summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16881.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '16881.txt')
-rw-r--r--16881.txt6372
1 files changed, 6372 insertions, 0 deletions
diff --git a/16881.txt b/16881.txt
new file mode 100644
index 0000000..3dce68e
--- /dev/null
+++ b/16881.txt
@@ -0,0 +1,6372 @@
+Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1, by Cyriel Buysse
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
+
+Author: Cyriel Buysse
+
+Release Date: October 16, 2005 [EBook #16881]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 1 ***
+
+
+
+
+Produced by Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN
+
+ROMAN IN TWEE DEELEN
+
+DOOR CYRIEL BUYSSE
+
+
+1905
+
+
+
+_Voor mijne Moeder_
+
+
+
+
+EERSTE DEEL
+
+
+
+
+I.
+
+
+De klok, in 't keukentje, riep "koekoe", een keer. Alfons werd half
+wakker. Hij vroeg zich even, in onduidelijk denken, af, of het soms
+reeds de echte vogel buiten was, en niet de klok. Hij kon 't niet
+ophelderen; hij sliep dadelijk weer snurkende in.
+
+Toen scheen het hem dat iemand aan zijn venster tikte, en dat een
+welbekende stem zijn naam riep. Hij wilde opstaan en gaan kijken, maar
+de slaap van zwaar-drukkende vermoeidheid hield, als met duwende
+vingers, zijn oogleden dicht, en doofde de inspanning van zijn geest in
+soezing weer uit.
+
+Toen hoorde hij het eindelijk heel duidelijk: het driemaal bonzen op
+zijn vensterraam, en de stotter-stem van boer Kneuvels, zijn baas, die
+riep:
+
+"A... Alfons... 't es ien! Toe,... ge... ge moet opstoan!"
+
+Opeens was hij klaar wakker en wipte uit zijn bed.
+
+"Zij-je 't gij, boas?" riep hij werktuigelijk. En meteen, waggelend op
+zijn nog onvaste beenen, was hij bij het raampje en trok het open.
+
+De heerlijk-frissche zomernacht-lucht woei hem als een adem van frisch
+leven in 't gezicht, en vulde met een gulle teug van nieuwe krachten
+zijn benauwde longen.
+
+"Ghaaa!... zuchte hij, diep ademhalend. En in de duisternis zag hij den
+boer daar buiten staan, een donkere, vaag omlijnde gestalte, tegen
+zwart-blauwen, flonkerenden sterrenacht.
+
+"Dag Al... Alfons," hakkelde de boer. "Goe... oe weere te weege. Wi...
+ilt... e gij de Van Doalens goan roepen, 'k zal ik o... om d'ander
+goan?"
+
+"Joa ik, boas," antwoordde Alfons, die zich reeds aan 't aankleeden was.
+
+Hol en luid klonken hun stemmen in de stilte van den nacht. Als een
+donkere schaduw trok de boer zich terug, en helderder flonkerden in 't
+vierkant van het open raampje de levend-tintelende sterren aan het
+donkerblauw uitspansel. Alfons stak 't hoofd naar buiten. De boer was
+reeds onzichtbaar. Heel in de verte blafte hol en dof een hond.
+
+Hij rilde en hoestte even van de frissche lucht, en sloot weer dicht het
+raampje. Hij stak een nachtpit op en kleedde zich verder aan. Naast zijn
+kamertje was dat van zijn oude moeder. Stiller ging hij nu te werk om
+haar niet te wekken. Maar zij hoorde hem toch, en haar stem klonk lijzig
+en klagend als die van een zieke:
+
+"Zij-je 't gij, Fons?"
+
+"Joa ik, moeder."
+
+"Het den boer om ou geweest?"
+
+"Joa hij, moeder."
+
+"Hoe loat es 't?"
+
+"Koart noar den ien; sloap moar gerust."
+
+"Zilt-e de deure goed op slot doen?"
+
+"Joa ik, moeder, ge meug gerust zijn."
+
+"Ge moet zeker om de Van Doalens goan?"
+
+"Joa ik, moeder."
+
+Hij hoorde een zucht en een gekraak van 't bed, waarin ze zich scheen om
+te keeren. Hij was aangekleed, nam zijn klompen in de hand om geen
+lawaai te maken, blies 't lichtje uit, verliet zijn kamertje en opende
+in de duisternis de voordeur.
+
+Een stil geruisch van ritselende bladeren, zacht-zijig schuivend door
+elkaar onder den ademtocht van een windje dat nergens vandaan scheen te
+komen, zweefde als een heimelijk gefluister door de hooge kruinen der
+nabije popels; en ergens in de buurt kraaide plotseling schel een haan.
+Hij kraaide een tweede maal. Toen weer de groote, donkere,
+sterrenflonkerende stilte, en heel heel in de verte 't hol geblaf van
+waakhonden met zware stemmen. Alfons trok de deur op 't nachtslot en
+stak den sleutel in zijn zak.
+
+Geen schim van dageraad was nog in 't Oosten te bespeuren. Het was de
+volle, stille zomernacht met zijn miljoenen en miljoenen aan den
+somber-blauwen hemeltrans flonkerende sterren, en heel laag op den
+horizon een scheef hellende sikkelmaan, die langzaam aan, van gloed
+verdoovend, in het westen aan 't verdwijnen was.
+
+Met vlugge schreden, den kraag omhooggetrokken en een weinig huiverend,
+liep Alfons langs het smalle kronkelpaadje naar den breeden, mullen
+zandweg. De zware popels om zijn huisje suisden hem nog even droomerig
+na, en dadelijk daarop was hij in 't volle veld, tusschen de rechts en
+links golvende, rijpende korenvelden. De hooge halmen, over het paadje
+gebogen, gleden hem met de klam-kille streeling hunner bedauwde aren
+over de handen en 't gezicht, en geurden zoet en frisch naar landelijke
+heerlijkheid.
+
+Hij dacht aan Rozeke. Gisteren, en ook al de laatste vorige dagen had
+hij aan haar gedacht, omdat hij wist dat hij haar nu terug zou zien, dat
+hij een dag, een ganschen vollen dag met haar zou mogen doorbrengen.
+Maar een ontstemmend gevoel fronste plotseling zijn wenkbrauwen: er was
+er nog een die naar haar verlangde en haar den ganschen dag zou zien:
+Smul, boer Kneuvels' paardenknecht!
+
+Hij bromde iets tusschen zijn tanden en vlugger nog, als in gejaagde
+haast, liep hij door. Hij voelde reeds de nachtelijke frischheid niet
+meer en sloeg den kraag van zijn wambuis weer over. Smul,... dat was de
+vijand; hij kon hem niet uitstaan. Telkens wanneer hij een dag op de
+hoeve kwam werken, moest hij zich met wilskracht bedwingen, of het zou
+tot een uitbarsting, tot een vechten gekomen zijn. Dat was nu al vanaf
+dien Kermisdag, twee jaar geleden, toen Smul zoolang met Rozeke gedanst
+had. Zij had niet bepaald durven weigeren met hem te dansen, zij wou het
+alleen maar heel kort maken; doch eenmaal in zijn bezit had hij haar
+niet meer losgelaten, haar met geweld doen meedraaien, oneindig lang,
+tegen haar zin, tot zij eindelijk niet meer kon, en huilend in zwijm
+bijna, uit de armen van den woestaard in elkaar gezakt was. Hij, Alfons,
+was dreigend in het midden gekomen, had hem met geweld het meisje,
+--bijna zijn meisje--uit de handen willen rukken; maar Smul was veel
+sterker dan hij, en weinig had 't gescheeld of het liep uit op een
+gevecht waarin Alfons zonder twijfel een deerlijke nederlaag zou geleden
+hebben.
+
+Hij joeg die nare herinnering van het verleden uit zijn gedachte, en
+even kwam een glimlach op zijn lippen. Rozeke hield van hem, hij voelde
+'t, hij wist het, al had ze 't hem nog niet gezeid. Hij zag dat telkens
+in haar oogen, hij hoorde 't in haar woorden, al deed ze soms ook nog
+wat stug en vreemd met hem; en hij had pret in zichzelf omdat hij het
+zoo handig met boer Kneuvels had weten te schikken, dat niet de boer
+noch zijn paardenknecht, maar wel hij de Van Dalens dien ochtend zou
+gaan wekken. Hij eerst, voor alle anderen, zou Rozeke zien en met haar
+spreken. Hij zou met haar, en met haar broeders en haar zuster, in de
+vertrouwelijke duisternis van den nacht, den tamelijk langen weg
+afleggen van hun huisje naar de hoeve, en daarna van de hoeve naar den
+vlasgaard. Ook Smul zou haar zien, en met haar spreken, zeker, dat kon
+ook niet anders, doch eerst later, als hij al ruim tijd en gelegenheid
+zou gehad hebben, om haar te zeggen en te vragen, dat wat hij reeds zoo
+lang van plan was en nu eindelijk brandde van verlangen haar te zeggen
+en te vragen.
+
+Hij was op een breeden, zandigen landweg gekomen, volgde dien een
+eindje, stak dwars een steenweg over bij een kruispunt waar een eenzaam
+huisje stond, volgde weer de kronkelige baan tusschen het hooge koren.
+De doodstille zomernacht droomde. De geurende korenvelden stompten zich
+aschgrauw gelijk twee vage muren aan beide kanten van den landweg af, en
+daarover heen was niets dan een hooge, donkerblauwe oneindigheid,
+tintelend van levend-gouden sterren. Hij zag geen boomen en geen huizen
+meer: het was de volle nachtelijke eenzaamheid der heerlijk vruchtbare
+landouwen.
+
+Zoo liep hij enkele minuten door, in zachte opgewektheid van gedachten.
+Op den onzichtbaren kerktoren van het dorpje klopte kort en hel een
+slag: half twee. Een ander dorpje galmde tegen, heel heel zwak en verre,
+als een kinderstemmetje dat antwoordt op een mannenstem. Vleermuizen
+fladderden geruischloos om hem heen, muggen gonsden droomerig in de
+groote stilte, en zijn eenzame schreden klonken in kadans, dof-klompend
+door het mulle zand. Weldra draaide en kronkelde de weg in een reeks van
+grillige bochten tusschen slooten en boomen, en eindelijk kwam hij op
+een klein gehucht met spitse, bleeke geveltjes naar den straatkant, en
+reuzen-populieren, die hun donkere kruinen, hoog in den blauwen
+sterrennacht, over de stille daakjes uitspreidden. Daar was het. Zijn
+klompen, galmend in de doodsche stilte op het smal plaveisel tusschen de
+huisjes, deden plotseling de honden blaffen. Hij telde de woninkjes:
+twee, drie, vier,... in donkere, gesloten rust achter de boomgaardjes;
+en voor het vijfde hield hij stil, tilde den sluitboom van het hek op en
+stapte over 't smalle paadje door het gras naar het woonhuisje toe.
+
+Zijn hart klopte gejaagd. Hij wist niet waar ze sliep: voor of achter.
+Alleen wist hij dat rechts van de deur het keukenraampje was, en links
+daarvan een slaapvertrek. Hij hoopte, zonder eigenlijk precies te weten
+waarom, dat zij aan den voorkant sliep, en dat hij aan het raampje van
+haar kamertje zou tikken.
+
+Hij stond voor 't raampje, de luikjes waren dicht. Hij trok er zachtjes
+aan. Zij boden weerstand. Toen tikte hij, driemaal, niet hard, met de
+kneukels op het hol-klinkend hout.
+
+Iemand bewoog zich in een bed daarbinnen. Hij wachtte even. Toen tikte
+hij opnieuw, twee maal, zachter.
+
+"Wie es er doar?" vroeg plotseling een zware, slaperige mannenstem.
+
+De teleurstelling deed hem 't antwoord even schuldig blijven. Hij had
+zoo gehoopt aan Rozeke's venster te tikken.
+
+"Es er doar iemand?" vroeg opnieuw de stem, norsch-wantrouwend en nu
+heelemaal wakker.
+
+"'k Ben 't ik, boas Van Doalen," antwoordde Alfons eindelijk, "'k Kom
+ulder opkloppen veur de slijtinge."
+
+"Haha!" knorde de stem gerustgesteld. "Wacht'n beetsen, 'k zal open
+doen."
+
+Alfons trok van het raampje weg, en kwam bij de voordeur, terwijl vader
+Van Dalen, opgestaan, nu met groot geluid daarbinnen zijn familie wakker
+maakte.
+
+"Roze, La, Miel, Dolf, ala toe, opstoan! 't es tijd!" hoorde Alfons hem
+roepen. En dadelijk was hij aan de deur, waarvan hij ratelend den
+grendel wegschoof, en spoedig openmaakte.
+
+Alfons trad binnen. Vader Van Dalen, barrevoets, in broek en hemdsmouwen,
+begroette hem met een gullen "goen dag" en ging hem voor in 't keukentje,
+waar hij een lichtje opstak.
+
+"Zet ou 'n beetsen;--wa veur 'n weer es 't buiten? scheun slijting-weer,
+he?" praatte hij met luid-galmende stem, alsof hij op den akker was; en
+opgewekt ging hij daarover door, bewerend dat 't een zomer was die al de
+boeren rijk zou maken, als dat prachtig weer nog maar enkele weken
+aanhield. Hij had het lichtje ietwat hooger opgedraaid, en Alfons zag
+hem nu zooals hij hem sinds lang al kende: middelmatig van gestalte, met
+sterk afgeteekende, vriendelijke gelaatstrekken, het rechter-oog
+fel-levendig en helder, het linker als een doffe witte bal, uitgedoofd
+en doodgegaan in een ziekte, jaren geleden.
+
+Binnendeuren gingen open, en van rechts en links kwamen de zonen en de
+dochters met een korten ochtendgroet te voorschijn. De gezichten stonden
+vermoeid, de oogen waren nog beneveld door slaap, de bewegingen loom en
+langzaam. Miel en Dolf, de eerste lang, blond en mager, de tweede kort,
+donker en dik, met groote, zwarte, te wijd van elkaar staande oogen,
+kwamen van de zoldertrap, en La en Rozeke verschenen samen uit de kamer
+rechts.
+
+Daar sliep ze dus, dacht Alfons met kloppend hart; en zijn oogen bleven
+als betooverd op haar gevestigd.
+
+La-tje, blond als vlas en mollig als een poesje, groette hem met een
+lieven glimlach en een vriendelijken blik van haar lichtblauwe oogen;
+Rozeke, ietwat grooter en tengerder, met zacht krullend bruin haar en
+frissche wangen, begroette hem slechts met een vluchtigen blik en een
+haastig, als 't ware bedeesd "dag Fons", haar heel-kleine klompjes in de
+hand, haar grauwe werkschort en blauw-linnen zonhoed aan den arm.
+
+"Wilt g' iets drijnken?" vroeg vader Van Dalen op aanmoedigenden toon
+aan Alfons.
+
+Maar hij had geen zin, hij dankte, ietwat onthutst door Rozeke's koel
+onthaal; en zij vertrokken met hun vijven, door den vader tot aan 't hek
+gevolgd.
+
+De zomernacht was onveranderlijk zacht-geurig-frisch van landelijke
+aroma's, met de oneindige, donker blauwe sterrenkoepel over de
+grauw-duistere uitgestrektheid van de stille, nachtelijke velden. Zij
+liepen in een dichtgeschaarde groep, hun klompen dof-klopperend in het
+zand, allen even-huiverend met opgetrokken schouders onder de eerste
+aanvoeling van koele frischheid. De jongens zetten hun kraag op, de
+meisjes sloten haar borstdoek dicht om den hals, en liepen
+klappertandend, met haar handen in de mouwen. Maar na een poosje hadden
+zij het ook lekker warm; de schouders zakten en de kragen vielen neer en
+zij begonnen over het werk van den dag te praten.
+
+"Weet-e gij, Fons, mee hoevele da we zillen zijn?" vroeg Miel.
+
+Alfons noemde op: Bros Cnudde, Drieske Nijpers, Miel Pese, Sies de
+Seissekoker, Vaprijsken en de Krommen Bulcke als mannen: Sieska
+Verhelle, Fietje Cleemens, Maaie Troet, Irma Pese, Liza Cloet, Mietje
+Moor en 't Geluw Meuleken als vrouwen; dat was dus samen, met hun vijven
+meegerekend, achttien.
+
+"'t Es drei man te weinig, we'n zille veur den negen van den oavend nie
+gedoan hen," bromde Dolf, Rozeke's jongste broeder.
+
+Allen waren 't met hem eens; het was te weinig, eigenlijk wel vijf, zes
+man te weinig voor zulk een uitgestrekten vlasgaard als dien van
+Kneuvels. En duchtig begonnen de twee Van Dalens af te geven op den
+boer, die stommerik, die hakkelpot, die luiaard, die heele dagen dronken
+op zijn hof of in het dorp liep, en zoo slecht op zijn zaken paste dat
+hij nooit menschen noch beesten genoeg had om al zijn achterstallig werk
+gedaan te krijgen.
+
+"Dat hij Smul, zijne peirdeknecht, nie 'n ha, hij zoe 'em in twie joar
+tijd 't hoar deur zijn mutse boeren!" schimpte minachtend Miel.
+
+Dolf en La beaamden die woorden door een goedkeurend gemurmel, maar
+Alfons fronste even in de duisternis zijn wenkbrauwen, toen hij Smul,
+zijn vijand, aldus door Rozeke's oudsten broeder hoorde roemen. Hij had
+zich dicht bij Rozeke geschoven, doch het gelukte hem geenszins, zooals
+hij gehoopt had, zich met haar van de anderen af te zonderen. Zij deed
+niet mee in 't algemeen gesprek, zij liep zwijgend naast La, die des te
+drukker praatte en lachte, en alleen 't geklepper van haar kleine
+klompjes, die trouw met de klompen van de anderen in stapkadans
+meeklapperden, getuigde dat zij solidair met het gezelschap medeging. In
+het duistere van den nacht kon hij niets van haar gezicht zien; en daar
+zij niet meer notitie van hem nam als van een vreemde, kropte 't in zijn
+keel van ingehouden droefheid, en vroeg hij zich wanhopig af wat hij
+haar wel onbewust misdaan mocht hebben, toen zij eensklaps, als 't ware
+door zijn stilzwijgen benauwd, het hoofd half naar hem omkeerde, en hem
+met een lief zacht stemmetje vroeg hoe het nu met zijn moeder ging.
+
+"O, goed, heul goed," antwoordde hij haastig, met een plotseling gevoel
+van innige dankbaarheid en warmte, omdat ze niet boos was op hem zooals
+hij vreesde. En eerst nadat hij zoo instinctmatig, op een innigen
+juichtoon had geantwoord, wijzigde hij zijn al te optimistisch gezegde
+en bekende dat zijn moeder wel iets beter, maar toch nog heel heel
+zwakjes was.
+
+"'t Zal beteren as 't weere wa afkoelt; 't he toch zeu woarm geweest de
+loatste viertien doagen," meende Rozeke.
+
+Hij liep een poosje zwijgend naast haar, gansch ontroerd van vreugd,
+zijn geest inspannend om nu toch ook weer iets te zeggen dat het gesprek
+zou gaande houden. Maar hij kon eensklaps niets meer bedenken; al de
+woorden die hem op de lippen kwamen zeiden heel andere dingen dan wat
+hij mocht of durfde uitspreken, en hij voelde zich ellendig en onhandig
+als een dom, onmondig kind. Hij beet op de lippen en in de duisternis
+verkrompen zijn gelaatsspieren als van pijn, terwijl hij haar zoo heel
+dicht aan zijn zij zag loopen, zoo heel en al in zijn bereik en lief
+gestemd nog, maar inwendig zeker reeds teleurgesteld, omdat hij nu zoo
+weinig op haar tegemoetkomende vriendelijkheid inging.
+
+Zij waren bij den ingang van het dorp gekomen en moesten er dwars door
+om dan verder weer den weg naar boer Kneuvels' boerderij te volgen. En
+nauwelijks kwamen zij tusschen de eerste huizen in het hol gegalm van
+hun klompen op het hobbelig straatplaveisel, of daar hoorden zij, van
+uit een zijstraat, luide kreten in de stilte van den nacht weerklinken.
+
+Zij hielden even stil en luisterden, en dadelijk wisten zij dat het
+andere slijters waren, die ook naar boer Kneuvels' hoeve gingen en bij
+het hooren van hun stappen naar hen hadden geroepen, wel vermoedend dat
+zij voor hetzelfde doel zoo vroeg van huis trokken.
+
+Het waren twee mannen en twee meisjes: Bros Cnudde en Vaprijsken, met
+Liza Cloet en 't Geluw Meuleken. Zij juichten luid toen zij zoo
+onverwacht de Van Dalens en Alfons om den hoek der straat ontmoetten, en
+in een drukke lawaaiige groep gingen zij nu samen verder de stille Groote
+Dorpsstraat in, reeds opgewonden door 't vooruitzicht van den langen dag
+van gemeenschappelijke pret en zwoegen, die nu reeds begonnen was.
+
+Bros Cnudde zette 't in met het traditioneel, luid-galmend geroep:
+
+"Zijn we te goare?"
+
+waarop al de anderen antwoordden:
+
+"Joa w'!"
+
+"Blijven we heul den dag te goare?"
+
+"Joa w'!"
+
+"Goan we bij boer Kneuvels slijten?"
+
+"Joa w'!"
+
+"Goan we veel dzjenuiver drijnken?"
+
+"Joa w'! Joa w'!"
+
+Zoo ging het voort, in allerhande juich-en-nonsenskreten, uit louter
+opwinderij, omdat het nu eenmaal de gewoonte was bij 't slijten, dat men
+den langen, zwaren arbeidsdag door zooveel mogelijk pret en opwinding
+vervroolijkte. Zij gilden en zongen, en stampten met hun klompen op de
+klinkende straatkeien, om de rustige, slapende burgers ook eens goed te
+ergeren; zij schudden aan de enkele, nog brandende lantarens in de
+stille, donkere straat; zij keften tegen de razend-keffende hondjes
+achter de gesloten deuren, kraaiden op 't gekraai der hanen, en bootsten
+ook het gemiauw van katten na; en midden op de brug van het kanaal
+dansten zij hand aan hand een ronde, stampvoetend dat de ophaalketens in
+hun hengsels ervan schommelden en klapperden. Zij moesten 't maar weten,
+al die vette luilakken van burgers die nu in hun bed lagen; zij moesten
+ook maar eens om een uur 's nachts opstaan en mee gaan slijten; en
+meneer de pastoor en zijn meid moesten het ook maar weten, en meneer de
+notaris en meneer de burgemeester moesten 't ook maar weten; zij waren
+slijters en de rest kon hun niet schelen... en verder trokken zij door,
+het geheele dorp uit zijn nachtelijke rust opschuddend, schreeuwend,
+zingend en klompen-klabbetterend tot zij weer buiten waren, in de
+eenzaamheid en stilte van het nachtelijk zomerland.
+
+Daar stond de groote, sombere hoeve, laag en breed uitgebouwd met haar
+stallen en schuren, achter de donkere boomen van de oprijlaan en van den
+uitgestrekten boomgaard. Twee vensterramen van het woonhuis waren hel
+verlicht; de groote waakhonden blaften in het gerinkel van hun
+kettingen.
+
+Een voor een traden zij door de openstaande voordeur en een gangetje
+binnen, en kwamen, links, in de helderheid van een groote plaats, de
+oogen knippend tegen 't licht, en machinaal "elk ne goen dag" wenschend.
+De ruime boerenkeuken met haar glimmend tin en koper boven op den
+breeden schoorsteenmantel en alom tegen de muren, was reeds druk gevuld
+met mannen en vrouwen, die op twee lange houten banken aan beide zijden
+van een lange ruw-houten tafel zaten te eten en te drinken. Alfons
+herkende beurtelings Maaie Troet en Mietje Moor, Sieska Verhelle en
+Fietje Cleemens, Miel en Irma Pese, Drieske Nijpers, Sies de Seissekoker
+en de Krommen Bulcke. 't Was al jong volk, behalve Sieska en de Krommen
+Bulcke, en zij juichten allen luid toen zij de bende der Van Dalens
+zagen binnenkomen, en schoven joelend op elkaar om plaats voor hen te
+maken. De boerin, een jonge, knappe vrouw, met levendige donkere oogen
+en zwarte haren, liep bedrijvig heen en weer om allen te bedienen; de
+boer, een veertigjarige lummel met paarsrood gezicht, stond, bij den
+schoorsteen geleund, tegen de dichtst bij hem zittenden te brabbelen en
+te hakkelen.
+
+Alfons merkte, met een enkelen blik, dat Smul, de paardenknecht, in de
+keuken niet was.
+
+Hij nam plaats bij de anderen, naast Rozeke, op een der lange houten
+banken, en zij gebruikten hun eersten maaltijd: dikke tarwesmouterhammen
+met groote koppen slappe koffie. Zij hadden honger van het loopen door
+de frissche nachtlucht en aten vlug en zwijgend in het druk gebabbel van
+de anderen, omdat zij reeds wat laat waren. De hooge stapels wit brood
+smolten als sneeuw op de breede, platte teilen. De ouderwetsche klok in
+haar lange eiken kast tegen den achterwand sloeg langzaam twee uur.
+Enkele mannen stonden op en staken hun pijp aan; de vrouwen ontplooiden
+haar grauwe werkschorten en stroopten lange grauwe mouwen over de
+voorarmen.
+
+"Ala k... jongens,... 't... 't zal tijd worden," hakkelde de boer. De
+laatst aangekomenen slokten en slorpten met haast de groote brokken en
+de lauwe koffie in, en weldra stonden allen klaar. Toen ging de deur ruw
+open, en Smul trad binnen.
+
+"Elk ne goen dag!" riep hij bruusk, zonder iemand aan te kijken; en hij
+ging naar de tafel, nam een smouterham, schonk zichzelf een kom met
+koffie in, en begon nu ook, zonder te gaan zitten, schrokkig te eten en
+te drinken.
+
+"He... he he-je de peirden al gegeen, I... I... Ivo?" vroeg stotterend
+de boer.
+
+"Joa ik," antwoordde hij lomp, zonder zijn meester aan te kijken. En
+zijn barsche blik bleef eensklaps strak gevestigd op Rozeke, die hij nu
+naast Alfons ontdekt had.
+
+Instinctmatig keek zij even met haar heldere oogen naar hem op, terwijl
+zij haar mouwen aan 't vaststrikken was, en met een korte rilling, als
+van schrik, sloeg zij die dadelijk weer neer, terwijl een lichte kleur
+over haar wangen kwam. Alfons merkte het en zijn wenkbrauwen trokken
+zich samen. Boos-wantrouwend keek hij den paardenknecht vlak in 't
+gezicht. Smul, de wangen kauwend, de lippen aan zijn koffie, staarde, al
+over den rand van zijn kom, brutaal onverschrokken, Alfons' blik tegen.
+De rosse stekels van zijn snor stonden als 't ware dreigend overeind;
+zijn kleine oogen glinsterden, staalblauw en hard. Geen van beiden sprak
+een Woord, maar in hun zwijgenden kruisblik lag al de haatdragende wrok
+van hun oude vijandschap.
+
+"'t Zal zomer zijn van doage!" riep enkel Smul op een toon van
+uitdaging, als gold het een schimpende hatelijkheid die een ieder wel
+begrijpen moest; en meteen zette hij ruw zijn kom op de tafel neer, en
+drong met groote, haastige schreden, door de drukke groep heengaande
+slijters naar de deur.
+
+"Loast an 't eten, iest an 't wirken!" hoorde men hem nog even buiten
+roepen, terwijl hij in het donker deurgat van den paardenstal verdween.
+
+ * * * * *
+
+De slijters stonden allen buiten op het erf nu, en als een dichte,
+grauwzwarte groep, gingen zij, luidruchtig pratend, onder dof
+klompengetrappel, naar het openstaande hek. De boer volgde, met onder
+iederen arm een groote flesch jenever. Woest blaften de waakhonden, en
+de hanen, ontwaakt, begonnen schril te kraaien. De sterren blonken hier
+en daar als gouden punten in het pikzwarte loovergewelf der dubbele rij
+boomen van de lange oprijlaan, en een heel zacht windje ging suizend
+door de ritselende kruinen. Weer zwijgend nu in 't drukke praten van de
+anderen, liep Alfons naast Rozeke. Zijn hart was zoo vol, uren en uren
+lang had hij met haar wel willen spreken, en nogmaals vond hij geen
+woord. De tegenwoordigheid van al die anderen hinderde en benauwde hem,
+maakte 't hem onmogelijk haar iets te zeggen, hoewel hij instinctmatig
+voelde dat ze naar zijn woorden wachtte. Had hij de uitdrukking van haar
+gezicht maar kunnen zien, had hij maar eerst zwijgend kunnen spreken met
+zijn oogen, dan zou het zich wellicht van zelf in hem ontboezemd hebben;
+maar hij zag niets dan die vage, donkere gestalte naast zich, en hij
+voelde wel dat alles wat hij zeggen zou misplaatst en wanluidend zou
+klinken. Hij keek haar van terzijde aan, tersluiks, met schuwe oogen;
+wachtend op hij wist niet wat in zijn toenemende bedeesdheid, wachtend
+op een woord van haar, op een toevallige aanvoeling, op een gezegde van
+een ander, dat hem aanleiding zou geven om ook te spreken en uit zijn
+onuitstaanbaar-drukkende knelling verlost te zijn. Hij voelde zich
+bespottelijk worden, het suisde in zijn ooren, hij moest, hij zou iets
+zeggen, om 't even wat, al was het nog zoo dom, en hij opende reeds
+machinaal zijn lippen, toen plotseling, aan zijn andere zij, in het
+geraas der drukke bende, een schelle stem opging, een lachende
+scherts-stem, die plagend vroeg:
+
+"Wa scheelt er aan dat-e gulder tegen mallekoar nie 'n spreekt? Zie-je
+mallekoar nie geirn mier dan?"
+
+Als onder een schok keerde hij zich om en herkende in de duisternis de
+struische gestalte van Irma Pese. Onopgemerkt was ze naast hem komen
+loopen. Haar oogen glommen van ondeugende pret in 't donker, en even zag
+hij, als een kleine lichtstreep in haar vaag gezicht, de witte
+schittering harer tanden.
+
+"Wa vertelt-e gij doar!" riep hij gansch onthutst, en meteen keerde hij
+zich naar Rozeke, en staarde haar peilend in de duisternis aan.
+
+Het kwam hem voor of haar gelaat, tot nu toe door het grauwe van den
+nacht omneveld, zich plotseling met bijna duidelijk omlijnde trekken
+bezielde. 't Was als een vage, teere straling om haar fijn profiel, een
+glimlach als van zoete stille vreugd, een uit de duisternis opleven en
+hem te gemoet komen van gansch haar zacht en ietwat tenger wezentje. Hij
+voelde eensklaps als een tinteling heel zijn lijf doorstroomen, en het
+ontsprong als van zelf uit zijn lippen, het borrelde en bruiste op als
+'t water uit een bron, terwijl hij zich, met snel-hamerend hart en
+jagenden adem, weer tot de dikke vroolijke deerne wendde:
+
+"Of ik heur nie geirn mier 'n zie! Joa ik, zulle, 'k zie heur zeker nog
+geirne!"
