summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16882-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '16882-8.txt')
-rw-r--r--16882-8.txt5720
1 files changed, 5720 insertions, 0 deletions
diff --git a/16882-8.txt b/16882-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..65512bc
--- /dev/null
+++ b/16882-8.txt
@@ -0,0 +1,5720 @@
+Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: October 16, 2005 [EBook #16882]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+
+
+
+HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
+
+ROMAN IN TWEE DEELEN
+
+DOOR
+
+CYRIEL BUYSSE
+
+TWEEDE DEEL
+
+
+
+1905
+
+
+ * * * * *
+
+
+XIII.
+
+
+Wat werd het eensklaps stil in Rozeke's leven, na al de drukte vol
+emotie van den langen, schoonen zomer! Het was of alles om haar heen een
+onverstoorde goede rust wilde genieten. Haar knaapje was gezond en
+flink, en 't boerderijtje ging naar wensch. Alfons was lief voor haar en
+vroolijk van gemoed; haar ouders, broers en zuster kwamen geregeld haar
+bezoeken en meer en meer bleek het dat zij aan 't Geluw Meuleken en aan
+Vaprijsken uitmuntende dienstboden hadden. Zij voelde zich kalm gelukkig
+zonder onvoldane wenschen.
+
+En 't glanzend najaar was zoo schitterend en zoo schoon!--Langzamerhand
+begon de boomgaard te verkleuren en zijn bladeren te verliezen, die als
+zwermen doode musschen op het groene gras lagen gestrooid. Soms
+woekerden en tjilpten heele troepjes echte musschen in de bruine droge
+bladeren en als ze dan onder een windje opstoven en door elkander
+warrelden, was het of de bladeren musschen en de musschen bladeren
+waren. Hier en daar nog schitterde een vergeten, óver-rijpe peer of
+appel goudgeelglanzend of kersrood als een lichtje op de hoogste, naakte
+twijgen van de vruchtboomen en aan beide kanten van den landweg geelden
+ook de populierenkruinen in de wazig-blauwe lucht. Hier en daar ook
+zweefde nog in de stil-glinsterende zonne-luwte een late zomervlinder,
+met als 't ware reeds verloomd-knippende vlerken: vlerken van fluweelige
+rouwkleuren, met randen van blauw of met glanzende oogen en strepen van
+purper en vuur. De donkere zwaluwtjes met witte borstjes zaten in lange
+rijen op de kroonlijsten van huis en stallen, stil-zwatelend vertellend
+van de lange, lange reis die zij weldra weer zouden gaan ondernemen; en
+overal opende zich het veld in ruime vergezichten, met elken dag
+nieuw-opduikende witte huisjes en roode pannendakjes, die het dichte
+zomergroen maandenlang aan den blik verborgen had gehouden. Boer Lauwe's
+achtergevel met het klein vierkant raampje was nu duidelijk zichtbaar
+als een stugge, lang-uitgestrekte reus met slaperig-wakend één-oog; en
+'t kleine werkmanshuisje vlak daarover, met al zijne nieuwsgierig-
+glinsterende ruitjes, waar Rozeke tijdens de bezoeken van jonkvrouw Anna
+met haar beminde zoo akelig bang voor was, leek nu nog wel een heel eind
+dichter bijgeschoven, zóó helder-vrijpostig-opdringerig, dat Rozeke er
+soms, als door een lantaren, dwars door heen kon zien.
+
+Van jonkvrouw Anna ontving ze nu en dan een prent-briefkaart. Doch meer
+dan een vriendelijken groet stond er niet op, en telkens weer kwam
+Rozeke in de war met de handteekening: Anna d'Hautmont, die haar zoo
+vreemd voorkwam alsof 't haar lieve jonkvrouw's eigen naam niet was. En
+zij wist ook nooit precies waar die kaarten wel vandaan kwamen, noch wat
+zij eigenlijk voorstelden: nu eens een reusachtig-groot, wit-glinsterend
+hotel midden in een wondertuin van onbekende boomen, dan weer een heele
+stad aan zee met bergen op den achtergrond en lichte schuitjes op het
+water; dan nog een oude kerk met bedelaars in lompen onder het portaal,
+of een brokkelig oud kasteel boven op den top van een steile rots.--Zij
+voelde alleen maar dat het van heel héél verre kwam, als uit een andere,
+haar onbekende wereld en reeds meer dan eens had zij er aan gedacht om
+aan den ouden schoolmeester van 't dorp te gaan vragen waar dat alles
+toch wel lag, en hoever het wel was, en hoeveel dagen en nachten men wel
+reizen moest om er heen te komen. Maar eens, op een ochtend, bracht de
+postbode haar een soort opgerold boek en toen zij 't ontvouwde zag zij
+daarin veel plaatjes van met bloemen versierde rijtuigen en
+automobielen; en, op een van die plaatjes, duidelijk herkenbaar, en zóó
+schoon, o, toch zoo wónderschoon midden in een schat van bloemen op een
+groote automobiel, haar lieve jonkvrouw met haar man. Zij riep Alfons en
+'t Geluw Meuleken en Vaprijsken en allen herkenden ze dadelijk beiden en
+bewonderden het mooie plaatje met den schitterenden bloemenwagen. Maar
+onderaan stond iets gedrukt in 't Fransch en daarvan konden zij alleen
+de namen lezen: "baron et baronne Armand d'Hautmont," en al het overige
+intrigeerde hen uitermate en prikkelde hun nieuwsgierigheid tot den
+hoogsten graad.--Ach! nu moest Rozeke er toch bepaald wat meer van
+weten; en, den volgenden ochtend, riep zij den postbode op zijn
+voorbijtocht binnen, trakteerde hem met een borrel, gaf hem het
+opgerolde boek weer mee en verzocht hem het te willen overhandigen aan
+den ouden schoolmeester, met de "kopplementen" of hij haar eens wilde
+laten weten waar dat al gebeurd was en wat of't eigenlijk beteekende.
+
+Den eigensten middag nog kwam de oude schoolmeester, met de opgerolde
+illustratie onder den arm, gewichtig op 't boerderijtje. Het was een
+kort, dik mannetje met frisch gezicht en grijze kortgeknipte haren, fiks
+en trotsch stappend, een gouden bril over zijn kleine, sluwe, tegen 't
+licht knippende, blauwe oogjes. Hij deed altijd heel gewichtig en sprak
+een verzorgde, deftige taal, wat den dorpelingen eerbied en ontzag voor
+hem inboezemde. Hij had een stokje in de hand en droeg een rond zwart
+hoedje; en in 't knoopsgat van zijn zwart, glimmend jasje stak een
+vuil-rood geworden decoratie-lapje.
+
+"Wel zoo, bazin Van de Weghe, ebt-e gij nog meer zulke belangwekkende
+tijdschriften ontvangen?" begon hij, glimlachend het zorgvuldig opgerold
+sportblad vóór haar op het tafeltje leggend. En genoeglijk kuchend ging
+hij zitten, zijn kleine oogjes nieuwsgierig op haar gevestigd.
+
+"Wa belieft er ou, miester?" vroeg Rozeke met een kleur, als altijd in
+'t begin, door zijn deftigheid geïmponeerd en hem niet goed begrijpend.
+
+"Of gij nog wel meer zulke dingen ontvangen ebt?" herhaalde de
+schoolmeester met nadruk, eenigszins geërgerd dat zij niet dadelijk zijn
+mooie taal verstond.
+
+"Joa ik, miester, nog al wa poskoarten mee santjes op," antwoordde
+Rozeke. "Wilt-e z'euk zien?"
+
+"Zeker, zeker wil ik ze zien," zeide hij.
+
+Rozeke, die Hilairken, haar zoontje, op den schoot had, ging den kleine
+even in zijn wiegje leggen en haalde de zorgvuldig bewaarde prentkaarten
+van jonkvrouw Anna uit de kastla. De schoolmeester veegde tevreden-
+glimlachend zijn brilglazen schoon en schoof zijn stoel gezellig dicht
+bij 't raampje, om goed te kunnen zien.
+
+"'t Spijt mij da g'ou doarveuren gederangeerd hét, miester, 'k 'n há
+moar es wille weten wat dat er doar onder gedrukt stoat en hoeverre van
+hier dat da wel gebeurd es," meende Rozeke zich te moeten
+verontschuldigen.
+
+Maar de oude meester, reeds ten volle door zijn eigen nieuwsgierigheid
+in beslag genomen, hoofdschudde dat er geen kwestie was van derangeeren
+en bekeek de kaarten de eene na de andere, aanhoudend glimlachend, met
+toenemende belangstelling.
+
+"Weet-e gij wel, bazin Van de Weghe, dat het zeer veel voor u weerd is,
+van zulk eene goede kennis, ik zou aast zeggen: zulk eene goede vriendin
+van voornamen uize te ebben?" keek hij plotseling gewichtig op.
+
+Opnieuw begreep Rozeke hem maar half, maar zij knikte toch toestemmend
+en antwoordde ietwat schuchter:
+
+"Ba joa 't e-woar, miester? Z'hé zij mij lijk altijd nog al wel keune
+verdroagen."
+
+"Ja ja, ik wil 't gelooven, ik wil het wel gelooven," herhaalde hij, als
+voor zichzelf, de laatste kaarten omkeerend.
+
+En eensklaps keek hij haar strak en ernstig aan, terwijl hij eenigszins
+verbitterd uitriep:
+
+"Ad ik destijds zulke ooge bescherming genoten, dan zou er van mij wel
+wat anders geworden zijn dan de rustende dorps-oofdonderwijzer die ik nu
+ben!"
+
+Rozeke, die steeds naar een onderwijzer,--en vooral naar een hoofd-
+onderwijzer--als naar een overheid, met vereering had opgezien, keek hem
+ietwat verwonderd aan.
+
+"Ik vinde schoolmiester toch wel 'n scheune ploatse, miester," waagde
+zij.
+
+"Ja zeker, zéker!" riep hij eensklaps trotsch uit; "schoon is het zeker,
+het is eene ooge en edele betrekking, maar eene welke de meeste
+menschen, op het platteland althans, ongelukkiglijk doorgaans niet oog
+genoeg waardeeren!"
+
+Betrekking,... waardeeren ... opnieuw kon Rozeke die hoogdravende
+woorden niet begrijpen; maar 't ergste was dat ze nu ook volkomen van
+hun onderwerp afdwaalden, en zij nam moed en vroeg hem eindelijk,
+terwijl hij even weer belangstellend de kaarten overzag:
+
+"En da Fransch, miester, hè-je 't gij keune lezen? weet-e gij wat dat 't
+es?"
+
+"Ah, juist, ter zake!" zei hij.--Hij schoof de prentkaarten op zij, nam
+de sportrevue weer op, ontrolde en ontvouwde die gewichtig en begon te
+oreeren:
+
+"Deze gelukkige jonge echtgenooten bevinden zich op hunne speelreis in
+het zuiden van Frankrijk, in eene streek waar het altijd lente of zomer
+is, waar jaar in jaar uit, ten allen tijde, de schoonste bloemen bloeien
+en waar de boomen nooit unne bladeren verliezen. Al deze prentkaarten,
+ter uitzondering van twee,--deze twee, die uit het noorden van Italië
+komen,--en ook dit tijdschrift, zijn afkomstig uit Nizza en omstreken,
+waar iederen winter, van November tot Mei, het rijke volk van heel de
+wereld bij duizenden en duizenden zich komt verlustigen. De
+sinaasappels,--de appelsienen, zooals de menschen hier ter streke die
+schoone vrucht in unne onwetendheid noemen--groeien daar op de
+boomgaarden gelijk ier de appelen en peren, en ook de sappigste perziken
+en druiven en de lekkerste amandelen rijpen er het jaar door, buiten in
+den vollen grond. De lucht is er aast altijd elderblauw, het vriest er
+nooit en oogst zelden eeft men er sneeuw gezien. Het wordt er het
+Aardsch Paradijs ge-eeten."
+
+"Oo!" riep Rozeke, die met de grootste belangstelling luisterde. En zij
+waagde de vraag die haar boven alles interesseerde:
+
+"En hoever es dan wel van hier, miester?"
+
+"Hoeverre?... hoeverre? Laat ne keer zien ... zeker wel vier a vijf
+onderd uren!"
+
+"Hoo!" zuchtte Rozeke, de handen in elkaar geslagen.
+
+"Ja, stellig," verzekerde de meester. "De snelste treinen van ier uit
+rijden er wel een dag en een nacht over, zonder ophouden,--Hewèl, in die
+plaats van weelde zoekt dat rijke volk natuurlijk zijn vermaken en zoo
+ebben zij onder anderen wedstrijden van met bloemen versierde rijtuigen
+en automobielen ingericht--bloemencorsos, noemt men dat in goed
+nederlandsch--en het is in zoo eenen wedstrijd dat meneer den baron
+Armand d'Hautmont met zijn automobiel den eersten prijs be-aald eeft als
+zijnde het schoonst versierde aller mededingende rijtuigen, en dat hij
+in dit degelijk Fransch tijdschrift is gefotografieerd geworden in
+zijnen prachtig-getooiden wagen, naast de jonge barones, zijne vrouw.
+Ja, ja, het is groot volk, groot, rijk volk, bazin Van de Weghe."
+
+"O, en es da amoal datte wat doaronder gedrukt stoat?" vroeg Rozeke.
+
+"Ja 't, ziehier;" zei de meester. En wijzend met den vinger op de
+gedrukte regels onder 't prentje, las hij eerst voor in 't Fransch en
+vertaalde dan in deftig Vlaamsch voor haar de vreemde woorden van het
+kort artikeltje.
+
+"O, da es toch gelukkig van zeu gelierd te zijn, miester!" zei Rozeke
+vol bewondering. En zij voegde er bij, op een toon van verzuchting:
+
+"'K hope toch wel da mijn kind euk zijn Fransch zal meuge lieren."
+
+De oude onderwijzer glimlachte trotsch, in zijn schoolmeestershoogmoed
+gevleid.
+
+"Ja ja, geleerdheid is een schoone zaak; zij maakt den mensch beter,
+degelijker, waardiger," doceerde hij. "De mensch die meer dan éene taal
+kent leeft en geniet dubbel, driedubbel, vierdubbel. Alleen daarom zou
+ik voor geen geld ter wereld mijne geleerdheid prijs geven; maar het is
+en blijft toch spijtig dat de menschen ons bijna nooit naar verdienste
+waardeeren."
+
+Hij keek haar plotseling strak en ernstig aan en vroeg haar, vlak af:
+
+"Bazin Van de Weghe, nu ik u ge-olpen eb en misschien later nog zal
+kunnen elpen, wie weet hoe, op een of andere manier, met de opvoeding
+van uw kind, bij voorbeeld, nu oop ik toch dat gij bij gelegenheid ook
+wel iets voor mij zult willen doen?"
+
+"Zeker, miester, mee plezier. Wa est't?" vroeg zij verwonderd.
+
+"Een woordje voor mij ten beste spreken bij mevrouw de barones
+d'Hautmont, opdat zij aan aren vader den burgemeester zou vragen of mijn
+pensioen-jaarwedde als rustend oofd-onderwijzer niet wat ver-oogd zou
+kunnen worden, sprak hij deftig, meteen fiks opstaande.
+
+"'K zal 't doen, miester, 'k zal't heur vroagen van as ik heur weeromme
+zie," antwoordde Rozeke eenigszins verbauwereerd.--"Moar 't en zal toch
+mijn schuld nie zijn, as 't er nie mee 'n helpt, miester...."
+
+"Natuurlijk niet, natuurlijk niet, dat spreekt van zelf," zei hij
+tevreden. "Het eenige wat ik van u verlang is dat ge 't niet vergeten
+zoudt."
+
+"Ge meug gerust zijn, miester, 'k beloof het ou, 'k'en zal 't nie
+vergeten."
+
+Hilairken, in zijn wieg ontwaakt, begon eensklaps te schreien. Rozeke
+nam het er sussend weer uit en de oude meester keek het kleintje even
+vriendelijk aan.
+
+"Weet ge wat we later van dien kerel zullen maken?" riep hij opgeruimd.
+"Een flinken onderwijzer!... en dat zal er waarachtig wel een zijn die
+'t aan degelijke bescherming niet te kort zal schieten."
+
+"'K weinsche dat 't woar woare, miester; 'k zoe hem veel liever
+schoolmiester as boer zien worden," zei Rozeke met een kleur van hoop en
+vreugd.
+
+Het kleintje op den arm leidde zij den ouden onderwijzer tot op den
+drempel en stond hem daar nog even na te kijken, terwijl hij fiks en
+stijf en netjes, zijn zwart rond hoedje op de grijze haren, met
+afgemeten pasjes door den boomgaard stapte. Het trof haar dat zijn
+achterhoofd zoo groot was en zij dacht dat daar wel zeker heel veel
+wijsheid en verstand in stak.
+
+Aan 't hekje keek hij nog eens om, en knikte glimlachend en groette,
+zijn hoedje even voor haar oplichtend, als een welopgevoed heer.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIV.
+
+
+Nu het was uitgemaakt dat de merrie geen veulen verwachtte, werd het wel
+van belang geacht, dat zij er zoo spoedig mogelijk een zou krijgen.
+Zoo'n schoon gezond veulentje, het groeide zonder al te groote zorg en
+moeite naast de moeder op, en 't bracht een aardig sommetje geld op,
+wanneer het zoo als achttienmaander of twee-jaartje op de markt verkocht
+kon worden.
+
+Er werd over beraadslaagd. Boer Dons en vader Van Dalen met zijn beide
+zonen vergaderden op een zondag-namiddag bij Alfons en een lange
+discussie had plaats.
+
+"Ik geleuve dat de mirrie t'oud es om nog veulen te krijgen," meende
+Miel van Dalen.
+
+Boer Dons maakte zich kwaad:
+
+"Watte! t' oud! Negen joar! Zij-je nie wijs dan, jongen?"
+
+"Ge zeg gij wel negen joar, moar ge'n weet gij da meschien zelf op 'n
+joar of twieë noar niet," glimlachte Miel.
+
+"Zegt dan liever rechtuit dat 'k zot geworden ben, of da 'k ne leugenoar
+of nen bedrieger ben!" toornde de oude boer.
+
+"Joa moar, boer, ge'n meugt ou nie kwoad moaken; 'k en wil ik nie
+kontroarie zeggen," suste Miel.
+
+Vader Van Dalen en Vaprijsken, die geen verstand hadden van paarden,
+zaten stil te luisteren, Vaprijsken leuk glimlachend in zijn gelen
+baard, vader Van Dalen 't een oog helder-levendig wijd open, als alles
+ziende en begrijpend, het ander dood en dof, als in suffigen slaap
+gedommeld. Alfons, zijn pijpje in den mond, aarzelde en twijfelde.
+
+Toen gaf de oude Dons eindelijk een wijzen, practischen raad.
+
+"Probeer ne kier bij nen anderen hijnkst," zei hij. En hij vertelde van
+een prachtigen hengst, waar Smul juist was naartoe geweest, met een van
+boer Kneuvels' merrie-paarden. "Weet-e wat da ge doet!" gilde hij:
+"Vroagt an Smul of er hij Fanny euk wil leên, den ieste kier dat ze
+weere peirdig es!"
+
+"Nie, loat Smul doarbuiten!" riep eensklaps kortaf Rozeke, zich
+onverwachts in het gesprek mengend.
+
+Verwonderd keken allen op.
+
+"Woarom niet?" vroeg Alfons.
+
+"Wel, omdat 't weer al onneudige onkosten zijn; omda ge da toch zelf euk
+wel keunt doen, gij of Vaprijsken," antwoordde zij ietwat wrevelig.
+
+Zij wist het zelve niet waarom ze zoo plotseling opstoof; die naam van
+Smul had het gedaan. Zij had er eensklaps een hekel aan dat hij nu nog
+meer dan volstrekt noodig was bij hen aan huis zou komen.
+
+"Vaprijs 'n hé gien verstand van peirden," zei Alfons kalm: "moar mij es
+'t goed: 'k wil d'r ikzelf wel noartoe goan, as ik moar 'n wete woar dat
+'t es."
+
+"'t Es bij boer Leyseele, te Vanneloare, de greutsten hynksteboer van
+vijf en twintig uur in 't ronde," antwoordde Dons.
+
+Plotseling flikkerden zijn kleine, ondeugende oogjes en hij
+schetter-gilde naar Rozeke:
+
+"Zeg, bezinneke, wille wulder nou ne kier wedden, veur 'n stik van
+twintig fran, wie dat er nou nog iest mee eentsje komt, gij of Fanny?"
+
+Rozeke kreeg een kleur als vuur en een vreemde uitdrukking van
+verbazing, smart en toorn glinsterde vochtig in haar oogen. Zij wist
+niet wat te antwoorden, zij brabbelde iets onverstaanbaars en verdween
+eensklaps in de binnenkamer.
+
+"Hé, wa scheelt er dan?" verbaasde zich de oude boer.
+
+Alfons glimlachte en schudde sussend zijn hoofd.
+
+"'t Es azeu, d'r es weer eentsjen op wig bij heur en 't es zeker
+doardeure da z'n beetse zemelachtig es," fluisterde hij.
+
+"Bah zeu!" riep de oude boer verwonderd uit, terwijl hij zoo wijd
+mogelijk zijn kleine oogjes opensperde.
+
+Vader Van Dalen lachte:
+
+"Ze kwieken hier goed, e-woar, boas Dons? da es zeker die vruchtboare
+grond!....
+
+"En da mijn wijf hier pertan[1] nie gedijd 'n hét! Hoe verstoa-je
+dátte?" schetterde de oude.
+
+Zij schaterden en proestten allen met hem mee en ledigden een
+"dreupelken" op de dubbele voorspoedige gebeurtenis met Fanny en met
+Rozeke.
+
+
+[1] Pourtant.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XV.
+
+
+Toen Alfons enkele dagen later op een vroegen ochtend van einde December
+in den paardenstal kwam, bleek het hem duidelijk dat het met Fanny zóó
+gesteld was, dat de kans op 't veulentje nog eens gewaagd kon worden.
+Hij zou dan ook maar niet talmen en dadelijk met de merrie naar boer
+Leyseele's verafgelegen hoeve rijden.
+
+Het was een grauwe, gure wintermorgen. Scherp loeide een ijzige
+oostenwind in de naakte, piepende populieren-kruinen en uit de
+effen-grijze, dood-triestige lucht viel een koud en vochtig mengsel neer
+van mist en sneeuw en motregen.
+
+Alfons voelde zich al een paar dagen huiverig en rillerig, hij hoestte
+nog al erg en 't speet hem wel dat hij ten minste geen karretje had om
+er de merrie voor te spannen. Rozeke raadde hem aan de sjees van boer
+Lauwe te gaan vragen; maar, hoewel hij met de Lauwe's in goede buurschap
+leefde, kende hij hen nog te weinig om gaarne dien dienst te vragen en
+hij besloot eindelijk maar den afstand te paard af te leggen, op het
+oude zadel, dat hij, in den verhuistijd, van boer Dons overgenomen had.
+
+Hij kleedde zich warm aan en na een paar koppen heete koffie met een
+groot glas brandewijn, heesch hij zich niet zonder moeite op den rug der
+merrie en vertrok.
+
+Hij was geen flinke ruiter zooals Smul, doch kon zich wel op een
+behoorlijk drafje in het zadel houden. Maar de merrie was lastig en
+schichtig dien ochtend; telkens brak zij haren draf door plotselinge
+sprongen of door kort getrippel af, en maakte hem zoo moe omdat hij zich
+niet lekker voelde. Voortdurend moest hij het beest weer op stap houden
+of hij voelde pijn in de zij als iemand die te hard gerend heeft.
+
+De weg strekte zich eindeloos uit, kronkelend en modderig onder den
+lagen, grijzen hemel, tusschen de naakte populieren, waarvan de kruinen
+klagend-piepten in den natten wind, die onophoudend ijzige gesmolten
+sneeuw en motregen in zijn gezicht joeg. Nog nooit had zijn land hem zoo
+vuil, zoo triestig, zoo somber-verlaten geschenen. De hooge grauwe
+stroodaken der boerderijen schenen zwaar als lood op de lage muurtjes
+met de kleingeruite raampjes te drukken, en al de lieve, heldere,
+frissche kleuren van de schoone zonnedagen: het lichtblauw of lichtroze
+van de geveltjes, het blinkend-rood der pannendaken en het wit-en-groen
+der open luikjes, alles, alles leek verwaterd en versmolten en verkleurd
+in 't zelfde vuile, natte grauw en grijs, dat als één oneindige, dikke,
+loome, droeve deken van uit den hemel op de aarde was gedaald.
+
+Hij rilde en zijn tanden klapperden. Wat voelde hij zich ver van huis en
+eenzaam, eenzaam en verlaten, alsof hij nooit zijn eigen warm en
+gezellig boerderijtje, met zijn vrouw en kind terug zou zien!
+
+Zijn handen waren ijskoud, als versteven, om de teugels geklemd en zijn
+dijen en knieën zóó doorweekt, dat hij het water, als koud-kruipende
+slangetjes, tot in zijn kousen voelde druipen.
+
+Soms hield hij even voor een landelijke herberg stil en bestelde er een
+borrel, zonder van zijn paard te stijgen. In één teug sloeg hij die met
+een grimas van afkeer binnen, en hij rilde van den scherpen, slechten
+drank tot in het merg der beenderen. 't Verwarmde hem toch even, maar
+hij voelde dat zijn maag er door van streek raakte en weldra leed hij
+aan hevige hoofdpijn en had neiging tot braken.
+
+Eindelijk kwam hij op de verre, groote hoeve aan. Gelukkig kon hij
+dadelijk geholpen worden: de hengst was op stal. De boer, die medelijden
+met hem had, raadde hem aan zich flink bij den haard te gaan warmen en
+drogen en ook iets warms te eten en te drinken; de stalknecht zou voor
+de merrie wel zorgen. Met een kreunzucht liet Alfons zich van het zadel
+zakken. Hij voelde zich zóó ziek en slap, dat hij niet eens aandrong om
+de dekking bij te wonen. Hij sleepte zich voort naast den boer, trad
+binnen in een ruime, slordige keuken, ontwaarde vagelijk een zware dikke
+vrouw en enkele kinderen.
+
+"Zet ou, kameroad, zet ou; da zijn weêrkes, hè? Joa joa, we zillen hem
+al gauwe ne woarme spoelkom káffee mee nen boterham en 'n firme schel
+heufvlakke geên!" hoorde hij, als in een droom, de dikke boerin met een
+vette stem zeggen; en 't oogenblik daarna zat hij rillend met gebogen
+hoofd en bevend-uitgestrekte handen voor een helder flikkerend en
+krakend haardvuur. Toen kreeg hij een groote kop warme koffie en een
+dikke snee grijs brood met hoofdkaas, en machinaal ging hij aan 't eten.
+
+Zijn tanden klapperden, zijn kakebeenen waren als verlamd en zijn keel
+kon haast niet slikken. Telkens slokte hij van zijn heete koffie zonder
+te voelen hoe brandend ze was. Toch deed het weinige dat hij nemen kon
+hem goed; hij voelde zich weldra wat opgefleurd en kon enkele woorden
+spreken. Hij at zijn boterham goed half op en aanvaardde een tweede kom
+koffie. Hij herleefde als 't ware en ontstak zelfs een pijpje, nadat hij
+den boer de gebruikelijke dertig frank der dekking had betaald.
+
+De knecht kwam zeggen dat 't er klaar mee was en met inspanning stond
+hij weer op.
+
+"Ha moar 'k zoe nog wa blijven; wacht te minsten tot da ge dreuge zijt,"
+raadden de boer en de boerin hem dringend aan.
+
+"O, 'k ben al hoast dreuge; en euk, 'k zal toch direkt weeromme nat
+zijn," antwoordde hij met een doffe en zwakke stem, die heel vreemd in
+zijn eigen ooren klonk.
+
+"Da es woar, 't es leulijke bieste van weere," moesten de boer en de
+boerin toegeven; en zij vergezelden hem tot aan de deur, waar de
+stalknecht wachtend de merrie bij den breidel hield.
+
+Alfons gaf den jongen een frank drinkgeld en liet zich door hem in het
+zadel helpen. Wat ging het zwaar en moeielijk! 't Was of hij geen
+ziertje kracht meer in zijn lichaam had en zijn armen en beenen waren
+als lood.
+
+Hij wenschte "elk ne goên dag" en vertrok. Hij had slechts één
+verlangen, één behoefte: zoo spoedig mogelijk weer thuis te zijn, om met
+gesloten oogen in zijn bed te liggen en te rusten en te slapen.
+
+Hij legde weer den zelfden langen weg, nu met wind en regen in den rug,
+af. Hij was nog niet droog van voren en nu werd hij ook spoedig druipnat
+van achter. De scherpe wind zweepte thans de piepende kruinen der boomen
+als 't ware vluchtend vóór hem uit, en hij zelf voelde zich mee
+gedreven, loom op het paard ineengezakt, de pet diep over de ooren, zijn
+halskraag overeind. Er kwam iets triestig-onverschilligs over hem, een
+dof gevoel dat hij toch tegen de vernielende kracht van regen en wind
+niet op kon; en nu voelde hij het ijskoud water langs zijn schouders en
+zijn rug neersijpelen, tot het weldra sopte op het zadel, in een
+kletsend plassen als van natte, kille doeken, telkens als hij machinaal
+op en neer wipte, in het nu gekadanseerd-eentonig, loom-en-langzaam
+draven van zijn kalm geworden paard.
+
+De vroege avond begon reeds te duisteren, vaal en triestig, van een
+doods-benauwende melancholie in al dat natte en vuile en slappe van den
+grauw-stervenden dag, toen hij eindelijk weer aan zijn hoevetje kwam.
+Rozeke, die hem door 't raampje had zien naderen, kwam hem op den
+drempel te gemoet en jammerde meelijdend over het ellendig weer dat hij
+den ganschen dag getroffen had; maar zij schrikte hevig toen zij hem zoo
+machteloos ineengezakt zag zitten, de oogen dof en het gezicht aschgrauw
+met ingevallen wangen, en angstig riep zij Vaprijsken, om hem te helpen
+afstijgen.
+
+"Zij-je nie wel dan, boas?" vroeg Vaprijsken uit de schuur toesnellend.
+Maar Alfons gaf zelfs geen antwoord; hij schudde zwak het hoofd en
+zuchtte; hij zakte, op Rozeke en Vaprijsken gesteund, uit het zadel en
+struikelde gebogen naar binnen.
+
+"Kom, zet ou al gauwe bij 't vier; 'k zal ou ander klieren hoalen en 'k
+hé goeje woarme soepe gekookt," zei Rozeke, ontsteld hem vóór het
+haardvuur brengend.
+
+"Mijn bedde, anders nie as mijn bedde," zuchtte hij heesch en haast
+onhoorbaar, naar de voutekamer strompelend.
+
+"Ha moar dreugt ou toch iest; eet en drijnkt toch iest watte!" smeekte
+Rozeke.
+
+"Mijn bedde! mijn bedde?" kreunde hij. "Help mij ontkliën; leg mij in
+mijn bedde."
+
+Rozeke begon te schreien. Zij riep het Geluw Meuleken en samen brachten
+zij hem op de voutekamer, trokken zijn natte kleeren uit en stopten hem
+warm onder de dekens.
+
+"Ach Hier, ach Hiere, 'k ben ziek, 'k ben zeu ziek!" klaagde hij met
+dichte oogen.
+
+"'t Zal wel beteren," zuchtte Rozeke. "Houdt ou stil en sloap moar; we
+zillen ou woarm dekken, da ge goe zwiet."
+
+Zij spreidde nog meer dekens over hem uit, stopte hem zorgvuldig in op
+zij en bleef toen een lange poos angstig-onbewegelijk naar hem staren,
+terwijl hij daar even volkomen stil en roerloos op den rug uitgestrekt
+lag, de oogen toe, een lichte roze kleur op zijn magere koonen, met
+korte, snel-hijgende trekjes ademhalend door zijn zenuwachtig
+op-en-neer-trillende neusvleugels.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XVI.
+
+
+De rust was kort van duur. Na een poos begon hij zich te keeren en te
+wenden en den ganschen nacht woelde hij onophoudend in zijn bed. Rozeke
+deed geen oog dicht en den volgenden ochtend schrikte zij van zijn
+vuurrood gezicht en van zijn reutelenden adem. Spoedig zond zij
+Vaprijsken naar 't dorp om den dokter.
+
+Eerst tegen avond kwam hij aan.
+
+"Och Hiere! menier den dokteur, 'k hè toch zeu stijf noar ou verlangd,
+want 't denke mij dat hij zeu ziek es," fluisterde Rozeke schreiend
+terwijl zij den geneesheer naar het voutkamertje bracht.
+
+"Joa joa moar ... ziek zijn 'n es nog gien deudgoan; iederien es al ne
+kier ziek," banaalde hij troostend.
+
+Doch zijn gezicht werd ernstiger toen hij Alfons zag en vooral toen hij
+zijn pols gevoeld en in zijn zij en op zijn rug geluisterd had.
+
+"'t Es hier te koud op die voute," zei hij. "Ge zoedt hem moeten in 'n
+koamer brijngen woar dat-e vier keun moaken."
+
+"In de beste koamer keune we vier moaken. Es 't irg, menier den
+dokteur?" angstvraagde Rozeke.
+
+"Irg en nie irg, 't es nog af te wachten wat dat 't worden zal,"
+antwoordde hij, met haar weer in de keuken komend. "Hij hè 't fleurus en
+we moeten oppassen dat 't gien longontsteking 'n wordt,"
+
+"Och Hiere, 't fleurus!" snikte Rozeke met in elkaar gewrongen handen.
+"O! en 't es mijn schuld! 't Es deur mij dat hij zelve mee da peird
+gegoan es, in ploatse van 'n ander te zenden!"
+
+"Tuttuttut, ou schuld!... 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" bromde
+hij. "Dat 'n es niemans schuld; hij hè hij da woarschijnlijk al nen tijd
+in zijn lijf hangen." En hij drong haar op 't hart, alsook aan 't Geluw
+Meuleken, die met angstig gezicht stond te luisteren, hoe zij hem
+behandelen moesten: hem met behulp van twee of drie personen,
+voorzichtig in wollen dekens gewikkeld uit zijn bed nemen en hem daar in
+de goed verwarmde kamer brengen, waar ook het bed eerst heel zorgvuldig
+moest gewarmd worden. Verder moest hij om de twee uur een lepel nemen
+van een drankje, dat zij straks bij hem aan huis konden komen halen.
+Niets eten,--maar daar zou hij ook wel niet naar talen--en, als hij
+dorst kreeg, een beetje warm citroen-water met suiker. Den volgenden
+ochtend vroeg zou hij terugkomen.
+
+
+
+
+XVII.
+
+
+Hij kwam terug; en elken dag kwam hij, gedurende vele, vele dagen.
+De ziekte had een heel ernstig verloop gehad, was overgegaan in
+longontsteking, met ijlende koortsen.--Soms lag hij bleek en stil, als
+dood; en uren roerloosheid verliepen; maar toen opeens kwam weer de
+koorts en hij ging aan 't woelen en aan 't ijlen en vertelde opgewonden
+van de wonderlijkste dingen. Hij zat te paard, hij reed door wonderbare
+oorden, door witte en roze lentetuinen vol zoetgeurende bloeisels, die
+zacht om hem heen wuifden en stuifden en waar de mooiste vogels kweelden
+en klapwiekten, licht en blank als kapellen, in heldere, zonneblauwe
+lucht. O, het was alles zoo schoon en zoo heerlijk, het balsemgeurde
+overal en hij proefde van vruchten, groote, blozende, sappige vruchten,
+zoo zalig-lekker smeltend in den mond. Hij was in 't Paradijs, juichte
+hij, en daar was ook zijn teergeliefde Rozeke, geheel in 't fonkelwit
+gekleed, met haar zacht-krullende haren los over de schouders, en daar
+waren ook zijn kinderen, zijn beide lieve kinderen: Hilairken, gansch
+roze-naakt met gouden vleugels als de engeltjes in 't dorpskerkje, en
+ook Marie, ja, ook Marie, het meisje dat nog op de aarde moest geboren
+worden, maar daar reeds in het Paradijs geboren was, o zoo fijn en zoo
+klein en zoo teer, maar schoon, o, schoon, schooner dan alles wat ooit
+geleefd had, met groote oogen als helderblauwe bloempjes, als van die
+ronde lieve blauwe bloempjes, die in de vroege lente bloeien tusschen't
+jonge frissche gras, langs de randen van helder kabbelende
+beekjes.--Toen barstte hij plotseling in een lach-en-proestbui uit,
+omdat hij daar ook Vaprijsken zag: Vaprijsken gansch in 't geel, met
+gelen baard en gele kleeren en een languitgestreken, ernstig, geel
+gezicht als van een wijzen aartsvader; en ook het Geluw Meuleken was
+daar, nog geler dan Vaprijsken, het mager aangezicht vol gele sproeten;
+en ook den ouden Dons zag hij; een eigenaardige verschijning: een
+rooden, ronden kop met witte haren als een ondergaande winterzon over
+een sneeuwveld; en ook Rozeke's moeder zag hij, dik, bespottelijk dik,
+met puntig-rond, lachend-opschuddend buikje; en ook Rozeke's vader, die
+zijn een oog zoo leuk dichtkneep en zijn ander zoo verbaasd-rond opende;
+en ook Rozeke's broeders en zuster, en boer Kneuvels die hakkelde, en
+zijn schoone vrouw met haar gouden oorbellen en schitterende oogen, en
+de jonge baronesse met haar man, die in een bruisende automobiel
+voorbijsnorden....
+
+Toen zonk hij weer in elkaar en een doodsche droefheid grauwde op zijn
+klam-bezweet gelaat.--Het regende, het mistte, de natte, felle wind
+kromde de klagend-piepende kruinen der boomen, en hij rilde, rilde, en
+zijn tanden klapperden. De laatste bruine blaren stoven als doode vogels
+van de naakte takken en het paard verzonk met zijn beenen zóó in het
+slijk, tot hij zelf weldra heel en al nat en beslijkt was, en pijnlijk
+klaagde van kou en zich langzamerhand in al die grijze, triestige
+vuilheid voelde versmelten en verdrinken. Toen stootte hij een lange
+heesche weeklacht uit en weer lag hij afgemat en roerloos, als een
+bleeke doode uitgestrekt.
+
+Dat duurde zoo verscheidene weken. Eindelijk kwam hij aan de beterhand;
+maar nog eens weken duurde het vóór hij zijn bed verlaten mocht; en toen
+hij voor het eerst weer opstond en gekleed bij het haardvuur in de
+keuken verscheen, leek hij op een oud, bleek, kuchend en hoestend
+mannetje met uitgeholde, rimpelige wangen en groote, zwarte oogen, die
+aanhoudend op akelige tafereelen schenen te staren.
+
+Maar Rozeke dankte den hemel dat hij zoover genezen was en zij zelve
+herleefde. Alles wat ze geleden had: haar slapelooze nachten, de
+onvermijdelijke verwaarloozing der boerderij, de zware geldelijke
+opofferingen, alles was vergeten voor die eene blijde gebeurtenis van
+zijn gelukkige genezing.
