor 't vers. + +[25] _Behemoth, Leviatan_: voorwereldlijke reuzendieren. + +[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels +door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en +was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven. + +[27] _geestig_: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol". + +[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam +in Ballingschap." + +[29] _Zijn ribbe_, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd +in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie. + +[30] _gespan_: Wat _samen_ in een gareel gespannen is. Thans nog: +"span". + + +[31] _Dit eischt Natuurs penseel_. Hier spreekt Vondel (en niet +Apollion, zeker!), wien alle poezie "levende schilderij" was. + +[32] _wiens_: welker. + +[33] _dier_: schepsel. + +[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van +haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van +Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende? + +[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen +versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent +Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon +te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der +Menschheid te stellen--heel dramatisch--die onrust tot wrevel aansporen +die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s _Dramatiek_ +pag. 112. + +[36] : _van eeuwigheid_, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit +van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen. + +[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen +verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij, +Engelen, grooter en schooner zijn. + +[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in +alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde +lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op +bijzondere wijze beklemtoond. + +[39] _stemt_: bestemt, bepaalt, vaststelt. + +[40] _passen_, (evenals te voren): zorgen. + +[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder +effect dan in noot 38. + +[42] Over die verdeeling der Engelen zie _Voorwoord_. + +[43] _moet duiken_: moet buigen. + +[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't +bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling. + +[45] _Gehoorzaamt Lucifer_. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om +ons den straks afvallige hier door Gabriel te doen noemen als den +eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen. + +[46] _Een ander draai gestarnte_. Het was, ook volgens Dante, de taak +der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie _Ploeg_ +II, pag. 41). + +[47] _Onnoozelheid_. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van +"onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed voor den +zondeval. + +[48] _gezonden van een Groote_: Zie tevoren, dat een Engel der laagste +rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken +voor een aardsche zending. + +[49] _Rei van Engelen_. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de +_zang_ wordt aangeheven door de lagere rijen, de _Tegenzang_ door die +der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een +_Serafijne_ veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods +Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar: + + Dat zien is nog een hooger heil, + Dan wij van uw genade ontleenen. + +[50] _noch ronden_. De hemellichamen zijn gebonden aan de _ronden_, +sferen; God niet.--_Zonder tegenwicht bij zich bestaat_: op zich zelf +staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: _Geen steun van buiten +ontleent_. + +[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is +begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het _Al_. + +[52] _Zoovele goeden_: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat +aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het +licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de +Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der +Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn. +Waarom niet als in _Adam in Ballingschap_ vs. 465, "goede dingen"? + +[53] _bondig_. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk. +meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer: +"raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar." +D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn +bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het +opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene +uitdrukt. + + + * * * * * + + +HET TWEEDE BEDRIJF + + +LUCIFER, BELZEBUB + + +LUCIFER: + +Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]: +Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen, +Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer +Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2], +Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven, +Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven. +Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad, +Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad +Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen; +Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen, +En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag, +De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag. +'t Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen: +De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen, +In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend: +Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient +En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen. +De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen. +'t Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag', +Dat ieder op hen passe, en op de handen draag', +Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4]. +Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen. +Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk. +De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk +Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven +De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven +En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort, +Wat Gabriel bazuint voor 's Hemels gouden poort. + +BELZEBUB: + +O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen, +Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen +Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft. +De last van Gabriel leit klaar: dat woord behoeft +Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen. +Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen +Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan, +Wat Adam al bezit, zoo laag beneen de maan: +Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt, +Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt, +En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer +Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer. +De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open. +Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen +Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien +Zoo verre boven u, en, vallende op uw knien, +Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen, +Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen. +Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht, +Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht, +En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10] +Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden, +Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk, +Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk, +Dat God de menschen wil verheffen, ons verneeren? +Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren +Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand: +Een lager is er, die de kroon daar boven spant, +Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen +En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen +Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad. +Wij zien den Hemel haast veranderen van staat. +De starren zien vast uit, en wijken met verlangen, +Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen. + +LUCIFER: + +Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht. + +BELZEBUB: + +Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht +Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen. +Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen. +Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God, +Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod; +Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden. +De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden, +Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem +Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem? +Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden, +Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden +Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij +Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij. +De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten: +Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten. +En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reen; +Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een. + +LUCIFER: + +Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen +Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen; +Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht; +Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht, +Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren: +Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren. +Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet eenen voet. +Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed, +Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen: +Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12]. +Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd, +Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd, +Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden +En zooveel duizenden als onze zijde houden. +Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof; +En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof, +Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder; +Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder. +Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut, +Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd. +Het waar' niet ongeraan hem nader t' ondervragen. +Ik wil hem tegentreen, en aftreen van den wagen. + + + GABRIEL. LUCIFER. + + +GABRIEL: + +Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis? + +LUCIFER: + +Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis! + +GABRIEL: + +Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen. + +LUCIFER: + +Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen, +Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart, +Verlicht me met uw komst. + +GABRIEL: + + Wat is 't, dat u bezwaart? + +LUCIFER: + +Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde +Des hemels lager schat dan 't element der aarde, +den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel +Door alle starren voert; het menschdom op den stoel +Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven; +Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven. +Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof +Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof +Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen, +En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen? +Waartoe vernedert ons d'oneindige Gena +Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spa? +En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen +Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen +Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in +Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin? +Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?-- +Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen? +Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht +Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht, +Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen? +Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen +Zien buigen voor een grof en zakkende element[14], +Daar God zijn majesteit en wezen inneprent? +Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten. +Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten, +Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil +Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil. + +GABRIEL: + +Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen. +Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden. +De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt. +Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind. +De zuivre Wijsheid wou ten deel' haar wil bezegelen[15], +Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen +Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat, +Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat. +De reden en het wit, waarom wij namaals wachten, +Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16], +Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd, +Den schepter voeren zal, en breed en overwijd +De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren, +Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren. +Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord. + +LUCIFER: + +Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord +Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17] +Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten +Zoo verre boven God? + +GABRIEL: + + Genoeg u met uw lot +En staat en waardigheid, u toegeleid van God. +Hij hief u in den top van alle Hierarchijen: +Doch niet om iemands glans en opgang te benijen. +De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon, +Indien ze wederstreef des Oppersten geboon. +Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen. + +LUCIFER: + +Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen. + +GABRIEL: + +Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al +Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal, +Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen. + +LUCIFER: + +Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen, +Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon +Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon +Van duizend duizenden eenstemmige koralen, +Verdooft de majesteit en diamanten stralen +Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet; +En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet. + +GABRIEL: + +De zaligheid bestaat in een gerust genoegen, +In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen. + +LUCIFER: + +De majesteit van God en Godheid wordt verkleend, +Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent, +Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader +Aan God en Zijn natuur, als zoons van eenen Vader +Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is +Te stellen tegens een deze ongelijkenis +Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde +Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde +Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19], +Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook +En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven! +Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven! +De zon al majesteits ontberen, in haar loop! +Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop, +Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20], +Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen +In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriel! +Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel, +Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven. +Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven, +Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor +Van mijn gehoorzaamheid. + +GABRIEL: + + Gij ijvert krachtig voor +De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen +Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen, +Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek. +De menschgeworden God zal dit geheimnisboek, +Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten. +Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten +Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom +Van zijn verholendheen, en diep in 't Heiligdom +Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken, +En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken +Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht +De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht. +Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21]. +Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen +Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert, +Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneert. +Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten. +Ik ga, daar God mij zendt. + +LUCIFER: + +Men zal er scherp op letten. + + + BELZEBUB. LUCIFER. + + +BELZEBUB: + +De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait, +Dat Gabriels bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid. +Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken: +Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23]. + +LUCIFER: + +Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien. +Geen minder droome hier zijn meerder te gebien. + +BELZEBUB: + +Hij dreigt weerspannigheid haar hoofd en kroon te pletten. + +LUCIFER: + +Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24], +Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans, +Door alle kreitsen hene en starrelichten glans. +Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25], +De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken +Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel. +Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel +Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder +Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder +Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf; +Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf, +Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26] +Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen; +'t Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp +Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27], +En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren. +Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren. +Men dage Apollion. + +BELZEBUB: + +Hier treedt hij voor den dag. + + + APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB. + + +APOLLION: + +O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag, +Orakel, in den Raad der onderdane Goden, +Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden. +Wat eischt de majesteit van haren onderdaan? + +LUCIFER: + +Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan, +Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken. +Het wit is[28] Michael de slagveer uit te rukken, +Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'. +Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit, +Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven +In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven +In top der Hemelen, door alle kreitsen heen, +En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneen +Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen. +Het lust me met geweld dien zetel te bestormen, +En op te zetten bij dat opzet, in een slag, +Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag. + +APOLLION: + +Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere +En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere +Te raden, onder u, tot zulk een brave daad. +Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29], +De wil is prijselijk, al wou het niet gedijen. +Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen, +Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan? +Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan? + +LUCIFER: + +Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen. + +APOLLION: + +Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen +In eene zelve schaal met d'Almacht;--haar gewicht +Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht. + +BELZEBUB: + +Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen. + +APOLLION: + +Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen? +Het overpeinzen kwetst alree Gods majesteit. + +LUCIFER: + +Men hou haar ongekwetst, en stappe met beleid +Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen. +Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen. + +APOLLION: + +Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na, +Tenzij men leeren wil met naberouw te spa. +De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken. + +LUCIFER: + +Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken +Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'. +Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg +Met eenen slingerslag; ons heiren overladen +Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden. + +APOLLION: + +Gij weet wat Michael, Gods Veldheer, al vermag: +Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag. +Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven. +De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34] +Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star +Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35], +Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren. +Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren, +Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart +Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart' +Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen? +Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open, +Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling. + +BELZEBUB: + +Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling, +Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd +Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd. + +APOLLION: + +De Veldheer Michael voert, ruim zoo trotsch en fier, +Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier, +De zon in top. + +LUCIFER: + + Wat baat een naam met licht geschreven? +Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven +Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed +En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed. +Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41], +Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien. +Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht; +En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht. +Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen; +De hoofden en de leen aan 't woeden en krakeelen; +De meeste macht alree geblinddoekt en verdoofd, +En oversten en elk vast roepen om een hoofd. +Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42], +Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen +Ga hene, en overleg dit stuk met Belial: +Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal. +Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen, +In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43], +Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee. +De Hofraad is vergaard en wacht ons' komst alree. +Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen. +Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen. + + + BELIAL. APOLLION. + + +BELIAL: + +Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog. + +APOLLION: + +Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog. + +BELIAL: + +En doelen op een wit, doch hachelijk te raken. + +APOLLION: + +Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken. + +BELIAL: + +Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan. + +APOLLION: + +Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan? + +BELIAL: + +De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen. + +APOLLION: + +De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen. + +BELIAL: + +Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd. + +APOLLION: + +Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt. + +BELIAL: + +Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten, +En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten. + +APOLLION: + +Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof, +Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof +Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen; +Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48], +En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep, +Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep. +Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven. +Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven, +En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag, +Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag +Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen. +Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen +Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend. +De mensch beware[49] dan zijn eigen element, +Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50] +Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen +Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar. +Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar. +Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden, +En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51]. +Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer? +Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer. +Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten. + +BELIAL: + +Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52]. + +APOLLION: + +Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor. +Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor, +Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen. + +BELIAL: + +Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen. +Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed. + +APOLLION: + +Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed. + +BELIAL: + +Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien. + +APOLLION: + +Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien, +Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag. + +BELIAL: + +Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag, +Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54]. + +APOLLION: + +Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen. + +BELIAL: + +De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid, +Bie zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55]. + +APOLLION: + +Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren: +Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen +Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd. + +BELIAL: + +Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft, +Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen. + +APOLLION: + +Wat ree gewonnen is, behoeft men niet te winnen. +Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat, +Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat +In zooveel duizenden! + +BELIAL: + + De billijkheid en reden +Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden, +Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan, +Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan. + + REI VAN ENGELEN: + + ZANG. + + Hoe zien de hoffelijke gevels[56] + Zoo rood? hoe straalt het heilig licht + Zoo rood op ons gezicht, + Door wolken en bedroefde nevels? + Wat damp, wat mist betrekt + Dat zuiver, nooit bevlekt, + En loutere saffier? + Die vlam, dien glans, dat vier + Van 't heldere Alvermogen? + Hoe schijnt ons nu de diepe gloed + Der Godheid toe, zoo zwart als bloed? + Die flus zoo klaar alle oogen + Verheugde? Wie begrijpt, wie kent + Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen, + Die, boven Adams element, + Nog flus op galm van kelen zwommen; + Op lucht van Geesten, in den glans, + Die galerij, en tin, en trans, + Gewelf van koor en hof verguldde, + En met een ziel van vreugd vervulde + Al wat hier boven leeft, en zweeft? + Wie is er, die ons reden geeft? + + TEGENZANG. + + Toen wij, op Gabriels bazuinen, + Ontvonkten, en een nieuwe wijs + Aanhieven, God ten prijs; + De rozengaarden, en de tuinen + Van 't Hemelsch Paradijs, + Door zulk een dauw en spijs + Van lof en zang verblijd, + Ontloken;--scheen de Nijd[57] + Van onder in te sluipen. + Een groot getal der Geesten, stom + En bleek en doodsch, ging, drom bij drom + Misnoegend henendruipen. + De winkbrauw hing verslenst op 't oog. + Het gladde voorhoofd zette een rimpel. + De Hemelduiven, hier omhoog, + Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel, + Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen; + Alsof de Hemel viel te kleen + Voor haar, toen Adam wierd verkoren, + En zulk een kroon den mensch beschoren, + Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht. + Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht. + + Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen, + En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen. + + +Noten: + +[1] _Gij snelle geesten--trek onzen wagen_: Lucifer is de eenige engel, +van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van +het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen? + +[2] _deze dubbele star_: Adam en Eva. + +[3] _'t Is nacht met Engelen_: 't Wordt duister voor d'Engelen. + +[4] _op d'allerhoogste tronen_: tot d'allerhoogste tronen; immers naast +God. + +[5] _onze erfenis_: ons erfdeel. + +[6] _strijkt de kroon_: gaat met de kroon strijken. + +[7] _de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven_: de staf Gods +zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen. + +[8] _die 't eeuwig feest:_ de blijschap eeuwigdurendlijk. + +[9] _met nederslachtigheid_: ootmoedig. + +[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt +hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en +ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch. + +[11] _anders_: althans (Wdbk). + +[12] _dien hoek te boven komen_: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm; +ook in _Adam in Ballingschap_ aan te treffen. + +[13] _een wulpsch vermogen_. Een wulp is een jong dier, in het algemeen, +en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig. + +[14] _zakkende element_. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven, +in tegenstelling tot den mensch. + +[15] _Wou haar wil bezegelen_: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie +hiervoor, _op bondig_. + +[16] _een tafel erfgeslachten_: een ganschen stamboom. + +[17] _Een ingeboren zwichten_. Hier kan V. gedacht hebben aan de oude +grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is +het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene +boven den vreemdeling gaat? + +[18] _vereent, vereeniqt_: een maakt en innig een doet worden. + +[19] _God_: de zon; de smook: de menschheid. + +[20] _Wanorden orden en geschiktheid overrompelen_. "Geschiktheid" staat +hier voor: "'t geen wel geschikt is," dus in denzelfden zin als orde. + +[21] _tegenstappen_: tegemoetgaan, bejegenen. + +[22] _plakkaat_: ordonnantie; voorschrift. + +[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem voor te leggen hoe de +menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting. + +[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich +zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s _Berecht_. + +[25] _verstrekken_: zijn tot. + +[26] _bogen, ronden; kreitsen_. Zie _Voorwoord_. + +[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot +den ouden staat van woestheid. _Mengelklomp_ is Chaos. + +[28] _Het wit is_: het doel is. + +[29] _bestaan_: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen". + +[30] _geleende macht_: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan +den Leenheer, God. + +[31] _haar gewicht weegt over_: voor "overweegt" "is zwaarder". + +[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michael, niet tegen God. + +[33] _den sleutel van het Wapenhuis_: een wat te nuchter-realistisch +trekje, in deze hemelsfeer. + +[34] _Hij houdt op alle Hoven_: _Hof_ werd in de 16e en 17e E. gebruikt +voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar: +de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk). + +[35] _dar_: durft. Zie in het _Voorwoord_: de Engelen geleiden de +Hemellichamen op hun baan. Zie ook: _een ander draaigestarnte_. + +[36] _Men vangt haast aan_: het aanvangen gaat vlug genoeg. + +[37] _braveeren_: als _bravade_: pronken, uittartend glansen, als teeken +van overwinning. + +[38] _Gods wonderlijken naam_: Wonderbaarlijken. + +[39] _tittelen_: titels, gezag, vertoon. + +[40] _treken_: listen. + +[41] _in te luien_: in slaap te wiegen. + +[42] _troonen_: meetronen. + +[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van _voorbij vliegen_: +overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan +"voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht. + +[44] _leg het over_: overleg. + +[45] _dit stuk_: aanslag. + +[46] _ietwat glimpelijks_: iets dat er een goeden glimp aan geeft. + +[47] _te schennen tegens een_: tegen elkaar op te zetten. + +[48] _waren_: verdedigen. Verweren. Zie _Gysbrecht_: "ik kom dit +slot bewaren." + +[49] _beware_: blijve dan in. + +[50] _palen_: grenzen. + +[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de +aarde. + +[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme. + +[53] _door toeval van ontelbre vanen_: ontelbre regimenten (_vanen_) +zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten. + +[54] _Zijn wapen hangen_. