summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--16882-8.txt5720
-rw-r--r--16882-8.zipbin0 -> 111042 bytes
-rw-r--r--16882-h.zipbin0 -> 115468 bytes
-rw-r--r--16882-h/16882-h.htm7354
-rw-r--r--16882.txt5720
-rw-r--r--16882.zipbin0 -> 110613 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 18810 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/16882-8.txt b/16882-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..65512bc
--- /dev/null
+++ b/16882-8.txt
@@ -0,0 +1,5720 @@
+Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: October 16, 2005 [EBook #16882]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
+
+ROMAN IN TWEE DEELEN
+
+DOOR
+
+CYRIEL BUYSSE
+
+TWEEDE DEEL
+
+
+
+1905
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII.
+
+
+Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol
+emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een
+onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en
+flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en
+vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar
+bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan
+Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig
+zonder onvoldane wenschen.
+
+En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand
+begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als
+zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms
+woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge
+bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander
+warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren
+waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peer of
+appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte
+twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden
+ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook
+zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder,
+met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige
+rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van
+purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange
+rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend
+van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en
+overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag
+nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte
+zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's
+achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar
+als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend één-oog; en
+'t kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-
+glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna
+met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind
+dichter bijgeschoven, zóó helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er
+soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien.
+
+Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer
+dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam
+Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo
+vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En
+zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat
+zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend
+hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele
+stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het
+water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal,
+of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij
+voelde alleen maar dat het van heel héél verre kwam, als uit een andere,
+haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om
+aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles
+toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel
+reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de
+postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij
+daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en
+automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zóó
+schoon, o, toch zoo wónderschoon midden in een schat van bloemen op een
+groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en
+'t Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en
+bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar
+onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen
+de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige
+intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den
+hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van
+weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn
+voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het
+opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan
+den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde
+laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende.
+
+Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde
+illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een
+kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks
+en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't
+licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak
+een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor
+hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart
+hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een
+vuil-rood geworden decoratie-lapje.
+
+"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende
+tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold
+sportblad vóór haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging
+hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.
+
+"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in
+'t begin, door zijn deftigheid geïmponeerd en hem niet goed begrijpend.
+
+"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de
+schoolmeester met nadruk, eenigszins geërgerd dat zij niet dadelijk zijn
+mooie taal verstond.
+
+"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde
+Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"
+
+"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.
+
+Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine
+even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten
+van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden-
+glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht
+bij 't raampje, om goed te kunnen zien.
+
+"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd hét, miester, 'k 'n há
+moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van
+hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten
+verontschuldigen.
+
+Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid
+in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren
+en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met
+toenemende belangstelling.
+
+"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is,
+van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin
+van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.
+
+Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend
+en antwoordde ietwat schuchter:
+
+"Ba joa 't e-woar, miester? Z'hé zij mij lijk altijd nog al wel keune
+verdroagen."
+
+"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als
+voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.
+
+En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins
+verbitterd uitriep:
+
+"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel
+wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu
+ben!"
+
+Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd-
+onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem
+ietwat verwonderd aan.
+
+"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde
+zij.
+
+"Ja zeker, zéker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker,
+het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste
+menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog
+genoeg waardeeren!"
+
+Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende
+woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van
+hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk,
+terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:
+
+"En da Fransch, miester, hè-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't
+es?"
+
+"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam
+de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te
+oreeren:
+
+"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in
+het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer
+is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien
+en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten,
+ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italië
+komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken,
+waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de
+wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De
+sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die
+schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de
+boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken
+en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in
+den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er
+nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het
+Aardsch Paradijs ge-eeten."
+
+"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij
+waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:
+
+"En hoever es dan wel van hier, miester?"
+
+"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf
+onderd uren!"
+
+"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.
+
+"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit
+rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewèl, in die
+plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo
+ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen
+en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed
+nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron
+Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als
+zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij
+in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in
+zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw.
+Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."
+
+"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.
+
+"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de
+gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en
+vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het
+kort artikeltje.
+
+"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke
+vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:
+
+"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."
+
+De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed
+gevleid.
+
+"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter,
+degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan éene taal
+kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou
+ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is
+en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste
+waardeeren."
+
+Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:
+
+"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal
+kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding
+van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook
+wel iets voor mij zult willen doen?"
+
+"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd.
+
+"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones
+d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn
+pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou
+kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.
+
+"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme
+zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch
+mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."
+
+"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij
+tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten
+zoudt."
+
+"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie
+vergeten."
+
+Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke
+nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even
+vriendelijk aan.
+
+"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd.
+"Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die
+'t aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."
+
+"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever
+schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en
+vreugd.
+
+Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den
+drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en
+stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met
+afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn
+achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel
+wijsheid en verstand in stak.
+
+Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette,
+zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIV.
+
+
+Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel
+van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen.
+Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en
+moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op,
+wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht
+kon worden.
+
+Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide
+zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange
+discussie had plaats.
+
+"Ik geleuve dat de mirrie t'oud es om nog veulen te krijgen," meende
+Miel van Dalen.
+
+Boer Dons maakte zich kwaad:
+
+"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?"
+
+"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge'n weet gij da meschien zelf op 'n
+joar of twieë noar niet," glimlachte Miel.
+
+"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar
+of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer.
+
+"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie
+kontroarie zeggen," suste Miel.
+
+Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden,
+zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen
+baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles
+ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap
+gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.
+
+Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad.
+
+"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van
+een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van
+boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij:
+"Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leên, den ieste kier dat ze
+weere peirdig es!"
+
+"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich
+onverwachts in het gesprek mengend.
+
+Verwonderd keken allen op.
+
+"Woarom niet?" vroeg Alfons.
+
+"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk
+wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig.
+
+Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van
+Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog
+meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen.
+
+"Vaprijs 'n hé gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es
+'t goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat
+'t es."
+
+"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van
+vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons.
+
+Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij
+schetter-gilde naar Rozeke:
+
+"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van
+twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?"
+
+Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van
+verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist
+niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween
+eensklaps in de binnenkamer.
+
+"Hé, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer.
+
+Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.
+
+"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker
+doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij.
+
+"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd
+mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.
+
+Vader Van Dalen lachte:
+
+"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare
+grond!....
+
+"En da mijn wijf hier pertan[1] nie gedijd 'n hét! Hoe verstoa-je
+dátte?" schetterde de oude.
+
+Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een
+"dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met
+Rozeke.
+
+
+[1] Pourtant.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XV.
+
+
+Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December
+in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zóó
+gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden.
+Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer
+Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.
+
+Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige
+oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de
+effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer
+van mist en sneeuw en motregen.
+
+Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte
+nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om
+er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer
+Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap
+leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en
+hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het
+oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.
+
+Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een
+groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der
+merrie en vertrok.
+
+Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een
+behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en
+schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge
+sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich
+niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden
+of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.
+
+De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den
+lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen
+klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten
+sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo
+vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe
+stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes
+met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere,
+frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze
+van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen
+der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd
+in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als één oneindige, dikke,
+loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.
+
+Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en
+eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en
+gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien!
+
+Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn
+dijen en knieën zóó doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende
+slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.
+
+Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een
+borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In één teug sloeg hij die met
+een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten
+drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar
+hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij
+aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.
+
+Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij
+dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden
+met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en
+drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor
+de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel
+zakken. Hij voelde zich zóó ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om
+de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad
+binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke
+vrouw en enkele kinderen.
+
+"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weêrkes, hè? Joa joa, we zillen hem
+al gauwe ne woarme spoelkom káffee mee nen boterham en 'n firme schel
+heufvlakke geên!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een
+vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen
+hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en
+krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een
+dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.
+
+Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel
+kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder
+te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon
+hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden
+spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom
+koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij
+den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.
+
+De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond
+hij weer op.
+
+"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt,"
+raadden de boer en de boerin hem dringend aan.
+
+"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat
+zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in
+zijn eigen ooren klonk.
+
+"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de
+boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de
+stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.
+
+Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het
+zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen
+ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren
+als lood.
+
+Hij wenschte "elk ne goên dag" en vertrok. Hij had slechts één
+verlangen, één behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met
+gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.
+
+Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug,
+af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat
+van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen
+als 't ware vluchtend vóór hem uit, en hij zelf voelde zich mee
+gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn
+halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een
+dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind
+niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en
+zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een
+kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal
+op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam
+draven van zijn kalm geworden paard.
+
+De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een
+doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den
+grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam.
+Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den
+drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij
+den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo
+machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw
+met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen
+afstijgen.
+
+"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend.
+Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en
+zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en
+struikelde gebogen naar binnen.
+
+"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k
+hé goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem vóór het
+haardvuur brengend.
+
+"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast
+onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.
+
+"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte
+Rozeke.
+
+"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontkliën; leg mij in
+mijn bedde."
+
+Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten
+zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem
+warm onder de dekens.
+
+"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met
+dichte oogen.
+
+"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we
+zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet."
+
+Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op
+zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren,
+terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt
+lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met
+korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig
+op-en-neer-trillende neusvleugels.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XVI.
+
+
+De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te
+wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke
+deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn
+vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij
+Vaprijsken naar 't dorp om den dokter.
+
+Eerst tegen avond kwam hij aan.
+
+"Och Hiere! menier den dokteur, 'k hè toch zeu stijf noar ou verlangd,
+want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend
+terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht.
+
+"Joa joa moar ... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne
+kier ziek," banaalde hij troostend.
+
+Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij
+zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had.
+
+"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n
+koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken."
+
+"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den
+dokteur?" angstvraagde Rozeke.
+
+"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal,"
+antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij hè 't fleurus en
+we moeten oppassen dat 't gien longontsteking 'n wordt,"
+
+"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen.
+"O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird
+gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!"
+
+"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde
+hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij hè hij da woarschijnlijk al nen tijd
+in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw
+Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem
+behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen,
+voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in
+de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig
+moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen
+van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen.
+Niets eten,--maar daar zou hij ook wel niet naar talen--en, als hij
+dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden
+ochtend vroeg zou hij terugkomen.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende vele, vele dagen.
+De ziekte had een heel ernstig verloop gehad, was overgegaan in
+longontsteking, met ijlende koortsen.--Soms lag hij bleek en stil, als
+dood; en uren roerloosheid verliepen; maar toen opeens kwam weer de
+koorts en hij ging aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden
+van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard, hij reed door wonderbare
+oorden, door witte en roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die
+zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar de mooiste vogels kweelden
+en klapwiekten, licht en blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe
+lucht. O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het balsemgeurde
+overal en hij proefde van vruchten, groote, blozende, sappige vruchten,
+zoo zalig-lekker smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs, juichte
+hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke, geheel in 't fonkelwit
+gekleed, met haar zacht-krullende haren los over de schouders, en daar
+waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen: Hilairken, gansch
+roze-naakt met gouden vleugels als de engeltjes in 't dorpskerkje, en
+ook Marie, ja, ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest geboren
+worden, maar daar reeds in het Paradijs geboren was, o zoo fijn en zoo
+klein en zoo teer, maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat ooit
+geleefd had, met groote oogen als helderblauwe bloempjes, als van die
+ronde lieve blauwe bloempjes, die in de vroege lente bloeien tusschen't
+jonge frissche gras, langs de randen van helder kabbelende
+beekjes.--Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui uit,
+omdat hij daar ook Vaprijsken zag: Vaprijsken gansch in 't geel, met
+gelen baard en gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel
+gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het Geluw Meuleken was
+daar, nog geler dan Vaprijsken, het mager aangezicht vol gele sproeten;
+en ook den ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning: een
+rooden, ronden kop met witte haren als een ondergaande winterzon over
+een sneeuwveld; en ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik,
+met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en ook Rozeke's vader, die
+zijn een oog zoo leuk dichtkneep en zijn ander zoo verbaasd-rond opende;
+en ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels die hakkelde, en
+zijn schoone vrouw met haar gouden oorbellen en schitterende oogen, en
+de jonge baronesse met haar man, die in een bruisende automobiel
+voorbijsnorden....
+
+Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche droefheid grauwde op zijn
+klam-bezweet gelaat.--Het regende, het mistte, de natte, felle wind
+kromde de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij rilde, rilde, en
+zijn tanden klapperden. De laatste bruine blaren stoven als doode vogels
+van de naakte takken en het paard verzonk met zijn beenen zóó in het
+slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en beslijkt was, en pijnlijk
+klaagde van kou en zich langzamerhand in al die grijze, triestige
+vuilheid voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij een lange
+heesche weeklacht uit en weer lag hij afgemat en roerloos, als een
+bleeke doode uitgestrekt.
+
+Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk kwam hij aan de beterhand;
+maar nog eens weken duurde het vóór hij zijn bed verlaten mocht; en toen
+hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het haardvuur in de
+keuken verscheen, leek hij op een oud, bleek, kuchend en hoestend
+mannetje met uitgeholde, rimpelige wangen en groote, zwarte oogen, die
+aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren.
+
+Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover genezen was en zij zelve
+herleefde. Alles wat ze geleden had: haar slapelooze nachten, de
+onvermijdelijke verwaarloozing der boerderij, de zware geldelijke
+opofferingen, alles was vergeten voor die eene blijde gebeurtenis van
+zijn gelukkige genezing.
+
+Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge barones ontvangen,
+telkens weer uit andere steden en landen, en de oude meester kwam er nog
+steeds nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar ervan
+vertellen; maar zelve had zij haar bescherm-vriendin slechts eenmaal
+tijding kunnen zenden,--de droeve tijding van Alfons' zware ziekte--en
+nu verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel, waar zij
+voorloopig met haar man en hare ouders, gedurende de zomermaanden zou
+vertoeven.
+
+En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon als een jonge
+koningin, in een prachtige automobiel, met haar man aan haar zijde.
+
+"O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!" riep Rozeke, vergetend dat haar
+vriendin nu "mevrouw" was, en schreiend van ontroering haar met in
+elkaar geslagen handen in den boomgaard te gemoet loopend.
+
+"Rozeke! Rozeke!" wuifde de barones verteederd. En zij en haar man
+drukten het boerevrouwtje hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare
+vrienden. En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was en gingen
+binnen.
+
+Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een hevige, schorre hoestbui
+drukte hem onmeedoogend in zijn leunstoel bij den haard weer neer.
+
+"Blijf maar zitten, blijf maar zitten," riep dringend de jonge barones;
+en zelve haastte zij zich naar hem toe in 't zijig ruischen van haar
+kleeren en drukte hem ontroerd de hand. "Hoe gaat het, Alfons?" vroeg
+zij bezorgd.
+
+"Dát 'n wilt hier nie wig, mevreiwe," antwoordde hij heesch, met de hand
+op zijn ingevallen borst, kloppend.
+
+Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn groote, donkere oogen
+hadden nog steeds hun onheilspellend-starende uitdrukking van
+verwilderden angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel zat,
+leek hij niets meer op een boer: hij had een fijn besneden
+aristocratisch gezicht, van een vreemd-ziekelijke, geraffineerde
+fijnheid, als een schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren
+en zijn spits-krullenden, donkeren baard.
+
+Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien; en buiten, op den drempel
+zei de barones tot Rozeke:
+
+"Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe man."
+
+Rozeke smolt in tranen.
+
+"Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!" klaagde zij. "'k Geef ik hem
+alles woar da zijn herte noar lust, moar hij betert zeu troage."
+
+"Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog van heel de zomer niet."
+
+"Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n kan hij euk nie wirken. We
+zoeken ons noar nen twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten,
+mevreiwe, en w'hén al zuk 'n slecht joar g'had mee zijn ziekte."
+
+"Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge iets noodig hebt zijn
+wij daar om u t' helpen."
+
+Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een bekwamen paardeknecht. Zij
+hadden hem hoogst noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend op den
+akker te wachten; en met de merrie was het ook al weer mis, die moest
+stellig opnieuw naar den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner
+schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar als reeds iedereen
+bezet is, en Alfons zat zich gansche dagen machteloos in zijn leunstoel
+van ongeduld en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer hoe
+dringerder werd en niemand zich kwam aanbieden. Het maakte hem ellendig
+en vertraagde zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke sprak hij
+reeds van uit zijn hoek te komen en zelf weer, zoo goed en zoo kwaad als
+het ging, te gaan ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar den
+hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag ochtend haastig van de
+vroegmis thuis kwam en hem zei:
+
+"Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht wilt hên, nou es er ienen
+te krijgen; moar ... hij 'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem
+zelve vroagen."
+
+"Wie est 't?" vroeg Alfons gretig.
+
+"Ivo Smul."
+
+"Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!"
+
+"Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij. Hij es mee zijnen boer
+in ruzie geslegen en wig-gegoan. 't Spijt de bezinne genoeg."
+
+Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich gevestigd, zat roerloos
+te peinzen en te staren. Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam,
+schrik-zwijgend achteruitgedeinsd.
+
+Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om.
+
+"Wa peist ge 'r van?" vroeg hij.
+
+"Lijk of ge wilt," antwoordde zij ontwijkend, met benauwde stem.
+
+Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende hun nood en vreesde 't
+ergste indien hij aan zijn dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het
+werk te gaan. Was het reeds niet háár schuld geweest, dat hij in plaats
+van Smul op dien akeligen ochtend met de merrie naar den hengstboer reed
+en er zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen, zij durfde niet,
+'t mocht niet; maar ... de komst van Smul op hun boerderij, in hun
+dagelijksch leven, zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor,
+als voor den dood.
+
+"Hawèl?" drong hij aan, onder haar ontduikend antwoord en haar lang
+stilzwijgend ongeduldig wordend.
+
+"Hawèl, lijk of ge wilt," herhaalde zij nog eens, hem bedroefd en bijna
+smeekend aankijkend.
+
+"Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien antwoorde! 'K en wil
+ik niets! 'K en zoek ik moar om wel te doen!" barstte hij verwijtend-
+opgewonden uit. "Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge nie 'n wilt
+antwoorden!"
+
+Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen, nog verder terug,
+terwijl Alfons, boos en geprikkeld, zich opnieuw tot Vaprijsken wendde.
+
+"Hèt ge 'r mee hem over gesproken?" vroeg hij.
+
+"Joa ik, boas."
+
+"En hét hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?"
+
+"Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt."
+
+"En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie gezeid?"
+
+"Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels há."
+
+"En verwacht hij antwoorde doarop?"
+
+"Joa en nien. Hij hé gezeid as hij van doage gien antwoord 'n ha, dat
+hij hem elders gijnk verhuren."
+
+Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om:
+
+"Hawèl wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke euk ne kier ou
+gedacht?"
+
+"Hawél, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt," antwoordde zij als
+versuft, met hooge kleur en op 't punt in tranen uit te barsten.
+
+"Moar 'k en wil ik niets, zeg ik ou!" riep hij nijdig, "'k Vroag ou joa
+of nie of 't ou gedacht es. Keunt-e doar nou nie op antwoorden?"
+
+"Hawèl joa 't dan, joa 't, 't ès mijn gedacht!" stamelde zij, bleek en
+bevend. Zij vond het ontzettend dat juist zij het beslissend jawoord
+moest geven.
+
+Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken om:
+
+"Al gezeid.--Vaprijs jongen, goa gij weere noar 't dorp en zegt hem dat
+hij hier verhuurd es en dat hij hoe ier hoe liever zoe komen."
+
+"Al gezeid, boas."
+
+Vaprijsken stak een pijp op en was buiten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XVIII.
+
+
+Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje.
+Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was,
+knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den
+paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond
+reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde
+wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen
+meester.
+
+"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei
+Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen
+woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels
+planten en oale voeren op de kloaver."
+
+Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk
+te gaan.
+
+"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee
+groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen
+voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder
+een zware snee spek.
+
+Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote
+koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat
+af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en
+onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in
+haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul,
+waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast
+zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen
+zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren
+en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval
+lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo
+onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo
+akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn
+vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk
+begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo
+doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij
+vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat
+gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar
+nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en
+alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was
+stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande
+haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde
+laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door
+Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een
+goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje
+nakijkend.
+
+"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij
+'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"
+
+Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer
+aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit
+den nood kwam helpen.
+
+Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht
+en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was
+een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag
+en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar
+voelde 't zoo.
+
+Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den
+heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende
+nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan
+'t eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen
+akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in
+gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde
+Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens
+schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde,
+blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende,
+stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het
+veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie
+snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen
+was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed
+omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker
+opgolfde.
+
+"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met
+onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul
+zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje
+geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIX.
+
+
+Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter;
+maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en
+rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste
+inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen
+lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't
+Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede
+hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij
+zijn lot nog al geduldig op.
+
+Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend
+geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer
+voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon
+zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die
+hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken
+verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de
+rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op
+Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te
+meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als
+Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke
+zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde
+het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den
+sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd.
+
+In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we
+dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te
+beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd
+op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij
+zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden
+te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later
+toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die
+besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde.
+Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls
+handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de
+baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst
+geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed
+het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.
+
+Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid,
+zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk
+was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee,
+totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd
+nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij
+allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een
+paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een
+beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een
+plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere
+Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en
+bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te
+kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was
+de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze
+doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon
+hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het
+oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet
+twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na
+smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar
+dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik
+de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn
+eigen zin wist te doen buigen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XX.
+
+
+Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd
+Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan
+toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had;
+en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de
+Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.
+
+Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje
+de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar
+broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie
+geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar
+lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer
+gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen
+hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De
+maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en
+gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende
+vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog
+vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De
+jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig,
+onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst
+tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter.
+Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien,
+halve dagen op den akker blijven.
+
+De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in
+Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij
+zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar
+ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar
+hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem
+gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis
+hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's
+winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden.
+Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar
+kindje had.
+
+Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde,
+kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:
+
+"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne
+moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"
+
+Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't
+eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk
+vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:
+
+"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We
+mochten nog heul blije zijn da w' hem hân."
+
+"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich
+aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne
+knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè
+euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of
+'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse
+boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader
+gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den
+uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut!
+al wa konten, zeg ik."
+
+"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder
+giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.
+
+De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette
+verwonderde oogen op.
+
+"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.
+
+Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier,
+Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij
+eigenlijk veel te weinig van af wist.
+
+De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.
+
+"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."
+
+Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in
+de rede:
+
+"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"
+
+Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte
+plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste
+kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden,
+slechten naam gaf.
+
+De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht
+haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets
+verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren
+gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.
+
+Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:
+
+"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da
+Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te
+keune missen. Ik 'n hè hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ...
+noeit op ons hof genomen hên.... 't Es Alfons zelve die 't gewild hèt.
+Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...."
+
+Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam
+daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade
+op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en
+hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking
+zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.
+
+"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge
+barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind
+keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en
+ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.
+
+Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk
+de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het
+raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden
+komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar
+krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de
+schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en
+Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte
+lading in het evenwicht.
+
+Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk
+ingehouden toorn bevende stem:
+
+"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch
+nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"
+
+Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:
+
+"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en
+hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast
+hem binnen mee 't loaste van den oest."
+
+Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend,
+met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de
+barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór
+haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee
+kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte
+het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen
+om.
+
+"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar
+fluisterend op den drempel vragen.
+
+"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.
+
+"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n
+meisken?"
+
+"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen
+een jongen."
+
+"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde
+vroomheid.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXI.
+
+
+Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en
+rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere
+zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in
+lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de
+stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht
+naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven,
+droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers
+zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met
+triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in
+grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich
+wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes
+en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur.
+Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard
+huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen,
+schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij
+langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en
+hoog-opgetrokken knieën bij den haard.
+
+Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was
+hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze,
+stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en
+afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die
+op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in
+verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen
+werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit
+te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt
+als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij
+eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich
+zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil
+te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn
+piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen
+zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.
+
+En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend
+de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen
+barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij
+telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar
+hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele
+onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar
+wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en
+met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer
+naar buiten komen.
+
+Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen;
+en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden
+en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen
+boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle
+stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige
+menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het
+huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van
+meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de
+nauwe, warme muren opgesloten.
+
+Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt
+kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat
+was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in
+een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't
+oogenblik.
+
+Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven.
+
+Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was
+nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den
+dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't
+werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje
+uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen
+van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar
+het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog
+steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond
+reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden,
+tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet
+haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de
+voute-kamer luisteren:
+
+"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht
+worden. Zoe-je nie opstoan?"
+
+Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als
+antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de
+voute op, en stond vóór 't lage bed:
+
+"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"
+
+Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede
+donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig
+stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep
+als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje,
+rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare
+vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't
+kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een
+doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend
+het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!"
+schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een
+krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en
+duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.
+
+Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te
+paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen
+en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede
+hoofdkussen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXII.
+
+
+De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich
+gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo
+frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar
+rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking
+van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de
+hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van
+droefheid, dreigden dicht te zullen vallen.
+
+Zorgen, zorgen en nog zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!--De crisis
+was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard,
+maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk
+plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar
+beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van
+ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest
+aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken
+en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook
+haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte
+het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook
+dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar
+ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor
+Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij
+gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en
+familieleden noemden--te gehoorzamen.
+
+"Hawèl, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer
+dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders
+op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze,
+wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende
+dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen
+dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het
+kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den
+ellendigen toestand neer.
+
+De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de
+drukte van 't werk op den akker.
+
+Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en
+zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar
+zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen
+boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons
+verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke
+niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven.
+Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te
+willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord.
+Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun
+was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was dè echte baas geworden, aan wien
+zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een
+onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de
+slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar
+prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds
+zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar
+aan, zóó vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven,
+terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten
+gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet
+blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op
+heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren
+haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag
+had ze geen gelegenheid meer gehad hèm het gebeurde te verwijten;--zij
+wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben--maar het Geluw
+Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken,
+die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en
+onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen
+den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten
+wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder
+in den steek te laten.
+
+Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds
+en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste
+verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar
+droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na
+hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken.
+
+En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van
+moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door
+een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts
+met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende
+linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo
+zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht,
+overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend
+smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster
+kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend
+van emotie en bewondering, de handen in elkaar.
+
+"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!"
+herhaalde zij met bibberende stem.
+
+"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te
+rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met
+bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien.
+
+"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het
+wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken
+angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met
+het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden,
+terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.
+
+Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door
+het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel
+opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende
+oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn
+blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om
+zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam
+zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om
+te gaan zitten.
+
+De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden
+aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zóó erg was met hem; zij
+schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk
+te verbergen.
+
+"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de
+scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als
+wilde zij niet alleen hèm, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke
+illuzie troosten.
+
+"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar
+keel kropte van meelijdende droefheid.
+
+Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang
+voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met
+inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:
+
+"As 't moar 'n beetse goe weer'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere
+buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in
+huis."
+
+Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde
+schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een
+floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou
+hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en
+innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje
+om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude
+stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de
+diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong
+en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst,
+terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd
+en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en
+hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door
+de sombere schim van den dood.
+
+Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten,
+maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur
+keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd
+en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in
+feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van
+den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het
+heldergroene gras tot haar genaderd kwam.
+
+O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van
+zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij
+van de herlevende natuur,... en dáár die bleeke uitgemergelde gestalte,
+als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister
+van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!...
+
+Buiten nam zij Rozeke apart en zei:
+
+"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden.
+Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze
+huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders
+genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet
+doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't
+Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen
+hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog
+niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug."
+
+Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij
+geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat
+hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem
+dood uit 't huis zou dragen.
+
+"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij
+'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst.
+
+"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien
+sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?"
+vroeg de barones met droef-ernstig gelaat.
+
+Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen
+van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij
+was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid
+niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij
+eenmaal weg was?--Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de
+jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te
+troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend
+schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij,
+toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank
+kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje
+vergezelde...
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIII.
+
+
+Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange
+dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór
+het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen
+van zijn akker.--Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de
+langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen,
+als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.
+
+Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met
+den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een
+afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het
+heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als
+die waaronder Alfons kwijnde.
+
+Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn
+leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte
+en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer
+ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven
+'t hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon,
+gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde
+noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een
+niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar
+toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen
+hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige
+onderdanen waren.
+
+"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder
+onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?--Moar al da wirk
+hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."
+
+De barones werd bijna boos.
+
+"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u
+toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe
+het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kunt
+genezen."
+
+Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar
+even dankbaar aan.
+
+"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt,"
+verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan
+op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."
+
+"'t Moe nòù wel goan; ge'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de
+dorpsdokter in 't midden.
+
+"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk
+'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan
+hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.
+
+Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het
+zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop
+verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij
+daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou,
+hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij
+eenmaal vertrokken was.
+
+"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen
+voor alles zorgen," zei de barones.
+
+"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk
+volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien
+Fransch!" zei Rozeke bezwaard.
+
+"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort
+zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over
+geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel
+goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."
+
+Zij zwegen.--Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun
+angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met
+ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den
+dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen
+en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel
+stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner
+en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er
+werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het
+opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:
+
+"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde.
+Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan
+hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."
+
+Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met
+het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als
+een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIV.
+
+
+De vijftiende November was de vastgestelde dag voor het vertrek.
+Rozeke's ouders, vooral haar moeder, die eerst erg het plan afkeurde,
+hadden er zich eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den vorigen
+avond op het boerderijtje, waar zij de laatste maanden, na het geschil
+ter wille van Smul, haast niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend
+verschenen ook Rozeke's broeders en haar zuster La.
+
+Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel Alfons afhalen. Rozeke zou
+hem tot aan het naastgelegen, klein station vergezellen waar zij de
+baronsfamilie zouden vinden.
+
+Het was een drukte en een emotie voor de gansche buurt. Boer Lauwe en
+zijn gezin, die zij anders maar weinig zagen, de menschen uit het
+werkmanshuisje vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek, kwamen
+op het boerderijtje of stonden wachtend bij het hek te kijken. Van vóór
+half negen was boer Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook de
+nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens de goede gelegenheid te
+baat nam om over zijn nog niet verkregen pensioen-verhooging te spreken
+en ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart uit het verre
+wonderland te ontvangen.
+
+Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna gekleed als een
+heer, met een rond zwart hoedje en een lange, warme winterjas. Dat waren
+al geschenken van de jonge barones en de buren voelden wel een beetje
+jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip waar Alfons naartoe ging, maar
+zij beschouwden 't allen als een soort plezierreisje, als een
+rijke-menschen-gril, bijna bespottelijk voor een boer.
+
+Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met Rozeke in 't mooie
+rijtuig. Zijn kinderen had hij nog eens voor het laatst gezoend en die
+keken hem nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht overeind,
+met groote oogen van verwondering op een tafel, Marietje met een
+"tsjoezeken" [*] in den mond op den arm van La, die met een vuurrood
+gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden in een groep
+nieuwsgierigen, de dikke wangen vettig glimmend, met korte zenuwschokjes
+van haar puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd naast,
+zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat haast zonder uitdrukking.
+
+[*] Dotje.
+
+De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand in 't rijtuig drukken
+en nam zijn hoed voor hem af, als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd,
+met een strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den meester voor
+zijn vriendelijke belangstelling en drukte ook de hand van den ouden
+boer Dons, die bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen
+riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken bij zich en deelde hun
+nog eens zijn laatste bevelen uit, er bij voegend dat hij trouwens niet
+lang weg zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd en had
+hem ten slotte beslist met de verre reis verzoend. Hij zou gaan,
+aangezien allen het goed voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich
+dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De barones had hem
+trouwens zijn reisbiljet laten zien, dat meteen een retour-biljet was,
+geldig voor drie maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was voor
+drie maanden was ook geldig voor drie weken en nog minder, en daarmee
+wist hij genoeg. Hij zei het nog eens, glimlachend, maar met nadruk,
+opdat Smul en de anderen het goed zouden hooren en onthouden: "meschien
+ben ik hier te noaste week al weere!"
+
+Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig met het hoofd,
+begrijpend wat hij zeggen wilde; Smul, integendeel, slechts even
+knippend met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een bruut, zonder
+zijn stuurschen blik tot zijn baas op te slaan. Maar de oude
+schoolmeester kwam deftig weer in 't midden, verzekerend dat het geen
+twijfel leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl een ieder
+hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en de oude, kluchtige boer Dons
+gooide 't op een grapje:
+
+"Hawèl joa!" schreeuwde hij, "en as ge begint te voelen da z'ou hier
+neudig hèn, ge schiet ou weer op de vapeur en ge komt thuis gevlogen
+lijk 'n zwoaluw!"
+
+Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om en reed van 't erf. La
+deed Marietjes kleine handjes zwaaien achter 't raampje en Hilairken
+reikhalsde naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen het ruitje,
+terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het wegtrekkend rijtuig volgden.
+Moeder stond te schreien en te schokken; de buren riepen hem "goe reize"
+na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't rijtuig en in haar
+emotie en verwarring knikte Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor
+maanden lang op verre reis ging. Zij waren weg, een laatste maal zag hij
+zijn grijzen winterboomgaard, zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was
+'t uit: het rijtuig schommelde in vollen draf over den hobbeligen
+landweg naar het kleine station, waar de jonge barones met man en kind
+en meid reeds op zijn komst stonden te wachten.
+
+Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik der lange scheiding
+eindelijk gekomen was en zij barstte in tranen uit.
+
+"Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het voor zijn gezondheid,
+voor zijn leven is," trachtte de jonge barones haar te troosten.
+
+Maar Rozeke kòn zich niet bedwingen, zij stikte in haar tranen en zij
+smeekte, beurtelings tot den baron en tot zijn vrouw gewend:
+
+"O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt hem ginter toch tegen zijn
+goeste nie houên, e-woar? Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't
+ginter nie 'n kan geweune worden?"
+
+Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven haar de verzekering dat
+hij volkomen vrij was van terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar
+dat het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en de barones
+beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks zou gaan opzoeken en haar
+twee of driemaal in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke
+had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar dikwijls schrijven om
+hem van alles op de hoogte te houden en gerust te stellen. En hoe
+gelukkig zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de eerste
+lentedagen krachtig en genezen weer bij haar terug kwam.
+
+Daar kwam de trein in de verte aangereden. Alfons, die zich tot dan toe
+betrekkelijk goed gehouden had, barstte bij dat zicht ook plotseling in
+tranen uit:
+
+"Rozeke, Rozeke, adzju!" snikte hij, haar de hand reikend.
+
+De enkele andere reizigers, die op 't perron van 't kleine station
+stonden, drongen verwonderd en meewarig om hen heen. De barones werd
+zenuwachtig, de baron zette een verveeld en misnoegd gezicht. De meid
+met het kind stond terzijde stil te spotlachen.
+
+"C'est idiot!" bromde de baron tegen zijn vrouw. "Ne dirait-on pas qu'on
+leur veut du mal! Voyez tout ce monde autour d'eux; un véritable
+attroupement. Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!"
+
+"Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que nous leur devons un peu
+notre propre bonheur," sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde
+haar toch ook en zij ging er een eind aan maken.
+
+"Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus en wees eens vroolijk voor
+het afscheid," zei ze opgeruimd.
+
+Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden en snikten hoe langer
+hoe heviger en toen de trein vóór 't stationsgebouwtje stilhield krompen
+zij van smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld haast moest de
+barones hen scheiden en Alfons naar zijn coupé duwen, een tweede-klas
+terwijl de baron, 't gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast
+in eerste stapte.
+
+"Kalm nu, kalm nu," herhaalde de barones wrevelig en dringend; en, met
+van emotie hooggekleurde wangen, ging zij ook haar plaats innemen.
+
+Eensklaps werden zij kalm, alle twee.
+
+'t Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het leek haar eensklaps of een
+vreemdeling daar zat, een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar
+toelachende vreemdeling; en zoo reed de trein met hem weg: hij
+vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing starend en toen hij
+reeds een heel eind verre was, stond ze nog maar aldoor vreemd te
+staren, de oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog harer
+verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid der mogelijke
+gebeurtenissen en roerloos daar te wachten stond tot het normale leven
+weer in haar zou opkomen.
+
+Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een huivering zich omkeerend,
+zag ze den koetsier van het kasteel, die hen naar 't station gebracht
+had, voor haar staan.
+
+"Goa-je weere mee, vreiwken?" glimlachte de man.
+
+Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling tot de werkelijkheid
+terug.
+
+"O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete," antwoordde zij
+zenuwachtig, als in een soort van angst.
+
+De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze spanning keek ze
+nog even in 't verschiet over de eindeloos lange en rechte glinstering
+van rails langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij ook het
+kleine stationsgebouw en vóór haar lag het naakte, grijze winterveld als
+een andere oneindigheid zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en leeg,
+dat het haar nu te moede werd of zij daar liep als een verdwaalde,
+zwakke vreemdelinge, in hopelooze droefheid maar recht vóór zich uit
+loopend, aldoor loopend, zonder doel en zonder eind.
+
+Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje en vond er nog
+haar moeder en haar zuster en haar kinderen; en het leek haar nu weer
+alsof er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de eentonige
+gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul was, als iederen ochtend,
+met ploeg en paard en egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel
+klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen op den harden
+schuurvloer, de groote waakhond lag rustig te loeren, half in half uit
+zijn hok, de zwarte poes zat knippend met zijn gouden oogen vóór het
+haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het achterhuis was 't Geluw
+Meuleken de boterkarn aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn
+gewonen gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje verkleeden en
+dan weer, naast 't wiegje van haar jongste kind, bij 't kleingeruite
+vensterraampje, aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder zat bij het
+haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar handen op haar knieën en begon
+een praatje; La, die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen
+meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig door elkander rammelen.
+Zij spraken natuurlijk over hem die nu reeds verre aan 't reizen was:
+moeder steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch nu iets minder
+pruttelig, La opgewekt en vol verlangen, met frissche, glimlachende
+lippen en blinkende oogen als van een jong, gevangen vogeltje, dat
+droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme, blijde zonneruimte....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXV.
+
+
+Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte
+briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed
+aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch
+opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was
+'t schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal
+ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven.
+
+Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid,
+alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze
+eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende
+berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de
+buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en
+spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij
+stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een
+trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen
+brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar
+door den postbode overhandigd werd.
+
+Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en
+ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet
+duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met
+"hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte
+eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds
+was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland
+gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die
+een brief opstelt:
+
+
+"Beminde vrouw,
+
+Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn
+gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel
+verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt
+gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden
+met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en
+als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen
+in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen
+gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den
+hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt
+alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of
+dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar
+dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat
+eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij
+geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan
+kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel
+goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het
+is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu,
+beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan
+de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets
+het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is
+precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch
+zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den
+zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en
+'t vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te
+Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste
+bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien
+hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld
+heeft.--Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine
+stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben.
+Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op
+de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij
+geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar
+hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn
+lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar
+de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik
+hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en
+'s avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.--De menschen van
+het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat
+ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik
+toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen
+alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze
+daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij
+verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat
+het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen
+dat het zelfs beter is als hier.--Den baron en de baronnesse zijn dan
+nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed
+voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en
+gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest
+komen bezoeken.--Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens
+met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks,
+zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar
+zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En
+al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van
+versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de
+barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten!
+Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft
+mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe
+zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.--Past maar op dat
+ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende;
+maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te
+gebruiken.
+
+Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan
+meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet
+mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en
+het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en
+gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en
+eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat
+is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn
+retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om
+het toch niet te verliezen.
+
+In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor altijd
+
+uwen verkleefden man
+
+ALFONS.
+
+Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er nog niet?"
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVI.
+
+
+Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een
+inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij
+antwoordde:
+
+
+"Beminde Alfons,
+
+Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn
+gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot
+verdriet doen.--Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog
+altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester
+Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij
+heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen
+lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in
+stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van
+nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn
+pensioen te spreken.--Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier
+alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel
+schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is
+ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone
+witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie
+is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de
+merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle
+vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar
+zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het
+Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij
+zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de
+kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader
+is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat
+het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en
+het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste
+doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik
+het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas
+mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag
+en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten
+zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal
+ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet
+haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele
+gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer
+lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud.
+
+Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het
+hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.
+
+Voor altijd uwe verkleefde vrouw
+
+ROSALIE."
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVII.
+
+
+Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij
+behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd
+even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan
+wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en
+zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo
+schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen
+gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de
+straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt
+allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen
+en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit
+gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters
+hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel
+nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw
+genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die
+schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de
+wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van
+automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een
+onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.
+
+"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en
+zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten
+meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind:
+dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij
+eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den
+baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen
+waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen
+grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre
+op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute,
+maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch
+hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik
+vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel
+kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten
+saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat
+zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man
+hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch
+vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig
+volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde
+vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit
+ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar
+triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt
+ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar
+ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en
+spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft
+blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is
+nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap.
+Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik
+tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat
+zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij
+meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er
+gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd
+dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan
+haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje
+pasiensie moet hebben.
+
+Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij
+dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen
+komen.
+
+Uwen verkleefden man met het hart,
+
+ALFONS.
+
+"Dezen brief moogt gij aan den meester hoegenaamd niet laten lezen om
+dies wille wat er in staat over den baron met die twee vrouwspersonen in
+zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig en hij zou er in het
+dorp gaan kunnen over babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen
+doen, en aan de knechten en het meissen moogt gij hem ook niet
+voorlezen."
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVIII.
+
+
+Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij
+ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem
+lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den
+baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en
+somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou
+en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo
+een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om
+zou zien. En toch!...
+
+Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn!
+
+Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het
+boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel
+mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer
+den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had,
+dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van
+den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad
+gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op
+schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel
+bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een
+oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en
+watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen
+bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve
+veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige
+dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam
+er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat
+dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met
+enkele maanden te laat op de wereld te komen.
+
+Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was,
+sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij
+zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet
+in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep
+wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel
+openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, èn Smul, èn
+'t Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij
+niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit
+beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wèl als ongeluk en
+tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal
+zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't
+onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook
+niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en
+deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n
+schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't
+wàs nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij
+al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend
+noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde
+zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om
+hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den
+arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch
+van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar
+kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of
+stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en
+Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel
+niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam
+onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel,
+het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er
+in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte
+wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette,
+zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIX.
+
+
+Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke
+antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles
+best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge
+barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods
+met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn
+gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt;
+hij mòcht nog niet terugkomen; hij mòcht niet plotseling, zonder
+overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon
+doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den
+vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een
+ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje,
+waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar
+macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast
+scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was
+blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed
+uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke
+koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch
+om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje
+van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden
+komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind
+vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n dépèche?...
+veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het
+jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe
+van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de
+oogen schemerend:
+
+
+"Ik kom van avond terug.
+
+ALFONS."
+
+
+
+
+XXX.
+
+
+Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn!
+
+Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij
+had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem
+verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde
+ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij
+naar hem verlangd had. Nu ... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam
+terug en dat geluk overtrof en vergoedde àlles; nu zou ze niet geduld
+hebben dat hij nog maar één dag, nog maar één uurtje langer weg bleef.
+Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen
+was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in
+huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't
+boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de
+schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar
+uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend
+weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste
+in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen:
+"Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!"
+
+Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij
+langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar
+onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.--Wat mocht er wel
+gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in
+den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan
+eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom
+was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos
+op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog
+langer daar te houden?--Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst
+opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn.
+
+Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te
+vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met
+zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee
+te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het
+rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van
+haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar
+ouders zou gaan waarschuwen.
+
+Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het
+was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen
+minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar
+buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en
+stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te
+luisteren.--Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar
+kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm
+en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler,
+heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige
+duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen
+weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans
+knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het
+zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen
+van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek
+gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche,
+schorre angststem:
+
+"Es hij doar?"
+
+"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap.
+
+"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken
+naast het rijtuig meehollend.
+
+Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde
+haar als met doodschen angst.
+
+"Hoe es 't, Alfons? hoe es't?" herhaalde zij, haast schreiend.
+
+De sjees had vóór den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch
+eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap:
+
+"Azeu ... stillekes."
+
+"Och Hiere toch!" kreet zij.
+
+Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis,
+het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed
+was.--Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de
+zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den
+breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die
+schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar
+angst ten top. Zij snikte.--Vaprijsken haalde den koffer van onder de
+voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap
+zijn hand uit.
+
+"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen.
+
+En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde
+eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei:
+
+"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait."
+
+"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste."
+
+Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met
+'t Geluw Meuleken naar binnen.
+
+"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij.
+
+"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend.
+
+"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n hè ou nog nie
+gezien, 'k 'n hè ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig.
+
+Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke
+schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam
+kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als
+ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten
+leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk
+glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen
+woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat
+daar vóór haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar
+onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de
+inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het
+Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den
+drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween.
+
+"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht
+van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande.
+
+"O, goed, alles heel héél goed," haastte zij zich te antwoorden; "de
+stal, de kinders, 't veuleken, alles heel héél goed."
+
+Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd,
+vóór zich uit.
+
+"'K 'n kòst het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kòst nie mier, 'k zoe
+d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij.
+
+"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge
+tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.--"Wilt-e nou al gauw iets
+eten?" riep ze eensklaps levendig.
+
+Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.
+
+"'K 'n kòst nie mier, 'k 'n kòst nie mier! 't Was alles goed, moar 'k
+moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre ...
+'t es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie
+helpen ... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn."
+
+Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart.
+Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te
+laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was
+hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen
+praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu
+eten of drinken wilde.
+
+"'K 'n hé gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij.
+
+Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te
+warmen.
+
+"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte
+hij, streelend haar hand nemend.
+
+"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd.
+
+Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een
+schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes
+weer opleefden.
+
+"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij.
+
+"'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken?
+'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe
+weer es goa 'k ne kier tot in de stal."
+
+"'t Es tòch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge
+meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van."
+
+"Sloa ze?" vroeg hij.
+
+"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken
+'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie
+altijd bij goan."
+
+Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte
+even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste.
+
+"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd.
+
+"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K
+ben zeu moe; 'k kome van zeu verre."
+
+Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling:
+
+"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?"
+
+Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een
+schuldige, met rood zich kleurden.
+
+"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.--En
+plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd,
+kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende
+tranen uit.
+
+"Ach Hiere! moet er dà nou euk nog bij komen," klaagde hij.
+
+Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij
+kropte met geweld haar tranen op en volgde hem.
+
+"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog,
+hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend.
+
+Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren
+klik, en keerde zich toen om.
+
+Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde.
+
+Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXI.
+
+
+Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....
+
+De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen
+hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde
+naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in
+haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de
+doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of
+sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.
+
+Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen,
+zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te
+staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren
+en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de
+groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar,
+gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets
+van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur
+en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds
+terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de
+breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die
+af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken
+middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje
+vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.
+
+Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even
+op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag
+van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om
+de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier
+witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het
+bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar
+stond het vóór zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne
+hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn
+recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille
+verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte
+bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte,
+in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje
+hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde
+bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter:
+zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden
+staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een
+geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg
+en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de
+borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn
+kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste
+jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....
+
+Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder
+schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.
+
+"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide
+Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch
+onverbiddelijk wist.
+
+Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en
+vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.
+
+Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.
+
+"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie
+'n zilt hirtreiwen."
+
+"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.
+
+"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.
+
+"Dà beloof ik ou zeker! dà zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e
+toch aan zulk 'ngedachten?"
+
+Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.
+
+"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij
+eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen
+en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle,
+gele wangen, in zijn zwarten baard....
+
+Heel zacht kwam eindelijk het laatste....
+
+Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad:
+Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader,
+oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een
+"suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had
+gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't
+raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het
+zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en
+één gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat
+hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op
+zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om
+'t kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer
+binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd.
+Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen,
+vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze
+staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij
+ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar
+plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en
+stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van
+angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem
+en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de
+volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nòg dieper over
+hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna
+onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht
+neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als
+de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even
+zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het
+eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het
+was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de
+onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van
+onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene
+kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist
+het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek
+zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet
+bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was;
+'t was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging
+rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze
+schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het
+Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur,
+klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden
+kleivloer.
+
+De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere
+gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar
+hem informeeren kwam.
+
+"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een
+droom.
+
+Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel,
+aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken
+in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:
+
+"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!"
+
+"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.
+
+"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.
+
+Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen vóór de
+oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos
+lang....
+
+In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje.
+Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker
+op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig
+klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag
+op den harden kleivloer.
+
+Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren
+lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend
+bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.
+
+De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook
+Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de
+begrafenis te regelen.
+
+Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets
+merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen
+zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge
+koorts te bed lag.
+
+De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels
+stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het
+erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was
+stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje
+kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het
+Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En
+iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....
+
+Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee
+paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos vóór
+den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als
+naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag:
+"Bezinne, es 't mee ouën dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen
+moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks
+hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht.
+Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes
+teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders,
+dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even
+buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en
+keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis
+de kinderen bezig.
+
+Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een
+stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts
+en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich
+op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige
+stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de
+wagen van het erf.
+
+Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag.
+Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als
+'t ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en
+weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere,
+op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den
+zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten
+gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende
+kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken
+en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield
+de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen
+handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen
+wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote
+uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin
+het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer
+zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald
+geroep....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXII.
+
+
+Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone
+leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou
+nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.
+
+De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van
+achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar
+voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte
+kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het
+vuur, en vroeg haar:
+
+"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoên
+we doar eirdappels planten of zoên we 'r suikerijen zoaien?"
+
+Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar
+plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.--Ach! hoe kon
+ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar
+immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar
+betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als
+onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel:
+
+"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?"
+
+"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de
+suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houên altijd
+uldere prijs."
+
+"Hawèl, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij.
+
+"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoên we nou ne kier
+probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoên w' hem nog 'n joar
+loate liggen lijk of hij es?"
+
+Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en
+twijfel.
+
+"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal.
+
+"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "Whèn nog al wa heui
+over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar
+vervalschten kucht."
+
+"Hawèl joa, we zillen nog 'n joarke wachten."
+
+Hij knikte met het hoofd en was weg.
+
+Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der
+boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had
+er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem
+overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La,
+een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide
+knechts even vóór 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te
+rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol
+tranen:
+
+"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twieë goe zil blijven
+helpen. Ik 'n hè natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k hè road en
+hulpe neudig.--'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder
+eigen woare."
+
+Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog.
+
+"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hèn,"
+zei hij met een stem die trilde.
+
+Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch
+euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken.
+
+Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af,
+en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn
+gewoonte was:
+
+"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen.
+Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!"
+
+Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als
+boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar
+verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde
+en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er
+was een oogenblik volkomen stilte.
+
+"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar
+en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend.
+
+Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor.
+
+"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch
+moar knechten alle twieë."
+
+Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken
+was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het
+ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee!
+
+Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite
+Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet
+verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat
+hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit.
+Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden
+wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXIII.
+
+
+Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste boer en baas der hoeve.
+In het begin nog raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich toch
+altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze formaliteit al spoedig
+overbodig en beredderde weldra alles zonder vragen naar zijn eigen wil.
+Hij besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid, geplant zou worden;
+waar, wanneer en hoeveel noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe,
+hoelang en voor welk loon zij zouden werken. Eerst vroeg hij nog een
+tijdlang Rozeke's instemming en goedkeuring voor wat inkoopen en
+verkoopen betrof; maar ook daarin handelde hij weldra naar zijn eigen,
+exclusief goeddunken, kocht en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan
+Rozeke het geld der ingeslagen of geleverde waren.
+
+Het duurde niet lang of koopers en leveranciers onderhandelden
+uitsluitend en rechtstreeks met hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant,
+de zadenhandelaar boden hèm hunne producten aan; de veekooper, de
+aardappelkooper debatteerden met hèm over de prijzen van het vee, van 't
+graan en van de aardappels.
+
+Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre te buiten ging, maar
+zij had nu eenmaal, door de omstandigheden gedwongen, de macht uit haar
+handen gegeven en zag geen kans die nog terug te krijgen. Het was fataal
+zoo gekomen, het had niet anders gekund; dat was het onvermijdelijk
+gevolg der groote ramp die haar geluk geknakt had.--Doch anders kon zij
+over hem niet klagen en de heerschappij was wel aan hem besteed. Hij
+verdiende ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en flink, den
+ganschen dag door; hij werkte eigenlijk voor haar en voor haar kinderen,
+als gold het zijn persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een
+zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons' langdurige ziekte wel
+eens bedreigde materieele voorspoed en welvaart weer op het boerderijtje
+komen.
+
+Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook groeiende nijd en
+nauwelijks bedekte schimperij en vijandschap. Men spotte met zijn
+heerschappij en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten.
+Vaprijsken noemde hem achterrug "menier den boas", en 's zondags,
+wanneer hij halfdronken in de herbergen van 't dorp liep, vertelde hij
+aan al wie 't hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op te
+zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend zoodra hij uit Smul's
+tegenwoordigheid was en voorspelde dat men weldra rare dingen zou
+bijwonen.--Ook het Geluw Meuleken was dadelijk, na Smul's bazig
+optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar geworden. Zij keek Smul niet
+meer aan, wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij vreesde 't
+ergste van hun gescharrel en voelde zich, minder dan ooit, bij machte
+het tegen te gaan; maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was 't
+Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals Vaprijsken raasde en
+lasterde zij achter den rug om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't
+dorp. Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke geruchten kwam
+Rozeke's ouders iets ter oore; en op een zondagmiddag verscheen moeder
+op de boerderij.
+
+Rozeke hoefde haar slechts van verre over het erf te zien aankomen, om
+dadelijk te merken dat er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw
+zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende heupen, als een vette
+modder-eend; haar gezicht was blakend rood en haar tandelooze mond hing
+open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze binnen en had zich
+overtuigd dat Rozeke met haar kinderen alleen was, of ze hijgde en
+stotterde 't er opgewonden uit:
+
+"Roze!... è è es da woar wat da 'k doar heure zeggen hè ... dat-e gij
+mee ouë peirdeknecht goat hirtreiwen as ouën tijd om es?"
+
+"Wa ... wa zegt-e doar, moeder!" riep Rozeke verschrikt.
+
+Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar adem op een stoel
+gezakt, moest eerst even op verhaal komen. Haar fletse blauwe oogen
+keken rond en boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen over
+haar vette, roode kwabbe-wangen.
+
+"O ... o ... of 't woar es da ge mee ouë peirdeknecht goat hertreiwen as
+ouën tijd om es?" herhaalde zij eindelijk, met een stem die klapte als
+een zweep.
+
+Een vloed van emotie kwam plotseling van uit de diepte van Rozeke's hart
+naar haar gelaat opgestormd. Het hokte in haar keel en vulde met tranen
+haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige belofte bij zijn
+sterfbed; en dat zij die belofte schenden zou, o, het stond zóó verre
+van haar af, dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos of
+verontwaardigd over moeders harde woorden werd. Zij zuchtte zwaar en
+hikte zenuwachtig, doch zij wist zich te beheerschen; en in plaats van
+de vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt, met kalme, bijna
+toonlooze stem:
+
+"Wie zegt da, moeder?"
+
+"Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r wor van nie anders
+gesproken. 't Es 'n schande!" hijgde de opgewonden vrouw.
+
+Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich gesard en ook eindelijk
+kwaad worden. Haar oogen schitterden en een heete kleur kwam over haar
+ingevallen wangen
+
+"Hawèl, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan veur mijn poart dat 't
+leugens zijn!" riep zij eensklaps nijdig en bits.
+
+De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend het hoofd. En zij begon
+scherp uit te varen tegen Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen
+Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons' dood, op 't hoevetje
+gebeurde.--"'t Es 'n schande! herhaalde zij voortdurend, "'t schijnt dat
+'t al aan d'euren van de páster es gekomen, en as er den b'ron of
+mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!"
+
+"Joa moar wàtte, moeder? Wa ès er 'n schande? wa ès er gebeurd?" riep
+Rozeke hoe langer hoe bitsiger wordend.
+
+"Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar geboaren?" gilde de dikke
+vrouw. "Weet-e gij meschien nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne
+kleinen krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!"
+
+Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen van 't Geluw Meuleken was
+haar al een heelen tijd verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van
+aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog.
+
+"Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert verscheide weken noar
+mallekoar nie mier omme!" riep zij angstig en verbaasd.
+
+"Hawèl joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen es!" hijgde moeder
+van Dalen. "Van as Smul ondervonden hèt dat de pap verbrand was, hèt hij
+heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn zinnen op ou
+gesteld hèt! En 't Geluw Meuleken, die doarom kwoad geworden es, goa nou
+heul den boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes es, euk!"
+
+"Wà leupen z' al vertellen?" vroeg Rozeke.
+
+"Wèl!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie onneuzel geboaren! Ge
+keun wel peizen, e-woar, wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n
+schande!"
+
+'t Was als een openbaringslicht dat plotseling voor Rozeke opging. Zij
+voelde, met afschuw en schrik, het gansche laag gebabbel en geknoei dat
+buiten haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster zij weerloos
+was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging en woede, eensklaps
+vast besloten er korte metten mee te maken.
+
+"'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal wete; d'er zal hier
+gauwe goan veranderijnge komen," zei ze beslist; en als in krachtdadig
+besluit kneep ze strak haar lippen op elkaar.
+
+Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging moeder eindelijk weg,
+en kort daarop kwam 't Geluw Meuleken van 't dorp terug.
+
+Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel af te nemen.
+
+"Es da woar, Meuleken," vroeg zij bruusk af, met bleeke, bevende lippen,
+"es da woar dat-e gij moet ne kleinen hên van Smul?"
+
+Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje te gaan
+verkleeden, bleef als versteend staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke
+omgekeerd, den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En vóór ze zelfs
+een enkelen klank tot antwoord had geuit, zag en begreep Rozeke
+eensklaps alles: haar betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de
+angstig-verwilderde uitdrukking van haar oogen, het reeds zwaar-wordend
+figuur; alles wat zij in haar diepe droefheid van de laatste tijden niet
+gemerkt had, trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht en zij
+raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw Meuleken, zuchtend en
+schreiend, de waarheid ook niet poogde te verbergen:
+
+"'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in ploatse van mij t'
+helpen in al mijn verdriet!--'K ha d'r al lank wa van in de goaten, moar
+'k miende dat 't gedoan was!--Joa moar azeu 'n keunt g' hier nie
+blijven, zille! Treiwen of hier wig!"
+
+Het Geluw Meuleken hikte en snikte:
+
+"Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij hè mij bedrogen en nou loat hij
+mij leupen. Hij durf zelf zeggen dat 't van hem nie 'n es, de
+sloeber!--Moar 't 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!"
+
+Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg en opstand:
+
+"Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?"
+
+"Iederien, bezinne, iederien."
+
+"Hij euk?"
+
+"'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't dorp zegt het; en
+Vaprijsken zegt het euk, iederen zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't
+heuren wilt!"
+
+"Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk gien goeje, want g'
+het er euk van gebabbeld, ik weet het!"
+
+"'t Es gelijk, bezinne; ik 'n hè 't nie iest gezeid; Vaprijs hèt 't iest
+gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste mee. O! die sloeber, die
+sloeber!"
+
+Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk, en Rozeke, ellendig doch
+meelijdend, voelde langzamerhand haar eigen toorn in machtelooze wanhoop
+verzinken. Doch zulk een toestand kon ze niettemin in geen geval op haar
+boerderij dulden, en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo
+mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken over te halen.
+
+Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en wachtte op de komst
+van Smul. Zij hoorde weldra een geluid van voetstappen in de duisternis
+over het erf en opende met kloppend hart de voordeur.
+
+"Ivo, zij-je 't gij?" riep ze.
+
+Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al haar krachten in om sterk
+en kalm te blijven en haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden
+gepijnigd saâmgefronst, haar tanden beten zenuwachtig op haar onderlip
+en zij voelde zich in 't donker op den drempel een vurige kleur krijgen.
+
+"Joa ik, bezinne," klonk Smul's ruwe stem in de duisternis.
+
+"Wilt g' hier ne kier komen?"
+
+Hij was reeds bij de deur van den paardenstal om te gaan slapen. Hij
+keerde zich om en kwam sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het
+woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte trapsgewijs uit
+het donkere te voorschijn komen.
+
+"'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo."
+
+Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar binnen en sloot de deur.
+
+Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime, lage, zwartgebalkte
+keuken, zij vreeselijk ontsteld en niet wetend hoe te beginnen, hij
+nurksch en norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge
+streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke kaken, zijn koude,
+grijsblauwe oogen strak op haar gevestigd, onder de klep van zijn zware,
+ietwat scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder kap stond
+ongezellig lichtend op een laag groen tafeltje; in 't haardvuur
+versmeulden de laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte, lomp
+en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem te zeggen had.
+
+"Ivo," begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven kijken en met een
+stem waaraan zij weer vruchteloos poogde kracht en vastheid te geven,
+"Ivo, 't Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind van ou moe
+krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt treiwen."
+
+Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend, één enkele
+seconde. Maar, voor zijn harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk
+háár blik weer neer.
+
+"Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n hè doar gien affeirens mee,"
+klonk kort en ruw zijn afdoend antwoord.
+
+"Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es; en às 't azeu es zoe
+je 'r toch wel meugen mee treiwen," drong zij zonder overtuigingskracht
+aan.
+
+"Bezinne," antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend, "die zijn gat
+verbrandt moe op de bloaze zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet
+'n wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het van mij zijn, moar 't
+kan euk van Vaprijs zijn en meschien nog van ne heulen boel andere. Ik
+'n trek het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn botten aan."
+
+"Joa moar, Ivo, op die manier 'n kan ik ulder toch op mijn hof nie
+houên!" riep zij eensklaps heftig, met hooge kleur, over zijn
+hondschheid verontwaardigd.--"Wa zoên de meinschen wel zeggen? En wa
+zoên de giestelijke zeggen? Wa zoên den baron en de baronesse zeggen? Ze
+zoên mij doen verhuizen!"
+
+"'t Es het goed, bezinne, as ge 't op die manier opneemt zal ik
+wiggoan," zei hij kortaf. En hij week al vast naar de deur.
+
+Zij schrikte. Weggaan! Dat kon niet, vooral niet op dit oogenblik, met
+de aanstaande volle drukte van den veldarbeid. Dat was een halve ruïne,
+voor haar en voor haar kinderen. En zij voelde zich plotseling laf
+worden; zij voelde, dat niet de misdadiger, maar wel het ongelukkig
+slachtoffer, het Geluw Meuleken, moest opgeofferd worden. Zij stond met
+hooge kleur te beven en wist niet meer wat te zeggen; tranen kwamen in
+haar neergeslagen oogen en zenuwachtig beefden hare lippen. Wanhopig
+keek zij om zich heen, als zocht zij naar een hulp en steun welke niet
+meer te vinden was, als zocht zij nog naar hem die haar door den dood
+zoo onmeedoogend was ontnomen. Maar zij had niets meer, zij stond zoo
+ellendig alleen en zoo zwak op de wereld; en laf ontsnapte 't aan haar
+bibberende lippen:
+
+"Gij of zij, d'r moet toch ien van de twee wig; azeu 'n kan 't nie
+blijven.--En zij moe in alle geval...."
