summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:16 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:50:16 -0700
commit7a0fb363786db63a3c3bb6033ea58fe6f06d2a94 (patch)
treeec424ebc4beb8af24c6735ea1403cc391980cdba
initial commit of ebook 17076HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--17076-8.txt5467
-rw-r--r--17076-8.zipbin0 -> 83239 bytes
-rw-r--r--17076.txt5467
-rw-r--r--17076.zipbin0 -> 82940 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
7 files changed, 10950 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/17076-8.txt b/17076-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..d286b2c
--- /dev/null
+++ b/17076-8.txt
@@ -0,0 +1,5467 @@
+The Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Lucifer
+ Treurspel
+
+Author: Joost van den Vondel
+
+Release Date: November 20, 2005 [EBook #17076]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+LUCIFER
+
+Treurspel
+
+door
+
+JOOST VAN DEN VONDEL
+
+
+Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+ PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT
+
+ [HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"--
+
+ VERGILIUS: AENEIS VI, 599]
+
+
+
+
+ 'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon,
+ Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste,
+ Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste.
+ Dees liet in Griekenland, en midden door de stad
+ Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat,
+ Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren
+ En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren
+ De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon.
+ Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon
+ Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen
+ En storm den bliksem en den donder na te kuischen
+ Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid,
+ Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid
+ Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken,
+ _Dreef met een dwarrelwind_, ten spiegel aller volken,
+ _Hem neder dat hij plofte_.
+
+ Uit VONDELS vertaling van _Vergilius: Aeneis_, VIe Zang
+
+
+ * * * * *
+
+
+VOORWOORD
+
+
+Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo
+moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van
+weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei
+opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en
+kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en
+gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als
+wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling
+leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen
+en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles,
+naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied
+gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of
+nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw
+van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en
+vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei
+verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en
+Mohammedanisme.
+
+Vondels _Lucifer_ is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk"
+werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het
+verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld
+hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld,
+had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en
+val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd
+tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met
+wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling
+van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den
+Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en
+bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus,
+tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is
+de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten
+ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs.
+Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich
+aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere
+was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieën en klassieke
+overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen
+hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en
+hooggehouden spel, als zijn _Lucifer_ geworden is, te maken, wanneer
+hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn
+eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hèm het opperst
+wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn _Salmoneus_
+en zijn _Faeton_ zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken
+gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in
+zijn _Lucifer_ uiting vond.
+
+ * * * * *
+
+Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen,
+naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische
+gebeurtenissen en door politieke bedoelingen?
+
+Men weet dat èn Jonckbloet èn Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat
+_Lucifer_ zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een
+politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje.
+
+Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het
+allereerst omdat Jonckbloet--en Van Lennep, ondanks zijn groote
+Vondelvereering, toch eigenlijk ook--beiden veel te rationalistisch
+waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel
+met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter-
+scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om
+in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven,
+ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van
+Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten
+altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in
+zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen.
+Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen
+bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e-
+eeuwsche "kunstphilosophie".
+
+Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den
+allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn _Berecht_, dat hij de
+Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den
+Leeuw en den Draak, vóór Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens
+nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn
+vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar
+Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of
+persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen
+gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat
+hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling,
+daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche
+bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen
+geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen
+wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver
+objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel
+Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (_Cramer_),
+en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs
+1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn
+anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun
+wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat
+zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor
+zijn _Lucifer_ in het bijzonder ons boeien blijft als hèt treurspel van
+het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij
+bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen
+doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins
+Willem II (dien hij als _would-be_ overweldiger van zijn Amsterdam niet
+kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen
+van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam.
+
+ * * * * *
+
+Een inleiding tot de _Lucifer_ kan niet ontberen een inwijding van den
+lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht.
+Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en
+Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt, _Wereldstelsels_ en
+Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde
+vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen,
+waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus
+in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of
+boog komt die der vaste sterren; als negende de _kristallen hemel_.
+En nog weer daaromheen: het _Empyreum_, of de Hemel van het Volmaakte
+Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen
+zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch-
+katholieke opvatting, verdeeld in drie hiërarchieën (rijen) en elk
+dezer weer in drie koren (orden):
+
+1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen;
+
+2. Heerschappijen, Krachten, Machten;
+
+3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen.
+
+Een verdeeling, die Vondel door Gabriël, ten bate van zijn toehoorders
+en lezers, nadrukkelijk laat aangeven:
+
+
+ "Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden worden
+ In drieërhanden rij en negenvoudige orden:
+ De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon,
+ Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboôn.
+ De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten
+ En Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten,
+ Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen.
+ De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên
+ En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken
+ Voor 't woord der middenrij"--
+
+
+Deze schikking, in verband met het feit dat _Lucifer_ herhaalde malen
+(vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud)
+als _Aartsengel_ wordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur
+van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriël
+(vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top van _alle_ hierarchijen
+geplaatst heeft, terwijl Rafaël hem er op wijst, hoe hij, Lucifer,
+_boven_ duizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij)
+gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s
+volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij),
+Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het
+woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten
+denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den
+uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?--gelijk de Inhoud hem dan ook
+noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere
+zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben;
+een mindere zou niet zóó fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op
+het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten
+troon te verheffen, d.i. bòven Lucifer; en dus tusschen dezen en God
+zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet
+zóó vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus
+niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den
+Opperste van _alle_ Hierarchijen. Ook de plaats van Gabriël, Michaël en
+Raphaël kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen.
+Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste
+drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder
+gèen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer"
+en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden")
+te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de
+Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als
+trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche
+Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriël als meêkampende
+monsters vermeld.
+
+En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de
+geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen
+menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier
+toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt!
+Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder
+de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer
+stellen, en hun doel voorbijschieten;--een geschiedenis uit den hoogsten
+Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als
+menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de
+kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn
+verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de
+pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de
+felheid van verzetstuw.[2]
+
+ * * * * *
+
+Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook
+gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings
+te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel
+taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te
+helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven.
+
+Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn
+eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen.
+
+
+Febr. 1913. L. S.
+
+
+Noten:
+
+[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis.
+
+[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels
+ dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn
+ Inleiding: _Vondels dramatiek_ (1e stuk, 2e deel der complete
+ uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek).
+
+
+ * * * * *
+
+
+OPDRACHT[1]
+
+
+ DEN ONVERWINNELIJKSTEN VORST EN HEERE
+ DEN HEERE FERDINANDUS DEN DERDEN,
+ GEKOREN ROOMSCHEN KEIZER, ALTIJD VERMEERDER DES RIJKS
+
+
+Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo
+zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de
+Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid,
+of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den
+toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke
+Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar
+voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre,
+aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer,
+wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt,
+waarvan de Poëet spreekt:
+
+
+ _Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit_:
+
+ Hoe hoog men drave in stijl en toon,
+ Het treurspel spant alleen de kroon.
+
+
+Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de
+tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden,
+die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn
+treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5]
+aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en
+rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit
+rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten
+boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de
+wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historiën getuigen, en
+toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen,
+met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn,
+zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6]
+handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een
+wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan:
+waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze
+Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en
+den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een
+schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en
+Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze
+eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand
+des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen,
+tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom
+God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H.
+Roomschen Rijks, vóór 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in
+den Zone, _Ferdinandus den Vierde_[8], te verzekeren; een zegen, waarop
+zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche
+Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den
+overwonnen Lucifer, in Michaëls triomf-staatsie, ommevoert.
+
+
+ UWE KEIZERLIJKE MAJESTEITS
+
+
+ _allerootmoedigste Dienaar_,
+
+ J. VAN VONDEL.
+anno 1653.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer
+vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf
+aangegeven, tusschen de stof van zijn _Lucifer_ en diens verzet tegen de
+gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid,
+voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr.
+Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand
+III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij
+het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben.
+
+[2] _Wiens stijl_, voor "welks stijl".
+
+[3] _hoogdravendheid_ heeft bij V. niet de beteekenis van
+"gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid".
+
+[4] _Staatzuchtigen_: politiek-eerzuchtigen--_Het treurtooneel
+bekleeden_: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in
+het treurspel spelen.
+
+[5] _die zich vermat_: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer
+op te vatten als: "die het waagde te willen".
+
+[6] _Machten en Stammen_: De Koninklijke stam is de dynastie.
+
+[7] _Gods Orakel_: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is".
+
+[8] _Ferdinand IV_, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning,
+'s vaders opvolger, gekozen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ OP DE AFBEELDINGE VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT
+ FERDINANDUS DEN DERDE;
+
+
+toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk,
+zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde.
+
+
+ _Deus nobis haec otia fecit._
+
+
+
+ De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen,
+ Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog,
+ Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog,
+ Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen.
+
+ De derde _Ferdinand_, geschapen tot regeeren,
+ Gelijk een tweede August, en Vader van de peis,
+ Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis,
+ En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.
+
+ Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken,
+ Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt,
+ En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd.
+
+ Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken,
+ Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd:
+ Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd.
+
+
+Noten:
+
+[1] _Sandrart_: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst,
+die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk
+genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius:
+
+
+ "Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blâren
+ Al wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren."
+
+
+[2] _loofwerk en sieraden_: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de
+lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s
+ordeteekenen.--_Deus nobis haec otia fecit_. (_Virgilius_): een god
+heeft ons deze rust verschaft.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BERECHT
+
+
+AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN.
+
+
+Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens
+te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel
+afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michaël, elk
+met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagië
+stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagiën
+zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl
+vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken.
+Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests
+verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4]
+bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn
+braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder
+nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier
+geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poëzy
+hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen
+zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht
+en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde
+besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten
+steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk
+geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den
+grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen.
+Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen
+aanhang, Isaïas en Ezechiël[7]; bij den Evangelist, Christus, het
+allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te
+hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker
+spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten
+geprint te worden. Isaïas roept: "_O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe
+zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt:
+Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte
+verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil
+boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar
+gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden_."
+God spreekt door Ezechiël aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis,
+vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods
+Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen,
+en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en
+smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe
+schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende
+Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de
+blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer
+scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken
+zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon,
+d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in
+hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd
+worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen
+Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den
+Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun
+misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt
+op deze wijze: "_Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet
+bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van
+duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard._" Wij stuiten
+dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus,
+leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen,
+gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die
+de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken.
+Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en
+eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond
+dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te
+houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit
+den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij
+schrijft: "_Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit
+ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch
+naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem
+door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij
+zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving,
+bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid
+aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem
+geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde._"
+De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "_Dees afvallige
+Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te
+blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de
+heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft._" Het derde en
+leste bewijs scheppen wij uit de predikatiën van den honigvloeienden
+Bernardus[10]: "_Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch!
+d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf,
+klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse
+heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten
+van alle Engelen in eenen Duivel veranderd._" De Hoovaardij en
+Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand
+van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van
+twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers
+oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michaël aanvoeren; aangezien
+deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want
+de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit
+verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare
+tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn
+vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee
+hoofdgebreken Lucifer toeëigenende, maalt ons den aard derzelve levendig
+af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid,
+maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar
+genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij,
+die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien
+ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet
+gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan.
+Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten
+worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de
+zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de
+gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de
+Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus,
+Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der
+tooneelpoëzye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel
+hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener
+is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot
+afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt.
+Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en
+den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het
+derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen
+geduid; waarom men in Poëzye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al
+te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der
+schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande
+personagiën, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede
+Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de
+voegelijkheid zelf ons elk personagië, naar heuren staat en aard, leeren
+uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den
+tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historiën of
+Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der
+poëzy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen
+uitgedrukt:
+
+
+ De Schilder en Poëeet ontvingen beide een macht
+ Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht.
+
+
+Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der
+hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de
+geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den
+Aartsengel Gabriël, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins
+ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der
+meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel
+rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt,
+noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze
+(waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker,
+gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid
+opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en
+goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de
+Hebreën, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk
+der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid
+van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle
+Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der
+Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in
+de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende
+wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd
+der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten,
+gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker
+natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham
+aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd
+hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en
+tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen
+opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen
+zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der
+hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den
+anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen
+hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en
+misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude
+Hebreën, tot hun voorbeeld den Poëet Ezechiël[23], die den uittocht
+der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder
+d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten,
+Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in
+Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den
+Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid
+en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn
+treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken
+en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder
+d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26],
+Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't
+rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de
+gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en
+het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op,
+de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen
+nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond
+des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele,
+der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en
+gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals
+des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche
+Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst,
+te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst
+instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze,
+om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille
+ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een
+krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge
+der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten
+kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed
+stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat
+de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der
+zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte
+jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was
+noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu
+overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en
+vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke
+voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen;
+gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk
+der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en
+meêdoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen,
+in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren,
+geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van
+voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe,
+bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat
+overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te
+verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl
+geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een
+edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weêrgade, van
+dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen,
+getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den
+tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De
+historiën der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige
+voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den
+Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het
+spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd
+wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige
+speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe
+redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan
+leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men
+geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat
+schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt;
+maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet
+wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien
+zin; want _Tragoedia_ is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk
+Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen
+bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de
+tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus
+ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met
+orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en
+ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne
+vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het
+misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet
+ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een
+eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens
+moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet
+misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten
+Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter
+Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die
+zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige
+Overheden durven verheffen.
+
+
+Noten:
+
+[1] _Het heilig treurtooneel_: tooneel waarop gewijd spel gespeeld
+wordt.
+
+[2] _de stellagië stoffeeren_: Uitdrukking verwant aan een andere, bij
+V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak
+ook van een schilderij stoffeeren, met figuren.
+
+[3] _hooger laarzen_. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op
+grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden,
+moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen
+dus op _Kothurnen_, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel
+"brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze
+laarzen.
+
+[4] _Salmoneus_. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding
+van De K., blz. XVII.
+
+[5] _Reuzenstrijd_. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van
+De K.
+
+[6] _reukeloos_: roekeloos.
+
+[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel).
+
+[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met _Engel_, niet met
+_Engeland_. _Engelsche Majesteit_: Engelen majesteit.
+
+[9] _De groote Gregorius_: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw--_bestelt
+ons_: bezorgt ons.
+
+[10] _Bernardus_ (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd _mellifluus_ =
+honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst.
+
+[11] _bestarnde dieren_: dieren die als sterrebeelden voorkomen.
+
+[12] _Augustijn_, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E.
+
+[13] _grootschheid_: grandezza, heerlijkheid.
+
+[14] _Nu dewijl de dieren_. Het verband tusschen de dieren en deze stof
+uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's _De Dieren_. Zie ook Beets,
+_Verscheidenheden_, N.B. II.
+
+[15] _Zelfs bij dieren afgeteekend_: door dieren.
+
+[16] _Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken_: Dichters,
+profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak.
+
+[17] _verzieren_ is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken.
+Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel.
+
+[18] _rijker stof bijzet_. Meer afwisseling geeft.
+
+[19] _onschuld_: verontschuldigingen.
+
+[20] _Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn_. V. had hier een
+profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze
+stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede
+voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere
+vertooning wisten te ontlokken.
+
+[21] _zinnelijkheid_, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De
+smaken zijn verschillend."
+
+[22] _heilige treurspeldichters_. "Heilig" behoort bij treurspel, niet
+bij dichters: dichters van gewijde stoffen.
+
+[23] _Poëet Ezechiël_. Niet _profeet_ (2e E. na Chr.).
+
+[24] _Gregorius Nazianzener_. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw).
+
+[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was
+onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn _Christus Pattens_; voor zijn _Adam
+in Ballingschap_ inspireerde hem De Groots _Adamus Exul_; diens derde
+Latijnsche treurspel: _Solompaneas_ vertaalde hij. Zie mijn Inleiding
+pag. 71.
+
+[26] _Sir Richard Baker_ (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in
+schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis _Bespiegelingen_ en
+_Overwegingen_ schreef over Bijbelsche onderwerpen (_Chambers_).
+
+[27] _wettige treurspelen_: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo
+juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter.
+Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten?
+
+[28] _de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen_. Voor de
+beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn
+Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45.
+
+[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar
+latere) _Jeptha_ den "matigenden" en "manierenden" invloed der
+treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten
+schrik.
+
+[30] _spitsvondig_. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te
+vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken.
+
+[31] _tuimelgeest_: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet
+tuimelen, dazen.
+
+[32] _gestoffeerd_: schoon gevuld met.
+
+[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek",
+pag. 24/25 en 31.
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+
+Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen,
+hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde
+Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en
+in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij
+benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriël, Gods Heraut, alle
+Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods
+toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom
+voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid
+vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de
+hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen,
+en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1],
+ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michaël, 's Hemels
+Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaëls waarschuwinge,
+aanvoerde; en afgestreden, na de neêrlaag, uit wrake den eersten mensch,
+en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne
+weêrspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd.
+
+
+ _Het Tooneel is in den Hemel_.
+
+
+Noot:
+
+[1] _door zijne medestanders_: d.w.z. met behulp van zijn medestanders.
+
+
+ * * * * *
+
+
+PERSONAGIEN
+
+
+BELZEBUB..)
+BELIAL....) _Wederspannige Oversten_.
+APOLLION..)
+GABRIEL, _Gods Geheimenistolk_.
+REI VAN ENGELEN.
+LUCIFER, _Stedehouder_.
+LUCIFERISTEN, _Oproerige Geesten_.
+MICHAEL, _Veldheer_.RAFAEL, _Beschermengel_.
+URIEL, _Michaëls Schildknaap_.
+
+
+(_Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari_ 1654.)
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET EERSTE BEDRIJF
+
+
+BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1].
+
+
+BELZEBUB:
+
+Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven,
+Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven.
+Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam,
+Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam'
+Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden
+Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden
+Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer.
+Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer
+En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder.
+
+BELIAL:
+
+Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder,
+Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht.
+Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht
+En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken
+De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken,
+In eenen andren dag en schooner zonneschijn,
+Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn.
+De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder,
+Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder
+Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier,
+Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier.
+Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen,
+Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen
+Voorspoedig afgeleid.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat brengt Apollion?
+
+APOLLION:
+
+Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon,
+Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten
+Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten,
+Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land
+En van den hof, door God gezegend en beplant,
+Tot wellust van den mensch[5].
+
+BELZEBUB:
+
+ Ik zie de gouden bladen,
+Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen.
+Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt!
+Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud!
+'t Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen.
+'t Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden
+Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag,
+En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag.
+Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen;
+'t Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen.
+
+APOLLION:
+
+Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog,
+Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog
+Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven,
+Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven.
+
+BELZEBUB:
+
+Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe.
+
+APOLLION:
+
+'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe
+Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10],
+Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen.
+Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan,
+In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11]
+En wolken, afgegleên, bleef hangen op mijn pennen[12].
+Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13],
+Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt,
+Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt.
+Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14],
+Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten,
+Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin
+Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin
+Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen
+Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.
+
+APOLLION:
+
+De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is.
+In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert,
+Die zich in vieren deelt en al het land bewatert,
+Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit,
+Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17].
+De stroomen geven slib, en koesteren de gronden.
+Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden.
+Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt,
+Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt,
+Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen.
+Hier woû Natuur haar schat in éénen schoot vergaderen.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft?
+
+APOLLION:
+
+Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft,
+Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent,
+Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent:
+Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur,
+En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur.
+De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen
+Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen
+Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen
+En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen.
+
+APOLLION:
+
+Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21],
+Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan,
+En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan.
+Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren,
+Die op het aardrijk treên, of in de wolken zwieren,
+Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend,
+En leven schept in zijn bijzonder element.
+Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen
+Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen.
+De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart,
+En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard
+Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen,
+En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren;
+Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man,
+Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25].
+Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen
+En toegekwinkeleerd van 't lustpriëel, vol tongen;
+Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt,
+En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt.
+Had zich Apollion in zijnen last gekweten,
+Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26].
+
+BELZEBUB:
+
+Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt?
+
+APOLLION:
+
+Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd
+Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen
+Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28]
+Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest,
+Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest,
+Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen,
+Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen.
+Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen.
+Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen.
+De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.
+Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren
+Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd
+Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.
+
+BELZEBUB:
+
+Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven.
+
+APOLLION:
+
+Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven.
+D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof.
+Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof.
+Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis.
+Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis,
+En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom.
+Voor hare majesteit staan alle Geesten stom.
+De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen;
+Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen.
+En hierom huwde God den man aan zijn mannin.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin?
+
+APOLLION:
+
+Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen,
+Om mijn gedachten en genegendheên te teugelen,
+Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand
+Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand,
+Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken,
+Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken:
+Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom,
+Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom
+En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen;
+Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen.
+Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30]
+Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man.
+Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen,
+Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen!
+
+BELZEBUB:
+
+Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld?
+
+APOLLION:
+
+Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld,
+En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen.
+Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen
+En wederminnen met een onderlingen lust,
+Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen.
+
+APOLLION:
+
+Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen.
+De man en vrouw zijn beî volschapen, even schoon,
+Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon,
+Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen,
+Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen;
+Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch:
+Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch,
+Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen,
+Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen
+Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor,
+En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';--
+Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden,
+Het zijn wanschapenheên bij 't morgenlicht der maagden.
+
+BELZEBUB:
+
+Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33].
+
+APOLLION:
+
+Ik heb mijn slagveêr in dat aangename vier
+Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen,
+Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen.
+Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om.
+Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom,
+Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34],
+Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen,
+En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht,
+Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht.
+Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven;
+Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt
+En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld?
+
+APOLLION:
+
+Zoo lang die hof beneên niet ophoude ooft te geven,
+Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven,
+Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom,
+Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom
+Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk.
+Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk,
+En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk,
+Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk
+Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten?
+Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten
+In duizendduizenden, in een oneindig tal.
+Nu overreken eens, wat hieruit worden zal.
+
+BELZEBUB:
+
+De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen?
+
+APOLLION[35]:
+
+Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen,
+Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan;
+Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan,
+Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten.
+Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten?
+Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem
+Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien.
+
+APOLLION:
+
+d'Aartsengel Gabriël, gevolgd van 's Hemels reien,
+Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon
+T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboôn.
+
+BELZEBUB:
+
+Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden.
+
+
+ GABRIËL. REI VAN ENGELEN.
+
+
+GABRIËL:
+
+Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden!
+De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit,
+Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid
+Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten,
+Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten;
+Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk,
+Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk,
+En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden
+Der opgeleide wet, met God bezitten zouden.
+Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal
+Der wereld, Gode en ook den mensche te geval,
+Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren,
+Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren,
+En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans
+Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans.
+Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen;
+God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen,
+Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot
+Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God.
+Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en âren,
+Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen
+Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk,
+Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk.
+Daar staat de stoel alreê geheiligd in het midden.
+Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden.
+Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt,
+Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt.
+Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister,
+Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister.
+Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37].
+Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38].
+
+REI VAN ENGELEN:
+
+Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen.
+
+GABRIEL:
+
+Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen,
+Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint.
+Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint.
+De mensch en Engel, beide uit éénen stam gesproten,
+Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41],
+Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet.
+Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet!
+Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42]
+In driederhande rij, en negenvoudige orden:
+De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon,
+Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboôn.
+De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten
+En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten
+Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen.
+De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheên,
+En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43]
+Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken
+Beneden het gewelf van zuiver kristallijn,
+In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'.
+Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden,
+Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden,
+Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon
+Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44].
+Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden,
+Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden.
+Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht,
+Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht.
+Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden,
+En brengen voor Gods troon der menschen offeranden
+En wenschen en gebeên, en zingen 's Godheids lof,
+Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof.
+Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten,
+Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten
+Met wolken, om den berg te zegenen omlaag,
+Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag
+Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden
+Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden.
+Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent,
+Die matige op zijn pas een ieder element,
+Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden,
+Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden.
+Een ander sla de treên des menschen gade op 't veld.
+De Godheid heeft zijn haar tot op één haar geteld.
+Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote.
+Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48]
+Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht.
+Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht.
+
+ REI VAN ENGELEN[49]:
+
+ ZANG.
+
+ Wie is het, die zoo hoog gezeten,
+ Zoo diep in 't grondelooze licht,
+ Van tijd noch eeuwigheid gemeten
+ Noch ronden, zonder tegenwicht[50],
+ Bij zich bestaat, geen steun van buiten
+ Ontleent, maar op zichzelven rust,
+ En in Zijn wezen kan besluiten
+ Wat om en in Hem, onbewust
+ Van wanken, draait, en wordt gedreven
+ Om 't een en eenig middelpunt[51];
+ Der zonnen zon, de geest, het leven;
+ De ziel van alles wat gij kunt
+ Bevroên, of nimmermeer bevroeden;
+ Het hart, de bronaâr, d'oceaan
+ En oorsprong van zoovele goeden[52]
+ Als uit Hem vloeien en bestaan
+ Bij zijn genade, en alvermogen,
+ En wijsheid, die hun 't wezen schonk
+ Uit niet, eer dit in top voltogen
+ Paleis, der Heemlen Hemel, blonk;
+ Daar wij met vleuglen d'oogen dekken,
+ Voor aller glansen Majesteit;
+ Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken,
+ En vallen, uit eerbiedigheid,
+ Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.--
+ Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem,
+ Met eene Serafijne veder.
+ Of schort het aan begrijp en stem?
+
+ TEGENZANG.
+
+ Dat 's _God_. Oneindig eeuwig Wezen
+ Van alle ding, dat wezen heeft.
+ Vergeef het ons, o nooit volprezen
+ Van al wat leeft, of niet en leeft;
+ Nooit uitgesproken, noch te spreken;
+ Vergeef het ons, en scheld ons kwijt
+ Dat geen verbeelding, tong, noch teeken
+ U melden kan. Gij waart, Gij zijt,
+ Gij blijft dezelve. Alle Englekennis
+ En uitspraak, zwak, en onbekwaam,
+ Is maar ontheiliging en schennis:
+ Want ieder draagt zijn eigen naam.
+ Behalve Gij. Wie kan U noemen
+ Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd
+ Tot Uw Orakel? wie durf roemen?
+ Gij zijt alleen dan die Gij zijt,
+ U zelf bekend en niemand nader.
+ U zulks te kennen, als Gij waart,
+ Der eeuwigheden glans en ader,
+ Wien is dat licht geopenbaard?
+ Wien is der glansen glans verschenen?
+ Dat zien is nog een hooger heil
+ Dan wij van uw genade ontleenen;
+ Dat overschrijdt het perk en peil
+ Van ons vermogen. Wij verouden
+ In onzen duur; Gij nimmermeer.
+ Uw wezen moet ons onderhouden.
+ Verheft de Godheid; zingt Haar eer!
+
+ TOEZANG.
+
+ Heilig, heilig, nog eens heilig,
+ Driemaal heilig! eer zij God!
+ Buiten God is 't nergens veilig.
+ Heilig is het hoog gebod.
+ Zijn geheimenis zij bondig[53];
+ Men aanbidde Zijn bevel.
+ Dat men overal verkondig,
+ Wat de trouwe Gabriël
+ Ons met zijn bazuin kwam leeren:
+ Laat ons God in Adam eeren.
+ Al wat God behaagt, is wel.
+
+
+Noten:
+
+[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche
+namen); APOLLION (Grieksch): verderver.--Deze Engelen zijn dus door
+Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen,
+duivelschen aard.
+
+BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; vóór de komst van
+Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde
+gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de
+laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen
+gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt
+lezers en hoorders in de sfeer der handeling.
+
+[2] _Kreits in kreits_: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel
+der Hemelen en de aarde liggen (_Voorwoord_).
+
+[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.).
+
+[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over.
+
+[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid
+geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van
+Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel.
+
+[6] _verf_: kleur.
+
+[7] _vroolijk_: fleurig.
+
+[8] hemelsch _mann_: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn
+uit den hemel viel.
+
+[9] _mist me niet_: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan.
+
+[10] _de negen bogen_: (zie _Voorwoord_).
+
+[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde.
+
+[12] _pennen_: vleugels.
+
+[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel
+en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant
+des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in
+modernen zin lag niet in den geest van dien tijd.
+
+[14] _verschieten_: in 't verschiet opdoemen.
+
+[15] _onderwereld_: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de
+menschen.
+
+[16] _valt rond_: is rond (uitgevallen).
+
+[17] _daar geen gezicht op stuit_; die gezichten weerspiegelen.
+
+[18] _Bdellion_: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts.
+
+[19] _Dan_: daardoor.
+
+[20] _telg_: tak.
+
+[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen
+wenschen?
+
+[22] _Wiens_: wier.
+
+[23] _ommegang_ der dieren: hun leven en bedrijven.
+
+[24] _bergleeuw, landstier_: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger
+en voller, voor 't vers.
+
+[25] _Behemoth, Leviatan_: voorwereldlijke reuzendieren.
+
+[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels
+door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en
+was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven.
+
+[27] _geestig_: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol".
+
+[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam
+in Ballingschap."
+
+[29] _Zijn ribbe_, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd
+in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie.