+
+Af en toe nog had zij een briefkaart van de jonge barones ontvangen,
+telkens weer uit andere steden en landen, en de oude meester kwam er nog
+steeds nieuwsgierig naar kijken en 't een en 't ander haar ervan
+vertellen; maar zelve had zij haar bescherm-vriendin slechts eenmaal
+tijding kunnen zenden,--de droeve tijding van Alfons' zware ziekte--en
+nu verwachtte zij weldra haar terugkomst op het kasteel, waar zij
+voorloopig met haar man en hare ouders, gedurende de zomermaanden zou
+vertoeven.
+
+En op een ochtend, eindelijk, was ze daar, schoon als een jonge
+koningin, in een prachtige automobiel, met haar man aan haar zijde.
+
+"O, mejonkvreiwe! mejonkvreiwe!" riep Rozeke, vergetend dat haar
+vriendin nu "mevrouw" was, en schreiend van ontroering haar met in
+elkaar geslagen handen in den boomgaard te gemoet loopend.
+
+"Rozeke! Rozeke!" wuifde de barones verteederd. En zij en haar man
+drukten het boerevrouwtje hartelijk de hand, als oude, trouwe, dankbare
+vrienden. En dadelijk vroegen zij hoe 't met Alfons was en gingen
+binnen.
+
+Hij wilde opstaan om hen te begroeten, maar een hevige, schorre hoestbui
+drukte hem onmeedoogend in zijn leunstoel bij den haard weer neer.
+
+"Blijf maar zitten, blijf maar zitten," riep dringend de jonge barones;
+en zelve haastte zij zich naar hem toe in 't zijig ruischen van haar
+kleeren en drukte hem ontroerd de hand. "Hoe gaat het, Alfons?" vroeg
+zij bezorgd.
+
+"Dát 'n wilt hier nie wig, mevreiwe," antwoordde hij heesch, met de hand
+op zijn ingevallen borst, kloppend.
+
+Hij zag er nog erg bleek en mager uit, en zijn groote, donkere oogen
+hadden nog steeds hun onheilspellend-starende uitdrukking van
+verwilderden angst; en zooals hij daar nu hijgend in zijn leunstoel zat,
+leek hij niets meer op een boer: hij had een fijn besneden
+aristocratisch gezicht, van een vreemd-ziekelijke, geraffineerde
+fijnheid, als een schilder of een zanger met zijn lang-gegroeide haren
+en zijn spits-krullenden, donkeren baard.
+
+Zij bleven maar kort om hem niet te vermoeien; en buiten, op den drempel
+zei de barones tot Rozeke:
+
+"Rozeke, gij zult wel moeten oppassen met uwe man."
+
+Rozeke smolt in tranen.
+
+"Ach Hiere, wa kan ik doen, mevreiwe!" klaagde zij. "'k Geef ik hem
+alles woar da zijn herte noar lust, moar hij betert zeu troage."
+
+"Gij moogt hem vooral niet laten werken, nog van heel de zomer niet."
+
+"Hij 'n moe hij niet wirken, mevreiwe; hij 'n kan hij euk nie wirken. We
+zoeken ons noar nen twiede knecht; moar 't zijn amoal greute onkosten,
+mevreiwe, en w'hén al zuk 'n slecht joar g'had mee zijn ziekte."
+
+"Daarvoor moet ge 't niet laten, Rozeke; als ge iets noodig hebt zijn
+wij daar om u t' helpen."
+
+Zij zochten naar een tweeden knecht, naar een bekwamen paardeknecht. Zij
+hadden hem hoogst noodig. Reeds lag het vroege lentewerk dringend op den
+akker te wachten; en met de merrie was het ook al weer mis, die moest
+stellig opnieuw naar den hengst toe; maar goede paardenknechts zijner
+schaarsch te vinden, voornamelijk in 't voorjaar als reeds iedereen
+bezet is, en Alfons zat zich gansche dagen machteloos in zijn leunstoel
+van ongeduld en ergernis op te vreten, omdat het hoe langer hoe
+dringerder werd en niemand zich kwam aanbieden. Het maakte hem ellendig
+en vertraagde zijn genezing; en tot grooten schrik van Rozeke sprak hij
+reeds van uit zijn hoek te komen en zelf weer, zoo goed en zoo kwaad als
+het ging, te gaan ploegen en zaaien, en nog eens met de merrie naar den
+hengst te gaan, toen Vaprijsken op een zondag ochtend haastig van de
+vroegmis thuis kwam en hem zei:
+
+"Boas, as ge nou ne kier ne goeje peirdeknecht wilt hên, nou es er ienen
+te krijgen; moar ... hij 'n wilt hem nie prissenteeren; ge moet 't hem
+zelve vroagen."
+
+"Wie est 't?" vroeg Alfons gretig.
+
+"Ivo Smul."
+
+"Ivo Smul? En hij weunt bij boer Kneuvels!"
+
+"Sedert iergisteren 'n weunt er hij nie mier bij. Hij es mee zijnen boer
+in ruzie geslegen en wig-gegoan. 't Spijt de bezinne genoeg."
+
+Alfons, zijn groote, holle oogen strak voor zich gevestigd, zat roerloos
+te peinzen en te staren. Rozeke was, bij 't hooren van Smul's naam,
+schrik-zwijgend achteruitgedeinsd.
+
+Eenklaps keerde Alfons zich tot haar om.
+
+"Wa peist ge 'r van?" vroeg hij.
+
+"Lijk of ge wilt," antwoordde zij ontwijkend, met benauwde stem.
+
+Zij durfde 't niet bepaald tegenwerken; zij kende hun nood en vreesde 't
+ergste indien hij aan zijn dreigen gevolg gaf, van zelf weer aan het
+werk te gaan. Was het reeds niet háár schuld geweest, dat hij in plaats
+van Smul op dien akeligen ochtend met de merrie naar den hengstboer reed
+en er zijn zware ziekte bij had opgeloopen! Neen neen, zij durfde niet,
+'t mocht niet; maar ... de komst van Smul op hun boerderij, in hun
+dagelijksch leven, zij gruwde en huiverde ervan; zij was er bang voor,
+als voor den dood.
+
+"Hawèl?" drong hij aan, onder haar ontduikend antwoord en haar lang
+stilzwijgend ongeduldig wordend.
+
+"Hawèl, lijk of ge wilt," herhaalde zij nog eens, hem bedroefd en bijna
+smeekend aankijkend.
+
+"Lijk of ge wilt! lijk of ge wilt! Dat 'n es gien antwoorde! 'K en wil
+ik niets! 'K en zoek ik moar om wel te doen!" barstte hij verwijtend-
+opgewonden uit. "Zeg liever: leupt noar den duvel! as ge nie 'n wilt
+antwoorden!"
+
+Zij trok zich zwijgend, met tranen in de oogen, nog verder terug,
+terwijl Alfons, boos en geprikkeld, zich opnieuw tot Vaprijsken wendde.
+
+"Hèt ge 'r mee hem over gesproken?" vroeg hij.
+
+"Joa ik, boas."
+
+"En hét hij gezeid dat hij hier zoe wille komen?"
+
+"Joa hij, boas, as 't hem gevraagd wordt."
+
+"En veur hoeveel in de moand? Het hij da nie gezeid?"
+
+"Vijf en dertig fran, lijk of hij bij boer Kneuvels há."
+
+"En verwacht hij antwoorde doarop?"
+
+"Joa en nien. Hij hé gezeid as hij van doage gien antwoord 'n ha, dat
+hij hem elders gijnk verhuren."
+
+Opnieuw keerde Alfons zich tot Rozeke om:
+
+"Hawèl wa peist-er nou eigentlijk van? Zeg verdeeke euk ne kier ou
+gedacht?"
+
+"Hawél, joa joa, 't es goed, lijk of ge wilt," antwoordde zij als
+versuft, met hooge kleur en op 't punt in tranen uit te barsten.
+
+"Moar 'k en wil ik niets, zeg ik ou!" riep hij nijdig, "'k Vroag ou joa
+of nie of 't ou gedacht es. Keunt-e doar nou nie op antwoorden?"
+
+"Hawèl joa 't dan, joa 't, 't ès mijn gedacht!" stamelde zij, bleek en
+bevend. Zij vond het ontzettend dat juist zij het beslissend jawoord
+moest geven.
+
+Weer keerde hij zich in zijn leunstoel tot Vaprijsken om:
+
+"Al gezeid.--Vaprijs jongen, goa gij weere noar 't dorp en zegt hem dat
+hij hier verhuurd es en dat hij hoe ier hoe liever zoe komen."
+
+"Al gezeid, boas."
+
+Vaprijsken stak een pijp op en was buiten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XVIII.
+
+
+Reeds den volgenden ochtend was Smul met pak en zak op 't boerderijtje.
+Kort en stug groetend kwam hij binnen, vroeg waar zijn slaapplaats was,
+knikte goedkeurend toen hij hoorde dat die op den zolder was boven den
+paardenstal, droeg er met behulp van Vaprijsken zijn goed heen en stond
+reeds vóór half negen in het keukentje werkklaar, met gefronsde
+wenkbrauwen vol aandacht luisterend naar de bevelen van zijn nieuwen
+meester.
+
+"Iest en veural de vlasgoard eegen en sleepen, 't es doanig neudig," zei
+Alfons met heesche stem. "Vaprijs zal mee ou mee goan om ou te teugen
+woar dat hij ligt. Doarachter moên we malgré beginnen onz' eirdappels
+planten en oale voeren op de kloaver."
+
+Sprakeloos hoofdknikkend had Smul zich reeds omgekeerd om naar zijn werk
+te gaan.
+
+"Eet iest ulderen boterham," zei bedeesd Rozeke, terwijl ze haastig twee
+groote koppen volschonk met koffie en een stapel dikke tarwe-smouterhammen
+voorsneed. Zij sneed ook twee plakken zwart roggebrood en legde op ieder
+een zware snee spek.
+
+Zij aten, haastig slikkend, zonder spreken, en slurpend van hun groote
+koppen. Alfons, uitgeput door de inspanning van het bevelen-geven, zat
+af en toe heesch in zijn hoek te hoesten; Rozeke liep gejaagd en
+onthutst heen en weer. Zij voelde zich plotseling als een vreemde in
+haar eigen huis; zij kon haast niet begrijpen dat die man, die Smul,
+waar zij nog steeds zoo heimelijk bang voor was, daar nu elken dag vast
+zitten zou, dat hij zou deelen in hun dagelijksch leven, dat hij met hen
+zou opstaan en zou slapen gaan, dat zij hem ieder oogenblik zou hooren
+en zien. Het kwam haar voor als iets onmogelijks, dat toch in geen geval
+lang duren kon, en 't was haar nu reeds een verbazing dat hij daar zoo
+onbevangen en gewoon te eten en te slurpen zat, terwijl het haar zoo
+akelig bevreemdde en ontstelde; dat hij daar zat, aan de tafel van zijn
+vroegeren vijand, wiens vrouw hij als jong meisje hartstochtelijk
+begeerd en met ruw geweld bijna genomen had. Doch alles ging zoo
+doodgewoon en zoo natuurlijk alsof het nooit anders geweest was; hij
+vroeg ernstig en kalm onder het haastig eten aan Alfons hoe dit en dat
+gedaan moest worden, waar hij 't een of 't ander vinden kon: en van haar
+nam hij in 't geheel geen notitie, hield zich alsof hij haar niet zag en
+alsof ze voor hem niet bestond. Zoo gauw hij met zijn eten klaar was
+stapte hij op, liep naar den paardenstal, haalde de merrie uit en spande
+haar voor de driewielkar, waarop hij met een forschen til de zware horde
+laadde. En weg was hij, over den boomgaard en door 't open hek, door
+Vaprijsken vergezeld. Alfons glimlachte tevreden, hem met een
+goedkeurend hoofdgeknik naar Rozeke van uit zijn hoek door 't raampje
+nakijkend.
+
+"Dà es ne goên, zille! en ne rappen! Kijk ne kier die merrie goan! Hij
+'n zal d'r nie in sloap bij vallen, bij zijn wirk!"
+
+Hun vroegere ruzie scheen Alfons totaal vergeten, hij dacht er niet meer
+aan. Hij zag enkel nog in Smul den knappen, flinken werker, die hen uit
+den nood kwam helpen.
+
+Rozeke verademde. Misschien zou het toch beter gaan dan zij eerst dacht
+en vreesde; maar zij voelde wel dat zij er nog aan wennen moest. Het was
+een vreemd gevoel in haar; mengsel van hoop en vrees en ook van ontzag
+en een soort schaamte. Waarom schaamte? Dat begreep ze zelve niet, maar
+voelde 't zoo.
+
+Even later op den dag, in de zachte, stille zonne-warmte van den
+heerlijken mei-ochtend, liep Alfons, door belangstellende
+nieuwsgierigheid gedreven, eens tot aan den vlasgaard, waar Smul nu aan
+'t eggen was.--Hij zag hem komen van het verste eind over den langen
+akker: de mooie merrie met trotsch-opgeheven hoofd flink-gelijkmatig in
+gestrekten vluggen pas aanschrijdend, en daarachter op de platte horde
+Smul, fiks en wijd-beende met de leidsels in de hand, telkens
+schuivend-glijdend in als 't ware wevende beweging over 't gladde,
+blonde land. Hij zag het gespan komen, ziender oog vergrootende,
+stijgend als op een zachtglooienden heuvel naar het middenpunt waar het
+veld ietwat hooger lag, en dan weer naar de laagte dalen, de merrie
+snuivend, de horde schuivend, tot het heel aan 't ander uiteinde gekomen
+was, waar Smul dan met een vluggen, zwierigen zwaai horde en paard deed
+omkeeren en dadelijk weer, in flinken, forschen gang, den akker
+opgolfde.
+
+"Nondedzju! dà es ne wirkman! den dienen kán watte!" dacht Alfons met
+onbedwingbare bewondering alsof het nog de eerste maal was dat hij Smul
+zoo aan den arbeid zag.--En lang nog bleef hij daar, op zijn stokje
+geleund, bewonderend staan staren en waardeerend genieten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XIX.
+
+
+Langzamerhand, met de rust en met de mooie dagen, werd Alfons beter;
+maar hij was toch nog veel te zwak om te werken. Zoolang hij kalm en
+rustig bleef, voelde hij zich tamelijk goed, doch bij de minste
+inspanning begon hij weer te hijgen, te kuchen en te hoesten en dagen
+lang waren er dan noodig om hem opnieuw op zijn verhaal te brengen. 't
+Zal moeten slijten, had de dokter gezegd; en nu hij toch zulke goede
+hulp had aan Smul en alles weer voorspoedig ging op 't hoevetje, nam hij
+zijn lot nog al geduldig op.
+
+Rozeke, van haar kant, was eindelijk ook aan den toestand gewend
+geraakt. De vaste tegenwoordigheid van Smul kwam haar niet langer meer
+voor als een steeds dreigend gevaar, alles bleef natuurlijk en gewoon
+zijn kalmen gang gaan, hij poogde zich geen rechten aan te matigen die
+hem niet toekwamen en ook met 't Geluw Meuleken en met Vaprijsken
+verkeerde hij op goeden voet; en weldra genoot ook Rozeke iets van de
+rust en zekerheid, die door Smuls flinke en krachtige bekwaamheid op
+Alfons' gemoed heilzaam werkte. Die rust en zekerheid waardeerde zij te
+meer nu ze weer spoedig haar verlossing te gemoet zag. Evenmin als
+Alfons ware zij op 't oogenblik in staat geweest voor de eigenlijke
+zaken van de boerderij doelmatig handelend op te treden en zoo gebeurde
+het bijna van zelf en onvermijdelijk dat alles meer en meer door den
+sterken en actieven Smul bedisseld en beredderd werd.
+
+In het begin kwam hij nog telkens aan Alfons vragen: "Baas, zouden we
+dit of dat niet doen? zou het geen tijd worden om hier-of-daar mee te
+beginnen?" Doch Alfons was vanwege zijn ziekelijken toestand niet altijd
+op de hoogte om te beslissen en zoo kwam het meer dan eens voor dat hij
+zelf aan Smul moest vragen hoe die er over dacht en wat hij zou aanraden
+te doen. Zoo ging het toen het gras gemaaid moest worden en ook later
+toen het tijd werd om het koren in te oogsten. Smul was het die
+besliste, die de maaiers ging ontbieden en de noodige bevelen uitdeelde.
+Van 't paard trok Alfons zich heelemaal niets meer aan; dat was in Smuls
+handen en hij zou wellicht niet geduld hebben dat een ander, zelfs de
+baas niet, zich er nog mee bemoeide. Hij was er weer mee bij den hengst
+geweest, op een door hem alleen gunstig geacht oogenblik; en weldra leed
+het geen twijfel meer, dat de merrie veulen droeg.
+
+Maar nu gebeurde 't dat Smul, in zijn toenemende, algemeene bazigheid,
+zich ook met den koestal ging bemoeien, wat speciaal Vaprijskens werk
+was, en dit gaf aanleiding tot wrijving en gekibbel, tusschen de twee,
+totnogtoe goed met elkaar omgaande knechts. Dat koestal-geharrewar werd
+nog ingewikkelder door een vagen naijver om 't Geluw Meuleken, waar zij
+allebei een beetje 't oog op hadden. Scherpe woorden waren reeds een
+paar keer gewisseld; en eindelijk, op een middag, voor een
+beuzel-kwestie van al of niet te geven klaver, kwam het tot een
+plotselinge, woeste vechtpartij. Geducht werd het veel zwakkere
+Vaprijsken geranseld, en kwam daarop huilend en vloekend bij Alfons en
+bij Rozeke zijn aanklacht doen, gillend dat zij tusschen hem en Smul te
+kiezen hadden en dat hij wegging indien Smul nog langer bleef. Groot was
+de plotselinge ontsteltenis van Alfons en van Rozeke! Wat moesten ze
+doen? Zeker was Vaprijsken een uitmuntende stalknecht en moeilijk kon
+hij op de hoeve gemist worden, maar onder de omstandigheden van het
+oogenblik kon Smul dat nog veel minder en hun gedwongen keus was niet
+twijfelachtig. Zij slaagden er eindelijk in, met heel veel moeite, na
+smeeken en vleien, om Vaprijsken te bedaren en hem te doen blijven; maar
+dat was meteen de beslissende triomf voor Smul, die van af dat oogenblik
+de onbetwiste opperbaas der hoeve werd en er voortaan alles naar zijn
+eigen zin wist te doen buigen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XX.
+
+
+Den vijftienden Augustus, op den dag van Onze Lieve-Vrouwe, werd
+Rozeke's tweede kind geboren: een meisje. Hoe wonderbaar: het was dan
+toch precies uitgekomen zooals Alfons het in zijn koorts gedroomd had;
+en 't kind werd ook onder den naam van Marie gedoopt, ter eere van de
+Lieve-Vrouw en ook omdat Alfons het in zijn ijlen zoo genoemd had.
+
+Moeder Van Dalen en La, die meetje zou zijn, verbleven op het hoevetje
+de laatste dagen vóór hare bevalling, en ook Rozeke's vader en haar
+broeders kwamen, en weldra verscheen ook de jonge barones, met mooie
+geschenken voor de moeder en het kind. Rozeke had den laatsten tijd haar
+lieve jonkvrouw, zooals zij haar nog altijd noemde, maar zelden meer
+gezien; ook zij verwachtte haar eersteling tegen den winter en samen
+hielden zij nu lange en vertrouwelijke moederpraatjes. De
+maatschappelijke kloof was even door overeenkomst van zorgen, liefde en
+gevaren tusschen hen gedempt, zij waren niets meer dan twee liefhebbende
+vrouwen en verteederde moeders, de eene reeds ervaren en de andere nog
+vol van 't onbekende, maar met gelijkkloppende harten alle twee. De
+jonge barones leefde nog steeds in de verrukking van haar zalig,
+onverdeeld geluk; en ook Rozeke zag nu meer en meer een blijde toekomst
+tegemoet, want Alfons werd met den dag sterker en zijn gezondheid beter.
+Hij hoestte bijna niet meer en kon reeds, zonder zich te vermoeien,
+halve dagen op den akker blijven.
+
+De jonge barones vertelde van haar man. Hij was op 't oogenblik in
+Frankrijk, met zijn automobiel, naar de groote wedrennen. Niet dat hij
+zelf nog mee deed; 't was veel te gevaarlijk en hij had haar en ook haar
+ouders moeten beloven nooit in snelheidsritten meer mee te rennen; maar
+hij stelde er nog steeds zooveel belang in en dat genoegen gunde zij hem
+gaarne. En zij vertelde ook aan Rozeke dat zij nu een heel mooi huis
+hadden in Brussel, vlak naast het huis van haar vader, waar zij 's
+winters zouden wonen en waar ook hun eerste kindje zou geboren worden.
+Rozeke moest er haar later eens met Alfons komen opzoeken, als zij haar
+kindje had.
+
+Rozeke's moeder die 't gesprek bijwoonde en de uitnoodiging hoorde,
+kwam, op eenigszins misnoegden toon, met een bezwaar in 't midden:
+
+"'n Vroag gij heur moar nie te veele, mevreiwe. Nen boer en 'n boerinne
+moên op ulder hof blijven; anders spelen knechten en meissens den boas!"
+
+Zij doelde op Smul, wiens misplaatst bazig optreden haar reeds vanaf 't
+eerste oogenblik geërgerd had. Maar Rozeke, die de toespeling dadelijk
+vatte, meende zich te moeten verontschuldigen:
+
+"Wa moeste we doen, moeder; we zaten doar alle twieë lijk lam? We
+mochten nog heul blije zijn da w' hem hân."
+
+"Tuttuttut! al wa konten!" riep moeder met boersche ruwheid, zonder zich
+aan de voorname tegenwoordigheid te storen; "nen boas es nen boas en ne
+knecht moe ne knecht blijven, of anders 'n deugt het niet. Mijne man hè
+euk dikkels ziek geweest en ik hè zeven kinders g'had: moar ne knecht of
+'n meissen 'n hân verdeeke! nie moeten probeeren van in ònz' ploatse
+boas of bezinne te spelen! Ze zoên rap op stroate gevlogen hên! Voader
+gijnk wirken zeu lank of dat hij op zijn bienen kon stoan en den
+uchtijnk dat-e gij geboren zijt hé 'k nog onz' koe gemolken. Tuttuttut!
+al wa konten, zeg ik."
+
+"Ha joa moar, moeder, wie zoe 't anders gedoan hên? Ge 'n hadt gulder
+giene knecht of gien meissen," weerlegde Rozeke.
+
+De jonge barones, die van de gansche toebracht niets begreep, zette
+verwonderde oogen op.
+
+"Waarvan is er kwestie?" vroeg zij eindelijk.
+
+Moeder en Rozeke vertelden 't haar om de beurt, ieder op haar manier,
+Rozeke even boos omdat moeder zoo beslist sprak over iets waar zij
+eigenlijk veel te weinig van af wist.
+
+De barones keek Rozeke met ernstige, bijna afkeurende oogen aan.
+
+"O, Rozeke, ge zult toch nooit...."
+
+Zij kon haar zin niet voltooien, zóó hartstochtelijk viel Rozeke haar in
+de rede:
+
+"Ha moar mevreiwe toch! Wa peist-e gij toch wel van mij?"
+
+Zij was niet in staat haar ontroering te beheerschen, zij barstte
+plotseling in overstelpende tranen uit, zwak nog na haar laatste
+kinderbed, en verweet scherp haar moeder dat zij haar een onverdienden,
+slechten naam gaf.
+
+De jonge barones legde zacht hare hand op Rozeke's schouder en bracht
+haar zoet-sussend tot bedaren. Wel neen, wel neen, niemand had iets
+verkeerds bedoeld, zij had alleen maar willen waarschuwen. Zij waren
+gelukkig alle twee en moesten hun geluk steeds waardig blijven.
+
+Nog even snikte Rozeke, met droog-hikkende stem:
+
+"Onze lieven Hiere weet da 'k moar iene wensch op de weireld 'n hè: da
+Alfons weere stirk en gezond genoeg zoe meuge worden om den anderen te
+keune missen. Ik 'n hè hem nie gevroagd; Ik ... zoe hem veel liever ...
+noeit op ons hof genomen hên.... 't Es Alfons zelve die 't gewild hèt.
+Hij ... hij ... hij hè mij gedwongen hem te nemen...."
+
+Zij droogde hare laatste tranen af en alle drie zwegen. Alfons kwam
+daar, over den zonneglinsterenden boomgaard, glimlachend, met zijn spade
+op den schouder. Hij was nog wel zeer mager, met ingezakte borst en
+hooge schouders, maar zijn gelaatskleur was gezonder en de uitdrukking
+zijner zacht-donkere oogen opgeruimd en levendig.
+
+"Hoe vindt g' onz' jonge dochter, mevreiwe?" vroeg hij aan de jonge
+barones; en toen zij hem vriendelijk had gelukgewenscht met het kind
+keek hij even, als onthutst, naar haar eigen zwaargeworden figuur en
+ging bedeesd en gegeneerd-stilzwijgend zitten.
+
+Daarbuiten op den boomgaard, galmde plotseling luid zweepgeklap en klonk
+de ruwe stem van Smul, die een bevel schreeuwde. Zij keken door het
+raampje en zagen hem met een hooge vracht goudgeel koren opgereden
+komen. Met gestrekte spieren trok de zware, bruine merrie, al haar
+krachten inspannend om den wagen door den mullen grond tot vóór de
+schuur te halen. Rukkend en schreeuwend hing Smul aan de leidsels en
+Vaprijsken hield, duwend met een lange vork, de iewat scheef geschokte
+lading in het evenwicht.
+
+Moeder Van Dalen, de wenkbrauwen gefronst, bromde, met van moeielijk
+ingehouden toorn bevende stem:
+
+"Es da nou 'n vrecht veur 'n bieste die veulen in hêt! 'K 'en weet toch
+nie wat da peist, Fons, da g'hem da nie verbiedt!"
+
+Alfons schudde zijn hoofd en antwoordde:
+
+"'t Es wa veele; moar 't en es gelukkig moar veur 'n klein eindsjen en
+hij doe 't toch om wel te doen. Hij es schouw veur onweer en hij hoast
+hem binnen mee 't loaste van den oest."
+
+Moeder zei niets meer en ging hoofdschuddende weg. Rozeke zat starend,
+met teedere oogen, te kijken naar haar jongste kind in 't wiegje en de
+barones gaf een tikje met de punt van haar schoen aan Gessler, die vóór
+haar voeten lag, en stond op. Zij duwde met haar zachte vingeren twee
+kleine kuiltjes in de mollige wangen van het slapend wichtje, glimlachte
+het teeder aan en keerde zich zuchtend, met liefde-tranen in de oogen
+om.
+
+"Tegen wannier verwacht ge 't ouwe, mevreiwe?" durfde Rozeke haar
+fluisterend op den drempel vragen.
+
+"Ik denk einde December," antwoordde stil de barones, zacht-kleurend.
+
+"En wa moet 't zijn?" glimlachte Rozeken, "'n jongentsjen of 'n
+meisken?"
+
+"Al wat de lieve Heer verleent zal welkom zijn, Rozeke, maar wij hopen
+een jongen."
+
+"'K zal d'r veure lezen, mevreiwe" beloofde Rozeke met ontroerde
+vroomheid.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXI.
+
+
+Alweer werden de dagen korter en de bladeren begonnen bruin en geel en
+rood te kleuren op de kruinen van de boomen; alweer zaten de donkere
+zwaluwtjes met witte borstjes stil-kwetterend als kleine lijkbidders in
+lange, onbewegelijke rijen op de kroonlijst van het huis en van de
+stallen, geduldig wachtend op 't mysterieuze sein van verren aftocht
+naar het zuiden; alweer kwamen de trage, logge, zwarte benden raven,
+droef-krassend in de kil-grijze, mistige lucht, over de naakte akkers
+zwerven. De winter naderde, als een té wel bekende oude gast, met
+triestig gezicht en zwartgallig gemoed. De zonnige vreugde stierf in
+grijze droefheid om hem heen, en 't was of hij de menschen vóór zich
+wegjoeg: zij vluchtten met opgetrokken schouders in hun donkere huisjes
+en kropen er rillend om het knappend, rood-opflakkerend haardvuur.
+Alfons was een der eersten, die voor den ouden barren grijsaard
+huiverend in den hoek kroop. Het was of al 't herleven van den langen,
+schoonen, warmen zomer allengs in hem uitdoofde en wegstierf en of hij
+langzaam aan verstijven zou, rillend met angstige oogen en
+hoog-opgetrokken knieën bij den haard.
+
+Hij wist niet wat hij had, hij klaagde niet en leed niet, maar weer was
+hij aan 't hoesten en aan 't kuchen; en alleen 't gezicht der grijze,
+stille, kille lucht daarbuiten boezemde hem een soort van angst en
+afkeer in, alsof daar ergens een gevaarlijke, verscholen vijand zat, die
+op hem loerde. Zijn groote donkere oogen staarden soms als in
+verwildering door de kleine, grijs-groenachtige ruitjes, zijn wangen
+werden opnieuw bleek en ingevallen, zijn magere handen schenen zich uit
+te lengen en als 't ware doorschijnend te worden, licht-bevend-uitgestrekt
+als ze daar lagen op zijn magere, knokkelige knieën. Zelden had hij
+eetlust, en gansche dagen, zonder iets uit te voeren, voelde hij zich
+zwak en moe als na langdurigen, afmattenden arbeid.--Toen zat hij stil
+te hijgen en in dat hijgen hoorde men voortdurend iets heesch en fijn
+piepen, alsof er in zijn binnenste een klein, benauwd beestje gevangen
+zat, dat vruchtelooze pogingen aanwendde om te ontsnappen.
+
+En weer ook leefde Rozeke in kommer en in angst. Zij voelde aanhoudend
+de zwevende dreiging van een ramp, die plotseling uit zou kunnen
+barsten.--"Loat ons liever den dokteur nog ne kier hoalen," smeekte zij
+telkens, om ten minste uit haar kwellende onzekerheid te geraken; maar
+hij wilde niet, er scheelde hem immers niets, hij had geen enkele
+onvoorzichtigheid begaan, geen kou gevat, niets; hij hoestte alleen maar
+wat en 't was de winter die in hem zat, niets anders dan de winter en
+met de eerste schoone dagen zou hij, als de vogels en de bloemen, weer
+naar buiten komen.
+
+Maar zij lagen nog zoo verre in het verschiet, de eerste schoone dagen;
+en 't waren vooreerst koude ijsbloemen, die op de vensterramen bloeiden
+en 't waren dikke, witte sneeuwkapellen, die in den bladerloozen
+boomgaard fladderden. De barre, grijze winterman was overal, en in alle
+stille boerderijen van het alom-besneeuwde land hield hij de huiverige
+menschen van de verdere wereld afgezonderd. De menschen leefden in het
+huiselijk familiegroepje hun beperkt bestaan; en lief en leed van
+meesters en dienstboden bleef in de lange winter-eenzaamheid binnen de
+nauwe, warme muren opgesloten.
+
+Enkele dagen vóór nieuwjaar ontving Rozeke met de post een mooi gedrukt
+kaartje in een fijne enveloppe. De jonge barones had een zoontje; dat
+was een zegen. Rozeke verblijdde er zich in als in eigen geluk, als in
+een straal van hoop en verlichting over haar eigen kwellend leed van 't
+oogenblik.
+
+Maar helaas!... haar zou de sombere winterman nog wreed beproeven.
+
+Op een ochtend bleef Alfons langer dan gewoonlijk te bed liggen. Hij was
+nooit vroeg de laatste weken; vooral gedurende de eerste uren van den
+dag voelde hij zich zoo moe en afgemat en hoestte, tijden lang. Maar 't
+werd acht uur, half negen; en Rozeke had in de keuken 't lampje
+uitgeblazen en zag, onder het aankleeden van Hilairken en 't verzorgen
+van Marietje, de late ochtend triestig grauwen op den boomgaard, waar
+het Geluw Meuleken met twee volle emmers uit den stal kwam, en nog
+steeds was hij niet op en hoorde zij hem niet bewegen. Zijn koffie stond
+reeds klaar en hij zou koud en bitter worden; en de dun-gesneden,
+tarwe-boterhammetjes zouden liggen uit te drogen op het bord. Zij liet
+haar kinderen even in de steek en ging eens op het steenen trapje van de
+voute-kamer luisteren:
+
+"Alfons!" riep ze, "'t es al over half negen en ouë kàffee zal slecht
+worden. Zoe-je nie opstoan?"
+
+Een dof en zwak gekreun klonk haar uit het half donker kamertje als
+antwoord tegen. Zij schrikte hevig, holde de drie steenen treden van de
+voute op, en stond vóór 't lage bed:
+
+"Scheelt er iets, Alfons? Zij-je nie wel?"
+
+Eensklaps, in het schemerduister, zag zij iets zwarts, een breede
+donkere vlek, vlak naast zijn hoofd op 't grijze kussen. Instinctmatig
+stak zij er de hand naar uit, voelde iets akelig lauwkleverigs, begreep
+als door een gruwel-intuïtie, wat het was. Zij vloog naar 't raampje,
+rukte 't blind weg, ontwaardde een donkerroode kleur aan hare
+vingertoppen, keek schokkend om en zag hem liggen in zijn bloed op 't
+kussen, 't gezicht wasgeel, de oogleden dicht, lei-blauw als van een
+doode. Zij vloog de trappen af, huilde, schreeuwde om hulp, schreeuwend
+het woord, het gruwelijk schorre woord: "bloed! bloed! bloed!"
+schreeuwend met uitgepuilde oogen, hollend heen en weer als een
+krankzinnige, tot zij op het Geluw Meuleken en op Vaprijsken stootte en
+duizelend voor hun voeten in elkaar stortte.
+
+Alfons had bloed opgegeven!--Toen de dokter, in allerhaast door Smul te
+paard gehaald, op het hoevetje aankwam, was de zieke weer wat bijgekomen
+en lag kalm, bleek en roerloos als een lijk, op het bebloede
+hoofdkussen.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXII.
+
+
+De eerste rimpels van zorg en vroegtijdig verflensen groefden zich
+gedurende dien droeven winter onuitwischbaar op Rozeke's eertijds zoo
+frisch en zacht gelaat. Zij werd mager, haar ronde borst verslapte, haar
+rug werd gebogen en hare schouders zakten. Eene bestendige uitdrukking
+van angst lag diep en schuw in 't helderblauwe van haar oogen en om de
+hoeken trokken zich haar oogleden omlaag, alsof zij, zwaar van
+droefheid, dreigden dicht te zullen vallen.
+
+Zorgen, zorgen en nog zorgen ... aldoor zwaardrukkende zorgen!--De crisis
+was voorbij, hij was weer op de been en zat in 't hoekje van den haard,
+maar onbekwaam met iets zich te bemoeien, levend als een teer, ziekelijk
+plantje in een warme broeikas. Hij was lastig en chagrijnig, hij en haar
+beiden kinderen namen al haar tijd in beslag, eischten al haar zorg van
+ieder oogenblik, en het gansche beheer en bedrijf der boerderij moest
+aan de welwillende hulp en werkzaamheid van Smul, van 't Geluw Meuleken
+en van Vaprijsken worden overgelaten. In het begin kwam moeder; en ook
+haar vader, haar zuster en broeders kwamen om de beurt; doch wat baatte
+het? Zij konden nooit langer dan een paar dagen blijven, en 't gaf ook
+dadelijk aanleiding tot wrijving en gekibbel, niet alleen met Smul, maar
+ook nog met het Geluw Meuleken en met Vaprijsken, die allen veel voor
+Alfons en voor Rozeke over hadden, maar dreigden weg te gaan indien zij
+gedwongen werden aan vreemdelingen, zooals zij Rozeke's ouders en
+familieleden noemden--te gehoorzamen.
+
+"Hawèl, loat ze goan en neemt er ander!" had moeder Van Dalen reeds meer
+dan eens nijdig uitgeroepen. Maar wanhopig haalde Rozeke de schouders
+op: moeder leek wel gek haar zulken raad te willen geven. Wat zou ze,
+wat kon ze, geboeid en gekneld als ze daar zat, met nieuwe, onbekende
+dienstboden aanvangen? Zij begon weldra moeders komst eerder te vreezen
+dan te verlangen: en alles ging zijn gang zoo goed en zoo kwaad als het
+kon, en Rozeke zuchtte en weende en legde zich machteloos bij den
+ellendigen toestand neer.
+
+De lente naderde nog eens en met de eerste schoone dagen kwam weer de
+drukte van 't werk op den akker.
+
+Moeder was boos geworden omdat Rozeke naar haar zin niet handelde en
+zette haast geen voet meer op de hoeve. Ook Vader kwam er nog maar
+zelden en La en haar broeders hadden 't nu op Van Dalen's eigen
+boerderijtje druk genoeg. De dokter had uitdrukkelijk aan Alfons
+verboden zich voorloopig met iets te bemoeien en nog eens kon Rozeke
+niet anders dan Smul en Vaprijsken volle vrijheid van handelen geven.
+Zij riep hen bij elkaar en smeekte hen met tranen in de oogen haar te
+willen blijven helpen. Zij beloofden 't en hielden ook trouw hun woord.
+Zij werkten als voor eigen, maar regeerden ook als eigen goed wat hun
+was toevertrouwd. Vooral Smul. Die was dè echte baas geworden, aan wien
+zelfs Vaprijsken, na de ranselpartij van 't vorig jaar, als een
+onderdaan gehoorzaamde. Smul besliste, beval, eischte van de anderen de
+slaafsche uitvoering zijner bevelen. Wel poogde Rozeke soms haar
+prestige van bazin nog te doen gelden, maar zij voelde zich nog steeds
+zoo heimelijk bang voor hem; en bij de minste opmerking keek hij haar
+aan, zóó vrijpostig en brutaal, dat de woorden in haar mond versteven,
+terwijl zij, telkens kleurend als van schaamte, dadelijk den blik ten
+gronde sloeg. En toch ... sommige dingen kon noch mocht zij zoo niet
+blijven dulden: op een namiddag, tegen avond, had zij Smul, bijna op
+heeterdaad, betrapt met 't Geluw Meuleken in de hooischuur. Zij waren
+haastig van elkaar gegaan bij haar plotseling verschijnen en dien dag
+had ze geen gelegenheid meer gehad hèm het gebeurde te verwijten;--zij
+wist ook nog niet zeker of zij wel gedurfd zou hebben--maar het Geluw
+Meuleken had ze duchtig onder handen willen nemen; en 't Geluw Meuleken,
+die vroeger zoo beleefd en nederig was, had ook eensklaps brutaal en
+onbeschaamd geantwoord; en met wanhoop had Rozeke begrepen dat ze tegen
+den toestand niet op kon en dat ze zich nog mocht gelukkig achten
+wanneer ze slechts maar alles deden wat hun beliefde, zonder haar verder
+in den steek te laten.
+
+Steeds dringender had zij behoefte aan steun, aan hulp, aan iets goeds
+en vriendelijks, dat haar wat op kon beuren; en met het vurigste
+verlangen zag zij uit naar de komst der jonge barones, die van haar
+droevigen toestand op de hoogte was en beloofd had haar zeer spoedig na
+hun intrek op 't kasteel te komen opzoeken.