+
+Eensklaps vloog de zolderdeur open en 't Geluw Meuleken, die staan
+luisteren had, kwam in de keuken gesprongen, woest, razend, huilend, met
+fonkelende oogen schreeuwend en scheldend:
+
+"Gie sloeber! gie valschoard! Watte! ge durf zeggen dat 't van ou nie 'n
+es! En gij euk, bezinne, gij zij euk 'n slechte, 'n slechte! Ge span mee
+hem te goare! 't Es 'n schande! Ge zij sloebers, valschoards alle twieë!
+Ulder hof es verdomd, verdomd! Hij es nen brigand, ne meurdenoare! Hij
+hé mij compleet vermeurd en hij zal ou euk vermeurden, en 't zal wel
+besteed zijn! 'K zoe nog liever veur mijn kind goan scheuien as hier nog
+ne menuut langer op ulder slecht hof te blijven!"
+
+Woedend vloog zij naar de voordeur en eer zij den tijd hadden een woord
+te spreken of haar met geweld tegen te houden was ze buiten en weg, den
+boomgaard af, het hek uit, onder razend geblaf van den waakhond door de
+nachtelijke duisternis naar 't dorp.
+
+Rozeke was huilend van ontsteltenis op een stoel ineengezakt; Smul, even
+stom en roerloos als een bruut, stapte met loggen tred uit het huis en
+ging naar zijn slaapplaats in den stal.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXIV.
+
+
+De jonge baron en zijn vrouw kwamen dat jaar later dan gewoonlijk
+buiten. Zij waren er eerst tegen het einde van Mei en enkele dagen
+daarna kwam de barones Rozeke opzoeken.
+
+Het was een droevig bezoek, een gansch her-opleven van al al de zware,
+nog maar pas geleden smart. Rozeke begon dadelijk hopeloos te schreien
+zoodra zij de barones zag en lang spraken zij nog over den doode. De
+barones vertelde haar nog eens hoe zij 't onmogelijke had gedaan om hem
+langer in 't zuiden te houden en hoe het was mislukt, omdat hij er niet
+wennen kon en aldoor, altijd maar naar huis verlangde. Hij was ook reeds
+tè ziek toen hij vertrokken was; hij kòn niet meer genezen. 't Was
+erfelijk geweest bij hem, zij wist het van den dokter: zijn vader en
+zijn broeder waren ook beiden jong aan tering gestorven.
+
+Rozeke stilde eindelijk haar overstelpende, te lang verkropte tranen en
+toen viel het haar plotseling op dat ook haar voorname vriendin er zoo
+bedrukt uitzag. Een ongewone plooi van kommervollen ernst lag over haar
+verbleekt gelaat en haar mooie oogen hadden iets vaag-peinzends, iets
+afwezigs en verstrooids in hun uitdrukking, alsof zij voortdurend met
+hare gedachten elders was. Rozeke vroeg hoe 't ging met haar kindje en
+haar man.
+
+"Goed: nog al goed," antwoordde zij met stille, matte stem, terwijl een
+lichte kleur over haar bleeke wangen kwam.
+
+"Es menier den baron euk op 't kastiel?" vroeg nog Rozeke.
+
+"Neen, nog niet, maar hij komt nu weldra," antwoordde zij. Haar
+wenkbrauwen trokken zich zenuwachtig samen en ietwat hooger kleurend
+wendde zij het hoofd om en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
+
+Rozeke durfde niet verder meer vragen; maar plotseling herinnerde zij
+zich de mededeeling uit een van Alfons' laatste brieven; de zonderlinge
+ontmoeting van den baron met die twee rare vrouwen in zijn automobiel,
+en even bekroop haar de angst dat hun huwelijk er ongelukkig door
+geworden was. Doch zij joeg die akelige gedachte verre van haar weg.
+"Hoe zou het mogelijk zijn, dacht zij, dat een man die zulk een schoone,
+goede, liefhebbende vrouw bezit, nog ooit naar andere en dan nog wel
+naar zulke slechte vrouwen om zou zien."
+
+En toch,... zij vreesde.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXV.
+
+
+Na de heftige scene met het Geluw Meuleken was de toestand op de
+boerderij gedurende enkele dagen hoogst gespannen geweest. Smul liep
+sprakeloos en somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was aan
+den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan en in haar radeloosheid
+had Rozeke haar ouders te hulp geroepen.
+
+Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde dat zij heel den boel
+ineens opruimde, dat zij, niet alleen het Geluw Meuleken, die nu
+trouwens bij haar moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral
+Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette. Doch vader van Dalen en
+Rozeke's broeders, veel kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en
+beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had mooi praten, omdat zij
+zelve niet voor 't geval stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens
+twee nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den ophanden zijnden
+oogst, nergens zelfs meer noodhulp was te krijgen? Zoo'n vaart had het
+dan ook niet genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar al te
+radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken was tot reden en bedaren
+gebracht en Smul werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder ten
+slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken, een van verre; een "uit
+den bosschen", zei moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en
+geknoei der laatste tijden zou te maken hebben. Op een ochtend kwam het
+meisje, vergezeld van moeder, op de hoeve aan; en 't leek een
+vriendelijk, ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met héél lichtblauwe,
+bijna witte, kleine oogjes en een rond, zachtwangig, door de zon
+gebruind gezicht, vol bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op
+elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken. Die overvloedige
+sproetjes en die heele lichte oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en
+dat stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van wege geknoei met
+de knechts. Zij heette Meleken.
+
+En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig, alledaagsche leven
+zijn gewonen gang.
+
+De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg en nu was men overal aan
+'t pikken van de rogge. Van alle kanten klonk het sissen van de
+scherp-geslepen sikkels in het ruischend-neerzijgende koren; en weldra
+stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet met ontelbare, als levende
+gestalten in elkaar gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het
+waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte en goud-gerokte
+vrouwtjes op het kaal-geschoren stoppelland; als stille processies van
+duizenden en duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig dorpje
+met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig gaande, in
+geheimzinnige vroomheid, tusschen de paars-bloeiende klavervelden en de
+heldergroene weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van landelijke
+heerlijkheid en weelde. Tot één groote rythmus-hymne van vruchtbaren
+arbeid versmolten alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor
+grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer; en ook op Rozeke's hoeve
+was 't nu ingespannen werken, van den vroegen ochtend tot den laten
+avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den plicht van den
+ernstigen land-arbeider in oogsttijd; en Smul, zoowel als Vaprijsken en
+de andere, gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den dag in
+zonnegloed op 't heete veld, midden in de zware garven die op den
+blonden stoppelakker vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld.
+Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld aan.
+
+"Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken, nog 'n koartierken binst
+da we 't scheun weer hèn, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche,"
+porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen dag op de gebogen
+ruggen had gebrand, reeds lang in haar apotheose-luchtkasteelen van
+roode en gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden
+horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten man bleef hij gebukt en
+zweetend sikkelen, soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't
+uiterst hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren van vuur en
+bloed scheen neer te maaien. En lang reeds zaten de anderen etend om de
+avondtafel, als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook
+eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe begon te slurpen.
+
+En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor
+zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik
+steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen,
+door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding,
+in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren;
+en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede,
+gruwelijke scène in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht
+opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook
+maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen
+sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het
+Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel
+of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat
+hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in
+de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij
+haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch
+deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar
+onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs
+niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof
+hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde,
+barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen
+had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra
+alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk.
+
+En toch... toch was ze zoo bang!--Telkens had ze 't akelig voorgevoel
+dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en
+barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets
+vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts
+met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou
+wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste
+aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets
+zijn... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan
+plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren.
+
+Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu
+hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeër leek dan vroeger. Hij zag er
+slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken
+uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat
+en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van
+zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen,
+voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets
+willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar
+wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde
+hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel?
+Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?"
+Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het
+kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar
+ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem
+angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde
+eindelijk los zou barsten.
+
+Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn
+pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had
+verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en
+Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte
+Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer
+verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die
+doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even
+door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij
+ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't
+werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien
+zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis
+was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering
+hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader
+en moeder en Miel thuis bleven wachten.
+
+Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde
+houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar
+gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht,
+doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen,
+donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande
+hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch
+ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het
+helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende
+ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten.
+
+Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een
+bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De
+kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de
+beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had
+last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit
+zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn
+morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote,
+stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij
+voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en
+zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag
+leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder
+schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend
+armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn
+nestje zal gaan vliegen.
+
+Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde
+teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit
+de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij
+'t toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op
+het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde,
+de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een
+droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms
+zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo
+kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of
+van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in
+haar op.--Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie
+hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.--Daar
+zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu
+doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen
+dat niemand van haar thuis nu nog zou komen....
+
+Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de
+openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna
+hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van
+blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een
+lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de
+onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken
+en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje
+wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals
+uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie
+schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af.
+Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje
+zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.--Smul liep langzaam
+slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek.
+
+Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend
+naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht:
+"hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit
+'t dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een
+groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide
+stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed:
+
+"Scheun weer, hè?"
+
+"'t Es pertijkelier!"
+
+Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar
+vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en
+vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen,
+daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er
+hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme
+avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje
+buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen
+zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis
+toetreden.
+
+Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar
+twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers
+elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij
+zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig
+weer weggaan.
+
+Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt.
+
+"'t Es woarm, hè, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze,
+ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van
+emotie krijgend.
+
+"Merci, 'k 'n hè gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet,"
+antwoordde hij kortaf.
+
+Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en
+betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en
+dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking.
+
+"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend.
+
+Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel,
+vlak vóór haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het
+tafeltje en keek haar strak en vorschend aan.
+
+"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n
+kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?"
+
+Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het
+zoolang gevreesde komen.
+
+"Woa... woarom datte?" beefde en stotterde zij.
+
+"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij
+met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend
+is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn
+gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht
+terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas of
+knecht."
+
+Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden.
+
+"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust
+van wat ze zei.
+
+"'K ben knècht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier
+giene knecht mier blijven. 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij
+hirtreiwen, of ik hier wig."
+
+Daar was het groote woord gezegd, dat wat ze bovenal vreesde. Het stond
+ineens vóór haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er
+van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een
+kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een
+sterk besluit:
+
+"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet ...
+Alfons ... mijn kinderen ... o nie nie, noeit, noeit!"
+
+Als door een veer bewogen stond hij op.
+
+"Al gezeid.--Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien
+doagen."
+
+En vóór ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit.
+
+Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het
+raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en
+vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp.
+
+"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van
+ontroering.
+
+Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken vóór haar voeten steeds te
+knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag
+Marietje in haar wieg te jubelen....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXVI.
+
+
+Smul had zijn dienst opgezeid!--Dat was het groote, dadelijk alom in de
+buurt verspreide nieuws van den volgenden ochtend. De pikkers en
+bindsters op den akker spraken elkander met verbazing aan; Meleken, die
+om acht uur met de boterhammen en de koffie op den akker kwam, werd
+dringend ondervraagd en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder er
+eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken juichte onverholen,
+met glinsterende oogen lachend in zijn gelen baard, als voor een heel
+goede, blijde tijding.
+
+Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken. Zij durfden niet,
+ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid die op de tongen kittelde.
+De kerel zag er ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij zag er
+naar uit om bij de minste toespeling geduchte klappen uit te deelen. Hij
+was de afgemaaide droge roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij
+met paard en wagen om den hoek van 't stoppelland verscheen, hielden de
+drukke gesprekken plotseling op en werd de vracht in doodsche stilte
+opgeladen. Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw zweepend op zijn
+beest, of dadelijk begon het weer: zij staken de hoofden samen,
+babbelden en lachten en maakten eindelooze onderstellingen over de
+oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou gebeuren.
+
+"Hij hè hem 'n bleiwe scheene geleupen!" beweerde de een.
+
+"Z' hè hem zelve wiggezonden!" meende een tweede.
+
+"Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!" veronderstelde een
+derde.
+
+Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan dat Smul wel degelijk
+een blauwtje had geloopen; en elk oogenblik haalde hij in zijn
+uitgelaten, wraaklustige pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet
+zijn sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend en jankend
+in 't ronde, de beide handen wrijvend aan zijn scheenbeenen, jammerend
+dat hij ergens tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars en blauw
+zagen. En 't gansche troepje viel daarop luid aan 't schaterlachen, het
+werk stond stil en allen deden om het dolst, tot het daverend geratel
+van Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren en allen, nog
+steeds vol ontzag en vrees voor hem, haastig weer over de schoven en in
+'t neerritselend koren bogen.
+
+Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't Was volop in den oogst
+en na den oogst kwam haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze
+hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder ontboden en haar het
+gebeurde meegedeeld; maar hoe moeder ook over die zoolang door haar
+gewenschte oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel gemakkelijk een
+anderen, goedgeschikten paardenknecht zou vinden, zij vond er juist
+geen. 't Was ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken tijd.
+Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner, goed of slecht, was
+op dat oogenblik meer vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke
+beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen, maar natuurlijk niet
+voor lang, want zij waren nu thuis ook broodnoodig.
+
+En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul
+zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was
+radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken
+naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot
+na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet
+te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij
+wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar
+iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te
+wisselen.
+
+Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met
+zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar
+'t dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten
+even, maar toen hij daar om half-één nog niet was, at Rozeke zonder hem,
+met Meleken en met Vaprijsken.--Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij
+zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon
+geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel
+bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden
+had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week,
+denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en
+er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou
+hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't
+allerdringendste te helpen doen.
+
+Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch
+getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou
+dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die
+er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de
+laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en
+zooals Smul na hem ook had gedaan.
+
+Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de
+concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve
+zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij
+betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af?
+Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo
+zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij,
+het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden
+zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet
+kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die
+nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige
+verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar
+onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en
+rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens
+in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't
+dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in
+den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie
+wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis
+om op de kinderen te letten.
+
+Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok
+meteen de velden in.
+
+Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote,
+vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar
+reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange,
+lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in
+roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun
+miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch
+klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig
+opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun
+rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in
+zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche
+velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers
+uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en
+lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en
+rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden
+avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die
+den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo
+prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo
+verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange
+schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust,
+vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen
+opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al
+die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht
+ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie
+had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt,
+haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om
+ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van
+dichtbij na te gaan.
+
+Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter
+dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den
+ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een
+versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders
+en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig
+naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met
+gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al
+haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte,
+roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar
+verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook
+er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet
+veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij
+was een uitmuntende stalknecht.
+
+Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden
+koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar
+ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een
+moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde
+haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis,
+terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een
+trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke
+boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche,
+dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.
+
+"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste,"
+sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar
+begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een
+ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn
+krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje
+suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in
+een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op
+en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet
+het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog,
+hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat
+tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde
+goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een
+tweede deur in de schuur.
+
+Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en
+de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge,
+stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar
+verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote
+hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als
+een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo
+welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en
+gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde
+bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er,
+in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij
+plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in
+verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de
+weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar
+wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren;
+zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer
+verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en
+schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te
+gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte
+vóór haar oprees.
+
+"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug.
+
+'t Was Smul!--Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats
+te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken,
+alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel vóór
+zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar
+af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem:
+
+"Wat komt-e gij hier doen?"
+
+"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde vóór
+haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed;
+ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te
+zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde
+naar de deur, om weg te komen.--Zij strekte hare handen uit, struikelde
+en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware
+platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met
+een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna
+bijtend op haar lippen perste.
+
+"Ivo! los!--Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon.
+
+Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover,
+in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en
+plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.--'t
+Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen
+kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven....
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+
+Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets
+met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was
+verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo
+vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen
+maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling
+was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad,
+opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het
+vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was
+neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar
+belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de
+baron, alles, àlles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en
+bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en
+dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar
+dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het
+huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle
+intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet,
+om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher,
+die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een
+woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om
+haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos
+slachtoffer in zijn bezit genomen had.
+
+Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar
+voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn
+vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid
+van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het
+alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich
+onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom
+holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele
+buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?--Neen,
+niets.--Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij
+keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk
+weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.
+
+"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K hè hem doar op 't hof zien
+leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste
+moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm: antwoordde:
+
+"Joa, 'k hè hem euk gezien. Hij es zeker zat?"
+
+"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij
+om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?"
+
+Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het
+haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen.
+
+"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd.
+
+"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom
+ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hèn; hij...." Zij beet
+op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje
+aan.
+
+"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?"
+
+"Joa joa, zeker, goa moar."
+
+Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen.
+Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in
+haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning.
+
+"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar
+schoot te klauteren.
+
+Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte
+aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en
+strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen vóór zich uit,
+terwijl zij riep met heesche stem:
+
+"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es
+vuil!"
+
+Het dienstmeisje kwam weer in huis:
+
+"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n
+hèt om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas
+bier wille brijngen."
+
+"Brijng het hem," zei Rozeke.
+
+"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?"
+
+"Joa, 't es goed."
+
+Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het
+roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp
+van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en
+zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het
+eten voor een beest.
+
+"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hèn," kwam Hilairken zaniken.
+
+Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af
+en gaf het aan den bengel.
+
+Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden
+zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de
+hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en
+weer ging ze roerloos-stom vóór 't venster zitten, als op een vreemde
+plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer
+kende.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXVIII.
+
+
+Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't
+boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was
+slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles
+omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het
+nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag
+weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn,
+maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn
+halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde,
+zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te
+vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in
+vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem
+zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de
+onmogelijkheid van zijn vertrek.
+
+En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo
+vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet
+verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle
+kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde,
+iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat
+gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek
+wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon
+geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd
+in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een
+nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen
+en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden.
+
+Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke
+werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want
+zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was
+niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog
+iets gezegd werd, zonder dat nog iets,--zij wist niet wat--gebeurde.
+
+'t Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke
+was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van
+haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek.
+Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan?
+
+De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed.
+Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog
+alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam
+kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe,
+diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst
+sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer
+in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van
+lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en
+worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles,
+o, àlles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht
+geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren
+nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij
+voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij
+hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet,
+zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet
+doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag
+ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar;
+zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange
+sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen
+in elkaar.--Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte....
+
+Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul vóór haar. Met een
+schorren angstkreet sprong zij op:
+
+"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?"
+
+Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel
+even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn
+koude, grijze oogen haar aan.
+
+"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K hè espres gewacht tot da g'
+alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen."
+
+"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de
+beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam
+als tot zelfverdediging gespannen en gestramd.
+
+"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof.
+
+"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen
+houding.
+
+Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij
+grijnslachte; maar eensklaps kalm:
+
+"'t Es goed; betoal mij dan.--'K goa morgen wig."
+
+Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar
+stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij
+bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en
+alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van
+zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest
+verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan.
+Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij
+antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en
+als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de
+kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de
+duisternis van de keuken alleen liet.
+
+Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde
+zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast
+nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar
+eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies
+en in een woeste pranging haar omknelde.
+
+Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en
+kreet dof:
+
+"Zwijgt, of ik vermeurd ou!"
+
+Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in
+een hoek.
+
+Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak....
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+
+Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende
+oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den
+grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde,
+doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer
+lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen
+vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend
+overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de
+kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten
+huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het
+land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen... op
+een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk:
+het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat
+was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was
+de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de
+stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een
+gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het
+rood-oplaaiend vuur?--Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met
+hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel
+familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren
+allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had
+haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het
+hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch,
+Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan
+hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wèl
+gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu
+niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging
+uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende
+aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en
+vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en
+was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er
+veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep
+openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het
+kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken.
+Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog,
+pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven
+was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders
+boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van
+haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang,
+van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van
+walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor
+'t bestaan van hare kinderen!
+
+'t Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis
+bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige
+kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met
+Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling
+en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat
+toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde,
+dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd
+"proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever
+in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het
+alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die
+hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich
+heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den
+misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op
+'t oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts
+of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe
+ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop
+kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar
+hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons'
+sterfbed!
+
+En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de
+herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't
+geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch
+alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar
+haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen
+zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul
+voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd
+gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.
+
+Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel;
+en toen de maaltijd geëindigd was, trok zij weer haar gewone
+dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om,
+terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel
+zaten.
+
+Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege
+schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de
+stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de
+merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard
+heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de
+zijne waren.
+
+Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den
+drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware
+hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en
+wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje,
+dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd
+geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van
+het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons,
+die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte
+had opgedaan.--O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel
+klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het
+naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een
+doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een
+zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij
+huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen
+omwasschen...
+
+De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en
+kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en
+weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.--'t Werd avond, vroege,
+droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.--Nog
+steeds was hij met de mannen uit.--Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den
+drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den
+omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit
+de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den
+langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens
+in een schuur.
+
+Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren
+reeds slapen gegaan....
+
+Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende
+voetstappen en rilde van afkeer en angst.--Hij opende de deur en deed ze
+weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond.
+
+Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos
+uit.--Zij rilde, rilde ... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende
+lucht van tabak en drank die om hem heen walmde.
+
+Toen kwam hij bij haar....
+
+Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede
+huwelijk....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XL.
+
+
+Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring,
+waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger
+jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet
+wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast
+vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk
+aldus voorspeld en geschikt was.
+
+Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig
+opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te
+nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op
+haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en
+verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand
+van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den
+sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld
+noodig had moest ze 't hèm voortaan vragen.
+
+Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als
+bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een
+knecht of meid, met een "hè!" of een "hier!" zooals men tegen een hond
+spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op
+haar.
+
+Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar
+den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de
+keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds
+op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.--Even na
+vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet
+zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en
+slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging
+weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en
+reed weg naar den akker.
+
+Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede
+ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast
+een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins
+goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort
+van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De
+kinderen waren dan op en kwamen hem "goên dag" wenschen, hem "voader"
+noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goên dag"
+terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van
+te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld,
+waar hij tot twaalf uur bleef.
+
+Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de
+gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken,
+bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond
+gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan
+weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed.
+
+'s Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar
+de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk
+en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen
+twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar
+jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand
+een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen.
+Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even
+naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de
+kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef
+drinken en spelen.
+
+Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLI.
+
+
+Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het
+van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn
+ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij
+weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet
+schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf
+en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar
+dien zelfden middag greep een heftige scène plaats en, voor het eerst
+sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem.
+Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige
+knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had
+Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul
+hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en
+daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar
+'t hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide
+mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot
+verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op
+haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke
+sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken
+was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds
+met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie
+zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen
+en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te
+slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.
+
+Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen
+en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen
+hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging
+kort, ruw en vlug, als een weerlicht.
+
+Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en
+daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een
+krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn
+bord met eten tot scherven op den vloer.
+
+--Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend,
+in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging.
+
+Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't
+gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond.
+
+De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel,
+de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een
+reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al
+zijn kracht.
+
+Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt,
+die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar
+doodsbleek gelaat.
+
+"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij
+nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste
+gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en
+sloot de deur achter zich met den grendel.
+
+Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen,
+poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling
+los te worstelen.
+
+"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't
+hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da
+'k heur de kop in sloa!"
+
+Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en
+hijgde, bedarend-kalm:
+
+"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge
+moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!"
+
+Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en
+vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem
+vragen of hij iets anders wilde eten.
+
+"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar
+in 't gezicht.--En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis
+en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om
+nog meer te drinken.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLII.
+
+
+Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling in Rozeke's
+gemoed. Haar vroegere angst voor hem veranderde eensklaps in haat, en
+die haat gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees nog steeds
+verminderde.--Hij had haar nu eenmaal mishandeld en hij zou haar zeker
+nog meer mishandelen, haar en wellicht ook haar kinderen; het was geen
+onbekende dreiging meer, die haar als een voortdurend-onheilspellend
+raadsel boven 't hoofd hing: de slag had haar getroffen als een
+bliksemstraal, maar nu wist zij wat haar verder ook te wachten stond en
+nu kon zij middelen beramen om zich te verdedigen.
+
+Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een beuzelarij, toen hij
+dronken uit het dorp terugkwam. Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel
+en Meleken vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren toestand op
+den grond gesmakt, keek hem met groote, sombere oogen aan en zei geen
+woord noch slaakte een kreet.--Alleen haar oogen, haar starre, sombere
+oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen wilden met de ongezegde woorden
+die zich plotseling in haar brein vastspijkerden: "Ik wenschte dat ge
+dood waart!"
+
+Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar eenige hoop, haar eenige
+troost, de eenige sterke kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte
+en verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen naar iets zachts
+en teeders, dat slechts door heel veel moeite, na langen tijd en groote
+opofferingen kan verdiend en verkregen worden. Het werd haar geloof en
+haar steun, haar vaste zekerheid waarop zij bouwen kon, omdat zij
+instinctmatig voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren; 't
+werd als de stille, door haar alleen gekende lofzang der verlossing; als
+de geheime, in ondertoon gehouden rythme van al de innigste gevoelens en
+verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.--En niet alleen meer als
+hij haar mishandelde, maar voortdurend, zonder dat er iets gebeurde:
+wanneer hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige dingen toesprak;
+wanneer hij zat te eten of te drinken; wanneer hij zelfs eenvoudig in of
+uit het huis ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend
+ruischte dof en somber in haar binnenste de halsstarrige rythme: "Ik
+wenschte dat ge dood waart!"--Zij werd met die gedachte wakker en zij
+sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts dat hij naast haar dood
+lag. Zij werd half wakker in haar droomen, haar hart joeg snel, zij
+voelde zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde en de
+illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood en zij was verlost; zij
+strekte bevend hare hand uit en betastte hem... maar hij bewoog en
+knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde, omdat haar hoop slechts
+een bedriegelijke schijn was en zij hem nog steeds levend voelde.
+
+Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje, ellendig klein
+schepseltje met stokkerige, schrale beentjes en een misvormd hoofd. De
+dokter verborg haar niet dat het erg zwakjes was en slechts met heel
+veel zorg en moeite in het leven zou te houden zijn. Rozeke weende.
+Waarom was het ook maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven?
+
+Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die dagen. Hij liet haar
+maar liggen en zag ook naar zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker
+was aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond Meleken naar haar
+ouders om hen te laten weten dat het kind geboren was en te vragen of ze
+niet eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet komen en Meleken
+bracht de boodschap terug dat niemand van haar huis zich wagen zou.
+"Ware hij maar dood, dan zouden ze wel komen", dacht Rozeke. En zij
+besloot zelve weer naar hen toe te gaan, wat er ook gebeuren mocht,
+zoodra als zij er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar
+nieuwen moed en sterkte.
+
+Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke weer op de been was, kwam
+de jonge barones haar eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar
+tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen haar had te weeg
+gebracht, had Rozeke de lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet
+teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning. Haar
+gezicht was mager en betrokken, haar vroeger zoo frissche, levende
+gelaatskleur had een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden
+mengden zich reeds in de donkere haren. Haar oogen stonden dof en
+ernstig onder gepijnigd-saâmgetrokken wenkbrauwen; zij was geheel in 't
+zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven najaarsmiddag, jaren
+geleden, toen Rozeke haar in 't kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke
+kreeg plotseling in haar geest de sombere visie van een lijk behangen
+met een zwart doodsgewaad en zilveren franjes.--Want zij wist het wel,
+helaas! zooals eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig in haar
+huwelijk en leefde, feitelijk van haar man gescheiden, met haar zoontje
+bij haar ouders op 't kasteel.
+
+De barones keek naar 't ellendig wichtje in de wieg en zuchtte. Toen
+vroeg ze plotseling, met somber-saâmgetrokken wenkbrauwen:
+
+"Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?"
+
+Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed van vuur, over Rozeke's
+ingevallen wangen en met een uitdrukking van schrik in de oogen staarde
+zij haar vriendin strak aan.
+
+"Joa 't," zuchtte zij dof.
+
+De barones had een gebaar van verontwaardiging en opstand.
+
+"De schurk! Waarom laat gij u van hem niet scheiden!" riep zij.
+
+Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet wetend wat
+geantwoord.--Scheiden!--daar had ze niet eens aan gedacht, daar dachten
+menschen van haar stand niet aan.
+
+"Dàt zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem spreken?" riep de
+barones gebiedend opstaande.
+
+Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.--"O, mevreiwe!" kreet
+zij. En zij wilde zeggen: "doe 't niet; hij zal mij doodslaan!"... Doch
+iets sterker dan haar schrik weerhield haar, smoorde de woorden in haar
+keel.
+
+"Hij es op 't land, mevreiwe," zei ze werktuigelijk, met toonlooze stem.
+
+"Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar hier doet komen," beval
+de barones.
+
+Meleken werd naar 't veld gezonden en na een poosje keerde Smul met haar
+terug.
+
+"Loat ons alliene," zei Rozeke tot het meisje.
+
+Meleken ging weg.--Smul stond vóór zijn jonge meesteres, den blik valsch
+en wantrouwend, de pet tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er
+onraad was.
+
+"Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt gij uw vrouw?" vroeg de
+barones, abrupt--hoogmoedig en minachtend, met gefronste wenkbrauwen op
+hem neerziende.
+
+Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden. Hij keek even op naar
+Rozeke, met rechten, starren, kouden blik, een blik die haar deed ijzen;
+en dan ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl zijn lippen
+bewogen als om iets te zeggen dat er maar niet uit wilde.
+
+"Welnu?" drong zij ongeduldig, stampvoetend aan.
+
+"Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huishoûens al wel e-kier wa
+scheelt," antwoordde hij eindelijk, met inspanning.
+
+De jonge barones kon haar toorn en minachting moeielijk bedwingen. Haar
+bovenlip krulde zich even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en
+dreigend:
+
+"Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar in de gevangenis.
+Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw tegen wil en dank genomen, en nu durft
+gij haar nog slaan.--Dit is de eerste en de allerlaatste keer, dat ik u
+waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat gij haar mishandelt zult gij niet
+met haar, maar met mij af te rekenen hebben.--Begrepen? Allez!" En met
+een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond naar de deur.
+
+Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet eens meer aan. Geen spier
+bewoog zich op zijn barsch gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog
+even dien harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed huiveren.
+Hij keerde zich om en stapte naar de deur.
+
+"G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?" riep de barones, hem nog
+eens uit de hoogte na.
+
+Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met geweld sloeg hij de deur
+dicht; en buiten, vóór het raampje, zagen zij hem, als uit minachting,
+naar het huis toe spuwen.
+
+"Voortaan zal hij zich wel in acht nemen," meende de barones.--En zij
+bleef nog een poosje, in gedrukte stemming, met Rozeke praten.
+
+Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam met vluggen, vastberaden pas,
+over den boomgaard aangestapt. Rozeke beefde. "Zou hij nu reeds
+durven...?" Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis en beval het
+meisje dringend met de kinderen bij haar te blijven.
+
+Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend naar Kamiel, die in de
+schuur aan 't dorschen was.
+
+"Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen bij boer Lauwe om
+zijn sjeeze vroagen en brijng ze mee."
+
+"Wa goat hij doen?" vroeg Rozeke zich angstig af.
+
+De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en liep haastig door het
+hek, terwijl Smul naar het woonhuis toe kwam.
+
+"Och Hiere," dacht Rozeke doodsbleek en bevend, nu zal hij mij slaan,
+mij doodslaan." Zij deed Hilairken en Marietje in een hoek achter 't
+tafeltje zitten en klampte haar rechterhand aan de wieg van het
+kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens schort
+vastgreep.
+
+Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan te zien noch een woord te
+spreken, ging hij naar hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk
+de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend stonden de vrouwen
+te beven.
+
+Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was; zij hoorden gerinkel
+van geld.
+
+--Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan? wa goat hij doen?"
+fluisterde zij tot het dienstmeisje.
+
+Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't gissen?
+
+Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw kwam moed en
+weerstandskracht in haar. Zij keek even om naar Hilairken en Marietje,
+die zich doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje hielden,
+vaag-bewust dat gevaar hen dreigde.
+
+Na enkele minuten ging de deur weer open en Smul verliet de kamer, op
+zijn zondagsch gekleed, 't gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar
+nogmaals sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een blik naar haar; in
+een ruk was hij buiten en liep naar de stallen, terwijl Kamiel, als een
+paard tusschen 't lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees door het hek
+kwam.
+
+Hij volgde Smul in den paardenstal en samen haalden zij de merrie eruit
+en spanden in. Ruw trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het
+achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen steigeren; en
+plotseling, zonder eenige reden, begon hij op de merrie te vloeken en te
+schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en wreede oogen van
+verwildering openspalkte.
+
+Met star-sombere blikken van schrik en haat zag Rozeke roerloos door 't
+venster toe. "Het arme beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de
+slagen," dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen in haar oogen en
+haar lippen trilden, terwijl de diepe stem van haar innigste wezen
+verontwaardigd beefde:
+
+--O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da ge deud woart!"
+
+Het paard was aangespannen. Hij wipte in de sjees en onder kletsende
+zweepslagen joeg hij van 't erf, zóó wild, zóó ruw, dat het rijtuig
+tegen een der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde. Als in
+een helsche vlucht zag Rozeke het in den modderweg verdwijnen. Kamiel
+stond het even, als van schrik geslagen, na te staren en keerde
+eindelijk hoofdschuddend in de schuur terug.
+
+De middag verliep, de mistige najaarsavond viel vroeg in en Rozeke zat
+doelloos vóór het venster, met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam,
+verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende kinderen om
+zich heen. Alles was rouw en smart, het leven werd haar onverschillig,
+het was zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid als de
+loodzware hemel, die daar buiten alles drukte en omgrijsde met zijn
+logge rouwfloersen van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't leven?
+Haar teergeliefde man, haar ouders, haar broeders en haar zuster, haar
+beste kennissen en vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen,
+dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en zelfs haar kinderen, het
+eenige wat haar nog aan de wereld deed hechten, verloren hun
+vroolijkheid en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien ruwen,
+vreemden, akeligen man, die alles om zich heen vernielde en dempte. 't
+Was als een vloek die op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat,
+van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam wegkwijnen en
+sterven, in àl te overweldigend-zware onderdrukking van het onmeedoogend
+noodlot.
+
+Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen duisternis zuchtend
+opstond om het avondlampje aan te steken en haar kinderen naar bed te
+brengen, kwam een reusachtige, sombere gedaante, met een woestheid van
+orkaan, als een verschijning in een nachtmerrie, den boomgaard
+opgestormd.
+
+De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend, de flanken jagend, met
+een breede, donkere bloedvlek op de linkerschoft, sleepend, in een
+kluwen van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan stukken
+gesplinterde draagboomen van het lemoen, het eene kort als een afgehakte
+stomp, het andere lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm,
+wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende weerlichten door
+donkere onweerslucht.
+
+Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten.
+
+Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard bij den breidel
+vastgegrepen.
+
+"Bezinne!" schreeuwde hij als uitzinnig, "bezinne! bezinne! d'r es 'n
+ongeluk gebeurd!"
+
+"Och Hiere! och Hiere! och Hiere!" riep Rozeke met doffe kreten. Maar
+zij dacht nauwelijks aan hem, die wellicht ergens dood of stervend met
+'t verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en besefte alleen de
+ramp zooals ze die daar akelig en rauw voor haar oogen zag; 't lemoen
+aan splinters, het arme, doodgejaagde beest bloedend en met schuim
+bedekt, met het onheilspellend geheim van wie weet nog wat al rampen,
+die het op zijn dolle, wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt
+had.
+
+"Hij zal deud zijn, bezinne!" snikte de jongen.
+
+Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps bijna kalm; alleen de
+vrees voor andere ongelukken beangstgde haar.
+
+"Verzorgt die oarme bieste," zei zij met bevende stem. En met Meleken,
+die ook toegesneld was, liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar
+voelde naderen te gemoet.
+
+Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis aangeloopen. Zij hadden
+'t paard met het verbrijzeld stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen,
+hooren, kijken.
+
+Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit de richting van het dorp.
+
+"Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es wried geschonden! Ze
+brijngen hem op 'n berrie!" hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen.
+
+Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere van den killen avond.
+De menschen slaakten een "hóó!" van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef
+koud en kalm.
+
+"'t Is zijn eigen schuld," dacht zij. "Hij heeft het arme beest
+mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld hebben, had hij nog
+gedurfd." En zij bleef met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden
+menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met oogen zonder tranen,
+alsof het haar niet aanging. Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog
+langer in den killen avond stond te wachten en 't prikkelde en verveelde
+haar, dat steeds meer menschen kwamen opdringen, en haar nieuwsgierig
+ondervraagden, en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden
+heen en weer renden. Zij kon het eindelijk niet langer uitstaan en ging
+met Meleken weer binnen.
+
+Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos, zonder de blinden te
+sluiten. Zij zei enkel aan Meleken dat zij water en linnen doeken zou
+klaar maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen, die rumoerig in
+en uit het huis liepen en van al die ongewone drukte niets begrepen. Zij
+riep ze voor goed binnen en bracht ze naar bed.
+
+Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos mee bezig; en toen
+ze reeds rustig onder hun dekentjes lagen, bleef ze nog bij hen in 't
+kamertje vertoeven alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling
+Meleken de deur opende en met heesche stem fluisterde:
+
+"Bezinne, ze zijn d'r doar mee."
+
+Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes van de keuken zag
+zij, in den grauwen mistavond, een donkere stoet den boomgaard opkomen:
+Twee mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt; en daar omheen
+een dichte, stille, zwarte menigte, dof-trappelend en stommelend als een
+kudde. Een man met een brandende lantaren stapte ietwat terzijde
+vooraan.
+
+De voordeur was open en zij kwamen binnen. Als in een droom hoorde
+Rozeke het schuren van de voeten en het dof gefluister van de
+menigte.--Als in een droom kwam zij genaderd.--De mannen zetten de
+berrie neer; en bij het gele schijnsel der lantaren zag ze hem daar
+machteloos onder een deken op een matras uitgestrekt liggen: het hoofd
+akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en bebloed, de oogen toe, de
+ademhaling zwak en reutelend. Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met
+droge oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't deurgat op. Zij zag
+de vele, nieuwsgierig-reikhalzende hoofden met de open monden en de
+groote, donkere, gretig-kijkende oogen.
+
+"Woar moet hij zijn, bezinne?" vroeg fluisterend een der dragers.
+
+"Doar, op de voute," antwoordde zij dof.
+
+De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen en een heer schreed ruw
+en haastig, met ernstig gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de
+dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had. Hij vroeg dadelijk om
+water, pluksel, en linnen voor verbanden. Hij liet de deur tegen de
+opdringende foule sluiten en volgde de mannen met de berrie op de
+voute-kamer.
+
+Rozeke volgde hèm.--Haar beenen waren slap; haar handen koud en klam als
+ijs. Doch haar hart sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie.
+Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en 't ruischte in haar
+ooren, benauwend en verdoovend als stond zij bij een waterval.
+
+De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem niet. Met strak-stuggen
+blik van niet-begrijpen staarde zij hem aan.--Ongeduldig wendde hij zich
+tot Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLIII.
+
+
+Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren
+gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij
+langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en
+vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in
+denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had
+gesleten.
+
+Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar
+gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door
+den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een
+boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.
+
+Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak
+gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak
+hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch
+werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of
+drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij
+zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien
+middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist
+enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de
+straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij
+herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.
+
+Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij
+leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam
+maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij
+nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon
+voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in
+al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold
+en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar,
+vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor
+de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen
+en weer in vlugheid van beweging háár de baas worden. Doch daar was
+weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet
+ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een
+onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer
+als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op
+elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"
+
+Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand
+ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing
+door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen,
+als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.
+
+Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een
+kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer
+onder.
+
+Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren
+midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even
+naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet
+terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer
+naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig
+aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de
+herbergjes van het gehucht gedronken had.
+
+En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld
+door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar
+daarna moest weer een kind geboren worden.
+
+Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon
+haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het
+noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld
+worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien
+boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man
+dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook
+niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën
+waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende,
+zegenende godheid meer.
+
+Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve
+dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn
+boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net,
+werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep
+gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens
+opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de
+schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het
+te druk, het kon haar niet meer schelen.
+
+"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op
+een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot
+de tranen er door ontroerd werd.
+
+"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide
+zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.
+
+De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de
+opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst
+wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer
+dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar
+weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich
+beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden
+schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo
+wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen
+woorden konden uitdrukken.
+
+Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn
+toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester
+Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een
+kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de
+nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLIV.
+
+
+Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed
+ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden
+in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen,
+het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien
+zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon
+hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had
+het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel
+oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting
+van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest;
+niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op
+voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht
+met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk
+hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen
+mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder
+ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een
+brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en
+vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en
+knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar
+onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.
+
+Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat
+ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.
+
+'t Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het
+groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in
+purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met
+een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat
+terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag
+Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch
+in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen
+tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke
+vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje
+met elastieken banden.
+
+Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in
+haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd
+en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't
+hoevetje gezien had!
+
+Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones
+lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke,
+verteederde stem:
+
+"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt
+bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke
+naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en
+bescheiden, even wegging.
+
+"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar
+ontroering te verbergen.
+
+"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En
+zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:
+
+"Dàt zijn mijn beenen nu."
+
+"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel
+beteren," poogde Rozeke te troosten.
+
+Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere
+schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen
+schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst
+van hun holten en zij zuchtte:
+
+"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en
+volkomen, maar te kort, te kort...."
+
+Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij
+elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die
+droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in
+haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen
+kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór
+haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen
+hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het
+rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige
+rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de
+boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede,
+een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in
+die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een
+wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.
+
+"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met
+aarzelende, matte stem.
+
+"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar
+hoofd op haar magere borst.
+
+Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin
+wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en
+duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde
+onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een
+poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren
+ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een
+vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje
+hooren.
+
+"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.
+
+Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren
+en zij antwoordde berouwvol:
+
+"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"
+
+Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar
+gebogen hoofd:
+
+"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij
+nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij
+en ik voelde mij gelukkig."
+
+Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de
+barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart
+gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en
+zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind
+kwamen naar de bank toe.
+
+"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei
+de jonge barones.
+
+Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main,"
+zeide zij.
+
+Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit,
+meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere,
+lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje
+glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij
+verder.
+
+"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje
+rhododendrons verdwenen waren.
+
+Rozeke aarzelde.
+
+"Zeg het maar; op hèm, niet waar?"
+
+"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."
+
+Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn
+vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde
+mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van
+de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp
+aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed
+bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de
+nonnetjes in 't klooster.
+
+"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones.
+"Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan
+komen."
+
+"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de
+grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in
+tranen uitbarstend.
+
+Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een
+zacht gebaar weer tot bedaren.
+
+Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen
+van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in
+'t wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden
+reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds
+Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees
+kwellend weer in haar op.
+
+"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu
+de barones vriendelijk toe.
+
+De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid.
+Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het
+wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En
+duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes
+onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee
+knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te
+dragen.
+
+"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht
+glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.
+
+"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere
+bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de
+stem.
+
+De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode
+vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij
+zelve snikkend heenging....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLV.
+
+
+Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar
+weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet
+meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij
+spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van
+beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor
+geen van beiden had verwezenlijkt.--En toen was 't uit, de grijze dood
+stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid,
+zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als
+een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles
+was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door
+het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging
+daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.
+
+Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die
+wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in
+angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.--En
+eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de
+driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ...
+bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.
+
+"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die
+bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar
+het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar
+hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit
+hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden
+steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar
+ongelukkig jong leven.--De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en
+treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels
+en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou
+buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in
+vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de
+heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige
+jonge vrouw.
+
+Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar
+vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een
+sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht
+geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het
+stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den
+zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van
+blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als
+in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij
+aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.
+
+Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij
+eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de
+fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere
+bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel
+brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde
+jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne,
+wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe,
+het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders
+golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst
+gevouwen.--O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om
+haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen,
+die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren
+wierook rondom haar ten hemel stegen.
+
+Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken
+en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer
+dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte
+boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen
+stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en
+Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de
+lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen,
+naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in
+duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't
+stille nonnetje begeleid.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVI.
+
+
+In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met tranen van zalige
+ontroering, haar schitterende huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu
+haar plechtige begrafenis bij.--Daar lag ze, als van marmer,
+onbewegelijk in haar kist, wit als het doodskleed dat haar bedekte, de
+oogen toe en de handen gevouwen, met haar schoone donkere haren in twee
+zware vlechten op haar schouders. Daar lag ze, op de zelfde plaats, waar
+zij, jaren geleden, in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid,
+van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan van hem die haar
+eeuwige trouw en liefde gezworen, maar haar zoo schandelijk bedrogen en
+gedood had; en de zelfde priesters die destijds lofzangen van geluk en
+vrede aanhieven, zongen nu de plechtige treurzangen van het eeuwig
+afscheid over haar koud en roerloos lichaam.
+
+En Rozeke, verscholen in een hoekje van de kerk, achter de talrijke,
+donkere rouw-menigte van verwanten, vrienden en kennissen, weende,
+weende.... 't Was of haar gansche wezen weg zou smelten in haar tranen,
+'t was of ze 't laatste van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen;
+er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst; alles, àlles
+leek nu dood en in de koude aarde voor altijd begraven; en snikkend
+strompelde zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering,
+gebogen en geknakt als een oud, versleten vrouwtje, langs de eenzame
+wegen huiswaarts.
+
+Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van háár levensleed en
+ondergang, zooals die andere man, op zijn manier, de oorzaak was geweest
+van al het lijden en den dood harer vriendin. En een onuitsprekelijken
+haat en walg kwam in haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde
+de oogen van hem af en zij had alle moeite om hem niet, trillend van
+toorn en verachting, de wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die
+haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen: "waarom ligt gij,
+schurk, nu niet in 't graf in plaats van haar!"
+
+Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn hoek gezeten, staarde
+hij haar aan; en plotseling hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige
+vijand-stem, die schimpend vroeg:
+
+"Hawèl, hoe es 't gegoan? Hèn z' heur in de put gekregen? Zit ze 'r in,
+joa? En komt ze 'r nie mier uit?"
+
+Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig misprijzen. Zij was
+niet bang meer voor hem; voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij
+haar mantel af en ging hem in de kamer weghangen.--Hij dronk ineens zijn
+borrel leeg en slaakte dof een vloek.
+
+"Hawèl, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?" gilde hij ruw, toen ze
+na een poos weer in de keuken kwam. "Hè-je nie g'heurd wat da 'k ou
+gevroagd hè?"
+
+"'K'n verstoa ou niet," antwoordde zij koel, kalm, uit de hoogte. En zij
+ging naar het venster, bij de wieg, waarin haar jongste kind lag.
+
+"Ha! ge'n verstoa mij niet!" riep hij, eensklaps dreigend, met
+fonkelende oogen overeind gerezen.--"Hè-je 't geld mee? Verstoa-je
+dàtte?"
+
+Strak keerde zij zich om en keek hem aan.--'t Geld!... wat bedoelde
+hij? Hoe wist hij? Wie had hem gezegd...?
+
+Hij grijnslachte nijdig: "Haha! ge mient da'k van niets 'n wete! Ge
+mient da 'k niet 'n wete da g'in heur testament stoat! Nondedzju, ge zij
+mis, zille! 't Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!"
+
+Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende angst en ontzetting
+aan. Hoe wist hij? wie had hem kunnen zeggen...? Maar hij wist het,
+zooveel was zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling
+woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand en nam ze 't
+onverbiddelijk besluit hem nooit iets van het geld te geven, nooit,
+nooit, wat er ook gebeuren mocht.
+
+"'K 'n hè 't niet!" riep ze met van haat gloeiende oogen; "'K 'n hè 't
+niet, moar al ha 'k het, noeit 'n zal ik er ou iets van geven, noeit
+noeit, noeit! verstoa-je-datte?"
+
+Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar piëteit voor de
+nagedachtenis der dierbare overledene gaven haar een kracht waarvan ze
+zich zelve niet bewust was. Zij stond vlak vóór hem, dicht bij hem,
+dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend zijn woede-blikken, zijn
+paars-zwellend gezicht, zijn krampachtig gesloten vuisten. Er was een
+oogenblik van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde duidelijk het
+trage tikken der klok en 't vroolijk blaasgepruttel van het kleintje in
+de wieg. Het werd reeds schemerduister buiten en groote, logge schaduwen
+kropen in huis onder de donkere zolderbalken.
+
+Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar de voordeur en schoof
+den grendel ervoor. Toen naar de achterdeur en grendelde die ook. Toen
+greep hij naar zijn stok.
+
+Met een schorren gil sprong ze op zij en greep instinctmatig een stoel
+en hield die vóór zich uit. Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven,
+nu haar beschermster dood was?
+
+"Lafoard!" gilde zij; "lafoard! past ou op dag' aan mij komt!"
+
+Grijnzend kwam hij op haar af.
+
+"We zijn alliene thuis en we 'n moên ons nou nie mier sjeneeren,"
+grinnikte hij. En plotseling weer gebiedend, kort en ruw:
+
+"Ala toe,... da geld, hè ... afgeven!"
+
+"'K 'n hè 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't nie krijgen!" krijschte
+zij.
+
+De stok siste, in een woesten zwaai; en met een korten knak kwam de slag
+half tegen haar hoofd, half op de leuning van den stoel terecht.
+
+"Sloeber! kreet ze. "En plotseling stootte ze met al haar kracht de
+pooten van den stoel vooruit, vlak naar* zijn walgelijk, paarsrood
+gezwollen gezicht.
+
+Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte hij den stoel met zulk een
+geweld naar zich toe, dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven
+op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten om de keel, duwde,
+trok en wrong tot zij weer onder lag;--en toen liet hij zijn rechterhand
+los terwijl hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte hij nu
+met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo hard en zoo snel als hij kon.
+
+Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch gebrul, tusschen de
+steeds woester neerbeukende bonzen. 't Was als een telkens afgebroken,
+schor geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't was als de
+noodkreet van een vermoord beest, dat stikt in bloed-gebrobbel. Maar
+plotseling kreeg ze een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet er
+op als razend en liet hem niet meer los, terwijl haar rauw, intermittent
+gebrul eensklaps veranderde in een aanhoudend hoog gegil, als het
+oorverscheurend krijschen van een schrille stoomfluit.
+
+Een geweldige bons op de voordeur en als onder het rammeien van een
+heiblok vloog ze open, en Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met
+één machtigen ruk trok de stalknecht Smul van Rozeke's lijf, gooide hem
+als een pak in den hoek bij den haard, sprong op hem toe en hield hem
+daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos gillende
+meesteres optilde en naar het achterhuis droeg.
+
+"Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet deud!" gilde Smul,
+bloedend en spuwend, als een gewond beest in den hoek van den haard
+onder Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt.
+
+"Stille, boas, stille," hijgde Kamiel met reusachtige inspanning den
+woesteling in bedwang houdend.
+
+"Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud! deud!" schreeuwde Smul, door
+het aanhoudend hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept.
+
+Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te bedwingen, rees
+plotseling overeind en sleurde met geweld den woestaard naar de deur.
+Smul klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens werd hij met een
+schok weer wat verder gerukt en eindelijk was hij buiten en viel er
+uitgeput en grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke aanhoudend
+als een krankzinnige scherp gillen.
+
+Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen.
+
+"O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!" smeekte zij schreiend. "Toe,
+Kamiel, hoast ou, 't es wried, de bezinne goa stirven!"
+
+In machtelooze wanhoop schudde de knecht het hoofd, Smul steeds met
+ijzeren greep onder zijn klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand
+achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend:
+
+"As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den dokteur, de bezinne
+ligt op stirven!"
+
+"Wa és da? wa gebeurt er hier?" zei de man, verstard kijkend in 't gras
+op Smul en met schrik-oogen luisterend naar het onophoudend noodgegil in
+huis.
+
+"Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!" smeekte Kamiel zelf
+huilend.
+
+De man holde weg en plotseling richtte Smul zich in het gras half op.
+Kamiel sprong toe en drukte hem weer neer.
+
+Maar Smul was opeens bijna kalm geworden.
+
+"Loat moar, 't es gedoan," zei hij, zich nijdig loswringend.
+
+"Blijf hier, boas, wa goa-je doen?"
+
+"Hoal mij mijn klakke," zei Smul.
+
+Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast den haard lag en rende er
+weer mee naar buiten.
+
+Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed van zijn gezicht en
+stapte somber, gedrochtelijk-hinkend, naar het hek.
+
+"Woar goa-je noartoe, boas!" liep Kamiel hem angstig na.
+
+"Noar den duuvel?" antwoordde Smul met een woedenden blik.--En weg ging
+hij, in de grijze schemering.
+
+Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis te gillen.
+
+Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid had, lag nu opgewonden,
+met blinkende oogjes en zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg
+te woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs den weg van school
+terug....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVII.
+
+
+Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij
+liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.
+
+De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren
+ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk
+geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de
+helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een
+krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden.
+Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep
+soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn
+wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op
+Smuls terugkomst.
+
+Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht
+en nog steeds was hij niet terug.
+
+Toen hij den derden dag nòg niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:
+
+"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan
+bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."
+
+Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's
+zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.
+
+Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee
+dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van
+Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde
+kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende
+vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg,
+meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig
+kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai
+geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank
+te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer
+vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de
+"Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't
+"Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer
+Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken;
+boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp
+kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en
+willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met
+geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.
+
+Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd
+verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer
+teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas
+onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer
+was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was
+teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik
+gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de
+slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar
+de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had
+hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de
+"Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het
+"Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst
+gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse"
+terecht gekomen....
+
+En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde
+Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter
+lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was
+Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang
+waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt,
+toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te
+gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer
+gehoord of gezien.
+
+Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden
+en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij
+verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.
+
+"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij
+'t verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal
+versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij
+noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en
+'k zal ik te binst noar Roze goan."
+
+De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar
+zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij
+zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met
+hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't
+water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij
+terug.
+
+Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die
+sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij
+onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't
+ware aan hen vast en smeekte snikkend:
+
+"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij
+blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"
+
+Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien
+wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van
+onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en
+zij zuchtte, als in een stille bede:
+
+"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven
+mier 'n zag!"
+
+Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en
+Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te
+hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een
+versterking van haar eenige, laatste hoop.
+
+En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste
+maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor
+het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde,
+gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het
+boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij
+haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij
+haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan
+zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan
+de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem
+aarzelend op een afstand vergezelden.
+
+Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam,
+beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn
+woorden:
+
+"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul
+gevonden hên."
+
+"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.
+
+"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar
+uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat
+diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.--Hij es al leulijk
+aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij
+ligt in den stal van 't gemientenhuis."
+
+"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate
+moaken," antwoordde zij dof.
+
+"En moet g'hem nie mier zien?"
+
+"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig
+hoofdschuddend.
+
+"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."
+
+En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De
+nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard
+meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVIII.
+
+
+Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De
+harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling
+uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk
+toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't
+instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de
+speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets
+aan haar verder leven schikken kon.
+
+Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal
+weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat
+stond vóór haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet
+meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen
+leven....
+
+En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en
+weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende
+seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om
+haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar
+broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en
+haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve
+voelde zich langzaam aan een oudje worden....
+
+Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer
+en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat
+trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die
+gewenscht en voortgesteld had.
+
+Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest,
+dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden,
+zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood
+van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wèl gehoopt
+dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij
+beheeren.
+
+Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen
+haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als
+hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had
+kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog
+zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een
+deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij
+haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een
+heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhémar
+en Bérénice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een
+soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal
+vreemde was.
+
+En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de
+nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer
+verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar
+oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest
+beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte
+geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu
+liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was
+zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en
+ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij
+verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog
+enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpétue!...
+
+Soeur Vincent-Perpétue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar
+had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van
+Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de
+boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die
+haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het
+eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds
+geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van
+haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't
+verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten
+zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en
+karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die
+iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal
+zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal
+betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op
+heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde.
+
+Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid
+en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de
+herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot
+en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan
+kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de
+meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch
+slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld
+door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee
+bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon;
+twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zóó innig had
+liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna!
+
+Die alleen leefden, lééfden steeds intens voor haar!--Met die twee
+leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige
+verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde
+stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen,
+terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de
+schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven
+duren....
+
+Het werd een teer en zacht verlangen, een innige, vurige hoop, die, in
+de vergetelheid van al het tegenwoordige, haar verleden met haar
+toekomst weer vereenigde.--Het werd een troost, een vast geloof, een
+sterke zekerheid; het was iets dat zij ieder oogenblik te gemoet ging,
+dat elken dag steeds dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ...
+dat zij weldra bereiken zou.
+
+Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang zat zij er soms, starend
+in haar eenzaamheid, over te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij
+hoorde hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden van het
+ideale oord waar zij nu beiden en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't
+nieuwe leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te wachten en waar
+haar plaats tusschen hen bewaard bleef....
+
+In sereene zaligheid voelde ze 't komen;... haar wezen was van deze
+aarde haast niet meer. Nog één stapje, nog één oogenblikje wachtens ...
+en zij was er....
+
+Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen, rijken, gouden
+najaarsmiddag. De aarde was als een paleis van ongestoorde weelde, als
+een voorhal van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was zoo
+stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.--Zij lag te bed, met open ramen
+in die rijke heerlijkheid, als om in eens ver-weg te kunnen zweven naar
+het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig op haar
+wachtten. Haar kinderen en kleinkinderen stonden om haar heen, doch
+niemand weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op haar kalm
+gelaat.
+
+Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht gegeven was, kwam een
+onuitsprekelijk-zachte glimlach over hare trekken....
+
+Haar ziel en haar geest, de gelouterde essentie
+
+van haar gansche wezen was bij hem en bij haar,.... haar man en haar
+vriendin,... in onverstoorbaar geluk,... voor altijd,... in het
+eeuwige....
+
+ * * * * *
+
+AFSNEE-AAN-DE-LEYE, 15 Augustus 1905
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+***** This file should be named 16882-8.txt or 16882-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16882/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/16882-8.zip b/16882-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..754d78e
--- /dev/null
+++ b/16882-8.zip
Binary files differ
diff --git a/16882-h.zip b/16882-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..66fc5c3
--- /dev/null
+++ b/16882-h.zip
Binary files differ
diff --git a/16882-h/16882-h.htm b/16882-h/16882-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..20f56d6
--- /dev/null
+++ b/16882-h/16882-h.htm
@@ -0,0 +1,7354 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=iso-8859-1" />
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Het leven van Rozeke van Dalen 2, by Cyriel Buysse.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+/*<![CDATA[ XML blockout */
+<!--
+ p { margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em;
+ }
+ h1,h2,h3,h4,h5,h6 {
+ text-align: center; /* all headings centered */
+ clear: both;
+ }
+ h1,h2 { color: #800000;}
+ h2 { margin-bottom: 2em;}
+ hr { width: 33%;
+ margin-top: 2em;
+ margin-bottom: 2em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ clear: both;
+ }
+
+ table {margin-left: 5%; margin-right: auto;}
+
+ body{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ background: #FAEBD7;
+ }
+ .link {font-weight: normal; text-decoration: none; font-size: smaller; }
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left: 4%;} /* poetry number */
+ .blockquot{margin-left: 5%; margin-right: 10%;}
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right;} /* page numbers */
+ .sidenote {width: 20%; padding-bottom: .5em; padding-top: .5em;
+ padding-left: .5em; padding-right: .5em; margin-left: 1em;
+ float: right; clear: right; margin-top: 1em;
+ font-size: smaller; background: #eeeeee; border: dashed 1px;}
+
+ .bb {border-bottom: solid 2px;}
+ .bl {border-left: solid 2px;}
+ .bt {border-top: solid 2px;}
+ .br {border-right: solid 2px;}
+ .bbox {border: solid 2px;}
+
+ .center {text-align: center;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+
+ .caption {font-weight: bold;}
+
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center;}
+
+ .figleft {float: left; clear: left; margin-left: 0; margin-bottom: 1em; margin-top:
+ 1em; margin-right: 1em; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .figright {float: right; clear: right; margin-left: 1em; margin-bottom: 1em;
+ margin-top: 1em; margin-right: 0; padding: 0; text-align: center;}
+
+ .footnotes {border: dashed 1px;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 10%; font-size: 0.9em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right;}
+ .fnanchor {vertical-align: super; font-size: .8em; text-decoration: none;}
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem br {display: none;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 2em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 4em;}
+ // -->
+ /* XML end ]]>*/
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: October 16, 2005 [EBook #16882]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+
+
+<table border="0" cellspacing="0" cellpadding="5" summary="linked table of contents.">
+ <tr>
+ <td><a class="link" href="#XIII">XIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XVII">XVII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXI">XXI.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXV">XXV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXIX">XXIX.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXIII">XXXIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXVII">XXXVII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLI">XLI.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLV">XLV.</a></td>
+ </tr>
+
+
+ <tr>
+ <td><a class="link" href="#XIV">XIV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XVIII">XVIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXII">XXII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXVI">XXVI.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXX">XXX.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXIV">XXXIV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXVIII">XXXVIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLII">XLII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLVI">XLVI.</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td><a class="link" href="#XV">XV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XIX">XIX.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXIII">XXIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXVII">XXVII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXI">XXXI.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXV">XXXV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXIX">XXXIX.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLIII">XLIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLVII">XLVII.</a></td>
+ </tr>
+ <tr>
+ <td><a class="link" href="#XVI">XVI.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XX">XX.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXIV">XXIV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXVIII">XXVIII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXII">XXXII.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XXXVI">XXXVI.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XL">XL.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLIV">XLIV.</a></td>
+ <td><a class="link" href="#XLVIII">XLVIII.</a></td>
+ </tr>
+</table>
+
+
+<h1>HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN</h1>
+
+<h3>ROMAN IN TWEE DEELEN</h3>
+
+
+<h3>DOOR</h3>
+
+<h2>CYRIEL BUYSSE</h2>
+
+
+
+<h4>1905</h4>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+
+<h3>TWEEDE DEEL</h3>
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+
+<h2><a name="XIII"></a>XIII.</h2>
+
+
+<p>Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven,
+na al de drukte vol emotie van den langen, schoonen
+zomer! Het was of alles om haar heen een
+onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje
+was gezond en flink, en 't boerderijtje ging naar
+wensch. Alfons was lief voor haar en vroolijk van
+gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen
+geregeld haar bezoeken en meer en meer bleek het
+dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan Vaprijsken
+uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich
+kalm gelukkig zonder onvoldane wenschen.</p>
+
+<p>En 't glanzend najaar was zoo schitterend en
+zoo schoon!&mdash;Langzamerhand begon de boomgaard
+te verkleuren en zijn bladeren te verliezen,
+die als zwermen doode musschen op het groene gras
+lagen gestrooid. Soms woekerden en tjilpten heele
+troepjes echte musschen in de bruine droge bladeren
+en als ze dan onder een windje opstoven en door
+elkander warrelden, was het of de bladeren musschen
+en de musschen bladeren waren. Hier en
+daar nog schitterde een vergeten, &oacute;ver-rijpe peer
+of appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje
+op de hoogste, naakte twijgen van de vruchtboomen
+en aan beide kanten van den landweg geelden
+ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe
+lucht. Hier en daar ook zweefde nog in de stil-glinsterende
+zonne-luwte een late zomervlinder, met
+als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken
+van fluweelige rouwkleuren, met randen van
+blauw of met glanzende oogen en strepen van purper
+en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte
+borstjes zaten in lange rijen op de kroonlijsten
+van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend van
+de lange, lange reis die zij weldra weer zouden
+gaan ondernemen; en overal opende zich het veld
+in ruime vergezichten, met elken dag nieuw-opduikende
+witte huisjes en roode pannendakjes, die het
+dichte zomergroen maandenlang aan den blik verborgen
+had gehouden. Boer Lauwe's achtergevel
+met het klein vierkant raampje was nu duidelijk
+zichtbaar als een stugge, lang-uitgestrekte reus met
+slaperig-wakend &eacute;&eacute;n-oog; en 't kleine werkmanshuisje
+vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-glinsterende
+ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken
+van jonkvrouw Anna met haar beminde zoo
+akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel
+eind dichter bijgeschoven, z&oacute;&oacute; helder-vrijpostig-opdringerig,
+dat Rozeke er soms, als door een lantaren,
+dwars door heen kon zien.
+Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een
+prent-briefkaart. Doch meer dan een vriendelijken
+groet stond er niet op, en telkens weer kwam
+Rozeke in de war met de handteekening: Anna
+d'Hautmont, die haar zoo vreemd voorkwam alsof
+'t haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En
+zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan
+kwamen, noch wat zij eigenlijk voorstelden: nu eens
+een reusachtig-groot, wit-glinsterend hotel midden
+in een wondertuin van onbekende boomen, dan
+weer een heele stad aan zee met bergen op den
+achtergrond en lichte schuitjes op het water; dan
+nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder
+het portaal, of een brokkelig oud kasteel boven
+op den top van een steile rots.&mdash;Zij voelde alleen
+maar dat het van heel h&eacute;&eacute;l verre kwam, als uit een
+andere, haar onbekende wereld en reeds meer dan
+eens had zij er aan gedacht om aan den ouden
+schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat
+alles toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel
+dagen en nachten men wel reizen moest om
+er heen te komen. Maar eens, op een ochtend,
+bracht de postbode haar een soort opgerold boek
+en toen zij 't ontvouwde zag zij daarin veel
+plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en
+automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk
+herkenbaar, en z&oacute;&oacute; schoon, o, toch zoo w&oacute;nderschoon
+midden in een schat van bloemen op
+een groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met
+haar man. Zij riep Alfons en 't Geluw Meuleken
+en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden
+en bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden
+bloemenwagen. Maar onderaan stond iets
+gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen
+de namen lezen: &quot;baron et baronne Armand d'Hautmont,&quot;
+en al het overige intrigeerde hen uitermate
+en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den hoogsten
+graad.&mdash;Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat
+meer van weten; en, den volgenden ochtend, riep
+zij den postbode op zijn voorbijtocht binnen, trakteerde
+hem met een borrel, gaf hem het opgerolde
+boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen
+aan den ouden schoolmeester, met de &quot;kopplementen&quot;
+of hij haar eens wilde laten weten waar
+dat al gebeurd was en wat of 't eigenlijk beteekende.</p>
+
+<p>Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester,
+met de opgerolde illustratie onder den arm,
+gewichtig op 't boerderijtje. Het was een kort, dik
+mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte
+haren, fiks en trotsch stappend, een gouden bril
+over zijn kleine, sluwe, tegen 't licht knippende,
+blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en
+sprak een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen
+eerbied en ontzag voor hem inboezemde. Hij
+had een stokje in de hand en droeg een rond zwart
+hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend
+jasje stak een vuil-rood geworden decoratie-lapje.</p>
+
+<p>&quot;Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog
+meer zulke belangwekkende tijdschriften ontvangen?&quot;
+begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold
+sportblad v&oacute;&oacute;r haar op het tafeltje leggend.
+En genoeglijk kuchend ging hij zitten, zijn kleine
+oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.</p>
+
+<p>&quot;Wa belieft er ou, miester?&quot; vroeg Rozeke met
+een kleur, als altijd in 't begin, door zijn deftigheid
+ge&iuml;mponeerd en hem niet goed begrijpend.</p>
+
+<p>&quot;Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen
+ebt?&quot; herhaalde de schoolmeester met nadruk, eenigszins
+ge&euml;rgerd dat zij niet dadelijk zijn mooie taal
+verstond.</p>
+
+<p>&quot;Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes
+op,&quot; antwoordde Rozeke. &quot;Wilt-e z'euk zien?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Zeker, zeker wil ik ze zien,&quot; zeide hij.</p>
+
+<p>Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot
+had, ging den kleine even in zijn wiegje leggen en
+haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten van
+jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester
+veegde tevreden-glimlachend zijn brilglazen schoon
+en schoof zijn stoel gezellig dicht bij 't raampje,
+om goed te kunnen zien.</p>
+
+<p>&quot;'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd
+h&eacute;t, miester, 'k 'n h&aacute; moar es wille weten wat dat
+er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van hier
+dat da wel gebeurd es,&quot; meende Rozeke zich te
+moeten verontschuldigen.</p>
+
+<p>Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn
+eigen nieuwsgierigheid in beslag genomen, hoofdschudde
+dat er geen kwestie was van derangeeren
+en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend
+glimlachend, met toenemende belangstelling.</p>
+
+<p>&quot;Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het
+zeer veel voor u weerd is, van zulk eene goede kennis,
+ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin
+van voornamen uize te ebben?&quot; keek hij plotseling
+gewichtig op.</p>
+
+<p>Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar
+zij knikte toch toestemmend en antwoordde ietwat
+schuchter:</p>
+
+<p>&quot;Ba joa 't e-woar, miester? Z'h&eacute; zij mij lijk altijd
+nog al wel keune verdroagen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven,&quot;
+herhaalde hij, als voor zichzelf, de laatste
+kaarten omkeerend.</p>
+
+<p>En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan,
+terwijl hij eenigszins verbitterd uitriep:</p>
+
+<p>&quot;Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten,
+dan zou er van mij wel wat anders geworden zijn
+dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu
+ben!&quot;</p>
+
+<p>Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,&mdash;en
+vooral naar een hoofd-onderwijzer&mdash;als naar een
+overheid, met vereering had opgezien, keek hem
+ietwat verwonderd aan.</p>
+
+<p>&quot;Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune
+ploatse, miester,&quot; waagde zij.</p>
+
+<p>&quot;Ja zeker, z&eacute;ker!&quot; riep hij eensklaps trotsch uit;
+&quot;schoon is het zeker, het is eene ooge en edele
+betrekking, maar eene welke de meeste menschen,
+op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans
+niet oog genoeg waardeeren!&quot;</p>
+
+<p>Betrekking ... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke
+die hoogdravende woorden niet begrijpen;
+maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van
+hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en
+vroeg hem eindelijk, terwijl hij even weer belangstellend
+de kaarten overzag:</p>
+
+<p>&quot;En da Fransch, miester, h&egrave;-je 't gij keune lezen?
+weet-e gij wat dat 't es?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ah, juist, ter zake!&quot; zei hij.&mdash;Hij schoof de
+prentkaarten op zij, nam de sportrevue weer op,
+ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te
+oreeren:</p>
+
+<p>&quot;Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden
+zich op hunne speelreis in het zuiden van Frankrijk,
+in eene streek waar het altijd lente of zomer
+is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste
+bloemen bloeien en waar de boomen nooit
+unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten,
+ter uitzondering van twee,&mdash;deze twee, die uit
+het noorden van Itali&euml; komen,&mdash;en ook dit tijdschrift,
+zijn afkomstig uit Nizza en omstreken, waar iederen
+winter, van November tot Mei, het rijke volk
+van heel de wereld bij duizenden en duizenden zich
+komt verlustigen. De sinaasappels,&mdash;de appelsienen,
+zooals de menschen hier ter streke die schoone vrucht
+in unne onwetendheid noemen&mdash;groeien daar op
+de boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en
+ook de sappigste perziken en druiven en de lekkerste
+amandelen rijpen er het jaar door, buiten in den
+vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw,
+het vriest er nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw
+gezien. Het wordt er het Aardsch Paradijs ge-eeten.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Oo!&quot; riep Rozeke, die met de grootste belangstelling
+luisterde. En zij waagde de vraag die haar
+boven alles interesseerde:</p>
+
+<p>&quot;En hoever es dan wel van hier, miester?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ...
+zeker wel vier &agrave; vijf onderd uren!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Hoo!&quot; zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.</p>
+
+<p>&quot;Ja, stellig,&quot; verzekerde de meester. &quot;De snelste
+treinen van ier uit rijden er wel een dag en een
+nacht over, zonder ophouden,&mdash;Hew&egrave;l, in die plaats
+van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken
+en zoo ebben zij onder anderen wedstrijden
+van met bloemen versierde rijtuigen en automobielen
+ingericht&mdash;bloemencorsos, noemt men dat in goed
+nederlandsch&mdash;en het is in zoo eenen wedstrijd dat
+meneer den baron Armand d'Hautmont met zijn
+automobiel den eersten prijs be-aald eeft als zijnde
+het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen,
+en dat hij in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd
+geworden in zijnen prachtig-getooiden
+wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw. Ja, ja,
+het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de
+Weghe.&quot;</p>
+
+<p>&quot;O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt
+stoat?&quot; vroeg Rozeke.</p>
+
+<p>&quot;Ja 't, ziehier;&quot; zei de meester. En wijzend met
+den vinger op de gedrukte regels onder 't prentje,
+las hij eerst voor in 't Fransch en vertaalde dan in
+deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van
+het kort artikeltje.</p>
+
+<p>&quot;O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn,
+miester!&quot; zei Rozeke vol bewondering. En zij voegde
+er bij, op een toon van verzuchting:</p>
+
+<p>&quot;'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch
+zal meuge lieren.&quot;</p>
+
+<p>De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn
+schoolmeestershoogmoed gevleid.</p>
+
+<p>&quot;Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt
+den mensch beter, degelijker, waardiger,&quot; doceerde
+hij. &quot;De mensch die meer dan &eacute;ene taal kent leeft
+en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen
+daarom zou ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid
+prijs geven; maar het is en blijft toch spijtig
+dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste
+waardeeren.&quot;</p>
+
+<p>Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en
+vroeg haar, vlak af:</p>
+
+<p>&quot;Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en
+misschien later nog zal kunnen elpen, wie weet hoe,
+op een of andere manier, met de opvoeding van
+uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij
+gelegenheid ook wel iets voor mij zult willen
+doen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Zeker, miester, mee plezier. Wa est 't?&quot; vroeg zij
+verwonderd.</p>
+
+<p>&quot;Een woordje voor mij ten beste spreken bij
+mevrouw de barones d'Hautmont, opdat zij aan aren
+vader den burgemeester zou vragen of mijn pensioen-jaarwedde
+als rustend oofd-onderwijzer niet
+wat ver-oogd zou kunnen worden, sprak hij deftig,
+meteen fiks opstaande.</p>
+
+<p>&quot;'K zal 't doen, miester, 'k zal 't heur vroagen van
+as ik heur weeromme zie,&quot; antwoordde Rozeke
+eenigszins verbauwereerd.&mdash;&quot;Moar 't en zal toch
+mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt,
+miester....&quot;</p>
+
+<p>&quot;Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van
+zelf,&quot; zei hij tevreden. &quot;Het eenige wat ik van u
+verlang is dat ge 't niet vergeten zoudt.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou,
+'k en zal 't nie vergeten.&quot;</p>
+
+<p>Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps
+te schreien. Rozeke nam het er sussend weer uit en
+de oude meester keek het kleintje even vriendelijk aan.</p>
+
+<p>&quot;Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?&quot;
+riep hij opgeruimd. &quot;Een flinken onderwijzer!...
+en dat zal er waarachtig wel een zijn die
+'t aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten.&quot;</p>
+
+<p>&quot;'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe
+hem veel liever schoolmiester as boer zien worden,&quot;
+zei Rozeke met een kleur van hoop en vreugd.</p>
+
+<p>Het kleintje op den arm leidde zij den ouden
+onderwijzer tot op den drempel en stond hem daar
+nog even na te kijken, terwijl hij fiks en stijf en
+netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren,
+met afgemeten pasjes door den boomgaard stapte.
+Het trof haar dat zijn achterhoofd zoo groot was en
+zij dacht dat daar wel zeker heel veel wijsheid en
+verstand in stak.</p>
+
+<p>Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte
+glimlachend en groette, zijn hoedje even voor haar
+oplichtend, als een welopgevoed heer.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<h2><a name="XIV"></a>XIV.</h2>
+
+
+<p>Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen
+verwachtte, werd het wel van belang geacht, dat zij
+er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen. Zoo'n
+schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te
+groote zorg en moeite naast de moeder op, en 't bracht
+een aardig sommetje geld op, wanneer het zoo als
+achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht
+kon worden.</p>
+
+<p>Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader
+Van Dalen met zijn beide zonen vergaderden op een
+zondag-namiddag bij Alfons en een lange discussie
+had plaats.</p>
+
+<p>&quot;Ik geleuve dat de mirrie t' oud es om nog veulen
+te krijgen,&quot; meende Miel van Dalen.</p>
+
+<p>Boer Dons maakte zich kwaad:</p>
+
+<p>&quot;Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan,
+jongen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ge zeg gij wel negen joar, moar ge 'n weet gij da
+meschien zelf op 'n joar of twie&euml; noar niet,&quot; glimlachte
+Miel.</p>
+
+<p>&quot;Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden
+ben, of da 'k ne leugenoar of nen bedrieger ben!&quot;
+toornde de oude boer.</p>
+
+<p>&quot;Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad
+moaken; 'k en wil ik nie kontroarie zeggen,&quot;
+suste Miel.</p>
+
+<p>Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand
+hadden van paarden, zaten stil te luisteren,
+Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen baard,
+vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd
+open, als alles ziende en begrijpend, het ander dood
+en dof, als in suffigen slaap gedommeld. Alfons, zijn
+pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.</p>
+
+<p>Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen
+raad.</p>
+
+<p>&quot;Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst,&quot; zei
+hij. En hij vertelde van een prachtigen hengst,
+waar Smul juist was naartoe geweest, met een van
+boer Kneuvels' merrie-paarden. &quot;Weet-e wat da
+ge doet!&quot; gilde hij: &quot;Vroagt an Smul of er hij
+Fanny euk wil le&ecirc;n, den ieste kier dat ze weere
+peirdig es!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Nie, loat Smul doarbuiten!&quot; riep eensklaps kortaf
+Rozeke, zich onverwachts in het gesprek mengend.</p>
+
+<p>Verwonderd keken allen op.</p>
+
+<p>&quot;Woarom niet?&quot; vroeg Alfons.</p>
+
+<p>&quot;Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn;
+omda ge da toch zelf euk wel keunt doen, gij of
+Vaprijsken,&quot; antwoordde zij ietwat wrevelig.</p>
+
+<p>Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling
+opstoof; die naam van Smul had het gedaan. Zij
+had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog
+meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis
+zou komen.</p>
+
+<p>&quot;Vaprijs 'n h&eacute; gien verstand van peirden,&quot; zei
+Alfons kalm: &quot;moar mij es 't goed: 'k wil d'r
+ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar
+dat 't es.&quot;</p>
+
+<p>&quot;'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten
+hynksteboer van vijf en twintig uur in 't ronde,&quot;
+antwoordde Dons.</p>
+
+<p>Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes
+en hij schetter-gilde naar Rozeke:</p>
+
+<p>&quot;Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden,
+veur 'n stik van twintig fran, wie dat er nou nog
+iest mee eentsje komt, gij of Fanny?&quot;</p>
+
+<p>Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde
+uitdrukking van verbazing, smart en toorn glinsterde
+vochtig in haar oogen. Zij wist niet wat te
+antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en
+verdween eensklaps in de binnenkamer.</p>
+
+<p>&quot;H&eacute;, wa scheelt er dan?&quot; verbaasde zich de oude
+boer.</p>
+
+<p>Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.</p>
+
+<p>&quot;'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur
+en 't es zeker doardeure da z'n beetse zemelachtig
+es,&quot; fluisterde hij.</p>
+
+<p>&quot;Bah zeu!&quot; riep de oude boer verwonderd uit, terwijl
+hij zoo wijd mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.</p>
+
+<p>Vader Van Dalen lachte:</p>
+
+<p>&quot;Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da
+es zeker die vruchtboare grond!...</p>
+
+<p>En da mijn wijf hier pertan <a name="FNanchor_1_1"></a><a href="#Footnote_1_1"><sup>[1]</sup></a> nie gedijd 'n h&eacute;t!
+Hoe verstoa-je d&aacute;tte?&quot; schetterde de oude.</p>
+
+<p>Zij schaterden en proestten allen met hem mee
+en ledigden een &quot;dreupelken&quot; op de dubbele voorspoedige
+gebeurtenis met Fanny en met Rozeke.</p>
+
+
+<p><a name="Footnote_1_1"></a><a href="#FNanchor_1_1">[1]</a> Pourtant.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<h2><a name="XV"></a>XV.</h2>
+
+
+<p>Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen
+ochtend van einde December in den paardenstal
+kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny
+z&oacute;&oacute; gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog
+eens gewaagd kon worden. Hij zou dan ook maar
+niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer
+Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.</p>
+
+<p>Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp
+loeide een ijzige oostenwind in de naakte, piepende
+populieren-kruinen en uit de effen-grijze, dood-triestige
+lucht viel een koud en vochtig mengsel neer
+van mist en sneeuw en motregen.</p>
+
+<p>Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en
+rillerig, hij hoestte nog al erg en 't speet hem wel
+dat hij ten minste geen karretje had om er de merrie
+voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees
+van boer Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij
+met de Lauwe's in goede buurschap leefde, kende
+hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen
+en hij besloot eindelijk maar den afstand te
+paard af te leggen, op het oude zadel, dat hij, in
+den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.</p>
+
+<p>Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen
+heete koffie met een groot glas brandewijn,
+heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der
+merrie en vertrok.</p>
+
+<p>Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon
+zich wel op een behoorlijk drafje in het zadel houden.
+Maar de merrie was lastig en schichtig dien
+ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge
+sprongen of door kort getrippel af, en maakte
+hem zoo moe omdat hij zich niet lekker voelde.
+Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden
+of hij voelde pijn in de zij als iemand die te
+hard gerend heeft.</p>
+
+<p>De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en
+modderig onder den lagen, grijzen hemel, tusschen
+de naakte populieren, waarvan de kruinen klagend-piepten
+in den natten wind, die onophoudend ijzige
+gesmolten sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg.
+Nog nooit had zijn land hem zoo vuil, zoo triestig,
+zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe
+stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood
+op de lage muurtjes met de kleingeruite raampjes
+te drukken, en al de lieve, heldere, frissche kleuren
+van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze
+van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken
+en het wit-en-groen der open luikjes, alles,
+&agrave;lles leek verwaterd en versmolten en verkleurd in
+'t zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als &eacute;&eacute;n
+oneindige, dikke, loome, droeve deken van uit den
+hemel op de aarde was gedaald.</p>
+
+<p>Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij
+zich ver van huis en eenzaam, eenzaam en verlaten,
+alsof hij nooit zijn eigen warm en gezellig boerderijtje,
+met zijn vrouw en kind terug zou zien!
+Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de
+teugels geklemd en zijn dijen en knie&euml;n z&oacute;&oacute; doorweekt,
+dat hij het water, als koud-kruipende slangetjes,
+tot in zijn kousen voelde druipen.</p>
+
+<p>Soms hield hij even voor een landelijke herberg
+stil en bestelde er een borrel, zonder van zijn paard
+te stijgen. In &eacute;&eacute;n teug sloeg hij die met een grimas
+van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen,
+slechten drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde
+hem toch even, maar hij voelde dat zijn
+maag er door van streek raakte en weldra leed hij
+aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.</p>
+
+<p>Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan.
+Gelukkig kon hij dadelijk geholpen worden: de hengst
+was op stal. De boer, die medelijden met hem had,
+raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan
+warmen en drogen en ook iets warms te eten en te
+drinken; de stalknecht zou voor de merrie wel zorgen.
+Met een kreunzucht liet Alfons zich van het
+zadel zakken. Hij voelde zich z&oacute;&oacute; ziek en slap, dat
+hij niet eens aandrong om de dekking bij te wonen.
+Hij sleepte zich voort naast den boer, trad binnen
+in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk
+een zware dikke vrouw en enkele kinderen.</p>
+
+<p>&quot;Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn we&ecirc;rkes, h&egrave;?
+Joa joa, we zillen hem al gauwe ne woarme spoelkom
+k&aacute;ffee mee nen boterham en 'n firme schel
+heufvlakke ge&ecirc;n!&quot; hoorde hij, als in een droom, de
+dikke boerin met een vette stem zeggen; en 't oogenblik
+daarna zat hij rillend met gebogen hoofd en
+bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend
+en krakend haardvuur. Toen kreeg hij een
+groote kop warme koffie en een dikke snee grijs brood
+met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.</p>
+
+<p>Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren
+als verlamd en zijn keel kon haast niet slikken.
+Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder te
+voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige
+dat hij nemen kon hem goed; hij voelde zich
+weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden
+spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde
+een tweede kom koffie. Hij herleefde als
+'t ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij den
+boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had
+betaald.</p>
+
+<p>De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was
+en met inspanning stond hij weer op.</p>
+
+<p>&quot;Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten
+tot da ge dreuge zijt,&quot; raadden de boer en de
+boerin hem dringend aan.</p>
+
+<p>&quot;O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch
+direkt weeromme nat zijn,&quot; antwoordde hij met een
+doffe en zwakke stem, die heel vreemd in zijn eigen
+ooren klonk.</p>
+
+<p>&quot;Da es woar, 't es leulijke bieste van weere,&quot; moesten
+de boer en de boerin toegeven; en zij vergezelden
+hem tot aan de deur, waar de stalknecht wachtend
+de merrie bij den breidel hield.</p>
+
+<p>Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en
+liet zich door hem in het zadel helpen. Wat ging
+het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen ziertje
+kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en
+beenen waren als lood.</p>
+
+<p>Hij wenschte &quot;elk ne go&ecirc;n dag&quot; en vertrok. Hij
+had slechts &eacute;&eacute;n verlangen, &eacute;&eacute;n behoefte: zoo spoedig
+mogelijk weer thuis te zijn, om met gesloten
+oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.</p>
+
+<p>Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met
+wind en regen in den rug, af. Hij was nog niet
+droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat
+van achter. De scherpe wind zweepte thans de
+piepende kruinen der boomen als 't ware vluchtend
+v&oacute;&oacute;r hem uit, en hij zelf voelde zich mee gedreven,
+loom op het paard ineengezakt, de pet diep over
+de ooren, zijn halskraag overeind. Er kwam iets
+triestig-onverschilligs over hem, een dof gevoel dat
+hij toch tegen de vernielende kracht van regen en
+wind niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud
+water langs zijn schouders en zijn rug neersijpelen,
+tot het weldra sopte op het zadel, in een kletsend
+plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij
+machinaal op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig,
+loom-en-langzaam draven van zijn kalm
+geworden paard.</p>
+
+<p>De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal
+en triestig, van een doods-benauwende melancholie
+in al dat natte en vuile en slappe van den grauw-stervenden
+dag, toen hij eindelijk weer aan zijn
+hoevetje kwam. Rozeke, die hem door 't raampje
+had zien naderen, kwam hem op den drempel te
+gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig
+weer dat hij den ganschen dag getroffen had; maar
+zij schrikte hevig toen zij hem zoo machteloos ineengezakt
+zag zitten, de oogen dof en het gezicht
+aschgrauw met ingevallen wangen, en angstig riep
+zij Vaprijsken, om hem te helpen afstijgen.</p>
+
+<p>&quot;Zij-je nie wel dan, boas?&quot; vroeg Vaprijsken uit
+de schuur toesnellend. Maar Alfons gaf zelfs geen
+antwoord; hij schudde zwak het hoofd en zuchtte;
+hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het
+zadel en struikelde gebogen naar binnen.</p>
+
+<p>&quot;Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander
+klieren hoalen en 'k h&eacute; goeje woarme soepe gekookt,&quot;
+zei Rozeke, ontsteld hem v&oacute;&oacute;r het haardvuur
+brengend.</p>
+
+<p>&quot;Mijn bedde, anders nie as mijn bedde,&quot; zuchtte
+hij heesch en haast onhoorbaar, naar de voutekamer
+strompelend.</p>
+
+<p>&quot;Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt
+toch iest watte!&quot; smeekte Rozeke.</p>
+
+<p>&quot;Mijn bedde! mijn bedde?&quot; kreunde hij. &quot;Help
+mij ontkli&euml;n; leg mij in mijn bedde.&quot;</p>
+
+<p>Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken
+en samen brachten zij hem op de voutekamer,
+trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem warm
+onder de dekens.</p>
+
+<p>&quot;Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu
+ziek!&quot; klaagde hij met dichte oogen.</p>
+
+<p>&quot;'t Zal wel beteren,&quot; zuchtte Rozeke. &quot;Houdt ou
+stil en sloap moar; we zillen ou woarm dekken, da
+ge goe zwiet.&quot;</p>
+
+<p>Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte
+hem zorgvuldig in op zij en bleef toen een lange
+poos angstig-onbewegelijk naar hem staren, terwijl
+hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug
+uitgestrekt lag, de oogen toe, een lichte roze kleur
+op zijn magere koonen, met korte, snel-hijgende
+trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig op-en-neer-trillende
+neusvleugels.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XVI"></a>XVI.</h2>
+
+
+<p>De rust was kort van duur. Na een poos begon
+hij zich te keeren en te wenden en den ganschen
+nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke
+deed geen oog dicht en den volgenden ochtend
+schrikte zij van zijn vuurrood gezicht en van zijn
+reutelenden adem. Spoedig zond zij Vaprijsken naar
+'t dorp om den dokter.</p>
+
+<p>Eerst tegen avond kwam hij aan.</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere! menier den dokteur, 'k h&egrave; toch zeu
+stijf noar ou verlangd, want 't denke mij dat hij
+zeu ziek es,&quot; fluisterde Rozeke schreiend terwijl zij
+den geneesheer naar het voutkamertje bracht.</p>
+
+<p>&quot;Joa joa moar.... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan;
+iederien es al ne kier ziek,&quot; banaalde hij troostend.</p>
+
+<p>Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons
+zag en vooral toen hij zijn pols gevoeld en in zijn
+zij en op zijn rug geluisterd had.</p>
+
+<p>&quot;'t Es hier te koud op die voute,&quot; zei hij. &quot;Ge
+zoedt hem moeten in 'n koamer brijngen woar dat-e
+vier keun moaken.&quot;</p>
+
+<p>&quot;In de beste koamer keune we vier moaken. Es
+'t irg, menier den dokteur?&quot; angstvraagde Rozeke.</p>
+
+<p>&quot;Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat
+'t worden zal,&quot; antwoordde hij, met haar weer in
+de keuken komend. &quot;Hij h&egrave; 't fleurus en we moeten
+oppassen dat 't gien longontstekijng 'n wordt,&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere, 't fleurus!&quot; snikte Rozeke met in
+elkaar gewrongen handen. &quot;O! en 't es mijn schuld!
+'t Es deur mij dat hij zelve mee da peird gegoan es,
+in ploatse van 'n ander te zenden!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel
+niet!&quot; bromde hij. &quot;Dat 'n es niemans schuld;
+hij h&egrave; hij da woarschijnlijk al nen tijd in zijn lijf
+hangen.&quot; En hij drong haar op 't hart, alsook aan
+'t Geluw Meuleken, die met angstig gezicht stond
+te luisteren, hoe zij hem behandelen moesten: hem
+met behulp van twee of drie personen, voorzichtig
+in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en
+hem daar in de goed verwarmde kamer brengen,
+waar ook het bed eerst heel zorgvuldig moest
+gewarmd worden. Verder moest hij om de twee
+uur een lepel nemen van een drankje, dat zij straks
+bij hem aan huis konden komen halen. Niets eten,&mdash;maar
+daar zou hij ook wel niet naar talen&mdash;en,
+als hij dorst kreeg, een beetje warm citroen-water
+met suiker. Den volgenden ochtend vroeg zou hij
+terugkomen.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XVII"></a>XVII.</h2>
+
+
+<p>Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende
+vele, vele dagen. De ziekte had een heel
+ernstig verloop gehad, was overgegaan in longontsteking,
+met ijlende koortsen.&mdash;Soms lag hij bleek
+en stil, als dood; en uren roerloosheid verliepen;
+maar toen opeens kwam weer de koorts en hij ging
+aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden
+van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard,
+hij reed door wonderbare oorden, door witte en
+roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die
+zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar
+de mooiste vogels kweelden en klapwiekten, licht en
+blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe lucht.
+O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het
+balsemgeurde overal en hij proefde van vruchten,
+groote, blozende, sappige vruchten, zoo zalig-lekker
+smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs,
+juichte hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke,
+geheel in 't fonkelwit gekleed, met haar zacht-krullende
+haren los over de schouders, en daar
+waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen:
+Hilairken, gansch roze-naakt met gouden vleugels
+als de engeltjes in 't dorpskerkje, en ook Marie, ja,
+ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest
+geboren worden, maar daar reeds in het Paradijs
+geboren was, o zoo fijn en zoo klein en zoo teer,
+maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat
+ooit geleefd had, met groote oogen als helderblauwe
+bloempjes, als van die ronde lieve blauwe bloempjes,
+die in de vroege lente bloeien tusschen 't jonge
+frissche gras, langs de randen van helder kabbelende
+beekjes.&mdash;Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui
+uit, omdat hij daar ook Vaprijsken zag:
+Vaprijsken gansch in 't geel, met gelen baard en
+gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel
+gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het
+Geluw Meuleken was daar, nog geler dan Vaprijsken,
+het mager aangezicht vol gele sproeten; en ook den
+ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning:
+een rooden, ronden kop met witte haren als een
+ondergaande winterzon over een sneeuwveld; en
+ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik,
+met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en
+ook Rozeke's vader, die zijn een oog zoo leuk dichtkneep
+en zijn ander zoo verbaasd-rond opende; en
+ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels
+die hakkelde, en zijn schoone vrouw met haar gouden
+oorbellen en schitterende oogen, en de jonge
+baronesse met haar man, die in een bruisende
+automobiel voorbijsnorden....</p>
+
+<p>Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche
+droefheid grauwde op zijn klam-bezweet gelaat.&mdash;Het
+regende, het mistte, de natte, felle wind kromde
+de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij
+rilde, rilde, en zijn tanden klapperden. De laatste
+bruine blaren stoven als doode vogels van de naakte
+takken en het paard verzonk met zijn beenen z&oacute;&oacute;
+in het slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en
+beslijkt was, en pijnlijk klaagde van kou en zich
+langzamerhand in al die grijze, triestige vuilheid
+voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij
+een lange heesche weeklacht uit en weer lag hij
+afgemat en roerloos, als een bleeke doode uitgestrekt.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk
+kwam hij aan de beterhand; maar nog eens weken
+duurde het v&oacute;&oacute;r hij zijn bed verlaten mocht; en toen
+hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het
+haardvuur in de keuken verscheen, leek hij op een
+oud, bleek, kuchend en hoestend mannetje met uitgeholde,
+rimpelige wangen en groote, zwarte oogen,
+die aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren.</p>
+
+<p>Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover
+genezen was en zij zelve herleefde. Alles wat ze
+geleden had: haar slapelooze nachten, de onvermijdelijke
+verwaarloozing der boerderij, de zware
+geldelijke opofferingen, alles was vergeten voor die
+eene blijde gebeurtenis van zijn gelukkige genezing.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge
+barones ontvangen, telkens weer uit andere steden
+en landen, en de oude meester kwam er nog steeds
+nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar
+ervan vertellen; maar zelve had zij haar beschermvriendin
+slechts eenmaal tijding kunnen zenden,&mdash;de
+droeve tijding van Alfons' zware ziekte&mdash;en nu
+verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel,
+waar zij voorloopig met haar man en hare ouders,
+gedurende de zomermaanden zou vertoeven.</p>
+
+<p>En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon
+als een jonge koningin, in een prachtige automobiel,
+met haar man aan haar zijde.</p>
+
+<p>&quot;O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!&quot; riep Rozeke,
+vergetend dat haar vriendin nu &quot;mevrouw&quot; was, en
+schreiend van ontroering haar met in elkaar geslagen
+handen in den boomgaard te gemoet loopend.</p>
+
+<p>&quot;Rozeke! Rozeke!&quot; wuifde de barones verteederd.
+En zij en haar man drukten het boerevrouwtje
+hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare vrienden.
+En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was
+en gingen binnen.</p>
+
+<p>Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een
+hevige, schorre hoestbui drukte hem onmeedoogend
+in zijn leunstoel bij den haard weer neer.</p>
+
+<p>&quot;Blijf maar zitten, blijf maar zitten,&quot; riep dringend
+de jonge barones; en zelve haastte zij zich naar hem
+toe in 't zijig ruischen van haar kleeren en drukte
+hem ontroerd de hand. &quot;Hoe gaat het, Alfons?&quot; vroeg
+zij bezorgd.</p>
+
+<p>&quot;D&aacute;t 'n wilt hier nie wig, mevreiwe,&quot; antwoordde
+hij heesch, met de hand op zijn ingevallen borst,
+kloppend.</p>
+
+<p>Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn
+groote, donkere oogen hadden nog steeds hun onheilspellend-starende
+uitdrukking van verwilderden
+angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel
+zat, leek hij niets meer op een boer: hij had
+een fijn besneden aristocratisch gezicht, van een
+vreemd-ziekelijke, geraffineerde fijnheid, als een
+schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren
+en zijn spits-krullenden, donkeren baard.</p>
+
+<p>Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien;
+en buiten, op den drempel zei de barones tot Rozeke:</p>
+
+<p>&quot;Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe
+man.&quot;</p>
+
+<p>Rozeke smolt in tranen.</p>
+
+<p>&quot;Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!&quot; klaagde
+zij. &quot;'k Geef ik hem alles woar da zijn herte noar
+lust, moar hij betert zeu troage.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog
+van heel de zomer niet.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n
+kan hij euk nie wirken. We zoeken ons noar nen
+twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten,
+mevreiwe, en w'h&eacute;n al zuk 'n slecht joar g'had
+mee zijn ziekte.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge
+iets noodig hebt zijn wij daar om u t' helpen.&quot;</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een
+bekwamen paardeknecht. Zij hadden hem hoogst
+noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend
+op den akker te wachten; en met de merrie was
+het ook al weer mis, die moest stellig opnieuw naar
+den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner
+schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar
+als reeds iedereen bezet is, en Alfons zat zich gansche
+dagen machteloos in zijn leunstoel van ongeduld
+en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer
+hoe dringerder werd en niemand zich kwam
+aanbieden. Het maakte hem ellendig en vertraagde
+zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke
+sprak hij reeds van uit zijn hoek te komen en zelf
+weer, zoo goed en zoo kwaad als het ging, te gaan
+ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar
+den hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag
+ochtend haastig van de vroegmis thuis kwam en
+hem zei:</p>
+
+<p>&quot;Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht
+wilt h&ecirc;n, nou es er ienen te krijgen; moar ... hij
+'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem zelve
+vroagen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wie est 't?&quot; vroeg Alfons gretig.</p>
+
+<p>&quot;Ivo Smul.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij.
+Hij es mee zijnen boer in ruzie geslegen en wiggegoan.
+'t Spijt de bezinne genoeg.&quot;</p>
+
+<p>Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich
+gevestigd, zat roerloos te peinzen en te staren.
+Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam, schrik-zwijgend
+achteruitgedeinsd.</p>
+
+<p>Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om.</p>
+
+<p>&quot;Wa peist ge 'r van?&quot; vroeg hij.</p>
+
+<p>&quot;Lijk of ge wilt,&quot; antwoordde zij ontwijkend, met
+benauwde stem.</p>
+
+<p>Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende
+hun nood en vreesde 't ergste indien hij aan zijn
+dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het werk
+te gaan. Was het reeds niet h&aacute;&aacute;r schuld geweest,
+dat hij in plaats van Smul op dien akeligen ochtend
+met de merrie naar den hengstboer reed en er
+zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen,
+zij durfde niet, 't mocht niet; maar ... de komst
+van Smul op hun boerderij, in hun dagelijksch leven,
+zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor,
+als voor den dood.</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l?&quot; drong hij aan, onder haar ontduikend
+antwoord en haar lang stilzwijgend ongeduldig
+wordend.</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l, lijk of ge wilt,&quot; herhaalde zij nog eens,
+hem bedroefd en bijna smeekend aankijkend.</p>
+
+<p>&quot;Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien
+antwoorde! 'K en wil ik niets! 'K en zoek ik moar
+om wel te doen!&quot; barstte hij verwijtend-opgewonden
+uit. &quot;Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge
+nie 'n wilt antwoorden!&quot;</p>
+
+<p>Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen,
+nog verder terug, terwijl Alfons, boos en geprikkeld,
+zich opnieuw tot Vaprijsken wendde.</p>
+
+<p>&quot;H&egrave;t ge 'r mee hem over gesproken?&quot; vroeg hij.</p>
+
+<p>&quot;Joa ik, boas.&quot;</p>
+
+<p>&quot;En h&egrave;t hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt.&quot;</p>
+
+<p>&quot;En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie
+gezeid?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels
+h&aacute;.&quot;</p>
+
+<p>&quot;En verwacht hij antwoorde doarop?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa en nien. Hij h&eacute; gezeid as hij van doage
+gien antwoord 'n ha, dat hij hem elders gijnk verhuren.&quot;</p>
+
+<p>Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om:</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke
+euk ne kier ou gedacht?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Haw&eacute;l, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt,&quot; antwoordde
+zij als versuft, met hooge kleur en op 't
+punt in tranen uit te barsten.</p>
+
+<p>&quot;Moar 'k en wil ik ni&egrave;ts, zeg ik ou!&quot; riep hij
+nijdig, &quot;'k Vroag ou joa of nie of 't ou gedacht es.
+Keunt-e doar nou nie op antwoorden?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l joa 't dan, joa 't, 't &egrave;s mijn gedacht!&quot;
+stamelde zij, bleek en bevend. Zij vond het ontzettend
+dat juist zij het beslissend jawoord moest geven.</p>
+
+<p>Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken
+om:</p>
+
+<p>&quot;Al gezeid.&mdash;Vaprijs jongen, goa gij weere noar
+'t dorp en zegt hem dat hij hier verhuurd es en dat
+hij hoe ier hoe liever zoe komen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Al gezeid, boas.&quot;</p>
+
+<p>Vaprijsken stak een pijp op en was buiten.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XVIII"></a>XVIII.</h2>
+
+
+<p>Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak
+en zak op 't boerderijtje. Kort en stug groetend
+kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was,
+knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den
+zolder was boven den paardenstal, droeg er met
+behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond
+reeds v&oacute;&oacute;r half negen in het keukentje werkklaar,
+met gefronsde wenkbrauwen vol aandacht luisterend
+naar de bevelen van zijn nieuwen meester.</p>
+
+<p>&quot;Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't
+es doanig neudig,&quot; zei Alfons met heesche stem.
+&quot;Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen
+woar dat hij ligt. Doarachter mo&ecirc;n we malgr&eacute; beginnen
+onz' eirdappels planten en oale voeren op
+de kloaver.&quot;</p>
+
+<p>Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds
+omgekeerd om naar zijn werk te gaan.</p>
+
+<p>&quot;Eet iest ulderen boterham,&quot; zei bedeesd Rozeke,
+terwijl ze haastig twee groote koppen volschonk
+met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen
+voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart
+roggebrood en legde op ieder een zware snee spek.
+Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en
+slurpend van hun groote koppen. Alfons, uitgeput
+door de inspanning van het bevelen-geven, zat af
+en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep
+gejaagd en onthutst heen en weer. Zij voelde zich
+plotseling als een vreemde in haar eigen huis; zij
+kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul,
+waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was,
+daar nu elken dag vast zitten zou, dat hij zou deelen
+in hun dagelijksch leven, dat hij met hen zou opstaan
+en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik
+zou hooren en zien. Het kwam haar voor als iets
+onmogelijks, dat toch in geen geval lang duren
+kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij
+daar zoo onbevangen en gewoon te eten en te slurpen
+zat, terwijl het h&aacute;&aacute;r zoo akelig bevreemdde en
+ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn
+vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje
+hartstochtelijk begeerd en met ruw geweld bijna
+genomen had. Doch alles ging zoo doodgewoon en
+zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was;
+hij vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan
+Alfons hoe dit en dat gedaan moest worden, waar
+hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar
+nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof
+hij haar niet zag en alsof ze voor hem niet bestond.
+Zoo gauw hij met zijn eten klaar was stapte hij op,
+liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en
+spande haar voor de driewielkar, waarop hij met
+een forschen til de zware horde laadde. En weg was
+hij, over den boomgaard en door 't open hek, door
+Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden,
+hem met een goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke
+van uit zijn hoek door 't raampje nakijkend.</p>
+
+<p>&quot;D&agrave; es ne go&ecirc;n, zille! en ne rappen! Kijk ne kier
+die merrie goan! Hij 'n zal d'r nie in sloap bij vallen,
+bij zijn wirk!&quot;</p>
+
+<p>Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten,
+hij dacht er niet meer aan. Hij zag enkel nog in
+Smul den knappen, flinken werker, die hen uit
+den nood kwam helpen.</p>
+
+<p>Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter
+gaan dan zij eerst dacht en vreesde; maar zij voelde
+wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was een
+vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees
+en ook van ontzag en een soort schaamte. Waarom
+schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar voelde
+'t zoo.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte
+van den heerlijken mei-ochtend, liep Alfons,
+door belangstellende nieuwsgierigheid gedreven, eens
+tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan 't eggen
+was.&mdash;Hij zag hem komen van het verste eind
+over den langen akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven
+hoofd flink-gelijkmatig in gestrekten vluggen
+pas aanschrijdend, en daarachter op de platte
+horde Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in
+de hand, telkens schuivend-glijdend in als 't ware
+wevende beweging over 't gladde, blonde land. Hij
+zag het gespan komen, ziender oog vergrootende,
+stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar
+het middenpunt waar het veld ietwat hooger lag, en
+dan weer naar de laagte dalen, de merrie snuivend,
+de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde
+gekomen was, waar Smul dan met een vluggen,
+zwierigen zwaai horde en paard deed omkeeren
+en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den
+akker opgolfde.</p>
+
+<p>&quot;Nondedzju! d&agrave; es ne wirkman! den dienen k&aacute;n
+watte!&quot; dacht Alfons met onbedwingbare bewondering
+alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul
+zoo aan den arbeid zag.&mdash;En lang nog bleef hij
+daar, op zijn stokje geleund, bewonderend staan
+staren en waardeerend genieten.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XIX"></a>XIX.</h2>
+
+
+<p>Langzamerhand, met de rust en met de mooie
+dagen, werd Alfons beter; maar hij was toch nog
+veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en
+rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch
+bij de minste inspanning begon hij weer te hijgen,
+te kuchen en te hoesten en dagen lang waren er
+dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te
+brengen. 't Zal moeten slijten, had de dokter gezegd;
+en nu hij toch zulke goede hulp had aan Smul en
+alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij
+zijn lot nog al geduldig op.</p>
+
+<p>Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan
+den toestand gewend geraakt. De vaste tegenwoordigheid
+van Smul kwam haar niet langer meer
+voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef
+natuurlijk en gewoon zijn kalmen gang gaan, hij
+poogde zich geen rechten aan te matigen die hem
+niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en
+met Vaprijsken verkeerde hij op goeden voet; en
+weldra genoot ook Rozeke iets van de rust en
+zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid
+op Alfons' gemoed heilzaam werkte.
+Die rust en zekerheid waardeerde zij te meer nu ze
+weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin
+als Alfons ware zij op 't oogenblik in staat
+geweest voor de eigenlijke zaken van de boerderij
+doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde
+het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer
+en meer door den sterken en actieven Smul bedisseld
+en beredderd werd.</p>
+
+<p>In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons
+vragen: &quot;Baas, zouden we dit of dat niet doen?
+zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te
+beginnen?&quot; Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken
+toestand niet altijd op de hoogte om te
+beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor
+dat hij zelf aan Smul moest vragen hoe die er
+over dacht en wat hij zou aanraden te doen. Zoo
+ging het toen het gras gemaaid moest worden en
+ook later toen het tijd werd om het koren in te
+oogsten. Smul was het die besliste, die de maaiers
+ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde.
+Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer
+aan; dat was in Smuls handen en hij zou wellicht
+niet geduld hebben dat een ander, zelfs de baas niet,
+zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee
+bij den hengst geweest, op een door hem alleen
+gunstig geacht oogenblik; en weldra leed het geen
+twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.</p>
+
+<p>Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende,
+algemeene bazigheid, zich ook met den koestal ging
+bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk was, en
+dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen
+de twee, totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts.
+Dat koestal-geharrewar werd nog ingewikkelder door
+een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij
+allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden
+waren reeds een paar keer gewisseld; en eindelijk,
+op een middag, voor een beuzel-kwestie van al of
+niet te geven klaver, kwam het tot een plotselinge,
+woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere
+Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en
+vloekend bij Alfons en bij Rozeke zijn aanklacht
+doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te kiezen
+hadden en dat hij wegging indien Smul nog
+langer bleef. Groot was de plotselinge ontsteltenis
+van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze doen?
+Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht
+en moeilijk kon hij op de hoeve gemist worden,
+maar onder de omstandigheden van het oogenblik
+kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen
+keus was niet twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk
+in, met heel veel moeite, na smeeken en vleien, om
+Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar
+dat was meteen de beslissende triomf voor Smul,
+die van af dat oogenblik de onbetwiste opperbaas
+der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn eigen
+zin wist te doen buigen.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XX"></a>XX.</h2>
+
+
+<p>Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe,
+werd Rozeke's tweede kind geboren:
+een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan toch
+precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts
+gedroomd had; en 't kind werd ook onder den naam
+van Marie gedoopt, ter eere van de Lieve-Vrouw en
+ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.</p>
+
+<p>Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn,
+verbleven op het hoevetje de laatste dagen v&oacute;&oacute;r hare
+bevalling, en ook Rozeke's vader en haar broeders
+kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones,
+met mooie geschenken voor de moeder en het
+kind. Rozeke had den laatsten tijd haar lieve jonkvrouw,
+zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden
+meer gezien; ook zij verwachtte haar eersteling
+tegen den winter en samen hielden zij nu lange en
+vertrouwelijke moederpraatjes. De maatschappelijke
+kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde
+en gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets
+meer dan twee liefhebbende vrouwen en verteederde
+moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog
+vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten
+alle twee. De jonge barones leefde nog steeds
+in de verrukking van haar zalig, onverdeeld geluk;
+en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst
+tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker
+en zijn gezondheid beter. Hij hoestte bijna niet
+meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien, halve
+dagen op den akker blijven.</p>
+
+<p>De jonge barones vertelde van haar man. Hij was
+op 't oogenblik in Frankrijk, met zijn automobiel,
+naar de groote wedrennen. Niet dat hij zelf nog mee
+deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en
+ook haar ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten
+meer mee te rennen; maar hij stelde er nog
+steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij
+hem gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij
+nu een heel mooi huis hadden in Brussel, vlak naast
+het huis van haar vader, waar zij 's winters zouden
+wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren
+worden. Rozeke moest er haar later eens met Alfons
+komen opzoeken, als zij haar kindje had.</p>
+
+<p>Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de
+uitnoodiging hoorde, kwam, op eenigszins misnoegden
+toon, met een bezwaar in 't midden:</p>
+
+<p>&quot;'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe.
+Nen boer en 'n boerinne mo&ecirc;n op ulder hof blijven;
+anders spelen knechten en meissens den boas!&quot;</p>
+
+<p>Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden
+haar reeds vanaf 't eerste oogenblik ge&euml;rgerd
+had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk vatte,
+meende zich te moeten verontschuldigen:</p>
+
+<p>&quot;Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle
+twie&euml; lijk lam? We mochten nog heul blije zijn da
+w' hem h&acirc;n.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Tuttuttut! al wa konten!&quot; riep moeder met boersche
+ruwheid, zonder zich aan de voorname tegenwoordigheid
+te storen; &quot;nen boas es nen boas en
+ne knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n
+deugt het niet. Mijne man h&egrave; euk dikkels ziek
+geweest en ik h&egrave; zeven kinders g'had: moar ne
+knecht of 'n meissen 'n h&acirc;n verdeeke! nie moeten
+probeeren van in &ograve;nz' ploatse boas of bezinne
+te spelen! Ze zo&ecirc;n rap op stroate gevlogen h&ecirc;n!
+Voader gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn
+bienen kon stoan en den uchtijnk dat-e gij geboren
+zijt h&eacute; 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut! al wa
+konten, zeg ik.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan
+h&ecirc;n? Ge 'n hadt gulder giene knecht of gien meissen,&quot;
+weerlegde Rozeke.</p>
+
+<p>De jonge barones, die van de gansche toebracht
+niets begreep, zette verwonderde oogen op.</p>
+
+<p>&quot;Waarvan is er kwestie?&quot; vroeg zij eindelijk.</p>
+
+<p>Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt,
+ieder op haar manier, Rozeke even boos omdat moeder
+zoo beslist sprak over iets waar zij eigenlijk veel
+te weinig van af wist.</p>
+
+<p>De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende
+oogen aan.</p>
+
+<p>&quot;O, Rozeke, ge zult toch nooit....&quot;</p>
+
+<p>Zij kon haar zin niet voltooien, z&oacute;&oacute; hartstochtelijk
+viel Rozeke haar in de rede:</p>
+
+<p>&quot;Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel
+van mij?&quot;</p>
+
+<p>Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen,
+zij barstte plotseling in overstelpende tranen uit,
+zwak nog na haar laatste kinderbed, en verweet
+scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden,
+slechten naam gaf.</p>
+
+<p>De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's
+schouder en bracht haar zoet-sussend tot
+bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets verkeerds
+bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen.
+Zij waren gelukkig alle twee en moesten
+hun geluk steeds waardig blijven.</p>
+
+<p>Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:</p>
+
+<p>&quot;Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch
+op de weireld 'n h&egrave;: da Alfons weere stirk en gezond
+genoeg zoe meuge worden om den anderen
+te keune missen. &Igrave;k 'n h&egrave; hem nie gevroagd; &igrave;k ...
+zoe hem veel liever ... noeit op ons hof genomen
+h&ecirc;n&mdash;'t Es Alfons zelve die 't gewild h&egrave;t. Hij ...
+hij ... hij h&egrave; mij gedwongen hem te nemen....&quot;</p>
+
+<p>Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen.
+Alfons kwam daar, over den zonneglinsterenden
+boomgaard, glimlachend, met zijn spade op den
+schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte
+borst en hooge schouders, maar zijn gelaatskleur
+was gezonder en de uitdrukking zijner zacht-donkere
+oogen opgeruimd en levendig.</p>
+
+<p>&quot;Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?&quot; vroeg
+hij aan de jonge barones; en toen zij hem vriendelijk
+had gelukgewenscht met het kind keek hij even,
+als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur
+en ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.</p>
+
+<p>Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling
+luid zweepgeklap en klonk de ruwe stem van Smul,
+die een bevel schreeuwde. Zij keken door het raampje
+en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren
+opgereden komen. Met gestrekte spieren trok de
+zware, bruine merrie, al haar krachten inspannend
+om den wagen door den mullen grond tot v&oacute;&oacute;r de
+schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul
+aan de leidsels en Vaprijsken hield, duwend met
+een lange vork, de iewat scheef geschokte lading
+in het evenwicht.</p>
+
+<p>Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst,
+bromde, met van moeielijk ingehouden toorn bevende
+stem:</p>
+
+<p>&quot;Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen
+in h&ecirc;t! 'K 'en weet toch nie wat da peist, Fons, da
+g'hem da nie verbiedt!&quot;</p>
+
+<p>Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:</p>
+
+<p>&quot;'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur
+'n klein eindsjen en hij doe 't toch om wel te doen.
+Hij es schouw veur onweer en hij hoast hem binnen
+mee 't loaste van den oest.&quot;</p>
+
+<p>Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende
+weg. Rozeke zat starend, met teedere oogen, te kijken
+naar haar jongste kind in 't wiegje en de barones gaf
+een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler,
+die v&oacute;&oacute;r haar voeten lag, en stond op. Zij duwde
+met haar zachte vingeren twee kleine kuiltjes in de
+mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte
+het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefdetranen
+in de oogen om.</p>
+
+<p>&quot;Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?&quot;
+durfde Rozeke haar fluisterend op den drempel
+vragen.</p>
+
+<p>&quot;Ik denk einde December,&quot; antwoordde stil de
+barones, zacht-kleurend.</p>
+
+<p>&quot;En wa moet 't zijn?&quot; glimlachte Rozeken,... 'n
+jongentsjen of 'n meisken?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn,
+Rozeke, maar wij hopen een jongen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;'K zal d'r veure lezen, mevreiwe&quot; beloofde Rozeke
+met ontroerde vroomheid.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXI"></a>XXI.</h2>
+
+
+<p>Alweer werden de dagen korter en de bladeren
+begonnen bruin en geel en rood te kleuren op de
+kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere
+zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als
+kleine lijkbidders in lange, onbewegelijke rijen op
+de kroonlijst van het huis en van de stallen, geduldig
+wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht
+naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge,
+zwarte benden raven, droef-krassend in de kil-grijze,
+mistige lucht, over de naakte akkers zwerven. De
+winter naderde, als een t&eacute; wel bekende oude gast,
+met triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige
+vreugde stierf in grijze droefheid om hem heen,
+en 't was of hij de menschen v&oacute;&oacute;r zich wegjoeg: zij
+vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere
+huisjes en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend
+haardvuur. Alfons was een der eersten,
+die voor den ouden barren grijsaard huiverend in
+den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den
+langen, schoonen, warmen zomer allengs in hem
+uitdoofde en wegstierf en of hij langzaam aan verstijven
+zou, rillend met angstige oogen en hoog-opgetrokken
+knie&euml;n bij den haard.</p>
+
+<p>Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed
+niet, maar weer was hij aan 't hoesten en aan 't
+kuchen; en alleen 't gezicht der grijze, stille, kille
+lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst
+en afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen
+vijand zat, die op hem loerde. Zijn groote
+donkere oogen staarden soms als in verwildering
+door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen
+werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere
+handen schenen zich uit te lengen en als 't ware doorschijnend
+te worden, licht-bevend-uitgestrekt als ze
+daar lagen op zijn magere, knokkelige knie&euml;n. Zelden
+had hij eetlust, en gansche dagen, zonder iets
+uit te voeren, voelde hij zich zwak en moe als na
+langdurigen, afmattenden arbeid.&mdash;Toen zat hij stil
+te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend
+iets heesch en fijn piepen, alsof er in zijn binnenste
+een klein, benauwd beestje gevangen zat, dat vruchtelooze
+pogingen aanwendde om te ontsnappen.</p>
+
+<p>En weer ook leefde Rozeke in kommer en in
+angst. Zij voelde aanhoudend de zwevende dreiging
+van een ramp, die plotseling uit zou kunnen barsten.
+&mdash;&quot;Loat ons liever den dokteur nog ne kier
+hoalen,&quot; smeekte zij telkens, om ten minste uit haar
+kwellende onzekerheid te geraken; maar hij wilde
+niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen
+enkele onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat,
+niets; hij hoestte alleen maar wat en 't was de winter
+die in hem zat, niets anders dan de winter en met
+de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en
+de bloemen, weer naar buiten komen.</p>
+
+<p>Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de
+eerste schoone dagen; en 't waren vooreerst koude
+ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden en 't
+waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen
+boomgaard fladderden. De barre, grijze
+winterman was overal, en in alle stille boerderijen
+van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige
+menschen van de verdere wereld afgezonderd.
+De menschen leefden in het huiselijk familiegroepje
+hun beperkt bestaan; en lief en leed van meesters en
+dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid
+binnen de nauwe, warme muren opgesloten.</p>
+
+<p>Enkele dagen v&oacute;&oacute;r nieuwjaar ontving Rozeke
+met de post een mooi gedrukt kaartje in een fijne
+enveloppe. De jonge barones had een zoontje;
+dat was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in
+als in eigen geluk, als in een straal van hoop en
+verlichting over haar eigen kwellend leed van 't
+oogenblik.</p>
+
+<p>Maar helaas!... h&aacute;&aacute;r zou de sombere winterman
+nog wreed beproeven.</p>
+
+<p>Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk
+te bed liggen. Hij was nooit vroeg de laatste
+weken; vooral gedurende de eerste uren van den dag
+voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden
+lang. Maar 't werd acht uur, half negen; en Rozeke
+had in de keuken 't lampje uitgeblazen en zag, onder
+het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen van
+Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den
+boomgaard, waar het Geluw Meuleken met twee
+volle emmers uit den stal kwam, en nog steeds was
+hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn
+koffie stond reeds klaar en hij zou koud en bitter
+worden; en de dun-gesneden, tarwe-boterhammetjes
+zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet
+haar kinderen even in de steek en ging eens op het
+steen en trapje van de voute-kamer luisteren:</p>
+
+<p>&quot;Alfons!&quot; riep ze, &quot;'t es al over half negen en ou&euml;
+k&agrave;ffee zal slecht worden. Zoe-je nie opstoan?&quot;</p>
+
+<p>Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half
+donker kamertje als antwoord tegen. Zij schrikte
+hevig, holde de drie steenen treden van de voute op,
+en stond v&oacute;&oacute;r 't lage bed:</p>
+
+<p>&quot;Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?&quot;</p>
+
+<p>Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts,
+een breede donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op
+'t grijze kussen. Instinctmatig stak zij er de hand
+naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep
+als door een gruwel-intu&iuml;tie, wat het was. Zij vloog
+naar 't raampje, rukte 't blind weg, ontwaardde een
+donkerroode kleur aan hare vingertoppen, keek
+schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op
+'t kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw
+als van een doode. Zij vloog de trappen af,
+huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend het woord,
+het gruwelijk schorre woord: &quot;bloed! bloed! bloed!&quot;
+schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen
+en weer als een krankzinnige, tot zij op het Geluw
+Meuleken en op Vaprijsken stootte en duizelend voor
+hun voeten in elkaar stortte.</p>
+
+<p>Alfons had bloed opgegeven!&mdash;Toen de dokter,
+in allerhaast door Smul te paard gehaald, op het
+hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen
+en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op
+het bebloede hoofdkussen.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXII"></a>XXII.</h2>
+
+
+<p>De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen
+groefden zich gedurende dien droeven winter
+onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo frisch
+en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst
+verslapte, haar rug werd gebogen en hare schouders
+zakten. Eene bestendige uitdrukking van angst
+lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar
+oogen en om de hoeken trokken zich haar oogleden
+omlaag, alsof zij, zwaar van droefheid, dreigden
+dicht te zullen vallen.</p>
+
+<p>Zorgen, zorgen en n&ograve;g zorgen ... aldoor zwaardrukkende
+zorgen!&mdash;De crisis was voorbij, hij
+was weer op de been en zat in 't hoekje van den
+haard, maar onbekwaam met iets zich te bemoeien,
+levend als een teer, ziekelijk plantje in een warme
+broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar
+beiden kinderen namen al haar tijd in beslag,
+eischten al haar zorg van ieder oogenblik, en het
+gansche beheer en bedrijf der boerderij moest aan
+de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul,
+van 't Geluw Meuleken en van Vaprijsken worden
+overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook
+haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de
+beurt; doch wat baatte het? Zij konden nooit langer
+dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook dadelijk
+aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen
+met Smul, maar ook nog met het Geluw Meuleken
+en met Vaprijsken, die allen veel voor Alfons en
+voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te
+gaan indien zij gedwongen werden aan vreemdelingen,
+zooals zij Rozeke's ouders en familieleden
+noemden&mdash;te gehoorzamen.</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l, loat ze goan en neemt er ander!&quot; had
+moeder Van Dalen reeds meer dan eens nijdig uitgeroepen.
+Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders
+op: moeder leek wel gek haar zulken raad te
+willen geven. Wat zou ze, wat kon ze, geboeid en
+gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende
+dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders
+komst eerder te vreezen dan te verlangen: en alles
+ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het kon,
+en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos
+bij den ellendigen toestand neer.</p>
+
+<p>De lente naderde nog eens en met de eerste
+schoone dagen kwam weer de drukte van 't werk
+op den akker.</p>
+
+<p>Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar
+haar zin niet handelde en zette haast geen voet
+meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar
+zelden en La en haar broeders hadden 't nu op
+Van Dalen's eigen boerderijtje druk genoeg. De
+dokter had uitdrukkelijk aan Alfons verboden zich
+voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon
+Rozeke niet anders dan Smul en Vaprijsken volle
+vrijheid van handelen geven. Zij riep hen bij elkaar
+en smeekte hen met tranen in de oogen haar te
+willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden
+ook trouw hun woord. Zij werkten als voor eigen,
+maar regeerden ook als eigen goed wat hun was
+toevertrouwd. Vooral Smul. Die was d&egrave; echte baas
+geworden, aan wien zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij
+van 't vorig jaar, als een onderdaan gehoorzaamde.
+Smul besliste, beval, eischte van de anderen
+de slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde
+Rozeke soms haar prestige van bazin nog te doen
+gelden, maar zij voelde zich nog steeds zoo heimelijk
+bang voor hem; en bij de minste opmerking
+keek hij haar aan, z&oacute;&oacute; vrijpostig en brutaal, dat de
+woorden in haar mond versteven, terwijl zij, telkens
+kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten
+gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch
+mocht zij zoo niet blijven dulden: op een namiddag,
+tegen avond, had zij Smul, bijna op heeterdaad,
+betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur.
+Zij waren haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling
+verschijnen en dien dag had ze geen gelegenheid
+meer gehad h&egrave;m het gebeurde te verwijten;
+&mdash;zij wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou
+hebben&mdash;maar het Geluw Meuleken had ze duchtig
+onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken,
+die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook
+eensklaps brutaal en onbeschaamd geantwoord; en
+met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen den
+toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht
+gelukkig achten wanneer ze slechts maar alles deden
+wat hun beliefde, zonder haar verder in den steek
+te laten.</p>
+
+<p>Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan
+hulp, aan iets goeds en vriendelijks, dat haar wat
+op kon beuren; en met het vurigste verlangen zag
+zij uit naar de komst der jonge barones, die van
+haar droevigen toestand op de hoogte was en beloofd
+had haar zeer spoedig na hun intrek op 't kasteel
+te komen opzoeken.</p>
+
+<p>En op een middag kwam zij, schitterend mooi
+van gezondheid en van moederlijk geluk, met haar
+zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door een
+jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel
+en witte muts met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite,
+op den rug hangende linten, werd
+geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar
+eigen zoo zwaar contrasteerende droefheid, begon
+dadelijk bij 't eerste zicht, overvloedig te schreien,
+terwijl zij, als in een vurig, zwijgend smeeken, herhaaldelijk
+de hand harer voorname vriendin en weldoenster
+kuste. Toen keek zij naar het kindje in de
+wieg en sloeg, nu schreiend van emotie en bewondering,
+de handen in elkaar.</p>
+
+<p>&quot;Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun
+ijngelke van 'n kind!&quot; herhaalde zij met bibberende
+stem.</p>
+
+<p>&quot;Niet waar!&quot; riep trotsch de jonge moeder. Maar
+zij voelde dat haar te rijk geluk het arme boerevrouwtje
+leed moest doen en vroeg haar met bezorgd
+gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem
+kon zien.</p>
+
+<p>&quot;Kom binnen, mevreiwe,&quot; riep Rozeke; en zij
+wilde ook de min met het wagentje doen binnenkomen.