+
+[30] _gespan_: Wat _samen_ in een gareel gespannen is. Thans nog:
+"span".
+
+
+[31] _Dit eischt Natuurs penseel_. Hier spreekt Vondel (en niet
+Apollion, zeker!), wien alle poëzie "levende schilderij" was.
+
+[32] _wiens_: welker.
+
+[33] _dier_: schepsel.
+
+[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van
+haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van
+Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende?
+
+[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen
+versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent
+Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon
+te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der
+Menschheid te stellen--heel dramatisch--die onrust tot wrevel aansporen
+die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s _Dramatiek_
+pag. 112.
+
+[36] : _van eeuwigheid_, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit
+van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen.
+
+[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen
+verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij,
+Engelen, grooter en schooner zijn.
+
+[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in
+alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde
+lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op
+bijzondere wijze beklemtoond.
+
+[39] _stemt_: bestemt, bepaalt, vaststelt.
+
+[40] _passen_, (evenals te voren): zorgen.
+
+[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder
+effect dan in noot 38.
+
+[42] Over die verdeeling der Engelen zie _Voorwoord_.
+
+[43] _moet duiken_: moet buigen.
+
+[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't
+bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling.
+
+[45] _Gehoorzaamt Lucifer_. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om
+ons den straks afvallige hier door Gabriël te doen noemen als den
+eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen.
+
+[46] _Een ander draai gestarnte_. Het was, ook volgens Dante, de taak
+der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie _Ploeg_
+II, pag. 41).
+
+[47] _Onnoozelheid_. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van
+"onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed vóór den
+zondeval.
+
+[48] _gezonden van een Groote_: Zie tevoren, dat een Engel der laagste
+rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken
+voor een aardsche zending.
+
+[49] _Rei van Engelen_. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de
+_zang_ wordt aangeheven door de lagere rijen, de _Tegenzang_ door die
+der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een
+_Serafijne_ veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods
+Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar:
+
+ Dat zien is nòg een hooger heil,
+ Dan wij van uw genade ontleenen.
+
+[50] _noch ronden_. De hemellichamen zijn gebonden aan de _ronden_,
+sferen; God niet.--_Zonder tegenwicht bij zich bestaat_: op zich zelf
+staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: _Geen steun van buiten
+ontleent_.
+
+[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is
+begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het _Al_.
+
+[52] _Zoovele goeden_: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat
+aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het
+licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de
+Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der
+Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn.
+Waarom niet als in _Adam in Ballingschap_ vs. 465, "goede dingen"?
+
+[53] _bondig_. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk.
+meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer:
+"raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar."
+D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn
+bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het
+opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene
+uitdrukt.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET TWEEDE BEDRIJF
+
+
+LUCIFER, BELZEBUB
+
+
+LUCIFER:
+
+Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]:
+Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen,
+Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer
+Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2],
+Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven,
+Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven.
+Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad,
+Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad
+Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen;
+Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen,
+En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag,
+De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag.
+'t Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen:
+De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen,
+In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend:
+Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient
+En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen.
+De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen.
+'t Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag',
+Dat ieder op hen passe, en op de handen draag',
+Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4].
+Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen.
+Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk.
+De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk
+Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven
+De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven
+En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort,
+Wat Gabriël bazuint voor 's Hemels gouden poort.
+
+BELZEBUB:
+
+O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen,
+Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen
+Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft.
+De last van Gabriël leît klaar: dat woord behoeft
+Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen.
+Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen
+Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan,
+Wat Adam al bezit, zoo laag beneên de maan:
+Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt,
+Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt,
+En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer
+Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer.
+De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open.
+Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen
+Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien
+Zoo verre boven u, en, vallende op uw kniên,
+Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen,
+Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen.
+Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht,
+Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht,
+En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10]
+Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden,
+Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk,
+Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk,
+Dat God de menschen wil verheffen, ons verneêren?
+Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren
+Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand:
+Een lager is er, die de kroon daar boven spant,
+Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen
+En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen
+Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad.
+Wij zien den Hemel haast veranderen van staat.
+De starren zien vast uit, en wijken met verlangen,
+Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen.
+
+LUCIFER:
+
+Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht.
+
+BELZEBUB:
+
+Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht
+Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen.
+Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen.
+Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God,
+Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod;
+Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden.
+De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden,
+Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem
+Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem?
+Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden,
+Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden
+Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij
+Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij.
+De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten:
+Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten.
+En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reên;
+Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een.
+
+LUCIFER:
+
+Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen
+Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen;
+Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht;
+Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht,
+Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren:
+Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren.
+Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet éénen voet.
+Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed,
+Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen:
+Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12].
+Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd,
+Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd,
+Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden
+En zooveel duizenden als onze zijde houden.
+Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof;
+En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof,
+Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder;
+Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder.
+Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut,
+Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd.
+Het waar' niet ongeraân hem nader t' ondervragen.
+Ik wil hem tegentreên, en aftreên van den wagen.
+
+
+ GABRIEL. LUCIFER.
+
+
+GABRIEL:
+
+Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis?
+
+LUCIFER:
+
+Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis!
+
+GABRIEL:
+
+Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen.
+
+LUCIFER:
+
+Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen,
+Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart,
+Verlicht me met uw komst.
+
+GABRIEL:
+
+ Wat is 't, dat u bezwaart?
+
+LUCIFER:
+
+Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde
+Des hemels lager schat dan 't element der aarde,
+den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel
+Door alle starren voert; het menschdom op den stoel
+Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven;
+Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven.
+Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof
+Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof
+Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen,
+En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen?
+Waartoe vernedert ons d'oneindige Genâ
+Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spâ?
+En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen
+Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen
+Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in
+Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin?
+Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?--
+Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen?
+Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht
+Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht,
+Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen?
+Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen
+Zien buigen voor een grof en zakkende element[14],
+Daar God zijn majesteit en wezen inneprent?
+Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten.
+Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten,
+Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil
+Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil.
+
+GABRIEL:
+
+Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen.
+Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden.
+De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt.
+Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind.
+De zuivre Wijsheid woû ten deel' haar wil bezegelen[15],
+Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen
+Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat,
+Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat.
+De reden en het wit, waarom wij namaals wachten,
+Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16],
+Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd,
+Den schepter voeren zal, en breed en overwijd
+De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren,
+Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren.
+Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord.
+
+LUCIFER:
+
+Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord
+Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17]
+Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten
+Zoo verre boven God?
+
+GABRIEL:
+
+ Genoeg u met uw lot
+En staat en waardigheid, u toegeleîd van God.
+Hij hief u in den top van alle Hierarchijen:
+Doch niet om iemands glans en opgang te benijen.
+De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon,
+Indien ze wederstreef des Oppersten geboôn.
+Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen.
+
+LUCIFER:
+
+Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen.
+
+GABRIEL:
+
+Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al
+Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal,
+Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen.
+
+LUCIFER:
+
+Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen,
+Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon
+Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon
+Van duizend duizenden eenstemmige koralen,
+Verdooft de majesteit en diamanten stralen
+Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet;
+En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet.
+
+GABRIEL:
+
+De zaligheid bestaat in een gerust genoegen,
+In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen.
+
+LUCIFER:
+
+De majesteit van God en Godheid wordt verkleend,
+Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent,
+Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader
+Aan God en Zijn natuur, als zoons van éénen Vader
+Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is
+Te stellen tegens een deze ongelijkenis
+Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde
+Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde
+Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19],
+Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook
+En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven!
+Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven!
+De zon al majesteits ontberen, in haar loop!
+Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop,
+Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20],
+Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen
+In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriël!
+Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel,
+Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven.
+Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven,
+Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor
+Van mijn gehoorzaamheid.
+
+GABRIEL:
+
+ Gij ijvert krachtig voor
+De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen
+Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen,
+Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek.
+De menschgeworden God zal dit geheimnisboek,
+Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten.
+Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten
+Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom
+Van zijn verholendheên, en diep in 't Heiligdom
+Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken,
+En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken
+Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht
+De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht.
+Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21].
+Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen
+Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert,
+Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneêrt.
+Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten.
+Ik ga, daar God mij zendt.
+
+LUCIFER:
+
+Men zal er scherp op letten.
+
+
+ BELZEBUB. LUCIFER.
+
+
+BELZEBUB:
+
+De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait,
+Dat Gabriëls bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid.
+Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken:
+Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23].
+
+LUCIFER:
+
+Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien.
+Geen minder droome hier zijn meerder te gebiên.
+
+BELZEBUB:
+
+Hij dreigt weêrspannigheid haar hoofd en kroon te pletten.
+
+LUCIFER:
+
+Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24],
+Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans,
+Door alle kreitsen hene en starrelichten glans.
+Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25],
+De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken
+Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel.
+Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel
+Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder
+Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder
+Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf;
+Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf,
+Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26]
+Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen;
+'t Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp
+Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27],
+En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren.
+Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren.
+Men dage Apollion.
+
+BELZEBUB:
+
+Hier treedt hij voor den dag.
+
+
+ APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB.
+
+
+APOLLION:
+
+O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag,
+Orakel, in den Raad der onderdane Goden,
+Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden.
+Wat eischt de majesteit van haren onderdaan?
+
+LUCIFER:
+
+Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan,
+Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken.
+Het wit is[28] Michaël de slagveêr uit te rukken,
+Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'.
+Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit,
+Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven
+In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven
+In top der Hemelen, door alle kreitsen heen,
+En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneên
+Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen.
+Het lust me met geweld dien zetel te bestormen,
+En op te zetten bij dat opzet, in één slag,
+Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag.
+
+APOLLION:
+
+Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere
+En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere
+Te raden, onder u, tot zulk een brave daad.
+Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29],
+De wil is prijselijk, al woû het niet gedijen.
+Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen,
+Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan?
+Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan?
+
+LUCIFER:
+
+Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen.
+
+APOLLION:
+
+Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen
+In eene zelve schaal met d'Almacht;--haar gewicht
+Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht.
+
+BELZEBUB:
+
+Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.
+
+APOLLION:
+
+Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen?
+Het overpeinzen kwetst alreê Gods majesteit.
+
+LUCIFER:
+
+Men hoû haar ongekwetst, en stappe met beleid
+Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen.
+Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen.
+
+APOLLION:
+
+Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na,
+Tenzij men leeren wil met naberouw te spâ.
+De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken.
+
+LUCIFER:
+
+Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken
+Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'.
+Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg
+Met eenen slingerslag; ons heiren overladen
+Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden.
+
+APOLLION:
+
+Gij weet wat Michaël, Gods Veldheer, al vermag:
+Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag.
+Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven.
+De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34]
+Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star
+Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35],
+Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren.
+Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren,
+Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart
+Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart'
+Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen?
+Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open,
+Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling.
+
+BELZEBUB:
+
+Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling,
+Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd
+Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd.
+
+APOLLION:
+
+De Veldheer Michaël voert, ruim zoo trotsch en fier,
+Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier,
+De zon in top.
+
+LUCIFER:
+
+ Wat baat een naam met licht geschreven?
+Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven
+Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed
+En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed.
+Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41],
+Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien.
+Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht;
+En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht.
+Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen;
+De hoofden en de leên aan 't woeden en krakeelen;
+De meeste macht alreê geblinddoekt en verdoofd,
+En oversten en elk vast roepen om een hoofd.
+Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42],
+Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen
+Ga hene, en overleg dit stuk met Belial:
+Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal.
+Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen,
+In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43],
+Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee.
+De Hofraad is vergaârd en wacht ons' komst alreê.
+Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen.
+Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen.
+
+
+ BELIAL. APOLLION.
+
+
+BELIAL:
+
+Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog.
+
+APOLLION:
+
+Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog.
+
+BELIAL:
+
+En doelen op een wit, doch hachelijk te raken.
+
+APOLLION:
+
+Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken.
+
+BELIAL:
+
+Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan.
+
+APOLLION:
+
+Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan?
+
+BELIAL:
+
+De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen.
+
+APOLLION:
+
+De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen.
+
+BELIAL:
+
+Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd.
+
+APOLLION:
+
+Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt.
+
+BELIAL:
+
+Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten,
+En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten.
+
+APOLLION:
+
+Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof,
+Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof
+Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen;
+Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48],
+En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep,
+Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep.
+Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven.
+Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven,
+En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag,
+Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag
+Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen.
+Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen
+Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend.
+De mensch beware[49] dan zijn eigen element,
+Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50]
+Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen
+Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar.
+Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar.
+Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden,
+En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51].
+Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer?
+Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer.
+Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten.
+
+BELIAL:
+
+Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52].
+
+APOLLION:
+
+Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor.
+Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor,
+Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen.
+
+BELIAL:
+
+Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen.
+Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed.
+
+APOLLION:
+
+Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed.
+
+BELIAL:
+
+Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien.
+
+APOLLION:
+
+Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien,
+Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag.
+
+BELIAL:
+
+Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag,
+Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54].
+
+APOLLION:
+
+Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen.
+
+BELIAL:
+
+De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid,
+Biê zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55].
+
+APOLLION:
+
+Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren:
+Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen
+Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd.
+
+BELIAL:
+
+Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft,
+Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen.
+
+APOLLION:
+
+Wat reê gewonnen is, behoeft men niet te winnen.
+Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat,
+Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat
+In zooveel duizenden!
+
+BELIAL:
+
+ De billijkheid en reden
+Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden,
+Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan,
+Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan.
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ ZANG.
+
+ Hoe zien de hoffelijke gevels[56]
+ Zoo rood? hoe straalt het heilig licht
+ Zoo rood op ons gezicht,
+ Door wolken en bedroefde nevels?
+ Wat damp, wat mist betrekt
+ Dat zuiver, nooit bevlekt,
+ En loutere saffier?
+ Die vlam, dien glans, dat vier
+ Van 't heldere Alvermogen?
+ Hoe schijnt ons nu de diepe gloed
+ Der Godheid toe, zoo zwart als bloed?
+ Die flus zoo klaar alle oogen
+ Verheugde? Wie begrijpt, wie kent
+ Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen,
+ Die, boven Adams element,
+ Nog flus op galm van kelen zwommen;
+ Op lucht van Geesten, in den glans,
+ Die galerij, en tin, en trans,
+ Gewelf van koor en hof verguldde,
+ En met een ziel van vreugd vervulde
+ Al wat hier boven leeft, en zweeft?
+ Wie is er, die ons reden geeft?
+
+ TEGENZANG.
+
+ Toen wij, op Gabriëls bazuinen,
+ Ontvonkten, en een nieuwe wijs
+ Aanhieven, God ten prijs;
+ De rozengaarden, en de tuinen
+ Van 't Hemelsch Paradijs,
+ Door zulk een dauw en spijs
+ Van lof en zang verblijd,
+ Ontloken;--scheen de Nijd[57]
+ Van onder in te sluipen.
+ Een groot getal der Geesten, stom
+ En bleek en doodsch, ging, drom bij drom
+ Misnoegend henendruipen.
+ De winkbrauw hing verslenst op 't oog.
+ Het gladde voorhoofd zette een rimpel.
+ De Hemelduiven, hier omhoog,
+ Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel,
+ Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen;
+ Alsof de Hemel viel te kleen
+ Voor haar, toen Adam wierd verkoren,
+ En zulk een kroon den mensch beschoren,
+ Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht.
+ Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht.
+
+ Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen,
+ En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen.
+
+
+Noten:
+
+[1] _Gij snelle geesten--trek onzen wagen_: Lucifer is de eenige engel,
+van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van
+het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen?
+
+[2] _deze dubbele star_: Adam en Eva.
+
+[3] _'t Is nacht met Engelen_: 't Wordt duister voor d'Engelen.
+
+[4] _op d'allerhoogste tronen_: tot d'allerhoogste tronen; immers naast
+God.
+
+[5] _onze erfenis_: ons erfdeel.
+
+[6] _strijkt de kroon_: gaat met de kroon strijken.
+
+[7] _de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven_: de staf Gods
+zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen.
+
+[8] _die 't eeuwig feest:_ de blijschap eeuwigdurendlijk.
+
+[9] _met nederslachtigheid_: ootmoedig.
+
+[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt
+hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en
+ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch.
+
+[11] _anders_: althans (Wdbk).
+
+[12] _dien hoek te boven komen_: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm;
+ook in _Adam in Ballingschap_ aan te treffen.
+
+[13] _een wulpsch vermogen_. Een wulp is een jong dier, in het algemeen,
+en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig.
+
+[14] _zakkende element_. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven,
+in tegenstelling tot den mensch.
+
+[15] _Wou haar wil bezegelen_: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie
+hiervoor, _op bondig_.
+
+[16] _een tafel erfgeslachten_: een ganschen stamboom.
+
+[17] _Een ingeboren zwichten_. Hier kàn V. gedacht hebben aan de oude
+grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is
+het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene
+boven den vreemdeling gaat?
+
+[18] _vereent, vereeniqt_: één maakt en innig één doet worden.
+
+[19] _God_: de zon; de smook: de menschheid.
+
+[20] _Wanorden orden en geschiktheid overrompelen_. "Geschiktheid" staat
+hier voor: "'t geen wèl geschikt is," dus in denzelfden zin als orde.
+
+[21] _tegenstappen_: tegemoetgaan, bejegenen.
+
+[22] _plakkaat_: ordonnantie; voorschrift.
+
+[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem vóór te leggen hoe de
+menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting.
+
+[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich
+zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s _Berecht_.
+
+[25] _verstrekken_: zijn tot.
+
+[26] _bogen, ronden; kreitsen_. Zie _Voorwoord_.
+
+[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot
+den ouden staat van woestheid. _Mengelklomp_ is Chaos.
+
+[28] _Het wit is_: het doel is.
+
+[29] _bestaan_: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen".
+
+[30] _geleende macht_: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan
+den Leenheer, God.
+
+[31] _haar gewicht weegt over_: voor "overweegt" "is zwaarder".
+
+[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michaël, niet tegen God.
+
+[33] _den sleutel van het Wapenhuis_: een wat te nuchter-realistisch
+trekje, in deze hemelsfeer.
+
+[34] _Hij houdt op alle Hoven_: _Hof_ werd in de 16e en 17e E. gebruikt
+voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar:
+de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk).
+
+[35] _dar_: durft. Zie in het _Voorwoord_: de Engelen geleiden de
+Hemellichamen op hun baan. Zie ook: _een ander draaigestarnte_.
+
+[36] _Men vangt haast aan_: het aanvangen gaat vlug genoeg.
+
+[37] _braveeren_: als _bravade_: pronken, uittartend glansen, als teeken
+van overwinning.
+
+[38] _Gods wonderlijken naam_: Wonderbaarlijken.
+
+[39] _tittelen_: titels, gezag, vertoon.
+
+[40] _treken_: listen.
+
+[41] _in te luien_: in slaap te wiegen.
+
+[42] _troonen_: meetronen.
+
+[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van _voorbij vliegen_:
+overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan
+"voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht.
+
+[44] _leg het over_: overleg.
+
+[45] _dit stuk_: aanslag.
+
+[46] _ietwat glimpelijks_: iets dat er een goeden glimp aan geeft.
+
+[47] _te schennen tegens een_: tegen elkaar op te zetten.
+
+[48] _waren_: verdedigen. Verweren. Zie _Gysbrecht_: "ik kom dit
+slot bewaren."
+
+[49] _beware_: blijve dan in.
+
+[50] _palen_: grenzen.
+
+[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de
+aarde.
+
+[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme.
+
+[53] _door toeval van ontelbre vanen_: ontelbre regimenten (_vanen_)
+zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten.
+
+[54] _Zijn wapen hangen_. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd
+op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat
+wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk
+insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: _arms_).
+_Zijn wapen hangen_ = zijn zegel hechten.
+
+[55] _trotsch beleid_: trotseerend beleid.
+
+[56] _Hoffelijke gevels_: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een
+bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer
+gold.
+
+[57] _De Nijd_ treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die
+Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid.
+
+[58] _Onnoozel_: van kwaad onbewust.
+
+[59] _die vlam_ (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood
+zien".
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET DERDE BEDRIJF
+
+
+LUCIFERISTEN. REI.
+
+
+LUCIFERISTEN[1].
+
+Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden!
+Hoe is 't alreê verkeerd! wij schatten niemands Orden
+Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk,
+Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk,
+En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend;
+Wanneer[2] ons Gabriël met Gods bazuin bejegent,
+En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod,
+Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot,
+Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken.
+Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken
+En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht,
+De gansche Hierarchy des hemels ongerust,
+Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven,
+Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven.
+O onverwachte slag en staatverwisseling!
+Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring
+In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren
+En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren,
+Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbiên.
+De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien.
+Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien,
+Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4],
+En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht,
+Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht.
+Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten.
+Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten!
+Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart.
+Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart.
+Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren:
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+REI[5].
+
+Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon!
+De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon
+Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen
+Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen,
+En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit?
+Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit,
+Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen?
+Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden?
+Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag'
+Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag
+Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert,
+Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert.
+De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vreê.
+Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee.
+Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren!
+
+LUCIFERISTEN (_koor_):
+
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+REI:
+
+Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe?
+O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moê?
+Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
+Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren,
+Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans.
+De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans,
+Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven,
+In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven,
+Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann'
+Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan
+Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen
+Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7],
+Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom.
+Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom.
+Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen.
+Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let?
+Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriël trompet:
+Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen
+In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen,
+Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan.
+Wat is bij ons[8] alreê mishandeld of misdaan,
+Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen,
+Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen?
+Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof?
+Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof,
+Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten,
+En worden op een sprong gebannen, en gestooten
+Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf;
+De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf,
+Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren
+Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10],
+En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald.
+De zon der Geesten is te plotseling gedaald.
+Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren.
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+REI:
+
+Ontstelt ge u om den last van God en Gabriël?
+Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel
+Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven?
+Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven,
+Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil
+Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil
+Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel.
+Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel.
+Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk
+Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk.
+Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!)
+Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen.
+Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag,
+En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren.
+
+REI:
+
+Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid.
+
+REI:
+
+Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen.
+
+REI:
+
+In steê van uwen wil gerust naar God te voegen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan.
+
+REI:
+
+Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hoe kan de meerder voor een minder zich verneêren?
+
+REI:
+
+Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneên.
+
+REI:
+
+De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.
+
+REI:
+
+Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik.
+
+REI:
+
+Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen.
+
+REI:
+
+De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan.
+
+REI:
+
+Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan!
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Och, Engelsdom! woû God zich paren met uw wezen!
+
+REI:
+
+Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hoe heeft Hij 's menschen peil alreê zoo hoog gemerkt!
+
+REI:
+
+Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]!
+
+REI:
+
+Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof?
+
+REI:
+
+Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen?
+
+
+ APOLLION. BELIAL. REI.
+
+
+APOLLION:
+
+Zij mompelen alreê; gij hoort een strijd van tongen[15].
+
+BELIAL:
+
+Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw,
+De sluiers om de borst en lenden; niemand zou
+Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten,
+Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten,
+Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal
+Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval
+Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen?
+Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen.
+Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert.
+
+REI:
+
+Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert
+Door Gabriëls bazuin, en opstijgt boven d'Engelen;
+Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen:
+De Geesten onderworpt het menschelijk gebied.
+Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet.
+
+APOLLION:
+
+Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen.
+
+BELIAL:
+
+Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen.
+
+REI:
+
+Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht.
+
+APOLLION:
+
+Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht.
+
+REI:
+
+Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken.
+
+APOLLION:
+
+Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken?
+
+REI:
+
+Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor.
+
+BELIAL:
+
+De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor.
+
+REI:
+
+Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen.
+
+APOLLION:
+
+Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen.
+
+REI:
+
+Hij zet den eenen van, den andren op den troon.
+De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon.
+
+BELIAL:
+
+Gelijkheid van genâ de Godheid best zou passen.
+Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16].
+De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag.
+
+REI:
+
+Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag,
+Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde.
+Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde
+Veranderen in lucht of water of in vier;
+De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier,
+Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder.
+Eén macht regeert het al en keert het bovenste onder.
+Wat d'allerminste ontvangt is loutere genâ.
+Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spâ[17].
+In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen.
+Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen.
+Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur;
+De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur;
+Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren.
+Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18],
+Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid;
+En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid,
+In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren.
+De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen.
+Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk
+En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk,
+Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen.
+Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen.
+Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot,
+En onderwerpt u Gods en Gabriëls gebod!
+
+APOLLION:
+
+Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig?
+Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig.
+
+REI:
+
+Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk?
+Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk?
+
+BELIAL:
+
+Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader.
+En lagen Hem aan 't hart: nu leît een minder nader.
+
+REI:
+
+Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek
+Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek
+Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven.
+Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven,
+Behaagt den Vader, die het al in orden schiep.
+
+BELIAL:
+
+Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep;
+Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19].
+
+REI:
+
+Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden.
+Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud,
+En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt;
+Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven,
+De klaarste een minder klare in luister kan verdooven;
+Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft;
+De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft;
+En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20]
+Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden,
+Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem
+Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem.
+
+BELIAL:
+
+'t Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in woû scheppen.
+Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22]
+Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis,
+Noch steurden met geklag de rust van dit paleis.
+
+REI:
+
+Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven.
+
+APOLLION:
+
+Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven
+Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier.
+Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier?
+
+
+ LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI.
+
+
+LUCIFERISTEN (_koor_):
+
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+BELZEBUB:
+
+'t Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergâren!
+En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.--[23]
+Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen
+T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen?
+Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen
+Van God, den zegenaâr, vernoegt u dat nog niet?
+Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet,
+Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden.
+Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden
+Niet langer, zonder reên, maar heldert uw gezicht
+En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht!
+De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken,
+Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken
+En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk.
+Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk.
+'t Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen
+Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen;
+En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid,
+De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26].
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden
+Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden
+Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon
+Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriël de kroon
+Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten,
+Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten?
+Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon
+Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon.
+De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28]
+Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich woû kanten
+En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld
+Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29].
+Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen,
+Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen
+Onze aangezichten neêr. De Hemel gaf gehoor,
+Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor
+Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen;
+Toen Gabriëls bazuin zich plotseling kwam werpen
+Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer;
+Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neêr.
+De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen.
+De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen;
+En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit,
+Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid,
+Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren
+Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren
+En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat,
+Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat
+Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven,
+Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven
+Gelijk hij daar beneên de dieren houdt in dwang.
+Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang
+Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren:
+Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen,
+Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan,
+'t Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan.
+
+BELZEBUB:
+
+Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren,
+Verhoê dit liever. Geef geen stof tot muitineeren,
+Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid.
+Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit?
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken.
+
+BELZEBUB:
+
+Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken,
+Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou.
+O averechtschen loon van onbevlekte trouw!
+Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen?
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen.
+
+BELZEBUB:
+
+Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk.
+
+BELZEBUB:
+
+Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen.
+
+BELZEBUB:
+
+Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan.
+
+BELZEBUB:
+
+Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30].
+
+BELZEBUB:
+
+Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31].
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht.
+
+BELZEBUB:
+
+De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial?
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal.
+
+BELZEBUB:
+
+Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen.
+
+BELZEBUB:
+
+Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij zien alreê meer kans en voordeel, min gevaars.
+
+BELZEBUB:
+
+Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Aan d'uitkomst hangt het al, vóór d'uitkomst dwaalt het oordeel.
+Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd
+En leidsman op dien tocht.
+
+BELZEBUB:
+
+ Maar wie is zoo beroofd
+Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig',
+En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig.
+Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij.
+Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33].
+
+REI:
+
+Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken
+Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken
+Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg
+Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg.
+Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren.
+Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren!
+
+LUCIFERISTEN:
+
+En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35].
+Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied,
+En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader.
+
+BELZEBUB:
+
+O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader.
+Ik wil u voortreên naar den troon van 't groot paleis.
+En ons gerechtigheid bemiddelen door peis
+En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen.
+
+REI:
+
+Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michaël besprongen.
+
+
+ MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
+
+
+MICHAEL:
+
+Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree?
+Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vreê,
+Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden
+Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden,
+Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad,
+Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat?
+
+BELZEBUB:
+
+Genade, o Michaël, gewaardig ons te hooren,
+Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren,
+Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld.
+
+MICHAEL:
+
+Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld.
+
+BELZEBUB:
+
+De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen,
+Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen,
+Op Gabriëls bazuin, vereischte een tusschenspraak,
+Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak
+En klachten kennis koom te nemen, om het muiten,
+Bij alle middelen en mooglijkheên, te stuiten;
+Zij varen echter voort, al razende en ontzind
+Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36]
+Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37]
+(Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!)
+Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel;
+Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel
+En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen.
+De Veldheer treê nu voor: wij staan gereed te volgen,
+Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil.
+
+MICHAEL:
+
+Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil
+Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten,
+In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten
+Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot,
+Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God;
+Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken?
+Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd.
+Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout.
+
+MICHAEL:
+
+D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig.
+De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand.
+Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland
+Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen
+De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen
+Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer
+Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer
+Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten:
+Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten.
+
+MICHAEL:
+
+Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand.
+Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant
+Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen.
+Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen
+Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier!
+Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier,
+Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken.
+Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht.
+
+MICHAEL:
+
+'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt.
+Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden,
+Elkandre bij te staan: ook wordt niet één alleen
+Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41].
+
+MICHAEL:
+
+Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren?
+Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren.
+Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht.
+Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden.
+Wij willen al op een, en Goden tegens Goden
+Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid
+Aftreden door geweld.
+
+MICHAEL:
+
+ Zoo groot een onbescheid[42]
+Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder
+Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht.
+Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht',
+En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen,
+De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43].
+
+MICHAEL:
+
+Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht,
+Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45].
+Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren;
+Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren!
+Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien
+Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebiên.
+Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien
+En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen.
+
+MICHAEL:
+
+Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+ Trekt vrij heen.
+
+
+ BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN.
+
+
+BELZEBUB:
+
+De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen.
+Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen,
+Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraân.
+Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan.
+Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen.
+
+LUCIFER:
+
+De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen.
+De keurebenden staan gereten en gedeeld.
+Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt
+Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen,
+Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michaël,
+Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel
+Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47],
+En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen
+Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht
+Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht.
+Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]?
+Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen,
+Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem?
+Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem,
+Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden.
+Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden
+Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink';
+De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink'
+In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen,
+Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen.
+Indien gij u verneêrt zoo groot een ongelijk,
+Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk,
+Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten.
+Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten.
+
+LUCIFERISTEN (_koor_):
+
+Wij zweren u met kracht en volle majesteit,
+Te zetten op den troon, aan Adam toegeleîd.
+Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten,
+Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52].
+
+LUCIFER:
+
+Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht,
+Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht.
+Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder
+Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder.
+Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand
+Van zijne Almogendheid, als een genadepand
+En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen.
+Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen,
+En lust het hem den mensch, in volle heerschappij,
+Te zetten bovenaan, en boven u en mij
+Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53];
+Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken?
+Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid,
+En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleîd,
+Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen,
+Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54],
+Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'.
+Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar,
+Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve:
+Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch,
+En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog.
+Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren.
+Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren.
+
+LUCIFER:
+
+Dit strijdt met onzen eed, en Gabriëls gebod.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God.
+
+LUCIFER:
+
+Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55].
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren,
+U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen.
+Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treên.
+
+LUCIFER:
+
+De Veldheer Michaël, gewapend onder 't zegenen
+Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen.
+Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel!
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel
+Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde.
+
+LUCIFER:
+
+Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de
+Verdrukkers van uw Recht.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+ De moed, de dapperheid,
+De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid,
+De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten,
+En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten.
+
+BELZEBUB:
+
+Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht.
+Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht
+En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen;
+Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen.
+
+LUCIFER:
+
+Ik troost me dan geweld te keeren met geweld.
+
+BELZEBUB:
+
+Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58].
+Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren.
+
+LUCIFER:
+
+Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren!
+Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial!
+Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal,
+Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren:
+Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59].
+
+BELZEBUB:
+
+Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen,
+Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren,
+En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht,
+En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht,
+Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien.
+Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien.
+Heft op[60] een heldren toon,
+Ter eere van zijn kroon.
+
+ LUCIFERISTEN:
+
+ Op! trekt op, o gij Luciferisten,
+ Volgt dees' vaan.
+ Rukt te hoop al uw krachten en listen.
+ Trekt vrij aan.
+ Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant;
+ Beschermt uw Recht en Vaderland,
+ Helpt hem Michaëls heirkrachten stuiten,
+ Houdt nu moed.
+ Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten
+ En zijn bloed.
+ Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom.
+ Beschut de kroon van 't Engelsdom.--
+ Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken.
+ Voor die pracht
+ Zal des vijands banier haast verzinken,
+ In der nacht[63];
+ Wij met triomf kronen God Lucifer,
+ Bewierookt hem: aanbidt zijn Star.
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ ZANG.
+
+ Waar zijn we toe gekomen,
+ Dat 's Hemels burgertwist
+ De regementen splitst,
+ En 't zwaard is opgenomen,
+ Te zinneloos en blind?
+ Wie is er van ons benden,
+ Hij sneuvelt of verwint,
+ Gelukkig? die d'ellenden
+ Van hunne broedren zien
+ En Rijks- en Reigenooten?
+ Of die verwonnen vliên,
+ In ballingschap gestooten?
+ O, zoons van éénen God,
+ Waartoe verdwaalt uw lot!
+
+ TEGENZANG.
+
+ Helaas! waartoe verdwalen
+ De Geesten? wat verleidt
+ Hen, uit de zekerheid
+ Van hunnen staat en palen
+ Te spatten, zonder nood?
+ Zich op het spits te wagen?
+ Ons' weelde was te groot,
+ Te dertel om te dragen;
+ De Hemel niet genoeg
+ Om Englen te paaien[64];
+ De nijdigheid most vroeg
+ Dit zaad van oorlog zaaien,
+ In 't vreedzaam Vaderland.
+ Wie leît dien twist aan band?
+
+ TOEZANG.
+
+ Is dit krijgsvier niet te smoren,
+ Door een macht van hooger hand,
+ Wat wil blijven in zijn stand?
+ Staatzucht[65] zal alle Orden storen:
+ Hemel, aarde, zee en strand
+ Zullen staan in lichten brand.
+ Staatzucht, eens door triomfeeren
+ Als gewettigd, zal verwoed
+ God en alle macht braveeren.
+ Staatzucht kent noch God, noch bloed.
+
+
+Noten:
+
+[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst
+aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der
+beweging.
+
+[2] _Wanneer_: tot dat.
+
+[3] _verbaast_: ontstelt.
+
+[4] _livreien_: kleeding.
+
+[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te
+verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren.
+
+[6] _muziek van druk_ (treurmuziek) _op noten galmen_. Het woord "noten"
+lijkt overbodig.
+
+[7] _Heerschappijen, machten, tronen_. Vlgg. over de verdeeling der
+Engelen. En _Voorwoord_. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der
+eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen
+behoorden.
+
+[8] _bij ons_: door ons; _mishandeld_: mis gehandeld.
+
+[9] _onzen plicht bekleeden_. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime
+beteekenis. Hier: vervullen.
+
+[10] _in stede van regeeren zal Adam triumfeeren_: Instede dat wij
+regeeren, zal Adam triumf vieren.
+
+[11] _te rusten_: berusten.
+
+[12] _tot heerschen min_. Minder tot heerschen.
+
+[13] _Die zich gelaten stelt_: door in Gods wil te berusten.
+
+[14] _de kroon verdooven_: in haar glans verdooven.
+
+[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in
+dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij _spreken_
+alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden
+als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel
+gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog
+vóór hij, Belial, _schijnt_ te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij
+ongezocht waar hij wezen wil.
+
+[16] _Nu durft de duisternis_ (de aardwormen) _het hemelsch licht
+ontwassen_ (boven het hoofd groeien).
+
+[17] _Hier komt vernuft te spâ_. Vernuft, 't verstand kan dit niet
+begrijpen.
+
+[18] _Ons schikken is ... verwarren_. Gaan wij er ons in mengen, we
+brengen verwarring; misschikken alles.
+
+[19] _Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden_; Het valt
+hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden.
+
+[20] _in deze oneffenheden_: ongelijkheden.
+
+[21] _blijft_ in (den) staat.
+
+[22] _den staat niet te reppen_: ongerept, ongestoord te laten.
+
+[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan.
+
+[24] _De schelle kelen_: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei.
+
+[25] _steurt de maat_: verstoort het evenwicht, de harmonie.
+
+[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u
+niet anders dan als misdaad worden aangerekend.
+
+[27] _te schutten_: te stuiten.
+
+[28] _trouwanten_: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk
+frouwant geschreven om verband te krijgen met _trouw_.
+
+[29] _ongeduld_: wat niet te dulden is.
+
+[30] _Het stuk ontdekken is den handel glad bederven_: door den toeleg
+te doen blijken, zou men de actie schade doen.
+
+[31] _Het Licht_: God.
+
+[32] _zij trouwen onze zijde_: hangen onze zijde aan.
+
+[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen.
+
+[34] _smeeken door middelaars_. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de
+kracht der bemiddeling, die de kern van zijn _Jepfta_-treurspel geworden
+is.
+
+[35] _verstout u hooger niet_: waag niet verder te gaan.
+
+[36] _'t klachtbewind_: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap.
+
+[37] _Ik poog de macht te scheien_: beproef als scheidsman, kalmeerder,
+op te treden.
+
+[38] _Wij willen uwen zoen bemiddelen_: optreden als bemiddelaar ter
+verzoening.
+
+[39] _d'Inspanner_: Opstandeling.
+
+[40] _Naturelijk_: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "_Naturelijk_ staat
+elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht
+des doods onderworpen is".
+
+[41] _'t raakt ons in 't gemeen_: gemeenschappelijk; het treft ons allen.
+
+[42] _onbescheid_: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.).
+
+[43] "dat één Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen
+Michaël, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid
+genoemd".
+
+[44] _Hardnekkige aard_, voor: "hardnekkigen van aard".
+
+[45] _dat voor geen Godheid zwicht_: "dat zich niet buigt voor God."
+
+[46] _die last_ (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer.
+
+[47] _dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult
+verwerpen_: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen
+onder Adams voet, ten teeken van slavernij."
+
+[48] _den schaars van hem gezienen_: God.
+
+[49] _snooden worm. Snood_ is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk.
+
+[50] _werde_: worde.
+
+[51] _Zoo groot een ongelijk te slechten_: zulk een groot onrecht te
+beletten.
+
+[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den
+tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn.
+Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht
+heeft als in _koor_ gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst
+uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas,
+waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb
+me veroorloofd dit in den tekst aan te geven.
+
+[53] _schoon we nooit in onzen plicht bezweken_ (te kort schoten). Een
+héél gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping
+aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke
+behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den
+draai naar hun zij.
+
+[54] _'t zich belgen; belgzucht: belgen_ is "opblazen"; dus "zich
+daarover vertoornen," "er in verzet over komen." _Belgzucht_:
+oproerigheid.
+
+[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit.
+
+[56] _den staat der Engelen_: de orde der Engelen.
+
+[57] _gewapend onder 't zegenen van boven_: wiens wapens door God
+gezegend zijn.
+
+[58] _allerbraafste Held_: aller moedigste.
+
+[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God èn Lucifer, om te doen
+uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het
+Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje
+trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten.
+
+[60] _Heft op_: heft aan.
+
+[61] _volgt dezen God_. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd.
+_Trant_ maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen."
+
+[62] _de Morgenstar_: Lucifer.
+
+[63] _In der nacht_. Nacht was vroeger vrouwelijk.
+
+[64] _paaien_, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden
+stellen.
+
+[65] _Staatzucht_. Zie Inleiding, pag. 22.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET VIERDE BEDRIJF
+
+
+ GABRIEL. MICHAEL.
+
+
+GABRIEL:
+
+De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand
+Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant
+Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken
+Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken
+Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom.
+Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom.
+
+MICHAEL:
+
+Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd?
+
+GABRIEL:
+
+Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd,
+Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon
+Bewierookt als een God, en met een lastertoon
+Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen.
+Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen,
+En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis
+Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch
+Van onweêr buldert vast, van boven en van onder.
+Het weêrlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder
+In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof.
+Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof.
+Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren.
+Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren
+Der Engelen, van druk en medelijden, om
+Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom.
+En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden
+Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden,
+(Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert
+Bij God en Zijnen naam) te passen[3].
+
+MICHAEL:
+
+ Wat vervoert
+Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten,
+Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten?
+
+GABRIEL:
+
+De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak
+Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak
+Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden,
+Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden
+Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw.
+Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw
+Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken
+In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken,
+Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit.
+Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6]
+Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen.
+Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen,
+En riepen vast: "Genâ, genâ, o Heer, geen Recht!"
+Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht;
+Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen:
+Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen,
+De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid,
+Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait
+De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen,
+Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen.
+Genâ had uitgediend. Waak op, in 't harrenas.
+De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'.
+Betem met uwen arm de woeste Behemotten
+En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten.
+
+MICHAEL:
+
+Uriël! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier,
+Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier.
+Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen.
+Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen,
+Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort,
+Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord.
+Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels,
+Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8]
+Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan.
+Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan.
+
+GABRIEL:
+
+Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9].
+Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen
+U toestraalt, en de zon in top u heil belooft.
+Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd
+Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren.
+Schep moed, Vorst Michaël: gij zult Gods oorlog voeren.
+
+MICHAEL:
+
+Zoo zal ik. Hoû mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen.
+
+GABRIEL:
+
+Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeên[11].
+
+
+ LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
+
+
+LUCIFER:
+
+Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]?
+
+BELZEBUB:
+
+Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen,
+Te vliegen regelrecht op 't spits van Michaël.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel,
+Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen,
+Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen,
+En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht.
+
+LUCIFER:
+
+Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht?
+
+BELZEBUB:
+
+Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen
+Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen.
+'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij,
+Is 't niet de halve streek; want Michaëls getij
+Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten.
+De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten,
+Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij,
+Verzweren hunnen Heer, Vorst Michaël, als wij.
+Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen
+De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen
+Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf;
+En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf
+En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen.
+Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen.
+Gij draagt alreê de kroon des Hemels op uw kruin.
+
+LUCIFER:
+
+Die klank behaagt me meer dan Gabriëls bazuin.
+Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14].
+Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen!
+En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort.
+Gij weet, hoe verre wij alreê zijn uitgestort
+In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen,
+Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen;
+En niemand denken durf deze onuitwischbre smet
+Te zuivren door genâ; dies moet de nood een wet,
+Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken
+Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken,
+Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen
+Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen.
+Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig;
+Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig'
+Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt.
+Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt
+In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren,
+Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren
+In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed,
+Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet
+Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten
+Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten
+En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end.
+Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16],
+Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen;
+Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren,
+En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar:
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer!
+
+BELZEBUB:
+
+Maar zie hoe Rafaël, verbaasd[17] en vol meêdoogen,
+Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen,
+Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag.
+
+
+ RAFAEL. LUCIFER.
+
+
+RAFAEL:
+
+Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18],
+Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven?
+Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven?
+Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw?
+Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw
+En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen.
+
+LUCIFER:
+
+Oprechte Rafaël!
+
+RAFAEL:
+
+ Mijn blijschap, mijn verlangen
+Ik bidde u, hoor me.
+
+LUCIFER:
+
+ Spreek, zoo lang het u behaag'.
+
+RAFAEL:
+
+Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag
+Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne
+Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne
+En balsem van genâ, gestegen uit den schoot
+Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot,
+U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen,
+Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen.
+Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt?
+Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20]
+Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten
+Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten
+En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron.
+Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon
+Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen.
+Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen,
+Smaragden, diamant, robijn, en louter goud.
+De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd,
+Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21]
+Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]:
+En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]?
+Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon?
+Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren,
+Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24],
+En mengsel van gedierte en ondier ondereen,
+Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheên
+Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen,
+De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen,
+En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw?
+Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw
+In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27],
+Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven
+Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt
+Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt.
+Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen:
+Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28].
+Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas,
+Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas
+Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder,
+Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder
+Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans;
+Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans
+Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel,
+Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel,
+Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet;
+'t En ware een leven van ellende, van verdriet,
+De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen
+En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30].
+Verneêr u, staak dien tocht[31]; ik offere u genâ
+Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spâ.
+
+LUCIFER:
+
+Heer Rafaël, ik verdien noch dreigement noch tooren.
+Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen,
+En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht.
+Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht
+En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren,
+De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren,
+Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag
+Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag,
+Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen;
+Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen,
+Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf,
+'t En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf',
+Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken,
+Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken,
+Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst;
+Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst,
+En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34],
+Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen.
+Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien
+Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'.
+
+RAFAEL:
+
+Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzen
+Voor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen.
+De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis,
+De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is,
+En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren.
+Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren!
+Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch.
+Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog.
+
+LUCIFER:
+
+Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken?
+
+RAFAEL:
+
+Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken?
+Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen,
+En boven Gods gestarnte opstijgen van beneên,
+God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade,
+'t Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36].
+Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon,
+Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon.
+Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen,
+En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen.
+
+LUCIFER:
+
+Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet?
+
+RAFAEL:
+
+Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald Gebied
+Bepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name.
+
+LUCIFER:
+
+Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame,
+En, boven de natuur der Engelen, zijn lot
+Uit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God?
+
+RAFAEL:
+
+Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen,
+Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen,
+Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven al
+Wat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal,
+Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen.
+
+LUCIFER:
+
+Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37].
+
+RAFAEL:
+
+Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek.
+Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlek
+Van afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen.
+De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen.
+Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon,
+Het aldoordringende oog, ik deze lastren kon
+Bedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven?
+
+LUCIFER:
+
+Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven.
+Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon,
+Den oudsten erfgenaam.
+
+RAFAEL:
+
+ Vorst Lucifer, verschoon
+Uzelven; onderworp u 't opperste behagen.
+Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragen
+Naar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet.
+Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet.
+Om Gods wil, wacht u toch weêrspannigen te stijven,
+Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven.
+Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis,
+Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis,
+Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren?
+Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren,
+En kanten tegens God, den sterksten worstelaar?
+
+LUCIFER:
+
+Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maar
+Een zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken;
+Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonken
+Van dezen hemeltwist door alle daken heen.
+Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leen
+Van al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39].
+Den mensch weêrstreven, is de Godheid wederstreven.
+Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diep
+Vernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep?
+Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren,
+Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneêren,
+Van heerlijkheid ontkleên, en opstaan uit haar staat
+En stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraad
+Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven
+Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven:
+Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf.
+
+RAFAEL:
+
+Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40].
+
+LUCIFER:
+
+'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten.
+
+RAFAEL:
+
+Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten?
+Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd,
+Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt;
+En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten,
+Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten?
+
+LUCIFER:
+
+Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan;
+Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan.
+De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege.
+Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege?
+
+RAFAEL:
+Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk,
+Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk;
+En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene Orden
+Door hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden.
+Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf,
+Och, Stedehouder, voer uw regementen af;
+Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden.
+Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden,
+Om, na de neêrlaag, u geketend door de lucht
+Te voeren in triomf. Ik hoor alreê gerucht,
+En zie allengs het heir van Michaël genaken.
+Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken.
+
+LUCIFER:
+
+Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste berâ?
+Hier is geen hoop op peis.
+
+RAFAEL:
+
+ 'k Verzeker u genâ,
+En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42].
+
+LUCIFER:
+
+Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande!
+Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel!
+
+RAFAEL:
+
+Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel,
+Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen.
+Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen,
+Een aas verstrekken voor het vratige ingewand
+Des afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand?
+Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede:
+Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede.
+
+LUCIFER:
+
+Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]?
+Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik:
+De zege is hachelijk; de neêrlaag zwaar te mijden.
+Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden?
+Den eersten standerd op te heffen tegens God,
+Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod?
+Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen,
+En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen?
+Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid?
+Te kwetsen de genade en liefde en majesteit
+Des rijken Vaders, bron van alle zegeningen,
+Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen?
+Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht!
+Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat licht
+Mijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?--
+Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen.
+Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheên?
+De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geen
+Genoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemen
+Dees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen.
+Maar 't is te spâ, en hier geen boete voor ons' smet.
+De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet!
+
+
+ APOLLION. LUCIFER. RAFAEL.
+
+
+APOLLION:
+
+Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44];
+De Veldheer Michaël, in aantocht met zijn starren
+En regementen, daagt u uit in 't vlakke veld.
+De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt.
+Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen.
+
+LUCIFER:
+
+Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen.
+Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht.
+
+APOLLION:
+
+Ik zag alreê den schrik in Michaëls gezicht,
+En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen.
+Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen.
+Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan.
+
+LUCIFER:
+
+Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan;
+Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken!
+
+APOLLION:
+
+Wij wachten op uw woord.
+
+LUCIFER:
+
+ Zoo volgt ons op dit teeken.
+
+RAFAEL:
+
+Helaas! hij stond alreede in twijfel en beraad;
+Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staat
+Van jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen!
+Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen,
+'t En zij de Godheid dit meêdoogende belett'[45].
+Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed:
+Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken.
+Het bidden kan een hart van diamantsteen breken.
+
+
+ REI VAN ENGELEN. RAFAEL.
+
+
+ REI VAN ENGELEN[46]:
+
+ O Vader, die geen wierookvat,
+ Noch goud, noch lofzang waarder schat
+ Dan Godgelatenheid en stilte
+ Van 't schepsel, dat uit needrigheid
+ Behagen schept aan uw beleid,
+ En in uw wil zichzelf versmilte;
+ Gij ziet, o aller telgen stam,
+ Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kam
+ Durf kanten tegens uw behagen;
+ Hoe hij trompet en trommel roert,
+ En blind, van Staatzucht aangevoerd,
+ U tergt op zijnen oorlogswagen.
+ Ontferm u over 't lasterstuk,
+ En keer, och keer het ongeluk
+ Van duizend duizend lotgenooten,
+ Die, al te jammerlijk misleid,
+ Met zulk een wederspannigheid
+ Het harnas hebben aangeschoten.
+
+ RAFAEL:
+
+ Verschoon genadig, och! verschoon
+ Den Stedehouder, die de kroon
+ Der kronen op zijn hoofd wil zetten,
+ Om neffens u en boven al
+ Te triomfeeren. Och! wie zal
+ Hem zuiveren van zulke smetten?
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ Gedoog niet, dat de schoonste ziel,
+ Waarop uw oog genadig viel,
+ Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve.
+ Hij boete deze ondankbre daad,
+ En blijv' gehandhaafd bij zijn staat;
+ Dat uw genâ zijn schuld vergeve.
+
+
+Noten:
+
+[1] _'k Verdaag u_: roep u òp.
+
+[2] _in arbeid_: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't
+werk.
+
+[3] _op uw heilige eeden ... te passen_: uw eeden nà te komen.
+
+[4] _Hoe bitter wil: wil_, als in 't Engelsch, voor _zal_.
+
+[5] _in d'oogen van 't licht_: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch
+God wordt aangeduid door: de Naam.
+
+[6] _Genade en Gods gerechtigheid_, eigenschappen van God, hier
+allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten.
+
+[7] _Wierookstank_. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand.
+
+[8] _drommels_: Voor _drommen_.
+
+[9] _aangeschapen_. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen ...
+aangeschapen; ingeboren ... aangeboren, als tegenstellingen, bijna
+verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!)
+
+[10] _Hou mijn woord omhoog_: Spreek mij vóór bij God.
+
+[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon
+van vader Willebrord, uit den _Gijsbrecht_, dan aan dien van een
+Aartsengel.
+
+[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat
+men zich wapent tegen Michaël, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief:
+Adams toekomstige heerlijkheid, Michaël allerminst raakt.
+
+[13] _verschiet zijn groente. Groente_: groenigheid; wat groen is. Bij
+Cats vinden we o.a. _in de groente zitten_, voor: in het groen zitten.
+_Zijn groente en verf verschieten_ zal dus wel hier zijn op te vatten
+als: verschiet zijn blijde, frissche kleur.
+
+[14] _beneden deze trappen_: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger.
+
+[15] _en met een aardschen stoet omsingeld_. Adams afkomst zou, ten
+hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich
+omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen
+Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de
+Engelschen tegen onzen Willem III.
+
+[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd.
+
+[17] _verbaasd_: als te voren: ontzet.
+
+[18] Dit optreden van Rafaël is een der gevoeligste vonden van onzen
+dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste
+klanken.
+
+[19] _Genade, o Lucifer!_ Hier is weer _genade_ in den zin van het
+fransche: _de grace_.
+
+[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld.
+
+[21] _bommen_, rinkelbommen, waarmee de Godheid geëerd werd. Vgl. Ifis
+in _Jeftha_: "Treên we in, op bommen en schalmeîen".
+
+[22] _kwaamt te brommen_. Hier in den zin van: "zich met luiden galm
+verheffen".
+
+[23] _Uit dien troon_. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde
+plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet: _van_ dien troon.
+
+[24] _in eenen knoop van dieren_: mengeling van dieren. Zie later,
+Lucifers gestalte-verandering.
+
+[25] _misscheppen_, doen wanvormen.
+
+[26] _zoo laag_: immers in de hel.
+
+[27] _alle zeven_: de zeven Aartsengelen.
+
+[28] _met u verlegen_: om u begaan.
+
+[29] _Hooger niet_: ga niet voort in uw verzet.
+
+[30] "Tenzij een leven van ellende ... leven mocht heeten".
+
+[31] _tocht_: dit optrekken (ten verzet).
+
+[32] _of echter_, of daarna.
+
+[33] _onder 's hemelseed_, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel.
+
+[34] _overdrongen_: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk)
+Thans: opgedrongen.
+
+[35] _paaien_, hier: in slaap wiegen.
+
+[36] _Het leen verheergewaden_: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne
+ontleenen." huldigen als leenheer.
+
+[37] "Juist dàt is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig
+uitgedrukt.
+
+[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt".
+
+[39] _Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven!_ "Erken
+dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn." _Neven_ staat hier in
+den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen",
+"verwanten."
+
+[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen;
+als de leenheer 't goed van den leenman.
+
+[41] _'k Misdank me dan_. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft
+nog in de Amsterdamsche volkstaal.
+
+[42] _stel me te pande_: stel mezelf tot borg.
+
+[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor
+de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi
+moment in het treurspel.
+
+[44] : _tijd te marren_, tijd tot toeven, aarzelen.
+
+[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe
+aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk.
+Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van
+den hemel.
+
+[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid,
+meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie
+reizangen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET VIJFDE BEDRIJF
+
+
+ RAFAEL. URIEL.
+
+
+RAFAEL:
+
+De gansche Hemel, van den grond tot op de kruin
+Der Aartspaleizen[1], juicht op Michaëls bazuin
+En zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen.
+Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2].
+Uit elke schildzon straalt een triomfante dag.
+Daar komt Uriël zelf, de Schildknaap, uit den slag,
+En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijden
+Gewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden,
+Door schild en harrenas, en helm van diamant,
+Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3]
+En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen.
+Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogen
+Bekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig Recht
+Zich opworpt, met één slag rechtvaardiglijk beslecht;
+Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen,
+Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen.
+Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit!
+Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid,
+En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen.
+
+URIEL[6]:
+
+Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen.
+Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7].
+Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij.
+ De Veldheer Michaël (verwittigd uit den hoogen,
+Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen,
+Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet,
+Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8]
+Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren,
+Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren)
+Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriël,
+Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevel
+Aan al zijn Oversten en hoofden en kornellen,
+De heiren, in Gods naam[10], in hun geleên te stellen,
+Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruim
+Van 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuim
+Te vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen,
+Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen.
+Op dezen last vergaârt Gods heirkracht inderijl
+Slagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl,
+Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen,
+In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13],
+Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht.
+Men zag een enkelheid in een driepuntig licht,
+Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen;
+Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen.
+De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand,
+Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand.
+Wie moed wil houden, en triomf en zege baren,
+Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren.
+
+RAFAEL:
+
+Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen woû?
+
+URIEL:
+
+Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouw
+Gehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten,
+Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten.
+Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan.
+Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan,
+Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldieren
+En andre monsters, die rondom hem henezwieren,
+Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordt
+Vorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort',
+En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken.
+Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken.
+De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God,
+Verzekerde den buik des legers, om het slot,
+Der regementen knoop, in 't midden te bewaren.
+De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klaren
+Uit zijne morgenstar, werd van Apollion
+Gehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon,
+In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15].
+
+RAFAEL:
+
+Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten!
+Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht!
+Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht,
+En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien.
+
+URIEL:
+
+Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16],
+Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17],
+In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrok
+Van gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagen
+Met gouden wielen, van robijnen dicht beslagen.
+De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18],
+Met starren overal bezaaid op hunnen rug,
+In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen.
+Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen,
+De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19],
+Waarin de morgenstar met kunst gedreven was,
+Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen.
+
+RAFAEL:
+
+O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen.
+Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft!
+Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd,
+En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen,
+Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]!
+O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weêrom[22]!
+
+URIEL:
+
+Zoo stonden zij gekant en slagreê, drom bij drom,
+Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijen
+Gesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen;
+Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompet
+Zich mengen; het geluid geweer en handen wet[26],
+En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten;
+Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27]
+Geborsten, slag op slag, een gloênden hagel baart,
+Een' storm en onweêr, dat de Hemelen vervaart,
+De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren,
+Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarren
+Of zwijmen op de wacht, en weten niet waarheen
+Te drijven, Oost of West, of boven of beneên.
+Al weêrlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder.
+Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder.
+De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29],
+Geraken handgemeen met knots en hellebaard,
+En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven
+En steken. Al wat kan, wat toeleît op bederven,
+Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt.
+De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent
+Zijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven,
+Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven,
+En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd.
+Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd,
+En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren;
+De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwieren
+En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei
+Verheft zich uit den stoet der groene liverei;
+Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen.
+De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen,
+En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch,
+Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30]
+Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten.
+
+RAFAEL:
+
+Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31].
+
+URIEL:
+
+De dappre Michaël laat blazen: Eer zij God!
+De regementen, op die leus en zijn gebod
+Gemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgen
+Naar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33];
+Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart,
+En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaart
+Een valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennen
+Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen;
+Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemd
+Zoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt.