+
+Hij hijgde en stokte. Daar!... daar had hij 't plotseling gezegd, alles
+en nog meer zelfs dan hij zeggen wilde! Het was er uit! Ze wist het nu!
+
+Hij duizelde even van zijn waagstuk, hij hoorde, als in een droom, de
+dikke Irma luidop schaterlachen, en Rozeke, beschaamd en half verwijtend
+stamelen: "Ah moar Fons, wa peist-e toch!" Maar hij had het gezegd,
+het was er uit, er uit!... en hij juichte inwendig, en voelde een
+gewaarwording van licht geluk, alsof een ondraagbaar-zware last hem
+eensklaps van het hart genomen was.
+
+Met stralende oogen, zonder acht te geven op 't schertsen der heele
+bende, die met de ondeugende Irma om zijn onverwacht antwoord
+medelachte, durfde hij nu Rozeke onbevangen aankijken, en 't kwam hem
+voor alsof zij, in het schemerduister, onder zijn langen liefdeblik,
+meer en meer vast-levende vormen kreeg. Hij zag nu duidelijk iets van
+haar gelaat: haar kleinen mond, haar fijnen neus, de vage bleekheid van
+haar voorhoofd en haar wangen, de donkere golving van haar haren, den
+stillen glans van haar op hem gerichte oogen... En eensklaps zag hij
+heel haar tengere gestalte duidelijk omlijnd uit de grauwheid van den
+nacht oprijzen, en even om zich heen starend zag hij ook de duidelijker
+wordende gestalten van al de anderen, en het alom lichter worden van den
+grauwen nacht. Een fijn, kort vogelgezang kweelde ergens in de nabijheid,
+een haan kraaide, een zacht-zingend geluid klonk in de verte: het
+duidelijk hoorbaar slijpen van een zeis. Het duizelde in zijn geest,
+en 't was of hij nog maar half wakker was en nog droomde, tot hij met
+heel de bende op een breeden, mullen zandweg stond, dichtbij een
+uitgestrekte, nevelige vlakte, die leek een zwaar en dicht begroeid stuk
+weiland.
+
+Zij stonden voor den grooten, rijpen vlasgaard die dien dag geoogst
+moest worden, en 't schemerig schijnsel, dat meer en meer aan alles zijn
+vaste, duidelijke vormen gaf, was 't zacht en stil geboren-worden van
+den zomer-dageraad.
+
+ * * * * *
+
+Boer Kneuvels trad naar voren en hield glimlachend zijn beide flesschen
+jenever in de hoogte.
+
+"A... allo, jongens, ne nen dreupel om te beginnen!" stotterde hij.
+"Ie ie iest d' ouwste."
+
+Een dof rumoer van pret ging op, en de Krommen Bulcke, die de oudste
+was, kwam naar hem toe. Hij nam de tabaksprop, waaraan hij reeds aan
+'t kauwen was, uit zijn mond, en spuwde links van zich af.
+
+"Ik ben den ouwsten!" riep hij. Maar Sieska Verhelle snelde toe en
+beweerde dat zij de oudste was. Er werd even gekibbeld en gelachen. Zij
+moesten hun geboorte-jaar zeggen en toen het bleek dat de Krommen Bulcke
+werkelijk de oudste was, kreeg hij het eerste glas. Hij dronk en gaf het
+leege glas aan Sieska. Maar zij noemde hem "ouwen Buck" en veegde eerst
+het glaasje schoon aan haar schort omdat het stonk naar zijn tabaksprop.
+Om de beurt dronken zij nu, de mannen en de vrouwen, allen uit hetzelfde
+glas, tot de twee flesschen leeg waren. Dat was de eerste prikkel voor
+den langen zwaren arbeidsdag, die zonder veel jenever nooit zou
+uitgehouden worden; en eer ze nu aan 't werk gingen was er een korte
+stilte, en maakten zij allen een kruis. Dat riep Gods zegen over hun
+werk, en hoog en vroolijk galmde dadelijk daarop de kreet:
+
+"Goan we beginnen?"
+
+"Joa w'!"
+
+en zij schaarden zich op een lange rij, bukten neer, en rukten in de
+grijze schemering de kille, natbedauwde stengels uit, met volle grepen.
+
+De mannen rukten uit, de vrouwen legden de stengels in pakjes van een
+handvol over elkaar, beurtelings met de zaadkorrels omhoog en omlaag, om
+ze dan later, bij de verdere bewerking weer in afgepaste handvollen
+terug te vinden. Iedere twaalf of vijftien pakjes werden met een strik
+van enkele vlasaartjes tot een bundel saamgebonden, en op reke
+neergelegd. Niemand sprak of schertste meer; allen werkten onverpoosd,
+zonder opkijken door, zoo vlug zij konden, enkel bezorgd om vooral in
+het begin goed op te schieten. Men hoorde geen ander geluid meer dan dat
+van het aanhoudend uitgerukte vlas, en het klonk bijna pijnlijk in de
+stilte van den nacht, als iets dat klagend en zuchtend, onder lastig
+zwoegen, van elkaar werd gescheurd.
+
+Zij rukten en bonden, warm reeds en bezweet van den vluggen arbeid, en
+om hen heen ontwaakte stil, zonder dat ze 't haast merkten, de teere
+heerlijkheid van een frischgeboren zomerdag. Alles werd doorschijnend
+wazig-grijs, heel licht, heel teer en ijl, als had nog niets zijn vaste
+stevigheid van vormen en van kleuren. De lange vochtige vlasstengels van
+vage tint plakten zich papperig-week tot slappe bundels samen, de ronde
+zaadkorrels ritselden broos tegen elkander als natte, glazen balletjes;
+en zij zelven, al die mannen en die vrouwen, stonden in een onreeele
+atmosfeer, als wazige groote poppen, die heel licht een dood-eenvoudig
+en gemakkelijk kinderwerk verrichtten. Het was iets zoo vreemds, dat zij
+af en toe elkander instinctmatig aankeken, als 't ware om zichzelven te
+overtuigen dat zij werkelijk levende wezens waren, die werkelijk-reeele
+gebaren en bewegingen maakten. Een der mannen, Drieske Nijpers, hield
+even op met rukken en stak de hand uit naar zijn buurman Miel van Dalen,
+om hem van zich af te duwen, alsof hij hem hinderlijk in den weg stond.
+En beiden lachten vreemd om die nuttelooze beweging, want zij stonden
+passen van elkaar. De andere keken op en staarden ingelijks verbaasd
+naar rechts en links, en dan ook achter zich om, naar de bindende
+meisjes. Wat was het zonderling! 't leek of ze allen op een kluitje
+stonden, en wanneer zij de handen uitstaken raakten zij elkander niet
+aan. Even stonden zij daar allen lachend met wijd-uitgestrekte handen,
+als blinden zoekend met onvaste schreden en gebaren, maar dadelijk in
+'t stevig aanvoelen van elkanders lichaam schaterjoelden de mannen van
+uitgelaten pret en poogde de een den ander om te gooien. Zoo kwamen zij
+ook op de meisjes af, maar deze vluchtten gillend weg, en eindelijk
+omringden zij allen den boer, die vruchteloos tegenworstelde en
+stotterde, en eerst verlost werd uit hun dolle knelling op voorwaarde
+dat hij dadelijk naar de boerderij twee versche flesschen jenever zou
+gaan halen. Zij hadden, volgens oud gebruik, recht op een liter per
+hoofd, en de boer stotterend, haastte zich weg, terwijl allen met
+vernieuwden moed weer aan den arbeid gingen.
+
+ * * * * *
+
+Toen steeg opeens, als een zachtjubelende groet van levenslust en
+liefde, een teer en fijn gezang van uit de grijze lucht naar den
+langzaam ophelderenden hemel. Het galmde zoo frisch en zoo rein en zoo
+zoet, zoo vol ontroerde melodie, het steeg in de geurende atmosfeer als
+een zingende extaze tot de laatste, wegbleekende sterren; en zij zagen
+'t eerste leeuwerikje van den pas-geboren zomerochtend, wervelwiekend in
+het trillen van zijn fijne vlerkjes, naar de hooge, ijle, lichtblauw-
+wordende lucht. Het steeg en steeg, steeds hooger en hooger, als wou het
+aan den verren, doffen horizon iets zoeken, dat slechts van uit de
+ontoegankelijkste regionen te ontdekken was. En toen scheen het eensklaps
+onbewegelijk te blijven hangen, niet zichtbaar meer voor hen die daar in
+'t grijs beneden stonden, en alleen zijn gezang parelde nog steeds, heel
+fijn nu, als in kristallen droppels op de aarde neer, terwijl ginds heel
+heel verre in 't Noord-Oosten, een transparant-geelachtig schijnsel, over
+een lange, lage en smalle uitgestrektheid, als de weerschijn van een
+eindeloos verren brand den doffen einder kleurde. Het was de dageraad.
+Een frisch, bijna kil windje kwam even aangewaaid, en stierf meteen, als
+'t ware zuchtend, uit: en plotseling stonden al die mannen en die vrouwen
+in 't wezenlijk grijs-roze licht van alle vroege ochtenden, en lachend
+groetten zij elkaar nog eens "goen dag", als kwamen zij maar pas elkander
+te ontmoeten.
+
+Reeds keerde de boer met de twee volle flesschen jenever terug, en
+opnieuw dronken zij, de mannen en de vrouwen, ieder twee borrels, uit
+het eenig, om de beurt van hand tot hand gaande glaasje. En dadelijk
+bukten zij met inspanning weer neer over den ruwen arbeid, de mannen
+rukkend en de vrouwen bindend, in een van lieverlede weer opkomende roes
+van drukte en lawaaiigheid. Vliegensvlug ging het werk vooruit nu, zij
+trachtten elkander de loef af te steken; de mannen rukten om de meisjes
+te overstelpen, en de meisjes bonden en slingerden de bundels om zich
+heen en kwamen in hollende haast de stengels tot onder de voeten der
+mannen oprapen. Zij grabbelden en schaterden en lachten, geen van allen
+wou voor een ander onder doen, en 't ging zoo voort tot zij eindelijk
+niet meer konden en hijgend en blazend allen te gelijk even ophielden,
+en afgemat, met druipende gezichten en hangende armen, op den vlasgaard
+neerzakten.
+
+De Krommen Bulcke en de oude Sieska bromden. Was dat nu werken! 't leek
+wel jongensspel! Maar al de anderen hadden uitgelaten pret, en zij
+hielden de twee oudjes voor den gek en stelden spottend voor hun een
+tafeltje en een paar stoelen te halen. Doch de ochtend vorderde en de
+nog te bewerken oppervlakte was ontzaglijk groot, en weer gingen zij aan
+'t werk, kalmer nu, in een gelijke, vlugge rythme zonder overhaast. Zoo
+moest het gaan, zoo zouden zij ook klaar komen; en in die gelijkmatigheid
+van arbeid kwam een soort gezelligheid, met lust tot praten en tot zingen.
+
+Alfons, stilzwijgend in 't geraas der anderen, hield tersluiks Rozeke in
+'t oog. Zij stond schuins achter hem en deed ook slechts van verre in de
+jool der anderen mee, maar af en toe, terwijl hij vluchtig naar haar
+omkeek, kruiste zijn blik zich even met den hare. En het zong van geluk
+in zijn ziel, terwijl hij, in 't geroezemoes der drukke bende, alleen
+met zijn gedachten en zijn nu vaststaande plannen, aan de zacht-heerlijke
+toekomst dacht. Te lang had hij met haar getalmd; thans was hij vast
+besloten haar te vragen; zij zouden trouwen en voorloopig hun intrek
+nemen bij zijn oude moeder, in het bouwvallig, maar gezellig huisje met
+de kleingeruite raampjes en het grauwe stroodak, onder het lommer van de
+hooge, zacht-ruischende populieren. Hij was vol illuzien, hij zou voor
+haar werken en zij zou voor zijn oude moeder als een dochter zorgen; zij
+zouden zoo gelukkig en zoo vreedzaam met hun drieen leven, en in de soms
+drukkende kleurloosheid van zijn eenzaam bestaan zou zij plotseling
+verrijzen als de zachte, warme lentezon, die alles opfleurt en
+verlevendigt.--Hij peinsde verder, dieper de toekomst in: moeder, op
+gevorderden leeftijd gestorven, door Rozeke's teedere zorgen omgeven, en
+zij beiden voortaan alleen in het huisje, met hun kinderen. Hard werken
+zou het dan wezen, maar het geluk gaf moed en kracht; daarvoor was hij
+niet bang. Zij zouden wel ieder jaar zien rond te komen en zelfs een
+klein beetje op zij kunnen leggen, voor later. En dan, ja, wie kon het
+weten, zijn oude nicht Begijntje, die te Gent in 't Klein Begijnhof
+woonde, liet hun ook misschien iets na! Daar dacht hij plotseling aan
+met diepe emotie, als iets dat bijna moest gebeuren. Zijn moeder, en na
+zijn moeder, hij, was 't eenig familielid, die nicht Begijntje nog
+bezat. Zij had geld, veel geld, beweerde men, en ieder jaar, in Januari,
+ging hij haar met zijn moeder in 't Begijnhof een nieuwjaar wenschen, en
+kreeg tien frank van haar. Zonder twijfel zou nicht Begijntje in haar
+testament wel heel veel van haar vermogen aan 't Begijnhof achterlaten,
+maar zou er ook niet iets voor moeder en voor hem, haar eenige
+bloedverwanten, overblijven? En eensklaps dacht hij dat hij vooral niet
+vergeten mocht nicht Begijntje's goedkeuring te vragen om met Rozeke te
+trouwen. Gelukkig dat hij daaraan nu plotseling dacht! Wat zou nicht
+Begijntje wel zeggen indien hij daar zoo opeens met Rozeke voor haar
+stond, en zei: "Nicht Begijntje, ik ben getrouwd en hier is mijn vrouw."
+Wat zou ze 't hem kwalijk nemen en wellicht nooit vergeven, als hij haar
+zoo schandelijk miskende!
+
+Overal nu, hoog boven alle de velden, hingen de zachte leeuwerikjes
+onverpoosd te orgelen, in de ijle, teere, wazig-blauw geworden lucht.
+'t Was als een aanhoudende melodie zonder begin en zonder eind, als de
+rythme zelf van de ontwakende natuur. En alles om hen heen kreeg nu ook
+meer en meer zijn vaste vorm en kleur: het vlas waarin zij zwoegden lag
+scheef en schots geslagen door de laatste zomer-onweersregens, als een
+reusachtige vacht van levende, ongekamde, geel-groene borstelharen; de
+blonde korenakkers er omheen bogen hun rijpende halmen naar den grond;
+de aardappel-landen lagen somber-groen, met al de rechtopstaande witte
+trosjes van hun bloeisel als zoovele zilverwit brandende kaarsjes; de
+nog grijs-groene haver trilde door al haar miljoenen bepareldauwde
+klokjes, en de bloeiende klavervelden vlamden alom als paarse en roze,
+plat ten gronde uitgestrekte vlaggen, tusschen die schitterweelde van
+smaragd en goud. Aan den einder, boven de kruinen van de verre vage
+boomen, verrees de zon in een chaos van oranje en grijze wolken, als een
+boudeerende godheid, als een groot en machtig wonder, dat zich
+ongenaakbaar achter nevelen verborgen houdt. 't Begon reeds benauwd warm
+te worden.
+
+"Onweer of regen van doage!" voorspelde de Krommen Bulcke, even
+opkijkend en blazend.
+
+"Onweer in ou broek!" spotte Vaprijsken. En allen moesten schaterlachen.
+
+Op het veld, langs de eenzame wegen, begon langzamerhand leven en
+beweging te komen. Karren dokkerden in de verte, hanen kraaiden overal,
+roepstemmen galmden. Onzichtbare maaiers waren ergens aan het werk en in
+de ijle, stille lucht, hoorde men af en toe de zeisen slijpen. Heel in
+'t verschiet roffelde dof een trein, met rythmisch zuchten van stoom en
+lange nadreuning over metalen brug.
+
+"Hoe loate zoe 't al wel zijn?" vroeg eensklaps een der mannen. En als
+een antwoord begon het juist op den kerktoren te slaan en zij telden
+vier langzame slagen. Vier uur; 't was volop dag. Zij keken om naar het
+reeds afgelegde werk en voelden zich tevreden. Met nieuwen moed bukten,
+rukten, bonden zij, al pratend en zingend. De schrille neusstemmen der
+vrouwen galmden in fausset-klank tusschen 't zacht en puur gekweel der
+leeuwerikjes; de zware keelstemmen der mannen bromden mee in ondertoon.
+Een hondenkar bespannen met vier groote honden kwam ratelend in wilden
+ren en woest geblaf over den steenweg aangereden, en in de verte,
+tusschen de boomen der oprijlaan, zagen de slijters boer Kneuvels met
+twee versche flesschen jenever aankomen. Zij juichten hem met rauw
+geschreeuw van verre te gemoet, zwaaiend met hun petten en hun
+handen....
+
+ * * * * *
+
+De leeuwerikjes hadden al een tijd als dol gezongen, en het was zeven
+uur en de grootste helft van den vlasgaard was uitgerukt en lag in
+geelgroene bundels verspreid over het plat-getrapt veld, toen de lucht,
+die sinds een poos steeds grijzer en somberder werd, plotseling in een
+overweldigende, lauwe regenbui losbarstte. Het duurde niet lang, maar
+zij konden nergens schuilen, en in enkele minuten waren zij allen
+doornat. De druipende mannen zagen er uit als uit het water gehaalde
+honden, en de vrouwen zaten allen "in de zij" gestoken, zooals ze 't
+schaterlachend noemden: al hun kleeren plakkend om het lijf gegoten, met
+natten weerglans als van fijn-glimmende zijde.
+
+"Kijk ne kier! Kijk ne kier! 'k zit in de zije en 'k droage ne sleep!"
+giegelde Irma Pese, met doorgezakte knieen en wringingen van heel het
+lijf haar morsigen rok over het veld heen en weer dweilend. Maar de
+mannen keken minder naar haar rok dan naar haar bovenlijf en dijen, waar
+de volle vormen zoo rond afgegoten waren, dat het alles meehuppelde en
+trilde in de dolheid van haar wispelturige bewegingen. Drieske Nijpers
+en de Seissekoker staakten alle twee het werk om haar met begeerig-
+glinsterende oogen aan te kijken, en plotseling vloog de Seissekoker
+als gek op haar af, greep haar met zijn beide armen in het middel dat
+zij er bijna van omsloeg, en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen
+op den mond. Zij worstelde zich giegelend los en sloeg hem zonder
+boosheid van zich af; en allen schaterden en gilden om het meest,
+terwijl ieder van de mannen nu op een der meisjes afvloog. Het vocht en
+schreeuwde en schaterde even alles door elkaar, enkele vrouwen boos, de
+meeste jolig, als een wilde bende uitgelaten jonge dieren. Zelfs de oude
+Krommen Bulcke wilde meedoen, en vloog waggelend op zijn scheeve beenen
+naar de oude Sieska toe, de eenige werkelijk booze, die hem met een
+ruwen vuistslag van zich afweerde; maar wat hen allen bij het eindigen
+der dolle pret nog 't meest deed lachen, was het vreemd gezicht van
+Alfons en van Rozeke, die als 't ware aaneengebonden nog steeds in
+elkanders armen stonden, nadat al de anderen elkaar reeds hadden
+losgelaten. Bij 't eerste sein der wilde uitspatting was hij recht op
+haar afgesneld, zoodat geen ander haar kon nemen, en daar stond hij nog
+zooals hij haar had vastgegrepen: de rechterhand beschermend om haar
+middel, de linkerhand over haar schouder en zijn blik in smachtende,
+biddende liefde op haar aangezicht gevestigd. Zij hield de oogen neer en
+wachtte, een warme kleur over haar wangen, de losse bruine krulletjes om
+'t voorhoofd en de slapen door glinsterende regendroppels nat-bepareld.
+Hij zou en wilde 't haar nu eindelijk in duidelijke woorden zeggen, maar
+plotseling zag en hoorde hij het spotgelach van al de anderen, en rood
+van spijt en schaamte liet hij haar weer los zonder nog een enkel woord
+te kunnen vinden.
+
+Maar er kwam afleiding opdagen. De paardenknecht der hoeve was in
+aantocht om de eerste vracht groen vlas naar de rooterij te vervoeren.
+Zij zagen van verre het tweespan met den wagen komen, hobbelend in
+gestrekten draf door de lange oprijlaan der boerderij, met Smul rechtop
+van voren, de beenen wijd-opengeschraagd, de zweep snel-klappend-
+slingerend in de lucht. Alfons fronste de wenkbrauwen: daar kwam de
+vijand aan. Maar al de anderen keken met een soort van eerbied en
+bewondering en 't deed hem leed dat Rozeke ook iets van dien eerbied en
+bewondering scheen te voelen. O die Smul, wat wist hij met de paarden om
+te gaan! Zij sidderden en snoven zoodra ze zijne stem maar hoorden of
+zijn hand aan de leidsels voelden. Ja, gelukkig voor Kneuvels dat hij
+zulk een "boever" had; anders was hij al lang boer-af, met zijn heele
+godsche dagen zwadderen en drinken!--Smul, rechtop met uitgesperde
+beenen op den ratelend-hotsenden wagen, kwam als een rukwind uit de
+oprijlaan gestoven, zwenkte zonder zijn wilde vaart te stremmen links
+om, kwam recht als een kogel, in daverenden draf, op den vlasgaard
+aangerukt. De blonde manen van zijn sterke vossen wapperden als
+rook-en-vlamme-tongen in den wind, en groote brokken modder-aarde vlogen
+wentelend met de wielen op. Blijkbaar was hij prat over die gapende
+bewondering van allen, en vlak voor den vlasgaard hield hij met een
+plotsen ruk zijn paarden in, sprong af en greep ze alle twee bij de
+gebitten vast, schuddend en duwend, terwijl de jagende beesten
+steigerden en hinnikten, met snuivende, schuimende bekken en
+angstig-wild draaiende oogen.
+
+"Hierrr zilt-e stoan, peirden van luxe!" bulderde hij, ze met een
+laatsten, ruwen wrong twee passen achteruitduwend; en trotsch omdat
+ze gedwee en bevend als lammeren gehoorzaamden, klopte hij hun even
+vriendelijk op den hals, wipte weer op den wagen en tilde een zware
+mand in de hoogte, nu roepend tot de slijters:
+
+"Allo, hier!... uldere fricot!"
+
+Hij had hun tweede ontbijt meegebracht, en bij dit zicht straalden de
+oogen, en allen voelden plotseling den scherpen honger, waarvan zij tot
+nog toe, onder het harde werken, den knagenden prikkel hadden
+onderdrukt.
+
+"Joa moar, iest mijne woagen loan!" eischte Smul, hun de mand
+overhandigend.
+
+"Ha moar Ivo jongen, loat ons iest eten, we zien scheel van den honger,"
+smeekte de oude Krommen Bulcke.
+
+Doch er was geen zeggen aan. Smul ging aan 't vloeken, sprong weer
+beneen en begon zelf de groene bundels op den wagen neer te ploffen.
+Toen hielpen zij hem allen en in enkele minuten was de zware vracht
+opgeladen.
+
+"Jue, nondedzju!" bulderde Smul.
+
+Zijn zweep klapte als razend, en de twee paarden, rillend als van schrik
+tegen elkaar gedrongen, spanden hun krachtige lenden dat het harnas er
+onder kraakte, en rukten eindelijk den wagen met zijn ingezakte wielen
+uit den kleverigen moddergrond op.
+
+"Och Hiere, die biesten moeten toch trekken!" riep de oude Sieska
+meewarig.
+
+"Ze'n trekken aan mijn hoar niet!" brulde Smul; en weg was hij, in
+gestrekten pas nu, hangend aan de leidsels die hij ruw op de gebitten
+snokte, aanhoudend schreeuwend, vloekend, en klappend met zijn lange
+zweep over de glimmend-gespannen ruggen der paarden, die trokken en
+trokken, alsof de dood hen op de hielen zat.
+
+"Nondedzju!" riep een der slijters, pal van bewondering.
+
+Alfons zei geen woord. Hij keek naar Rozeke. Haar strakke oogen volgden
+een poos den aftrekkenden wagen, en toen keerde zij zich om en huiverde,
+als van kou. Haar blik viel op hem, en zacht en teeder staarde zij hem
+zwijgend even aan, en in zijn ziel juichte 't hoog op van zalige
+ontroering. Neen neen, zij hield niet van dien woesteling en bewonderde
+hem ook niet. Zij hield van hem, alleen van hem, en zou de zijne
+worden!...
+
+ * * * * *
+
+Even voor tien uur hadden zij, onder uitbundig gejubel, de laatste
+stengels van den ontzaglijken vlasgaard uitgerukt en tot een laatsten
+bundel in elkaar gebonden. Nu lag het gansche naakte veld bezaaid met
+groene bundels, en daar waar 't hooge, rijpe vlas stond, schemerde nog
+nauwelijks, vlak bij den grond, als een dons van grauwachtig groen, het
+fijne wortelloof, dat, tegelijkertijd met 't vlas gezaaid, eerst nu zijn
+vrije beurt van wasdom zou krijgen. Het eerste gedeelte van hun zwaren
+arbeid was volbracht; en zij verademden even en dronken weer een borrel
+uit de flesschen die de boer voor de zooveelste maal van de hoeve had
+gehaald. Zij waren nog niet dronken, maar enkelen toch begonnen vreemd
+te doen. Irma Pese had van Vaprijsken een gevulde pijp gekregen en
+rookte met gulzige smakken, veel te gauw, als een kwajongen voor hij
+rooken kan. La, Mietje Moor, Maaie Troet, het Geluw Meuleken en nog een
+zestal mannen en vrouwen omringden haar en moedigden haar spottend aan.
+Alleen Vaprijsken, die de pijp gegeven had, stond onbewegelijk en
+sprakeloos, als 't ware wachtend op haar te staren, een stillen glimlach
+op zijn bleek, effen gelaat met gelen baard en gele snor, waarin de
+kleine, bruingerookte schimp-mond als een donker putje lag.
+
+Plotseling rukte Irma ruw de pijp uit haar lippen en gooide die tegen
+den grond, terwijl ze met een "pouah" van walging spuwde.
+
+"Wa scheelt er dan? Deugt den toebak niet?" giegelden de vrouwen.
+
+"Pouah! de smeirlap! hij het er papier in gestopt!" walgde Irma met een
+verwoeden blik op Vaprijsken.
+
+"Papier nog al!" deed deze, zich onnoozel houdend en de pijp oprapend.
+"Kijk kijk, 't es toch woar! wie mag da gedoan hen?" En onder algemeen
+schatergelach haalde hij, kalm glimlachend in zijn gelen baard, een
+vieze prop half versmeuld papier uit den bak.
+
+Bij dit zicht werd Irma groen en ijlings keerde zij zich om. Haar
+schouders hikten even krampachtig op en neer, en plotseling zakte zij
+klagend ineen met het hoofd tegen een bundel vlas.
+
+De anderen lieten haar maar liggen. Zij hadden nu pret met Krommen
+Bulcke en oude Sieska, die beiden half dronken, elkaar ter wille van een
+oude veete, heftig aan 't uitschelden waren. De Krommen brabbelde en
+viel over zijn woorden, heelemaal overstelpt door het razend gekwebbel
+en geschreeuw van Sieska, die hem eensklaps voor "ouwe smeirlap"
+uitmaakte, en dat scheldwoord herhaalde: tien keer, twintig keer, dertig
+keer, tot het werd als een blaffen en snauwen, zoo wild en dol, dat al
+de anderen weldra begonnen mee te gillen en te blaffen, en ten slotte
+hand aan hand een woeste ronde om de kijvers dansden, die aldoor maar
+razend bleven doorschelden, de Krommen in verwarde klanken brabbelend en
+stotterend, de oude feeks aldoor haar "smeirlap! smeirlap! smeirlap!"
+krijschend, in zulk een furie dat het schuim haar op de lippen kwam.
+Eensklaps rukte ze zich om en stak als uitersten hoon, met half
+opgetilde rokken haar achterste naar hem uit, zoo woest-geweldig, dat
+zij op den glibberigen bodem uitgleed en met 't gezicht tegen den grond
+neerstortte. De mannen brulden 't uit en de meisjes gilden schrille
+kreten, als werden zij door twintig handen te gelijk gekitteld, terwijl
+de Krommen Bulcke, eerst even als verbluft staande, plotseling in een
+reusachtig, onbedaarlijk, zegevierend schoklachen uitbarstte, zijn oogen
+stralend op het schouwspel, zijn tandeloozen mond wijd open, zijn beide
+grove handen beurtelings als biddend in de hoogte en dan wild-juichend
+neerpletsend op zijn knokkelige, natte, kromme beenen, als een kind in
+overdolle uitgelatenheid. Hij hoorde niet eens het woedend geschreeuw
+van Smul, die, intusschen met zijn wagen terug gekomen, hem bijna omver
+reed; hij stond daar nog een heele poos te proesten, nadat Sieska,
+bevend van woede, weer opgestaan en met de anderen aan het laden was;
+hij zwenkte eindelijk weg, gelukkig voor den ganschen dag, wat er
+voortaan ook gebeuren mocht.
+
+Smul, recht op den wagen, stond geducht te brommen en te vloeken. Wat
+dachten ze wel met hun lanterfanten en hun gekheid maken? Meenden ze
+misschien dat hij tot laat in den nacht met zijn paarden heen en weer
+zou rijden! Dadelijk moest de helft der mannen en der vrouwen naar den
+rootput met hem mee om het vlas te helpen lossen en aan 't reepen en
+rooten te gaan. De andere helft moest op de partij blijven en de bundels
+aan den rand van den landweg brengen. Hij sprak en beval alsof hij de
+baas was, en toen een der slijters hem vroeg of de boer het zoo geschikt
+had, antwoordde hij vloekend dat de boer al met een stuk in zijn kraag
+liep en dat hij nondedzju zijn broek veegde aan den boer. De wagen werd
+opnieuw geladen en de slijters bespraken even onder elkaar wie mee zou
+gaan en wie zou blijven.
+
+Alfons kwam heimelijk naast Rozeke geschoven.
+
+"Wat doe-je gij?" vroeg hij fluisterend.
+
+"Lijk of ge wilt," antwoordde zij zacht.
+
+Wat vond hij 't lief van haar, dat zij haar besluit van 't zijne liet
+afhangen.
+
+"Ik blijve," zei hij.
+
+"Ik ook," murmelde zij. En beiden gingen achteraan staan.
