diff options
Diffstat (limited to '16882-8.txt')
| -rw-r--r-- | 16882-8.txt | 5720 |
1 files changed, 5720 insertions, 0 deletions
diff --git a/16882-8.txt b/16882-8.txt new file mode 100644 index 0000000..65512bc --- /dev/null +++ b/16882-8.txt @@ -0,0 +1,5720 @@ +Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: October 16, 2005 [EBook #16882] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe. + + + + +HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN + +ROMAN IN TWEE DEELEN + +DOOR + +CYRIEL BUYSSE + +TWEEDE DEEL + + + +1905 + + + * * * * * + + +XIII. + + +Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol +emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een +onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en +flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en +vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar +bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan +Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig +zonder onvoldane wenschen. + +En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand +begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als +zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms +woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge +bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander +warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren +waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peer of +appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte +twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden +ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook +zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder, +met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige +rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van +purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange +rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend +van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en +overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag +nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte +zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's +achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar +als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend één-oog; en +'t kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig- +glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna +met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind +dichter bijgeschoven, zóó helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er +soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien. + +Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer +dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam +Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo +vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En +zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat +zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend +hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele +stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het +water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal, +of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij +voelde alleen maar dat het van heel héél verre kwam, als uit een andere, +haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om +aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles +toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel +reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de +postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij +daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en +automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zóó +schoon, o, toch zoo wónderschoon midden in een schat van bloemen op een +groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en +'t Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en +bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar +onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen +de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige +intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den +hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van +weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn +voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het +opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan +den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde +laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende. + +Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde +illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een +kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks +en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't +licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak +een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor +hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart +hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een +vuil-rood geworden decoratie-lapje. + +"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende +tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold +sportblad vóór haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging +hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd. + +"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in +'t begin, door zijn deftigheid geïmponeerd en hem niet goed begrijpend. + +"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de +schoolmeester met nadruk, eenigszins geërgerd dat zij niet dadelijk zijn +mooie taal verstond. + +"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde +Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?" + +"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij. + +Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine +even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten +van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden- +glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht +bij 't raampje, om goed te kunnen zien. + +"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd hét, miester, 'k 'n há +moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van +hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten +verontschuldigen. + +Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid +in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren +en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met +toenemende belangstelling. + +"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is, +van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin +van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op. + +Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend +en antwoordde ietwat schuchter: + +"Ba joa 't e-woar, miester? Z'hé zij mij lijk altijd nog al wel keune +verdroagen." + +"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als +voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend. + +En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins +verbitterd uitriep: + +"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel +wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu +ben!" + +Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd- +onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem +ietwat verwonderd aan. + +"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde +zij. + +"Ja zeker, zéker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker, +het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste +menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog +genoeg waardeeren!" + +Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende +woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van +hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk, +terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag: + +"En da Fransch, miester, hè-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't +es?" + +"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam +de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te +oreeren: + +"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in +het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer +is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien +en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten, +ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italië +komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken, +waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de +wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De +sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die +schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de +boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken +en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in +den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er +nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het +Aardsch Paradijs ge-eeten." + +"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij +waagde de vraag die haar boven alles interesseerde: + +"En hoever es dan wel van hier, miester?" + +"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf +onderd uren!" + +"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen. + +"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit +rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewèl, in die +plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo +ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen +en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed +nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron +Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als +zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij +in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in +zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw. +Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe." + +"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke. + +"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de +gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en +vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het +kort artikeltje. + +"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke +vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting: + +"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren." + +De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed +gevleid. + +"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter, +degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan éene taal +kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou +ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is +en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste +waardeeren." + +Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af: + +"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal +kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding +van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook +wel iets voor mij zult willen doen?" + +"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd. + +"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones +d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn +pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou +kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande. + +"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme +zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch +mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...." + +"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij +tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten +zoudt." + +"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie +vergeten." + +Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke +nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even +vriendelijk aan. + +"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd. +"Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die +'t aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten." + +"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever +schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en +vreugd. + +Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den +drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en +stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met +afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn +achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel +wijsheid en verstand in stak. + +Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette, +zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer. + + + + * * * * * + + + +XIV. + + +Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel +van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen. +Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en +moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op, +wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht +kon worden. + +Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide +zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange +discussie had plaats. + +"Ik geleuve dat de mirrie t'oud es om nog veulen te krijgen," meende +Miel van Dalen. + +Boer Dons maakte zich kwaad: + +"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?" + +"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge'n weet gij da meschien zelf op 'n +joar of twieë noar niet," glimlachte Miel. + +"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar +of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer. + +"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie +kontroarie zeggen," suste Miel. + +Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden, +zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen +baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles +ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap +gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde. + +Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad. + +"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van +een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van +boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij: +"Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leên, den ieste kier dat ze +weere peirdig es!" + +"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich +onverwachts in het gesprek mengend. + +Verwonderd keken allen op. + +"Woarom niet?" vroeg Alfons. + +"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk +wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig. + +Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van +Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog +meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen. + +"Vaprijs 'n hé gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es +'t goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat +'t es." + +"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van +vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons. + +Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij +schetter-gilde naar Rozeke: + +"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van +twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?" + +Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van +verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist +niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween +eensklaps in de binnenkamer. + +"Hé, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer. + +Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd. + +"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker +doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij. + +"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd +mogelijk zijn kleine oogjes opensperde. + +Vader Van Dalen lachte: + +"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare +grond!.... + +"En da mijn wijf hier pertan[1] nie gedijd 'n hét! Hoe verstoa-je +dátte?" schetterde de oude. + +Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een +"dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met +Rozeke. + + +[1] Pourtant. + + + + * * * * * + + + +XV. + + +Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December +in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zóó +gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden. +Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer +Leyseele's verafgelegen hoeve rijden. + +Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige +oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de +effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer +van mist en sneeuw en motregen. + +Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte +nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om +er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer +Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap +leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en +hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het +oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had. + +Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een +groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der +merrie en vertrok. + +Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een +behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en +schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge +sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich +niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden +of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft. + +De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den +lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen +klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten +sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo +vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe +stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes +met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere, +frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze +van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen +der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd +in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als één oneindige, dikke, +loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald. + +Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en +eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en +gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien! + +Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn +dijen en knieën zóó doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende +slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen. + +Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een +borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In één teug sloeg hij die met +een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten +drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar +hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij +aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken. + +Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij +dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden +met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en +drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor +de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel +zakken. Hij voelde zich zóó ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om +de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad +binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke +vrouw en enkele kinderen. + +"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weêrkes, hè? Joa joa, we zillen hem +al gauwe ne woarme spoelkom káffee mee nen boterham en 'n firme schel +heufvlakke geên!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een +vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen +hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en +krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een +dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten. + +Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel +kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder +te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon +hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden +spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom +koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij +den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald. + +De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond +hij weer op. + +"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt," +raadden de boer en de boerin hem dringend aan. + +"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat +zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in +zijn eigen ooren klonk. + +"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de +boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de +stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield. + +Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het +zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen +ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren +als lood. + +Hij wenschte "elk ne goên dag" en vertrok. Hij had slechts één +verlangen, één behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met +gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen. + +Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug, +af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat +van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen +als 't ware vluchtend vóór hem uit, en hij zelf voelde zich mee +gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn +halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een +dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind +niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en +zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een +kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal +op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam +draven van zijn kalm geworden paard. + +De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een +doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den +grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam. +Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den +drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij +den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo +machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw +met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen +afstijgen. + +"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend. +Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en +zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en +struikelde gebogen naar binnen. + +"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k +hé goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem vóór het +haardvuur brengend. + +"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast +onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend. + +"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte +Rozeke. + +"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontkliën; leg mij in +mijn bedde." + +Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten +zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem +warm onder de dekens. + +"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met +dichte oogen. + +"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we +zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet." + +Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op +zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren, +terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt +lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met +korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig +op-en-neer-trillende neusvleugels. + + + + * * * * * + + + +XVI. + + +De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te +wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke +deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn +vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij +Vaprijsken naar 't dorp om den dokter. + +Eerst tegen avond kwam hij aan. + +"Och Hiere! menier den dokteur, 'k hè toch zeu stijf noar ou verlangd, +want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend +terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht. + +"Joa joa moar ... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne +kier ziek," banaalde hij troostend. + +Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij +zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had. + +"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n +koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken." + +"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den +dokteur?" angstvraagde Rozeke. + +"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal," +antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij hè 't fleurus en +we moeten oppassen dat 't gien longontsteking 'n wordt," + +"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen. +"O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird +gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!" + +"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde +hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij hè hij da woarschijnlijk al nen tijd +in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw +Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem +behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen, +voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in +de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig +moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen +van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen. +Niets eten,--maar daar zou hij ook wel niet naar talen--en, als hij +dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden +ochtend vroeg zou hij terugkomen. + + + + +XVII. + + +Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende vele, vele dagen. +De ziekte had een heel ernstig verloop gehad, was overgegaan in +longontsteking, met ijlende koortsen.--Soms lag hij bleek en stil, als +dood; en uren roerloosheid verliepen; maar toen opeens kwam weer de +koorts en hij ging aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden +van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard, hij reed door wonderbare +oorden, door witte en roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die +zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar de mooiste vogels kweelden +en klapwiekten, licht en blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe +lucht. O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het balsemgeurde +overal en hij proefde van vruchten, groote, blozende, sappige vruchten, +zoo zalig-lekker smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs, juichte +hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke, geheel in 't fonkelwit +gekleed, met haar zacht-krullende haren los over de schouders, en daar +waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen: Hilairken, gansch +roze-naakt met gouden vleugels als de engeltjes in 't dorpskerkje, en +ook Marie, ja, ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest geboren +worden, maar daar reeds in het Paradijs geboren was, o zoo fijn en zoo +klein en zoo teer, maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat ooit +geleefd had, met groote oogen als helderblauwe bloempjes, als van die +ronde lieve blauwe bloempjes, die in de vroege lente bloeien tusschen't +jonge frissche gras, langs de randen van helder kabbelende +beekjes.--Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui uit, +omdat hij daar ook Vaprijsken zag: Vaprijsken gansch in 't geel, met +gelen baard en gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel +gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het Geluw Meuleken was +daar, nog geler dan Vaprijsken, het mager aangezicht vol gele sproeten; +en ook den ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning: een +rooden, ronden kop met witte haren als een ondergaande winterzon over +een sneeuwveld; en ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik, +met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en ook Rozeke's vader, die +zijn een oog zoo leuk dichtkneep en zijn ander zoo verbaasd-rond opende; +en ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels die hakkelde, en +zijn schoone vrouw met haar gouden oorbellen en schitterende oogen, en +de jonge baronesse met haar man, die in een bruisende automobiel +voorbijsnorden.... + +Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche droefheid grauwde op zijn +klam-bezweet gelaat.