+De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten,
+Verwacht hem op den bek, om door de borst te stooten
+Van onder, als hij ploft van boven op den buit.
+
+RAFAEL:
+
+O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit.
+Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen.
+Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen,
+En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond.
+
+URIEL:
+
+Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rond
+Of halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen;
+De regementen, die zich sluiten en ontvouwen,
+Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan,
+Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan,
+Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte,
+Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35].
+Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt,
+Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt,
+En schildert en schakeert door luchte regenbogen.
+De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36],
+Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneên.
+Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een,
+Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren,
+Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren,
+Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim;
+Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim,
+Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen.
+Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen,
+Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37],
+Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal,
+Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen;
+Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen,
+En masten zonder tal, verpletten en vertreên
+Wat tegens woest geweld van stroom en hout en steen
+Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel
+Der halve mane fel met roode en blauwe zwavel
+En vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot.
+Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood,
+Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39].
+De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken,
+Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast),
+Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last,
+En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven.
+De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven,
+Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot,
+Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood,
+Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen.
+Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42]
+En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan.
+De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen van
+Zijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften.
+D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiften
+Met zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast,
+En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast.
+
+RAFAEL:
+
+Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen.
+
+URIEL:
+
+Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen,
+Die neêrstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner licht
+En schooner stralen schiet, in 't gloên van zijn gezicht.
+Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde.
+De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde,
+Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas,
+Totdat hem Michaël, in 't schitterend harrenas,
+Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen.
+"Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen.
+Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God!
+Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot,
+Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen.
+D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen,
+Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijl
+Den slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijl
+Den diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven;
+Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven.
+De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamant
+Aan stukken. Michaël verheft zijn rechte hand,
+En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen,
+Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogen
+Al t' ongenadig[50], dat hij achterover stort,
+En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51]
+Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken.
+Den standerd van de star vergaat hierop het blinken;
+Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt,
+Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioelt
+Van duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharen
+In 't vallen, voor den val en neêrsmak, te bewaren.
+Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial.
+Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren val
+Des Stedehouders breekt de boog der halve mane
+In stukken. Echter komt Apollion ter bane
+Met zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt.
+De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt,
+En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen,
+Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53].
+De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan,
+Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan.
+De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen.
+Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen,
+Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien.
+
+RAFAEL:
+
+Geloofd zij God! valt neêr, aanbidt hem op uw kniên!
+Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen?
+Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen?
+Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert?
+
+URIEL:
+
+Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert,
+Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58];
+Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen,
+In een wanschapenheid veranderd, al te vuil;
+Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil;
+De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen;
+De voeten en de hand in vierderhande klauwen;
+Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid.
+De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit.
+In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren,
+Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59]
+Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn:
+Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn,
+Een tragen ezel, een rinoceros, van tooren
+Ontsteken, eene sim[60], van achter en van voren
+Al even schaamteloos, en geil en heet van aard,
+Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard.
+Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen,
+Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen.
+Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat,
+En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat.
+
+RAFAEL:
+
+Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken!
+Waar bleef Apollion?
+
+URIEL:
+
+ Hij zag zijn tij verstreken,
+Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood.
+De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot,
+Met weêrlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen,
+De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen,
+En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarreling
+Van buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging,
+Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend,
+Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent.
+Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging,
+Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling,
+In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen.
+D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen
+In Engletroniën nu zweemen naar de Hel,
+En helsche gruwzaamheên!--Daar hoor ik Michaël.
+Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63].
+De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen,
+Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit,
+En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid.
+
+
+ REI VAN ENGELEN. MICHAEL.
+
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ Gezegend zij de Held,
+ Die 't goddeloos geweld,
+ En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerd
+ Ter neder heeft geveld.
+ Die God stak naar zijn kroon,
+ Is uit den hoogen troon[64]
+ Met zijn macht in den nacht neergezonken.
+ Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon!
+ Al brandt het oproer fel,
+ De dappre Michaël
+ Weet den brand met zijn hand uit te blusschen,
+ Te straffen dien rebel.
+ Hij handhaaft Gods banier;
+ Bekranst hem met laurier.
+ Dit paleis groeit in peis en in vrede:
+ Geen tweedracht hoort men hier.
+ Nu zingt de Godheid lof,
+ In 't onverwinbaar hof!
+ Prijs en eer zij den Heere aller Heeren!
+ Hij geeft ons zingens stof.
+
+MICHAEL:
+
+Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd.
+D'Aartsvijand[65] leît er toe. Hij laat ons zijnen standerd,
+En morgenstar en helm en vanen en rondas,
+Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as,
+Met juichen en triomf en eere en lofgezangen,
+Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangen
+Van wederspannigheid en Staatzucht, die de kam
+Verheffen tegens God, den onverzetbren stam
+En oorsprong en de bron en Vader aller dingen,
+Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen.
+Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit
+Bezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid.
+Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen,
+Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen,
+Beneveld en verblind en ijselijk misvormd.
+Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt.
+
+REI:
+
+Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden,
+Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden.
+
+
+ GABRIEL. MICHAEL. REI.
+
+
+GABRIEL:
+
+Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd!
+Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd;
+Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.
+
+MICHAEL:
+
+Wat hoor ik, Gabriël?
+
+GABRIEL:
+
+ Och, Adam is gevallen;
+De vader en de stam van 't menschelijk geslacht
+Te jammerlijk, te droef alreê ten val gebracht.
+Hij leît er toe[67].
+
+MICHAEL:
+
+ Dat is een donderslag in d'ooren.
+Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren.
+Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreên?
+
+GABRIEL:
+
+Hij rukte, na den slag, 't verstrooide heir bijeen,
+Doch eerst zijn Oversten, die voor elkandre gruwen[68];
+En zette zich, om 't licht van 't alziende oog te schuwen,
+In een holle wolk, een duistre moordspelonk
+Van neevlen, daar geen vier dan uit hun blikken blonk;
+En, midden in den ring des helschen Raads gezeten,
+Hief uit zijn zetel aan, te helsch op God gebeten:
+"Gij machten, die zoo trotsch voor ons' gerechte zaak
+Dien afbreuk hebt geleên; nu is het tijd om wraak
+Te nemen van ons leed, en listig en verbolgen,
+Met onverzoenbren wrok den Hemel te vervolgen,
+In zijn verkoren beeld[69], en 't menschelijk geslacht
+Te smoren in zijn wieg en opgang, eer het macht
+In zijne zenuw krijge en aanwinne in zijne erven.
+Mijn wit is, Adam en zijn afkomst te bederven[70].
+Ik weet, door 't overtreên der eerstgestelde wet,
+Hem aan te wrijven zulk een onuitwischbre smet,
+Dat hij, naar lijf en ziel, met zijn nakomelingen
+Vergiftigd, nimmer zal ten zetel innedringen,
+Waaruit men ons verstiet; edoch gebeurt het al,
+Dat iemand bovenstijge, een kleen, een dun getal,
+En nog door duizend doôn en arrebeid en lijden,
+Zal steigren tot den Staat en kroon, die ze ons benijden.
+Ellenden zullen zich terstond, op Adams spoor,
+Verspreien zonder end de wijde wereld door.
+Natuur zal, van dien slag geteisterd, schier verteren,
+En wenschen in een Niet of mengelklomp[71] te keeren.
+Ik zie den mensch, die naar het beeld der Godheid zweemt,
+Van Gods gelijkenis verbasterd en vervreemd,
+In wil, geheugenis, en zijn verstand ontluisterd,
+Het ingeschapen licht beneveld en verduisterd,
+En wat den dag beschreit, in 's moeders bangen schoot,
+Gevallen in den muil der onvermijbre Dood.
+Ik wil de tiranny verheffen, altijd stouter,
+En u, mijn zoons, gewijd tot Godheên[72], op het outer,
+In kerken, zonder tal, tot aan de lucht gebouwd,
+Vereeren offervee, en wierookgeur, en goud,
+Ja zooveel menschen, als geen tong vermag te noemen,
+En al wat Adam teelt in eeuwigheid verdoemen,
+Door gruwelstuk op stuk, Gods naam ten trots begaan.
+Zoo dier wil hem mijn kroon[73] en zijn triomffeest staan!"
+
+MICHAEL:
+
+Verwaten vloek, zoo trotsch de Godheid nog braveeren!
+Wij willen u eerlang dat lasterstuk verleeren.
+
+GABRIEL:
+
+Aldus spreekt Lucifer, en zendt Vorst Belial,
+Opdat hij dadelijk de menschen breng' ten val.
+Dees schiet[74] de boosheid zelf, de listigste aller dieren,
+De slang aan, om met glimp van woorden te verzieren
+Het lokaas, 't welk aldus d'onnoozle schepsels ving,
+Daar zij geslingerd om den tak der kennis[75] hing:
+"Heeft God, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen
+Den vrijdom van het ooft, den smaak van 't puik der boomen?
+Neen, Eva, simple duif, geenszins; gij zijt verdwaald.
+Aanschouw eens, bid ik u, dien appel! Ai, hoe straalt,
+Hoe gloeit dit ooft van goud en karmozijn te gader!
+Hoe noodt u dit banket! Ai, dochter treê wat nader;
+Hier nestelt geen venijn in dit onsterflijk loof.
+Hoe lokt dees' vrucht! ai pluk, ai pluk vrij; ik beloof
+U wetenschap en licht. Wat deist ge, bang voor schennis?
+Tast toe, en word God zelf in wijsheid en in kennis
+En wetenschap gelijk, en eere en majesteit,
+Hoezeer Hij 't u benij. Zoo vat men 't onderscheid,
+Het wezen en den aard en d'eigenschap der zaken."
+Terstond begint het hart der schoone bruid te blaken,
+T'ontvonken, en zij vlamt op d'aanprezen vrucht.
+De vrucht bekoort het oog, het oog den mond, die zucht.
+De lust beweegt de hand al bevende te plukken.
+Zoo plukt ze en proeft en eet (dat wil haar afkomst drukken!)
+Met Adam, en zoodra hunne oogen opengaan,
+En zij hun naaktheid zien, bedekken ze, met blaân,
+Met vijgenloof, hun schaamte en schande en erfgebreken[77],
+En gaan zich in geboomte en schaduwen versteken,
+Versteken, maar vergeefs, voor 't aldoordringende oog.
+De lucht betrekt allengs. Zij zien den regenboog[78]
+Gespannen, als een bode en voorspook van Gods plagen.
+De Hemel treurt in rouw. Geen handenwringen, klagen,
+Noch schreien helpt den mensch en zijne weêrgade. Ach!
+Het weêrlicht reis op reis; het dondert slag op slag[79].
+Al wat men hoort en ziet, is schrik en angst en zuchten.
+Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchten
+Den worm, die 't hart doorknaagt, het overtuigd gemoed.
+Zij knikkebeenen beide, en struiklen, voet voor voet.
+Het aangezicht ziet doodsch, en d'oogen, diepverdronken
+In tranen, zien geen licht. Hoe is de moed gezonken!
+Hoe stak hij flus het hoofd zoo moedig in de lucht!
+Het ritslen van een blad of beek, een klein gerucht
+Verbijstert hen; terwijl een zwangre wolk komt dalen,
+Die scheurt, en baart allengs een licht, een glans en stralen,
+Daar d'Opperste uit verschijnt, in dien bedrukten staat,
+En dondert met zijn stem, die hen ter aarde slaat.
+
+REI:
+
+Och, och! och, och! de mensch waar' nutter nooit geschapen.
+Dat leert zich aan een vrucht, een mondvol saps, vergapen!
+
+GABRIEL:
+
+"O Adam!" dondert God, "waar zijt gij toe geraakt?"
+"Vergeef me, o Heer! Ik vlucht uw aanzicht, bloot en naakt."
+"Wie leerde u," vraagt hem God, "uw schaamte en naaktheid kennen?
+Durft gij uw lippen aan verboden vruchten schennen[80]?"
+"Mijn gade, mijne bruid, bekoorde mij, helaas!"
+Zij zegt: "De slimme slang bedroog me met dit aas."
+Dus schuift elk van den hals den oorsprong der gebreken[81].
+
+REI:
+
+Genâ! Wat vonnis wordt op dit vergrijp gestreken?
+
+GABRIEL:
+
+De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid,
+Met weên, en barensnood, en onderworpenheid;
+Den man met arbeid, zweet, en zorge, en lastig slaven;
+Den akker, die den mensen ten leste zal begraven,
+Met onkruid en veel ramp; de Slang, om 't loos misbruik
+Van haar doortrapte tong, zal kruipen op den buik
+Langs d'aarde hene, en slechts bij stof en aarde leven.
+Maar om den armen mensch een' vasten troost te geven,
+In zulk een jammernis, belooft de Godheid trouw
+Te wekken[82], uit het zaad en bloed van d'eerste vrouw,
+Den Sterke[83], die de Slang, den Draak, het hoofd zal pletten
+Door erfhaat, van geen tijd noch eeuwen te verzetten.
+En schoon dat felle Dier hem naar de hielen bijt[84],
+Nog triomfeert de Held met eere, na dien strijd.
+Ik koom uit 's Hoogsten naam dat onheil u ontvouwen
+Stel daadlijk orden, eer ze ons moeite op moeite brouwen.
+
+MICHAEL:
+
+Uriël[85], Schildknaap, die het heilig Recht bewaart
+En reukeloosheid straft, grijp aan uw vlammend zwaard:
+Vlieg hene naar omlaag, en drijf ze beide uit Eden,
+Die d'eerste wet zoo blind, zoo reukloos overtreden.
+Bewaak den ingang van 't ontheiligd Paradijs,
+En keer de ballingen met kracht af van de spijs,
+Den boom, die 't leven rekt. Gedoog niet, dat ze pluiken
+D'onsterfelijke vrucht en 't hemelsch ooft misbruiken.
+Gij wordt op schildwacht voor den hof en boom gesteld.
+Dat Adam buiten zwerve, en, vroeg en spade, veld
+En kleigrond ommeploeg', waaruit hem God bootseerde.
+Ozias[86], aan wiens vuist de Godheid zelf vereerde
+Den zwaren hamer van geklonken diamant,
+En ketens van robijn, en krammen, spits van tand,
+Ga hene, vang en span het heir der Helsche dieren,
+Den Leeuw en fellen Draak, die tegens ons' banieren
+Dus woeden; vaag de lucht van dees' vervloekte jacht[87],
+En boei ze aan nek en klauw, en keten ze met kracht.
+Dees' sleutel van den put der afgronds[88] en zijn holen
+Wordt, Azarias, u en uwe zorg bevolen.
+Ga hene, sluit in 't hol al wat ons' macht bestrijdt.
+Maceda, neem dees' torts, die vlam is u gewijd:
+Ontsteek den zwavelpoel in 't middelpunt der aarde,
+En pijnig Lucifer, die zooveel gruwelen baarde,
+In 't eeuwig brandend vier, gemengd met kille vorst;
+Daar Droefheid, Gruwzaamheid, Versteendheid, Honger, Dorst,
+De Wanhoop, zonder troost, de prikkel van 't geweten,
+En Onverzoenbaarheid, een straf van 't boos vermeten,
+Versteken van den glans der Godheid, in dien rook,
+Getuigen 's Hemels ban, geveld op 't heilloos Spook;
+Terwijl 't beloofde Zaad[89], verzoenende Gods tooren,
+Herstelle uit liefde al wat in Adam werd verloren.
+
+REI[90]:
+
+Verlosser[91]! die de slang het hoofd verpletten zult,
+'t Vervallen menschdom eens van Adams errefschuld
+Verlossen, t'zijner tijd, en weer, voor Eva's spruiten,
+Een schooner Paradijs hierboven opensluiten;
+Wij tellen d'eeuwen, en het jaar, en dag en uur,
+Dat uw genâ verschijn'; de kwijnende Natuur
+Herstell', verheerelijke, in lichamen en zielen;
+Stoffeerende den troon, daar d'Engelen uit vielen.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] _van den grond tot op de kruin der Aartspaleizen_: de hemel was
+verdeeld in een aantal kringen, bogen, sferen, (_Voorwoord_), hier
+gedacht als _verdiepingen_. _Aartspaleis_: Opperst paleis.
+
+[2] _En scheppen nieuwe zonnen_, nl. in hun schittering en weerkaatsing.
+
+[3] _de horens kant_: scherpt, punt. _De horens_, in gelijkenis met
+stootende stieren.
+
+[4] _Wat legt ge al prijzen in_: hoeveel prijzen verzekert ge u niet,
+vergelijk "wat legt gij een eer in".
+
+[5] _eerste tocht_: strijd.
+
+[6] URIEL. Vondel, zoomin als een der klassieke dichters, laat ooit een
+strijd, _zien_, maar beschrijft hem. Want hén dramatische kunst is
+allereerst die van het woord en niet van de reëel uitgebeelde handeling.
+Dat dit in dit geval juister is dan de Shakesperiaansche methode om wèl
+dien strijd ten tooneele te brengen, behoeft geen betoog. Er zou van de
+grootschheid der hier nu volgende hemelsche worsteling niets terecht
+komen, als we haar in werkelijkheid moesten zien, en niet het beeld
+ervan in Vondels vers. (Zie ook Inleiding tot V.'s Dramatiek).
+
+[7] _t' ontvouwen op een rij_: achtereenvolgens uiteen te zetten.
+
+[8] _tegens 't hoog gebied_: tegen d'oppermacht.
+
+[9] _op 't aanstaan_: op 't aandringen.
+
+[10] _in Gods naam_: Natuurlijk niet in onzen alledaagschen zin van:
+"omdat hij 't niet laten kon", maar: "in naam des Heeren".
+
+[11] _op 't luchtig ruim ... te vagen_: het schuim leeft òp het ruim en
+daarvan moet het weggevaagd worden.
+
+[12] _Al dit spook_: al dit gespuis.
+
+[13] _brommen_. Hier: "zich luidruchtig aanstellen, gereed maken.
+--_Driekantig heir_. Het leger van Michaël vormt dus een driehoek; dat van
+Lucifer neemt den slagorde-vorm aan van een Halve Maan. Dr. Cramer ziet
+in het eerste een toespeling op de heilige Drieëenheid; en in laatste
+een op de Turken. Het schijnt inderdaad die eerste opvatting te
+bevestigen, doch het volgend verhaal van Uriël doet vermoeden dat Vondel
+eer alleen aan het Sterrebeeld van den Stier dan aan de Turken gedacht
+heeft, ook al wordt er even van de halve Maan gerept.
+
+[14] _Werd van Apollion gehandhaafd_: werd door A. in de hand gehouden;
+hooggehouden.
+
+[15] _In zijnen vollen krits omhoog ten troon gezeten_; Apollion troonde
+hoog, in zijn volle glorie.
+
+[16] _groene livereien_: De een ziet in dit "groen", de kleur van de
+slang, de ander die van den Turk. Misschien hebben beiden gelijk.
+
+[17] _Wreevlig aangevoerd van wrok_: door wrok wrevelig geworden en nu
+opgestuwd.
+
+[18] _De Leeuw en de Draak_: twee sterrenbeelden, (zie _Berecht_); _ter
+vlucht gereed en vlug_: gereed en in staat tot vliegen.
+
+[19] _rondas_: rond schild.
+
+[20] _Gij fenix_: Fenix is de uit zijn asch herlevende vogel; beeld der
+onsterfelijkheid en dus der hoogste voortreffelijkheid. Zoo noemt Vondel
+ook Huigh de Groot wel een Fenix.
+
+[21] Zie hiervoor zoowel over _naturelijk_ als over _aangeschapen_.
+
+[22] Een levendige indruk van 't _gebeurende_ in plaats van 't
+beschreven _gebeurde_ geeft die uitroep van Rafael, herhaling van zijn
+vroegere bede tot Lucifer.
+
+[23] _Hoefslag_: wachtpost.
+
+[24] _gesnoerd aan hun gezag_: onderworpen aan hun commando.
+
+[25] _dolle trom_: dol, Eng. _dull_: dof.
+
+[26] _het geluid geweer en handen wet_: op dit geluid komen hand en
+wapen in gereedheid tot den aanval.
+
+[27] _schicht_: pijl; bliksemschicht.
+
+[28] _de kreitsen ... in hun ronde, de starren ... in hun omloop_.
+
+[29] _schutgevaart_. De bliksem en het onweer stellen in dezen
+hemelschen strijd de eerste uitbarsting voor van het schieten, waarmee
+op aarde een strijd begint. In de volgende beschrijving spreekt Uriël
+alsof hij een van V.'s tijdgenooten was. Maar dit localiseeren in den
+eigen tijd was deze periode nog eigen. Ook voor de volgende beeldspraak
+van een zee, beukend op een rots, _de toef_ te krijgen, geldt dit.
+
+[30] zie [29].
+
+[31] _de Wanhoop af te vechten_: een wanhopigen strijd te strijden.
+
+[32] zie [29].
+
+[33] Héél levendig moment, dat opstijgen van Michaëls macht, boven die
+van Lucifer uit, om den gunstigen wind te krijgen. Ook het volgende
+uitgewerkte beeld van de valk en de reigers is krachtig-gevoelig van
+teekening; doet alleen in de beschrijving van dèze worsteling wat klein.
+Ditzelfde ook voor de waterval-vergelijking, [37] vlgg.
+
+[34] _En zinken_. Feitelijk: _zenken_ d.i. doen zinken.
+
+[35] Uit dezen regel blijkt duidelijk de bevestiging van het opgemerkte
+bij [29]: V. denkt zich beide legers voorzien met de aardsche
+strijdmiddelen van zijn tijd.
+
+[36] _De hemelsche adelaar en zijn pennen_: De gevleugelde Michaël.
+
+[37] zie [33].
+
+[38] _roode en blauwe zwavel en vlammen_. Hier denkt V. weer aan de
+geschutwerking van bliksem en donder.
+
+[39] _het hart ... ontzakt voor_: de moed ontzinkt.
+
+[40] _rustig_ = moedig.
+
+[41] _voor de vuist_: openlijk.
+
+[42] _Hij schut de wreedste slagen_: weert de hardste slagen af.
+
+[43] _hem_ en [44] _hij_ slaan beide op Lucifer.
+
+[45] Gods naam (zie ook [49]), die op Michaëls schild is aangebracht.
+
+[46] _Dit voorspook_: voorteeken.
+
+[47] _den toescheut stuit_, stuit het toeschieten, opdringen; hen, die
+opdringen.
+
+[48] _d'Aartsvijand_: d'Opperste vijand, Lucifer.
+
+[49] zie [45].
+
+[50] _Al t' ongenadig_: in zoo sterken mate ongenadig.
+
+[51] _kort_: onmiddellijk.
+
+[52] _De reus Orion_. Hier is Vondels mythologische kennis aan het
+woord: de reus Orion, als sterrebeeld met zijn knods, is Grieksch.
+Maar ook dezelfde primitieve klassieke herinneringen als hem in de
+_Gijsbrecht_ den "Sparre-wouwer reus" aan het gevecht doen deelnemen.
+Zonder een reus was deze strijd voor hem niet compleet, ook al verwierp
+hij in zijn _Berecht_ het denkbeeld, een goddeloozen Reuzenstrijd te
+hebben willen schilderen. (Zie ook _Voorwoord_.)
+
+[53] "die niet geeft om Orions, knodsen of reuzen".
+
+[53] De bekende sterrebeelden van de Beer, dicht bij de Noordster.
+
+[55] De _Hydra_, mythologische draak met vele koppen, òok sterrebeeld.
+
+[56] _Ik zie een galerij_: Gelijksoortige wending als in het verhaal van
+den Bode in _Gijsbrecht_: "ik zie de deugden zelf." De verhaler tracht
+even door een samenvattend beeld de verbeelding der toehoorders te doen
+wijden in een visioen. _Een galerij van oorlogstafereelen_ is zoo echt
+Vondeliaansch. Immers waren hém poëzie en schilderkunst zeer nauw
+verwant.
+
+[57] _nare nacht. Naar_ (Engelsen narrow): nauw. Vandaar dat "naar" en
+"eng", angstig, in beteekenis verwant zijn, en naar ook donker
+beteekent, met de bijgedachte "beangstigend."
+
+[58] _vergeet met goud te brallen_, nalaat met goud te pronken, dus:
+"eindigt met schitteren."
+
+[59] _mengelt zeven dieren afgrijselijk ondereen_: neemt de
+afgrijselijke gedaante aan van een mengeling der zeven dieren: de
+_hoofdzonden_: Hoovaardij, gulzigheid, luiheid, wellust, toornigheid,
+nijdigheid en gierigheid.
+
+[60] _eene sim_: een aap.
+
+[61] _Kortouw_, kartouw, geschut. Zie de aanteekening bij [29].
+
+[62] _Wat green hier_: green, verleden van _grijnen_, boosaardig kijken
+(Wdbk). Voor de gedaanteverwisseling der gevallen Engelen zie men o.a.
+de schilderij van Pieter Breughel, te Brussel, afgebeeld in _De Ploeg_,
+IIe Jaarg. 120.
+
+[63] _met Engelenroof te pralen_: "Te pralen met 't den Engelen (zie ook
+[66]) "ontroofde". Een barbaarsch idee; zeker niet hemelsch.
+
+[64] _troon_: hemel.
+
+[65] _d'Aartsvijand leît er toe_. Ligt onder, is overwonnen. Zie ook [67].
+
+[66] zie [63].
+
+[67] zie [65].
+
+[68] _die voor elkander gruwen_. Na hun gedaanteverwisseling.
+
+[69] _In zijn verkoren beeld_. Immers: God schiep den mensch naar Zijn
+Evenbeeld.
+
+[70] _te bederven_: ten verderf te brengen.
+
+[71] _Mengelklomp_, gelukkig Nederlandsen woord voor _chaos_.
+
+[72] _U mijn zoons, gewijd tot Godheên_. De duivelen en de heidensche
+afgoden worden in de Christelijke opvattingen vereenzelvigd. Maar ook
+kan Vondel hier gedacht hebben aan de duivel-aanbidding, die tot op
+onzen tijd voortleeft.
+
+[73] _Mijn kroon_, d.w.z. de mij ontroofde kroon.
+
+[74] _schiet_ (de gestalte van) _de slang aan_.
+
+[75] _tak der kennis voor_: "tak van den boom der kennisse".
+
+[76] _bang voor schennis_: bevreesd het verbod te schenden; zie [80]: uw
+lippen schennen: bezoedelen.
+
+[77] _Erfgebreken_: Erfzonden. Zie ook [81].
+
+[78] _Regenboog_. Ietwat vreemd den bijbelvasten Vondel hier den
+regenboog te zien aanduiden als een voorspelling van straf, in plaats
+van als teeken van Gods verbond met den mensch. Genesis IX, 12-17.
+
+[79] vlgg. Een levendige, aangrijpende schildering van angst en berouw.
+
+[80] zie [76].
+
+[81] zie [77].
+
+[82] _belooft de Godheid trouw te wekken_. Trouw: "zekerlijk."
+
+[83] Zie ook [90]. _De Sterke_ is de Verlosser (En [89]: 't beloofde
+Zaad). Immers Jezus overwon het kwaad (_door erfhaat_, ingrondigen haat)
+ondanks Satans pogen hem te bestrijden en verleiden [84].
+
+[84] zie [83].
+
+[85] _Uriël_. In _Adam in Ballingschap_ treedt dezelfde Engel op, om
+Adam en Eva ter verantwoording te roepen, ze daarna uit Eden te
+verjagen. Doch de dramatische toestand is in beide stukken in ieder
+opzicht verschillend, en in de _Adam_ moest de hier geschilderde
+volgorde en rol der personagiën wel afwijken.
+
+[86] _Ozias, Azarias_ en _Maceda_. Of Vondel deze Engelennamen zelf
+verzonnen heeft, dan wel ze aan onbekend gebleven overleveringen
+ontleende, is nog niet gebleken. V. was ontzaglijk belezen in de
+theologische literatuur van zijn tijd (zie ook mijn studie over zijn
+_Jeftha_) en het zou me niet verwonderen als men ook hier den oorsprong
+van deze namen nog eens vond. De rol van Ozias doet denken aan die van
+Hephaistos in Aeschylos' _Promotheus Geboeid_ (W.B. 182.)
+
+[87] _Vervloekte jacht_, 't Vervloekte wild.
+
+[88] _de put des afgronds en zijn holen_: de Hel met al haar
+afdeelingen, waarin 't eeuwige vuur en de felste koude samen wonen, met
+al de verdere gruwelen, door Dante beschreven.
+
+[89] zie [83].
+
+[90] vlgg. Plechtiger en vromer kon Vondel zijn gewijd treurspel
+moeilijk besluiten dan met deze laatste aanbidding van den Rei. (Zie
+_Inleiding_.)
+
+[91] zie [83].