+
+De meesten wilden trouwens mee, om de verandering en de pret. De meisjes
+wipten giegelend midden in de groene bundels op den wagen, de mannen
+zouden loopen. Met een woedenden blik keek Smul Alfons en Rozeke even
+na. Zij hoorden hem wat pruttelen van "verdomsche leeggangers" maar
+trokken 't zich niet aan. Hij zweepklapte en rukte aan de leidsels, en
+de schichtige paarden stoven vooruit, met wreed-blikkerend wit van oogen
+en overeind-wuivende manen. De rootput lag verre, in een weiland, aan de
+andere zijde van het dorp. Het was een heele sjouw om al dat vlas
+daarheen te vervoeren. Het was er geen mindere de zware bundels van het
+verste einde der partij naar voren aan den weg te brengen; en zonder
+verder talmen gingen de overblijvers weer aan 't werk.
+
+De heete zon priemde af en toe met scherpe schichten door de grijze
+wolken en kroop het oogenblik daarna, als verstoppertje spelend, weer
+achter sluiers weg. De leeuwerikjes orgelden steeds onvermoeid in 't
+hooge van de lucht, en bijwijlen galmden nu ook in de verte de zwaardere
+contralto-stemmen van wielewaal en koekoek. Stil fladderden soms gele en
+witte vlinders rond, loom zwenkend als vermoeide wezens; en heele kleine
+kapelletjes: bruinroode, met zwarte stippeltjes, of louter azuurblauwe
+zonder een vlekje, zaten roerloos op de lichte, schrale wortel-kruidjes,
+nu eens met schitterende open vlerkjes in de heete zon te genieten, dan
+weer met doffe, mes-fijn dichtgeknepen vlerkjes in de schaduw te rusten
+of te slapen. De Krommen Bulcke, die op 't veld gebleven was, keek nu en
+dan gebogen-luisterend naar den einder, en beweerde dat het in de verte
+donderde.
+
+Om de drie kwartier keerde Smul met zijn leegen wagen terug. Zij zagen
+en hoorden hem komen van verre in de woestheid van zijn rennen, en in
+vliegende haast werden de bundels opgeladen. Telkens keek Alfons hem
+even vluchtig aan. Hij nam geen bizondere notitie van Rozeke, hij keek
+naar niemand, hij schreeuwde maar, in onstuimige drift, als tegen een
+troep beesten, dat ze zich moesten haasten; en terwijl zij laadden ging
+hij naar de jeneverflesch en dronk groote borrels, soms twee drie na
+elkaar.
+
+Toen sloeg het op den onzichtbaren kerktoren twaalf trage slagen, en te
+gelijkertijd klingelde schel het klokje boven op het dak der
+boerenwoning, de arbeiders naar 't noenmaal roepend. Zij lieten dadelijk
+de bundels vallen en trokken in groep naar de hoeve. Weer voelden zij
+plotseling allen een knagenden honger, en 't leek hun of de dag nu reeds
+zoo lang geduurd had dat het wel avond moest zijn. Zij waren moe en beu
+van werken en van drinken, zij hadden maar een gedachte, een verlangen
+meer: eten, en daarna gaan liggen op den boomgaard in het gras, onder de
+frissche schaduw der fruitboomen. Bijna te gelijkertijd kwam ook het
+volk der rooterij op het boerenhof aan; en in de ruime keuken, waar de
+karnemelkpap dampend in vier groote aarden kommen op de lange,
+ruw-houten tafel klaar stond, namen allen haastig plaats, sloegen een
+kruis, deden een kort gebed, en gingen met de houten lepels aan het
+scheppen. Borden hadden zij niet: allen aten met hun lepels uit de
+groote kommen. De magen rammelden. Zij hadden honger, honger!... Zij
+voelden eerst hoe groot hun honger was, nadat zij gulzig een paar lepels
+hadden ingeslurpt. In enkele minuten waren alle vier de reusachtige
+kommen leeg, de boerin nam ze weg en zette de tweede schotel: vier
+enorme platte teilen aardappels met kaantjessaus in de plaats. De gele,
+vet-besausde knollen glommen in hooge stapels, en de korte ijzeren
+vorken prikten in den tas, telkens een vollen, heet-dampenden aardappel
+naar den mond brengend. Hun honger scheen nog toe te nemen en zij aten
+overdadig; de lekkere geur der vettige ui-en-speksaus krinkelde diep in
+de neusgaten en deed hun 't water in den mond komen. Het was stikwarm in
+huis en 't zweet brak uit op de gezichten.
+
+De werkers der rooterij beweerden dat zij nu te veel vlas kregen op den
+dem[1] en drongen er op aan dat de achterblijvers op den vlasgaard thans
+ook mee zouden helpen om den te grooten voorraad te reepen en te wateren
+voor het overige vlas gehaald werd. Anders kwamen zij stellig voor
+middernacht niet klaar. De boer, die heel den ochtend in de herbergen
+van 't dorp gezeten had, kwam aangeschoten, met vuurrood gezicht en
+waterige oogen binnen, en hakkelde ook dat er te te te te veel volk was
+op den vlasgaard en te te te weinig op den dem; kortom er werd besloten
+dat zij na de noenstondrust allen samen naar den dem zouden gaan, en
+eerst later, nadat zij daar goed opgeschoten waren, de laatste bundels
+van den vlasgaard weghalen. Zij waren klaar met eten, zij deden weer een
+kort gebed en sloegen een kruis, en toen haastten zij zich allen naar
+den boomgaard en vielen er doodmoe in het malsche, koele gras, onder de
+frissche schaduw der heerlijke fruitboomen neer. De meesten sliepen
+dadelijk in; anderen babbelden nog even door en enkele mannen kittelden
+de bloote enkels van de meisjes met stroohalmen en graspijltjes. Alfons
+lag naast Rozeke's broeder, Rozeke zelf lag tusschen haar zuster La en
+'t Geluw Meuleken. Af en toe klonk een kort gelach der mannen of een
+geknor der gesarde meisjes. Alfons richtte zich even, geprikkeld en
+jaloersch, half overeind, vreezend dat de mannen ook Rozeke kittelden.
+Maar zij had haar voorzorgen genomen, haar rok nauwsluitend om haar
+beenen opgerold. Zij sliep reeds, en dat stelde hem gerust. Hij hoorde
+nog even het gegiegel van de dikke Irma Pese, die wat hooger dan de
+andere gekitteld werd, en toen sliep hij ook loodzwaar in. De lucht was
+effen grijs en stil, benauwd en broeiend; de vliegen zwermden sarrend.
+Glanzend-rood hingen de rijpe kersen in het zachte groen te blozen. In
+de verte hoorde men af en toe vaag en zwaar dondergeroffel.
+
+ * * * * *
+
+Klokslag twee waren zij allen op den dem. 't Was in een groot stuk
+weiland, midden in een lang en smal verschiet van andere weilanden,
+rechts afgebakend door den met hooge boomen beplanten berm van een
+onzichtbaar, diepliggend kanaal, links door een zanderigen landweg,
+waarachter de rijke akkers van vruchtbaarheid geleidelijk naar de ruime
+vlakte opgolfden. Op korten afstand rees de ouderwetsche slanke
+dorpskerktoren boven de lage, roode huisdaken, als een fijne naald van
+grijsgeel steen met gothisch kantwerk van boogramen; en even verder, aan
+de andere zijde van de weilanden, lag een groote boerderij midden in
+haar boomgaard als een rotsig eilandje in vlakke, stille zee. Nog verder
+was een donker eikenbosch, en daarachter puntten scherp ten hemel de
+hoektorentjes van het kasteel. In enkele weiden graasden vreedzaam bonte
+kudden koeien en paarden; in andere zag en hoorde men de vroolijke
+bedrijvigheid van maaien en van hooien. 't Was overal de volle
+zomerdrukte, wanneer de lange dagen nog te kort zijn voor het
+overweldigend-vele dat verricht moet worden.
+
+Op den dem, vlak bij den rootput, naast een kolossalen stapel
+lichtgroene vlasbundels, waarin hier en daar een meegerukte klaproos als
+een bloedspat vlekte, waren de vier "reepen" volop aan den gang. Het
+waren vier stevige, zware, twee voet breede en zes voet lange, plat op
+den grond liggende planken, met dwars door het midden een dichte rij
+lange, stevige, rechtopstaande ijzeren punten. De reepers, rechts en
+links met de voeten naar voren tegen de punten geschraagd en plat ten
+gronde op de planken neergezeten, sloegen de vlasstengels met volle
+grepen tusschen de scherpe ijzeren tanden, rukten uit al hun kracht, een
+keer, twee keer, soms drie keer, tot al de zaadkorrels er af geritst
+waren, gooiden de stengels op zij, namen een andere volle greep, rukten
+opnieuw. De vrouwen holden om hen heen en weer, brachten de bundels aan,
+bonden ze los, namen ze, ontdaan van de korrels op, bonden ze weer tot
+bundels, en gooiden ze dan van hand tot hand naar de rooters, die in en
+om den rootput stonden. Met een plons gingen de bundels in het water
+onder, de een boven den ander, en naarmate zij in dikke lagen heel de
+diepte van den bodem vulden, werd er stroo over uitgespreid en boven op
+het stroo zware graszoden gelegd, om het geheel goed in elkaar gedrukt
+onder water te houden. Dat reepen en rooten was het echte harde sjouwen
+van den ganschen ruwen vlas-arbeid. Het uitrukken en op de wagens laden
+was slechts kinderspel daarbij vergeleken.
+
+Nu was het hijgen en zweeten zonder ophouden; nu was het beulen als
+afgejakkerde lastdieren. De haren van de vrouwen hingen in natte,
+slordige verwarring om haar vuurroode gezichten; de mannen, hemdsmouwen
+en broeken opgestroopt tot over de ellebogen en knieen, waren beslijkt
+en bemorst als hadden zij in een modderpoel ondergeduikeld. En echte
+vreugd klonk er niet meer in hun af en toe nog gewilde uitgelatenheid:
+de oogen stonden dof en hol, de wangen waren ingevallen, de knieen
+knikten en de handen beefden. Maar de drank, de slechte jenever, werd
+bijna aanhoudend rondgeschonken, en dat hield de krachten nog op, en gaf
+aan de bedrijvigheid haren bedriegelijken schijn van levenslustige pret.
+
+Zij snakten allen naar den avond, naar het einde van het afmattend
+gebeul. De zon was weer even tusschen grijze wolken doorgeschoven en
+straalde met goudende tinten over de groene weilanden, over het rijke
+vee, over de rijpende korenakkers en de hooge, grijsgele kanteelen van
+den kerktoren. En zij keken op en zuchtten; de zon stond nog zoo hoog,
+zoo eindeloos-wanhopig-hoog; het zou zoo lang nog duren voor die weiden
+en akkers bronsrood werden, voor dat rustig-grazend vee wegsmolt in
+avondnevelen, voor die oude, grijze kerk, rood-laaiend als een vuurtoren,
+het laatste licht van den ondergaanden stralenbol opving. De klokkeslag
+der lange trage uren was zoo gauw geslagen: drie uur, vier uur; 't was
+of de langzame dag niet voortschreed en nooit eindigen zou.
+
+De maaltijd van vier ure: spek met roggebrood en koffie werd in gedrukte
+afgematheid gebruikt, en eerst toen ze weer aan den arbeid waren, en de
+jeneverflesch nog eens was rondgegaan, begon de trapsgewijze afkoeling
+van den druk-benauwden dag hen eenigszins op te fleuren. Allen samen
+zongen zij een liedje en 't leek wel of het werk eensklaps gemakkelijker
+ging in het eentonig rythmeerende wiegen van het deuntje, en toen het
+uit was zongen zij er nog eentje, vroolijk en opgewekt, en toen een
+derde, een schuin-ondeugend, dat hen allen lachen deed. Weer werd de
+stemming goed, weer haalden zij hun grapjes uit. Om vijf uur barstte
+plotseling opnieuw een korte, maar geweldige plasbui los, en voor de
+tweede maal werden de vrouwen "in de zij" gestoken. Die tegenspoed, in
+plaats van hen ter neer te slaan, verfrischte en verlevendigde hun pret.
+Zij waren nu toch eenmaal morsig en nat, het kon hun niet meer schelen,
+zij zouden nu maar kletsnat blijven, van binnen en van buiten nat,
+giegelden zij, en voor de zooveelste maal ging de flesch rond. De boer,
+die sinds een paar uren bij de slijters niet gekomen was, verscheen
+plotseling op den zandweg, in zulk een toestand, dat de heele bende wild
+begon te proesten en te gillen. Hij zwenkte waggelend over de gansche
+breedte van den weg, 't gezicht paarsrood, de armen hangend, en toen hij
+op het glooiend weiland kwam namen zijn knikkende beenen van zelf een
+aanloopje, recht op den rootput af. Twee mannen sprongen toe om hem nog
+bij tijds tegen te houden, en hij plofte als een doode massa in den hoop
+zaadkorrels tusschen de twee eerste reepen neer, klanken brabbelend
+waarvan geen enkel mensch een woord verstaan kon. De boer van de
+nabij-gelegen hoeve, die op zijn akker stond en hem van verre had zien
+aanzwenken, kwam langzaam en glimlachend naar de slijtersbende toe,
+drong door de spotlachende menigte, tilde Kneuvels onder de schouders op
+en sleepte hem mee naar zijn huis om er wat bij te komen.
+
+ * * * * *
+
+De slijters waren nog volop aan 't praten en aan 't lachen over het
+geval, en de langzaam dalende avondzon brak opnieuw schitterend door de
+wolken, toen zij aan de overzijde van het weiland, op den berm van het
+kanaal, een groepje menschen zagen: drie dames en een heer, die van
+verre met belangstelling naar hun werk stonden te kijken.
+
+"Wie zijn datte!" riep Irma Pese.
+
+Niemand herkende ze.
+
+"Datte!... da zijn liefs veur ons!" schertste Vaprijsken. En hij wenkte
+ze van verre tot zich, vrijpostig roepend:
+
+"Ala toe, meiskes, kom moar hier; we zillen ulder ne kier tegen onz'
+onderveste trekken."
+
+"Ha moar zwijg toch, gie kalf!" riep Rozeke eensklaps een vurige kleur
+krijgend. "Zij-je nie beschoamd! 't zijn iefers van 't kastiel!"
+
+Rozeke had plotseling jonkvrouw Anna, de dochter van 't kasteel herkend,
+die veel in 't veld ging wandelen en haar reeds meer dan eens op
+vriendelijke wijze aangesproken had.
+
+Haar uitroeping tegen Vaprijsken bracht als bij tooverslag een
+benauwende stilte onder de slijters te weeg. 't Kasteel, dat was de
+almacht waar zij allen bang voor waren; en nu hadden zij allen ook
+eensklaps mejonkvrouw Anna herkend. Zij vreesden dat de jonkvrouw
+Vaprijskens onbeschoft geroep gehoord had, en hun vrees steeg plotseling
+tot ontzetting en schrik, toen zij de vier personen, na een korte
+aarzeling, beslist naar hen toe zagen komen.
+
+"Z'hen ou g'heurd zille; ge zilt er van goan krijgen, Vaprijs,"
+fluisterden zij bevend, terwijl zij allen met inspanning en
+schuw-neergeslagen oogen weer aan 't werk gingen.
+
+De vier bezoekers waren reeds op 't weiland. De slijters, in hun werk
+verdiept, keken al onder op met zijlingsche blikken en zagen ze bedaard
+onder kalm gepraat over het groene gras naar hen toeschuiven. De dames
+waren in lichte zomerkleeren: wit, geel en roze, met schitterende
+parasols; de heer, in 't donkerblauw met gelen stroohoed, zwaaide met
+een bruinen wandelstok. De reepers rukten aan de stengels, de vrouwen
+holden met de bundels heen en weer, de rooters plonsden in het water.
+Geen woord werd meer gesproken, geen oog durfde meer opkijken.
+
+"Mogen we ne keer komen zien?" klonk eensklaps een jonge, heldere,
+vriendelijke stem.
+
+Als bij tooverslag, het hart van een zwaar pak verlost, keken al de
+slijters op.
+
+"Zeker, mejonkvreiwe, zeker," klonken bedeesd een paar stemmen.
+
+De vier bezoekers waren heel dichtbij gekomen en mejonkvrouw Anna
+groette de arbeiders met een lieven glimlach en een algemeenen "goen
+dag." De beide dames die haar vergezelden groetten insgelijks, met
+een kort hoofdknikje, en de heer lichtte eventjes den rand van zijn
+stroohoed op. Allen antwoordden, stil en nederig: "dag mejonkvreiw
+en gezelschap," en gingen druk voort met hun arbeid.
+
+Het kasteelmeisje gaf, in een vreemde taal, uitleggingen aan haar
+gezellinnen.
+
+"They begin very early in the morning, I believe at one or two o'clock
+and they have to work awfully hard all day, until they have finished,
+not often before eight or nine in the evening."
+
+De andere luisterden en glimlachten, met af en toe een "very interesting"
+van belangstelling. Zij waren leelijk en mager, met grooten mond en
+vooruitstekende kin, en iets hard-mannelijks in haar stijve, houterige
+gestalten. Haar rokken waren kort en hare voeten groot, en op haar
+rosblonde haren droegen zij, sterk naar voren, gewone mansstroohoeden
+met zwarte linten, zonder gratie. Mejonkvrouw Anna, daarentegen, was
+een buitengewoon mooie en gracieuze verschijning, lang en slank, een
+frisch-roze gezondheidskleur over haar zachte ovale wangen, met schoone
+donkere oogen en weelderige zwarte haren onder een licht en lief,
+sierlijk gebogen zomerhoedje met witte tulle en roze rozen, die dezelfde
+teere kleur hadden als haar doorschijnend japonnetje. De jonge man die
+haar vergezelde was groot en blond, stevig gebouwd, met een borstelig-
+opgekrulde, blonde snor en iets stugs in de uitdrukking van zijn koude,
+grijze oogen. De mannen keken onder het sjouwen af en toe eens schichtig
+op, de meisjes waagden, in het heen en weer hollen met de vlasbundels,
+zijdsche blikken naar de frissche, lichte zomertoiletjes.
+
+Eensklaps ontwaarde mejonkvrouw Anna Rozeke; en vriendelijk-verrast, als
+tot een goede oude kennis, riep zij uit:
+
+"Kijk kijk, Rozeke, zijt gij hier ook aan 't werk?"
+
+"Ha joa ik e-woar: mejonkvreiwe," glimlachte Rozeke, verlegen opkijkend.
+En een vluchtig blosje verlevendigde zoo lief en frisch haar moegesjouwd
+gezichtje, met de natte, om haar voorhoofd en slapen klevende bruine
+krulletjes, dat alle drie de bezoeksters haar even met verteederde
+bewondering aanschouwden.
+
+"That's my very dear little friend. Is n't it a pity that she has to do
+such a hard, rough work?" zei jonkvrouw Anna tot haar gezellinnen.
+
+"Aoh! too bad, she looks so nice!" antwoordden zij met een aanstellerig
+glimlachje.
+
+"That young man behind her, the dark one with his good features, that's
+her lover, you know."
+
+"Aoh! really!" riepen de twee Engelsche, eensklaps vol belangstelling
+naar Alfons kijkend. De oudste van de twee greep naar haar face-a-main
+en nam den jongen man aandachtig op. Vaprijsken en de Seissekoker, die
+naast Alfons stonden, zagen de beweging en glimlachten.
+
+De heer, die de drie meisjes vergezelde, was even wat op zij gaan staan
+en keek belangstellend naar 't zwaar figuur van Irma Pese in haar
+plakkend-natte kleeren.
+
+Mejonkvrouw Anna kwam plotseling naar hem toe en keek hem sprekend met
+haar lieve oogen aan, terwijl ze zacht en teeder haar fijne hand op zijn
+arm legde.
+
+"Armand, donne-leur quelque chose, leur travail est si dur," streelde
+zij.
+
+Hij ging dadelijk in zijn zak, tastte even, haalde een goudstuk van
+twintig frank uit.
+
+"C'est trop, n'est-ce pas?" dubieerde hij.
+
+"Mais non, mais non; rend-les heureux, ne fut-ce qu'une fois," smeekte
+zij met een ontroerde verteedering in stem en oogen.
+
+Hij stak het glinsterend stukje in de hoogte, en floot even, als om een
+hond te roepen.
+
+De slijters keken op en aarzelden, niet goed begrijpende wat hij
+bedoelde, niet kunnende gelooven dat hij hun zooveel wou geven.
+
+"Allons donc!" riep hij eenigszins ongeduldig met het stukje wenkend.
+
+Vaprijsken liet zijn bundel vallen en kwam toegesneld. Hij kreeg het
+goudstuk.
+
+"Merci, menier den b'ron, merci, gij zijt wel bedankt," zei hij met een
+kleur van emotie, die gansch zijn geel gezicht met gelen baard van geluk
+deed stralen.
+
+"Nondedzju! twintig fran!" juichte hij stil, met het schitterend stukje
+bij de anderen terugkomend. Zij stonden er allen als verbluft van, en
+keken bijna bang-bewonderend naar den milden gever.
+
+"Ha ha ha, menier den b'ron, gij gij gij zij nog weird da ge leeft!"
+brabbelde plotseling de Krommen Bulcke, onmachtig zijn overweldigende
+ontroering langer te bedwingen.
+
+Wild moesten zij eensklaps allen schateren om de gekke woorden en
+gebaren van den Krommen Bulcke. Hun eerste schroomvalligheid was voorbij
+en de gezichten glommen van vreugd, op de rijke bezoekers bevestigd.
+Irma Pese keek den jongen man met glinsterende oogen aan.
+
+"What did he say? Why do they laugh for?" vroegen de Engelsche.
+
+Maar de Krommen Bulcke liet zich door hun spotten niet uit het veld
+slaan. Hij was ontroerd en hij was dronken, en plotseling kwam hij
+waggelend en hinkend naar het viertal toe, en barstte daar voor hen in
+tranen uit, klanken krabbelend, die niet meer te verstaan waren.
+
+"Why does he cry now!" riepen verbaasd de Engelsche.
+
+Maar al de andere slijters lachten en schaterden steeds luider om den
+Krommen Bulcke, die niet meer tot bedaren was te brengen, en nu
+volstrekt in zijn vuile, natte hand, de fijne hand van den heer poogde
+te drukken.
+
+"Hij'n wilt ou smeirige peuten niet!... dat't nog van 'n meiske woare!"
+spotte Vaprijsken, die de blikken van den jongen man op Irma Pese wel
+gemerkt had. En hij riep naar de dikke deerne:
+
+"Toe, Irma, gee gij hem e-kier 'n handsjen!"
+
+Maar de bezoekers hoorden 't niet; zij trokken zich langzaam voor de
+penibel wordende emotie van den Krommen terug, met vriendelijke
+glimlachjes en knikjes, als goede vorsten, die hun trouwe onderdanen met
+een weldadig bezoek hebben vereerd. Mejonkvrouw Anna klopte Rozeke in 't
+voorbijgaan vriendelijk op den schouder en glimlachte ook welwillend en
+als 't ware goedkeurend naar Alfons. En ook de twee stijve, magere
+Engelsche glimlachten en knikten nog eens apart voor Rozeke en Alfons;
+en weg waren ze, voorzichtig schrijdend door de modder, dwars over 't
+weiland naar den landweg, in de richting van 't kasteel.
+
+Nauwelijks waren zij uit zicht, of al de vrouwen begonnen verward en
+ondereen te snateren. Zij hadden 't tegelijkertijd over de mooie
+kleeren, over de twee leelijke, magere Engelsche, over die schoone,
+lieve jonkvrouw Anna en over den milden heer dien zij nog nooit te voren
+gezien hadden.
+
+"Doar zilt-e van heuren! da es mejonkvreiw Anna's lief!" riep opgewonden
+Irma Pese.
+
+"Ge zoe't gij meschien zijn lief wille zijn!" gekte Vaprijsken.
+
+Luid moesten zij allen giegelen en schateren.
+
+"'k Weinsche dat ik 't heure woare!" riep de Seissekoker.
+
+"O gie leulijke vuilbek!" schimpten de vrouwen.
+
+Zij babbelden daar nog druk over na en kwamen tot de conclusie dat het
+waarschijnlijk toch wel was zooals Irma zeide: jonkvrouw Anna's lief.
+Zij vonden hem een mooien, flinken man, en wat moest hij schatrijk zijn
+om zoo maar ineens twintig frank ten beste te geven.
+
+"En ienen die de meiskes geire ziet es 't euk!" riep oude Sieska.
+
+"Joa? joa?... woaraan zie-je gij da, Sieska?" schaterden zij.
+
+"Mijn eugen 'n zitten in mijne zak nie!" schetterde de oude. "'t Es
+ienen die 't katsen in 't donker zoe pakken, da zegge 'k ik ulder!"
+
+De mannen proestlachten, de meisjes kronkelden zich en sloegen van de
+pret op haar billen.
+
+Vaprijsken, lachend in zijn gelen baard, haalde 't mooie stukje uit zijn
+vestzak en hield het in de hoogte.
+
+"Fouitt!" floot hij, het wenkend gebaar van den heer nabootsend.
+
+Allen kwamend joelend om hem staan. Er werd beraadslaagd wat zij er mee
+zouden doen.
+
+"Verdrijnken, nondedzju!" riep de Seissekoker.
+
+Maar luide kreten van protest lieten zich hooren. Zij hadden al te veel
+gedronken, en er werd besloten dat zij 's avonds 't stukje zouden
+deelen.
+
+Vaprijsken stopte 't zorgvuldig weer in zijn binnenzak, en staarde nu
+met ondeugend-glimlachende oogen naar Alfons en Rozeke. Hij was in
+dol-grappige luim en riep tot de anderen:
+
+"Zeg ne kier, jongens, verstoat-e gulder Fransch en Yngelsch?"
+
+Allen lachten, ontkennend hoofdschuddend.
+
+"Ik wel!" riep Vaprijsken. "Oh yes, ecoutez!"
+
+"O gie zot!" giegelden de vrouwen.
+
+Vaprijsken nam enkele vlasstengels bij elkaar, verboog ze tot een soort
+van bril en keek er door naar Alfons en Rozeke, zooals een van de
+Engelsche gedaan had.
+
+"C'est ca Alfons en Rozeke, die mee malkander vrijen," gekscheerde
+hij....
+
+Opnieuw schaterden en giegelden zij allen overluid terwijl Alfons en
+Rozeke, hoogkleurend, gegeneerd-glimlachend stonden te kijken.
+
+"Eh bien ce bon, ze zijn getreiwd!" riep Vaprijsken. En voor ze den tijd
+hadden hem te ontwijken duwde hij Alfons zoo ruw tegen Rozeke aan, dat
+ze beiden, onder luid gejuich en gegil, in den hoop zaadkorrels omver
+vielen.
+
+ * * * * *
+
+Maar het werd avond en de lucht betrok alweer met zware, donkere,
+goud-omrande wolken. De stapel vlasbundels was spoedig aan het
+verdwijnen en sinds een poos reed Smul, geholpen door twee mannen,
+opnieuw van en naar den vlasgaard heen en weer, om wat ginder nog
+overbleef te halen. Hij kwam juist met den laatsten wagen aan den
+rootput, toen de laatste bundel van den voorraad er werd ingedoopt, en
+schril gejubel begroette zijn verschijning. In vliegende haast werd de
+vracht beneen geworpen, en enkele vrouwen, waaronder ook Rozeke,
+sprongen op den wagen om er de laatste stengels af te bezemen.
+
+De lucht was intusschen bijna zwart geworden. Alles kreeg vreemde,
+fantastische vormen en kleuren: de rootput lag daar als een donkere,
+peilloos-diepe kuil, de weilanden strekten zich als een vale, dorre
+vlakte uit, de dichte boomenkruinen langs 't kanaal rezen als sombere
+heuvelkammen, de kerktoren stond spierwit, ijl, klein en broos als een
+speeltuigje door kinderhanden daar geplaatst, en 't rijpend koren aan
+den landweg blikkerde met sulfergele golvingen, als wasemden er
+zwaveldampen uit op. De bruingebrande gezichten van de slijters hadden
+een ongewone, bijna grijnzende uitdrukking, het grazend vee troepte zich
+loeiend ergens samen, en de paarden werden zenuwachtig-ongeduldig, ter
+plaatse trippelend, met rillingen over hun klamme huid, als voelden zij,
+in bange gejaagdheid, het dreigend naderen van het gansch den dag
+verwachte onweer. Zelfs hun vrees voor Smul, die driftig de gebitten
+schudde, was niet meer in staat ze te kalmeeren; en haastig gooiden de
+mannen reeds met groote schoppen op den nog maar half schoongeveegden
+wagen de zaadkorrels welke Smul naar de hoeve zou vervoeren, toen
+plotseling een verblindend vuurzigzag, bijna onmiddellijk door een
+krakenden donderslag gevolgd, het donker zwerk doorscheurde en
+doordaverde. De slijters vluchtten gillend weg, de paarden sprongen op
+en schoten toe, en als de bliksem zelf waren zij om en weg, in dolle
+vaart achter zich rukkend den ratelenden, hobbelenden wagen, waarop nog
+enkele vrouwen en de leidsman woest door elkaar werden geslingerd en
+geschokt. De slijters hoorden een korten, schrillen kreet, zagen, in 't
+halfduister, een vrouwengestalte uit den wegstormenden wagen springen of
+vallen, en toen een tweede en toen een derde, en toen nog een die
+springen wilde, maar op 't laatste oogenblik met ruw geweld door twee
+mannen-armen,--van Smul--werd achteruitgetrokken en binnen in den wagen
+neergesmakt.--Meer zagen zij niet. De wagen was donderend om den hoek
+van den landweg tusschen het sulfergeel-blikkerend koren verdwenen, en
+plotseling, met rauw gegil, stormden zij hem allen achterna.
+
+ * * * * *
+
+Rozeke, de laatste der vier, op den weghollenden wagen gebleven meisjes,
+lag half bewusteloos, plat op den plankenbodem, in de dunne laag
+zaadkorrels uitgestrekt.
+
+De wagen sprong en kraakte, bonsde scheef en schots, nu eens als 't ware
+schokkend over een berg en dan plots weer neerploffend als in een
+afgrond; en in het donderend geratel van het onweer en het flitsen van
+de bliksemstralen hoorde Rozeke aanhoudend een reusachtig snuivend en
+rythmisch gejaag, alsof een machtige, schor-hijgende stem onophoudelijk,
+in overijlend-vlugtellen, de steeds herhaalde getallen: een twee drie!
+een twee drie! een twee drie! uitbulkte. Dat was de rythmisch-stormende
+galopvlucht der weghollende paarden. Zij slaakte een noodkreet en richtte
+zich half overeind, eensklaps tot het volle besef der werkelijkheid
+opgeschud, en zag in het halfduister Smul van voren op den wagen staan,
+de beide handen aan de leidsels, het lichaam achterover, de beenen van
+elkaar gesperd. Hij schoorde zich met beide voeten tegen de op en neer
+dansende voorplank, en zijn hoofd, en schouders schokten en zwenkten met
+het schokken en het zwenken van den wagen mee, als stond hij er op vast
+gespijkerd. Hij hoorde haar noodkreet, keerde fluks het hoofd half tot
+haar om, schreeuwde haar toe, in korte, afgebroken woorden:
+
+"Stille!... nondedzju!... liggen!... Bijt... op ou tanden!... anders...