--Het regende, het mistte, de natte, felle wind +kromde de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij rilde, rilde, en +zijn tanden klapperden. De laatste bruine blaren stoven als doode vogels +van de naakte takken en het paard verzonk met zijn beenen zóó in het +slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en beslijkt was, en pijnlijk +klaagde van kou en zich langzamerhand in al die grijze, triestige +vuilheid voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij een lange +heesche weeklacht uit en weer lag hij afgemat en roerloos, als een +bleeke doode uitgestrekt. + +Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk kwam hij aan de beterhand; +maar nog eens weken duurde het vóór hij zijn bed verlaten mocht; en toen +hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het haardvuur in de +keuken verscheen, leek hij op een oud, bleek, kuchend en hoestend +mannetje met uitgeholde, rimpelige wangen en groote, zwarte oogen, die +aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren. + +Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover genezen was en zij zelve +herleefde. Alles wat ze geleden had: haar slapelooze nachten, de +onvermijdelijke verwaarloozing der boerderij, de zware geldelijke +opofferingen, alles was vergeten voor die eene blijde gebeurtenis van +zijn gelukkige genezing. + +Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge barones ontvangen, +telkens weer uit andere steden en landen, en de oude meester kwam er nog +steeds nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar ervan +vertellen; maar zelve had zij haar bescherm-vriendin slechts eenmaal +tijding kunnen zenden,--de droeve tijding van Alfons' zware ziekte--en +nu verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel, waar zij +voorloopig met haar man en hare ouders, gedurende de zomermaanden zou +vertoeven. + +En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon als een jonge +koningin, in een prachtige automobiel, met haar man aan haar zijde. + +"O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!" riep Rozeke, vergetend dat haar +vriendin nu "mevrouw" was, en schreiend van ontroering haar met in +elkaar geslagen handen in den boomgaard te gemoet loopend. + +"Rozeke! Rozeke!" wuifde de barones verteederd. En zij en haar man +drukten het boerevrouwtje hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare +vrienden. En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was en gingen +binnen. + +Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een hevige, schorre hoestbui +drukte hem onmeedoogend in zijn leunstoel bij den haard weer neer. + +"Blijf maar zitten, blijf maar zitten," riep dringend de jonge barones; +en zelve haastte zij zich naar hem toe in 't zijig ruischen van haar +kleeren en drukte hem ontroerd de hand. "Hoe gaat het, Alfons?" vroeg +zij bezorgd. + +"Dát 'n wilt hier nie wig, mevreiwe," antwoordde hij heesch, met de hand +op zijn ingevallen borst, kloppend. + +Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn groote, donkere oogen +hadden nog steeds hun onheilspellend-starende uitdrukking van +verwilderden angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel zat, +leek hij niets meer op een boer: hij had een fijn besneden +aristocratisch gezicht, van een vreemd-ziekelijke, geraffineerde +fijnheid, als een schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren +en zijn spits-krullenden, donkeren baard. + +Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien; en buiten, op den drempel +zei de barones tot Rozeke: + +"Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe man." + +Rozeke smolt in tranen. + +"Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!" klaagde zij. "'k Geef ik hem +alles woar da zijn herte noar lust, moar hij betert zeu troage." + +"Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog van heel de zomer niet." + +"Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n kan hij euk nie wirken. We +zoeken ons noar nen twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten, +mevreiwe, en w'hén al zuk 'n slecht joar g'had mee zijn ziekte." + +"Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge iets noodig hebt zijn +wij daar om u t' helpen." + +Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een bekwamen paardeknecht. Zij +hadden hem hoogst noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend op den +akker te wachten; en met de merrie was het ook al weer mis, die moest +stellig opnieuw naar den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner +schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar als reeds iedereen +bezet is, en Alfons zat zich gansche dagen machteloos in zijn leunstoel +van ongeduld en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer hoe +dringerder werd en niemand zich kwam aanbieden. Het maakte hem ellendig +en vertraagde zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke sprak hij +reeds van uit zijn hoek te komen en zelf weer, zoo goed en zoo kwaad als +het ging, te gaan ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar den +hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag ochtend haastig van de +vroegmis thuis kwam en hem zei: + +"Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht wilt hên, nou es er ienen +te krijgen; moar ... hij 'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem +zelve vroagen." + +"Wie est 't?" vroeg Alfons gretig. + +"Ivo Smul." + +"Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!" + +"Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij. Hij es mee zijnen boer +in ruzie geslegen en wig-gegoan. 't Spijt de bezinne genoeg." + +Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich gevestigd, zat roerloos +te peinzen en te staren. Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam, +schrik-zwijgend achteruitgedeinsd. + +Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om. + +"Wa peist ge 'r van?" vroeg hij. + +"Lijk of ge wilt," antwoordde zij ontwijkend, met benauwde stem. + +Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende hun nood en vreesde 't +ergste indien hij aan zijn dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het +werk te gaan. Was het reeds niet háár schuld geweest, dat hij in plaats +van Smul op dien akeligen ochtend met de merrie naar den hengstboer reed +en er zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen, zij durfde niet, +'t mocht niet; maar ... de komst van Smul op hun boerderij, in hun +dagelijksch leven, zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor, +als voor den dood. + +"Hawèl?" drong hij aan, onder haar ontduikend antwoord en haar lang +stilzwijgend ongeduldig wordend. + +"Hawèl, lijk of ge wilt," herhaalde zij nog eens, hem bedroefd en bijna +smeekend aankijkend. + +"Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien antwoorde! 'K en wil +ik niets! 'K en zoek ik moar om wel te doen!" barstte hij verwijtend- +opgewonden uit. "Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge nie 'n wilt +antwoorden!" + +Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen, nog verder terug, +terwijl Alfons, boos en geprikkeld, zich opnieuw tot Vaprijsken wendde. + +"Hèt ge 'r mee hem over gesproken?" vroeg hij. + +"Joa ik, boas." + +"En hét hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?" + +"Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt." + +"En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie gezeid?" + +"Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels há." + +"En verwacht hij antwoorde doarop?" + +"Joa en nien. Hij hé gezeid as hij van doage gien antwoord 'n ha, dat +hij hem elders gijnk verhuren." + +Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om: + +"Hawèl wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke euk ne kier ou +gedacht?" + +"Hawél, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt," antwoordde zij als +versuft, met hooge kleur en op 't punt in tranen uit te barsten. + +"Moar 'k en wil ik niets, zeg ik ou!" riep hij nijdig, "'k Vroag ou joa +of nie of 't ou gedacht es. Keunt-e doar nou nie op antwoorden?" + +"Hawèl joa 't dan, joa 't, 't ès mijn gedacht!" stamelde zij, bleek en +bevend. Zij vond het ontzettend dat juist zij het beslissend jawoord +moest geven. + +Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken om: + +"Al gezeid.--Vaprijs jongen, goa gij weere noar 't dorp en zegt hem dat +hij hier verhuurd es en dat hij hoe ier hoe liever zoe komen." + +"Al gezeid, boas." + +Vaprijsken stak een pijp op en was buiten. + + + + * * * * * + + + +XVIII. + + +Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje. +Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was, +knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den +paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond +reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde +wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen +meester. + +"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei +Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen +woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels +planten en oale voeren op de kloaver." + +Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk +te gaan. + +"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee +groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen +voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder +een zware snee spek. + +Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote +koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat +af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en +onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in +haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul, +waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast +zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen +zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren +en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval +lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo +onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo +akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn +vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk +begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo +doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij +vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat +gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar +nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en +alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was +stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande +haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde +laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door +Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een +goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje +nakijkend. + +"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij +'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!" + +Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer +aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit +den nood kwam helpen. + +Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht +en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was +een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag +en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar +voelde 't zoo. + +Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den +heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende +nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan +'t eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen +akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in +gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde +Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens +schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde, +blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende, +stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het +veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie +snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen +was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed +omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker +opgolfde. + +"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met +onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul +zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje +geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten. + + + + * * * * * + + + +XIX. + + +Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter; +maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en +rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste +inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen +lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't +Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede +hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij +zijn lot nog al geduldig op. + +Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend +geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer +voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon +zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die +hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken +verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de +rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op +Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te +meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als +Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke +zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde +het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den +sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd. + +In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we +dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te +beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd +op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij +zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden +te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later +toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die +besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde. +Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls +handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de +baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst +geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed +het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg. + +Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid, +zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk +was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee, +totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd +nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij +allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een +paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een +beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een +plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere +Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en +bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te +kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was +de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze +doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon +hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het +oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet +twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na +smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar +dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik +de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn +eigen zin wist te doen buigen. + + + + * * * * * + + + +XX. + + +Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd +Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan +toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had; +en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de +Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had. + +Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje +de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar +broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie +geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar +lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer +gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen +hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De +maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en +gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende +vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog +vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De +jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig, +onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst +tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter. +Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien, +halve dagen op den akker blijven. + +De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in +Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij +zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar +ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar +hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem +gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis +hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's +winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden. +Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar +kindje had. + +Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde, +kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden: + +"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne +moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!" + +Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't +eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk +vatte, meende zich te moeten verontschuldigen: + +"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We +mochten nog heul blije zijn da w' hem hân." + +"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich +aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne +knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè +euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of +'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse +boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader +gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den +uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut! +al wa konten, zeg ik." + +"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder +giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke. + +De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette +verwonderde oogen op. + +"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk. + +Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier, +Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij +eigenlijk veel te weinig van af wist. + +De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan. + +"O, Rozeke, ge zult toch nooit...." + +Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in +de rede: + +"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?" + +Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte +plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste +kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden, +slechten naam gaf. + +De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht +haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets +verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren +gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven. + +Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem: + +"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da +Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te +keune missen. Ik 'n hè hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ... +noeit op ons hof genomen hên.... 't Es Alfons zelve die 't gewild hèt. +Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...." + +Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam +daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade +op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en +hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking +zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig. + +"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge +barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind +keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en +ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten. + +Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk +de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het +raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden +komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar +krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de +schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en +Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte +lading in het evenwicht. + +Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk +ingehouden toorn bevende stem: + +"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch +nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!" + +Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde: + +"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en +hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast +hem binnen mee 't loaste van den oest." + +Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend, +met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de +barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór +haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee +kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte +het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen +om. + +"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar +fluisterend op den drempel vragen. + +"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend. + +"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n +meisken?" + +"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen +een jongen." + +"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde +vroomheid. + + + + * * * * * + + + +XXI. + + +Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en +rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere +zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in +lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de +stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht +naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven, +droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers +zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met +triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in +grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich +wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes +en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur. +Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard +huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen, +schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij +langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en +hoog-opgetrokken knieën bij den haard. + +Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was +hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze, +stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en +afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die +op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in +verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen +werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit +te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt +als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij +eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich +zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil +te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn +piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen +zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen. + +En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend +de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen +barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij +telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar +hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele +onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar +wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en +met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer +naar buiten komen. + +Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen; +en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden +en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen +boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle +stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige +menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het +huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van +meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de +nauwe, warme muren opgesloten. + +Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt +kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat +was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in +een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't +oogenblik. + +Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven. + +Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was +nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den +dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't +werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje +uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen +van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar +het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog +steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond +reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden, +tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet +haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de +voute-kamer luisteren: + +"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht +worden. Zoe-je nie opstoan?" + +Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als +antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de +voute op, en stond vóór 't lage bed: + +"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?" + +Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede +donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig +stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep +als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje, +rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare +vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't +kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een +doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend +het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!" +schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een +krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en +duizelend voor hun voeten in elkaar stortte. + +Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te +paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen +en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede +hoofdkussen. + + + + * * * * * + + + +XXII. + + +De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich +gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo +frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar +rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking +van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de +hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van +droefheid, dreigden dicht te zullen vallen. + +Zorgen, zorgen en nog zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!--De crisis +was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard, +maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk +plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar +beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van +ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest +aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken +en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook +haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte +het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook +dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar +ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor +Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij +gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en +familieleden noemden--te gehoorzamen. + +"Hawèl, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer +dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders +op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze, +wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende +dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen +dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het +kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den +ellendigen toestand neer. + +De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de +drukte van 't werk op den akker. + +Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en +zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar +zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen +boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons +verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke +niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven. +Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te +willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord. +Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun +was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was dè echte baas geworden, aan wien +zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een +onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de +slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar +prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds +zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar +aan, zóó vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven, +terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten +gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet +blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op +heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren +haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag +had ze geen gelegenheid meer gehad hèm het gebeurde te verwijten;--zij +wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben--maar het Geluw +Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken, +die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en +onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen +den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten +wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder +in den steek te laten. + +Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds +en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste +verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar +droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na +hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken. + +En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van +moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door +een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts +met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende +linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo +zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht, +overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend +smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster +kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend +van emotie en bewondering, de handen in elkaar. + +"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!" +herhaalde zij met bibberende stem. + +"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te +rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met +bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien. + +"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het +wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken +angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met +het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden, +terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde. + +Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door +het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel +opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende +oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn +blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om +zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam +zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om +te gaan zitten. + +De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden +aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zóó erg was met hem; zij +schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk +te verbergen. + +"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de +scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als +wilde zij niet alleen hèm, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke +illuzie troosten. + +"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar +keel kropte van meelijdende droefheid. + +Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang +voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met +inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide: + +"As 't moar 'n beetse goe weer'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere +buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in +huis." + +Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde +schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een +floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou +hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en +innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje +om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude +stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de +diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong +en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst, +terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd +en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en +hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door +de sombere schim van den dood. + +Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten, +maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur +keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd +en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in +feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van +den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het +heldergroene gras tot haar genaderd kwam. + +O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van +zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij +van de herlevende natuur,... en dáár die bleeke uitgemergelde gestalte, +als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister +van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!... + +Buiten nam zij Rozeke apart en zei: + +"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden. +Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze +huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders +genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet +doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't +Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen +hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog +niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug." + +Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij +geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat +hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem +dood uit 't huis zou dragen. + +"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij +'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst. + +"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien +sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?" +vroeg de barones met droef-ernstig gelaat. + +Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen +van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij +was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid +niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij +eenmaal weg was?--Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de +jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te +troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend +schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij, +toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank +kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje +vergezelde... + + + + * * * * * + + + +XXIII. + + +Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange +dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór +het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen +van zijn akker.--Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de +langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen, +als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd. + +Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met +den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een +afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het +heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als +die waaronder Alfons kwijnde. + +Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn +leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte +en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer +ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven +'t hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon, +gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde +noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een +niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar +toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen +hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige +onderdanen waren. + +"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder +onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?--Moar al da wirk +hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..." + +De barones werd bijna boos. + +"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u +toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe +het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kunt +genezen." + +Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar +even dankbaar aan. + +"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt," +verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan +op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben." + +"'t Moe nòù wel goan; ge'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de +dorpsdokter in 't midden. + +"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk +'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan +hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach. + +Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het +zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop +verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij +daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou, +hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij +eenmaal vertrokken was. + +"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen +voor alles zorgen," zei de barones. + +"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk +volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien +Fransch!" zei Rozeke bezwaard. + +"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort +zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over +geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel +goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen." + +Zij zwegen.--Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun +angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met +ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den +dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen +en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel +stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner +en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er +werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het +opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte: + +"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde. +Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan +hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten." + +Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met +het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als +een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk. + + + + * * * * * + + + +XXIV. + + +De vijftiende November was de vastgestelde dag voor het vertrek. +Rozeke's ouders, vooral haar moeder, die eerst erg het plan afkeurde, +hadden er zich eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den vorigen +avond op het boerderijtje, waar zij de laatste maanden, na het geschil +ter wille van Smul, haast niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend +verschenen ook Rozeke's broeders en haar zuster La. + +Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel Alfons afhalen. Rozeke zou +hem tot aan het naastgelegen, klein station vergezellen waar zij de +baronsfamilie zouden vinden. + +Het was een drukte en een emotie voor de gansche buurt. Boer Lauwe en +zijn gezin, die zij anders maar weinig zagen, de menschen uit het +werkmanshuisje vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek, kwamen +op het boerderijtje of stonden wachtend bij het hek te kijken. Van vóór +half negen was boer Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook de +nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens de goede gelegenheid te +baat nam om over zijn nog niet verkregen pensioen-verhooging te spreken +en ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart uit het verre +wonderland te ontvangen. + +Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna gekleed als een +heer, met een rond zwart hoedje en een lange, warme winterjas. Dat waren +al geschenken van de jonge barones en de buren voelden wel een beetje +jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip waar Alfons naartoe ging, maar +zij beschouwden 't allen als een soort plezierreisje, als een +rijke-menschen-gril, bijna bespottelijk voor een boer. + +Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met Rozeke in 't mooie +rijtuig. Zijn kinderen had hij nog eens voor het laatst gezoend en die +keken hem nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht overeind, +met groote oogen van verwondering op een tafel, Marietje met een +"tsjoezeken" [*] in den mond op den arm van La, die met een vuurrood +gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden in een groep +nieuwsgierigen, de dikke wangen vettig glimmend, met korte zenuwschokjes +van haar puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd naast, +zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat haast zonder uitdrukking. + +[*] Dotje. + +De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand in 't rijtuig drukken +en nam zijn hoed voor hem af, als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd, +met een strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den meester voor +zijn vriendelijke belangstelling en drukte ook de hand van den ouden +boer Dons, die bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen +riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken bij zich en deelde hun +nog eens zijn laatste bevelen uit, er bij voegend dat hij trouwens niet +lang weg zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd en had +hem ten slotte beslist met de verre reis verzoend. Hij zou gaan, +aangezien allen het goed voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich +dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De barones had hem +trouwens zijn reisbiljet laten zien, dat meteen een retour-biljet was, +geldig voor drie maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was voor +drie maanden was ook geldig voor drie weken en nog minder, en daarmee +wist hij genoeg. Hij zei het nog eens, glimlachend, maar met nadruk, +opdat Smul en de anderen het goed zouden hooren en onthouden: "meschien +ben ik hier te noaste week al weere!" + +Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig met het hoofd, +begrijpend wat hij zeggen wilde; Smul, integendeel, slechts even +knippend met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een bruut, zonder +zijn stuurschen blik tot zijn baas op te slaan. Maar de oude +schoolmeester kwam deftig weer in 't midden, verzekerend dat het geen +twijfel leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl een ieder +hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en de oude, kluchtige boer Dons +gooide 't op een grapje: + +"Hawèl joa!" schreeuwde hij, "en as ge begint te voelen da z'ou hier +neudig hèn, ge schiet ou weer op de vapeur en ge komt thuis gevlogen +lijk 'n zwoaluw!" + +Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om en reed van 't erf. La +deed Marietjes kleine handjes zwaaien achter 't raampje en Hilairken +reikhalsde naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen het ruitje, +terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het wegtrekkend rijtuig volgden. +Moeder stond te schreien en te schokken; de buren riepen hem "goe reize" +na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't rijtuig en in haar +emotie en verwarring knikte Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor +maanden lang op verre reis ging. Zij waren weg, een laatste maal zag hij +zijn grijzen winterboomgaard, zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was +'t uit: het rijtuig schommelde in vollen draf over den hobbeligen +landweg naar het kleine station, waar de jonge barones met man en kind +en meid reeds op zijn komst stonden te wachten. + +Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik der lange scheiding +eindelijk gekomen was en zij barstte in tranen uit. + +"Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het voor zijn gezondheid, +voor zijn leven is," trachtte de jonge barones haar te troosten. + +Maar Rozeke kòn zich niet bedwingen, zij stikte in haar tranen en zij +smeekte, beurtelings tot den baron en tot zijn vrouw gewend: + +"O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt hem ginter toch tegen zijn +goeste nie houên, e-woar? Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't +ginter nie 'n kan geweune worden?" + +Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven haar de verzekering dat +hij volkomen vrij was van terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar +dat het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en de barones +beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks zou gaan opzoeken en haar +twee of driemaal in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke +had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar dikwijls schrijven om +hem van alles op de hoogte te houden en gerust te stellen. En hoe +gelukkig zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de eerste +lentedagen krachtig en genezen weer bij haar terug kwam. + +Daar kwam de trein in de verte aangereden. Alfons, die zich tot dan toe +betrekkelijk goed gehouden had, barstte bij dat zicht ook plotseling in +tranen uit: + +"Rozeke, Rozeke, adzju!" snikte hij, haar de hand reikend. + +De enkele andere reizigers, die op 't perron van 't kleine station +stonden, drongen verwonderd en meewarig om hen heen. De barones werd +zenuwachtig, de baron zette een verveeld en misnoegd gezicht. De meid +met het kind stond terzijde stil te spotlachen. + +"C'est idiot!" bromde de baron tegen zijn vrouw. "Ne dirait-on pas qu'on +leur veut du mal! Voyez tout ce monde autour d'eux; un véritable +attroupement. Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!" + +"Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que nous leur devons un peu +notre propre bonheur," sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde +haar toch ook en zij ging er een eind aan maken. + +"Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus en wees eens vroolijk voor +het afscheid," zei ze opgeruimd. + +Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden en snikten hoe langer +hoe heviger en toen de trein vóór 't stationsgebouwtje stilhield krompen +zij van smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld haast moest de +barones hen scheiden en Alfons naar zijn coupé duwen, een tweede-klas +terwijl de baron, 't gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast +in eerste stapte. + +"Kalm nu, kalm nu," herhaalde de barones wrevelig en dringend; en, met +van emotie hooggekleurde wangen, ging zij ook haar plaats innemen. + +Eensklaps werden zij kalm, alle twee. + +'t Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het leek haar eensklaps of een +vreemdeling daar zat, een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar +toelachende vreemdeling; en zoo reed de trein met hem weg: hij +vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing starend en toen hij +reeds een heel eind verre was, stond ze nog maar aldoor vreemd te +staren, de oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog harer +verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid der mogelijke +gebeurtenissen en roerloos daar te wachten stond tot het normale leven +weer in haar zou opkomen. + +Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een huivering zich omkeerend, +zag ze den koetsier van het kasteel, die hen naar 't station gebracht +had, voor haar staan. + +"Goa-je weere mee, vreiwken?" glimlachte de man. + +Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling tot de werkelijkheid +terug. + +"O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete," antwoordde zij +zenuwachtig, als in een soort van angst. + +De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze spanning keek ze +nog even in 't verschiet over de eindeloos lange en rechte glinstering +van rails langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij ook het +kleine stationsgebouw en vóór haar lag het naakte, grijze winterveld als +een andere oneindigheid zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en leeg, +dat het haar nu te moede werd of zij daar liep als een verdwaalde, +zwakke vreemdelinge, in hopelooze droefheid maar recht vóór zich uit +loopend, aldoor loopend, zonder doel en zonder eind. + +Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje en vond er nog +haar moeder en haar zuster en haar kinderen; en het leek haar nu weer +alsof er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de eentonige +gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul was, als iederen ochtend, +met ploeg en paard en egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel +klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen op den harden +schuurvloer, de groote waakhond lag rustig te loeren, half in half uit +zijn hok, de zwarte poes zat knippend met zijn gouden oogen vóór het +haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het achterhuis was 't Geluw +Meuleken de boterkarn aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn +gewonen gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje verkleeden en +dan weer, naast 't wiegje van haar jongste kind, bij 't kleingeruite +vensterraampje, aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder zat bij het +haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar handen op haar knieën en begon +een praatje; La, die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen +meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig door elkander rammelen. +Zij spraken natuurlijk over hem die nu reeds verre aan 't reizen was: +moeder steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch nu iets minder +pruttelig, La opgewekt en vol verlangen, met frissche, glimlachende +lippen en blinkende oogen als van een jong, gevangen vogeltje, dat +droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme, blijde zonneruimte.... + + + + * * * * * + + + +XXV. + + +Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte +briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed +aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch +opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was +'t schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal +ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven. + +Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid, +alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze +eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende +berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de +buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en +spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij +stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een +trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen +brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar +door den postbode overhandigd werd. + +Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en +ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet +duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met +"hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte +eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds +was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland +gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die +een brief opstelt: + + +"Beminde vrouw, + +Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn +gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel +verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt +gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden +met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en +als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen +in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen +gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den +hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt +alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of +dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar +dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat +eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij +geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan +kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel +goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het +is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu, +beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan +de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets +het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is +precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch +zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den +zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en +'t vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te +Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste +bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien +hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld +heeft.--Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine +stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben. +Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op +de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij +geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar +hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn +lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar +de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik +hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en +'s avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.--De menschen van +het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat +ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik +toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen +alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze +daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij +verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat +het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen +dat het zelfs beter is als hier.--Den baron en de baronnesse zijn dan +nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed +voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en +gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest +komen bezoeken.--Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens +met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks, +zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar +zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En +al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van +versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de +barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten! +Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft +mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe +zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.--Past maar op dat +ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende; +maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te +gebruiken. + +Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan +meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet +mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en +het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en +gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en +eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat +is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn +retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om +het toch niet te verliezen. + +In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor altijd + +uwen verkleefden man + +ALFONS. + +Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er nog niet?" + + + + * * * * * + + + +XXVI. + + +Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een +inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij +antwoordde: + + +"Beminde Alfons, + +Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn +gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot +verdriet doen.--Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog +altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester +Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij +heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen +lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in +stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van +nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn +pensioen te spreken.--Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier +alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel +schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is +ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone +witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie +is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de +merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle +vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar +zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het +Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij +zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de +kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader +is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat +het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en +het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste +doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik +het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas +mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag +en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten +zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal +ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet +haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele +gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer +lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud. + +Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het +hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven. + +Voor altijd uwe verkleefde vrouw + +ROSALIE." + + + + * * * * * + + + +XXVII. + + +Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij +behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd +even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan +wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en +zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo +schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen +gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de +straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt +allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen +en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit +gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters +hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel +nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw +genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die +schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de +wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van +automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een +onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde. + +"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en +zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten +meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind: +dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij +eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den +baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen +waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen +grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre +op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute, +maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch +hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik +vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel +kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten +saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat +zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man +hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch +vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig +volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde +vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit +ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar +triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt +ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar +ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en +spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft +blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is +nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap. +Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik +tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat +zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij +meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er +gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd +dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan +haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje +pasiensie moet hebben. + +Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij +dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen +komen. + +Uwen verkleefden man met het hart, + +ALFONS. + +"Dezen brief moogt gij aan den meester hoegenaamd niet laten lezen om +dies wille wat er in staat over den baron met die twee vrouwspersonen in +zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig en hij zou er in het +dorp gaan kunnen over babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen +doen, en aan de knechten en het meissen moogt gij hem ook niet +voorlezen." + + + + * * * * * + + + +XXVIII. + + +Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij +ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem +lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den +baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en +somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou +en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo +een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om +zou zien. En toch!... + +Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn! + +Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het +boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel +mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer +den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had, +dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van +den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad +gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op +schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel +bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een +oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en +watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen +bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve +veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige +dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam +er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat +dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met +enkele maanden te laat op de wereld te komen. + +Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was, +sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij +zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet +in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep +wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel +openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, èn Smul, èn +'t Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij +niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit +beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wèl als ongeluk en +tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal +zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't +onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook +niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en +deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n +schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't +wàs nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij +al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend +noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde +zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om +hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den +arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch +van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar +kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of +stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en +Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel +niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam +onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel, +het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er +in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte +wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette, +zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten. + + + + * * * * * + + + +XXIX. + + +Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke +antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles +best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge +barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods +met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn +gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt; +hij mòcht nog niet terugkomen; hij mòcht niet plotseling, zonder +overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon +doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den +vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een +ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje, +waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar +macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast +scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was +blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed +uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke +koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch +om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje +van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden +komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind +vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n dépèche?... +veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het +jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe +van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de +oogen schemerend: + + +"Ik kom van avond terug. + +ALFONS." + + + + +XXX. + + +Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn! + +Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij +had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem +verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde +ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij +naar hem verlangd had. Nu ... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam +terug en dat geluk overtrof en vergoedde àlles; nu zou ze niet geduld +hebben dat hij nog maar één dag, nog maar één uurtje langer weg bleef. +Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen +was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in +huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't +boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de +schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar +uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend +weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste +in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen: +"Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!" + +Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij +langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar +onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.--Wat mocht er wel +gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in +den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan +eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom +was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos +op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog +langer daar te houden?--Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst +opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn. + +Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te +vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met +zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee +te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het +rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van +haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar +ouders zou gaan waarschuwen. + +Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het +was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen +minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar +buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en +stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te +luisteren.--Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar +kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm +en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler, +heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige +duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen +weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans +knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het +zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen +van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek +gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche, +schorre angststem: + +"Es hij doar?" + +"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap. + +"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken +naast het rijtuig meehollend. + +Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde +haar als met doodschen angst. + +"Hoe es 't, Alfons? hoe es't?" herhaalde zij, haast schreiend. + +De sjees had vóór den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch +eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap: + +"Azeu ... stillekes." + +"Och Hiere toch!" kreet zij. + +Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis, +het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed +was.--Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de +zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den +breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die +schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar +angst ten top. Zij snikte.--Vaprijsken haalde den koffer van onder de +voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap +zijn hand uit. + +"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen. + +En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde +eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei: + +"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait." + +"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste." + +Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met +'t Geluw Meuleken naar binnen. + +"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij. + +"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend. + +"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n hè ou nog nie +gezien, 'k 'n hè ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig. + +Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke +schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam +kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als +ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten +leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk +glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen +woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat +daar vóór haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar +onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de +inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het +Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den +drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween. + +"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht +van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande. + +"O, goed, alles heel héél goed," haastte zij zich te antwoorden; "de +stal, de kinders, 't veuleken, alles heel héél goed." + +Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd, +vóór zich uit. + +"'K 'n kòst het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kòst nie mier, 'k zoe +d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij. + +"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge +tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.--"Wilt-e nou al gauw iets +eten?" riep ze eensklaps levendig. + +Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord. + +"'K 'n kòst nie mier, 'k 'n kòst nie mier! 't Was alles goed, moar 'k +moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre ... +'t es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie +helpen ... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn." + +Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart. +Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te +laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was +hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen +praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu +eten of drinken wilde. + +"'K 'n hé gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij. + +Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te +warmen. + +"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte +hij, streelend haar hand nemend. + +"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd. + +Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een +schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes +weer opleefden. + +"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij. + +"'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken? +'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe +weer es goa 'k ne kier tot in de stal." + +"'t Es tòch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge +meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van." + +"Sloa ze?" vroeg hij. + +"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken +'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie +altijd bij goan." + +Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte +even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste. + +"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd. + +"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K +ben zeu moe; 'k kome van zeu verre." + +Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling: + +"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?" + +Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een +schuldige, met rood zich kleurden. + +"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.--En +plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd, +kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende +tranen uit. + +"Ach Hiere! moet er dà nou euk nog bij komen," klaagde hij. + +Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij +kropte met geweld haar tranen op en volgde hem. + +"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog, +hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend. + +Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren +klik, en keerde zich toen om. + +Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde. + +Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen.... + + + + * * * * * + + + +XXXI. + + +Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen.... + +De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen +hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde +naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in +haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de +doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of +sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer. + +Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen, +zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te +staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren +en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de +groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar, +gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets +van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur +en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds +terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de +breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die +af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken +middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje +vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer. + +Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even +op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag +van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om +de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier +witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het +bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar +stond het vóór zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne +hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn +recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille +verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte +bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte, +in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje +hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde +bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter: +zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden +staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een +geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg +en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de +borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn +kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste +jongetje dat zij heel rustig moesten blijven.... + +Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder +schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was. + +"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide +Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch +onverbiddelijk wist. + +Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en +vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was. + +Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig. + +"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie +'n zilt hirtreiwen." + +"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging. + +"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan. + +"Dà beloof ik ou zeker! dà zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e +toch aan zulk 'ngedachten?" + +Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood. + +"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij +eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen +en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle, +gele wangen, in zijn zwarten baard.... + +Heel zacht kwam eindelijk het laatste.... + +Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad: +Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader, +oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een +"suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had +gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't +raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het +zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en +één gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat +hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op +zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om +'t kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer +binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd. +Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen, +vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze +staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij +ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar +plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en +stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van +angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem +en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de +volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nòg dieper over +hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna +onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht +neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als +de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even +zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het +eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het +was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de +onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van +onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene +kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist +het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek +zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet +bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was; +'t was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging +rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze +schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het +Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur, +klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden +kleivloer. + +De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere +gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar +hem informeeren kwam. + +"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een +droom. + +Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel, +aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken +in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen: + +"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!" + +"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold. + +"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem. + +Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen vóór de +oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos +lang.... + +In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje. +Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker +op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig +klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag +op den harden kleivloer. + +Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren +lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend +bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen. + +De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook +Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de +begrafenis te regelen. + +Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets +merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen +zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge +koorts te bed lag. + +De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels +stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het +erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was +stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje +kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het +Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En +iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos.... + +Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee +paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos vóór +den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als +naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag: +"Bezinne, es 't mee ouën dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen +moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks +hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht. +Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes +teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders, +dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even +buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en +keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis +de kinderen bezig. + +Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een +stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts +en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich +op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige +stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de +wagen van het erf. + +Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag. +Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als +'t ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en +weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere, +op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den +zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten +gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende +kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken +en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield +de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen +handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen +wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote +uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin +het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer +zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald +geroep.... + + + + * * * * * + + + +XXXII. + + +Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone +leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou +nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen. + +De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van +achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar +voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte +kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het +vuur, en vroeg haar: + +"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoên +we doar eirdappels planten of zoên we 'r suikerijen zoaien?" + +Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar +plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.--Ach! hoe kon +ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar +immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar +betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als +onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel: + +"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?" + +"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de +suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houên altijd +uldere prijs." + +"Hawèl, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij. + +"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoên we nou ne kier +probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoên w' hem nog 'n joar +loate liggen lijk of hij es?" + +Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en +twijfel. + +"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal. + +"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "Whèn nog al wa heui +over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar +vervalschten kucht." + +"Hawèl joa, we zillen nog 'n joarke wachten." + +Hij knikte met het hoofd en was weg. + +Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der +boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had +er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem +overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La, +een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide +knechts even vóór 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te +rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol +tranen: + +"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twieë goe zil blijven +helpen. Ik 'n hè natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k hè road en +hulpe neudig.--'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder +eigen woare." + +Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog. + +"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hèn," +zei hij met een stem die trilde. + +Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch +euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken. + +Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af, +en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn +gewoonte was: + +"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen. +Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!" + +Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als +boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar +verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde +en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er +was een oogenblik volkomen stilte. + +"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar +en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend. + +Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor. + +"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch +moar knechten alle twieë." + +Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken +was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het +ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee! + +Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite +Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet +verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat +hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit. +Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden +wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan. + + + + * * * * * + + + +XXXIII. + + +Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste boer en baas der hoeve. +In het begin nog raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich toch +altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze formaliteit al spoedig +overbodig en beredderde weldra alles zonder vragen naar zijn eigen wil. +Hij besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid, geplant zou worden; +waar, wanneer en hoeveel noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe, +hoelang en voor welk loon zij zouden werken. Eerst vroeg hij nog een +tijdlang Rozeke's instemming en goedkeuring voor wat inkoopen en +verkoopen betrof; maar ook daarin handelde hij weldra naar zijn eigen, +exclusief goeddunken, kocht en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan +Rozeke het geld der ingeslagen of geleverde waren. + +Het duurde niet lang of koopers en leveranciers onderhandelden +uitsluitend en rechtstreeks met hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant, +de zadenhandelaar boden hèm hunne producten aan; de veekooper, de +aardappelkooper debatteerden met hèm over de prijzen van het vee, van 't +graan en van de aardappels. + +Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre te buiten ging, maar +zij had nu eenmaal, door de omstandigheden gedwongen, de macht uit haar +handen gegeven en zag geen kans die nog terug te krijgen. Het was fataal +zoo gekomen, het had niet anders gekund; dat was het onvermijdelijk +gevolg der groote ramp die haar geluk geknakt had.--Doch anders kon zij +over hem niet klagen en de heerschappij was wel aan hem besteed. Hij +verdiende ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en flink, den +ganschen dag door; hij werkte eigenlijk voor haar en voor haar kinderen, +als gold het zijn persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een +zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons' langdurige ziekte wel +eens bedreigde materieele voorspoed en welvaart weer op het boerderijtje +komen. + +Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook groeiende nijd en +nauwelijks bedekte schimperij en vijandschap. Men spotte met zijn +heerschappij en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten. +Vaprijsken noemde hem achterrug "menier den boas", en 's zondags, +wanneer hij halfdronken in de herbergen van 't dorp liep, vertelde hij +aan al wie 't hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op te +zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend zoodra hij uit Smul's +tegenwoordigheid was en voorspelde dat men weldra rare dingen zou +bijwonen.--Ook het Geluw Meuleken was dadelijk, na Smul's bazig +optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar geworden. Zij keek Smul niet +meer aan, wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij vreesde 't +ergste van hun gescharrel en voelde zich, minder dan ooit, bij machte +het tegen te gaan; maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was 't +Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals Vaprijsken raasde en +lasterde zij achter den rug om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't +dorp. Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke geruchten kwam +Rozeke's ouders iets ter oore; en op een zondagmiddag verscheen moeder +op de boerderij. + +Rozeke hoefde haar slechts van verre over het erf te zien aankomen, om +dadelijk te merken dat er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw +zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende heupen, als een vette +modder-eend; haar gezicht was blakend rood en haar tandelooze mond hing +open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze binnen en had zich +overtuigd dat Rozeke met haar kinderen alleen was, of ze hijgde en +stotterde 't er opgewonden uit: + +"Roze!... è è es da woar wat da 'k doar heure zeggen hè ... dat-e gij +mee ouë peirdeknecht goat hirtreiwen as ouën tijd om es?" + +"Wa ... wa zegt-e doar, moeder!" riep Rozeke verschrikt. + +Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar adem op een stoel +gezakt, moest eerst even op verhaal komen. Haar fletse blauwe oogen +keken rond en boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen over +haar vette, roode kwabbe-wangen. + +"O ... o ... of 't woar es da ge mee ouë peirdeknecht goat hertreiwen as +ouën tijd om es?" herhaalde zij eindelijk, met een stem die klapte als +een zweep. + +Een vloed van emotie kwam plotseling van uit de diepte van Rozeke's hart +naar haar gelaat opgestormd. Het hokte in haar keel en vulde met tranen +haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige belofte bij zijn +sterfbed; en dat zij die belofte schenden zou, o, het stond zóó verre +van haar af, dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos of +verontwaardigd over moeders harde woorden werd. Zij zuchtte zwaar en +hikte zenuwachtig, doch zij wist zich te beheerschen; en in plaats van +de vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt, met kalme, bijna +toonlooze stem: + +"Wie zegt da, moeder?" + +"Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r wor van nie anders +gesproken. 't Es 'n schande!" hijgde de opgewonden vrouw. + +Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich gesard en ook eindelijk +kwaad worden. Haar oogen schitterden en een heete kleur kwam over haar +ingevallen wangen + +"Hawèl, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan veur mijn poart dat 't +leugens zijn!" riep zij eensklaps nijdig en bits. + +De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend het hoofd. En zij begon +scherp uit te varen tegen Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen +Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons' dood, op 't hoevetje +gebeurde.--"'t Es 'n schande! herhaalde zij voortdurend, "'t schijnt dat +'t al aan d'euren van de páster es gekomen, en as er den b'ron of +mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!" + +"Joa moar wàtte, moeder? Wa ès er 'n schande? wa ès er gebeurd?" riep +Rozeke hoe langer hoe bitsiger wordend. + +"Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar geboaren?" gilde de dikke +vrouw. "Weet-e gij meschien nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne +kleinen krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!" + +Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen van 't Geluw Meuleken was +haar al een heelen tijd verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van +aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog. + +"Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert verscheide weken noar +mallekoar nie mier omme!" riep zij angstig en verbaasd. + +"Hawèl joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen es!" hijgde moeder +van Dalen. "Van as Smul ondervonden hèt dat de pap verbrand was, hèt hij +heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn zinnen op ou +gesteld hèt! En 't Geluw Meuleken, die doarom kwoad geworden es, goa nou +heul den boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes es, euk!" + +"Wà leupen z' al vertellen?" vroeg Rozeke. + +"Wèl!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie onneuzel geboaren! Ge +keun wel peizen, e-woar, wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n +schande!" + +'t Was als een openbaringslicht dat plotseling voor Rozeke opging. Zij +voelde, met afschuw en schrik, het gansche laag gebabbel en geknoei dat +buiten haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster zij weerloos +was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging en woede, eensklaps +vast besloten er korte metten mee te maken. + +"'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal wete; d'er zal hier +gauwe goan veranderijnge komen," zei ze beslist; en als in krachtdadig +besluit kneep ze strak haar lippen op elkaar. + +Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging moeder eindelijk weg, +en kort daarop kwam 't Geluw Meuleken van 't dorp terug. + +Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel af te nemen. + +"Es da woar, Meuleken," vroeg zij bruusk af, met bleeke, bevende lippen, +"es da woar dat-e gij moet ne kleinen hên van Smul?" + +Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje te gaan +verkleeden, bleef als versteend staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke +omgekeerd, den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En vóór ze zelfs +een enkelen klank tot antwoord had geuit, zag en begreep Rozeke +eensklaps alles: haar betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de +angstig-verwilderde uitdrukking van haar oogen, het reeds zwaar-wordend +figuur; alles wat zij in haar diepe droefheid van de laatste tijden niet +gemerkt had, trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht en zij +raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw Meuleken, zuchtend en +schreiend, de waarheid ook niet poogde te verbergen: + +"'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in ploatse van mij t' +helpen in al mijn verdriet!--'K ha d'r al lank wa van in de goaten, moar +'k miende dat 't gedoan was!--Joa moar azeu 'n keunt g' hier nie +blijven, zille! Treiwen of hier wig!" + +Het Geluw Meuleken hikte en snikte: + +"Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij hè mij bedrogen en nou loat hij +mij leupen. Hij durf zelf zeggen dat 't van hem nie 'n es, de +sloeber!--Moar 't 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!" + +Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg en opstand: + +"Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?" + +"Iederien, bezinne, iederien." + +"Hij euk?" + +"'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't dorp zegt het; en +Vaprijsken zegt het euk, iederen zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't +heuren wilt!" + +"Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk gien goeje, want g' +het er euk van gebabbeld, ik weet het!" + +"'t Es gelijk, bezinne; ik 'n hè 't nie iest gezeid; Vaprijs hèt 't iest +gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste mee. O! die sloeber, die +sloeber!" + +Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk, en Rozeke, ellendig doch +meelijdend, voelde langzamerhand haar eigen toorn in machtelooze wanhoop +verzinken. Doch zulk een toestand kon ze niettemin in geen geval op haar +boerderij dulden, en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo +mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken over te halen. + +Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en wachtte op de komst +van Smul. Zij hoorde weldra een geluid van voetstappen in de duisternis +over het erf en opende met kloppend hart de voordeur. + +"Ivo, zij-je 't gij?" riep ze. + +Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al haar krachten in om sterk +en kalm te blijven en haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden +gepijnigd saâmgefronst, haar tanden beten zenuwachtig op haar onderlip +en zij voelde zich in 't donker op den drempel een vurige kleur krijgen. + +"Joa ik, bezinne," klonk Smul's ruwe stem in de duisternis. + +"Wilt g' hier ne kier komen?" + +Hij was reeds bij de deur van den paardenstal om te gaan slapen. Hij +keerde zich om en kwam sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het +woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte trapsgewijs uit +het donkere te voorschijn komen. + +"'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo." + +Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar binnen en sloot de deur. + +Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime, lage, zwartgebalkte +keuken, zij vreeselijk ontsteld en niet wetend hoe te beginnen, hij +nurksch en norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge +streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke kaken, zijn koude, +grijsblauwe oogen strak op haar gevestigd, onder de klep van zijn zware, +ietwat scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder kap stond +ongezellig lichtend op een laag groen tafeltje; in 't haardvuur +versmeulden de laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte, lomp +en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem te zeggen had. + +"Ivo," begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven kijken en met een +stem waaraan zij weer vruchteloos poogde kracht en vastheid te geven, +"Ivo, 't Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind van ou moe +krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt treiwen." + +Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend, één enkele +seconde. Maar, voor zijn harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk +háár blik weer neer. + +"Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n hè doar gien affeirens mee," +klonk kort en ruw zijn afdoend antwoord. + +"Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es; en às 't azeu es zoe +je 'r toch wel meugen mee treiwen," drong zij zonder overtuigingskracht +aan. + +"Bezinne," antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend, "die zijn gat +verbrandt moe op de bloaze zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet +'n wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het van mij zijn, moar 't +kan euk van Vaprijs zijn en meschien nog van ne heulen boel andere. Ik +'n trek het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn botten aan." + +"Joa moar, Ivo, op die manier 'n kan ik ulder toch op mijn hof nie +houên!" riep zij eensklaps heftig, met hooge kleur, over zijn +hondschheid verontwaardigd.--"Wa zoên de meinschen wel zeggen? En wa +zoên de giestelijke zeggen? Wa zoên den baron en de baronesse zeggen? Ze +zoên mij doen verhuizen!" + +"'t Es het goed, bezinne, as ge 't op die manier opneemt zal ik +wiggoan," zei hij kortaf. En hij week al vast naar de deur. + +Zij schrikte. Weggaan! Dat kon niet, vooral niet op dit oogenblik, met +de aanstaande volle drukte van den veldarbeid. Dat was een halve ruïne, +voor haar en voor haar kinderen. En zij voelde zich plotseling laf +worden; zij voelde, dat niet de misdadiger, maar wel het ongelukkig +slachtoffer, het Geluw Meuleken, moest opgeofferd worden. Zij stond met +hooge kleur te beven en wist niet meer wat te zeggen; tranen kwamen in +haar neergeslagen oogen en zenuwachtig beefden hare lippen. Wanhopig +keek zij om zich heen, als zocht zij naar een hulp en steun welke niet +meer te vinden was, als zocht zij nog naar hem die haar door den dood +zoo onmeedoogend was ontnomen. Maar zij had niets meer, zij stond zoo +ellendig alleen en zoo zwak op de wereld; en laf ontsnapte 't aan haar +bibberende lippen: + +"Gij of zij, d'r moet toch ien van de twee wig; azeu 'n kan 't nie +blijven.--En zij moe in alle geval...." + +Eensklaps vloog de zolderdeur open en 't Geluw Meuleken, die staan +luisteren had, kwam in de keuken gesprongen, woest, razend, huilend, met +fonkelende oogen schreeuwend en scheldend: + +"Gie sloeber! gie valschoard! Watte! ge durf zeggen dat 't van ou nie 'n +es! En gij euk, bezinne, gij zij euk 'n slechte, 'n slechte! Ge span mee +hem te goare! 't Es 'n schande! Ge zij sloebers, valschoards alle twieë! +Ulder hof es verdomd, verdomd! Hij es nen brigand, ne meurdenoare! Hij +hé mij compleet vermeurd en hij zal ou euk vermeurden, en 't zal wel +besteed zijn! 'K zoe nog liever veur mijn kind goan scheuien as hier nog +ne menuut langer op ulder slecht hof te blijven!" + +Woedend vloog zij naar de voordeur en eer zij den tijd hadden een woord +te spreken of haar met geweld tegen te houden was ze buiten en weg, den +boomgaard af, het hek uit, onder razend geblaf van den waakhond door de +nachtelijke duisternis naar 't dorp. + +Rozeke was huilend van ontsteltenis op een stoel ineengezakt; Smul, even +stom en roerloos als een bruut, stapte met loggen tred uit het huis en +ging naar zijn slaapplaats in den stal. + + + + * * * * * + + + +XXXIV. + + +De jonge baron en zijn vrouw kwamen dat jaar later dan gewoonlijk +buiten. Zij waren er eerst tegen het einde van Mei en enkele dagen +daarna kwam de barones Rozeke opzoeken. + +Het was een droevig bezoek, een gansch her-opleven van al al de zware, +nog maar pas geleden smart. Rozeke begon dadelijk hopeloos te schreien +zoodra zij de barones zag en lang spraken zij nog over den doode. De +barones vertelde haar nog eens hoe zij 't onmogelijke had gedaan om hem +langer in 't zuiden te houden en hoe het was mislukt, omdat hij er niet +wennen kon en aldoor, altijd maar naar huis verlangde. Hij was ook reeds +tè ziek toen hij vertrokken was; hij kòn niet meer genezen. 't Was +erfelijk geweest bij hem, zij wist het van den dokter: zijn vader en +zijn broeder waren ook beiden jong aan tering gestorven. + +Rozeke stilde eindelijk haar overstelpende, te lang verkropte tranen en +toen viel het haar plotseling op dat ook haar voorname vriendin er zoo +bedrukt uitzag. Een ongewone plooi van kommervollen ernst lag over haar +verbleekt gelaat en haar mooie oogen hadden iets vaag-peinzends, iets +afwezigs en verstrooids in hun uitdrukking, alsof zij voortdurend met +hare gedachten elders was. Rozeke vroeg hoe 't ging met haar kindje en +haar man. + +"Goed: nog al goed," antwoordde zij met stille, matte stem, terwijl een +lichte kleur over haar bleeke wangen kwam. + +"Es menier den baron euk op 't kastiel?" vroeg nog Rozeke. + +"Neen, nog niet, maar hij komt nu weldra," antwoordde zij. Haar +wenkbrauwen trokken zich zenuwachtig samen en ietwat hooger kleurend +wendde zij het hoofd om en bracht het gesprek op andere onderwerpen. + +Rozeke durfde niet verder meer vragen; maar plotseling herinnerde zij +zich de mededeeling uit een van Alfons' laatste brieven; de zonderlinge +ontmoeting van den baron met die twee rare vrouwen in zijn automobiel, +en even bekroop haar de angst dat hun huwelijk er ongelukkig door +geworden was. Doch zij joeg die akelige gedachte verre van haar weg. +"Hoe zou het mogelijk zijn, dacht zij, dat een man die zulk een schoone, +goede, liefhebbende vrouw bezit, nog ooit naar andere en dan nog wel +naar zulke slechte vrouwen om zou zien." + +En toch,... zij vreesde. + + + + * * * * * + + + +XXXV. + + +Na de heftige scene met het Geluw Meuleken was de toestand op de +boerderij gedurende enkele dagen hoogst gespannen geweest. Smul liep +sprakeloos en somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was aan +den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan en in haar radeloosheid +had Rozeke haar ouders te hulp geroepen. + +Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde dat zij heel den boel +ineens opruimde, dat zij, niet alleen het Geluw Meuleken, die nu +trouwens bij haar moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral +Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette. Doch vader van Dalen en +Rozeke's broeders, veel kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en +beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had mooi praten, omdat zij +zelve niet voor 't geval stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens +twee nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den ophanden zijnden +oogst, nergens zelfs meer noodhulp was te krijgen? Zoo'n vaart had het +dan ook niet genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar al te +radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken was tot reden en bedaren +gebracht en Smul werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder ten +slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken, een van verre; een "uit +den bosschen", zei moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en +geknoei der laatste tijden zou te maken hebben. Op een ochtend kwam het +meisje, vergezeld van moeder, op de hoeve aan; en 't leek een +vriendelijk, ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met héél lichtblauwe, +bijna witte, kleine oogjes en een rond, zachtwangig, door de zon +gebruind gezicht, vol bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op +elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken. Die overvloedige +sproetjes en die heele lichte oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en +dat stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van wege geknoei met +de knechts. Zij heette Meleken. + +En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig, alledaagsche leven +zijn gewonen gang. + +De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg en nu was men overal aan +'t pikken van de rogge. Van alle kanten klonk het sissen van de +scherp-geslepen sikkels in het ruischend-neerzijgende koren; en weldra +stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet met ontelbare, als levende +gestalten in elkaar gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het +waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte en goud-gerokte +vrouwtjes op het kaal-geschoren stoppelland; als stille processies van +duizenden en duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig dorpje +met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig gaande, in +geheimzinnige vroomheid, tusschen de paars-bloeiende klavervelden en de +heldergroene weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van landelijke +heerlijkheid en weelde. Tot één groote rythmus-hymne van vruchtbaren +arbeid versmolten alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor +grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer; en ook op Rozeke's hoeve +was 't nu ingespannen werken, van den vroegen ochtend tot den laten +avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den plicht van den +ernstigen land-arbeider in oogsttijd; en Smul, zoowel als Vaprijsken en +de andere, gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den dag in +zonnegloed op 't heete veld, midden in de zware garven die op den +blonden stoppelakker vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld. +Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld aan. + +"Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken, nog 'n koartierken binst +da we 't scheun weer hèn, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche," +porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen dag op de gebogen +ruggen had gebrand, reeds lang in haar apotheose-luchtkasteelen van +roode en gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden +horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten man bleef hij gebukt en +zweetend sikkelen, soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't +uiterst hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren van vuur en +bloed scheen neer te maaien. En lang reeds zaten de anderen etend om de +avondtafel, als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook +eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe begon te slurpen. + +En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor +zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik +steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen, +door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding, +in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren; +en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede, +gruwelijke scène in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht +opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook +maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen +sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het +Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel +of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat +hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in +de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij +haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch +deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar +onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs +niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof +hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde, +barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen +had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra +alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk. + +En toch... toch was ze zoo bang!--Telkens had ze 't akelig voorgevoel +dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en +barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets +vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts +met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou +wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste +aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets +zijn... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan +plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren. + +Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu +hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeër leek dan vroeger. Hij zag er +slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken +uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat +en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van +zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen, +voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets +willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar +wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde +hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel? +Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?" +Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het +kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar +ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem +angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde +eindelijk los zou barsten. + +Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn +pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had +verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en +Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte +Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer +verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die +doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even +door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij +ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't +werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien +zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis +was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering +hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader +en moeder en Miel thuis bleven wachten. + +Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde +houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar +gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht, +doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen, +donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande +hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch +ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het +helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende +ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten. + +Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een +bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De +kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de +beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had +last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit +zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn +morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote, +stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij +voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en +zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag +leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder +schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend +armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn +nestje zal gaan vliegen. + +Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde +teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit +de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij +'t toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op +het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde, +de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een +droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms +zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo +kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of +van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in +haar op.--Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie +hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.--Daar +zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu +doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen +dat niemand van haar thuis nu nog zou komen.... + +Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de +openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna +hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van +blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een +lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de +onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken +en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje +wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals +uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie +schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af. +Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje +zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.--Smul liep langzaam +slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek. + +Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend +naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht: +"hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit +'t dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een +groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide +stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed: + +"Scheun weer, hè?" + +"'t Es pertijkelier!" + +Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar +vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en +vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen, +daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er +hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme +avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje +buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen +zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis +toetreden. + +Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar +twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers +elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij +zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig +weer weggaan. + +Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt. + +"'t Es woarm, hè, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze, +ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van +emotie krijgend. + +"Merci, 'k 'n hè gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet," +antwoordde hij kortaf. + +Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en +betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en +dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking. + +"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend. + +Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel, +vlak vóór haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het +tafeltje en keek haar strak en vorschend aan. + +"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n +kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?" + +Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het +zoolang gevreesde komen. + +"Woa... woarom datte?" beefde en stotterde zij. + +"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij +met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend +is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn +gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht +terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas of +knecht." + +Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden. + +"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust +van wat ze zei. + +"'K ben knècht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier +giene knecht mier blijven. 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij +hirtreiwen, of ik hier wig." + +Daar was het groote woord gezegd, dat wat ze bovenal vreesde. Het stond +ineens vóór haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er +van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een +kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een +sterk besluit: + +"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet ... +Alfons ... mijn kinderen ... o nie nie, noeit, noeit!" + +Als door een veer bewogen stond hij op. + +"Al gezeid.--Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien +doagen." + +En vóór ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit. + +Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het +raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en +vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp. + +"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van +ontroering. + +Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken vóór haar voeten steeds te +knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag +Marietje in haar wieg te jubelen.... + + + + * * * * * + + + +XXXVI. + + +Smul had zijn dienst opgezeid!--Dat was het groote, dadelijk alom in de +buurt verspreide nieuws van den volgenden ochtend. De pikkers en +bindsters op den akker spraken elkander met verbazing aan; Meleken, die +om acht uur met de boterhammen en de koffie op den akker kwam, werd +dringend ondervraagd en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder er +eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken juichte onverholen, +met glinsterende oogen lachend in zijn gelen baard, als voor een heel +goede, blijde tijding. + +Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken. Zij durfden niet, +ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid die op de tongen kittelde. +De kerel zag er ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij zag er +naar uit om bij de minste toespeling geduchte klappen uit te deelen. Hij +was de afgemaaide droge roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij +met paard en wagen om den hoek van 't stoppelland verscheen, hielden de +drukke gesprekken plotseling op en werd de vracht in doodsche stilte +opgeladen. Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw zweepend op zijn +beest, of dadelijk begon het weer: zij staken de hoofden samen, +babbelden en lachten en maakten eindelooze onderstellingen over de +oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou gebeuren. + +"Hij hè hem 'n bleiwe scheene geleupen!" beweerde de een. + +"Z' hè hem zelve wiggezonden!" meende een tweede. + +"Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!" veronderstelde een +derde. + +Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan dat Smul wel degelijk +een blauwtje had geloopen; en elk oogenblik haalde hij in zijn +uitgelaten, wraaklustige pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet +zijn sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend en jankend +in 't ronde, de beide handen wrijvend aan zijn scheenbeenen, jammerend +dat hij ergens tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars en blauw +zagen. En 't gansche troepje viel daarop luid aan 't schaterlachen, het +werk stond stil en allen deden om het dolst, tot het daverend geratel +van Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren en allen, nog +steeds vol ontzag en vrees voor hem, haastig weer over de schoven en in +'t neerritselend koren bogen. + +Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't Was volop in den oogst +en na den oogst kwam haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze +hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder ontboden en haar het +gebeurde meegedeeld; maar hoe moeder ook over die zoolang door haar +gewenschte oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel gemakkelijk een +anderen, goedgeschikten paardenknecht zou vinden, zij vond er juist +geen. 't Was ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken tijd. +Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner, goed of slecht, was +op dat oogenblik meer vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke +beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen, maar natuurlijk niet +voor lang, want zij waren nu thuis ook broodnoodig. + +En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul +zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was +radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken +naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot +na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet +te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij +wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar +iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te +wisselen. + +Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met +zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar +'t dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten +even, maar toen hij daar om half-één nog niet was, at Rozeke zonder hem, +met Meleken en met Vaprijsken.--Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij +zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon +geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel +bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden +had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week, +denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en +er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou +hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't +allerdringendste te helpen doen. + +Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch +getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou +dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die +er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de +laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en +zooals Smul na hem ook had gedaan. + +Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de +concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve +zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij +betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af? +Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo +zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij, +het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden +zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet +kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die +nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige +verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar +onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en +rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens +in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't +dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in +den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie +wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis +om op de kinderen te letten. + +Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok +meteen de velden in. + +Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote, +vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar +reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange, +lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in +roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun +miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch +klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig +opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun +rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in +zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche +velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers +uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en +lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en +rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden +avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die +den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo +prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo +verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange +schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust, +vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen +opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al +die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht +ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie +had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt, +haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om +ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van +dichtbij na te gaan. + +Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter +dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den +ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een +versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders +en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig +naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met +gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al +haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte, +roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar +verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook +er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet +veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij +was een uitmuntende stalknecht. + +Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden +koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar +ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een +moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde +haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis, +terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een +trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke +boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche, +dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan. + +"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste," +sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar +begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een +ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn +krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje +suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in +een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op +en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet +het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog, +hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat +tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde +goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een +tweede deur in de schuur. + +Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en +de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge, +stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar +verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote +hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als +een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo +welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en +gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde +bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er, +in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij +plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in +verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de +weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar +wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren; +zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer +verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en +schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te +gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte +vóór haar oprees. + +"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug. + +'t Was Smul!--Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats +te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken, +alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel vóór +zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar +af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem: + +"Wat komt-e gij hier doen?" + +"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde vóór +haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed; +ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te +zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde +naar de deur, om weg te komen.--Zij strekte hare handen uit, struikelde +en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware +platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met +een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna +bijtend op haar lippen perste. + +"Ivo! los!--Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon. + +Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover, +in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en +plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.--'t +Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen +kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven.... + + + + +XXXVII. + + +Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets +met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was +verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo +vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen +maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling +was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad, +opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het +vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was +neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar +belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de +baron, alles, àlles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en +bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en +dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar +dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het +huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle +intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet, +om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher, +die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een +woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om +haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos +slachtoffer in zijn bezit genomen had. + +Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar +voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn +vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid +van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het +alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich +onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom +holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele +buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?--Neen, +niets.--Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij +keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk +weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was. + +"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K hè hem doar op 't hof zien +leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste +moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm: antwoordde: + +"Joa, 'k hè hem euk gezien. Hij es zeker zat?" + +"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij +om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?" + +Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het +haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen. + +"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd. + +"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom +ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hèn; hij...." Zij beet +op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje +aan. + +"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?" + +"Joa joa, zeker, goa moar." + +Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen. +Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in +haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning. + +"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar +schoot te klauteren. + +Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte +aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en +strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen vóór zich uit, +terwijl zij riep met heesche stem: + +"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es +vuil!" + +Het dienstmeisje kwam weer in huis: + +"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n +hèt om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas +bier wille brijngen." + +"Brijng het hem," zei Rozeke. + +"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?" + +"Joa, 't es goed." + +Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het +roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp +van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en +zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het +eten voor een beest. + +"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hèn," kwam Hilairken zaniken. + +Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af +en gaf het aan den bengel. + +Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden +zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de +hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en +weer ging ze roerloos-stom vóór 't venster zitten, als op een vreemde +plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer +kende. + + + + * * * * * + + + +XXXVIII. + + +Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't +boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was +slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles +omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het +nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag +weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn, +maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn +halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde, +zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te +vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in +vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem +zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de +onmogelijkheid van zijn vertrek. + +En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo +vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet +verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle +kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde, +iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat +gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek +wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon +geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd +in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een +nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen +en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden. + +Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke +werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want +zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was +niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog +iets gezegd werd, zonder dat nog iets,--zij wist niet wat--gebeurde. + +'t Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke +was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van +haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek. +Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan? + +De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed. +Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog +alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam +kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe, +diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst +sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer +in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van +lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en +worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles, +o, àlles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht +geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren +nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij +voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij +hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet, +zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet +doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag +ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar; +zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange +sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen +in elkaar.--Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte.... + +Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul vóór haar. Met een +schorren angstkreet sprong zij op: + +"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?" + +Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel +even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn +koude, grijze oogen haar aan. + +"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K hè espres gewacht tot da g' +alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen." + +"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de +beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam +als tot zelfverdediging gespannen en gestramd. + +"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof. + +"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen +houding. + +Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij +grijnslachte; maar eensklaps kalm: + +"'t Es goed; betoal mij dan.--'K goa morgen wig." + +Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar +stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij +bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en +alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van +zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest +verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan. +Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij +antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en +als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de +kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de +duisternis van de keuken alleen liet. + +Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde +zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast +nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar +eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies +en in een woeste pranging haar omknelde. + +Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en +kreet dof: + +"Zwijgt, of ik vermeurd ou!" + +Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in +een hoek. + +Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak.... + + + + +XXXIX. + + +Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende +oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den +grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde, +doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer +lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen +vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend +overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de +kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten +huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het +land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen... op +een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk: +het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat +was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was +de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de +stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een +gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het +rood-oplaaiend vuur?--Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met +hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel +familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren +allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had +haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het +hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch, +Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan +hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wèl +gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu +niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging +uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende +aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en +vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en +was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er +veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep +openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het +kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken. +Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog, +pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven +was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders +boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van +haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang, +van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van +walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor +'t bestaan van hare kinderen! + +'t Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis +bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige +kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met +Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling +en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat +toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde, +dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd +"proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever +in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het +alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die +hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich +heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den +misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op +'t oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts +of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe +ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop +kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar +hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons' +sterfbed! + +En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de +herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't +geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch +alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar +haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen +zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul +voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd +gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer. + +Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel; +en toen de maaltijd geëindigd was, trok zij weer haar gewone +dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om, +terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel +zaten. + +Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege +schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de +stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de +merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard +heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de +zijne waren. + +Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den +drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware +hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en +wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje, +dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd +geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van +het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons, +die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte +had opgedaan.--O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel +klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het +naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een +doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een +zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij +huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen +omwasschen... + +De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en +kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en +weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.--'t Werd avond, vroege, +droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.--Nog +steeds was hij met de mannen uit.--Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den +drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den +omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit +de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den +langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens +in een schuur. + +Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren +reeds slapen gegaan.... + +Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende +voetstappen en rilde van afkeer en angst.--Hij opende de deur en deed ze +weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond. + +Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos +uit.--Zij rilde, rilde ... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende +lucht van tabak en drank die om hem heen walmde. + +Toen kwam hij bij haar.... + +Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede +huwelijk.... + + + + * * * * * + + + +XL. + + +Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring, +waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger +jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet +wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast +vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk +aldus voorspeld en geschikt was. + +Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig +opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te +nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op +haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en +verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand +van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den +sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld +noodig had moest ze 't hèm voortaan vragen. + +Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als +bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een +knecht of meid, met een "hè!" of een "hier!" zooals men tegen een hond +spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op +haar. + +Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar +den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de +keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds +op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.--Even na +vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet +zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en +slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging +weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en +reed weg naar den akker. + +Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede +ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast +een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins +goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort +van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De +kinderen waren dan op en kwamen hem "goên dag" wenschen, hem "voader" +noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goên dag" +terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van +te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld, +waar hij tot twaalf uur bleef. + +Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de +gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken, +bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond +gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan +weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed. + +'s Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar +de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk +en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen +twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar +jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand +een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen. +Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even +naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de +kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef +drinken en spelen. + +Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken. + + + + * * * * * + + + +XLI. + + +Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het +van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn +ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij +weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet +schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf +en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar +dien zelfden middag greep een heftige scène plaats en, voor het eerst +sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem. +Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige +knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had +Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul +hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en +daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar +'t hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide +mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot +verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op +haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke +sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken +was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds +met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie +zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen +en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te +slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien. + +Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen +en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen +hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging +kort, ruw en vlug, als een weerlicht. + +Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en +daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een +krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn +bord met eten tot scherven op den vloer. + +--Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend, +in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging. + +Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't +gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond. + +De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel, +de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een +reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al +zijn kracht. + +Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt, +die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar +doodsbleek gelaat. + +"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij +nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste +gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en +sloot de deur achter zich met den grendel. + +Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen, +poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling +los te worstelen. + +"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't +hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da +'k heur de kop in sloa!" + +Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en +hijgde, bedarend-kalm: + +"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge +moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!" + +Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en +vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem +vragen of hij iets anders wilde eten. + +"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar +in 't gezicht.