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd +op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat +wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk +insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: _arms_). +_Zijn wapen hangen_ = zijn zegel hechten. + +[55] _trotsch beleid_: trotseerend beleid. + +[56] _Hoffelijke gevels_: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een +bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer +gold. + +[57] _De Nijd_ treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die +Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid. + +[58] _Onnoozel_: van kwaad onbewust. + +[59] _die vlam_ (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood +zien". + + + * * * * * + + +HET DERDE BEDRIJF + + +LUCIFERISTEN. REI. + + +LUCIFERISTEN[1]. + +Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden! +Hoe is 't alree verkeerd! wij schatten niemands Orden +Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk, +Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk, +En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend; +Wanneer[2] ons Gabriel met Gods bazuin bejegent, +En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod, +Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot, +Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken. +Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken +En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht, +De gansche Hierarchy des hemels ongerust, +Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven, +Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven. +O onverwachte slag en staatverwisseling! +Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring +In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren +En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren, +Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbien. +De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien. +Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien, +Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4], +En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht, +Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht. +Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten. +Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten! +Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart. +Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart. +Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren: +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +REI[5]. + +Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon! +De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon +Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen +Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen, +En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit? +Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit, +Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen? +Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden? +Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag' +Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag +Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert, +Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert. +De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vree. +Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee. +Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren! + +LUCIFERISTEN (_koor_): + +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +REI: + +Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe? +O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moe? +Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren? +Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren, +Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans. +De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans, +Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven, +In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven, +Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann' +Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan +Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen +Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7], +Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom. +Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom. +Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen. +Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen. + +LUCIFERISTEN: + +Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let? +Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriel trompet: +Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen +In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen, +Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan. +Wat is bij ons[8] alree mishandeld of misdaan, +Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen, +Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen? +Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof? +Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof, +Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten, +En worden op een sprong gebannen, en gestooten +Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf; +De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf, +Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren +Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10], +En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald. +De zon der Geesten is te plotseling gedaald. +Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren. +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +REI: + +Ontstelt ge u om den last van God en Gabriel? +Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel +Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven? +Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven, +Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil +Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil +Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel. +Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel. +Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk +Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk. +Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!) +Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen. +Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag, +En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag. + +LUCIFERISTEN: + +Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren. + +REI: + +Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren. + +LUCIFERISTEN: + +Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid. + +REI: + +Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid. + +LUCIFERISTEN: + +Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen. + +REI: + +In stee van uwen wil gerust naar God te voegen. + +LUCIFERISTEN: + +Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan. + +REI: + +Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan. + +LUCIFERISTEN: + +Hoe kan de meerder voor een minder zich verneeren? + +REI: + +Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren. + +LUCIFERISTEN: + +Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneen. + +REI: + +De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen. + +LUCIFERISTEN: + +Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren. + +REI: + +Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren. + +LUCIFERISTEN: + +Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik. + +REI: + +Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'. + +LUCIFERISTEN: + +Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen. + +REI: + +De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen. + +LUCIFERISTEN: + +Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan. + +REI: + +Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan! + +LUCIFERISTEN: + +Och, Engelsdom! wou God zich paren met uw wezen! + +REI: + +Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen. + +LUCIFERISTEN: + +Hoe heeft Hij 's menschen peil alree zoo hoog gemerkt! + +REI: + +Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt. + +LUCIFERISTEN: + +Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]! + +REI: + +Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven. + +LUCIFERISTEN: + +Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof? + +REI: + +Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof. + +LUCIFERISTEN: + +Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen? + + + APOLLION. BELIAL. REI. + + +APOLLION: + +Zij mompelen alree; gij hoort een strijd van tongen[15]. + +BELIAL: + +Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw, +De sluiers om de borst en lenden; niemand zou +Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten, +Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten, +Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal +Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval +Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen? +Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen. +Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert. + +REI: + +Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert +Door Gabriels bazuin, en opstijgt boven d'Engelen; +Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen: +De Geesten onderworpt het menschelijk gebied. +Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet. + +APOLLION: + +Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen. + +BELIAL: + +Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen. + +REI: + +Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht. + +APOLLION: + +Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht. + +REI: + +Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken. + +APOLLION: + +Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken? + +REI: + +Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor. + +BELIAL: + +De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor. + +REI: + +Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen. + +APOLLION: + +Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen. + +REI: + +Hij zet den eenen van, den andren op den troon. +De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon. + +BELIAL: + +Gelijkheid van gena de Godheid best zou passen. +Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16]. +De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag. + +REI: + +Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag, +Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde. +Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde +Veranderen in lucht of water of in vier; +De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier, +Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder. +Een macht regeert het al en keert het bovenste onder. +Wat d'allerminste ontvangt is loutere gena. +Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spa[17]. +In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen. +Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen. +Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur; +De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur; +Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren. +Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18], +Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid; +En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid, +In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren. +De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen. +Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk +En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk, +Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen. +Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen. +Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot, +En onderwerpt u Gods en Gabriels gebod! + +APOLLION: + +Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig? +Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig. + +REI: + +Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk? +Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk? + +BELIAL: + +Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader. +En lagen Hem aan 't hart: nu leit een minder nader. + +REI: + +Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek +Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek +Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven. +Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven, +Behaagt den Vader, die het al in orden schiep. + +BELIAL: + +Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep; +Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19]. + +REI: + +Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden. +Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud, +En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt; +Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven, +De klaarste een minder klare in luister kan verdooven; +Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft; +De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft; +En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20] +Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden, +Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem +Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem. + +BELIAL: + +'t Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in wou scheppen. +Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22] +Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis, +Noch steurden met geklag de rust van dit paleis. + +REI: + +Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven. + +APOLLION: + +Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven +Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier. +Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier? + + + LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI. + + +LUCIFERISTEN (_koor_): + +Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren! + +BELZEBUB: + +'t Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergaren! +En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.--[23] +Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen +T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen? +Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen +Van God, den zegenaar, vernoegt u dat nog niet? +Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet, +Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden. +Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden +Niet langer, zonder reen, maar heldert uw gezicht +En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht! +De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken, +Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken +En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk. +Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk. +'t Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen +Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen; +En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid, +De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26]. + +LUCIFERISTEN: + +Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden +Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden +Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon +Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriel de kroon +Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten, +Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten? +Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon +Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon. +De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28] +Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich wou kanten +En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld +Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29]. +Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen, +Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen +Onze aangezichten neer. De Hemel gaf gehoor, +Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor +Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen; +Toen Gabriels bazuin zich plotseling kwam werpen +Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer; +Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neer. +De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen. +De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen; +En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit, +Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid, +Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren +Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren +En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat, +Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat +Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven, +Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven +Gelijk hij daar beneen de dieren houdt in dwang. +Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang +Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren: +Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen, +Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan, +'t Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan. + +BELZEBUB: + +Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren, +Verhoe dit liever. Geef geen stof tot muitineeren, +Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid. +Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit? + +LUCIFERISTEN: + +Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken. + +BELZEBUB: + +Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken, +Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou. +O averechtschen loon van onbevlekte trouw! +Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen? + +LUCIFERISTEN: + +Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen. + +BELZEBUB: + +Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk. + +LUCIFERISTEN: + +Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk. + +BELZEBUB: + +Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen. + +LUCIFERISTEN: + +Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen. + +BELZEBUB: + +Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan. + +LUCIFERISTEN: + +De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan. + +BELZEBUB: + +Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven. + +LUCIFERISTEN: + +Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30]. + +BELZEBUB: + +Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31]. + +LUCIFERISTEN: + +Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht. + +BELZEBUB: + +De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten. + +LUCIFERISTEN: + +Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten. + +BELZEBUB: + +Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial? + +LUCIFERISTEN: + +Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal. + +BELZEBUB: + +Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen. + +LUCIFERISTEN: + +De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen. + +BELZEBUB: + +Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars. + +LUCIFERISTEN: + +Wij zien alree meer kans en voordeel, min gevaars. + +BELZEBUB: + +Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel. + +LUCIFERISTEN: + +Aan d'uitkomst hangt het al, voor d'uitkomst dwaalt het oordeel. +Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd +En leidsman op dien tocht. + +BELZEBUB: + + Maar wie is zoo beroofd +Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig', +En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig. +Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij. +Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33]. + +REI: + +Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken +Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken +Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg +Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg. +Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren. +Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren! + +LUCIFERISTEN: + +En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35]. +Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied, +En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader. + +BELZEBUB: + +O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader. +Ik wil u voortreen naar den troon van 't groot paleis. +En ons gerechtigheid bemiddelen door peis +En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen. + +REI: + +Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michael besprongen. + + + MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN. + + +MICHAEL: + +Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree? +Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vree, +Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden +Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden, +Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad, +Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat? + +BELZEBUB: + +Genade, o Michael, gewaardig ons te hooren, +Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren, +Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld. + +MICHAEL: + +Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld. + +BELZEBUB: + +De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen, +Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen, +Op Gabriels bazuin, vereischte een tusschenspraak, +Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak +En klachten kennis koom te nemen, om het muiten, +Bij alle middelen en mooglijkheen, te stuiten; +Zij varen echter voort, al razende en ontzind +Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36] +Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37] +(Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!) +Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel; +Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel +En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen. +De Veldheer tree nu voor: wij staan gereed te volgen, +Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil. + +MICHAEL: + +Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil +Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten, +In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten +Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot, +Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God; +Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken. + +LUCIFERISTEN: + +Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken? +Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd. +Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout. + +MICHAEL: + +D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig. + +LUCIFERISTEN: + +Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig. +De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand. +Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland +Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen +De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen +Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer +Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer +Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten: +Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten. + +MICHAEL: + +Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand. +Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant +Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen. +Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen +Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier! +Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier, +Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken. + +LUCIFERISTEN: + +Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken. +Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht. + +MICHAEL: + +'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt. +Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden. + +LUCIFERISTEN: + +Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden, +Elkandre bij te staan: ook wordt niet een alleen +Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41]. + +MICHAEL: + +Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren? +Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren. +Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht. + +LUCIFERISTEN: + +De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht. +Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden. +Wij willen al op een, en Goden tegens Goden +Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid +Aftreden door geweld. + +MICHAEL: + + Zoo groot een onbescheid[42] +Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder. + +LUCIFERISTEN: + +Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder +Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht. +Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht', +En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen, +De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43]. + +MICHAEL: + +Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht, +Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45]. +Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren; +Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren! +Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien +Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebien. +Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien +En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien. + +LUCIFERISTEN: + +Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen. + +MICHAEL: + +Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer. + +LUCIFERISTEN: + + Trekt vrij heen. + + + BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN. + + +BELZEBUB: + +De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen. +Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen, +Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraan. +Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan. +Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen. + +LUCIFER: + +De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen. +De keurebenden staan gereten en gedeeld. +Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt +Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen. + +LUCIFERISTEN: + +Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen, +Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michael, +Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel +Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47], +En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen +Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht +Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht. +Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]? +Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen, +Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem? +Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem, +Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden. +Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden +Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink'; +De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink' +In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen, +Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen. +Indien gij u verneert zoo groot een ongelijk, +Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk, +Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten. +Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten. + +LUCIFERISTEN (_koor_): + +Wij zweren u met kracht en volle majesteit, +Te zetten op den troon, aan Adam toegeleid. +Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten, +Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52]. + +LUCIFER: + +Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht, +Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht. +Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder +Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder. +Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand +Van zijne Almogendheid, als een genadepand +En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen. +Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen, +En lust het hem den mensch, in volle heerschappij, +Te zetten bovenaan, en boven u en mij +Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53]; +Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken? +Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid, +En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleid, +Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen, +Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54], +Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'. +Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar, +Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve: +Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve. + +LUCIFERISTEN: + +Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch, +En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog. +Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren. +Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren. + +LUCIFER: + +Dit strijdt met onzen eed, en Gabriels gebod. + +LUCIFERISTEN: + +Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God. + +LUCIFER: + +Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55]. + +LUCIFERISTEN: + +Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren, +U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen. +Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treen. + +LUCIFER: + +De Veldheer Michael, gewapend onder 't zegenen +Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen. +Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel! + +LUCIFERISTEN: + +Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel +Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde. + +LUCIFER: + +Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de +Verdrukkers van uw Recht. + +LUCIFERISTEN: + + De moed, de dapperheid, +De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid, +De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten, +En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten. + +BELZEBUB: + +Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht. +Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht +En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen; +Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen. + +LUCIFER: + +Ik troost me dan geweld te keeren met geweld. + +BELZEBUB: + +Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58]. +Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren. + +LUCIFER: + +Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren! +Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial! +Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal, +Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren. + +BELZEBUB: + +Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren: +Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar. + +LUCIFERISTEN: + +Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59]. + +BELZEBUB: + +Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen, +Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren, +En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht, +En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht, +Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien. +Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien. +Heft op[60] een heldren toon, +Ter eere van zijn kroon. + + LUCIFERISTEN: + + Op! trekt op, o gij Luciferisten, + Volgt dees' vaan. + Rukt te hoop al uw krachten en listen. + Trekt vrij aan. + Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant; + Beschermt uw Recht en Vaderland, + Helpt hem Michaels heirkrachten stuiten, + Houdt nu moed. + Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten + En zijn bloed. + Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom. + Beschut de kroon van 't Engelsdom.-- + Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken. + Voor die pracht + Zal des vijands banier haast verzinken, + In der nacht[63]; + Wij met triomf kronen God Lucifer, + Bewierookt hem: aanbidt zijn Star. + + REI VAN ENGELEN: + + ZANG. + + Waar zijn we toe gekomen, + Dat 's Hemels burgertwist + De regementen splitst, + En 't zwaard is opgenomen, + Te zinneloos en blind? + Wie is er van ons benden, + Hij sneuvelt of verwint, + Gelukkig? die d'ellenden + Van hunne broedren zien + En Rijks- en Reigenooten? + Of die verwonnen vlien, + In ballingschap gestooten? + O, zoons van eenen God, + Waartoe verdwaalt uw lot! + + TEGENZANG. + + Helaas! waartoe verdwalen + De Geesten? wat verleidt + Hen, uit de zekerheid + Van hunnen staat en palen + Te spatten, zonder nood? + Zich op het spits te wagen? + Ons' weelde was te groot, + Te dertel om te dragen; + De Hemel niet genoeg + Om Englen te paaien[64]; + De nijdigheid most vroeg + Dit zaad van oorlog zaaien, + In 't vreedzaam Vaderland. + Wie leit dien twist aan band? + + TOEZANG. + + Is dit krijgsvier niet te smoren, + Door een macht van hooger hand, + Wat wil blijven in zijn stand? + Staatzucht[65] zal alle Orden storen: + Hemel, aarde, zee en strand + Zullen staan in lichten brand. + Staatzucht, eens door triomfeeren + Als gewettigd, zal verwoed + God en alle macht braveeren. + Staatzucht kent noch God, noch bloed. + + +Noten: + +[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst +aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der +beweging. + +[2] _Wanneer_: tot dat. + +[3] _verbaast_: ontstelt. + +[4] _livreien_: kleeding. + +[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te +verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren. + +[6] _muziek van druk_ (treurmuziek) _op noten galmen_. Het woord "noten" +lijkt overbodig. + +[7] _Heerschappijen, machten, tronen_. Vlgg. over de verdeeling der +Engelen. En _Voorwoord_. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der +eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen +behoorden. + +[8] _bij ons_: door ons; _mishandeld_: mis gehandeld. + +[9] _onzen plicht bekleeden_. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime +beteekenis. Hier: vervullen. + +[10] _in stede van regeeren zal Adam triumfeeren_: Instede dat wij +regeeren, zal Adam triumf vieren. + +[11] _te rusten_: berusten. + +[12] _tot heerschen min_. Minder tot heerschen. + +[13] _Die zich gelaten stelt_: door in Gods wil te berusten. + +[14] _de kroon verdooven_: in haar glans verdooven. + +[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in +dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij _spreken_ +alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden +als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel +gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog +voor hij, Belial, _schijnt_ te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij +ongezocht waar hij wezen wil. + +[16] _Nu durft de duisternis_ (de aardwormen) _het hemelsch licht +ontwassen_ (boven het hoofd groeien). + +[17] _Hier komt vernuft te spa_. Vernuft, 't verstand kan dit niet +begrijpen. + +[18] _Ons schikken is ... verwarren_. Gaan wij er ons in mengen, we +brengen verwarring; misschikken alles. + +[19] _Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden_; Het valt +hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden. + +[20] _in deze oneffenheden_: ongelijkheden. + +[21] _blijft_ in (den) staat. + +[22] _den staat niet te reppen_: ongerept, ongestoord te laten. + +[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan. + +[24] _De schelle kelen_: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei. + +[25] _steurt de maat_: verstoort het evenwicht, de harmonie. + +[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u +niet anders dan als misdaad worden aangerekend. + +[27] _te schutten_: te stuiten. + +[28] _trouwanten_: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk +frouwant geschreven om verband te krijgen met _trouw_. + +[29] _ongeduld_: wat niet te dulden is. + +[30] _Het stuk ontdekken is den handel glad bederven_: door den toeleg +te doen blijken, zou men de actie schade doen. + +[31] _Het Licht_: God. + +[32] _zij trouwen onze zijde_: hangen onze zijde aan. + +[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen. + +[34] _smeeken door middelaars_. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de +kracht der bemiddeling, die de kern van zijn _Jepfta_-treurspel geworden +is. + +[35] _verstout u hooger niet_: waag niet verder te gaan. + +[36] _'t klachtbewind_: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap. + +[37] _Ik poog de macht te scheien_: beproef als scheidsman, kalmeerder, +op te treden. + +[38] _Wij willen uwen zoen bemiddelen_: optreden als bemiddelaar ter +verzoening. + +[39] _d'Inspanner_: Opstandeling. + +[40] _Naturelijk_: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "_Naturelijk_ staat +elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht +des doods onderworpen is". + +[41] _'t raakt ons in 't gemeen_: gemeenschappelijk; het treft ons allen. + +[42] _onbescheid_: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.). + +[43] "dat een Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen +Michael, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid +genoemd". + +[44] _Hardnekkige aard_, voor: "hardnekkigen van aard". + +[45] _dat voor geen Godheid zwicht_: "dat zich niet buigt voor God." + +[46] _die last_ (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer. + +[47] _dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult +verwerpen_: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen +onder Adams voet, ten teeken van slavernij." + +[48] _den schaars van hem gezienen_: God. + +[49] _snooden worm. Snood_ is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk. + +[50] _werde_: worde. + +[51] _Zoo groot een ongelijk te slechten_: zulk een groot onrecht te +beletten. + +[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den +tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn. +Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht +heeft als in _koor_ gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst +uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas, +waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb +me veroorloofd dit in den tekst aan te geven. + +[53] _schoon we nooit in onzen plicht bezweken_ (te kort schoten). Een +heel gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping +aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke +behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den +draai naar hun zij. + +[54] _'t zich belgen; belgzucht: belgen_ is "opblazen"; dus "zich +daarover vertoornen," "er in verzet over komen." _Belgzucht_: +oproerigheid. + +[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit. + +[56] _den staat der Engelen_: de orde der Engelen. + +[57] _gewapend onder 't zegenen van boven_: wiens wapens door God +gezegend zijn. + +[58] _allerbraafste Held_: aller moedigste. + +[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God en Lucifer, om te doen +uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het +Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje +trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten. + +[60] _Heft op_: heft aan. + +[61] _volgt dezen God_. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd. +_Trant_ maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen." + +[62] _de Morgenstar_: Lucifer. + +[63] _In der nacht_. Nacht was vroeger vrouwelijk. + +[64] _paaien_, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden +stellen. + +[65] _Staatzucht_. Zie Inleiding, pag. 22. + + + * * * * * + + +HET VIERDE BEDRIJF + + + GABRIEL. MICHAEL. + + +GABRIEL: + +De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand +Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant +Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken +Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken +Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom. +Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom. + +MICHAEL: + +Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd? + +GABRIEL: + +Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd, +Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon +Bewierookt als een God, en met een lastertoon +Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen. +Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen, +En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis +Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch +Van onweer buldert vast, van boven en van onder. +Het weerlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder +In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof. +Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof. +Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren. +Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren +Der Engelen, van druk en medelijden, om +Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom. +En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden +Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden, +(Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert +Bij God en Zijnen naam) te passen[3]. + +MICHAEL: + + Wat vervoert +Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten, +Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten? + +GABRIEL: + +De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak +Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak +Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden, +Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden +Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw. +Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw +Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken +In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken, +Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit. +Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6] +Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen. +Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen, +En riepen vast: "Gena, gena, o Heer, geen Recht!" +Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht; +Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen: +Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen, +De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid, +Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait +De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen, +Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen. +Gena had uitgediend. Waak op, in 't harrenas. +De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'. +Betem met uwen arm de woeste Behemotten +En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten. + +MICHAEL: + +Uriel! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier, +Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier. +Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen. +Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen, +Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort, +Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord. +Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels, +Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8] +Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan. +Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan. + +GABRIEL: + +Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9]. +Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen +U toestraalt, en de zon in top u heil belooft. +Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd +Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren. +Schep moed, Vorst Michael: gij zult Gods oorlog voeren. + +MICHAEL: + +Zoo zal ik. Hou mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen. + +GABRIEL: + +Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeen[11]. + + + LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN. + + +LUCIFER: + +Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]? + +BELZEBUB: + +Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen, +Te vliegen regelrecht op 't spits van Michael. + +LUCIFERISTEN: + +Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel, +Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen, +Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen, +En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht. + +LUCIFER: + +Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht? + +BELZEBUB: + +Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen +Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen. +'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij, +Is 't niet de halve streek; want Michaels getij +Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten. +De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten, +Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij, +Verzweren hunnen Heer, Vorst Michael, als wij. +Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen +De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen +Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf; +En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf +En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen. +Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen. +Gij draagt alree de kroon des Hemels op uw kruin. + +LUCIFER: + +Die klank behaagt me meer dan Gabriels bazuin. +Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14]. +Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen! +En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort. +Gij weet, hoe verre wij alree zijn uitgestort +In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen, +Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen; +En niemand denken durf deze onuitwischbre smet +Te zuivren door gena; dies moet de nood een wet, +Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken +Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken, +Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen +Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen. +Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig; +Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig' +Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt. +Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt +In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren, +Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren +In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed, +Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet +Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten +Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten +En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end. +Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16], +Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen; +Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren, +En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar: + +LUCIFERISTEN: + +Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer! + +BELZEBUB: + +Maar zie hoe Rafael, verbaasd[17] en vol meedoogen, +Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen, +Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag. + + + RAFAEL. LUCIFER. + + +RAFAEL: + +Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18], +Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven? +Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven? +Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw? +Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw +En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen. + +LUCIFER: + +Oprechte Rafael! + +RAFAEL: + + Mijn blijschap, mijn verlangen +Ik bidde u, hoor me. + +LUCIFER: + + Spreek, zoo lang het u behaag'. + +RAFAEL: + +Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag +Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne +Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne +En balsem van gena, gestegen uit den schoot +Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot, +U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen, +Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen. +Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt? +Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20] +Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten +Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten +En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron. +Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon +Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen. +Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen, +Smaragden, diamant, robijn, en louter goud. +De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd, +Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21] +Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]: +En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]? +Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon? +Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren, +Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24], +En mengsel van gedierte en ondier ondereen, +Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheen +Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen, +De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen, +En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw? +Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw +In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27], +Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven +Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt +Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt. +Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen: +Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28]. +Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas, +Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas +Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder, +Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder +Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans; +Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans +Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel, +Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel, +Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet; +'t En ware een leven van ellende, van verdriet, +De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen +En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30]. +Verneer u, staak dien tocht[31]; ik offere u gena +Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spa. + +LUCIFER: + +Heer Rafael, ik verdien noch dreigement noch tooren. +Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen, +En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht. +Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht +En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren, +De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren, +Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag +Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag, +Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen; +Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen, +Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf, +'t En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf', +Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken, +Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken, +Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst; +Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst, +En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34], +Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen. +Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien +Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'. + +RAFAEL: + +Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzen +Voor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen. +De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis, +De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is, +En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren. +Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren! +Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch. +Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog. + +LUCIFER: + +Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken? + +RAFAEL: + +Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken? +Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen, +En boven Gods gestarnte opstijgen van beneen, +God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade, +'t Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36]. +Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon, +Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon. +Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen, +En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen. + +LUCIFER: + +Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet? + +RAFAEL: + +Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald Gebied +Bepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name. + +LUCIFER: + +Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame, +En, boven de natuur der Engelen, zijn lot +Uit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God? + +RAFAEL: + +Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen, +Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen, +Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven al +Wat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal, +Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen. + +LUCIFER: + +Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37]. + +RAFAEL: + +Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek. +Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlek +Van afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen. +De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen. +Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon, +Het aldoordringende oog, ik deze lastren kon +Bedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven? + +LUCIFER: + +Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven. +Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon, +Den oudsten erfgenaam. + +RAFAEL: + + Vorst Lucifer, verschoon +Uzelven; onderworp u 't opperste behagen. +Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragen +Naar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet. +Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet. +Om Gods wil, wacht u toch weerspannigen te stijven, +Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven. +Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis, +Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis, +Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren? +Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren, +En kanten tegens God, den sterksten worstelaar? + +LUCIFER: + +Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maar +Een zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken; +Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonken +Van dezen hemeltwist door alle daken heen. +Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leen +Van al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39]. +Den mensch weerstreven, is de Godheid wederstreven. +Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diep +Vernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep? +Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren, +Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneeren, +Van heerlijkheid ontkleen, en opstaan uit haar staat +En stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraad +Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven +Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven: +Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf. + +RAFAEL: + +Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40]. + +LUCIFER: + +'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten. + +RAFAEL: + +Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten? +Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd, +Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt; +En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten, +Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten? + +LUCIFER: + +Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan; +Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan. +De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege. +Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege? + +RAFAEL: +Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk, +Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk; +En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene Orden +Door hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden. +Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf, +Och, Stedehouder, voer uw regementen af; +Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden. +Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden, +Om, na de neerlaag, u geketend door de lucht +Te voeren in triomf. Ik hoor alree gerucht, +En zie allengs het heir van Michael genaken. +Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken. + +LUCIFER: + +Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste bera? +Hier is geen hoop op peis. + +RAFAEL: + + 'k Verzeker u gena, +En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42]. + +LUCIFER: + +Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande! +Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel! + +RAFAEL: + +Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel, +Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen. +Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen, +Een aas verstrekken voor het vratige ingewand +Des afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand? +Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede: +Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede. + +LUCIFER: + +Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]? +Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik: +De zege is hachelijk; de neerlaag zwaar te mijden. +Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden? +Den eersten standerd op te heffen tegens God, +Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod? +Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen, +En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen? +Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid? +Te kwetsen de genade en liefde en majesteit +Des rijken Vaders, bron van alle zegeningen, +Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen? +Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht! +Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat licht +Mijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?-- +Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen. +Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheen? +De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geen +Genoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemen +Dees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen. +Maar 't is te spa, en hier geen boete voor ons' smet. +De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet! + + + APOLLION. LUCIFER. RAFAEL. + + +APOLLION: + +Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44]; +De Veldheer Michael, in aantocht met zijn starren +En regementen, daagt u uit in 't vlakke veld. +De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt. +Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen. + +LUCIFER: + +Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen. +Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht. + +APOLLION: + +Ik zag alree den schrik in Michaels gezicht, +En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen. +Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen. +Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan. + +LUCIFER: + +Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan; +Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken! + +APOLLION: + +Wij wachten op uw woord. + +LUCIFER: + + Zoo volgt ons op dit teeken. + +RAFAEL: + +Helaas! hij stond alreede in twijfel en beraad; +Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staat +Van jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen! +Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen, +'t En zij de Godheid dit meedoogende belett'[45]. +Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed: +Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken. +Het bidden kan een hart van diamantsteen breken. + + + REI VAN ENGELEN. RAFAEL. + + + REI VAN ENGELEN[46]: + + O Vader, die geen wierookvat, + Noch goud, noch lofzang waarder schat + Dan Godgelatenheid en stilte + Van 't schepsel, dat uit needrigheid + Behagen schept aan uw beleid, + En in uw wil zichzelf versmilte; + Gij ziet, o aller telgen stam, + Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kam + Durf kanten tegens uw behagen; + Hoe hij trompet en trommel roert, + En blind, van Staatzucht aangevoerd, + U tergt op zijnen oorlogswagen. + Ontferm u over 't lasterstuk, + En keer, och keer het ongeluk + Van duizend duizend lotgenooten, + Die, al te jammerlijk misleid, + Met zulk een wederspannigheid + Het harnas hebben aangeschoten. + + RAFAEL: + + Verschoon genadig, och! verschoon + Den Stedehouder, die de kroon + Der kronen op zijn hoofd wil zetten, + Om neffens u en boven al + Te triomfeeren. Och! wie zal + Hem zuiveren van zulke smetten? + + REI VAN ENGELEN: + + Gedoog niet, dat de schoonste ziel, + Waarop uw oog genadig viel, + Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve. + Hij boete deze ondankbre daad, + En blijv' gehandhaafd bij zijn staat; + Dat uw gena zijn schuld vergeve. + + +Noten: + +[1] _'k Verdaag u_: roep u op. + +[2] _in arbeid_: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't +werk. + +[3] _op uw heilige eeden ... te passen_: uw eeden na te komen. + +[4] _Hoe bitter wil: wil_, als in 't Engelsch, voor _zal_. + +[5] _in d'oogen van 't licht_: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch +God wordt aangeduid door: de Naam. + +[6] _Genade en Gods gerechtigheid_, eigenschappen van God, hier +allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten. + +[7] _Wierookstank_. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand. + +[8] _drommels_: Voor _drommen_. + +[9] _aangeschapen_. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen ... +aangeschapen; ingeboren ... aangeboren, als tegenstellingen, bijna +verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!) + +[10] _Hou mijn woord omhoog_: Spreek mij voor bij God. + +[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon +van vader Willebrord, uit den _Gijsbrecht_, dan aan dien van een +Aartsengel. + +[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat +men zich wapent tegen Michael, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief: +Adams toekomstige heerlijkheid, Michael allerminst raakt. + +[13] _verschiet zijn groente. Groente_: groenigheid; wat groen is. Bij +Cats vinden we o.a. _in de groente zitten_, voor: in het groen zitten. +_Zijn groente en verf verschieten_ zal dus wel hier zijn op te vatten +als: verschiet zijn blijde, frissche kleur. + +[14] _beneden deze trappen_: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger. + +[15] _en met een aardschen stoet omsingeld_. Adams afkomst zou, ten +hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich +omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen +Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de +Engelschen tegen onzen Willem III. + +[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd. + +[17] _verbaasd_: als te voren: ontzet. + +[18] Dit optreden van Rafael is een der gevoeligste vonden van onzen +dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste +klanken. + +[19] _Genade, o Lucifer!_ Hier is weer _genade_ in den zin van het +fransche: _de grace_. + +[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld. + +[21] _bommen_, rinkelbommen, waarmee de Godheid geeerd werd. Vgl. Ifis +in _Jeftha_: "Treen we in, op bommen en schalmeien". + +[22] _kwaamt te brommen_. Hier in den zin van: "zich met luiden galm +verheffen". + +[23] _Uit dien troon_. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde +plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet: _van_ dien troon. + +[24] _in eenen knoop van dieren_: mengeling van dieren. Zie later, +Lucifers gestalte-verandering. + +[25] _misscheppen_, doen wanvormen. + +[26] _zoo laag_: immers in de hel. + +[27] _alle zeven_: de zeven Aartsengelen. + +[28] _met u verlegen_: om u begaan. + +[29] _Hooger niet_: ga niet voort in uw verzet. + +[30] "Tenzij een leven van ellende ... leven mocht heeten". + +[31] _tocht_: dit optrekken (ten verzet). + +[32] _of echter_, of daarna. + +[33] _onder 's hemelseed_, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel. + +[34] _overdrongen_: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk) +Thans: opgedrongen. + +[35] _paaien_, hier: in slaap wiegen. + +[36] _Het leen verheergewaden_: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne +ontleenen." huldigen als leenheer. + +[37] "Juist dat is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig +uitgedrukt. + +[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt". + +[39] _Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven!_ "Erken +dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn." _Neven_ staat hier in +den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen", +"verwanten." + +[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen; +als de leenheer 't goed van den leenman. + +[41] _'k Misdank me dan_. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft +nog in de Amsterdamsche volkstaal. + +[42] _stel me te pande_: stel mezelf tot borg. + +[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor +de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi +moment in het treurspel. + +[44] : _tijd te marren_, tijd tot toeven, aarzelen. + +[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe +aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk. +Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van +den hemel. + +[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid, +meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie +reizangen. + + + * * * * * + + +HET VIJFDE BEDRIJF + + + RAFAEL. URIEL. + + +RAFAEL: + +De gansche Hemel, van den grond tot op de kruin +Der Aartspaleizen[1], juicht op Michaels bazuin +En zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen. +Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2]. +Uit elke schildzon straalt een triomfante dag. +Daar komt Uriel zelf, de Schildknaap, uit den slag, +En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijden +Gewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden, +Door schild en harrenas, en helm van diamant, +Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3] +En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen. +Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogen +Bekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig Recht +Zich opworpt, met een slag rechtvaardiglijk beslecht; +Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen, +Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen. +Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit! +Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid, +En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen. + +URIEL[6]: + +Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen. +Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7]. +Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij. + De Veldheer Michael (verwittigd uit den hoogen, +Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen, +Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet, +Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8] +Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren, +Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren) +Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriel, +Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevel +Aan al zijn Oversten en hoofden en kornellen, +De heiren, in Gods naam[10], in hun geleen te stellen, +Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruim +Van 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuim +Te vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen, +Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen. +Op dezen last vergaart Gods heirkracht inderijl +Slagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl, +Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen, +In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13], +Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht. +Men zag een enkelheid in een driepuntig licht, +Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen; +Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen. +De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand, +Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand. +Wie moed wil houden, en triomf en zege baren, +Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren. + +RAFAEL: + +Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen wou? + +URIEL: + +Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouw +Gehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten, +Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten. +Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan. +Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan, +Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldieren +En andre monsters, die rondom hem henezwieren, +Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordt +Vorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort', +En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken. +Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken. +De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God, +Verzekerde den buik des legers, om het slot, +Der regementen knoop, in 't midden te bewaren. +De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klaren +Uit zijne morgenstar, werd van Apollion +Gehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon, +In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15]. + +RAFAEL: + +Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten! +Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht! +Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht, +En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien. + +URIEL: + +Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16], +Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17], +In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrok +Van gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagen +Met gouden wielen, van robijnen dicht beslagen. +De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18], +Met starren overal bezaaid op hunnen rug, +In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen. +Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen, +De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19], +Waarin de morgenstar met kunst gedreven was, +Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen. + +RAFAEL: + +O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen. +Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft! +Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd, +En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen, +Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]! +O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weerom[22]! + +URIEL: + +Zoo stonden zij gekant en slagree, drom bij drom, +Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijen +Gesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen; +Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompet +Zich mengen; het geluid geweer en handen wet[26], +En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten; +Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27] +Geborsten, slag op slag, een gloenden hagel baart, +Een' storm en onweer, dat de Hemelen vervaart, +De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren, +Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarren +Of zwijmen op de wacht, en weten niet waarheen +Te drijven, Oost of West, of boven of beneen. +Al weerlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder. +Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder. +De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29], +Geraken handgemeen met knots en hellebaard, +En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven +En steken. Al wat kan, wat toeleit op bederven, +Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt. +De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent +Zijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven, +Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven, +En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd. +Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd, +En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren; +De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwieren +En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei +Verheft zich uit den stoet der groene liverei; +Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen. +De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen, +En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch, +Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30] +Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten. + +RAFAEL: + +Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31]. + +URIEL: + +De dappre Michael laat blazen: Eer zij God! +De regementen, op die leus en zijn gebod +Gemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgen +Naar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33]; +Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart, +En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaart +Een valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennen +Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen; +Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemd +Zoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt. +De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten, +Verwacht hem op den bek, om door de borst te stooten +Van onder, als hij ploft van boven op den buit. + +RAFAEL: + +O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit. +Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen. +Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen, +En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond. + +URIEL: + +Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rond +Of halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen; +De regementen, die zich sluiten en ontvouwen, +Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan, +Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan, +Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte, +Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35]. +Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt, +Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt, +En schildert en schakeert door luchte regenbogen. +De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36], +Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneen. +Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een, +Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren, +Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren, +Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim; +Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim, +Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen. +Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen, +Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37], +Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal, +Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen; +Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen, +En masten zonder tal, verpletten en vertreen +Wat tegens woest geweld van stroom en hout en steen +Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel +Der halve mane fel met roode en blauwe zwavel +En vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot. +Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood, +Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39]. +De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken, +Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast), +Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last, +En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven. +De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven, +Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot, +Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood, +Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen. +Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42] +En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan. +De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen van +Zijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften. +D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiften +Met zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast, +En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast. + +RAFAEL: + +Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen. + +URIEL: + +Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen, +Die neerstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner licht +En schooner stralen schiet, in 't gloen van zijn gezicht. +Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde. +De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde, +Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas, +Totdat hem Michael, in 't schitterend harrenas, +Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen. +"Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen. +Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God! +Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot, +Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen. +D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen, +Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijl +Den slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijl +Den diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven; +Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven. +De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamant +Aan stukken. Michael verheft zijn rechte hand, +En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen, +Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogen +Al t' ongenadig[50], dat hij achterover stort, +En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51] +Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken. +Den standerd van de star vergaat hierop het blinken; +Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt, +Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioelt +Van duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharen +In 't vallen, voor den val en neersmak, te bewaren. +Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial. +Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren val +Des Stedehouders breekt de boog der halve mane +In stukken. Echter komt Apollion ter bane +Met zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt. +De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt, +En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen, +Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53]. +De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan, +Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan. +De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen. +Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen, +Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien. + +RAFAEL: + +Geloofd zij God! valt neer, aanbidt hem op uw knien! +Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen? +Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen? +Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert? + +URIEL: + +Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert, +Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58]; +Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen, +In een wanschapenheid veranderd, al te vuil; +Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil; +De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen; +De voeten en de hand in vierderhande klauwen; +Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid. +De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit. +In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren, +Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59] +Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn: +Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn, +Een tragen ezel, een rinoceros, van tooren +Ontsteken, eene sim[60], van achter en van voren +Al even schaamteloos, en geil en heet van aard, +Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard. +Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen, +Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen. +Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat, +En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat. + +RAFAEL: + +Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken! +Waar bleef Apollion? + +URIEL: + + Hij zag zijn tij verstreken, +Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood. +De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot, +Met weerlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen, +De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen, +En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarreling +Van buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging, +Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend, +Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent. +Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging, +Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling, +In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen. +D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen +In Engletronien nu zweemen naar de Hel, +En helsche gruwzaamheen!--Daar hoor ik Michael. +Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63]. +De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen, +Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit, +En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid. + + + REI VAN ENGELEN. MICHAEL. + + + REI VAN ENGELEN: + + Gezegend zij de Held, + Die 't goddeloos geweld, + En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerd + Ter neder heeft geveld. + Die God stak naar zijn kroon, + Is uit den hoogen troon[64] + Met zijn macht in den nacht neergezonken. + Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon! + Al brandt het oproer fel, + De dappre Michael + Weet den brand met zijn hand uit te blusschen, + Te straffen dien rebel. + Hij handhaaft Gods banier; + Bekranst hem met laurier. + Dit paleis groeit in peis en in vrede: + Geen tweedracht hoort men hier. + Nu zingt de Godheid lof, + In 't onverwinbaar hof! + Prijs en eer zij den Heere aller Heeren! + Hij geeft ons zingens stof. + +MICHAEL: + +Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd. +D'Aartsvijand[65] leit er toe. Hij laat ons zijnen standerd, +En morgenstar en helm en vanen en rondas, +Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as, +Met juichen en triomf en eere en lofgezangen, +Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangen +Van wederspannigheid en Staatzucht, die de kam +Verheffen tegens God, den onverzetbren stam +En oorsprong en de bron en Vader aller dingen, +Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen. +Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit +Bezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid. +Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen, +Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen, +Beneveld en verblind en ijselijk misvormd. +Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt. + +REI: + +Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden, +Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden. + + + GABRIEL. MICHAEL. REI. + + +GABRIEL: + +Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd! +Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd; +Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen. + +MICHAEL: + +Wat hoor ik, Gabriel? + +GABRIEL: + + Och, Adam is gevallen; +De vader en de stam van 't menschelijk geslacht +Te jammerlijk, te droef alree ten val gebracht. +Hij leit er toe[67]. + +MICHAEL: + + Dat is een donderslag in d'ooren. +Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren. +Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreen? + +GABRIEL: + +Hij rukte, na den slag, 't verstrooide heir bijeen, +Doch eerst zijn Oversten, die voor elkandre gruwen[68]; +En zette zich, om 't licht van 't alziende oog te schuwen, +In een holle wolk, een duistre moordspelonk +Van neevlen, daar geen vier dan uit hun blikken blonk; +En, midden in den ring des helschen Raads gezeten, +Hief uit zijn zetel aan, te helsch op God gebeten: +"Gij machten, die zoo trotsch voor ons' gerechte zaak +Dien afbreuk hebt geleen; nu is het tijd om wraak +Te nemen van ons leed, en listig en verbolgen, +Met onverzoenbren wrok den Hemel te vervolgen, +In zijn verkoren beeld[69], en 't menschelijk geslacht +Te smoren in zijn wieg en opgang, eer het macht +In zijne zenuw krijge en aanwinne in zijne erven. +Mijn wit is, Adam en zijn afkomst te bederven[70]. +Ik weet, door 't overtreen der eerstgestelde wet, +Hem aan te wrijven zulk een onuitwischbre smet, +Dat hij, naar lijf en ziel, met zijn nakomelingen +Vergiftigd, nimmer zal ten zetel innedringen, +Waaruit men ons verstiet; edoch gebeurt het al, +Dat iemand bovenstijge, een kleen, een dun getal, +En nog door duizend doon en arrebeid en lijden, +Zal steigren tot den Staat en kroon, die ze ons benijden. +Ellenden zullen zich terstond, op Adams spoor, +Verspreien zonder end de wijde wereld door. +Natuur zal, van dien slag geteisterd, schier verteren, +En wenschen in een Niet of mengelklomp[71] te keeren. +Ik zie den mensch, die naar het beeld der Godheid zweemt, +Van Gods gelijkenis verbasterd en vervreemd, +In wil, geheugenis, en zijn verstand ontluisterd, +Het ingeschapen licht beneveld en verduisterd, +En wat den dag beschreit, in 's moeders bangen schoot, +Gevallen in den muil der onvermijbre Dood. +Ik wil de tiranny verheffen, altijd stouter, +En u, mijn zoons, gewijd tot Godheen[72], op het outer, +In kerken, zonder tal, tot aan de lucht gebouwd, +Vereeren offervee, en wierookgeur, en goud, +Ja