+ou tonge!..."
+
+Hij slaakte plotseling een vloekschreeuw van pijn: door zijn roepen had
+hij zelf, in 't schokken van den wagen, de tong tusschen zijn tanden
+geklemd, en 't bloed spatte uit zijn mond. Hij schoorde zich nog
+hardnekkiger met de voeten tegen de voorplank, hing met al de kracht van
+zijn zwaar lichaam achterover aan de leidsels....
+
+"Ivo! Ivo! help mij!" schreeuwde zij verwilderd, overeind, op haar
+knieen, de oogen uitpuilend van doodsangst, haar beide handen aan de
+heen en weer schuddende zijplanken geklemd.
+
+"Nondedzju!... stille!... roep niet!... gemoakt... de peirden...
+roazend!" gilde hij tegen.
+
+Maar zij schreeuwde al harder en harder, uitzinnig van schrik, en steeds
+woester bruiste, als een sombere verdelgingsmacht, in 't dreunen van het
+onweer, de doffe, razend-snelle rythmus van de weghollende paarden,
+terwijl de wagen, van den landweg afgedwaald, nu dwars door 't akkerland
+over voren en door kuilen schokte, als in blinde stormvaart naar den
+dood.
+
+Plotseling was't of hij door ruischend water holde, en meteen stuitte
+aanzienlijk de dolle woestheid van zijn vaart. De wilde paarden waren
+vlak in een hoog korenveld terecht gekomen. Zij rukten er toch door en
+sprongen weer als leeuwen, met vliegende manen door een klaverveld; maar
+achter de klaver was nog een partij koren, en daar plofte eensklaps een
+der paarden neer en werd de wagen met een krakenden schok tot staan
+gebracht. Rozeke bonsde met ruw geweld tegen Smul, die voorover van den
+wagen stortte, boven op het neergevallen, spartelend paard.
+
+Met duivelsche snelheid vloog hij weer overeind, rukte en schokte razend
+het omgevallen beest weer recht, sprong naar de schuimende gebitten en
+liet er zich met beide klauwen, als een klit aan hangen. Hij blies en
+hijgde, het zweet droop van zijn vuurrood aangezicht, zijn wreede oogen
+stonden uitgepuild, zijn bloedende, bevende lippen vloekten de
+afschuwelijkste verwenschingen uit. Hij bezat zichzelf niet meer van
+woeste furie, hij liet eensklaps de gebitten los en sprong met beide
+klauwen op de snuivende, blazende neusgaten der paarden, en schudde en
+kneep ze met het snijdend-scherpe van zijn nagels toe, als om de beesten
+te verstikken. Zij hinnikten van pijn en trilden op hun beenen,
+plotseling tam als schuwe lammeren, de druipende huid als met een dikke
+laag van wit-schuimende zeep bedekt, den staart tusschen hun doorzakkende
+schenkels ingetrokken. Eerst toen hij zelf geen kracht meer had om ze te
+slaan, te schoppen en te knijpen liet hij ze los, en kwam met een helschen
+glimlach van overwinning naar Rozeke toe. Hij veegde met zijn mouw zijn
+schuimenden, bloedenden mond af; en voor ze in haar bevende, huilende
+ontsteltenis kon gissen wat hij doen wou, greep hij haar woest in zijn
+sterke armen en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen op den mond.
+
+"Nou... nou of noeit!" brulde hij schor.
+
+Zonder aarzelen, zonder een oogenblik te pogen hem met zachtheid of door
+smeeking af te weren, intuitief en instinctmatig in haar gruwelijken
+angst en afkeer, wrong zij 't hoofd op zij, en slaakte een kreet, een
+enkele, zoo hard als zij kon:
+
+"Alfons! help mij! meurd! meurd!"
+
+Als een veertje tilde hij haar op, smakte haar omver, stortte met haar
+in 't vertrapte koren neer.
+
+Maar de doodsangst en 't gevaar gaven haar eensklaps bovenmenschelijke
+kracht en vlugheid. Als een springveer schokte zij zich op, sprong door
+het weggeslingerd koren, gilde opnieuw een rauwen kreet, alsof hare keel
+er van openscheurde:
+
+"Alfons!... help mij! meurd! meurd!"
+
+Kreten galmden in de duisternis op korten afstand, en 't oogenblik
+daarna rukte de hijgende slijtersbende door het hooge ritselende koren
+aan, en kwam Alfons huilend en roepend op haar afgevlogen:
+
+"Rozeke!... Och Hiere, Rozeke!... Leeft-e nog? He-je geen lied."
+
+"Niets! niets!" juichte zij heesch haar redder te gemoet.
+
+Hij greep haar in zijn armen en zoende haar hartstochtelijk, niet bang
+meer voor de opspraak van de anderen, niet aarzelend haar als iets dat
+nu van hem was te verdedigen en te beschermen. En toen hij, angstig haar
+aankijkend en betastend, eindelijk overtuigd was dat haar niets geen
+leed was overkomen, toen barstte hij als een kind in tranen uit, en trok
+haar smeekend met zich mee, verre van den akeligen wagen, waar al de
+anderen nu in angstig druk gepraat omheen stonden. Gedwee volgde zij
+hem, nu ook ineens ontspannen na de heftige emotie, tranen van zachte
+herleving weenend, heel zacht tegen hem aangedrukt die plotseling als
+haar redder was verschenen, en haar nu zijn leven lang beminnen en
+beschermen zou.
+
+Zij kwamen door 't vertrapte koren en de klaver op den landweg, en
+zonder op de anderen te wachten gingen zij vooruit, in de richting van
+de hoeve. Hij ondervroeg haar nu met angstige, teedere bezorgdheid; hoe
+of 't gekomen was? waarom zij ook niet uit den wagen was gesprongen? en
+of zij niet gedacht had dat haar laatste oogenblik gekomen was toen de
+wilde paarden met haar door en over alles heen wegholden?
+
+Zij wist het niet meer, zij kon niet antwoorden. Alles was zoo
+bliksemsnel gegaan; alleen ja, dat wist ze: dat ze nooit gedacht had
+levend er van daan te komen. De paarden waren door den donderslag
+geschrokken, maar Smul had er toch ook wel schuld aan: hij had zijn
+beesten heel den dag zoo wild en woest gejaagd en opgezweept.
+
+"En wat dee Smul as de woagen eindelijk in 't keuren stille stond?"
+vroeg hij plotseling.
+
+"Hij..." ze wou het zeggen, maar een plotselinge intuitie deed haar
+zwijgen. Smul was een dierlijke woestaard, maar hij was sterk en moedig,
+en zijn onverschrokken koenheid had haar wellicht het leven gered. Zij
+was bang, doodsbang voor hem geweest als voor een moordenaar; maar haar
+angst en toorn waren over en iets zei haar dat zij hem nu niet te zwaar
+beschuldigen mocht.
+
+"Hij he zijn peirden wried geschupt en geslegen," antwoordde zij.
+
+Hij liet haar los en zij liepen een poosje zwijgend door, als 't ware
+elk in zijn eigen gedachten. De duisternis was bijna gansch gevallen
+en het onweer trok af, maar aan den grauwen horizon flitsten nog bij
+tusschenpoozen scherp-zigzaggende weerlichten, die dan voor een
+oogenblik den blonden landweg met zijn kronkelende wagensporen, de
+neerbuigende natte korenakkers, de malsche groene en paarse klavervelden
+zoo scherp en helder als bij klaren dag verlichtten. De lucht was
+heerlijk frisch geworden en de verre donder bromde slechts heel lang na
+elken bliksemstraal, in doffe trillingen zwaardreigend over andere
+gewesten.
+
+Toen nam hij eindelijk heel zacht weer hare hand, en zoo eenvoudig en
+natuurlijk alsof 't niet anders kon, zei en vroeg hij haar met diepe,
+kalme, ernstige stem, dat wat hij maanden lang in kwellende
+schuchterheid geaarzeld had te durven zeggen en te vragen:
+
+"Rozeke,... 'k zie ou geiren;... wilt e mee mij treiwen?"
+
+Haar handje had een korte trilling van emotie en verrassing en een teere
+zucht steeg van haar lippen.
+
+"Joa ik... 'k zie ou euk geiren," antwoordde zij heel stil, heel
+zalig-zacht ontroerd.
+
+Hij legde zijn arm om haar middel en plotseling begon zijn hand hevig te
+beven. Hij wilde nog veel meer zeggen, maar kon niet. Zijn droge keel
+hikte telkens de woorden van liefde en ontroering diep in zijn binnenste
+terug.
+
+"Rozeke... Rozeke..." herhaalde hij enkel met streelende stem; en
+vanzelf neeg haar hoofdje naar het zijne, en in de duisternis vonden
+zijn zoenende lippen haar frisschen mond....
+
+ * * * * *
+
+Zwaar-dreigend trok het verre onweer steeds dieper naar het zuiden af,
+en in de schoongeveegde, hoog-donkerblauwe lucht schitterden nu de
+stille, gouden sterren.
+
+Zij spraken geen woord meer; zij konden niet meer spreken. Hun ziel was
+te vol, te gelukkig. Maar als onscheidbaar hielden zij zich tegen elkaar
+aangesloten, in een gevoel van wederzijdsche sterkte en bescherming, die
+voortaan alles kon trotseeren.
+
+Daar blonken reeds, in 't kort verschiet, laag bij den grond, de stille
+lichten van de groote hoeve; en achter zich aan hoorden zij vaag het
+druk gepraat der opgewonden slijters en het dof geratel van den wagen,
+die nu in kalmen gang met de getemde rossen terugkwam.
+
+Hij liet haar los en aan den ingang van de oprijlaan voegden zij zich
+bij de anderen, die hun korte afzondering niet eens bemerkt hadden.
+Allen praatten in driftige verwarring over het geval, en op den drempel
+van het woonhuis stond de boerin, angstig roepend van verre wat er toch
+gebeurd was.
+
+"Niets,... niemendalle; de peirden die 'n beetsen hoastig woaren om noar
+huis te komen," snoefde Smul.
+
+De slijters lachten, en driest, als uitdagend, liet hij zijn zweep boven
+de schuddende manen der nog bang-trillende, schuimende beesten knallen.
+
+Als een trage kudde drongen de afgematte sjouwers onder zwaar
+klompengetrappel naar binnen.
+
+"Es den boer bij ulder niet?" vroeg de boerin.
+
+"Nien hij, bezinne," antwoordden enkele stemmen.
+
+"O die smeirigen dronkoard!" bromde zij, bevend van gramschap.
+
+In 't helder licht der ruime keuken stonden de reusachtige kommen
+"slijtpap" wachtend op de lange, ruw-houten tafel te dampen. Als
+uitgehongerden vielen de slijters er op aan. Enkele waren zoo moe dat
+hun zware oogleden onder het slurpend eten neerzakten.
+
+Reeds een volle week hadden de meesten dag aan dag bij verschillende
+boeren "gesleten"; en morgen voor het eerste daglicht zouden zij opnieuw
+beginnen...
+
+Noot:
+
+[1] Rootveld.
+
+
+ * * * * *
+
+II.
+
+
+Toen de oogst veilig opgeborgen in de schuren zat, of ten allen kante
+in groote schelven op het kaalgeschoren land stond; toen het tenger
+rapenloof begon te kiemen op de wijde akkers waar het gouden koren had
+gegolfd; toen stille rust kwam na den zwaren arbeid, en boeren en
+boerinnen overal met vroolijke gezichten in hun beste kleeren naar de
+kermisdorpen togen, greep het huwelijk op een zacht-zonnigen
+September-ochtend plaats.
+
+Alfons' moeder had wel eerst wat geklaagd en gebromd, onaangenaam door
+de gebeurtenis in haar bedompt stilleventje van oude, ziekelijke vrouw
+verrast; en ook Rozeke's ouders hadden er wat tegen opgezien, omdat het
+meisje nog zoo jong was, maar tot feitelijk verzet was 't niet gekomen.
+
+"Zurgt da g'aan de kost komt," had Rozeke's vader gezegd; en Alfons'
+oude moeder had slechts een voorwaarde gesteld, maar een streng-besliste:
+dat ze de goedkeuring van nicht Begijntje moesten hebben.
+
+Dat was een angst geweest!... Bevend waren Alfons en Rozeke naar het
+Begijnhof in de stad gegaan, en als twee schuldigen waren zij voor nicht
+Begijntje verschenen.
+
+Doch het was meegevallen. Nicht Begijntje, oud en half verkindscht, had
+te nauwernood eenige verwondering laten blijken. Zij had weinig notitie
+van Rozeke genomen en eindeloos geklaagd over haar eigen gezondheid, die
+den laatsten tijd zoo achteruitging. Zij waren weldra zoo totaal van het
+doel huns bezoeks afgedwaald, dat Alfons haar eraan had moeten
+herinneren en met trillende stem aan nicht Begijntje gevraagd had of ze
+'t wel goed vond, dat ze met elkander trouwden.
+
+"Joa ik," had nicht Begijntje geantwoord, "op conditie da g'ulder veur
+ulder huwelijk deftig gedroagt en in de zonde van onkuischheid nie 'n
+vervalt." En streng had zij Rozeke even aangekeken.
+
+Rozeke had blozend haar oogen neergeslagen, maar Alfons had moed gevat
+en plechtig verklaard dat nog nooit iets verkeerds tusschen hen gebeurd
+was, en dat het voor hun huwelijk ook niet gebeuren zou.
+
+Daarmee was nicht Begijntje tevreden geweest en verder had zij over hun
+wederzijdsche plichten gesproken. Het scheen in haar versuften geest van
+oude kwezel onomstootbaar vast te staan, dat de vereeniging der beide
+seksen--zelfs de door den echt gewettigde--iets buitengewoon akeligs en
+onteerends was, hetwelk tenauwernood door een voorbeeldig kuischen
+omgang voor het huwelijk eenigszins vergoed kon worden. Zij zelve was
+veel te fatsoenlijk geweest om te trouwen, beweerde ze; en zij noemde
+hun tot voorbeeld den heiligen Tobias, die na zijn huwelijk drie dagen
+en drie nachten met zijn vrouw in zuiverheid leefde. Met deze en andere
+vermaningen had zij hen eindelijk laten gaan, maar hun doen beloven, dat
+zij op hun trouwdag,--dien ze toch zeker wel volgens gebruik in de stad
+zouden doorbrengen--haar nog eens moesten komen opzoeken.
+
+Met Smul, daarentegen, hadden zij vervelender gescharrel gehad.
+
+Toen hun voorgenomen huwelijk publiek bekend werd, was Smul wild aan 't
+drinken gegaan en had in alle herbergen geschreeuwd dat Rozeke de zijne
+was geweest, dien avond van de slijting, toen de stormende paarden met
+hen beiden op den wagen in het koren waren weggehold. Dagen lang had hij
+als gek geloopen, zwerend dat hij Alfons zijn mes door 't lijf zou halen
+indien hij hem ontmoette; hij had zijn dienst opgezegd en was gaan
+landloopen; en op een avond was hij komen schelden en brieschen voor 't
+huisje van Rozeke's ouders, zoo gemeen beleedigend, dat haar broeders en
+haar vader op hem af gevlogen waren en geducht hem hadden afgeranseld.
+
+Sinds was hij weer bedaard en uiterlijk kalm geworden. Hij had opnieuw
+zijn dienst als paardenknecht genomen bij boer Kneuvels, en werkte als
+een lastdier, somber in zichzelf teruggetrokken, geen nutteloos woord
+tusschen zijn halsstarrig-dreigend gesloten lippen doorlatend. Maar
+Rozeke bleef doodsbang voor hem en vermeed stelselmatig elke gelegenheid
+hem te ontmoeten. Zij was geen enkele maal meer bij boer Kneuvels komen
+werken, en in haar schrik had zij ook aan Alfons zijn woeste aanranding
+in 't koren, op dien avond, met de weghollende paarden, verteld.
+
+"Rozeke, zweir mij da ge de woarheid zegt; zweir mij dat er nie anders
+gebeurd 'n es en dat de sloeber liegt!" had hij haar plechtig-dringend
+gevraagd.
+
+"'k Zweire 't ou, Fons; 'k mage deudvallen as ik ou de woarheid nie 'n
+zegge!" had zij met onwrikbare beslistheid geantwoord. En frank in het
+gezicht had zij hem met haar mooie, kinderlijk-reine, blauwe oogen
+aangekeken.
+
+"'k Geleuf ou," had hij ontroerd geantwoord: en verder was er niet meer
+over gesproken.
+
+ * * * * *
+
+Even voor negen uur kwamen zij op het gemeentehuis, waar het burgerlijk
+huwelijk zou voltrokken worden. Zij waren beiden gansch in 't zwart
+gekleed, hij met een rond hoedje, het donker haar zorgvuldig gestreken
+en 't zwarte snorretje gekruld, netjes als een heer; zij met een
+schitterend-witten onderrok waarvan zij het randje liet zien en een
+zwart-tullen hoedje, met hel-witte-en-rose bloemen. Zij zag er frisch
+en jeugdig uit als een nog heel jong meisje. Haar zachte wangen hadden,
+onder hun warme tint van zonnebruinheid, de teere, frissche kleur van de
+bloemen op haar hoofd en haar blauwe oogen schitterden, als glanzende
+vergeet-mij-nietjes.
+
+Alfons' oude moeder en Rozeke's beide ouders waren meegekomen.
+Vaprijsken, als een zomervogel in 't groengeel gekleed, was trouwvaarke,
+en La, in 't donkerbruin, met schel-blauwe bloemen op haar hoed, was
+trouwmoerke. Verder dienden drie ambachtslui uit de buurt, doorgaans
+voor dergelijke gelegenheden op het laatste oogenblik van hun werk
+gehaald, tot huwelijksgetuigen. In de afwezigheid van meneer de
+Latour-Champlon, den baron-burgemeester en jonkvrouw Anna's vader,
+werden zij door meneer Waelckens, den eersten wethouder, in de
+secretarie van het gemeentehuis, met openstaande deuren, getrouwd. De
+plechtigheid was spoedig afgeloopen. Meneer Provijn, de secretaris, een
+slaperige, bleeke dikkerd, met vet-glimmend vest, zanikte de lezing van
+de huwelijksacte voor, terwijl meneer Waelckens, met gansch andere
+dingen bezig, de gelegenheid van zijn komst op het gemeentehuis waarnam,
+om met gefronste wenkbrauwen van verveling talrijke malen zijn
+handteekening op lijvige, gele registers te krabbelen. Hij kwam eerst
+ter zake toen de secretaris zijn zeurige voorlezing even onderbrak en
+vragend-wachtend naar hem opkeek.
+
+"Zijn we'r?" vroeg hij.--En, op een bevestigend hoofdgeknik van den
+slappen secretaris, keerde hij zich tot Alfons' oude moeder en stelde de
+sacramenteele vraag:
+
+"Vreiw Urzela van de Weghe, verkloart-e gij toe te stemmen in 't
+huwelijk van oue zeune Alfonsus Josephus van de Weghe mee Irma Rosalia
+van Doalen?"
+
+"Joa ik, menier de schepen," antwoordde dof en heesch het ziekelijk
+oudje.
+
+Meneer Waelckens keerde zich tot Rozeke's vader om:
+
+"Constantinus Ludovicus van Doalen, verkloart-e gij toe te stemmen in
+'t huwelijk van ou dochter Irma Rosalia mee Alfonsus Josephus van de
+Weghe?"
+
+"O ba joa ik, menier Woalkes; ze'n moen maar zien e-woar da z'ulder
+deveuren doen om aan de kost te komen," antwoordde glimlachend de vader.
+
+"En gij, vreiwe, stemt-e gij euk toe?" vroeg meneer Waelckens aan
+Rozeke's moeder, zonder op vaders grappigen toon in te gaan.
+
+"Ha, 'k zal wel moeten, e-woar; maar 't es spijtig da ze nog zeu jonk
+es."
+
+"Joa moar, stemt-e toe of stemt-e niet toe?" vroeg meneer Waelckens met
+een begin van ongeduld.
+
+"O joa joa ik, joa joa ik, menier Woalkes. Z'n moen ulder moar weiren,
+e-woar? W'hen't wij euk moeten doen om deur 't leven te komen."
+
+Meneer Waelckens, 't gelaat steeds ernstig en de wenkbrauwen in
+verveling gefronsd, wendde zich tot Alfons:
+
+"Alfonsus Josephus van de Weghe, verkloart-e gij tot wettige huisvreiwe
+te nemen Irma Rosalia van Doalen?"
+
+"Joa ik, meneer de schepen," antwoordde kalm Alfons.
+
+Meneer Waelckens keerde zich tot Rozeke:
+
+"Irma Rosalia van Doalen, verklaart-e gij tot wettigen echtgeneut te
+nemen Alfonsus Josephus van de Weghe?"
+
+Ja ik, menier de schepen," fluisterde Rozeke zacht.
+
+"In noame der Wet verkloar ik ulder deur het huwelijk verienigd!"
+orakelde meneer Waelckens.--En zonder verder notitie van hen te nemen
+verdiepte hij zich weer in handteekeningen-krassen op de lijvige
+registers, terwijl de secretaris, met zijn slappe, toonlooze zeurstem,
+de langdradige lezing der acte voortzette.
+
+Rozeke zat stil-ontroerd en vreemd te moede. Heel diep in haar binnenste
+lag de ontroering, want al het uiterlijk der plechtigheid leek zoo
+gewoon en oppervlakkig dat er geen emotie tot haar van door drong. Die
+vadsige, trage secretaris, die stugge wethouder, die drie getuigen in
+hun werkpak, die stoffige registers in de hooge, houten kasten om de
+muren, en ook de welbekende alledaagschheid van haar ouders en zijn
+moeder, van Vaprijsken en van La, 't was alles of het niets te maken had
+met de gewichtige gebeurtenis waarvoor zij daar vereenigd waren, en die
+nu plotseling als een omwenteling in haar leven zou te weeg brengen. Zij
+voelde al dat uitwendige zoo koud, zoo vreemd en onverschillig, bijna
+als iets vijandig-dreigends over haar jong en frisch geluk. Hare
+gedachten dwaalden van de werkelijkheid af, vlogen in 't ronde om haar
+heen, als gejaagd-zoekende vogels, die uit alle oorden de gebeurtenissen
+van 't verleden weer in haar geheugen brachten. Zij dacht aan het
+verwilderd hollen van de paarden met den wagen, en 't akelig grijnsgelaat
+van Smul rees eensklaps als een duivelsche verschijning voor haar op. Zij
+schrikte ervan tot in haar ziel en haar zachte oogen staarden angstig even
+voor zich uit. Zij dacht aan jonkvrouw Anna, het mooi, lief meisje van
+'t kasteel, dat haar altijd zooveel vriendelijkheid betuigde en dat zij,
+na dien middag op de slijting, niet meer had teruggezien. Had die haar
+dan vergeten en verlaten? Vreemd, zij voelde zich eensklaps als in
+eenzaamheid vergeten en verlaten, terwijl toch haast allen die zij kende
+en liefhad nu bij haar waren, om haar levensgeluk met hem, Alfons, den
+man van haar hart en haar keus, te helpen zegenen. En slechts aan hem
+alleen geloofde en hechtte zij met veilige zekerheid, als aan den eenigen
+steun van bescherming, die haar tegen alle levensgevaren zou behoeden.
+Tranen van zalige ontroering kwamen even in haar oogen en van terzijde
+keek zij hem aan, in volle overgave van haar gansche wezen. Hij glimlachte
+haar zachtjes tegen, met zijn mooie, donkere oogen, alsof hij haar
+begrepen had en zoet gerust wou stellen. Toen werd het haar te machtig:
+zij moest hem even aanraken, hem even voelen. Zacht-langzaam-zoekend
+strekte haar hand zich naar hem uit, terwijl haar oogen stil-behoedzaam
+op het kwabbig-dik gezicht van den saai-voorlezenden secretaris gevestigd
+bleven. En als in een wederzijdsche strooming van onbedwingbare versmelting
+tot een wezen, raakten zij elkanders vingers zonder naar elkaar op te
+kijken en wisselden zij, plechtig als een stillen eed, de zwijgend-
+omknellende belofte van hun onvergankelijke liefde.
+
+Toen de secretaris eindelijk met zijn lezing klaar was stonden zij op,
+eerst Alfons en dan Rozeke en beiden zetten langzaam, met bevende
+vingers, hun handteekening onderaan de acte. Het was als de bezegeling
+van hun zwijgenden liefdeseed. Geen een van de anderen, behalve
+Vaprijsken, waren geleerd en konden hun naam zetten. Zij teekenden met
+een kruisje. De overige drie getuigen: een smid, een bakker en een
+zadelmaker teekenden ook, en laatst van allen onderteekenden meneer
+Waelckens en de dikke secretaris.
+
+"Es 't spel hier gedoan?" vroeg luchtig vader van Dalen.
+
+"'t Es gedoan," antwoordde de secretaris, zijn pen afvegend.
+
+"Kurt en goed, e-woar?" schertste een der getuigen.
+
+"Joa," lachte vader van Dalen, blij dat hij even lachen kon, "kurt en
+nie kurt; 't es gauwe gedoan, maar 't duurt lank."
+
+Hij keerde zijn vriendelijk gezicht met het eene helder-levend oog en
+het andere wit-dood oog naar den stroeven wethouder en naar den slappen
+secretaris en vroeg of hij hen met iets trakteeren mocht.
+
+"Merci, van Doalen, 't es te vroeg," bedankten zij.
+
+"Lijk of ge wilt menieren; 't wordt ulder toch hertelijk gejoond," zei
+vader. Hij groette, en met al de anderen en de getuigen verliet hij de
+secretarie en opende de deur vlak tegenover in den gang, waar de
+herbergkamer van het gemeentehuis was.
+
+De trouwers en de ouders werden er door de waardin proficiat gewenscht,
+en zij dronken er een "dreupelken" met de getuigen, en de mannen
+ontstaken een pijpje. Toen gingen zij langzaam in een troepje naar de
+kerk, waar 't klokje reeds de jonge echtgenooten voor de trouwmis
+opriep.
+
+Na de plechtigheid in de kerk, die ook heel kort en haastig verliep,
+omdat er nog dienzelfden ochtend een groote begrafenis van een ouden
+heereboer moest plaats hebben, werden allen door vader en moeder van
+Dalen in _d'Ope van Vrede_ op warme chocolade en krentebroodjes
+getrakteerd, en dadelijk daarop vertrokken de trouwers met het
+trouwvaarke en 't trouwmoerke te voet naar 't naastgelegen kleine
+station, om verder den dag in Gent door te brengen.
+
+"Nichte Begijntje nie vergete zille!" riep Alfons' moeder hem nog eens
+vol bezorgdheid na.
+
+"Meugen La en ik euk mee noar nichte Begijntje?" keerde Vaprijsken zich
+gekscheerend om.
+
+Het oude vrouwtje pruttelde nog iets dat ze niet begrepen, en weg waren
+zij met hun vieren, haastig stappend naar het station, bang dat ze te
+laat zouden komen. Zij kwamen echter nog precies op tijd en holden
+zweetend met rood-hijgende gezichten in een derde-klas wagen van den
+reeds wachtenden, snuivenden trein.
+
+ * * * * *
+
+Toen zij een half uur later in de drukte van het groote-stadsstation
+uitstapten, bleven zij even aarzelend midden op het woelig plein staan
+om te beraadslagen hoe zij hun vrijen dag besteden zouden. Zij hadden in
+'t geheel geen vastgestelde plannen, zij waren maar naar Gent gekomen
+omdat het nu zoo eenmaal de gewoonte was bij huwelijks-gelegenheden.
+
+"Loat ons ievers om nen dreupel of'n pinte goan, we keunen d'r doar op
+ons gemak over klappen," stelde Vaprijsken voor. De anderen vonden 't
+voorstel goed en langzaam slenterend, verbouwereerd reeds in 't gejoel
+van trams en rijtuigen en fietsen, gingen zij naar de huizenreeks vlak
+tegenover 't station en kozen er een herberg uit van onaanzienlijk
+voorkomen, waar zij binnen traden.
+
+"Ik zoe iest en veural noar nichte Begijntje wille goan," zei Alfons,
+toen zij gezeten waren.
+
+'t Idee werd goedgekeurd; maar La en Vaprijsken wisten niet wat zij in
+dien tusschentijd wel zouden doen.
+
+"Goa mee," zei Rozeke, die tegen dit tweede bezoek aan nicht Begijntje
+heimelijk opzag.
+
+Doch Alfons keurde dit voorstel beslist af.
+
+"Nie nie, 'n doe da niet, ze zoe 't kunnen kwoalijk nemen," zei hij
+bezorgd.
+
+Vaprijsken en La hadden trouwens ook niets geen zin om naar 't Begijnhof
+mee te gaan. Zij zouden de trouwers maar liefst tot aan de poort van het
+Begijnhof vergezellen, en daarna wat heen en weer gaan wandelen in de
+straten, en na een half uurtje of drie kwartier hen bij den ingang komen
+afwachten. Moest het gebeuren dat zij elkander daar niet troffen, dan
+zouden zij elkaar tegen twaalf uur hier in de herberg terugvinden.
+
+Zoo werd besloten en zij gingen heen. Op een slenterpasje, elk oogenblik
+stilhoudend bij de uitstallingsramen der winkels, de meisjes voor, de
+mannen achter, telkens op zij gestooten en geduwd door vluggere
+voorbijgangers, spotachtig aangekeken door nieuwsgierigen, en af en toe
+in verbouwereerd troepje opgehouden aan drukke kruispunten van
+tramlijnen en straten, kwamen zij eindelijk, in een lange, ouderwetsche
+straat voor de gesloten, groene poort van het Begijnhof aan.
+
+"Allo, tot binnen 'n half uur of drei koartiers," zei Alfons, de zware
+klink optillend.
+
+La liep reeds vooruit alsof ze bang was om gezien te worden, maar
+Vaprijsken kwam met een schalkschen glimlach eventjes terug en
+fluisterde schertsend:
+
+"Zeg, as nichte Begijntjen ou 'n gouwstik van twintig fran geeft, lijk
+dien baron, van de zomer, op de slijtijnge, trekteert-e mee'n flassche
+wijn?"
+
+"Joa ik," knikte Alfons glimlachend; en hij duwde de poort open.