+Maar de jonge barones sprak met schielijken
+angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot
+de min, die dadelijk met het wagentje omdraaide
+en onder de boomen heen en weer ging rijden,
+terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.</p>
+
+<p>Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter.
+Hij had haar door het raam gezien en hooren binnenkomen
+en hij was uit zijn leunstoel opgestaan,
+angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende
+oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden
+glimlach op zijn blauwachtige lippen. Een
+groote, zwartwollen bouffante was dubbel om zijn
+ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en
+heesch als kwam zij uit een kelder, toen hij de bezoekster
+welkom heette en verzocht om te gaan zitten.</p>
+
+<p>De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't
+diepste medelijden aangegrepen. Zij had niet gedacht
+dat het z&oacute;&oacute; erg was met hem; zij schrikte van zijn
+uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk
+te verbergen.</p>
+
+<p>&quot;Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel
+beter, e-woar, nou dat de scheune doagen beginnen
+te komen?&quot; vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als
+wilde zij niet alleen h&egrave;m, maar ook nog zichzelf
+met een bedriegelijke illuzie troosten.</p>
+
+<p>&quot;Zeker, zeker,&quot; antwoordde machinaal de barones,
+terwijl het in haar keel kropte van meelijdende
+droefheid.</p>
+
+<p>Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig,
+als was hij bang voor een geduchte hoestbui en zijn
+bleeke lippen glimlachten met inspanning, terwijl
+zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:</p>
+
+<p>&quot;As 't moar 'n beetse goe weer 'n blijft, mevreiwe;
+as ik moar weere buiten in de zonne kan goan zitten.
+'t Es toch zeu triestig, altijd in huis.&quot;</p>
+
+<p>Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk
+in vreemde schittering toelachten, omsluierden
+zich plotseling als 't ware met een floers van wanhopige
+droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou
+hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij
+hadden 't gezien en innig gevoeld alle twee en Rozeke
+keerde zich eensklaps naar het raampje om
+met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets
+als een ijskoude stilte in haar binnenste voelde neerzijgen.
+Zij peilde plotseling de diepte van een onuitsprekelijke
+levenssmart vlak naast haar eigen jong
+en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden
+en van angst, terwijl haar oogen even als verstard
+gevestigd bleven op het gelouterd en nobel
+gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput
+en hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk
+omvademd reeds door de sombere schim van den
+dood.</p>
+
+<p>Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan,
+om haar te begroeten, maar zij verzocht hem
+dringend stil te blijven zitten; en aan de deur keek
+zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en
+knikte hem ontroerd en vriendelijk toe, terwijl het
+wit wagentje met haar kind in feestelijke zonneglinstering,
+onder de witte en roze bloemenkruinen
+van den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes,
+over het heldergroene gras tot haar
+genaderd kwam.</p>
+
+<p>O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid
+en blijheid van zonnelicht en levenslente in al 't verjongde
+en uitbundige feestgetij van de herlevende
+natuur,... en d&aacute;&aacute;r die bleeke uitgemergelde gestalte,
+als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en
+in 't schemerduister van het laaggebalkt en zwart-gerookte
+keukentje!...</p>
+
+<p>Buiten nam zij Rozeke apart en zei:</p>
+
+<p>&quot;Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien
+is hij nog te redden. Luister, ik heb daar iets bedacht.
+In 't Zuiden, daar waar wij op onze huwelijksreis
+geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders
+genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den
+volgenden winter niet doorbrengen; hij zou ook niet
+kunnen. Met November gaan wij weer naar 't Zuiden,
+voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen
+en wij zullen hem daar eenige maanden doen verplegen.
+Wie weet, het is misschien nog niet te laat.
+Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug.&quot;</p>
+
+<p>Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij
+begreep niet, zij geloofde niet, alles verwarde in
+haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat hij maanden
+lang van haar weg zou gaan; en 't was voor
+haar of men hem dood uit 't huis zou dragen.</p>
+
+<p>&quot;O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan
+hij hier nie wig! hij 'n zal hij nie willen!&quot; riep ze,
+schor van angst.</p>
+
+<p>&quot;Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna
+met zekerheid te zien sterven; of ginder nog de
+kans op een mogelijke genezing te wagen?&quot; vroeg
+de barones met droef-ernstig gelaat.</p>
+
+<p>Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende
+oogen van kwellende ontroering.
+Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij was
+verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich
+de werkelijkheid niet van voorstellen. En hoe moest
+het op de boerderij ook gaan als hij eenmaal weg
+was?&mdash;Och neen, het kon niet, het zou ook niet
+gebeuren; de jonge barones stelde dat maar voor
+om iets te zeggen, om haar wat te troosten. Maar
+zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend
+schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar
+vraagstuk, terwijl zij, toch werktuigelijk dankend,
+hare weldoenster met het schitterend-blank
+kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan
+'t hekje vergezelde....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXIII"></a>XXIII.</h2>
+
+
+<p>Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij.
+Met de schoone lange dagen voelde Alfons zich
+weer veel beter en hij kon buiten zitten v&oacute;&oacute;r het
+huis in de schaduw of langzaam slenteren in de
+zon, over de wegen van zijn akker.&mdash;Maar niet
+zoo gauw kwamen de kortere dagen en de langere,
+dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig
+binnen, als voelde hij zich door een gevreesden
+en geheimen vijand achtervolgd.</p>
+
+<p>Op een ochtend in de laatste dagen van October
+kwam de barones hem met den dorpsgeneesheer
+in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een
+afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk
+begon de dokter over het heilzaam verblijf in het
+Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als die
+waaronder Alfons kwijnde.</p>
+
+<p>Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat
+de zieke in zijn leunstoel bij den haard te luisteren
+en te beven; en ook Rozeke zuchtte en beefde, als
+voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet
+meer ontsnappen konden. Den ganschen zomer had
+het hun als een dreiging boven 't hoofd gehangen;
+en nu de barones er zoo beslist weer over begon,
+gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen
+zij aan de gevreesde noodzakelijkheid geen ontkomen
+meer. Zij beschouwden het beiden als een niet
+te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel
+goed bedoeld, maar toch huns ondanks, werd opgelegd
+en waaraan ze zich te onderwerpen hadden
+omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar
+nederige onderdanen waren.</p>
+
+<p>&quot;Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe,&quot; zuchtte
+hij: &quot;ge zij gulder onz' miesters en we moeten wij
+g'heurzoamen, e-woar?&mdash;Moar al da wirk hier!...
+en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!...&quot;</p>
+
+<p>De barones werd bijna boos.</p>
+
+<p>&quot;Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!&quot; riep zij
+ge&euml;rgerd. &quot;Ik wil u toch niet dwingen en ik doe
+het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe het maar
+om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet
+meer k&ugrave;nt genezen.&quot;</p>
+
+<p>Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle
+lijders-oogen keken haar even dankbaar aan.</p>
+
+<p>&quot;'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge
+veur ons zijt,&quot; verontschuldigde hij zich; &quot;moar 'k
+vrieze dat 't hier slecht zal goan op 't hof, mevreiwe,
+as ik hier in zeu lank nie 'n ben.&quot;</p>
+
+<p>&quot;'t Moe n&ograve;&ugrave; wel goan; ge 'n keun gij nou toch euk
+nie wirken,&quot; kwam de dorpsdokter in 't midden.</p>
+
+<p>&quot;Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie
+wirken, moar 't es toch zulk 'n greut verschil as
+ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan
+hij nie wirken,&quot; antwoordde de zieke met triestigen
+glimlach.</p>
+
+<p>Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't
+besloten was en dat het zou gebeuren. En zij stribbelden
+niet langer tegen; een vage, verre hoop verzachtte
+hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen
+moesten, hoe hij daar komen zou, hoe ver hij reizen
+moest, waar hij eten en slapen zou, hoe lang het
+duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg
+als hij eenmaal vertrokken was.</p>
+
+<p>&quot;Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met
+ons mee en wij zullen voor alles zorgen,&quot; zei de
+barones.</p>
+
+<p>&quot;Moar hij 'n h&egrave; hij gien klieren, mevreiwe, om
+ginter bij al da rijk volk te zijn! En wa moet hij
+ginter klappen? Hij 'n kent hij gien Fransch!&quot; zei
+Rozeke bezwaard.</p>
+
+<p>&quot;Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker
+u dat hij niets te kort zal hebben,&quot; herhaalde de
+barones. &quot;Ik heb er naar ginder al over geschreven.
+Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die
+ook heel goed Vlaamsch verstaat en als een kind
+des huizes hem zal ontvangen.&quot;</p>
+
+<p>Zij zwegen.&mdash;Sterker werd de vage hoop en de
+tegenzin verzwakte. Hun angst voor 't onbekende
+was zoo groot niet meer en zij luisterden met ontroerde
+belangstelling naar de verhalen van de barones
+en van den dokter, die daar ook geweest was,
+over de prachtige natuur van bosschen en bergen,
+over de warme zon die er gansche dagen aan den
+blauwen hemel stond, over de bloemen en vruchten,
+die er den ganschen winter, schooner en rijker
+dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het
+was er werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de
+oude schoolmeester het opgetogen noemde, en de
+dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:</p>
+
+<p>&quot;'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n
+plezierreisken trekteerde. Ze zo&ecirc;n 't mij gien twie
+kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan hier
+heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te
+zitten.&quot;</p>
+
+<p>Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook,
+eindelijk verzoend met het gevreesde denkbeeld;
+en inniger glansde de hoop op de toekomst, als een
+zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving
+en geluk.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXIV"></a>XXIV.</h2>
+
+
+<p>De vijftiende November was de vastgestelde dag
+voor het vertrek. Rozeke's ouders, vooral haar moeder,
+die eerst erg het plan afkeurde, hadden er zich
+eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den
+vorigen avond op het boerderijtje, waar zij de laatste
+maanden, na het geschil ter wille van Smul, haast
+niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend verschenen
+ook Rozeke's broeders en haar zuster La.</p>
+
+<p>Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel
+Alfons afhalen. Rozeke zou hem tot aan het naastgelegen,
+klein station vergezellen waar zij de baronsfamilie
+zouden vinden.</p>
+
+<p>Het was een drukte en een emotie voor de gansche
+buurt. Boer Lauwe en zijn gezin, die zij anders maar
+weinig zagen, de menschen uit het werkmanshuisje
+vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek,
+kwamen op het boerderijtje of stonden wachtend
+bij het hek te kijken. Van v&oacute;&oacute;r half negen was boer
+Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook
+de nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens
+de goede gelegenheid te baat nam om over zijn nog
+niet verkregen pensioen-verhooging te spreken en
+ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart
+uit het verre wonderland te ontvangen.</p>
+
+<p>Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna
+gekleed als een heer, met een rond zwart hoedje en
+een lange, warme winterjas. Dat waren al geschenken
+van de jonge barones en de buren voelden wel
+een beetje jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip
+waar Alfons naartoe ging, maar zij beschouwden 't
+allen als een soort plezierreisje, als een rijke-menschen-gril,
+bijna bespottelijk voor een boer.</p>
+
+<p>Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met
+Rozeke in 't mooie rijtuig. Zijn kinderen had hij
+nog eens voor het laatst gezoend en die keken hem
+nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht
+overeind, met groote oogen van verwondering op
+een tafel, Marietje met een &quot;tsjoezeken&quot; <a name="FNanchor_2_2"></a><a href="#Footnote_2_2"><sup>[2]</sup></a> in den
+mond op den arm van La, die met een vuurrood
+gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden
+in een groep nieuwsgierigen, de dikke wangen
+vettig glimmend, met korte zenuwschokjes van haar
+puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd
+naast, zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat
+haast zonder uitdrukking.</p>
+
+<p>De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand
+in 't rijtuig drukken en nam zijn hoed voor hem af,
+als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd, met een
+strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den
+meester voor zijn vriendelijke belangstelling en
+drukte ook de hand van den ouden boer Dons, die
+bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen
+riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken
+bij zich en deelde hun nog eens zijn laatste bevelen
+uit, er bij voegend dat hij trouwens niet lang weg
+zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd
+en had hem ten slotte beslist met de verre reis
+verzoend. Hij zo&ugrave; gaan, aangezien allen het goed
+voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich
+dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De
+barones had hem trouwens zijn reisbiljet laten zien,
+dat meteen een retour-biljet was, geldig voor drie
+maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was
+voor drie maanden was ook geldig voor drie weken
+en nog minder, en daarmee wist hij genoeg. Hij zei
+het nog eens, glimlachend, maar met nadruk, opdat
+Smul en de anderen het goed zouden hooren en
+onthouden: &quot;meschien ben ik hier te noaste week
+al weere!&quot;</p>
+
+<p>Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig
+met het hoofd, begrijpend wat hij zeggen
+wilde; Smul, integendeel, slechts even knippend
+met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een
+bruut, zonder zijn stuurschen blik tot zijn baas op
+te slaan. Maar de oude schoolmeester kwam deftig
+weer in 't midden, verzekerend dat het geen twijfel
+leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl
+een ieder hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en
+de oude, kluchtige boer Dons gooide 't op een grapje:</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l joa!&quot; schreeuwde hij, &quot;en as ge begint te
+voelen da z'ou hier neudig h&egrave;n, ge schiet ou weer
+op de vapeur en ge komt thuis gevlogen lijk 'n
+zwoaluw!&quot;</p>
+
+<p>Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om
+en reed van 't erf. La deed Marietjes kleine handjes zwaaien
+achter 't raampje en Hilairken reikhalsde
+naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen
+het ruitje, terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het
+wegtrekkend rijtuig volgden. Moeder stond te schreien
+en te schokken; de buren riepen hem &quot;goe reize&quot;
+na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't
+rijtuig en in haar emotie en verwarring knikte
+Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor maanden
+lang op verre reis ging. Zij waren weg, een
+laatste maal zag hij zijn grijzen winterboomgaard,
+zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was 't uit:
+het rijtuig schommelde in vollen draf over den
+hobbeligen landweg naar het kleine station, waar
+de jonge barones met man en kind en meid reeds
+op zijn komst stonden te wachten.</p>
+
+<p>Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik
+der lange scheiding eindelijk gekomen was
+en zij barstte in tranen uit.</p>
+
+<p>&quot;Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het
+voor zijn gezondheid, voor zijn leven is,&quot; trachtte
+de jonge barones haar te troosten.</p>
+
+<p>Maar Rozeke k&ograve;n zich niet bedwingen, zij stikte
+in haar tranen en zij smeekte, beurtelings tot den
+baron en tot zijn vrouw gewend:</p>
+
+<p>&quot;O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt
+hem ginter toch tegen zijn goeste nie hou&ecirc;n, e-woar?
+Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't ginter
+nie 'n kan geweune worden?&quot;</p>
+
+<p>Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven
+haar de verzekering dat hij volkomen vrij was van
+terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar dat
+het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en
+de barones beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks
+zou gaan opzoeken en haar twee of driemaal
+in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke
+had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar
+dikwijls schrijven om hem van alles op de hoogte
+te houden en gerust te stellen. En hoe gelukkig
+zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de
+eerste lentedagen krachtig en genezen weer bij haar
+terug kwam.</p>
+
+<p>Daar kwam de trein in de verte aangereden.
+Alfons, die zich tot dan toe betrekkelijk goed gehouden
+had, barstte bij dat zicht ook plotseling in tranen
+uit:</p>
+
+<p>&quot;Rozeke, Rozeke, adzju!&quot; snikte hij, haar de hand
+reikend.</p>
+
+<p>De enkele andere reizigers, die op 't perron van
+'t kleine station stonden, drongen verwonderd en
+meewarig om hen heen. De barones werd zenuwachtig,
+de baron zette een verveeld en misnoegd
+gezicht. De meid met het kind stond terzijde stil te
+spotlachen.</p>
+
+<p>&quot;C'est idiot!&quot; bromde de baron tegen zijn vrouw.
+&quot;Ne dirait-on pas qu'on leur veut du mal! Voyez
+tout ce monde autour d'eux; un v&eacute;ritable attroupement.
+Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que
+nous leur devons un peu notre propre bonheur,&quot;
+sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde
+haar toch ook en zij ging er een eind aan
+maken.</p>
+
+<p>&quot;Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus
+en wees eens vroolijk voor het afscheid,&quot; zei ze
+opgeruimd.</p>
+
+<p>Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden
+en snikten hoe langer hoe heviger en toen de trein
+v&oacute;&oacute;r 't stationsgebouwtje stilhield krompen zij van
+smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld
+haast moest de barones hen scheiden en Alfons naar
+zijn coup&eacute; duwen, een tweede-klas terwijl de baron,
+'t gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast
+in eerste stapte.</p>
+
+<p>&quot;Kalm nu, kalm nu,&quot; herhaalde de barones wrevelig
+en dringend; en, met van emotie hooggekleurde
+wangen, ging zij ook haar plaats innemen.</p>
+
+<p>Eensklaps werden zij kalm, alle twee.</p>
+
+<p>'t Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het
+leek haar eensklaps of een vreemdeling daar zat,
+een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar toelachende
+vreemdeling; en zoo reed de trein met hem
+weg: hij vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing
+starend en toen hij reeds een heel eind verre
+was, stond ze nog maar aldoor vreemd te staren, de
+oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog
+harer verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid
+der mogelijke gebeurtenissen en roerloos
+daar te wachten stond tot het normale leven weer
+in haar zou opkomen.</p>
+
+<p>Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een
+huivering zich omkeerend, zag ze den koetsier van
+het kasteel, die hen naar 't station gebracht had,
+voor haar staan.</p>
+
+<p>&quot;Goa-je weere mee, vreiwken?&quot; glimlachte de man.</p>
+
+<p>Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling
+tot de werkelijkheid terug.</p>
+
+<p>&quot;O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete,&quot;
+antwoordde zij zenuwachtig, als in een soort van
+angst.</p>
+
+<p>De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze
+spanning keek ze nog even in 't verschiet over
+de eindeloos lange en rechte glinstering van rails
+langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij
+ook het kleine stationsgebouw en v&oacute;&oacute;r haar lag het
+naakte, grijze winterveld als een andere oneindigheid
+zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en
+leeg, dat het haar nu te moede werd of zij daar liep
+als een verdwaalde, zwakke vreemdelinge, in hopelooze
+droefheid maar recht v&oacute;&oacute;r zich uit loopend,
+aldoor loopend, zonder doel en zonder eind.</p>
+
+<p>Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje
+en vond er nog haar moeder en haar zuster
+en haar kinderen; en het leek haar nu weer alsof
+er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de
+eentonige gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul
+was, als iederen ochtend, met ploeg en paard en
+egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel
+klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen
+op den harden schuurvloer, de groote waakhond lag
+rustig te loeren, half in half uit zijn hok, de zwarte
+poes zat knippend met zijn gouden oogen v&oacute;&oacute;r het
+haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het
+achterhuis was 't Geluw Meuleken de boterkarn
+aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn gewonen
+gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje
+verkleeden en dan weer, naast 't wiegje
+van haar jongste kind, bij 't kleingeruite vensterraampje,
+aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder
+zat bij het haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar
+handen op haar knie&euml;n en begon een praatje; La,
+die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen
+meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig
+door elkander rammelen. Zij spraken natuurlijk over
+hem die nu reeds verre aan 't reizen was: moeder
+steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch
+nu iets minder pruttelig, La opgewekt en vol verlangen,
+met frissche, glimlachende lippen en blinkende
+oogen als van een jong, gevangen vogeltje,
+dat droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme,
+blijde zonneruimte....</p>
+
+
+<p><a name="Footnote_2_2"></a><a href="#FNanchor_2_2">[2]</a> Dotje.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXV"></a>XXV.</h2>
+
+
+<p>Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste
+tijding: twee korte briefkaarten; een van de barones
+en een van Alfons. Hij was goed aangekomen,
+hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar
+toch opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige
+kamer en de streek was 't schoonste wat een mensch
+op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal ingericht
+was, zou hij haar een langen brief schrijven.</p>
+
+<p>Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden,
+de eenzaamheid, alles scheen haar eensklaps veel
+lichter en gewoner om te dragen dan ze eerst gevreesd
+had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende
+berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij
+zich ergens ophield in de buurt, waar zij hem elk
+oogenblik, als 't noodig was, kon zien en spreken.
+Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed
+om hem; zij stelde zich niet langer allerhande ingebeelde
+rampen voor; maar met een trillende emotie
+van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten
+langen brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op
+gestelden dag en uur, haar door den postbode overhandigd
+werd.</p>
+
+<p>Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste
+indrukken en ontboezemingen. De plaats en streek
+waar hij thans was wist hij niet duidelijk te noemen;
+hij noemde het &quot;ginter&quot;, in tegenstelling met
+&quot;hier&quot;, waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde.
+En 't maakte eerst op Rozeke een vreemd-verwarden
+indruk; het leek wel of hij reeds was teruggekeerd
+en vertelde over wat hij vroeger in het
+buitenland gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend,
+als iedere boer of boerin die een brief opstelt:</p>
+
+<p>&quot;Beminde vrouw,</p>
+
+<p>Ik neem de pen in de hand om u te laten weten
+den staet van mijn gezonteit en verop van u hetzelfde.
+Ware het anders het zou mij veel verdriet
+doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw,
+daar hebt gij geen gedacht van. Ik meende dat den
+trein noeit meer en zou ophouden met rijden en
+eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden
+en als het nuchtink werd zag ik door het ruitje
+van den trein hooge bergen in de verte die met
+sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen
+gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en
+groot die ginter zijn. Den hane van den kerktoren
+is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt
+alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter
+den anderen zoo ver of dat de oogen kunnen dragen.
+Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar dat
+de menschen nooit eenen berg gezien hebben en
+zelfs niet weten wat eenen berg is. Den baron en
+de baronesse zijn heel goed voor mij geweest. Aan
+iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef
+staan kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei
+keers toe heeft ze mij heel goed eten en wijn doen
+brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het is
+altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het
+bier. Welnu, beminde vrouw, achter dat wij nog
+heel lang gereden hadden zijn wij aan de zee gekomen,
+die zoo blauw is als het blauwsel waarmede
+gij almets het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u
+geen gedacht van maken, het is precies gelijk of er
+blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch
+zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier
+in het schoonste van den zomer en de menschen
+loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en
+'t vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in
+de heetste dagen te Oostende. En overal zijn de blaren
+aan de boomen en bloeien de schoonste bloemen
+en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan
+de takken zien hangen, percies lijk of de oude schoolmeester
+Cattoir ons verteld heeft.&mdash;Welnu, beminde
+vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine
+stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne
+kamer geleid hebben. Dat huis staat halfwege op
+eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op de
+schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone,
+daar en hebt gij geen gedacht van! En zacht en warm
+dat het ginter is in de zonne, daar hebt gij geen
+gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn
+lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans
+niet moesten oesten; maar de nachten zijn hier stijf
+koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik hoegenaamd
+niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag
+uit in de zonne en 's avonds ben ik moe en blije dat
+ik in mijn bed lig.&mdash;De menschen van het huis
+zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse
+zegt wel dat ze heel goed vlaamsch klappen, omdat
+zij Olanders zijn, maar dat vind ik toch niet en
+ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij
+klappen alzoo altijd van binnen ulderen mond met
+kraken in de keele en als ze daarmee beginnen hoor
+ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij
+verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar
+wel aan gewennen. Wat het eten en drinken aangaat,
+dat is ginter heel goed en ik moet zeggen dat
+het zelfs beter is als hier.&mdash;Den baron en de baronnesse
+zijn dan nog een endeken verder gereisd,
+maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed voor mij;
+peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak
+gegeven en gezeid dat ze mij dikwijls zou komen
+opzoeken en dat ik ulder ook moest komen
+bezoeken.&mdash;Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van
+den achternoen eens met den elektriek naartoe geweest,
+want er rijden hier ook elektrieks, zilde, zoo
+goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon
+hotel waar zij zijn, ook halfwege op den berg daar
+en hebt gij geen gedacht van. En al dat groot rijk
+volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van versteld
+staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel
+en hij en de barones rijden er veel mee uit. Dat
+moet ginter zeker wat geld kosten! Mevreiwe heeft
+mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij
+heeft mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte
+bij de schoone blauwe zee, waar al dat rijk volk
+ulder geld gaat verspelen.&mdash;Past maar op dat ge
+daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe
+alzoo al lachende; maar zij mag wel gerust zijn, ik
+zal mijn cenzen wel beter weten te gebruiken.</p>
+
+<p>Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet
+met het hart. Zeg aan meester Cattoir dat ik hem
+ook al gauw eens zal schrijven en gij moet mij nu
+ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul
+en Vaprijsken en het Geluw Meuleken geenen last
+en zult hebben en dat de kinders goed en gezond
+zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met
+eenen dag en eenen nacht op de vapeur ben ik hier
+toch weere als het zijn moet en dat is toch eenen
+grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn
+retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen
+koeffer bewaard om het toch niet te verliezen.</p>
+
+<p>In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor
+altijd</p>
+
+<p>uwen verkleefden man</p>
+
+<p>ALFONS.</p>
+
+<p>Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er
+nog niet?&quot;</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXVI"></a>XXVI.</h2>
+
+
+<p>Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste
+la van haar kast een inktpot, een verroeste pen
+en een velletje papier te voorschijn, en zij antwoordde:</p>
+
+<p>&quot;Beminde Alfons,</p>
+
+<p>Ik neem de pen in de hand om u te laten weten
+den staet van mijn gezonteit en verop van u hetzelfde.
+Ware het anders het zou mij groot verdriet
+doen.&mdash;Uwen brief heeft mij en ook moeder en
+La, die hier nog altijd zijn, veel genoegen aangedaan
+en dezen nuchtink is meester Cattoir gekomen
+die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had
+en hij heeft gevraagd om ook den brief die gij aan
+mij geschreven hebt te mogen lezen, en ik heb
+hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie
+in stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch
+niet en zult laten van nog eens met mijnheer den
+baron en mevreiwe over de verhooging van zijn
+pensioen te spreken.&mdash;Nu, beminde Alfons, laat
+ik u weten als dat hier alles heel goed gaat. Dezen
+nacht heeft de merrie eindelijk een heel schoon
+veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan
+en het is ook een merrie-veuleken, bruin gelijk
+de oude maar met vier schoone witte pootjes van
+onder. Het is een danig schoon beestjen en de
+merrie is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben
+heel den nacht bij de merrie gewaakt en ik
+heb hun kaffee en boterhammen en een ferme
+schelle vleesch gegeven en tegen den nuchtink was
+het er. Nu moet gij maar zeggen hoe dat gij het
+beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het Mietjen
+heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel
+schoonder maar gij zijt den baas en gij moet het
+maar heeten zooals het u belieft. Met de kinders
+gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar
+zijn vader is en met Marietjen gaat het ook heel goed.
+Met moeder en met La gaat het ook heel goed en
+ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en
+het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij
+danig ulder beste doen. Ik heb ulder gisteren avond
+uwen brief eens voorgelezen, omdat ik het wel goed
+vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den
+baas mochten spelen, en dat zij wel mochten weten
+als dat gij met eenen dag en eenen nacht te reizen
+onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten zij
+het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde
+Alfons, wat zal ik blij zijn als gij hier genezen terug
+komt, maar gij moet u niet haasten, alles gaat hier
+heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele gansch
+gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn
+en warm weer lijk ginter. Het regent of sneeuwt
+hier alle dagen en het is stijf koud.</p>
+
+<p>Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik
+van u afscheid niet met het hart maar wel met de
+pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.</p>
+
+<p>Voor altijd uwe verkleefde vrouw</p>
+
+<p>ROSALIE.&quot;</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXVII"></a>XXVII.</h2>
+
+
+<p>Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een
+brief ontvangen, maar hij behelsde weinig nieuws.
+Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd even
+mooi bleef, maar hij was eens beneden door de
+kleine stad gaan wandelen en vond er het volk zoo
+verschrikkelijk vuil en lui.&mdash;&quot;Ik en zou ginter toch
+niet willen leven voor geen geld van de wereld,&quot;
+zoo schreef hij, &quot;want zoo een smerig volk als ginter
+daar hebt ge geen gedacht van. Ze zitten op de
+zulle van hun huis of te midden van de straat mallekaars
+luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed
+hangt allemaal uit de vensters of dweers over de
+straat op koorden te drogen en het ziet er percies
+zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit gewasschen
+was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit
+de veinsters hangen.&quot; Verder vertelde hij dat er
+&quot;ginter&quot; toch ook al niet veel nieuws meer te zien
+was na de eerste dagen en dat men al heel gauw
+genoeg had van al dat rijk &quot;volk&quot; in hun zomerkleeren
+en van al die schoone &quot;voituren&quot; en &quot;odemobielen&quot;
+die veel te veel stof opjoegen en de wegen
+voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar
+aanleiding van automobielen, schreef hij iets dat
+Rozeke zeer verbaasde en haar met een onheilspellend
+voorgevoel ten opzichte der jonge barones
+vervulde.</p>
+
+<p>&quot;Dezen nuchtink&quot;, schreef hij, &quot;is mevreiwe mij
+weer komen bezoeken en zij was zoo vriendelijk
+en heeft mij zulke schoone goede vruchten meegebracht,
+maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch
+aardig vind: dezen achternoen ben ik eens boven
+op den berg gaan wandelen en wilt gij eens weten
+wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb?
+mijnheer den baron in zijnen odemobiel met nog
+eenen heer en met twee vrouwspersonen waarvan
+geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen
+schoonen grooten caf&eacute; waar kerels met roode kazakken
+aan buiten onder een serre op violen stonden
+te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute,
+maar de gezichten en de manieren van die twee
+vrouwen stonden mij toch hoegenaamd niet aan.
+Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik vrees
+dat den baron daar in geen goed gezelschap was.
+Ik ben heel kontent dat hij mij niet gezien heeft
+want ik had hem wel moeten saleweeren en wie
+weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben?
+Dat zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge
+mevreiwe indien hare man hem nu al ging slecht
+gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch
+vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt
+ginter zooveel aardig volk dat ge nooit en kunt weten
+met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde vrouw,
+het is ginter niet lijk hier en ware het niet om
+mijne gezondheit ik en zou ginter zeker geen ure
+langer blijven. Het is toch ook maar triestig als ge
+nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt
+ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders
+van het huis waar ik woon kan ik toch ook
+maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en spreken
+nooit maar den helft van ulder woorden uit en
+den anderen helft blijft altijd in ulder keele zitten
+kraken. En het aardigste van al is nog wel dat zij
+meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht
+klap. Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter
+met mij loechen als ik tegen ulder klapte en ik
+had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat zij
+wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen
+nemen bij meester Cattoir in ons dorp.&mdash;A propo
+van meester Cattoir, ik heb er gisteren nog eens
+met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij
+beloofd dat zij van morgen af nog eens over zijn
+verhooging van pensioen aan haar papa zou schrijven,
+maar dat de meester toch ook een beetje pasiensie
+moet hebben.</p>
+
+<p>Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar
+dikwijls een gebed voor mij dat ik zoo spoedig
+mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen
+komen.</p>
+
+<p>Uwen verkleefden man met het hart,</p>
+
+<p>ALFONS.</p>
+
+<p>&quot;Dezen brief moogt gij aan den meester hoegemaand
+niet laten lezen om dies wille wat er in
+staat over den baron met die twee vrouwspersonen
+in zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig
+en hij zou er in het dorp gaan kunnen over
+babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen
+doen, en aan de knechten en het meissen moogt
+gij hem ook niet voorlezen.&quot;</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXVIII"></a>XXVIII.</h2>
+
+
+<p>Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming.
+Zij voelde dat hij ginder heimwee begon
+te krijgen en dat het zou moeite kosten om er
+hem lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte
+mededeeling over den baron en die twee
+onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig
+en somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven
+dat hij zoo iets durven zou en 't kwam haar trouwens
+voor als iets onmogelijks dat een man die
+zoo een lieve, mooie vrouw had als de barones,
+nog naar andere vrouwen om zou zien. En toch!...
+Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou
+afschuwelijk zijn!</p>
+
+<p>Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en
+La waren weg en op het boerderijtje ging alles
+geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel
+mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend,
+in zoover het weer den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken,
+die het anders nu niet druk had, dorschte
+met den vlegel in de schuur, of zwingelde den
+vlasvoorraad van den vorigen zomer af. Halve dagen
+hoorde men rustig zijn zwingelrad gonzen in het
+houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij
+er op schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van
+onder tot boven grijsgeel bepluisd en bestoven, zijn
+klein gezicht leuk-glimlachend, als van een oolijk
+kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van
+donsjes en watjes, die als een vermommings-pruik
+zijn haar en baard en wenkbrauwen bedekten. En
+zij hadden allen een verteederd genoegen met het
+lieve veulentje dat zoo parmantig opgroeide en
+reeds, in levenslustige dartelsprongen, om de merrie
+heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam
+er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig
+gillend dat dat dolle ding hem honderd en
+twintig frank uit den zak gestolen had met enkele
+maanden te laat op de wereld te komen.</p>
+
+<p>Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke
+echter minder beviel was, sinds enkele dagen, de
+zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij
+zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk,
+als Rozeke haar niet in 't oog hield, sloop zij
+ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep wel
+dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen
+zonder evenwel openlijk en flink te durven optreden,
+bang als ze was dat, &egrave;n Smul, &egrave;n 't Geluw
+Meuleken haar plotseling in den steek konden laten
+terwijl zij niet weten zou door wie hen op dat
+oogenblik te vervangen; want&mdash;en dit beschouwde
+zij, in de gegeven omstandigheden, w&egrave;l als ongeluk
+en tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze
+voor de derde maal zwanger was!&mdash;Alfons vermoedde
+er wel iets van, doch was nog in 't onzekere
+toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen
+had zij er ook niets over geschreven; maar aan
+haar moeder had ze 't toevertrouwd en deze was
+scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid
+en 'n schande, 'n wraakroepende uittarting
+van onzen lieven Heer was. Maar 't w&agrave;s nu eenmaal
+zoo; daar zat zij er weer mee, een zware
+last te meer bij al haar andere zware lasten: en
+meer dan ooit was het dringend noodzakelijk dat
+zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom
+durfde zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw
+Meuleken optreden, maar om hun geknoei zooveel
+mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den
+arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op
+Smul gebeten en jaloersch van 't Geluw Meuleken,
+hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar
+kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de
+schemering om schuur of stal zag draaien, hield
+hij even met dorschen of met zwingelen op; en
+Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het
+snorren van den zwingel niet meer hoorde, wist
+dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam
+onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of
+'t ander voorwendsel, het Geluw Meuleken bij de
+kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er in
+menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken
+lachte wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl
+Smul woeste oogen zette, zonder evenwel openlijk
+zijn toorn te durven laten uitbarsten.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXIX"></a>XXIX.</h2>
+
+
+<p>Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal
+in de week en Rozeke antwoordde telkens onmiddellijk
+op zijn brieven, verzekerende dat alles best
+ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van
+de jonge barones, smeekte zij hem ginder toch nog
+wat te blijven, het desnoods met tegenzin nog
+enkele weken vol te houden, terwille van zijn gezondheid.
+De barones had het haar met alle kracht op
+'t hart gedrukt; hij m&ograve;cht nog niet terugkomen;
+hij m&ograve;cht niet plotseling, zonder overgang, van den
+warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon
+doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel
+dat het verblijf in den vreemde hem hoe langer
+hoe zwaarder begon te drukken; en, op een ochtend,
+schrikte zij hevig bij het ontvangen van een
+heel kort briefje, waarin de barones Rozeke letterlijk
+bezwoer alles te doen wat in haar macht was
+om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst,
+dat hij vast scheen in zijn hoofd gezet te hebben,
+te beletten. De barones was blijkbaar misnoegd
+over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel
+goed uit den toon van haar schrijven opmaken;
+en reeds was Rozeke koortsachtig bezig aan een
+smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch om
+Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps
+een jongetje van 't telegraaf kantoor met een
+rijwiel 't erf zag opgereden komen.&mdash;&quot;Och Hiere
+God!&quot; riep zij, op haar trillende beenen overeind
+vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet
+gerend: &quot;'n d&eacute;p&ecirc;che?... veur mij?&quot;... en ontving
+met een kalm: &quot;joa 't bezinne&quot; van het jongetje
+dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde
+enveloppe van het telegram. Met bevende
+vingers scheurde ze die open en las, de oogen schemerend:</p>
+
+<p>&quot;Ik kom van avond terug.</p>
+
+<p>ALFONS.&quot;</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXX"></a>XXX.</h2>
+
+
+<p>Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij
+zou weer bij haar zijn!</p>
+
+<p>Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde,
+onstuimige vreugd. Zij had hem sinds zoo lang niet
+meer gezien, zij had zoo zeer naar hem verlangd!
+Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis
+was, voelde ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik
+gemist had, hoe vurig zij naar hem verlangd
+had. Nu.... o nu hielp geen redeneering meer, hij
+kwam terug en dat geluk overtrof en vergoedde &agrave;lles;
+nu zou ze niet geduld hebben dat hij nog maar
+&eacute;&eacute;n dag, nog maar &eacute;&eacute;n uurtje langer weg bleef. Zij
+liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het
+jongetje verdwenen was, alsof zij hem reeds in de
+verte kon zien komen; zij kwam terug in huis gerend
+en riep naar 't Geluw Meuleken die in het
+achterhuis aan 't boenen was; zij was als gek van
+vreugd en holde weer naar buiten in de schuur waar
+Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in
+haar uitgelaten blijdschap: &quot;Meuleken! Vaprijsken!
+Alfons komt van den oavend weere thuis!&quot; Zij tilde
+haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste
+in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in
+haar oogen: &quot;Hilairken! Marietjen! voader komt
+van den oavond weere thuis!&quot;</p>
+
+<p>Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting
+van blijdschap kwam zij langzaam tot bedenken en
+bedaren; en van lieverlede sloeg haar onbezonnen
+vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.&mdash;Wat
+mocht er wel gebeurd zijn, wat mocht hem wel
+schelen, dat hij zoo plotseling alles in den steek liet
+om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand
+dan eensklaps zooveel erger geworden? Had men
+hem iets misdaan? En waarom was zelfs het
+sterk aandringen van de barones, die nu zeker
+o zoo boos op hem en wellicht ook op haar zou
+zijn, niet bij machte geweest hem nog langer daar
+te houden?&mdash;Zooveel onoplosbare, kwellende vragen,
+die eerst opheldering zouden krijgen als hij
+'s avonds weer thuis zou zijn.</p>
+
+<p>Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig
+was met mest te vervoeren en zond hem bij hun
+buurman Lauwe vragen of hij Alfons met zijn sjees
+van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan
+zelve mee te gaan, maar de gedachte dat ze met
+Smul 's avonds alleen in het rijtuig zou zitten boezemde
+haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van
+haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die
+ook meteen haar ouders zou gaan waarschuwen.</p>
+
+<p>Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn
+komst te wachten. Het was half negen; elk oogenblik
+zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen minuut
+meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw
+Meuleken naar buiten in den kil-mistigen avond
+tot aan het hek van den landweg en stond daar rillend
+in het donkere verschiet te peiloogen en te
+luisteren.&mdash;Eindelijk zag zij in de verte een lichtje
+flikkeren. Daar kwam zeker de sjees. Krampachtig
+greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm en een
+snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter,
+geler, heller, schoot korte, vlugge stralen over de
+eventjes uit mistige duisternis opduikende boomstammen
+aan den zijrand van den modderigen weg.
+En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het
+in kadans knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig
+aandravende beenen, het zachtjes schommelen
+van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen
+van de wentelende wielen. In korten, vluggen
+draai kwam het door 't hek gereden en zij sprong
+met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche,
+schorre angststem:</p>
+
+<p>&quot;Es hij doar?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa hij, bezinne&quot;, antwoordde Vaprijsken van
+onder de kap.</p>
+
+<p>&quot;Alfons!... hoe es 't mee ou?&quot; riep zij nog, met
+het Geluw Meuleken naast het rijtuig meehollend.</p>
+
+<p>Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven
+en die stilte knelde haar als met doodschen angst.</p>
+
+<p>&quot;Hoe es 't, Alfons? hoe es 't?&quot; herhaalde zij, haast
+schreiend.</p>
+
+<p>De sjees had v&oacute;&oacute;r den drempel stilgehouden en
+nu hoorde zij toch eindelijk zijn heesche zwakke
+stem onder de kap:</p>
+
+<p>&quot;Azeu.... stillekes.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere toch!&quot; kreet zij.</p>
+
+<p>Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug,
+in de duisternis, het hoofd tot haar, als om zwijgend
+te beduiden dat 't niet goed was.&mdash;Dood-angstig,
+met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder
+de zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en
+hield zwijgend bij den breidel de merrie, die ongeduldig
+naar haar veulen hinnikte. Al die schrikkelijke
+stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen
+haar angst ten top. Zij snikte.&mdash;Vaprijsken haalde
+den koffer van onder de voorbank, steeg op de
+trede en strekte in de duisternis onder de kap
+zijn hand uit.</p>
+
+<p>&quot;Kom, boas, geef mij ou hand,&quot; hoorde Rozeke
+hem zeggen.</p>
+
+<p>En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te
+voorschijn en zij hoorde eene bijna klankloos-heesche
+stem, die met zuchtende inspanning zei:</p>
+
+<p>&quot;Hou mij goe vaste, mijn heufd droait.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste.&quot;</p>
+
+<p>Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn
+hand en leidde hem met 't Geluw Meuleken naar
+binnen.</p>
+
+<p>&quot;Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?&quot; snikte zij.</p>
+
+<p>&quot;Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde....&quot;
+heeschte hij zuchtend.</p>
+
+<p>&quot;Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n
+h&egrave; ou nog nie gezien, 'k 'n h&egrave; ou nog nie g'heurd,&quot;
+schreide Rozeke wanhopig.</p>
+
+<p>Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode
+vuur en Rozeke schrikte als voor een spook toen
+zij hem eindelijk bij de heldere vlam kon aankijken.
+Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager
+als ivoor en been, zijn mond stond hijgend open
+en zijn groote oogholten leken twee donkere putten,
+waarin de strak-starende oogen ziekelijk glommen
+zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas.
+Zij durfde geen woord meer spreken, 't was als
+een lijk, een aangekleed geraamte dat daar v&oacute;&oacute;r
+haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend
+op haar onderlip en heel haar aangezicht
+stond krampachtig verwrongen van de inspanning,
+om niet opnieuw in huilen en in snikken los te
+barsten. Het Geluw Meuleken bleef even roerloos,
+als met schrik geslagen, op den drempel van het
+achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke
+verdween.</p>
+
+<p>&quot;Hoe goat 't hier?&quot; vroeg hij eindelijk, eensklaps,
+als met een kracht van herleving zijn groote, holle
+oogen tot haar opslaande.</p>
+
+<p>&quot;O, goed, alles heel h&eacute;&eacute;l goed,&quot; haastte zij zich te
+antwoorden; &quot;de stal, de kinders, 't veuleken, alles
+heel h&eacute;&eacute;l goed.&quot;</p>
+
+<p>Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik,
+als schrik-verwilderd, v&oacute;&oacute;r zich uit.</p>
+
+<p>&quot;'K 'n k&ograve;st het ginter nie mier uithouen; 'k 'n
+k&ograve;st nie mier, 'k zoe d'r van verdriet gestorve zijn,&quot;
+hijgde hij.</p>
+
+<p>&quot;Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten
+meschien?... of kost ge tegen de lucht nie mier?&quot;
+vroeg ze bedeesd.&mdash;&quot;Wilt-e nou al gauw iets eten?&quot;
+riep ze eensklaps levendig.</p>
+
+<p>Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.</p>
+
+<p>&quot;'K 'n k&ograve;st nie mier, 'k 'n k&ograve;st nie mier! 't Was
+alles goed, moar 'k moest hier weere thuis zijn,&quot;
+zuchtte hij eindelijk, &quot;'t Es te verre.... 't es te
+vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n
+kan 't nie helpen.... 'k gijnge ginter deud,... 'k
+moeste weere thuis zijn.&quot;</p>
+
+<p>Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van
+verslagenheid en smart. Maar zij spande bovenmenschelijk
+haar krachten in om het hem niet te
+laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat
+zij zoo gelukkig was hem weer te zien en dat zij wel
+alles met de jonge barones zou effen praten. En teer-bezorgd,
+vroeg zij hem nog eens met nadruk wat
+hij nu eten of drinken wilde.</p>
+
+<p>&quot;'K 'n h&eacute; gienen honger; anders nie of 'n glas
+woarme melk,&quot; zei hij.</p>
+
+<p>Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken
+spoedig melk te warmen.</p>
+
+<p>&quot;'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere
+thuis ben,&quot; zuchtte hij, streelend haar hand nemend.</p>
+
+<p>&quot;'K ben euk zeu blije,&quot; antwoordde zij ontroerd.</p>
+
+<p>Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke
+glimlach gleed, vaag als een schim, over zijn bleeke
+lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes weer
+opleefden.</p>
+
+<p>&quot;En de kinders stellen 't goed, e-woar?&quot; zei hij.
+&quot;'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere
+zien. En 't veuleken? 'K ben zeu curieus om 't
+veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe weer
+es goa 'k ne kier tot in de stal.&quot;</p>
+
+<p>&quot;'t Es t&ograve;ch zuk 'n scheun beestjen,&quot; glimlachte
+zij zwakjes; &quot;maar ge meug wel oppassen: de mirrie
+es er wried zjaloes van.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Sloa ze?&quot; vroeg hij.</p>
+
+<p>&quot;Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig
+te drummen. Vaprijsken 'n mag er noch aan noch
+omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie
+altijd bij goan.&quot;</p>
+
+<p>Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning
+op. Hij hoestte even, heesch en zwak, met
+piepend gereutel, diep in zijn binnenste.</p>
+
+<p>&quot;Nog 'n gloazeke melk?&quot; vroeg zij bezorgd.</p>
+
+<p>&quot;Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken
+en dan noar mijn bedde. 'K ben zeu moe; 'k kome
+van zeu verre.&quot;</p>
+
+<p>Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg,
+met aarzeling:</p>
+
+<p>&quot;En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk
+of ge vriesde?&quot;</p>
+
+<p>Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar
+wangen, als die van een schuldige, met rood zich
+kleurden.</p>
+
+<p>&quot;Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig,&quot;
+zuchtte zij.&mdash;En plotseling, door die laatste emotie
+in al haar narigheid overweldigd, kon ze zich
+niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende
+tranen uit.</p>
+
+<p>&quot;Ach Hiere! moet er d&agrave; nou euk nog bij komen,&quot;
+klaagde hij.</p>
+
+<p>Kreunend en met hooge schouders ging hij naar
+het voutetrapje. Zij kropte met geweld haar tranen
+op en volgde hem.</p>
+
+<p>&quot;Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te
+rusten,&quot; hikte zij droog, hem voor het kleine beddeken
+en 't wiegje brengend.</p>
+
+<p>Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen
+lang aan, met starren blik, en keerde zich toen om.</p>
+
+<p>Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin
+beefde.</p>
+
+<p>Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende
+lippen....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXI"></a>XXXI.</h2>
+
+
+<p>Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....</p>
+
+<p>De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor
+was zijn biecht komen hooren en had hem de
+laatste sacramenten toegediend en 't einde naderde.
+&mdash;Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje
+hoop was in haar hart verbrijzeld. Dof was het
+in haar, dof en grauw als de doodsche, grauwe
+winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of
+sterven, 't was haast eender, want zijn leven was
+geen leven meer.</p>
+
+<p>Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag,
+wasgeel, met langen, zwarten baard en groote, donkere
+oogen, hijgend met half open mond te staren
+naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje.
+Uren en uren, half op zijn rechterzij
+gekeerd, lag hij te staren door de groenachtig-grijze,
+in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen
+daar, gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht
+in beslag namen. Hij zag iets van zijn erf, hij zag
+de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur
+en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven
+en den steeds terugkeerenden arbeid op de hoeve
+bij, hij zag Vaprijsken door de breede, openstaande
+wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul
+die af en toe met wagen of met kar op en af den
+boomgaard reed. En elken middag, tusschen twaalf
+en een, kwam men hem het lieve veulentje vertoonen,
+op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.</p>
+
+<p>Dat was het lang verwachte oogenblik van heel
+den dag. Hij leunde even op zijn elleboog, door
+Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag
+van verre Smul met het beestje uit den stal komen
+en hij glimlachte om de wilde sprongen die het
+dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier
+witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning
+van Smul, die het bijkans niet in bedwang
+kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar
+stond het v&oacute;&oacute;r zijn raampje, snuivend en krabbend
+met zijne fijne hoefjes, kijkend in de ruitjes met
+zijn schoone wilde oogen en zijn recht-gespitste
+ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in
+stille verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd
+met glinsterend-witte bles over den neus en kort-kroezende,
+rosachtige manen; en uit de verte, in den
+stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje
+hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide
+zijn staart naar 't raam, wilde bij de moeder terug.
+En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter:
+zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn
+kort-gekrulden staart, zijn krachtige achterbeenen,
+reeds sterk genoeg om iemand een geduchten slag
+te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk
+weg en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens
+neer en 't hoofd zonk op de borst en zwaar vielen
+de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn kinderen
+en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en
+zei aan 't oudste jongetje dat zij heel rustig moesten
+blijven....</p>
+
+<p>Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar
+kalm en stil, zonder schijnbare emotie, wat ze doen
+zou als hij eenmaal dood was.</p>
+
+<p>&quot;O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!&quot;
+schreide Rozeke, in plotselingen opstand tegen
+een noodlot dat ze toch onverbiddelijk wist.</p>
+
+<p>Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij
+weekjes het hoofd en vroeg haar nog eens wat ze
+doen zou als hij dood was.</p>
+
+<p>Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.</p>
+
+<p>&quot;Beloof mij ien dijngen,&quot; fluisterde hij; &quot;beloof
+mij da ge mee Smul nie 'n zilt hirtreiwen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;O!&quot; riep zij verontwaardigd, met een soort van
+walging.</p>
+
+<p>&quot;Beloof het mij, beloof het mij,&quot; drong hij met
+inspanning aan.</p>
+
+<p>&quot;D&agrave; beloof ik ou zeker! d&agrave; zweir ik ou!&quot; riep ze
+plechtig.&mdash;&quot;Hoe komt-e toch aan zulk 'n gedachten?&quot;</p>
+
+<p>Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met
+dichte oogen, als dood.</p>
+
+<p>&quot;Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de
+kinders,&quot; zuchtte hij eindelijk. Zijn wenkbrauwen
+fronsten zich als onder een pijnsteek samen en
+twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven
+van zijn holle, gele wangen, in zijn zwarten
+baard....</p>
+
+<p>Heel zacht kwam eindelijk het laatste....</p>
+
+<p>Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen
+bij zich gehad: Hilairken, die met kromme
+beenen door de kamer waggelde en reeds &quot;oader,
+oader&quot; brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met
+een &quot;suiker-tjoeseken&quot; in den blaasjesmond op
+Rozeke's arm zat. Hij had gevraagd hoe laat het
+was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij
+'t raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd,
+had hem geantwoord dat het zes ure was en dat
+Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf
+en &eacute;&eacute;n gekomen was; en daarop had hij zachtjes
+geglimlacht en geknikt dat hij 't zich nu herinnerde;
+en rustig was hij weer met dichte oogen op zijn
+rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer
+was geweest, om 't kleintje aan het Geluw Meuleken
+te overhandigen, bij 't weer binnenkomen door
+de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen
+werd. Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering
+van den grijzen, vroeg-invallenden avond, boog
+ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze staan,
+een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig
+starende oogen.&mdash;Hij ademde; zij hoorde hem
+ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar plotseling
+voor alsof hij niet meer ademde.&mdash;In absolute
+roerloosheid en stilte lag hij daar en in die
+doodsche stilte spreidden zich wijd van angst haar
+oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps
+zacht zijn adem en ook zij verademde diep. Toen
+hield het plotseling weer op: de volstrekte, doodsche
+onbewegelijkheid en stilte.... En n&ograve;g dieper over
+hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets,
+dat als een bijna onzichtbare schaduw van boven
+naar onder over zijn onbewegelijk gezicht neerstreek.
+&mdash;'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte
+ontspanning, als de teere, stille streeling van
+een onzichtbaren vleugel, iets dat even zweefde en
+verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend,
+tot het eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze
+wazigheid was opgelost. Het was voorbij,
+verdwenen.... en eensklaps zag zij op zijn strak
+gelaat de onbekende uitdrukking van een geheel
+nieuw wezen, een wezen van onuitsprekelijke rust en
+kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene kalmte
+van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag
+het, zij wist het, zij voelde het.... en huilde niet.
+Roerloos, met droge oogen, keek zij hem halsstarrig
+aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet bang,
+het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets
+veranderd was; 't was zeker maar een zinsbedrog;
+'t gewone leven om haar heen ging rustig voort
+zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze
+schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de
+keuken hoorde zij het Geluw Meuleken die stil
+met iemand sprak en buiten, in de schuur, klonken
+dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel
+op den harden kleivloer.</p>
+
+<p>De deur van 't kamertje ging zachtjes open en
+een breede, donkere gestalte verscheen op den drempel.
+Het was haar moeder, die eens naar hem informeeren
+kwam.</p>
+
+<p>&quot;Hoe goat 't er mee?&quot; hoorde Rozeke haar fluisterend
+vragen, als in een droom.</p>
+
+<p>Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend,
+als onnoozel, aan. Zij wilde spreken, maar
+kon niet. De schorre woorden bleven hokken in
+haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:</p>
+
+<p>&quot;Hij es deud, moeder!&mdash;'K geleuve ... dat hij ...
+deud es!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Deud!&quot; gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij
+kwam naar 't bed gehold.</p>
+
+<p>&quot;Deud!&quot; herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken
+stem.</p>
+
+<p>Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met
+haar handen v&oacute;&oacute;r de oogen, op een stoel en bleef
+er zitten schreien, eindeloos, eindeloos lang....</p>
+
+<p>In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met
+Hilairken en Marietje. Traag hossebossend kwam
+Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker
+op het erf gereden. In de schuur galmde steeds,
+eentonig als een treurig klokgetamp, Vaprijskens
+vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag op den
+harden kleivloer.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed
+aan hevige krampen, uren lang lag zij te kruipen
+en te kermen van de pijn en tegen den ochtend
+bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam
+zou uitloopen.</p>
+
+<p>De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig
+op de hoeve. Ook Rozeke's oudste broeder
+nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de begrafenis
+te regelen.</p>
+
+<p>Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van
+al die narigheid niets merken kon; en een geluk
+was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen zou.&mdash;Alles
+werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek,
+met hooge koorts te bed lag.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>De luiken van het huisje waren dicht gesloten,
+de zwarte rouwvendels stonden tegen den muur,
+het strooien kruis lag op den drempel en op het
+erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid
+meer. Alles was stil. Smul reed niet meer
+met de merrie naar den akker, het veulentje
+kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet
+meer in de schuur, het Geluw Meuleken liet haar
+glinsterende emmers niet meer rinkelen. En iederen
+morgen en avond luidde op den verren kerktoren
+een doodspoos....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's
+wagen, bespannen met twee paarden, het erf van 't
+boerderijtje opgereden en hield geluidloos v&oacute;&oacute;r den
+drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.&mdash;Boer
+Lauwe zelf, als naaste buurman, stelde aan moeder
+van Dalen de sacramenteele vraag: &quot;Bezinne, es
+'t mee ou&euml;n dank dat 't lijk uit den huize goat!&quot;
+en toen moeder snikkend ja geknikt had, werd de
+kist heel zacht, met nauwelijks hoorbaar geschuifel
+van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht.
+Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met
+zilveren franjes teekende zij haar akelige vormen af.
+Vader, moeder, La, de broeders, dempten met inspanning
+hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar
+even buiten. Zij schetste een kruisteeken over den
+doode, tot vaarwel, en keerde stil terug bij Rozeke.
+Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis de kinderen
+bezig.</p>
+
+<p>Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd
+de kist over een stroo-laag op den wagen geschoven.
+Smul en Vaprijsken gingen er rechts en links,
+als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht
+tilde zich op den rug van een der paarden; en langzaam,
+stapvoets, in plechtige stilte door den kleinen
+stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de
+wagen van het erf.</p>
+
+<p>Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag.
+Glanzend-witte wolken dreven hoog
+en vlug in 't heldere, gezuiverde, als 't ware frisch-gewasschen
+hemelsblauw en de nog bladerlooze,
+heen en weer gezwiepte boomenkruinen klaagden
+zacht en piepten. Als een donkere, op elkaar gedrongen
+kudde liep de kleine rouwstoet achter den zacht-schommelenden
+wagen: de enkele vrouwen van
+het hoofd tot de voeten gehuld in haar lange, zwarte,
+door den wind soms klapperend-opwaaiende kapmantels;
+de mannen in hun korte buisjes, de handen
+in hun broekzakken en de schouders opgetrokken
+voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield
+de wagen even stil en allen baden met gebogen
+hoofden en gevouwen handen, om de booze geesten
+te bezweren. In 't ruischen van den hoogen
+wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds
+verre, over de bloote uitgestrektheid van de velden,
+rees spits de grijze kerktoren, waarin het doodenklokje
+tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk
+en dan weer zwak gedragen door den wind, als een
+halsstarrig, steeds herhaald geroep....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXII"></a>XXXII.</h2>
+
+
+<p>Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang
+van het gewone leven.&mdash;Rozeke was beter en zat
+op in de keuken. Moeder was weg. La zou nog een
+poosje blijven om in 't huishouden te helpen.</p>
+
+<p>De voordeur ging open en voor de derde maal,
+dien ochtend, stak Smul van achter 't houten schut
+zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar
+voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek
+en mager, met witte kussens achter den rug in
+den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het vuur,
+en vroeg haar:</p>
+
+<p>&quot;Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij
+achter de Vlierbeum: zo&ecirc;n we doar eirdappels planten
+of zo&ecirc;n we 'r suikerijen zoaien?&quot;</p>
+
+<p>Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal
+van streek, deed haar plotseling weer beseffen wat
+zij aan Alfons verloren had.&mdash;Ach! hoe kon ze 't
+weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden?
+Zij had daar immers geen verstand van en niemand
+was er om haar raad te geven. Haar betrokken, bleek
+gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als
+onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling
+en twijfel:</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ik zou d'r eirdappels planten,&quot; antwoordde hij
+kortaf. &quot;Veur de suikerijen geven z' ou wat dat ze
+willen en d'eirdappels hou&ecirc;n altijd uldere prijs.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels,&quot;
+knikte zij.</p>
+
+<p>&quot;En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zo&ecirc;n
+we nou ne kier probeeren mee d'r wa semiek op
+te streuien, of zo&ecirc;n w'hem nog 'n joar loate liggen
+lijk of hij es?&quot;</p>
+
+<p>Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht
+van aarzeling en twijfel.</p>
+
+<p>&quot;Wa peist er gij van?&quot; vroeg ze voor de tweede
+maal.</p>
+
+<p>&quot;Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen,&quot; antwoordde hij.
+&quot;Wh&egrave;n nog al wa heui over van passeerde joare
+en die semiek 'n es toch dikkels moar vervalschten
+kucht.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l joa, we zillen nog 'n joarke wachten.&quot;</p>
+
+<p>Hij knikte met het hoofd en was weg.</p>
+
+<p>Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat
+'t beheer der boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten
+overgelaten; zij zelve had er geen verstand
+van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem
+overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en
+sprak er over met La, een groot deel van den dag;
+en 's avonds, na het eten, terwijl de beide knechts
+even v&oacute;&oacute;r 't naar bed gaan bij den haard hun pijp
+zaten te rooken, onderhield zij er hen over, de stem
+bevend en de oogen vol tranen:</p>
+
+<p>&quot;Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twie&euml;
+goe zil blijven helpen. Ik 'n h&egrave; natuurlijk gien verstand
+van boeren, en 'k h&egrave; road en hulpe neudig.
+&mdash;'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur
+ulder eigen woare.&quot;</p>
+
+<p>Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in
+zijn oog.</p>
+
+<p>&quot;Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e
+niet te kloagen h&egrave;n,&quot; zei hij met een stem die
+trilde.</p>
+
+<p>Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder
+iets te zeggen. &quot;Gij toch euk, Ivo?&quot; vroeg ze bedeesd,
+zonder hem haast aan te durven kijken.</p>
+
+<p>Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp,
+spuwde van zich af, en antwoordde eindelijk, kortaf
+en ruw, met harden blik, zooals het zijn gewoonte
+was:</p>
+
+<p>&quot;Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as
+boer wilt aanstellen. Ienen boas op 't hof: Vaprijs
+of ik!&quot;</p>
+
+<p>Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs?
+en dan nog wel als boer, als baas! O, wat voelde
+ze weer hard de akeligheid van haar verlies! Een
+weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij
+stotterde en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist
+niet wat ze zeggen moest. Er was een oogenblik
+volkomen stilte.</p>
+
+<p>&quot;Ik of Vaprijs!&quot; herhaalde hij met vastberaden
+nadruk, om de beurt haar en Vaprijsken met zijn
+barsche, strakke oogen aankijkend.</p>
+
+<p>Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om
+Vaprijskens gele snor.</p>
+
+<p>&quot;Ik of hij 't es me 't zelfde,&quot; zei hij leukjes, &quot;we
+'n zijn wij toch moar knechten alle twie&euml;.&quot;</p>
+
+<p>Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje
+dankbaar aan. Vaprijsken was zoo goedig! Hij, toch,
+zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het ook
+goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten
+alle twee!</p>
+
+<p>Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf
+zich niet eens de moeite Vaprijskens schimpscheut
+te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet verder
+in. Bruusk stond hij overeind, als een die al
+gezegd heeft wat hij zeggen wou, wenschte een
+korten goenacht en was meteen de deur uit. Verbaasd
+en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander
+aan. Zij voelden wel dat zij niet bij machte
+waren om tegen zoo'n kerel op te staan.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXIII"></a>XXXIII.</h2>
+
+
+<p>Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste
+boer en baas der hoeve. In het begin nog
+raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich
+toch altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze
+formaliteit al spoedig overbodig en beredderde weldra
+alles zonder vragen naar zijn eigen wil. Hij
+besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid,
+geplant zou worden; waar, wanneer en hoeveel
+noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe,
+hoelang en voor welk loon zij zouden werken.