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER ***
+
+***** This file should be named 17076-8.txt or 17076-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17076/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17076-8.zip b/17076-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..d307507
--- /dev/null
+++ b/17076-8.zip
Binary files differ
diff --git a/17076.txt b/17076.txt
new file mode 100644
index 0000000..73eaf9a
--- /dev/null
+++ b/17076.txt
@@ -0,0 +1,5467 @@
+The Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Lucifer
+ Treurspel
+
+Author: Joost van den Vondel
+
+Release Date: November 20, 2005 [EBook #17076]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+LUCIFER
+
+Treurspel
+
+door
+
+JOOST VAN DEN VONDEL
+
+
+Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+ PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT
+
+ [HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"--
+
+ VERGILIUS: AENEIS VI, 599]
+
+
+
+
+ 'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon,
+ Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste,
+ Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste.
+ Dees liet in Griekenland, en midden door de stad
+ Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat,
+ Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren
+ En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren
+ De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon.
+ Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon
+ Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen
+ En storm den bliksem en den donder na te kuischen
+ Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid,
+ Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid
+ Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken,
+ _Dreef met een dwarrelwind_, ten spiegel aller volken,
+ _Hem neder dat hij plofte_.
+
+ Uit VONDELS vertaling van _Vergilius: Aeneis_, VIe Zang
+
+
+ * * * * *
+
+
+VOORWOORD
+
+
+Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo
+moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van
+weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei
+opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en
+kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en
+gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als
+wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling
+leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen
+en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles,
+naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied
+gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of
+nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw
+van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en
+vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei
+verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en
+Mohammedanisme.
+
+Vondels _Lucifer_ is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk"
+werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het
+verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld
+hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld,
+had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en
+val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd
+tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met
+wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling
+van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den
+Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en
+bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus,
+tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is
+de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten
+ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs.
+Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich
+aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere
+was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieen en klassieke
+overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen
+hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en
+hooggehouden spel, als zijn _Lucifer_ geworden is, te maken, wanneer
+hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn
+eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hem het opperst
+wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn _Salmoneus_
+en zijn _Faeton_ zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken
+gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in
+zijn _Lucifer_ uiting vond.
+
+ * * * * *
+
+Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen,
+naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische
+gebeurtenissen en door politieke bedoelingen?
+
+Men weet dat en Jonckbloet en Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat
+_Lucifer_ zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een
+politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje.
+
+Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het
+allereerst omdat Jonckbloet--en Van Lennep, ondanks zijn groote
+Vondelvereering, toch eigenlijk ook--beiden veel te rationalistisch
+waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel
+met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter-
+scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om
+in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven,
+ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van
+Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten
+altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in
+zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen.
+Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen
+bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e-
+eeuwsche "kunstphilosophie".
+
+Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den
+allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn _Berecht_, dat hij de
+Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den
+Leeuw en den Draak, voor Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens
+nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn
+vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar
+Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of
+persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen
+gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat
+hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling,
+daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche
+bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen
+geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen
+wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver
+objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel
+Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (_Cramer_),
+en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs
+1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn
+anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun
+wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat
+zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor
+zijn _Lucifer_ in het bijzonder ons boeien blijft als het treurspel van
+het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij
+bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen
+doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins
+Willem II (dien hij als _would-be_ overweldiger van zijn Amsterdam niet
+kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen
+van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam.
+
+ * * * * *
+
+Een inleiding tot de _Lucifer_ kan niet ontberen een inwijding van den
+lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht.
+Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en
+Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt, _Wereldstelsels_ en
+Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde
+vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen,
+waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus
+in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of
+boog komt die der vaste sterren; als negende de _kristallen hemel_.
+En nog weer daaromheen: het _Empyreum_, of de Hemel van het Volmaakte
+Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen
+zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch-
+katholieke opvatting, verdeeld in drie hierarchieen (rijen) en elk
+dezer weer in drie koren (orden):
+
+1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen;
+
+2. Heerschappijen, Krachten, Machten;
+
+3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen.
+
+Een verdeeling, die Vondel door Gabriel, ten bate van zijn toehoorders
+en lezers, nadrukkelijk laat aangeven:
+
+
+ "Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden worden
+ In drieerhanden rij en negenvoudige orden:
+ De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon,
+ Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboon.
+ De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten
+ En Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten,
+ Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen.
+ De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheen
+ En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken
+ Voor 't woord der middenrij"--
+
+
+Deze schikking, in verband met het feit dat _Lucifer_ herhaalde malen
+(vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud)
+als _Aartsengel_ wordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur
+van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriel
+(vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top van _alle_ hierarchijen
+geplaatst heeft, terwijl Rafael hem er op wijst, hoe hij, Lucifer,
+_boven_ duizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij)
+gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s
+volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij),
+Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het
+woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten
+denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den
+uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?--gelijk de Inhoud hem dan ook
+noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere
+zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben;
+een mindere zou niet zoo fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op
+het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten
+troon te verheffen, d.i. boven Lucifer; en dus tusschen dezen en God
+zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet
+zoo vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus
+niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den
+Opperste van _alle_ Hierarchijen. Ook de plaats van Gabriel, Michael en
+Raphael kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen.
+Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste
+drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder
+geen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer"
+en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden")
+te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de
+Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als
+trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche
+Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriel als meekampende
+monsters vermeld.
+
+En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de
+geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen
+menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier
+toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt!
+Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder
+de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer
+stellen, en hun doel voorbijschieten;--een geschiedenis uit den hoogsten
+Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als
+menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de
+kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn
+verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de
+pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de
+felheid van verzetstuw.[2]
+
+ * * * * *
+
+Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook
+gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings
+te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel
+taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te
+helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven.
+
+Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn
+eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen.
+
+
+Febr. 1913. L. S.
+
+
+Noten:
+
+[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis.
+
+[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels
+ dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn
+ Inleiding: _Vondels dramatiek_ (1e stuk, 2e deel der complete
+ uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek).
+
+
+ * * * * *
+
+
+OPDRACHT[1]
+
+
+ DEN ONVERWINNELIJKSTEN VORST EN HEERE
+ DEN HEERE FERDINANDUS DEN DERDEN,
+ GEKOREN ROOMSCHEN KEIZER, ALTIJD VERMEERDER DES RIJKS
+
+
+Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo
+zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de
+Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid,
+of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den
+toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke
+Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar
+voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre,
+aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer,
+wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt,
+waarvan de Poeet spreekt:
+
+
+ _Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit_:
+
+ Hoe hoog men drave in stijl en toon,
+ Het treurspel spant alleen de kroon.
+
+
+Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de
+tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden,
+die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn
+treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5]
+aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en
+rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit
+rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten
+boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de
+wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historien getuigen, en
+toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen,
+met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn,
+zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6]
+handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een
+wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan:
+waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze
+Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en
+den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een
+schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en
+Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze
+eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand
+des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen,
+tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom
+God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H.
+Roomschen Rijks, voor 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in
+den Zone, _Ferdinandus den Vierde_[8], te verzekeren; een zegen, waarop
+zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche
+Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den
+overwonnen Lucifer, in Michaels triomf-staatsie, ommevoert.
+
+
+ UWE KEIZERLIJKE MAJESTEITS
+
+
+ _allerootmoedigste Dienaar_,
+
+ J. VAN VONDEL.
+anno 1653.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer
+vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf
+aangegeven, tusschen de stof van zijn _Lucifer_ en diens verzet tegen de
+gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid,
+voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr.
+Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand
+III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij
+het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben.
+
+[2] _Wiens stijl_, voor "welks stijl".
+
+[3] _hoogdravendheid_ heeft bij V. niet de beteekenis van
+"gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid".
+
+[4] _Staatzuchtigen_: politiek-eerzuchtigen--_Het treurtooneel
+bekleeden_: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in
+het treurspel spelen.
+
+[5] _die zich vermat_: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer
+op te vatten als: "die het waagde te willen".
+
+[6] _Machten en Stammen_: De Koninklijke stam is de dynastie.
+
+[7] _Gods Orakel_: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is".
+
+[8] _Ferdinand IV_, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning,
+'s vaders opvolger, gekozen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+ OP DE AFBEELDINGE VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT
+ FERDINANDUS DEN DERDE;
+
+
+toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk,
+zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde.
+
+
+ _Deus nobis haec otia fecit._
+
+
+
+ De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen,
+ Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog,
+ Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog,
+ Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen.
+
+ De derde _Ferdinand_, geschapen tot regeeren,
+ Gelijk een tweede August, en Vader van de peis,
+ Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis,
+ En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.
+
+ Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken,
+ Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt,
+ En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd.
+
+ Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken,
+ Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd:
+ Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd.
+
+
+Noten:
+
+[1] _Sandrart_: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst,
+die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk
+genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius:
+
+
+ "Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blaren
+ Al wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren."
+
+
+[2] _loofwerk en sieraden_: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de
+lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s
+ordeteekenen.--_Deus nobis haec otia fecit_. (_Virgilius_): een god
+heeft ons deze rust verschaft.
+
+
+ * * * * *
+
+
+BERECHT
+
+
+AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN.
+
+
+Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens
+te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel
+afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michael, elk
+met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagie
+stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagien
+zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl
+vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken.
+Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests
+verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4]
+bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn
+braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder
+nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier
+geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poezy
+hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen
+zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht
+en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde
+besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten
+steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk
+geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den
+grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen.
+Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen
+aanhang, Isaias en Ezechiel[7]; bij den Evangelist, Christus, het
+allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te
+hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker
+spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten
+geprint te worden. Isaias roept: "_O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe
+zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt:
+Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte
+verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil
+boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar
+gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden_."
+God spreekt door Ezechiel aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis,
+vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods
+Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen,
+en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en
+smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe
+schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende
+Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de
+blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer
+scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken
+zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon,
+d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in
+hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd
+worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen
+Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den
+Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun
+misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt
+op deze wijze: "_Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet
+bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van
+duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard._" Wij stuiten
+dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus,
+leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen,
+gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die
+de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken.
+Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en
+eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond
+dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te
+houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit
+den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij
+schrijft: "_Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit
+ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch
+naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem
+door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij
+zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving,
+bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid
+aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem
+geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde._"
+De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "_Dees afvallige
+Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te
+blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de
+heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft._" Het derde en
+leste bewijs scheppen wij uit de predikatien van den honigvloeienden
+Bernardus[10]: "_Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch!
+d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf,
+klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse
+heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten
+van alle Engelen in eenen Duivel veranderd._" De Hoovaardij en
+Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand
+van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van
+twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers
+oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michael aanvoeren; aangezien
+deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want
+de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit
+verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare
+tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn
+vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee
+hoofdgebreken Lucifer toeeigenende, maalt ons den aard derzelve levendig
+af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid,
+maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar
+genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij,
+die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien
+ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet
+gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan.
+Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten
+worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de
+zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de
+gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de
+Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus,
+Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der
+tooneelpoezye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel
+hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener
+is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot
+afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt.
+Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en
+den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het
+derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen
+geduid; waarom men in Poezye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al
+te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der
+schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande
+personagien, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede
+Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de
+voegelijkheid zelf ons elk personagie, naar heuren staat en aard, leeren
+uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den
+tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historien of
+Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der
+poezy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen
+uitgedrukt:
+
+
+ De Schilder en Poeeet ontvingen beide een macht
+ Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht.
+
+
+Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der
+hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de
+geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den
+Aartsengel Gabriel, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins
+ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der
+meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel
+rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt,
+noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze
+(waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker,
+gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid
+opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en
+goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de
+Hebreen, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk
+der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid
+van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle
+Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der
+Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in
+de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende
+wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd
+der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten,
+gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker
+natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham
+aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd
+hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en
+tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen
+opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen
+zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der
+hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den
+anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen
+hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en
+misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude
+Hebreen, tot hun voorbeeld den Poeet Ezechiel[23], die den uittocht
+der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder
+d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten,
+Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in
+Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den
+Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid
+en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn
+treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken
+en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder
+d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26],
+Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't
+rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de
+gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en
+het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op,
+de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen
+nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond
+des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele,
+der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en
+gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals
+des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche
+Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst,
+te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst
+instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze,
+om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille
+ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een
+krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge
+der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten
+kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed
+stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat
+de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der
+zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte
+jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was
+noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu
+overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en
+vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke
+voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen;
+gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk
+der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en
+meedoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen,
+in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren,
+geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van
+voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe,
+bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat
+overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te
+verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl
+geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een
+edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weergade, van
+dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen,
+getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den
+tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De
+historien der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige
+voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den
+Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het
+spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd
+wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige
+speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe
+redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan
+leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men
+geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat
+schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt;
+maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet
+wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien
+zin; want _Tragoedia_ is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk
+Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen
+bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de
+tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus
+ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met
+orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en
+ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne
+vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het
+misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet
+ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een
+eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens
+moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet
+misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten
+Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter
+Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die
+zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige
+Overheden durven verheffen.
+
+
+Noten:
+
+[1] _Het heilig treurtooneel_: tooneel waarop gewijd spel gespeeld
+wordt.
+
+[2] _de stellagie stoffeeren_: Uitdrukking verwant aan een andere, bij
+V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak
+ook van een schilderij stoffeeren, met figuren.
+
+[3] _hooger laarzen_. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op
+grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden,
+moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen
+dus op _Kothurnen_, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel
+"brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze
+laarzen.
+
+[4] _Salmoneus_. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding
+van De K., blz. XVII.
+
+[5] _Reuzenstrijd_. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van
+De K.
+
+[6] _reukeloos_: roekeloos.
+
+[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel).
+
+[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met _Engel_, niet met
+_Engeland_. _Engelsche Majesteit_: Engelen majesteit.
+
+[9] _De groote Gregorius_: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw--_bestelt
+ons_: bezorgt ons.
+
+[10] _Bernardus_ (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd _mellifluus_ =
+honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst.
+
+[11] _bestarnde dieren_: dieren die als sterrebeelden voorkomen.
+
+[12] _Augustijn_, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E.
+
+[13] _grootschheid_: grandezza, heerlijkheid.
+
+[14] _Nu dewijl de dieren_. Het verband tusschen de dieren en deze stof
+uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's _De Dieren_. Zie ook Beets,
+_Verscheidenheden_, N.B. II.
+
+[15] _Zelfs bij dieren afgeteekend_: door dieren.
+
+[16] _Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken_: Dichters,
+profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak.
+
+[17] _verzieren_ is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken.
+Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel.
+
+[18] _rijker stof bijzet_. Meer afwisseling geeft.
+
+[19] _onschuld_: verontschuldigingen.
+
+[20] _Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn_. V. had hier een
+profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze
+stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede
+voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere
+vertooning wisten te ontlokken.
+
+[21] _zinnelijkheid_, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De
+smaken zijn verschillend."
+
+[22] _heilige treurspeldichters_. "Heilig" behoort bij treurspel, niet
+bij dichters: dichters van gewijde stoffen.
+
+[23] _Poeet Ezechiel_. Niet _profeet_ (2e E. na Chr.).
+
+[24] _Gregorius Nazianzener_. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw).
+
+[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was
+onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn _Christus Pattens_; voor zijn _Adam
+in Ballingschap_ inspireerde hem De Groots _Adamus Exul_; diens derde
+Latijnsche treurspel: _Solompaneas_ vertaalde hij. Zie mijn Inleiding
+pag. 71.
+
+[26] _Sir Richard Baker_ (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in
+schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis _Bespiegelingen_ en
+_Overwegingen_ schreef over Bijbelsche onderwerpen (_Chambers_).
+
+[27] _wettige treurspelen_: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo
+juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter.
+Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten?
+
+[28] _de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen_. Voor de
+beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn
+Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45.
+
+[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar
+latere) _Jeptha_ den "matigenden" en "manierenden" invloed der
+treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten
+schrik.
+
+[30] _spitsvondig_. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te
+vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken.
+
+[31] _tuimelgeest_: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet
+tuimelen, dazen.
+
+[32] _gestoffeerd_: schoon gevuld met.
+
+[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek",
+pag. 24/25 en 31.
+
+
+ * * * * *
+
+
+INHOUD
+
+
+Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen,
+hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde
+Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en
+in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij
+benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriel, Gods Heraut, alle
+Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods
+toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom
+voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid
+vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de
+hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen,
+en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1],
+ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michael, 's Hemels
+Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaels waarschuwinge,
+aanvoerde; en afgestreden, na de neerlaag, uit wrake den eersten mensch,
+en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne
+weerspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd.
+
+
+ _Het Tooneel is in den Hemel_.
+
+
+Noot:
+
+[1] _door zijne medestanders_: d.w.z. met behulp van zijn medestanders.
+
+
+ * * * * *
+
+
+PERSONAGIEN
+
+
+BELZEBUB..)
+BELIAL....) _Wederspannige Oversten_.
+APOLLION..)
+GABRIEL, _Gods Geheimenistolk_.
+REI VAN ENGELEN.
+LUCIFER, _Stedehouder_.
+LUCIFERISTEN, _Oproerige Geesten_.
+MICHAEL, _Veldheer_.RAFAEL, _Beschermengel_.
+URIEL, _Michaels Schildknaap_.
+
+
+(_Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari_ 1654.)
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET EERSTE BEDRIJF
+
+
+BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1].
+
+
+BELZEBUB:
+
+Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven,
+Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven.
+Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam,
+Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam'
+Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden
+Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden
+Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer.
+Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer
+En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder.
+
+BELIAL:
+
+Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder,
+Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht.
+Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht
+En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken
+De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken,
+In eenen andren dag en schooner zonneschijn,
+Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn.
+De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder,
+Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder
+Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier,
+Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier.
+Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen,
+Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen
+Voorspoedig afgeleid.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat brengt Apollion?
+
+APOLLION:
+
+Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon,
+Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten
+Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten,
+Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land
+En van den hof, door God gezegend en beplant,
+Tot wellust van den mensch[5].
+
+BELZEBUB:
+
+ Ik zie de gouden bladen,
+Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen.
+Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt!
+Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud!
+'t Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen.
+'t Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden
+Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag,
+En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag.
+Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen;
+'t Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen.
+
+APOLLION:
+
+Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog,
+Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog
+Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven,
+Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven.
+
+BELZEBUB:
+
+Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe.
+
+APOLLION:
+
+'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe
+Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10],
+Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen.
+Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan,
+In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11]
+En wolken, afgegleen, bleef hangen op mijn pennen[12].
+Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13],
+Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt,
+Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt.
+Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14],
+Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten,
+Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin
+Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin
+Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen
+Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.
+
+APOLLION:
+
+De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is.
+In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert,
+Die zich in vieren deelt en al het land bewatert,
+Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit,
+Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17].
+De stroomen geven slib, en koesteren de gronden.
+Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden.
+Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt,
+Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt,
+Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen.
+Hier wou Natuur haar schat in eenen schoot vergaderen.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft?
+
+APOLLION:
+
+Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft,
+Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent,
+Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent:
+Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur,
+En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur.
+De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen
+Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen
+Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen
+En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen.
+
+APOLLION:
+
+Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21],
+Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan,
+En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan.
+Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren,
+Die op het aardrijk treen, of in de wolken zwieren,
+Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend,
+En leven schept in zijn bijzonder element.
+Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen
+Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen.
+De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart,
+En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard
+Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen,
+En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren;
+Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man,
+Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25].
+Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen
+En toegekwinkeleerd van 't lustprieel, vol tongen;
+Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt,
+En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt.
+Had zich Apollion in zijnen last gekweten,
+Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26].
+
+BELZEBUB:
+
+Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt?
+
+APOLLION:
+
+Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd
+Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen
+Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28]
+Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest,
+Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest,
+Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen,
+Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen.
+Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen.
+Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen.
+De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren.
+Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren
+Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd
+Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.
+
+BELZEBUB:
+
+Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven.
+
+APOLLION:
+
+Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven.
+D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof.
+Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof.
+Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis.
+Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis,
+En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom.
+Voor hare majesteit staan alle Geesten stom.
+De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen;
+Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen.
+En hierom huwde God den man aan zijn mannin.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin?
+
+APOLLION:
+
+Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen,
+Om mijn gedachten en genegendheen te teugelen,
+Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand
+Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand,
+Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken,
+Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken:
+Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom,
+Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom
+En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen;
+Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen.
+Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30]
+Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man.
+Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen,
+Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen!
+
+BELZEBUB:
+
+Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld?
+
+APOLLION:
+
+Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld,
+En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen.
+Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen
+En wederminnen met een onderlingen lust,
+Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen.
+
+APOLLION:
+
+Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen.
+De man en vrouw zijn bei volschapen, even schoon,
+Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon,
+Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen,
+Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen;
+Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch:
+Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch,
+Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen,
+Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen
+Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor,
+En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';--
+Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden,
+Het zijn wanschapenheen bij 't morgenlicht der maagden.
+
+BELZEBUB:
+
+Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33].
+
+APOLLION:
+
+Ik heb mijn slagveer in dat aangename vier
+Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen,
+Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen.
+Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om.
+Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom,
+Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34],
+Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen,
+En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht,
+Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht.
+Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven;
+Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt
+En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld?
+
+APOLLION:
+
+Zoo lang die hof beneen niet ophoude ooft te geven,
+Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven,
+Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom,
+Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom
+Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk.
+Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk,
+En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk,
+Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk
+Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten?
+Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten
+In duizendduizenden, in een oneindig tal.
+Nu overreken eens, wat hieruit worden zal.
+
+BELZEBUB:
+
+De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen?
+
+APOLLION[35]:
+
+Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen,
+Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan;
+Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan,
+Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten.
+Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten?
+Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem
+Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien.
+
+APOLLION:
+
+d'Aartsengel Gabriel, gevolgd van 's Hemels reien,
+Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon
+T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboon.
+
+BELZEBUB:
+
+Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden.
+
+
+ GABRIEL. REI VAN ENGELEN.
+
+
+GABRIEL:
+
+Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden!
+De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit,
+Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid
+Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten,
+Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten;
+Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk,
+Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk,
+En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden
+Der opgeleide wet, met God bezitten zouden.
+Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal
+Der wereld, Gode en ook den mensche te geval,
+Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren,
+Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren,
+En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans
+Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans.
+Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen;
+God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen,
+Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot
+Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God.
+Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en aren,
+Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen
+Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk,
+Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk.
+Daar staat de stoel alree geheiligd in het midden.
+Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden.
+Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt,
+Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt.
+Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister,
+Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister.
+Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37].
+Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38].
+
+REI VAN ENGELEN:
+
+Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen.
+
+GABRIEL:
+
+Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen,
+Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint.
+Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint.
+De mensch en Engel, beide uit eenen stam gesproten,
+Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41],
+Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet.
+Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet!
+Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42]
+In driederhande rij, en negenvoudige orden:
+De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon,
+Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboon.
+De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten
+En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten
+Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen.
+De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheen,
+En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43]
+Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken
+Beneden het gewelf van zuiver kristallijn,
+In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'.
+Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden,
+Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden,
+Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon
+Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44].
+Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden,
+Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden.
+Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht,
+Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht.
+Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden,
+En brengen voor Gods troon der menschen offeranden
+En wenschen en gebeen, en zingen 's Godheids lof,
+Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof.
+Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten,
+Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten
+Met wolken, om den berg te zegenen omlaag,
+Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag
+Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden
+Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden.
+Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent,
+Die matige op zijn pas een ieder element,
+Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden,
+Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden.
+Een ander sla de treen des menschen gade op 't veld.
+De Godheid heeft zijn haar tot op een haar geteld.
+Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote.
+Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48]
+Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht.
+Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht.
+
+ REI VAN ENGELEN[49]:
+
+ ZANG.
+
+ Wie is het, die zoo hoog gezeten,
+ Zoo diep in 't grondelooze licht,
+ Van tijd noch eeuwigheid gemeten
+ Noch ronden, zonder tegenwicht[50],
+ Bij zich bestaat, geen steun van buiten
+ Ontleent, maar op zichzelven rust,
+ En in Zijn wezen kan besluiten
+ Wat om en in Hem, onbewust
+ Van wanken, draait, en wordt gedreven
+ Om 't een en eenig middelpunt[51];
+ Der zonnen zon, de geest, het leven;
+ De ziel van alles wat gij kunt
+ Bevroen, of nimmermeer bevroeden;
+ Het hart, de bronaar, d'oceaan
+ En oorsprong van zoovele goeden[52]
+ Als uit Hem vloeien en bestaan
+ Bij zijn genade, en alvermogen,
+ En wijsheid, die hun 't wezen schonk
+ Uit niet, eer dit in top voltogen
+ Paleis, der Heemlen Hemel, blonk;
+ Daar wij met vleuglen d'oogen dekken,
+ Voor aller glansen Majesteit;
+ Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken,
+ En vallen, uit eerbiedigheid,
+ Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.--
+ Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem,
+ Met eene Serafijne veder.
+ Of schort het aan begrijp en stem?
+
+ TEGENZANG.
+
+ Dat 's _God_. Oneindig eeuwig Wezen
+ Van alle ding, dat wezen heeft.
+ Vergeef het ons, o nooit volprezen
+ Van al wat leeft, of niet en leeft;
+ Nooit uitgesproken, noch te spreken;
+ Vergeef het ons, en scheld ons kwijt
+ Dat geen verbeelding, tong, noch teeken
+ U melden kan. Gij waart, Gij zijt,
+ Gij blijft dezelve. Alle Englekennis
+ En uitspraak, zwak, en onbekwaam,
+ Is maar ontheiliging en schennis:
+ Want ieder draagt zijn eigen naam.
+ Behalve Gij. Wie kan U noemen
+ Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd
+ Tot Uw Orakel? wie durf roemen?
+ Gij zijt alleen dan die Gij zijt,
+ U zelf bekend en niemand nader.
+ U zulks te kennen, als Gij waart,
+ Der eeuwigheden glans en ader,
+ Wien is dat licht geopenbaard?
+ Wien is der glansen glans verschenen?
+ Dat zien is nog een hooger heil
+ Dan wij van uw genade ontleenen;
+ Dat overschrijdt het perk en peil
+ Van ons vermogen. Wij verouden
+ In onzen duur; Gij nimmermeer.
+ Uw wezen moet ons onderhouden.
+ Verheft de Godheid; zingt Haar eer!
+
+ TOEZANG.
+
+ Heilig, heilig, nog eens heilig,
+ Driemaal heilig! eer zij God!
+ Buiten God is 't nergens veilig.
+ Heilig is het hoog gebod.
+ Zijn geheimenis zij bondig[53];
+ Men aanbidde Zijn bevel.
+ Dat men overal verkondig,
+ Wat de trouwe Gabriel
+ Ons met zijn bazuin kwam leeren:
+ Laat ons God in Adam eeren.
+ Al wat God behaagt, is wel.
+
+
+Noten:
+
+[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche
+namen); APOLLION (Grieksch): verderver.--Deze Engelen zijn dus door
+Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen,
+duivelschen aard.
+
+BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; voor de komst van
+Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde
+gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de
+laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen
+gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt
+lezers en hoorders in de sfeer der handeling.
+
+[2] _Kreits in kreits_: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel
+der Hemelen en de aarde liggen (_Voorwoord_).
+
+[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.).
+
+[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over.
+
+[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid
+geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van
+Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel.
+
+[6] _verf_: kleur.
+
+[7] _vroolijk_: fleurig.
+
+[8] hemelsch _mann_: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn
+uit den hemel viel.
+
+[9] _mist me niet_: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan.
+
+[10] _de negen bogen_: (zie _Voorwoord_).
+
+[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde.
+
+[12] _pennen_: vleugels.
+
+[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel
+en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant
+des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in
+modernen zin lag niet in den geest van dien tijd.
+
+[14] _verschieten_: in 't verschiet opdoemen.
+
+[15] _onderwereld_: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de
+menschen.
+
+[16] _valt rond_: is rond (uitgevallen).
+
+[17] _daar geen gezicht op stuit_; die gezichten weerspiegelen.
+
+[18] _Bdellion_: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts.
+
+[19] _Dan_: daardoor.
+
+[20] _telg_: tak.
+
+[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen
+wenschen?
+
+[22] _Wiens_: wier.
+
+[23] _ommegang_ der dieren: hun leven en bedrijven.
+
+[24] _bergleeuw, landstier_: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger
+en voller, voor 't vers.
+
+[25] _Behemoth, Leviatan_: voorwereldlijke reuzendieren.
+
+[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels
+door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en
+was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven.
+
+[27] _geestig_: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol".
+
+[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam
+in Ballingschap."
+
+[29] _Zijn ribbe_, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd
+in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie.
+
+[30] _gespan_: Wat _samen_ in een gareel gespannen is. Thans nog:
+"span".
+
+
+[31] _Dit eischt Natuurs penseel_. Hier spreekt Vondel (en niet
+Apollion, zeker!), wien alle poezie "levende schilderij" was.