+
+ * * * * *
+
+Plotseling, zonder overgang, kwamen zij van de roezige drukte der straat
+in heerlijke, volkomen stilte. Buiten het kort, smal gangetje, waar het
+huisje der portierster stond, die even, vriendelijk glimlachend onder
+'t wit kornetje, op haar drempel naar de bezoekers kwam kijken, strekte
+zich een ruim en vierkant grasveld uit met boomen, waar koeien vreedzaam
+als in weiland graasden; en overal rondom, achter witte muurtjes met
+gesloten groene deurtjes, vertoonden zich, omgeven van hun kleine
+tuintjes, de rood-en-witte trapgevelhuisjes der couventen. De kerk stond
+op een hoek, verweerd en grijs als een monument van hoogen ouderdom, met
+groote boogvensters vol kleine kleurenruitjes en met grillig klokkenspel
+op fijn-gekanteelden, slanken toren. Zwartgerokte, wit-gekornette
+begijntjes liepen ingetogen langs de witte muurtjes, verdwenen
+geheimzinnig in de groene deurtjes, schreden met korte, vlugge pasjes,
+over 't breede grasveld naar het kerkje toe. Een paar waren er bezig met
+wit waschgoed op een hoekje van het groene veld te drogen uit te leggen,
+en het kwam Rozeke voor of het werkelijk waschvrouwtjes waren,
+keurig-nette waschvrouwtjes, met jonge, roze, lachende gezichten, en of
+het gansche vriendelijk Begijnhofje, wit-en-groen-en-roze glinsterend in
+de zoete najaarszon, iets was van stille, wereldlijke frischheid, iets
+waar alles weer heel jong en zacht en rein werd, door een zorgzame,
+teedere bescherming tegen alle schendende ruwheid, tegen alle smet van
+buiten schroomvallig gevrijwaard.
+
+"Da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte Rozeke, met van
+verrukking in elkaar geslagen handen.
+
+Maar Alfons zei dat ze geen tijd mochten verliezen, en zacht trok hij
+haar uit haar verraste bewondering mee naar links, langs een der witte
+muren met de groene deurtjes, waarachter, midden in hun kleine tuintjes,
+de wit-en-roze couventen-huisjes zoo liefelijk in de blauwe lucht
+trapgevelden.
+
+Rozeke, door een schuchteren eerbied bevangen, las, als bij haar eerste
+komst in het Begijnhof, in 't voorbijgaan de verschillende namen der
+couventen, met gele of witte letters op de groene deurtjes geschilderd:
+H. Antonius van Padua, H. Aloysius van Gonzague, H. Nicodemus, H.
+Ignatius van Loyola, couvent Ter Velden, couvent der Onbevlekte
+Ontvangenis, couvent Ter Bloemen.
+
+Daar was het. Alfons belde bescheiden aan 't ijzeren roedje met
+glimmend-koperen knop, dat aan den witten muur naast het groen deurtje
+hing.
+
+Zij wachtten even, Rozeke met van ontroering kloppend hart. Toen hoorden
+zij een stillen, vluggen pas over een grintpad achter 't muurtje en 't
+oogenblik daarna schoof een gerasterd spiegat in het deurtje open en
+vertoonde zich achter het tralienet een frisch, jeugdig gezicht met
+hagelblank kornetje, dat als een groote, wit-en-roze, stil-levende bloem
+op onzichtbaren stengel, midden uit al de andere, slanke stengel-bloemen
+en heesters van het smal tuintje scheen op te rijzen.
+
+"Es mesoeur van de Weghe thuis?" wilde Alfons vragen. Maar, nog voor hij
+den tijd had het uit te spreken, trok het vriendelijk-glimlachend
+gezicht van 't jong begijntje, dat hem dadelijk herkend had, achter 't
+judasraampje zich terug, en meteen ging 't groene deurtje zachtjes open
+en werden zij verzocht te willen binnenkomen.
+
+Zij traden binnen, eerst Alfons en dan Rozeke. Het jong begijntje keek
+'t jong bruidje even aan, met vlug-opslaande oogen, die dadelijk weer
+zedig naar beneden staarden, terwijl zij 't deurtje dichtdrukte en 't
+judasje weer toeschoof.
+
+"Wilt-e moar meekomen?" verzocht zij hen met zachte, ingetogen stem; en
+zij liep hen even, over het smal en kort grintpaadje, tusschen de
+heesters en de bloemen-perkjes voor, en opende nu ook de deur van het
+wit-en-roze trapgevelhuisje.
+
+Zij stonden in een korten, rechten, geelgekalkten gang met bruine deuren
+aan de beide zijden en een helle, matglazen tuindeur aan het uiteinde.
+Het jong begijntje opende het eerste deurtje links, verzocht hen even te
+gaan zitten, en verdween.
+
+Door schuchteren eerbied bevangen, keek Rozeke om zich heen. Een ronde
+tafel met een grijsbruin kleedje stond in 't midden van de tamelijk
+ruime, ietwat kille kamer, op den kraak-zindelijk-geboenden, rooden
+tegelvloer. Konterfeitsels van heiligen en pausen hingen, achter glas,
+in mahoniehouten lijsten aan de witgekalkte muren, en midden op den
+schoorsteen zonder spiegel was een kolossaal bruinhouten Christusbeeld
+met akelig-gefolterd aangezicht onder de scherpe doornenkroon en met
+bloedende, aan 't kruis gespijkerde handen en voeten. Door de witte
+gordijntjes der kleingeruite vensterraampjes zagen zij de bloemen en de
+heesters van het tuintje, en over 't witte muurtje het massieve grijze
+schip met slanken klokketoren van de kerk achter het groene grasveld.
+
+"Zet ou moar," fluisterde Alfons tot Rozeke.
+
+"'K en durve bijkans niet," murmelde zij.
+
+"Woarom niet? Ge'n moet nie schouw zijn," drong hij aan. En hij ging
+zelf zitten. Maar het verschuiven van zijn stoel maakte zoo groot geluid
+over den tegelvloer van 't doodstil kamertje, dat zij er beiden haast
+van schrikten, alsof hij iets gedaan had dat niet mocht. Meteen hoorden
+zij in de gang het traag-naderend schuiven van slepende voeten, begeleid
+door het gekadanseerd tikken van een stokje.
+
+"Stt!... z'es doar," fluisterde Alfons.
+
+Langzaam, heel heel langzaam werd de deur geopend. 't Was of ze vanzelf
+open ging en of niemand zou naar binnen komen. Toen verscheen het
+onderste eind van een bruin-houten, scheef naar voren gedrukt stokje,
+toen de stijve onderrand van een zwarten rok, toen de helft van een
+wit-gekousden, dik-gezwollen voet: en eindelijk stond nicht Begijntje in
+de kamer, even roerloos-hijgend van de inspanning, steunend op haar
+stokje en op den arm van het jong verpleegstertje; nicht Begijntje kort
+en dik, het rimpelig gezicht wasgeel en gezwollen onder de witte kap, de
+doffe oogen fletsblauw, de dikke onderlip suffig-kwijlend naar beneden
+hangend. Een groote, bruine rozenkrans hing los over haar ingezakte en
+platgedrukte borst te schommelen, en zij zuchtte kreunend, alsof dat
+heel kort eindje steunend loopen haar uitermate had afgemat. Zij sloeg
+even haar fletsen blik op naar Alfons, die haar schuchter en eerbiedig
+groetend te gemoet kwam, maar dadelijk gingen haar oogen zich vestigen
+op Rozeke, en zij vroeg, hortend en hijgend, alsof zij zich het meisje
+en de reden van hun bezoek niet goed meer herinnerde:
+
+"Zij-je van doage... meschien getreiwd... en es dat de vreiwe?"
+
+"Joa w' nichtje Begijntje, en 'k kom ou Rozeke nog ne kier teugen, lijk
+of ik ou beloof ha," antwoordde Alfons.
+
+Rozeke, innig benauwd en hoogkleurend van schaamte, wist niet wat ze
+zeggen moest. Ze stond daar doodsverlegen als een schuldige te
+glimlachen, en zij werd feitelijk onbeleefd door overgroote vrees van
+onbeleefd te zullen zijn. Het jong begijntje keek haar stil-glimlachend
+en als 't ware vriendelijk-meewarig aan.
+
+"Z'es nog 'n beetse verlegen, nichte Begijntje," trachtte Alfons te
+vergoelijken.
+
+Doch nicht Begijntje scheen niet onaangenaam over Rozeke gestemd, haar
+indruk was blijkbaar een nog gunstige: die eerbiedige schuchterheid
+beviel haar, en zij wees verwelkomend naar stoelen, terwijl zij zelve
+met de hulp van haar geleidster zuchtend in een breeden armstoel
+neerzakte.
+
+Het jong begijntje scheen haar vragend iets in 't oor te fluisteren. De
+oude knikte goedkeurend en de jonge verdween, de bezoekers met nicht
+Begijntje alleen latend.
+
+Zij zaten alle twee in stijve, strakke houding om de tafel, ver van
+elkander af, als vreemden, de oogen eerbiedig-ontzagvol gevestigd op de
+oude, rijke nicht, die, na nog eens herhaaldelijk gezucht en gekreund te
+hebben, hen nu met aamechtig-hijgende tusschenpoozen over verschillende
+dingen begon te ondervragen. Ze stelde voornamelijk belang in Alfons'
+moeder, omdat zij wist dat deze, evenals zij, oud en ziekelijk was, en
+wilde vooral weten waar het haar nu 't meest aanpakte: op den adem, in
+de zij of in de beenen. Toen deze nieuwsgierigheid bevredigd was begon
+zij opnieuw over haar eigen slechte gezondheid te zeuren, telkens
+herhalend dat zij toch geen recht tot klagen had, aangezien het onzen
+lieven Heer in zijn almachtige goedheid en wijsheid behaagde haar op
+aarde te beproeven om haar wellicht hiernamaals des te gelukkiger te
+maken. En eindelijk sprak zij over henzelven, over de plechtige
+gebeurtenis van hun huwelijk en hoe zij zich op zulk een dag als
+christelijke menschen behoorden te gedragen.
+
+"Het-ulder tot nou toe wel altijd treffelijk gedregen?" vroeg ze
+plotseling, hen om de beurt met haar slappe, fletse oogen eenigszins
+wantrouwend aankijkend.
+
+Zij schrikten beiden heftig op bij die zoo onverwachte vraag en keken
+elkaar even met onthutste verbouwereerdheid aan. Rozeke kreeg een kleur
+als vuur en haar wimpers gingen vlug en zenuwachtig, als zou ze gaan
+schreien, over haar eensklaps neergeslagen oogen op en neer, terwijl
+Alfons, zich strak vermannend, nicht Begijntje frank in het gezicht
+dorst aankijken en met de kloekheid van een rein geweten antwoordde:
+
+"Altijd, altijd, nichte Begijntje, d'er 'n es giene meinsch op heul de
+weireld die ons iets te verwijten het."
+
+Die kranig uitgesproken verzekering scheen nicht Begijntje ten zeerste
+te bevredigen. Zij knikte goedkeurend met het hoofd en haar nat-bevend
+afhangende onderlip pruttelde iets van tevredene waardeering. Toch
+meende zij dat rein met elkaar omgaan voor het huwelijk lang niet alles
+was, en weer sprak zij hen over den heiligen Tobias, die drie dagen en
+drie nachten met zijn vrouw in zuiverheid had geleefd.
+
+Alfons had alle moeite om een plotseling in hem opstormende lachbui te
+bedwingen. Hij beet op zijn lippen en gluurde schichtig naar Rozeke, die
+ook even met een vluggen blikstraal naar hem opkeek en toen weer met
+hooge kleur haar oogen zedig neersloeg, terwijl haar mooie lipjes even
+onbedwingbaar-zenuwachtig over elkaar schoven en trilden.
+
+Gelukkig merkte nicht Begijntje er niets van op; en zij bleef rustig
+door haar stokpaardje berijden:
+
+"Da ge mij wilde beloven van gedurende drei doagen en drei nachten lijk
+den heiligen Tobias in zuiverheid te leven, 'k zoe ulder huwelijk
+zegenen en ulder geluk helpen bewirken."
+
+Alfons zat op de pijnbank en Rozeke kreeg het zoo benauwd dat haast
+tranen van verlegenheid en schaamte in haar neergeslagen oogen kwamen,
+terwijl een zenuwachtig grimas haar lippen onophoudend van het lachen
+naar het huilen heen en weer trok.
+
+Maar nicht Begijntje zat met strak-starenden, fletsen blik op een
+positief antwoord te wachten, en Alfons dacht hoe oud en rijk ze was en
+hoe ze hen kon bevoor-of-benadeelen in haar testament, En hij zei, met
+een doffe stem die van inspanning trilde, terwijl ook hij zijn
+beschaamde oogen instinctmatig als een schuldige neersloeg:
+
+"Nichte Begijntje, 'k beloof ou da'k al zal doen wat da 'k kan om...."
+
+Op 't oogenblik dat hij het met een laatste aarzeling zeggen zou ging de
+deur zachtjes open, en als een engel van verlossing trad het vriendelijk
+jong begijntje binnen met een volgeladen presenteerblad op haar beide
+uitgestrekte handen.
+
+Alfons zweeg plotseling; en nicht Begijntje zelve betuigde hem met een
+goedkeurend hoofdgeknik dat zij genoeg begrepen had, terwijl het jong
+begijntje 't zware blad met kan, kopjes en koekjes voor haar op de ronde
+tafel plaatste.
+
+"'t Es seekelou," sprak nicht Begijntje. "Ge goat 'n taske seekelou
+drijnken en'n boterkoeksken eten ier da ge veurt goat."
+
+De ochtend-chocolade met broodjes die zij na de trouwmis in _d' Ope van
+Vrede_ gebruikt hadden, lag hun nog zwaar op de maag, en zij voelden
+geen de minste lust om nog eens weer het zelfde te gebruiken, doch de
+uitkomst was er een zoo ongehoopte en welkome, dat zij terstond, met
+ongeveinsde verrukking bijschoven en vol graagte het weee, zoeterige
+goed naar binnen werkten. Het jong begijntje en de oude nicht deden er
+trouwens aan mee, de laatste akelig morsend met haar kwijllip en haar
+tandeloozen mond; en toen zij gegeten en gedronken hadden mochten zij
+eindelijk opstaan en afscheid nemen.
+
+"Wacht," brabbelde nicht Begijntje, "hier es nog wa veur ulder, moar...
+moar 'n verlies het niet... en keupt er ulder 'n stik in ulder huishouen
+mee."
+
+Zij ging met haar bevende hand in een mandje, dat het jong begijntje in
+een kast voor haar gaan halen was en nam er van onder een kerkboek en
+een sleutelbos een bankbriefje van honderd frank uit.
+
+"Ha moar nichte Begijntje, 't es te veele!" riep Alfons gansch ontroerd.
+
+"Neem moar, neem moar,... moar 'n verlies het niet, en... en vergeet
+ulder belofte niet...." zei nicht Begijntje.
+
+Met bevende vingers nam Alfons het kostbaar papiertje aan en stopte het
+zorgvuldig in zijn binnenzak. Innig ontroerd stond hij voor haar, hij
+zag ineens als heel nieuw en onbekend nicht Begijntje, een goed en
+liefdadig oud mensch met een paar zonderlinge eigenaardigheden, en hij
+voelde plotseling dat het hem werkelijk spijten zou als zij er eenmaal
+niet meer was.
+
+"Merci, merci, nichte Begijntje, ge zij wel duuzen kiers bedankt, en 'k
+hoop uit de grond van mijn herte da ge genezen zilt en da ge wel honder
+joar oud zilt worden," zei hij, met tranen van dankbaarheid in de oogen,
+terwijl hij, met Rozeke heengaande, nog een laatste maal haar gele,
+bevende, rimpelige hand in de zijne drukte.
+
+ * * * * *
+
+Toen zij buiten het Begijnhof kwamen ontwaarden zij dadelijk Vaprijsken
+en La, die langzaam in de drukke straat voor de winkelramen op en neer
+wandelden. Alfons floot op zijn vingers en dadelijk keerden zij zich om
+en kwamen naar hen toe.
+
+"Hawel, hoe he 't geweest! He z' ulder'n stik van twintig fran gegeen?"
+schertste Vaprijsken. Maar hij werd vreemd getroffen door de zonderlinge
+uitdrukking van beider gezicht en riep verwonderd:
+
+"He! wa scheelt er dan? Es 't lachen of es 't schriemen da ge goat
+doen?"
+
+Rozeke, zenuwachtig van emotie, trok inderdaad een vreemd gezicht.
+En plotseling barstte 't bij haar uit, half lachen en half huilen,
+onbedwingbaar, midden op de straat, onder de verbaasde blikken van de
+talrijke voorbijgangers.
+
+"Ha moar onz' Roze wa het-e gij! schiedt er toch uit! wordt-e gij zot!"
+riep La verbaasd en bijna verontwaardigd.
+
+Eensklaps werd het ook Alfons te machtig, en net als Rozeke barstte hij
+uit in tranen en gelach, krampachtig op zijn lippen bijtend en zijn
+vuisten knellend, als een gek. Stom-gapend van verbazing stonden La en
+Vaprijsken hen aan te kijken, tot Alfons hen eindelijk met zich meetrok
+in een eenzaam zijstraatje, waar hij hen, nog steeds om de beurt lachend
+en huilend, het verhaal deed van den heiligen Tobias en van het
+bankbriefje van honderd frank, telkens in hortende woorden smeekend dat
+zij er toch niet om lachen zouden, want dat nicht Begijntje veel te goed
+en veel te lief was om bespot te worden, en telkens zelf weer in
+overweldigende lachbuien uitproestend, hoe langer hoe erger, naarmate La
+en Vaprijsken, die eindelijk de toedracht van de zaak begrepen, ook in
+dolle uitgelatenheid hun wilde pret uitschaterden. Toen zij eindelijk
+tot bedaren kwamen vroeg Vaprijsken, nog half ongeloovig, om het
+bankbriefje te mogen zien; en hij werd stil van eerbied terwijl Alfons
+het als een heiligdom te voorschijn haalde en het hem van verre liet
+bewonderen.
+
+"Nondedzju!" riep hij, de tabakspruim, die hij kauwde, als van wellust
+in zijn mond omkeerend.
+
+Weer slenterden zij met hun vieren door de straten, doelloos,
+gapend-rondkijkend, hinderlijk voor de overige voetgangers, die telkens
+op het trottoir om hun trage viertal heen moesten, als water om een
+klip. Maar 't was reeds over twaalf, La en Vaprijsken kregen honger, en
+de laatste stelde voor dat zij ergens wat zouden gaan eten en vooral de
+flesch wijn uitdrinken waarop Alfons nu met zijn honderd frank
+waarachtig wel trakteeren mocht. Alfons stemde toe, en in een groepje
+stonden zij nu even weer midden op het kruispunt van vier straten,
+wantrouwig-aarzelend rondkijkend, of zij ook ergens een geschikte
+herberg zagen. Doch zij ontdekten niets dat hen bepaald aanlokte en daar
+zij ieder oogenblik op zij gedrongen werden door het druk verkeer van
+voetgangers en rijtuigen, raadde Vaprijsken aan om weer naar die herberg
+bij het station te gaan, wat zij ook deden.
+
+Loom en moe reeds van de benauwende stadsdrukte en het doelloos
+slenteren, kwamen zij voor de tweede maal in 't herbergje en Alfons
+vroeg aan den dikken baas, die in grijs linnen jasje achter de
+schenktafel stond, of zij iets te eten konden krijgen.
+
+"Iets kaud, joa," antwoordde kortaf de man; en hij wees naar zijn
+schenktafel, waar stukken koude roastbeef, ham en kaas op groote borden
+onder glazen stolpen stonden. Er was ook een mandje vol met
+hard-gekookte eieren.
+
+Vaprijsken trok zijn neus op. Hij had gehoopt iets warms, iets van
+"teelkost" te kunnen krijgen. Maar La deelde hem mede dat zij 's avonds
+bij vader en moeder van Dalen teelkost in overvloed zouden krijgen, en
+dat vooruitzicht troostte Vaprijsken en deed hem reeds op voorhand
+lekkerbekken. Na lang aarzelen en overwegen bestelde Alfons voor La en
+Vaprijsken twee groote porties "rosbuuf en hespe" en voor hemzelf en
+Rozeke, die na al hun chocola met broodjes nog geen honger hadden,
+slechts twee gekookte eieren. En meteen bestelde hij ook, plechtig, als
+gold het een daad van belang, "'n flassche wijn."
+
+"Reuen of witten?" vroeg de baas van achter zijn schenktafel.
+
+Gewichtig raadpleegden zij even elkaar.
+
+"Reuen," zei eindelijk Alfons.
+
+"Van den ordinairen of van den besten?"
+
+Weer staken zij de hoofden samen.
+
+"Hoevele scheelt het in de prijs?" vroeg Alfons.
+
+"Twie fran en drei fran."
+
+"Van den besten dan," besloot Alfons.
+
+Zij aten en dronken. Vaprijskens leuke oogen glinsterden. Zijn gele
+baard ging onophoudend op en neer, in gelijkmatige kadans, als een heel
+eigenaardige mekaniek, die door iets automatisch in beweging werd
+gebracht. Hij sneed zijn vleesch, dik met mosterd bestreken, in gelijke
+stukken op kubieke hompen brood, en telkens na het slikken dronk hij een
+teug van zijn wijn, schalks knipoogend naar de anderen, als voerde hij
+iets heel ondeugends uit, waarin hij groote, stille pret had. La ging
+plotseling, zonder merkbare oorzaak, weer aan 't schaterlachen en
+beweerde dat de wijn haar naar het hoofd steeg; Alfons en Rozeke zaten
+een beetje lusteloos, de maag wee-overladen en vagelijk van streek door
+te veel zoete chocola en broodjes.
+
+Na den wijn en het eten dronken zij koffie met suiker in groote glazen,
+--wat hen eerst verbaasd deed lachen--en Alfons trakteerde ook Vaprijsken
+met sigaren. Toen spraken zij weer over nicht Begijntje en hadden nog
+even pret om de Tobias-historie; maar langzamerhand begonnen ze zich toch
+te vervelen, en weldra vroeg Vaprijsken wat zij nu verder met hun middag
+zouden doen.
+
+Rozeke en La stelden voor om nog wat in de stad te gaan wandelen en naar
+de winkels te kijken en misschien 't een of 't ander te koopen; doch de
+mannen hadden reeds meer dan genoeg van de winkels en zochten naar iets
+anders zonder het evenwel te vinden.
+
+"We'n keunen hier toch nie heul den dag in die hirbirge blijve zitten,"
+zei Rozeke een beetje wrevelig.
+
+Alfons keek haar even van ter zijde aan. Haar mooie oogen stonden stroef
+en haar lipje hing een beetje neer. Hij had al meer gehoord dat ze soms
+wel een ietsje grillig kon zijn; hij had het zelfs een paar keer
+ondervonden al. Nu ook. Hij glimlachte zoet en nam streelend hare hand
+onder de tafel. Half pruilend nog keek ze naar hem op, maar het lieve en
+aardige in haar karakter nam dadelijk weer de overhand en haar heldere
+oogen lachten hem glinsterend tegen, als zonnestralen door een vluchtig
+onweerswolkje.
+
+Plotseling had Vaprijsken een inval.
+
+Weet-e watte! loat ons elk van zijne kant goan!" riep hij. "La mee
+Rozeke in de wijnkels en ik mee Fons ievers elders."
+
+Maar Rozeke, die 't oogenblik te voren wellicht zou hebben toegestemd,
+was er thans niet meer voor te vinden.
+
+"Op onzen treiwdag van mijne veint wigleupen! nien ik, daor! 'K ben bij
+hem en 'k goa mee hem mee woar dat hij wilt!" riep zij, als een bedorven
+kind. En zoet legde zij haar handje in de zijne en drukte die
+teederlijk.
+
+"Al gezeid!" lachtte Vaprijsken. "Hawel weet-e watte: loat ons al te
+goare mee den elektriek rond-rijen!"
+
+Dat was een heerlijk voorstel en zij juichten 't toe. Ja, met de
+electrische trams rondrijden, van den eenen in den anderen, zoover ze
+liepen! Dat was iets nieuws, dat kenden ze nog niet, dat zou pleizierig
+zijn!
+
+Zij verlieten de herberg en stapten lachend in den eersten tram den
+besten, die klaar stond om te vertrekken.
+
+"Woar noartoe?" vroeg de conducteur.
+
+"Noar 't ende van de weireld!" schertste Vaprijsken.
+
+En zij reden. De mooie winkelstraten, met schitterpracht van
+uitstallingen, de stille ouderwetsche buurten, met groote, donkere,
+deftige huizen en indrukwekkende kerken, de vuile krioelende voorstad
+met lange, rechte straten vol grauwe arbeiderswoningen en reusachtige
+fabrieks-gebouwen, ze reden 't alles zoo gemakkelijk af en langs, in
+telkens afwisselende belangstelling voor in-en-uitstijgende reizigers,
+tot zij weldra heelemaal buiten waren, midden in vuilnis-terreinen met
+half-gesloopte werven en loodsen, waar de tram eindelijk stilhield en
+zij verzocht werden om uit te stappen.
+
+"Ah, Vaprijs, da es 'n scheune streeke woar da g' ons hier gebrocht het,
+zille; 'k moak ou mijn kompliment," gekscheerde Alfons om zich heen
+kijkend. Ook La hield Vaprijske voor den gek, vragend of hij hier
+wellicht een lief had zitten. Maar Rozeke, de oogen nog vol van de
+glinstering der schoone winkels die zij slechts in het vlugge
+voorbijsnorren van den tram gezien had, werd opnieuw misnoegd en
+pruilerig en verlangde reeds zoo spoedig mogelijk terug te keeren. Zij
+stonden daar even als verdwaald: geen van allen wist nog waar naartoe;
+zij vonden er niets beters op dan met denzelfden tram naar de stad terug
+te rijden, en daar opnieuw te blijven slenteren en hangen, en nog eens
+wat te eten en te drinken, en nog eens in en uit de winkels en bazars te
+loopen, tot het eindelijk tijd werd om den trein huiswaarts te nemen.
+
+Zij waren moe en beu. In 't kort trajectje op de spoor vielen Rozeke's
+oogen toe en zonk zij weg in slaap. Alfons, met hare hand zacht in de
+zijne voelde eveneens een loome slaaplust in zijn hersens suffen; en hij
+hoorde nog te nauwernood, in 't knarsend-ruischen van den trein, het
+lachgepraat van La en Vaprijsken, die elkaar met grapjes trachtten op te
+winden. O, slapen, rustig naast elkander mogen slapen, na een zoo langen
+dag van afmattend slenteren en hangen! Maar knarsend op zijn remmen
+hield de trein plotseling met een korten schok stil en beiden schrikten
+zuchtend uit hun sluimering, terwijl het portier, wijd-opengerukt, een
+frissche, koele tocht naar binnen deed stroomen. Zij waren er; haastig
+hobbelden zij uit den wagen en stonden op 't perron.
+
+De avond was gevallen. Zoodra zij uit de drukte van het klein station
+kwamen, bevonden zij zich in stille duisternis op een eenzamen steenweg
+tusschen twee rijen jonge eikenboompjes. Een paar rijtuigen, die
+reizigers waren komen afhalen, reden hen in de glinstering van hun
+lantarens voorbij, en in een daarvan meende Rozeke den baron en de
+barones van het kasteel te herkennen. Zij verbaasde zich zeer. Sinds
+een paar maanden waren zij reizende, en na den middag der slijting had
+Rozeke van haar voorname vriendin jonkvrouw Anna ook niets meer gemerkt.
+Koffers stonden boven op de omnibus: wellicht keerden ze juist nu van de
+reis terug. Maar hoe kwam het dan dat zij hen noch bij 't vertrekken van
+den trein, noch hier aan 't kleine station gezien had?
+
+"Zat mejonkvreiw Anna euk in de voiture?" vroeg Alfons.
+
+Rozeke wist het niet, zij had het niet goed kunnen zien; maar zij dacht
+wel dat de jonkvrouw er bij was en haar hart popelde van ongeduld en
+vreugd in het vooruitzicht haar wellicht spoedig weer te ontmoeten.
+
+"'K weinsche dat die jongen b'ron d'r euk bij woare en dat hij ons van
+den oavond nog ne kier mee 'n gouwstik van twintig fran kwam
+trekteeren," lachte Vaprijsken.
+
+"Zoe da nou heur lief zijn?" riep La.
+
+Geen van allen wist die vraag te beantwoorden. Niemand in 't dorp had er
+verder iets van gezien of gehoord; men wist zelfs niet wie hij was en of
+hij op 't kasteel vertoefd had; maar Rozeke voelde instinctmatig dat hij
+en de jonkvrouw elkander liefhadden en zij brandde van verlangen om er
+wat meer van te weten. In stil gepeins daarover liep zij even zwijgend
+in de duisternis naast Alfons, terwijl La en Vaprijsken in stoeiende
+pret reeds enkele schreden vooruit waren.
+
+Zacht legde hij zijn arm om haar middel en drukte haar tegen zich aan.
+
+"Rozeke, woarop peist-e dan?" streelde hij.
+
+"Op ou," sprak ze heel zacht, verliefd-glimlachend in het donker naar
+hem opkijkend.
+
+"Op mij alliene?" plaagde hij.
+
+"Op ou en op mejonkvreiw Anna; 'k zoe toch wel wille weten of dat die
+jongen b'ron heur lief es, en of ze mee hem zal treiwen, en of ze
+gelukkig zal zijn."
+
+"Zij-je gij gelukkig, Rozeke?"
+
+"Joa ik, o joa ik, Fons," streelde haar stem, met een teedere intonatie
+van zalig-ontroerde overtuiging.
+
+"We zillen allen twiee zeu gelukkig zijn, e-woar, mijn Rozeke?"
+
+"O joa w' Fons, o joa w' Fons."
+
+Zij liepen samen met gelijken tred nauw tegen elkander aangesloten,
+voelend, als een groot geluk van innig een-zijn, de zacht-levende warmte
+en de lenige beweging van elkanders lichaam. Hij was niet groot en niet
+sterk, eerder fijn en tenger voor een man, maar hij voelde haar nog
+zooveel fijner en tengerder en ook zwakker dan hemzelf en dat gevoel gaf
+hem grootere kracht en sterkte dan hij wezenlijk bezat, om haar steeds
+teeder lief te hebben en haar te beschermen. Al zijn loome moeheid van
+het suffig slenteren in de stad was eensklaps voorbij, de zachte
+frischheid en 't mysterie van de duisternis verkwikten hem, hij keek op
+naar de heldere sterren die tintelden in 't donkerblauw uitspansel
+tusschen de zwarte kruinen van de boomen en dan weer rechts en links
+naar de hier en daar nog vaag zichtbare velden, waar krekels droomerig
+zongen tusschen de laatste haverschoofjes van den lieven zomer, die daar
+ook als geheimzinnig-omstrengelde liefdesgestalten op de naakte
+stoppelvelden stonden, en het werd hem zoo heerlijk-zacht en rustig-
+zeker in zijn binnenste te moede, het werd zoo zalig van vertrouwd geluk
+en goede, kalme toekomst. Hij sprak niet meer, hij kon niet meer spreken;
+hij hield haar heel heel innig-zacht tegen zich aangedrukt, en streelde
+hare wangen met zijn teerbevende hand, en zoende haar eindelijk op de
+zoete lippen, met lange, lange zoenen en gesloten oogen, terwijl hij niets
+kon zuchten dan haar steeds herhaalden, lieven naam:
+
+"O Rozeke, Rozeke, mijn Rozeke....