+
+En op een middag kwam zij, schitterend mooi van gezondheid en van
+moederlijk geluk, met haar zoontje in een sneeuwwit wagentje, dat door
+een jonge, kloeke, frissche min in langen, wijden mantel en witte muts
+met enorme breede en lange, wit-en-zwart-geruite, op den rug hangende
+linten, werd geduwd. Rozeke, weemoedig gestemd door al haar eigen zoo
+zwaar contrasteerende droefheid, begon dadelijk bij 't eerste zicht,
+overvloedig te schreien, terwijl zij, als in een vurig, zwijgend
+smeeken, herhaaldelijk de hand harer voorname vriendin en weldoenster
+kuste. Toen keek zij naar het kindje in de wieg en sloeg, nu schreiend
+van emotie en bewondering, de handen in elkaar.
+
+"Azeu 'n scheun kind, mevreiwe! Azeu 'n scheun ijngelke van 'n kind!"
+herhaalde zij met bibberende stem.
+
+"Niet waar!" riep trotsch de jonge moeder. Maar zij voelde dat haar te
+rijk geluk het arme boerevrouwtje leed moest doen en vroeg haar met
+bezorgd gezicht hoe 't met Alfons gesteld was en of zij hem kon zien.
+
+"Kom binnen, mevreiwe," riep Rozeke; en zij wilde ook de min met het
+wagentje doen binnenkomen. Maar de jonge barones sprak met schielijken
+angst enkele haastige woorden in 't Fransch tot de min, die dadelijk met
+het wagentje omdraaide en onder de boomen heen en weer ging rijden,
+terwijl de barones Rozeke in 't woonhuis volgde.
+
+Alfons voelde zich de laatste dagen weer wat beter. Hij had haar door
+het raam gezien en hooren binnenkomen en hij was uit zijn leunstoel
+opgestaan, angstwekkend bleek en mager, met groote, vreemd-glinsterende
+oogen en een zonderlingen, bijna gepijnigden glimlach op zijn
+blauwachtige lippen. Een groote, zwartwollen bouffante was dubbel om
+zijn ontvleesden hals geslagen en zijn stem klonk hol en heesch als kwam
+zij uit een kelder, toen hij de bezoekster welkom heette en verzocht om
+te gaan zitten.
+
+De jonge vrouw voelde zich plotseling door 't diepste medelijden
+aangegrepen. Zij had niet gedacht dat het zóó erg was met hem; zij
+schrikte van zijn uiterlijk en had alle moeite om dien akeligen indruk
+te verbergen.
+
+"Hoe vindt g' hem, mevreiwe?... al weere veel beter, e-woar, nou dat de
+scheune doagen beginnen te komen?" vroeg Rozeke gemaakt-opgewekt, als
+wilde zij niet alleen hèm, maar ook nog zichzelf met een bedriegelijke
+illuzie troosten.
+
+"Zeker, zeker," antwoordde machinaal de barones, terwijl het in haar
+keel kropte van meelijdende droefheid.
+
+Alfons kuchte even, heel zacht en heel voorzichtig, als was hij bang
+voor een geduchte hoestbui en zijn bleeke lippen glimlachten met
+inspanning, terwijl zijn heesche stem op bijna fluisterenden toon zeide:
+
+"As 't moar 'n beetse goe weer'n blijft, mevreiwe; as ik moar weere
+buiten in de zonne kan goan zitten. 't Es toch zeu triestig, altijd in
+huis."
+
+Zijn mooie donkere oogen, die haar week en vriendelijk in vreemde
+schittering toelachten, omsluierden zich plotseling als 't ware met een
+floers van wanhopige droefheid en hij sloeg ze neer ten gronde als wou
+hij zijn diepe smart niet laten merken. Maar zij hadden 't gezien en
+innig gevoeld alle twee en Rozeke keerde zich eensklaps naar het raampje
+om met trillende lippen, terwijl de jonge barones iets als een ijskoude
+stilte in haar binnenste voelde neerzijgen. Zij peilde plotseling de
+diepte van een onuitsprekelijke levenssmart vlak naast haar eigen jong
+en frisch geluk en 't huiverde in haar van medelijden en van angst,
+terwijl haar oogen even als verstard gevestigd bleven op het gelouterd
+en nobel gezicht van dien jongen man, zooals hij daar uitgeput en
+hijgend in zijn stoel zat neergezakt, zoo duidelijk omvademd reeds door
+de sombere schim van den dood.
+
+Zij stond op en nam afscheid. Ook hij wou opstaan, om haar te begroeten,
+maar zij verzocht hem dringend stil te blijven zitten; en aan de deur
+keek zij nog eens, bijna moederlijk, naar hem om en knikte hem ontroerd
+en vriendelijk toe, terwijl het wit wagentje met haar kind in
+feestelijke zonneglinstering, onder de witte en roze bloemenkruinen van
+den boomgaard, vol wemelende licht- en schaduwloovertjes, over het
+heldergroene gras tot haar genaderd kwam.
+
+O! dat contrast! die komende, bloeiende frischheid en blijheid van
+zonnelicht en levenslente in al 't verjongde en uitbundige feestgetij
+van de herlevende natuur,... en dáár die bleeke uitgemergelde gestalte,
+als een geraamte in 't donkere van zijn kleeren en in 't schemerduister
+van het laaggebalkt en zwart-gerookte keukentje!...
+
+Buiten nam zij Rozeke apart en zei:
+
+"Hij is wel ziek, erg ziek, Rozeke; maar misschien is hij nog te redden.
+Luister, ik heb daar iets bedacht. In 't Zuiden, daar waar wij op onze
+huwelijksreis geweest zijn, bestaan er streken waar de longlijders
+genezen. Daar moet hij naar toe. Hij mag hier den volgenden winter niet
+doorbrengen; hij zou ook niet kunnen. Met November gaan wij weer naar 't
+Zuiden, voor een langen tijd. Hij mag met ons meereizen en wij zullen
+hem daar eenige maanden doen verplegen. Wie weet, het is misschien nog
+niet te laat. Misschien komt hij gezond en sterk bij u terug."
+
+Onthutst keek Rozeke hare weldoenster aan. Zij begreep niet, zij
+geloofde niet, alles verwarde in haar hoofd. Zij begreep alleen maar dat
+hij maanden lang van haar weg zou gaan; en 't was voor haar of men hem
+dood uit 't huis zou dragen.
+
+"O, mevreiwe, dat 'n es nie meugelijk! Hij 'n kan hij hier nie wig! hij
+'n zal hij nie willen!" riep ze, schor van angst.
+
+"Wat zoudt ge verkiezen, Rozeke, hem hier bijna met zekerheid te zien
+sterven; of ginder nog de kans op een mogelijke genezing te wagen?"
+vroeg de barones met droef-ernstig gelaat.
+
+Rozeke stond even sprakeloos, met strakke, vochtig-schitterende oogen
+van kwellende ontroering. Zij wist niet, begreep niet; zij was bang, zij
+was verbouwereerd; het was te verre, zij kon er zich de werkelijkheid
+niet van voorstellen. En hoe moest het op de boerderij ook gaan als hij
+eenmaal weg was?--Och neen, het kon niet, het zou ook niet gebeuren; de
+jonge barones stelde dat maar voor om iets te zeggen, om haar wat te
+troosten. Maar zij voelde zich heelemaal niet getroost en vertwijfelend
+schudde zij het hoofd als voor een onoplosbaar vraagstuk, terwijl zij,
+toch werktuigelijk dankend, hare weldoenster met het schitterend-blank
+kinderwagentje en de prachtig-getooide min tot aan 't hekje
+vergezelde...
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIII.
+
+
+Kalm, zonder gebeurtenissen, ging de zomer voorbij. Met de schoone lange
+dagen voelde Alfons zich weer veel beter en hij kon buiten zitten vóór
+het huis in de schaduw of langzaam slenteren in de zon, over de wegen
+van zijn akker.--Maar niet zoo gauw kwamen de kortere dagen en de
+langere, dauw-vochtige nachten, of weer bleef hij instinctmatig binnen,
+als voelde hij zich door een gevreesden en geheimen vijand achtervolgd.
+
+Op een ochtend in de laatste dagen van October kwam de barones hem met
+den dorpsgeneesheer in haar rijtuig nog eens opzoeken. Dat was een
+afgesproken, bijna plechtig bezoek; en dadelijk begon de dokter over het
+heilzaam verblijf in het Zuiden, het eenige redmiddel voor kwalen als
+die waaronder Alfons kwijnde.
+
+Met groote, holle oogen van twijfel en angst zat de zieke in zijn
+leunstoel bij den haard te luisteren en te beven; en ook Rozeke zuchtte
+en beefde, als voor een groote ramp waaraan zij beiden haast niet meer
+ontsnappen konden. Den ganschen zomer had het hun als een dreiging boven
+'t hoofd gehangen; en nu de barones er zoo beslist weer over begon,
+gesteund ditmaal door het gezag des dokters, zagen zij aan de gevreesde
+noodzakelijkheid geen ontkomen meer. Zij beschouwden het beiden als een
+niet te ontwijken dwangplicht, als iets dat hun, wel goed bedoeld, maar
+toch huns ondanks, werd opgelegd en waaraan ze zich te onderwerpen
+hadden omdat de jonge vrouw hun meesteres en zij haar nederige
+onderdanen waren.
+
+"Och, as 't het absoluut moet, mevreiwe," zuchtte hij: "ge zij gulder
+onz' miesters en we moeten wij g'heurzoamen, e-woar?--Moar al da wirk
+hier!... en de mirrie die te noaste moand moe veulenen!..."
+
+De barones werd bijna boos.
+
+"Maar hoe is 't toch mogelijk, Alfons!" riep zij geërgerd. "Ik wil u
+toch niet dwingen en ik doe het waarlijk niet voor mijn plezier. Ik doe
+het maar om u te genezen, omdat ik weet dat gij anders niet meer kunt
+genezen."
+
+Hij glimlachte gepijnigd en zijn groote, holle lijders-oogen keken haar
+even dankbaar aan.
+
+"'K weet het, mevreiwe; 'k weet hoe goed da ge veur ons zijt,"
+verontschuldigde hij zich; "moar 'k vrieze dat 't hier slecht zal goan
+op 't hof, mevreiwe, as ik hier in zeu lank nie 'n ben."
+
+"'t Moe nòù wel goan; ge'n keun gij nou toch euk nie wirken," kwam de
+dorpsdokter in 't midden.
+
+"Nien ik menier den dokteur, 'k en kan nie wirken, moar 't es toch zulk
+'n greut verschil as ze weten dat den boas op 't hof es, zelfs al 'n kan
+hij nie wirken," antwoordde de zieke met triestigen glimlach.
+
+Maar 't was besloten, zij voelden beiden dat 't besloten was en dat het
+zou gebeuren. En zij stribbelden niet langer tegen; een vage, verre hoop
+verzachtte hun tegenzin en zij vroegen wat zij al doen moesten, hoe hij
+daar komen zou, hoe ver hij reizen moest, waar hij eten en slapen zou,
+hoe lang het duren moest eer Rozeke van hem tijding kreeg als hij
+eenmaal vertrokken was.
+
+"Laat dat alles aan mij maar over; hij reist met ons mee en wij zullen
+voor alles zorgen," zei de barones.
+
+"Moar hij 'n hè hij gien klieren, mevreiwe, om ginter bij al da rijk
+volk te zijn! En wa moet hij ginter klappen? Hij 'n kent hij gien
+Fransch!" zei Rozeke bezwaard.
+
+"Laat dat alles maar aan mij over en ik verzeker u dat hij niets te kort
+zal hebben," herhaalde de barones. "Ik heb er naar ginder al over
+geschreven. Hij zal er bij een Hollandsche familie komen, die ook heel
+goed Vlaamsch verstaat en als een kind des huizes hem zal ontvangen."
+
+Zij zwegen.--Sterker werd de vage hoop en de tegenzin verzwakte. Hun
+angst voor 't onbekende was zoo groot niet meer en zij luisterden met
+ontroerde belangstelling naar de verhalen van de barones en van den
+dokter, die daar ook geweest was, over de prachtige natuur van bosschen
+en bergen, over de warme zon die er gansche dagen aan den blauwen hemel
+stond, over de bloemen en vruchten, die er den ganschen winter, schooner
+en rijker dan hier in den zomer, bloeiden en tierden. Het was er
+werkelijk een Aardsch Paradijs, zooals de oude schoolmeester het
+opgetogen noemde, en de dokter schudde plotseling het hoofd en lachtte:
+
+"'K weinsche dat er mij euk iemand op zuk 'n plezierreisken trekteerde.
+Ze zoên 't mij gien twie kiers moete vroagen; 't zoe wa beter zijn dan
+hier heul de winter in kouwe regen, ijs of sneeuwe te zitten."
+
+Zij waren overtuigd en gewonnen. Zij lachten ook, eindelijk verzoend met
+het gevreesde denkbeeld; en inniger glansde de hoop op de toekomst, als
+een zacht-streelend licht van nog mogelijke herleving en geluk.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIV.
+
+
+De vijftiende November was de vastgestelde dag voor het vertrek.
+Rozeke's ouders, vooral haar moeder, die eerst erg het plan afkeurde,
+hadden er zich eindelijk bij neergelegd en waren reeds sinds den vorigen
+avond op het boerderijtje, waar zij de laatste maanden, na het geschil
+ter wille van Smul, haast niet meer kwamen; en vroeg in den ochtend
+verschenen ook Rozeke's broeders en haar zuster La.
+
+Om negen uur kwam een rijtuig van 't kasteel Alfons afhalen. Rozeke zou
+hem tot aan het naastgelegen, klein station vergezellen waar zij de
+baronsfamilie zouden vinden.
+
+Het was een drukte en een emotie voor de gansche buurt. Boer Lauwe en
+zijn gezin, die zij anders maar weinig zagen, de menschen uit het
+werkmanshuisje vlak daarover, en nog veel anderen uit den omtrek, kwamen
+op het boerderijtje of stonden wachtend bij het hek te kijken. Van vóór
+half negen was boer Dons er met zijn vrouw; en weldra verscheen ook de
+nieuwsgierige oude schoolmeester, die weer eens de goede gelegenheid te
+baat nam om over zijn nog niet verkregen pensioen-verhooging te spreken
+en ook hoopte nu en dan van Alfons een prentbriefkaart uit het verre
+wonderland te ontvangen.
+
+Alfons verscheen, versuft door al die drukte, bijna gekleed als een
+heer, met een rond zwart hoedje en een lange, warme winterjas. Dat waren
+al geschenken van de jonge barones en de buren voelden wel een beetje
+jaloezie. Zij hadden geen flauw begrip waar Alfons naartoe ging, maar
+zij beschouwden 't allen als een soort plezierreisje, als een
+rijke-menschen-gril, bijna bespottelijk voor een boer.
+
+Zijn koffertje werd opgeladen en hij steeg met Rozeke in 't mooie
+rijtuig. Zijn kinderen had hij nog eens voor het laatst gezoend en die
+keken hem nu door het kleingeruite raampje na: Hilairken recht overeind,
+met groote oogen van verwondering op een tafel, Marietje met een
+"tsjoezeken" [*] in den mond op den arm van La, die met een vuurrood
+gezicht stond te schreien. Ook moeder schreide, midden in een groep
+nieuwsgierigen, de dikke wangen vettig glimmend, met korte zenuwschokjes
+van haar puntig-rond buikje; en vader stond daar stil-bedroefd naast,
+zijn beide oogen dof en doodsch nu, 't gelaat haast zonder uitdrukking.
+
+[*] Dotje.
+
+De oude schoolmeester kwam plechtig Alfons' hand in 't rijtuig drukken
+en nam zijn hoed voor hem af, als voor een heer. Alfons, bleek, gejaagd,
+met een strakken glimlach op de bleeke lippen, dankte den meester voor
+zijn vriendelijke belangstelling en drukte ook de hand van den ouden
+boer Dons, die bij het rijtuig stond te roepen en te schetteren. Toen
+riep hij Smul, Vaprijsken en het Geluw Meuleken bij zich en deelde hun
+nog eens zijn laatste bevelen uit, er bij voegend dat hij trouwens niet
+lang weg zou blijven. Dit laatste stond muurvast in zijn hoofd en had
+hem ten slotte beslist met de verre reis verzoend. Hij zou gaan,
+aangezien allen het goed voor hem achtten en wilden, maar hij moest zich
+dadelijk ginds beter voelen, of hij keerde terug. De barones had hem
+trouwens zijn reisbiljet laten zien, dat meteen een retour-biljet was,
+geldig voor drie maanden, en dat stelde hem gerust. Wat geldig was voor
+drie maanden was ook geldig voor drie weken en nog minder, en daarmee
+wist hij genoeg. Hij zei het nog eens, glimlachend, maar met nadruk,
+opdat Smul en de anderen het goed zouden hooren en onthouden: "meschien
+ben ik hier te noaste week al weere!"
+
+Vaprijsken en het Geluw Meuleken knikten onderdanig met het hoofd,
+begrijpend wat hij zeggen wilde; Smul, integendeel, slechts even
+knippend met de oogen, bleef stug en sprakeloos als een bruut, zonder
+zijn stuurschen blik tot zijn baas op te slaan. Maar de oude
+schoolmeester kwam deftig weer in 't midden, verzekerend dat het geen
+twijfel leed of Alfons mocht gerust van huis weggaan, terwijl een ieder
+hier getrouw zijn plicht betrachten zou; en de oude, kluchtige boer Dons
+gooide 't op een grapje:
+
+"Hawèl joa!" schreeuwde hij, "en as ge begint te voelen da z'ou hier
+neudig hèn, ge schiet ou weer op de vapeur en ge komt thuis gevlogen
+lijk 'n zwoaluw!"
+
+Allen lachten en het rijtuig draaide langzaam om en reed van 't erf. La
+deed Marietjes kleine handjes zwaaien achter 't raampje en Hilairken
+reikhalsde naar boven, zijn neus en lippen platgedrukt tegen het ruitje,
+terwijl zijn oogen, schuinblikkend, het wegtrekkend rijtuig volgden.
+Moeder stond te schreien en te schokken; de buren riepen hem "goe reize"
+na, en hij glimlachte en knikte machinaal in 't rijtuig en in haar
+emotie en verwarring knikte Rozeke machinaal mee, alsof zij ook voor
+maanden lang op verre reis ging. Zij waren weg, een laatste maal zag hij
+zijn grijzen winterboomgaard, zijn woonhuis en zijn stallen, en toen was
+'t uit: het rijtuig schommelde in vollen draf over den hobbeligen
+landweg naar het kleine station, waar de jonge barones met man en kind
+en meid reeds op zijn komst stonden te wachten.
+
+Toen begreep Rozeke eerst goed dat het oogenblik der lange scheiding
+eindelijk gekomen was en zij barstte in tranen uit.
+
+"Kom, Rozeke, niet schreien; denk toch dat het voor zijn gezondheid,
+voor zijn leven is," trachtte de jonge barones haar te troosten.
+
+Maar Rozeke kòn zich niet bedwingen, zij stikte in haar tranen en zij
+smeekte, beurtelings tot den baron en tot zijn vrouw gewend:
+
+"O, menier den baron, en mevreiwe, ge'n zilt hem ginter toch tegen zijn
+goeste nie houên, e-woar? Ge zilt hem toch loate weere komen as hij 't
+ginter nie 'n kan geweune worden?"
+
+Zij lachten om haar overdreven vrees en gaven haar de verzekering dat
+hij volkomen vrij was van terug te keeren wanneer hij ook wilde, maar
+dat het van zijn kant een groote domheid zou zijn; en de barones
+beloofde daarbij nog dat zij hem dagelijks zou gaan opzoeken en haar
+twee of driemaal in de week zou laten weten hoe hij 't maakte. Rozeke
+had trouwens zijn adres; ook zij moest hem maar dikwijls schrijven om
+hem van alles op de hoogte te houden en gerust te stellen. En hoe
+gelukkig zou het dan niet zijn voor beiden als hij met de eerste
+lentedagen krachtig en genezen weer bij haar terug kwam.
+
+Daar kwam de trein in de verte aangereden. Alfons, die zich tot dan toe
+betrekkelijk goed gehouden had, barstte bij dat zicht ook plotseling in
+tranen uit:
+
+"Rozeke, Rozeke, adzju!" snikte hij, haar de hand reikend.
+
+De enkele andere reizigers, die op 't perron van 't kleine station
+stonden, drongen verwonderd en meewarig om hen heen. De barones werd
+zenuwachtig, de baron zette een verveeld en misnoegd gezicht. De meid
+met het kind stond terzijde stil te spotlachen.
+
+"C'est idiot!" bromde de baron tegen zijn vrouw. "Ne dirait-on pas qu'on
+leur veut du mal! Voyez tout ce monde autour d'eux; un véritable
+attroupement. Ta philantropie nous rend ridicules, tu sais!"
+
+"Ils sont si malheureux et ... n'oublie pas que nous leur devons un peu
+notre propre bonheur," sprak zij zacht-vergoelijkend. Maar het verveelde
+haar toch ook en zij ging er een eind aan maken.
+
+"Kom, Alfons, geef uw vrouw nu een lieven kus en wees eens vroolijk voor
+het afscheid," zei ze opgeruimd.
+
+Doch het had niets geen uitwerking. Zij huilden en snikten hoe langer
+hoe heviger en toen de trein vóór 't stationsgebouwtje stilhield krompen
+zij van smart en wanhoop tegen elkander aan. Met geweld haast moest de
+barones hen scheiden en Alfons naar zijn coupé duwen, een tweede-klas
+terwijl de baron, 't gelaat vertoornd, met meid en kind, vlak daarnaast
+in eerste stapte.
+
+"Kalm nu, kalm nu," herhaalde de barones wrevelig en dringend; en, met
+van emotie hooggekleurde wangen, ging zij ook haar plaats innemen.
+
+Eensklaps werden zij kalm, alle twee.
+
+'t Was Rozeke opeens zoo vreemd te moede; het leek haar eensklaps of een
+vreemdeling daar zat, een bleeke, magere, ziekelijke, vriendelijk haar
+toelachende vreemdeling; en zoo reed de trein met hem weg: hij
+vriendelijk glimlachend en zij als in versuffing starend en toen hij
+reeds een heel eind verre was, stond ze nog maar aldoor vreemd te
+staren, de oogen bedwelmd door het eigenaardig zinsbedrog harer
+verbeelding, alsof zij nu leefde buiten de werkelijkheid der mogelijke
+gebeurtenissen en roerloos daar te wachten stond tot het normale leven
+weer in haar zou opkomen.
+
+Iemand trok zachtjes aan haar mouw en, met een huivering zich omkeerend,
+zag ze den koetsier van het kasteel, die hen naar 't station gebracht
+had, voor haar staan.
+
+"Goa-je weere mee, vreiwken?" glimlachte de man.
+
+Die enkele nuchtere woorden riepen haar plotseling tot de werkelijkheid
+terug.
+
+"O neen ik, nee nee, merci, 'k goa liever te voete," antwoordde zij
+zenuwachtig, als in een soort van angst.
+
+De koetsier drong niet aan en ging heen. In roerlooze spanning keek ze
+nog even in 't verschiet over de eindeloos lange en rechte glinstering
+van rails langs waar hij verdwenen was; en toen verliet zij ook het
+kleine stationsgebouw en vóór haar lag het naakte, grijze winterveld als
+een andere oneindigheid zoo eenzaam en verlaten, zoo levenloos en leeg,
+dat het haar nu te moede werd of zij daar liep als een verdwaalde,
+zwakke vreemdelinge, in hopelooze droefheid maar recht vóór zich uit
+loopend, aldoor loopend, zonder doel en zonder eind.
+
+Maar zij kwam terug op het zoo welbekende boerderijtje en vond er nog
+haar moeder en haar zuster en haar kinderen; en het leek haar nu weer
+alsof er bijna niets gebeurd en niets veranderd was in de eentonige
+gelijkheid van haar dagelijksch leven. Smul was, als iederen ochtend,
+met ploeg en paard en egge bezig op den akker, Vaprijskens dorschvlegel
+klonk met doffe, gelijkmatig-gekadanseerde slagen op den harden
+schuurvloer, de groote waakhond lag rustig te loeren, half in half uit
+zijn hok, de zwarte poes zat knippend met zijn gouden oogen vóór het
+haardvuur, de oude klok tiktakte trage en in het achterhuis was 't Geluw
+Meuleken de boterkarn aan 't schoonmaken. Alles leefde zoo rustig zijn
+gewonen gang en zuchtend ging ze zich op 't voute-kamertje verkleeden en
+dan weer, naast 't wiegje van haar jongste kind, bij 't kleingeruite
+vensterraampje, aan haar dagelijksche bezigheid. Moeder zat bij het
+haardvuur, nam een snuifje, vouwde haar handen op haar knieën en begon
+een praatje; La, die enkele dagen blijven zou, had haar kantwerk-kussen
+meegebracht en liet de houten klosjes vlijtig door elkander rammelen.
+Zij spraken natuurlijk over hem die nu reeds verre aan 't reizen was:
+moeder steeds heimelijk onverzoend nog met de reis, doch nu iets minder
+pruttelig, La opgewekt en vol verlangen, met frissche, glimlachende
+lippen en blinkende oogen als van een jong, gevangen vogeltje, dat
+droomt van heerlijke vrijheid, in verre, warme, blijde zonneruimte....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXV.
+
+
+Den derden ochtend na zijn afreis kwam de eerste tijding: twee korte
+briefkaarten; een van de barones en een van Alfons. Hij was goed
+aangekomen, hij voelde zich wel wat vermoeid van de reis maar toch
+opgeruimd; hij had een groote, heldere, zonnige kamer en de streek was
+'t schoonste wat een mensch op aarde zien kon. Morgen, als hij heelemaal
+ingericht was, zou hij haar een langen brief schrijven.
+
+Rozeke's hart was opgelucht. De reis, de afstanden, de eenzaamheid,
+alles scheen haar eensklaps veel lichter en gewoner om te dragen dan ze
+eerst gevreesd had, nu ze reeds zoo spoedig goede en geruststellende
+berichten van hem kreeg. 't Was haar of hij zich ergens ophield in de
+buurt, waar zij hem elk oogenblik, als 't noodig was, kon zien en
+spreken. Zij schreide niet meer halve nachten in haar bed om hem; zij
+stelde zich niet langer allerhande ingebeelde rampen voor; maar met een
+trillende emotie van nieuwsgierigheid wachtte zij op zijn eersten langen
+brief, die dan ook stipt, volgens belofte, op gestelden dag en uur, haar
+door den postbode overhandigd werd.
+
+Het was een lange, lange brief, vol van zijn eerste indrukken en
+ontboezemingen. De plaats en streek waar hij thans was wist hij niet
+duidelijk te noemen; hij noemde het "ginter", in tegenstelling met
+"hier", waarmede hij zijn eigen land en huis bedoelde. En 't maakte
+eerst op Rozeke een vreemd-verwarden indruk; het leek wel of hij reeds
+was teruggekeerd en vertelde over wat hij vroeger in het buitenland
+gezien had. Hij schreef, geijkt-beginnend, als iedere boer of boerin die
+een brief opstelt:
+
+
+"Beminde vrouw,
+
+Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn
+gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij veel
+verdriet doen. Ik heb een lange reis gemaakt, beminde vrouw, daar hebt
+gij geen gedacht van. Ik meende dat den trein noeit meer en zou ophouden
+met rijden en eerst heel den dag en heel den nacht heeft hij gereden en
+als het nuchtink werd zag ik door het ruitje van den trein hooge bergen
+in de verte die met sneeuw bedekt waren. Daar kunt gij u ook geen
+gedacht van maken, beminde vrouw, hoe hoog en groot die ginter zijn. Den
+hane van den kerktoren is een naaldeken daarbij vergeleken en dat duurt
+alzoo uren en uren lang, den eenen berg achter den anderen zoo ver of
+dat de oogen kunnen dragen. Ja, het en is ginter niet gelijk hier, waar
+dat de menschen nooit eenen berg gezien hebben en zelfs niet weten wat
+eenen berg is. Den baron en de baronesse zijn heel goed voor mij
+geweest. Aan iedere stasie waar den trein eenige minuten bleef staan
+kwam mevreiwe naar mij kijken en tot drei keers toe heeft ze mij heel
+goed eten en wijn doen brengen. Bier drinken ze ginter bijkans niet, het
+is altijd wijn en die is ginter goedkooper als hier het bier. Welnu,
+beminde vrouw, achter dat wij nog heel lang gereden hadden zijn wij aan
+de zee gekomen, die zoo blauw is als het blauwsel waarmede gij almets
+het lijnwaad wascht. Daar kunt gij u geen gedacht van maken, het is
+precies gelijk of er blauwe verwe in gegoten was. En het is ginter toch
+zulk een schoone warme zonne, zoo warm als hier in het schoonste van den
+zomer en de menschen loopen allemaal in witte of bleeke zomerkleeren en
+'t vrouwevolk met parasols percies gelijk hier in de heetste dagen te
+Oostende. En overal zijn de blaren aan de boomen en bloeien de schoonste
+bloemen en ik heb waarachtig citroens en apelsiens aan de takken zien
+hangen, percies lijk of de oude schoolmeester Cattoir ons verteld
+heeft.--Welnu, beminde vrouw, ik ben eindelijk toegekomen in eene kleine
+stad waar de baron en de baronesse mij naar mijne kamer geleid hebben.
+Dat huis staat halfwege op eenen berg en van uit mijne kamer kijk ik op
+de schoone blauwe zee. O, dat is ginter toch schoone, daar en hebt gij
+geen gedacht van! En zacht en warm dat het ginter is in de zonne, daar
+hebt gij geen gedacht van. Ik voel er al de deugd van in heel mijn
+lichaam en ik heb nog van heel den dag bijkans niet moesten oesten; maar
+de nachten zijn hier stijf koud en zoo gauw als de zonne weg is mag ik
+hoegenaamd niet meer uitgaan. Maar ik ga heel den dag uit in de zonne en
+'s avonds ben ik moe en blije dat ik in mijn bed lig.--De menschen van
+het huis zijn heel vriendelijk voor mij; maar de baronesse zegt wel dat
+ze heel goed vlaamsch klappen, omdat zij Olanders zijn, maar dat vind ik
+toch niet en ik kan ze almets maar heel moeielijk verstaan. Zij klappen
+alzoo altijd van binnen ulderen mond met kraken in de keele en als ze
+daarmee beginnen hoor ik niets anders meer dan die kraken; maar afin wij
+verstaan mallekander eindelijk toch en ik zal daar wel aan gewennen. Wat
+het eten en drinken aangaat, dat is ginter heel goed en ik moet zeggen
+dat het zelfs beter is als hier.--Den baron en de baronnesse zijn dan
+nog een endeken verder gereisd, maar mevreiwe is toch zoo bijzonder goed
+voor mij; peis ne keer zij heeft mij nog vijftig frank op zak gegeven en
+gezeid dat ze mij dikwijls zou komen opzoeken en dat ik ulder ook moest
+komen bezoeken.--Eiwel, beminde vrouw, ik heb er van den achternoen eens
+met den elektriek naartoe geweest, want er rijden hier ook elektrieks,
+zilde, zoo goed als in Gent; maar alzoo een groot en schoon hotel waar
+zij zijn, ook halfwege op den berg daar en hebt gij geen gedacht van. En
+al dat groot rijk volk en zoo schoone gekleed, daar zoudt gij van
+versteld staan! Den baron heeft daar zijnen odemobiel en hij en de
+barones rijden er veel mee uit. Dat moet ginter zeker wat geld kosten!
+Mevreiwe heeft mij den schoonen hof van het hotel getoond en zij heeft
+mij ook van verre het speelhuis getoond, dichte bij de schoone blauwe
+zee, waar al dat rijk volk ulder geld gaat verspelen.--Past maar op dat
+ge daar ook uw geld niet gaat verspelen, zei mevreiwe alzoo al lachende;
+maar zij mag wel gerust zijn, ik zal mijn cenzen wel beter weten te
+gebruiken.
+
+Nu, beminde vrouw, schei ik uit met de pen, niet met het hart. Zeg aan
+meester Cattoir dat ik hem ook al gauw eens zal schrijven en gij moet
+mij nu ook al gauw schrijven. Ik verop dat gij met Smul en Vaprijsken en
+het Geluw Meuleken geenen last en zult hebben en dat de kinders goed en
+gezond zijn. Ik ben ginter wel verre van u allen, maar met eenen dag en
+eenen nacht op de vapeur ben ik hier toch weere als het zijn moet en dat
+is toch eenen grooten troost voor mij. Ja, beminde vrouw, mijn
+retourkaartje heb ik zorgvuldig van onder in mijnen koeffer bewaard om
+het toch niet te verliezen.
+
+In afwachting op uw antwoord noem ik mij voor altijd
+
+uwen verkleefden man
+
+ALFONS.
+
+Hoe gaat het met de merrie? Is het veulen er nog niet?"
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVI.
+
+
+Den volgenden dag haalde Rozeke uit de onderste la van haar kast een
+inktpot, een verroeste pen en een velletje papier te voorschijn, en zij
+antwoordde:
+
+
+"Beminde Alfons,
+
+Ik neem de pen in de hand om u te laten weten den staet van mijn
+gezonteit en verop van u hetzelfde. Ware het anders het zou mij groot
+verdriet doen.--Uwen brief heeft mij en ook moeder en La, die hier nog
+altijd zijn, veel genoegen aangedaan en dezen nuchtink is meester
+Cattoir gekomen die ook juist eene briefkaart van u ontvangen had en hij
+heeft gevraagd om ook den brief die gij aan mij geschreven hebt te mogen
+lezen, en ik heb hem hem laten lezen omdat er toch niets kontrarie in
+stond en hij heeft nog eens gevraagd of gij toch niet en zult laten van
+nog eens met mijnheer den baron en mevreiwe over de verhooging van zijn
+pensioen te spreken.--Nu, beminde Alfons, laat ik u weten als dat hier
+alles heel goed gaat. Dezen nacht heeft de merrie eindelijk een heel
+schoon veuleken gekocht en alles is heel gemakkelijk gegaan en het is
+ook een merrie-veuleken, bruin gelijk de oude maar met vier schoone
+witte pootjes van onder. Het is een danig schoon beestjen en de merrie
+is er danig jaloes van. Smul en Vaprijs hebben heel den nacht bij de
+merrie gewaakt en ik heb hun kaffee en boterhammen en een ferme schelle
+vleesch gegeven en tegen den nuchtink was het er. Nu moet gij maar
+zeggen hoe dat gij het beestjen heeten wilt. Vaprijsken wilde het
+Mietjen heeten en Smul Liza; maar ik vind Mirza veel schoonder maar gij
+zijt den baas en gij moet het maar heeten zooals het u belieft. Met de
+kinders gaat het ook goed. Hilairken vraagt al dikwijls waar zijn vader
+is en met Marietjen gaat het ook heel goed. Met moeder en met La gaat
+het ook heel goed en ik kan niet anders zeggen als dat de knechten en
+het Geluw Meuleken alle stijf brave zijn en dat zij danig ulder beste
+doen. Ik heb ulder gisteren avond uwen brief eens voorgelezen, omdat ik
+het wel goed vond dat zij niet moesten peinzen dat zij hier den baas
+mochten spelen, en dat zij wel mochten weten als dat gij met eenen dag
+en eenen nacht te reizen onverwacht op ulder dak kon vallen. Nu weten
+zij het en zij zullen ulder wel koes houden. Ach beminde Alfons, wat zal
+ik blij zijn als gij hier genezen terug komt, maar gij moet u niet
+haasten, alles gaat hier heel goed, blijf maar tot dat dat oesten heele
+gansch gedaan is. Het en is hier geene schoone zonneschijn en warm weer
+lijk ginter. Het regent of sneeuwt hier alle dagen en het is stijf koud.
+
+Nu beminde Alfons met deze woorden neem ik van u afscheid niet met het
+hart maar wel met de pen en blijf in afwachting op uwe volgende brieven.
+
+Voor altijd uwe verkleefde vrouw
+
+ROSALIE."
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVII.
+
+
+Eenige dagen verliepen. Rozeke had weer een brief ontvangen, maar hij
+behelsde weinig nieuws. Alfons berichtte dat het weer ginder nog altijd
+even mooi bleef, maar hij was eens beneden door de kleine stad gaan
+wandelen en vond er het volk zoo verschrikkelijk vuil en lui.--"Ik en
+zou ginter toch niet willen leven voor geen geld van de wereld," zoo
+schreef hij, "want zoo een smerig volk als ginter daar hebt ge geen
+gedacht van. Ze zitten op de zulle van hun huis of te midden van de
+straat mallekaars luizen en vlooien te vangen en ulder waschgoed hangt
+allemaal uit de vensters of dweers over de straat op koorden te drogen
+en het ziet er percies zoo vuil en zoo grauw uit lijk of het nooit
+gewasschen was geweest. Het zijn lijk koolzakken die uit de veinsters
+hangen." Verder vertelde hij dat er "ginter" toch ook al niet veel
+nieuws meer te zien was na de eerste dagen en dat men al heel gauw
+genoeg had van al dat rijk "volk" in hun zomerkleeren en van al die
+schoone "voituren" en "odemobielen" die veel te veel stof opjoegen en de
+wegen voor de voetgangers gevaarlijk maakten. En, naar aanleiding van
+automobielen, schreef hij iets dat Rozeke zeer verbaasde en haar met een
+onheilspellend voorgevoel ten opzichte der jonge barones vervulde.
+
+"Dezen nuchtink", schreef hij, "is mevreiwe mij weer komen bezoeken en
+zij was zoo vriendelijk en heeft mij zulke schoone goede vruchten
+meegebracht, maar, beminde vrouw, weet gij wat ik toch aardig vind:
+dezen achternoen ben ik eens boven op den berg gaan wandelen en wilt gij
+eens weten wie ik daarboven op den hoogen weg gezien heb? mijnheer den
+baron in zijnen odemobiel met nog eenen heer en met twee vrouwspersonen
+waarvan geen eene de barones was. Zij stonden voor eenen schoonen
+grooten café waar kerels met roode kazakken aan buiten onder een serre
+op violen stonden te spelen en zij hadden al te samen danig veel leute,
+maar de gezichten en de manieren van die twee vrouwen stonden mij toch
+hoegenaamd niet aan. Er loopen er hier zoo vele van die soorte en ik
+vrees dat den baron daar in geen goed gezelschap was. Ik ben heel
+kontent dat hij mij niet gezien heeft want ik had hem wel moeten
+saleweeren en wie weet of hij dat aangenaam zoude gevonden hebben? Dat
+zou toch een droevig dingen zijn voor de jonge mevreiwe indien hare man
+hem nu al ging slecht gedragen en ik durf het haast niet peinzen en toch
+vrees ik er voren. Maar het is ook waar, er loopt ginter zooveel aardig
+volk dat ge nooit en kunt weten met wie ge te doen hebt. Ach ja, beminde
+vrouw, het is ginter niet lijk hier en ware het niet om mijne gezondheit
+ik en zou ginter zeker geen ure langer blijven. Het is toch ook maar
+triestig als ge nooit iemand hebt om tegen te klappen. Dat spreekt
+ginter allemaal Fransch of Italiaansch en die Olanders van het huis waar
+ik woon kan ik toch ook maar heel moeilijk leeren verstaan. Zij en
+spreken nooit maar den helft van ulder woorden uit en den anderen helft
+blijft altijd in ulder keele zitten kraken. En het aardigste van al is
+nog wel dat zij meenen dat zij heel goed klappen en dat ik slecht klap.