+
+[32] _wiens_: welker.
+
+[33] _dier_: schepsel.
+
+[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van
+haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van
+Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende?
+
+[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen
+versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent
+Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon
+te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der
+Menschheid te stellen--heel dramatisch--die onrust tot wrevel aansporen
+die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s _Dramatiek_
+pag. 112.
+
+[36] : _van eeuwigheid_, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit
+van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen.
+
+[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen
+verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij,
+Engelen, grooter en schooner zijn.
+
+[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in
+alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde
+lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op
+bijzondere wijze beklemtoond.
+
+[39] _stemt_: bestemt, bepaalt, vaststelt.
+
+[40] _passen_, (evenals te voren): zorgen.
+
+[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder
+effect dan in noot 38.
+
+[42] Over die verdeeling der Engelen zie _Voorwoord_.
+
+[43] _moet duiken_: moet buigen.
+
+[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't
+bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling.
+
+[45] _Gehoorzaamt Lucifer_. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om
+ons den straks afvallige hier door Gabriel te doen noemen als den
+eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen.
+
+[46] _Een ander draai gestarnte_. Het was, ook volgens Dante, de taak
+der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie _Ploeg_
+II, pag. 41).
+
+[47] _Onnoozelheid_. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van
+"onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed voor den
+zondeval.
+
+[48] _gezonden van een Groote_: Zie tevoren, dat een Engel der laagste
+rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken
+voor een aardsche zending.
+
+[49] _Rei van Engelen_. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de
+_zang_ wordt aangeheven door de lagere rijen, de _Tegenzang_ door die
+der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een
+_Serafijne_ veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods
+Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar:
+
+ Dat zien is nog een hooger heil,
+ Dan wij van uw genade ontleenen.
+
+[50] _noch ronden_. De hemellichamen zijn gebonden aan de _ronden_,
+sferen; God niet.--_Zonder tegenwicht bij zich bestaat_: op zich zelf
+staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: _Geen steun van buiten
+ontleent_.
+
+[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is
+begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het _Al_.
+
+[52] _Zoovele goeden_: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat
+aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het
+licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de
+Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der
+Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn.
+Waarom niet als in _Adam in Ballingschap_ vs. 465, "goede dingen"?
+
+[53] _bondig_. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk.
+meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer:
+"raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar."
+D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn
+bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het
+opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene
+uitdrukt.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET TWEEDE BEDRIJF
+
+
+LUCIFER, BELZEBUB
+
+
+LUCIFER:
+
+Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]:
+Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen,
+Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer
+Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2],
+Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven,
+Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven.
+Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad,
+Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad
+Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen;
+Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen,
+En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag,
+De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag.
+'t Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen:
+De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen,
+In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend:
+Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient
+En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen.
+De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen.
+'t Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag',
+Dat ieder op hen passe, en op de handen draag',
+Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4].
+Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen.
+Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk.
+De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk
+Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven
+De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven
+En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort,
+Wat Gabriel bazuint voor 's Hemels gouden poort.
+
+BELZEBUB:
+
+O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen,
+Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen
+Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft.
+De last van Gabriel leit klaar: dat woord behoeft
+Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen.
+Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen
+Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan,
+Wat Adam al bezit, zoo laag beneen de maan:
+Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt,
+Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt,
+En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer
+Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer.
+De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open.
+Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen
+Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien
+Zoo verre boven u, en, vallende op uw knien,
+Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen,
+Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen.
+Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht,
+Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht,
+En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10]
+Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden,
+Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk,
+Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk,
+Dat God de menschen wil verheffen, ons verneeren?
+Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren
+Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand:
+Een lager is er, die de kroon daar boven spant,
+Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen
+En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen
+Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad.
+Wij zien den Hemel haast veranderen van staat.
+De starren zien vast uit, en wijken met verlangen,
+Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen.
+
+LUCIFER:
+
+Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht.
+
+BELZEBUB:
+
+Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht
+Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen.
+Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen.
+Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God,
+Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod;
+Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden.
+De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden,
+Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem
+Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem?
+Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden,
+Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden
+Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij
+Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij.
+De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten:
+Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten.
+En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reen;
+Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een.
+
+LUCIFER:
+
+Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen
+Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen;
+Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht;
+Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht,
+Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren:
+Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren.
+Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet eenen voet.
+Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed,
+Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen:
+Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12].
+Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd,
+Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd,
+Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden
+En zooveel duizenden als onze zijde houden.
+Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof;
+En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof,
+Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder;
+Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder.
+Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut,
+Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd.
+Het waar' niet ongeraan hem nader t' ondervragen.
+Ik wil hem tegentreen, en aftreen van den wagen.
+
+
+ GABRIEL. LUCIFER.
+
+
+GABRIEL:
+
+Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis?
+
+LUCIFER:
+
+Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis!
+
+GABRIEL:
+
+Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen.
+
+LUCIFER:
+
+Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen,
+Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart,
+Verlicht me met uw komst.
+
+GABRIEL:
+
+ Wat is 't, dat u bezwaart?
+
+LUCIFER:
+
+Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde
+Des hemels lager schat dan 't element der aarde,
+den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel
+Door alle starren voert; het menschdom op den stoel
+Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven;
+Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven.
+Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof
+Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof
+Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen,
+En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen?
+Waartoe vernedert ons d'oneindige Gena
+Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spa?
+En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen
+Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen
+Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in
+Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin?
+Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?--
+Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen?
+Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht
+Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht,
+Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen?
+Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen
+Zien buigen voor een grof en zakkende element[14],
+Daar God zijn majesteit en wezen inneprent?
+Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten.
+Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten,
+Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil
+Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil.
+
+GABRIEL:
+
+Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen.
+Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden.
+De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt.
+Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind.
+De zuivre Wijsheid wou ten deel' haar wil bezegelen[15],
+Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen
+Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat,
+Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat.
+De reden en het wit, waarom wij namaals wachten,
+Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16],
+Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd,
+Den schepter voeren zal, en breed en overwijd
+De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren,
+Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren.
+Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord.
+
+LUCIFER:
+
+Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord
+Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17]
+Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten
+Zoo verre boven God?
+
+GABRIEL:
+
+ Genoeg u met uw lot
+En staat en waardigheid, u toegeleid van God.
+Hij hief u in den top van alle Hierarchijen:
+Doch niet om iemands glans en opgang te benijen.
+De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon,
+Indien ze wederstreef des Oppersten geboon.
+Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen.
+
+LUCIFER:
+
+Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen.
+
+GABRIEL:
+
+Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al
+Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal,
+Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen.
+
+LUCIFER:
+
+Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen,
+Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon
+Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon
+Van duizend duizenden eenstemmige koralen,
+Verdooft de majesteit en diamanten stralen
+Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet;
+En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet.
+
+GABRIEL:
+
+De zaligheid bestaat in een gerust genoegen,
+In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen.
+
+LUCIFER:
+
+De majesteit van God en Godheid wordt verkleend,
+Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent,
+Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader
+Aan God en Zijn natuur, als zoons van eenen Vader
+Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is
+Te stellen tegens een deze ongelijkenis
+Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde
+Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde
+Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19],
+Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook
+En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven!
+Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven!
+De zon al majesteits ontberen, in haar loop!
+Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop,
+Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20],
+Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen
+In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriel!
+Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel,
+Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven.
+Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven,
+Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor
+Van mijn gehoorzaamheid.
+
+GABRIEL:
+
+ Gij ijvert krachtig voor
+De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen
+Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen,
+Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek.
+De menschgeworden God zal dit geheimnisboek,
+Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten.
+Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten
+Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom
+Van zijn verholendheen, en diep in 't Heiligdom
+Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken,
+En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken
+Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht
+De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht.
+Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21].
+Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen
+Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert,
+Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneert.
+Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten.
+Ik ga, daar God mij zendt.
+
+LUCIFER:
+
+Men zal er scherp op letten.
+
+
+ BELZEBUB. LUCIFER.
+
+
+BELZEBUB:
+
+De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait,
+Dat Gabriels bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid.
+Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken:
+Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23].
+
+LUCIFER:
+
+Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien.
+Geen minder droome hier zijn meerder te gebien.
+
+BELZEBUB:
+
+Hij dreigt weerspannigheid haar hoofd en kroon te pletten.
+
+LUCIFER:
+
+Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24],
+Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans,
+Door alle kreitsen hene en starrelichten glans.
+Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25],
+De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken
+Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel.
+Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel
+Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder
+Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder
+Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf;
+Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf,
+Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26]
+Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen;
+'t Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp
+Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27],
+En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren.
+Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren.
+Men dage Apollion.
+
+BELZEBUB:
+
+Hier treedt hij voor den dag.
+
+
+ APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB.
+
+
+APOLLION:
+
+O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag,
+Orakel, in den Raad der onderdane Goden,
+Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden.
+Wat eischt de majesteit van haren onderdaan?
+
+LUCIFER:
+
+Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan,
+Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken.
+Het wit is[28] Michael de slagveer uit te rukken,
+Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'.
+Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit,
+Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven
+In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven
+In top der Hemelen, door alle kreitsen heen,
+En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneen
+Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen.
+Het lust me met geweld dien zetel te bestormen,
+En op te zetten bij dat opzet, in een slag,
+Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag.
+
+APOLLION:
+
+Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere
+En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere
+Te raden, onder u, tot zulk een brave daad.
+Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29],
+De wil is prijselijk, al wou het niet gedijen.
+Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen,
+Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan?
+Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan?
+
+LUCIFER:
+
+Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen.
+
+APOLLION:
+
+Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen
+In eene zelve schaal met d'Almacht;--haar gewicht
+Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht.
+
+BELZEBUB:
+
+Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.
+
+APOLLION:
+
+Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen?
+Het overpeinzen kwetst alree Gods majesteit.
+
+LUCIFER:
+
+Men hou haar ongekwetst, en stappe met beleid
+Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen.
+Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen.
+
+APOLLION:
+
+Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na,
+Tenzij men leeren wil met naberouw te spa.
+De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken.
+
+LUCIFER:
+
+Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken
+Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'.
+Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg
+Met eenen slingerslag; ons heiren overladen
+Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden.
+
+APOLLION:
+
+Gij weet wat Michael, Gods Veldheer, al vermag:
+Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag.
+Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven.
+De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34]
+Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star
+Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35],
+Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren.
+Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren,
+Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart
+Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart'
+Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen?
+Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open,
+Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling.
+
+BELZEBUB:
+
+Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling,
+Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd
+Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd.
+
+APOLLION:
+
+De Veldheer Michael voert, ruim zoo trotsch en fier,
+Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier,
+De zon in top.
+
+LUCIFER:
+
+ Wat baat een naam met licht geschreven?
+Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven
+Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed
+En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed.
+Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41],
+Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien.
+Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht;
+En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht.
+Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen;
+De hoofden en de leen aan 't woeden en krakeelen;
+De meeste macht alree geblinddoekt en verdoofd,
+En oversten en elk vast roepen om een hoofd.
+Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42],
+Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen
+Ga hene, en overleg dit stuk met Belial:
+Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal.
+Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen,
+In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43],
+Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee.
+De Hofraad is vergaard en wacht ons' komst alree.
+Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen.
+Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen.
+
+
+ BELIAL. APOLLION.
+
+
+BELIAL:
+
+Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog.
+
+APOLLION:
+
+Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog.
+
+BELIAL:
+
+En doelen op een wit, doch hachelijk te raken.
+
+APOLLION:
+
+Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken.
+
+BELIAL:
+
+Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan.
+
+APOLLION:
+
+Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan?
+
+BELIAL:
+
+De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen.
+
+APOLLION:
+
+De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen.
+
+BELIAL:
+
+Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd.
+
+APOLLION:
+
+Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt.
+
+BELIAL:
+
+Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten,
+En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten.
+
+APOLLION:
+
+Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof,
+Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof
+Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen;
+Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48],
+En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep,
+Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep.
+Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven.
+Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven,
+En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag,
+Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag
+Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen.
+Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen
+Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend.
+De mensch beware[49] dan zijn eigen element,
+Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50]
+Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen
+Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar.
+Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar.
+Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden,
+En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51].
+Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer?
+Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer.
+Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten.
+
+BELIAL:
+
+Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52].
+
+APOLLION:
+
+Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor.
+Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor,
+Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen.
+
+BELIAL:
+
+Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen.
+Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed.
+
+APOLLION:
+
+Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed.
+
+BELIAL:
+
+Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien.
+
+APOLLION:
+
+Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien,
+Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag.
+
+BELIAL:
+
+Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag,
+Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54].
+
+APOLLION:
+
+Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen.
+
+BELIAL:
+
+De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid,
+Bie zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55].
+
+APOLLION:
+
+Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren:
+Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen
+Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd.
+
+BELIAL:
+
+Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft,
+Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen.
+
+APOLLION:
+
+Wat ree gewonnen is, behoeft men niet te winnen.
+Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat,
+Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat
+In zooveel duizenden!
+
+BELIAL:
+
+ De billijkheid en reden
+Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden,
+Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan,
+Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan.
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ ZANG.
+
+ Hoe zien de hoffelijke gevels[56]
+ Zoo rood? hoe straalt het heilig licht
+ Zoo rood op ons gezicht,
+ Door wolken en bedroefde nevels?
+ Wat damp, wat mist betrekt
+ Dat zuiver, nooit bevlekt,
+ En loutere saffier?
+ Die vlam, dien glans, dat vier
+ Van 't heldere Alvermogen?
+ Hoe schijnt ons nu de diepe gloed
+ Der Godheid toe, zoo zwart als bloed?
+ Die flus zoo klaar alle oogen
+ Verheugde? Wie begrijpt, wie kent
+ Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen,
+ Die, boven Adams element,
+ Nog flus op galm van kelen zwommen;
+ Op lucht van Geesten, in den glans,
+ Die galerij, en tin, en trans,
+ Gewelf van koor en hof verguldde,
+ En met een ziel van vreugd vervulde
+ Al wat hier boven leeft, en zweeft?
+ Wie is er, die ons reden geeft?
+
+ TEGENZANG.
+
+ Toen wij, op Gabriels bazuinen,
+ Ontvonkten, en een nieuwe wijs
+ Aanhieven, God ten prijs;
+ De rozengaarden, en de tuinen
+ Van 't Hemelsch Paradijs,
+ Door zulk een dauw en spijs
+ Van lof en zang verblijd,
+ Ontloken;--scheen de Nijd[57]
+ Van onder in te sluipen.
+ Een groot getal der Geesten, stom
+ En bleek en doodsch, ging, drom bij drom
+ Misnoegend henendruipen.
+ De winkbrauw hing verslenst op 't oog.
+ Het gladde voorhoofd zette een rimpel.
+ De Hemelduiven, hier omhoog,
+ Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel,
+ Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen;
+ Alsof de Hemel viel te kleen
+ Voor haar, toen Adam wierd verkoren,
+ En zulk een kroon den mensch beschoren,
+ Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht.
+ Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht.
+
+ Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen,
+ En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen.
+
+
+Noten:
+
+[1] _Gij snelle geesten--trek onzen wagen_: Lucifer is de eenige engel,
+van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van
+het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen?
+
+[2] _deze dubbele star_: Adam en Eva.
+
+[3] _'t Is nacht met Engelen_: 't Wordt duister voor d'Engelen.
+
+[4] _op d'allerhoogste tronen_: tot d'allerhoogste tronen; immers naast
+God.
+
+[5] _onze erfenis_: ons erfdeel.
+
+[6] _strijkt de kroon_: gaat met de kroon strijken.
+
+[7] _de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven_: de staf Gods
+zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen.
+
+[8] _die 't eeuwig feest:_ de blijschap eeuwigdurendlijk.
+
+[9] _met nederslachtigheid_: ootmoedig.
+
+[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt
+hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en
+ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch.
+
+[11] _anders_: althans (Wdbk).
+
+[12] _dien hoek te boven komen_: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm;
+ook in _Adam in Ballingschap_ aan te treffen.
+
+[13] _een wulpsch vermogen_. Een wulp is een jong dier, in het algemeen,
+en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig.
+
+[14] _zakkende element_. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven,
+in tegenstelling tot den mensch.
+
+[15] _Wou haar wil bezegelen_: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie
+hiervoor, _op bondig_.
+
+[16] _een tafel erfgeslachten_: een ganschen stamboom.
+
+[17] _Een ingeboren zwichten_. Hier kan V. gedacht hebben aan de oude
+grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is
+het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene
+boven den vreemdeling gaat?
+
+[18] _vereent, vereeniqt_: een maakt en innig een doet worden.
+
+[19] _God_: de zon; de smook: de menschheid.
+
+[20] _Wanorden orden en geschiktheid overrompelen_. "Geschiktheid" staat
+hier voor: "'t geen wel geschikt is," dus in denzelfden zin als orde.
+
+[21] _tegenstappen_: tegemoetgaan, bejegenen.
+
+[22] _plakkaat_: ordonnantie; voorschrift.
+
+[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem voor te leggen hoe de
+menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting.
+
+[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich
+zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s _Berecht_.
+
+[25] _verstrekken_: zijn tot.
+
+[26] _bogen, ronden; kreitsen_. Zie _Voorwoord_.
+
+[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot
+den ouden staat van woestheid. _Mengelklomp_ is Chaos.
+
+[28] _Het wit is_: het doel is.
+
+[29] _bestaan_: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen".
+
+[30] _geleende macht_: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan
+den Leenheer, God.
+
+[31] _haar gewicht weegt over_: voor "overweegt" "is zwaarder".
+
+[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michael, niet tegen God.
+
+[33] _den sleutel van het Wapenhuis_: een wat te nuchter-realistisch
+trekje, in deze hemelsfeer.
+
+[34] _Hij houdt op alle Hoven_: _Hof_ werd in de 16e en 17e E. gebruikt
+voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar:
+de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk).
+
+[35] _dar_: durft. Zie in het _Voorwoord_: de Engelen geleiden de
+Hemellichamen op hun baan. Zie ook: _een ander draaigestarnte_.
+
+[36] _Men vangt haast aan_: het aanvangen gaat vlug genoeg.
+
+[37] _braveeren_: als _bravade_: pronken, uittartend glansen, als teeken
+van overwinning.
+
+[38] _Gods wonderlijken naam_: Wonderbaarlijken.
+
+[39] _tittelen_: titels, gezag, vertoon.
+
+[40] _treken_: listen.
+
+[41] _in te luien_: in slaap te wiegen.
+
+[42] _troonen_: meetronen.
+
+[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van _voorbij vliegen_:
+overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan
+"voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht.
+
+[44] _leg het over_: overleg.
+
+[45] _dit stuk_: aanslag.
+
+[46] _ietwat glimpelijks_: iets dat er een goeden glimp aan geeft.
+
+[47] _te schennen tegens een_: tegen elkaar op te zetten.
+
+[48] _waren_: verdedigen. Verweren. Zie _Gysbrecht_: "ik kom dit
+slot bewaren."
+
+[49] _beware_: blijve dan in.
+
+[50] _palen_: grenzen.
+
+[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de
+aarde.
+
+[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme.
+
+[53] _door toeval van ontelbre vanen_: ontelbre regimenten (_vanen_)
+zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten.
+
+[54] _Zijn wapen hangen_. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd
+op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat
+wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk
+insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: _arms_).
+_Zijn wapen hangen_ = zijn zegel hechten.
+
+[55] _trotsch beleid_: trotseerend beleid.
+
+[56] _Hoffelijke gevels_: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een
+bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer
+gold.
+
+[57] _De Nijd_ treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die
+Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid.
+
+[58] _Onnoozel_: van kwaad onbewust.
+
+[59] _die vlam_ (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood
+zien".
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET DERDE BEDRIJF
+
+
+LUCIFERISTEN. REI.
+
+
+LUCIFERISTEN[1].
+
+Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden!
+Hoe is 't alree verkeerd! wij schatten niemands Orden
+Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk,
+Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk,
+En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend;
+Wanneer[2] ons Gabriel met Gods bazuin bejegent,
+En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod,
+Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot,
+Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken.
+Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken
+En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht,
+De gansche Hierarchy des hemels ongerust,
+Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven,
+Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven.
+O onverwachte slag en staatverwisseling!
+Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring
+In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren
+En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren,
+Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbien.
+De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien.
+Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien,
+Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4],
+En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht,
+Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht.
+Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten.
+Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten!
+Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart.
+Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart.
+Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren:
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+REI[5].
+
+Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon!
+De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon
+Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen
+Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen,
+En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit?
+Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit,
+Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen?
+Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden?
+Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag'
+Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag
+Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert,
+Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert.
+De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vree.
+Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee.
+Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren!
+
+LUCIFERISTEN (_koor_):
+
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+REI:
+
+Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe?
+O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moe?
+Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren?
+Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren,
+Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans.
+De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans,
+Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven,
+In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven,
+Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann'
+Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan
+Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen
+Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7],
+Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom.
+Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom.
+Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen.
+Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let?
+Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriel trompet:
+Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen
+In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen,
+Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan.
+Wat is bij ons[8] alree mishandeld of misdaan,
+Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen,
+Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen?
+Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof?
+Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof,
+Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten,
+En worden op een sprong gebannen, en gestooten
+Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf;
+De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf,
+Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren
+Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10],
+En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald.
+De zon der Geesten is te plotseling gedaald.
+Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren.
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+REI:
+
+Ontstelt ge u om den last van God en Gabriel?
+Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel
+Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven?
+Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven,
+Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil
+Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil
+Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel.
+Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel.
+Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk
+Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk.
+Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!)
+Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen.
+Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag,
+En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren.
+
+REI:
+
+Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid.
+
+REI:
+
+Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen.
+
+REI:
+
+In stee van uwen wil gerust naar God te voegen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan.
+
+REI:
+
+Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hoe kan de meerder voor een minder zich verneeren?
+
+REI:
+
+Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneen.
+
+REI:
+
+De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.
+
+REI:
+
+Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik.
+
+REI:
+
+Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen.
+
+REI:
+
+De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan.
+
+REI:
+
+Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan!
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Och, Engelsdom! wou God zich paren met uw wezen!
+
+REI:
+
+Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hoe heeft Hij 's menschen peil alree zoo hoog gemerkt!
+
+REI:
+
+Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]!
+
+REI:
+
+Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof?
+
+REI:
+
+Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen?
+
+
+ APOLLION. BELIAL. REI.
+
+
+APOLLION:
+
+Zij mompelen alree; gij hoort een strijd van tongen[15].
+
+BELIAL:
+
+Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw,
+De sluiers om de borst en lenden; niemand zou
+Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten,
+Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten,
+Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal
+Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval
+Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen?
+Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen.
+Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert.
+
+REI:
+
+Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert
+Door Gabriels bazuin, en opstijgt boven d'Engelen;
+Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen:
+De Geesten onderworpt het menschelijk gebied.
+Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet.
+
+APOLLION:
+
+Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen.
+
+BELIAL:
+
+Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen.
+
+REI:
+
+Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht.
+
+APOLLION:
+
+Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht.
+
+REI:
+
+Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken.
+
+APOLLION:
+
+Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken?
+
+REI:
+
+Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor.
+
+BELIAL:
+
+De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor.
+
+REI:
+
+Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen.
+
+APOLLION:
+
+Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen.
+
+REI:
+
+Hij zet den eenen van, den andren op den troon.
+De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon.
+
+BELIAL:
+
+Gelijkheid van gena de Godheid best zou passen.
+Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16].
+De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag.
+
+REI:
+
+Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag,
+Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde.
+Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde
+Veranderen in lucht of water of in vier;
+De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier,
+Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder.
+Een macht regeert het al en keert het bovenste onder.
+Wat d'allerminste ontvangt is loutere gena.
+Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spa[17].
+In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen.
+Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen.
+Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur;
+De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur;
+Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren.
+Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18],
+Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid;
+En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid,
+In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren.
+De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen.
+Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk
+En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk,
+Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen.
+Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen.
+Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot,
+En onderwerpt u Gods en Gabriels gebod!
+
+APOLLION:
+
+Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig?
+Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig.
+
+REI:
+
+Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk?
+Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk?
+
+BELIAL:
+
+Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader.
+En lagen Hem aan 't hart: nu leit een minder nader.
+
+REI:
+
+Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek
+Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek
+Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven.
+Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven,
+Behaagt den Vader, die het al in orden schiep.
+
+BELIAL:
+
+Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep;
+Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19].
+
+REI:
+
+Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden.
+Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud,
+En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt;
+Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven,
+De klaarste een minder klare in luister kan verdooven;
+Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft;
+De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft;
+En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20]
+Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden,
+Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem
+Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem.
+
+BELIAL:
+
+'t Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in wou scheppen.
+Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22]
+Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis,
+Noch steurden met geklag de rust van dit paleis.
+
+REI:
+
+Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven.
+
+APOLLION:
+
+Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven
+Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier.
+Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier?
+
+
+ LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI.
+
+
+LUCIFERISTEN (_koor_):
+
+Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
+
+BELZEBUB:
+
+'t Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergaren!
+En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.--[23]
+Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen
+T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen?
+Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen
+Van God, den zegenaar, vernoegt u dat nog niet?
+Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet,
+Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden.
+Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden
+Niet langer, zonder reen, maar heldert uw gezicht
+En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht!
+De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken,
+Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken
+En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk.
+Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk.
+'t Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen
+Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen;
+En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid,
+De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26].
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden
+Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden
+Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon
+Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriel de kroon
+Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten,
+Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten?
+Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon
+Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon.
+De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28]
+Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich wou kanten
+En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld
+Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29].
+Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen,
+Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen
+Onze aangezichten neer. De Hemel gaf gehoor,
+Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor
+Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen;
+Toen Gabriels bazuin zich plotseling kwam werpen
+Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer;
+Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neer.
+De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen.
+De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen;
+En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit,
+Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid,
+Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren
+Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren
+En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat,
+Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat
+Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven,
+Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven
+Gelijk hij daar beneen de dieren houdt in dwang.
+Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang
+Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren:
+Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen,
+Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan,
+'t Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan.
+
+BELZEBUB:
+
+Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren,
+Verhoe dit liever. Geef geen stof tot muitineeren,
+Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid.
+Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit?
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken.
+
+BELZEBUB:
+
+Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken,
+Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou.
+O averechtschen loon van onbevlekte trouw!
+Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen?
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen.
+
+BELZEBUB:
+
+Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk.
+
+BELZEBUB:
+
+Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen.
+
+BELZEBUB:
+
+Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan.
+
+BELZEBUB:
+
+Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30].
+
+BELZEBUB:
+
+Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31].
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht.
+
+BELZEBUB:
+
+De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten.
+
+BELZEBUB:
+
+Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial?
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal.
+
+BELZEBUB:
+
+Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen.
+
+BELZEBUB:
+
+Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij zien alree meer kans en voordeel, min gevaars.
+
+BELZEBUB:
+
+Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Aan d'uitkomst hangt het al, voor d'uitkomst dwaalt het oordeel.
+Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd
+En leidsman op dien tocht.
+
+BELZEBUB:
+
+ Maar wie is zoo beroofd
+Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig',
+En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig.
+Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij.
+Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33].
+
+REI:
+
+Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken
+Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken
+Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg
+Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg.
+Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren.
+Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren!
+
+LUCIFERISTEN:
+
+En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35].
+Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied,
+En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader.
+
+BELZEBUB:
+
+O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader.
+Ik wil u voortreen naar den troon van 't groot paleis.
+En ons gerechtigheid bemiddelen door peis
+En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen.
+
+REI:
+
+Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michael besprongen.
+
+
+ MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
+
+
+MICHAEL:
+
+Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree?
+Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vree,
+Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden
+Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden,
+Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad,
+Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat?
+
+BELZEBUB:
+
+Genade, o Michael, gewaardig ons te hooren,
+Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren,
+Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld.
+
+MICHAEL:
+
+Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld.
+
+BELZEBUB:
+
+De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen,
+Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen,
+Op Gabriels bazuin, vereischte een tusschenspraak,
+Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak
+En klachten kennis koom te nemen, om het muiten,
+Bij alle middelen en mooglijkheen, te stuiten;
+Zij varen echter voort, al razende en ontzind
+Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36]
+Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37]
+(Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!)
+Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel;
+Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel
+En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen.
+De Veldheer tree nu voor: wij staan gereed te volgen,
+Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil.
+
+MICHAEL:
+
+Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil
+Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten,
+In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten
+Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot,
+Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God;
+Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken?
+Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd.
+Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout.
+
+MICHAEL:
+
+D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig.
+De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand.
+Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland
+Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen
+De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen
+Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer
+Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer
+Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten:
+Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten.
+
+MICHAEL:
+
+Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand.
+Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant
+Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen.
+Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen
+Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier!
+Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier,
+Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken.
+Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht.
+
+MICHAEL:
+
+'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt.
+Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden,
+Elkandre bij te staan: ook wordt niet een alleen
+Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41].
+
+MICHAEL:
+
+Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren?
+Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren.
+Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht.
+Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden.
+Wij willen al op een, en Goden tegens Goden
+Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid
+Aftreden door geweld.
+
+MICHAEL:
+
+ Zoo groot een onbescheid[42]
+Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder
+Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht.
+Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht',
+En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen,
+De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43].
+
+MICHAEL:
+
+Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht,
+Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45].
+Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren;
+Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren!
+Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien
+Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebien.
+Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien
+En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen.
+
+MICHAEL:
+
+Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+ Trekt vrij heen.
+
+
+ BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN.
+
+
+BELZEBUB:
+
+De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen.
+Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen,
+Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraan.
+Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan.
+Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen.
+
+LUCIFER:
+
+De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen.
+De keurebenden staan gereten en gedeeld.
+Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt
+Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen,
+Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michael,
+Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel
+Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47],
+En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen
+Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht
+Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht.
+Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]?
+Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen,
+Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem?
+Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem,
+Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden.
+Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden
+Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink';
+De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink'
+In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen,
+Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen.
+Indien gij u verneert zoo groot een ongelijk,
+Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk,
+Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten.
+Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten.
+
+LUCIFERISTEN (_koor_):
+
+Wij zweren u met kracht en volle majesteit,
+Te zetten op den troon, aan Adam toegeleid.
+Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten,
+Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52].
+
+LUCIFER:
+
+Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht,
+Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht.
+Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder
+Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder.
+Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand
+Van zijne Almogendheid, als een genadepand
+En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen.
+Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen,
+En lust het hem den mensch, in volle heerschappij,
+Te zetten bovenaan, en boven u en mij
+Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53];
+Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken?
+Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid,
+En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleid,
+Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen,
+Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54],
+Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'.
+Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar,
+Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve:
+Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch,
+En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog.
+Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren.
+Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren.
+
+LUCIFER:
+
+Dit strijdt met onzen eed, en Gabriels gebod.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God.
+
+LUCIFER:
+
+Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55].
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren,
+U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen.
+Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treen.
+
+LUCIFER:
+
+De Veldheer Michael, gewapend onder 't zegenen
+Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen.
+Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel!
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel
+Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde.
+
+LUCIFER:
+
+Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de
+Verdrukkers van uw Recht.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+ De moed, de dapperheid,
+De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid,
+De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten,
+En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten.
+
+BELZEBUB:
+
+Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht.
+Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht
+En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen;
+Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen.
+
+LUCIFER:
+
+Ik troost me dan geweld te keeren met geweld.
+
+BELZEBUB:
+
+Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58].
+Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren.
+
+LUCIFER:
+
+Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren!
+Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial!
+Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal,
+Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren.
+
+BELZEBUB:
+
+Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren:
+Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59].
+
+BELZEBUB:
+
+Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen,
+Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren,
+En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht,
+En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht,
+Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien.
+Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien.
+Heft op[60] een heldren toon,
+Ter eere van zijn kroon.
+
+ LUCIFERISTEN:
+
+ Op! trekt op, o gij Luciferisten,
+ Volgt dees' vaan.
+ Rukt te hoop al uw krachten en listen.
+ Trekt vrij aan.
+ Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant;
+ Beschermt uw Recht en Vaderland,
+ Helpt hem Michaels heirkrachten stuiten,
+ Houdt nu moed.
+ Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten
+ En zijn bloed.
+ Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom.
+ Beschut de kroon van 't Engelsdom.--
+ Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken.
+ Voor die pracht
+ Zal des vijands banier haast verzinken,
+ In der nacht[63];
+ Wij met triomf kronen God Lucifer,
+ Bewierookt hem: aanbidt zijn Star.
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ ZANG.
+
+ Waar zijn we toe gekomen,
+ Dat 's Hemels burgertwist
+ De regementen splitst,
+ En 't zwaard is opgenomen,
+ Te zinneloos en blind?
+ Wie is er van ons benden,
+ Hij sneuvelt of verwint,
+ Gelukkig? die d'ellenden
+ Van hunne broedren zien
+ En Rijks- en Reigenooten?
+ Of die verwonnen vlien,
+ In ballingschap gestooten?
+ O, zoons van eenen God,
+ Waartoe verdwaalt uw lot!
+
+ TEGENZANG.
+
+ Helaas! waartoe verdwalen
+ De Geesten? wat verleidt
+ Hen, uit de zekerheid
+ Van hunnen staat en palen
+ Te spatten, zonder nood?
+ Zich op het spits te wagen?
+ Ons' weelde was te groot,
+ Te dertel om te dragen;
+ De Hemel niet genoeg
+ Om Englen te paaien[64];
+ De nijdigheid most vroeg
+ Dit zaad van oorlog zaaien,
+ In 't vreedzaam Vaderland.
+ Wie leit dien twist aan band?
+
+ TOEZANG.
+
+ Is dit krijgsvier niet te smoren,
+ Door een macht van hooger hand,
+ Wat wil blijven in zijn stand?
+ Staatzucht[65] zal alle Orden storen:
+ Hemel, aarde, zee en strand
+ Zullen staan in lichten brand.
+ Staatzucht, eens door triomfeeren
+ Als gewettigd, zal verwoed
+ God en alle macht braveeren.
+ Staatzucht kent noch God, noch bloed.
+
+
+Noten:
+
+[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst
+aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der
+beweging.
+
+[2] _Wanneer_: tot dat.
+
+[3] _verbaast_: ontstelt.
+
+[4] _livreien_: kleeding.
+
+[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te
+verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren.
+
+[6] _muziek van druk_ (treurmuziek) _op noten galmen_. Het woord "noten"
+lijkt overbodig.
+
+[7] _Heerschappijen, machten, tronen_. Vlgg. over de verdeeling der
+Engelen. En _Voorwoord_. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der
+eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen
+behoorden.
+
+[8] _bij ons_: door ons; _mishandeld_: mis gehandeld.
+
+[9] _onzen plicht bekleeden_. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime
+beteekenis. Hier: vervullen.
+
+[10] _in stede van regeeren zal Adam triumfeeren_: Instede dat wij
+regeeren, zal Adam triumf vieren.
+
+[11] _te rusten_: berusten.
+
+[12] _tot heerschen min_. Minder tot heerschen.
+
+[13] _Die zich gelaten stelt_: door in Gods wil te berusten.
+
+[14] _de kroon verdooven_: in haar glans verdooven.
+
+[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in
+dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij _spreken_
+alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden
+als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel
+gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog
+voor hij, Belial, _schijnt_ te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij
+ongezocht waar hij wezen wil.
+
+[16] _Nu durft de duisternis_ (de aardwormen) _het hemelsch licht
+ontwassen_ (boven het hoofd groeien).
+
+[17] _Hier komt vernuft te spa_. Vernuft, 't verstand kan dit niet
+begrijpen.
+
+[18] _Ons schikken is ... verwarren_. Gaan wij er ons in mengen, we
+brengen verwarring; misschikken alles.
+
+[19] _Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden_; Het valt
+hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden.
+
+[20] _in deze oneffenheden_: ongelijkheden.
+
+[21] _blijft_ in (den) staat.
+
+[22] _den staat niet te reppen_: ongerept, ongestoord te laten.
+
+[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan.
+
+[24] _De schelle kelen_: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei.
+
+[25] _steurt de maat_: verstoort het evenwicht, de harmonie.
+
+[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u
+niet anders dan als misdaad worden aangerekend.
+
+[27] _te schutten_: te stuiten.
+
+[28] _trouwanten_: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk
+frouwant geschreven om verband te krijgen met _trouw_.
+
+[29] _ongeduld_: wat niet te dulden is.
+
+[30] _Het stuk ontdekken is den handel glad bederven_: door den toeleg
+te doen blijken, zou men de actie schade doen.
+
+[31] _Het Licht_: God.
+
+[32] _zij trouwen onze zijde_: hangen onze zijde aan.
+
+[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen.
+
+[34] _smeeken door middelaars_. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de
+kracht der bemiddeling, die de kern van zijn _Jepfta_-treurspel geworden
+is.
+
+[35] _verstout u hooger niet_: waag niet verder te gaan.
+
+[36] _'t klachtbewind_: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap.
+
+[37] _Ik poog de macht te scheien_: beproef als scheidsman, kalmeerder,
+op te treden.
+
+[38] _Wij willen uwen zoen bemiddelen_: optreden als bemiddelaar ter
+verzoening.
+
+[39] _d'Inspanner_: Opstandeling.
+
+[40] _Naturelijk_: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "_Naturelijk_ staat
+elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht
+des doods onderworpen is".
+
+[41] _'t raakt ons in 't gemeen_: gemeenschappelijk; het treft ons allen.
+
+[42] _onbescheid_: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.).
+
+[43] "dat een Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen
+Michael, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid
+genoemd".
+
+[44] _Hardnekkige aard_, voor: "hardnekkigen van aard".
+
+[45] _dat voor geen Godheid zwicht_: "dat zich niet buigt voor God."
+
+[46] _die last_ (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer.
+
+[47] _dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult
+verwerpen_: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen
+onder Adams voet, ten teeken van slavernij."
+
+[48] _den schaars van hem gezienen_: God.
+
+[49] _snooden worm. Snood_ is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk.
+
+[50] _werde_: worde.
+
+[51] _Zoo groot een ongelijk te slechten_: zulk een groot onrecht te
+beletten.
+
+[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den
+tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn.
+Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht
+heeft als in _koor_ gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst
+uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas,
+waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb
+me veroorloofd dit in den tekst aan te geven.
+
+[53] _schoon we nooit in onzen plicht bezweken_ (te kort schoten). Een
+heel gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping
+aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke
+behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den
+draai naar hun zij.
+
+[54] _'t zich belgen; belgzucht: belgen_ is "opblazen"; dus "zich
+daarover vertoornen," "er in verzet over komen." _Belgzucht_:
+oproerigheid.
+
+[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit.
+
+[56] _den staat der Engelen_: de orde der Engelen.
+
+[57] _gewapend onder 't zegenen van boven_: wiens wapens door God
+gezegend zijn.
+
+[58] _allerbraafste Held_: aller moedigste.
+
+[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God en Lucifer, om te doen
+uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het
+Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje
+trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten.
+
+[60] _Heft op_: heft aan.
+
+[61] _volgt dezen God_. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd.
+_Trant_ maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen."
+
+[62] _de Morgenstar_: Lucifer.
+
+[63] _In der nacht_. Nacht was vroeger vrouwelijk.
+
+[64] _paaien_, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden
+stellen.
+
+[65] _Staatzucht_. Zie Inleiding, pag. 22.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET VIERDE BEDRIJF
+
+
+ GABRIEL. MICHAEL.
+
+
+GABRIEL:
+
+De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand
+Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant
+Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken
+Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken
+Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom.
+Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom.
+
+MICHAEL:
+
+Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd?
+
+GABRIEL:
+
+Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd,
+Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon
+Bewierookt als een God, en met een lastertoon
+Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen.
+Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen,
+En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis
+Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch
+Van onweer buldert vast, van boven en van onder.
+Het weerlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder
+In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof.
+Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof.
+Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren.
+Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren
+Der Engelen, van druk en medelijden, om
+Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom.
+En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden
+Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden,
+(Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert
+Bij God en Zijnen naam) te passen[3].
+
+MICHAEL:
+
+ Wat vervoert
+Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten,
+Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten?
+
+GABRIEL:
+
+De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak
+Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak
+Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden,
+Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden
+Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw.
+Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw
+Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken
+In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken,
+Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit.
+Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6]
+Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen.
+Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen,
+En riepen vast: "Gena, gena, o Heer, geen Recht!"
+Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht;
+Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen:
+Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen,
+De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid,
+Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait
+De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen,
+Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen.
+Gena had uitgediend. Waak op, in 't harrenas.
+De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'.
+Betem met uwen arm de woeste Behemotten
+En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten.
+
+MICHAEL:
+
+Uriel! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier,
+Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier.
+Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen.
+Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen,
+Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort,
+Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord.
+Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels,
+Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8]
+Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan.
+Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan.
+
+GABRIEL:
+
+Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9].
+Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen
+U toestraalt, en de zon in top u heil belooft.
+Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd
+Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren.
+Schep moed, Vorst Michael: gij zult Gods oorlog voeren.
+
+MICHAEL:
+
+Zoo zal ik. Hou mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen.
+
+GABRIEL:
+
+Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeen[11].
+
+
+ LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
+
+
+LUCIFER:
+
+Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]?
+
+BELZEBUB:
+
+Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen,
+Te vliegen regelrecht op 't spits van Michael.
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel,
+Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen,
+Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen,
+En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht.
+
+LUCIFER:
+
+Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht?
+
+BELZEBUB:
+
+Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen
+Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen.
+'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij,
+Is 't niet de halve streek; want Michaels getij
+Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten.
+De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten,
+Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij,
+Verzweren hunnen Heer, Vorst Michael, als wij.
+Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen
+De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen
+Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf;
+En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf
+En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen.
+Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen.
+Gij draagt alree de kroon des Hemels op uw kruin.
+
+LUCIFER:
+
+Die klank behaagt me meer dan Gabriels bazuin.
+Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14].
+Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen!
+En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort.
+Gij weet, hoe verre wij alree zijn uitgestort
+In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen,
+Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen;
+En niemand denken durf deze onuitwischbre smet
+Te zuivren door gena; dies moet de nood een wet,
+Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken
+Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken,
+Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen
+Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen.
+Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig;
+Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig'
+Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt.
+Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt
+In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren,
+Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren
+In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed,
+Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet
+Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten
+Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten
+En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end.
+Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16],
+Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen;
+Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren,
+En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar:
+
+LUCIFERISTEN:
+
+Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer!
+
+BELZEBUB:
+
+Maar zie hoe Rafael, verbaasd[17] en vol meedoogen,
+Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen,
+Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag.
+
+
+ RAFAEL. LUCIFER.
+
+
+RAFAEL:
+
+Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18],
+Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven?
+Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven?
+Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw?
+Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw
+En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen.
+
+LUCIFER:
+
+Oprechte Rafael!
+
+RAFAEL:
+
+ Mijn blijschap, mijn verlangen
+Ik bidde u, hoor me.
+
+LUCIFER:
+
+ Spreek, zoo lang het u behaag'.
+
+RAFAEL:
+
+Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag
+Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne
+Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne
+En balsem van gena, gestegen uit den schoot
+Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot,
+U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen,
+Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen.
+Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt?
+Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20]
+Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten
+Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten
+En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron.
+Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon
+Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen.
+Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen,
+Smaragden, diamant, robijn, en louter goud.
+De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd,
+Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21]
+Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]:
+En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]?
+Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon?
+Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren,
+Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24],
+En mengsel van gedierte en ondier ondereen,
+Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheen
+Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen,
+De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen,
+En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw?
+Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw
+In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27],
+Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven
+Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt
+Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt.
+Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen:
+Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28].
+Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas,
+Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas
+Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder,
+Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder
+Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans;
+Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans
+Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel,
+Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel,
+Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet;
+'t En ware een leven van ellende, van verdriet,
+De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen
+En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30].
+Verneer u, staak dien tocht[31]; ik offere u gena
+Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spa.
+
+LUCIFER:
+
+Heer Rafael, ik verdien noch dreigement noch tooren.
+Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen,
+En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht.
+Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht
+En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren,
+De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren,
+Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag
+Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag,
+Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen;
+Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen,
+Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf,
+'t En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf',
+Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken,
+Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken,
+Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst;
+Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst,
+En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34],
+Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen.
+Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien
+Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'.
+
+RAFAEL:
+
+Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzen
+Voor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen.
+De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis,
+De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is,
+En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren.
+Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren!
+Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch.
+Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog.
+
+LUCIFER:
+
+Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken?
+
+RAFAEL:
+
+Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken?
+Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen,
+En boven Gods gestarnte opstijgen van beneen,
+God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade,
+'t Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36].
+Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon,
+Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon.
+Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen,
+En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen.
+
+LUCIFER:
+
+Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet?
+
+RAFAEL:
+
+Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald Gebied
+Bepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name.
+
+LUCIFER:
+
+Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame,
+En, boven de natuur der Engelen, zijn lot
+Uit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God?
+
+RAFAEL:
+
+Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen,
+Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen,
+Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven al
+Wat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal,
+Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen.
+
+LUCIFER:
+
+Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37].
+
+RAFAEL:
+
+Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek.
+Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlek
+Van afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen.
+De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen.
+Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon,
+Het aldoordringende oog, ik deze lastren kon
+Bedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven?
+
+LUCIFER:
+
+Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven.
+Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon,
+Den oudsten erfgenaam.
+
+RAFAEL:
+
+ Vorst Lucifer, verschoon
+Uzelven; onderworp u 't opperste behagen.
+Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragen
+Naar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet.
+Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet.
+Om Gods wil, wacht u toch weerspannigen te stijven,
+Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven.
+Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis,
+Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis,
+Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren?
+Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren,
+En kanten tegens God, den sterksten worstelaar?
+
+LUCIFER:
+
+Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maar
+Een zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken;
+Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonken
+Van dezen hemeltwist door alle daken heen.
+Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leen
+Van al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39].
+Den mensch weerstreven, is de Godheid wederstreven.
+Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diep
+Vernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep?
+Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren,
+Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneeren,
+Van heerlijkheid ontkleen, en opstaan uit haar staat
+En stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraad
+Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven
+Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven:
+Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf.
+
+RAFAEL:
+
+Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40].
+
+LUCIFER:
+
+'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten.
+
+RAFAEL:
+
+Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten?
+Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd,
+Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt;
+En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten,
+Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten?
+
+LUCIFER:
+
+Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan;
+Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan.
+De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege.
+Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege?
+
+RAFAEL:
+Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk,
+Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk;
+En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene Orden
+Door hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden.
+Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf,
+Och, Stedehouder, voer uw regementen af;
+Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden.
+Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden,
+Om, na de neerlaag, u geketend door de lucht
+Te voeren in triomf. Ik hoor alree gerucht,
+En zie allengs het heir van Michael genaken.
+Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken.
+
+LUCIFER:
+
+Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste bera?
+Hier is geen hoop op peis.
+
+RAFAEL:
+
+ 'k Verzeker u gena,
+En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42].
+
+LUCIFER:
+
+Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande!
+Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel!
+
+RAFAEL:
+
+Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel,
+Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen.
+Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen,
+Een aas verstrekken voor het vratige ingewand
+Des afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand?
+Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede:
+Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede.
+
+LUCIFER:
+
+Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]?
+Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik:
+De zege is hachelijk; de neerlaag zwaar te mijden.
+Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden?
+Den eersten standerd op te heffen tegens God,
+Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod?
+Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen,
+En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen?
+Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid?
+Te kwetsen de genade en liefde en majesteit
+Des rijken Vaders, bron van alle zegeningen,
+Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen?
+Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht!
+Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat licht
+Mijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?--
+Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen.
+Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheen?
+De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geen
+Genoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemen
+Dees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen.
+Maar 't is te spa, en hier geen boete voor ons' smet.
+De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet!
+
+
+ APOLLION. LUCIFER. RAFAEL.
+
+
+APOLLION:
+
+Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44];
+De Veldheer Michael, in aantocht met zijn starren
+En regementen, daagt u uit in 't vlakke veld.
+De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt.
+Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen.
+
+LUCIFER:
+
+Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen.
+Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht.
+
+APOLLION:
+
+Ik zag alree den schrik in Michaels gezicht,
+En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen.
+Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen.
+Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan.
+
+LUCIFER:
+
+Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan;
+Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken!
+
+APOLLION:
+
+Wij wachten op uw woord.
+
+LUCIFER:
+
+ Zoo volgt ons op dit teeken.
+
+RAFAEL:
+
+Helaas! hij stond alreede in twijfel en beraad;
+Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staat
+Van jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen!
+Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen,
+'t En zij de Godheid dit meedoogende belett'[45].
+Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed:
+Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken.
+Het bidden kan een hart van diamantsteen breken.
+
+
+ REI VAN ENGELEN. RAFAEL.
+
+
+ REI VAN ENGELEN[46]:
+
+ O Vader, die geen wierookvat,
+ Noch goud, noch lofzang waarder schat
+ Dan Godgelatenheid en stilte
+ Van 't schepsel, dat uit needrigheid
+ Behagen schept aan uw beleid,
+ En in uw wil zichzelf versmilte;
+ Gij ziet, o aller telgen stam,
+ Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kam
+ Durf kanten tegens uw behagen;
+ Hoe hij trompet en trommel roert,
+ En blind, van Staatzucht aangevoerd,
+ U tergt op zijnen oorlogswagen.
+ Ontferm u over 't lasterstuk,
+ En keer, och keer het ongeluk
+ Van duizend duizend lotgenooten,
+ Die, al te jammerlijk misleid,
+ Met zulk een wederspannigheid
+ Het harnas hebben aangeschoten.
+
+ RAFAEL:
+
+ Verschoon genadig, och! verschoon
+ Den Stedehouder, die de kroon
+ Der kronen op zijn hoofd wil zetten,
+ Om neffens u en boven al
+ Te triomfeeren. Och! wie zal
+ Hem zuiveren van zulke smetten?
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ Gedoog niet, dat de schoonste ziel,
+ Waarop uw oog genadig viel,
+ Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve.
+ Hij boete deze ondankbre daad,
+ En blijv' gehandhaafd bij zijn staat;
+ Dat uw gena zijn schuld vergeve.
+
+
+Noten:
+
+[1] _'k Verdaag u_: roep u op.
+
+[2] _in arbeid_: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't
+werk.
+
+[3] _op uw heilige eeden ... te passen_: uw eeden na te komen.
+
+[4] _Hoe bitter wil: wil_, als in 't Engelsch, voor _zal_.
+
+[5] _in d'oogen van 't licht_: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch
+God wordt aangeduid door: de Naam.
+
+[6] _Genade en Gods gerechtigheid_, eigenschappen van God, hier
+allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten.
+
+[7] _Wierookstank_. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand.
+
+[8] _drommels_: Voor _drommen_.
+
+[9] _aangeschapen_. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen ...
+aangeschapen; ingeboren ... aangeboren, als tegenstellingen, bijna
+verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!)
+
+[10] _Hou mijn woord omhoog_: Spreek mij voor bij God.
+
+[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon
+van vader Willebrord, uit den _Gijsbrecht_, dan aan dien van een
+Aartsengel.
+
+[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat
+men zich wapent tegen Michael, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief:
+Adams toekomstige heerlijkheid, Michael allerminst raakt.
+
+[13] _verschiet zijn groente. Groente_: groenigheid; wat groen is. Bij
+Cats vinden we o.a. _in de groente zitten_, voor: in het groen zitten.
+_Zijn groente en verf verschieten_ zal dus wel hier zijn op te vatten
+als: verschiet zijn blijde, frissche kleur.
+
+[14] _beneden deze trappen_: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger.
+
+[15] _en met een aardschen stoet omsingeld_. Adams afkomst zou, ten
+hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich
+omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen
+Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de
+Engelschen tegen onzen Willem III.
+
+[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd.
+
+[17] _verbaasd_: als te voren: ontzet.
+
+[18] Dit optreden van Rafael is een der gevoeligste vonden van onzen
+dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste
+klanken.
+
+[19] _Genade, o Lucifer!_ Hier is weer _genade_ in den zin van het
+fransche: _de grace_.
+
+[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld.
+
+[21] _bommen_, rinkelbommen, waarmee de Godheid geeerd werd. Vgl. Ifis
+in _Jeftha_: "Treen we in, op bommen en schalmeien".
+
+[22] _kwaamt te brommen_. Hier in den zin van: "zich met luiden galm
+verheffen".
+
+[23] _Uit dien troon_. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde
+plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet: _van_ dien troon.
+
+[24] _in eenen knoop van dieren_: mengeling van dieren. Zie later,
+Lucifers gestalte-verandering.
+
+[25] _misscheppen_, doen wanvormen.
+
+[26] _zoo laag_: immers in de hel.
+
+[27] _alle zeven_: de zeven Aartsengelen.
+
+[28] _met u verlegen_: om u begaan.
+
+[29] _Hooger niet_: ga niet voort in uw verzet.
+
+[30] "Tenzij een leven van ellende ... leven mocht heeten".
+
+[31] _tocht_: dit optrekken (ten verzet).
+
+[32] _of echter_, of daarna.
+
+[33] _onder 's hemelseed_, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel.
+
+[34] _overdrongen_: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk)
+Thans: opgedrongen.
+
+[35] _paaien_, hier: in slaap wiegen.
+
+[36] _Het leen verheergewaden_: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne
+ontleenen." huldigen als leenheer.
+
+[37] "Juist dat is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig
+uitgedrukt.
+
+[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt".
+
+[39] _Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven!_ "Erken
+dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn." _Neven_ staat hier in
+den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen",
+"verwanten."
+
+[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen;
+als de leenheer 't goed van den leenman.
+
+[41] _'k Misdank me dan_. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft
+nog in de Amsterdamsche volkstaal.
+
+[42] _stel me te pande_: stel mezelf tot borg.
+
+[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor
+de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi
+moment in het treurspel.
+
+[44] : _tijd te marren_, tijd tot toeven, aarzelen.
+
+[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe
+aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk.
+Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van
+den hemel.
+
+[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid,
+meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie
+reizangen.
+
+
+ * * * * *
+
+
+HET VIJFDE BEDRIJF
+
+
+ RAFAEL. URIEL.
+
+
+RAFAEL:
+
+De gansche Hemel, van den grond tot op de kruin
+Der Aartspaleizen[1], juicht op Michaels bazuin
+En zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen.
+Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2].
+Uit elke schildzon straalt een triomfante dag.
+Daar komt Uriel zelf, de Schildknaap, uit den slag,
+En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijden
+Gewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden,
+Door schild en harrenas, en helm van diamant,
+Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3]
+En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen.
+Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogen
+Bekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig Recht
+Zich opworpt, met een slag rechtvaardiglijk beslecht;
+Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen,
+Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen.
+Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit!
+Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid,
+En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen.
+
+URIEL[6]:
+
+Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen.
+Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7].
+Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij.
+ De Veldheer Michael (verwittigd uit den hoogen,
+Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen,
+Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet,
+Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8]
+Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren,
+Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren)
+Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriel,
+Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevel
+Aan al zijn Oversten en hoofden en kornellen,
+De heiren, in Gods naam[10], in hun geleen te stellen,
+Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruim
+Van 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuim
+Te vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen,
+Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen.
+Op dezen last vergaart Gods heirkracht inderijl
+Slagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl,
+Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen,
+In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13],
+Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht.
+Men zag een enkelheid in een driepuntig licht,
+Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen;
+Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen.
+De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand,
+Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand.
+Wie moed wil houden, en triomf en zege baren,
+Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren.
+
+RAFAEL:
+
+Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen wou?
+
+URIEL:
+
+Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouw
+Gehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten,
+Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten.
+Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan.
+Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan,
+Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldieren
+En andre monsters, die rondom hem henezwieren,
+Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordt
+Vorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort',
+En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken.
+Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken.
+De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God,
+Verzekerde den buik des legers, om het slot,
+Der regementen knoop, in 't midden te bewaren.
+De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klaren
+Uit zijne morgenstar, werd van Apollion
+Gehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon,
+In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15].
+
+RAFAEL:
+
+Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten!
+Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht!
+Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht,
+En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien.
+
+URIEL:
+
+Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16],
+Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17],
+In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrok
+Van gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagen
+Met gouden wielen, van robijnen dicht beslagen.
+De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18],
+Met starren overal bezaaid op hunnen rug,
+In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen.
+Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen,
+De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19],
+Waarin de morgenstar met kunst gedreven was,
+Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen.
+
+RAFAEL:
+
+O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen.
+Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft!
+Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd,
+En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen,
+Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]!
+O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weerom[22]!
+
+URIEL:
+
+Zoo stonden zij gekant en slagree, drom bij drom,
+Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijen
+Gesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen;
+Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompet
+Zich mengen; het geluid geweer en handen wet[26],
+En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten;
+Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27]
+Geborsten, slag op slag, een gloenden hagel baart,
+Een' storm en onweer, dat de Hemelen vervaart,
+De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren,
+Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarren
+Of zwijmen op de wacht, en weten niet waarheen
+Te drijven, Oost of West, of boven of beneen.
+Al weerlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder.
+Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder.
+De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29],
+Geraken handgemeen met knots en hellebaard,
+En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven
+En steken. Al wat kan, wat toeleit op bederven,
+Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt.
+De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent
+Zijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven,
+Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven,
+En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd.
+Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd,
+En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren;
+De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwieren
+En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei
+Verheft zich uit den stoet der groene liverei;
+Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen.
+De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen,
+En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch,
+Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30]
+Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten.
+
+RAFAEL:
+
+Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31].
+
+URIEL:
+
+De dappre Michael laat blazen: Eer zij God!
+De regementen, op die leus en zijn gebod
+Gemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgen
+Naar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33];
+Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart,
+En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaart
+Een valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennen
+Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen;
+Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemd
+Zoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt.
+De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten,
+Verwacht hem op den bek, om door de borst te stooten
+Van onder, als hij ploft van boven op den buit.
+
+RAFAEL:
+
+O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit.
+Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen.
+Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen,
+En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond.
+
+URIEL:
+
+Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rond
+Of halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen;
+De regementen, die zich sluiten en ontvouwen,
+Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan,
+Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan,
+Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte,
+Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35].
+Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt,
+Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt,
+En schildert en schakeert door luchte regenbogen.
+De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36],
+Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneen.
+Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een,
+Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren,
+Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren,
+Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim;
+Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim,
+Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen.
+Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen,
+Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37],
+Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal,
+Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen;
+Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen,
+En masten zonder tal, verpletten en vertreen
+Wat tegens woest geweld van stroom en hout en steen
+Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel
+Der halve mane fel met roode en blauwe zwavel
+En vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot.
+Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood,
+Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39].
+De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken,
+Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast),
+Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last,
+En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven.
+De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven,
+Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot,
+Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood,
+Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen.
+Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42]
+En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan.
+De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen van
+Zijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften.
+D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiften
+Met zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast,
+En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast.
+
+RAFAEL:
+
+Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen.
+
+URIEL:
+
+Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen,
+Die neerstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner licht
+En schooner stralen schiet, in 't gloen van zijn gezicht.
+Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde.
+De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde,
+Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas,
+Totdat hem Michael, in 't schitterend harrenas,
+Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen.
+"Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen.
+Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God!
+Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot,
+Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen.
+D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen,
+Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijl
+Den slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijl
+Den diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven;
+Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven.
+De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamant
+Aan stukken. Michael verheft zijn rechte hand,
+En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen,
+Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogen
+Al t' ongenadig[50], dat hij achterover stort,
+En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51]
+Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken.
+Den standerd van de star vergaat hierop het blinken;
+Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt,
+Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioelt
+Van duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharen
+In 't vallen, voor den val en neersmak, te bewaren.
+Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial.
+Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren val
+Des Stedehouders breekt de boog der halve mane
+In stukken. Echter komt Apollion ter bane
+Met zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt.
+De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt,
+En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen,
+Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53].
+De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan,
+Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan.
+De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen.
+Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen,
+Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien.
+
+RAFAEL:
+
+Geloofd zij God! valt neer, aanbidt hem op uw knien!
+Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen?
+Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen?
+Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert?
+
+URIEL:
+
+Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert,
+Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58];
+Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen,
+In een wanschapenheid veranderd, al te vuil;
+Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil;
+De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen;
+De voeten en de hand in vierderhande klauwen;
+Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid.
+De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit.
+In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren,
+Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59]
+Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn:
+Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn,
+Een tragen ezel, een rinoceros, van tooren
+Ontsteken, eene sim[60], van achter en van voren
+Al even schaamteloos, en geil en heet van aard,
+Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard.
+Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen,
+Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen.
+Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat,
+En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat.
+
+RAFAEL:
+
+Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken!
+Waar bleef Apollion?
+
+URIEL:
+
+ Hij zag zijn tij verstreken,
+Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood.
+De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot,
+Met weerlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen,
+De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen,
+En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarreling
+Van buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging,
+Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend,
+Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent.
+Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging,
+Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling,
+In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen.
+D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen
+In Engletronien nu zweemen naar de Hel,
+En helsche gruwzaamheen!--Daar hoor ik Michael.
+Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63].
+De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen,
+Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit,
+En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid.
+
+
+ REI VAN ENGELEN. MICHAEL.
+
+
+ REI VAN ENGELEN:
+
+ Gezegend zij de Held,
+ Die 't goddeloos geweld,
+ En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerd
+ Ter neder heeft geveld.
+ Die God stak naar zijn kroon,
+ Is uit den hoogen troon[64]
+ Met zijn macht in den nacht neergezonken.
+ Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon!
+ Al brandt het oproer fel,
+ De dappre Michael
+ Weet den brand met zijn hand uit te blusschen,
+ Te straffen dien rebel.
+ Hij handhaaft Gods banier;
+ Bekranst hem met laurier.
+ Dit paleis groeit in peis en in vrede:
+ Geen tweedracht hoort men hier.
+ Nu zingt de Godheid lof,
+ In 't onverwinbaar hof!
+ Prijs en eer zij den Heere aller Heeren!
+ Hij geeft ons zingens stof.
+
+MICHAEL:
+
+Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd.
+D'Aartsvijand[65] leit er toe. Hij laat ons zijnen standerd,
+En morgenstar en helm en vanen en rondas,
+Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as,
+Met juichen en triomf en eere en lofgezangen,
+Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangen
+Van wederspannigheid en Staatzucht, die de kam
+Verheffen tegens God, den onverzetbren stam
+En oorsprong en de bron en Vader aller dingen,
+Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen.
+Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit
+Bezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid.
+Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen,
+Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen,
+Beneveld en verblind en ijselijk misvormd.
+Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt.
+
+REI:
+
+Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden,
+Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden.
+
+
+ GABRIEL. MICHAEL. REI.
+
+
+GABRIEL:
+
+Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd!
+Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd;
+Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.
+
+MICHAEL:
+
+Wat hoor ik, Gabriel?
+
+GABRIEL:
+
+ Och, Adam is gevallen;
+De vader en de stam van 't menschelijk geslacht
+Te jammerlijk, te droef alree ten val gebracht.
+Hij leit er toe[67].
+
+MICHAEL:
+
+ Dat is een donderslag in d'ooren.
+Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren.
+Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreen?
+
+GABRIEL:
+
+Hij rukte, na den slag, 't verstrooide heir bijeen,
+Doch eerst zijn Oversten, die voor elkandre gruwen[68];
+En zette zich, om 't licht van 't alziende oog te schuwen,
+In een holle wolk, een duistre moordspelonk
+Van neevlen, daar geen vier dan uit hun blikken blonk;
+En, midden in den ring des helschen Raads gezeten,
+Hief uit zijn zetel aan, te helsch op God gebeten:
+"Gij machten, die zoo trotsch voor ons' gerechte zaak
+Dien afbreuk hebt geleen; nu is het tijd om wraak
+Te nemen van ons leed, en listig en verbolgen,
+Met onverzoenbren wrok den Hemel te vervolgen,
+In zijn verkoren beeld[69], en 't menschelijk geslacht
+Te smoren in zijn wieg en opgang, eer het macht
+In zijne zenuw krijge en aanwinne in zijne erven.
+Mijn wit is, Adam en zijn afkomst te bederven[70].
+Ik weet, door 't overtreen der eerstgestelde wet,
+Hem aan te wrijven zulk een onuitwischbre smet,
+Dat hij, naar lijf en ziel, met zijn nakomelingen
+Vergiftigd, nimmer zal ten zetel innedringen,
+Waaruit men ons verstiet; edoch gebeurt het al,
+Dat iemand bovenstijge, een kleen, een dun getal,
+En nog door duizend doon en arrebeid en lijden,
+Zal steigren tot den Staat en kroon, die ze ons benijden.
+Ellenden zullen zich terstond, op Adams spoor,
+Verspreien zonder end de wijde wereld door.
+Natuur zal, van dien slag geteisterd, schier verteren,
+En wenschen in een Niet of mengelklomp[71] te keeren.
+Ik zie den mensch, die naar het beeld der Godheid zweemt,
+Van Gods gelijkenis verbasterd en vervreemd,
+In wil, geheugenis, en zijn verstand ontluisterd,
+Het ingeschapen licht beneveld en verduisterd,
+En wat den dag beschreit, in 's moeders bangen schoot,
+Gevallen in den muil der onvermijbre Dood.
+Ik wil de tiranny verheffen, altijd stouter,
+En u, mijn zoons, gewijd tot Godheen[72], op het outer,
+In kerken, zonder tal, tot aan de lucht gebouwd,
+Vereeren offervee, en wierookgeur, en goud,
+Ja zooveel menschen, als geen tong vermag te noemen,
+En al wat Adam teelt in eeuwigheid verdoemen,
+Door gruwelstuk op stuk, Gods naam ten trots begaan.
+Zoo dier wil hem mijn kroon[73] en zijn triomffeest staan!"
+
+MICHAEL:
+
+Verwaten vloek, zoo trotsch de Godheid nog braveeren!
+Wij willen u eerlang dat lasterstuk verleeren.
+
+GABRIEL:
+
+Aldus spreekt Lucifer, en zendt Vorst Belial,
+Opdat hij dadelijk de menschen breng' ten val.
+Dees schiet[74] de boosheid zelf, de listigste aller dieren,
+De slang aan, om met glimp van woorden te verzieren
+Het lokaas, 't welk aldus d'onnoozle schepsels ving,
+Daar zij geslingerd om den tak der kennis[75] hing:
+"Heeft God, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen
+Den vrijdom van het ooft, den smaak van 't puik der boomen?
+Neen, Eva, simple duif, geenszins; gij zijt verdwaald.
+Aanschouw eens, bid ik u, dien appel! Ai, hoe straalt,
+Hoe gloeit dit ooft van goud en karmozijn te gader!
+Hoe noodt u dit banket! Ai, dochter tree wat nader;
+Hier nestelt geen venijn in dit onsterflijk loof.
+Hoe lokt dees' vrucht! ai pluk, ai pluk vrij; ik beloof
+U wetenschap en licht. Wat deist ge, bang voor schennis?
+Tast toe, en word God zelf in wijsheid en in kennis
+En wetenschap gelijk, en eere en majesteit,
+Hoezeer Hij 't u benij. Zoo vat men 't onderscheid,
+Het wezen en den aard en d'eigenschap der zaken."
+Terstond begint het hart der schoone bruid te blaken,
+T'ontvonken, en zij vlamt op d'aanprezen vrucht.
+De vrucht bekoort het oog, het oog den mond, die zucht.
+De lust beweegt de hand al bevende te plukken.
+Zoo plukt ze en proeft en eet (dat wil haar afkomst drukken!)
+Met Adam, en zoodra hunne oogen opengaan,
+En zij hun naaktheid zien, bedekken ze, met blaan,
+Met vijgenloof, hun schaamte en schande en erfgebreken[77],
+En gaan zich in geboomte en schaduwen versteken,
+Versteken, maar vergeefs, voor 't aldoordringende oog.
+De lucht betrekt allengs. Zij zien den regenboog[78]
+Gespannen, als een bode en voorspook van Gods plagen.
+De Hemel treurt in rouw. Geen handenwringen, klagen,
+Noch schreien helpt den mensch en zijne weergade. Ach!
+Het weerlicht reis op reis; het dondert slag op slag[79].
+Al wat men hoort en ziet, is schrik en angst en zuchten.
+Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchten
+Den worm, die 't hart doorknaagt, het overtuigd gemoed.
+Zij knikkebeenen beide, en struiklen, voet voor voet.
+Het aangezicht ziet doodsch, en d'oogen, diepverdronken
+In tranen, zien geen licht. Hoe is de moed gezonken!
+Hoe stak hij flus het hoofd zoo moedig in de lucht!
+Het ritslen van een blad of beek, een klein gerucht
+Verbijstert hen; terwijl een zwangre wolk komt dalen,
+Die scheurt, en baart allengs een licht, een glans en stralen,
+Daar d'Opperste uit verschijnt, in dien bedrukten staat,
+En dondert met zijn stem, die hen ter aarde slaat.
+
+REI:
+
+Och, och! och, och! de mensch waar' nutter nooit geschapen.
+Dat leert zich aan een vrucht, een mondvol saps, vergapen!
+
+GABRIEL:
+
+"O Adam!" dondert God, "waar zijt gij toe geraakt?"
+"Vergeef me, o Heer! Ik vlucht uw aanzicht, bloot en naakt."
+"Wie leerde u," vraagt hem God, "uw schaamte en naaktheid kennen?
+Durft gij uw lippen aan verboden vruchten schennen[80]?"
+"Mijn gade, mijne bruid, bekoorde mij, helaas!"
+Zij zegt: "De slimme slang bedroog me met dit aas."
+Dus schuift elk van den hals den oorsprong der gebreken[81].
+
+REI:
+
+Gena! Wat vonnis wordt op dit vergrijp gestreken?
+
+GABRIEL:
+
+De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid,
+Met ween, en barensnood, en onderworpenheid;
+Den man met arbeid, zweet, en zorge, en lastig slaven;
+Den akker, die den mensen ten leste zal begraven,
+Met onkruid en veel ramp; de Slang, om 't loos misbruik
+Van haar doortrapte tong, zal kruipen op den buik
+Langs d'aarde hene, en slechts bij stof en aarde leven.
+Maar om den armen mensch een' vasten troost te geven,
+In zulk een jammernis, belooft de Godheid trouw
+Te wekken[82], uit het zaad en bloed van d'eerste vrouw,
+Den Sterke[83], die de Slang, den Draak, het hoofd zal pletten
+Door erfhaat, van geen tijd noch eeuwen te verzetten.
+En schoon dat felle Dier hem naar de hielen bijt[84],
+Nog triomfeert de Held met eere, na dien strijd.
+Ik koom uit 's Hoogsten naam dat onheil u ontvouwen
+Stel daadlijk orden, eer ze ons moeite op moeite brouwen.
+
+MICHAEL:
+
+Uriel[85], Schildknaap, die het heilig Recht bewaart
+En reukeloosheid straft, grijp aan uw vlammend zwaard:
+Vlieg hene naar omlaag, en drijf ze beide uit Eden,
+Die d'eerste wet zoo blind, zoo reukloos overtreden.
+Bewaak den ingang van 't ontheiligd Paradijs,
+En keer de ballingen met kracht af van de spijs,
+Den boom, die 't leven rekt. Gedoog niet, dat ze pluiken
+D'onsterfelijke vrucht en 't hemelsch ooft misbruiken.
+Gij wordt op schildwacht voor den hof en boom gesteld.
+Dat Adam buiten zwerve, en, vroeg en spade, veld
+En kleigrond ommeploeg', waaruit hem God bootseerde.
+Ozias[86], aan wiens vuist de Godheid zelf vereerde
+Den zwaren hamer van geklonken diamant,
+En ketens van robijn, en krammen, spits van tand,
+Ga hene, vang en span het heir der Helsche dieren,
+Den Leeuw en fellen Draak, die tegens ons' banieren
+Dus woeden; vaag de lucht van dees' vervloekte jacht[87],
+En boei ze aan nek en klauw, en keten ze met kracht.
+Dees' sleutel van den put der afgronds[88] en zijn holen
+Wordt, Azarias, u en uwe zorg bevolen.
+Ga hene, sluit in 't hol al wat ons' macht bestrijdt.
+Maceda, neem dees' torts, die vlam is u gewijd:
+Ontsteek den zwavelpoel in 't middelpunt der aarde,
+En pijnig Lucifer, die zooveel gruwelen baarde,
+In 't eeuwig brandend vier, gemengd met kille vorst;
+Daar Droefheid, Gruwzaamheid, Versteendheid, Honger, Dorst,
+De Wanhoop, zonder troost, de prikkel van 't geweten,
+En Onverzoenbaarheid, een straf van 't boos vermeten,
+Versteken van den glans der Godheid, in dien rook,
+Getuigen 's Hemels ban, geveld op 't heilloos Spook;
+Terwijl 't beloofde Zaad[89], verzoenende Gods tooren,
+Herstelle uit liefde al wat in Adam werd verloren.
+
+REI[90]:
+
+Verlosser[91]! die de slang het hoofd verpletten zult,
+'t Vervallen menschdom eens van Adams errefschuld
+Verlossen, t'zijner tijd, en weer, voor Eva's spruiten,
+Een schooner Paradijs hierboven opensluiten;
+Wij tellen d'eeuwen, en het jaar, en dag en uur,
+Dat uw gena verschijn'; de kwijnende Natuur
+Herstell', verheerelijke, in lichamen en zielen;
+Stoffeerende den troon, daar d'Engelen uit vielen.
+
+
+
+Noten:
+
+[1] _van den grond tot op de kruin der Aartspaleizen_: de hemel was
+verdeeld in een aantal kringen, bogen, sferen, (_Voorwoord_), hier
+gedacht als _verdiepingen_. _Aartspaleis_: Opperst paleis.
+
+[2] _En scheppen nieuwe zonnen_, nl. in hun schittering en weerkaatsing.
+
+[3] _de horens kant_: scherpt, punt. _De horens_, in gelijkenis met
+stootende stieren.
+
+[4] _Wat legt ge al prijzen in_: hoeveel prijzen verzekert ge u niet,
+vergelijk "wat legt gij een eer in".
+
+[5] _eerste tocht_: strijd.
+
+[6] URIEL. Vondel, zoomin als een der klassieke dichters, laat ooit een
+strijd, _zien_, maar beschrijft hem. Want hen dramatische kunst is
+allereerst die van het woord en niet van de reeel uitgebeelde handeling.
+Dat dit in dit geval juister is dan de Shakesperiaansche methode om wel
+dien strijd ten tooneele te brengen, behoeft geen betoog. Er zou van de
+grootschheid der hier nu volgende hemelsche worsteling niets terecht
+komen, als we haar in werkelijkheid moesten zien, en niet het beeld
+ervan in Vondels vers. (Zie ook Inleiding tot V.'s Dramatiek).
+
+[7] _t' ontvouwen op een rij_: achtereenvolgens uiteen te zetten.
+
+[8] _tegens 't hoog gebied_: tegen d'oppermacht.
+
+[9] _op 't aanstaan_: op 't aandringen.
+
+[10] _in Gods naam_: Natuurlijk niet in onzen alledaagschen zin van:
+"omdat hij 't niet laten kon", maar: "in naam des Heeren".
+
+[11] _op 't luchtig ruim ... te vagen_: het schuim leeft op het ruim en
+daarvan moet het weggevaagd worden.
+
+[12] _Al dit spook_: al dit gespuis.
+
+[13] _brommen_. Hier: "zich luidruchtig aanstellen, gereed maken.
+--_Driekantig heir_. Het leger van Michael vormt dus een driehoek; dat van
+Lucifer neemt den slagorde-vorm aan van een Halve Maan. Dr. Cramer ziet
+in het eerste een toespeling op de heilige Drieeenheid; en in laatste
+een op de Turken. Het schijnt inderdaad die eerste opvatting te
+bevestigen, doch het volgend verhaal van Uriel doet vermoeden dat Vondel
+eer alleen aan het Sterrebeeld van den Stier dan aan de Turken gedacht
+heeft, ook al wordt er even van de halve Maan gerept.
+
+[14] _Werd van Apollion gehandhaafd_: werd door A. in de hand gehouden;
+hooggehouden.
+
+[15] _In zijnen vollen krits omhoog ten troon gezeten_; Apollion troonde
+hoog, in zijn volle glorie.
+
+[16] _groene livereien_: De een ziet in dit "groen", de kleur van de
+slang, de ander die van den Turk. Misschien hebben beiden gelijk.
+
+[17] _Wreevlig aangevoerd van wrok_: door wrok wrevelig geworden en nu
+opgestuwd.
+
+[18] _De Leeuw en de Draak_: twee sterrenbeelden, (zie _Berecht_); _ter
+vlucht gereed en vlug_: gereed en in staat tot vliegen.
+
+[19] _rondas_: rond schild.
+
+[20] _Gij fenix_: Fenix is de uit zijn asch herlevende vogel; beeld der
+onsterfelijkheid en dus der hoogste voortreffelijkheid. Zoo noemt Vondel
+ook Huigh de Groot wel een Fenix.
+
+[21] Zie hiervoor zoowel over _naturelijk_ als over _aangeschapen_.
+
+[22] Een levendige indruk van 't _gebeurende_ in plaats van 't
+beschreven _gebeurde_ geeft die uitroep van Rafael, herhaling van zijn
+vroegere bede tot Lucifer.
+
+[23] _Hoefslag_: wachtpost.
+
+[24] _gesnoerd aan hun gezag_: onderworpen aan hun commando.
+
+[25] _dolle trom_: dol, Eng. _dull_: dof.
+
+[26] _het geluid geweer en handen wet_: op dit geluid komen hand en
+wapen in gereedheid tot den aanval.
+
+[27] _schicht_: pijl; bliksemschicht.
+
+[28] _de kreitsen ... in hun ronde, de starren ... in hun omloop_.
+
+[29] _schutgevaart_. De bliksem en het onweer stellen in dezen
+hemelschen strijd de eerste uitbarsting voor van het schieten, waarmee
+op aarde een strijd begint. In de volgende beschrijving spreekt Uriel
+alsof hij een van V.'s tijdgenooten was. Maar dit localiseeren in den
+eigen tijd was deze periode nog eigen. Ook voor de volgende beeldspraak
+van een zee, beukend op een rots, _de toef_ te krijgen, geldt dit.
+
+[30] zie [29].
+
+[31] _de Wanhoop af te vechten_: een wanhopigen strijd te strijden.
+
+[32] zie [29].
+
+[33] Heel levendig moment, dat opstijgen van Michaels macht, boven die
+van Lucifer uit, om den gunstigen wind te krijgen. Ook het volgende
+uitgewerkte beeld van de valk en de reigers is krachtig-gevoelig van
+teekening; doet alleen in de beschrijving van deze worsteling wat klein.
+Ditzelfde ook voor de waterval-vergelijking, [37] vlgg.
+
+[34] _En zinken_. Feitelijk: _zenken_ d.i. doen zinken.
+
+[35] Uit dezen regel blijkt duidelijk de bevestiging van het opgemerkte
+bij [29]: V. denkt zich beide legers voorzien met de aardsche
+strijdmiddelen van zijn tijd.
+
+[36] _De hemelsche adelaar en zijn pennen_: De gevleugelde Michael.
+
+[37] zie [33].
+
+[38] _roode en blauwe zwavel en vlammen_. Hier denkt V. weer aan de
+geschutwerking van bliksem en donder.
+
+[39] _het hart ... ontzakt voor_: de moed ontzinkt.
+
+[40] _rustig_ = moedig.
+
+[41] _voor de vuist_: openlijk.
+
+[42] _Hij schut de wreedste slagen_: weert de hardste slagen af.
+
+[43] _hem_ en [44] _hij_ slaan beide op Lucifer.
+
+[45] Gods naam (zie ook [49]), die op Michaels schild is aangebracht.
+
+[46] _Dit voorspook_: voorteeken.
+
+[47] _den toescheut stuit_, stuit het toeschieten, opdringen; hen, die
+opdringen.
+
+[48] _d'Aartsvijand_: d'Opperste vijand, Lucifer.
+
+[49] zie [45].
+
+[50] _Al t' ongenadig_: in zoo sterken mate ongenadig.
+
+[51] _kort_: onmiddellijk.
+
+[52] _De reus Orion_. Hier is Vondels mythologische kennis aan het
+woord: de reus Orion, als sterrebeeld met zijn knods, is Grieksch.
+Maar ook dezelfde primitieve klassieke herinneringen als hem in de
+_Gijsbrecht_ den "Sparre-wouwer reus" aan het gevecht doen deelnemen.
+Zonder een reus was deze strijd voor hem niet compleet, ook al verwierp
+hij in zijn _Berecht_ het denkbeeld, een goddeloozen Reuzenstrijd te
+hebben willen schilderen. (Zie ook _Voorwoord_.)
+
+[53] "die niet geeft om Orions, knodsen of reuzen".
+
+[53] De bekende sterrebeelden van de Beer, dicht bij de Noordster.
+
+[55] De _Hydra_, mythologische draak met vele koppen, ook sterrebeeld.
+
+[56] _Ik zie een galerij_: Gelijksoortige wending als in het verhaal van
+den Bode in _Gijsbrecht_: "ik zie de deugden zelf." De verhaler tracht
+even door een samenvattend beeld de verbeelding der toehoorders te doen
+wijden in een visioen. _Een galerij van oorlogstafereelen_ is zoo echt
+Vondeliaansch. Immers waren hem poezie en schilderkunst zeer nauw
+verwant.
+
+[57] _nare nacht. Naar_ (Engelsen narrow): nauw. Vandaar dat "naar" en
+"eng", angstig, in beteekenis verwant zijn, en naar ook donker
+beteekent, met de bijgedachte "beangstigend."
+
+[58] _vergeet met goud te brallen_, nalaat met goud te pronken, dus:
+"eindigt met schitteren."
+
+[59] _mengelt zeven dieren afgrijselijk ondereen_: neemt de
+afgrijselijke gedaante aan van een mengeling der zeven dieren: de
+_hoofdzonden_: Hoovaardij, gulzigheid, luiheid, wellust, toornigheid,
+nijdigheid en gierigheid.
+
+[60] _eene sim_: een aap.
+
+[61] _Kortouw_, kartouw, geschut. Zie de aanteekening bij [29].
+
+[62] _Wat green hier_: green, verleden van _grijnen_, boosaardig kijken
+(Wdbk). Voor de gedaanteverwisseling der gevallen Engelen zie men o.a.
+de schilderij van Pieter Breughel, te Brussel, afgebeeld in _De Ploeg_,
+IIe Jaarg. 120.
+
+[63] _met Engelenroof te pralen_: "Te pralen met 't den Engelen (zie ook
+[66]) "ontroofde". Een barbaarsch idee; zeker niet hemelsch.
+
+[64] _troon_: hemel.
+
+[65] _d'Aartsvijand leit er toe_. Ligt onder, is overwonnen. Zie ook [67].
+
+[66] zie [63].
+
+[67] zie [65].
+
+[68] _die voor elkander gruwen_. Na hun gedaanteverwisseling.
+
+[69] _In zijn verkoren beeld_. Immers: God schiep den mensch naar Zijn
+Evenbeeld.
+
+[70] _te bederven_: ten verderf te brengen.
+
+[71] _Mengelklomp_, gelukkig Nederlandsen woord voor _chaos_.
+
+[72] _U mijn zoons, gewijd tot Godheen_. De duivelen en de heidensche
+afgoden worden in de Christelijke opvattingen vereenzelvigd. Maar ook
+kan Vondel hier gedacht hebben aan de duivel-aanbidding, die tot op
+onzen tijd voortleeft.
+
+[73] _Mijn kroon_, d.w.z. de mij ontroofde kroon.
+
+[74] _schiet_ (de gestalte van) _de slang aan_.
+
+[75] _tak der kennis voor_: "tak van den boom der kennisse".
+
+[76] _bang voor schennis_: bevreesd het verbod te schenden; zie [80]: uw
+lippen schennen: bezoedelen.
+
+[77] _Erfgebreken_: Erfzonden. Zie ook [81].
+
+[78] _Regenboog_. Ietwat vreemd den bijbelvasten Vondel hier den
+regenboog te zien aanduiden als een voorspelling van straf, in plaats
+van als teeken van Gods verbond met den mensch. Genesis IX, 12-17.
+
+[79] vlgg. Een levendige, aangrijpende schildering van angst en berouw.
+
+[80] zie [76].
+
+[81] zie [77].
+
+[82] _belooft de Godheid trouw te wekken_. Trouw: "zekerlijk."
+
+[83] Zie ook [90]. _De Sterke_ is de Verlosser (En [89]: 't beloofde
+Zaad). Immers Jezus overwon het kwaad (_door erfhaat_, ingrondigen haat)
+ondanks Satans pogen hem te bestrijden en verleiden [84].
+
+[84] zie [83].
+
+[85] _Uriel_. In _Adam in Ballingschap_ treedt dezelfde Engel op, om
+Adam en Eva ter verantwoording te roepen, ze daarna uit Eden te
+verjagen. Doch de dramatische toestand is in beide stukken in ieder
+opzicht verschillend, en in de _Adam_ moest de hier geschilderde
+volgorde en rol der personagien wel afwijken.
+
+[86] _Ozias, Azarias_ en _Maceda_. Of Vondel deze Engelennamen zelf
+verzonnen heeft, dan wel ze aan onbekend gebleven overleveringen
+ontleende, is nog niet gebleken. V. was ontzaglijk belezen in de
+theologische literatuur van zijn tijd (zie ook mijn studie over zijn
+_Jeftha_) en het zou me niet verwonderen als men ook hier den oorsprong
+van deze namen nog eens vond. De rol van Ozias doet denken aan die van
+Hephaistos in Aeschylos' _Promotheus Geboeid_ (W.B. 182.)
+
+[87] _Vervloekte jacht_, 't Vervloekte wild.
+
+[88] _de put des afgronds en zijn holen_: de Hel met al haar
+afdeelingen, waarin 't eeuwige vuur en de felste koude samen wonen, met
+al de verdere gruwelen, door Dante beschreven.
+
+[89] zie [83].
+
+[90] vlgg. Plechtiger en vromer kon Vondel zijn gewijd treurspel
+moeilijk besluiten dan met deze laatste aanbidding van den Rei. (Zie
+_Inleiding_.)
+
+[91] zie [83].
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Lucifer, by Joost van den Vondel
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LUCIFER ***
+
+***** This file should be named 17076.txt or 17076.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/7/0/7/17076/
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/17076.zip b/17076.zip
new file mode 100644
index 0000000..5906a02
--- /dev/null
+++ b/17076.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..689c7e3
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #17076 (https://www.gutenberg.org/ebooks/17076)