+
+Links voor hen uit, in 't donkere van den nacht, laaide plotseling een
+roode gloed op en tegelijkertijd bomden in de verte, kort na elkaar,
+drie dreunende kanonschoten.
+
+"Zie-je 't vier? Heurt-e ze?" riep Vaprijsken, in de duisternis tot
+Alfons en Rozeke zich omkeerend.
+
+Hartstochtelijk knelde Rozeke Alfons' hand in de hare. Ja zeker, zij
+zagen en zij hoorden het en wisten wat het was: de avondpret in het
+gehuchtje waar haar ouders woonden en waar de terugkomst van de
+jonggehuwden door het volk gevierd zou worden. Hooger en rooder
+flakkerde de vuurgloed op en opnieuw bomden de kanonnen, terwijl ze
+reeds van verre het verdoofd gejoel hoorden van 't jonge volkje, dat
+zeker al om den brandstapel een wilde ronde danste.
+
+Zij liepen haastiger, met ongeduldig-jagend hart en sloegen links den
+landweg in, die naar 't gehuchtje leidde. Zwaarder dreunden de kanonnen,
+schriller galmden de vreugdekreten, terwijl het vuur, door het gewirwar
+van struikgewas, van verre op een boschbrand leek. En plotseling kwamen
+zij in 't zicht en een lang hoezee-geroep begroette hun verschijning,
+terwijl eensklaps, door onzichtbare handen, een lange snoer van in
+elkaar gevlochten bloemen dwars over den weg werd gespannen, om hun den
+doortocht te beletten.
+
+Glimlachend trad een klein, in 't wit gekleed meisje uit een groep naar
+voren, met een papiertje en een bloemruiker in de hand; en bij het in
+rooden gloed tegen de huisjes opflakkerend houtvuur las het een
+gedichtje voor:
+
+ Welkom van uwe reis, Alfons en Rosalie
+ Die nu zijt in den echt getreden
+ En bij uw ouders Leo en Marie,
+ Dezen avond het feestmaal zult eten.
+ De gansche buurt heeft zich in uw geluk verblijd
+ En hoopt dat gij veel lange jaren
+ Tot spijt van wie 't benijdt
+ Als man en vrouw zult blijven paren.
+
+Gejuich en hoezees klonken in kanongebulder op, de bloemen werden
+overgereikt, Alfons en Rozeke dankten, het snoer werd neergelaten en 't
+oogenblik daarna waren zij met de trouwgasten en andere genoodigden in
+vader van Dalen's huisje, waar een lange tafel klaar gedekt stond,
+terwijl het volk daarbuiten, mild getrakteerd op bier en jenever, in den
+helderen Septemberavond rondom het krakend en sissend, met groote
+armvollen versch hout gevoede vuur, luidruchtig bleef joelen en dansen.
+
+Zij praatten en lachten en aten, eerst "karbenoaden en saucietjes" met
+aardappels en daarna pannekoeken die zwommen in melk, met boter en met
+bruine suiker. Het bier stroomde overvloedig en de koffie stond geurend
+op 't fornuis te dampen. Behalve Rozeke's ouders en broeders waren daar
+ook velen van de makkers met wie zij in de zomerdrukte op boer Kneuvels'
+hoeve werkten, en zij hadden allen dolle pret en haalden grapjes uit,
+een beetje dronken reeds van 't joelen om het houtvuur. De dikke moeder
+van Dalen liep hijgend en zweetend, van 't fornuis naar de tafel om een
+ieder te bedienen, en vader deed een beetje buitensporig, den broekband
+los en in zijn hemdsmouwen, om de beurt verteederd en trotsch
+uitgelaten, nu eens klagend dat hij zijn oudste dochter in huis niet
+missen kon en dan weer pochend dat zijn dochter trouwde met een jongen
+van fortuin, die als een rijke boer zou kunnen leven, wanneer hij
+eenmaal 't erfdeel van zijn nicht Begijntje had.
+
+Vaprijsken's leuke oogen glinsterden van ondeugende pret en zijn
+spotmond lachte in zijn gelen baard. Hij keek naar Rozeke en Alfons,
+die zelven met moeite zich bedwingen konden, al beduidden zij hem ook
+telkens dat hij zwijgen moest. En plotseling flapte hij 't er proestend
+uit:
+
+"Op conditie dat hij leeft gelijk den heiligen Tobias!"
+
+"Wa vertelt-e gij, doar?" vroeg vader van Dalen wenkbrauw-fronsend in
+zijn pochen gestoord.
+
+"Ge'n meug nie, ge moet zwijgen, Vaprijs!" vermaanden Alfons en Rozeke,
+half boos, half lachend.
+
+Maar in de nu algemeen opgewekte nieuwsgierigheid kon Vaprijsken het
+niet langer onder zich houden; en hij vertelde in een adem heel de
+historie.
+
+De mannen schaterden, de meisjes kronkelden zich met roode gezichten en
+glinsterende oogen op haar stoelen. Moeders zweetstralende, heete wangen
+lodderden tot in haar hals en haar zwaar buikje stond als met kleine,
+korte schokjes tegen de kachel aan te huppelen, terwijl haar hooge
+lachstem klokte en kakelde, als het gekrijsch van een leggende hen; en
+vader zat daar stom en roerloos even, verbluft en overdonderd, zijn
+helder oog rond als een glinsterkogel op Vaprijsken, zijn doode oog als
+in slaap of treurnis half gesloten. Maar plotseling begon het goede oog
+te knippen en te twinkelen terwijl zijn mond wijd open ging; en op zijn
+beurt proestte hij 't eindelijk uit, zoo hevig dat hij zich verslikte en
+van zijn stoel opsprong, den rug gekromd en de handen op zijn knieen,
+als in stuiptrekkingen. Hun wild geschater en gegil werd tot op den weg
+gehoord en de pretmakers lieten even hun vuur in den steek om
+nieuwsgierig door de raampjes te komen luisteren en kijken. Zij
+schaterden en gilden van buiten mee zonder te begrijpen wat er gaande
+was en een aantal kwamen zelfs, ongevraagd, binnen.
+
+Zij waren er welkom, de heele buurt was er welkom, het was een dag van
+uitgelaten leute, en moeder schonk en gaf er maar op los: dreupelkes
+jenever, kannen bier, meetjeskonte, voor al wie er van wilde. Haast heel
+het klein gehucht kwam daar weldra bijeengestroomd, maar 't werd er zoo
+benauwd en stikkend, dat de een na de ander spoedig naar buiten vluchtte
+en allen op den duur midden op den kruisweg weer rondom het houtvuur
+gingen joelen. De trouwers en de gasten trokken mee en volop werd de
+pret er voortgezet. Vader van Dalen liet opnieuw bier, jenever en
+meetjeskonte halen in den "_Graeve van Halfvasten_," de herberg aan den
+overkant; armvollen hout werden van alle kanten bijgehaald, en hoog en
+rood in grijze kolken rook flitste de brandgloed op, verlevendigend met
+snelle weerlichten en vegen, de fantastische gezichten en gestalten der
+in breeden kring woelende menigte. Reusachtige schaduwen dansten
+gedrochtelijk uit over de hel verlichte gevels en tot op de daken der
+omringende huizen en de rood-beglansde bladeren van heggen en van boomen
+ritselden soms als levend klatergoud.
+
+En in dien vreemden, onreeelen toovergloed zag plotseling Rozeke een man
+daar staan, aan wien zij niet meer had gedacht en dien zij nooit op deze
+plaats en op dit uur verwacht zou hebben: Smul, boer Kneuvels'
+paardenknecht! Zij zag hem staan, heel achteraan en heel alleen, geleund
+tegen den gelen gevel van den _Graeve van Halfvasten_, de pet laag op
+het voorhoofd, den rossen knevel als een zware streep dwars door het bar
+gezicht, de stuursche oogen strak op haar gevestigd. Het was haar
+plotseling te moede alsof een onverwachte ongeluksbode een droeve
+schaduw over haar jong en frisch geluk uitspreidde en instinctmatig, als
+in schrik, deinsde zij even achteruit. Wat stond hij daar te doen?
+Waarom was hij er gekomen? Was het uit haat, als uitdaging?... of was
+het uit liefde?... uit lijdende, kwellende liefde?
+
+Zij voelde plotseling een vreemd medelijden. Zij toch was gelukkig en
+dat was hij zeker niet. Zij was bang voor hem, vreeselijk bang,--de
+herinnering aan zijn woeste aanranding in 't koren kon haar nog doen
+ijzen--maar, had hij haar ook niet het leven gered? Het kwelde haar dat
+hij daar nu zoo norsch en zoo alleen stond; zij had hem willen mee zien
+dansen met de anderen in de vreugderonde om het knappend vuur, en toch
+schrikte zij ontzettend bij de gedachte dat hij in den kring zou komen
+en wellicht pogen zou met haar te spreken. Eensklaps zag ook Alfons hem
+staan. "Kijk ne kier die sloeber doar! wa komt-ie hij hier doen!" riep
+hij bijna hardop, verbolgen uit. Maar Rozeke suste hem spoedig met
+angstige woorden:
+
+"Zwijg, zwijg, geboart da g'hem nie'n ziet."
+
+Doch Rozeke's broeders en ook anderen die Smul kenden, hadden Alfons'
+uitroep gehoord en staarden boos, dreigementen brommend, naar de sombere
+gestalte van den paardenknecht tegen den gevel van het herbergje. De
+uitgelaten jool verzwakte en verstomde; allen keken met wantrouwend
+ongenoegen naar den stoeren kerel, die door zijn enkele verschijning de
+pret gestoord had; en reeds trad Miel, Rozeke's oudste broeder, ondanks
+haar smeeken, beslist op hem toe, toen eensklaps, in de verte, in 't
+onzichtbare van den donkeren nacht, een donderend gedruisch, als van een
+snel-aanrollenden trein, alle hoofden met verbazing om deed wenden.
+
+"Wa es datte? Wa komt er ginter?" riepen allen verschrikt uit elkaar
+stuivend.
+
+Een vage wit-gele gloed, als van ononderbroken verre weerlichten,
+flitste dansend in 't verschiet op de boomstammen en heesters bij een
+bocht van den weg; het werd al lichter en al grooter in een steeds
+hooger en zwaarder opdreunend geraas, en plotseling fonkelde de
+flikkerstraling van twee groote, gele vuuroogen in 't zwarte van den
+nacht, oogen als van een onbekend, reusachtig vuurbeest, dat blazend en
+snuivend in brieschende woede op de feestvierders kwam losgestormd.
+
+"Nen odemebiel! nen odemebiel!" werd er van alle kanten te gelijk
+gegild. En een donkere bende holde den helderen lichtglans te gemoet.
+
+Daar was hij!... Langzaam vertraagde zijn vaart en 't dreunend gedruisch
+verminderde. De meevliegende, helle lichtvlak der lantarens veegde de
+duisternis van voor 't gevaarte weg: de boomen, de heesters, de
+menschen, de huizen, alles werd om de beurt pijlsnel beschenen, als met
+bundels sneeuwwit manelicht begooid en weer in duisternis gedompeld, tot
+het eindelijk voor het huisje van van Dalen in den rooden gloed van het
+brandend houtvuur stilhield. Een dame en een heer, gedrochtelijk
+toegetakeld met mantels, capuchons en groote brillen, stegen uit den
+lagen, langen, grijs-bestoven wagen, die enkel twee smalle zitplaatsen
+had; en de dame, plotseling een dik voilet oplichtend, vertoonde haar
+frisch en mooi gelaat aan de verbouwereerde menigte en zei, terwijl zij
+met uitgereikte hand en lieven glimlach recht op Rozeke toetrad:
+
+"Rozeke, ik wist dat het vandaag uw trouwdag was en ik heb u van mijn
+reis een cadeautje meegebracht."
+
+"Och Hiere God, mejonkvreiw Anna!" riep Rozeke met star-verbaasde oogen,
+plotseling haar voorname bescherm-vriendin herkennend.
+
+De heer die haar vergezelde had uit den steeds door-ruischenden wagen
+een pakje genomen en naderde nu ook glimlachend de bruiloftsgasten, en
+allen herkenden in hem den milden gever van het twintigfrankstuk op den
+middag van de slijting.
+
+De jonkvrouw nam het pakje van hem af en overhandigde 't aan Rozeke.
+
+"Kijk, Rozeke, hier zit 'n schoon penduulken in om boven op een schouw
+of een kaske te zetten en een stuk goed om u een beste winterkleed van
+te maken."
+
+"O merci, mejonkvreiwe, merci, merci, da es toch vriendelijk da ge nog
+op mij gepeisd het." dankte Rozeke, tot de tranen ontroerd, terwijl zij
+herhaaldelijk de hand harer weldoenster drukte. Alfons nam zijn rond
+hoedje af en drukte ook, met emotie, de minzaam naar hem uitgereikte
+hand.
+
+"Zijt gij gelukkig dat ge nu getrouwd zijt, Rozeke?" glimlachte de mooie
+jonkvrouw.
+
+"O joa ik, zille, mejonkvreiwe!" antwoorde Rozeke met stralende oogen.
+En plotseling ontsnapte 't haar, onwillekeurig, terwijl haar blik zich
+even op den heer die 't meisje vergezelde vestigde:
+
+"En gij euk, mejonkvreiwe? Zijt-e gij euk gelukkig?"
+
+"O ja, zeker, zeker, ik ook," lachte de jonkvrouw, met teederzachten
+oogenglans de richting van Rozeke's blik even volgend. "Meneer is een
+neef van mij, weet ge? Gij hebt hem dezen zomer op de slijting wel
+gezien. Hij heeft toen de slijters getrakteerd en nu komen wij samen van
+Oostende, waar hij heeft meegedaan in de courses met zijn automobile."
+
+"En het-e gij euk meegedoan, mejonkvreiwe?" vroeg Rozeke haast
+verschrikt.
+
+"Maar neen! 't gaat veel te gauw en ik ben veel te schuw! Ik ga maar mee
+als 't is voor wandeling," glimlachte zij. Vlug keerde zij zich tot haar
+neef, en zei, in 't Fransch, net zooals ze gedaan had op de slijting:
+
+"Donne-leur encore quelque chose, Armand."
+
+Vaprijsken, die van op een afstand het gesprek gevolgd had en duidelijk
+begreep waarvan nu kwestie was, kwam al vast, met van oolijke pret
+flikkerende oogen naast den jonker staan. En juist als op de slijting,
+ging deze nu ook in zijn zak en haalde er een goudstukje van twintig
+frank uit.
+
+"Pour qui?" vroeg hij aarzelend en stil tot jonkvrouw Anna.
+
+"Pour moi, monsieu!" riep vrijpostig Vaprijsken.
+
+Een wild gelach steeg op omdat Vaprijsken Fransch sprak, en ook de
+jonker glimlachte, den blik nieuwsgierig op Vaprijsken.
+
+"Mais c'est le meme de cet ete!" zei hij verwonderd.
+
+"Owie monsieu, owie monsieu," antwoordde Vaprijsken ongestoord, onder
+het nogmaals wild-opstijgend, algemeen gelach.
+
+"Vous partagerez au moins, n'est-ce pas?" conditionneerde de jonker.
+
+"Owie monsieu, owie...." herhaalde met overtuiging Vaprijsken; en onder
+een storm van geschater en gelach kreeg hij het twintigfrankstuk en
+holde er juichend en dansend midden in de joelbende mee weg.
+
+"Allons, nu gaan wij ook weg," zei jonkvrouw Anna. "Veel geluk in uw
+leven, Rozeke; en gij," sprak ze tot Alfons, "gij moet altijd goed en
+zacht en lief voor haar zijn."
+
+Rozeke liet Alfons staan om even met haar lieflijke beschermster mee te
+loopen.
+
+"Wilt-e nie 'n beetse binnenkomen, mejonkvreiwe en meniere? Wilt-e nie
+wat eten of drijnken?" vroeg ze goedig, niet wetend waarmede haar dank
+te betuigen. En ook vader en moeder en La kwamen aandringen, maar reeds
+waren de reizigers weer in den lagen, langen, grijs-bestoven wagen
+gestegen, die ook dadelijk oorverdoovend weer begon te bruisen en te
+trillen. 't Was iets ontzettends, alsof een helsche kracht daarbinnen
+woedde, een roffelen als van twintig trommelslagers op tot barstens toe
+gespannen trommels, met af en toe daartusschen door geweldig knallen als
+van kanonschoten, waarbij het monster vuurspuwde uit zijn flanken en de
+dicht-opeengedrongen menigte schrikgillend uit elkaar deed stuiven.
+
+"O, zij toch voorzichtig, mejonkvreiwe!" riep Rozeke door angst
+bevangen; en de zachte, kalm-gelukkige glimlach van haar voorname
+vriendin kon haar zelfs niet geruststellen. Zij kreeg ineens het akelig
+vizioen alsof dat lange en lage, daverend monsterding een doodkist was,
+een sombere doodkist, waarin een levend-opgesloten wezen uit al zijn
+krachten lag te beuken en te bonzen om verlost te worden; en hij die het
+bestuurde, met zijn neergetrokken pet en zwarten bril was als de dood
+zelf, 't geraamte met de zeis, dat haar vriendin,--zijn schuldeloos
+slachtoffer--naar de vernieling medesleepte.
+
+"Zij veurzichtig, zij toch veurzichtig, mejonkvreiwe!" riep zij nog
+eens, als in een intuitieve waarschuwing van onbewuste, diepere
+beteekenis, uit al haar kracht, terwijl het akelig gevaarte met een
+langzamen, sierlijken zwaai omdraaide en in de flikkering van zijn helle
+lichten die den zwarten nacht doorboorden, pijlsnel, onder 't
+juichendgillen van de menigte, in het verschiet verdween.
+
+ * * * * *
+
+'t Was over tien. Alfons nam zacht Rozeke's hand en fluisterde dat 't
+tijd werd om naar huis te gaan. Het vuur verflauwde, enkele feestvierders
+trokken reeds zingend langs de donkere wegen huiswaarts en Rozeke's
+broeders stonden met harsfakkels klaar om de jonggehuwden naar het huis
+van Alfons' oude moeder, waar zij hun intrek zouden nemen, te begeleiden.
+Een tiental vrienden en vriendinnen, waaronder Vaprijsken, Drieske Nijpers
+en de Seissekoker, Irma Pese, Maaie Troet en 't Geluw Meuleken, die
+denzelfden kant uit moesten, schaarden zich bij hen en zij namen afscheid
+van de ouders en van La. Vader van Dalen, stomdronken, wilde iets zeggen,
+maar raakte niet meer uit zijn brabbelwoorden; moeder kwam voor Rozeke
+staan, lei de beide handen op haar schouders en begon ook, met tranen van
+ontroering in de stem, te spreken; maar plotseling riep een der mannen
+schertsend dat zij Rozeke nog eens aan de geschiedenis van den heiligen
+Tobias moest herinneren; en daarop viel moeder zonder overgang aan 't
+proestlachen en dan weer aan het huilen, stikkend in haar woorden en haar
+tranen, terwijl haar dik, rond buikje als in struiptrekkende schokken,
+tegen Rozeke's corset op en neer stond te huppelen. Dat werkte
+aanstekelijk. Ook La kwam huilend van haar zuster afscheid nemen en zoo
+deden ook enkele buurvrouwen. Het leek wel of het op een rouwpartij zou
+uitloopen, toen eensklaps Vaprijsken met nog twee volle flesschen uit den
+_Graeve van Halfvasten_ kwam gerend en schreeuwde dat zij voor het
+afscheidnemen nog een laatste dreupelken moesten pakken en pret maken en
+lachen in plaats van daar als kleine kinderen te staan schreien.
+
+Alfons en Rozeke werd elk een vol glas in de hand gestopt en om de beurt
+kwamen nu allen hun glas tegen die van de trouwers aantikken. Allen
+kwamen: ouders, vrienden, buren, in een opgewekten, vroolijken stoet en
+wenschten de echtgenooten nog eens voorspoed en geluk. En toen zag
+Rozeke, in haar ontroering, plotseling ook Smul naar hen toe komen. Zij
+had hem in 't geharrewar met de automobiel niet meer gezien, ze had aan
+hem niet meer gedacht, zij wist niet of hij er nog was,... en daar stond
+hij eensklaps in de rij met al de anderen voor haar en als in een droom
+zag zij hem naderen en op zijn beurt de hand naar een der glaasjes
+uitsteken. Zij zag Vaprijsken, die inschonk, even aarzelen en hem met
+wantrouwen aankijken, zij hoorde vaag een dof gemor van Alfons en haar
+broeders; maar het leek alles als een droom, en 't oogenblik daarna
+voelde zij zijn glaasje tegen 't hare tikken en hoorde zij zijn schorre,
+heesche stem:
+
+"Proficiat, Rozeke; en gien kwoaje vrienden."
+
+"Proficiat, Ivo," antwoordde zij haast onhoorbaar; en even keek ze naar
+hem op.
+
+Zij zag zijn stuursche blauwe oogen, onder de klep van zijn laag-getrokken
+pet, als door een waas van droefheid beneveld. Onwillekeurig greep het
+haar aan en weer voelde zij iets van medelijden.
+
+Maar hij was reeds bij Alfons en ook bij hem zag zij het glaasje vredig
+aantikken en hoorde ze zijn doffe stem:
+
+"Proficiat, Fons, en gien kwoaje vrienden...." waarop Alfons, ook even
+instinctmatig, als wist hij in zijn verbouwereerdheid niet goed wat hij
+zei: "Proficiat, Ivo, gien kwoaje vrienden," antwoordde en daarop zijn
+glas in een teug leeg dronk. Haast tegelijkertijd deed Smul het hem na,
+en het leek Rozeke alsof de beide mannen die om haar gestreden hadden,
+plotseling met den drank hun wrok inslikten en of er nu voortaan rust en
+vrede tusschen hen zou bestaan. Zij loosde een zucht van verlichting,
+alles leek haar goed nu, en in 't geknetter van de aangestoken fakkels
+keerde zij zich om en verliet met Alfons en den stoet der begeleiders,
+de juichende en joelende groep der nog even door-feestende gasten om het
+langzaam uitstervende houtvuur.
+
+In een compact vroolijk troepje liepen zij nu, bij het stoomende laaien
+der sissende fakkels, door den kalmen, donkeren Septembernacht. Hun
+groote, donkere schaduw-schimmen dwarrelden als gedrochtelijke, door
+elkaar hollende dansers over den rood-beglansden landweg voor hen uit,
+en op de ingeslapen boerderijen waar zij langs kwamen, blaften de
+waakhonden schor-verwoed hun lawaaiigen voorbijtocht na. Toen blaften
+zij allen voor de pret soms mee, waarbij de honden nog razender werden
+en door hun woest gebrul de koeien wakker maakten, die dan klagend even
+loeiden, terwijl de hanen eensklaps schel-klaroenend aan het kraaien
+gingen. Toen loeiden en kraaiden zij weer allen in koor mede en het
+lawaai breidde zich even uit over de gansche ingeslapen streek, van
+boerderij tot boerderij, waar de plotseling ontwaakte honden en hanen
+overal tegen elkaar opblaften en kraaiden.
+
+Alfons en Rozeke lieten de joelende bende enkele passen vooruit gaan.
+Zacht nam hij hare hand en hield die gedrukt in de zijne. Een tijdlang
+spraken ze geen woord. Zij voelden de zaligheid van het geluk hun
+gansche wezen als 't ware doorstroomen. De nacht verspreidde om hen heen
+zijn zoete geuren, de krekels piepten vreedzaam in de klavervelden, even
+slechts zwijgend in 't voorbijgaan der luidruchtige bende; en op de
+naakte stoppelvelden stonden hier en daar zware korenschelven als een in
+veilige haven opgeborgen rijkdom voor de toekomst, terwijl de laatste,
+nog maar pas gemaaide en gebonden haver-schoofjes op lange optochten van
+zwijgende kinderen leken, die met de laatste, nog verspreide schatten
+van den lieven zomer naar hen toe schenen te komen. 't Was alles vrede
+en illuzie en geluk wat hen omringde; zij voelden innig-diep de rijpe
+schoonheid van het leven, de zalige, sereene zekerheid van het geluk.
+
+Daar waren zij aan het huisje,--moeders huisje--witgekalkt, met
+wit-en-groene luikjes, liefelijk klein en eenzaam onder het lommer van
+de hooge, zacht-ruischende populieren. Moeder, die hen had hooren
+aankomen, stond wachtend op den drempel, Rozeke's broeders verlichtten
+den ingang met hun laaiende, walmende fakkels, de begeleiders en enkele
+nieuwsgierigen woelden er omheen. Zij schaarden zich joelend in dubbele
+rij en onder juichkreten moesten Alfons en Rozeke naar voren treden.
+
+"Zijn onz' treiwers thuis?" schreeuwde met luid-galmende stem
+Vaprijsken.
+
+"Joa z'!" schreeuwden al de bruiloftsgasten terug.
+
+"Hen z'ulder op ulderen treiwdag goed geaemezeerd?"
+
+"Joa z'!"
+
+"Goan z'ulder nou nog beter amezeeren!"
+
+"Joa z'! Joa z'!"
+
+"Zillen ze doen lijk den heiligen Tobias?"
+
+"Nie z'! Nie z'! Nie z'!"
+
+Een wild gelach ging op, Irma Pese en 't Geluw Meuleken kronkelden zich
+van de pret, de Seissekoker en Drieske Nijpers kittelden haar in de
+lenden dat zij er van giegelden en kraaiden; en Rozeke, doelpunt aller
+blikken naast Alfons op den drempel, voelde een heete kleur van schaamte
+over hare wangen gloeien.
+
+"Goan we nou amoal noar huis?" schreeuwde opnieuw Vaprijsken.
+
+"Joa w'!"
+
+"Moar goan w' iest nog eentsje pakken?"
+
+"Joa w'! Joa w'!"
+
+Hij haalde een flesch voor den dag, die hij in zijn zak verstopt had; en
+tot laatste afscheid werden nog eens de glaasjes volgeschonken.
+
+Toen gingen ze weg. Dansend en zwierend, jongens en meisjes arm in arm,
+zag Rozeke de uitgelaten bende in 't roode weerlicht van de toortsen
+onder de hooge boomen verdwijnen. Zij zongen en brulden in koor het
+welbekende lied:
+
+ Waar kunnen wij ook beter zijn
+ Dan bij onz' goede vrienden?
+
+en slaakten wild daar tusschen door harde schreeuwen en kreten als
+dierengeluiden, met af en toe hoog en schril opgalmend meisjes-gegil,
+als greep er een worsteling plaats.
+
+"Ze zillen wa uitvoeren in 't noar huis goan!" glimlachte Alfons; en
+teederlijk sloeg hij nogmaals zijn arm om Rozeke's middel.
+
+"Kom, we goan euk binnen; moeder es al noar bedde," fluisterde hij; en
+hij drukte een zoen op haar frissche wang, terwijl hij haar zacht maar
+onweerstaanbaar met zich mee trok.
+
+"Wacht ne kier! wa es dat doar?" riep zij plotseling, als in schrik naar
+de donkere boomen wijzend.
+
+De vaag-zichtbare gestalte van een man kwam er langzaam uit het donkere
+der stammen en verwijderde zich geluidloos in de richting van boer
+Kneuvels hoeve.
+
+"'t Es ne man, hij zal 't gezien hen;" fluisterde zij dof.
+
+"Wa zoedt hij gezien hen? Da 'k ou 'n totse gaf? 'K mage toch zeker
+wel!" En hij poogde haar opnieuw te zoenen.
+
+"Stt! zwijg," weerde zij hem bijna angstig af, de verdwijnende gestalte
+in de duisternis nastarend.
+
+"Ge 'n zijt toch nie schouw, zeker!" spotte hij. "'t Es den ienen of den
+anderen van boer Kneuvels' hof die doar stoan kijken het."
+
+Zij sprak geen woord meer, maar een huivering doorrilde haar en zij ging
+met hem binnen.
+
+Plotseling had zij den man herkend. 't Was Smul! Zij was er zeker van.
+
+Instinctmatig sloten zich haar lippen op elkaar.
+
+Waarom zij aan Alfons niet zegde dat ze Smul herkend had wist ze zelve
+niet....
+
+
+ * * * * *
+
+III.
+
+
+Het nieuwe en frissche van een heerlijken October-ochtend hing in een
+waas van vrede en kalmte over 't land, toen Rozeke dien morgen opstond
+en de luikjes openduwde.
+
+Alfons was reeds voor zes uur vertrokken, naar zijn gewone dagwerk op
+boer Kneuvels' hoeve en zijn oude, ziekelijke moeder lag nog in bed,
+wachtend om op te staan, tot Rozeke met de koffie klaar was.
+
+Diep ademde Rozeke de zuivere, verkwikkende ochtendlucht in. Gras en
+rapenvelden lagen zacht bepareldauwd, als nog in slaap gedompeld, met
+stille flonkeringen hier en daar, waarin de opkomende roode zon
+herlevende bezieling tintelde. De kleine hagestruikjes om het erfje
+waren als van biggelend en druipend zilver, en uit de hooge, gele
+kruinen der nog vaag omnevelde populieren, ritselden met zacht geruisch
+de droge bladeren neer, als zooveel groote, trage, stille, gouden
+weemoeds-tranen op den weeken grond. Alles voorspelde een glanzend-mooien,
+zachten herfstdag.
+
+Rozeke's oogen blonken en haar wangen bloosden. Zij had nog niets van
+haar frissche jonge-meisjes-bekoorlijkheid verloren. Zij was gelukkig.
+--De eerste dagen had haar alles wel vreemd en ongewoon toegeschenen, en
+zij had heimwee gevoeld, heimwee naar 't ouderlijk huis, naar vader en
+moeder, naar broeders en zusters, naar de bekende buren en de welbekende
+omgeving van haar dagelijksch leven. Zij woonde er slechts een half uurtje
+loopens vandaan, dezelfde boomen en gewassen groeiden op dezelfde akkers,
+en 't zelfde soort menschen sprak er juist dezelfde taal en had net
+eendere gebruiken; en toch was er voor haar een groot verschil, iets
+ongewoon vreemds in al dat uiterlijk precies gelijke.
+
+Maar 't had slechts korten tijd geduurd. Het "moeder" zeggen tegen
+Alfons' oude moeder--wat haar in de eerste dagen haast onmogelijk was en
+haar pijnde als een verraad en een verloochening van haar eigen moeder
+--deed ze nu met liefde en zonder gedwongenheid; en aan de stilte van hun
+leventje met drieen, dat haar eerst zoo doodsch leek na de opgewekte
+drukte van haar eigen thuis, was ze ook reeds gansch gewend geraakt. Zij
+was gelukkig door en met Alfons, en dat maakte alles goed. Zij dacht en
+wist ook wel, dat haar tegenwoordig leven slechts tijdelijk zoo was
+ingericht en dat er, met den dag, groote veranderingen in konden komen.