+Ja, ik heb al gezien dat de zoon en de dochter met mij loechen als ik
+tegen ulder klapte en ik had waarlijk goest om tegen ulder te zeggen dat
+zij wel zouden doen met nog eenige jaren lesse te komen nemen bij
+meester Cattoir in ons dorp.--A propo van meester Cattoir, ik heb er
+gisteren nog eens met mevreiwe over gesproken en zij heeft mij beloofd
+dat zij van morgen af nog eens over zijn verhooging van pensioen aan
+haar papa zou schrijven, maar dat de meester toch ook een beetje
+pasiensie moet hebben.
+
+Stel het al wel, beminde vrouw, en lees maar dikwijls een gebed voor mij
+dat ik zoo spoedig mogelijk bij u en mijne kinderen terug zou mogen
+komen.
+
+Uwen verkleefden man met het hart,
+
+ALFONS.
+
+"Dezen brief moogt gij aan den meester hoegenaamd niet laten lezen om
+dies wille wat er in staat over den baron met die twee vrouwspersonen in
+zijnen odemobiel. De meester is nog al nieuwsgierig en hij zou er in het
+dorp gaan kunnen over babbelen en dat zou ons heel veel kwaad kunnen
+doen, en aan de knechten en het meissen moogt gij hem ook niet
+voorlezen."
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXVIII.
+
+
+Die brief bracht Rozeke in zwaarmoedige stemming. Zij voelde dat hij
+ginder heimwee begon te krijgen en dat het zou moeite kosten om er hem
+lang genoeg te houden. Ook door zijn onverwachte mededeeling over den
+baron en die twee onbekende vrouwen in de automobiel werd zij treurig en
+somber gedrukt. Zij kon haast niet gelooven dat hij zoo iets durven zou
+en 't kwam haar trouwens voor als iets onmogelijks dat een man die zoo
+een lieve, mooie vrouw had als de barones, nog naar andere vrouwen om
+zou zien. En toch!...
+
+Zij hoopte maar dat Alfons zich vergiste; het zou afschuwelijk zijn!
+
+Opnieuw was er een week verloopen. Moeder en La waren weg en op het
+boerderijtje ging alles geregeld zijn gewonen gang. Smul was zooveel
+mogelijk op den akker, ploegend, spittend, mestend, in zoover het weer
+den veldarbeid toeliet; en Vaprijsken, die het anders nu niet druk had,
+dorschte met den vlegel in de schuur, of zwingelde den vlasvoorraad van
+den vorigen zomer af. Halve dagen hoorde men rustig zijn zwingelrad
+gonzen in het houten afdakje naast 't wagenhok; en wanneer hij er op
+schoft-en-maal-tijd uitkwam, verscheen hij van onder tot boven grijsgeel
+bepluisd en bestoven, zijn klein gezicht leuk-glimlachend, als van een
+oolijk kabouter-sneeuwventje, onder de fulpige laag van donsjes en
+watjes, die als een vermommings-pruik zijn haar en baard en wenkbrauwen
+bedekten. En zij hadden allen een verteederd genoegen met het lieve
+veulentje dat zoo parmantig opgroeide en reeds, in levenslustige
+dartelsprongen, om de merrie heen wipte en huppelde. De oude Dons kwam
+er naar kijken en schudde lachend het hoofd, grappig gillend dat dat
+dolle ding hem honderd en twintig frank uit den zak gestolen had met
+enkele maanden te laat op de wereld te komen.
+
+Dat alles was geluk en voorspoed. Wat Rozeke echter minder beviel was,
+sinds enkele dagen, de zonderlinge doenwijze van 't Geluw Meuleken. Zij
+zag er betrokken en bekommerd uit en herhaaldelijk, als Rozeke haar niet
+in 't oog hield, sloop zij ergens weg in schuur of stal. Rozeke begreep
+wel dat zij Smul naliep en zij trachtte 't te dwarsboomen zonder evenwel
+openlijk en flink te durven optreden, bang als ze was dat, èn Smul, èn
+'t Geluw Meuleken haar plotseling in den steek konden laten terwijl zij
+niet weten zou door wie hen op dat oogenblik te vervangen; want--en dit
+beschouwde zij, in de gegeven omstandigheden, wèl als ongeluk en
+tegenspoed: tot haar schrik had ze ontdekt dat ze voor de derde maal
+zwanger was!--Alfons vermoedde er wel iets van, doch was nog in 't
+onzekere toen hij vertrok, en om hem niet te kwellen had zij er ook
+niets over geschreven; maar aan haar moeder had ze 't toevertrouwd en
+deze was scherp uitgevaren, schreeuwend dat 't 'n stommigheid en 'n
+schande, 'n wraakroepende uittarting van onzen lieven Heer was. Maar 't
+wàs nu eenmaal zoo; daar zat zij er weer mee, een zware last te meer bij
+al haar andere zware lasten: en meer dan ooit was het dringend
+noodzakelijk dat zij den vrede om zich heen zoude bewaren. Daarom durfde
+zij niet doortastend tegen Smul en 't Geluw Meuleken optreden, maar om
+hun geknoei zooveel mogelijk te belemmeren, had zij Vaprijsken in den
+arm genomen; en deze, nog steeds heimelijk op Smul gebeten en jaloersch
+van 't Geluw Meuleken, hielp Rozeke op bedekte wijze, al waar hij maar
+kon. Zoodra hij 't Geluw Meuleken ergens in de schemering om schuur of
+stal zag draaien, hield hij even met dorschen of met zwingelen op; en
+Rozeke die den kadansslag van den vlegel of het snorren van den zwingel
+niet meer hoorde, wist dadelijk wat het te beteekenen had. Zij kwam
+onmiddellijk naar buiten en riep, onder 't een of 't ander voorwendsel,
+het Geluw Meuleken bij de kinderen of in huis terug. Zoo slaagde zij er
+in menig heimelijk geknoei te verhinderen en Vaprijsken lachte
+wraakgenietend in zijn gelen baard, terwijl Smul woeste oogen zette,
+zonder evenwel openlijk zijn toorn te durven laten uitbarsten.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXIX.
+
+
+Alfons bleef schrijven, geregeld twee- of driemaal in de week en Rozeke
+antwoordde telkens onmiddellijk op zijn brieven, verzekerende dat alles
+best ging op de boerderij; en, op herhaald aandringen van de jonge
+barones, smeekte zij hem ginder toch nog wat te blijven, het desnoods
+met tegenzin nog enkele weken vol te houden, terwille van zijn
+gezondheid. De barones had het haar met alle kracht op 't hart gedrukt;
+hij mòcht nog niet terugkomen; hij mòcht niet plotseling, zonder
+overgang, van den warmen zomer in den barren winter vallen: 't kon
+doodelijk voor hem zijn. Maar Rozeke voelde wel dat het verblijf in den
+vreemde hem hoe langer hoe zwaarder begon te drukken; en, op een
+ochtend, schrikte zij hevig bij het ontvangen van een heel kort briefje,
+waarin de barones Rozeke letterlijk bezwoer alles te doen wat in haar
+macht was om het onzinnig plan van plotselinge terugkomst, dat hij vast
+scheen in zijn hoofd gezet te hebben, te beletten. De barones was
+blijkbaar misnoegd over zijn ondankbaarheid, dat kon Rozeke heel goed
+uit den toon van haar schrijven opmaken; en reeds was Rozeke
+koortsachtig bezig aan een smeekenden brief naar Alfons, opdat hij toch
+om Godswil nog een tijdje blijven zou, toen zij eensklaps een jongetje
+van 't telegraaf kantoor met een rijwiel 't erf zag opgereden
+komen.--"Och Hiere God!" riep zij, op haar trillende beenen overeind
+vliegend. Zij kwam hem op den drempel te gemoet gerend: "'n dépèche?...
+veur mij?"... en ontving met een kalm: "joa 't bezinne" van het
+jongetje dat van zijn rijwiel wipte, de groene toegezegelde enveloppe
+van het telegram. Met bevende vingers scheurde ze die open en las, de
+oogen schemerend:
+
+
+"Ik kom van avond terug.
+
+ALFONS."
+
+
+
+
+XXX.
+
+
+Hij kwam terug! Nog enkele uren maar en hij zou weer bij haar zijn!
+
+Haar eerste gevoel was er een van onberedeneerde, onstuimige vreugd. Zij
+had hem sinds zoo lang niet meer gezien, zij had zoo zeer naar hem
+verlangd! Nu eerst, nu hij zoo onverwacht bijna weer thuis was, voelde
+ze plotseling hoezeer zij hem elk oogenblik gemist had, hoe vurig zij
+naar hem verlangd had. Nu ... o nu hielp geen redeneering meer, hij kwam
+terug en dat geluk overtrof en vergoedde àlles; nu zou ze niet geduld
+hebben dat hij nog maar één dag, nog maar één uurtje langer weg bleef.
+Zij liep werktuigelijk tot aan het hek langs waar het jongetje verdwenen
+was, alsof zij hem reeds in de verte kon zien komen; zij kwam terug in
+huis gerend en riep naar 't Geluw Meuleken die in het achterhuis aan 't
+boenen was; zij was als gek van vreugd en holde weer naar buiten in de
+schuur waar Vaprijsken dorschte; en hardop riep ze 't overal in haar
+uitgelaten blijdschap: "Meuleken! Vaprijsken! Alfons komt van den oavend
+weere thuis!" Zij tilde haar zoontje in haar armen en zoende 't kleinste
+in zijn wieg en juichte, zalig met emotie-tranen in haar oogen:
+"Hilairken! Marietjen! voader komt van den oavond weere thuis!"
+
+Eerst na die onbedwingbaar-spontane uitbarsting van blijdschap kwam zij
+langzaam tot bedenken en bedaren; en van lieverlede sloeg haar
+onbezonnen vreugd in doffe, kommervolle drukking neer.--Wat mocht er wel
+gebeurd zijn, wat mocht hem wel schelen, dat hij zoo plotseling alles in
+den steek liet om als 't ware weg te vluchten? Was zijn toestand dan
+eensklaps zooveel erger geworden? Had men hem iets misdaan? En waarom
+was zelfs het sterk aandringen van de barones, die nu zeker o zoo boos
+op hem en wellicht ook op haar zou zijn, niet bij machte geweest hem nog
+langer daar te houden?--Zooveel onoplosbare, kwellende vragen, die eerst
+opheldering zouden krijgen als hij 's avonds weer thuis zou zijn.
+
+Zij liet Smul van den akker halen waar hij bezig was met mest te
+vervoeren en zond hem bij hun buurman Lauwe vragen of hij Alfons met
+zijn sjees van 't station mocht afhalen. Eerst was ze van plan zelve mee
+te gaan, maar de gedachte dat ze met Smul 's avonds alleen in het
+rijtuig zou zitten boezemde haar zulk een angst in, dat zij dadelijk van
+haar voornemen afzag. Zij zond Vaprijsken mee, die ook meteen haar
+ouders zou gaan waarschuwen.
+
+Trillend van ongeduld en emotie stond zij op zijn komst te wachten. Het
+was half negen; elk oogenblik zou 't rijtuig kunnen komen. Zij kon geen
+minuut meer stilzitten, voortdurend liep zij met het Geluw Meuleken naar
+buiten in den kil-mistigen avond tot aan het hek van den landweg en
+stond daar rillend in het donkere verschiet te peiloogen en te
+luisteren.--Eindelijk zag zij in de verte een lichtje flikkeren. Daar
+kwam zeker de sjees. Krampachtig greep zij 't Geluw Meuleken bij den arm
+en een snik verkropte in haar keel. Het licht werd grooter, geler,
+heller, schoot korte, vlugge stralen over de eventjes uit mistige
+duisternis opduikende boomstammen aan den zijrand van den modderigen
+weg. En eindelijk zag ze vaag het donkere gevaarte: het in kadans
+knikkende hoofd van 't paard, de gelijkmatig aandravende beenen, het
+zachtjes schommelen van de zwarte sjeeze-kap en het dof spaken-glimmen
+van de wentelende wielen. In korten, vluggen draai kwam het door 't hek
+gereden en zij sprong met het Geluw Meuleken op zij en riep met heesche,
+schorre angststem:
+
+"Es hij doar?"
+
+"Joa hij, bezinne", antwoordde Vaprijsken van onder de kap.
+
+"Alfons!... hoe es 't mee ou?" riep zij nog, met het Geluw Meuleken
+naast het rijtuig meehollend.
+
+Zij hoorde geen antwoord of er werd er geen gegeven en die stilte knelde
+haar als met doodschen angst.
+
+"Hoe es 't, Alfons? hoe es't?" herhaalde zij, haast schreiend.
+
+De sjees had vóór den drempel stilgehouden en nu hoorde zij toch
+eindelijk zijn heesche zwakke stem onder de kap:
+
+"Azeu ... stillekes."
+
+"Och Hiere toch!" kreet zij.
+
+Haastig was Vaprijsken uitgewipt. Hij schudde vlug, in de duisternis,
+het hoofd tot haar, als om zwijgend te beduiden dat 't niet goed
+was.--Dood-angstig, met in elkaar gewrongen handen, staarde zij onder de
+zwarte kap. Smul was ingelijks uitgestegen en hield zwijgend bij den
+breidel de merrie, die ongeduldig naar haar veulen hinnikte. Al die
+schrikkelijke stilte en 't klagend hinneken van 't paard joegen haar
+angst ten top. Zij snikte.--Vaprijsken haalde den koffer van onder de
+voorbank, steeg op de trede en strekte in de duisternis onder de kap
+zijn hand uit.
+
+"Kom, boas, geef mij ou hand," hoorde Rozeke hem zeggen.
+
+En toen kwam een donkere, gebogen gestalte te voorschijn en zij hoorde
+eene bijna klankloos-heesche stem, die met zuchtende inspanning zei:
+
+"Hou mij goe vaste, mijn heufd droait."
+
+"Zij gerust, boas, 'k hou ou goe vaste."
+
+Hij was uit de sjees; Rozeke greep schreiend zijn hand en leidde hem met
+'t Geluw Meuleken naar binnen.
+
+"Hoe es 't Alfons? hoe goat 't mee ou?" snikte zij.
+
+"Stillekes,... 'k ben moe,... mijn bedde...." heeschte hij zuchtend.
+
+"Ha moar zet ou iest 'n beetse bij den heird, 'k 'n hè ou nog nie
+gezien, 'k 'n hè ou nog nie g'heurd," schreide Rozeke wanhopig.
+
+Hij zakte op een leunstoel in elkaar bij 't roode vuur en Rozeke
+schrikte als voor een spook toen zij hem eindelijk bij de heldere vlam
+kon aankijken. Zijn door de zon gebruind gezicht was dor en mager als
+ivoor en been, zijn mond stond hijgend open en zijn groote oogholten
+leken twee donkere putten, waarin de strak-starende oogen ziekelijk
+glommen zonder uitdrukking, gelijk ballen van glas. Zij durfde geen
+woord meer spreken, 't was als een lijk, een aangekleed geraamte dat
+daar vóór haar zat. Haar boventanden beten zenuwachtig-sidderend op haar
+onderlip en heel haar aangezicht stond krampachtig verwrongen van de
+inspanning, om niet opnieuw in huilen en in snikken los te barsten. Het
+Geluw Meuleken bleef even roerloos, als met schrik geslagen, op den
+drempel van het achterhuis, waarin zij op een wenk van Rozeke verdween.
+
+"Hoe goat 't hier?" vroeg hij eindelijk, eensklaps, als met een kracht
+van herleving zijn groote, holle oogen tot haar opslaande.
+
+"O, goed, alles heel héél goed," haastte zij zich te antwoorden; "de
+stal, de kinders, 't veuleken, alles heel héél goed."
+
+Hij schudde zijn hoofd en weer staarde zijn blik, als schrik-verwilderd,
+vóór zich uit.
+
+"'K 'n kòst het ginter nie mier uithouen; 'k 'n kòst nie mier, 'k zoe
+d'r van verdriet gestorve zijn," hijgde hij.
+
+"Woarom?... was 't nie goe mier van 't eten meschien?... of kost ge
+tegen de lucht nie mier?" vroeg ze bedeesd.--"Wilt-e nou al gauw iets
+eten?" riep ze eensklaps levendig.
+
+Hij schudde 't hoofd, gaf eerst geen antwoord.
+
+"'K 'n kòst nie mier, 'k 'n kòst nie mier! 't Was alles goed, moar 'k
+moest hier weere thuis zijn," zuchtte hij eindelijk, "'t Es te verre ...
+'t es te vremde.... Mevreiwe zal kwoad zijn, moar 'k 'n kan 't nie
+helpen ... 'k gijnge ginter deud,... 'k moeste weere thuis zijn."
+
+Zij kreunde, droef-hoofdschuddend, wanhopig van verslagenheid en smart.
+Maar zij spande bovenmenschelijk haar krachten in om het hem niet te
+laten merken, zij zei hem dat hij welkom was, dat zij zoo gelukkig was
+hem weer te zien en dat zij wel alles met de jonge barones zou effen
+praten. En teer-bezorgd, vroeg zij hem nog eens met nadruk wat hij nu
+eten of drinken wilde.
+
+"'K 'n hé gienen honger; anders nie of 'n glas woarme melk," zei hij.
+
+Zij vloog naar 't achterhuis, beval het Geluw Meuleken spoedig melk te
+warmen.
+
+"'K ben blije, 'k ben toch zeu blije da 'k weere thuis ben," zuchtte
+hij, streelend haar hand nemend.
+
+"'K ben euk zeu blije," antwoordde zij ontroerd.
+
+Hij dronk zijn melk met smaak en een weeke glimlach gleed, vaag als een
+schim, over zijn bleeke lippen, terwijl zijn glazig-doffe oogen eventjes
+weer opleefden.
+
+"En de kinders stellen 't goed, e-woar?" zei hij.
+
+"'K ben toch euk zeu blije da 'k ze nou zal weere zien. En 't veuleken?
+'K ben zeu curieus om 't veuleken te zien. As 't morgen 'n beetse goe
+weer es goa 'k ne kier tot in de stal."
+
+"'t Es tòch zuk 'n scheun beestjen," glimlachte zij zwakjes; "maar ge
+meug wel oppassen: de mirrie es er wried zjaloes van."
+
+"Sloa ze?" vroeg hij.
+
+"Nien z'; moar ze tracht iederien uit de stal wig te drummen. Vaprijsken
+'n mag er noch aan noch omtrent komen en zelfs Smul 'n mag er nog nie
+altijd bij goan."
+
+Hij dronk zijn glas melk leeg en stond met inspanning op. Hij hoestte
+even, heesch en zwak, met piepend gereutel, diep in zijn binnenste.
+
+"Nog 'n gloazeke melk?" vroeg zij bezorgd.
+
+"Merci: 'k goa ne kier noar de kinders kijken en dan noar mijn bedde. 'K
+ben zeu moe; 'k kome van zeu verre."
+
+Hij keek haar even strak en hijgend aan en vroeg, met aarzeling:
+
+"En mee ou?... es 't nou toch weer azeu lijk of ge vriesde?"
+
+Zij sloeg de oogen neer en knikte, terwijl haar wangen, als die van een
+schuldige, met rood zich kleurden.
+
+"Joa 't, 't es lijk of ik vriesde; 't derde es op wig," zuchtte zij.--En
+plotseling, door die laatste emotie in al haar narigheid overweldigd,
+kon ze zich niet meer beheerschen en snikte ze 't in overstelpende
+tranen uit.
+
+"Ach Hiere! moet er dà nou euk nog bij komen," klaagde hij.
+
+Kreunend en met hooge schouders ging hij naar het voutetrapje. Zij
+kropte met geweld haar tranen op en volgde hem.
+
+"Kijk hier liggen de schoapkes zeu scheune te rusten," hikte zij droog,
+hem voor het kleine beddeken en 't wiegje brengend.
+
+Hij zei geen woord meer. Hij keek zijn kinderen lang aan, met starren
+klik, en keerde zich toen om.
+
+Zijn wenkbrauwen stonden gefronst, zijn kin beefde.
+
+Geen enkelen klank meer uitten zijn bleeke, bibberende lippen....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXI.
+
+
+Zij wist het nu, hij kon niet meer genezen....
+
+De dokter had het haar moeten zeggen, de pastoor was zijn biecht komen
+hooren en had hem de laatste sacramenten toegediend en 't einde
+naderde.--Haar oogen waren uitgeweend en 't laatste greintje hoop was in
+haar hart verbrijzeld. Dof was het in haar, dof en grauw als de
+doodsche, grauwe winterlucht die om het boerderijtje hing. Leven of
+sterven, 't was haast eender, want zijn leven was geen leven meer.
+
+Hij lag te bed, hij kwam er niet meer uit. Hij lag, wasgeel, met langen,
+zwarten baard en groote, donkere oogen, hijgend met half open mond te
+staren naar het eenig kleingeruite raampje van het voute-kamertje. Uren
+en uren, half op zijn rechterzij gekeerd, lag hij te staren door de
+groenachtig-grijze, in lood gevatte ruitjes, als zag hij dingen daar,
+gebeurtenissen, die zijn gansche aandacht in beslag namen. Hij zag iets
+van zijn erf, hij zag de roze muren en de grijze deuren van zijn schuur
+en stallen. Hij woonde iets van 't dagelijksch leven en den steeds
+terugkeerenden arbeid op de hoeve bij, hij zag Vaprijsken door de
+breede, openstaande wagenpoort dorschvlegelen in de schuur en Smul die
+af en toe met wagen of met kar op en af den boomgaard reed. En elken
+middag, tusschen twaalf en een, kwam men hem het lieve veulentje
+vertoonen, op 't gras, vlak voor het raampje van zijn ziekenkamer.
+
+Dat was het lang verwachte oogenblik van heel den dag. Hij leunde even
+op zijn elleboog, door Rozeke met kussens in den rug gesteund; hij zag
+van verre Smul met het beestje uit den stal komen en hij glimlachte om
+de wilde sprongen die het dadelijk maakte, om 't vlug geflikker der vier
+witte, huppelende pootjes en om de groote inspanning van Smul, die het
+bijkans niet in bedwang kon houden. Maar eindelijk, daar was het, daar
+stond het vóór zijn raampje, snuivend en krabbend met zijne fijne
+hoefjes, kijkend in de ruitjes met zijn schoone wilde oogen en zijn
+recht-gespitste ooren, alsof het hem in 't bed zag liggen. En in stille
+verrukking keek hij naar het lange, fijne hoofd met glinsterend-witte
+bles over den neus en kort-kroezende, rosachtige manen; en uit de verte,
+in den stal, hoorde hij de merrie jaloersch hinniken. Het veulentje
+hinnikte tegen, werd ongeduldig, draaide zijn staart naar 't raam, wilde
+bij de moeder terug. En zoo bewonderde hij het beestje ook van achter:
+zijn zacht-golvenden rug, zijn rondend kruis, zijn kort-gekrulden
+staart, zijn krachtige achterbeenen, reeds sterk genoeg om iemand een
+geduchten slag te geven. Het huppelde met gekke sprongen eindelijk weg
+en uitgeput zakte hij weer in zijn kussens neer en 't hoofd zonk op de
+borst en zwaar vielen de oogen toe. Toen vroeg hij fluisterend naar zijn
+kinderen en stil bracht Rozeke ze bij zijn sponde en zei aan 't oudste
+jongetje dat zij heel rustig moesten blijven....
+
+Eens vroeg hij haar, gansch onverwacht, maar kalm en stil, zonder
+schijnbare emotie, wat ze doen zou als hij eenmaal dood was.
+
+"O moar, ge 'n zil gij nie stirven! ge zilt gij genezen!" schreide
+Rozeke, in plotselingen opstand tegen een noodlot dat ze toch
+onverbiddelijk wist.
+
+Maar met een zwakken pijn-glimlach schudde hij weekjes het hoofd en
+vroeg haar nog eens wat ze doen zou als hij dood was.
+
+Zij kon niet antwoorden; zij snikte wanhopig.
+
+"Beloof mij ien dijngen," fluisterde hij; "beloof mij da ge mee Smul nie
+'n zilt hirtreiwen."
+
+"O!" riep zij verontwaardigd, met een soort van walging.
+
+"Beloof het mij, beloof het mij," drong hij met inspanning aan.
+
+"Dà beloof ik ou zeker! dà zweir ik ou!" riep ze plechtig.--"Hoe komt-e
+toch aan zulk 'ngedachten?"
+
+Hij bleef een poos stilzwijgend, roerloos en met dichte oogen, als dood.
+
+"Hij 'n zoe nie goed zijn veur ou ... en veur de kinders," zuchtte hij
+eindelijk. Zijn wenkbrauwen fronsten zich als onder een pijnsteek samen
+en twee stille, heldere tranen rolden langs twee groeven van zijn holle,
+gele wangen, in zijn zwarten baard....
+
+Heel zacht kwam eindelijk het laatste....
+
+Op een namiddag had hij nog pas even zijn kinderen bij zich gehad:
+Hilairken, die met kromme beenen door de kamer waggelde en reeds "oader,
+oader" brabbelen kon; en ook het kleintje, dat met een
+"suiker-tjoeseken" in den blaasjesmond op Rozeke's arm zat. Hij had
+gevraagd hoe laat het was en waarom Smul nog niet met 't veuleken bij 't
+raam gekomen was; en Rozeke, even verwonderd, had hem geantwoord dat het
+zes ure was en dat Smul, als naar gewoonte, immers tusschen twaalf en
+één gekomen was; en daarop had hij zachtjes geglimlacht en geknikt dat
+hij 't zich nu herinnerde; en rustig was hij weer met dichte oogen op
+zijn rug gaan liggen, toen Rozeke, die even uit de kamer was geweest, om
+'t kleintje aan het Geluw Meuleken te overhandigen, bij 't weer
+binnenkomen door de vreemde uitdrukking van zijn gelaat getroffen werd.
+Zij kwam bij 't bed en in de vage schemering van den grijzen,
+vroeg-invallenden avond, boog ze zich dicht over hem neer. Zoo bleef ze
+staan, een heele poos, onbewegelijk, met aandachtig starende oogen.--Hij
+ademde; zij hoorde hem ademen, heel zacht.... Toen kwam het haar
+plotseling voor alsof hij niet meer ademde.--In absolute roerloosheid en
+stilte lag hij daar en in die doodsche stilte spreidden zich wijd van
+angst haar oogen open. Maar opnieuw hoorde zij eensklaps zacht zijn adem
+en ook zij verademde diep. Toen hield het plotseling weer op: de
+volstrekte, doodsche onbewegelijkheid en stilte.... En nòg dieper over
+hem gebogen zag zij, in de grijze schemering, iets, dat als een bijna
+onzichtbare schaduw van boven naar onder over zijn onbewegelijk gezicht
+neerstreek.--'t Was als een wonderbare, langzaam-zachte ontspanning, als
+de teere, stille streeling van een onzichtbaren vleugel, iets dat even
+zweefde en verdween, langzaam, langzaam naar beneden glijdend, tot het
+eindelijk, als vervlogen, in de effen-grijze wazigheid was opgelost. Het
+was voorbij, verdwenen ... en eensklaps zag zij op zijn strak gelaat de
+onbekende uitdrukking van een geheel nieuw wezen, een wezen van
+onuitsprekelijke rust en kalmte, de hooge, gelouterde, heilig-sereene
+kalmte van het niet-meer-zijn.... Hij was dood! Zij zag het, zij wist
+het, zij voelde het ... en huilde niet. Roerloos, met droge oogen, keek
+zij hem halsstarrig aan. Het was niet vreemd voor haar, zij was niet
+bang, het scheen haar zoo natuurlijk. 't Leek of er niets veranderd was;
+'t was zeker maar een zinsbedrog; 't gewone leven om haar heen ging
+rustig voort zijn kalmen gang als 't oogenblik te voren; de grijze
+schemering hing wazig-zacht in 't kamertje; in de keuken hoorde zij het
+Geluw Meuleken die stil met iemand sprak en buiten, in de schuur,
+klonken dof de gekadanseerde slagen van Vaprijskens vlegel op den harden
+kleivloer.
+
+De deur van 't kamertje ging zachtjes open en een breede, donkere
+gestalte verscheen op den drempel. Het was haar moeder, die eens naar
+hem informeeren kwam.
+
+"Hoe goat 't er mee?" hoorde Rozeke haar fluisterend vragen, als in een
+droom.
+
+Strak richtte zij zich op en keek haar moeder starend, als onnoozel,
+aan. Zij wilde spreken, maar kon niet. De schorre woorden bleven hokken
+in haar toegeschroefde keel. Eindelijk kon ze 't uitbrengen:
+
+"Hij es deud, moeder!--'K geleuve ... dat hij ... deud es!"
+
+"Deud!" gilde verwilderd de dikke vrouw. En zij kwam naar 't bed gehold.
+
+"Deud!" herhaalde Rozeke machinaal, met gebroken stem.
+
+Meer kon ze niet zeggen. Zij zakte snikkend, met haar handen vóór de
+oogen, op een stoel en bleef er zitten schreien, eindeloos, eindeloos
+lang....
+
+In de keuken stoeide 't Geluw Meuleken zacht met Hilairken en Marietje.
+Traag hossebossend kwam Smuls kar met een vrachtvol voeder van den akker
+op het erf gereden. In de schuur galmde steeds, eentonig als een treurig
+klokgetamp, Vaprijskens vlegel, in dof-tragen, gelijkmatigen kadansslag
+op den harden kleivloer.
+
+Dien zelfden nacht werd Rozeke ziek. Zij leed aan hevige krampen, uren
+lang lag zij te kruipen en te kermen van de pijn en tegen den ochtend
+bleek het duidelijk dat het met haar op een miskraam zou uitloopen.
+
+De dokter werd gehaald en moeder bleef voorloopig op de hoeve. Ook
+Rozeke's oudste broeder nam er tijdelijk zijn intrek om alles voor de
+begrafenis te regelen.
+
+Het was nog een geluk voor Rozeke dat zij van al die narigheid niets
+merken kon; en een geluk was 't ook dat 't derde kind er nu niet komen
+zou.--Alles werd in stilte volbracht terwijl zij, zwaar ziek, met hooge
+koorts te bed lag.
+
+De luiken van het huisje waren dicht gesloten, de zwarte rouwvendels
+stonden tegen den muur, het strooien kruis lag op den drempel en op het
+erf en in de stallen was geen leven noch bedrijvigheid meer. Alles was
+stil. Smul reed niet meer met de merrie naar den akker, het veulentje
+kwam niet meer buiten, Vaprijsken dorschte niet meer in de schuur, het
+Geluw Meuleken liet haar glinsterende emmers niet meer rinkelen. En
+iederen morgen en avond luidde op den verren kerktoren een doodspoos....
+
+Den derden ochtend kwam eindelijk boer Lauwe's wagen, bespannen met twee
+paarden, het erf van 't boerderijtje opgereden en hield geluidloos vóór
+den drempel van het toe-geblinde woonhuis stil.--Boer Lauwe zelf, als
+naaste buurman, stelde aan moeder van Dalen de sacramenteele vraag:
+"Bezinne, es 't mee ouën dank dat 't lijk uit den huize goat!" en toen
+moeder snikkend ja geknikt had, werd de kist heel zacht, met nauwelijks
+hoorbaar geschuifel van voeten, door vier mannen naar buiten gebracht.
+Onder het verkleurde, zwart-fluweelen dekkleed met zilveren franjes
+teekende zij haar akelige vormen af. Vader, moeder, La, de broeders,
+dempten met inspanning hun zuchten en hun tranen. Moeder bleef maar even
+buiten. Zij schetste een kruisteeken over den doode, tot vaarwel, en
+keerde stil terug bij Rozeke. Het Geluw Meuleken hield in 't achterhuis
+de kinderen bezig.
+
+Langzaam, in stil gefluister van woorden, werd de kist over een
+stroo-laag op den wagen geschoven. Smul en Vaprijsken gingen er rechts
+en links, als wakers, naast zitten. Boer Lauwe's paardeknecht tilde zich
+op den rug van een der paarden; en langzaam, stapvoets, in plechtige
+stilte door den kleinen stoet van familieleden en buren gevolgd, reed de
+wagen van het erf.
+
+Het was een zonnige, frissche, winderige vroege-voorjaarsdag.
+Glanzend-witte wolken dreven hoog en vlug in 't heldere, gezuiverde, als
+'t ware frisch-gewasschen hemelsblauw en de nog bladerlooze, heen en
+weer gezwiepte boomenkruinen klaagden zacht en piepten. Als een donkere,
+op elkaar gedrongen kudde liep de kleine rouwstoet achter den
+zacht-schommelenden wagen: de enkele vrouwen van het hoofd tot de voeten
+gehuld in haar lange, zwarte, door den wind soms klapperend-opwaaiende
+kapmantels; de mannen in hun korte buisjes, de handen in hun broekzakken
+en de schouders opgetrokken voor de kou. Bij den eersten kruisweg hield
+de wagen even stil en allen baden met gebogen hoofden en gevouwen
+handen, om de booze geesten te bezweren. In 't ruischen van den hoogen
+wind krasten rondzwervende zwarte kraaien. Ginds verre, over de bloote
+uitgestrektheid van de velden, rees spits de grijze kerktoren, waarin
+het dooden-klokje tampte, eentonig-aanhoudend, nu eens sterk en dan weer
+zwak gedragen door den wind, als een halsstarrig, steeds herhaald
+geroep....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXII.
+
+
+Toen begon langzaam weer de dagelijksche gang van het gewone
+leven.--Rozeke was beter en zat op in de keuken. Moeder was weg. La zou
+nog een poosje blijven om in 't huishouden te helpen.
+
+De voordeur ging open en voor de derde maal, dien ochtend, stak Smul van
+achter 't houten schut zijn hoofd naar binnen. Hij trad heelemaal naar
+voren toen hij eindelijk Rozeke ontwaardde, bleek en mager, met witte
+kussens achter den rug in den leunstoel waar destijds Alfons zat bij het
+vuur, en vroeg haar:
+
+"Wa goan we nou doen, bezinne, mee die partij achter de Vlierbeum: zoên
+we doar eirdappels planten of zoên we 'r suikerijen zoaien?"
+
+Die eenvoudige vraag bracht Rozeke heelemaal van streek, deed haar
+plotseling weer beseffen wat zij aan Alfons verloren had.--Ach! hoe kon
+ze 't weten wat er daar geplant of gezaaid moest worden? Zij had daar
+immers geen verstand van en niemand was er om haar raad te geven. Haar
+betrokken, bleek gezicht met triestig-doffe oogen verwrong zich als
+onder een pijnsteek en zij antwoordde, vol aarzeling en twijfel:
+
+"Och Hiere, 'k en weet ik zelve niet; wa peist-e gij?"
+
+"Ik zou d'r eirdappels planten," antwoordde hij kortaf. "Veur de
+suikerijen geven z' ou wat dat ze willen en d'eirdappels houên altijd
+uldere prijs."
+
+"Hawèl, joa, Ivo jongen, plant er gij eirdappels," knikte zij.
+
+"En de zure misch achter den bosch, bezinne? Zoên we nou ne kier
+probeeren mee d'r wa semiek op te streuien, of zoên w' hem nog 'n joar
+loate liggen lijk of hij es?"
+
+Opnieuw vertrok zich haar pijnlijk bleek gezicht van aarzeling en
+twijfel.
+
+"Wa peist er gij van?" vroeg ze voor de tweede maal.
+
+"Ik zoe 't nog 'n joar uitstellen," antwoordde hij. "Whèn nog al wa heui
+over van passeerde joare en die semiek 'n es toch dikkels moar
+vervalschten kucht."
+
+"Hawèl joa, we zillen nog 'n joarke wachten."
+
+Hij knikte met het hoofd en was weg.
+
+Zij voelde 't wel, zij was geheel en al, voor wat 't beheer der
+boerderij betrof, aan zijn wil en besluiten overgelaten; zij zelve had
+er geen verstand van. Het was dan ook maar beter dat ze 't aan hem
+overliet: aan hem en aan Vaprijsken. Zij tobde en sprak er over met La,
+een groot deel van den dag; en 's avonds, na het eten, terwijl de beide
+knechts even vóór 't naar bed gaan bij den haard hun pijp zaten te
+rooken, onderhield zij er hen over, de stem bevend en de oogen vol
+tranen:
+
+"Ivo, en Vaprijs, 'k hope toch da ge mij alle twieë goe zil blijven
+helpen. Ik 'n hè natuurlijk gien verstand van boeren, en 'k hè road en
+hulpe neudig.--'K hope da ge zilt willen doen lijk of 't veur ulder
+eigen woare."
+
+Vaprijsken kreeg een traantje van ontroering in zijn oog.
+
+"Ge meug gerust zijn, bezinne; over mij 'n zilt-e niet te kloagen hèn,"
+zei hij met een stem die trilde.
+
+Smul, het hoofd somber gebogen, knikte zonder iets te zeggen. "Gij toch
+euk, Ivo?" vroeg ze bedeesd, zonder hem haast aan te durven kijken.
+
+Hij klopte de asch van zijn pijp uit op zijn klomp, spuwde van zich af,
+en antwoordde eindelijk, kortaf en ruw, met harden blik, zooals het zijn
+gewoonte was:
+
+"Dat dippendeert, bezinne, van wie da g'hier as boer wilt aanstellen.
+Ienen boas op 't hof: Vaprijs of ik!"
+
+Zij schrikte hevig van zijn woorden. Hij of Vaprijs? en dan nog wel als
+boer, als baas! O, wat voelde ze weer hard de akeligheid van haar
+verlies! Een weeke kleur kwam over haar verlepte wangen; zij stotterde
+en kon geen antwoord uitbrengen; zij wist niet wat ze zeggen moest. Er
+was een oogenblik volkomen stilte.
+
+"Ik of Vaprijs!" herhaalde hij met vastberaden nadruk, om de beurt haar
+en Vaprijsken met zijn barsche, strakke oogen aankijkend.
+
+Eindelijk kwam een spotachtigen glimlach om Vaprijskens gele snor.
+
+"Ik of hij 't es me 't zelfde," zei hij leukjes, "we 'n zijn wij toch
+moar knechten alle twieë."
+
+Rozeke verademde en keek het trouwe knechtje dankbaar aan. Vaprijsken
+was zoo goedig! Hij, toch, zou niet onhandelbaar zijn. En wat was het
+ook goed dat hij 't zoo duidelijk gezegd had: Knechten alle twee!
+
+Doch kort van duur was haar vreugd. Smul gaf zich niet eens de moeite
+Vaprijskens schimpscheut te beantwoorden, en ging ook op de zaak niet
+verder in. Bruusk stond hij overeind, als een die al gezegd heeft wat
+hij zeggen wou, wenschte een korten goenacht en was meteen de deur uit.
+Verbaasd en onthutst keken Vaprijs en Rozeke elkander aan. Zij voelden
+wel dat zij niet bij machte waren om tegen zoo'n kerel op te staan.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXIII.
+
+
+Vanaf dat oogenblik werd ook Smul de onbetwiste boer en baas der hoeve.
+In het begin nog raadpleegde hij Rozeke; maar, aangezien ze zich toch
+altijd naar zijn oordeel schikte, achtte hij deze formaliteit al spoedig
+overbodig en beredderde weldra alles zonder vragen naar zijn eigen wil.
+Hij besliste waar en wat gemest, geploegd, gezaaid, geplant zou worden;
+waar, wanneer en hoeveel noodhulp-werkvolk moest gevraagd worden; hoe,
+hoelang en voor welk loon zij zouden werken. Eerst vroeg hij nog een
+tijdlang Rozeke's instemming en goedkeuring voor wat inkoopen en
+verkoopen betrof; maar ook daarin handelde hij weldra naar zijn eigen,
+exclusief goeddunken, kocht en verkocht, vroeg of bracht eenvoudig aan
+Rozeke het geld der ingeslagen of geleverde waren.