zooveel menschen, als geen tong vermag te noemen, +En al wat Adam teelt in eeuwigheid verdoemen, +Door gruwelstuk op stuk, Gods naam ten trots begaan. +Zoo dier wil hem mijn kroon[73] en zijn triomffeest staan!" + +MICHAEL: + +Verwaten vloek, zoo trotsch de Godheid nog braveeren! +Wij willen u eerlang dat lasterstuk verleeren. + +GABRIEL: + +Aldus spreekt Lucifer, en zendt Vorst Belial, +Opdat hij dadelijk de menschen breng' ten val. +Dees schiet[74] de boosheid zelf, de listigste aller dieren, +De slang aan, om met glimp van woorden te verzieren +Het lokaas, 't welk aldus d'onnoozle schepsels ving, +Daar zij geslingerd om den tak der kennis[75] hing: +"Heeft God, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen +Den vrijdom van het ooft, den smaak van 't puik der boomen? +Neen, Eva, simple duif, geenszins; gij zijt verdwaald. +Aanschouw eens, bid ik u, dien appel! Ai, hoe straalt, +Hoe gloeit dit ooft van goud en karmozijn te gader! +Hoe noodt u dit banket! Ai, dochter tree wat nader; +Hier nestelt geen venijn in dit onsterflijk loof. +Hoe lokt dees' vrucht! ai pluk, ai pluk vrij; ik beloof +U wetenschap en licht. Wat deist ge, bang voor schennis? +Tast toe, en word God zelf in wijsheid en in kennis +En wetenschap gelijk, en eere en majesteit, +Hoezeer Hij 't u benij. Zoo vat men 't onderscheid, +Het wezen en den aard en d'eigenschap der zaken." +Terstond begint het hart der schoone bruid te blaken, +T'ontvonken, en zij vlamt op d'aanprezen vrucht. +De vrucht bekoort het oog, het oog den mond, die zucht. +De lust beweegt de hand al bevende te plukken. +Zoo plukt ze en proeft en eet (dat wil haar afkomst drukken!) +Met Adam, en zoodra hunne oogen opengaan, +En zij hun naaktheid zien, bedekken ze, met blaan, +Met vijgenloof, hun schaamte en schande en erfgebreken[77], +En gaan zich in geboomte en schaduwen versteken, +Versteken, maar vergeefs, voor 't aldoordringende oog. +De lucht betrekt allengs. Zij zien den regenboog[78] +Gespannen, als een bode en voorspook van Gods plagen. +De Hemel treurt in rouw. Geen handenwringen, klagen, +Noch schreien helpt den mensch en zijne weergade. Ach! +Het weerlicht reis op reis; het dondert slag op slag[79]. +Al wat men hoort en ziet, is schrik en angst en zuchten. +Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchten +Den worm, die 't hart doorknaagt, het overtuigd gemoed. +Zij knikkebeenen beide, en struiklen, voet voor voet. +Het aangezicht ziet doodsch, en d'oogen, diepverdronken +In tranen, zien geen licht. Hoe is de moed gezonken! +Hoe stak hij flus het hoofd zoo moedig in de lucht! +Het ritslen van een blad of beek, een klein gerucht +Verbijstert hen; terwijl een zwangre wolk komt dalen, +Die scheurt, en baart allengs een licht, een glans en stralen, +Daar d'Opperste uit verschijnt, in dien bedrukten staat, +En dondert met zijn stem, die hen ter aarde slaat. + +REI: + +Och, och! och, och! de mensch waar' nutter nooit geschapen. +Dat leert zich aan een vrucht, een mondvol saps, vergapen! + +GABRIEL: + +"O Adam!" dondert God, "waar zijt gij toe geraakt?" +"Vergeef me, o Heer! Ik vlucht uw aanzicht, bloot en naakt." +"Wie leerde u," vraagt hem God, "uw schaamte en naaktheid kennen? +Durft gij uw lippen aan verboden vruchten schennen[80]?" +"Mijn gade, mijne bruid, bekoorde mij, helaas!" +Zij zegt: "De slimme slang bedroog me met dit aas." +Dus schuift elk van den hals den oorsprong der gebreken[81]. + +REI: + +Gena! Wat vonnis wordt op dit vergrijp gestreken? + +GABRIEL: + +De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid, +Met ween, en barensnood, en onderworpenheid; +Den man met arbeid, zweet, en zorge, en lastig slaven; +Den akker, die den mensen ten leste zal begraven, +Met onkruid en veel ramp; de Slang, om 't loos misbruik +Van haar doortrapte tong, zal kruipen op den buik +Langs d'aarde hene, en slechts bij stof en aarde leven. +Maar om den armen mensch een' vasten troost te geven, +In zulk een jammernis, belooft de Godheid trouw +Te wekken[82], uit het zaad en bloed van d'eerste vrouw, +Den Sterke[83], die de Slang, den Draak, het hoofd zal pletten +Door erfhaat, van geen tijd noch eeuwen te verzetten. +En schoon dat felle Dier hem naar de hielen bijt[84], +Nog triomfeert de Held met eere, na dien strijd. +Ik koom uit 's Hoogsten naam dat onheil u ontvouwen +Stel daadlijk orden, eer ze ons moeite op moeite brouwen. + +MICHAEL: + +Uriel[85], Schildknaap, die het heilig Recht bewaart +En reukeloosheid straft, grijp aan uw vlammend zwaard: +Vlieg hene naar omlaag, en drijf ze beide uit Eden, +Die d'eerste wet zoo blind, zoo reukloos overtreden. +Bewaak den ingang van 't ontheiligd Paradijs, +En keer de ballingen met kracht af van de spijs, +Den boom, die 't leven rekt. Gedoog niet, dat ze pluiken +D'onsterfelijke vrucht en 't hemelsch ooft misbruiken. +Gij wordt op schildwacht voor den hof en boom gesteld. +Dat Adam buiten zwerve, en, vroeg en spade, veld +En kleigrond ommeploeg', waaruit hem God bootseerde. +Ozias[86], aan wiens vuist de Godheid zelf vereerde +Den zwaren hamer van geklonken diamant, +En ketens van robijn, en krammen, spits van tand, +Ga hene, vang en span het heir der Helsche dieren, +Den Leeuw en fellen Draak, die tegens ons' banieren +Dus woeden; vaag de lucht van dees' vervloekte jacht[87], +En boei ze aan nek en klauw, en keten ze met kracht. +Dees' sleutel van den put der afgronds[88] en zijn holen +Wordt, Azarias, u en uwe zorg bevolen. +Ga hene, sluit in 't hol al wat ons' macht bestrijdt. +Maceda, neem dees' torts, die vlam is u gewijd: +Ontsteek den zwavelpoel in 't middelpunt der aarde, +En pijnig Lucifer, die zooveel gruwelen baarde, +In 't eeuwig brandend vier, gemengd met kille vorst; +Daar Droefheid, Gruwzaamheid, Versteendheid, Honger, Dorst, +De Wanhoop, zonder troost, de prikkel van 't geweten, +En Onverzoenbaarheid, een straf van 't boos vermeten, +Versteken van den glans der Godheid, in dien rook, +Getuigen 's Hemels ban, geveld op 't heilloos Spook; +Terwijl 't beloofde Zaad[89], verzoenende Gods tooren, +Herstelle uit liefde al wat in Adam werd verloren. + +REI[90]: + +Verlosser[91]! die de slang het hoofd verpletten zult, +'t Vervallen menschdom eens van Adams errefschuld +Verlossen, t'zijner tijd, en weer, voor Eva's spruiten, +Een schooner Paradijs hierboven opensluiten; +Wij tellen d'eeuwen, en het jaar, en dag en uur, +Dat uw gena verschijn'; de kwijnende Natuur +Herstell', verheerelijke, in lichamen en zielen; +Stoffeerende den troon, daar d'Engelen uit vielen. + + + +Noten: + +[1] _van den grond tot op de kruin der Aartspaleizen_: de hemel was +verdeeld in een aantal kringen, bogen, sferen, (_Voorwoord_), hier +gedacht als _verdiepingen_. _Aartspaleis_: Opperst paleis. + +[2] _En scheppen nieuwe zonnen_, nl. in hun schittering en weerkaatsing. + +[3] _de horens kant_: scherpt, punt. _De horens_, in gelijkenis met +stootende stieren. + +[4] _Wat legt ge al prijzen in_: hoeveel prijzen verzekert ge u niet, +vergelijk "wat legt gij een eer in". + +[5] _eerste tocht_: strijd. + +[6] URIEL. Vondel, zoomin als een der klassieke dichters, laat ooit een +strijd, _zien_, maar beschrijft hem. Want hen dramatische kunst is +allereerst die van het woord en niet van de reeel uitgebeelde handeling. +Dat dit in dit geval juister is dan de Shakesperiaansche methode om wel +dien strijd ten tooneele te brengen, behoeft geen betoog. Er zou van de +grootschheid der hier nu volgende hemelsche worsteling niets terecht +komen, als we haar in werkelijkheid moesten zien, en niet het beeld +ervan in Vondels vers. (Zie ook Inleiding tot V.'s Dramatiek). + +[7] _t' ontvouwen op een rij_: achtereenvolgens uiteen te zetten. + +[8] _tegens 't hoog gebied_: tegen d'oppermacht. + +[9] _op 't aanstaan_: op 't aandringen. + +[10] _in Gods naam_: Natuurlijk niet in onzen alledaagschen zin van: +"omdat hij 't niet laten kon", maar: "in naam des Heeren". + +[11] _op 't luchtig ruim ... te vagen_: het schuim leeft op het ruim en +daarvan moet het weggevaagd worden. + +[12] _Al dit spook_: al dit gespuis. + +[13] _brommen_. Hier: "zich luidruchtig aanstellen, gereed maken. +--_Driekantig heir_. Het leger van Michael vormt dus een driehoek; dat van +Lucifer neemt den slagorde-vorm aan van een Halve Maan. Dr. Cramer ziet +in het eerste een toespeling op de heilige Drieeenheid; en in laatste +een op de Turken. Het schijnt inderdaad die eerste opvatting te +bevestigen, doch het volgend verhaal van Uriel doet vermoeden dat Vondel +eer alleen aan het Sterrebeeld van den Stier dan aan de Turken gedacht +heeft, ook al wordt er even van de halve Maan gerept. + +[14] _Werd van Apollion gehandhaafd_: werd door A. in de hand gehouden; +hooggehouden. + +[15] _In zijnen vollen krits omhoog ten troon gezeten_; Apollion troonde +hoog, in zijn volle glorie. + +[16] _groene livereien_: De een ziet in dit "groen", de kleur van de +slang, de ander die van den Turk. Misschien hebben beiden gelijk. + +[17] _Wreevlig aangevoerd van wrok_: door wrok wrevelig geworden en nu +opgestuwd. + +[18] _De Leeuw en de Draak_: twee sterrenbeelden, (zie _Berecht_); _ter +vlucht gereed en vlug_: gereed en in staat tot vliegen. + +[19] _rondas_: rond schild. + +[20] _Gij fenix_: Fenix is de uit zijn asch herlevende vogel; beeld der +onsterfelijkheid en dus der hoogste voortreffelijkheid. Zoo noemt Vondel +ook Huigh de Groot wel een Fenix. + +[21] Zie hiervoor zoowel over _naturelijk_ als over _aangeschapen_. + +[22] Een levendige indruk van 't _gebeurende_ in plaats van 't +beschreven _gebeurde_ geeft die uitroep van Rafael, herhaling van zijn +vroegere bede tot Lucifer. + +[23] _Hoefslag_: wachtpost. + +[24] _gesnoerd aan hun gezag_: onderworpen aan hun commando. + +[25] _dolle trom_: dol, Eng. _dull_: dof. + +[26] _het geluid geweer en handen wet_: op dit geluid komen hand en +wapen in gereedheid tot den aanval. + +[27] _schicht_: pijl; bliksemschicht. + +[28] _de kreitsen ... in hun ronde, de starren ... in hun omloop_. + +[29] _schutgevaart_. De bliksem en het onweer stellen in dezen +hemelschen strijd de eerste uitbarsting voor van het schieten, waarmee +op aarde een strijd begint. In de volgende beschrijving spreekt Uriel +alsof hij een van V.'s tijdgenooten was. Maar dit localiseeren in den +eigen tijd was deze periode nog eigen. Ook voor de volgende beeldspraak +van een zee, beukend op een rots, _de toef_ te krijgen, geldt dit. + +[30] zie [29]. + +[31] _de Wanhoop af te vechten_: een wanhopigen strijd te strijden. + +[32] zie [29]. + +[33] Heel levendig moment, dat opstijgen van Michaels macht, boven die +van Lucifer uit, om den gunstigen wind te krijgen. Ook het volgende +uitgewerkte beeld van de valk en de reigers is krachtig-gevoelig van +teekening; doet alleen in de beschrijving van deze worsteling wat klein. +Ditzelfde ook voor de waterval-vergelijking, [37] vlgg. + +[34] _En zinken_. Feitelijk: _zenken_ d.i. doen zinken. + +[35] Uit dezen regel blijkt duidelijk de bevestiging van het opgemerkte +bij [29]: V. denkt zich beide legers voorzien met de aardsche +strijdmiddelen van zijn tijd. + +[36] _De hemelsche adelaar en zijn pennen_: De gevleugelde Michael. + +[37] zie [33]. + +[38] _roode en blauwe zwavel en vlammen_. Hier denkt V. weer aan de +geschutwerking van bliksem en donder. + +[39] _het hart ... ontzakt voor_: de moed ontzinkt. + +[40] _rustig_ = moedig. + +[41] _voor de vuist_: openlijk. + +[42] _Hij schut de wreedste slagen_: weert de hardste slagen af. + +[43] _hem_ en [44] _hij_ slaan beide op Lucifer. + +[45] Gods naam (zie ook [49]), die op Michaels schild is aangebracht. + +[46] _Dit voorspook_: voorteeken. + +[47] _den toescheut stuit_, stuit het toeschieten, opdringen; hen, die +opdringen. + +[48] _d'Aartsvijand_: d'Opperste vijand, Lucifer. + +[49] zie [45]. + +[50] _Al t' ongenadig_: in zoo sterken mate ongenadig. + +[51] _kort_: onmiddellijk. + +[52] _De reus Orion_. Hier is Vondels mythologische kennis aan het +woord: de reus Orion, als sterrebeeld met zijn knods, is Grieksch. +Maar ook dezelfde primitieve klassieke herinneringen als hem in de +_Gijsbrecht_ den "Sparre-wouwer reus" aan het gevecht doen deelnemen. +Zonder een reus was deze strijd voor hem niet compleet, ook al verwierp +hij in zijn _Berecht_ het denkbeeld, een goddeloozen Reuzenstrijd te +hebben willen schilderen. (Zie ook _Voorwoord_.) + +[53] "die niet geeft om Orions, knodsen of reuzen". + +[53] De bekende sterrebeelden van de Beer, dicht bij de Noordster. + +[55] De _Hydra_, mythologische draak met vele koppen, ook sterrebeeld. + +[56] _Ik zie een galerij_: Gelijksoortige wending als in het verhaal van +den Bode in _Gijsbrecht_: "ik zie de deugden zelf." De verhaler tracht +even door een samenvattend beeld de verbeelding der toehoorders te doen +wijden in een visioen. _Een galerij van oorlogstafereelen_ is zoo echt +Vondeliaansch. Immers waren hem poezie en schilderkunst zeer nauw +verwant. + +[57] _nare nacht. Naar_ (Engelsen narrow): nauw. Vandaar dat "naar" en +"eng", angstig, in beteekenis verwant zijn, en naar ook donker +beteekent, met de bijgedachte "beangstigend." + +[58] _vergeet met goud te brallen_, nalaat met goud te pronken, dus: +"eindigt met schitteren." + +[59] _mengelt zeven dieren afgrijselijk ondereen_: neemt de +afgrijselijke gedaante aan van een mengeling der zeven dieren: de +_hoofdzonden_: Hoovaardij, gulzigheid, luiheid, wellust, toornigheid, +nijdigheid en gierigheid. + +[60] _eene sim_: een aap. + +[61] _Kortouw_, kartouw, geschut. Zie de aanteekening bij [29]. + +[62] _Wat green hier_: green, verleden van _grijnen_, boosaardig kijken +(Wdbk). Voor de gedaanteverwisseling der gevallen Engelen zie men o.a. +de schilderij van Pieter Breughel, te Brussel, afgebeeld in _De Ploeg_, +IIe Jaarg. 120. + +[63] _met Engelenroof te pralen_: "Te pralen met 't den Engelen (zie ook +[66]) "ontroofde". Een barbaarsch idee; zeker niet hemelsch. + +[64] _troon_: hemel. + +[65] _d'Aartsvijand leit er toe_. Ligt onder, is overwonnen. Zie ook [67]. + +[66] zie [63]. + +[67] zie [65]. + +[68] _die voor elkander gruwen_. Na hun gedaanteverwisseling. + +[69] _In zijn verkoren beeld_. Immers: God schiep den mensch naar Zijn +Evenbeeld. + +[70] _te bederven_: ten verderf te brengen. + +[71] _Mengelklomp_, gelukkig Nederlandsen woord voor _chaos_. + +[72] _U mijn zoons, gewijd tot Godheen_. De duivelen en de heidensche +afgoden worden in de Christelijke opvattingen vereenzelvigd. Maar ook +kan Vondel hier gedacht hebben aan de duivel-aanbidding, die tot op +onzen tijd voortleeft. + +[73] _Mijn kroon_, d.w.z. de mij ontroofde kroon. + +[74] _schiet_ (de gestalte van) _de slang aan_. + +[75] _tak der kennis voor_: "tak van den boom der kennisse". + +[76] _bang voor schennis_: bevreesd het verbod te schenden; zie [80]: uw +lippen schennen: bezoedelen. + +[77] _Erfgebreken_: Erfzonden. Zie ook [81]. + +[78] _Regenboog_. Ietwat vreemd den bijbelvasten Vondel hier den +regenboog te zien aanduiden als een voorspelling van straf, in plaats +van als teeken van Gods verbond met den mensch. Genesis IX, 12-17. + +[79] vlgg. Een levendige, aangrijpende schildering van angst en berouw. + +[80] zie [76]. + +[81] zie [77]. + +[82] _belooft de Godheid trouw te wekken_. Trouw: "zekerlijk." + +[83] Zie ook [90]. _De Sterke_ is de Verlosser (En [89]: 't beloofde +Zaad). Immers Jezus overwon het kwaad (_door erfhaat_, ingrondigen haat) +ondanks Satans pogen hem te bestrijden en verleiden [84]. + +[84] zie [83]. + +[85] _Uriel_. In _Adam in Ballingschap_ treedt dezelfde Engel op, om +Adam en Eva ter verantwoording te roepen, ze daarna uit Eden te +verjagen. Doch de dramatische toestand is in beide stukken in ieder +opzicht verschillend, en in de _Adam_ moest de hier geschilderde +volgorde en rol der personagien wel afwijken. + +[86] _Ozias, Azarias_ en _Maceda_. Of Vondel deze Engelennamen zelf +verzonnen heeft, dan wel ze aan onbekend gebleven overleveringen +ontleende, is nog niet gebleken. V. was ontzaglijk belezen in de +theologische literatuur van zijn tijd (zie ook mijn studie over zijn +_Jeftha_) en het zou me niet verwonderen als men ook hier den oorsprong +van deze namen nog eens vond. De rol van Ozias doet denken aan die van +Hephaistos in Aeschylos' _Promotheus Geboeid_ (W.B. 182.) + +[87] _Vervloekte jacht_, 't Vervloekte wild. + +[88] _de put des afgronds en zijn holen_: de Hel met al haar +afdeelingen, waarin 't eeuwige vuur en de felste koude samen wonen, met +al de verdere gruwelen, door Dante beschreven. + +[89] zie [83]. + +[90] vlgg. Plechtiger en vromer kon Vondel zijn gewijd treurspel +moeilijk besluiten dan met deze laatste aanbidding van den Rei. (Zie +_Inleiding_.) + +[91] zie [83]. + + + * * * * * + + + + + + + + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER *** + +***** This file should be named 17076.txt or 17076.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17076/ + +Produced by Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/17076.zip b/17076.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..5906a02 --- /dev/null +++ b/17076.zip diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..689c7e3 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #17076 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17076) |