+Eerst vroeg hij nog een tijdlang Rozeke's instemming
+en goedkeuring voor wat inkoopen en verkoopen
+betrof; maar ook daarin handelde hij weldra
+naar zijn eigen, exclusief goeddunken, kocht
+en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan Rozeke
+het geld der ingeslagen of geleverde waren.</p>
+
+<p>Het duurde niet lang of koopers en leveranciers
+onderhandelden uitsluitend en rechtstreeks met
+hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant, de zadenhandelaar
+boden h&egrave;m hunne producten aan; de
+veekooper, de aardappelkooper debatteerden met
+h&egrave;m over de prijzen van het vee, van 't graan en
+van de aardappels.</p>
+
+<p>Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre
+te buiten ging, maar zij had nu eenmaal, door de
+omstandigheden gedwongen, de macht uit haar
+handen gegeven en zag geen kans die nog terug te
+krijgen. Het was fataal zoo gekomen, het had niet
+anders gekund; dat was het onvermijdelijk gevolg
+der groote ramp die haar geluk geknakt had.&mdash;Doch
+anders kon zij over hem niet klagen en de
+heerschappij was wel aan hem besteed. Hij verdiende
+ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en
+flink, den ganschen dag door; hij werkte eigenlijk
+voor haar en voor haar kinderen, als gold het zijn
+persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een
+zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons'
+langdurige ziekte wel eens bedreigde materieele voorspoed
+en welvaart weer op het boerderijtje komen.</p>
+
+<p>Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook
+groeiende nijd en nauwelijks bedekte schimperij
+en vijandschap. Men spotte met zijn heerschappij
+en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten.
+Vaprijsken noemde hem achterrug &quot;menier den
+boas&quot;, en 's zondags, wanneer hij halfdronken in de
+herbergen van 't dorp liep, vertelde hij aan al wie
+'t hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op
+te zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend
+zoodra hij uit Smul's tegenwoordigheid was en
+voorspelde dat men weldra rare dingen zou bijwonen.&mdash;Ook
+het Geluw Meuleken was dadelijk, na
+Smul's bazig optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar
+geworden. Zij keek Smul niet meer aan,
+wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij
+vreesde 't ergste van hun gescharrel en voelde zich,
+minder dan ooit, bij machte het tegen te gaan;
+maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was
+'t Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals
+Vaprijsken raasde en lasterde zij achter den rug
+om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't dorp.
+Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke
+geruchten kwam Rozeke's ouders iets ter oore;
+en op een zondagmiddag verscheen moeder op de
+boerderij.</p>
+
+<p>Rozeke hoefde haar slechts van verre over het
+erf te zien aankomen, om dadelijk te merken dat
+er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw
+zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende
+heupen, als een vette modder-eend; haar gezicht
+was blakend rood en haar tandelooze mond hing
+open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze
+binnen en had zich overtuigd dat Rozeke met haar
+kinderen alleen was, of ze hijgde en storterde 't
+er opgewonden uit,</p>
+
+<p>&quot;Roze!... &egrave; &egrave; es da woar wat da 'k doar heure
+zeggen h&egrave; ... dat-e gij mee ou&euml; peirdeknecht goat
+hirtreiwen as ou&euml;n tijd om es?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wa ... wa zegt-e doar, moeder!&quot; riep Rozeke
+verschrikt.</p>
+
+<p>Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar
+adem op een stoel gezakt, moest eerst even op verhaal
+komen. Haar fletse blauwe oogen keken rond en
+boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen
+over haar vette, roode kwabbe-wangen.</p>
+
+<p>&quot;O ... o ... of 't woar es da ge mee ou&euml; peirdeknecht
+goat hertreiwen as ou&euml;n tijd om es?&quot; herhaalde
+zij eindelijk, met een stem die klapte als
+een zweep.</p>
+
+<p>Een vloed van emotie kwam plotseling van uit
+de diepte van Rozeke's hart naar haar gelaat opgestormd.
+Het hokte in haar keel en vulde met tranen
+haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige
+belofte bij zijn sterfbed; en dat zij die belofte
+schenden zou, o, het stond z&oacute;&oacute; verre van haar af,
+dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos
+of verontwaardigd over moeders harde woorden
+werd. Zij zuchtte zwaar en hikte zenuwachtig, doch
+zij wist zich te beheerschen; en in plaats van de
+vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt,
+met kalme, bijna toonlooze stem:</p>
+
+<p>&quot;Wie zegt da, moeder?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r
+wor van nie anders gesproken. 't Es 'n schande!&quot;
+hijgde de opgewonden vrouw.</p>
+
+<p>Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich
+gesard en ook eindelijk kwaad worden. Haar oogen
+schitterden en een heete kleur kwam over haar
+ingevallen wangen.</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan
+veur mijn poart dat 't leugens zijn!&quot; riep zij eensklaps
+nijdig en bits.</p>
+
+<p>De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend
+het hoofd. En zij begon scherp uit te varen tegen
+Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen
+Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons'
+dood, op 't hoevetje gebeurde.&mdash;&quot;'t Es 'n schande!
+herhaalde zij voortdurend, &quot;'t schijnt dat 't al aan
+d'euren van de p&aacute;ster es gekomen, en as er den
+b'ron of mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa moar w&agrave;tte, moeder? Wa &egrave;s er 'n schande?
+wa &egrave;s er gebeurd?&quot; riep Rozeke hoe langer hoe
+bitsiger wordend.</p>
+
+<p>&quot;Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar
+geboaren?&quot; gilde de dikke vrouw. &quot;Weet-e gij meschien
+nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne kleinen
+krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!&quot;</p>
+
+<p>Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen
+van 't Geluw Meuleken was haar al een heelen tijd
+verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van
+aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog.</p>
+
+<p>&quot;Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert
+verscheide weken noar mallekoar nie mier omme!&quot;
+riep zij angstig en verbaasd.</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen
+es!&quot; hijgde moeder van Dalen. &quot;Van as Smul
+ondervonden h&egrave;t dat de pap verbrand was, h&egrave;t hij
+heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn
+zinnen op ou gesteld h&egrave;t! En 't Geluw Meuleken,
+die doarom kwoad geworden es, goa nou heul den
+boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes
+es, euk!&quot;</p>
+
+<p>&quot;W&agrave; leupen z' al vertellen?&quot; vroeg Rozeke.</p>
+
+<p>&quot;W&egrave;l!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie
+onneuzel geboaren! Ge keun wel peizen, e-woar,
+wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n schande!&quot;</p>
+
+<p>'t Was als een openbaringslicht dat plotseling voor
+Rozeke opging. Zij voelde, met afschuw en schrik,
+het gansche laag gebabbel en geknoei dat buiten
+haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster
+zij weerloos was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging
+en woede, eensklaps vast besloten er
+korte metten mee te maken.</p>
+
+<p>&quot;'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal
+wete; d'er zal hier gauwe goan veranderijnge komen,&quot;
+zei ze beslist; en als in krachtdadig besluit kneep
+ze strak haar lippen op elkaar.</p>
+
+<p>Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging
+moeder eindelijk weg, en kort daarop kwam 't Geluw
+Meuleken van 't dorp terug.</p>
+
+<p>Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel
+af te nemen.</p>
+
+<p>&quot;Es da woar, Meuleken,&quot; vroeg zij bruusk af, met
+bleeke, bevende lippen, &quot;es da woar dat-e gij moet
+ne kleinen h&ecirc;n van Smul?&quot;</p>
+
+<p>Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje
+te gaan verkleeden, bleef als versteend
+staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke omgekeerd,
+den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En
+v&oacute;&oacute;r ze zelfs een enkelen klank tot antwoord had
+geuit, zag en begreep Rozeke eensklaps alles: haar
+betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de angstig-verwilderde
+uitdrukking van haar oogen, het reeds
+zwaar-wordend figuur; alles wat zij in haar diepe
+droefheid van de laatste tijden niet gemerkt had,
+trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht
+en zij raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw
+Meuleken, zuchtend en schreiend, de waarheid ook
+niet poogde te verbergen:</p>
+
+<p>&quot;'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in
+ploatse van mij t' helpen in al mijn verdriet!&mdash;'K
+ha d'r al lank wa van in de goaten, moar 'k
+miende dat 't gedoan was!&mdash;Joa moar azeu 'n keunt
+g' hier nie blijven, zille! Treiwen of hier wig!&quot;</p>
+
+<p>Het Geluw Meuleken hikte en snikte:</p>
+
+<p>&quot;Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij h&egrave; mij bedrogen
+en nou loat hij mij leupen. Hij durf zelf zeggen
+dat 't van hem nie 'n es, de sloeber!&mdash;Moar
+'t 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!&quot;</p>
+
+<p>Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg
+en opstand:</p>
+
+<p>&quot;Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Iederien, bezinne, iederien.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Hij euk?&quot;</p>
+
+<p>&quot;'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't
+dorp zegt het; en Vaprijsken zegt het euk, iederen
+zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't heuren wilt!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk
+gien goeje, want g' het er euk van gebabbeld, ik
+weet het!&quot;</p>
+
+<p>&quot;'t Es gelijk, bezinne; ik 'n h&egrave; 't nie iest gezeid;
+Vaprijs h&egrave;t 't iest gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste
+mee. O! die sloeber, die sloeber!&quot;</p>
+
+<p>Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk,
+en Rozeke, ellendig doch meelijdend, voelde langzamerhand
+haar eigen toorn in machtelooze wanhoop
+verzinken. Doch zulk een toestand kon ze
+niettemin in geen geval op haar boerderij dulden,
+en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo
+mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken
+over te halen.</p>
+
+<p>Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en
+wachtte op de komst van Smul. Zij hoorde weldra
+een geluid van voetstappen in de duisternis over
+het erf en opende met kloppend hart de voordeur.</p>
+
+<p>&quot;Ivo, zij-je 't gij?&quot; riep ze.</p>
+
+<p>Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al
+haar krachten in om sterk en kalm te blijven en
+haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden
+gepijnigd sa&acirc;mgefronst, haar tanden beten zenuwachtig
+op haar onderlip en zij voelde zich in 't donker
+op den drempel een vurige kleur krijgen.</p>
+
+<p>&quot;Joa ik, bezinne,&quot; klonk Smul's ruwe stem in de
+duisternis.</p>
+
+<p>&quot;Wilt g' hier ne kier komen?&quot;</p>
+
+<p>Hij was reeds bij de deur van den paardenstal
+om te gaan slapen. Hij keerde zich om en kwam
+sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het
+woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte
+trapsgewijs uit het donkere te voorschijn komen.</p>
+
+<p>&quot;'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo.&quot;</p>
+
+<p>Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar
+binnen en sloot de deur.</p>
+
+<p>Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime,
+lage, zwartgebalkte keuken, zij vreeselijk ontsteld
+en niet wetend hoe te beginnen, hij nurksch en
+norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge
+streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke
+kaken, zijn koude, grijsblauwe oogen strak op haar
+gevestigd, onder de klep van zijn zware, ietwat
+scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder
+kap stond ongezellig lichtend op een laag
+groen tafeltje; in 't haardvuur versmeulden de
+laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte,
+lomp en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem
+te zeggen had.</p>
+
+<p>&quot;Ivo,&quot; begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven
+kijken en met een stem waaraan zij weer vruchteloos
+poogde kracht en vastheid te geven, &quot;Ivo,
+'t Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind
+van ou moe krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt
+treiwen.&quot;</p>
+
+<p>Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend,
+&eacute;&eacute;n enkele seconde. Maar, voor zijn
+harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk haar
+blik weer neer.</p>
+
+<p>&quot;Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n h&egrave; doar
+gien affeirens mee,&quot; klonk kort en ruw zijn afdoend
+antwoord.</p>
+
+<p>&quot;Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es;
+en &agrave;s 't azeu es zoe je 'r toch wel meugen mee
+treiwen,&quot; drong zij zonder overtuigingskracht aan.</p>
+
+<p>&quot;Bezinne,&quot; antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend,
+&quot;die zijn gat verbrandt moe op de bloaze
+zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet 'n
+wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het
+van mij zijn, moar 't kan euk van Vaprijs zijn en
+meschien nog van ne heulen boel andere. Ik 'n trek
+het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn
+botten aan.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa moar, Ivo, op die manier 'n kan ik ulder
+toch op mijn hof nie hou&ecirc;n!&quot; riep zij eensklaps
+heftig, met hooge kleur, over zijn hondschheid
+verontwaardigd.&mdash;&quot;Wa zo&ecirc;n de meinschen wel
+zeggen? En wa zo&ecirc;n de giestelijke zeggen? Wa zo&ecirc;n
+den baron en de baronesse zeggen? Ze zo&ecirc;n mij
+doen verhuizen!&quot;</p>
+
+<p>&quot;'t Es het goed, bezinne, as ge 't op die manier
+opneemt zal ik wiggoan,&quot; zei hij kortaf. En hij week
+al vast naar de deur.</p>
+
+<p>Zij schrikte. Weggaan! Dat kon niet, vooral niet
+op dit oogenblik, met de aanstaande volle drukte
+van den veldarbeid. Dat was een halve ru&iuml;ne, voor
+haar en voor haar kinderen. En zij voelde zich
+plotseling laf worden; zij voelde, dat niet de misdadiger,
+maar wel het ongelukkig slachtoffer, het
+Geluw Meuleken, moest opgeofferd worden. Zij stond
+met hooge kleur te beven en wist niet meer wat te
+zeggen; tranen kwamen in haar neergeslagen oogen
+en zenuwachtig beefden hare lippen. Wanhopig keek
+zij om zich heen, als zocht zij naar een hulp en
+steun welke niet meer te vinden was, als zocht zij
+nog naar hem die haar door den dood zoo onmeedoogend
+was ontnomen. Maar zij had niets meer,
+zij stond zoo ellendig alleen en zoo zwak op de
+wereld; en laf ontsnapte 't aan haar bibberende
+lippen:</p>
+
+<p>&quot;Gij of zij, d'r moet toch ien van de twee wig;
+azeu 'n kan 't nie blijven.&mdash;En zij moe in alle
+geval....&quot;</p>
+
+<p>Eensklaps vloog de zolderdeur open en 't Geluw
+Meuleken, die staan luisteren had, kwam in de keuken
+gesprongen, woest, razend, huilend, met fonkelende
+oogen schreeuwend en scheldend:</p>
+
+<p>&quot;Gie sloeber! gie valschoard! Watte! ge durf zeggen
+dat 't van ou nie 'n es! En gij euk, bezinne,
+gij zij euk 'n slechte, 'n slechte! Ge span mee hem
+te goare! 't Es 'n schande! Ge zij sloebers, valschoards
+alle twie&euml;! Ulder hof es verdomd, verdomd!
+Hij es nen brigand, ne meurdenoare! Hij h&eacute; mij
+compleet vermeurd en hij zal ou euk vermeurden,
+en 't zal wel besteed zijn! 'K zoe nog liever veur
+mijn kind goan scheuien as hier nog ne menuut
+langer op ulder slecht hof te blijven!&quot;</p>
+
+<p>Woedend vloog zij naar de voordeur en eer zij
+den tijd hadden een woord te spreken of haar met
+geweld tegen te houden was ze buiten en weg, den
+boomgaard af, het hek uit, onder razend geblaf van
+den waakhond door de nachtelijke duisternis naar
+'t dorp.</p>
+
+<p>Rozeke was huilend van ontsteltenis op een stoel
+ineengezakt; Smul, even stom en roerloos als een
+bruut, stapte met loggen tred uit het huis en ging
+naar zijn slaapplaats in den stal.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXIV"></a>XXXIV.</h2>
+
+
+<p>De jonge baron en zijn vrouw kwamen dat jaar
+later dan gewoonlijk buiten. Zij waren er eerst tegen
+het einde van Mei en enkele dagen daarna kwam
+de barones Rozeke opzoeken.</p>
+
+<p>Het was een droevig bezoek, een gansch her-opleven
+van al al de zware, nog maar pas geleden smart.
+Rozeke begon dadelijk hopeloos te schreien zoodra
+zij de barones zag en lang spraken zij nog over
+den doode. De barones vertelde haar nog eens hoe
+zij 't onmogelijke had gedaan om hem langer in 't
+zuiden te houden en hoe het was mislukt, omdat
+hij er niet wennen kon en aldoor, altijd maar naar
+huis verlangde. Hij was ook reeds t&egrave; ziek toen hij
+vertrokken was; hij k&ograve;n niet meer genezen. 't Was
+erfelijk geweest bij hem, zij wist het van den dokter:
+zijn vader en zijn broeder waren ook beiden
+jong aan tering gestorven.</p>
+
+<p>Rozeke stilde eindelijk haar overstelpende, te lang
+verkropte tranen en toen viel het haar plotseling
+op dat ook haar voorname vriendin er zoo bedrukt
+uitzag. Een ongewone plooi van kommervollen ernst
+lag over haar verbleekt gelaat en haar mooie oogen
+hadden iets vaag-peinzends, iets afwezigs en verstrooids
+in hun uitdrukking, alsof zij voortdurend
+met hare gedachten elders was. Rozeke vroeg hoe
+'t ging met haar kindje en haar man.</p>
+
+<p>&quot;Goed: nog al goed,&quot; antwoordde zij met stille,
+matte stem, terwijl een lichte kleur over haar bleeke
+wangen kwam.</p>
+
+<p>&quot;Es menier den baron euk op 't kastiel?&quot; vroeg
+nog Rozeke.</p>
+
+<p>&quot;Neen, nog niet, maar hij komt nu weldra,&quot; antwoordde
+zij. Haar wenkbrauwen trokken zich zenuwachtig
+samen en ietwat hooger kleurend wendde
+zij het hoofd om en bracht het gesprek op andere
+onderwerpen.</p>
+
+<p>Rozeke durfde niet verder meer vragen; maar
+plotseling herinnerde zij zich de mededeeling uit
+een van Alfons' laatste brieven; de zonderlinge ontmoeting
+van den baron met die twee rare vrouwen
+in zijn automobiel, en even bekroop haar de angst
+dat hun huwelijk er ongelukkig door geworden was.
+Doch zij joeg die akelige gedachte verre van haar
+weg. &quot;Hoe zou het mogelijk zijn, dacht zij, dat een
+man die zulk een schoone, goede, liefhebbende
+vrouw bezit, nog ooit naar andere en dan nog wel
+naar zulke slechte vrouwen om zou zien.&quot;</p>
+
+<p>En toch,... zij vreesde.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXV"></a>XXXV.</h2>
+
+
+<p>Na de heftige sc&egrave;ne met het Geluw Meuleken was
+de toestand op de boerderij gedurende enkele dagen
+hoogst gespannen geweest. Smul liep sprakeloos en
+somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was
+aan den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan
+en in haar radeloosheid had Rozeke haar ouders
+te hulp geroepen.</p>
+
+<p>Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde
+dat zij heel den boel ineens opruimde, dat zij, niet
+alleen het Geluw Meuleken, die nu trouwens bij haar
+moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral
+Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette.
+Doch vader van Dalen en Rozeke's broeders, veel
+kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en
+beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had
+mooi praten, omdat zij zelve niet voor 't geval
+stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens twee
+nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den
+ophanden zijnden oogst, nergens zelfs meer noodhulp
+was te krijgen? Zoo'n vaart had het dan ook niet
+genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar
+al te radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken
+was tot reden en bedaren gebracht en Smul
+werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder
+ten slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken,
+een van verre; een &quot;uit den bosschen&quot;, zei
+moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en
+geknoei der laatste tijden zou te maken hebben.
+Op een ochtend kwam het meisje, vergezeld van
+moeder, op de hoeve aan; en 't leek een vriendelijk,
+ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met h&eacute;&eacute;l
+lichtblauwe, bijna witte, kleine oogjes en een rond,
+zachtwangig, door de zon gebruind gezicht, vol
+bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op
+elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken.
+Die overvloedige sproetjes en die heele lichte
+oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en dat
+stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van
+wege geknoei met de knechts. Zij heette Meleken.</p>
+
+<p>En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig,
+alledaagsche leven zijn gewonen gang.</p>
+
+<p>De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg
+en nu was men overal aan 't pikken van de rogge.
+Van alle kanten klonk het sissen van de scherp-geslepen
+sikkels in het ruischend-neerzijgende koren;
+en weldra stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet
+met ontelbare, als levende gestalten in elkaar
+gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het
+waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte
+en goud-gerokte vrouwtjes op het kaal-geschoren
+stoppelland; als stille processies van duizenden en
+duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig
+dorpje met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig
+gaande, in geheimzinnige vroomheid, tusschen de
+paars-bloeiende klavervelden en de heldergroene
+weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van
+landelijke heerlijkheid en weelde. Tot &eacute;&eacute;n groote
+rythmus-hymne van vruchtbaren arbeid versmolten
+alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor
+grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer;
+en ook op Rozeke's hoeve was 't nu ingespannen
+werken, van den vroegen ochtend tot den laten
+avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den
+plicht van den ernstigen land-arbeider in oogsttijd;
+en Smul, zoowel als Vaprijsken en de andere,
+gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den
+dag in zonnegloed op 't heete veld, midden in de
+zware garven die op den blonden stoppelakker
+vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld.
+Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld
+aan.</p>
+
+<p>&quot;Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken,
+nog 'n koartierken binst da we 't scheun weer
+h&egrave;n, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche,&quot;
+porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen
+dag op de gebogen ruggen had gebrand, reeds
+lang in haar apotheose-luchtkasteelen van roode en
+gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden
+horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten
+man bleef hij gebukt en zweetend sikkelen,
+soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't uiterst
+hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren
+van vuur en bloed scheen neer te maaien. En lang
+reeds zaten de anderen etend om de avondtafel,
+als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook
+eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe
+begon te slurpen.</p>
+
+<p>En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar
+zijn en hem bewonderen voor zooveel toewijding
+en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik
+steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat
+was in haar gekomen, door zijn woestheid, dien
+eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding, in het
+door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd
+koren; en telkens kwam het weer, telkens
+zag en voelde zij de wreede, gruwelijke sc&egrave;ne
+in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht
+opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van
+met hem, al was 't ook maar een enkel oogenblik,
+alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen sinds
+al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien
+avond toen het Geluw Meuleken was weggeloopen;
+maar nu, de laatste weken, leek het wel of het
+noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk
+gebeurd dat hij haar 't een of ander vragen
+kwam terwijl ze toevallig heel alleen in de keuken
+was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende,
+had hij haar gezocht tot in haar kamer, waar zij
+iets aan 't schikken was. Toch deed hij nooit iets
+vreemds, iets ongewoons, iets dat haar onberedeneerden
+angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij
+haar zelfs niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij
+heel vluchtig soms, alsof hij niet goed durfde, met
+een korten straal van zijn strak-harde, barsche oogen.
+Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te
+vragen had, en luisterde met zijlingschen blik naar
+haar antwoord; en zoodra alles zakelijk gezegd was
+ging hij weg, stug weer naar zijn werk.</p>
+
+<p>En toch.... toch was ze zoo bang!&mdash;Telkens
+had ze 't akelig voorgevoel dat hij haar eens, heel
+onverwacht en plotseling, lang en frank en barsch
+vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij
+haar dan iets vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen
+zou, waartegen ze zich slechts met de uiterste
+krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou
+wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld
+zijn, een woeste aanranding, gelijk dien onvergetelijken
+avond in het koren; het zou iets zijn,...
+ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een
+orkaan plotseling over haar zou aangestormd komen
+en haar zou verpletteren.</p>
+
+<p>Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde
+en vreesde, nu hij uiterlijk veel zachter,
+veel gedwee&euml;r leek dan vroeger. Hij zag er slecht
+en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig
+werken uitgeput; en soms, wanneer zij hem
+op mooie zomerzondag-middagen afgemat en eenzaam
+onder een boom of ergens op het erf zag
+zitten, in plaats van zich als Vaprijsken in de herbergen
+van 't dorp te gaan verlustigen, voelde zij
+een vaag medelijden in zich opkomen en had zij
+wel graag iets willen verzinnen om hem voor zijn
+hard zwoegen vergoeding te geven. Maar wat? Zij
+wist het niet, zij durfde er haast niet over denken.
+Zij durfde hem vooral niet vragen: &quot;Scheelt er iets,
+Ivo? Voelt ge u niet wel? Waarom gaat ge u niet
+eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?&quot;
+Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets
+vragen zou. Het kwam haar voor of plotseling dan
+'t allerergste zou gebeuren, dat waar ze juist zoo
+bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar
+sloeg hem angstig gade, in voortdurende bange
+spanning, dat het lang gevreesde eindelijk los zou
+barsten.</p>
+
+<p>Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar
+gewoonte alleen zijn pijpje rookend, onder de schaduw
+van een boom in 't gras. Meleken had verlof
+gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen
+en Vaprijsken zat ergens in een herberg.
+Haast iederen zondag nu trachtte Rozeke iemand
+van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer
+verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel
+of met Dolf, die doorgaans 's zondags in het dorp
+naar de vesper gingen en daarna even door kwamen
+gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang
+had zij ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der
+vesper hooren luiden en 't werd vier uur, half vijf,
+vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien zondag
+niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat
+het juist kermis was in een naburig dorp en dat
+La en Dolf, die beiden een verkeering hadden, daar
+wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl
+vader en moeder en Miel thuis bleven wachten.</p>
+
+<p>Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat
+nog steeds in de zelfde houding, den rug geleund
+tegen den boomstam die hem half voor haar gezicht
+verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht,
+doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van
+achter den ruigen, donkeren stam zijlings weg; hij
+rookte. Verder zag zij 't openstaande hek van 't erf
+en den eenzamen landweg met boomen, waar nu
+geen mensch ging. Nog verder, achter zijn klein
+bloemen-en-groentetuintje, stond het helder werkmanshuisje
+met zijn groene luikjes en zijn glinsterende
+ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen,
+als verlaten.</p>
+
+<p>Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk:
+zij breide aan een bruin-wollen borstrokje voor
+Hilairken, tegen den volgenden winter. De kleine
+zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje,
+de beenen open, morsend met aarde, in en
+uit een blikken kroesje. Hij had last van zijn tanden
+en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit zijn
+natten open mond tot op zijn borstje en van daar
+tot in zijn morsgeknoei met aarde, waar het een
+slijkplasje werd. Hij had er groote, stille pret in, als
+in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij
+voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en
+gezicht waren nat en zwart als van een wroetend
+modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag leutig
+op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en
+wijd-open, helder-schitterende oogen; en af en toe
+sloeg het juichend en spartelend armpjes en beentjes
+heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn
+nestje zal gaan vliegen.</p>
+
+<p>Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen
+met ontroerde teederheid aan. Zij dacht aan
+Alfons en een zee van leed woelde weer uit de
+diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen
+op. Ach, dat hij 't toch niet beleven mocht: zijn
+vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op het hoevetje,
+hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde,
+de welverdiende rust na 't harde werken van
+den ganschen zomer! Een droeve plooi kwam om haar
+mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms zat ze
+zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven
+van 't zoo kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag,
+ieder uur van ontspanning of van eenzaamheid kwam
+dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend
+in haar op.&mdash;Maar eensklaps schrikte zij bijna en
+meteen droogde de emotie hare tranen en spande
+hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.&mdash;Daar
+zag ze Smul langzaam van onder den appelboom
+opstaan. Wat zou hij nu doen? Zij was alleen en hij
+wist het; en hij kon ook wel onderstellen dat niemand
+van haar thuis nu nog zou komen....</p>
+
+<p>Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het
+donker vierkant van de openstaande deur verdwijnen.
+Zij verademde even. Het oogenblik daarna hoorde
+zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd,
+als van blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker,
+of gaf hun een lekkernijtje. Hij kwam weldra weer
+buiten en sloot achter zich de onderdeur. Dadelijk
+kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken
+en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even
+losgebonden. Het kleintje wipte met een dollen
+huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals
+uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in
+den nek. De merrie schudde 't, in een gewuif harer
+donkere manen, als verveeld van zich af. Maar
+meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk
+reikte 't veulentje zijn langen hals scheef naar onder,
+en zoog.&mdash;Smul liep langzaam slenterend over den
+boomgaard, tot aan 't hek.</p>
+
+<p>Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in
+zijn broekzakken, turend naar rechts en naar links,
+over den verlaten landweg. En Rozeke dacht: &quot;hij
+staat te kijken of ze van thuis niet komen.&quot; Een
+buurman, die uit 't dorp terugkeerde, liep langzaam
+voorbij en Smul wisselde met hem een groet en
+een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken
+hun luide stem, terwijl de man, even opgehouden,
+verder voortschreed:</p>
+
+<p>&quot;Scheun weer, h&egrave;?&quot;</p>
+
+<p>&quot;'t Es pertijkelier!&quot;</p>
+
+<p>Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks
+hoorde, klonken haar vreedzaam en gerustellend in
+'t oor. Er lag ook zulk een goede rust en vrede over
+alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar
+stralen, daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden
+gloed naar 't westen, er hing een gouden pulver
+over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme
+avondfrischheid komen. En zij dacht er over om
+zelve nu een uurtje buiten met de kinderen van
+het liefelijke weer te gaan genieten, toen zij hem
+eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap
+naar 't huis toetreden.</p>
+
+<p>Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een
+steun te hebben naar haar twee kinderen. Doch zij
+vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers
+elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde
+ze nu bang te wezen! Zij zou hem eenvoudig een
+glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig
+weer weggaan.</p>
+
+<p>Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen
+gestapt.</p>
+
+<p>&quot;'t Es woarm, h&egrave;, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?&quot;
+vroeg ze, ondanks al haar inspanning om
+kalm te blijven toch een lichte kleur van emotie
+krijgend.</p>
+
+<p>&quot;Merci, 'k 'n h&egrave; gien goeste, 'k voele mij op mijn
+gemak niet,&quot; antwoordde hij kortaf.</p>
+
+<p>Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk
+niet goed uit, bleek en betrokken, met rimpels in 't
+gezicht; en zijn oogen stonden flauw en dof, ondanks
+hun gewone, barsche uitdrukking.</p>
+
+<p>&quot;Zeu, wa scheelt er dan?&quot; vroeg zij belangstellend.</p>
+
+<p>Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd,
+op een stoel, vlak v&oacute;&oacute;r haar werktafeltje,
+zitten. Hij leunde met den elleboog op het tafeltje
+en keek haar strak en vorschend aan.</p>
+
+<p>&quot;Bezinne,&quot; zei hij eensklaps, zonder voorbereidende
+inleiding, &quot;azeu 'n kan 't nie blijven duren,
+'t Moet 't ien of 't ander worden?&quot;</p>
+
+<p>Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling
+het erge, het zoolang gevreesde komen.</p>
+
+<p>&quot;Woa ... woarom datte?&quot; beefde en stotterde zij.</p>
+
+<p>&quot;Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven
+duren,&quot; herhaalde hij met een soort koppigheid, in
+de kortbondigheid van een die niet gewend is veel
+te praten en slechts over enkele woorden beschikt
+om zijn gevoelens en gedachten uit te drukken.
+&quot;'K ben hier boas en knecht terzelvertijd, bezinne;
+en 't moet 't ien of 't ander worden: boas &ograve;f
+knecht.&quot;</p>
+
+<p>Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet
+wat te antwoorden.</p>
+
+<p>&quot;Ha moar ge zij gij boas!&quot; riep zij eensklaps,
+instinctmatig, onbewust van wat ze zei.</p>
+
+<p>&quot;'K ben knecht,&quot; zei hij met nadruk; &quot;'k ben
+knecht en 'k 'n wil hier giene knecht mier blijven,
+'t Moet 't ien of 't ander worden: mee mij hirtreiwen,
+of ik hier wig.&quot;</p>
+
+<p>Daar was het groote woord gezegd, d&agrave;t wat ze
+bovenal vreesde. Het stond ineens v&oacute;&oacute;r haar, vast
+als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er van.
+Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare
+wangen een kleur als vuur, met in haar oogen de
+onverzettelijke stugheid van een sterk besluit:</p>
+
+<p>&quot;Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk,
+dat 'n kan niet;... Alfons;...mijn kinderen,...
+o nie nie, noeit, noeit!&quot;</p>
+
+<p>Als door een veer bewogen stond hij op.</p>
+
+<p>&quot;Al gezeid.&mdash;Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa
+in mijn viertien doagen.&quot;</p>
+
+<p>En v&oacute;&oacute;r ze den tijd had nog een woord te spreken
+was hij de deur uit.</p>
+
+<p>Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij
+keek hem door het raampje na en zag hem over
+den boomgaard wegstappen, vlug en vastberaden,
+het hek uit, den landweg op, in de richting van
+het dorp.</p>
+
+<p>&quot;Ach Hiere! ach Hiere!&quot; slaakte zij dof en anstig,
+bevend van ontroering.</p>
+
+<p>Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken v&oacute;&oacute;r
+haar voeten steeds te knoeien: spartelend, met glinsterende
+oogjes en met blaasjesmondje, lag Marietje
+in haar wieg te jubelen....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXVI"></a>XXXVI.</h2>
+
+
+<p>Smul had zijn dienst opgezeid!&mdash;Dat was het
+groote, dadelijk alom in de buurt verspreide nieuws
+van den volgenden ochtend. De pikkers en bindsters
+op den akker spraken elkander met verbazing aan;
+Meleken, die om acht uur met de boterhammen en
+de koffie op den akker kwam, werd dringend ondervraagd
+en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder
+er eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken
+juichte onverholen, met glinsterende oogen
+lachend in zijn gelen baard, als voor een heel goede,
+blijde tijding.</p>
+
+<p>Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken.
+Zij durfden niet, ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid
+die op de tongen kittelde. De kerel zag er
+ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij
+zag er naar uit om bij de minste toespeling geduchte
+klappen uit te deelen. Hij was de afgemaaide droge
+roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij met
+paard en wagen om den hoek van 't stoppelland
+verscheen, hielden de drukke gesprekken plotseling
+op en werd de vracht in doodsche stilte opgeladen.
+Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw
+zweepend op zijn beest, of dadelijk begon het
+weer: zij staken de hoofden samen, babbelden en
+lachten en maakten eindelooze onderstellingen over
+de oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou
+gebeuren.</p>
+
+<p>&quot;Hij h&egrave; hem 'n bleiwe scheene geleupen!&quot; beweerde
+de een.</p>
+
+<p>&quot;Z' h&egrave; hem zelve wiggezonden!&quot; meende een
+tweede.</p>
+
+<p>&quot;Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!&quot;
+veronderstelde een derde.</p>
+
+<p>Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan
+dat Smul wel degelijk een blauwtje had geloopen;
+en elk oogenblik haalde hij in zijn uitgelaten, wraaklustige
+pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet zijn
+sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend
+en jankend in 't ronde, de beide handen wrijvend
+aan zijn scheenbeenen, jammerend dat hij ergens
+tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars
+en blauw zagen. En 't gansche troepje viel daarop
+luid aan 't schaterlachen, het werk stond stil en allen
+deden om het dolst, tot het daverend geratel van
+Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren
+en allen, nog steeds vol ontzag en vrees voor hem,
+haastig weer over de schoven en in 't neerritselend
+koren bogen.</p>
+
+<p>Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't
+Was volop in den oogst en na den oogst kwam
+haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze
+hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder
+ontboden en haar het gebeurde meegedeeld; maar
+hoe moeder ook over die zoolang door haar gewenschte
+oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel
+gemakkelijk een anderen, goedgeschikten paardenknecht
+zou vinden, zij vond er juist geen. 't Was
+ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken
+tijd. Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner,
+goed of slecht, was op dat oogenblik meer
+vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke
+beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen,
+maar natuurlijk niet voor lang, want zij waren nu
+thuis ook broodnoodig.</p>
+
+<p>En intusschen verstreken de druk-bezette dagen,
+het oogenblik dat Smul zou weggaan naderde en
+hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was
+radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te
+zuchten, te zoeken naar een middel, om Smul, al
+was 't maar voor een heele korte poos, tot na den
+oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch
+hij was niet te spreken noch te benaderen; als een
+stugge, nurksche bruut liep hij wenkbrauwfronzend
+heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog
+naar iemand om te kijken, noch met iemand ook een
+enkel overbodig woord te wisselen.</p>
+
+<p>Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt,
+toen hij klaar was met zijn werk in den stal, trok
+hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar 't dorp.
+Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten.
+Zij wachtten even, maar toen hij daar om half-&eacute;&eacute;n
+nog niet was, at Rozeke zonder hem, met Meleken
+en met Vaprijsken.&mdash;Hij zal niet meer komen, dacht
+zij, hij zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't
+kropte in haar keel, zij kon geen stukje doorslikken.
+Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel
+bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen
+knecht voor Rozeke gevonden had; maar dat kwam
+er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week,
+denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar
+'t boerderijtje komen en er blijven tot zij iemand
+had. Slechts twee- of driemaal in de week zou hij
+voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren,
+om er 't allerdringendste te helpen doen.</p>
+
+<p>Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte
+doelmatig geholpen noch getroost. Zij begreep best
+dat zoo'n halve maatregel tot niets zou dienen. Wat
+zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame
+man, die er dag aan dag van den ochtend
+tot den avond was, de eerste op en de laatste naar
+bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar
+kon en zooals Smul na hem ook had gedaan.</p>
+
+<p>Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over
+na en kwam tot de concluzie dat er voorloopig niets
+anders op te vinden was, dan zichzelve zoo spoedig
+en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles
+wat de boerderij betrof te stellen. Waarom ook
+wist ze daar nog steeds zoo weinig van af?
+Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den
+akker? Waarom kwam ze zoo zelden in de
+schuur en in de stallen? Andere boerinnen die,
+evenals zij, het ongeluk hadden gehad op jeugdigen
+leeftijd weduwe te worden, spanden zich in om desnoods
+alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook
+niet kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming
+aan plicht, die nauwelijks in de pas geleden
+smart van haar groot verlies eenige verontschuldiging
+kon vinden en nam het wilskrachtig besluit
+daar onverwijld volkomen verandering in te brengen.
+Het was juist stil en rustig met den zondag,
+het oogenblik was gunstig om al vast alles eens in
+oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje
+weer naar 't dorp gegaan en zou waarschijnlijk
+als naar gewoonte, eerst vrij laat in den
+avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet
+komen hinderen; wie wist ook of hij in 't geheel
+nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis om
+op de kinderen te letten.</p>
+
+<p>Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond
+ging loopen en trok meteen de velden in.</p>
+
+<p>Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid,
+in groote, vierkante of langwerpige partijen
+verdeeld: de naakte, hier en daar reeds omgeploegde
+stoppelvelden van de afgemaaide rogge,
+met de lange, lange rijen overeind-gekruiste schoven
+als omstrengelde gestalten in roerlooze aanbidding
+en liefde; de rijpende havervelden met hun miljoenen
+en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel
+stil-harmonisch klingelende, gouden belletjes; de
+goudgele tarwevelden, strak en statig opgerezen in
+stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun
+rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen
+strekten zich in zacht geflonker, als groote tapijten
+van deftigen rijkdom, de malsche velden van roze-of-paarsbloeiende
+klaver en de fleurige aardappelakkers
+uit, forsch opgewassen in hun donker groen
+met overal de witte en lichtlila trosjes van hun
+bloementooisel, als ontelbare levende en rustende
+vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden
+avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo
+heerlijk; de verre boomen die den horizon omlijstten
+stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo
+prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels
+zongen zoo verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid
+in 't milde van de lange schoone dagen;
+en zij genoot van alles met een zachten wellust,
+vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de
+eerste, teere avondnevelen opstegen, en met een
+zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch
+al die weelde aan hem die nu vertrekken ging te
+danken had. Maar zij dacht ook met weemoedvolle
+teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie
+had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een
+gevoel van zelfverwijt, haar vluchtige weeke stemming.
+Zij keerde naar de boerderij terug, om ook
+daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres,
+alles eens van dichtbij na te gaan.</p>
+
+<p>Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen.
+Zij vond het beter dat Meleken er haar niet zag
+binnen gaan. De koeien, die heel den ochtend in
+de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig
+op een versch strooleger in hun hokken te herkauwen;
+het jong goed: de runders en de kalveren
+liep in afzonderlijke hokken los en kwam
+nieuwsgierig naar Rozeke kijken; en in het varkenshok
+lag de dikke zeug wellustig met gesloten
+oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd
+door al haar wroetelende jongen, als door een krioelend
+troepje van spiernaakte, roze menschenkinderen,
+die af en toe met schrille gilletjes elkaar verdrongen
+om te zuigen. Alles was goed in orde in
+den koestal; het rook er frisch naar versche melk en
+muskus; Vaprijsken, die anders al niet veel verstand
+van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn
+werk: hij was een uitmuntende stalknecht.</p>
+
+<p>Door een binnendeur kwam zij van den zoet
+naar melk en muskus geurenden koestal in den
+paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp
+rook naar ammoniak. De zware bruine merrie lag
+er kalm uitgestrekt, als een moegesjouwd mensch
+die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde
+haar schoone groote oogen, groen-glanzend
+in de halve duisternis, terwijl het beest vreedzaam
+'t hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een trouw,
+goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt
+had, en Rozeke boog zich even en klopte verteederd-streelend
+op de forsche, dofglimmende schoft.
+De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.</p>
+
+<p>&quot;Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar
+rusten, mijn bieste,&quot; sprak Rozeke de merrie aan,
+als sprak zij tot een mensch, die haar begrijpen
+kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat
+als een ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter
+de ijzeren staven van zijn krib op haar te wachten
+stond. Het speet haar dat zij niet een klontje suiker
+meegenomen had om het te trakteeren; maar
+zij vond gelukkig in een hoek een worteltje en gaf
+het hem. Het jolig beestje knabbelde er op en
+speelde er mee met schuimend op en neer flappenden
+mond, maar liet het eindelijk glippen en
+maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog,
+hinnekend een dollen krommen sprong, als een
+grappige kwajongen die gaat tuimelparten spelen.
+De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde
+goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal
+en kwam door een tweede deur in de schuur.
+Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim
+onder de ribbehouten en de pannen die fijne streepjes
+licht doorlieten, stil als onder de hooge, stille
+bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig
+naar verschgedorscht graan, naar hooi en
+stroo en droge klaver; en groote hoopen bundels en
+schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld,
+als een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat
+den ganschen zomer zoo welig in blonde en gouden
+heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid
+en gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke
+kruidjes en de wilde bloempjes hadden er
+iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde
+er, in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming
+van, toen zij plotseling, door een vreemden
+terugsprong der gedachte, zich weer in verbeelding
+midden in 't vertrapte koren zag, naast
+den wagen met de weggeholde paarden, heesch-gillend
+en worstelend tegen Smul, die haar wilde
+overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware
+nog gebeuren; zij stond, als op een werkelijkheid,
+op de akelige herinnering harer verbeelding te staren,
+zij werd er haast benauwd en bang onder en
+schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de
+tusschendeur om weg te gaan, toen eensklaps op
+den drempel van die deur een donkere gestalte
+v&oacute;&oacute;r haar oprees.</p>
+
+<p>&quot;Och Hier, och God!&quot; schrikte zij wild terug.</p>
+
+<p>'t Was Smul!&mdash;Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd
+haar op die plaats te vinden, aarzelend
+om verder naar haar toe te komen of te spreken,
+alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde
+wie hij wel v&oacute;&oacute;r zich had. Eerst na een poos herkende
+hij haar duidelijk, trad op haar af, vroeg
+haar, kortaf, met schorre stem:</p>
+
+<p>&quot;Wat komt-e gij hier doen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken,&quot; stotterde
+zij. Het nevelde v&oacute;&oacute;r haar oogen, het suisde in
+haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed; ze
+schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem
+toe zonder hem te zien, zonder hem te hooren,
+zoekend, als een gevangene, als een blinde naar
+de deur, om weg te komen.&mdash;Zij strekte hare handen
+uit, struikelde en viel tegen hem aan; en plotseling
+voelde zij zich als 't ware platgedrukt tusschen
+twee machtigknellende armen, terwijl een
+mond, met een ruige snor, die walgelijk naar tabak
+en drank rook, zich bijna bijtend op haar lippen
+perste.</p>
+
+<p>&quot;Ivo! los!&mdash;Voader! moeder!&quot; kreet zij heesch,
+zoo hard zij kon.</p>
+
+<p>Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar
+hoofd kromp achterover, in haar nek, tot op haar
+rug, als zou het afbreken of barsten; en plotseling
+stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven
+neer.&mdash;'t Was als een moord; zij zag noch
+hoorde meer; zij slaakte geen enkelen kreet, geen
+enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de
+garven....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXVII"></a>XXXVII.</h2>
+
+
+<p>Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den
+indruk of er eensklaps iets met ruw geweld diep
+uit haar binnenste was weggerukt.&mdash;Hij was verdwenen,
+zij stond alleen in de schemerige schuur
+en 't leek alles zoo vreemd: zij schreide noch
+klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen maar
+dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar
+leven plotseling was omgekeerd, of alles wat ze
+tot nog toe goed had gekend en liefgehad, opeens
+heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles
+wat zij als het vreemde en ongekende vreesde, als
+door een donderslag in haar was neergesmakt.
+Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis
+en haar belofte aan Alfons, haar broeders en haar
+zuster, de jonge barones en de baron, alles, &agrave;lles
+wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en
+bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger
+leven die zij nu en dan slechts eens terugzag;
+en ook de onbezielde dingen van haar dagelijks
+bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard,
+het huisje, alles leefde nog een laatste
+oogenblik met pijlsnelle intensiteit voor haar geschokten
+geest op en zonk toen weg in 't niet, om plaats
+te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher,
+die eensklaps als het ware uit den
+grond gerezen was en zonder een woord, enkel
+door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en
+alles om haar heen weg- en stukgeslagen en haar
+zelve als een nietig, weerloos slachtoffer in zijn
+bezit genomen had.</p>
+
+<p>Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder
+kalm, maar voorgevoelend dat de schok in al
+zijn hevigheid eerst later zijn vernielingskracht zou
+botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid
+van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis.
+Wat was het alles vreemd en toch zoo dood
+gewoon! Wat voelde ze zich onverschillig-kalm en
+nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom
+holde ze den misdadiger niet schreeuwend na?
+Waarom troepte ze de heele buurt niet samen om
+hem daar ter plaatse dood te steenigen?&mdash;Neen,
+niets.&mdash;Zij sprak gewoon met Meleken die met
+haar kinderen speelde; zij keek hoe laat het was;
+zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk
+weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.</p>
+
+<p>&quot;Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K h&egrave; hem
+doar op 't hof zien leupen,&quot; hoorde zij het meisje
+eensklaps zeggen. En zonder de minste moeite wist
+Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm
+antwoordde:</p>
+
+<p>&quot;Joa, 'k h&egrave; hem euk gezien. Hij es zeker zat?&quot;</p>
+
+<p>&quot;'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch
+moar oardig uit. As hij om eten komt 'k zal 't
+hem toch wel moete geven?&quot;</p>
+
+<p>Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een
+oogenblik, als was het haar niet mogelijk die eenvoudige
+woorden te begrijpen.</p>
+
+<p>&quot;Wat dijnkt ou, bezinne?&quot; herhaalde 't meisje
+bedeesd.</p>
+
+<p>&quot;Ach joa g'e-woar,&quot; antwoordde zij eindelijk, als
+uit een droom ontwakend; &quot;hij zal nou woarschijnlijk
+wel honger h&egrave;n; hij....&quot; Zij beet op haar lippen
+en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd,
+'t meisje aan.</p>
+
+<p>&quot;Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa joa, zeker, goa moar.&quot;</p>
+
+<p>Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even
+met haar kinderen alleen. Hilairken waggelde op
+zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in
+haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de
+houten armleuning.</p>
+
+<p>&quot;Oeder, Eleken wig,&quot; kwam Hilairken naar haar
+toe; en hij poogde op haar schoot te klauteren.</p>
+
+<p>Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek,
+bij de zachte aanraking der kleine handjes. Heftig
+schoof zij haar stoel achteruit en strekte, als 't ware
+verdedigend, haar beide handen v&oacute;&oacute;r zich uit, terwijl
+zij riep met heesche stem:</p>
+
+<p>&quot;Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet;
+moeder es steit, moeder es vuil!&quot;</p>
+
+<p>Het dienstmeisje kwam weer in huis:</p>
+
+<p>&quot;Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt
+dat hij gienen tijd 'n h&egrave;t om te komen eten. Hij
+vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas bier
+wille brijngen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Brijng het hem,&quot; zei Rozeke.</p>
+
+<p>&quot;'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke,
+bezinne?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa, 't es goed.&quot;</p>
+
+<p>Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas
+bier, met het roggebrood en de schotel hoofdkaas
+weer boven. Zij sneed een dikke homp van 't brood,
+legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos
+en zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar
+de stallen, als met het eten voor een beest.</p>
+
+<p>&quot;Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak h&egrave;n,&quot; kwam
+Hilairken zaniken.</p>
+
+<p>Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel,
+sneed er een plakje af en gaf het aan den bengel.</p>
+
+<p>Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen
+te slaan, opgewonden zwoeg-ademend, de groote,
+blauwe, hunkerende oogen op de hoofdkaasschotel.
+Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar
+en weer ging ze roerloos-stom v&oacute;&oacute;r 't venster zitten,
+als op een vreemde plaats waar niets meer van
+haar was en waar zij ook geen mensen meer kende.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXVIII"></a>XXXVIII.</h2>
+
+
+<p>Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn
+gewonen gang op 't boerderijtje, alsof er niets gebeurd
+was. Maar die gewoonheid was slechts een bedriegelijke
+schijn; de groote slag had in de diepte alles
+omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets
+van voelden zonder het nog te begrijpen. Het
+bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag
+weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds
+gebeurd zou zijn, maar niemand sprak er nu meer
+over; en Smul zelf, steeds in zijn halsstarrig zwijgen
+teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde,
+zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan
+denkt om te vertrekken, als een die niet gemist kan
+worden. Hij zaaide in vruchtbaren akker het zaad
+van de komende oogsten en zij allen, die hem zagen
+werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid,
+ja, de onmogelijkheid van zijn vertrek.</p>
+
+<p>En Rozeke liep als versuft in huis en op haar
+erf rond. Het was zoo vreemd in haar, zij leed maar
+niet, zij was nog steeds niet boos, niet verontwaardigd,
+er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks,
+dat alle kracht van opstand in haar verlamde, dat alle
+smart en wroering doodde, iets dat haar onverschillig
+en gevoelloos maakte voor het akelige dat gebeurd
+was en voor 't akelige dat haar nog te wachten
+stond. Het leek wel of ze zich nog maar geen juiste
+rekenschap van de gebeurtenis kon geven; het
+was te ruw, te overweldigend geweest; er was te
+veel gebeurd in een te korten tijd; zij twijfelde,
+zij sufte, 't was als een nachtmerrie geweest; en nu
+wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen en
+kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder
+zou geschieden.</p>
+
+<p>Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde,
+de onoverkomelijke werkelijkheid, die hen fataal
+opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want zij moest
+wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog
+spreken, het was niet mogelijk dat hij zoo opeens
+van haar zou weggaan, zonder dat nog iets gezegd
+werd, zonder dat nog iets,&mdash;zij wist niet wat&mdash;gebeurde.</p>
+
+<p>'t Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn
+tijd ten einde. Rozeke was radeloos. Hij zei steeds
+niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van haar,
+maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor
+zijn vertrek. Hoe moest dat eindigen? Wat was hij
+van plan?</p>
+
+<p>De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren
+ook reeds naar bed. Smul zelf was reeds lang naar
+zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog alleen in
+de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger
+leed kwam kwellend weer in haar op; het welde
+langzaam op, als uit een diepe, diepe bron, het eene
+na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst sinds
+al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons
+intens weer in haar ziel; en 't was alsof de bron van
+al haar droefheid zich van lieverlede tot een zee
+van smart uitbreidde, waarin zij dreef en worstelde,
+gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei.
+Alles, o, &agrave;lles had ze met hem verloren. Hij
+was haar liefde en levenslicht geweest en nu het
+voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren
+nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als
+vrouw alleen, zij voelde alles, alles haar ontglippen;
+een vrouw alleen was niets, zij hoefde hulp en
+steun, of moest ten ondergaan. En die steun had
+ze niet, zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar
+ouders konden haar maar niet doelmatig helpen;
+haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones,
+zag ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar,
+alles vergat haar; zij schudde 't zwakke hoofd en
+strekte verdwaald-zoekend haar bange sidderende
+handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze
+grepen in elkaar.&mdash;Haar hoofd zakte in haar handen
+en zij snikte, snikte....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul
+v&oacute;&oacute;r haar. Met een schorren angstkreet sprong zij op:</p>
+
+<p>&quot;Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou
+bedde niet?&quot;</p>
+
+<p>Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd
+en zij zag zijn keel even zenuwachtig hikken. Star
+en stijf, als in verwildering, keken zijn koude, grijze
+oogen haar aan.</p>
+
+<p>&quot;Nien ik,&quot; antwoordde hij heesch. &quot;'K h&egrave; espres
+gewacht tot da g' alliene woart.'K moe ou spreken;
+'k moe ou nog wa vroagen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Watte? wa es 't?&quot; riep ze kortaf, doodsbleek, de
+lippen bevend, de beide handen aan de leuning van
+een stoel geklemd, het gansche lichaam als tot zelfverdediging
+gespannen en gestramd.</p>
+
+<p>&quot;Of ge nou mee mij wilt treiwen?&quot; vroeg hij dof.</p>
+
+<p>&quot;Nien ik! nien ik! nien ik!&quot; kreet zij schor, in
+strak-gespannen houding.</p>
+
+<p>Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche
+oogen. Hij grijnslachte; maar eensklaps kalm:</p>
+
+<p>&quot;'t Es goed; betoal mij dan.&mdash;'K goa morgen
+wig.&quot;</p>
+
+<p>Het knakte haar plotseling neer als onder een
+slag. Haar weigering, haar stugge opstand waren
+niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij
+bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd
+besluit niet meer: en alles was nu weer zoo diep
+verward in haar, onder het onverwachte van zijn
+komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer
+wat ze 't meest verlangen of het innigst vreezen
+moest: zijn blijven of zijn heengaan. Haar gelaatstrekken
+verwrongen zich en zij begon te schreien;
+zij antwoordde slap en zuchtend: &quot;'t es goed, 'k
+zal om ou geld goan,&quot; en als in een droom nam ze
+'t lampje van de tafel en ging er mee in de kamer
+waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat
+zij hem in de duisternis van de keuken alleen liet.
+Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de
+kamer was en keerde zich haastig en plotseling
+om. Zij wilde een kaars van boven de kast nemen
+en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad,
+toen hij haar eensklaps, als een roofdier op de
+teenen kwam nagehold, de lamp uitblies en in een
+woeste pranging haar omknelde.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de
+handen op den mond en kreet dof:</p>
+
+<p>&quot;Zwijgt, of ik vermeurd ou!&quot;</p>
+
+<p>Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat
+vaag-wit schemerde in een hoek.</p>
+
+<p>Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van
+woest genot en wraak....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XXXIX"></a>XXXIX.</h2>
+
+
+<p>Een der laatste dagen van December, toen al het
+graan der komende oogsten was gezaaid en reeds in
+fijne groene stengeltjes uit den grauwen, natvruchtbaren
+bodem begon op te kijken; toen 't wijde,
+doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in
+killen wintersluimer lag, met zwarte en bonte benden
+kraaien, die er in loom-tragen vleugelslag, als
+sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend
+overheen vlogen; toen al het vee weer in de
+stallen was en ook de kouwelijke menschen rustend
+na de zomerdrukte in hun dichtgesloten huisjes
+bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen
+alom over het land den lichten grijzen rook ten
+grijzen hemel deden kronkelen;... op een van die
+natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk:
+het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen
+met Smul plaats. Wat was het toch alles anders
+geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was
+de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis
+met Alfons uit de stad terugkwam? Waar waren
+de bloemen? waar was het meisje dat haar een
+gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende
+feestvierders om het rood-oplaaiend vuur?&mdash;Nu
+waren zij alleen, geheel en gansch alleen met hun
+vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen.
+Geen enkel familielid; geen enkele vriend!
+Haar ouders, broers en zusters waren allen onverzoenlijk
+boos op haar geworden; en ook de jonge
+barones had haar beschermende hand van haar
+afgewend. Op een middag was zij op het hoevetje
+gekomen en had aan Rozeke gevraagd: &quot;het is niet
+waar toch, Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat
+ge met zoo'n vent zult gaan hertrouwen!&quot; en toen
+Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het w&egrave;l
+gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen
+was, en waarom het nu niet anders kon meer; toen
+was de barones eerst in verontwaardiging uitgebarsten
+en had gezegd dat zoo'n schurk bij de
+politie diende aangeklaagd; maar eindelijk was
+haar toorn veranderd in medelijden, en vol teleurstelling
+en leed had ze zuchtend haar schouders
+opgehaald en was vertrokken. Zij zelve was nu niet
+gelukkig meer. In 't dorp werd er veel over gefluisterd
+en Rozeke had het ook gehoord: haar man
+liep openlijk met andere vrouwen; de oude baron
+en barones wilden hem op het kasteel niet meer
+ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken.
+Overal zag Rozeke rouw en droefheid om
+zich heen. Zij was zoo jong nog, pas zes en twintig
+geworden en al het lieve en frissche van haar
+leven was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons
+gestorven, haar ouders boos, haar zachte, lieflijke
+bescherm-vriendin diep ongelukkig en van haar
+vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van
+geweld en dwang, van woeste aanranding en van
+verkrachting, dat huwelijk waar zij van walgde,
+maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor
+haar en voor 't bestaan van hare kinderen!</p>
+
+<p>'t Was haar te moede als woonde zij haar eigen
+lijkdienst en begrafenis bij. O, die wettelijke verbintenis
+op het stadhuis, in die stoffige kamer der
+secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk
+met Alfons bezegeld hadden, nu met
+onaangename, zure gezichten van verveling en
+minachting ook haar tweede huwelijk met Smul
+voltrokken! Dat toonloos, onverschillig gezanik
+van woorden waar niemand naar luisterde, dat
+krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks
+gebromd &quot;proficiat&quot; van de getuigen; en dan die
+koude, akelige borrels jenever in de koude ongezellige
+herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat
+was het alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde
+zij nijpend al die hardheid, al die nauwelijks bedwongen
+minachting en vijandigheid om zich heen!
+En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk,
+den misprijzenden blik van den pastoor, het valsch
+gezang van den koster op 't oxaal, en de strenge,
+korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts
+of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten,
+die hen beval hoe ze zich houden moesten! Het
+kropte in haar keel, zij had het hardop kunnen
+uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging
+aan haar hart, de wroeging over haar geschondene,
+plechtige belofte op Alfons' sterfbed!</p>
+
+<p>En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het
+slenteren in de herbergen, het drinken van borrels
+in den wrangen rook der pijpen, 't geraas der mannen
+onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij,
+gansch alleen, als verloren, zonder iemand die zich
+met haar bemoeide of naar haar omzag! Zij liep
+maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen
+zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te
+gaan eten, trok Smul voorop met de vier getuigen
+en kwam zij enkele passen achter, het hoofd gebukt
+en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.</p>
+
+<p>Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de
+kinderen mee aan tafel; en toen de maaltijd ge&euml;indigd
+was, trok zij weer haar gewone dagelijksche
+kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de
+vaten om, terwijl Smul en de getuigen met koffie
+en borrels aan de kaarttafel zaten.</p>
+
+<p>Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen
+zij in de vroege schemering naar buiten en Smul
+liet hun de boerderij: de schuur, de stallen, de
+zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde
+zelfs de merrie en het veulentje uit en liet ze aan
+den teugel door den boomgaard heen en weer draven,
+heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de
+zijne waren.</p>
+
+<p>Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering
+gelokt, kwam even op den drempel kijken. Zij zag
+de schoone sterke merrie als 't ware hunkerend-hinnikend
+door Smul in toom gehouden, met
+gespitste ooren en wild-blikkerende oogen, naar
+de dolle sprongen kijken van het veulentje, dat
+door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen
+de boomen werd geloodst. Telkens draaide
+het hoofd der moeder met de wentelingen van het
+jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in
+de oogen aan Alfons, die voor het jong en vroolijk-huppelend
+beestje zijn doodelijke ziekte had opgedaan.
+&mdash;O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een
+heel klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in
+het naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong
+kort en fijn een doodweemoedig deuntje. 't Was als
+de stil-trillende klacht van een zwak-lijdend zieltje
+in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij huiverde
+en met een diepen zucht ging zij weer Meleken
+helpen omwasschen....</p>
+
+<p>De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden
+om de akkers heen en kwamen ergens voor
+een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en
+weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.&mdash;'t
+Werd avond, vroege, droeve winteravond; 't werd
+nacht, kille, nevelige winternacht.&mdash;Nog steeds
+was hij met de mannen uit.&mdash;Opnieuw kwam
+Rozeke huiverend op den drempel staan en keek
+en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den
+omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in
+trage dikke tranen, uit de boomentwijgen in het
+natte gras; en verder hoorde zij niets dan den
+langzamen, doffen kadansslag van een enkelen
+laten dorschvlegel, ergens in een schuur.</p>
+
+<p>Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen
+en Meleken waren reeds slapen gegaan....</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde
+van verre zijn struikelende voetstappen en rilde
+van afkeer en angst.&mdash;Hij opende de deur en deed
+ze weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten
+de waakhond.</p>
+
+<p>Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en
+kleedde zich sprakeloos uit.&mdash;Zij rilde, rilde....
+Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende lucht
+van tabak en drank die om hem heen walmde.</p>
+
+<p>Toen kwam hij bij haar....</p>
+
+<p>Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke
+van Dalens tweede huwelijk....</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XL"></a>XL.</h2>
+
+
+<p>Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een
+nauw-beperkten kring, waarin zij zelve haast geen
+verandering meer verwachtte. In vroeger jaren had
+ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij
+wist niet wat al komende of mogelijke gebeurtenissen:
+nu scheen haar alles vast vooruit geregeld,
+alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk
+aldus voorspeld en geschikt was.</p>
+
+<p>Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch
+aan als eenig opperhoofd en baas en zij werd dadelijk
+als een tweede dienstmeid, te nauwernood verheven
+boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd
+op haar ouders, die zich tegen haar huwelijk
+met hem gekant hadden en verbood haar nog ooit
+een voet over hun drempel te zetten, noch iemand
+van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij
+vroeg haar den sleutel van de geldkast en nooit
+meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld noodig
+had moest ze 't h&egrave;m voortaan vragen.</p>
+
+<p>Kort was hij met haar in zijn woorden en deze
+klonken steeds als bevelen. Nooit noemde hij haar
+bij den naam. Hij riep haar, als een knecht of meid,
+met een &quot;h&egrave;!&quot; of een &quot;hier!&quot; zooals men tegen een
+hond spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of
+begreep, vloekte hij op haar.</p>
+
+<p>Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf
+op en dadelijk naar den stal, terwijl zij, gedwongen
+gelijk met hem op te staan, in de keuken 't vuur
+aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen
+ook reeds op en molk de koeien; Vaprijsken gaf
+het voeder aan de beesten.&mdash;Even na vijf uur kwam
+hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten,
+liet zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee
+tarwe-boterhammen in en slurpte twee groote koppen
+koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging weer
+naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard
+en kar uit en reed weg naar den akker.</p>
+
+<p>Om acht uur of half negen was hij op de boerderij
+terug. Zijn tweede ontbijt stond klaar: een
+dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast een
+glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij
+eenigszins goed ter sprake was, wisselde hij met
+haar enkele woorden, steeds kort van toon, zonder
+haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De
+kinderen waren dan op en kwamen hem &quot;go&ecirc;n dag&quot;
+wenschen, hem &quot;voader&quot; noemend, zooals Rozeke het
+hun geleerd had. Hij mompelde een &quot;go&ecirc;n dag&quot; terug,
+maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige
+notitie van te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan
+en ging weer naar 't veld, waar hij tot twaalf uur bleef.</p>
+
+<p>Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met
+Meleken en Vaprijsken aan de gemeenschappelijke
+tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken,
+bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden,
+stond gelijk met de anderen
+op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan
+weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg
+naar bed.</p>
+
+<p>'s Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en
+zelf ging hij later naar de hoogmis. Daarna liep
+hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk en
+kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige
+oogen kwam hij tegen twaalf uur terug. Hij zag er
+altijd woedend uit en zijn adem stonk naar jenever.
+Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak
+meestal met niemand een woord en ging dadelijk
+na den eten een paar uur op zijn bed liggen. Tusschen
+drie en vier was hij weer op de been, slurpte
+koffie, ging even naar zijn stallen en dan verder,
+zonder Rozeke te waarschuwen, naar de kleine
+herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in
+den avond bleef drinken en spelen.</p>
+
+<p>Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan
+haar zijde te snurken.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XLI"></a>XLI.</h2>
+
+
+<p>Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals
+hij was, zoo had zij het van hem verwacht. Dat
+was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn
+ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend
+mededeelde, dat zij weer zou moeder worden.
+Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet schelen
+kon. &quot;Heu! doar 'n es nie aan te doene,&quot; antwoordde
+hij kortaf en ging zonder meer, als elken
+dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar dien zelfden
+middag greep een heftige sc&egrave;ne plaats en,
+voor het eerst sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw
+haar vroegeren angst voor hem. Dat was
+terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op
+'t aardige knechtje gemunt, daar stak nog steeds
+een oude wrok achter; en nu had Vaprijsken 't
+een of ander durven antwoorden op een aanmerking
+die Smul hem maakte. Op staanden voet had
+deze Vaprijsken den dienst opgezegd en daarop
+hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden
+naar 't hoofd gegooid. Rozeke was in 't
+midden gekomen, had gepoogd de beide mannen
+te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en
+ook Smul tot verzoening aangemaand; maar de
+woesteling was eensklaps als razend op haar afgevlogen
+en had haar vloekend met slagen bedreigd,
+waarop Rozeke sidderend van angst in huis was
+weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken was het
+toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje
+ging reeds met pak en zak denzelfden avond weg;
+en Smul, niet wetend meer op wie zijn razernij te
+koelen, was woedend en scheldend weer op haar
+afgekomen en had, met de beide vuisten voor 't
+gezicht, gedreigd haar plat te slaan, indien ze zich
+nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.</p>
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+<p>Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist
+en voelde toch te zullen en te moeten komen, vielen
+dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen
+hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp
+terugkwam. Het ging kort, ruw en vlug, als een
+weerlicht.</p>
+
+<p>Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een
+paar happen geproefd en daarbij een vies gezicht
+getrokken, en plotseling gaf hij, met een krakenden
+vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde
+zijn bord met eten tot scherven op den vloer.</p>
+
+<p>&mdash;Gie leulijke sloeber!&quot; riep zij instinctmatig,
+verschrikt opspringend, in onbedwingbaar-losbarstende
+verontwaardiging.</p>
+
+<p>Maar zij stond nog niet geheel overeind of een
+baldadige vuistslag in 't gezicht smakte haar met
+een noodkreet op den grond.</p>
+
+<p>De kinderen gilden schril, het dienstmeisje
+schreeuwde om hulp. Kamiel, de pas nieuw gehuurde
+knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een reus,
+greep Smul midden in de lenden vast en hield hem
+tegen, uit al zijn kracht.</p>
+
+<p>Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand
+op haar mond gedrukt, die bloedde. Zij huilde
+niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar
+doodsbleek gelaat.</p>
+
+<p>&quot;Kom,&quot; zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende
+kinderen. Zij nam het kleintje, dat pas
+loopen kon, bij de hand en door 't oudste gevolgd
+klom zij rennend de drie steenen treden van de
+voute-kamer op en sloot de deur achter zich met
+den grendel.</p>
+
+<p>Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht
+en fonkelende oogen, poogde Smul zich intusschen
+vruchteloos uit des knechts omstrengeling los te
+worstelen.</p>
+
+<p>&quot;Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of
+'k schup ou euk van 't hof, lijk Vaprijs!&quot; riep hij
+knarsetandend. &quot;Loat mij los, zeg ik ou, da 'k heur
+de kop in sloa!&quot;</p>
+
+<p>Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer
+hoe steviger gekneld en hijgde, bedarend-kalm:</p>
+
+<p>&quot;Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten!
+'t zoe ou spijten! Ge moet wachten,... wachten ...
+tot da ou keleire veurbij es!&quot;</p>
+
+<p>Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen
+en ophield met schelden en vloeken liet hij hem
+los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem
+vragen of hij iets anders wilde eten.</p>
+
+<p>&quot;Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost
+op!&quot; brulde hij haar in 't gezicht.&mdash;En plotseling
+was hij weg, woest stappend uit het huis en naar
+het hek, den landweg op, naar de herbergjes van
+het gehucht, om nog meer te drinken.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;" />
+
+
+<h2><a name="XLII"></a>XLII.</h2>
+
+
+<p>Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling
+in Rozeke's gemoed. Haar vroegere angst
+voor hem veranderde eensklaps in haat, en die haat
+gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees
+nog steeds verminderde.&mdash;Hij had haar nu eenmaal
+mishandeld en hij zou haar zeker nog meer mishandelen,
+haar en wellicht ook haar kinderen; het
+was geen onbekende dreiging meer, die haar als een
+voortdurend-onheilspellend raadsel boven 't hoofd
+hing: de slag had haar getroffen als een bliksemstraal,
+maar nu wist zij wat haar verder ook te
+wachten stond en nu kon zij middelen beramen om
+zich te verdedigen.</p>
+
+<p>Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een
+beuzelarij, toen hij dronken uit het dorp terugkwam.
+Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel en Meleken
+vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren
+toestand op den grond gesmakt, keek hem met
+groote, sombere oogen aan en zei geen woord noch
+slaakte een kreet.&mdash;Alleen haar oogen, haar starre,
+sombere oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen
+wilden met de ongezegde woorden die zich plotseling
+in haar brein vastspijkerden: &quot;Ik wenschte dat
+ge dood waart!&quot;</p>
+
+<p>Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar
+eenige hoop, haar eenige troost, de eenige sterke
+kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte en
+verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen
+naar iets zachts en teeders, dat slechts door
+heel veel moeite, na langen tijd en groote opofferingen
+kan verdiend en verkregen worden. Het
+werd haar geloof en haar steun, haar vaste zekerheid
+waarop zij bouwen kon, omdat zij instinctmatig
+voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren;
+'t werd als de stille, door haar alleen gekende
+lofzang der verlossing; als de geheime, in ondertoon
+gehouden rythme van al de innigste gevoelens
+en verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.&mdash;En
+niet alleen meer als hij haar mishandelde, maar
+voortdurend, zonder dat er iets gebeurde: wanneer
+hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige
+dingen toesprak; wanneer hij zat te eten of te drinken;
+wanneer hij zelfs eenvoudig in of uit het huis
+ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend
+ruischte dof en somber in haar binnenste
+de halsstarrige rythme: &quot;Ik wenschte dat ge dood
+waart!&quot;&mdash;Zij werd met die gedachte wakker en
+zij sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts
+dat hij naast haar dood lag. Zij werd half wakker
+in haar droomen, haar hart joeg snel, zij voelde
+zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde
+en de illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood
+en zij was verlost; zij strekte bevend hare hand
+uit en betastte hem.... maar hij bewoog en
+knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde,
+omdat haar hoop slechts een bedriegelijke schijn
+was en zij hem nog steeds levend voelde.</p>
+
+<p>Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje,
+ellendig klein schepseltje met stokkerige, schrale
+beentjes en een misvormd hoofd. De dokter verborg
+haar niet dat het erg zwakjes was en slechts
+met heel veel zorg en moeite in het leven zou te
+houden zijn. Rozeke weende. Waarom was het ook
+maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven?</p>
+
+<p>Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die
+dagen. Hij liet haar maar liggen en zag ook naar
+zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker was
+aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond
+Meleken naar haar ouders om hen te laten weten
+dat het kind geboren was en te vragen of ze niet
+eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet
+komen en Meleken bracht de boodschap terug dat
+niemand van haar huis zich wagen zou. &quot;Ware hij
+maar dood, dan zouden ze wel komen&quot;, dacht
+Rozeke. En zij besloot zelve weer naar hen toe te
+gaan, wat er ook gebeuren mocht, zoodra als zij
+er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar
+nieuwen moed en sterkte.</p>
+
+<p>Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke
+weer op de been was, kwam de jonge barones haar
+eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar
+tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen
+haar had te weeg gebracht, had Rozeke de
+lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet
+teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning.
+Haar gezicht was mager en betrokken,
+haar vroeger zoo frissche, levende gelaatskleur had
+een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden
+mengden zich reeds in de donkere haren.
+Haar oogen stonden dof en ernstig onder gepijnigd-sa&acirc;mgetrokken
+wenkbrauwen; zij was geheel in 't
+zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven
+najaarsmiddag, jaren geleden, toen Rozeke haar in
+'t kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke kreeg plotseling
+in haar geest de sombere visie van een lijk
+behangen met een zwart doodsgewaad en zilveren
+franjes.&mdash;Want zij wist het wel, helaas! zooals
+eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig
+in haar huwelijk en leefde, feitelijk van haar man
+gescheiden, met haar zoontje bij haar ouders op 't
+kasteel.</p>
+
+<p>De barones keek naar 't ellendig wichtje in de
+wieg en zuchtte. Toen vroeg ze plotseling, met somber-sa&acirc;mgetrokken
+wenkbrauwen:</p>
+
+<p>&quot;Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?&quot;</p>
+
+<p>Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed
+van vuur, over Rozeke's ingevallen wangen en met
+een uitdrukking van schrik in de oogen staarde zij
+haar vriendin strak aan.</p>
+
+<p>&quot;Joa 't,&quot; zuchtte zij dof.</p>
+
+<p>De barones had een gebaar van verontwaardiging
+en opstand.</p>
+
+<p>&quot;De schurk! Waarom laat gij u van hem niet
+scheiden!&quot; riep zij.</p>
+
+<p>Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet
+wetend wat geantwoord.&mdash;Scheiden!&mdash;daar had
+ze niet eens aan gedacht, daar dachten menschen
+van haar stand niet aan.</p>
+
+<p>&quot;Dat zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem
+spreken?&quot; riep de barones gebiedend opstaande.</p>
+
+<p>Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.&mdash;O,
+mevreiwe!&quot; kreet zij. En zij wilde zeggen: &quot;doe
+'t niet; hij zal mij doodslaan!&quot;.... Doch iets sterker
+dan haar schrik weerhield haar, smoorde de
+woorden in haar keel.</p>
+
+<p>&quot;Hij es op 't land, mevreiwe,&quot; zei ze werktuigelijk,
+met toonlooze stem.</p>
+
+<p>&quot;Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar
+hier doet komen,&quot; beval de barones.</p>
+
+<p>Meleken werd naar 't veld gezonden en na een
+poosje keerde Smul met haar terug.</p>
+
+<p>&quot;Loat ons alliene,&quot; zei Rozeke tot het meisje.</p>
+
+<p>Meleken ging weg.&mdash;Smul stond v&oacute;&oacute;r zijn jonge
+meesteres, den blik valsch en wantrouwend, de pet
+tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er
+onraad was.</p>
+
+<p>&quot;Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt
+gij uw vrouw?&quot; vroeg de barones, abrupt&mdash;hoogmoedig
+en minachtend, met gefronste wenkbrauwen
+op hem neerziende.</p>
+
+<p>Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden.
+Hij keek even op naar Rozeke, met rechten, starren,
+kouden blik, een blik die haar deed ijzen; en dan
+ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl
+zijn lippen bewogen als om iets te zeggen dat er
+maar niet uit wilde.</p>
+
+<p>&quot;Welnu?&quot; drong zij ongeduldig, stampvoetend aan.</p>
+
+<p>&quot;Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huisho&ucirc;ens
+al wel e-kier wa scheelt,&quot; antwoordde hij eindelijk,
+met inspanning.</p>
+
+<p>De jonge barones kon haar toorn en minachting
+moeielijk bedwingen. Haar bovenlip krulde zich
+even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en
+dreigend:</p>
+
+<p>&quot;Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar
+in de gevangenis. Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw
+tegen wil en dank genomen, en nu durft gij haar
+nog slaan.&mdash;Dit is de eerste en de allerlaatste keer,
+dat ik u waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat
+gij haar mishandelt zult gij niet met haar, maar met mij
+af te rekenen hebben.&mdash;Begrepen? Allez!&quot; En met
+een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond
+naar de deur.</p>
+
+<p>Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet
+eens meer aan. Geen spier bewoog zich op zijn barsch
+gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog even dien
+harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed
+huiveren. Hij keerde zich om en stapte naar de deur.</p>
+
+<p>&quot;G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?&quot; riep
+de barones, hem nog eens uit de hoogte na.</p>
+
+<p>Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met
+geweld sloeg hij de deur dicht; en buiten, v&oacute;&oacute;r het
+raampje, zagen zij hem, als uit minachting, naar het
+huis toe spuwen.</p>
+
+<p>&quot;Voortaan zal hij zich wel in acht nemen,&quot; meende
+de barones.&mdash;En zij bleef nog een poosje, in gedrukte
+stemming, met Rozeke praten.</p>
+
+<p>Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam
+met vluggen, vastberaden pas, over den boomgaard
+aangestapt. Rozeke beefde. &quot;Zou hij nu reeds durven...?&quot;
+Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis
+en beval het meisje dringend met de kinderen
+bij haar te blijven.</p>
+
+<p>Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend
+naar Kamiel, die in de schuur aan 't dorschen was.</p>
+
+<p>&quot;Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen
+bij boer Lauwe om zijn sjeeze vroagen en
+brijng ze mee.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wa goat hij doen?&quot; vroeg Rozeke zich angstig af.</p>
+
+<p>De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en
+liep haastig door het hek, terwijl Smul naar het
+woonhuis toe kwam.</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere,&quot; dacht Rozeke doodsbleek en bevend,
+nu zal hij mij slaan, mij doodslaan.&quot; Zij deed Hilairken
+en Marietje in een hoek achter 't tafeltje zitten
+en klampte haar rechterhand aan de wieg van het
+kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens
+schort vastgreep.</p>
+
+<p>Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan
+te zien noch een woord te spreken, ging hij naar
+hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk
+de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend
+stonden de vrouwen te beven.</p>
+
+<p>Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was;
+zij hoorden gerinkel van geld.</p>
+
+<p>&mdash;Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan?
+wa goat hij doen?&quot; fluisterde zij tot het dienstmeisje.</p>
+
+<p>Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't
+gissen?</p>
+
+<p>Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw
+kwam moed en weerstandskracht in haar. Zij
+keek even om naar Hilairken en Marietje, die zich
+doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje
+hielden, vaag-bewust dat gevaar hen dreigde.</p>
+
+<p>Na enkele minuten ging de deur weer open en
+Smul verliet de kamer, op zijn zondagsch gekleed,
+'t gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar nogmaals
+sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een
+blik naar haar; in een ruk was hij buiten en liep
+naar de stallen, terwijl Kamiel, als een paard tusschen
+'t lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees
+door het hek kwam.</p>
+
+<p>Hij volgde Smul in den paardenstal en samen
+haalden zij de merrie eruit en spanden in. Ruw
+trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het
+achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen
+steigeren; en plotseling, zonder eenige
+reden, begon hij op de merrie te vloeken en te
+schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en
+wreede oogen van verwildering openspalkte.</p>
+
+<p>Met star-sombere blikken van schrik en haat zag
+Rozeke roerloos door 't venster toe. &quot;Het arme
+beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de slagen,&quot;
+dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen
+in haar oogen en haar lippen trilden, terwijl de
+diepe stem van haar innigste wezen verontwaardigd
+beefde:</p>
+
+<p>&mdash;O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da
+ge deud woart!&quot;</p>
+
+<p>Het paard was aangespannen. Hij wipte in de
+sjees en onder kletsende zweepslagen joeg hij van
+'t erf, z&oacute;&oacute; wild, z&oacute;&oacute; ruw, dat het rijtuig tegen een
+der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde.
+Als in een helsche vlucht zag Rozeke het in den
+modderweg verdwijnen. Kamiel stond het even, als
+van schrik geslagen, na te staren en keerde eindelijk
+hoofdschuddend in de schuur terug.</p>
+
+<p>De middag verliep, de mistige najaarsavond viel
+vroeg in en Rozeke zat doelloos v&oacute;&oacute;r het venster,
+met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam,
+verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende
+kinderen om zich heen. Alles was rouw
+en smart, het leven werd haar onverschillig, het was
+zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid
+als de loodzware hemel, die daar buiten alles
+drukte en omgrijsde met zijn logge rouwfloersen
+van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't
+leven? Haar teergeliefde man, haar ouders, haar
+broeders en haar zuster, haar beste kennissen en
+vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen,
+dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en
+zelfs haar kinderen, het eenige wat haar nog aan
+de wereld deed hechten, verloren hun vroolijkheid
+en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien
+ruwen, vreemden, akeligen man, die alles om zich
+heen vernielde en dempte. 't Was als een vloek die
+op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat,
+van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam
+wegkwijnen en sterven, in &agrave;l te overweldigend-zware
+onderdrukking van het onmeedoogend
+noodlot.</p>
+
+<p>Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen
+duisternis zuchtend opstond om het avondlampje
+aan te steken en haar kinderen naar bed te brengen,
+kwam een reusachtige, sombere gedaante, met
+een woestheid van orkaan, als een verschijning in
+een nachtmerrie, den boomgaard opgestormd.</p>
+
+<p>De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend,
+de flanken jagend, met een breede, donkere bloedvlek
+op de linkerschoft, sleepend, in een kluwen
+van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan
+stukken gesplinterde draagboomen van het lemoen,
+het eene kort als een afgehakte stomp, het andere
+lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm,
+wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende
+weerlichten door donkere onweerslucht.</p>
+
+<p>Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten.</p>
+
+<p>Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard
+bij den breidel vastgegrepen.</p>
+
+<p>&quot;Bezinne!&quot; schreeuwde hij als uitzinnig, &quot;bezinne!
+bezinne! d'r es 'n ongeluk gebeurd!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere! och Hiere! och Hiere!&quot; riep Rozeke
+met doffe kreten. Maar zij dacht nauwelijks aan
+hem, die wellicht ergens dood of stervend met 't
+verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en
+besefte alleen de ramp zooals ze die daar akelig en
+rauw voor haar oogen zag; 't lemoen aan splinters,
+het arme, doodgejaagde beest bloedend en met
+schuim bedekt, met het onheilspellend geheim van
+wie weet nog wat al rampen, die het op zijn dolle,
+wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt
+had.</p>
+
+<p>&quot;Hij zal deud zijn, bezinne!&quot; snikte de jongen.</p>
+
+<p>Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps
+bijna kalm; alleen de vrees voor andere ongelukken
+beangstgde haar.</p>
+
+<p>&quot;Verzorgt die oarme bieste,&quot; zei zij met bevende
+stem. En met Meleken, die ook toegesneld was,
+liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar
+voelde naderen te gemoet.</p>
+
+<p>Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis
+aangeloopen. Zij hadden 't paard met het verbrijzeld
+stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen,
+hooren, kijken.</p>
+
+<p>Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit
+de richting van het dorp.</p>
+
+<p>&quot;Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es
+wried geschonden! Ze brijngen hem op 'n berrie!&quot;
+hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen.</p>
+
+<p>Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere
+van den killen avond. De menschen slaakten een
+&quot;h&oacute;&oacute;!&quot; van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef
+koud en kalm.</p>
+
+<p>&quot;'t Is zijn eigen schuld,&quot; dacht zij. &quot;Hij heeft het
+arme beest mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld
+hebben, had hij nog gedurfd.&quot; En zij bleef
+met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden
+menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met
+oogen zonder tranen, alsof het haar niet aanging.
+Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog langer in
+den killen avond stond te wachten en 't prikkelde
+en verveelde haar, dat steeds meer menschen kwamen
+opdringen, en haar nieuwsgierig ondervraagden,
+en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden
+heen en weer renden. Zij kon het eindelijk
+niet langer uitstaan en ging met Meleken weer
+binnen.</p>
+
+<p>Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos,
+zonder de blinden te sluiten. Zij zei enkel aan
+Meleken dat zij water en linnen doeken zou klaar
+maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen,
+die rumoerig in en uit het huis liepen en van al
+die ongewone drukte niets begrepen. Zij riep ze
+voor goed binnen en bracht ze naar bed.</p>
+
+<p>Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos
+mee bezig; en toen ze reeds rustig onder hun dekentjes
+lagen, bleef ze nog bij hen in 't kamertje vertoeven
+alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling
+Meleken de deur opende en met heesche
+stem fluisterde:</p>
+
+<p>&quot;Bezinne, ze zijn d'r doar mee.&quot;</p>
+
+<p>Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes
+van de keuken zag zij, in den grauwen mistavond,
+een donkere stoet den boomgaard opkomen: Twee
+mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt;
+en daar omheen een dichte, stille, zwarte
+menigte, dof-trappelend en stommelend als een
+kudde. Een man met een brandende lantaren stapte
+ietwat terzijde vooraan.</p>
+
+<p>De voordeur was open en zij kwamen binnen.
+Als in een droom hoorde Rozeke het schuren yan
+de voeten en het dof gefluister van de menigte.&mdash;Als
+in een droom kwam zij genaderd.&mdash;De mannen
+zetten de berrie neer; en bij het gele schijnsel
+der lantaren zag ze hem daar machteloos onder
+een deken op een matras uitgestrekt liggen: het
+hoofd akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en
+bebloed, de oogen toe, de ademhaling zwak en reutelend.
+Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met droge
+oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't
+deurgat op. Zij zag de vele, nieuwsgierig-reikhalzende
+hoofden met de open monden en de groote,
+donkere, gretig-kijkende oogen.</p>
+
+<p>&quot;Woar moet hij zijn, bezinne?&quot; vroeg fluisterend
+een der dragers.</p>
+
+<p>&quot;Doar, op de voute,&quot; antwoordde zij dof.</p>
+
+<p>De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen
+en een heer schreed ruw en haastig, met ernstig
+gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de
+dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had.
+Hij vroeg dadelijk om water, pluksel, en linnen
+voor verbanden. Hij liet de deur tegen de opdringende
+foule sluiten en volgde de mannen met de
+berrie op de voute-kamer.</p>
+
+<p>Rozeke volgde h&egrave;m.&mdash;Haar beenen waren slap;
+haar handen koud en klam als ijs. Doch haar hart
+sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie.
+Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en
+'t ruischte in haar ooren, benauwend en verdoovend
+als stond zij bij een waterval.</p>
+
+<p>De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem
+niet. Met strak-stuggen blik van niet-begrijpen staarde
+zij hem aan.&mdash;Ongeduldig wendde hij zich tot
+Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="XLIII"></a>XLIII.</h2>
+
+<p>Drie weken lang lag Smul tusschen leven en
+dood. Zijn beide beenen waren gebroken en hij had
+ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij
+langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon
+eten en drinken en v&oacute;&oacute;r het einde van de
+tweede maand kwam hij op en zat bij den haard,
+in denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel
+droeve maanden had gesleten.</p>
+
+<p>Eerst toen hij weer begon te loopen werd het
+duidelijk hoe zwaar gehavend hij was geweest. Zijn
+linkerbeen, niet bijzonder handig door den dorpsdokter
+weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid
+gelijk een boog, en was wel drie vingers korter dan
+het andere. Hij hinkte.</p>
+
+<p>Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek
+bij 't vuur en sprak gansche dagen lang slechts de
+aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak hij alleen
+om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn
+dagelijksch werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke
+en Meleken wat hij eten wou of drinken. Hij at
+en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk,
+zat hij zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't
+ongeluk, van wat hij dien middag gedaan had, van
+waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist
+enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest,
+als een gek, door de straten had gereden, dat hij
+in vele herbergen geweest was, dat hij herhaaldelijk
+zijn paard geslagen en mishandeld had.</p>
+
+<p>Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet
+meer voor haar. Zij leefde buiten hem om, voor
+haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam maakte
+haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook
+al durfde hij nog, niet zoo gemakkelijk meer
+kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon voor hem
+vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een
+zachte wraak in al haar ongeluk; en telkens als hij
+w&eacute;&eacute;r opbruischte en op haar schold en vloekte,
+keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: &quot;Raas
+maar, vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben
+de vlugste en daardoor de sterkste nu. Zij had maar
+&eacute;&eacute;n vrees: dat hij nog verder zou genezen en weer in
+vlugheid van beweging haar de baas worden. Doch
+daar was weinig kans op. Alleen als vrouw, des
+nachts, kon zij hem niet ontsnappen; zij m&ograve;&egrave;st
+wel bij hem blijven dan en dat was haar een
+onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit
+en telkens was 't weer als een woeste aanranding
+en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op elkaar
+geklemde tanden: &quot;O, 'k wenschte dat ge toch
+dood waart!&quot;</p>
+
+<p>Maar 't werd een sleur en ook d&agrave;t vlijmend gevoel
+van walg en opstand ging allengs in haar aan het
+verdooven, en de hoop op haar verlossing door
+zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn
+vage verre rythmen, als een illuzie die zij wellicht
+nooit beleven zou.</p>
+
+<p>Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig.
+Toen weldra weer een kind moest komen, trok ze
+'t zich nauwelijks aan en leed er niet meer onder.</p>
+
+<p>Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder
+smart; het werd geboren midden op den dag, zonder
+hulp van dokter of baker, terwijl Smul even naar
+het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de
+gebeurtenis niet terugroepen; hij hoorde 't eerst
+van Meleken, toen hij 's avonds weer naar huis
+kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en
+onverschillig aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend
+naar jenever dien hij in de herbergjes van het
+gehucht gedronken had.</p>
+
+<p>En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu
+en dan afgewisseld door stormvlagen van uitbarstenden
+haat en vijandschap: en 't jaar daarna
+moest weer een kind geboren worden.</p>
+
+<p>Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog
+twintig kwamen, 't kon haar niet meer schelen. Er
+rustte een vloek op haar; zij kon tegen het noodlot
+niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht
+maar niet vervuld worden; wie weet: het was
+misschien een goddelijke wraak over dien boozen
+wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld
+kwamen van den man dien zij het meest op aarde
+haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook niet
+schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar
+teerste illuzi&euml;n waren voor altijd vernield; zij geloofde
+aan geen goede, troostende, zegenende godheid meer.</p>
+
+<p>Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche
+dronkaard. Halve dagen zat hij in de herbergjes
+van het gehucht en verwaarloosde zijn boerderij.
+Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo
+keurig-net, werd van lieverlede slordig. De jonge
+barones, die, hoewel zelve diep gedrukt en ziekelijk,
+haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er
+eens opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok
+Rozeke machteloos de schouders op: zij kon 't niet
+helpen, zij was overweldigd, zij had het te druk,
+het kon haar niet meer schelen.</p>
+
+<p>&quot;Ach, z&oacute;&oacute; moogt gij tegen mij niet spreken,
+Rozeke,&quot; zei de barones op een toon van zoo innige
+droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot de
+tranen er door ontroerd werd.</p>
+
+<p>&quot;Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch
+zeu ongelukkig!&quot; schreide zij, in een plotselinge
+uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.</p>
+
+<p>De barones poogde haar te troosten en bood haar
+aan te zorgen voor de opvoeding van haar beide
+oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst wat
+onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een
+oogenblik weer dezelfde van vroeger, zoende zij
+met aanbiddende vereering haar weldoensters handen.
+Toen kon de jonge barones ook niet langer
+zich beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in
+tranen los en beiden schreiden lang en overvloedig,
+rouwend over een geluk dat voor beide zoo wanhopig
+kort van duur was geweest, zoo vol van een
+wee dat zij in geen woorden konden uitdrukken.
+Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij
+gaf nurksch zijn toestemming en Hilairken werd
+uitbesteed bij den ouden schoolmeester Cattoir, die
+eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones,
+een kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl
+Marietje bij de nonnetjes in 't klooster op kostschool
+werd gedaan.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="XLIV"></a>XLIV.</h2>
+
+<p>Helaas! ook haar lieve beschermvriendin zou
+Rozeke weldra voor goed ontnomen worden!&mdash;Sinds
+maanden en weldra sinds jaren, sinds zij,
+midden in haar jong geluk, in de volheid van haar
+liefde en haar vertrouwen, het bedrog ontdekte
+van den eenigen man dien zij bemind had en aan
+wien zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt
+dat nooit meer kon hersteld worden. De wettelijke
+scheiding was nu uitgesproken, zij had het kind en van
+h&egrave;m hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen
+enkel oogenblik van gansch haar verder leven kon
+ze zich over de verwoesting van haar geluk heen
+zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest;
+niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen
+had er haar op voorbereid; opeens, als een
+donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht met die
+vrouw, eene waarmee hij het al lang, van v&oacute;&oacute;r zijn
+huwelijk hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene
+die geheimlijk met hen mede was op de huwelijksreis
+en ook op alle reizen die zij verder ondernamen ...
+opeens, door een toevallige omstandigheid; door
+een brief voor hem die in haar handen kwam, had
+alles zich ontsluierd; en vanaf dat oogenblik was
+'t in haar ziel als een onverpoosd werkend en knagend
+vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte
+werd, die haar onmeedoogend naar 't noodlottig
+einde sleepte.</p>
+
+<p>Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien
+had, hoorde zeggen dat ze zoo ziek was en ging haar
+op 't kasteel bezoeken.</p>
+
+<p>'t Was op een zachten, helderen, stilglanzenden
+najaarsdag. Heel het groote park met zijn machtige
+boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in purper en
+in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden
+lagen met een flonkerend tintelkleed van rood
+en bruin en goud bedekt; en ietwat terzijde van het
+rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons,
+zag Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw
+zitten, als altijd gansch in 't zwart gekleed, met
+witte kussens in den rug, onder een grijslinnen tuin-parasol,
+op een houten bank. Een zwarte non met
+glinsterend-blanke vleugelkap stond aan haar zijde,
+dichtbij een bruin fauteuil-wagentje met elastieken
+banden.</p>
+
+<p>Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen
+kwamen onweerstaanbaar in haar oogen. O! wat
+zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd
+en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar
+voor 't laatst op 't hoevetje gezien had!</p>
+
+<p>Door een soort schrik bevangen trad zij op haar
+toe; maar de barones lachte haar zacht en vriendelijk
+te gemoet en zei met een weeke, verteederde
+stem:</p>
+
+<p>&quot;O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge
+mij ook eens komt bezoeken; ik heb al zoo dikwijls
+aan u gedacht,&quot;&mdash;En zij verzocht Rozeke naast
+haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen
+en bescheiden, even wegging.</p>
+
+<p>&quot;Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?&quot; vroeg Rozeke,
+zich inspannend om haar ontroering te verbergen.</p>
+
+<p>&quot;Och,&quot; zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige
+schouders op. En zwak-glimlachend wees zij
+naar het wagentje en zei:</p>
+
+<p>&quot;D&agrave;t zijn mijn beenen nu.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ge moet koeroage h&egrave;n, mevreiwe, ge zij nog zeu
+jonk, 't zal nog wel beteren,&quot; poogde Rozeke te
+troosten.</p>
+
+<p>Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam
+eensklaps als een donkere schaduw over 't magere
+gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen schenen
+zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken
+tot in 't diepst van hun holten en zij zuchtte:</p>
+
+<p>&quot;Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het
+geweest, heerlijk en volkomen, maar te kort, te
+kort....&quot;</p>
+
+<p>Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre
+gedachten. Het was of zij elkander nu niets meer
+te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die
+droeve korte woorden en alleen haar hart sprak
+nog, tikkend en jagend in haar boezem als een gefolterd,
+gevangen wezen dat niet meer ontsnappen
+kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge,
+gouden kruinen v&oacute;&oacute;r haar voeten op den grond en
+de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen hemel,
+glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was
+volkomen. Het rood kasteel met zijn heldere ramen
+en spitse torens rees in statige rust uit den droomenden
+vijver op en in de malsche, groene weide
+bij de boerderij graasde kalm onder elkaar, als in
+paradijsch geluk en vrede, een bonte kudde vee
+en paarden. Het k&oacute;n niet schooner op de wereld
+en in die volle harmonie van de natuur voelden
+zij hun zware droefheid als een wanklank dien zij
+nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.</p>
+
+<p>&quot;Hij h&eacute; ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?&quot; vroeg
+eindelijk Rozeke met aarzelende, matte stem.</p>
+
+<p>&quot;Ja,&quot; fluisterde zij.&mdash;En, als 't ware met een
+korten knak, zonk haar hoofd op haar magere borst.</p>
+
+<p>Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had
+het hoofd van haar vriendin wel, uit medelijden,
+tusschen haar handen willen nemen en het duizend
+en duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde
+niet; het woelde onstuimig in haar binnenste en
+kropte in haar keel en weer zaten zij een poos
+doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden
+dorre bladeren ritselden glinsterend om haar heen
+en ergens in een boschje liet een vogeltje nog eventjes
+zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje
+hooren.</p>
+
+<p>&quot;Had ik maar naar mijn ouders geluisterd,&quot;
+zuchtte eindelijk de barones.</p>
+
+<p>Rozeke meende in die woorden ook een indirect
+verwijt tot zich te hooren en zij antwoordde
+berouwvol:</p>
+
+<p>&quot;Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te
+goare gebrocht!&quot;</p>
+
+<p>Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden
+glimlach, haar gebogen hoofd:</p>
+
+<p>&quot;Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten;
+en ook,... toen was hij nog goed ... toen dacht
+ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij
+en ik voelde mij gelukkig.&quot;</p>
+
+<p>Om den hoek van een allee verschenen plotseling
+de oude baron en de barones, met het nonnetje
+en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart
+gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken;
+maar de oude baron en zijn vrouw gingen
+door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind
+kwamen naar de bank toe.</p>
+
+<p>&quot;Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst
+mijn zoon eens zien,&quot; zei de jonge barones.</p>
+
+<p>Het kind stond voor haar.&mdash;&quot;Dis bonjour, Jacques,
+et donne la main,&quot; zeide zij.</p>
+
+<p>Het knaapje zei &quot;bonjour&quot; en stak aarzelend zijn
+handje naar Rozeke uit, meteen, als vreemd, zijn
+lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere, lichtblauwe
+oogen staarde het Rozeke even strak aan.
+Het nonnetje glimlachte stil, onbewegelijk naast
+hen staande.&mdash;Toen gingen zij verder.</p>
+
+<p>&quot;Op wie lijkt hij?&quot; vroeg de barones, nadat zij
+achter het boschje rhododendrons verdwenen waren.</p>
+
+<p>Rozeke aarzelde.</p>
+
+<p>&quot;Zeg het maar; op h&egrave;m, niet waar?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op.&quot;</p>
+
+<p>Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke
+vertelde van zijn vloeken en zijn drinken, maar
+dat hij haar toch niet meer durfde mishandelen,
+omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen
+van de barones. En Rozeke dankte innig
+haar vriendin voor de liefdadige hulp aan haar
+kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en
+leerde zoo goed bij meester Cattoir en Marietje
+voelde zich zoo gelukkig bij de nonnetjes in 't
+klooster.</p>
+
+<p>&quot;Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen
+gezorgd,&quot; zeide de barones. &quot;Ik heb u in mijn testament
+gezet voor een som waar hij nooit aan
+kan komen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt
+genezen; 'k hope uit de grond van mijn herte da
+ge langer zilt leven as ikke!&quot; riep Rozeke, in tranen
+uitbarstend.</p>
+
+<p>Maar de barones schudde weemoedig het hoofd
+en bracht Rozeke door een zacht gebaar weer tot
+bedaren.</p>
+
+<p>Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes,
+in de strakke lijnen van haar donker kleed,
+haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in
+'t wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes
+van ongeschonden reinheid. Zij deed Rozeke
+denken aan het lief begijntje dat destijds Alfons'
+oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen
+rees kwellend weer in haar op.</p>
+
+<p>&quot;Il est temps, madame, le soleil se couche,&quot; fluisterde
+het nonnetje nu de barones vriendelijk toe.</p>
+
+<p>De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken
+van gehoorzaamheid. Het nonnetje hielp haar
+met zachte handen opstaan en bracht haar in het
+wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens
+wilde meenemen.&mdash;En duwend reed zij de pati&euml;nte
+langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes onder de
+elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds
+twee knechten op het bordes stonden te wachten,
+om haar naar binnen te dragen.</p>
+
+<p>&quot;Zult ge mij n&oacute;g eens komen bezoeken, Rozeke?&quot;
+vroeg ze zacht glimlachend, bij de steenen treden
+van 't bordes.</p>
+
+<p>&quot;O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen
+onze lieven Hiere bidden omdat Hij ou toch genezen
+zoe,&quot; zuchtte Rozeke met hikken in de stem.</p>
+
+<p>De zieke dankte met een langen, stillen blik
+van liefde en als een doode vracht zag Rozeke haar
+in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij zelve
+snikkend heenging....</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="XLV"></a>XLV.</h2>
+
+<p>Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen
+zij na een paar weken op het kasteel terug kwam,
+lag de jonge barones te bed om het niet meer levend
+te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar,
+zij spraken van het zacht en lief verleden, van hun
+eerste ontmoetingen, van beider hoop en geloof in
+een toekomst van geluk, die zich helaas, voor
+geen van beiden had verwezenlijkt.&mdash;En toen was
+'t uit, de grijze dood stond eensklaps tusschen hen;
+hun teedere, wederzijdsche genegenheid, zoo vertrouwelijk
+en zoo innig ondanks het groot verschil
+in stand, als een in leed en in geluk harmonieus
+opgaande en begrepen liefde, alles was plotseling
+stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren
+ze door het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot
+Mysterie tegemoet; zij ging daar waar Alfons reeds
+was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.</p>
+
+<p>Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van
+November.... Rozeke, die wist dat het einde
+naderend was, luisterde iederen ochtend en avond
+in angstige spanning of de verre doodsklok op den
+kerktoren galmde.&mdash;En eindelijk, op een koud-stillen,
+grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de driemaal
+herhaalde, in lugubere kadans galmende
+slagen: het bimbim ... bombom ... bambam der
+groote, plechtige begrafenissen.</p>
+
+<p>&quot;De jonge mevreiwe zal deud zijn!&quot; riep zij ontroerd
+tot Meleken, die bezig was met de luiken
+dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar
+het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de
+buren, en daar hoorde ze 't: ja, de jonge barones
+was overleden. De menschen kwamen uit hun
+huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan.
+Allen hadden steeds zooveel van haar gehouden
+en zooveel medelijden gevoeld met haar ongelukkig
+jong leven.&mdash;De grauwe nevel-lucht leek vol
+van rouw en treurnis, in alle schuren staakte 't
+doffe bonzen van de dorschvlegels en het gegons
+der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in
+de kou buiten te luisteren naar het verre droeve
+galmen van de doodsklok; en in vele huisjes werden
+kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield
+bij de heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke
+en zoo rampzalige jonge vrouw.</p>
+
+<p>Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel
+en vroeg of zij haar vriendin nog eens mocht
+zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in
+een sombere, doodstille kamer gelaten en na een
+poosje hoorde zij een zacht geruisch van rokken
+en v&oacute;&oacute;r haar stond de donkere gestalte van het
+stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede
+wenkte. Over den zwaren looper van de breede
+trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van blauw,
+geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en
+trapportaal als in een atmosfeer van kerk; en door
+een lange, donkere gang kwamen zij aan een witte
+deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.</p>
+
+<p>Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En
+door haar tranen heen zag zij eerst niets dan een
+witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas
+van de fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't
+Was of zij in een donkere bloemen-serre kwam,
+waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel
+brandden; en eerst toen ze v&oacute;&oacute;r 't bed stond zag
+zij haar geliefde jonkvrouw liggen, o zoo schoon,
+zoo heilig teer en schoon, het fijne, wasgeel hoofd
+een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen
+toe, het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten
+op haar schouders golvend en de fijne gele
+handen als biddend op de strakke borst gevouwen.
+&mdash;O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en
+te bidden; en om haar heen, op 't blanke bed, was
+het een schat van pure, blanke bloemen, die als
+de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in
+onzichtbaren wierook rondom haar ten hemel stegen.</p>
+
+<p>Rozeke was met gevouwen handen v&oacute;&oacute;r het doodsbed
+op haar knie&euml;n gezonken en een poos was
+er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer
+dan het geknetter van de waskaarsen en het
+snikken van 't geknakte boerenvrouwtje in lijdende
+aanbidding voor haar doode meesteres. Toen stak
+het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje
+naar haar uit en Rozeke nam het in de hand
+en besproeide even, in vrome teederheid, de lijkwade
+der doode. Een laatste maal staarde zij, door
+haar tranen heen, naar de zoo geliefde trekken en
+toen vertrok ze, waggelend, als in duizeling, door
+de donkere gang tot aan de schemerige trap door
+'t stille nonnetje begeleid.</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="XLVI"></a>XLVI.</h2>
+
+<p>In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met
+tranen van zalige ontroering, haar schitterende
+huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu haar
+plechtige begrafenis bij.&mdash;Daar lag ze, als van
+marmer, onbewegelijk in haar kist, wit als het
+doodskleed dat haar bedekte, de oogen toe en de
+handen gevouwen, met haar schoone donkere haren
+in twee zware vlechten op haar schouders. Daar
+lag ze, op de zelfde plaats, waar zij, jaren geleden,
+in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid,
+van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan
+van hem die haar eeuwige trouw en liefde gezworen,
+maar haar zoo schandelijk bedrogen en gedood had;
+en de zelfde priesters die destijds lofzangen van
+geluk en vrede aanhieven, zongen nu de plechtige
+treurzangen van het eeuwig afscheid over haar koud
+en roerloos lichaam.</p>
+
+<p>En Rozeke, verscholen in een hoekje van de
+kerk, achter de talrijke, donkere rouw-menigte
+van verwanten, vrienden en kennissen, weende,
+weende.... 't Was of haar gansche wezen weg
+zou smelten in haar tranen, 't was of ze 't laatste
+van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen;
+er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst;
+alles, &agrave;lles leek nu dood en in de koude
+aarde voor altijd begraven; en snikkend strompelde
+zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering,
+gebogen en geknakt als een oud, versleten
+vrouwtje, langs de eenzame wegen huiswaarts.</p>
+
+<p>Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van
+h&aacute;&aacute;r levensleed en ondergang, zooals die andere
+man, op zijn manier, de oorzaak was geweest
+van al het lijden en den dood harer vriendin.
+En een onuitsprekelijken haat en walg kwam in
+haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde
+de oogen van hem af en zij had alle moeite om
+hem niet, trillend van toorn en verachting, de
+wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die
+haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen:
+&quot;waarom ligt gij, schurk, nu niet in 't graf in plaats
+van haar!&quot;</p>
+
+<p>Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn
+hoek gezeten, staarde hij haar aan; en plotseling
+hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige vijand-stem,
+die schimpend vroeg:</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l, hoe es 't gegoan? H&egrave;n z' heur in de put
+gekregen? Zit ze 'r in, joa? En komt ze 'r nie mier
+uit?&quot;</p>
+
+<p>Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig
+misprijzen. Zij was niet bang meer voor hem;
+voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij haar
+mantel af en ging hem in de kamer weghangen.&mdash;Hij
+dronk ineens zijn borrel leeg en slaakte dof een
+vloek.</p>
+
+<p>&quot;Haw&egrave;l, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?&quot;
+gilde hij ruw, toen ze na een poos weer in de keuken
+kwam. &quot;H&egrave;-je nie g'heurd wat da 'k ou gevroagd
+h&egrave;?&quot;</p>
+
+<p>&quot;'K'n verstoa ou niet,&quot; antwoordde zij koel, kalm,
+uit de hoogte. En zij ging naar het venster, bij de
+wieg, waarin haar jongste kind lag.</p>
+
+<p>&quot;Ha! ge'n verstoa mij niet!&quot; riep hij, eensklaps
+dreigend, met fonkelende oogen overeind gerezen.&mdash;
+&quot;H&egrave;-je 't geld mee? Verstoa-je d&agrave;tte?&quot;</p>
+
+<p>Strak keerde zij zich om en keek hem aan.&mdash;'t
+Geld!..._wat bedoelde hij? Hoe wist hij? Wie had
+hem gezegd...?</p>
+
+<p>Hij grijnslachte nijdig: &quot;Haha! ge mient da 'k van
+niets 'n wete! Ge mient da 'k niet 'n wete da g'in
+heur testament stoat! Nondedzju, ge zij mis, zille!
+'t Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!&quot;</p>
+
+<p>Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende
+angst en ontzetting aan. Hoe wist hij? wie had hem
+kunnen zeggen...? Maar hij wist het, zooveel was
+zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling
+woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand
+en nam ze 't onverbiddelijk besluit hem nooit iets
+van het geld te geven, nooit, nooit, wat er ook gebeuren
+mocht.</p>
+
+<p>&quot;'K 'n h&egrave; 't niet!&quot; riep ze met van haat gloeiende
+oogen; &quot;'K 'n h&egrave; 't niet, moar al ha 'k het, noeit
+'n zal ik er ou iets van geven, noeit noeit, noeit!
+verstoa-je-datte?&quot;</p>
+
+<p>Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar
+pi&euml;teit voor de nagedachtenis der dierbare overledene
+gaven haar een kracht waarvan ze zich zelve
+niet bewust was. Zij stond vlak v&oacute;&oacute;r hem, dicht
+bij hem, dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend
+zijn woede-blikken, zijn paars-zwellend gezicht, zijn
+krampachtig gesloten vuisten. Er was een oogenblik
+van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde
+duidelijk het trage tikken der klok en 't vroolijk
+blaasgepruttel van het kleintje in de wieg. Het
+werd reeds schemerduister buiten en groote, logge
+schaduwen kropen in huis onder de donkere zolderbalken.</p>
+
+<p>Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar
+de voordeur en schoof den grendel ervoor. Toen naar
+de achterdeur en grendelde die ook. Toen greep hij
+naar zijn stok.</p>
+
+<p>Met een schorren gil sprong ze op zij en greep
+instinctmatig een stoel en hield die v&oacute;&oacute;r zich uit.
+Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven, nu
+haar beschermster dood was?</p>
+
+<p>&quot;Lafoard!&quot; gilde zij; &quot;lafoard! past ou op da g'
+aan mij komt!&quot;</p>
+
+<p>Grijnzend kwam hij op haar af.</p>
+
+<p>&quot;We zijn alliene thuis en we 'n mo&ecirc;n ons nou nie
+mier sjeneeren,&quot; grinnikte hij. En plotseling weer
+gebiedend, kort en ruw:</p>
+
+<p>&quot;Ala toe,... da geld, h&egrave; ... afgeven!&quot;</p>
+
+<p>&quot;'K 'n h&egrave; 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't
+nie krijgen!&quot; krijschte zij.</p>
+
+<p>De stok siste, in een woesten zwaai; en met een
+korten knak kwam de slag half tegen haar hoofd,
+half op de leuning van den stoel terecht.</p>
+
+<p>&quot;Sloeber! kreet ze. &quot;En plotseling stootte ze met
+al haar kracht de pooten van den stoel vooruit, vlak
+in zijn walgelijk, paarsrood gezwollen gezicht.</p>
+
+<p>Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte
+hij den stoel met zulk een geweld naar zich toe,
+dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven
+op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten
+om de keel, duwde, trok en wrong tot zij weer onder
+lag;&mdash;en toen liet hij zijn rechterhand los terwijl
+hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte
+hij nu met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo
+hard en zoo snel als hij kon.</p>
+
+<p>Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch
+gebrul, tusschen de steeds woester neerbeukende
+bonzen. 't Was als een telkens afgebroken, schor
+geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't
+was als de noodkreet van een vermoord beest, dat
+stikt in bloed-gebrobbel. Maar plotseling kreeg ze
+een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet
+er op als razend en liet hem niet meer los, terwijl
+haar rauw, intermittent gebrul eensklaps veranderde
+in een aanhoudend hoog gegil, als het oorverscheurend
+krijschen van een schrille stoomfluit.</p>
+
+<p>Een geweldige bons op de voordeur en als onder
+het rammeien van een heiblok vloog ze open, en
+Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met
+&eacute;&eacute;n machtigen ruk trok de stalknecht Smul van
+Rozeke's lijf, gooide hem als een pak in den hoek
+bij den haard, sprong op hem toe en hield hem
+daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos
+gillende meesteres optilde en naar het achterhuis
+droeg.</p>
+
+<p>&quot;Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet
+deud!&quot; gilde Smul, bloedend en spuwend, als een
+gewond beest in den hoek van den haard onder
+Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt.</p>
+
+<p>&quot;Stille, boas, stille,&quot; hijgde Kamiel met reusachtige
+inspanning den woesteling in bedwang
+houdend.</p>
+
+<p>&quot;Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud!
+deud!&quot; schreeuwde Smul, door het aanhoudend
+hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept.</p>
+
+<p>Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te
+bedwingen, rees plotseling overeind en sleurde
+met geweld den woestaard naar de deur. Smul
+klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens
+werd hij met een schok weer wat verder gerukt
+en eindelijk was hij buiten en viel er uitgeput en
+grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke
+aanhoudend als een krankzinnige scherp gillen.</p>
+
+<p>Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen.</p>
+
+<p>&quot;O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!&quot; smeekte
+zij schreiend. &quot;Toe, Kamiel, hoast ou, 't es wried,
+de bezinne goa stirven!&quot;</p>
+
+<p>In machtelooze wanhoop schudde de knecht het
+hoofd, Smul steeds met ijzeren greep onder zijn
+klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand
+achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend:</p>
+
+<p>&quot;As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den
+dokteur, de bezinne ligt op stirven!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wa &eacute;s da? wa gebeurt er hier?&quot; zei de man,
+verstard kijkend in 't gras op Smul en met schrik-oogen
+luisterend naar het onophoudend noodgegil
+in huis.</p>
+
+<p>&quot;Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!&quot; smeekte
+Kamiel zelf huilend.</p>
+
+<p>De man holde weg en plotseling richtte Smul zich
+in het gras half op. Kamiel sprong toe en drukte
+hem weer neer.</p>
+
+<p>Maar Smul was opeens bijna kalm geworden.</p>
+
+<p>&quot;Loat moar, 't es gedoan,&quot; zei hij, zich nijdig loswringend.</p>
+
+<p>&quot;Blijf hier, boas, wa goa-je doen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Hoal mij mijn klakke,&quot; zei Smul.</p>
+
+<p>Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast
+den haard lag en rende er weer mee naar buiten.</p>
+
+<p>Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed
+van zijn gezicht en stapte somber, gedrochtelijk-hinkend,
+naar het hek.</p>
+
+<p>&quot;Woar goa-je noartoe, boas!&quot; liep Kamiel hem
+angstig na.</p>
+
+<p>&quot;Noar den duuvel?&quot; antwoordde Smul met een
+woedenden blik.&mdash;En weg ging hij, in de grijze
+schemering.</p>
+
+<p>Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis
+te gillen.</p>
+
+<p>Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid
+had, lag nu opgewonden, met blinkende oogjes en
+zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg te
+woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs
+den weg van school terug....</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="XLVII"></a>XLVII.</h2>
+
+<p>Dien nacht kwam Smul niet thuis.&mdash;Doch niemand
+bekreunde er zich om: hij liep waarschijnlijk,
+dronken, de dorpsherbergen af.</p>
+
+<p>De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd.
+Haar wonden waren ernstig, doch niet levensgevaarlijk.
+Alleen haar gezicht was deerlijk geschonden:
+twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen,
+de helft der linkerwang rauw vleesch. Door
+het aanhoudend gillen, als een krankzinnige, was haar
+stem heesch en schor en bijna klankloos geworden.
+Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en
+zuchtte zij en greep soms wild met beide handen
+naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn wreed
+worgende knelling voelde.&mdash;Kamiel en Meleken
+wachtten vol angst op Smuls terugkomst.</p>
+
+<p>Doch hij kwam niet.&mdash;De gansche dag verliep en
+ook de avond en de nacht en nog steeds was hij niet
+terug.</p>
+
+<p>Toen hij den derden dag nog niet verschenen was
+zei Meleken tot Kamiel:</p>
+
+<p>&quot;Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan
+infermeeren en aan bezinnes ou&euml;rs zeggen dat hij
+nog niet thuis 'n es.&quot;</p>
+
+<p>Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de
+herbergen waar Smul 's zondags gewend was te
+komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.</p>
+
+<p>Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar
+dat was al meer dan twee dagen geleden en sinds
+had men niets van hem gehoord.&mdash;In &quot;d' Ope
+van Vrede&quot; was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen,
+met gescheurde kleeren en bebloed
+gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende
+vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die
+degelijke herberg, meest allen fatsoenlijke burgers,
+die hij in hun dagelijksch, rustig kaartpartijtje stoorde,
+hadden zich z&oacute;&oacute; aan zijn opruierig lawaai ge&euml;rgerd,
+dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had
+hem drank te geven, waarop hij met de schandelijkste
+scheldwoorden en vloeken weer vertrokken
+was. Na &quot;d' Ope van Vrede&quot; had hij de &quot;Casino&quot;
+bezocht; na de &quot;Casino&quot; het &quot;Huis van Commercie&quot;
+en na het &quot;Huis van Commercie&quot; 't &quot;Klein Congres&quot;,
+waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer
+Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul
+reeds hevig dronken; boer Kneuvels was het ook,
+zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp kwam,
+en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie
+gekregen en willen vechten.&mdash;De baas uit 't &quot;Klein
+Congres&quot; had hen beiden met geweld op straat gegooid
+en zijn herberg achter hun rug gesloten.</p>
+
+<p>Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels
+eerst een tijd verloren en hem daarna heel
+onverwacht in een andere herberg weer teruggevonden,
+waar de ruzie herbegonnen was; maar ook
+daar kwam de baas onmiddellijk tusschen beide en
+verzocht hen elders te gaan kijven.&mdash;Weer was
+Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen
+naar zijn hoeve was teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke
+dorpsherbergen op dat oogenblik gesloten
+waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol,
+de slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en
+dieven woonden en waar de kroegjes tot laat in den
+nacht open bleven.&mdash;In de &quot;Jonge Vlooi&quot; had hij
+een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd.
+Van uit de &quot;Jonge Vlooi&quot; was de geheele
+troep met hem meegegaan naar het &quot;Luizegevecht&quot;,
+waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde
+worst gegeten hadden. Daar van daan waren zij in
+de &quot;Gesieperde Kavanse&quot; terecht gekomen....</p>
+
+<p>En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken.
+De &quot;Gesieperde Kavanse&quot; was het laatste
+kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter lag
+het open veld en verder het kanaal. Tot half drie
+in den nacht was Smul er gebleven. Hij bevond er
+zich op 't laatst geheel alleen. Al lang waren zijn
+laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld
+gemaakt, toen de baas hem eindelijk gezegd had
+dat 't nu tijd werd om naar bed te gaan. Smul
+was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand
+hem meer gehoord of gezien.</p>
+
+<p>Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds
+meer dan twee dagen geleden en allen dachten
+Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd.
+Hij verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens
+huisje.</p>
+
+<p>&quot;Zeu,&quot; zei moeder Van Dalen, minachtend de
+schouders ophalend, toen zij 't verhaal hoorde;
+&quot;wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal versmeurd
+zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet,
+jongen, goa gij noar de sandurms en geef het aan.
+Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en 'k zal ik te
+binst noar Roze goan.&quot;</p>
+
+<p>De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel
+onverschilligheid, maar zei verder niets; en door
+vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij zich
+naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde.
+Toen liepen zij met hun drie&euml;n en een paar gendarmen
+een eind weg langs het kanaal, in 't water
+kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de
+boerderij terug.</p>
+
+<p>Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders
+en haar broeder zag, die sinds meer dan een jaar
+op de boerderij niet geweest waren, ving zij onbedaarlijk
+aan te schreien. Zij greep hun handen,
+klemde zich als 't ware aan hen vast en smeekte
+snikkend:</p>
+
+<p>&quot;O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier
+wiggoan, ge moet bij mij blijven. Smul zal weere
+komen en hij zoe mij deudsloan!&quot;</p>
+
+<p>Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie
+dagen weg was en misschien wel in 't kanaal verdronken
+lag, toen kwam er als een glans van onverwachte
+hoop en van geluk over haar deerlijk
+geschonden gelaat en zij zuchtte, als in een stille bede:</p>
+
+<p>&quot;Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem
+toch noeit van mijn leven mier 'n zag!&quot;</p>
+
+<p>Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten,
+dregden in 't kanaal en Rozeke lag bevend te wachten
+en vreezend elk oogenblik hem terug te hooren
+komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor
+haar een versterking van haar eenige, laatste hoop.</p>
+
+<p>En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag
+zij,&mdash;voor de eerste maal sinds zijn mishandeling
+weer opgestaan en naast haar kinderen voor het
+keukenraam gezeten,&mdash;zag zij, als een boodschapper
+van blijde, gelukkige tijding, als een redder
+bijna, den dorpsveldwachter op het boerderijtje
+komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was z&eacute;ker
+dat hij haar de goede tijding der verlossing bracht,
+zij voelde, v&ograve;&egrave;lde dat hij haar kwam mededeelen
+dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't
+aan zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking
+van zijn gelaat, aan de nieuwsgierige gezichten
+van enkele dorpelingen en buren, die hem
+aarzelend op een afstand vergezelden.</p>
+
+<p>Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij
+binnen kwam, beantwoordde machinaal zijn korten
+groet en hoorde als in een droom zijn woorden:</p>
+
+<p>&quot;Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k
+kom ou zeggen da we Smul gevonden h&ecirc;n.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Deud?&quot; kreet zij, in instinctmatige vrees of er
+nog twijfel was.</p>
+
+<p>&quot;Deud,&quot; antwoordde de veldwachter langzaam
+hoofdknikkend. &quot;Wh&ecirc;n hem doar uit de voar
+gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep
+dat diepe geload was en dat hem noar boven
+gemeulend h&egrave;t.&mdash;Hij es al leulijk aan 't bedirven.
+Wilt g'hem hier h&ecirc;n of mo&ecirc;n w'hem ginter hou&ecirc;n?
+Hij ligt in den stal van 't gemientenhuis.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal
+direkt de kiste loate moaken,&quot; antwoordde zij dof.</p>
+
+<p>&quot;En moet g'hem nie mier zien?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Nien ik, nien ik, nien ik,&quot; zei zij, beslist en
+krachtig hoofdschuddend.</p>
+
+<p>&quot;Al gezeid.&mdash;Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk
+de kiste krijgen.&quot;</p>
+
+<p>En met een korten &quot;go&ecirc;n dag&quot; was de veldwachter
+weer weg. De nieuwsgierige dorpelingen en de
+buren, die tot halverwege den boomgaard meegekomen
+waren, keerden druk-pratend met hem weer
+terug....</p>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;" />
+<h2><a name="XLVIII"></a>XLVIII.</h2>
+
+<p>Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang
+geschokte leven. De harde strijd, die veel van haar
+had weggerukt, was plotseling uitgestreden en daar
+zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk
+toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid
+en vrede, in 't instinctief besef dat 't ergste was
+geleden, dat zij niet langer meer de speelbal van
+een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve
+iets aan haar verder leven schikken kon.</p>
+
+<p>Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,...
+en tweemaal weduwe met drie kinderen;
+&mdash;twee waren er bij de geboorte gestorven&mdash;. Dat
+stond v&oacute;&oacute;r haar als een baken, als een vast bereikt
+doel.&mdash;Zij zou niet meer hertrouwen; zij zou voortaan
+uitsluitend voor haar kinderen leven....</p>
+
+<p>En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen,
+dagelijkschen gang; en weken werden maanden:
+en maanden werden jaren, met hun afwisselende
+seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.&mdash;Haar
+vader stierf; velen om haar heen verdwenen, die
+lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar
+broers en haar zuster waren getrouwd en hadden
+ook reeds kinderen; en haar eigen kinderen werden
+allengs groot en volwassen en zij zelve voelde zich
+langzaam aan een oudje worden....</p>
+
+<p>Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep
+of liefhad en weldra meer en meer terugleefde in
+herinneringen van vroeger....; een oudje, dat trapsgewijs
+de toekomst weer heel anders worden zag
+dan ze zich die gewenscht en voortgesteld had.</p>
+
+<p>Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar
+innigste illuzie geweest, dat haar oudste zoon geen
+boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden,
+zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde.
+Maar met den dood van Alfons was ook die illuzie in
+haar gestorven en zij had w&egrave;l gehoopt dat hij bij
+haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de
+boerderij beheeren.</p>
+
+<p>Te laat!&mdash;Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf.
+Hij had, tegen haar zin, zijn studies doorgezet
+en weldra een plaats als hulponderwijzer op
+een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er,
+had kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden
+meer; en wanneer zij hem nog zag was hij bijna
+als een vreemde voor haar; een vreemde, die een
+deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een
+vreemde die bij haar kwam met een vreemde vrouw
+en met twee vreemde kinderen: een heertje en
+juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen
+van Adh&eacute;mar en B&eacute;r&eacute;nice en ook diezelfde, vreemd-deftige
+taal spraken en met een soort wantrouwen
+haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een
+totaal vreemde was.</p>
+
+<p>En dan Marietje!&mdash;Marietje, door de zorgen
+van jonkvrouw Anna bij de nonnetjes in 't klooster
+opgevoed, had het klooster ook niet meer verlaten.
+Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer
+voor haar oorsprong en toen zij achttien jaar was en
+over haar toekomst moest beslissen, had zij verklaard
+non te willen worden. Niets was bij machte
+geweest haar van dit vast voornemen af te brengen;
+en nu was zij non, nu liep zij met het wit kornetje
+en het zwarte kleed in 't klooster; nu was zij van
+de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en
+verwanten en ook van haar moeder voor altijd gescheiden;
+en zelfs haar naam had zij verloren; in
+plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar
+nu nog enkel onder den naam van soeur Vincent-Perp&eacute;tue!...</p>
+
+<p>Soeur Vincent-Perp&eacute;tue...! Rozeke kende haar
+niet meer. Ook met haar had ze geen voeling meer;
+ook zij, haar eenige dochter, de dochter van Alfons,
+was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam
+zij op de boerderij en sprak dan over dingen die
+Rozeke niet goed begreep of die haar kwelden of
+verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over
+het eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig,
+zij was het steeds geweest, maar 't ergerde en
+sarde haar dat dat kind, die dochter van haar, er
+meer van weten en er wijzer over spreken wou dan
+zij: 't verveelde haar.&mdash;En in haar eenzaamheid
+had ze nog slechts haar jongsten zoon, Arie, Smuls
+kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en karakterlooze
+jongen, die in niets leek op zijn vader; een
+jongen die iets goedig-onbeduidends en onverschilligs
+over zich had; die machinaal zijn werk verrichtte
+en ook geen verdere ambitie had dan het
+machinaal betrachten van zijn alledaagschen plicht;
+een jongen die ook alweer, op heel andere wijze, als
+een vreemde naast haar leefde.</p>
+
+<p>Allen vreemden, onverschilligen&mdash;Rozeke voelde
+haar groote eenzaamheid en leefde ver en wijd
+buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de
+herinneringen van 't verleden.&mdash;Dat was geweest,
+dat had bestaan, groot en sterk, vol smart en liefde;
+en 't tegenwoordige was niets dan kleurlooze eentonigheid.