+Alles om haar heen zou zich van zelf ontwikkelen en vervormen; het oude
+was bestemd om te verdwijnen en het nieuwe zou geboren worden. O, verre
+van haar de gedachte naar den dood van het goedig, soms wat zeurig-klagend
+oudje te verlangen! Maar het lag in den aard der dingen dat het toch gauw
+gebeuren kon en die gebeurtenis zag ze met peinzenden ernst, als een
+bedroevend, doch onvermijdelijk verschijnsel in de stage voortzetting van
+haar en Alfons' eigen leven te gemoet, evenals een andere gebeurtenis: de
+hoopvolle verwachting van het eerste kind, de dichtst in het verschiet
+liggende gelukzijde in de ontwikkeling van haar komend leven was.
+
+ * * * * *
+
+De wit-en-groene luikjes waren open, de vroege zon scheen in de kleine
+ruitjes en Rozeke kwam weer in huis, om voor de oude moeder en haarzelf
+het ontbijt klaar te maken. Voor Alfons hoefde zij 's ochtends niet te
+zorgen; die kreeg zijn ontbijt op de hoeve. Het vuur in de kachel was
+aan, en zij ging reeds aan 't koffie malen, toen zij eensklaps weer
+opvloog en naar buiten liep. Zij had alweer de broeihen en de konijntjes
+vergeten. Hoe gek was dat toch! Haast iederen ochtend vergat ze 't!
+Thuis gaf moeder altijd de konijntjes en kippen hun voeder. Zij ging in
+'t stalletje, lichtte de planken op, gooide volle grepen "verslokkerde"
+koolbladen en gras in de hokken. Dadelijk kwamen de konijntjes om het
+hoopje groen gehuppeld en zij zag de witte en grijze kopjes gezellig
+tegen elkaar aanschuiven, met eigenaardig snoetgefrons en in den hals
+gestreken oortjes, aan dezelfde steeltjes knagend. Toen ging ze naar den
+versten hoek van 't stalletje en nam een plank weg, die er schuins tegen
+den muur stond. Daar zat de klokhen in 't halfduister, een dikke,
+geel-en-bruingespikkelde, plat neergevlokt op een nest van stroo. De
+oogen keken star en boos, en kop noch lijf verroerde. Alleen de kleine
+veertjes van den hals krulden zich nijdig overeind en de gesloten snavel
+grauwde kort en schor, toen Rozeke een greepje gele maiskorrels voor het
+beest neerstrooide.
+
+"Toe, klokke, eet watte," zei Rozeke op aanmoedigenden toon. Maar star
+en boos bleven de oogen, en nijdig-overeind de kleine veertjes, en strak
+en roerloos kop en lichaam.--"O gie dulle klokke!" bromde Rozeke. Zij
+schoof de plank weer voor, ging met het mais-bakje buiten op den drempel
+van het woonhuis staan, en riep daar met schril-hooge stem haar overige,
+zeker ergens reeds in 't veld verspreide kippen bij elkaar:
+
+"Ti ti ti ti tiii!"
+
+Plotseling dacht ze dat het nog zoo vroeg was en dat zij 't oudje met
+haar schreeuwen niet mocht wakker maken. En zij riep zachter, in
+gedempten toon:
+
+"Tu tu tu tu tuuu!"
+
+Maar de kippen hadden reeds het welbekende ti ti ti tiii gehoord en wild
+kwamen zij om den hoek van 't huisje aangekakeld en gevlogen, en wierpen
+zich met gulzige gretigheid op de gele korrels, die Rozeke met vollen
+greep, in een gekletter als van hagel, over hun bont-wemelende, harde
+ruggen strooide. Even ontstond een kort gekibbel. Twee hennen vlogen
+klauwend, met overeind gerezen veeren op elkander af, maar de haan kwam
+statig-gezagvoerend tusschen beide, klakvleerde links, klakvleerde
+rechts, en herstelde weer den vrede. Alfons' enkele duiven kwamen
+bijgevlogen en gapten ook hun deel, met vlugge pikjes en sierlijke
+wipjes tusschen de pooten van de kippen door, of waar zij 't vinden
+konden. Rozeke, glimlachend op den drempel, met het leeg bakje op den
+arm, zag alleen nog 't vlug gepik der korte snavels, waaronder het dun
+laagje mais ziender oogen verdween.
+
+Maar nu zou zij bijna de koffie vergeten en haastig kwam ze weer in
+huis, ging nog even op haar stoel zitten en maalde door. Toen goot zij
+water op. Geurend verspreidde zich de lucht der versch gezette koffie
+in het kleine keukentje. Zij haalde uit de eetkast twee groote, witte
+koppen en een bord; en nadat zij met de punt van 't mes op 't brood een
+kruis getrokken had, sneed zij de tarwe-boterhammen voor. Toen duwde zij
+het binnendeurtje naar de kamer open, stak haar hoofd half binnen en
+riep:
+
+"Moeder!"...
+
+Geen antwoord kwam, maar dat gebeurde meer; en Rozeke, niet twijfelend
+dat 't oudje haar gehoord had, keerde terug in 't keukentje, nam een
+langen borstel en veegde met langzaam gebaar, zonder stof op te jagen,
+den rooden tegelvloer schoon. Uit het achterhuisje haalde zij een emmer
+met zand, strooide 't in greepjes over den net-geveegden vloer, breidde
+'t met den borstel open en teekende sierlijke breede krullen en
+festoenen om de zwarte kachel en het groene tafeltje. Thuis deed ze dat
+ook elken morgen en had er telkens een soort kinderlijk genoegen in.
+Haar hoofdje golfde en zwenkte zacht met de trage zwenkingen en
+golvingen van den borstel mee en met een glimlach van genot keek zij
+naar de keurige kronkels van haar netjes uitgevoerd werk. Toen het
+eindelijk klaar was zette zij den borstel achter 't houten schut naast
+het kleingeruit venster, en even verwonderd dat zij 't oudje nog niet
+hoorde opstaan, stak zij weer het binnendeurtje open en riep opnieuw:
+
+"Moeder?... Zij-je wakker? De kaffee es geried!"
+
+Nogmaals geen antwoord. Verwonderd trad Rozeke 't kamertje binnen.
+
+"Moeder?... sloapt-e nog dan?" vroeg zij. En 't kwam haar voor of haar
+stem, die weer geen antwoord kreeg, in de halfduistere stilte van het
+slaapvertrekje galmde met een vreemden, hollen klank.
+
+"Moeder!... wa..." Eensklaps, door een angstig voorgevoel aangegrepen,
+liep zij naar het raampje dat zij openrukte en waarvan zij 't luikje
+wegduwde.
+
+De volle ochtendklaarte stroomde 't kamertje binnen en viel als een
+vloed van licht op het gelaat van het oud vrouwtje, wasgeel en
+onbewegelijk scheefgezakt op 't wit-en-blauw geruite hoofdkussen van
+'t bed.
+
+"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke, eensklaps in doodsangst, zoo
+luid zij kon, als om met haar gillen die akelig-roerlooze gestalte
+wakker te schudden.
+
+Maar nog steeds gaf het oudje geen antwoord noch verroerde zij zich.
+
+"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke nog schriller. En plotseling, als
+een gekke, vluchtte zij weg, uit het kamertje, uit het huisje, om hulp
+bij de buren.
+
+ * * * * *
+
+Oud-moedertje was dood!...
+
+De vrouw uit de buurt, die enkele oogenblikken later met Rozeke in 't
+huisje aankwam, ging recht op 't oudje af, keek het strak-gele gezicht
+van dichtbij aan, opende de oogleden, die langzaam over de glasachtig-
+stijve oogballen weer neerzakten, hief den arm op, die als lood weer
+neerviel.... En, zich omkeerend tot Rozeke, die stokstijf, met lijkbleek
+gelaat en van schrik uitgezette oogen op den drempel stond zonder te
+durven binnenkomen:
+
+"Z' es deud! z' es al stijf en kaud!" zeide zij, meer verwonderd dan
+verschrikt.
+
+"Deud!" gilde Rozeke, met wilde oogen en de beide vuisten voor haar
+mond.
+
+"Deud, jong; zeu deud of ne stien in de muur," antwoordde de vrouw.
+
+"O! o! wa zal Alfons schrikken!" kreet Rozeke.
+
+"Goa zeg het hem al geiwe; 'k zal hier wachten tot da ge weere komt,"
+zei de vrouw.
+
+"Joa... goed... goed..." hikte Rozeke. "'K goa... 'k leupe noar boer
+Kneuvels."
+
+Zij holde 't huis uit, maar keerde dadelijk terug.
+
+"Bezinne,... riep zij tot de buurvrouw; 'k ha zjuust kaffee
+opgeschonken. Wilt 'n potse kaffee drijnken en nen boterham eten binst
+da ge wacht?"
+
+"Joa ik, jong, goa moar, 'k zal mijn eigen wel bedienen," antwoordde de
+buurvrouw.
+
+Rozeke sloeg een wollen halsdoek om haar schouders en rende 't huis uit.
+
+De buurvrouw sloot de deur van 't slaapvertrekje, kwam in het keukentje,
+schonk zich een groote kop met koffie in, ging bij de tafel zitten en
+nam een boterham, dien zij met traag gebaar in tweeen brak.
+
+Door de opengebleven voordeur kwam een kip naar binnen. Wijd-schrijdend,
+stil-kakelend, met om de beurt lang-uitgerekten en kort-ingetrokken
+hals, den kop op zij, nu links, dan rechts, om telkens met haar rond,
+fel oog de buurvrouw aan te kijken, naderde zij tot het tafeltje en
+pikte vlug, onder de pooten, de gevallen brood-kruimeltjes van den
+vloer.
+
+De lieve, zachte najaarszon blonk helder-rustig door de kleine,
+groenachtige, in lood-gevatte ruitjes. Het gansche nette keukentje, met
+glinsterend tin-en-koperwerk tegen de wit-gekalkte wanden, tintelde van
+goede, gezellige zonnewarmte.
+
+Buiten, op het pleintje voor de deur, klaroende schel de mooie,
+geel-en-rood-geveerde haan.
+
+Kalmpjes bij een hoek van 't groene tafeltje, zat de buurvrouw wachtend
+te eten en te slurpen....
+
+
+ * * * * *
+
+IV.
+
+
+'t Es om nichte Begijntje te spreken."
+
+Alfons, in 't zwart gekleed, 't gelaat bleek en getrokken, de oogen week
+en rood-omrand door 't schreien, stond in den killen, naakten gang van
+het Couvent ter Bloemen voor het jong begijntje dat zijn oude nicht
+verpleegde en met stil gebaar de deur voor hem geopend had.
+
+"Woarom es 't?" vroeg zij gedempt, haast fluisterend, als in een huis
+waar een zwaar-zieke ligt.
+
+"Moeder es gisteren nacht sebiet gestorven; 'k kome nicht Begijntje
+neun[2] veur de begroavijnge," zei Alfons met doffe stem.
+
+"Och Hiere God!" verschrikte 't jong begijntje, de handen in elkaar
+geslagen. Maar dadelijk voegde zij er bij:
+
+"'t En zal nie meugelijk zijn; mesoeur van de Weghe es zelve heul ziek
+en zoe euk wel keune stirven."
+
+Op zijn beurt keek Alfons haar met angstige verbazing aan.
+
+"'T en es gie woar toch zeker!" riep hij. "Wa he ze dan?"
+
+"'t Woater," fluisterde 't Begijntje. "Wilt er gij ne kier bij komen:
+moar 'k en peize niet da z'ou nog zal irkennen?"
+
+Zij ging hem voor door 't kille gangetje, de rand van haar zwart kleed
+zacht schuivend over de roode tegeltjes, haar frisch gelaat in het
+doorschijnend-hagelblanke van 't kornet gedoken. Zwijgend opende zij een
+deur en wenkte hem dat hij zou binnenkomen.
+
+Schoorvoetend trad hij op den drempel en bleef er even
+roerloos-aarzelend staan.
+
+"Kom binnen, kom binnen," fluisterde zij.
+
+Zacht schreed hij binnen en zij sloot de deur.
+
+Vlak voor hem in het lichte kamertje, met witte muren en witte
+gordijntjes aan de kleingeruite raampjes, zat het oud begijntje naast
+het witte bed op een leunstoel in elkaar gezakt. Het diep over de borst
+gezonken, geel gelaat was haast onzichtbaar onder 't blanke van de
+groote vleugelkap, en van tusschen haar gerimpeld-bruine, roerloos-
+saamgevouwen handen, kronkelden de donkerbruine kralen van den rozenkrans
+met koperen kruis gelijk een dubbel snoer van groote, stille rouwtranen
+over de strakke plooien van haar lang wit nachtkleed. Als een tragische
+heilige zat ze daar, als een afgeleefde bruid des Heeren in
+bewusteloosheid wachtend op de levenslang verbeide komst van haar
+verlosser.
+
+"Nichte Begijntje," begon heel zacht Alfons, met een stem die beefde van
+ontroering:... doch zij merkte niets van zijn aanwezigheid, noch hoorde
+zelfs den klank van zijne woorden. Haar wit-gedoekte hoofd bleef
+onbewegelijk op de witte borst gezonken, en slechts een vaag gehijg van
+ademhalen getuigde nog van eenig leven in die blanke, menschelijke
+ruine.
+
+Het jong begijntje schudde stil het hoofd naar hem, als om hem te
+beduiden dat alle verdere poging overbodig was.
+
+Alfons begreep het en bleef stom en roerloos staren, met opwellende
+tranen in zijn oogen. Eerst zoo plotseling zijn moeder en nu ook nicht
+Begijntje... o, wat volgden ze elkaar spoedig op, de twee goedige
+oudjes!
+
+"Z' he van den uchtijnk d' Heilig Olie g' had," fluisterde het jong
+begijntje.
+
+"Zoe ze mij nie zien? Zoe ze mij nie heuren?" vroeg hij diep ontroerd.
+
+"'K en peist niet," antwoordde zij. Zij hurkte even voor het oud
+begijntje neer, kwam met haar lieve, frissche wang tot dichtbij 't geel,
+gerimpeld en verschrompeld aangezicht onder de witte kap en vroeg, met
+duidelijke, luide stem:
+
+"Mesoeur... mesoeur van de Weghe... heurt-e mij niet?"
+
+Doch neen,... ook haar met wie ze jaren lang samen gewoond had, hoorde
+nicht Begijntje niet meer. Geen trek verroerde zich op haar getaand
+gelaat, geen ander leven was aan haar nog te bespeuren dan het
+kort-hijgend ademhalen van haar mond met slap-hangende lippen.
+
+"Hoe es 't gekomen?" fluisterde Alfons.
+
+"Al mee ne kier, in drei, vier doagen tijd," antwoordde zij op
+denzelfden toon.
+
+Fluks helderde een gedachte in hem op. Zou zij een testament gemaakt
+hebben? Hij was op 't punt van het te vragen, doch hield zich in, uit
+een gevoel van schaamte. Hoe of 't ook was, nu kon er niets meer aan
+veranderd worden.
+
+Langzaam en triestig schudde hij 't hoofd en week terug naar de deur.
+
+"D'r 'n es nie mier aan te doen; 't es euk al uit mee heur," murmelde
+hij moedeloos.
+
+"All' uren uit," antwoordde stil het jong begijntje.
+
+Zacht opende zij weer de deur voor hem en na een laatsten, weemoedigen
+blik op de in elkaar gezonken, witte gedaante, verliet hij het couvent,
+tot aan het poortje door het jong begijntje uitgeleid.
+
+Ook nicht Begijntje zou hij nooit in leven meer terugzien.
+
+ * * * * *
+
+Acht dagen later, juist op een ochtend dat Alfons klaar stond om nog
+eens naar nicht Begijntje toe te gaan, kwam het doodsbericht. Zij was
+'s avonds te voren zacht ontslapen. Meteen was er een brief van den
+notaris, waarbij Alfons, in vervanging van zijn overleden moeder, als
+erfgenaam opgeroepen werd.
+
+Noot:
+
+[2] Uitnoodigen.
+
+ * * * * *
+
+V.
+
+
+Zacht-troostend in veel droefheid is de verrassing voor hem die een
+toekomst van geldelijke zorgen te gemoet ziet, eenklaps van arm bijna
+rijk te worden.
+
+Dit wel eenigszins verwacht, maar toch onzeker geluk viel Alfons te
+beurt toen hij, na nicht Begijntje's begrafenis, door den notaris haar
+testament hoorde voorlezen. Wel had hij gehoopt dat aan zijn moeder, en
+na zijn moeder aan hem, als eenig familielid, iets van nicht Begijntje's
+fortuin na haar overlijden zou toekomen; maar vooreerst vermoedde hij
+bijlange niet dat ze zoo rijk was en verder verwachtte hij wel dat
+nagenoeg het grootste deel van haar vermogen aan het Begijnhof of aan
+godvruchtige werken besteed zou worden.
+
+Dit was ook wel gedeeltelijk het geval. De notaris las een vrij lange
+opsomming voor: zooveel aan 't Begijnhof, zooveel aan 't begijntje dat
+haar jarenlang verpleegd had, zooveel aan meneer de pastoor van het
+Begijnhof, zooveel aan de kerk van het Begijnhof; en verder aan de
+voortplanting van het Geloof, aan het werk tot bekeering der jonge
+Chineezen, aan de congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis; en dan nog
+zooveel voor haar lijkdienst en gezongen en gelezen missen tot lafenis
+harer ziel; maar met dat alles, en erfenis-onkosten en notaris-honorarium
+er af gerekend, bleef voor Alfons nog een goede vijftienduizend frank--een
+schat voor hem--over.
+
+Het duizelde in zijn hoofd toen hij die ontzettende som hoorde noemen,
+en hij werd bleek van emotie toen de notaris een lijvig pak papieren uit
+zijn dikke portefeuille haalde en die voor hem op tafel openlegde.
+
+De notaris begon op te tellen:
+
+"Vijf acties Westvloamsche speurwigmoatschappije duuzen frank ieder,
+intrest viere per cent, vijf duuzen frank."
+
+Hij vouwde een der stukken open, wees op het couponsblad en zei:
+
+"De loatste coupon es vervallen, van van doag af meugt 'em knippen."
+
+"Wa... wa b' lieft er ou, menier de notoarus?" vroeg Alfons, die nog
+nooit een effect gezien had en met verbouwereerdheid staarde op het half
+afgeknipt couponsblad."
+
+"Dat de loaste coupon vervallen es, zeg ik, en da g' hem dus van nou af
+aan meug knippen as ge wilt; verstoa-je 't?"
+
+"Aha joa joa, c'est ca," antwoordde Alfons, doende alsof hij verstond,
+maar eigenlijk niets ervan begrijpend.
+
+De notaris ging verder door:
+
+"Vier acties Depots et Reports, duuzen frank ieder, intrest drei em half
+per cent: vier duuzen frank."
+
+Evenals van de andere stukken vouwde hij 't couponsblad open en zei:
+
+"De vervallen coupon es geknipt; de volgende vervalt 1 April."
+
+Alfons, de wangen hooggekleurd, staarde met toenemende verbazing op de
+groote vreemde stukken vol dikke letters en lange risten cijfers. Zijn
+handen waren klam van transpiratie, zijn wenkbrauwen stonden van
+inspanning samengefronst.
+
+De notaris legde de vier effecten boven op de vijf eerste, ontvouwde er
+twee andere en ging voort:
+
+"Twie acties Geconsolideerde Schuld, ingeschreven op de greutboek van de
+Stoat...."
+
+"Meneer de notoarus as 't ou belieft?" viel Alfons hem plotseling met
+ontroerde stem in de rede.
+
+"Menier de notoarus, ge 'n meug het mij nie kwoalijk nemen, moar k'n
+verstoa 't niet, k'n kenne die dijngen niet. Es da geld weird, de
+pampieren?"
+
+"Of 't geld weird es!" riep verbaasd de notaris, "'t Es geld!"
+
+"Ha moar da ziet er zeu oardig uit, meneer de notoarus! Dat 'n zijn gien
+bankbriefkes!"
+
+De notaris barstte in een korten proestlach uit, welken Alfons beschaamd
+en ongelukkig als een schuldige deed den blik ten gronde slaan.
+
+"G'n verstoa 't niet, e-woar, mijne vriend? vroeg eensklaps goedig de
+notaris.
+
+"Nien ik, menier de notoarus, 'k 'n verstoa d'r niets van," bekende
+Alfons, wanhopig de schouders ophalend.
+
+De notaris zat een oogenblik in perplex nadenken, de oogen op den jongen
+boer gevestigd.
+
+"Zoe-je liever geld hen, mijne vriend?" vroeg hij plotseling.
+
+"Rechtaf gesproken, joa ik, menier de notoarus. 'K zoe veel liever geld
+hen!"
+
+"Moar wa goa-je mee da geld doen? 'T'n goa mij wel nie aan en g' het gij
+'t recht van d'r mee te doen wat da ge wilt, moar 't zoe mij toch
+spijten da ge 't moest verliezen of gestole worden."
+
+Alfons bedacht zich even, de wangen vurig rood, de oogen strak op 't
+tafelkleed gevestigd. Toen antwoordde hij met een soort weerzin, als
+ontsluierde hij ten ontijde een groot geheim dat nog liefst moest
+ongerept blijven.
+
+"'K he lijk halvelijngen 'n gedacht van d'r mee op 'n hofstee te goan,
+menier de notoarus."
+
+"Hoho! da es 'n ander kwestie!" zei de ambtenaar ernstig. "Het g' al
+iets in 't zicht?"
+
+"Nog niet, menier de notoarus; moar 'k goa zoeken."
+
+Weer bleef de notaris een poosje peinzend en stilzwijgend, zijn kin
+tusschen wijsvinger en duim.
+
+"Luister," zei hij eindelijk. "As ge wilt 'k zal ik ouw geld bewoaren
+zeu lank of da ge 't nie neudig 'n het en d'r ou den intrest van
+betoalen. 'K zal ou 'n schuldbekentenesse tiekenen van de somme die
+'k ontvange, en effen aan da ge wa neudig het meugt ge 'r bij mij omme
+komen. Ge 'n moet mij veur mijn verantwoordelijkheid en moeite niets
+betoalen; 'k zal da gratis veur ou doen.--Es 't azeu goed?"
+
+"Joa 't, heul goed, as 't ou b'lieft menier de notoarus, ge zij wel
+bedankt," zei Alfons met een zucht van verlichting, als van een zwaar
+pak op het hart verlost.
+
+In enkele oogenblikken was alles klaar. De notaris teekende hem een
+schuldbekentenis van vijftienduizend frank en stelde hem het overige van
+zijn erfenis: vierhonderd twee en twintig frank en zeventig centimen, in
+specien ter hand.
+
+Alfons was gelukkig. Met geld en schuldbekentenis zorgvuldig in een
+binnenzak vastgespeld, keerde hij haastig weer naar huis.
+
+
+ * * * * *
+
+VI.
+
+
+Zooals van zelf spreekt, had hij bij boer Kneuvels zijn dienst opgezegd.
+Hij was nu rijk genoeg om als eigen baas te werken; en bijna dadelijk
+deed zich een uitmuntende gelegenheid voor. Een boerderijtje met een
+paard, behoorende aan den baron, mejonkvrouw Anna's vader, kwam tegen
+Kerstdag te huur. Het was er lief gelegen op de grens der vruchtbare
+bouwlanderijen en der malsche weiden, met een lange, mooie olmendreef
+naar den hoogen zandweg op de golvende vlakte en een beukenboschje
+achter schuur en stallen. Deze waren nog met stroo gedekt en eigenaardig
+overdakt als in den ouden tijd; de uitgestrekte boomgaard stond vol
+oude, knoestige fruitboomen, sommige zoo grillig krom-gegroeid dat de
+ruige stammen als kronkelende grauwe slangen over 't gras schenen te
+kruipen; en 't woonhuis was geheel geschilderd in de teerste rozekleur,
+met een zwarte plint langs onder aan den muur en blinkende wit-en-roode
+vensterluikjes, de kleuren van 't kasteel. Midden op het dak prijkte een
+klein, grijs, houten torentje met een klokje.
+
+"Hoast ou, toe, goa d'r mee mejonkvreiw Anna over spreken ier dat er nog
+ander liefhebbers komen," had Alfons tot Rozeke gezegd, zoodra hij
+hoorde dat het boerderijtje zou beschikbaar komen. En op een ochtend, op
+haar uiterst best gekleed, trok Rozeke naar het kasteel en vroeg er om
+een onderhoud met jonkvrouw Anna.
+
+De knecht die haar ontving zette een bezorgd gezicht.
+
+"'K wete niet of da mejonkvreiw op 't kasteel es en of g' heur wel zilt
+keune zien," zei hij.
+
+Hij bracht haar door de ruime, wit-marmeren vestibule, die vol bloemen
+en sierplanten stond, en waar een groote, glinsterende kachel brandde,
+in een kabinetje met oude kasten en blauw porselein aan de donkere
+wanden en verzocht haar eventjes te wachten.
+
+Rozeke, sterk door de prachtige omgeving geimponeerd, nam plaats bij 't
+eenige venster en keek tusschen de zware, bruine gordijnen naar buiten.
+Zij zag het glooiend grasveld met den grooten vijver, waarop stille
+zwanen dreven, een hoekje van 't bordes, met den steenen leeuw in
+wakende rust op den breed-arduinen balustrade-pijler; en verder, onder
+de reeds ontbladerde hooge boomen, de lief-roode gebouwtjes van
+tuinmanshuis, remise en stallen. Vlak voor haar lag de statige
+beukendreef waardoor zij was gekomen en gansch in het verschiet, over
+de groene en bruine golving der najaarsvelden onder effengrijzen hemel,
+ontwaardde zij de dichte, donkere kruin van een andere dreef: die naar
+het, van hier onzichtbaar, lieve boerderijtje leidde, waarnaar zij
+vragen kwam.--Stil, benauwend-doodstil leek het groot, plechtig kasteel
+van binnen. 't Was of geen mensch erin bewoog of leefde en een bijna
+angstige beklemdheid maakte zich langzaam van Rozeke meester. Is dat het
+vroolijk leven van de rijke menschen die op kasteelen wonen? dacht zij;
+en zij vond dat die zware stilte, die benauwende plechtigheid die zij
+overal om zich heen voelde, niets paste bij mejonkvrouw Anna's lief en
+vriendelijk en opgewekt karakter.
+
+Zacht ging de deur open en mejonkvrouw Anna, geheel in 't zwart gekleed,
+kwam te voorschijn.
+
+"Dag mejonkvreiwe," zei Rozeke, met haar vriendelijksten glimlach en van
+emotie hoogkleurende wangen opstaande. Maar die ontroerde glimlach
+veranderde in een uitdrukking van onthutste verwondering, voor het heel
+onverwacht bedroefd en bleek gelaat met hetwelk haar voorname vriendin
+op haar toetrad.
+
+"Mejonkvreiw Anna!... wa scheelt er? Zij-je ziek dan?" vroeg Rozeke
+verschrikt.
+
+"'n Beetje Rozeke, ik ben niet heel wel geweest," antwoordde
+neerslachtig de jonkvrouw.
+
+Zij ging zitten, wees Rozeke op haar stoel terug en vroeg wat zij
+verlangde.
+
+Rozeke vertelde 't haar.
+
+"Ik zal er aanstonds met papa over spreken; dat zal hij mij
+waarschijnlijk niet weigeren," zei ze bijna bitter.
+
+Rozeke dankte, maar wist nu verder geen woord meer te zeggen. Die
+droeve, strakke houding, die donkere kleeren, die wanhopig-weemoedige
+oogen van haar mooie, eertijds zoo opgewekte en levenslustige
+beschermvriendin verlamden haar de woorden in den mond en ontroerden
+haar inwendig tot een medelijden, dat haar bijna tranen in de oogen
+bracht. Van de reden haars bezoeks durfde zij heelemaal niet meer
+spreken, wel voelend dat de geest der jonkvrouw met heel andere dingen
+bezig was; en eensklaps kon zij zich niet langer bedwingen: echte
+droefheidstranen kwamen in haar oogen en zij vroeg met bibberende
+lippen, in gehorte woorden:
+
+"Mejonkvreiw Anna... 'k zie da ge triestig zijt... kan ik niets veur ou
+doen?... kan ik ou nie helpen?"
+
+Een schielijke, teer-roode kleur bloosde even vluchtig over der
+jonkvrouw bleeke wangen en haar fijne witte tanden trilden zenuwachtig
+op haar onderlip, terwijl zij blijkbaar alle moeite deed om haar eigen
+aanstekelijk-opwellende tranen te weerhouden. Twee, drie korte, vlugge
+zuchten golfden ontstuimig uit haar keel en haastig haalde zij haar
+zakdoek uit en drukte hem op haar oogen, hoofdschuddend dof-snikkend:
+
+"Nee nee nee, Rozeke, gij kunt niets voor mij doen."
+
+En Rozeke zat daar en staarde, roerloos, als verslagen. Zij durfde niets
+meer vragen, maar zij voelde, zij raadde instinctmatig, dat het
+liefdesmart was, waaronder de jonkvrouw leed. Zij had ook in den
+laatsten tijd wel vagelijk iets gehoord: dat er eerst plan was voor een
+huwelijk tusschen jonkvrouw Anna en haar neef, maar dat haar ouders--om
+welke reden wist men niet--er zich op 't laatste oogenblik, toen het
+engagement al haast publiek was, tegen verzet hadden. Zooveel was zeker,
+dat de jonge neef op een ochtend plotseling het kasteel verlaten had en
+er sinds niet meer was teruggezien.
+
+"Och Hiere, mejonkvreiwe, da pakt mij toch aan 't herte da 'k ou azeu
+zie schriemen en da 'k niets veur ou 'n kan doen," klaagde Rozeke, met
+innig medelijden het diep-bedroefd meisje aanschouwend.
+
+De jonkvrouw schreide en snikte stilletjes, haar mooie, slanke, witte
+handen bevend op den fijnen zakdoek voor haar oogen, haar vermagerde,
+bijna puntige schouders zenuwachtig op en neer schokkend; en Rozeke
+hoorde, door haar snikken heen, het rammelen van haar holle maag, als
+van een ongelukkige, arme vrouw, die niet genoeg te eten heeft.
+
+"O, mejonkvreiwe ge 'n meugt ou toch nie loate veroarmoen; ge moet
+koeroaze hen en ou beter voen," streelde Rozeke, zelve van ontroering
+weer schreiend. "O, da 'k toch moar iets veur ou 'n kon doen,
+mejonkvreiwe, gij die zelve altijd zeu goed en zeu broave veur mij
+geweest het!"
+
+"Merci, Rozeke, 'k weet het, ge zijt goed," zuchtte de jonkvrouw.
+
+"Belooft-e mij da ge 't mij vragen zilt as ik oeit iets veur ou kan
+doen?" drong Rozeke aan.