+
+Het duurde niet lang of koopers en leveranciers onderhandelden
+uitsluitend en rechtstreeks met hem. De molenaar, de lijnmeelfabrikant,
+de zadenhandelaar boden hèm hunne producten aan; de veekooper, de
+aardappelkooper debatteerden met hèm over de prijzen van het vee, van 't
+graan en van de aardappels.
+
+Rozeke zag en voelde wel dat hij zijn grens verre te buiten ging, maar
+zij had nu eenmaal, door de omstandigheden gedwongen, de macht uit haar
+handen gegeven en zag geen kans die nog terug te krijgen. Het was fataal
+zoo gekomen, het had niet anders gekund; dat was het onvermijdelijk
+gevolg der groote ramp die haar geluk geknakt had.--Doch anders kon zij
+over hem niet klagen en de heerschappij was wel aan hem besteed. Hij
+verdiende ze ten volle. Hijzelf werkte, onvermoeid en flink, den
+ganschen dag door; hij werkte eigenlijk voor haar en voor haar kinderen,
+als gold het zijn persoonlijke belangen; en zij zag en voelde, als een
+zachten troost in haar lijden, de tijdens Alfons' langdurige ziekte wel
+eens bedreigde materieele voorspoed en welvaart weer op het boerderijtje
+komen.
+
+Edoch, daarbuiten, om zich heen, voelde zij ook groeiende nijd en
+nauwelijks bedekte schimperij en vijandschap. Men spotte met zijn
+heerschappij en lasterende tongen verspreidden leelijke geruchten.
+Vaprijsken noemde hem achterrug "menier den boas", en 's zondags,
+wanneer hij halfdronken in de herbergen van 't dorp liep, vertelde hij
+aan al wie 't hooren wilde, dat hij van plan was zijn dienst op te
+zeggen. Hij vloekte en raasde, driest en uitdagend zoodra hij uit Smul's
+tegenwoordigheid was en voorspelde dat men weldra rare dingen zou
+bijwonen.--Ook het Geluw Meuleken was dadelijk, na Smul's bazig
+optreden, stroef, venijnig en onhandelbaar geworden. Zij keek Smul niet
+meer aan, wat Rozeke zeer verbaasde en verheugde, want zij vreesde 't
+ergste van hun gescharrel en voelde zich, minder dan ooit, bij machte
+het tegen te gaan; maar niet alleen tegen Smul, ook tegen haar was 't
+Geluw Meuleken onvriendelijk geworden; en evenals Vaprijsken raasde en
+lasterde zij achter den rug om, op haar zondagsmiddags-uitgangen in 't
+dorp. Het duurde niet lang of van al die vage, leelijke geruchten kwam
+Rozeke's ouders iets ter oore; en op een zondagmiddag verscheen moeder
+op de boerderij.
+
+Rozeke hoefde haar slechts van verre over het erf te zien aankomen, om
+dadelijk te merken dat er iets ongewoons ophanden was. De dikke vrouw
+zweette en hijgde, breed-schrijdend met waggelende heupen, als een vette
+modder-eend; haar gezicht was blakend rood en haar tandelooze mond hing
+open van inspanning en haast. Nauwelijks was ze binnen en had zich
+overtuigd dat Rozeke met haar kinderen alleen was, of ze hijgde en
+stotterde 't er opgewonden uit:
+
+"Roze!... è è es da woar wat da 'k doar heure zeggen hè ... dat-e gij
+mee ouë peirdeknecht goat hirtreiwen as ouën tijd om es?"
+
+"Wa ... wa zegt-e doar, moeder!" riep Rozeke verschrikt.
+
+Moeder, met de beenen ver vaneen, snakkend naar adem op een stoel
+gezakt, moest eerst even op verhaal komen. Haar fletse blauwe oogen
+keken rond en boos haar dochter aan en dikke zweetstralen liepen over
+haar vette, roode kwabbe-wangen.
+
+"O ... o ... of 't woar es da ge mee ouë peirdeknecht goat hertreiwen as
+ouën tijd om es?" herhaalde zij eindelijk, met een stem die klapte als
+een zweep.
+
+Een vloed van emotie kwam plotseling van uit de diepte van Rozeke's hart
+naar haar gelaat opgestormd. Het hokte in haar keel en vulde met tranen
+haar oogen. Zij dacht aan Alfons en aan haar heilige belofte bij zijn
+sterfbed; en dat zij die belofte schenden zou, o, het stond zóó verre
+van haar af, dat zij innig en ellendig droef, maar niet eens boos of
+verontwaardigd over moeders harde woorden werd. Zij zuchtte zwaar en
+hikte zenuwachtig, doch zij wist zich te beheerschen; en in plaats van
+de vraag te beantwoorden, vroeg zij op haar beurt, met kalme, bijna
+toonlooze stem:
+
+"Wie zegt da, moeder?"
+
+"Wie!... ha! heul 't dorp! 't Es er vul van! D'r wor van nie anders
+gesproken. 't Es 'n schande!" hijgde de opgewonden vrouw.
+
+Fier hief Rozeke het hoofd op. Zij voelde zich gesard en ook eindelijk
+kwaad worden. Haar oogen schitterden en een heete kleur kwam over haar
+ingevallen wangen
+
+"Hawèl, moeder, as ze 't ou vroagen zeg dan veur mijn poart dat 't
+leugens zijn!" riep zij eensklaps nijdig en bits.
+
+De oude vrouw schudde zuchtend en kreunend het hoofd. En zij begon
+scherp uit te varen tegen Smul en tegen 't Geluw Meuleken, zelfs tegen
+Vaprijsken en tegen alles wat, vooral sinds Alfons' dood, op 't hoevetje
+gebeurde.--"'t Es 'n schande! herhaalde zij voortdurend, "'t schijnt dat
+'t al aan d'euren van de páster es gekomen, en as er den b'ron of
+mevreiwe van heuren, zilt-e moete verhuizen!"
+
+"Joa moar wàtte, moeder? Wa ès er 'n schande? wa ès er gebeurd?" riep
+Rozeke hoe langer hoe bitsiger wordend.
+
+"Hoe! zij-je blend of deuf dan? Of es 't moar geboaren?" gilde de dikke
+vrouw. "Weet-e gij meschien nog niet dat 't Geluw Meuleken moe ne
+kleinen krijgen en da ze zeggen dat 't euk van Smul es!"
+
+Geweldig schrikte Rozeke op. Het vreemde doen van 't Geluw Meuleken was
+haar al een heelen tijd verdacht voorgekomen en daar kon wel iets van
+aan zijn. Toch begreep ze 't niet goed en twijfelde nog.
+
+"Ha moar, moeder, 't es uit! Ze'n kijken al sedert verscheide weken noar
+mallekoar nie mier omme!" riep zij angstig en verbaasd.
+
+"Hawèl joa, 't es precies doarmee dat 't uitgekomen es!" hijgde moeder
+van Dalen. "Van as Smul ondervonden hèt dat de pap verbrand was, hèt hij
+heur loate leupen omdat hij sedert Alfons' deud zijn zinnen op ou
+gesteld hèt! En 't Geluw Meuleken, die doarom kwoad geworden es, goa nou
+heul den boel in 't dorp vertellen; en Vaprijsken, die zjaloes es, euk!"
+
+"Wà leupen z' al vertellen?" vroeg Rozeke.
+
+"Wèl!... van ou en van hem! Ge 'n moet ou nie onneuzel geboaren! Ge
+keun wel peizen, e-woar, wat da ze vertellen? O! 't es 'n schande! 'n
+schande!"
+
+'t Was als een openbaringslicht dat plotseling voor Rozeke opging. Zij
+voelde, met afschuw en schrik, het gansche laag gebabbel en geknoei dat
+buiten haar om ging, en begreep aan welken vuigen laster zij weerloos
+was blootgesteld. Zij trilde van verontwaardiging en woede, eensklaps
+vast besloten er korte metten mee te maken.
+
+"'t Es goed, moeder, 'k ben blije da 'k da amoal wete; d'er zal hier
+gauwe goan veranderijnge komen," zei ze beslist; en als in krachtdadig
+besluit kneep ze strak haar lippen op elkaar.
+
+Na nog langdurig klagen en knorren en vitten ging moeder eindelijk weg,
+en kort daarop kwam 't Geluw Meuleken van 't dorp terug.
+
+Rozeke liet haar niet eens den tijd muts of mantel af te nemen.
+
+"Es da woar, Meuleken," vroeg zij bruusk af, met bleeke, bevende lippen,
+"es da woar dat-e gij moet ne kleinen hên van Smul?"
+
+Het Geluw Meuleken, klaar om zich op haar zolderkamertje te gaan
+verkleeden, bleef als versteend staan, 't ontsteld gezicht naar Rozeke
+omgekeerd, den knop van de zoldertrapdeur in de hand. En vóór ze zelfs
+een enkelen klank tot antwoord had geuit, zag en begreep Rozeke
+eensklaps alles: haar betrokken, bleek gezicht vol gele sproeten, de
+angstig-verwilderde uitdrukking van haar oogen, het reeds zwaar-wordend
+figuur; alles wat zij in haar diepe droefheid van de laatste tijden niet
+gemerkt had, trof haar nu plotseling als een klap in het gezicht en zij
+raasde, net als haar moeder, terwijl het Geluw Meuleken, zuchtend en
+schreiend, de waarheid ook niet poogde te verbergen:
+
+"'t Es 'n schande! 'n schande! Mij bedriegen in ploatse van mij t'
+helpen in al mijn verdriet!--'K ha d'r al lank wa van in de goaten, moar
+'k miende dat 't gedoan was!--Joa moar azeu 'n keunt g' hier nie
+blijven, zille! Treiwen of hier wig!"
+
+Het Geluw Meuleken hikte en snikte:
+
+"Hij 'n wil nie treiwen, bezinne. Hij hè mij bedrogen en nou loat hij
+mij leupen. Hij durf zelf zeggen dat 't van hem nie 'n es, de
+sloeber!--Moar 't 'n es anders nie of om mee ou te keunen treiwen!"
+
+Rozeke bedwong met moeite een kreet van walg en opstand:
+
+"Mee mij! Wie zegt datte? Wie durft da zeggen?"
+
+"Iederien, bezinne, iederien."
+
+"Hij euk?"
+
+"'K 'n weet 't nie, bezinne, moar iederien in 't dorp zegt het; en
+Vaprijsken zegt het euk, iederen zondag, in d' hirbirgen, aan al die 't
+heuren wilt!"
+
+"Vaprijs es nen deugniet, ne zot; en gij 'n zij euk gien goeje, want g'
+het er euk van gebabbeld, ik weet het!"
+
+"'t Es gelijk, bezinne; ik 'n hè 't nie iest gezeid; Vaprijs hèt 't iest
+gezeid; moar ik ben d'r d'ongelukkigste mee. O! die sloeber, die
+sloeber!"
+
+Het Geluw Meuleken raasde en snikte te gelijk, en Rozeke, ellendig doch
+meelijdend, voelde langzamerhand haar eigen toorn in machtelooze wanhoop
+verzinken. Doch zulk een toestand kon ze niettemin in geen geval op haar
+boerderij dulden, en zij besloot met Smul te spreken en hem, zoo
+mogelijk, tot een huwelijk met het Geluw Meuleken over te halen.
+
+Zij stuurde het snikkend dienstmeisje naar bed, en wachtte op de komst
+van Smul. Zij hoorde weldra een geluid van voetstappen in de duisternis
+over het erf en opende met kloppend hart de voordeur.
+
+"Ivo, zij-je 't gij?" riep ze.
+
+Haar stem klonk zwak en onvast. Zij spande al haar krachten in om sterk
+en kalm te blijven en haar gezag te handhaven. Haar wenkbrauwen stonden
+gepijnigd saâmgefronst, haar tanden beten zenuwachtig op haar onderlip
+en zij voelde zich in 't donker op den drempel een vurige kleur krijgen.
+
+"Joa ik, bezinne," klonk Smul's ruwe stem in de duisternis.
+
+"Wilt g' hier ne kier komen?"
+
+Hij was reeds bij de deur van den paardenstal om te gaan slapen. Hij
+keerde zich om en kwam sprakeloos, dwars over den boomgaard, naar het
+woonhuis toe. Zij zag zijn sterke, gedrongen gestalte trapsgewijs uit
+het donkere te voorschijn komen.
+
+"'K zou ou ne kier wille spreken, Ivo."
+
+Hij knorde iets als antwoord, trad achter haar binnen en sloot de deur.
+
+Zij stonden vlak tegenover elkander in de ruime, lage, zwartgebalkte
+keuken, zij vreeselijk ontsteld en niet wetend hoe te beginnen, hij
+nurksch en norsch als altijd, zijn dikke rosse snor als een stugge
+streep dwars door zijn beenderig gezicht met sterke kaken, zijn koude,
+grijsblauwe oogen strak op haar gevestigd, onder de klep van zijn zware,
+ietwat scheef op het hoofd staande pet. Een lampje zonder kap stond
+ongezellig lichtend op een laag groen tafeltje; in 't haardvuur
+versmeulden de laatste houtblokjes tot asch en kool. Hij wachtte, lomp
+en stijf in zijn zondagskleeren, wat zij hem te zeggen had.
+
+"Ivo," begon ze eindelijk, zonder hem aan te durven kijken en met een
+stem waaraan zij weer vruchteloos poogde kracht en vastheid te geven,
+"Ivo, 't Geluw Meuleken kloagt over ou, as da ze 'n kind van ou moe
+krijgen en da ge mee heur nie 'n wilt treiwen."
+
+Zij hief het hoofd op en keek hem aan, plichtmatig-berispend, één enkele
+seconde. Maar, voor zijn harden, boozen oogopslag, sloeg zij dadelijk
+háár blik weer neer.
+
+"Ik 'n wee doar niets van, bezinne; 'k 'n hè doar gien affeirens mee,"
+klonk kort en ruw zijn afdoend antwoord.
+
+"Ze zeg zij het toch, ze beweirt dat 't van ou es; en às 't azeu es zoe
+je 'r toch wel meugen mee treiwen," drong zij zonder overtuigingskracht
+aan.
+
+"Bezinne," antwoordde hij, plotseling bijna uitdagend, "die zijn gat
+verbrandt moe op de bloaze zitten, en die hem in nen nest mee deurns zet
+'n wee niet dewelken dat er hem steekt! 't Kan het van mij zijn, moar 't
+kan euk van Vaprijs zijn en meschien nog van ne heulen boel andere. Ik
+'n trek het mij nie aan, bezinne; 'k voag er vierkante mijn botten aan."
+
+"Joa moar, Ivo, op die manier 'n kan ik ulder toch op mijn hof nie
+houên!" riep zij eensklaps heftig, met hooge kleur, over zijn
+hondschheid verontwaardigd.--"Wa zoên de meinschen wel zeggen? En wa
+zoên de giestelijke zeggen? Wa zoên den baron en de baronesse zeggen? Ze
+zoên mij doen verhuizen!"
+
+"'t Es het goed, bezinne, as ge 't op die manier opneemt zal ik
+wiggoan," zei hij kortaf. En hij week al vast naar de deur.
+
+Zij schrikte. Weggaan! Dat kon niet, vooral niet op dit oogenblik, met
+de aanstaande volle drukte van den veldarbeid. Dat was een halve ruïne,
+voor haar en voor haar kinderen. En zij voelde zich plotseling laf
+worden; zij voelde, dat niet de misdadiger, maar wel het ongelukkig
+slachtoffer, het Geluw Meuleken, moest opgeofferd worden. Zij stond met
+hooge kleur te beven en wist niet meer wat te zeggen; tranen kwamen in
+haar neergeslagen oogen en zenuwachtig beefden hare lippen. Wanhopig
+keek zij om zich heen, als zocht zij naar een hulp en steun welke niet
+meer te vinden was, als zocht zij nog naar hem die haar door den dood
+zoo onmeedoogend was ontnomen. Maar zij had niets meer, zij stond zoo
+ellendig alleen en zoo zwak op de wereld; en laf ontsnapte 't aan haar
+bibberende lippen:
+
+"Gij of zij, d'r moet toch ien van de twee wig; azeu 'n kan 't nie
+blijven.--En zij moe in alle geval...."
+
+Eensklaps vloog de zolderdeur open en 't Geluw Meuleken, die staan
+luisteren had, kwam in de keuken gesprongen, woest, razend, huilend, met
+fonkelende oogen schreeuwend en scheldend:
+
+"Gie sloeber! gie valschoard! Watte! ge durf zeggen dat 't van ou nie 'n
+es! En gij euk, bezinne, gij zij euk 'n slechte, 'n slechte! Ge span mee
+hem te goare! 't Es 'n schande! Ge zij sloebers, valschoards alle twieë!
+Ulder hof es verdomd, verdomd! Hij es nen brigand, ne meurdenoare! Hij
+hé mij compleet vermeurd en hij zal ou euk vermeurden, en 't zal wel
+besteed zijn! 'K zoe nog liever veur mijn kind goan scheuien as hier nog
+ne menuut langer op ulder slecht hof te blijven!"
+
+Woedend vloog zij naar de voordeur en eer zij den tijd hadden een woord
+te spreken of haar met geweld tegen te houden was ze buiten en weg, den
+boomgaard af, het hek uit, onder razend geblaf van den waakhond door de
+nachtelijke duisternis naar 't dorp.
+
+Rozeke was huilend van ontsteltenis op een stoel ineengezakt; Smul, even
+stom en roerloos als een bruut, stapte met loggen tred uit het huis en
+ging naar zijn slaapplaats in den stal.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXIV.
+
+
+De jonge baron en zijn vrouw kwamen dat jaar later dan gewoonlijk
+buiten. Zij waren er eerst tegen het einde van Mei en enkele dagen
+daarna kwam de barones Rozeke opzoeken.
+
+Het was een droevig bezoek, een gansch her-opleven van al al de zware,
+nog maar pas geleden smart. Rozeke begon dadelijk hopeloos te schreien
+zoodra zij de barones zag en lang spraken zij nog over den doode. De
+barones vertelde haar nog eens hoe zij 't onmogelijke had gedaan om hem
+langer in 't zuiden te houden en hoe het was mislukt, omdat hij er niet
+wennen kon en aldoor, altijd maar naar huis verlangde. Hij was ook reeds
+tè ziek toen hij vertrokken was; hij kòn niet meer genezen. 't Was
+erfelijk geweest bij hem, zij wist het van den dokter: zijn vader en
+zijn broeder waren ook beiden jong aan tering gestorven.
+
+Rozeke stilde eindelijk haar overstelpende, te lang verkropte tranen en
+toen viel het haar plotseling op dat ook haar voorname vriendin er zoo
+bedrukt uitzag. Een ongewone plooi van kommervollen ernst lag over haar
+verbleekt gelaat en haar mooie oogen hadden iets vaag-peinzends, iets
+afwezigs en verstrooids in hun uitdrukking, alsof zij voortdurend met
+hare gedachten elders was. Rozeke vroeg hoe 't ging met haar kindje en
+haar man.
+
+"Goed: nog al goed," antwoordde zij met stille, matte stem, terwijl een
+lichte kleur over haar bleeke wangen kwam.
+
+"Es menier den baron euk op 't kastiel?" vroeg nog Rozeke.
+
+"Neen, nog niet, maar hij komt nu weldra," antwoordde zij. Haar
+wenkbrauwen trokken zich zenuwachtig samen en ietwat hooger kleurend
+wendde zij het hoofd om en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
+
+Rozeke durfde niet verder meer vragen; maar plotseling herinnerde zij
+zich de mededeeling uit een van Alfons' laatste brieven; de zonderlinge
+ontmoeting van den baron met die twee rare vrouwen in zijn automobiel,
+en even bekroop haar de angst dat hun huwelijk er ongelukkig door
+geworden was. Doch zij joeg die akelige gedachte verre van haar weg.
+"Hoe zou het mogelijk zijn, dacht zij, dat een man die zulk een schoone,
+goede, liefhebbende vrouw bezit, nog ooit naar andere en dan nog wel
+naar zulke slechte vrouwen om zou zien."
+
+En toch,... zij vreesde.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXV.
+
+
+Na de heftige scene met het Geluw Meuleken was de toestand op de
+boerderij gedurende enkele dagen hoogst gespannen geweest. Smul liep
+sprakeloos en somber, als een bruut, over het erf, Vaprijsken was aan
+den drank, werkte niet meer, sprak van weggaan en in haar radeloosheid
+had Rozeke haar ouders te hulp geroepen.
+
+Moeder, steeds categorisch in haar optreden, wilde dat zij heel den boel
+ineens opruimde, dat zij, niet alleen het Geluw Meuleken, die nu
+trouwens bij haar moeder in het dorp was en bleef, maar ook en vooral
+Smul en Vaprijsken voor goed aan de deur zette. Doch vader van Dalen en
+Rozeke's broeders, veel kalmer en wijzer, kwamen daar sterk tegen op en
+beweerden dat het gekheid wezen zou. Moeder had mooi praten, omdat zij
+zelve niet voor 't geval stond, maar waar vandaan zou zij zoo ineens
+twee nieuwe vaste knechts gaan halen, terwijl, met den ophanden zijnden
+oogst, nergens zelfs meer noodhulp was te krijgen? Zoo'n vaart had het
+dan ook niet genomen. Moeder had het onuitvoerbare van haar al te
+radikale plan al spoedig ingezien, Vaprijsken was tot reden en bedaren
+gebracht en Smul werd voorloopig met rust gelaten. Zelve was moeder ten
+slotte voor Rozeke een nieuwe meid gaan zoeken, een van verre; een "uit
+den bosschen", zei moeder, zoodat ze niets met al 't gescharrel en
+geknoei der laatste tijden zou te maken hebben. Op een ochtend kwam het
+meisje, vergezeld van moeder, op de hoeve aan; en 't leek een
+vriendelijk, ietwat bedeesd deerntje, een zwartje, met héél lichtblauwe,
+bijna witte, kleine oogjes en een rond, zachtwangig, door de zon
+gebruind gezicht, vol bruine sproetjes, veel bruiner en veel dichter op
+elkander gezaaid nog dan die van het Geluw Meuleken. Die overvloedige
+sproetjes en die heele lichte oogen vond moeder buitengewoon leelijk, en
+dat stelde haar eenigszins gerust voor de toekomst van wege geknoei met
+de knechts. Zij heette Meleken.
+
+En weer ging eindelijk op het hoevetje het vlijtig, alledaagsche leven
+zijn gewonen gang.
+
+De oogst was begonnen, het vlas was reeds weg en nu was men overal aan
+'t pikken van de rogge. Van alle kanten klonk het sissen van de
+scherp-geslepen sikkels in het ruischend-neerzijgende koren; en weldra
+stond de gansche uitgestrekte vlakte bezet met ontelbare, als levende
+gestalten in elkaar gestrengelde en overeind geplaatste schoven. Het
+waren, in het zonnegoud, als zooveel goud-gekapte en goud-gerokte
+vrouwtjes op het kaal-geschoren stoppelland; als stille processies van
+duizenden en duizenden, allen in de verte geschaard om 't rustig dorpje
+met zijn puntig, grijswit torentje; allen statig gaande, in
+geheimzinnige vroomheid, tusschen de paars-bloeiende klavervelden en de
+heldergroene weiden, als een reusachtige dank-bedevaart van landelijke
+heerlijkheid en weelde. Tot één groote rythmus-hymne van vruchtbaren
+arbeid versmolten alle gebaren en geluiden; er was geen tijd voor
+grapjes-maken noch voor klein gescharrel meer; en ook op Rozeke's hoeve
+was 't nu ingespannen werken, van den vroegen ochtend tot den laten
+avond. Allen voelden de verantwoordelijkheid en den plicht van den
+ernstigen land-arbeider in oogsttijd; en Smul, zoowel als Vaprijsken en
+de andere, gehuurde pikkers en bindsters, stonden heel den dag in
+zonnegloed op 't heete veld, midden in de zware garven die op den
+blonden stoppelakker vielen als weggemaaide soldaten op een slagveld.
+Smul wakkerde hen allen door zijn kranig voorbeeld aan.
+
+"Toe, jongens, nog 'n uurken, nog'n halfuurken, nog 'n koartierken binst
+da we 't scheun weer hèn, 'k zal ulder trekteeren mee nog 'n flassche,"
+porde hij hen aan, nadat de zon, die heel den langen dag op de gebogen
+ruggen had gebrand, reeds lang in haar apotheose-luchtkasteelen van
+roode en gouden wolken onder den in vage schemering wegsmeltenden
+horizon verdwenen was. En tot den allerlaatsten man bleef hij gebukt en
+zweetend sikkelen, soms heel alleen in 't laatste avondrood op 't
+uiterst hoekje van een veld, waar hij dan halmen en aren van vuur en
+bloed scheen neer te maaien. En lang reeds zaten de anderen etend om de
+avondtafel, als hij, eerst nog naar zijn paardenstal gegaan, ook
+eindelijk binnenkwam en uitgehongerd en doodmoe begon te slurpen.
+
+En Rozeke kon niet anders dan hem dankbaar zijn en hem bewonderen voor
+zooveel toewijding en moed, al bleef zij ook haar vroegeren schrik
+steeds voelen. Dat was iets onoverwinbaars, dat was in haar gekomen,
+door zijn woestheid, dien eersten keer, tijdens zijn wilde aanranding,
+in het door de weghollende paarden platgetrapt en neergeslingerd koren;
+en telkens kwam het weer, telkens zag en voelde zij de wreede,
+gruwelijke scène in al haar akeligheid en vreesde zij dat het wellicht
+opnieuw gebeuren kon. Haar groote angst was van met hem, al was 't ook
+maar een enkel oogenblik, alleen te zijn. Dat was nog nooit voorgekomen
+sinds al den tijd dat hij bij hen woonde, behalve op dien avond toen het
+Geluw Meuleken was weggeloopen; maar nu, de laatste weken, leek het wel
+of het noodlot er zich mee bemoeide. Het was herhaaldelijk gebeurd dat
+hij haar 't een of ander vragen kwam terwijl ze toevallig heel alleen in
+de keuken was; en eens zelfs, haar in de keuken niet ziende, had hij
+haar gezocht tot in haar kamer, waar zij iets aan 't schikken was. Toch
+deed hij nooit iets vreemds, iets ongewoons, iets dat haar
+onberedeneerden angst rechtvaardigen kon. Meestal keek hij haar zelfs
+niet aan terwijl hij tot haar sprak, tenzij heel vluchtig soms, alsof
+hij niet goed durfde, met een korten straal van zijn strak-harde,
+barsche oogen. Hij zei doorgaans kortaf wat hij te zeggen of te vragen
+had, en luisterde met zijlingschen blik naar haar antwoord; en zoodra
+alles zakelijk gezegd was ging hij weg, stug weer naar zijn werk.
+
+En toch... toch was ze zoo bang!--Telkens had ze 't akelig voorgevoel
+dat hij haar eens, heel onverwacht en plotseling, lang en frank en
+barsch vlak in 't gezicht zou durven aankijken en dat hij haar dan iets
+vragen zou, dat hij haar tot iets dwingen zou, waartegen ze zich slechts
+met de uiterste krachtsinspanning zou kunnen verdedigen. Het zou
+wellicht een bruuske overrompeling van ruw geweld zijn, een woeste
+aanranding, gelijk dien onvergetelijken avond in het koren; het zou iets
+zijn... ze wist niet wat, iets schrikkelijks, iets dat als een orkaan
+plotseling over haar zou aangestormd komen en haar zou verpletteren.
+
+Vreemd was het dat ze dat juist zoo sterk voorgevoelde en vreesde, nu
+hij uiterlijk veel zachter, veel gedweeër leek dan vroeger. Hij zag er
+slecht en mager uit de laatste weken, wellicht door 't overmatig werken
+uitgeput; en soms, wanneer zij hem op mooie zomerzondag-middagen afgemat
+en eenzaam onder een boom of ergens op het erf zag zitten, in plaats van
+zich als Vaprijsken in de herbergen van 't dorp te gaan verlustigen,
+voelde zij een vaag medelijden in zich opkomen en had zij wel graag iets
+willen verzinnen om hem voor zijn hard zwoegen vergoeding te geven. Maar
+wat? Zij wist het niet, zij durfde er haast niet over denken. Zij durfde
+hem vooral niet vragen: "Scheelt er iets, Ivo? Voelt ge u niet wel?
+Waarom gaat ge u niet eens amuzeeren in het dorp, gelijk Vaprijsken?"
+Zij schrikte van 't idee alleen dat zij hem zoo iets vragen zou. Het
+kwam haar voor of plotseling dan 't allerergste zou gebeuren, dat waar
+ze juist zoo bang voor was. En ze zei noch vroeg iets, maar sloeg hem
+angstig gade, in voortdurende bange spanning, dat het lang gevreesde
+eindelijk los zou barsten.
+
+Zoo zat hij eens, op een zondag-middag, als naar gewoonte alleen zijn
+pijpje rookend, onder de schaduw van een boom in 't gras. Meleken had
+verlof gevraagd en was naar haar verre dorpje in de bosschen en
+Vaprijsken zat ergens in een herberg. Haast iederen zondag nu trachtte
+Rozeke iemand van het ouderlijk huis bij zich te krijgen; en weer
+verwachtte zij moeder met La, of vader met Miel of met Dolf, die
+doorgaans 's zondags in het dorp naar de vesper gingen en daarna even
+door kwamen gewandeld, tot aan 't boerderijtje. Maar reeds lang had zij
+ditmaal op 't verre kerktorentje het eind der vesper hooren luiden en 't
+werd vier uur, half vijf, vijf uur en eindelijk begreep zij dat dien
+zondag niemand komen zou. Meteen bedacht ze zich dat het juist kermis
+was in een naburig dorp en dat La en Dolf, die beiden een verkeering
+hadden, daar wellicht met hun lief naartoe waren gegaan, terwijl vader
+en moeder en Miel thuis bleven wachten.
+
+Zij keek door 't kleingeruite raampje. Smul zat nog steeds in de zelfde
+houding, den rug geleund tegen den boomstam die hem half voor haar
+gezicht verborg, de beenen uitgestrekt in 't gras. Een licht,
+doorschijnend-blauw wolkje dreef nu en dan van achter den ruigen,
+donkeren stam zijlings weg; hij rookte. Verder zag zij 't openstaande
+hek van 't erf en den eenzamen landweg met boomen, waar nu geen mensch
+ging. Nog verder, achter zijn klein bloemen-en-groentetuintje, stond het
+helder werkmanshuisje met zijn groene luikjes en zijn glinsterende
+ruitjes, deurtje dicht en stilte er omheen, als verlaten.
+
+Rozeke zuchtte en keek weer op haar handwerk: zij breide aan een
+bruin-wollen borstrokje voor Hilairken, tegen den volgenden winter. De
+kleine zat naast haar, plat op den grond bij haar werktafeltje, de
+beenen open, morsend met aarde, in en uit een blikken kroesje. Hij had
+last van zijn tanden en kwijlde en de kwijlstraaltjes rekten van uit
+zijn natten open mond tot op zijn borstje en van daar tot in zijn
+morsgeknoei met aarde, waar het een slijkplasje werd. Hij had er groote,
+stille pret in, als in een onuitputtelijke bron van joligheid, die hij
+voortdurend in zichzelf droeg; en zijn handjes en gezicht waren nat en
+zwart als van een wroetend modderbeestje. Het kleintje in zijn wieg lag
+leutig op den rug te glimlachen, met blaasjesmond en wijd-open, helder
+schitterende oogen; en af en toe sloeg het juichend en spartelend
+armpjes en beentjes heen en weer, als een vogeltje dat weldra uit zijn
+nestje zal gaan vliegen.
+
+Dieper zuchtte Rozeke en zij keek haar beide kinderen met ontroerde
+teederheid aan. Zij dacht aan Alfons en een zee van leed woelde weer uit
+de diepten van haar binnenste de tranen tot haar oogen op. Ach, dat hij
+'t toch niet beleven mocht: zijn vrouw, zijn kinderen, hun welvaart op
+het hoevetje, hun aller kalm geluk in 't schoone, vreedzaam jaargetijde,
+de welverdiende rust na 't harde werken van den ganschen zomer! Een
+droeve plooi kwam om haar mond; zij schreide in stilte. Uren lang soms
+zat ze zoo te schreien in rouwvol herdenken en herleven van 't zoo
+kort-gelukkige verleden. Iederen rustdag, ieder uur van ontspanning of
+van eenzaamheid kwam dat telkens weer zoo bitter en wanhopig kwellend in
+haar op.--Maar eensklaps schrikte zij bijna en meteen droogde de emotie
+hare tranen en spande hare zenuwen tot onbewuste zelfverdediging.--Daar
+zag ze Smul langzaam van onder den appelboom opstaan. Wat zou hij nu
+doen? Zij was alleen en hij wist het; en hij kon ook wel onderstellen
+dat niemand van haar thuis nu nog zou komen....
+
+Zij zag hem naar den paardenstal gaan en in het donker vierkant van de
+openstaande deur verdwijnen. Zij verademde even. Het oogenblik daarna
+hoorde zij de merrie en het veulen, dat reeds groot werd, als van
+blijdschap hinneken. Hij streelde hen zeker, of gaf hun een
+lekkernijtje. Hij kwam weldra weer buiten en sloot achter zich de
+onderdeur. Dadelijk kwamen de merrie en het veulen hun hoofd uitsteken
+en keken hem na. Hij had ze blijkbaar even losgebonden. Het kleintje
+wipte met een dollen huppelsprong op zij en rekte toen zijn slanken hals
+uit naar de zware merrie en beet haar stoeiend in den nek. De merrie
+schudde 't, in een gewuif harer donkere manen, als verveeld van zich af.
+Maar meteen keerde hij zich half om en onmiddellijk reikte 't veulentje
+zijn langen hals scheef naar onder, en zoog.--Smul liep langzaam
+slenterend over den boomgaard, tot aan 't hek.
+
+Daar stond hij een wijl, rookend, de handen in zijn broekzakken, turend
+naar rechts en naar links, over den verlaten landweg. En Rozeke dacht:
+"hij staat te kijken of ze van thuis niet komen." Een buurman, die uit
+'t dorp terugkeerde, liep langzaam voorbij en Smul wisselde met hem een
+groet en een kort praatje. Rozeke hoorde van in de keuken hun luide
+stem, terwijl de man, even opgehouden, verder voortschreed:
+
+"Scheun weer, hè?"
+
+"'t Es pertijkelier!"
+
+Die eenvoudige woorden, zooals zij ze dagelijks hoorde, klonken haar
+vreedzaam en gerustellend in 't oor. Er lag ook zulk een goede rust en
+vrede over alles. De zon, reeds temperend het heetste van haar stralen,
+daalde langzaam, in zacht-roodenden en gouden gloed naar 't westen, er
+hing een gouden pulver over 't land en weldra zou de heerlijk-kalme
+avondfrischheid komen. En zij dacht er over om zelve nu een uurtje
+buiten met de kinderen van het liefelijke weer te gaan genieten, toen
+zij hem eensklaps om zag keeren en met vastberaden stap naar 't huis
+toetreden.
+
+Haar hart joeg sneller en zij keek, als om een steun te hebben naar haar
+twee kinderen. Doch zij vond zichzelf onnoozel; hij kwam toch immers
+elken dag, elk oogenblik in huis; waarom hoefde ze nu bang te wezen! Zij
+zou hem eenvoudig een glas bier aanbieden en dan zou hij wel spoedig
+weer weggaan.
+
+Gewoon kwam hij door de openstaande deur binnen gestapt.
+
+"'t Es woarm, hè, Ivo; wilt ge 'n gloas bier drijnken?" vroeg ze,
+ondanks al haar inspanning om kalm te blijven toch een lichte kleur van
+emotie krijgend.
+
+"Merci, 'k 'n hè gien goeste, 'k voele mij op mijn gemak niet,"
+antwoordde hij kortaf.
+
+Onthutst keek zij hem aan. Hij zag er werkelijk niet goed uit, bleek en
+betrokken, met rimpels in 't gezicht; en zijn oogen stonden flauw en
+dof, ondanks hun gewone, barsche uitdrukking.
+
+"Zeu, wa scheelt er dan?" vroeg zij belangstellend.
+
+Hij schudde 't hoofd en eensklaps ging hij, ongevraagd, op een stoel,
+vlak vóór haar werktafeltje, zitten. Hij leunde met den elleboog op het
+tafeltje en keek haar strak en vorschend aan.
+
+"Bezinne," zei hij eensklaps, zonder voorbereidende inleiding, "azeu 'n
+kan 't nie blijven duren, 't Moet 't ien of 't ander worden?"
+
+Een schok voer door haar lijf, zij voelde plotseling het erge, het
+zoolang gevreesde komen.
+
+"Woa... woarom datte?" beefde en stotterde zij.
+
+"Da 'k zegge dat 't hier azeu nie 'n kan blijven duren," herhaalde hij
+met een soort koppigheid, in de kortbondigheid van een die niet gewend
+is veel te praten en slechts over enkele woorden beschikt om zijn
+gevoelens en gedachten uit te drukken. "'K ben hier boas en knecht
+terzelvertijd, bezinne; en 't moet 't ien of 't ander worden: boas of
+knecht."
+
+Zij zat als versteend, als versteven. Zij wist niet wat te antwoorden.
+
+"Ha moar ge zij gij boas!" riep zij eensklaps, instinctmatig, onbewust
+van wat ze zei.
+
+"'K ben knècht," zei hij met nadruk; "'k ben knecht en 'k 'n wil hier
+giene knecht mier blijven. 't Moet 't ien of 't ander worden: mee mij
+hirtreiwen, of ik hier wig."
+
+Daar was het groote woord gezegd, dat wat ze bovenal vreesde. Het stond
+ineens vóór haar, vast als een wreede werkelijkheid en zij gruwde er
+van. Zij schudde hartstochtelijk het hoofd, met over hare wangen een
+kleur als vuur, met in haar oogen de onverzettelijke stugheid van een
+sterk besluit:
+
+"Nie nie, Ivo; nie nie, dat 'n es nie meugelijk, dat 'n kan niet ...
+Alfons ... mijn kinderen ... o nie nie, noeit, noeit!"
+
+Als door een veer bewogen stond hij op.
+
+"Al gezeid.--Zoekt ou nen andere knecht, 'K goa in mijn viertien
+doagen."
+
+En vóór ze den tijd had nog een woord te spreken was hij de deur uit.
+
+Daar zat ze, stom en roerloos, als van steen. Zij keek hem door het
+raampje na en zag hem over den boomgaard wegstappen, vlug en
+vastberaden, het hek uit, den landweg op, in de richting van het dorp.
+
+"Ach Hiere! ach Hiere!" slaakte zij dof en anstig, bevend van
+ontroering.
+
+Gezellig morsend en kwijlend zat Hilairken vóór haar voeten steeds te
+knoeien: spartelend, met glinsterende oogjes en met blaasjesmondje, lag
+Marietje in haar wieg te jubelen....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXVI.