--En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis +en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om +nog meer te drinken. + + + + * * * * * + + + +XLII. + + +Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling in Rozeke's +gemoed. Haar vroegere angst voor hem veranderde eensklaps in haat, en +die haat gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees nog steeds +verminderde.--Hij had haar nu eenmaal mishandeld en hij zou haar zeker +nog meer mishandelen, haar en wellicht ook haar kinderen; het was geen +onbekende dreiging meer, die haar als een voortdurend-onheilspellend +raadsel boven 't hoofd hing: de slag had haar getroffen als een +bliksemstraal, maar nu wist zij wat haar verder ook te wachten stond en +nu kon zij middelen beramen om zich te verdedigen. + +Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een beuzelarij, toen hij +dronken uit het dorp terugkwam. Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel +en Meleken vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren toestand op +den grond gesmakt, keek hem met groote, sombere oogen aan en zei geen +woord noch slaakte een kreet.--Alleen haar oogen, haar starre, sombere +oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen wilden met de ongezegde woorden +die zich plotseling in haar brein vastspijkerden: "Ik wenschte dat ge +dood waart!" + +Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar eenige hoop, haar eenige +troost, de eenige sterke kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte +en verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen naar iets zachts +en teeders, dat slechts door heel veel moeite, na langen tijd en groote +opofferingen kan verdiend en verkregen worden. Het werd haar geloof en +haar steun, haar vaste zekerheid waarop zij bouwen kon, omdat zij +instinctmatig voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren; 't +werd als de stille, door haar alleen gekende lofzang der verlossing; als +de geheime, in ondertoon gehouden rythme van al de innigste gevoelens en +verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.--En niet alleen meer als +hij haar mishandelde, maar voortdurend, zonder dat er iets gebeurde: +wanneer hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige dingen toesprak; +wanneer hij zat te eten of te drinken; wanneer hij zelfs eenvoudig in of +uit het huis ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend +ruischte dof en somber in haar binnenste de halsstarrige rythme: "Ik +wenschte dat ge dood waart!"--Zij werd met die gedachte wakker en zij +sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts dat hij naast haar dood +lag. Zij werd half wakker in haar droomen, haar hart joeg snel, zij +voelde zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde en de +illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood en zij was verlost; zij +strekte bevend hare hand uit en betastte hem... maar hij bewoog en +knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde, omdat haar hoop slechts +een bedriegelijke schijn was en zij hem nog steeds levend voelde. + +Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje, ellendig klein +schepseltje met stokkerige, schrale beentjes en een misvormd hoofd. De +dokter verborg haar niet dat het erg zwakjes was en slechts met heel +veel zorg en moeite in het leven zou te houden zijn. Rozeke weende. +Waarom was het ook maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven? + +Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die dagen. Hij liet haar +maar liggen en zag ook naar zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker +was aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond Meleken naar haar +ouders om hen te laten weten dat het kind geboren was en te vragen of ze +niet eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet komen en Meleken +bracht de boodschap terug dat niemand van haar huis zich wagen zou. +"Ware hij maar dood, dan zouden ze wel komen", dacht Rozeke. En zij +besloot zelve weer naar hen toe te gaan, wat er ook gebeuren mocht, +zoodra als zij er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar +nieuwen moed en sterkte. + +Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke weer op de been was, kwam +de jonge barones haar eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar +tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen haar had te weeg +gebracht, had Rozeke de lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet +teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning. Haar +gezicht was mager en betrokken, haar vroeger zoo frissche, levende +gelaatskleur had een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden +mengden zich reeds in de donkere haren. Haar oogen stonden dof en +ernstig onder gepijnigd-saâmgetrokken wenkbrauwen; zij was geheel in 't +zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven najaarsmiddag, jaren +geleden, toen Rozeke haar in 't kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke +kreeg plotseling in haar geest de sombere visie van een lijk behangen +met een zwart doodsgewaad en zilveren franjes.--Want zij wist het wel, +helaas! zooals eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig in haar +huwelijk en leefde, feitelijk van haar man gescheiden, met haar zoontje +bij haar ouders op 't kasteel. + +De barones keek naar 't ellendig wichtje in de wieg en zuchtte. Toen +vroeg ze plotseling, met somber-saâmgetrokken wenkbrauwen: + +"Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?" + +Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed van vuur, over Rozeke's +ingevallen wangen en met een uitdrukking van schrik in de oogen staarde +zij haar vriendin strak aan. + +"Joa 't," zuchtte zij dof. + +De barones had een gebaar van verontwaardiging en opstand. + +"De schurk! Waarom laat gij u van hem niet scheiden!" riep zij. + +Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet wetend wat +geantwoord.--Scheiden!--daar had ze niet eens aan gedacht, daar dachten +menschen van haar stand niet aan. + +"Dàt zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem spreken?" riep de +barones gebiedend opstaande. + +Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.--"O, mevreiwe!" kreet +zij. En zij wilde zeggen: "doe 't niet; hij zal mij doodslaan!"... Doch +iets sterker dan haar schrik weerhield haar, smoorde de woorden in haar +keel. + +"Hij es op 't land, mevreiwe," zei ze werktuigelijk, met toonlooze stem. + +"Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar hier doet komen," beval +de barones. + +Meleken werd naar 't veld gezonden en na een poosje keerde Smul met haar +terug. + +"Loat ons alliene," zei Rozeke tot het meisje. + +Meleken ging weg.--Smul stond vóór zijn jonge meesteres, den blik valsch +en wantrouwend, de pet tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er +onraad was. + +"Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt gij uw vrouw?" vroeg de +barones, abrupt--hoogmoedig en minachtend, met gefronste wenkbrauwen op +hem neerziende. + +Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden. Hij keek even op naar +Rozeke, met rechten, starren, kouden blik, een blik die haar deed ijzen; +en dan ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl zijn lippen +bewogen als om iets te zeggen dat er maar niet uit wilde. + +"Welnu?" drong zij ongeduldig, stampvoetend aan. + +"Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huishoûens al wel e-kier wa +scheelt," antwoordde hij eindelijk, met inspanning. + +De jonge barones kon haar toorn en minachting moeielijk bedwingen. Haar +bovenlip krulde zich even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en +dreigend: + +"Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar in de gevangenis. +Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw tegen wil en dank genomen, en nu durft +gij haar nog slaan.--Dit is de eerste en de allerlaatste keer, dat ik u +waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat gij haar mishandelt zult gij niet +met haar, maar met mij af te rekenen hebben.--Begrepen? Allez!" En met +een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond naar de deur. + +Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet eens meer aan. Geen spier +bewoog zich op zijn barsch gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog +even dien harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed huiveren. +Hij keerde zich om en stapte naar de deur. + +"G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?" riep de barones, hem nog +eens uit de hoogte na. + +Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met geweld sloeg hij de deur +dicht; en buiten, vóór het raampje, zagen zij hem, als uit minachting, +naar het huis toe spuwen. + +"Voortaan zal hij zich wel in acht nemen," meende de barones.--En zij +bleef nog een poosje, in gedrukte stemming, met Rozeke praten. + +Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam met vluggen, vastberaden pas, +over den boomgaard aangestapt. Rozeke beefde. "Zou hij nu reeds +durven...?" Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis en beval het +meisje dringend met de kinderen bij haar te blijven. + +Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend naar Kamiel, die in de +schuur aan 't dorschen was. + +"Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen bij boer Lauwe om +zijn sjeeze vroagen en brijng ze mee." + +"Wa goat hij doen?" vroeg Rozeke zich angstig af. + +De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en liep haastig door het +hek, terwijl Smul naar het woonhuis toe kwam. + +"Och Hiere," dacht Rozeke doodsbleek en bevend, nu zal hij mij slaan, +mij doodslaan." Zij deed Hilairken en Marietje in een hoek achter 't +tafeltje zitten en klampte haar rechterhand aan de wieg van het +kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens schort +vastgreep. + +Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan te zien noch een woord te +spreken, ging hij naar hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk +de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend stonden de vrouwen +te beven. + +Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was; zij hoorden gerinkel +van geld. + +--Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan? wa goat hij doen?" +fluisterde zij tot het dienstmeisje. + +Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't gissen? + +Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw kwam moed en +weerstandskracht in haar. Zij keek even om naar Hilairken en Marietje, +die zich doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje hielden, +vaag-bewust dat gevaar hen dreigde. + +Na enkele minuten ging de deur weer open en Smul verliet de kamer, op +zijn zondagsch gekleed, 't gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar +nogmaals sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een blik naar haar; in +een ruk was hij buiten en liep naar de stallen, terwijl Kamiel, als een +paard tusschen 't lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees door het hek +kwam. + +Hij volgde Smul in den paardenstal en samen haalden zij de merrie eruit +en spanden in. Ruw trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het +achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen steigeren; en +plotseling, zonder eenige reden, begon hij op de merrie te vloeken en te +schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en wreede oogen van +verwildering openspalkte. + +Met star-sombere blikken van schrik en haat zag Rozeke roerloos door 't +venster toe. "Het arme beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de +slagen," dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen in haar oogen en +haar lippen trilden, terwijl de diepe stem van haar innigste wezen +verontwaardigd beefde: + +--O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da ge deud woart!" + +Het paard was aangespannen. Hij wipte in de sjees en onder kletsende +zweepslagen joeg hij van 't erf, zóó wild, zóó ruw, dat het rijtuig +tegen een der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde. Als in +een helsche vlucht zag Rozeke het in den modderweg verdwijnen. Kamiel +stond het even, als van schrik geslagen, na te staren en keerde +eindelijk hoofdschuddend in de schuur terug. + +De middag verliep, de mistige najaarsavond viel vroeg in en Rozeke zat +doelloos vóór het venster, met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam, +verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende kinderen om +zich heen. Alles was rouw en smart, het leven werd haar onverschillig, +het was zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid als de +loodzware hemel, die daar buiten alles drukte en omgrijsde met zijn +logge rouwfloersen van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't leven? +Haar teergeliefde man, haar ouders, haar broeders en haar zuster, haar +beste kennissen en vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen, +dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en zelfs haar kinderen, het +eenige wat haar nog aan de wereld deed hechten, verloren hun +vroolijkheid en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien ruwen, +vreemden, akeligen man, die alles om zich heen vernielde en dempte. 't +Was als een vloek die op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat, +van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam wegkwijnen en +sterven, in àl te overweldigend-zware onderdrukking van het onmeedoogend +noodlot. + +Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen duisternis zuchtend +opstond om het avondlampje aan te steken en haar kinderen naar bed te +brengen, kwam een reusachtige, sombere gedaante, met een woestheid van +orkaan, als een verschijning in een nachtmerrie, den boomgaard +opgestormd. + +De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend, de flanken jagend, met +een breede, donkere bloedvlek op de linkerschoft, sleepend, in een +kluwen van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan stukken +gesplinterde draagboomen van het lemoen, het eene kort als een afgehakte +stomp, het andere lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm, +wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende weerlichten door +donkere onweerslucht. + +Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten. + +Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard bij den breidel +vastgegrepen. + +"Bezinne!" schreeuwde hij als uitzinnig, "bezinne! bezinne! d'r es 'n +ongeluk gebeurd!" + +"Och Hiere! och Hiere! och Hiere!" riep Rozeke met doffe kreten. Maar +zij dacht nauwelijks aan hem, die wellicht ergens dood of stervend met +'t verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en besefte alleen de +ramp zooals ze die daar akelig en rauw voor haar oogen zag; 't lemoen +aan splinters, het arme, doodgejaagde beest bloedend en met schuim +bedekt, met het onheilspellend geheim van wie weet nog wat al rampen, +die het op zijn dolle, wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt +had. + +"Hij zal deud zijn, bezinne!" snikte de jongen. + +Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps bijna kalm; alleen de +vrees voor andere ongelukken beangstgde haar. + +"Verzorgt die oarme bieste," zei zij met bevende stem. En met Meleken, +die ook toegesneld was, liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar +voelde naderen te gemoet. + +Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis aangeloopen. Zij hadden +'t paard met het verbrijzeld stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen, +hooren, kijken. + +Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit de richting van het dorp. + +"Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es wried geschonden! Ze +brijngen hem op 'n berrie!" hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen. + +Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere van den killen avond. +De menschen slaakten een "hóó!" van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef +koud en kalm. + +"'t Is zijn eigen schuld," dacht zij. "Hij heeft het arme beest +mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld hebben, had hij nog +gedurfd." En zij bleef met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden +menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met oogen zonder tranen, +alsof het haar niet aanging. Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog +langer in den killen avond stond te wachten en 't prikkelde en verveelde +haar, dat steeds meer menschen kwamen opdringen, en haar nieuwsgierig +ondervraagden, en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden +heen en weer renden. Zij kon het eindelijk niet langer uitstaan en ging +met Meleken weer binnen. + +Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos, zonder de blinden te +sluiten. Zij zei enkel aan Meleken dat zij water en linnen doeken zou +klaar maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen, die rumoerig in +en uit het huis liepen en van al die ongewone drukte niets begrepen. Zij +riep ze voor goed binnen en bracht ze naar bed. + +Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos mee bezig; en toen +ze reeds rustig onder hun dekentjes lagen, bleef ze nog bij hen in 't +kamertje vertoeven alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling +Meleken de deur opende en met heesche stem fluisterde: + +"Bezinne, ze zijn d'r doar mee." + +Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes van de keuken zag +zij, in den grauwen mistavond, een donkere stoet den boomgaard opkomen: +Twee mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt; en daar omheen +een dichte, stille, zwarte menigte, dof-trappelend en stommelend als een +kudde. Een man met een brandende lantaren stapte ietwat terzijde +vooraan. + +De voordeur was open en zij kwamen binnen. Als in een droom hoorde +Rozeke het schuren van de voeten en het dof gefluister van de +menigte.--Als in een droom kwam zij genaderd.--De mannen zetten de +berrie neer; en bij het gele schijnsel der lantaren zag ze hem daar +machteloos onder een deken op een matras uitgestrekt liggen: het hoofd +akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en bebloed, de oogen toe, de +ademhaling zwak en reutelend. Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met +droge oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't deurgat op. Zij zag +de vele, nieuwsgierig-reikhalzende hoofden met de open monden en de +groote, donkere, gretig-kijkende oogen. + +"Woar moet hij zijn, bezinne?" vroeg fluisterend een der dragers. + +"Doar, op de voute," antwoordde zij dof. + +De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen en een heer schreed ruw +en haastig, met ernstig gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de +dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had. Hij vroeg dadelijk om +water, pluksel, en linnen voor verbanden. Hij liet de deur tegen de +opdringende foule sluiten en volgde de mannen met de berrie op de +voute-kamer. + +Rozeke volgde hèm.--Haar beenen waren slap; haar handen koud en klam als +ijs. Doch haar hart sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie. +Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en 't ruischte in haar +ooren, benauwend en verdoovend als stond zij bij een waterval. + +De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem niet. Met strak-stuggen +blik van niet-begrijpen staarde zij hem aan.--Ongeduldig wendde hij zich +tot Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje. + + + + * * * * * + + + +XLIII. + + +Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren +gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij +langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en +vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in +denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had +gesleten. + +Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar +gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door +den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een +boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte. + +Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak +gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak +hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch +werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of +drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij +zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien +middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist +enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de +straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij +herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had. + +Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij +leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam +maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij +nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon +voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in +al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold +en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar, +vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor +de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen +en weer in vlugheid van beweging háár de baas worden. Doch daar was +weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet +ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een +onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer +als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op +elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!" + +Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand +ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing +door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen, +als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou. + +Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een +kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer +onder. + +Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren +midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even +naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet +terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer +naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig +aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de +herbergjes van het gehucht gedronken had. + +En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld +door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar +daarna moest weer een kind geboren worden. + +Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon +haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het +noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld +worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien +boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man +dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook +niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën +waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende, +zegenende godheid meer. + +Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve +dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn +boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net, +werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep +gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens +opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de +schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het +te druk, het kon haar niet meer schelen. + +"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op +een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot +de tranen er door ontroerd werd. + +"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide +zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee. + +De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de +opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst +wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer +dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar +weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich +beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden +schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo +wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen +woorden konden uitdrukken. + +Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn +toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester +Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een +kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de +nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan. + + + + * * * * * + + + +XLIV. + + +Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed +ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden +in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen, +het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien +zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon +hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had +het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel +oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting +van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest; +niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op +voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht +met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk +hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen +mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder +ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een +brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en +vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en +knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar +onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte. + +Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat +ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken. + +'t Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het +groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in +purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met +een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat +terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag +Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch +in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen +tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke +vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje +met elastieken banden. + +Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in +haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd +en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't +hoevetje gezien had! + +Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones +lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke, +verteederde stem: + +"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt +bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke +naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en +bescheiden, even wegging. + +"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar +ontroering te verbergen. + +"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En +zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei: + +"Dàt zijn mijn beenen nu." + +"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel +beteren," poogde Rozeke te troosten. + +Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere +schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen +schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst +van hun holten en zij zuchtte: + +"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en +volkomen, maar te kort, te kort...." + +Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij +elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die +droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in +haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen +kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór +haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen +hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het +rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige +rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de +boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede, +een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in +die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een +wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten. + +"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met +aarzelende, matte stem. + +"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar +hoofd op haar magere borst. + +Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin +wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en +duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde +onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een +poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren +ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een +vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje +hooren. + +"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones. + +Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren +en zij antwoordde berouwvol: + +"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!" + +Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar +gebogen hoofd: + +"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij +nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij +en ik voelde mij gelukkig." + +Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de +barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart +gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en +zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind +kwamen naar de bank toe. + +"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei +de jonge barones. + +Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main," +zeide zij. + +Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit, +meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere, +lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje +glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij +verder. + +"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje +rhododendrons verdwenen waren. + +Rozeke aarzelde. + +"Zeg het maar; op hèm, niet waar?" + +"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op." + +Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn +vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde +mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van +de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp +aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed +bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de +nonnetjes in 't klooster. + +"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones. +"Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan +komen." + +"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de +grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in +tranen uitbarstend. + +Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een +zacht gebaar weer tot bedaren. + +Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen +van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in +'t wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden +reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds +Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees +kwellend weer in haar op. + +"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu +de barones vriendelijk toe. + +De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid. +Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het +wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En +duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes +onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee +knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te +dragen. + +"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht +glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes. + +"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere +bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de +stem. + +De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode +vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij +zelve snikkend heenging.... + + + + * * * * * + + + +XLV. + + +Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar +weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet +meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij +spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van +beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor +geen van beiden had verwezenlijkt.