+Zij allen die ze goed gekend had en
+waarvan de meesten nu sinds lang verdwenen waren,
+herleefden voor haar geest, doch slechts heel even:
+allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld
+door den dood, uiteengewaaid als stof onder
+een windvlaag,... maar twee bleven er telkens
+over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon;
+twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch
+z&oacute;&oacute; innig had liefgehad: haar man en jonkvrouw
+Anna!</p>
+
+<p>Die alleen leefden, l&eacute;&eacute;fden steeds intens voor
+haar!&mdash;Met die twee leefde zij zelve in voortdurende
+gemeenschap. Zij zag in zalige verrukking
+hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds
+hun geliefde stem. En 't kwam haar voor alsof zij
+die, en alleen die onder hen allen, terug zou vinden
+zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en
+al de schoonheid van hun mooiste jaren, die voor
+altijd zouden blijven duren....</p>
+
+<p>Het werd een teer en zacht verlangen, een innige,
+vurige hoop, die, in de vergetelheid van al het
+tegenwoordige, haar verleden met haar toekomst
+weer vereenigde.&mdash;Het werd een troost, een vast
+geloof, een sterke zekerheid; het was iets dat zij
+ieder oogenblik te gemoet ging, dat elken dag steeds
+dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ...
+dat zij weldra bereiken zou.</p>
+
+<p>Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang
+zat zij er soms, starend in haar eenzaamheid, over
+te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij hoorde
+hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden
+van het ideale oord waar zij nu beiden
+en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't nieuwe
+leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te
+wachten en waar haar plaats tusschen hen bewaard
+bleef....</p>
+
+<p>In sereene zaligheid voelde ze 't komen;...
+haar wezen was van deze aarde haast niet meer.
+Nog &eacute;&eacute;n stapje, nog &eacute;&eacute;n oogenblikje wachtens ...
+en zij was er....</p>
+
+<p>Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen,
+rijken, gouden najaarsmiddag. De aarde was als
+een paleis van ongestoorde weelde, als een voorhal
+van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was
+zoo stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.&mdash;Zij
+lag te bed, met open ramen in die rijke heerlijkheid,
+als om in eens ver-weg te kunnen zweven
+naar het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig
+op haar wachtten. Haar kinderen en
+kleinkinderen stonden om haar heen, doch niemand
+weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op
+haar kalm gelaat.</p>
+
+<p>Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht
+gegeven was, kwam een onuitsprekelijk-zachte
+glimlach over hare trekken....</p>
+
+<p>Haar ziel en haar geest, de gelouterde essentie
+van haar gansche wezen was bij hem en bij haar,...
+haar man en haar vriendin,... in onverstoorbaar
+geluk,... voor altijd,... in het eeuwige....</p>
+
+
+
+<p>AFSNEE-AAN-DE-LEYE, 15 Augustus 1905</p>
+
+<p>EINDE.</p>
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+***** This file should be named 16882-h.htm or 16882-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16882/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/16882.txt b/16882.txt
new file mode 100644
index 0000000..f8223b3
--- /dev/null
+++ b/16882.txt
@@ -0,0 +1,5720 @@
+Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: October 16, 2005 [EBook #16882]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
+
+ROMAN IN TWEE DEELEN
+
+DOOR
+
+CYRIEL BUYSSE
+
+TWEEDE DEEL
+
+
+
+1905
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII.
+
+
+Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol
+emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een
+onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en
+flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en
+vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar
+bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan
+Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig
+zonder onvoldane wenschen.
+
+En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand
+begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als
+zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms
+woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge
+bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander
+warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren
+waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, over-rijpe peer of
+appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte
+twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden
+ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook
+zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder,
+met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige
+rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van
+purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange
+rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend
+van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en
+overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag
+nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte
+zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's
+achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar
+als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend een-oog; en
+'t kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-
+glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna
+met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind
+dichter bijgeschoven, zoo helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er
+soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien.
+
+Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer
+dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam
+Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo
+vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En
+zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat
+zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend
+hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele
+stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het
+water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal,
+of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij
+voelde alleen maar dat het van heel heel verre kwam, als uit een andere,
+haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om
+aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles
+toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel
+reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de
+postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij
+daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en
+automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zoo
+schoon, o, toch zoo wonderschoon midden in een schat van bloemen op een
+groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en
+'t Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en
+bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar
+onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen
+de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige
+intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den
+hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van
+weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn
+voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het
+opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan
+den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde
+laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende.
+
+Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde
+illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een
+kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks
+en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't
+licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak
+een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor
+hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart
+hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een
+vuil-rood geworden decoratie-lapje.
+
+"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende
+tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold
+sportblad voor haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging
+hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.
+
+"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in
+'t begin, door zijn deftigheid geimponeerd en hem niet goed begrijpend.
+
+"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de
+schoolmeester met nadruk, eenigszins geergerd dat zij niet dadelijk zijn
+mooie taal verstond.
+
+"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde
+Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"
+
+"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.
+
+Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine
+even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten
+van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden-
+glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht
+bij 't raampje, om goed te kunnen zien.
+
+"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd het, miester, 'k 'n ha
+moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van
+hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten
+verontschuldigen.
+
+Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid
+in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren
+en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met
+toenemende belangstelling.
+
+"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is,
+van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin
+van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.
+
+Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend
+en antwoordde ietwat schuchter:
+
+"Ba joa 't e-woar, miester? Z'he zij mij lijk altijd nog al wel keune
+verdroagen."
+
+"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als
+voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.
+
+En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins
+verbitterd uitriep:
+
+"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel
+wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu
+ben!"
+
+Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd-
+onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem
+ietwat verwonderd aan.
+
+"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde
+zij.
+
+"Ja zeker, zeker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker,
+het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste
+menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog
+genoeg waardeeren!"
+
+Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende
+woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van
+hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk,
+terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:
+
+"En da Fransch, miester, he-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't
+es?"
+
+"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam
+de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te
+oreeren:
+
+"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in
+het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer
+is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien
+en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten,
+ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italie
+komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken,
+waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de
+wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De
+sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die
+schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de
+boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken
+en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in
+den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er
+nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het
+Aardsch Paradijs ge-eeten."
+
+"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij
+waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:
+
+"En hoever es dan wel van hier, miester?"
+
+"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf
+onderd uren!"
+
+"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.
+
+"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit
+rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewel, in die
+plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo
+ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen
+en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed
+nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron
+Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als
+zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij
+in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in
+zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw.
+Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."
+
+"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.
+
+"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de
+gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en
+vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het
+kort artikeltje.
+
+"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke
+vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:
+
+"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."
+
+De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed
+gevleid.
+
+"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter,
+degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan eene taal
+kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou
+ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is
+en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste
+waardeeren."
+
+Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:
+
+"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal
+kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding
+van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook
+wel iets voor mij zult willen doen?"
+
+"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd.
+
+"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones
+d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn
+pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou
+kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.
+
+"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme
+zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch
+mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."
+
+"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij
+tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten
+zoudt."
+
+"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie
+vergeten."
+
+Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke
+nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even
+vriendelijk aan.
+
+"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd.
+"Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die
+'t aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."
+
+"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever
+schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en
+vreugd.
+
+Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den
+drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en
+stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met
+afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn
+achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel
+wijsheid en verstand in stak.
+
+Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette,
+zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIV.
+
+
+Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel
+van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen.
+Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en
+moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op,
+wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht
+kon worden.
+
+Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide
+zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange
+discussie had plaats.
+
+"Ik geleuve dat de mirrie t'oud es om nog veulen te krijgen," meende
+Miel van Dalen.
+
+Boer Dons maakte zich kwaad:
+
+"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?"
+
+"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge'n weet gij da meschien zelf op 'n
+joar of twiee noar niet," glimlachte Miel.
+
+"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar
+of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer.
+
+"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie
+kontroarie zeggen," suste Miel.
+
+Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden,
+zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen
+baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles
+ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap
+gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.
+
+Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad.
+
+"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van
+een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van
+boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij:
+"Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leen, den ieste kier dat ze
+weere peirdig es!"
+
+"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich
+onverwachts in het gesprek mengend.
+
+Verwonderd keken allen op.
+
+"Woarom niet?" vroeg Alfons.
+
+"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk
+wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig.
+
+Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van
+Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog
+meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen.
+
+"Vaprijs 'n he gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es
+'t goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat
+'t es."
+
+"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van
+vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons.
+
+Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij
+schetter-gilde naar Rozeke:
+
+"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van
+twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?"
+
+Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van
+verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist
+niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween
+eensklaps in de binnenkamer.
+
+"He, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer.
+
+Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.
+
+"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker
+doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij.
+
+"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd
+mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.
+
+Vader Van Dalen lachte:
+
+"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare
+grond!....
+
+"En da mijn wijf hier pertan[1] nie gedijd 'n het! Hoe verstoa-je
+datte?" schetterde de oude.
+
+Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een
+"dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met
+Rozeke.
+
+
+[1] Pourtant.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XV.
+
+
+Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December
+in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zoo
+gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden.
+Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer
+Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.
+
+Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige
+oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de
+effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer
+van mist en sneeuw en motregen.
+
+Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte
+nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om
+er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer
+Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap
+leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en
+hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het
+oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.
+
+Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een
+groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der
+merrie en vertrok.
+
+Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een
+behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en
+schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge
+sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich
+niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden
+of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.
+
+De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den
+lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen
+klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten
+sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo
+vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe
+stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes
+met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere,
+frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze
+van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen
+der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd
+in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als een oneindige, dikke,
+loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.
+
+Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en
+eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en
+gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien!
+
+Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn
+dijen en knieen zoo doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende
+slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.
+
+Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een
+borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In een teug sloeg hij die met
+een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten
+drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar
+hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij
+aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.
+
+Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij
+dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden
+met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en
+drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor
+de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel
+zakken. Hij voelde zich zoo ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om
+de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad
+binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke
+vrouw en enkele kinderen.
+
+"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weerkes, he? Joa joa, we zillen hem
+al gauwe ne woarme spoelkom kaffee mee nen boterham en 'n firme schel
+heufvlakke geen!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een
+vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen
+hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en
+krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een
+dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.
+
+Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel
+kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder
+te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon
+hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden
+spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom
+koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij
+den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.
+
+De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond
+hij weer op.
+
+"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt,"
+raadden de boer en de boerin hem dringend aan.
+
+"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat
+zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in
+zijn eigen ooren klonk.
+
+"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de
+boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de
+stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.
+
+Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het
+zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen
+ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren
+als lood.
+
+Hij wenschte "elk ne goen dag" en vertrok. Hij had slechts een
+verlangen, een behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met
+gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.
+
+Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug,
+af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat
+van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen
+als 't ware vluchtend voor hem uit, en hij zelf voelde zich mee
+gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn
+halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een
+dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind
+niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en
+zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een
+kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal
+op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam
+draven van zijn kalm geworden paard.
+
+De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een
+doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den
+grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam.
+Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den
+drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij
+den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo
+machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw
+met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen
+afstijgen.
+
+"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend.
+Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en
+zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en
+struikelde gebogen naar binnen.
+
+"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k
+he goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem voor het
+haardvuur brengend.
+
+"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast
+onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.
+
+"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte
+Rozeke.
+
+"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontklien; leg mij in
+mijn bedde."
+
+Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten
+zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem
+warm onder de dekens.
+
+"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met
+dichte oogen.
+
+"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we
+zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet."
+
+Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op
+zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren,
+terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt
+lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met
+korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig
+op-en-neer-trillende neusvleugels.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XVI.
+
+
+De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te
+wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke
+deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn
+vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij
+Vaprijsken naar 't dorp om den dokter.
+
+Eerst tegen avond kwam hij aan.
+
+"Och Hiere! menier den dokteur, 'k he toch zeu stijf noar ou verlangd,
+want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend
+terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht.
+
+"Joa joa moar ... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne
+kier ziek," banaalde hij troostend.
+
+Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij
+zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had.
+
+"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n
+koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken."
+
+"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den
+dokteur?" angstvraagde Rozeke.
+
+"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal,"
+antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij he 't fleurus en
+we moeten oppassen dat 't gien longontsteking 'n wordt,"
+
+"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen.
+"O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird
+gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!"
+
+"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde
+hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij he hij da woarschijnlijk al nen tijd
+in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw
+Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem
+behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen,
+voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in
+de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig
+moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen
+van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen.
+Niets eten,--maar daar zou hij ook wel niet naar talen--en, als hij
+dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden
+ochtend vroeg zou hij terugkomen.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende vele, vele dagen.
+De ziekte had een heel ernstig verloop gehad, was overgegaan in
+longontsteking, met ijlende koortsen.--Soms lag hij bleek en stil, als
+dood; en uren roerloosheid verliepen; maar toen opeens kwam weer de
+koorts en hij ging aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden
+van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard, hij reed door wonderbare
+oorden, door witte en roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die
+zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar de mooiste vogels kweelden
+en klapwiekten, licht en blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe
+lucht. O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het balsemgeurde
+overal en hij proefde van vruchten, groote, blozende, sappige vruchten,
+zoo zalig-lekker smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs, juichte
+hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke, geheel in 't fonkelwit
+gekleed, met haar zacht-krullende haren los over de schouders, en daar
+waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen: Hilairken, gansch
+roze-naakt met gouden vleugels als de engeltjes in 't dorpskerkje, en
+ook Marie, ja, ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest geboren
+worden, maar daar reeds in het Paradijs geboren was, o zoo fijn en zoo
+klein en zoo teer, maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat ooit
+geleefd had, met groote oogen als helderblauwe bloempjes, als van die
+ronde lieve blauwe bloempjes, die in de vroege lente bloeien tusschen't
+jonge frissche gras, langs de randen van helder kabbelende
+beekjes.--Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui uit,
+omdat hij daar ook Vaprijsken zag: Vaprijsken gansch in 't geel, met
+gelen baard en gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel
+gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het Geluw Meuleken was
+daar, nog geler dan Vaprijsken, het mager aangezicht vol gele sproeten;
+en ook den ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning: een
+rooden, ronden kop met witte haren als een ondergaande winterzon over
+een sneeuwveld; en ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik,
+met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en ook Rozeke's vader, die
+zijn een oog zoo leuk dichtkneep en zijn ander zoo verbaasd-rond opende;
+en ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels die hakkelde, en
+zijn schoone vrouw met haar gouden oorbellen en schitterende oogen, en
+de jonge baronesse met haar man, die in een bruisende automobiel
+voorbijsnorden....
+
+Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche droefheid grauwde op zijn
+klam-bezweet gelaat.--Het regende, het mistte, de natte, felle wind
+kromde de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij rilde, rilde, en
+zijn tanden klapperden. De laatste bruine blaren stoven als doode vogels
+van de naakte takken en het paard verzonk met zijn beenen zoo in het
+slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en beslijkt was, en pijnlijk
+klaagde van kou en zich langzamerhand in al die grijze, triestige
+vuilheid voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij een lange
+heesche weeklacht uit en weer lag hij afgemat en roerloos, als een
+bleeke doode uitgestrekt.
+
+Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk kwam hij aan de beterhand;
+maar nog eens weken duurde het voor hij zijn bed verlaten mocht; en toen
+hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het haardvuur in de
+keuken verscheen, leek hij op een oud, bleek, kuchend en hoestend
+mannetje met uitgeholde, rimpelige wangen en groote, zwarte oogen, die
+aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren.
+
+Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover genezen was en zij zelve
+herleefde. Alles wat ze geleden had: haar slapelooze nachten, de
+onvermijdelijke verwaarloozing der boerderij, de zware geldelijke
+opofferingen, alles was vergeten voor die eene blijde gebeurtenis van
+zijn gelukkige genezing.
+
+Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge barones ontvangen,
+telkens weer uit andere steden en landen, en de oude meester kwam er nog
+steeds nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar ervan
+vertellen; maar zelve had zij haar bescherm-vriendin slechts eenmaal
+tijding kunnen zenden,--de droeve tijding van Alfons' zware ziekte--en
+nu verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel, waar zij
+voorloopig met haar man en hare ouders, gedurende de zomermaanden zou
+vertoeven.
+
+En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon als een jonge
+koningin, in een prachtige automobiel, met haar man aan haar zijde.
+
+"O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!" riep Rozeke, vergetend dat haar
+vriendin nu "mevrouw" was, en schreiend van ontroering haar met in
+elkaar geslagen handen in den boomgaard te gemoet loopend.
+
+"Rozeke! Rozeke!" wuifde de barones verteederd. En zij en haar man
+drukten het boerevrouwtje hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare
+vrienden. En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was en gingen
+binnen.
+
+Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een hevige, schorre hoestbui
+drukte hem onmeedoogend in zijn leunstoel bij den haard weer neer.
+
+"Blijf maar zitten, blijf maar zitten," riep dringend de jonge barones;
+en zelve haastte zij zich naar hem toe in 't zijig ruischen van haar
+kleeren en drukte hem ontroerd de hand. "Hoe gaat het, Alfons?" vroeg
+zij bezorgd.
+
+"Dat 'n wilt hier nie wig, mevreiwe," antwoordde hij heesch, met de hand
+op zijn ingevallen borst, kloppend.
+
+Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn groote, donkere oogen
+hadden nog steeds hun onheilspellend-starende uitdrukking van
+verwilderden angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel zat,
+leek hij niets meer op een boer: hij had een fijn besneden
+aristocratisch gezicht, van een vreemd-ziekelijke, geraffineerde
+fijnheid, als een schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren
+en zijn spits-krullenden, donkeren baard.
+
+Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien; en buiten, op den drempel
+zei de barones tot Rozeke:
+
+"Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe man."
+
+Rozeke smolt in tranen.
+
+"Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!" klaagde zij. "'k Geef ik hem
+alles woar da zijn herte noar lust, moar hij betert zeu troage."
+
+"Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog van heel de zomer niet."
+
+"Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n kan hij euk nie wirken. We
+zoeken ons noar nen twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten,
+mevreiwe, en w'hen al zuk 'n slecht joar g'had mee zijn ziekte."
+
+"Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge iets noodig hebt zijn
+wij daar om u t' helpen."
+
+Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een bekwamen paardeknecht. Zij
+hadden hem hoogst noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend op den
+akker te wachten; en met de merrie was het ook al weer mis, die moest
+stellig opnieuw naar den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner
+schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar als reeds iedereen
+bezet is, en Alfons zat zich gansche dagen machteloos in zijn leunstoel
+van ongeduld en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer hoe
+dringerder werd en niemand zich kwam aanbieden. Het maakte hem ellendig
+en vertraagde zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke sprak hij
+reeds van uit zijn hoek te komen en zelf weer, zoo goed en zoo kwaad als
+het ging, te gaan ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar den
+hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag ochtend haastig van de
+vroegmis thuis kwam en hem zei:
+
+"Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht wilt hen, nou es er ienen
+te krijgen; moar ... hij 'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem
+zelve vroagen."
+
+"Wie est 't?" vroeg Alfons gretig.
+
+"Ivo Smul."
+
+"Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!"
+
+"Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij. Hij es mee zijnen boer
+in ruzie geslegen en wig-gegoan. 't Spijt de bezinne genoeg."
+
+Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich gevestigd, zat roerloos
+te peinzen en te staren. Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam,
+schrik-zwijgend achteruitgedeinsd.
+
+Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om.
+
+"Wa peist ge 'r van?" vroeg hij.
+
+"Lijk of ge wilt," antwoordde zij ontwijkend, met benauwde stem.
+
+Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende hun nood en vreesde 't
+ergste indien hij aan zijn dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het
+werk te gaan. Was het reeds niet haar schuld geweest, dat hij in plaats
+van Smul op dien akeligen ochtend met de merrie naar den hengstboer reed
+en er zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen, zij durfde niet,
+'t mocht niet; maar ... de komst van Smul op hun boerderij, in hun
+dagelijksch leven, zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor,
+als voor den dood.
+
+"Hawel?" drong hij aan, onder haar ontduikend antwoord en haar lang
+stilzwijgend ongeduldig wordend.
+
+"Hawel, lijk of ge wilt," herhaalde zij nog eens, hem bedroefd en bijna
+smeekend aankijkend.
+
+"Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien antwoorde! 'K en wil
+ik niets! 'K en zoek ik moar om wel te doen!" barstte hij verwijtend-
+opgewonden uit. "Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge nie 'n wilt
+antwoorden!"
+
+Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen, nog verder terug,
+terwijl Alfons, boos en geprikkeld, zich opnieuw tot Vaprijsken wendde.
+
+"Het ge 'r mee hem over gesproken?" vroeg hij.
+
+"Joa ik, boas."
+
+"En het hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?"
+
+"Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt."
+
+"En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie gezeid?"
+
+"Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels ha."
+
+"En verwacht hij antwoorde doarop?"
+
+"Joa en nien. Hij he gezeid as hij van doage gien antwoord 'n ha, dat
+hij hem elders gijnk verhuren."
+
+Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om:
+
+"Hawel wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke euk ne kier ou
+gedacht?"
+
+"Hawel, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt," antwoordde zij als
+versuft, met hooge kleur en op 't punt in tranen uit te barsten.
+
+"Moar 'k en wil ik niets, zeg ik ou!" riep hij nijdig, "'k Vroag ou joa
+of nie of 't ou gedacht es. Keunt-e doar nou nie op antwoorden?"
+
+"Hawel joa 't dan, joa 't, 't es mijn gedacht!" stamelde zij, bleek en
+bevend. Zij vond het ontzettend dat juist zij het beslissend jawoord
+moest geven.
+
+Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken om:
+
+"Al gezeid.--Vaprijs jongen, goa gij weere noar 't dorp en zegt hem dat
+hij hier verhuurd es en dat hij hoe ier hoe liever zoe komen."
+
+"Al gezeid, boas."
+
+Vaprijsken stak een pijp op en was buiten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XVIII.
+
+
+Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje.
+Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was,
+knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den
+paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond
+reeds voor half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde
+wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen
+meester.
+
+"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei
+Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen
+woar dat hij ligt. Doarachter moen we malgre beginnen onz' eirdappels
+planten en oale voeren op de kloaver."
+
+Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk
+te gaan.
+
+"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee
+groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen
+voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder
+een zware snee spek.
+
+Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote
+koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat
+af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en
+onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in
+haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul,
+waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast
+zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen
+zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren
+en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval
+lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo
+onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo
+akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn
+vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk
+begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo
+doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij
+vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat
+gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar
+nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en
+alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was
+stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande
+haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde
+laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door
+Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een
+goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje
+nakijkend.
+
+"Da es ne goen, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij
+'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"
+
+Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer
+aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit
+den nood kwam helpen.
+
+Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht
+en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was
+een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag
+en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar
+voelde 't zoo.
+
+Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den
+heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende
+nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan
+'t eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen
+akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in
+gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde
+Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens
+schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde,
+blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende,
+stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het
+veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie
+snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen
+was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed
+omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker
+opgolfde.
+
+"Nondedzju! da es ne wirkman! den dienen kan watte!" dacht Alfons met
+onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul
+zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje
+geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIX.
+
+
+Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter;
+maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en
+rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste
+inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen
+lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't
+Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede
+hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij
+zijn lot nog al geduldig op.
+
+Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend
+geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer
+voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon
+zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die
+hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken
+verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de
+rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op
+Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te
+meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als
+Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke
+zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde
+het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den
+sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd.
+
+In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we
+dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te
+beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd
+op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij
+zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden
+te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later
+toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die
+besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde.
+Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls
+handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de
+baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst
+geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed
+het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.
+
+Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid,
+zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk
+was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee,
+totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd
+nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij
+allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een
+paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een
+beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een
+plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere
+Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en
+bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te
+kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was
+de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze
+doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon
+hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het
+oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet
+twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na
+smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar
+dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik
+de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn
+eigen zin wist te doen buigen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XX.
+
+
+Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd
+Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan
+toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had;
+en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de
+Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.
+
+Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje
+de laatste dagen voor hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar
+broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie
+geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar
+lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer
+gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen
+hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De
+maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en
+gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende
+vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog
+vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De
+jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig,
+onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst
+tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter.
+Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien,
+halve dagen op den akker blijven.
+
+De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in
+Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij
+zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar
+ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar
+hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem
+gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis
+hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's
+winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden.
+Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar
+kindje had.
+
+Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde,
+kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:
+
+"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne
+moen op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"
+
+Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't
+eerste oogenblik geergerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk
+vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:
+
+"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twiee lijk lam? We
+mochten nog heul blije zijn da w' hem han."
+
+"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich
+aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne
+knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man he
+euk dikkels ziek geweest en ik he zeven kinders g'had: moar ne knecht of
+'n meissen 'n han verdeeke! nie moeten probeeren van in onz' ploatse
+boas of bezinne te spelen! Ze zoen rap op stroate gevlogen hen! Voader
+gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den
+uchtijnk dat-e gij geboren zijt he 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut!
+al wa konten, zeg ik."
+
+"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hen? Ge 'n hadt gulder
+giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.
+
+De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette
+verwonderde oogen op.
+
+"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.
+
+Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier,
+Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij
+eigenlijk veel te weinig van af wist.
+
+De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.
+
+"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."
+
+Zij kon haar zin niet voltooien, zoo hartstochtelijk viel Rozeke haar in
+de rede:
+
+"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"
+
+Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte
+plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste
+kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden,
+slechten naam gaf.
+
+De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht
+haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets
+verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren
+gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.
+
+Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:
+
+"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n he: da
+Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te
+keune missen. Ik 'n he hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ...
+noeit op ons hof genomen hen.... 't Es Alfons zelve die 't gewild het.
+Hij ... hij ... hij he mij gedwongen hem te nemen...."
+
+Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam
+daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade
+op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en
+hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking
+zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.
+
+"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge
+barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind
+keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en
+ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.
+
+Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk
+de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het
+raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden
+komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar
+krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot voor de
+schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en
+Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte
+lading in het evenwicht.
+
+Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk
+ingehouden toorn bevende stem:
+
+"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in het! 'K 'en weet toch
+nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"
+
+Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:
+
+"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en
+hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast
+hem binnen mee 't loaste van den oest."
+
+Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend,
+met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de
+barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die voor
+haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee
+kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte
+het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen
+om.
+
+"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar
+fluisterend op den drempel vragen.
+
+"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.
+
+"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n
+meisken?"
+
+"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen
+een jongen."
+
+"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde
+vroomheid.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXI.
+
+
+Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en
+rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere
+zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in
+lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de
+stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht
+naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven,
+droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers
+zwerven. De winter naderde, als een te wel bekende oude gast, met
+triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in
+grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen voor zich
+wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes
+en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur.
+Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard
+huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen,
+schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij
+langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en
+hoog-opgetrokken knieen bij den haard.
+
+Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was
+hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze,
+stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en
+afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die
+op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in
+verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen
+werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit
+te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt
+als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieen. Zelden had hij
+eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich
+zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil
+te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn
+piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen
+zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.
+
+En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend
+de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen
+barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij
+telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar
+hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele
+onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar
+wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en
+met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer
+naar buiten komen.
+
+Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen;
+en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden
+en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen
+boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle
+stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige
+menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het
+huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van
+meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de
+nauwe, warme muren opgesloten.
+
+Enkele dagen voor nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt
+kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat
+was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in
+een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't
+oogenblik.
+
+Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven.
+
+Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was
+nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den
+dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't
+werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje
+uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen
+van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar
+het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog
+steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond
+reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden,
+tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet
+haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de
+voute-kamer luisteren:
+
+"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en oue kaffee zal slecht
+worden. Zoe-je nie opstoan?"
+
+Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als
+antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de
+voute op, en stond voor 't lage bed:
+
+"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"
+
+Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede
+donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig
+stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep
+als door een gruwel-intuitie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje,
+rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare
+vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't
+kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een
+doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend
+het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!"
+schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een
+krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en
+duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.
+
+Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te
+paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen
+en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede
+hoofdkussen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXII.
+
+
+De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich
+gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo
+frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar
+rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking
+van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de
+hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van
+droefheid, dreigden dicht te zullen vallen.
+
+Zorgen, zorgen en nog zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!--De crisis
+was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard,
+maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk
+plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar
+beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van
+ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest
+aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken
+en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook
+haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte
+het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook
+dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar
+ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor
+Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij
+gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en
+familieleden noemden--te gehoorzamen.
+
+"Hawel, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer
+dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders
+op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze,
+wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende
+dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen
+dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het
+kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den
+ellendigen toestand neer.
+
+De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de
+drukte van 't werk op den akker.
+
+Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en
+zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar
+zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen
+boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons
+verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke
+niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven.
+Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te
+willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord.
+Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun
+was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was de echte baas geworden, aan wien
+zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een
+onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de
+slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar
+prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds
+zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar
+aan, zoo vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven,
+terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten
+gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet
+blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op
+heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren
+haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag
+had ze geen gelegenheid meer gehad hem het gebeurde te verwijten;--zij
+wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben--maar het Geluw
+Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken,
+die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en
+onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen
+den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten
+wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder
+in den steek te laten.
+
+Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds
+en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste
+verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar
+droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na
+hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken.
+
+En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van
+moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door
+een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts
+met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende
+linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo
+zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht,
+overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend
+smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster
+kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend
+van emotie en bewondering, de handen in elkaar.
+
+"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!"
+herhaalde zij met bibberende stem.
+
+"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te
+rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met
+bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien.
+
+"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het
+wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken
+angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met
+het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden,
+terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.
+
+Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door
+het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel
+opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende
+oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn
+blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om
+zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam
+zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om
+te gaan zitten.
+
+De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden
+aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zoo erg was met hem; zij
+schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk
+te verbergen.
+
+"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de
+scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als
+wilde zij niet alleen hem, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke
+illuzie troosten.
+
+"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar
+keel kropte van meelijdende droefheid.
+
+Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang
+voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met
+inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:
+
+"As 't moar 'n beetse goe weer'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere
+buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in
+huis."
+
+Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde
+schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een
+floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou
+hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en
+innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje
+om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude
+stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de
+diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong
+en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst,
+terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd
+en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en
+hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door
+de sombere schim van den dood.
+
+Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten,
+maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur
+keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd
+en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in
+feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van
+den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het
+heldergroene gras tot haar genaderd kwam.
+
+O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van
+zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij
+van de herlevende natuur,... en daar die bleeke uitgemergelde gestalte,
+als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister
+van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!...
+
+Buiten nam zij Rozeke apart en zei:
+
+"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden.
+Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze
+huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders
+genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet
+doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't
+Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen
+hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog
+niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug."
+
+Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij
+geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat
+hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem
+dood uit 't huis zou dragen.
+
+"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij
+'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst.
+
+"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien
+sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?"
+vroeg de barones met droef-ernstig gelaat.
+
+Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen
+van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij
+was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid
+niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij
+eenmaal weg was?--Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de
+jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te
+troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend
+schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij,
+toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank
+kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje
+vergezelde...
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIII.
+
+
+Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange
+dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten voor
+het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen
+van zijn akker.--Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de
+langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen,
+als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.
+
+Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met
+den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een
+afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het
+heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als
+die waaronder Alfons kwijnde.
+
+Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn
+leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte
+en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer
+ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven
+'t hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon,
+gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde
+noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een
+niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar
+toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen
+hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige
+onderdanen waren.
+
+"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder
+onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?--Moar al da wirk
+hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."
+
+De barones werd bijna boos.
+
+"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geergerd. "Ik wil u
+toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe
+het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kunt
+genezen."
+
+Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar
+even dankbaar aan.
+
+"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt,"
+verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan
+op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."
+
+"'t Moe nou wel goan; ge'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de
+dorpsdokter in 't midden.
+
+"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk
+'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan
+hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.
+
+Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het
+zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop
+verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij
+daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou,
+hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij
+eenmaal vertrokken was.
+
+"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen
+voor alles zorgen," zei de barones.
+
+"Moar hij 'n he hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk
+volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien
+Fransch!" zei Rozeke bezwaard.
+
+"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort
+zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over
+geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel
+goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."
+
+Zij zwegen.--Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun
+angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met
+ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den
+dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen
+en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel
+stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner
+en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er
+werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het
+opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:
+
+"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde.
+Ze zoen 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan
+hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."
+
+Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met
+het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als
+een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIV.
+
+
+De vijftiende November was de vastgestelde dag voor het vertrek.
+Rozeke's ouders, vooral haar moeder, die eerst erg het plan afkeurde,
+hadden er zich eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den vorigen
+avond op het boerderijtje, waar zij de laatste maanden, na het geschil
+ter wille van Smul, haast niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend
+verschenen ook Rozeke's broeders en haar zuster La.
+
+Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel Alfons afhalen. Rozeke zou
+hem tot aan het naastgelegen, klein station vergezellen waar zij de
+baronsfamilie zouden vinden.
+
+Het was een drukte en een emotie voor de gansche buurt. Boer Lauwe en
+zijn gezin, die zij anders maar weinig zagen, de menschen uit het
+werkmanshuisje vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek, kwamen
+op het boerderijtje of stonden wachtend bij het hek te kijken. Van voor
+half negen was boer Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook de
+nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens de goede gelegenheid te
+baat nam om over zijn nog niet verkregen pensioen-verhooging te spreken
+en ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart uit het verre
+wonderland te ontvangen.
+
+Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna gekleed als een
+heer, met een rond zwart hoedje en een lange, warme winterjas. Dat waren
+al geschenken van de jonge barones en de buren voelden wel een beetje
+jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip waar Alfons naartoe ging, maar
+zij beschouwden 't allen als een soort plezierreisje, als een
+rijke-menschen-gril, bijna bespottelijk voor een boer.
+
+Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met Rozeke in 't mooie
+rijtuig. Zijn kinderen had hij nog eens voor het laatst gezoend en die
+keken hem nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht overeind,
+met groote oogen van verwondering op een tafel, Marietje met een
+"tsjoezeken" [*] in den mond op den arm van La, die met een vuurrood
+gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden in een groep
+nieuwsgierigen, de dikke wangen vettig glimmend, met korte zenuwschokjes
+van haar puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd naast,
+zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat haast zonder uitdrukking.
+
+[*] Dotje.
+
+De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand in 't rijtuig drukken
+en nam zijn hoed voor hem af, als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd,
+met een strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den meester voor
+zijn vriendelijke belangstelling en drukte ook de hand van den ouden
+boer Dons, die bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen
+riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken bij zich en deelde hun
+nog eens zijn laatste bevelen uit, er bij voegend dat hij trouwens niet
+lang weg zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd en had
+hem ten slotte beslist met de verre reis verzoend. Hij zou gaan,
+aangezien allen het goed voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich
+dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De barones had hem
+trouwens zijn reisbiljet laten zien, dat meteen een retour-biljet was,
+geldig voor drie maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was voor
+drie maanden was ook geldig voor drie weken en nog minder, en daarmee
+wist hij genoeg. Hij zei het nog eens, glimlachend, maar met nadruk,
+opdat Smul en de anderen het goed zouden hooren en onthouden: "meschien
+ben ik hier te noaste week al weere!"
+
+Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig met het hoofd,
+begrijpend wat hij zeggen wilde; Smul, integendeel, slechts even
+knippend met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een bruut, zonder
+zijn stuurschen blik tot zijn baas op te slaan. Maar de oude
+schoolmeester kwam deftig weer in 't midden, verzekerend dat het geen
+twijfel leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl een ieder
+hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en de oude, kluchtige boer Dons
+gooide 't op een grapje:
+
+"Hawel joa!" schreeuwde hij, "en as ge begint te voelen da z'ou hier
+neudig hen, ge schiet ou weer op de vapeur en ge komt thuis gevlogen
+lijk 'n zwoaluw!"
+
+Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om en reed van 't erf. La
+deed Marietjes kleine handjes zwaaien achter 't raampje en Hilairken
+reikhalsde naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen het ruitje,
+terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het wegtrekkend rijtuig volgden.
+Moeder stond te schreien en te schokken; de buren riepen hem "goe reize"
+na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't rijtuig en in haar
+emotie en verwarring knikte Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor
+maanden lang op verre reis ging. Zij waren weg, een laatste maal zag hij
+zijn grijzen winterboomgaard, zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was
+'t uit: het rijtuig schommelde in vollen draf over den hobbeligen
+landweg naar het kleine station, waar de jonge barones met man en kind
+en meid reeds op zijn komst stonden te wachten.
+
+Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik der lange scheiding
+eindelijk gekomen was en zij barstte in tranen uit.
+
+"Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het voor zijn gezondheid,
+voor zijn leven is," trachtte de jonge barones haar te troosten.
+
+Maar Rozeke kon zich niet bedwingen, zij stikte in haar tranen en zij
+smeekte, beurtelings tot den baron en tot zijn vrouw gewend:
+
+"O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt hem ginter toch tegen zijn
+goeste nie houen, e-woar? Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't
+ginter nie 'n kan geweune worden?"
+
+Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven haar de verzekering dat
+hij volkomen vrij was van terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar
+dat het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en de barones
+beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks zou gaan opzoeken en haar
+twee of driemaal in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke
+had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar dikwijls schrijven om
+hem van alles op de hoogte te houden en gerust te stellen. En hoe
+gelukkig zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de eerste
+lentedagen krachtig en genezen weer bij haar terug kwam.
+
+Daar kwam de trein in de verte aangereden. Alfons, die zich tot dan toe
+betrekkelijk goed gehouden had, barstte bij dat zicht ook plotseling in
+tranen uit:
+
+"Rozeke, Rozeke, adzju!" snikte hij, haar de hand reikend.
+
+De enkele andere reizigers, die op 't perron van 't kleine station
+stonden, drongen verwonderd en meewarig om hen heen. De barones werd
+zenuwachtig, de baron zette een verveeld en misnoegd gezicht. De meid
+met het kind stond terzijde stil te spotlachen.
+
+"C'est idiot!" bromde de baron tegen zijn vrouw. "Ne dirait-on pas qu'on
+leur veut du mal! Voyez tout ce monde autour d'eux; un veritable
+attroupement. Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!"
+
+"Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que nous leur devons un peu
+notre propre bonheur," sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde
+haar toch ook en zij ging er een eind aan maken.
+
+"Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus en wees eens vroolijk voor
+het afscheid," zei ze opgeruimd.
+
+Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden en snikten hoe langer
+hoe heviger en toen de trein voor 't stationsgebouwtje stilhield krompen
+zij van smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld haast moest de
+barones hen scheiden en Alfons naar zijn coupe duwen, een tweede-klas
+terwijl de baron, 't gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast
+in eerste stapte.
+
+"Kalm nu, kalm nu," herhaalde de barones wrevelig en dringend; en, met
+van emotie hooggekleurde wangen, ging zij ook haar plaats innemen.
+
+Eensklaps werden zij kalm, alle twee.
+
+'t Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het leek haar eensklaps of een
+vreemdeling daar zat, een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar
+toelachende vreemdeling; en zoo reed de trein met hem weg: hij
+vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing starend en toen hij
+reeds een heel eind verre was, stond ze nog maar aldoor vreemd te
+staren, de oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog harer
+verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid der mogelijke
+gebeurtenissen en roerloos daar te wachten stond tot het normale leven
+weer in haar zou opkomen.
+
+Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een huivering zich omkeerend,
+zag ze den koetsier van het kasteel, die hen naar 't station gebracht
+had, voor haar staan.
+
+"Goa-je weere mee, vreiwken?" glimlachte de man.
+
+Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling tot de werkelijkheid
+terug.
+
+"O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete," antwoordde zij
+zenuwachtig, als in een soort van angst.
+
+De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze spanning keek ze
+nog even in 't verschiet over de eindeloos lange en rechte glinstering
+van rails langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij ook het
+kleine stationsgebouw en voor haar lag het naakte, grijze winterveld als
+een andere oneindigheid zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en leeg,
+dat het haar nu te moede werd of zij daar liep als een verdwaalde,
+zwakke vreemdelinge, in hopelooze droefheid maar recht voor zich uit
+loopend, aldoor loopend, zonder doel en zonder eind.
+
+Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje en vond er nog
+haar moeder en haar zuster en haar kinderen; en het leek haar nu weer
+alsof er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de eentonige
+gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul was, als iederen ochtend,
+met ploeg en paard en egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel
+klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen op den harden
+schuurvloer, de groote waakhond lag rustig te loeren, half in half uit
+zijn hok, de zwarte poes zat knippend met zijn gouden oogen voor het
+haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het achterhuis was 't Geluw
+Meuleken de boterkarn aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn
+gewonen gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje verkleeden en
+dan weer, naast 't wiegje van haar jongste kind, bij 't kleingeruite
+vensterraampje, aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder zat bij het
+haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar handen op haar knieen en begon
+een praatje; La, die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen
+meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig door elkander rammelen.
+Zij spraken natuurlijk over hem die nu reeds verre aan 't reizen was:
+moeder steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch nu iets minder
+pruttelig, La opgewekt en vol verlangen, met frissche, glimlachende
+lippen en blinkende oogen als van een jong, gevangen vogeltje, dat
+droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme, blijde zonneruimte....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXV.
+
+
+Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte
+briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed
+aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch
+opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was
+'t schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal
+ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven.
+
+Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid,
+alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze
+eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende
+berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de
+buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en
+spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij
+stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een
+trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen
+brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar
+door den postbode overhandigd werd.
+
+Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en
+ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet
+duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met
+"hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte
+eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds
+was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland
+gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die
+een brief opstelt:
+
+
+"Beminde vrouw,
+
+Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn
+gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel
+verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt
+gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden
+met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en
+als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen
+in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen
+gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den
+hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt
+alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of
+dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar
+dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat
+eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij
+geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan
+kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel
+goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het
+is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu,
+beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan
+de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets
+het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is
+precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch
+zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den
+zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en
+'t vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te
+Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste
+bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien
+hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld
+heeft.--Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine
+stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben.
+Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op
+de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij
+geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar
+hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn
+lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar
+de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik
+hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en
+'s avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.--De menschen van
+het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat
+ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik
+toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen
+alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze
+daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij
+verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat
+het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen
+dat het zelfs beter is als hier.--Den baron en de baronnesse zijn dan
+nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed
+voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en
+gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest
+komen bezoeken.--Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens
+met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks,
+zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar
+zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En
+al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van
+versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de
+barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten!
+Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft
+mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe
+zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.--Past maar op dat
+ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende;
+maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te
+gebruiken.
+
+Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan
+meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet
+mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en
+het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en
+gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en
+eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat
+is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn
+retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om
+het toch niet te verliezen.
+
+In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor altijd
+
+uwen verkleefden man
+
+ALFONS.
+
+Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er nog niet?"
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVI.
+
+
+Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een
+inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij
+antwoordde:
+
+
+"Beminde Alfons,
+
+Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn
+gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot
+verdriet doen.--Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog
+altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester
+Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij
+heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen
+lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in
+stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van
+nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn
+pensioen te spreken.--Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier
+alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel
+schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is
+ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone
+witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie
+is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de
+merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle
+vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar
+zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het
+Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij
+zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de
+kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader
+is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat
+het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en
+het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste
+doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik
+het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas
+mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag
+en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten
+zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal
+ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet
+haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele
+gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer
+lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud.
+
+Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het
+hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.
+
+Voor altijd uwe verkleefde vrouw
+
+ROSALIE."
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVII.
+
+
+Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij
+behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd
+even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan
+wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en
+zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo
+schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen
+gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de
+straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt
+allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen
+en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit
+gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters
+hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel
+nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw
+genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die
+schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de
+wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van
+automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een
+onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.
+
+"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en
+zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten
+meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind:
+dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij
+eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den
+baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen
+waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen
+grooten cafe waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre
+op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute,
+maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch
+hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik
+vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel
+kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten
+saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat
+zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man
+hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch
+vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig
+volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde
+vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit
+ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar
+triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt
+ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar
+ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en
+spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft
+blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is
+nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap.
+Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik
+tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat
+zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij
+meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er
+gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd
+dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan
+haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje
+pasiensie moet hebben.
+
+Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij
+dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen
+komen.
+
+Uwen verkleefden man met het hart,
+
+ALFONS.
+
+"Dezen brief moogt gij aan den meester hoegenaamd niet laten lezen om
+dies wille wat er in staat over den baron met die twee vrouwspersonen in
+zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig en hij zou er in het
+dorp gaan kunnen over babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen
+doen, en aan de knechten en het meissen moogt gij hem ook niet
+voorlezen."
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVIII.
+
+
+Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij
+ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem
+lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den
+baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en
+somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou
+en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo
+een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om
+zou zien. En toch!...
+
+Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn!
+
+Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het
+boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel
+mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer
+den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had,
+dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van
+den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad
+gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op
+schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel
+bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een
+oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en
+watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen
+bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve
+veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige
+dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam
+er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat
+dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met
+enkele maanden te laat op de wereld te komen.
+
+Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was,
+sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij
+zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet
+in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep
+wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel
+openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, en Smul, en
+'t Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij
+niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit
+beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wel als ongeluk en
+tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal
+zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't
+onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook
+niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en
+deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n
+schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't
+was nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij
+al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend
+noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde
+zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om
+hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den
+arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch
+van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar
+kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of
+stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en
+Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel
+niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam
+onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel,
+het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er
+in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte
+wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette,
+zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIX.
+
+
+Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke
+antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles
+best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge
+barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods
+met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn
+gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt;
+hij mocht nog niet terugkomen; hij mocht niet plotseling, zonder
+overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon
+doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den
+vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een
+ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje,
+waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar
+macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast
+scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was
+blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed
+uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke
+koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch
+om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje
+van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden
+komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind
+vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n depeche?...
+veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het
+jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe
+van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de
+oogen schemerend:
+
+
+"Ik kom van avond terug.
+
+ALFONS."
+
+
+
+
+XXX.
+
+
+Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn!
+
+Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij
+had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem
+verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde
+ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij
+naar hem verlangd had. Nu ... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam
+terug en dat geluk overtrof en vergoedde alles; nu zou ze niet geduld
+hebben dat hij nog maar een dag, nog maar een uurtje langer weg bleef.
+Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen
+was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in
+huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't
+boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de
+schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar
+uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend
+weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste
+in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen:
+"Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!"
+
+Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij
+langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar
+onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.--Wat mocht er wel
+gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in
+den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan
+eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom
+was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos
+op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog
+langer daar te houden?--Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst
+opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn.
+
+Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te
+vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met
+zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee
+te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het
+rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van
+haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar
+ouders zou gaan waarschuwen.
+
+Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het
+was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen
+minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar
+buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en
+stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te
+luisteren.--Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar
+kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm
+en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler,
+heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige
+duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen
+weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans
+knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het
+zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen
+van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek
+gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche,
+schorre angststem:
+
+"Es hij doar?"
+
+"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap.
+
+"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken
+naast het rijtuig meehollend.
+
+Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde
+haar als met doodschen angst.
+
+"Hoe es 't, Alfons? hoe es't?" herhaalde zij, haast schreiend.
+
+De sjees had voor den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch
+eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap:
+
+"Azeu ... stillekes."
+
+"Och Hiere toch!" kreet zij.
+
+Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis,
+het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed
+was.--Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de
+zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den
+breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die
+schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar
+angst ten top. Zij snikte.--Vaprijsken haalde den koffer van onder de
+voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap
+zijn hand uit.
+
+"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen.
+
+En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde
+eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei:
+
+"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait."
+
+"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste."
+
+Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met
+'t Geluw Meuleken naar binnen.
+
+"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij.
+
+"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend.
+
+"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n he ou nog nie
+gezien, 'k 'n he ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig.
+
+Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke
+schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam
+kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als
+ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten
+leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk
+glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen
+woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat
+daar voor haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar
+onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de
+inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het
+Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den
+drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween.
+
+"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht
+van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande.
+
+"O, goed, alles heel heel goed," haastte zij zich te antwoorden; "de
+stal, de kinders, 't veuleken, alles heel heel goed."
+
+Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd,
+voor zich uit.
+
+"'K 'n kost het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kost nie mier, 'k zoe
+d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij.
+
+"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge
+tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.--"Wilt-e nou al gauw iets
+eten?" riep ze eensklaps levendig.
+
+Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.
+
+"'K 'n kost nie mier, 'k 'n kost nie mier! 't Was alles goed, moar 'k
+moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre ...
+'t es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie
+helpen ... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn."
+
+Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart.
+Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te
+laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was
+hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen
+praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu
+eten of drinken wilde.
+
+"'K 'n he gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij.
+
+Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te
+warmen.
+
+"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte
+hij, streelend haar hand nemend.
+
+"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd.
+
+Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een
+schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes
+weer opleefden.
+
+"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij.
+
+"'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken?
+'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe
+weer es goa 'k ne kier tot in de stal."
+
+"'t Es toch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge
+meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van."
+
+"Sloa ze?" vroeg hij.
+
+"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken
+'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie
+altijd bij goan."
+
+Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte
+even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste.
+
+"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd.
+
+"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K
+ben zeu moe; 'k kome van zeu verre."
+
+Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling:
+
+"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?"
+
+Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een
+schuldige, met rood zich kleurden.
+
+"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.--En
+plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd,
+kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende
+tranen uit.
+
+"Ach Hiere! moet er da nou euk nog bij komen," klaagde hij.
+
+Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij
+kropte met geweld haar tranen op en volgde hem.
+
+"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog,
+hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend.
+
+Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren
+klik, en keerde zich toen om.
+
+Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde.
+
+Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXI.
+
+
+Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....
+
+De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen
+hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde
+naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in
+haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de
+doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of
+sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.
+
+Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen,
+zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te
+staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren
+en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de
+groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar,
+gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets
+van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur
+en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds
+terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de
+breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die
+af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken
+middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje
+vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.
+
+Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even
+op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag
+van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om
+de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier
+witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het
+bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar
+stond het voor zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne
+hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn
+recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille
+verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte
+bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte,
+in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje
+hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde
+bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter:
+zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden
+staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een
+geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg
+en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de
+borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn
+kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste
+jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....
+
+Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder
+schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.
+
+"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide
+Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch
+onverbiddelijk wist.
+
+Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en
+vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.
+
+Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.
+
+"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie
+'n zilt hirtreiwen."
+
+"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.
+
+"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.
+
+"Da beloof ik ou zeker! da zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e
+toch aan zulk 'ngedachten?"
+
+Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.
+
+"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij
+eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen
+en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle,
+gele wangen, in zijn zwarten baard....
+
+Heel zacht kwam eindelijk het laatste....
+
+Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad:
+Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader,
+oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een
+"suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had
+gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't
+raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het
+zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en
+een gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat
+hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op
+zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om
+'t kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer
+binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd.
+Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen,
+vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze
+staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij
+ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar
+plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en
+stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van
+angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem
+en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de
+volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nog dieper over
+hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna
+onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht
+neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als
+de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even
+zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het
+eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het
+was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de
+onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van
+onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene
+kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist
+het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek
+zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet
+bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was;
+'t was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging
+rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze
+schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het
+Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur,
+klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden
+kleivloer.
+
+De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere
+gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar
+hem informeeren kwam.
+
+"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een
+droom.
+
+Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel,
+aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken
+in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:
+
+"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!"
+
+"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.
+
+"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.
+
+Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen voor de
+oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos
+lang....
+
+In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje.
+Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker
+op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig
+klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag
+op den harden kleivloer.
+
+Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren
+lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend
+bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.
+
+De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook
+Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de
+begrafenis te regelen.
+
+Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets
+merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen
+zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge
+koorts te bed lag.
+
+De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels
+stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het
+erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was
+stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje
+kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het
+Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En
+iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....
+
+Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee
+paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos voor
+den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als
+naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag:
+"Bezinne, es 't mee ouen dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen
+moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks
+hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht.
+Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes
+teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders,
+dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even
+buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en
+keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis
+de kinderen bezig.
+
+Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een
+stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts
+en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich
+op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige
+stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de
+wagen van het erf.
+
+Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag.
+Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als
+'t ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en
+weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere,
+op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den
+zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten
+gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende
+kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken
+en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield
+de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen
+handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen
+wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote
+uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin
+het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer
+zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald
+geroep....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXII.
+
+
+Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone
+leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou
+nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.
+
+De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van
+achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar
+voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte
+kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het
+vuur, en vroeg haar:
+
+"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoen
+we doar eirdappels planten of zoen we 'r suikerijen zoaien?"
+
+Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar
+plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.--Ach! hoe kon
+ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar
+immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar
+betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als
+onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel:
+
+"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?"
+
+"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de
+suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houen altijd
+uldere prijs."
+
+"Hawel, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij.
+
+"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoen we nou ne kier
+probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoen w' hem nog 'n joar
+loate liggen lijk of hij es?"
+
+Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en
+twijfel.
+
+"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal.
+
+"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "When nog al wa heui
+over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar
+vervalschten kucht."
+
+"Hawel joa, we zillen nog 'n joarke wachten."
+
+Hij knikte met het hoofd en was weg.
+
+Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der
+boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had
+er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem
+overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La,
+een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide
+knechts even voor 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te
+rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol
+tranen:
+
+"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twiee goe zil blijven
+helpen. Ik 'n he natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k he road en
+hulpe neudig.--'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder
+eigen woare."
+
+Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog.
+
+"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hen,"
+zei hij met een stem die trilde.
+
+Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch
+euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken.
+
+Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af,
+en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn
+gewoonte was:
+
+"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen.
+Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!"
+
+Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als
+boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar
+verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde
+en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er
+was een oogenblik volkomen stilte.
+
+"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar
+en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend.
+
+Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor.
+
+"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch
+moar knechten alle twiee."
+
+Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken
+was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het
+ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee!
+
+Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite
+Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet
+verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat
+hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit.
+Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden
+wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXIII.
+
+
+Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste boer en baas der hoeve.
+In het begin nog raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich toch
+altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze formaliteit al spoedig
+overbodig en beredderde weldra alles zonder vragen naar zijn eigen wil.
+Hij besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid, geplant zou worden;
+waar, wanneer en hoeveel noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe,
+hoelang en voor welk loon zij zouden werken. Eerst vroeg hij nog een
+tijdlang Rozeke's instemming en goedkeuring voor wat inkoopen en
+verkoopen betrof; maar ook daarin handelde hij weldra naar zijn eigen,
+exclusief goeddunken, kocht en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan
+Rozeke het geld der ingeslagen of geleverde waren.
+
+Het duurde niet lang of koopers en leveranciers onderhandelden
+uitsluitend en rechtstreeks met hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant,
+de zadenhandelaar boden hem hunne producten aan; de veekooper, de
+aardappelkooper debatteerden met hem over de prijzen van het vee, van 't
+graan en van de aardappels.
+
+Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre te buiten ging, maar
+zij had nu eenmaal, door de omstandigheden gedwongen, de macht uit haar
+handen gegeven en zag geen kans die nog terug te krijgen. Het was fataal
+zoo gekomen, het had niet anders gekund; dat was het onvermijdelijk
+gevolg der groote ramp die haar geluk geknakt had.--Doch anders kon zij
+over hem niet klagen en de heerschappij was wel aan hem besteed. Hij
+verdiende ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en flink, den
+ganschen dag door; hij werkte eigenlijk voor haar en voor haar kinderen,
+als gold het zijn persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een
+zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons' langdurige ziekte wel
+eens bedreigde materieele voorspoed en welvaart weer op het boerderijtje
+komen.
+
+Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook groeiende nijd en
+nauwelijks bedekte schimperij en vijandschap. Men spotte met zijn
+heerschappij en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten.
+Vaprijsken noemde hem achterrug "menier den boas", en 's zondags,
+wanneer hij halfdronken in de herbergen van 't dorp liep, vertelde hij
+aan al wie 't hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op te
+zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend zoodra hij uit Smul's
+tegenwoordigheid was en voorspelde dat men weldra rare dingen zou
+bijwonen.--Ook het Geluw Meuleken was dadelijk, na Smul's bazig
+optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar geworden. Zij keek Smul niet
+meer aan, wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij vreesde 't
+ergste van hun gescharrel en voelde zich, minder dan ooit, bij machte
+het tegen te gaan; maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was 't
+Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals Vaprijsken raasde en
+lasterde zij achter den rug om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't
+dorp. Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke geruchten kwam
+Rozeke's ouders iets ter oore; en op een zondagmiddag verscheen moeder
+op de boerderij.
+
+Rozeke hoefde haar slechts van verre over het erf te zien aankomen, om
+dadelijk te merken dat er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw
+zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende heupen, als een vette
+modder-eend; haar gezicht was blakend rood en haar tandelooze mond hing
+open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze binnen en had zich
+overtuigd dat Rozeke met haar kinderen alleen was, of ze hijgde en
+stotterde 't er opgewonden uit:
+
+"Roze!... e e es da woar wat da 'k doar heure zeggen he ... dat-e gij
+mee oue peirdeknecht goat hirtreiwen as ouen tijd om es?"
+
+"Wa ... wa zegt-e doar, moeder!" riep Rozeke verschrikt.
+
+Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar adem op een stoel
+gezakt, moest eerst even op verhaal komen. Haar fletse blauwe oogen
+keken rond en boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen over
+haar vette, roode kwabbe-wangen.
+
+"O ... o ... of 't woar es da ge mee oue peirdeknecht goat hertreiwen as
+ouen tijd om es?" herhaalde zij eindelijk, met een stem die klapte als
+een zweep.
+
+Een vloed van emotie kwam plotseling van uit de diepte van Rozeke's hart
+naar haar gelaat opgestormd. Het hokte in haar keel en vulde met tranen
+haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige belofte bij zijn
+sterfbed; en dat zij die belofte schenden zou, o, het stond zoo verre
+van haar af, dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos of
+verontwaardigd over moeders harde woorden werd. Zij zuchtte zwaar en
+hikte zenuwachtig, doch zij wist zich te beheerschen; en in plaats van
+de vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt, met kalme, bijna
+toonlooze stem:
+
+"Wie zegt da, moeder?"
+
+"Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r wor van nie anders
+gesproken. 't Es 'n schande!" hijgde de opgewonden vrouw.
+
+Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich gesard en ook eindelijk
+kwaad worden. Haar oogen schitterden en een heete kleur kwam over haar
+ingevallen wangen
+
+"Hawel, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan veur mijn poart dat 't
+leugens zijn!" riep zij eensklaps nijdig en bits.
+
+De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend het hoofd. En zij begon
+scherp uit te varen tegen Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen
+Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons' dood, op 't hoevetje
+gebeurde.--"'t Es 'n schande! herhaalde zij voortdurend, "'t schijnt dat
+'t al aan d'euren van de paster es gekomen, en as er den b'ron of
+mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!"
+
+"Joa moar watte, moeder? Wa es er 'n schande? wa es er gebeurd?" riep
+Rozeke hoe langer hoe bitsiger wordend.
+
+"Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar geboaren?" gilde de dikke
+vrouw. "Weet-e gij meschien nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne
+kleinen krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!"
+
+Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen van 't Geluw Meuleken was
+haar al een heelen tijd verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van
+aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog.
+
+"Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert verscheide weken noar
+mallekoar nie mier omme!" riep zij angstig en verbaasd.
+
+"Hawel joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen es!" hijgde moeder
+van Dalen. "Van as Smul ondervonden het dat de pap verbrand was, het hij
+heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn zinnen op ou
+gesteld het! En 't Geluw Meuleken, die doarom kwoad geworden es, goa nou
+heul den boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes es, euk!"
+
+"Wa leupen z' al vertellen?" vroeg Rozeke.
+
+"Wel!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie onneuzel geboaren! Ge
+keun wel peizen, e-woar, wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n
+schande!"
+
+'t Was als een openbaringslicht dat plotseling voor Rozeke opging. Zij
+voelde, met afschuw en schrik, het gansche laag gebabbel en geknoei dat
+buiten haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster zij weerloos
+was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging en woede, eensklaps
+vast besloten er korte metten mee te maken.
+
+"'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal wete; d'er zal hier
+gauwe goan veranderijnge komen," zei ze beslist; en als in krachtdadig
+besluit kneep ze strak haar lippen op elkaar.
+
+Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging moeder eindelijk weg,
+en kort daarop kwam 't Geluw Meuleken van 't dorp terug.
+
+Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel af te nemen.
+
+"Es da woar, Meuleken," vroeg zij bruusk af, met bleeke, bevende lippen,
+"es da woar dat-e gij moet ne kleinen hen van Smul?"
+
+Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje te gaan
+verkleeden, bleef als versteend staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke
+omgekeerd, den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En voor ze zelfs
+een enkelen klank tot antwoord had geuit, zag en begreep Rozeke
+eensklaps alles: haar betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de
+angstig-verwilderde uitdrukking van haar oogen, het reeds zwaar-wordend
+figuur; alles wat zij in haar diepe droefheid van de laatste tijden niet
+gemerkt had, trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht en zij
+raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw Meuleken, zuchtend en
+schreiend, de waarheid ook niet poogde te verbergen:
+
+"'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in ploatse van mij t'
+helpen in al mijn verdriet!--'K ha d'r al lank wa van in de goaten, moar
+'k miende dat 't gedoan was!--Joa moar azeu 'n keunt g' hier nie
+blijven, zille! Treiwen of hier wig!"
+
+Het Geluw Meuleken hikte en snikte:
+
+"Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij he mij bedrogen en nou loat hij
+mij leupen. Hij durf zelf zeggen dat 't van hem nie 'n es, de
+sloeber!--Moar 't 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!"
+
+Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg en opstand:
+
+"Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?"
+
+"Iederien, bezinne, iederien."
+
+"Hij euk?"
+
+"'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't dorp zegt het; en
+Vaprijsken zegt het euk, iederen zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't
+heuren wilt!"