+
+
+Smul had zijn dienst opgezeid!--Dat was het groote, dadelijk alom in de
+buurt verspreide nieuws van den volgenden ochtend. De pikkers en
+bindsters op den akker spraken elkander met verbazing aan; Meleken, die
+om acht uur met de boterhammen en de koffie op den akker kwam, werd
+dringend ondervraagd en bevestigde het ongelooflijke nieuws zonder er
+eigenlijk de oorzaak van te kennen; en Vaprijsken juichte onverholen,
+met glinsterende oogen lachend in zijn gelen baard, als voor een heel
+goede, blijde tijding.
+
+Met Smul zelf werd er geen woord over gesproken. Zij durfden niet,
+ondanks de groote, trillende nieuwsgierigheid die op de tongen kittelde.
+De kerel zag er ook zoo onheilspellend nurksch en somber uit. Hij zag er
+naar uit om bij de minste toespeling geduchte klappen uit te deelen. Hij
+was de afgemaaide droge roggeschoven aan het inhalen en telkens als hij
+met paard en wagen om den hoek van 't stoppelland verscheen, hielden de
+drukke gesprekken plotseling op en werd de vracht in doodsche stilte
+opgeladen. Maar nauwelijks was hij weg, vloekend en ruw zweepend op zijn
+beest, of dadelijk begon het weer: zij staken de hoofden samen,
+babbelden en lachten en maakten eindelooze onderstellingen over de
+oorzaak van de ruzie en over wat nu verder zou gebeuren.
+
+"Hij hè hem 'n bleiwe scheene geleupen!" beweerde de een.
+
+"Z' hè hem zelve wiggezonden!" meende een tweede.
+
+"Of hij moe wig van den baron en van de baronesse!" veronderstelde een
+derde.
+
+Maar Vaprijsken was vooral de meening toegedaan dat Smul wel degelijk
+een blauwtje had geloopen; en elk oogenblik haalde hij in zijn
+uitgelaten, wraaklustige pret, steeds 't zelfde grapje uit: hij liet
+zijn sikkel in het koren vallen en sprong eensklaps hinkend en jankend
+in 't ronde, de beide handen wrijvend aan zijn scheenbeenen, jammerend
+dat hij ergens tegen aan geloopen had en dat ze heelemaal paars en blauw
+zagen. En 't gansche troepje viel daarop luid aan 't schaterlachen, het
+werk stond stil en allen deden om het dolst, tot het daverend geratel
+van Smul's leegen wagen zich in de verte weer liet hooren en allen, nog
+steeds vol ontzag en vrees voor hem, haastig weer over de schoven en in
+'t neerritselend koren bogen.
+
+Doch Rozeke zelve zat in groote verlegenheid. 't Was volop in den oogst
+en na den oogst kwam haast onmiddellijk de zaaitijd, en door wien zou ze
+hem nu vervangen? Zij had terstond haar moeder ontboden en haar het
+gebeurde meegedeeld; maar hoe moeder ook over die zoolang door haar
+gewenschte oplossing juichte en beweerde dat Rozeke heel gemakkelijk een
+anderen, goedgeschikten paardenknecht zou vinden, zij vond er juist
+geen. 't Was ook haast niet te denken, zoo volop in den drukken tijd.
+Allen waren bezet: geen enkele knecht of daglooner, goed of slecht, was
+op dat oogenblik meer vrij. Het eenige wat moeder doen kon was Rozeke
+beloven dat Miel of Dolf voor 'n poosje zou komen, maar natuurlijk niet
+voor lang, want zij waren nu thuis ook broodnoodig.
+
+En intusschen verstreken de druk-bezette dagen, het oogenblik dat Smul
+zou weggaan naderde en hij kon maar niet vervangen worden. Rozeke was
+radeloos. Gansche nachten lag ze te peinzen en te zuchten, te zoeken
+naar een middel, om Smul, al was 't maar voor een heele korte poos, tot
+na den oogst-en-zaaitijd, op de boerderij te houden. Doch hij was niet
+te spreken noch te benaderen; als een stugge, nurksche bruut liep hij
+wenkbrauwfronzend heen en weer; werkend, etend, slapend, zonder nog naar
+iemand om te kijken, noch met iemand ook een enkel overbodig woord te
+wisselen.
+
+Een nieuwe zondag kwam en dadelijk na 't ontbijt, toen hij klaar was met
+zijn werk in den stal, trok hij zijn beste kleeren aan en vertrok naar
+'t dorp. Tegen twaalf uur kwam hij niet terug om te eten. Zij wachtten
+even, maar toen hij daar om half-één nog niet was, at Rozeke zonder hem,
+met Meleken en met Vaprijsken.--Hij zal niet meer komen, dacht zij, hij
+zal zich nu elders verhuurd hebben; en 't kropte in haar keel, zij kon
+geen stukje doorslikken. Om twee uur kwam haar moeder. Deze moest wel
+bekennen dat ze nog maar steeds geen anderen knecht voor Rozeke gevonden
+had; maar dat kwam er niet op aan, beweerde zij: maandag over een week,
+denzelfden dag dat Smul vertrok, zou Dolf naar 't boerderijtje komen en
+er blijven tot zij iemand had. Slechts twee- of driemaal in de week zou
+hij voor een halven dag naar huis moeten terugkeeren, om er 't
+allerdringendste te helpen doen.
+
+Rozeke voelde zich geenszins door deze belofte doelmatig geholpen noch
+getroost. Zij begreep best dat zoo'n halve maatregel tot niets zou
+dienen. Wat zij op de hoeve noodig had was een flinke, werkzame man, die
+er dag aan dag van den ochtend tot den avond was, de eerste op en de
+laatste naar bed, zooals Alfons gedaan had zoolang als hij maar kon en
+zooals Smul na hem ook had gedaan.
+
+Toen moeder weer weg was dacht zij er lang over na en kwam tot de
+concluzie dat er voorloopig niets anders op te vinden was, dan zichzelve
+zoo spoedig en zoo goed mogelijk op de hoogte van alles wat de boerderij
+betrof te stellen. Waarom ook wist ze daar nog steeds zoo weinig van af?
+Waarom ging ze zoo goed als nooit naar den akker? Waarom kwam ze zoo
+zelden in de schuur en in de stallen? Andere boerinnen die, evenals zij,
+het ongeluk hadden gehad op jeugdigen leeftijd weduwe te worden, spanden
+zich in om desnoods alles zelf te beredderen. Zou zij dat dan ook niet
+kunnen? Zij schaamde zich over een tekortkoming aan plicht, die
+nauwelijks in de pas geleden smart van haar groot verlies eenige
+verontschuldiging kon vinden en nam het wilskrachtig besluit daar
+onverwijld volkomen verandering in te brengen. Het was juist stil en
+rustig met den zondag, het oogenblik was gunstig om al vast alles eens
+in oogenschouw te nemen. Vaprijsken was na 't middagdutje weer naar 't
+dorp gegaan en zou waarschijnlijk als naar gewoonte, eerst vrij laat in
+den avond terugkeeren; ook Smul zou zeker haar niet komen hinderen; wie
+wist ook of hij in 't geheel nog ooit terug kwam? en Meleken was thuis
+om op de kinderen te letten.
+
+Zij zei aan 't dienstmeisje dat zij eens even rond ging loopen en trok
+meteen de velden in.
+
+Daar lagen ze, de schoone landouwen van vruchtbaarheid, in groote,
+vierkante of langwerpige partijen verdeeld: de naakte, hier en daar
+reeds omgeploegde stoppelvelden van de afgemaaide rogge, met de lange,
+lange rijen overeind-gekruiste schoven als omstrengelde gestalten in
+roerlooze aanbidding en liefde; de rijpende havervelden met hun
+miljoenen en miljoenen neerhangende klokjes, als zooveel stil-harmonisch
+klingelende, gouden belletjes; de goudgele tarwevelden, strak en statig
+opgerezen in stevige halmen, met de gesloten weelde van al hun
+rechtopstaande, nog gesloten aren. En daartusschen strekten zich in
+zacht geflonker, als groote tapijten van deftigen rijkdom, de malsche
+velden van roze-of-paarsbloeiende klaver en de fleurige aardappelakkers
+uit, forsch opgewassen in hun donker groen met overal de witte en
+lichtlila trosjes van hun bloementooisel, als ontelbare levende en
+rustende vlinders, stil-genietend van hun vrede in den zacht-dalenden
+avondglans. Het was alles zoo rijk en zoo heerlijk; de verre boomen die
+den horizon omlijstten stonden daar zoo kalm en zoo sterk en zoo
+prachtig; de hemel was zoo blauw, de zomervogels zongen zoo
+verrukkelijk, zoo zeker van hun veiligheid in 't milde van de lange
+schoone dagen; en zij genoot van alles met een zachten wellust,
+vaag-bedwelmd door de aromas die alom uit de eerste, teere avondnevelen
+opstegen, en met een zweem van dankbare wroeging dacht ze hoe ze toch al
+die weelde aan hem die nu vertrekken ging te danken had. Maar zij dacht
+ook met weemoedvolle teederheid aan Alfons, die niets van al dat mooie
+had mogen zien; en zij bedwong, bijna met een gevoel van zelfverwijt,
+haar vluchtige weeke stemming. Zij keerde naar de boerderij terug, om
+ook daar, als een moedige en verantwoordelijke meesteres, alles eens van
+dichtbij na te gaan.
+
+Zij drong, onopgemerkt, langs achter in de stallen. Zij vond het beter
+dat Meleken er haar niet zag binnen gaan. De koeien, die heel den
+ochtend in de wei gegraasd hadden, stonden of lagen nu rustig op een
+versch strooleger in hun hokken te herkauwen; het jong goed: de runders
+en de kalveren liep in afzonderlijke hokken los en kwam nieuwsgierig
+naar Rozeke kijken; en in het varkenshok lag de dikke zeug wellustig met
+gesloten oogen in een hoek te kreunen en te knorren, omringd door al
+haar wroetelende jongen, als door een krioelend troepje van spiernaakte,
+roze menschenkinderen, die af en toe met schrille gilletjes elkaar
+verdrongen om te zuigen. Alles was goed in orde in den koestal; het rook
+er frisch naar versche melk en muskus; Vaprijsken, die anders al niet
+veel verstand van boeren had, mocht wel trotsch zijn op zijn werk: hij
+was een uitmuntende stalknecht.
+
+Door een binnendeur kwam zij van den zoet naar melk en muskus geurenden
+koestal in den paardenstal, waar het, zonder overgang, scherp rook naar
+ammoniak. De zware bruine merrie lag er kalm uitgestrekt, als een
+moegesjouwd mensch die van zijn zondagsrust geniet; en Rozeke bewonderde
+haar schoone groote oogen, groen-glanzend in de halve duisternis,
+terwijl het beest vreedzaam 't hoofd tot haar omkeerde. 't Was zulk een
+trouw, goed paard, dat reeds zooveel voor haar gewerkt had, en Rozeke
+boog zich even en klopte verteederd-streelend op de forsche,
+dofglimmende schoft. De merrie maakte een beweging of zij op wou staan.
+
+"Nien nien, blijf gij moar liggen, blijf gij moar rusten, mijn bieste,"
+sprak Rozeke de merrie aan, als sprak zij tot een mensch, die haar
+begrijpen kon; en zij haastte zich weg bij het veulentje, dat als een
+ongeduldig, speelziek kind, trippelend achter de ijzeren staven van zijn
+krib op haar te wachten stond. Het speet haar dat zij niet een klontje
+suiker meegenomen had om het te trakteeren; maar zij vond gelukkig in
+een hoek een worteltje en gaf het hem. Het jolig beestje knabbelde er op
+en speelde er mee met schuimend op en neer flappenden mond, maar liet
+het eindelijk glippen en maakte daarbij, kopje neer en staartje omhoog,
+hinnekend een dollen krommen sprong, als een grappige kwajongen die gaat
+tuimelparten spelen. De oude merrie hinnikte eventjes, als een bezorgde
+goede moeder, en lachend verliet Rozeke den paardenstal en kwam door een
+tweede deur in de schuur.
+
+Daar was het stil en schemerig in 't hooge ruim onder de ribbehouten en
+de pannen die fijne streepjes licht doorlieten, stil als onder de hooge,
+stille bogen en gewelven van een kerk. Het rook er zoeterig naar
+verschgedorscht graan, naar hooi en stroo en droge klaver; en groote
+hoopen bundels en schoven lagen te allen kant op elkaar gestapeld, als
+een dicht ineengepakte rijkdom van alles wat den ganschen zomer zoo
+welig in blonde en gouden heerlijkheid op 't vruchtbaar veld gegroeid en
+gebloeid had. Al de geuren van de lieve landelijke kruidjes en de wilde
+bloempjes hadden er iets van hun aroma nagelaten; en Rozeke voelde er,
+in onbewust genieten, de zoet-streelende bedwelming van, toen zij
+plotseling, door een vreemden terugsprong der gedachte, zich weer in
+verbeelding midden in 't vertrapte koren zag, naast den wagen met de
+weggeholde paarden, heesch-gillend en worstelend tegen Smul, die haar
+wilde overweldigen. Zij zag en zij voelde 't als 't ware nog gebeuren;
+zij stond, als op een werkelijkheid, op de akelige herinnering harer
+verbeelding te staren, zij werd er haast benauwd en bang onder en
+schreed zuchtend met gebogen hoofd weer naar de tusschendeur om weg te
+gaan, toen eensklaps op den drempel van die deur een donkere gestalte
+vóór haar oprees.
+
+"Och Hier, och God!" schrikte zij wild terug.
+
+'t Was Smul!--Hij stond daar, roerloos, stomverbaasd haar op die plaats
+te vinden, aarzelend om verder naar haar toe te komen of te spreken,
+alsof hij in het schemerig halfduister nog twijfelde wie hij wel vóór
+zich had. Eerst na een poos herkende hij haar duidelijk, trad op haar
+af, vroeg haar, kortaf, met schorre stem:
+
+"Wat komt-e gij hier doen?"
+
+"Ik ... ik ... ik kwam e-kier kijken," stotterde zij. Het nevelde vóór
+haar oogen, het suisde in haar ooren, zij wist niet wat ze zei of deed;
+ze schreed werktuigelijk als in een droom, naar hem toe zonder hem te
+zien, zonder hem te hooren, zoekend, als een gevangene, als een blinde
+naar de deur, om weg te komen.--Zij strekte hare handen uit, struikelde
+en viel tegen hem aan; en plotseling voelde zij zich als 't ware
+platgedrukt tusschen twee machtigknellende armen, terwijl een mond, met
+een ruige snor, die walgelijk naar tabak en drank rook, zich bijna
+bijtend op haar lippen perste.
+
+"Ivo! los!--Voader! moeder!" kreet zij heesch, zoo hard zij kon.
+
+Maar zij kon niets, zij reutelde en stikte, haar hoofd kromp achterover,
+in haar nek, tot op haar rug, als zou het afbreken of barsten; en
+plotseling stortte zij met hem in de schuifelende korenschoven neer.--'t
+Was als een moord; zij zag noch hoorde meer; zij slaakte geen enkelen
+kreet, geen enkele zucht: zij lag als dood, in onmacht op de garven....
+
+
+
+
+XXXVII.
+
+
+Toen ze weer tot haar zelve kwam had ze den indruk of er eensklaps iets
+met ruw geweld diep uit haar binnenste was weggerukt.--Hij was
+verdwenen, zij stond alleen in de schemerige schuur en 't leek alles zoo
+vreemd: zij schreide noch klaagde noch voelde zich boos; zij had alleen
+maar dat zonderling, onbegrijpelijk gevoel of heel haar leven plotseling
+was omgekeerd, of alles wat ze tot nog toe goed had gekend en liefgehad,
+opeens heel verre van haar was verwijderd, terwijl alles wat zij als het
+vreemde en ongekende vreesde, als door een donderslag in haar was
+neergesmakt. Haar ouders, haar kinderen, de teere nagedachtenis en haar
+belofte aan Alfons, haar broeders en haar zuster, de jonge barones en de
+baron, alles, àlles wat zij kende en liefhad, tot zelfs haar buren en
+bedienden, tot zelfs de menschen uit haar vroeger leven die zij nu en
+dan slechts eens terugzag; en ook de onbezielde dingen van haar
+dagelijks bestaan: haar beesten, haar landerijen, de boomgaard, het
+huisje, alles leefde nog een laatste oogenblik met pijlsnelle
+intensiteit voor haar geschokten geest op en zonk toen weg in 't niet,
+om plaats te maken voor de stormkomst van den woesteling-alleenheerscher,
+die eensklaps als het ware uit den grond gerezen was en zonder een
+woord, enkel door zijn bruut-geweld van aanrander, allen en alles om
+haar heen weg- en stukgeslagen en haar zelve als een nietig, weerloos
+slachtoffer in zijn bezit genomen had.
+
+Als in een droom stapte zij uit de schuur, wonder kalm, maar
+voorgevoelend dat de schok in al zijn hevigheid eerst later zijn
+vernielingskracht zou botvieren, kwam buiten in de heldere werkelijkheid
+van 't zonnelicht, ging machinaal weer in het woonhuis. Wat was het
+alles vreemd en toch zoo dood gewoon! Wat voelde ze zich
+onverschillig-kalm en nuchter! Waarom huilde en raasde ze niet? Waarom
+holde ze den misdadiger niet schreeuwend na? Waarom troepte ze de heele
+buurt niet samen om hem daar ter plaatse dood te steenigen?--Neen,
+niets.--Zij sprak gewoon met Meleken die met haar kinderen speelde; zij
+keek hoe laat het was; zij liep even in haar kamer en kwam er dadelijk
+weer uit, zonder te weten wat zij er gaan doen was.
+
+"Smul es thuis, weet ge 't, bezinne? 'K hè hem doar op 't hof zien
+leupen," hoorde zij het meisje eensklaps zeggen. En zonder de minste
+moeite wist Rozeke zich te beheerschen terwijl ze doodkalm: antwoordde:
+
+"Joa, 'k hè hem euk gezien. Hij es zeker zat?"
+
+"'K en weet 't nie, bezinne; hij 'n ziet er toch moar oardig uit. As hij
+om eten komt 'k zal 't hem toch wel moete geven?"
+
+Zij keek het meisje aan, roerloos en stom een oogenblik, als was het
+haar niet mogelijk die eenvoudige woorden te begrijpen.
+
+"Wat dijnkt ou, bezinne?" herhaalde 't meisje bedeesd.
+
+"Ach joa g'e-woar," antwoordde zij eindelijk, als uit een droom
+ontwakend; "hij zal nou woarschijnlijk wel honger hèn; hij...." Zij beet
+op haar lippen en staarde opnieuw, sprakeloos, als verwilderd, 't meisje
+aan.
+
+"Wil ik 't hem goan vroagen, bezinne?"
+
+"Joa joa, zeker, goa moar."
+
+Meleken liep naar buiten en Rozeke bleef even met haar kinderen alleen.
+Hilairken waggelde op zijn kromme beenen over den vloer; Marietje in
+haar stoeltje sloeg halsstarrig met een stokje op de houten armleuning.
+
+"Oeder, Eleken wig," kwam Hilairken naar haar toe; en hij poogde op haar
+schoot te klauteren.
+
+Zij schrikte hevig, als onder een plotse pijnsteek, bij de zachte
+aanraking der kleine handjes. Heftig schoof zij haar stoel achteruit en
+strekte, als 't ware verdedigend, haar beide handen vóór zich uit,
+terwijl zij riep met heesche stem:
+
+"Nie nie kind, nie nie kind, ge 'n meug niet; moeder es steit, moeder es
+vuil!"
+
+Het dienstmeisje kwam weer in huis:
+
+"Hij es bezig in de peirstal, bezinne en hij zegt dat hij gienen tijd 'n
+hèt om te komen eten. Hij vroagt of 'k hem doar 'n stik breud en 'n glas
+bier wille brijngen."
+
+"Brijng het hem," zei Rozeke.
+
+"'n Stik roggen-breud mee 'n schel heufvlakke, bezinne?"
+
+"Joa, 't es goed."
+
+Meleken ging in den kelder, kwam met een vol glas bier, met het
+roggebrood en de schotel hoofdkaas weer boven. Zij sneed een dikke homp
+van 't brood, legde een zware plak hoofdkaas er boven. Roerloos en
+zwijgend zag Rozeke er haar mee weggaan naar de stallen, als met het
+eten voor een beest.
+
+"Oeder, 'k moe euk 'n stik heufvlak hèn," kwam Hilairken zaniken.
+
+Werktuigelijk stond zij op, ging naar de schotel, sneed er een plakje af
+en gaf het aan den bengel.
+
+Marietje, in haar stoeltje, zat met juichende armen te slaan, opgewonden
+zwoeg-ademend, de groote, blauwe, hunkerende oogen op de
+hoofdkaasschotel. Zij wilde ook een stukje en Rozeke gaf het haar en
+weer ging ze roerloos-stom vóór 't venster zitten, als op een vreemde
+plaats waar niets meer van haar was en waar zij ook geen mensen meer
+kende.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XXXVIII.
+
+
+Eenige dagen verliepen. Weer ging het leven zijn gewonen gang op 't
+boerderijtje, alsof er niets gebeurd was. Maar die gewoonheid was
+slechts een bedriegelijke schijn; de groote slag had in de diepte alles
+omgewoeld en 't was of allen op de hoeve er iets van voelden zonder het
+nog te begrijpen. Het bleef vaststaan dat Smul den volgenden zaterdag
+weg zou gaan; eenieder wist het, 't was of het reeds gebeurd zou zijn,
+maar niemand sprak er nu meer over; en Smul zelf, steeds in zijn
+halsstarrig zwijgen teruggetrokken, werkte en sjouwde, maaide, ploegde,
+zaaide en egde, als een die er in 't geheel niet aan denkt om te
+vertrekken, als een die niet gemist kan worden. Hij zaaide in
+vruchtbaren akker het zaad van de komende oogsten en zij allen, die hem
+zagen werken, voelden nu instinctmatig de onwaarschijnlijkheid, ja, de
+onmogelijkheid van zijn vertrek.
+
+En Rozeke liep als versuft in huis en op haar erf rond. Het was zoo
+vreemd in haar, zij leed maar niet, zij was nog steeds niet boos, niet
+verontwaardigd, er bleef iets dofs in haar, iets dofs en zwaks, dat alle
+kracht van opstand in haar verlamde, dat alle smart en wroering doodde,
+iets dat haar onverschillig en gevoelloos maakte voor het akelige dat
+gebeurd was en voor 't akelige dat haar nog te wachten stond. Het leek
+wel of ze zich nog maar geen juiste rekenschap van de gebeurtenis kon
+geven; het was te ruw, te overweldigend geweest; er was te veel gebeurd
+in een te korten tijd; zij twijfelde, zij sufte, 't was als een
+nachtmerrie geweest; en nu wist ze ook niet meer hoe met hem te handelen
+en kon ook niet begrijpen noch voorzien wat nu verder zou geschieden.
+
+Maar de tijd ging en de werkelijkheid naderde, de onoverkomelijke
+werkelijkheid, die hen fataal opnieuw tegenover elkaar zou stellen; want
+zij moest wel met hem afrekenen, zij moest met hem nog spreken, het was
+niet mogelijk dat hij zoo opeens van haar zou weggaan, zonder dat nog
+iets gezegd werd, zonder dat nog iets,--zij wist niet wat--gebeurde.
+
+'t Was vrijdag-avond. Den volgenden dag liep zijn tijd ten einde. Rozeke
+was radeloos. Hij zei steeds niets, nam hoegenaamd geen notitie meer van
+haar, maar maakte ook geen de minste toebereidselen voor zijn vertrek.
+Hoe moest dat eindigen? Wat was hij van plan?
+
+De kinderen sliepen. Meleken en Vaprijsken waren ook reeds naar bed.
+Smul zelf was reeds lang naar zijn paardenstal terug en Rozeke zat nog
+alleen in de keuken te suffen en te peinzen. Al haar vroeger leed kwam
+kwellend weer in haar op; het welde langzaam op, als uit een diepe,
+diepe bron, het eene na het andere, o, reeds zooveel! Voor 't eerst
+sinds al die laatste dagen leefde de herinnering aan Alfons intens weer
+in haar ziel; en 't was alsof de bron van al haar droefheid zich van
+lieverlede tot een zee van smart uitbreidde, waarin zij dreef en
+worstelde, gelijk een hopelooze drenkelinge zonder reddingsboei. Alles,
+o, àlles had ze met hem verloren. Hij was haar liefde en levenslicht
+geweest en nu het voor altijd was uitgedoofd, zwierf zij in duisteren
+nacht als een verdwaalde rond. Zij was te zwak als vrouw alleen, zij
+voelde alles, alles haar ontglippen; een vrouw alleen was niets, zij
+hoefde hulp en steun, of moest ten ondergaan. En die steun had ze niet,
+zag ze niet, vond ze niet, nergens. Haar ouders konden haar maar niet
+doelmatig helpen; haar geliefde bescherm-vriendin, de jonge barones, zag
+ze den laatsten tijd niet meer; alles verliet haar, alles vergat haar;
+zij schudde 't zwakke hoofd en strekte verdwaald-zoekend haar bange
+sidderende handen uit en sloot ze weer, met leege, vruchtelooze grepen
+in elkaar.--Haar hoofd zakte in haar handen en zij snikte, snikte....
+
+Eensklaps ging de voordeur open en stond Smul vóór haar. Met een
+schorren angstkreet sprong zij op:
+
+"Wa komt-e gij hier doen? Zij-je gij nog noar ou bedde niet?"
+
+Hij zag bleek en was gejaagd. Hij schudde 't hoofd en zij zag zijn keel
+even zenuwachtig hikken. Star en stijf, als in verwildering, keken zijn
+koude, grijze oogen haar aan.
+
+"Nien ik," antwoordde hij heesch. "'K hè espres gewacht tot da g'
+alliene woart.'K moe ou spreken; 'k moe ou nog wa vroagen."
+
+"Watte? wa es 't?" riep ze kortaf, doodsbleek, de lippen bevend, de
+beide handen aan de leuning van een stoel geklemd, het gansche lichaam
+als tot zelfverdediging gespannen en gestramd.
+
+"Of ge nou mee mij wilt treiwen?" vroeg hij dof.
+
+"Nien ik! nien ik! nien ik!" kreet zij schor, in strak-gespannen
+houding.
+
+Een korte vlam van toorn schoot uit zijn barsche oogen. Hij
+grijnslachte; maar eensklaps kalm:
+
+"'t Es goed; betoal mij dan.--'K goa morgen wig."
+
+Het knakte haar plotseling neer als onder een slag. Haar weigering, haar
+stugge opstand waren niets dan een instinctieve opbruising geweest; zij
+bezat de kalme kracht van een vast beredeneerd besluit niet meer: en
+alles was nu weer zoo diep verward in haar, onder het onverwachte van
+zijn komst en van zijn woorden: zij wist niet eens meer wat ze 't meest
+verlangen of het innigst vreezen moest: zijn blijven of zijn heengaan.
+Haar gelaatstrekken verwrongen zich en zij begon te schreien; zij
+antwoordde slap en zuchtend: "'t es goed, 'k zal om ou geld goan," en
+als in een droom nam ze 't lampje van de tafel en ging er mee in de
+kamer waar haar geld was, zonder zelfs te denken dat zij hem in de
+duisternis van de keuken alleen liet.
+
+Zij dacht er eerst aan toen ze reeds binnen in de kamer was en keerde
+zich haastig en plotseling om. Zij wilde een kaars van boven de kast
+nemen en plaatste de lamp even op 't schoorsteenblad, toen hij haar
+eensklaps, als een roofdier op de teenen kwam nagehold, de lamp uitblies
+en in een woeste pranging haar omknelde.
+
+Zij slaakte een gil, maar kort; hij drukte haar de handen op den mond en
+kreet dof:
+
+"Zwijgt, of ik vermeurd ou!"
+
+Zij viel in onmacht, zijlings tegen 't bed, dat vaag-wit schemerde in
+een hoek.
+
+Hij knarsetandde, grinnekend als een sater, van woest genot en wraak....
+
+
+
+
+XXXIX.
+
+
+Een der laatste dagen van December, toen al het graan der komende
+oogsten was gezaaid en reeds in fijne groene stengeltjes uit den
+grauwen, natvruchtbaren bodem begon op te kijken; toen 't wijde,
+doodsche veld onder mistig-grijze schemerlucht in killen wintersluimer
+lag, met zwarte en bonte benden kraaien, die er in loom-tragen
+vleugelslag, als sombere boden van droefheid en rouw, schor-krassend
+overheen vlogen; toen al het vee weer in de stallen was en ook de
+kouwelijke menschen rustend na de zomerdrukte in hun dichtgesloten
+huisjes bij het haardvuur zaten, waarvan de schoorsteenen alom over het
+land den lichten grijzen rook ten grijzen hemel deden kronkelen... op
+een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk:
+het droevig tweede huwelijk van Rozeke van Dalen met Smul plaats. Wat
+was het toch alles anders geworden dan zij vroeger had gedacht? Waar was
+de blijde zomeravond waarop zij van haar huwelijksreis met Alfons uit de
+stad terugkwam? Waar waren de bloemen? waar was het meisje dat haar een
+gedichtje voorlas? waar waren de vroolijk-joelende feestvierders om het
+rood-oplaaiend vuur?--Nu waren zij alleen, geheel en gansch alleen met
+hun vier vreemde, ergens uit de buurt gevraagde getuigen. Geen enkel
+familielid; geen enkele vriend! Haar ouders, broers en zusters waren
+allen onverzoenlijk boos op haar geworden; en ook de jonge barones had
+haar beschermende hand van haar afgewend. Op een middag was zij op het
+hoevetje gekomen en had aan Rozeke gevraagd: "het is niet waar toch,
+Rozeke, wat ik heb hooren zeggen, dat ge met zoo'n vent zult gaan
+hertrouwen!" en toen Rozeke, in tranen, haar gezegd had dat het wèl
+gebeuren zou en haar verteld had hoe 't gekomen was, en waarom het nu
+niet anders kon meer; toen was de barones eerst in verontwaardiging
+uitgebarsten en had gezegd dat zoo'n schurk bij de politie diende
+aangeklaagd; maar eindelijk was haar toorn veranderd in medelijden, en
+vol teleurstelling en leed had ze zuchtend haar schouders opgehaald en
+was vertrokken. Zij zelve was nu niet gelukkig meer. In 't dorp werd er
+veel over gefluisterd en Rozeke had het ook gehoord: haar man liep
+openlijk met andere vrouwen; de oude baron en barones wilden hem op het
+kasteel niet meer ontvangen en er werd reeds van scheiding gesproken.
+Overal zag Rozeke rouw en droefheid om zich heen. Zij was zoo jong nog,
+pas zes en twintig geworden en al het lieve en frissche van haar leven
+was reeds uitgebloeid of doodgeknakt. Alfons gestorven, haar ouders
+boos, haar zachte, lieflijke bescherm-vriendin diep ongelukkig en van
+haar vervreemd; en nu dat somber tweede huwelijk van geweld en dwang,
+van woeste aanranding en van verkrachting, dat huwelijk waar zij van
+walgde, maar dat zij aanging uit nood, uit broodnood, voor haar en voor
+'t bestaan van hare kinderen!
+
+'t Was haar te moede als woonde zij haar eigen lijkdienst en begrafenis
+bij. O, die wettelijke verbintenis op het stadhuis, in die stoffige
+kamer der secretarie, waar dezelfde mannen die haar liefde-huwelijk met
+Alfons bezegeld hadden, nu met onaangename, zure gezichten van verveling
+en minachting ook haar tweede huwelijk met Smul voltrokken! Dat
+toonloos, onverschillig gezanik van woorden waar niemand naar luisterde,
+dat krassen van de pennen op 't papier, dat nauwelijks gebromd
+"proficiat" van de getuigen; en dan die koude, akelige borrels jenever
+in de koude ongezellige herbergkamer van 't gemeentehuis, o, wat was het
+alles hard, en kil, en akelig, en wat voelde zij nijpend al die
+hardheid, al die nauwelijks bedwongen minachting en vijandigheid om zich
+heen! En dan in de kerk, de leege, ijzige, sombere kerk, den
+misprijzenden blik van den pastoor, het valsch gezang van den koster op
+'t oxaal, en de strenge, korte bevelen van den kerkbaljuw die hen rechts
+of links duwde, die hen deed opstaan of deed zitten, die hen beval hoe
+ze zich houden moesten! Het kropte in haar keel, zij had het hardop
+kunnen uitsnikken en huilen; en meteen knaagde de wroeging aan haar
+hart, de wroeging over haar geschondene, plechtige belofte op Alfons'
+sterfbed!
+
+En toen weer, na de kerkelijke plechtigheid, het slenteren in de
+herbergen, het drinken van borrels in den wrangen rook der pijpen, 't
+geraas der mannen onder elkaar en zij als vrouw alleen daarbij, gansch
+alleen, als verloren, zonder iemand die zich met haar bemoeide of naar
+haar omzag! Zij liep maar mee, als een die er niet bij behoorde en toen
+zij eindelijk naar de boerderij terugkeerden om te gaan eten, trok Smul
+voorop met de vier getuigen en kwam zij enkele passen achter, het hoofd
+gebukt en de oogen vol tranen, als hun slachtoffer.
+
+Zij aten en dronken, Meleken, Vaprijsken en de kinderen mee aan tafel;
+en toen de maaltijd geëindigd was, trok zij weer haar gewone
+dagelijksche kleeren aan en waschte met het dienstmeisje de vaten om,
+terwijl Smul en de getuigen met koffie en borrels aan de kaarttafel
+zaten.
+
+Toen ze naar hartelust gespeeld hadden gingen zij in de vroege
+schemering naar buiten en Smul liet hun de boerderij: de schuur, de
+stallen, de zwijnen, de koeien en de paarden zien. Hij haalde zelfs de
+merrie en het veulentje uit en liet ze aan den teugel door den boomgaard
+heen en weer draven, heel trotsch op de mooie beesten die voortaan de
+zijne waren.
+
+Rozeke, door hun uitroepingen van bewondering gelokt, kwam even op den
+drempel kijken. Zij zag de schoone sterke merrie als 't ware
+hunkerend-hinnikend door Smul in toom gehouden, met gespitste ooren en
+wild-blikkerende oogen, naar de dolle sprongen kijken van het veulentje,
+dat door Vaprijsken bij den breidel heen en weer tusschen de boomen werd
+geloodst. Telkens draaide het hoofd der moeder met de wentelingen van
+het jong mee en Rozeke dacht opnieuw met tranen in de oogen aan Alfons,
+die voor het jong en vroolijk-huppelend beestje zijn doodelijke ziekte
+had opgedaan.--O, grijze, kille, droeve tweede-huwelijksdag! Een heel
+klein, donker vogeltje, nauwelijks zichtbaar in het
+naakt-twijgen-gewirwar van een appelboom, zong kort en fijn een
+doodweemoedig deuntje. 't Was als de stil-trillende klacht van een
+zwak-lijdend zieltje in de wijde, winter-eenzame verlatenheid. Zij
+huiverde en met een diepen zucht ging zij weer Meleken helpen
+omwasschen...
+
+De mannen liepen slenterend verder. Zij wandelden om de akkers heen en
+kwamen ergens voor een landelijk herbergje, waar zij binnen traden en
+weer aan 't drinken en kaartspelen gingen.--'t Werd avond, vroege,
+droeve winteravond; 't werd nacht, kille, nevelige winternacht.--Nog
+steeds was hij met de mannen uit.--Opnieuw kwam Rozeke huiverend op den
+drempel staan en keek en luisterde. Alles was stil en eenzaam in den
+omtrek. De mist sijpelde met zacht geruisch in trage dikke tranen, uit
+de boomentwijgen in het natte gras; en verder hoorde zij niets dan den
+langzamen, doffen kadansslag van een enkelen laten dorschvlegel, ergens
+in een schuur.
+
+Zij ging weer binnen en legde zich te bed. De kinderen en Meleken waren
+reeds slapen gegaan....
+
+Laat in den nacht kwam hij terug. Zij hoorde van verre zijn struikelende
+voetstappen en rilde van afkeer en angst.--Hij opende de deur en deed ze
+weer op 't nachtslot. Heel eventjes bromde daarbuiten de waakhond.
+
+Toen kwam hij op de kamer waar zij lag en kleedde zich sprakeloos
+uit.--Zij rilde, rilde ... Zwaar zwoegde zijn adem in een benauwende
+lucht van tabak en drank die om hem heen walmde.
+
+Toen kwam hij bij haar....
+
+Dat was het einde van den eersten dag van Rozeke van Dalens tweede
+huwelijk....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XL.
+
+
+Voortaan was Rozeke's leven afgesloten in een nauw-beperkten kring,
+waarin zij zelve haast geen verandering meer verwachtte. In vroeger
+jaren had ze geleefd in hoop, in vrees, in afwachting van zij wist niet
+wat al komende of mogelijke gebeurtenissen: nu scheen haar alles vast
+vooruit geregeld, alsof het al jaren en jaren te voren onwederroepelijk
+aldus voorspeld en geschikt was.
+
+Vanaf het eerste oogenblik stelde hij zich tyranisch aan als eenig
+opperhoofd en baas en zij werd dadelijk als een tweede dienstmeid, te
+nauwernood verheven boven deze welke er reeds was. Hij was vertoornd op
+haar ouders, die zich tegen haar huwelijk met hem gekant hadden en
+verbood haar nog ooit een voet over hun drempel te zetten, noch iemand
+van haar familie bij zich aan huis te ontvangen. Hij vroeg haar den
+sleutel van de geldkast en nooit meer zag zij hem terug. Wanneer ze geld
+noodig had moest ze 't hèm voortaan vragen.
+
+Kort was hij met haar in zijn woorden en deze klonken steeds als
+bevelen. Nooit noemde hij haar bij den naam. Hij riep haar, als een
+knecht of meid, met een "hè!" of een "hier!" zooals men tegen een hond
+spreekt; en, als ze 't niet dadelijk hoorde of begreep, vloekte hij op
+haar.
+
+Zijn leven was dag aan dag 't zelfde: om half vijf op en dadelijk naar
+den stal, terwijl zij, gedwongen gelijk met hem op te staan, in de
+keuken 't vuur aanmaakte en de koffie maalde. Meleken was toen ook reeds
+op en molk de koeien; Vaprijsken gaf het voeder aan de beesten.--Even na
+vijf uur kwam hij terug in huis, ging sprakeloos aan tafel zitten, liet
+zich door Rozeke bedienen, slikte gulzig twee tarwe-boterhammen in en
+slurpte twee groote koppen koffie leeg. Dan stak hij zijn pijp op, ging
+weer naar den stal, haalde met het eerste daglicht paard en kar uit en
+reed weg naar den akker.
+
+Om acht uur of half negen was hij op de boerderij terug. Zijn tweede
+ontbijt stond klaar: een dikke snee spek op een stuk roggebrood, naast
+een glas bier. Haastig gebruikte hij dat alles en als hij eenigszins
+goed ter sprake was, wisselde hij met haar enkele woorden, steeds kort
+van toon, zonder haar aan te kijken en steeds uitsluitend zakelijk. De
+kinderen waren dan op en kwamen hem "goên dag" wenschen, hem "voader"
+noemend, zooals Rozeke het hun geleerd had. Hij mompelde een "goên dag"
+terug, maar zonder ze ooit aan te halen of er verder eenige notitie van
+te nemen. Hij stond op, stak een pijp aan en ging weer naar 't veld,
+waar hij tot twaalf uur bleef.