--En toen was 't uit, de grijze dood +stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid, +zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als +een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles +was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door +het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging +daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou. + +Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die +wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in +angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.--En +eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de +driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ... +bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen. + +"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die +bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar +het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar +hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit +hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden +steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar +ongelukkig jong leven.--De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en +treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels +en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou +buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in +vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de +heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige +jonge vrouw. + +Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar +vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een +sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht +geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het +stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den +zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van +blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als +in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij +aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde. + +Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij +eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de +fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere +bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel +brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde +jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne, +wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe, +het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders +golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst +gevouwen.--O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om +haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen, +die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren +wierook rondom haar ten hemel stegen. + +Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken +en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer +dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte +boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen +stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en +Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de +lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen, +naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in +duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't +stille nonnetje begeleid. + + + + * * * * * + + + +XLVI. + + +In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met tranen van zalige +ontroering, haar schitterende huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu +haar plechtige begrafenis bij.--Daar lag ze, als van marmer, +onbewegelijk in haar kist, wit als het doodskleed dat haar bedekte, de +oogen toe en de handen gevouwen, met haar schoone donkere haren in twee +zware vlechten op haar schouders. Daar lag ze, op de zelfde plaats, waar +zij, jaren geleden, in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid, +van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan van hem die haar +eeuwige trouw en liefde gezworen, maar haar zoo schandelijk bedrogen en +gedood had; en de zelfde priesters die destijds lofzangen van geluk en +vrede aanhieven, zongen nu de plechtige treurzangen van het eeuwig +afscheid over haar koud en roerloos lichaam. + +En Rozeke, verscholen in een hoekje van de kerk, achter de talrijke, +donkere rouw-menigte van verwanten, vrienden en kennissen, weende, +weende.... 't Was of haar gansche wezen weg zou smelten in haar tranen, +'t was of ze 't laatste van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen; +er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst; alles, àlles +leek nu dood en in de koude aarde voor altijd begraven; en snikkend +strompelde zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering, +gebogen en geknakt als een oud, versleten vrouwtje, langs de eenzame +wegen huiswaarts. + +Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van háár levensleed en +ondergang, zooals die andere man, op zijn manier, de oorzaak was geweest +van al het lijden en den dood harer vriendin. En een onuitsprekelijken +haat en walg kwam in haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde +de oogen van hem af en zij had alle moeite om hem niet, trillend van +toorn en verachting, de wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die +haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen: "waarom ligt gij, +schurk, nu niet in 't graf in plaats van haar!" + +Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn hoek gezeten, staarde +hij haar aan; en plotseling hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige +vijand-stem, die schimpend vroeg: + +"Hawèl, hoe es 't gegoan? Hèn z' heur in de put gekregen? Zit ze 'r in, +joa? En komt ze 'r nie mier uit?" + +Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig misprijzen. Zij was +niet bang meer voor hem; voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij +haar mantel af en ging hem in de kamer weghangen.--Hij dronk ineens zijn +borrel leeg en slaakte dof een vloek. + +"Hawèl, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?" gilde hij ruw, toen ze +na een poos weer in de keuken kwam. "Hè-je nie g'heurd wat da 'k ou +gevroagd hè?" + +"'K'n verstoa ou niet," antwoordde zij koel, kalm, uit de hoogte. En zij +ging naar het venster, bij de wieg, waarin haar jongste kind lag. + +"Ha! ge'n verstoa mij niet!" riep hij, eensklaps dreigend, met +fonkelende oogen overeind gerezen.--"Hè-je 't geld mee? Verstoa-je +dàtte?" + +Strak keerde zij zich om en keek hem aan.--'t Geld!... wat bedoelde +hij? Hoe wist hij? Wie had hem gezegd...? + +Hij grijnslachte nijdig: "Haha! ge mient da'k van niets 'n wete! Ge +mient da 'k niet 'n wete da g'in heur testament stoat! Nondedzju, ge zij +mis, zille! 't Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!" + +Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende angst en ontzetting +aan. Hoe wist hij? wie had hem kunnen zeggen...? Maar hij wist het, +zooveel was zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling +woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand en nam ze 't +onverbiddelijk besluit hem nooit iets van het geld te geven, nooit, +nooit, wat er ook gebeuren mocht. + +"'K 'n hè 't niet!" riep ze met van haat gloeiende oogen; "'K 'n hè 't +niet, moar al ha 'k het, noeit 'n zal ik er ou iets van geven, noeit +noeit, noeit! verstoa-je-datte?" + +Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar piëteit voor de +nagedachtenis der dierbare overledene gaven haar een kracht waarvan ze +zich zelve niet bewust was. Zij stond vlak vóór hem, dicht bij hem, +dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend zijn woede-blikken, zijn +paars-zwellend gezicht, zijn krampachtig gesloten vuisten. Er was een +oogenblik van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde duidelijk het +trage tikken der klok en 't vroolijk blaasgepruttel van het kleintje in +de wieg. Het werd reeds schemerduister buiten en groote, logge schaduwen +kropen in huis onder de donkere zolderbalken. + +Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar de voordeur en schoof +den grendel ervoor. Toen naar de achterdeur en grendelde die ook. Toen +greep hij naar zijn stok. + +Met een schorren gil sprong ze op zij en greep instinctmatig een stoel +en hield die vóór zich uit. Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven, +nu haar beschermster dood was? + +"Lafoard!" gilde zij; "lafoard! past ou op dag' aan mij komt!" + +Grijnzend kwam hij op haar af. + +"We zijn alliene thuis en we 'n moên ons nou nie mier sjeneeren," +grinnikte hij. En plotseling weer gebiedend, kort en ruw: + +"Ala toe,... da geld, hè ... afgeven!" + +"'K 'n hè 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't nie krijgen!" krijschte +zij. + +De stok siste, in een woesten zwaai; en met een korten knak kwam de slag +half tegen haar hoofd, half op de leuning van den stoel terecht. + +"Sloeber! kreet ze. "En plotseling stootte ze met al haar kracht de +pooten van den stoel vooruit, vlak naar* zijn walgelijk, paarsrood +gezwollen gezicht. + +Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte hij den stoel met zulk een +geweld naar zich toe, dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven +op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten om de keel, duwde, +trok en wrong tot zij weer onder lag;--en toen liet hij zijn rechterhand +los terwijl hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte hij nu +met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo hard en zoo snel als hij kon. + +Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch gebrul, tusschen de +steeds woester neerbeukende bonzen. 't Was als een telkens afgebroken, +schor geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't was als de +noodkreet van een vermoord beest, dat stikt in bloed-gebrobbel. Maar +plotseling kreeg ze een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet er +op als razend en liet hem niet meer los, terwijl haar rauw, intermittent +gebrul eensklaps veranderde in een aanhoudend hoog gegil, als het +oorverscheurend krijschen van een schrille stoomfluit. + +Een geweldige bons op de voordeur en als onder het rammeien van een +heiblok vloog ze open, en Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met +één machtigen ruk trok de stalknecht Smul van Rozeke's lijf, gooide hem +als een pak in den hoek bij den haard, sprong op hem toe en hield hem +daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos gillende +meesteres optilde en naar het achterhuis droeg. + +"Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet deud!" gilde Smul, +bloedend en spuwend, als een gewond beest in den hoek van den haard +onder Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt. + +"Stille, boas, stille," hijgde Kamiel met reusachtige inspanning den +woesteling in bedwang houdend. + +"Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud! deud!" schreeuwde Smul, door +het aanhoudend hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept. + +Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te bedwingen, rees +plotseling overeind en sleurde met geweld den woestaard naar de deur. +Smul klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens werd hij met een +schok weer wat verder gerukt en eindelijk was hij buiten en viel er +uitgeput en grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke aanhoudend +als een krankzinnige scherp gillen. + +Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen. + +"O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!" smeekte zij schreiend. "Toe, +Kamiel, hoast ou, 't es wried, de bezinne goa stirven!" + +In machtelooze wanhoop schudde de knecht het hoofd, Smul steeds met +ijzeren greep onder zijn klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand +achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend: + +"As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den dokteur, de bezinne +ligt op stirven!" + +"Wa és da? wa gebeurt er hier?" zei de man, verstard kijkend in 't gras +op Smul en met schrik-oogen luisterend naar het onophoudend noodgegil in +huis. + +"Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!" smeekte Kamiel zelf +huilend. + +De man holde weg en plotseling richtte Smul zich in het gras half op. +Kamiel sprong toe en drukte hem weer neer. + +Maar Smul was opeens bijna kalm geworden. + +"Loat moar, 't es gedoan," zei hij, zich nijdig loswringend. + +"Blijf hier, boas, wa goa-je doen?" + +"Hoal mij mijn klakke," zei Smul. + +Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast den haard lag en rende er +weer mee naar buiten. + +Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed van zijn gezicht en +stapte somber, gedrochtelijk-hinkend, naar het hek. + +"Woar goa-je noartoe, boas!" liep Kamiel hem angstig na. + +"Noar den duuvel?" antwoordde Smul met een woedenden blik.--En weg ging +hij, in de grijze schemering. + +Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis te gillen. + +Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid had, lag nu opgewonden, +met blinkende oogjes en zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg +te woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs den weg van school +terug.... + + + + * * * * * + + + +XLVII. + + +Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij +liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af. + +De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren +ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk +geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de +helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een +krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden. +Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep +soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn +wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op +Smuls terugkomst. + +Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht +en nog steeds was hij niet terug. + +Toen hij den derden dag nòg niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel: + +"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan +bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es." + +Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's +zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere. + +Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee +dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van +Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde +kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende +vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg, +meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig +kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai +geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank +te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer +vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de +"Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't +"Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer +Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken; +boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp +kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en +willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met +geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten. + +Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd +verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer +teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas +onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer +was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was +teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik +gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de +slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar +de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had +hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de +"Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het +"Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst +gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse" +terecht gekomen.... + +En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde +Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter +lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was +Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang +waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt, +toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te +gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer +gehoord of gezien. + +Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden +en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij +verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje. + +"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij +'t verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal +versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij +noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en +'k zal ik te binst noar Roze goan." + +De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar +zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij +zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met +hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't +water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij +terug. + +Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die +sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij +onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't +ware aan hen vast en smeekte snikkend: + +"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij +blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!" + +Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien +wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van +onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en +zij zuchtte, als in een stille bede: + +"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven +mier 'n zag!" + +Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en +Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te +hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een +versterking van haar eenige, laatste hoop. + +En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste +maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor +het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde, +gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het +boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij +haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij +haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan +zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan +de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem +aarzelend op een afstand vergezelden. + +Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam, +beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn +woorden: + +"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul +gevonden hên." + +"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was. + +"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar +uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat +diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.--Hij es al leulijk +aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij +ligt in den stal van 't gemientenhuis." + +"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate +moaken," antwoordde zij dof. + +"En moet g'hem nie mier zien?" + +"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig +hoofdschuddend. + +"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen." + +En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De +nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard +meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug.... + + + + * * * * * + + + +XLVIII. + + +Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De +harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling +uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk +toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't +instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de +speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets +aan haar verder leven schikken kon. + +Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal +weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat +stond vóór haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet +meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen +leven.... + +En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en +weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende +seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om +haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar +broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en +haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve +voelde zich langzaam aan een oudje worden.... + +Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer +en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat +trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die +gewenscht en voortgesteld had. + +Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest, +dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden, +zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood +van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wèl gehoopt +dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij +beheeren. + +Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen +haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als +hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had +kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog +zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een +deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij +haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een +heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhémar +en Bérénice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een +soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal +vreemde was. + +En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de +nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer +verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar +oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest +beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte +geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu +liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was +zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en +ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij +verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog +enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpétue!... + +Soeur Vincent-Perpétue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar +had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van +Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de +boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die +haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het +eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds +geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van +haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't +verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten +zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en +karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die +iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal +zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal +betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op +heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde. + +Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid +en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de +herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot +en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan +kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de +meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch +slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld +door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee +bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon; +twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zóó innig had +liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna! + +Die alleen leefden, lééfden steeds intens voor haar!--Met die twee +leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige +verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde +stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen, +terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de +schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven +duren.... + +Het werd een teer en zacht verlangen, een innige, vurige hoop, die, in +de vergetelheid van al het tegenwoordige, haar verleden met haar +toekomst weer vereenigde.--Het werd een troost, een vast geloof, een +sterke zekerheid; het was iets dat zij ieder oogenblik te gemoet ging, +dat elken dag steeds dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ... +dat zij weldra bereiken zou. + +Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang zat zij er soms, starend +in haar eenzaamheid, over te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij +hoorde hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden van het +ideale oord waar zij nu beiden en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't +nieuwe leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te wachten en waar +haar plaats tusschen hen bewaard bleef.... + +In sereene zaligheid voelde ze 't komen;... haar wezen was van deze +aarde haast niet meer. Nog één stapje, nog één oogenblikje wachtens ... +en zij was er.... + +Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen, rijken, gouden +najaarsmiddag. De aarde was als een paleis van ongestoorde weelde, als +een voorhal van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was zoo +stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.--Zij lag te bed, met open ramen +in die rijke heerlijkheid, als om in eens ver-weg te kunnen zweven naar +het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig op haar +wachtten. Haar kinderen en kleinkinderen stonden om haar heen, doch +niemand weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op haar kalm +gelaat. + +Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht gegeven was, kwam een +onuitsprekelijk-zachte glimlach over hare trekken.... + +Haar ziel en haar geest, de gelouterde essentie + +van haar gansche wezen was bij hem en bij haar,.... haar man en haar +vriendin,... in onverstoorbaar geluk,... voor altijd,... in het +eeuwige.... + + * * * * * + +AFSNEE-AAN-DE-LEYE, 15 Augustus 1905 + + +EINDE. + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2 +by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 *** + +***** This file should be named 16882-8.txt or 16882-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16882/ + +Produced by Marc D'Hooghe. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