+
+"Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk gien goeje, want g'
+het er euk van gebabbeld, ik weet het!"
+
+"'t Es gelijk, bezinne; ik 'n he 't nie iest gezeid; Vaprijs het 't iest
+gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste mee. O! die sloeber, die
+sloeber!"
+
+Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk, en Rozeke, ellendig doch
+meelijdend, voelde langzamerhand haar eigen toorn in machtelooze wanhoop
+verzinken. Doch zulk een toestand kon ze niettemin in geen geval op haar
+boerderij dulden, en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo
+mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken over te halen.
+
+Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en wachtte op de komst
+van Smul. Zij hoorde weldra een geluid van voetstappen in de duisternis
+over het erf en opende met kloppend hart de voordeur.
+
+"Ivo, zij-je 't gij?" riep ze.
+
+Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al haar krachten in om sterk
+en kalm te blijven en haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden
+gepijnigd saamgefronst, haar tanden beten zenuwachtig op haar onderlip
+en zij voelde zich in 't donker op den drempel een vurige kleur krijgen.
+
+"Joa ik, bezinne," klonk Smul's ruwe stem in de duisternis.
+
+"Wilt g' hier ne kier komen?"
+
+Hij was reeds bij de deur van den paardenstal om te gaan slapen. Hij
+keerde zich om en kwam sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het
+woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte trapsgewijs uit
+het donkere te voorschijn komen.
+
+"'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo."
+
+Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar binnen en sloot de deur.
+
+Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime, lage, zwartgebalkte
+keuken, zij vreeselijk ontsteld en niet wetend hoe te beginnen, hij
+nurksch en norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge
+streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke kaken, zijn koude,
+grijsblauwe oogen strak op haar gevestigd, onder de klep van zijn zware,
+ietwat scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder kap stond
+ongezellig lichtend op een laag groen tafeltje; in 't haardvuur
+versmeulden de laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte, lomp
+en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem te zeggen had.
+
+"Ivo," begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven kijken en met een
+stem waaraan zij weer vruchteloos poogde kracht en vastheid te geven,
+"Ivo, 't Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind van ou moe
+krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt treiwen."
+
+Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend, een enkele
+seconde. Maar, voor zijn harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk
+haar blik weer neer.
+
+"Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n he doar gien affeirens mee,"
+klonk kort en ruw zijn afdoend antwoord.
+
+"Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es; en as 't azeu es zoe
+je 'r toch wel meugen mee treiwen," drong zij zonder overtuigingskracht
+aan.
+
+"Bezinne," antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend, "die zijn gat
+verbrandt moe op de bloaze zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet
+'n wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het van mij zijn, moar 't
+kan euk van Vaprijs zijn en meschien nog van ne heulen boel andere. Ik
+'n trek het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn botten aan."
+
+"Joa moar, Ivo, op die manier 'n kan ik ulder toch op mijn hof nie
+houen!" riep zij eensklaps heftig, met hooge kleur, over zijn
+hondschheid verontwaardigd.--"Wa zoen de meinschen wel zeggen? En wa
+zoen de giestelijke zeggen? Wa zoen den baron en de baronesse zeggen? Ze
+zoen mij doen verhuizen!"
+
+"'t Es het goed, bezinne, as ge 't op die manier opneemt zal ik
+wiggoan," zei hij kortaf. En hij week al vast naar de deur.
+
+Zij schrikte. Weggaan! Dat kon niet, vooral niet op dit oogenblik, met
+de aanstaande volle drukte van den veldarbeid. Dat was een halve ruine,
+voor haar en voor haar kinderen. En zij voelde zich plotseling laf
+worden; zij voelde, dat niet de misdadiger, maar wel het ongelukkig
+slachtoffer, het Geluw Meuleken, moest opgeofferd worden. Zij stond met
+hooge kleur te beven en wist niet meer wat te zeggen; tranen kwamen in
+haar neergeslagen oogen en zenuwachtig beefden hare lippen. Wanhopig
+keek zij om zich heen, als zocht zij naar een hulp en steun welke niet
+meer te vinden was, als zocht zij nog naar hem die haar door den dood
+zoo onmeedoogend was ontnomen. Maar zij had niets meer, zij stond zoo
+ellendig alleen en zoo zwak op de wereld; en laf ontsnapte 't aan haar
+bibberende lippen:
+
+"Gij of zij, d'r moet toch ien van de twee wig; azeu 'n kan 't nie
+blijven.--En zij moe in alle geval...."
+
+Eensklaps vloog de zolderdeur open en 't Geluw Meuleken, die staan
+luisteren had, kwam in de keuken gesprongen, woest, razend, huilend, met
+fonkelende oogen schreeuwend en scheldend:
+
+"Gie sloeber! gie valschoard! Watte! ge durf zeggen dat 't van ou nie 'n
+es! En gij euk, bezinne, gij zij euk 'n slechte, 'n slechte! Ge span mee
+hem te goare! 't Es 'n schande! Ge zij sloebers, valschoards alle twiee!
+Ulder hof es verdomd, verdomd! Hij es nen brigand, ne meurdenoare! Hij
+he mij compleet vermeurd en hij zal ou euk vermeurden, en 't zal wel
+besteed zijn! 'K zoe nog liever veur mijn kind goan scheuien as hier nog
+ne menuut langer op ulder slecht hof te blijven!"
+
+Woedend vloog zij naar de voordeur en eer zij den tijd hadden een woord
+te spreken of haar met geweld tegen te houden was ze buiten en weg, den
+boomgaard af, het hek uit, onder razend geblaf van den waakhond door de
+nachtelijke duisternis naar 't dorp.
+
+Rozeke was huilend van ontsteltenis op een stoel ineengezakt; Smul, even
+stom en roerloos als een bruut, stapte met loggen tred uit het huis en
+ging naar zijn slaapplaats in den stal.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXIV.
+
+
+De jonge baron en zijn vrouw kwamen dat jaar later dan gewoonlijk
+buiten. Zij waren er eerst tegen het einde van Mei en enkele dagen
+daarna kwam de barones Rozeke opzoeken.
+
+Het was een droevig bezoek, een gansch her-opleven van al al de zware,
+nog maar pas geleden smart. Rozeke begon dadelijk hopeloos te schreien
+zoodra zij de barones zag en lang spraken zij nog over den doode. De
+barones vertelde haar nog eens hoe zij 't onmogelijke had gedaan om hem
+langer in 't zuiden te houden en hoe het was mislukt, omdat hij er niet
+wennen kon en aldoor, altijd maar naar huis verlangde. Hij was ook reeds
+te ziek toen hij vertrokken was; hij kon niet meer genezen. 't Was
+erfelijk geweest bij hem, zij wist het van den dokter: zijn vader en
+zijn broeder waren ook beiden jong aan tering gestorven.
+
+Rozeke stilde eindelijk haar overstelpende, te lang verkropte tranen en
+toen viel het haar plotseling op dat ook haar voorname vriendin er zoo
+bedrukt uitzag. Een ongewone plooi van kommervollen ernst lag over haar
+verbleekt gelaat en haar mooie oogen hadden iets vaag-peinzends, iets
+afwezigs en verstrooids in hun uitdrukking, alsof zij voortdurend met
+hare gedachten elders was. Rozeke vroeg hoe 't ging met haar kindje en
+haar man.
+
+"Goed: nog al goed," antwoordde zij met stille, matte stem, terwijl een
+lichte kleur over haar bleeke wangen kwam.
+
+"Es menier den baron euk op 't kastiel?" vroeg nog Rozeke.
+
+"Neen, nog niet, maar hij komt nu weldra," antwoordde zij. Haar
+wenkbrauwen trokken zich zenuwachtig samen en ietwat hooger kleurend
+wendde zij het hoofd om en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
+
+Rozeke durfde niet verder meer vragen; maar plotseling herinnerde zij
+zich de mededeeling uit een van Alfons' laatste brieven; de zonderlinge
+ontmoeting van den baron met die twee rare vrouwen in zijn automobiel,
+en even bekroop haar de angst dat hun huwelijk er ongelukkig door
+geworden was. Doch zij joeg die akelige gedachte verre van haar weg.
+"Hoe zou het mogelijk zijn, dacht zij, dat een man die zulk een schoone,
+goede, liefhebbende vrouw bezit, nog ooit naar andere en dan nog wel
+naar zulke slechte vrouwen om zou zien."
+
+En toch,... zij vreesde.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXV.
+
+
+Na de heftige scene met het Geluw Meuleken was de toestand op de
+boerderij gedurende enkele dagen hoogst gespannen geweest. Smul liep
+sprakeloos en somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was aan
+den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan en in haar radeloosheid
+had Rozeke haar ouders te hulp geroepen.
+
+Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde dat zij heel den boel
+ineens opruimde, dat zij, niet alleen het Geluw Meuleken, die nu
+trouwens bij haar moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral
+Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette. Doch vader van Dalen en
+Rozeke's broeders, veel kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en
+beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had mooi praten, omdat zij
+zelve niet voor 't geval stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens
+twee nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den ophanden zijnden
+oogst, nergens zelfs meer noodhulp was te krijgen? Zoo'n vaart had het
+dan ook niet genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar al te
+radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken was tot reden en bedaren
+gebracht en Smul werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder ten
+slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken, een van verre; een "uit
+den bosschen", zei moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en
+geknoei der laatste tijden zou te maken hebben. Op een ochtend kwam het
+meisje, vergezeld van moeder, op de hoeve aan; en 't leek een
+vriendelijk, ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met heel lichtblauwe,
+bijna witte, kleine oogjes en een rond, zachtwangig, door de zon
+gebruind gezicht, vol bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op
+elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken. Die overvloedige
+sproetjes en die heele lichte oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en
+dat stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van wege geknoei met
+de knechts. Zij heette Meleken.
+
+En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig, alledaagsche leven
+zijn gewonen gang.
+
+De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg en nu was men overal aan
+'t pikken van de rogge. Van alle kanten klonk het sissen van de
+scherp-geslepen sikkels in het ruischend-neerzijgende koren; en weldra
+stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet met ontelbare, als levende
+gestalten in elkaar gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het
+waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte en goud-gerokte
+vrouwtjes op het kaal-geschoren stoppelland; als stille processies van
+duizenden en duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig dorpje
+met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig gaande, in
+geheimzinnige vroomheid, tusschen de paars-bloeiende klavervelden en de
+heldergroene weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van landelijke
+heerlijkheid en weelde. Tot een groote rythmus-hymne van vruchtbaren
+arbeid versmolten alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor
+grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer; en ook op Rozeke's hoeve
+was 't nu ingespannen werken, van den vroegen ochtend tot den laten
+avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den plicht van den
+ernstigen land-arbeider in oogsttijd; en Smul, zoowel als Vaprijsken en
+de andere, gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den dag in
+zonnegloed op 't heete veld, midden in de zware garven die op den
+blonden stoppelakker vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld.
+Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld aan.
+
+"Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken, nog 'n koartierken binst
+da we 't scheun weer hen, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche,"
+porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen dag op de gebogen
+ruggen had gebrand, reeds lang in haar apotheose-luchtkasteelen van
+roode en gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden
+horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten man bleef hij gebukt en
+zweetend sikkelen, soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't
+uiterst hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren van vuur en
+bloed scheen neer te maaien. En lang reeds zaten de anderen etend om de
+avondtafel, als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook
+eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe begon te slurpen.
+
+En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor
+zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik
+steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen,
+door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding,
+in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren;
+en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede,
+gruwelijke scene in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht
+opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook
+maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen
+sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het
+Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel
+of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat
+hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in
+de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij
+haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch
+deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar
+onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs
+niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof
+hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde,
+barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen
+had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra
+alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk.
+
+En toch... toch was ze zoo bang!--Telkens had ze 't akelig voorgevoel
+dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en
+barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets
+vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts
+met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou
+wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste
+aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets
+zijn... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan
+plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren.
+
+Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu
+hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeer leek dan vroeger. Hij zag er
+slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken
+uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat
+en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van
+zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen,
+voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets
+willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar
+wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde
+hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel?
+Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?"
+Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het
+kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar
+ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem
+angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde
+eindelijk los zou barsten.
+
+Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn
+pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had
+verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en
+Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte
+Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer
+verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die
+doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even
+door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij
+ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't
+werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien
+zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis
+was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering
+hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader
+en moeder en Miel thuis bleven wachten.
+
+Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde
+houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar
+gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht,
+doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen,
+donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande
+hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch
+ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het
+helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende
+ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten.
+
+Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een
+bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De
+kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de
+beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had
+last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit
+zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn
+morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote,
+stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij
+voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en
+zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag
+leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder
+schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend
+armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn
+nestje zal gaan vliegen.
+
+Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde
+teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit
+de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij
+'t toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op
+het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde,
+de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een
+droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms
+zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo
+kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of
+van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in
+haar op.--Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie
+hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.--Daar
+zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu
+doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen
+dat niemand van haar thuis nu nog zou komen....
+
+Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de
+openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna
+hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van
+blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een
+lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de
+onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken
+en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje
+wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals
+uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie
+schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af.
+Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje
+zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.--Smul liep langzaam
+slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek.
+
+Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend
+naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht:
+"hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit
+'t dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een
+groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide
+stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed:
+
+"Scheun weer, he?"
+
+"'t Es pertijkelier!"
+
+Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar
+vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en
+vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen,
+daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er
+hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme
+avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje
+buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen
+zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis
+toetreden.
+
+Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar
+twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers
+elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij
+zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig
+weer weggaan.
+
+Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt.
+
+"'t Es woarm, he, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze,
+ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van
+emotie krijgend.
+
+"Merci, 'k 'n he gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet,"
+antwoordde hij kortaf.
+
+Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en
+betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en
+dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking.
+
+"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend.
+
+Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel,
+vlak voor haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het
+tafeltje en keek haar strak en vorschend aan.
+
+"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n
+kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?"
+
+Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het
+zoolang gevreesde komen.
+
+"Woa... woarom datte?" beefde en stotterde zij.
+
+"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij
+met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend
+is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn
+gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht
+terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas of
+knecht."
+
+Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden.
+
+"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust
+van wat ze zei.
+
+"'K ben knecht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier
+giene knecht mier blijven. 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij
+hirtreiwen, of ik hier wig."
+
+Daar was het groote woord gezegd, dat wat ze bovenal vreesde. Het stond
+ineens voor haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er
+van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een
+kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een
+sterk besluit:
+
+"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet ...
+Alfons ... mijn kinderen ... o nie nie, noeit, noeit!"
+
+Als door een veer bewogen stond hij op.
+
+"Al gezeid.--Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien
+doagen."
+
+En voor ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit.
+
+Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het
+raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en
+vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp.
+
+"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van
+ontroering.
+
+Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken voor haar voeten steeds te
+knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag
+Marietje in haar wieg te jubelen....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXVI.
+
+
+Smul had zijn dienst opgezeid!--Dat was het groote, dadelijk alom in de
+buurt verspreide nieuws van den volgenden ochtend. De pikkers en
+bindsters op den akker spraken elkander met verbazing aan; Meleken, die
+om acht uur met de boterhammen en de koffie op den akker kwam, werd
+dringend ondervraagd en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder er
+eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken juichte onverholen,
+met glinsterende oogen lachend in zijn gelen baard, als voor een heel
+goede, blijde tijding.
+
+Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken. Zij durfden niet,
+ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid die op de tongen kittelde.
+De kerel zag er ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij zag er
+naar uit om bij de minste toespeling geduchte klappen uit te deelen. Hij
+was de afgemaaide droge roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij
+met paard en wagen om den hoek van 't stoppelland verscheen, hielden de
+drukke gesprekken plotseling op en werd de vracht in doodsche stilte
+opgeladen. Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw zweepend op zijn
+beest, of dadelijk begon het weer: zij staken de hoofden samen,
+babbelden en lachten en maakten eindelooze onderstellingen over de
+oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou gebeuren.
+
+"Hij he hem 'n bleiwe scheene geleupen!" beweerde de een.
+
+"Z' he hem zelve wiggezonden!" meende een tweede.
+
+"Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!" veronderstelde een
+derde.
+
+Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan dat Smul wel degelijk
+een blauwtje had geloopen; en elk oogenblik haalde hij in zijn
+uitgelaten, wraaklustige pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet
+zijn sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend en jankend
+in 't ronde, de beide handen wrijvend aan zijn scheenbeenen, jammerend
+dat hij ergens tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars en blauw
+zagen. En 't gansche troepje viel daarop luid aan 't schaterlachen, het
+werk stond stil en allen deden om het dolst, tot het daverend geratel
+van Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren en allen, nog
+steeds vol ontzag en vrees voor hem, haastig weer over de schoven en in
+'t neerritselend koren bogen.
+
+Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't Was volop in den oogst
+en na den oogst kwam haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze
+hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder ontboden en haar het
+gebeurde meegedeeld; maar hoe moeder ook over die zoolang door haar
+gewenschte oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel gemakkelijk een
+anderen, goedgeschikten paardenknecht zou vinden, zij vond er juist
+geen. 't Was ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken tijd.
+Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner, goed of slecht, was
+op dat oogenblik meer vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke
+beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen, maar natuurlijk niet
+voor lang, want zij waren nu thuis ook broodnoodig.
+
+En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul
+zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was
+radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken
+naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot
+na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet
+te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij
+wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar
+iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te
+wisselen.
+
+Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met
+zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar
+'t dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten
+even, maar toen hij daar om half-een nog niet was, at Rozeke zonder hem,
+met Meleken en met Vaprijsken.--Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij
+zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon
+geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel
+bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden
+had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week,
+denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en
+er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou
+hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't
+allerdringendste te helpen doen.
+
+Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch
+getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou
+dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die
+er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de
+laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en
+zooals Smul na hem ook had gedaan.
+
+Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de
+concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve
+zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij
+betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af?
+Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo
+zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij,
+het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden
+zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet
+kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die
+nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige
+verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar
+onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en
+rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens
+in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't
+dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in
+den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie
+wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis
+om op de kinderen te letten.
+
+Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok
+meteen de velden in.
+
+Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote,
+vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar
+reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange,
+lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in
+roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun
+miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch
+klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig
+opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun
+rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in
+zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche
+velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers
+uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en
+lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en
+rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden
+avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die
+den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo
+prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo
+verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange
+schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust,
+vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen
+opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al
+die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht
+ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie
+had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt,
+haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om
+ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van
+dichtbij na te gaan.
+
+Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter
+dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den
+ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een
+versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders
+en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig
+naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met
+gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al
+haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte,
+roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar
+verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook
+er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet
+veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij
+was een uitmuntende stalknecht.
+
+Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden
+koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar
+ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een
+moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde
+haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis,
+terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een
+trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke
+boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche,
+dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.
+
+"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste,"
+sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar
+begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een
+ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn
+krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje
+suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in
+een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op
+en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet
+het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog,
+hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat
+tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde
+goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een
+tweede deur in de schuur.
+
+Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en
+de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge,
+stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar
+verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote
+hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als
+een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo
+welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en
+gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde
+bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er,
+in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij
+plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in
+verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de
+weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar
+wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren;
+zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer
+verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en
+schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te
+gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte
+voor haar oprees.
+
+"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug.
+
+'t Was Smul!--Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats
+te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken,
+alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel voor
+zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar
+af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem:
+
+"Wat komt-e gij hier doen?"
+
+"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde voor
+haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed;
+ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te
+zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde
+naar de deur, om weg te komen.--Zij strekte hare handen uit, struikelde
+en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware
+platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met
+een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna
+bijtend op haar lippen perste.
+
+"Ivo! los!--Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon.
+
+Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover,
+in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en
+plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.--'t
+Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen
+kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven....
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+
+Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets
+met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was
+verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo
+vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen
+maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling
+was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad,
+opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het
+vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was
+neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar
+belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de
+baron, alles, alles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en
+bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en
+dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar
+dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het
+huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle
+intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet,
+om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher,
+die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een
+woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om
+haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos
+slachtoffer in zijn bezit genomen had.
+
+Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar
+voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn
+vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid
+van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het
+alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich
+onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom
+holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele
+buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?--Neen,
+niets.--Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij
+keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk
+weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.
+
+"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K he hem doar op 't hof zien
+leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste
+moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm: antwoordde:
+
+"Joa, 'k he hem euk gezien. Hij es zeker zat?"
+
+"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij
+om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?"
+
+Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het
+haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen.
+
+"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd.
+
+"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom
+ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hen; hij...." Zij beet
+op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje
+aan.
+
+"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?"
+
+"Joa joa, zeker, goa moar."
+
+Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen.
+Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in
+haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning.
+
+"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar
+schoot te klauteren.
+
+Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte
+aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en
+strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen voor zich uit,
+terwijl zij riep met heesche stem:
+
+"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es
+vuil!"
+
+Het dienstmeisje kwam weer in huis:
+
+"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n
+het om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas
+bier wille brijngen."
+
+"Brijng het hem," zei Rozeke.
+
+"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?"
+
+"Joa, 't es goed."
+
+Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het
+roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp
+van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en
+zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het
+eten voor een beest.
+
+"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hen," kwam Hilairken zaniken.
+
+Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af
+en gaf het aan den bengel.
+
+Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden
+zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de
+hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en
+weer ging ze roerloos-stom voor 't venster zitten, als op een vreemde
+plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer
+kende.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXVIII.
+
+
+Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't
+boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was
+slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles
+omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het
+nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag
+weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn,
+maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn
+halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde,
+zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te
+vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in
+vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem
+zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de
+onmogelijkheid van zijn vertrek.
+
+En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo
+vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet
+verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle
+kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde,
+iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat
+gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek
+wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon
+geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd
+in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een
+nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen
+en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden.
+
+Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke
+werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want
+zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was
+niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog
+iets gezegd werd, zonder dat nog iets,--zij wist niet wat--gebeurde.
+
+'t Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke
+was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van
+haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek.
+Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan?
+
+De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed.
+Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog
+alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam
+kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe,
+diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst
+sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer
+in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van
+lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en
+worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles,
+o, alles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht
+geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren
+nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij
+voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij
+hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet,
+zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet
+doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag
+ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar;
+zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange
+sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen
+in elkaar.--Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte....
+
+Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul voor haar. Met een
+schorren angstkreet sprong zij op:
+
+"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?"
+
+Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel
+even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn
+koude, grijze oogen haar aan.
+
+"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K he espres gewacht tot da g'
+alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen."
+
+"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de
+beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam
+als tot zelfverdediging gespannen en gestramd.
+
+"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof.
+
+"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen
+houding.
+
+Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij
+grijnslachte; maar eensklaps kalm:
+
+"'t Es goed; betoal mij dan.--'K goa morgen wig."
+
+Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar
+stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij
+bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en
+alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van
+zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest
+verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan.
+Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij
+antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en
+als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de
+kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de
+duisternis van de keuken alleen liet.
+
+Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde
+zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast
+nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar
+eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies
+en in een woeste pranging haar omknelde.
+
+Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en
+kreet dof:
+
+"Zwijgt, of ik vermeurd ou!"
+
+Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in
+een hoek.
+
+Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak....
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+
+Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende
+oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den
+grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde,
+doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer
+lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen
+vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend
+overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de
+kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten
+huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het
+land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen... op
+een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk:
+het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat
+was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was
+de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de
+stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een
+gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het
+rood-oplaaiend vuur?--Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met
+hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel
+familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren
+allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had
+haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het
+hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch,
+Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan
+hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wel
+gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu
+niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging
+uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende
+aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en
+vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en
+was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er
+veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep
+openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het
+kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken.
+Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog,
+pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven
+was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders
+boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van
+haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang,
+van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van
+walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor
+'t bestaan van hare kinderen!
+
+'t Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis
+bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige
+kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met
+Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling
+en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat
+toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde,
+dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd
+"proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever
+in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het
+alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die
+hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich
+heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den
+misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op
+'t oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts
+of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe
+ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop
+kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar
+hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons'
+sterfbed!
+
+En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de
+herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't
+geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch
+alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar
+haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen
+zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul
+voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd
+gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.
+
+Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel;
+en toen de maaltijd geeindigd was, trok zij weer haar gewone
+dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om,
+terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel
+zaten.
+
+Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege
+schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de
+stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de
+merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard
+heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de
+zijne waren.
+
+Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den
+drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware
+hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en
+wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje,
+dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd
+geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van
+het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons,
+die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte
+had opgedaan.--O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel
+klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het
+naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een
+doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een
+zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij
+huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen
+omwasschen...
+
+De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en
+kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en
+weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.--'t Werd avond, vroege,
+droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.--Nog
+steeds was hij met de mannen uit.--Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den
+drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den
+omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit
+de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den
+langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens
+in een schuur.
+
+Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren
+reeds slapen gegaan....
+
+Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende
+voetstappen en rilde van afkeer en angst.--Hij opende de deur en deed ze
+weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond.
+
+Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos
+uit.--Zij rilde, rilde ... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende
+lucht van tabak en drank die om hem heen walmde.
+
+Toen kwam hij bij haar....
+
+Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede
+huwelijk....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XL.
+
+
+Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring,
+waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger
+jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet
+wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast
+vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk
+aldus voorspeld en geschikt was.
+
+Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig
+opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te
+nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op
+haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en
+verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand
+van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den
+sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld
+noodig had moest ze 't hem voortaan vragen.
+
+Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als
+bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een
+knecht of meid, met een "he!" of een "hier!" zooals men tegen een hond
+spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op
+haar.
+
+Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar
+den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de
+keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds
+op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.--Even na
+vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet
+zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en
+slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging
+weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en
+reed weg naar den akker.
+
+Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede
+ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast
+een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins
+goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort
+van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De
+kinderen waren dan op en kwamen hem "goen dag" wenschen, hem "voader"
+noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goen dag"
+terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van
+te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld,
+waar hij tot twaalf uur bleef.
+
+Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de
+gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken,
+bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond
+gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan
+weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed.
+
+'s Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar
+de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk
+en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen
+twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar
+jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand
+een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen.
+Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even
+naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de
+kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef
+drinken en spelen.
+
+Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLI.
+
+
+Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het
+van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn
+ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij
+weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet
+schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf
+en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar
+dien zelfden middag greep een heftige scene plaats en, voor het eerst
+sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem.
+Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige
+knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had
+Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul
+hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en
+daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar
+'t hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide
+mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot
+verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op
+haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke
+sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken
+was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds
+met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie
+zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen
+en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te
+slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.
+
+Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen
+en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen
+hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging
+kort, ruw en vlug, als een weerlicht.
+
+Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en
+daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een
+krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn
+bord met eten tot scherven op den vloer.
+
+--Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend,
+in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging.
+
+Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't
+gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond.
+
+De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel,
+de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een
+reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al
+zijn kracht.
+
+Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt,
+die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar
+doodsbleek gelaat.
+
+"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij
+nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste
+gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en
+sloot de deur achter zich met den grendel.
+
+Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen,
+poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling
+los te worstelen.
+
+"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't
+hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da
+'k heur de kop in sloa!"
+
+Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en
+hijgde, bedarend-kalm:
+
+"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge
+moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!"
+
+Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en
+vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem
+vragen of hij iets anders wilde eten.
+
+"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar
+in 't gezicht.--En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis
+en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om
+nog meer te drinken.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLII.
+
+
+Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling in Rozeke's
+gemoed. Haar vroegere angst voor hem veranderde eensklaps in haat, en
+die haat gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees nog steeds
+verminderde.--Hij had haar nu eenmaal mishandeld en hij zou haar zeker
+nog meer mishandelen, haar en wellicht ook haar kinderen; het was geen
+onbekende dreiging meer, die haar als een voortdurend-onheilspellend
+raadsel boven 't hoofd hing: de slag had haar getroffen als een
+bliksemstraal, maar nu wist zij wat haar verder ook te wachten stond en
+nu kon zij middelen beramen om zich te verdedigen.
+
+Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een beuzelarij, toen hij
+dronken uit het dorp terugkwam. Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel
+en Meleken vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren toestand op
+den grond gesmakt, keek hem met groote, sombere oogen aan en zei geen
+woord noch slaakte een kreet.--Alleen haar oogen, haar starre, sombere
+oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen wilden met de ongezegde woorden
+die zich plotseling in haar brein vastspijkerden: "Ik wenschte dat ge
+dood waart!"
+
+Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar eenige hoop, haar eenige
+troost, de eenige sterke kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte
+en verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen naar iets zachts
+en teeders, dat slechts door heel veel moeite, na langen tijd en groote
+opofferingen kan verdiend en verkregen worden. Het werd haar geloof en
+haar steun, haar vaste zekerheid waarop zij bouwen kon, omdat zij
+instinctmatig voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren; 't
+werd als de stille, door haar alleen gekende lofzang der verlossing; als
+de geheime, in ondertoon gehouden rythme van al de innigste gevoelens en
+verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.--En niet alleen meer als
+hij haar mishandelde, maar voortdurend, zonder dat er iets gebeurde:
+wanneer hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige dingen toesprak;
+wanneer hij zat te eten of te drinken; wanneer hij zelfs eenvoudig in of
+uit het huis ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend
+ruischte dof en somber in haar binnenste de halsstarrige rythme: "Ik
+wenschte dat ge dood waart!"--Zij werd met die gedachte wakker en zij
+sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts dat hij naast haar dood
+lag. Zij werd half wakker in haar droomen, haar hart joeg snel, zij
+voelde zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde en de
+illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood en zij was verlost; zij
+strekte bevend hare hand uit en betastte hem... maar hij bewoog en
+knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde, omdat haar hoop slechts
+een bedriegelijke schijn was en zij hem nog steeds levend voelde.
+
+Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje, ellendig klein
+schepseltje met stokkerige, schrale beentjes en een misvormd hoofd. De
+dokter verborg haar niet dat het erg zwakjes was en slechts met heel
+veel zorg en moeite in het leven zou te houden zijn. Rozeke weende.
+Waarom was het ook maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven?
+
+Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die dagen. Hij liet haar
+maar liggen en zag ook naar zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker
+was aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond Meleken naar haar
+ouders om hen te laten weten dat het kind geboren was en te vragen of ze
+niet eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet komen en Meleken
+bracht de boodschap terug dat niemand van haar huis zich wagen zou.
+"Ware hij maar dood, dan zouden ze wel komen", dacht Rozeke. En zij
+besloot zelve weer naar hen toe te gaan, wat er ook gebeuren mocht,
+zoodra als zij er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar
+nieuwen moed en sterkte.
+
+Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke weer op de been was, kwam
+de jonge barones haar eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar
+tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen haar had te weeg
+gebracht, had Rozeke de lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet
+teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning. Haar
+gezicht was mager en betrokken, haar vroeger zoo frissche, levende
+gelaatskleur had een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden
+mengden zich reeds in de donkere haren. Haar oogen stonden dof en
+ernstig onder gepijnigd-saamgetrokken wenkbrauwen; zij was geheel in 't
+zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven najaarsmiddag, jaren
+geleden, toen Rozeke haar in 't kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke
+kreeg plotseling in haar geest de sombere visie van een lijk behangen
+met een zwart doodsgewaad en zilveren franjes.--Want zij wist het wel,
+helaas! zooals eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig in haar
+huwelijk en leefde, feitelijk van haar man gescheiden, met haar zoontje
+bij haar ouders op 't kasteel.
+
+De barones keek naar 't ellendig wichtje in de wieg en zuchtte. Toen
+vroeg ze plotseling, met somber-saamgetrokken wenkbrauwen:
+
+"Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?"
+
+Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed van vuur, over Rozeke's
+ingevallen wangen en met een uitdrukking van schrik in de oogen staarde
+zij haar vriendin strak aan.
+
+"Joa 't," zuchtte zij dof.
+
+De barones had een gebaar van verontwaardiging en opstand.
+
+"De schurk! Waarom laat gij u van hem niet scheiden!" riep zij.
+
+Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet wetend wat
+geantwoord.--Scheiden!--daar had ze niet eens aan gedacht, daar dachten
+menschen van haar stand niet aan.
+
+"Dat zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem spreken?" riep de
+barones gebiedend opstaande.
+
+Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.--"O, mevreiwe!" kreet
+zij. En zij wilde zeggen: "doe 't niet; hij zal mij doodslaan!"... Doch
+iets sterker dan haar schrik weerhield haar, smoorde de woorden in haar
+keel.
+
+"Hij es op 't land, mevreiwe," zei ze werktuigelijk, met toonlooze stem.
+
+"Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar hier doet komen," beval
+de barones.
+
+Meleken werd naar 't veld gezonden en na een poosje keerde Smul met haar
+terug.
+
+"Loat ons alliene," zei Rozeke tot het meisje.
+
+Meleken ging weg.--Smul stond voor zijn jonge meesteres, den blik valsch
+en wantrouwend, de pet tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er
+onraad was.
+
+"Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt gij uw vrouw?" vroeg de
+barones, abrupt--hoogmoedig en minachtend, met gefronste wenkbrauwen op
+hem neerziende.
+
+Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden. Hij keek even op naar
+Rozeke, met rechten, starren, kouden blik, een blik die haar deed ijzen;
+en dan ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl zijn lippen
+bewogen als om iets te zeggen dat er maar niet uit wilde.
+
+"Welnu?" drong zij ongeduldig, stampvoetend aan.
+
+"Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huishouens al wel e-kier wa
+scheelt," antwoordde hij eindelijk, met inspanning.
+
+De jonge barones kon haar toorn en minachting moeielijk bedwingen. Haar
+bovenlip krulde zich even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en
+dreigend:
+
+"Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar in de gevangenis.
+Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw tegen wil en dank genomen, en nu durft
+gij haar nog slaan.--Dit is de eerste en de allerlaatste keer, dat ik u
+waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat gij haar mishandelt zult gij niet
+met haar, maar met mij af te rekenen hebben.--Begrepen? Allez!" En met
+een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond naar de deur.
+
+Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet eens meer aan. Geen spier
+bewoog zich op zijn barsch gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog
+even dien harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed huiveren.
+Hij keerde zich om en stapte naar de deur.
+
+"G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?" riep de barones, hem nog
+eens uit de hoogte na.
+
+Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met geweld sloeg hij de deur
+dicht; en buiten, voor het raampje, zagen zij hem, als uit minachting,
+naar het huis toe spuwen.
+
+"Voortaan zal hij zich wel in acht nemen," meende de barones.--En zij
+bleef nog een poosje, in gedrukte stemming, met Rozeke praten.
+
+Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam met vluggen, vastberaden pas,
+over den boomgaard aangestapt. Rozeke beefde. "Zou hij nu reeds
+durven...?" Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis en beval het
+meisje dringend met de kinderen bij haar te blijven.
+
+Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend naar Kamiel, die in de
+schuur aan 't dorschen was.
+
+"Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen bij boer Lauwe om
+zijn sjeeze vroagen en brijng ze mee."
+
+"Wa goat hij doen?" vroeg Rozeke zich angstig af.
+
+De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en liep haastig door het
+hek, terwijl Smul naar het woonhuis toe kwam.
+
+"Och Hiere," dacht Rozeke doodsbleek en bevend, nu zal hij mij slaan,
+mij doodslaan." Zij deed Hilairken en Marietje in een hoek achter 't
+tafeltje zitten en klampte haar rechterhand aan de wieg van het
+kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens schort
+vastgreep.
+
+Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan te zien noch een woord te
+spreken, ging hij naar hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk
+de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend stonden de vrouwen
+te beven.
+
+Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was; zij hoorden gerinkel
+van geld.
+
+--Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan? wa goat hij doen?"
+fluisterde zij tot het dienstmeisje.
+
+Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't gissen?
+
+Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw kwam moed en
+weerstandskracht in haar. Zij keek even om naar Hilairken en Marietje,
+die zich doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje hielden,
+vaag-bewust dat gevaar hen dreigde.
+
+Na enkele minuten ging de deur weer open en Smul verliet de kamer, op
+zijn zondagsch gekleed, 't gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar
+nogmaals sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een blik naar haar; in
+een ruk was hij buiten en liep naar de stallen, terwijl Kamiel, als een
+paard tusschen 't lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees door het hek
+kwam.
+
+Hij volgde Smul in den paardenstal en samen haalden zij de merrie eruit
+en spanden in. Ruw trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het
+achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen steigeren; en
+plotseling, zonder eenige reden, begon hij op de merrie te vloeken en te
+schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en wreede oogen van
+verwildering openspalkte.
+
+Met star-sombere blikken van schrik en haat zag Rozeke roerloos door 't
+venster toe. "Het arme beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de
+slagen," dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen in haar oogen en
+haar lippen trilden, terwijl de diepe stem van haar innigste wezen
+verontwaardigd beefde:
+
+--O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da ge deud woart!"
+
+Het paard was aangespannen. Hij wipte in de sjees en onder kletsende
+zweepslagen joeg hij van 't erf, zoo wild, zoo ruw, dat het rijtuig
+tegen een der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde. Als in
+een helsche vlucht zag Rozeke het in den modderweg verdwijnen. Kamiel
+stond het even, als van schrik geslagen, na te staren en keerde
+eindelijk hoofdschuddend in de schuur terug.
+
+De middag verliep, de mistige najaarsavond viel vroeg in en Rozeke zat
+doelloos voor het venster, met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam,
+verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende kinderen om
+zich heen. Alles was rouw en smart, het leven werd haar onverschillig,
+het was zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid als de
+loodzware hemel, die daar buiten alles drukte en omgrijsde met zijn
+logge rouwfloersen van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't leven?
+Haar teergeliefde man, haar ouders, haar broeders en haar zuster, haar
+beste kennissen en vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen,
+dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en zelfs haar kinderen, het
+eenige wat haar nog aan de wereld deed hechten, verloren hun
+vroolijkheid en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien ruwen,
+vreemden, akeligen man, die alles om zich heen vernielde en dempte. 't
+Was als een vloek die op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat,
+van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam wegkwijnen en
+sterven, in al te overweldigend-zware onderdrukking van het onmeedoogend
+noodlot.
+
+Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen duisternis zuchtend
+opstond om het avondlampje aan te steken en haar kinderen naar bed te
+brengen, kwam een reusachtige, sombere gedaante, met een woestheid van
+orkaan, als een verschijning in een nachtmerrie, den boomgaard
+opgestormd.
+
+De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend, de flanken jagend, met
+een breede, donkere bloedvlek op de linkerschoft, sleepend, in een
+kluwen van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan stukken
+gesplinterde draagboomen van het lemoen, het eene kort als een afgehakte
+stomp, het andere lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm,
+wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende weerlichten door
+donkere onweerslucht.
+
+Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten.
+
+Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard bij den breidel
+vastgegrepen.
+
+"Bezinne!" schreeuwde hij als uitzinnig, "bezinne! bezinne! d'r es 'n
+ongeluk gebeurd!"
+
+"Och Hiere! och Hiere! och Hiere!" riep Rozeke met doffe kreten. Maar
+zij dacht nauwelijks aan hem, die wellicht ergens dood of stervend met
+'t verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en besefte alleen de
+ramp zooals ze die daar akelig en rauw voor haar oogen zag; 't lemoen
+aan splinters, het arme, doodgejaagde beest bloedend en met schuim
+bedekt, met het onheilspellend geheim van wie weet nog wat al rampen,
+die het op zijn dolle, wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt
+had.
+
+"Hij zal deud zijn, bezinne!" snikte de jongen.
+
+Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps bijna kalm; alleen de
+vrees voor andere ongelukken beangstgde haar.
+
+"Verzorgt die oarme bieste," zei zij met bevende stem. En met Meleken,
+die ook toegesneld was, liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar
+voelde naderen te gemoet.
+
+Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis aangeloopen. Zij hadden
+'t paard met het verbrijzeld stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen,
+hooren, kijken.
+
+Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit de richting van het dorp.
+
+"Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es wried geschonden! Ze
+brijngen hem op 'n berrie!" hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen.
+
+Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere van den killen avond.
+De menschen slaakten een "hoo!" van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef
+koud en kalm.
+
+"'t Is zijn eigen schuld," dacht zij. "Hij heeft het arme beest
+mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld hebben, had hij nog
+gedurfd." En zij bleef met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden
+menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met oogen zonder tranen,
+alsof het haar niet aanging. Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog
+langer in den killen avond stond te wachten en 't prikkelde en verveelde
+haar, dat steeds meer menschen kwamen opdringen, en haar nieuwsgierig
+ondervraagden, en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden
+heen en weer renden. Zij kon het eindelijk niet langer uitstaan en ging
+met Meleken weer binnen.
+
+Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos, zonder de blinden te
+sluiten. Zij zei enkel aan Meleken dat zij water en linnen doeken zou
+klaar maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen, die rumoerig in
+en uit het huis liepen en van al die ongewone drukte niets begrepen. Zij
+riep ze voor goed binnen en bracht ze naar bed.
+
+Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos mee bezig; en toen
+ze reeds rustig onder hun dekentjes lagen, bleef ze nog bij hen in 't
+kamertje vertoeven alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling
+Meleken de deur opende en met heesche stem fluisterde:
+
+"Bezinne, ze zijn d'r doar mee."
+
+Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes van de keuken zag
+zij, in den grauwen mistavond, een donkere stoet den boomgaard opkomen:
+Twee mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt; en daar omheen
+een dichte, stille, zwarte menigte, dof-trappelend en stommelend als een
+kudde. Een man met een brandende lantaren stapte ietwat terzijde
+vooraan.
+
+De voordeur was open en zij kwamen binnen. Als in een droom hoorde
+Rozeke het schuren van de voeten en het dof gefluister van de
+menigte.--Als in een droom kwam zij genaderd.--De mannen zetten de
+berrie neer; en bij het gele schijnsel der lantaren zag ze hem daar
+machteloos onder een deken op een matras uitgestrekt liggen: het hoofd
+akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en bebloed, de oogen toe, de
+ademhaling zwak en reutelend. Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met
+droge oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't deurgat op. Zij zag
+de vele, nieuwsgierig-reikhalzende hoofden met de open monden en de
+groote, donkere, gretig-kijkende oogen.
+
+"Woar moet hij zijn, bezinne?" vroeg fluisterend een der dragers.
+
+"Doar, op de voute," antwoordde zij dof.
+
+De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen en een heer schreed ruw
+en haastig, met ernstig gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de
+dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had. Hij vroeg dadelijk om
+water, pluksel, en linnen voor verbanden. Hij liet de deur tegen de
+opdringende foule sluiten en volgde de mannen met de berrie op de
+voute-kamer.
+
+Rozeke volgde hem.--Haar beenen waren slap; haar handen koud en klam als
+ijs. Doch haar hart sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie.
+Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en 't ruischte in haar
+ooren, benauwend en verdoovend als stond zij bij een waterval.
+
+De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem niet. Met strak-stuggen
+blik van niet-begrijpen staarde zij hem aan.--Ongeduldig wendde hij zich
+tot Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLIII.
+
+
+Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren
+gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij
+langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en
+voor het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in
+denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had
+gesleten.
+
+Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar
+gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door
+den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een
+boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.
+
+Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak
+gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak
+hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch
+werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of
+drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij
+zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien
+middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist
+enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de
+straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij
+herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.
+
+Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij
+leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam
+maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij
+nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon
+voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in
+al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold
+en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar,
+vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor
+de sterkste nu. Zij had maar een vrees: dat hij nog verder zou genezen
+en weer in vlugheid van beweging haar de baas worden. Doch daar was
+weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet
+ontsnappen; zij moest wel bij hem blijven dan en dat was haar een
+onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer
+als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op
+elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"
+
+Maar 't werd een sleur en ook dat vlijmend gevoel van walg en opstand
+ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing
+door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen,
+als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.
+
+Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een
+kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer
+onder.
+
+Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren
+midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even
+naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet
+terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer
+naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig
+aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de
+herbergjes van het gehucht gedronken had.
+
+En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld
+door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar
+daarna moest weer een kind geboren worden.
+
+Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon
+haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het
+noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld
+worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien
+boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man
+dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook
+niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuzien
+waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende,
+zegenende godheid meer.
+
+Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve
+dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn
+boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net,
+werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep
+gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens
+opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de
+schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het
+te druk, het kon haar niet meer schelen.
+
+"Ach, zoo moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op
+een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot
+de tranen er door ontroerd werd.
+
+"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide
+zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.
+
+De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de
+opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst
+wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer
+dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar
+weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich
+beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden
+schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo
+wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen
+woorden konden uitdrukken.
+
+Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn
+toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester
+Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een
+kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de
+nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLIV.
+
+
+Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed
+ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden
+in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen,
+het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien
+zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon
+hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had
+het kind en van hem hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel
+oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting
+van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest;
+niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op
+voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht
+met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van voor zijn huwelijk
+hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen
+mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder
+ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een
+brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en
+vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en
+knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar
+onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.
+
+Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat
+ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.
+
+'t Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het
+groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in
+purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met
+een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat
+terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag
+Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch
+in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen
+tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke
+vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje
+met elastieken banden.
+
+Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in
+haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd
+en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't
+hoevetje gezien had!
+
+Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones
+lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke,
+verteederde stem:
+
+"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt
+bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke
+naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en
+bescheiden, even wegging.
+
+"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar
+ontroering te verbergen.
+
+"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En
+zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:
+
+"Dat zijn mijn beenen nu."
+
+"Ge moet koeroage hen, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel
+beteren," poogde Rozeke te troosten.
+
+Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere
+schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen
+schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst
+van hun holten en zij zuchtte:
+
+"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en
+volkomen, maar te kort, te kort...."
+
+Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij
+elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die
+droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in
+haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen
+kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen voor
+haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen
+hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het
+rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige
+rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de
+boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede,
+een bonte kudde vee en paarden. Het kon niet schooner op de wereld en in
+die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een
+wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.
+
+"Hij he ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met
+aarzelende, matte stem.
+
+"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar
+hoofd op haar magere borst.
+
+Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin
+wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en
+duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde
+onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een
+poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren
+ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een
+vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje
+hooren.
+
+"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.
+
+Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren
+en zij antwoordde berouwvol:
+
+"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"
+
+Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar
+gebogen hoofd:
+
+"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij
+nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij
+en ik voelde mij gelukkig."
+
+Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de
+barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart
+gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en
+zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind
+kwamen naar de bank toe.
+
+"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei
+de jonge barones.
+
+Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main,"
+zeide zij.
+
+Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit,
+meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere,
+lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje
+glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij
+verder.
+
+"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje
+rhododendrons verdwenen waren.
+
+Rozeke aarzelde.
+
+"Zeg het maar; op hem, niet waar?"
+
+"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."
+
+Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn
+vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde
+mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van
+de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp
+aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed
+bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de
+nonnetjes in 't klooster.
+
+"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones.
+"Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan
+komen."
+
+"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de
+grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in
+tranen uitbarstend.
+
+Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een
+zacht gebaar weer tot bedaren.
+
+Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen
+van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in
+'t wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden
+reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds
+Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees
+kwellend weer in haar op.
+
+"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu
+de barones vriendelijk toe.
+
+De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid.
+Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het
+wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En
+duwend reed zij de patiente langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes
+onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee
+knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te
+dragen.
+
+"Zult ge mij nog eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht
+glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.
+
+"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere
+bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de
+stem.
+
+De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode
+vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij
+zelve snikkend heenging....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLV.
+
+
+Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar
+weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet
+meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij
+spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van
+beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor
+geen van beiden had verwezenlijkt.--En toen was 't uit, de grijze dood
+stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid,
+zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als
+een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles
+was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door
+het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging
+daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.
+
+Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die
+wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in
+angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.--En
+eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de
+driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ...
+bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.
+
+"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die
+bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar
+het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar
+hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit
+hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden
+steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar
+ongelukkig jong leven.--De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en
+treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels
+en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou
+buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in
+vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de
+heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige
+jonge vrouw.
+
+Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar
+vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een
+sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht
+geruisch van rokken en voor haar stond de donkere gestalte van het
+stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den
+zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van
+blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als
+in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij
+aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.
+
+Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij
+eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de
+fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere
+bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel
+brandden; en eerst toen ze voor 't bed stond zag zij haar geliefde
+jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne,
+wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe,
+het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders
+golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst
+gevouwen.--O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om
+haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen,
+die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren
+wierook rondom haar ten hemel stegen.
+
+Rozeke was met gevouwen handen voor het doodsbed op haar knieen gezonken
+en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer
+dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte
+boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen
+stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en
+Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de
+lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen,
+naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in
+duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't
+stille nonnetje begeleid.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVI.
+
+
+In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met tranen van zalige
+ontroering, haar schitterende huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu
+haar plechtige begrafenis bij.--Daar lag ze, als van marmer,
+onbewegelijk in haar kist, wit als het doodskleed dat haar bedekte, de
+oogen toe en de handen gevouwen, met haar schoone donkere haren in twee
+zware vlechten op haar schouders. Daar lag ze, op de zelfde plaats, waar
+zij, jaren geleden, in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid,
+van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan van hem die haar
+eeuwige trouw en liefde gezworen, maar haar zoo schandelijk bedrogen en
+gedood had; en de zelfde priesters die destijds lofzangen van geluk en
+vrede aanhieven, zongen nu de plechtige treurzangen van het eeuwig
+afscheid over haar koud en roerloos lichaam.
+
+En Rozeke, verscholen in een hoekje van de kerk, achter de talrijke,
+donkere rouw-menigte van verwanten, vrienden en kennissen, weende,
+weende.... 't Was of haar gansche wezen weg zou smelten in haar tranen,
+'t was of ze 't laatste van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen;
+er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst; alles, alles
+leek nu dood en in de koude aarde voor altijd begraven; en snikkend
+strompelde zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering,
+gebogen en geknakt als een oud, versleten vrouwtje, langs de eenzame
+wegen huiswaarts.
+
+Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van haar levensleed en
+ondergang, zooals die andere man, op zijn manier, de oorzaak was geweest
+van al het lijden en den dood harer vriendin. En een onuitsprekelijken
+haat en walg kwam in haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde
+de oogen van hem af en zij had alle moeite om hem niet, trillend van
+toorn en verachting, de wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die
+haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen: "waarom ligt gij,
+schurk, nu niet in 't graf in plaats van haar!"
+
+Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn hoek gezeten, staarde
+hij haar aan; en plotseling hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige
+vijand-stem, die schimpend vroeg:
+
+"Hawel, hoe es 't gegoan? Hen z' heur in de put gekregen? Zit ze 'r in,
+joa? En komt ze 'r nie mier uit?"
+
+Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig misprijzen. Zij was
+niet bang meer voor hem; voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij
+haar mantel af en ging hem in de kamer weghangen.--Hij dronk ineens zijn
+borrel leeg en slaakte dof een vloek.
+
+"Hawel, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?" gilde hij ruw, toen ze
+na een poos weer in de keuken kwam. "He-je nie g'heurd wat da 'k ou
+gevroagd he?"
+
+"'K'n verstoa ou niet," antwoordde zij koel, kalm, uit de hoogte. En zij
+ging naar het venster, bij de wieg, waarin haar jongste kind lag.
+
+"Ha! ge'n verstoa mij niet!" riep hij, eensklaps dreigend, met
+fonkelende oogen overeind gerezen.--"He-je 't geld mee? Verstoa-je
+datte?"
+
+Strak keerde zij zich om en keek hem aan.--'t Geld!... wat bedoelde
+hij? Hoe wist hij? Wie had hem gezegd...?
+
+Hij grijnslachte nijdig: "Haha! ge mient da'k van niets 'n wete! Ge
+mient da 'k niet 'n wete da g'in heur testament stoat! Nondedzju, ge zij
+mis, zille! 't Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!"
+
+Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende angst en ontzetting
+aan. Hoe wist hij? wie had hem kunnen zeggen...? Maar hij wist het,
+zooveel was zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling
+woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand en nam ze 't
+onverbiddelijk besluit hem nooit iets van het geld te geven, nooit,
+nooit, wat er ook gebeuren mocht.
+
+"'K 'n he 't niet!" riep ze met van haat gloeiende oogen; "'K 'n he 't
+niet, moar al ha 'k het, noeit 'n zal ik er ou iets van geven, noeit
+noeit, noeit! verstoa-je-datte?"
+
+Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar pieteit voor de
+nagedachtenis der dierbare overledene gaven haar een kracht waarvan ze
+zich zelve niet bewust was. Zij stond vlak voor hem, dicht bij hem,
+dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend zijn woede-blikken, zijn
+paars-zwellend gezicht, zijn krampachtig gesloten vuisten. Er was een
+oogenblik van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde duidelijk het
+trage tikken der klok en 't vroolijk blaasgepruttel van het kleintje in
+de wieg. Het werd reeds schemerduister buiten en groote, logge schaduwen
+kropen in huis onder de donkere zolderbalken.
+
+Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar de voordeur en schoof
+den grendel ervoor. Toen naar de achterdeur en grendelde die ook. Toen
+greep hij naar zijn stok.
+
+Met een schorren gil sprong ze op zij en greep instinctmatig een stoel
+en hield die voor zich uit. Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven,
+nu haar beschermster dood was?
+
+"Lafoard!" gilde zij; "lafoard! past ou op dag' aan mij komt!"
+
+Grijnzend kwam hij op haar af.
+
+"We zijn alliene thuis en we 'n moen ons nou nie mier sjeneeren,"
+grinnikte hij. En plotseling weer gebiedend, kort en ruw:
+
+"Ala toe,... da geld, he ... afgeven!"
+
+"'K 'n he 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't nie krijgen!" krijschte
+zij.
+
+De stok siste, in een woesten zwaai; en met een korten knak kwam de slag
+half tegen haar hoofd, half op de leuning van den stoel terecht.
+
+"Sloeber! kreet ze. "En plotseling stootte ze met al haar kracht de
+pooten van den stoel vooruit, vlak naar* zijn walgelijk, paarsrood
+gezwollen gezicht.
+
+Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte hij den stoel met zulk een
+geweld naar zich toe, dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven
+op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten om de keel, duwde,
+trok en wrong tot zij weer onder lag;--en toen liet hij zijn rechterhand
+los terwijl hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte hij nu
+met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo hard en zoo snel als hij kon.
+
+Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch gebrul, tusschen de
+steeds woester neerbeukende bonzen. 't Was als een telkens afgebroken,
+schor geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't was als de
+noodkreet van een vermoord beest, dat stikt in bloed-gebrobbel. Maar
+plotseling kreeg ze een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet er
+op als razend en liet hem niet meer los, terwijl haar rauw, intermittent
+gebrul eensklaps veranderde in een aanhoudend hoog gegil, als het
+oorverscheurend krijschen van een schrille stoomfluit.
+
+Een geweldige bons op de voordeur en als onder het rammeien van een
+heiblok vloog ze open, en Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met
+een machtigen ruk trok de stalknecht Smul van Rozeke's lijf, gooide hem
+als een pak in den hoek bij den haard, sprong op hem toe en hield hem
+daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos gillende
+meesteres optilde en naar het achterhuis droeg.
+
+"Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet deud!" gilde Smul,
+bloedend en spuwend, als een gewond beest in den hoek van den haard
+onder Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt.
+
+"Stille, boas, stille," hijgde Kamiel met reusachtige inspanning den
+woesteling in bedwang houdend.
+
+"Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud! deud!" schreeuwde Smul, door
+het aanhoudend hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept.
+
+Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te bedwingen, rees
+plotseling overeind en sleurde met geweld den woestaard naar de deur.
+Smul klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens werd hij met een
+schok weer wat verder gerukt en eindelijk was hij buiten en viel er
+uitgeput en grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke aanhoudend
+als een krankzinnige scherp gillen.
+
+Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen.
+
+"O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!" smeekte zij schreiend. "Toe,
+Kamiel, hoast ou, 't es wried, de bezinne goa stirven!"
+
+In machtelooze wanhoop schudde de knecht het hoofd, Smul steeds met
+ijzeren greep onder zijn klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand
+achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend:
+
+"As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den dokteur, de bezinne
+ligt op stirven!"
+
+"Wa es da? wa gebeurt er hier?" zei de man, verstard kijkend in 't gras
+op Smul en met schrik-oogen luisterend naar het onophoudend noodgegil in
+huis.
+
+"Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!" smeekte Kamiel zelf
+huilend.
+
+De man holde weg en plotseling richtte Smul zich in het gras half op.
+Kamiel sprong toe en drukte hem weer neer.
+
+Maar Smul was opeens bijna kalm geworden.
+
+"Loat moar, 't es gedoan," zei hij, zich nijdig loswringend.
+
+"Blijf hier, boas, wa goa-je doen?"
+
+"Hoal mij mijn klakke," zei Smul.
+
+Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast den haard lag en rende er
+weer mee naar buiten.
+
+Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed van zijn gezicht en
+stapte somber, gedrochtelijk-hinkend, naar het hek.
+
+"Woar goa-je noartoe, boas!" liep Kamiel hem angstig na.
+
+"Noar den duuvel?" antwoordde Smul met een woedenden blik.--En weg ging
+hij, in de grijze schemering.
+
+Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis te gillen.
+
+Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid had, lag nu opgewonden,
+met blinkende oogjes en zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg
+te woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs den weg van school
+terug....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVII.
+
+
+Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij
+liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.
+
+De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren
+ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk
+geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de
+helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een
+krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden.
+Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep
+soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn
+wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op
+Smuls terugkomst.
+
+Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht
+en nog steeds was hij niet terug.
+
+Toen hij den derden dag nog niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:
+
+"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan
+bezinnes ouers zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."
+
+Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's
+zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.
+
+Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee
+dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van
+Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde
+kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende
+vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg,
+meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig
+kaartpartijtje stoorde, hadden zich zoo aan zijn opruierig lawaai
+geergerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank
+te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer
+vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de
+"Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't
+"Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer
+Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken;
+boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp
+kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en
+willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met
+geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.
+
+Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd
+verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer
+teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas
+onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer
+was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was
+teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik
+gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de
+slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar
+de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had
+hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de
+"Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het
+"Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst
+gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse"
+terecht gekomen....
+
+En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde
+Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter
+lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was
+Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang
+waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt,
+toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te
+gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer
+gehoord of gezien.
+
+Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden
+en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij
+verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.
+
+"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij
+'t verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal
+versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij
+noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en
+'k zal ik te binst noar Roze goan."
+
+De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar
+zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij
+zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met
+hun drieen en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't
+water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij
+terug.
+
+Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die
+sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij
+onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't
+ware aan hen vast en smeekte snikkend:
+
+"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij
+blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"
+
+Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien
+wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van
+onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en
+zij zuchtte, als in een stille bede:
+
+"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven
+mier 'n zag!"
+
+Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en
+Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te
+hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een
+versterking van haar eenige, laatste hoop.
+
+En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste
+maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor
+het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde,
+gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het
+boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zeker dat hij
+haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, voelde dat hij
+haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan
+zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan
+de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem
+aarzelend op een afstand vergezelden.
+
+Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam,
+beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn
+woorden:
+
+"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul
+gevonden hen."
+
+"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.
+
+"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "When hem doar
+uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat
+diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend het.--Hij es al leulijk
+aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hen of moen w'hem ginter houen? Hij
+ligt in den stal van 't gemientenhuis."
+
+"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate
+moaken," antwoordde zij dof.
+
+"En moet g'hem nie mier zien?"
+
+"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig
+hoofdschuddend.
+
+"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."
+
+En met een korten "goen dag" was de veldwachter weer weg. De
+nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard
+meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVIII.
+
+
+Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De
+harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling
+uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk
+toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't
+instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de
+speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets
+aan haar verder leven schikken kon.
+
+Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal
+weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat
+stond voor haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet
+meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen
+leven....
+
+En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en
+weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende
+seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om
+haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar
+broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en
+haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve
+voelde zich langzaam aan een oudje worden....
+
+Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer
+en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat
+trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die
+gewenscht en voortgesteld had.
+
+Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest,
+dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden,
+zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood
+van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wel gehoopt
+dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij
+beheeren.
+
+Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen
+haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als
+hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had
+kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog
+zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een
+deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij
+haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een
+heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhemar
+en Berenice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een
+soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal
+vreemde was.
+
+En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de
+nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer
+verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar
+oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest
+beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte
+geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu
+liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was
+zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en
+ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij
+verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog
+enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpetue!...
+
+Soeur Vincent-Perpetue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar
+had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van
+Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de
+boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die
+haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het
+eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds
+geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van
+haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't
+verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten
+zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en
+karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die
+iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal
+zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal
+betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op
+heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde.
+
+Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid
+en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de
+herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot
+en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan
+kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de
+meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch
+slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld
+door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee
+bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon;
+twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zoo innig had
+liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna!
+
+Die alleen leefden, leefden steeds intens voor haar!--Met die twee
+leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige
+verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde
+stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen,
+terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de
+schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven
+duren....
+
+Het werd een teer en zacht verlangen, een innige, vurige hoop, die, in
+de vergetelheid van al het tegenwoordige, haar verleden met haar
+toekomst weer vereenigde.--Het werd een troost, een vast geloof, een
+sterke zekerheid; het was iets dat zij ieder oogenblik te gemoet ging,
+dat elken dag steeds dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ...
+dat zij weldra bereiken zou.
+
+Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang zat zij er soms, starend
+in haar eenzaamheid, over te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij
+hoorde hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden van het
+ideale oord waar zij nu beiden en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't
+nieuwe leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te wachten en waar
+haar plaats tusschen hen bewaard bleef....
+
+In sereene zaligheid voelde ze 't komen;... haar wezen was van deze
+aarde haast niet meer. Nog een stapje, nog een oogenblikje wachtens ...
+en zij was er....
+
+Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen, rijken, gouden
+najaarsmiddag. De aarde was als een paleis van ongestoorde weelde, als
+een voorhal van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was zoo
+stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.--Zij lag te bed, met open ramen
+in die rijke heerlijkheid, als om in eens ver-weg te kunnen zweven naar
+het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig op haar
+wachtten. Haar kinderen en kleinkinderen stonden om haar heen, doch
+niemand weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op haar kalm
+gelaat.
+
+Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht gegeven was, kwam een
+onuitsprekelijk-zachte glimlach over hare trekken....
+
+Haar ziel en haar geest, de gelouterde essentie
+
+van haar gansche wezen was bij hem en bij haar,.... haar man en haar
+vriendin,... in onverstoorbaar geluk,... voor altijd,... in het
+eeuwige....
+
+ * * * * *
+
+AFSNEE-AAN-DE-LEYE, 15 Augustus 1905
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+***** This file should be named 16882.txt or 16882.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16882/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/16882.zip b/16882.zip
new file mode 100644
index 0000000..4ada759
--- /dev/null
+++ b/16882.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..80ae4e5
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #16882 (https://www.gutenberg.org/ebooks/16882)