+
+Dan zat hij met Rozeke en de kinderen, met Meleken en Vaprijsken aan de
+gemeenschappelijke tafel. Hij maakte als de anderen zijn kruisteeken,
+bad en at, praatte soms even over weer en landbouwaangelegenheden, stond
+gelijk met de anderen op en was weer met hen weg, tot 's avonds. Dan
+weer het eten, de pijp, een kort gepraat, en vroeg naar bed.
+
+'s Zondags zond hij Rozeke naar de vroegmis en zelf ging hij later naar
+de hoogmis. Daarna liep hij enkele herbergen af waar hij borrels dronk
+en kaart speelde. Met hoogrood gezicht en waterige oogen kwam hij tegen
+twaalf uur terug. Hij zag er altijd woedend uit en zijn adem stonk naar
+jenever. Hij slikte als een dier zijn eten in, sprak meestal met niemand
+een woord en ging dadelijk na den eten een paar uur op zijn bed liggen.
+Tusschen drie en vier was hij weer op de been, slurpte koffie, ging even
+naar zijn stallen en dan verder, zonder Rozeke te waarschuwen, naar de
+kleine herbergjes van het gehucht, waar hij tot laat in den avond bleef
+drinken en spelen.
+
+Den ganschen nacht lag hij dan als een dier aan haar zijde te snurken.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLI.
+
+
+Zij voelde zich niet bepaald ongelukkig. Zooals hij was, zoo had zij het
+van hem verwacht. Dat was zijn aard. Toch schrikte zij haast van zijn
+ruwe onverschilligheid, toen zij hem op een ochtend mededeelde, dat zij
+weer zou moeder worden. Hij trok zijn schouders op, alsof het hem niet
+schelen kon. "Heu! doar 'n es nie aan te doene," antwoordde hij kortaf
+en ging zonder meer, als elken dag, naar zijn gewone bezigheid. Maar
+dien zelfden middag greep een heftige scène plaats en, voor het eerst
+sinds hun huwelijk, voelde zij opnieuw haar vroegeren angst voor hem.
+Dat was terwille van Vaprijsken. Hij had het al lang op 't aardige
+knechtje gemunt, daar stak nog steeds een oude wrok achter; en nu had
+Vaprijsken 't een of ander durven antwoorden op een aanmerking die Smul
+hem maakte. Op staanden voet had deze Vaprijsken den dienst opgezegd en
+daarop hadden zij hevig gekeven en elkaar de ergste scheldwoorden naar
+'t hoofd gegooid. Rozeke was in 't midden gekomen, had gepoogd de beide
+mannen te bedaren, had Vaprijsken excuses doen maken en ook Smul tot
+verzoening aangemaand; maar de woesteling was eensklaps als razend op
+haar afgevlogen en had haar vloekend met slagen bedreigd, waarop Rozeke
+sidderend van angst in huis was weggevlucht. Tusschen Smul en Vaprijsken
+was het toen tot een bepaald gevecht gekomen; het knechtje ging reeds
+met pak en zak denzelfden avond weg; en Smul, niet wetend meer op wie
+zijn razernij te koelen, was woedend en scheldend weer op haar afgekomen
+en had, met de beide vuisten voor 't gezicht, gedreigd haar plat te
+slaan, indien ze zich nog ooit met zijn zaken durfde bemoeien.
+
+Die slagen, de ruwe mishandeling, die zij wist en voelde toch te zullen
+en te moeten komen, vielen dan ook eindelijk, op een zondagmiddag, toen
+hij, als naar gewoonte half dronken, van het dorp terugkwam. Het ging
+kort, ruw en vlug, als een weerlicht.
+
+Het eten was een ietsje aangebrand; hij had een paar happen geproefd en
+daarbij een vies gezicht getrokken, en plotseling gaf hij, met een
+krakenden vloek, een dreunenden vuistslag op de tafel en keilde zijn
+bord met eten tot scherven op den vloer.
+
+--Gie leulijke sloeber!" riep zij instinctmatig, verschrikt opspringend,
+in onbedwingbaar-losbarstende verontwaardiging.
+
+Maar zij stond nog niet geheel overeind of een baldadige vuistslag in 't
+gezicht smakte haar met een noodkreet op den grond.
+
+De kinderen gilden schril, het dienstmeisje schreeuwde om hulp. Kamiel,
+de pas nieuw gehuurde knecht, een flinke, blonde jongen, sterk als een
+reus, greep Smul midden in de lenden vast en hield hem tegen, uit al
+zijn kracht.
+
+Rozeke had zich opgericht. Zij hield de linkerhand op haar mond gedrukt,
+die bloedde. Zij huilde niet, maar de oogen flikkerden vreemd in haar
+doodsbleek gelaat.
+
+"Kom," zei zij met inspanning, tot haar luid-schreeuwende kinderen. Zij
+nam het kleintje, dat pas loopen kon, bij de hand en door 't oudste
+gevolgd klom zij rennend de drie steenen treden van de voute-kamer op en
+sloot de deur achter zich met den grendel.
+
+Razend, vloekend, scheldend, met purper gezicht en fonkelende oogen,
+poogde Smul zich intusschen vruchteloos uit des knechts omstrengeling
+los te worstelen.
+
+"Loat mij los, Kamiel! loat mij nondedzju los, of 'k schup ou euk van 't
+hof, lijk Vaprijs!" riep hij knarsetandend. "Loat mij los, zeg ik ou, da
+'k heur de kop in sloa!"
+
+Maar Kamiel, reuzensterk, hield hem hoe langer hoe steviger gekneld en
+hijgde, bedarend-kalm:
+
+"Nie nie, boas, ge'n meug niet, 't zoe ou spijten! 't zoe ou spijten! Ge
+moet wachten,... wachten ... tot da ou keleire veurbij es!"
+
+Eerst toen Smul wat tot bedaren was gekomen en ophield met schelden en
+vloeken liet hij hem los. Meleken, bevend en nog snikkend, kwam hem
+vragen of hij iets anders wilde eten.
+
+"Nien ik, nondedzju! Eet zelf uldere smeirige kost op!" brulde hij haar
+in 't gezicht.--En plotseling was hij weg, woest stappend uit het huis
+en naar het hek, den landweg op, naar de herbergjes van het gehucht, om
+nog meer te drinken.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLII.
+
+
+Vanaf dat oogenblik kwam er een schielijke omwenteling in Rozeke's
+gemoed. Haar vroegere angst voor hem veranderde eensklaps in haat, en
+die haat gaf haar een geheime kracht, waardoor haar vrees nog steeds
+verminderde.--Hij had haar nu eenmaal mishandeld en hij zou haar zeker
+nog meer mishandelen, haar en wellicht ook haar kinderen; het was geen
+onbekende dreiging meer, die haar als een voortdurend-onheilspellend
+raadsel boven 't hoofd hing: de slag had haar getroffen als een
+bliksemstraal, maar nu wist zij wat haar verder ook te wachten stond en
+nu kon zij middelen beramen om zich te verdedigen.
+
+Hij sloeg opnieuw, weer op een zondag, voor een beuzelarij, toen hij
+dronken uit het dorp terugkwam. Hij sloeg, de kinderen huilden, Kamiel
+en Meleken vlogen haar te hulp; en zij, in hoog-zwangeren toestand op
+den grond gesmakt, keek hem met groote, sombere oogen aan en zei geen
+woord noch slaakte een kreet.--Alleen haar oogen, haar starre, sombere
+oogen spraken, alsof zij hem doorpriemen wilden met de ongezegde woorden
+die zich plotseling in haar brein vastspijkerden: "Ik wenschte dat ge
+dood waart!"
+
+Ja, zij wenschte naar zijn dood! Dat werd haar eenige hoop, haar eenige
+troost, de eenige sterke kracht van heel haar verder leven. Zij hoopte
+en verlangde er geduldig naar, zooals anderen verlangen naar iets zachts
+en teeders, dat slechts door heel veel moeite, na langen tijd en groote
+opofferingen kan verdiend en verkregen worden. Het werd haar geloof en
+haar steun, haar vaste zekerheid waarop zij bouwen kon, omdat zij
+instinctmatig voorgevoelde dat het vroeg of laat toch zou gebeuren; 't
+werd als de stille, door haar alleen gekende lofzang der verlossing; als
+de geheime, in ondertoon gehouden rythme van al de innigste gevoelens en
+verlangens van haar gruwelijk verwoest bestaan.--En niet alleen meer als
+hij haar mishandelde, maar voortdurend, zonder dat er iets gebeurde:
+wanneer hij met zijn ruwe stem haar over onverschillige dingen toesprak;
+wanneer hij zat te eten of te drinken; wanneer hij zelfs eenvoudig in of
+uit het huis ging zonder iets te doen of iets te zeggen; voortdurend
+ruischte dof en somber in haar binnenste de halsstarrige rythme: "Ik
+wenschte dat ge dood waart!"--Zij werd met die gedachte wakker en zij
+sliep er mee in. En soms droomde zij 's nachts dat hij naast haar dood
+lag. Zij werd half wakker in haar droomen, haar hart joeg snel, zij
+voelde zijn onbeweeglijk-uitgestrekt lichaam aan haar zijde en de
+illuzie groeide tot werkelijkheid. Hij was dood en zij was verlost; zij
+strekte bevend hare hand uit en betastte hem... maar hij bewoog en
+knorde in zijn slaap; en zij gruwde en huiverde, omdat haar hoop slechts
+een bedriegelijke schijn was en zij hem nog steeds levend voelde.
+
+Haar derde kind kwam ter wereld: een jongetje, ellendig klein
+schepseltje met stokkerige, schrale beentjes en een misvormd hoofd. De
+dokter verborg haar niet dat het erg zwakjes was en slechts met heel
+veel zorg en moeite in het leven zou te houden zijn. Rozeke weende.
+Waarom was het ook maar niet dadelijk bij zijn geboorte gestorven?
+
+Smul nam heelemaal geen notitie van haar in die dagen. Hij liet haar
+maar liggen en zag ook naar zijn ellendig kind nauwelijks om. Een baker
+was aan huis en Rozeke, Smuls verbod trotseerend, zond Meleken naar haar
+ouders om hen te laten weten dat het kind geboren was en te vragen of ze
+niet eens kwamen zien. Maar zij wilden of durfden niet komen en Meleken
+bracht de boodschap terug dat niemand van haar huis zich wagen zou.
+"Ware hij maar dood, dan zouden ze wel komen", dacht Rozeke. En zij
+besloot zelve weer naar hen toe te gaan, wat er ook gebeuren mocht,
+zoodra als zij er toe in staat zou zijn. Dit vast besluit gaf haar
+nieuwen moed en sterkte.
+
+Toen het kind een veertien dagen oud en Rozeke weer op de been was, kwam
+de jonge barones haar eens bezoeken. Gedurende maanden, sinds haar
+tweede huwelijk, dat koelheid en vervreemding tusschen haar had te weeg
+gebracht, had Rozeke de lieve, zachte bescherm-vriendin van vroeger niet
+teruggezien; en nu schrikte zij haast van haar verschijning. Haar
+gezicht was mager en betrokken, haar vroeger zoo frissche, levende
+gelaatskleur had een doodsche gele tint gekregen en grijze zilverdraden
+mengden zich reeds in de donkere haren. Haar oogen stonden dof en
+ernstig onder gepijnigd-saâmgetrokken wenkbrauwen; zij was geheel in 't
+zwart gekleed, als rouwde zij, gelijk dien droeven najaarsmiddag, jaren
+geleden, toen Rozeke haar in 't kasteel was gaan bezoeken; en Rozeke
+kreeg plotseling in haar geest de sombere visie van een lijk behangen
+met een zwart doodsgewaad en zilveren franjes.--Want zij wist het wel,
+helaas! zooals eenieder nu in 't dorp: de barones was ongelukkig in haar
+huwelijk en leefde, feitelijk van haar man gescheiden, met haar zoontje
+bij haar ouders op 't kasteel.
+
+De barones keek naar 't ellendig wichtje in de wieg en zuchtte. Toen
+vroeg ze plotseling, met somber-saâmgetrokken wenkbrauwen:
+
+"Is het waar, Rozeke, dat hij u slaat en mishandelt?"
+
+Een hooge kleur schoot plotseling, als een gloed van vuur, over Rozeke's
+ingevallen wangen en met een uitdrukking van schrik in de oogen staarde
+zij haar vriendin strak aan.
+
+"Joa 't," zuchtte zij dof.
+
+De barones had een gebaar van verontwaardiging en opstand.
+
+"De schurk! Waarom laat gij u van hem niet scheiden!" riep zij.
+
+Rozeke aarzelde, bevend, de oogen vol tranen, niet wetend wat
+geantwoord.--Scheiden!--daar had ze niet eens aan gedacht, daar dachten
+menschen van haar stand niet aan.
+
+"Dàt zal ik niet dulden. Waar is hij? Ik wil hem spreken?" riep de
+barones gebiedend opstaande.
+
+Vol angst was Rozeke ook plotseling opgestaan.--"O, mevreiwe!" kreet
+zij. En zij wilde zeggen: "doe 't niet; hij zal mij doodslaan!"... Doch
+iets sterker dan haar schrik weerhield haar, smoorde de woorden in haar
+keel.
+
+"Hij es op 't land, mevreiwe," zei ze werktuigelijk, met toonlooze stem.
+
+"Zeg aan 't meiske dat zij hem onmiddellijk naar hier doet komen," beval
+de barones.
+
+Meleken werd naar 't veld gezonden en na een poosje keerde Smul met haar
+terug.
+
+"Loat ons alliene," zei Rozeke tot het meisje.
+
+Meleken ging weg.--Smul stond vóór zijn jonge meesteres, den blik valsch
+en wantrouwend, de pet tusschen zijn grove duimen, wel voelend dat er
+onraad was.
+
+"Wat beteekent dat, Smul! Waarom mishandelt gij uw vrouw?" vroeg de
+barones, abrupt--hoogmoedig en minachtend, met gefronste wenkbrauwen op
+hem neerziende.
+
+Hij stond daar en wist niet wat te antwoorden. Hij keek even op naar
+Rozeke, met rechten, starren, kouden blik, een blik die haar deed ijzen;
+en dan ook even naar de barones, kort en schichtig, terwijl zijn lippen
+bewogen als om iets te zeggen dat er maar niet uit wilde.
+
+"Welnu?" drong zij ongeduldig, stampvoetend aan.
+
+"Da 'k zegge, mevreiwe, dat er in all' huishoûens al wel e-kier wa
+scheelt," antwoordde hij eindelijk, met inspanning.
+
+De jonge barones kon haar toorn en minachting moeielijk bedwingen. Haar
+bovenlip krulde zich even in uiterst misprijzen op en zij zei, koel en
+dreigend:
+
+"Gij zijt een schurk en uw plaats is niet hier maar in de gevangenis.
+Met ruw geweld hebt gij uwe vrouw tegen wil en dank genomen, en nu durft
+gij haar nog slaan.--Dit is de eerste en de allerlaatste keer, dat ik u
+waarschuw. Als ik nog eenmaal hoor dat gij haar mishandelt zult gij niet
+met haar, maar met mij af te rekenen hebben.--Begrepen? Allez!" En met
+een gebiedend handgebaar, wees zij hem als een hond naar de deur.
+
+Hij zei geen woord meer en keek haar ook niet eens meer aan. Geen spier
+bewoog zich op zijn barsch gelaat. Alleen op Rozeke vestigde hij nog
+even dien harden, kouden, stalen blik van haat die haar deed huiveren.
+Hij keerde zich om en stapte naar de deur.
+
+"G'hebt mij goed verstaan, niet waar, Smul?" riep de barones, hem nog
+eens uit de hoogte na.
+
+Hij bromde iets onverstaanbaars en was weg. Met geweld sloeg hij de deur
+dicht; en buiten, vóór het raampje, zagen zij hem, als uit minachting,
+naar het huis toe spuwen.
+
+"Voortaan zal hij zich wel in acht nemen," meende de barones.--En zij
+bleef nog een poosje, in gedrukte stemming, met Rozeke praten.
+
+Nauwelijks was zij vertrokken of Smul kwam met vluggen, vastberaden pas,
+over den boomgaard aangestapt. Rozeke beefde. "Zou hij nu reeds
+durven...?" Zij riep angstig Meleken uit het achterhuis en beval het
+meisje dringend met de kinderen bij haar te blijven.
+
+Daarbuiten hoorde zij zijn ruwe stem, roepend naar Kamiel, die in de
+schuur aan 't dorschen was.
+
+"Kamiel, goa ne kier seffens mee mijn kopplementen bij boer Lauwe om
+zijn sjeeze vroagen en brijng ze mee."
+
+"Wa goat hij doen?" vroeg Rozeke zich angstig af.
+
+De jonge knecht liet zijn dorschvlegel vallen en liep haastig door het
+hek, terwijl Smul naar het woonhuis toe kwam.
+
+"Och Hiere," dacht Rozeke doodsbleek en bevend, nu zal hij mij slaan,
+mij doodslaan." Zij deed Hilairken en Marietje in een hoek achter 't
+tafeltje zitten en klampte haar rechterhand aan de wieg van het
+kleintje, terwijl zij met de linker instinctmatig Melekens schort
+vastgreep.
+
+Maar hij kwam binnen en zonder haar zelfs aan te zien noch een woord te
+spreken, ging hij naar hun slaapkamer, waarvan hij met een bruusken ruk
+de deur achter zich toeknakte. Roerloos en zwijgend stonden de vrouwen
+te beven.
+
+Zij hoorden dat hij zich aan het verkleeden was; zij hoorden gerinkel
+van geld.
+
+--Wa peinste gij? woar zoedt hij noartoe goan? wa goat hij doen?"
+fluisterde zij tot het dienstmeisje.
+
+Meleken trok de schouders op. Hoe kon ze 't gissen?
+
+Rozeke voelde haar angst wat verminderen; opnieuw kwam moed en
+weerstandskracht in haar. Zij keek even om naar Hilairken en Marietje,
+die zich doodstil, met groote, bange oogen in hun hoekje hielden,
+vaag-bewust dat gevaar hen dreigde.
+
+Na enkele minuten ging de deur weer open en Smul verliet de kamer, op
+zijn zondagsch gekleed, 't gezicht vuurrood en woest-vertoornd. Maar
+nogmaals sprak hij geen woord, noch richtte zelfs een blik naar haar; in
+een ruk was hij buiten en liep naar de stallen, terwijl Kamiel, als een
+paard tusschen 't lemoen loopende, met boer Lauwe's sjees door het hek
+kwam.
+
+Hij volgde Smul in den paardenstal en samen haalden zij de merrie eruit
+en spanden in. Ruw trok hij 't goede beest bij den breidel, deed het
+achterwaarts in de door Kamiel opgetilde draagboomen steigeren; en
+plotseling, zonder eenige reden, begon hij op de merrie te vloeken en te
+schoppen, dat zij er van trappelde en hinnikte en wreede oogen van
+verwildering openspalkte.
+
+Met star-sombere blikken van schrik en haat zag Rozeke roerloos door 't
+venster toe. "Het arme beest krijgt in mijn plaats de schoppen en de
+slagen," dacht zij. En eensklaps kwamen dikke tranen in haar oogen en
+haar lippen trilden, terwijl de diepe stem van haar innigste wezen
+verontwaardigd beefde:
+
+--O gie sloeber! gie sloeber! 'K weinschte da ge deud woart!"
+
+Het paard was aangespannen. Hij wipte in de sjees en onder kletsende
+zweepslagen joeg hij van 't erf, zóó wild, zóó ruw, dat het rijtuig
+tegen een der stijlen van het hek aanbonsde en bijna kantelde. Als in
+een helsche vlucht zag Rozeke het in den modderweg verdwijnen. Kamiel
+stond het even, als van schrik geslagen, na te staren en keerde
+eindelijk hoofdschuddend in de schuur terug.
+
+De middag verliep, de mistige najaarsavond viel vroeg in en Rozeke zat
+doelloos vóór het venster, met tranen in de oogen, tot werken onbekwaam,
+verdiept in droeve mijmeringen, met haar nog bang-spelende kinderen om
+zich heen. Alles was rouw en smart, het leven werd haar onverschillig,
+het was zoo dof en kleurloos in zijn alledaagsche narigheid als de
+loodzware hemel, die daar buiten alles drukte en omgrijsde met zijn
+logge rouwfloersen van ondoordringbaarheid. Wat had ze nog aan 't leven?
+Haar teergeliefde man, haar ouders, haar broeders en haar zuster, haar
+beste kennissen en vrienden, alles was langzaam van haar weggenomen,
+dood, vervreemd, vertreurigd en vereenzaamd; en zelfs haar kinderen, het
+eenige wat haar nog aan de wereld deed hechten, verloren hun
+vroolijkheid en hun vertrouwen, bang als zij waren voor dien ruwen,
+vreemden, akeligen man, die alles om zich heen vernielde en dempte. 't
+Was als een vloek die op haar rustte, zij voelde zich omringd van haat,
+van angst en van verlatenheid; zij voelde zich langzaam wegkwijnen en
+sterven, in àl te overweldigend-zware onderdrukking van het onmeedoogend
+noodlot.
+
+Plotseling, terwijl zij in de bijna gansch gevallen duisternis zuchtend
+opstond om het avondlampje aan te steken en haar kinderen naar bed te
+brengen, kwam een reusachtige, sombere gedaante, met een woestheid van
+orkaan, als een verschijning in een nachtmerrie, den boomgaard
+opgestormd.
+
+De merrie!... De merrie, snuivend, schuimend, de flanken jagend, met
+een breede, donkere bloedvlek op de linkerschoft, sleepend, in een
+kluwen van losgerukte kettingen en riemen, de twee aan stukken
+gesplinterde draagboomen van het lemoen, het eene kort als een afgehakte
+stomp, het andere lang als een gebroken, uitgerekten-en-gereten arm,
+wit-flitsend door de grauwe schemering, als flikkerende weerlichten door
+donkere onweerslucht.
+
+Met een gil van angst vloog Rozeke naar buiten.
+
+Kamiel, reeds uit de schuur gehold, had het paard bij den breidel
+vastgegrepen.
+
+"Bezinne!" schreeuwde hij als uitzinnig, "bezinne! bezinne! d'r es 'n
+ongeluk gebeurd!"
+
+"Och Hiere! och Hiere! och Hiere!" riep Rozeke met doffe kreten. Maar
+zij dacht nauwelijks aan hem, die wellicht ergens dood of stervend met
+'t verbrijzeld rijtuig in het veld lag; zij voelde en besefte alleen de
+ramp zooals ze die daar akelig en rauw voor haar oogen zag; 't lemoen
+aan splinters, het arme, doodgejaagde beest bloedend en met schuim
+bedekt, met het onheilspellend geheim van wie weet nog wat al rampen,
+die het op zijn dolle, wild-hollende stormvlucht misschien veroorzaakt
+had.
+
+"Hij zal deud zijn, bezinne!" snikte de jongen.
+
+Het kon haar niet ontroeren. Zij werd eensklaps bijna kalm; alleen de
+vrees voor andere ongelukken beangstgde haar.
+
+"Verzorgt die oarme bieste," zei zij met bevende stem. En met Meleken,
+die ook toegesneld was, liep zij naar 't hek, de akeligheid die zij daar
+voelde naderen te gemoet.
+
+Van alle kanten kwamen menschen in de duisternis aangeloopen. Zij hadden
+'t paard met het verbrijzeld stuk lemoen zien hollen; zij wilden vragen,
+hooren, kijken.
+
+Een jonge man kwam buiten adem toegesneld uit de richting van het dorp.
+
+"Hij 'n es niet deud! Hij leeft nog, maar hij es wried geschonden! Ze
+brijngen hem op 'n berrie!" hoorde Rozeke hem van verre schreeuwen.
+
+Akelig klonk die ramptijding in 't mistig-sombere van den killen avond.
+De menschen slaakten een "hóó!" van afschuw en angst. Maar Rozeke bleef
+koud en kalm.
+
+"'t Is zijn eigen schuld," dacht zij. "Hij heeft het arme beest
+mishandeld zooals hij mij ook zou mishandeld hebben, had hij nog
+gedurfd." En zij bleef met Meleken aan 't hek midden in de opgewonden
+menigte staan, stom, roerloos, star-kijkend met oogen zonder tranen,
+alsof het haar niet aanging. Zij wist zelfs niet waarom ze daar nog
+langer in den killen avond stond te wachten en 't prikkelde en verveelde
+haar, dat steeds meer menschen kwamen opdringen, en haar nieuwsgierig
+ondervraagden, en uitroepingen slaakten, en zoo nutteloos en opgewonden
+heen en weer renden. Zij kon het eindelijk niet langer uitstaan en ging
+met Meleken weer binnen.
+
+Daar stak zij 't lampje aan en wachtte, doelloos, zonder de blinden te
+sluiten. Zij zei enkel aan Meleken dat zij water en linnen doeken zou
+klaar maken en dacht toen plotseling aan haar kinderen, die rumoerig in
+en uit het huis liepen en van al die ongewone drukte niets begrepen. Zij
+riep ze voor goed binnen en bracht ze naar bed.
+
+Dat gaf haar afleiding. Zij was er een geheele poos mee bezig; en toen
+ze reeds rustig onder hun dekentjes lagen, bleef ze nog bij hen in 't
+kamertje vertoeven alsof ze niets anders te doen had, tot plotseling
+Meleken de deur opende en met heesche stem fluisterde:
+
+"Bezinne, ze zijn d'r doar mee."
+
+Zij kwam uit 't kinderkamertje en door de raampjes van de keuken zag
+zij, in den grauwen mistavond, een donkere stoet den boomgaard opkomen:
+Twee mannen met een berrie, waarop iets lag uitgestrekt; en daar omheen
+een dichte, stille, zwarte menigte, dof-trappelend en stommelend als een
+kudde. Een man met een brandende lantaren stapte ietwat terzijde
+vooraan.
+
+De voordeur was open en zij kwamen binnen. Als in een droom hoorde
+Rozeke het schuren van de voeten en het dof gefluister van de
+menigte.--Als in een droom kwam zij genaderd.--De mannen zetten de
+berrie neer; en bij het gele schijnsel der lantaren zag ze hem daar
+machteloos onder een deken op een matras uitgestrekt liggen: het hoofd
+akelig gezwollen, geschonden, bemodderd en bebloed, de oogen toe, de
+ademhaling zwak en reutelend. Zij zeide niets, zij staarde, ijskoud, met
+droge oogen. Achter de berrie drong de menigte in 't deurgat op. Zij zag
+de vele, nieuwsgierig-reikhalzende hoofden met de open monden en de
+groote, donkere, gretig-kijkende oogen.
+
+"Woar moet hij zijn, bezinne?" vroeg fluisterend een der dragers.
+
+"Doar, op de voute," antwoordde zij dof.
+
+De menigte werd plotseling uit elkaar gedrongen en een heer schreed ruw
+en haastig, met ernstig gefronste wenkbrauwen naar binnen. Het was de
+dokter, die onderweg van 't ongeluk gehoord had. Hij vroeg dadelijk om
+water, pluksel, en linnen voor verbanden. Hij liet de deur tegen de
+opdringende foule sluiten en volgde de mannen met de berrie op de
+voute-kamer.
+
+Rozeke volgde hèm.--Haar beenen waren slap; haar handen koud en klam als
+ijs. Doch haar hart sloeg kalm en gelijkmatig en zij voelde geen emotie.
+Alleen haar oogen keken steeds star en vreemd en 't ruischte in haar
+ooren, benauwend en verdoovend als stond zij bij een waterval.
+
+De dokter vroeg haar iets, maar zij verstond hem niet. Met strak-stuggen
+blik van niet-begrijpen staarde zij hem aan.--Ongeduldig wendde hij zich
+tot Meleken, vroeg om een tweede lamp in 't kamertje.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLIII.
+
+
+Drie weken lang lag Smul tusschen leven en dood. Zijn beide beenen waren
+gebroken en hij had ernstige, inwendige kneuzingen. Toen begon hij
+langzamerhand te herstellen. Hij mocht weldra gewoon eten en drinken en
+vóór het einde van de tweede maand kwam hij op en zat bij den haard, in
+denzelfden leunstoel waar Alfons destijds zooveel droeve maanden had
+gesleten.
+
+Eerst toen hij weer begon te loopen werd het duidelijk hoe zwaar
+gehavend hij was geweest. Zijn linkerbeen, niet bijzonder handig door
+den dorpsdokter weer in elkaar gezet, stond krom-vergroeid gelijk een
+boog, en was wel drie vingers korter dan het andere. Hij hinkte.
+
+Somber zat hij in den donkeren schoorsteenhoek bij 't vuur en sprak
+gansche dagen lang slechts de aller-noodigste woorden. Feitelijk sprak
+hij alleen om te bevelen. Hij zei barsch den knecht zijn dagelijksch
+werk; bestelde kort en ruw aan Rozeke en Meleken wat hij eten wou of
+drinken. Hij at en dronk veel; en wanneer hij niet at of dronk, zat hij
+zwijgend te pruimen of te rooken. Van 't ongeluk, van wat hij dien
+middag gedaan had, van waar hij geweest was, geen woord. Rozeke wist
+enkel, door menschen uit het dorp, dat hij woest, als een gek, door de
+straten had gereden, dat hij in vele herbergen geweest was, dat hij
+herhaaldelijk zijn paard geslagen en mishandeld had.
+
+Het kon haar ook niet schelen. Hij bestond niet meer voor haar. Zij
+leefde buiten hem om, voor haar kinderen en zijn gebrekkig lichaam
+maakte haar nu sterker tegenover hem. Hij zou haar, ook al durfde hij
+nog, niet zoo gemakkelijk meer kunnen mishandelen als vroeger. Zij kon
+voor hem vluchten; hem ontsnappen. Dat was haar als een zachte wraak in
+al haar ongeluk; en telkens als hij Weer opbruischte en op haar schold
+en vloekte, keek zij hem met stil misprijzen aan en dacht: "Raas maar,
+vloek maar, slaan kunt ge mij niet meer; ik ben de vlugste en daardoor
+de sterkste nu. Zij had maar één vrees: dat hij nog verder zou genezen
+en weer in vlugheid van beweging háár de baas worden. Doch daar was
+weinig kans op. Alleen als vrouw, des nachts, kon zij hem niet
+ontsnappen; zij mòèst wel bij hem blijven dan en dat was haar een
+onuitsprekelijke gruwel. Dan was ze in zijn bezit en telkens was 't weer
+als een woeste aanranding en telkens dacht ze ook weer, met nijdig op
+elkaar geklemde tanden: "O, 'k wenschte dat ge toch dood waart!"
+
+Maar 't werd een sleur en ook dàt vlijmend gevoel van walg en opstand
+ging allengs in haar aan het verdooven, en de hoop op haar verlossing
+door zijn dood zong weldra nog slechts in haar zijn vage verre rythmen,
+als een illuzie die zij wellicht nooit beleven zou.
+
+Zij versufte, leefde machinaal en onverschillig. Toen weldra weer een
+kind moest komen, trok ze 't zich nauwelijks aan en leed er niet meer
+onder.
+
+Het kwam ook heel gemakkelijk, haast zonder smart; het werd geboren
+midden op den dag, zonder hulp van dokter of baker, terwijl Smul even
+naar het veld gehinkt was. En zij liet hem ook voor de gebeurtenis niet
+terugroepen; hij hoorde 't eerst van Meleken, toen hij 's avonds weer
+naar huis kwam en keek het wichtje ook maar eventjes en onverschillig
+aan, zijn pijp nog in den mond, stinkend naar jenever dien hij in de
+herbergjes van het gehucht gedronken had.
+
+En weer verliep de tijd in duffe eentonigheid, nu en dan afgewisseld
+door stormvlagen van uitbarstenden haat en vijandschap: en 't jaar
+daarna moest weer een kind geboren worden.
+
+Zij trok er haar schouders voor op. Of er nu nog twintig kwamen, 't kon
+haar niet meer schelen. Er rustte een vloek op haar; zij kon tegen het
+noodlot niet op. Haar wensch dat hij zou sterven mocht maar niet vervuld
+worden; wie weet: het was misschien een goddelijke wraak over dien
+boozen wensch, dat steeds meer kinderen op de wereld kwamen van den man
+dien zij het meest op aarde haatte en verachtte. Maar 't kon haar ook
+niet schelen; zij had te veel geleden; te veel van haar teerste illuziën
+waren voor altijd vernield; zij geloofde aan geen goede, troostende,
+zegenende godheid meer.
+
+Langzamerhand werd hij een geregelde, dagelijksche dronkaard. Halve
+dagen zat hij in de herbergjes van het gehucht en verwaarloosde zijn
+boerderij. Het ging alles achteruit. Zij zelve, vroeger zoo keurig-net,
+werd van lieverlede slordig. De jonge barones, die, hoewel zelve diep
+gedrukt en ziekelijk, haar nu en dan nog kwam opzoeken, maakte er eens
+opmerkingen over. Maar zelfs voor haar trok Rozeke machteloos de
+schouders op: zij kon 't niet helpen, zij was overweldigd, zij had het
+te druk, het kon haar niet meer schelen.
+
+"Ach, zóó moogt gij tegen mij niet spreken, Rozeke," zei de barones op
+een toon van zoo innige droefheid en verwijt, dat Rozeke eensklaps tot
+de tranen er door ontroerd werd.
+
+"Pardon, mevreiwe, pardon, moar 'k ben toch zeu ongelukkig!" schreide
+zij, in een plotselinge uitbarsting van al haar te lang opgekropt wee.
+
+De barones poogde haar te troosten en bood haar aan te zorgen voor de
+opvoeding van haar beide oudste kinderen, die van Alfons. Rozeke, eerst
+wat onthutst, nam weldra dankbaar aan; en, voor een oogenblik weer
+dezelfde van vroeger, zoende zij met aanbiddende vereering haar
+weldoensters handen. Toen kon de jonge barones ook niet langer zich
+beheerschen: zij barstte, evenals Rozeke, in tranen los en beiden
+schreiden lang en overvloedig, rouwend over een geluk dat voor beide zoo
+wanhopig kort van duur was geweest, zoo vol van een wee dat zij in geen
+woorden konden uitdrukken.
+
+Smul werd even voor den vorm geraadpleegd; hij gaf nurksch zijn
+toestemming en Hilairken werd uitbesteed bij den ouden schoolmeester
+Cattoir, die eindelijk, dank zij de tusschenkomst der barones, een
+kleine pensioensverhooging had gekregen, terwijl Marietje bij de
+nonnetjes in 't klooster op kostschool werd gedaan.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLIV.
+
+
+Helaas! ook haar lieve bescherm-vriendin zou Rozeke weldra voor goed
+ontnomen worden!--Sinds maanden en weldra sinds jaren, sinds zij, midden
+in haar jong geluk, in de volheid van haar liefde en haar vertrouwen,
+het bedrog ontdekte van den eenigen man dien zij bemind had en aan wien
+zij alles had gegeven, was iets in haar geknakt dat nooit meer kon
+hersteld worden. De wettelijke scheiding was nu uitgesproken, zij had
+het kind en van hèm hoorde zij niets meer; maar nooit, nooit, geen enkel
+oogenblik van gansch haar verder leven kon ze zich over de verwoesting
+van haar geluk heen zetten. De slag was te hard, te onverwacht geweest;
+niets, zelfs geen schim van argwaan of wantrouwen had er haar op
+voorbereid; opeens, als een donderslag was 't uitgebarsten: zijn vlucht
+met die vrouw, eene waarmee hij het al lang, van vóór zijn huwelijk
+hield, eene die hij bijna dagelijks zag, eene die geheimlijk met hen
+mede was op de huwelijksreis en ook op alle reizen die zij verder
+ondernamen;... opeens, door een toevallige omstandigheid; door een
+brief voor hem die in haar handen kwam, had alles zich ontsluierd; en
+vanaf dat oogenblik was 't in haar ziel als een onverpoosd werkend en
+knagend vergif, tot het een langdurige, kwijnende ziekte werd, die haar
+onmeedoogend naar 't noodlottig einde sleepte.
+
+Rozeke, die haar weer sinds maanden niet gezien had, hoorde zeggen dat
+ze zoo ziek was en ging haar op 't kasteel bezoeken.
+
+'t Was op een zachten, helderen, stilglanzenden najaarsdag. Heel het
+groote park met zijn machtige boomen stond roerloos, als vereeuwigd, in
+purper en in goud van herfstschakeeringen; paden en grasvelden lagen met
+een flonkerend tintelkleed van rood en bruin en goud bedekt; en ietwat
+terzijde van het rood kasteel, dichtbij een boschje rhododendrons, zag
+Rozeke van verre haar teergeliefde jonkvrouw zitten, als altijd gansch
+in 't zwart gekleed, met witte kussens in den rug, onder een grijslinnen
+tuin-parasol, op een houten bank. Een zwarte non met glinsterend-blanke
+vleugelkap stond aan haar zijde, dichtbij een bruin fauteuil-wagentje
+met elastieken banden.
+
+Rozeke's keel kneep van emotie toe en tranen kwamen onweerstaanbaar in
+haar oogen. O! wat zag ze er geel en mager uit! wat was ze nog verouderd
+en afgevallen sinds den dag dat Rozeke haar voor 't laatst op 't
+hoevetje gezien had!
+
+Door een soort schrik bevangen trad zij op haar toe; maar de barones
+lachte haar zacht en vriendelijk te gemoet en zei met een weeke,
+verteederde stem:
+
+"O, Rozeke, dat doet mij toch genoegen dat ge mij ook eens komt
+bezoeken; ik heb al zoo dikwijls aan u gedacht,"--En zij verzocht Rozeke
+naast haar te komen zitten, terwijl het nonnetje, ingetogen en
+bescheiden, even wegging.
+
+"Hoe goat 't mee ou, mevreiwe?" vroeg Rozeke, zich inspannend om haar
+ontroering te verbergen.
+
+"Och," zuchtte zij en trok haar magere, bijna puntige schouders op. En
+zwak-glimlachend wees zij naar het wagentje en zei:
+
+"Dàt zijn mijn beenen nu."
+
+"Ge moet koeroage hèn, mevreiwe, ge zij nog zeu jonk, 't zal nog wel
+beteren," poogde Rozeke te troosten.
+
+Een uitdrukking van grenzelooze droefheid kwam eensklaps als een donkere
+schaduw over 't magere gelaat der jonge vrouw. Hare verzwakte oogen
+schenen zich, als voor een gruwelbeeld, weg te trekken tot in 't diepst
+van hun holten en zij zuchtte:
+
+"Ik ben gelukkig geweest, Rozeke, ik ben het geweest, heerlijk en
+volkomen, maar te kort, te kort...."
+
+Zij zaten beiden even zwijgend in verre, verre gedachten. Het was of zij
+elkander nu niets meer te zeggen hadden; alles was uitgesproken in die
+droeve korte woorden en alleen haar hart sprak nog, tikkend en jagend in
+haar boezem als een gefolterd, gevangen wezen dat niet meer ontsnappen
+kan. Gouden blaren vielen ritselend uit de hooge, gouden kruinen vóór
+haar voeten op den grond en de lauwe najaarszon in vlekloos-blauwen
+hemel, glansde zoo zacht en zoo weldadig. De stilte was volkomen. Het
+rood kasteel met zijn heldere ramen en spitse torens rees in statige
+rust uit den droomenden vijver op en in de malsche, groene weide bij de
+boerderij graasde kalm onder elkaar, als in paradijsch geluk en vrede,
+een bonte kudde vee en paarden. Het kón niet schooner op de wereld en in
+die volle harmonie van de natuur voelden zij hun zware droefheid als een
+wanklank dien zij nauwelijks nog zuchtend durfden uiten.
+
+"Hij hé ou bedrogen, e-woar, mevreiwe?" vroeg eindelijk Rozeke met
+aarzelende, matte stem.
+
+"Ja," fluisterde zij.--En, als 't ware met een korten knak, zonk haar
+hoofd op haar magere borst.
+
+Rozeke kon geen woord meer spreken. Zij had het hoofd van haar vriendin
+wel, uit medelijden, tusschen haar handen willen nemen en het duizend en
+duizend maal streelen en zoenen. Maar zij durfde niet; het woelde
+onstuimig in haar binnenste en kropte in haar keel en weer zaten zij een
+poos doodstil, in zwaar-benauwde drukking. De gouden dorre bladeren
+ritselden glinsterend om haar heen en ergens in een boschje liet een
+vogeltje nog eventjes zijn laatst, fijn en melancholisch klinkend liedje
+hooren.
+
+"Had ik maar naar mijn ouders geluisterd," zuchtte eindelijk de barones.
+
+Rozeke meende in die woorden ook een indirect verwijt tot zich te hooren
+en zij antwoordde berouwvol:
+
+"Joa; en ha 'k ou mee hem in ons huis niet te goare gebrocht!"
+
+Maar de zieke schudde zacht, met een verontschuldigenden glimlach, haar
+gebogen hoofd:
+
+"Neen neen, Rozeke, dat kondt gij niet weten; en ook,... toen was hij
+nog goed ... toen dacht ik ten minste dat hij zoo goed zou zijn voor mij
+en ik voelde mij gelukkig."
+
+Om den hoek van een allee verschenen plotseling de oude baron en de
+barones, met het nonnetje en een bleek, blondharig, geheel in 't zwart
+gekleed knaapje. Rozeke stond op om te vertrekken; maar de oude baron en
+zijn vrouw gingen door naar 't kasteel en 't nonnetje met het kind
+kwamen naar de bank toe.
+
+"Nee, Rozeke, nog niet weggaan, ge moet eerst mijn zoon eens zien," zei
+de jonge barones.
+
+Het kind stond voor haar.--"Dis bonjour, Jacques, et donne la main,"
+zeide zij.
+
+Het knaapje zei "bonjour" en stak aarzelend zijn handje naar Rozeke uit,
+meteen, als vreemd, zijn lijfje wat terugtrekkend. Met zijn heldere,
+lichtblauwe oogen staarde het Rozeke even strak aan. Het nonnetje
+glimlachte stil, onbewegelijk naast hen staande.--Toen gingen zij
+verder.
+
+"Op wie lijkt hij?" vroeg de barones, nadat zij achter het boschje
+rhododendrons verdwenen waren.
+
+Rozeke aarzelde.
+
+"Zeg het maar; op hèm, niet waar?"
+
+"Joa hij mevreiwe, hij gelijkt er veel op."
+
+Toen ondervroeg zij Rozeke over Smul, en Rozeke vertelde van zijn
+vloeken en zijn drinken, maar dat hij haar toch niet meer durfde
+mishandelen, omdat hij laf en bang geworden was na de bedreigingen van
+de barones. En Rozeke dankte innig haar vriendin voor de liefdadige hulp
+aan haar kinderen besteed. Hilairken was zoo tevreden en leerde zoo goed
+bij meester Cattoir en Marietje voelde zich zoo gelukkig bij de
+nonnetjes in 't klooster.
+
+"Rozeke, ik heb voor u en voor uwe kinderen gezorgd," zeide de barones.
+"Ik heb u in mijn testament gezet voor een som waar hij nooit aan kan
+komen."
+
+"O, mevreiwe, mevreiwe, 'k hope toch da ge zilt genezen; 'k hope uit de
+grond van mijn herte da ge langer zilt leven as ikke!" riep Rozeke, in
+tranen uitbarstend.
+
+Maar de barones schudde weemoedig het hoofd en bracht Rozeke door een
+zacht gebaar weer tot bedaren.
+
+Het nonnetje kwam terug, met vlugge, stille pasjes, in de strakke lijnen
+van haar donker kleed, haar frisch en immer opgewekt gezicht gehuld in
+'t wit kornetje met de witte, uitgespreide vleugeltjes van ongeschonden
+reinheid. Zij deed Rozeke denken aan het lief begijntje dat destijds
+Alfons' oude nicht verpleegde, en een wereld van herinneringen rees
+kwellend weer in haar op.
+
+"Il est temps, madame, le soleil se couche," fluisterde het nonnetje nu
+de barones vriendelijk toe.
+
+De zieke knikte langzaam met het hoofd ten teeken van gehoorzaamheid.
+Het nonnetje hielp haar met zachte handen opstaan en bracht haar in het
+wagentje. Zij vroeg aan Rozeke of zij de kussens wilde meenemen.--En
+duwend reed zij de patiënte langzaam, in 't stil geklaag der kiezeltjes
+onder de elastieke banden, terug naar het kasteel, waar reeds twee
+knechten op het bordes stonden te wachten, om haar naar binnen te
+dragen.
+
+"Zult ge mij nóg eens komen bezoeken, Rozeke?" vroeg ze zacht
+glimlachend, bij de steenen treden van 't bordes.
+
+"O joa ik, mevreiwe, joa ik; en 'k zal alle doagen onze lieven Hiere
+bidden omdat Hij ou toch genezen zoe," zuchtte Rozeke met hikken in de
+stem.
+
+De zieke dankte met een langen, stillen blik van liefde en als een doode
+vracht zag Rozeke haar in het wagentje naar boven dragen, terwijl zij
+zelve snikkend heenging....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLV.
+
+
+Dit was de laatste maal dat zij haar buiten zag. Toen zij na een paar
+weken op het kasteel terug kwam, lag de jonge barones te bed om het niet
+meer levend te verlaten. Zij spraken nog een poosje met elkaar, zij
+spraken van het zacht en lief verleden, van hun eerste ontmoetingen, van
+beider hoop en geloof in een toekomst van geluk, die zich helaas, voor
+geen van beiden had verwezenlijkt.--En toen was 't uit, de grijze dood
+stond eensklaps tusschen hen; hun teedere, wederzijdsche genegenheid,
+zoo vertrouwelijk en zoo innig ondanks het groot verschil in stand, als
+een in leed en in geluk harmonieus opgaande en begrepen liefde, alles
+was plotseling stil en koud en dood; voor altijd op aarde waren ze door
+het noodlot gescheiden. Zij ging het Groot Mysterie tegemoet; zij ging
+daar waar Alfons reeds was en waar ook Rozeke vroeg of laat komen zou.
+
+Zij stierf op een der laatste, droeve dagen van November.... Rozeke, die
+wist dat het einde naderend was, luisterde iederen ochtend en avond in
+angstige spanning of de verre doodsklok op den kerktoren galmde.--En
+eindelijk, op een koud-stillen, grijs-mistigen avond hoorde ze 't: de
+driemaal herhaalde, in lugubere kadans galmende slagen: het bimbim ...
+bombom ... bambam der groote, plechtige begrafenissen.
+
+"De jonge mevreiwe zal deud zijn!" riep zij ontroerd tot Meleken, die
+bezig was met de luiken dicht te doen. Zij had nog willen twijfelen maar
+het was bijna niet mogelijk. Zij liep gejaagd naar de buren, en daar
+hoorde ze 't: ja, de jonge barones was overleden. De menschen kwamen uit
+hun huis, spraken elkaar met bedroefde gezichten aan. Allen hadden
+steeds zooveel van haar gehouden en zooveel medelijden gevoeld met haar
+ongelukkig jong leven.--De grauwe nevel-lucht leek vol van rouw en
+treurnis, in alle schuren staakte 't doffe bonzen van de dorschvlegels
+en het gegons der zwingelraderen; eenieder stond huiverend in de kou
+buiten te luisteren naar het verre droeve galmen van de doodsklok; en in
+vele huisjes werden kaarsen ontstoken en bad men, neergeknield bij de
+heilige beeldjes, voor de zielerust der liefelijke en zoo rampzalige
+jonge vrouw.
+
+Den volgenden dag ging Rozeke naar 't kasteel en vroeg of zij haar
+vriendin nog eens mocht zien. Door een zwijgenden knecht werd zij in een
+sombere, doodstille kamer gelaten en na een poosje hoorde zij een zacht
+geruisch van rokken en vóór haar stond de donkere gestalte van het
+stille nonnetje, die haar fluisterend met zich mede wenkte. Over den
+zwaren looper van de breede trap gingen zij naar boven. Hooge ramen van
+blauw, geel en purper gekleurd glas hulden vestibule en trapportaal als
+in een atmosfeer van kerk; en door een lange, donkere gang kwamen zij
+aan een witte deur, die 't nonnetje zachtjes voor haar openduwde.
+
+Bevend en snikkend trad Rozeke binnen. En door haar tranen heen zag zij
+eerst niets dan een witachtigen nevel, waaruit bedwelmende aromas van de
+fijnste bloemen schenen op te wasemen. 't Was of zij in een donkere
+bloemen-serre kwam, waarin alleen twee witte kaarsjes op een witte tafel
+brandden; en eerst toen ze vóór 't bed stond zag zij haar geliefde
+jonkvrouw liggen, o zoo schoon, zoo heilig teer en schoon, het fijne,
+wasgeel hoofd een ietsje scheefgezakt op 't blanke kussen, de oogen toe,
+het prachtig haar in twee zware, donkere vlechten op haar schouders
+golvend en de fijne gele handen als biddend op de strakke borst
+gevouwen.--O, zij scheen zoo heilig-kalm te rusten en te bidden; en om
+haar heen, op 't blanke bed, was het een schat van pure, blanke bloemen,
+die als de geurende essentie van haar allerlaatst gebed in onzichtbaren
+wierook rondom haar ten hemel stegen.
+
+Rozeke was met gevouwen handen vóór het doodsbed op haar knieën gezonken
+en een poos was er geen ander geluid in de stille, donkere dooden-kamer
+dan het geknetter van de waskaarsen en het snikken van 't geknakte
+boerenvrouwtje in lijdende aanbidding voor haar doode meesteres. Toen
+stak het nonnetje met stil gebaar een vochtig palmtakje naar haar uit en
+Rozeke nam het in de hand en besproeide even, in vrome teederheid, de
+lijkwade der doode. Een laatste maal staarde zij, door haar tranen heen,
+naar de zoo geliefde trekken en toen vertrok ze, waggelend, als in
+duizeling, door de donkere gang tot aan de schemerige trap door 't
+stille nonnetje begeleid.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVI.
+
+
+In dat zelfde kerkje, waar Rozeke eenmaal, met tranen van zalige
+ontroering, haar schitterende huwelijksplechtigheid zag, woonde zij nu
+haar plechtige begrafenis bij.--Daar lag ze, als van marmer,
+onbewegelijk in haar kist, wit als het doodskleed dat haar bedekte, de
+oogen toe en de handen gevouwen, met haar schoone donkere haren in twee
+zware vlechten op haar schouders. Daar lag ze, op de zelfde plaats, waar
+zij, jaren geleden, in maagdelijke blankheid, stralend van schoonheid,
+van gezondheid en geluk aan de zijde had gestaan van hem die haar
+eeuwige trouw en liefde gezworen, maar haar zoo schandelijk bedrogen en
+gedood had; en de zelfde priesters die destijds lofzangen van geluk en
+vrede aanhieven, zongen nu de plechtige treurzangen van het eeuwig
+afscheid over haar koud en roerloos lichaam.
+
+En Rozeke, verscholen in een hoekje van de kerk, achter de talrijke,
+donkere rouw-menigte van verwanten, vrienden en kennissen, weende,
+weende.... 't Was of haar gansche wezen weg zou smelten in haar tranen,
+'t was of ze 't laatste van al haar levensvreugd in 't graf zag dragen;
+er was niets meer, geen licht, geen hoop, geen toekomst; alles, àlles
+leek nu dood en in de koude aarde voor altijd begraven; en snikkend
+strompelde zij, na de begrafenis, in de dood-triestige schemering,
+gebogen en geknakt als een oud, versleten vrouwtje, langs de eenzame
+wegen huiswaarts.
+
+Daar zat hij, de man, de vijand, de oorzaak van háár levensleed en
+ondergang, zooals die andere man, op zijn manier, de oorzaak was geweest
+van al het lijden en den dood harer vriendin. En een onuitsprekelijken
+haat en walg kwam in haar op voor dat akelig, bruut gezicht; zij keerde
+de oogen van hem af en zij had alle moeite om hem niet, trillend van
+toorn en verachting, de wreede woorden naar het hoofd te slingeren, die
+haar bijna onweerstaanbaar op de lippen kwamen: "waarom ligt gij,
+schurk, nu niet in 't graf in plaats van haar!"
+
+Maar treiterend-grinnekend, met een borrel in zijn hoek gezeten, staarde
+hij haar aan; en plotseling hoorde ze zijn stem, zijn ruwe, nijdige
+vijand-stem, die schimpend vroeg:
+
+"Hawèl, hoe es 't gegoan? Hèn z' heur in de put gekregen? Zit ze 'r in,
+joa? En komt ze 'r nie mier uit?"
+
+Zij keek hem even aan, koel en strak, met hooghartig misprijzen. Zij was
+niet bang meer voor hem; voor niets meer was zij bang. Zwijgend nam zij
+haar mantel af en ging hem in de kamer weghangen.--Hij dronk ineens zijn
+borrel leeg en slaakte dof een vloek.
+
+"Hawèl, nondedzju! Zij-je deuf of stom geworden?" gilde hij ruw, toen ze
+na een poos weer in de keuken kwam. "Hè-je nie g'heurd wat da 'k ou
+gevroagd hè?"
+
+"'K'n verstoa ou niet," antwoordde zij koel, kalm, uit de hoogte. En zij
+ging naar het venster, bij de wieg, waarin haar jongste kind lag.
+
+"Ha! ge'n verstoa mij niet!" riep hij, eensklaps dreigend, met
+fonkelende oogen overeind gerezen.--"Hè-je 't geld mee? Verstoa-je
+dàtte?"
+
+Strak keerde zij zich om en keek hem aan.--'t Geld!... wat bedoelde
+hij? Hoe wist hij? Wie had hem gezegd...?
+
+Hij grijnslachte nijdig: "Haha! ge mient da'k van niets 'n wete! Ge
+mient da 'k niet 'n wete da g'in heur testament stoat! Nondedzju, ge zij
+mis, zille! 't Geld! Hier! Afgeven, zeg ik ou!"
+
+Zij schrikte hevig en staarde hem met toenemende angst en ontzetting
+aan. Hoe wist hij? wie had hem kunnen zeggen...? Maar hij wist het,
+zooveel was zeker; hij wist het en hij eischte het op. En plotseling
+woelde en ziedde 't in haar binnenste als in opstand en nam ze 't
+onverbiddelijk besluit hem nooit iets van het geld te geven, nooit,
+nooit, wat er ook gebeuren mocht.
+
+"'K 'n hè 't niet!" riep ze met van haat gloeiende oogen; "'K 'n hè 't
+niet, moar al ha 'k het, noeit 'n zal ik er ou iets van geven, noeit
+noeit, noeit! verstoa-je-datte?"
+
+Zij durfde hem eensklaps aan; haar liefde, haar piëteit voor de
+nagedachtenis der dierbare overledene gaven haar een kracht waarvan ze
+zich zelve niet bewust was. Zij stond vlak vóór hem, dicht bij hem,
+dreigend, de oogen flikkerend, trotseerend zijn woede-blikken, zijn
+paars-zwellend gezicht, zijn krampachtig gesloten vuisten. Er was een
+oogenblik van doodsche, onheilspellende stilte. Zij hoorde duidelijk het
+trage tikken der klok en 't vroolijk blaasgepruttel van het kleintje in
+de wieg. Het werd reeds schemerduister buiten en groote, logge schaduwen
+kropen in huis onder de donkere zolderbalken.
+
+Eensklaps vloog hij, gedrochtelijk hinkend, naar de voordeur en schoof
+den grendel ervoor. Toen naar de achterdeur en grendelde die ook. Toen
+greep hij naar zijn stok.
+
+Met een schorren gil sprong ze op zij en greep instinctmatig een stoel
+en hield die vóór zich uit. Zou hij weer durven slaan? Zou hij durven,
+nu haar beschermster dood was?
+
+"Lafoard!" gilde zij; "lafoard! past ou op dag' aan mij komt!"
+
+Grijnzend kwam hij op haar af.
+
+"We zijn alliene thuis en we 'n moên ons nou nie mier sjeneeren,"
+grinnikte hij. En plotseling weer gebiedend, kort en ruw:
+
+"Ala toe,... da geld, hè ... afgeven!"
+
+"'K 'n hè 't niet! en al ha 'k het ge 'n zoe 't nie krijgen!" krijschte
+zij.
+
+De stok siste, in een woesten zwaai; en met een korten knak kwam de slag
+half tegen haar hoofd, half op de leuning van den stoel terecht.
+
+"Sloeber! kreet ze. "En plotseling stootte ze met al haar kracht de
+pooten van den stoel vooruit, vlak naar* zijn walgelijk, paarsrood
+gezwollen gezicht.
+
+Bloedend, brullend van pijn en woede, rukte hij den stoel met zulk een
+geweld naar zich toe, dat hij er mee achterover neerplofte en zij boven
+op hem viel. Hij greep haar met zijn beide knuisten om de keel, duwde,
+trok en wrong tot zij weer onder lag;--en toen liet hij zijn rechterhand
+los terwijl hij met de linker knelde en worgde, sloeg en beukte hij nu
+met de gebalde vuist in haar gezicht, zoo hard en zoo snel als hij kon.
+
+Zij slaakte korte kreten, als een rauw en heesch gebrul, tusschen de
+steeds woester neerbeukende bonzen. 't Was als een telkens afgebroken,
+schor geblaf, het leek geen menschelijk geluid meer; 't was als de
+noodkreet van een vermoord beest, dat stikt in bloed-gebrobbel. Maar
+plotseling kreeg ze een van zijn vingers tusschen hare tanden en beet er
+op als razend en liet hem niet meer los, terwijl haar rauw, intermittent
+gebrul eensklaps veranderde in een aanhoudend hoog gegil, als het
+oorverscheurend krijschen van een schrille stoomfluit.
+
+Een geweldige bons op de voordeur en als onder het rammeien van een
+heiblok vloog ze open, en Kamiel en Meleken kwamen binnengestormd. Met
+één machtigen ruk trok de stalknecht Smul van Rozeke's lijf, gooide hem
+als een pak in den hoek bij den haard, sprong op hem toe en hield hem
+daar onder bedwang, terwijl Meleken haar als zinneloos gillende
+meesteres optilde en naar het achterhuis droeg.
+
+"Loat mij los, nondedzju! ze moet deud! ze moet deud!" gilde Smul,
+bloedend en spuwend, als een gewond beest in den hoek van den haard
+onder Kamiels forsche knelling in elkaar gedrukt.
+
+"Stille, boas, stille," hijgde Kamiel met reusachtige inspanning den
+woesteling in bedwang houdend.
+
+"Deud, nondedzju! deud! deud moe ze! deud! deud!" schreeuwde Smul, door
+het aanhoudend hoog-gillen van Rozeke in zijn furie nog opgezweept.
+
+Kamiel, niet in staat hem daarbinnen langer te bedwingen, rees
+plotseling overeind en sleurde met geweld den woestaard naar de deur.
+Smul klauwde, schopte, beet en stampte; maar telkens werd hij met een
+schok weer wat verder gerukt en eindelijk was hij buiten en viel er
+uitgeput en grollend in het gras. Binnen in huis bleef Rozeke aanhoudend
+als een krankzinnige scherp gillen.
+
+Meleken kwam verwilderd naar buiten geloopen.
+
+"O Kamiel, leupt toch gauw om hulpe!" smeekte zij schreiend. "Toe,
+Kamiel, hoast ou, 't es wried, de bezinne goa stirven!"
+
+In machtelooze wanhoop schudde de knecht het hoofd, Smul steeds met
+ijzeren greep onder zijn klauwen houdend. Gelukkig zag hij juist iemand
+achter 't hek voorbij stappen en riep hem dringend:
+
+"As 't ou blieft vriend, leupt toch al gauw om den dokteur, de bezinne
+ligt op stirven!"
+
+"Wa és da? wa gebeurt er hier?" zei de man, verstard kijkend in 't gras
+op Smul en met schrik-oogen luisterend naar het onophoudend noodgegil in
+huis.
+
+"Och leupt toch! leupt toch! 't es te wried!" smeekte Kamiel zelf
+huilend.
+
+De man holde weg en plotseling richtte Smul zich in het gras half op.
+Kamiel sprong toe en drukte hem weer neer.
+
+Maar Smul was opeens bijna kalm geworden.
+
+"Loat moar, 't es gedoan," zei hij, zich nijdig loswringend.
+
+"Blijf hier, boas, wa goa-je doen?"
+
+"Hoal mij mijn klakke," zei Smul.
+
+Kamiel vloog in huis, nam Smuls pet, die naast den haard lag en rende er
+weer mee naar buiten.
+
+Smul zette ze op, veegde met zijn mouw het bloed van zijn gezicht en
+stapte somber, gedrochtelijk-hinkend, naar het hek.
+
+"Woar goa-je noartoe, boas!" liep Kamiel hem angstig na.
+
+"Noar den duuvel?" antwoordde Smul met een woedenden blik.--En weg ging
+hij, in de grijze schemering.
+
+Nog steeds, doch doffer nu, lag Rozeke in 't achterhuis te gillen.
+
+Het kleintje, dat eerst een poos hevig geschreid had, lag nu opgewonden,
+met blinkende oogjes en zwaaiende armpjes, blaas-pruttelend in zijn wieg
+te woelen. De andere kinderen kwamen spelend langs den weg van school
+terug....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVII.
+
+
+Dien nacht kwam Smul niet thuis.--Doch niemand bekreunde er zich om: hij
+liep waarschijnlijk, dronken, de dorpsherbergen af.
+
+De dokter was gekomen en had Rozeke te bed gelegd. Haar wonden waren
+ernstig, doch niet levensgevaarlijk. Alleen haar gezicht was deerlijk
+geschonden: twee voortanden uitgeslagen, de oogen bijna toegezwollen, de
+helft der linkerwang rauw vleesch. Door het aanhoudend gillen, als een
+krankzinnige, was haar stem heesch en schor en bijna klankloos geworden.
+Nu lag ze stil. Slechts af en toe nog kreunde en zuchtte zij en greep
+soms wild met beide handen naar haar keel, alsof zij er nog steeds zijn
+wreed worgende knelling voelde.--Kamiel en Meleken wachtten vol angst op
+Smuls terugkomst.
+
+Doch hij kwam niet.--De gansche dag verliep en ook de avond en de nacht
+en nog steeds was hij niet terug.
+
+Toen hij den derden dag nòg niet verschenen was zei Meleken tot Kamiel:
+
+"Kamiel, jongen, ge moet ne kier in 't dorp goan infermeeren en aan
+bezinnes ouërs zeggen dat hij nog niet thuis 'n es."
+
+Kamiel kleedde zich aan en ging. Hij kende de herbergen waar Smul 's
+zondags gewend was te komen en hij bezocht ze, de eene na de andere.
+
+Jawel, men had hem bijna overal gezien, maar dat was al meer dan twee
+dagen geleden en sinds had men niets van hem gehoord.--In "d' Ope van
+Vrede" was hij schreeuwend en vloekend binnengekomen, met gescheurde
+kleeren en bebloed gezicht, afschuwelijke dreigementen tegen onbekende
+vijanden uitrazend; maar de gewone klanten van die degelijke herberg,
+meest allen fatsoenlijke burgers, die hij in hun dagelijksch, rustig
+kaartpartijtje stoorde, hadden zich zóó aan zijn opruierig lawaai
+geërgerd, dat Sietje, 't herbergmeisje, beslist geweigerd had hem drank
+te geven, waarop hij met de schandelijkste scheldwoorden en vloeken weer
+vertrokken was. Na "d' Ope van Vrede" had hij de "Casino" bezocht; na de
+"Casino" het "Huis van Commercie" en na het "Huis van Commercie" 't
+"Klein Congres", waar hij eensklaps op zijn vroegeren baas, boer
+Kneuvels, was gebotst. Op dat oogenblik was Smul reeds hevig dronken;
+boer Kneuvels was het ook, zooals gewoonlijk wanneer hij in het dorp
+kwam, en dadelijk hadden zij, over een beuzelarij, ruzie gekregen en
+willen vechten.--De baas uit 't "Klein Congres" had hen beiden met
+geweld op straat gegooid en zijn herberg achter hun rug gesloten.
+
+Het was toen ongeveer half elf. Smul had Kneuvels eerst een tijd
+verloren en hem daarna heel onverwacht in een andere herberg weer
+teruggevonden, waar de ruzie herbegonnen was; maar ook daar kwam de baas
+onmiddellijk tusschen beide en verzocht hen elders te gaan kijven.--Weer
+was Smul boer Kneuvels kwijt geraakt, die intusschen naar zijn hoeve was
+teruggekeerd; en daar alle fatsoenlijke dorpsherbergen op dat oogenblik
+gesloten waren, was hij terecht gekomen in het Peperhol, de
+slechtbefaamde achterwijk waar wildstroopers en dieven woonden en waar
+de kroegjes tot laat in den nacht open bleven.--In de "Jonge Vlooi" had
+hij een bende boeven en straatmeiden met wijn getrakteerd. Van uit de
+"Jonge Vlooi" was de geheele troep met hem meegegaan naar het
+"Luizegevecht", waar zij nogmaals wijn gedronken en gedroogde worst
+gegeten hadden. Daar van daan waren zij in de "Gesieperde Kavanse"
+terecht gekomen....
+
+En daar ook moest Kamiel zijn opsporingen staken. De "Gesieperde
+Kavanse" was het laatste kroegje van 't beruchte Peperhol. Daar achter
+lag het open veld en verder het kanaal. Tot half drie in den nacht was
+Smul er gebleven. Hij bevond er zich op 't laatst geheel alleen. Al lang
+waren zijn laatste centen op en hij had reeds heel wat schuld gemaakt,
+toen de baas hem eindelijk gezegd had dat 't nu tijd werd om naar bed te
+gaan. Smul was opgestapt en vanaf dat oogenblik had niemand hem meer
+gehoord of gezien.
+
+Kamiel stond bedremmeld. Dat alles was reeds meer dan twee dagen geleden
+en allen dachten Smul sinds lang op zijn boerderij teruggekeerd. Hij
+verliet het Peperhol en ging naar Van Dalens huisje.
+
+"Zeu," zei moeder Van Dalen, minachtend de schouders ophalend, toen zij
+'t verhaal hoorde; "wel zeu, hij 'n es nog nie thuis! O, hij zal
+versmeurd zijn in de voart. Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, goa gij
+noar de sandurms en geef het aan. Ze zillen d'er zij wel noar zoeken en
+'k zal ik te binst noar Roze goan."
+
+De jongen stond wel wat verbaasd over zooveel onverschilligheid, maar
+zei verder niets; en door vader en Miel van Dalen vergezeld, begaf hij
+zich naar de gendarmerie en vertelde er 't gebeurde. Toen liepen zij met
+hun drieën en een paar gendarmen een eind weg langs het kanaal, in 't
+water kijkend. Maar onverrichter zake keerden zij naar de boerderij
+terug.
+
+Rozeke was wat bijgekomen. Toen zij haar ouders en haar broeder zag, die
+sinds meer dan een jaar op de boerderij niet geweest waren, ving zij
+onbedaarlijk aan te schreien. Zij greep hun handen, klemde zich als 't
+ware aan hen vast en smeekte snikkend:
+
+"O, moeder, voader, Miel, ge 'n meug noei mier wiggoan, ge moet bij mij
+blijven. Smul zal weere komen en hij zoe mij deudsloan!"
+
+Maar toen zij vernam dat Smul nu reeds drie dagen weg was en misschien
+wel in 't kanaal verdronken lag, toen kwam er als een glans van
+onverwachte hoop en van geluk over haar deerlijk geschonden gelaat en
+zij zuchtte, als in een stille bede:
+
+"Och Hiere! dat 't toch woar woare! da 'k hem toch noeit van mijn leven
+mier 'n zag!"
+
+Eenige dagen verliepen. De gendarmen zochten, dregden in 't kanaal en
+Rozeke lag bevend te wachten en vreezend elk oogenblik hem terug te
+hooren komen; elk uur, elke minuut die verstreek was voor haar een
+versterking van haar eenige, laatste hoop.
+
+En eindelijk, op een namiddag, tegen avond, zag zij,--voor de eerste
+maal sinds zijn mishandeling weer opgestaan en naast haar kinderen voor
+het keukenraam gezeten,--zag zij, als een boodschapper van blijde,
+gelukkige tijding, als een redder bijna, den dorpsveldwachter op het
+boerderijtje komen. Zij twijfelde geen oogenblik, zij was zéker dat hij
+haar de goede tijding der verlossing bracht, zij voelde, vòèlde dat hij
+haar kwam mededeelen dat men Smul gevonden had; zij zag en voelde 't aan
+zijn gansche houding, aan de bizondere uitdrukking van zijn gelaat, aan
+de nieuwsgierige gezichten van enkele dorpelingen en buren, die hem
+aarzelend op een afstand vergezelden.
+
+Zij stond in strak-gespannen houding op terwijl hij binnen kwam,
+beantwoordde machinaal zijn korten groet en hoorde als in een droom zijn
+woorden:
+
+"Bezinne,... ge meug nie verschieten,... 'k kom ou zeggen da we Smul
+gevonden hên."
+
+"Deud?" kreet zij, in instinctmatige vrees of er nog twijfel was.
+
+"Deud," antwoordde de veldwachter langzaam hoofdknikkend. "Whên hem doar
+uit de voar gehoald, achter ne greute sleeper mee 'n woale-scheep dat
+diepe geload was en dat hem noar boven gemeulend hèt.--Hij es al leulijk
+aan 't bedirven. Wilt g'hem hier hên of moên w'hem ginter houên? Hij
+ligt in den stal van 't gemientenhuis."
+
+"Houdt hem ginter, houdt hem ginter, 'k zal direkt de kiste loate
+moaken," antwoordde zij dof.
+
+"En moet g'hem nie mier zien?"
+
+"Nien ik, nien ik, nien ik," zei zij, beslist en krachtig
+hoofdschuddend.
+
+"Al gezeid.--Zurgt dan da we zeu gauwe meugelijk de kiste krijgen."
+
+En met een korten "goên dag" was de veldwachter weer weg. De
+nieuwsgierige dorpelingen en de buren, die tot halverwege den boomgaard
+meegekomen waren, keerden druk-pratend met hem weer terug....
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+XLVIII.
+
+
+Toen kwam er groote kalmte in Rozeke's zoo lang geschokte leven. De
+harde strijd, die veel van haar had weggerukt, was plotseling
+uitgestreden en daar zat ze nu, alleen en zwaar-beproefd, maar eindelijk
+toch verlost en vrij, met een gevoel van zekerheid en vrede, in 't
+instinctief besef dat 't ergste was geleden, dat zij niet langer meer de
+speelbal van een wreed en grillig noodlot was, en voortaan zelve iets
+aan haar verder leven schikken kon.
+
+Haar verder leven...! Zij was pas twee en dertig,... en tweemaal
+weduwe met drie kinderen;--twee waren er bij de geboorte gestorven--.Dat
+stond vóór haar als een baken, als een vast bereikt doel.--Zij zou niet
+meer hertrouwen; zij zou voortaan uitsluitend voor haar kinderen
+leven....
+
+En 't leven ging opnieuw zijn tragen, stillen, dagelijkschen gang; en
+weken werden maanden: en maanden werden jaren, met hun afwisselende
+seizoenen en natuurlijke gebeurtenissen.--Haar vader stierf; velen om
+haar heen verdwenen, die lange jaren met haar hadden meegeleefd. Haar
+broers en haar zuster waren getrouwd en hadden ook reeds kinderen; en
+haar eigen kinderen werden allengs groot en volwassen en zij zelve
+voelde zich langzaam aan een oudje worden....
+
+Een oudje dat het nieuwere niet steeds begreep of liefhad en weldra meer
+en meer terugleefde in herinneringen van vroeger....; een oudje, dat
+trapsgewijs de toekomst weer heel anders worden zag dan ze zich die
+gewenscht en voortgesteld had.
+
+Vroeger was het haar hoop en haar wensch, haar innigste illuzie geweest,
+dat haar oudste zoon geen boer zou worden. Hij zou onderwijzer worden,
+zooals meester Cattoir, bij wien hij zoo goed leerde. Maar met den dood
+van Alfons was ook die illuzie in haar gestorven en zij had wèl gehoopt
+dat hij bij haar terug zou komen en in zijn vaders plaats de boerderij
+beheeren.
+
+Te laat!--Hilaire voelde afkeer voor 't boerenbedrijf. Hij had, tegen
+haar zin, zijn studies doorgezet en weldra een plaats als
+hulponderwijzer op een ver-afgelegen dorp gekregen. Hij trouwde er, had
+kinderen en Rozeke zag hem slechts zelden meer; en wanneer zij hem nog
+zag was hij bijna als een vreemde voor haar; een vreemde, die een
+deftige taal sprak, als destijds meester Cattoir; een vreemde die bij
+haar kwam met een vreemde vrouw en met twee vreemde kinderen: een
+heertje en juffertje, die de vreemde, ongewone namen droegen van Adhémar
+en Bérénice en ook diezelfde, vreemd-deftige taal spraken en met een
+soort wantrouwen haar de handjes gaven alsof zij ook voor hen een totaal
+vreemde was.
+
+En dan Marietje!--Marietje, door de zorgen van jonkvrouw Anna bij de
+nonnetjes in 't klooster opgevoed, had het klooster ook niet meer
+verlaten. Sterker nog dan haar broeder voelde zij een afkeer voor haar
+oorsprong en toen zij achttien jaar was en over haar toekomst moest
+beslissen, had zij verklaard non te willen worden. Niets was bij machte
+geweest haar van dit vast voornemen af te brengen; en nu was zij non, nu
+liep zij met het wit kornetje en het zwarte kleed in 't klooster; nu was
+zij van de gansche wereld, van haar vroegere vrienden en verwanten en
+ook van haar moeder voor altijd gescheiden; en zelfs haar naam had zij
+verloren; in plaats van Marietje van de Weghe, kende men haar nu nog
+enkel onder den naam van soeur Vincent-Perpétue!...
+
+Soeur Vincent-Perpétue...! Rozeke kende haar niet meer. Ook met haar
+had ze geen voeling meer; ook zij, haar eenige dochter, de dochter van
+Alfons, was een vreemde voor haar geworden. Soms kwam zij op de
+boerderij en sprak dan over dingen die Rozeke niet goed begreep of die
+haar kwelden of verveelden: over de ziel, over de eeuwigheid, over het
+eenig ware katholiek geloof. Rozeke was godvruchtig, zij was het steeds
+geweest, maar 't ergerde en sarde haar dat dat kind, die dochter van
+haar, er meer van weten en er wijzer over spreken wou dan zij: 't
+verveelde haar.--En in haar eenzaamheid had ze nog slechts haar jongsten
+zoon, Arie, Smuls kind, een goede, brave, maar ietwat slappe en
+karakterlooze jongen, die in niets leek op zijn vader; een jongen die
+iets goedig-onbeduidends en onverschilligs over zich had; die machinaal
+zijn werk verrichtte en ook geen verdere ambitie had dan het machinaal
+betrachten van zijn alledaagschen plicht; een jongen die ook alweer, op
+heel andere wijze, als een vreemde naast haar leefde.
+
+Allen vreemden, onverschilligen--Rozeke voelde haar groote eenzaamheid
+en leefde ver en wijd buiten haar bekrompen, dagelijkschen kring in de
+herinneringen van 't verleden.--Dat was geweest, dat had bestaan, groot
+en sterk, vol smart en liefde; en 't tegenwoordige was niets dan
+kleurlooze eentonigheid. Zij allen die ze goed gekend had en waarvan de
+meesten nu sinds lang verdwenen waren, herleefden voor haar geest, doch
+slechts heel even: allen verzwonden weer, nietig en klein, verschrompeld
+door den dood, uiteengewaaid als stof onder een windvlaag,... maar twee
+bleven er telkens over, eeuwig jeugdig, eeuwig frisch en eeuwig schoon;
+twee die zij zoo kort, o, zooveel te kort en toch zóó innig had
+liefgehad: haar man en jonkvrouw Anna!
+
+Die alleen leefden, lééfden steeds intens voor haar!--Met die twee
+leefde zij zelve in voortdurende gemeenschap. Zij zag in zalige
+verrukking hun welbekende gelaatstrekken en hoorde steeds hun geliefde
+stem. En 't kwam haar voor alsof zij die, en alleen die onder hen allen,
+terug zou vinden zooals zij hen gekend had, in al de jeugd en al de
+schoonheid van hun mooiste jaren, die voor altijd zouden blijven
+duren....
+
+Het werd een teer en zacht verlangen, een innige, vurige hoop, die, in
+de vergetelheid van al het tegenwoordige, haar verleden met haar
+toekomst weer vereenigde.--Het werd een troost, een vast geloof, een
+sterke zekerheid; het was iets dat zij ieder oogenblik te gemoet ging,
+dat elken dag steeds dichterbij in haar bereik kwam;... 't was iets ...
+dat zij weldra bereiken zou.
+
+Zij wachtte en verlangde,... uren en uren lang zat zij er soms, starend
+in haar eenzaamheid, over te peinzen, te mijmeren. Zij zag hen, zij
+hoorde hen, een brooze wand hield haar nog maar gescheiden van het
+ideale oord waar zij nu beiden en samen, jeugdig en schoon, gelijk in 't
+nieuwe leven en gelijk in heerlijkheid op haar zaten te wachten en waar
+haar plaats tusschen hen bewaard bleef....
+
+In sereene zaligheid voelde ze 't komen;... haar wezen was van deze
+aarde haast niet meer. Nog één stapje, nog één oogenblikje wachtens ...
+en zij was er....
+
+Zij kwam er, zij was er eindelijk, op een stillen, rijken, gouden
+najaarsmiddag. De aarde was als een paleis van ongestoorde weelde, als
+een voorhal van het Paradijs, voor 't laatste afscheid. Alles was zoo
+stil, zoo heilig-glanzend zacht en stil.--Zij lag te bed, met open ramen
+in die rijke heerlijkheid, als om in eens ver-weg te kunnen zweven naar
+het goddelijk, onbekende oord, waar zij sereen-gelukkig op haar
+wachtten. Haar kinderen en kleinkinderen stonden om haar heen, doch
+niemand weende. Zij zagen het geluk van de verlossing op haar kalm
+gelaat.
+
+Zoo ging zij heen.... En toen de laatste zucht gegeven was, kwam een
+onuitsprekelijk-zachte glimlach over hare trekken....
+
+Haar ziel en haar geest, de gelouterde essentie
+
+van haar gansche wezen was bij hem en bij haar,.... haar man en haar
+vriendin,... in onverstoorbaar geluk,... voor altijd,... in het
+eeuwige....
+
+ * * * * *
+
+AFSNEE-AAN-DE-LEYE, 15 Augustus 1905
+
+
+EINDE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 2
+by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 2 ***
+
+***** This file should be named 16882-8.txt or 16882-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16882/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.