+
+"Ja, Rozeke, ja, ik beloof het u."
+
+De jonkvrouw stond op, kropte met inspanning haar tranen terug, streek
+met haar bevende hand over 't voorhoofd.
+
+"Ga nu, Rozeke," zei ze met zwakke stem. "Ik heb zoo'n hoofdpijn. Ik zal
+er papa over spreken en mijn best doen dat ge 't boerderijtje krijgt."
+
+"O, merci, merci, mejonkvreiwe," dankte Rozeke. "'K zal veur ou bidden,
+mejonkvreiwe, omda ge weere zoedt gelukkig worden."
+
+Zij greep plotseling 's meisjes hand, drukte er een vromen, vurigen kus
+van onderdanige liefde op, en verliet schreiend het somber kamertje.
+
+
+ * * * * *
+
+VII.
+
+
+Zij hadden 't mooie boerderijtje!...
+
+De dorpsnotaris liet hun op een ochtend de gelukkige tijding aanzeggen,
+en 's avonds voor Kerstdag werd de huur-acte op het kasteel geteekend.
+
+Rozeke, die Alfons vergezeld had, ontmoette er nog even vluchtig
+jonkvrouw Anna. Zij zag er niet minder bezorgd en bedroefd uit dan op
+den dag toen Rozeke haar was komen opzoeken. Zij vertelde aan 't jong
+boerenvrouwtje dat zij dien winter niet als gewoonlijk naar de stad
+gingen, maar op reis, naar 't Zuiden, voor verscheiden maanden.
+
+"Moar te noaste zomer komt-e toch weer op 't kastiel, mejonkvreiwe?"
+vroeg Rozeke bijna angstig.
+
+"Ja, Rozeke, ik denk het toch wel, als 't God belieft," antwoordde zij
+neerslachtig.
+
+Ook de baron, haar vader, zag er bekommerd, somber, triestig uit. Hij
+ontving hen in hetzelfde kamertje met de bruine kasten en het blauw
+porselein waar de jonkvrouw Rozeke ontvangen had, legde Alfons met
+gefronste wenkbrauwen de te onderteekenen acten voor, gaf hem het eene
+stuk en hield het duplicaat; en zonder verder gepraat, met een
+eenvoudig, "ik hoop dat gij op uw boerderij zult welvaren" stond hij op,
+ten teeken dat hij de zaak als afgehandeld beschouwde. Voor alle verdere
+schikkingen hadden zij zich te wenden tot den dorpsnotaris.
+
+"D'er es verdriet op 't kastiel," merkte Alfons fluisterend op, terwijl
+zij door het statig ingangshek in de groote beukenlaan terugkwamen.
+
+Rozeke schudde weemoedig het hoofd.
+
+"Alles hen wat de weireld geven kan en toch nie gelukkig zijn," zuchtte
+zij.
+
+ * * * * *
+
+Zij, ten minste, waren nu toch wel gelukkig!
+
+Na de vele, vermoeiende en vervelende, maar gelukkig niet langdurige
+beslommeringen van overname en inrichting, betrokken zij eindelijk in
+het begin van Januari hun dierbaar hoevetje; en dadelijk daarna, op
+Driekoningen-avond, had de "overhaal-feeste" plaats.
+
+Alfons en Rozeke hadden de gelukkige kans getroffen bijna alles van boer
+Dons, den vorigen pachter te kunnen overnemen. Deze had zich in de goede
+jaren "rijkgeboerd" en wilde nu rustig in het dorp, als rentenier, zijn
+verdere dagen slijten.
+
+De koeien, de varkens, het paard; het hooi, het stroo en het verdere
+voeder; de oogst in de schuur, het vlas op den zolder en de vruchten te
+velde; karren, wagens, ploegen, eggen en ander landbouwgereedschap; tot
+zelfs een groot gedeelte van het huisgerief en van de meubels: alles was
+mogen blijven waar het lag of stond; en als bij tooverslag waren zij aan
+'t hoofd van een mooi-ingerichte, degelijk-ouderwetsche hoeve, met zware
+oude kasten in de kamers, met veel koper, tin en gekleurd-aardewerk
+boven op den zwartgerookten schoorsteenmantel van den haard en overal
+rondom tegen de bruingerookte wanden van de ruime keuken, net als een
+bejaard gezin van deftige, welgestelde boeren, die er hun leven lang
+zouden gewoond hebben. Zij hadden alleen te verhuizen gehad hun eigen
+klein inboedeltje van moeders huis, hun enkele meubeltjes en kleeren,
+hun beetje aardappels en veldvruchten, hun kippen en konijnen. Toch
+waren met dat kleinood nog twee groote wagens gevuld, die volgens
+traditioneel gebruik van goede buurschap, kosteloos door den
+naastbijwonenden boer--in dit geval boer Kneuvels--naar Alfons' nieuwe
+woning, waren overgebracht. Daartegenover bestond voor Alfons de
+verplichting boer Kneuvels met zijn vrouw en ook den knecht die 't
+vervoerd had, op de "overhaal-feeste" te noodigen. Wel had het hem
+even onaangenaam aangedaan dat juist boer Kneuvels en dus ook zijn
+paardenknecht Smul de daartoe aangewezen personen waren; doch aan een
+ander vragen wat Kneuvels om zoo te zeggen van rechtswege toekwam, ware
+zijn vroegeren meester vijandig behandelen en nutteloos beleedigen, en
+dit had Alfons niet durven noch willen doen. Trouwens, Smul zelf was
+immers verzoenend naar hem toe gekomen, 's avonds van hun
+bruiloftsfeest: waarom zouden zij langer haatdragend blijven dan hun
+vroegeren vijand?--Zij wachtten dus, als een vervelende, niet te
+ontwijken noodzakelijkheid, ook de komst van Smul op dit intiem
+familie-en-vriendenfeestje.
+
+ * * * * *
+
+Het was drie uur. Moeder van Dalen en La waren reeds den vorigen avond
+gekomen en weldra verschenen ook vader en Rozeke's twee broeders. Het
+had den ganschen dag en ook den nacht te voren aanhoudend gesneeuwd, de
+wegen lagen bijna onbruikbaar en daarom waren zij maar liefst heel vroeg
+gekomen, om ook niet te laat in den avond weer huiswaarts te kunnen
+keeren.
+
+Nauwelijks waren zij binnen of een gestamp van sneeuw-afkloppende voeten
+klonk aan de voordeur en met het geijkte "gien belet?" verschenen de
+insgelijks genoodigde, vroegere bewoners van het hoevetje: boer en
+boerin Dons.
+
+De boer was een lange, magere, kaarsrechte man van bij de zeventig, met
+zilvergrijze, dunne haren en een eenkleurig-vuurrood gezicht, waarin
+twee heel kleine, bijna dichtgeknepen oogjes als 't ware in voortdurende
+pret schenen te lachen. Zijn vrouw, wel een twintig jaar jonger, was nog
+gitzwart van haar, met dikke zwarte wenkbrauwen en donkere oogen zonder
+glans, en in haar getaand, bijna wasgeel gelaat lagen sterke rimpels als
+grauwgrijze lijnen en streepen gegroefd. Glimlachend kwamen zij binnen,
+de oude boer luidruchtig, de boerin stil, en dadelijk zetten zij, als in
+hun eigen huis nog, hun parapluies achter het houten schut naast de deur
+en kwamen handenwrijvend bij het helder-vlammend haardvuur, de boer met
+schel-galmende stem vertellend van de onbegaanbare wegen en van de vele
+sneeuw die zonder twijfel nog met hoopen uit de dikke, grijze lucht zou
+vallen. Rozeke nam de boerin haar zwarten kapmantel af, terwijl moeder
+van Dalen naar den kelder liep en dadelijk weer, hijgend, met twee
+flesschen boven kwam: jenever voor de mannen; roode kriek voor de
+vrouwen. Met algemeene belangstelling werd gevraagd of de oude boer
+en zijn vrouw zich reeds gewend hadden aan hun heerlijk, zorgeloos
+renteniersleven in 't dorp; en nauwelijks waren zij goed gezeten en
+aan 't praten, of daar kwam in snellen draf boer Kneuvels' sjees den
+boomgaard oprijden.
+
+"Zou Smul er werkelijk bij zijn?" dacht Rozeke met een korten angstgreep
+aan het hart.--Jawel; zij zag hem vlug uit 't rijtuig wippen en het
+paard bij den breidel houden, terwijl boer Kneuvels en zijn vrouw op hun
+beurt uitstapten. Alfons haastte zich naar buiten, zijn vroegere baas en
+bazin te gemoet.
+
+Zij kwamen binnen, terwijl Smul het paard bij den stal ging uitspannen:
+de mooie, jonge boerin op haar zondagsbest gekleed, met haar lange
+gouden oorbellen en gouden kettingkruis; de boer als een suffige
+lomperd, den hals omwonden met een dikke, groen-en-zwart-gestreepte
+bouffante en den rooden, opgeblazen kop onder een zware bonten muts,
+waarvan hij voor de kou de oorlappen had neergetrokken. Hij hakkelde
+zijn goeden dag, de weerbarstige woorden in zenuw-trekkende beweging als
+'t ware met de hand van tusschen zijn paars-trillende lippen halend; en
+dadelijk na het vlug naar binnen slaan van een paar borrels wilde hij de
+"doening" bezichtigen: de stallen, de beesten, den boomgaard, alles wat
+er op de boerderij te zien was.
+
+'t Was ook maar goed dat ze dat eerst en vooraf waarnamen, want het zou
+al spoedig donker worden met die zware, grijze sneeuwlucht; en 't heele
+troepje behalve moeder, Rozeke en La, die het nog druk hadden om alles
+voor den maaltijd in orde te brengen, gingen weer naar buiten en stapten
+dwars over den dik-besneeuwden boomgaard naar de schuur-en-stal-gebouwen.
+
+Alfons ging als de baas voorop, naast Kneuvels die druk stotter-praatte
+tegen Dons en de van Dalens. De twee boerinnen volgden, voorzichtig-
+schrijdend in het soppend-zuigen van haar voeten in 't weeke mestbed voor
+de stallen, haar rokken met de beide handen ophoudend om zich niet te
+bevuilen.
+
+Zij bekeken de melkkoeien en de kalveren, de zeug en haar biggen, zij
+roemden de stevigheid en goede indeeling der gebouwen, 't geriefelijke
+van de ruime bergplaats in de schuur en in het wagenhuis; en voor de
+bruine merrie bleven zij in lang gesprek en lange contemplatie. Het was
+alsnog niet duidelijk uitgemaakt of het beest al of niet veulen in had.
+Dons beweerde ten stelligste van ja; Alfons twijfelde. Kneuvels ging bij
+'t paard, bevoelde 't, twijfelde insgelijks. Vader van Dalen en zijn
+zonen zeiden ja noch neen; zij hadden er geen verstand van. Een discussie
+ontstond, de boeren werden het niet eens, en de boerinnen, op een afstand,
+luisterden en keken met belangstelling. Smul, die in den stal daarnaast
+boer Kneuvels paard aan het verzorgen was, werd er eindelijk bij
+geraadpleegd om ook zijn advies te geven.
+
+"Of da ze veulen in het!" riep hij op zijn gewone ruwe manier,
+onbeschroomd, met een bruusken ruk in de krib der merrie binnendringend;
+"'k zal ulder da sebiet goan zeggen!"
+
+Hij legde zijn rechterhand op den rug van het beest, dat dadelijk, als
+van angst, onder zijn strakke aanvoeling huiverde, en bevoelde haar
+nauwkeurig van onder, met zijn onomzichtige, grove vingers.
+
+Het paard keek schichtig naar hem om, snuivend met wreedglinsterend wit
+van oogen.
+
+"He! stille!" riep Smul barsch, en voelde door. De boeren zagen roerloos
+toe, in een soort eerbied voor zijn durf en kunde.
+
+Het beest trappelde, drong even, rilde en schudde over gansch zijn huid.
+Het keerde even vlug zijn hoofd om en plukte flappend met de lippen aan
+Smuls vest.
+
+"Stille dan, nondedzju!" bromde hij, de merrie met een woesten stoot op
+zij duwend.
+
+Zij hinnikte even, als uitte zij een klacht, maar stond meteen
+onbewegelijk. De boeren glimlachten, stil bewonderend. Ook de boerinnen
+zagen met zwijgende bewondering toe. Geen een die durfde om te gaan met
+paarden als die Smul; geen een die er verstand van had als hij.
+
+Smul liet zijn hand los en richtte zich op.
+
+"Da peird he zeuveel veulen in as ikke!" orakelde hij ruw, met een
+rechten blik op Dons uit de krib komend.
+
+Noch boeren, noch boerinnen moesten om zijn uitval lachen. 't Was ernst,
+geen grapje.
+
+"En en en z'es twie kiers van den hijngst gediend!... en en en den derde
+kier sloeg ze'r noar!" brabbelde Dons, door Smuls onverwachte, ruwe
+bevestiging van zijn stuk gebracht.
+
+"Al ha z'er honder kiers bij geweest en duuzend kiers noar geslegen,
+'k zegge da ze nondedzju gien veulen in 'n het!" herhaalde Smul met
+toenemenden nadruk.
+
+"Ha da zal nondedzju uitkomen! Ha da zal nondedzju uitkomen of da ze
+gien veulen in 'n het!" bromde de oude boer, die begon boos te worden.
+
+Alfons bleef twijfelen. De merrie was hem door Dons verkocht met de
+waarborg van het veulen. Daarom ook had hij er honderd frank meer voor
+betaald. Als dat nu niet uitkwam, dan had hij ook wel recht op zijn
+honderd frank terug. En hij wou er juist iets van reppen, toen de oude
+boer in zijn kwaadaardige opwinding hem de woorden uit den mond nam.
+
+"As ze gien veulen in 'n het 'n geef ik ou nie allienlijk d' honder fran
+weere, moar bovendien nog twintig fran op de keup toe!" riep hij, bijna
+uitdagend.
+
+"Ha moar boer toch!" zei zijn vrouw ontsteld.
+
+"O da mannevolk, mee ulder peirden!" lachte bazin Kneuvels.
+
+"Gezeid es gezeid! He ze gien veulen in, hij krijgt honderd twintig
+fran!" herhaalde Dons met nadruk.
+
+"Gewed!" trad Smul met brutaal-uitgestrekte hand naar hem toe.
+
+"Tut tut tut! wedders zijn kijvers!" kwam bazin Dons misnoegd in 't
+midden.
+
+Kneuvels was driftig iets aan 't hakkelen dat geen van allen begreep.
+Vader van Dalen en zijn beide zonen stonden belangstellend te
+glimlachen.
+
+Maar Dons, in zijn rijken-boerentrots gekrenkt, duwde zijn vrouw op zij
+en stak op zijn beurt driftig de uitgestrekte hand naar Smul toe.
+
+"Veur zeuveel of da ge wilt!" riep hij.
+
+"Euk veur 'n stik van twintig fran!" gilde Smul.
+
+"Gezeid!" riep Dons; "ge zij amoal getuigen." En met geweld sloeg hij
+zijn ruwe hand in die van Smul, die dadelijk met flinken zwaai den klap
+teruggaf.
+
+"Ala toe toe, ala toe toe, 't es zottigheid!" riep de boerin boos. Maar
+al de anderen babbelden en lachten opgewonden en Dons en Smul waren
+beiden even verrukt dat zij zoo flink op hun stuk hadden gestaan,
+terwijl ook geen van beiden twijfelde of hij had het stuk van twintig
+frank gewonnen.
+
+Toen zij weer in huis kwamen stelde moeder van Dalen voor dat ze wat
+kaart zouden spelen, terwijl het nog licht was en zij met Rozeke en La
+het eten verder klaar maakte. Dat vonden zij allen een uitstekend plan.
+Moeder van Dalen had de voorzorg genomen een paar kaartspellen van huis
+mee te nemen en dadelijk zaten zij om twee tafeltjes bij ieder der twee
+kleingeruite raampjes, boer Dons met bazin Kneuvels, Smul en vader van
+Dalen aan het eene, bazin Dons met boer Kneuvels en de beide zonen van
+van Dalen aan het andere. Alfons speelde liever niet mee; hij zou rechts
+en links wat toekijken en ook de vrouwen helpen om de tafel te schikken.
+
+Genoeglijk en gezellig speelden zij het boeren-jasspel. De
+grauwbeduimelde kaarten werden langzaam, met telkens weer nat-gelikte
+vingers, uit elkaar geschoven en rondgedeeld, en toen zaten zij even
+heel ernstig hun spel te bestudeeren, wantrouwend van terzijde naar
+elkander kijkend en zorgvuldig hun eigen kaarten tegen loerende en
+spiedende blikken vrijwarend, totdat er eindelijk een "uitging" en de
+anderen dan om de beurt "oplegden." De mannen rookten een pijp, de
+vrouwen kregen een frisch-levendige kleur onder de warmte van het
+houtvuur, dat gezellig in den breeden haard opflakkerde; en vlak naast
+hen, op tafeltjes en vensterriggels, stonden de jenever-en-krieksap-
+flesschen en de kleine glaasjes. Buiten viel langzaam de vroege, grauwe
+schemering in. De muren en daken van stallen en schuur smolten weg in
+grijze doezeling van de naakte boomen rezen als zwarte, dor-takkige
+geraamten uit het dik-besneeuwde gras. Weldra begon het weer te sneeuwen:
+eerst als een heel fijn, kleurloos stuifmeel, nauw zichtbaar in de grijze
+lucht; toen ietwat grootere, wittere vlokjes, die vlug en druk door
+elkander warrelden als stoeiende vlindertjes, en eindelijk groote, witte,
+trage brokken, loom dalend in zware verdooving van alle geluiden uit een
+lagen, loodkleurigen hemel, die er gansch van trilde en wemelde, als werd
+een onuitputtelijke voorraad witte watten met reusachtige grepen op de
+gesmoorde aarde neergestrooid. De laatste op het erf verspreid loopende
+kippen vluchtten ijlings naar hun roestplaats, de grauwe, ruigharige
+waakhond kroop met hangenden staart en knippende oogen in zijn hok.
+
+"Oo!... es da snieuwen! es da snieuwen!" riepen zij om de beurt, naar
+buiten starend. Maar binnen werd het des te gezelliger en zij vulden nog
+eens goed de glaasjes en staken versche pijpen aan terwijl de pret van
+lieverlede hooger opklonk, met luid-geestdriftige uitroepingen en gebons
+van vuisten op de tafeltjes, telkens als er een opwekkende slag
+uitgespeeld werd.
+
+Rood en zweetend, den mond hijgend open en 't dikke buikje als een
+tonnetje onder haar schort, kwam moeder van Dalen met opgestroopte
+mouwen uit het achterhuis te voorschijn.
+
+"Zeg ne kier meinschen," riep zij van op den drempel, "'k ha iest
+gepeisd van de toafel in de beste koamer te dekken, moar zoe 't nie
+achenoamer zijn hier in de keuken, bij 't vier?"
+
+"Joa 't jong, veele, veele!" riepen zij allen.
+
+"Zij-je wel, houdt ou wel!" gilde de oude Dons.
+
+"Al gezeid!" besloot moeder van Dalen. Zij riep om La en Rozeke en met
+behulp van Alfons plaatste zij twee tafels naast elkaar vlak langs den
+haard en begon er de wit-en-rood geruite kleedjes over uit te spreiden.
+Door de opengebleven deur van 't achterhuis, waar gekookt werd, drong
+de fijne geur van 't sissend-bradend varkensvleesch naar binnen en de
+verlekkerde spelers staken den neus in de lucht en snoven die wellustig
+op, terwijl hun 't water van verlangen in den mond kwam.
+
+Maar het werd heelemaal donker, zij zagen haast de kleuren en figuren
+van hun kaarten niet meer en Alfons stelde voor de blinden te sluiten en
+het licht aan te steken. Zoo werd gedaan. De winter-triestigheid van
+buiten werd door het helder licht van een groote petroleumlamp verbannen
+en met vernieuwde pret speelden zij verder door en vulden nog eens weer
+de glaasjes en staken versche pijpen aan.
+
+Maar uit het achterhuis galmde eindelijk de hooge stem van moeder: "Ala
+jongens, schiedt er nou moar uit, 't es geried!" en meteen kwam zij
+binnen, 't gezicht verborgen achter de dampnevelen van een reusachtige
+schotel, die zij op haar beide uitgestrekte handen droeg, terwijl Rozeke
+en La ook alle twee met heet-dampende schotels volgden.
+
+Een luid gejuich steeg op en al de spelers stonden overeind. Maar Dons,
+die zijn partijtje niet had uitgespeeld, gilde driftig dat de kaarten
+moesten blijven liggen tot na 't eten om dan voort te spelen; en eerst
+nadat de anderen daarin hadden toegestemd kalmeerde hij en kwam
+glimlachend met zijn flikkeroogjes naar de tafel toe.
+
+"Haha! da zal smoaken! da zal smoaken!" lekkerbekte hij.--"Mag 'k doen
+lijk thuis?" vroeg hij; en zonder op 't antwoord te wachten trok hij
+zijn ouderwetsche, bruin-lakensche jas uit, hing hem aan een deurknop en
+nam plaats in zijn hemdsmouwen, in het midden der tafel, met den rug
+naar het warm en rood opflakkerend haardvuur.
+
+"Den buik noar de toafel en de rugge noar 't vier! da es de gezondheid
+van den ouwe Pier!" schetterde hij tot proestens lachend over zijn eigen
+grapje.
+
+Zij zaten allen, elk naar zijn eigen zin zich schikkend en plotseling
+hield het schertsen en praten op, terwijl een groote, ernstige stilte
+even heerschte.
+
+De oude Dons nam zijn zware pet af, maakte een kruis, vouwde zijn
+eeltige handen in elkaar en murmelde met neergeslagen oogen een gebed.
+Heel zijn gezicht was eenkleurig rood als een gekookte kreeft en de
+dunne sluike haren stonden er spierwit als sneeuw omheen. Allen volgden
+hem na. Vader van Dalens kale schedel blonk in 't helder lamplicht,
+Smuls rossig haar stak borstelig en verward achter zijn ooren uit,
+Alfons' gelaat leek fijn en bleek onder zijn donkere lokken en zijn dun
+zwart snorretje. Rozeke, een frissche kleur van warmte over haar zachte
+wangen, hield liefelijk haar hoofdje scheef-geheld, als een bijna nog
+kinderlijk jong meisje; bazin Kneuvels' gouden kruis vonkenschitterde
+onbewegelijk op haar zwarte borst. En bazin Dons had nu een trek van
+vermoeienis en ouderdom op haar getaand gezicht waarin men niet meer zag
+het donkere der neergeslagen oogen; en moeder van Dalen, de gevouwen
+handen op haar rythmisch op en neer golvend buikje, zat nog stil van
+inspanning te hijgen, met twee langzaam neerzijgende zweetdroppels,
+rechts en links over haar bolle, heete wangen. Boer Kneuvels en Rozeke's
+broeders staarden strak naar de dampende schotels. De ronde, blonde,
+blozende La prevelde haar gebed met vlug-bewegende lippen.
+
+"In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, amen,"
+zei eindelijk hardop boer Dons, terwijl hij weer een kruis sloeg en zijn
+dikke pet opzette.
+
+Alle handen ontvouwden zich, maakten het kruisteeken, en weer gingen
+alle petten op de hoofden, terwijl de ernstige gezichten, opgelicht, tot
+vroolijkheid herleefden.
+
+"Allo jongens, valt er moar aan!" riep moeder van Dalen.
+
+Zij hadden eerst booli[3] met aardappels en worteltjes, en Dons vroeg of
+hij maar wilde voorsnijden om het niet koud te laten worden.
+
+Dat was uitstekend. Niemand anders had daar veel verstand van, want
+enkel op kermissen, begrafenis-maaltijden en overhaal-feesten aten zij
+rund-vleesch. In dikke hompen sneed de oude boer de stukken van elkaar.
+Zichzelf bediende hij het eerst, aangezien het toch vlak voor hem stond,
+riep hij, en gaf toen de schotel verder door.
+
+Zij aten!... De mannen slokten de groote brokken vettig vleesch, de
+heele aardappels, de opgehoopte vorken worteltjes naar binnen. De
+vrouwen aten trager, met kleinere beetjes, niet zoo schrokkig. Alleen
+met korte, vlugge woorden ging 't gesprek nog even door. Zij hadden geen
+tijd om te praten. Wanneer zij niet slurpten en kauwden dronken zij van
+hun bier, met lange, gulzige, zuigende, in de keel klokkende teugen.
+
+"Haa!... 't es goed, zille! 't doet deugd!" schreeuwde Dons met
+blinkende oogen.
+
+"K ie... ie... ieste kla... asse! 'k moa... oak ou mijn compliment,
+be... e... zinne van Doale!" brabbelde Kneuvels tusschen twee slokken.
+Smul slikte en schrokte zonder opkijken en ook vader van Dalen had
+heelemaal geen tijd tot praten. Hij at zooals hij wrocht: zwoegend,
+de schouders scheef van inspanning. Hij kreeg het al spoedig benauwd
+en legde vork en mes even neer om als boer Dons zijn vest uit te trekken
+en ook zijn broekband los te knoopen.
+
+"Goe gedacht!" riep Dons, en knoopte insgelijks los. "Moet-e gulder gien
+ploatse moaken?" schertste hij tot de vrouwen.
+
+Zij moesten even schateren.
+
+"Hoe zoen we da moeten doen, boer! We'n droage wulder gien broek!"
+lachte de mooie bazin Kneuvels.
+
+"Zeu!" riep Dons verwonderd. "'K miende dat da tegenwoordig mode was!"
+
+Zij gingen daar even op door en dadelijk werden de toespelingen zeer
+gewaagd. Bazin Kneuvels deed of ze zich vreeselijk schaamde maar haar
+oogen flikkerden van pret; en moeder van Dalen kon zich eensklaps niet
+meer inhouden: zij riep den ouden boer een erge schouwiteit toe, en
+schaterde met open, tandeloozen mond, de handen op haar schokkend
+buikje, terwijl de lachtranen over haar wangen rolden.
+
+"Ha moar moeder, zij-je toch nie beschoamd!" riep Rozeke half boos
+wordend.
+
+"Tut tut tut, w'amezeeren ons onder mallekoar en doar 'n zijn hier toch
+gien "hemelgieten"[4] lachte moeder.
+
+Na den "booli" kwam er nog een gewichtige schotel "saucietjes en
+carbonaden" met spruitjes en ten slotte rijstpap met bruine suiker. Zij
+konden niet meer; zij blaakten en hijgden. Het purperrood gezicht van
+den ouden, mageren Dons was glimmend als met olie overstreken en zijn
+kleine varkensoogjes waren zoo dicht toegeknepen dat men ze nog slechts
+als twee donkere flikkerstreepjes onder de rood-gezwollen oogleden zag.
+Boer Kneuvels, die nog meer nat dan droog gebruikt had, begon vreemd met
+zijn dikke tong te brabbelen; en vader van Dalen, anders praatziek
+genoeg en luidruchtig, zat nu stom en roerloos in elkaar gezakt, de
+koonen rood-gevlamd, zijn levend een-oog rond-verwilderd en strak voor
+zich uit starend, alsof hij zich onwel begon te voelen. Smul bleef
+schijnbaar kalm en als 't ware onverschillig, met de gewone uitdrukking
+van stugge barschheid in zijn harde, blauwe oogen. Soms viel zijn blik,
+heel even slechts, op Rozeke; maar dadelijk, terwijl zij zelve haar
+oogen instinctmatig neersloeg, wendde hij zich af en sprak geen enkel
+woord tot haar. Zij was zoo bang niet meer voor hem als in 't begin,
+maar zijn aanwezigheid maakte haar stil, doodstil, als voelde zij om
+zich heen een vaag en steeds dreigend gevaar.
+
+Allen trouwens, werden van lieverlede stiller en spraken weldra over
+ernstige zaken. De van pret haast toegeknepen oogjes van den ouden boer
+ontpopten zich weer tot gewone kleine menschen-oogen, en hij sprak heel
+verstandig, zonder schreeuwen, met Alfons, als een vader tot zijn zoon,
+over de voor-en-nadeelen die verbonden waren aan het boerderijtje, dat
+hij van hem had overgenomen. Mooi en buitengewoon geschikt was het
+gelegen: alles om het pachthof heen en eerste klasse grond. Van op zijn
+boomgaard kon hij zijn werkvolk gade slaan tot op de verst-afgelegen
+partij. Droge jaren waren de gunstigste; een drietal bunders lagen wat
+te laag en bleven bij natte seizoenen te vochtig. De boomgaard was een
+van de rijkste in den omtrek. Meer dan eens had hij Dons de drie-vierden
+van zijn ganschen huurprijs opgeleverd. De kateilen[5] waren ruim en
+stevig gebouwd; de pachtsom was niet overdreven. Kortom, zonder
+onvoorzienen tegenspoed zou Alfons er goed aan zijn brood komen en zelfs
+een aardig stuivertje op zij kunnen leggen.
+
+De anderen luisterden, stilzwijgend, vol eerbied voor den ouden boer die
+op zijn hoeve rijk geworden was. Hoogst zeldzaam waren ze nog die dat
+konden zeggen, want de tijden waren slecht, de pachten hoog, de uitgaven
+en lasten ieder jaar grooter. Verreweg de meeste boeren gingen
+tegenwoordig achteruit in plaats van rijk te worden. Hoeveel waren er
+niet, die na een gansch leven van werken en zorgen en zwoegen, op hun
+ouden dag in het armenhuis eindigden?
+
+"Kjoa... joa... kg... het gij wel scheune te spreken, boe oer Dons,"
+hakkelde Kneuvels, met ingespannen handenwringen de weerspannige woorden
+uit zijn mond halend, "kg... het gij de goen tijd ggghad... moar kkk da
+ge nou nog moest be... be... beginnen kt 'n zoe zoe euk kk azeu nie mier
+zijn!"
+
+"De goen tijd, zegt-e gij," antwoordde Dons ernstig, met oogen van
+verbazing. "De goen tijd!--T'n was giene goen tijd in de joaren 47 en 48
+as de meinschen van den honger op stroate lagen te stirven!" En hij
+vertelde van die nare tijden, waarvan zij allen slechts vaag gehoord
+hadden, maar die hij, zooveel ouder, in al hun akeligheid had
+meegemaakt. Twee opeenvolgende jaren, eerst door zware regens, dan door
+maandenlange droogte, waren de oogsten mislukt en er was geen eten meer
+voor menschen noch voor beesten. Geen graantje meer in de schuren, geen
+aardappel meer op 't veld; alleen nog maar wat half bevroren, half
+verrotte raapknollen en bieten, die de hongerige menschen 's nachts op
+de akkers kwamen ontgraven. Boeren en gendarmen hielden onophoudelijk de
+wacht: arme stumperds werden doodgeschoten; anderen vond men op de
+velden 's ochtends dood liggen, versteven van de kou, omgekomen van
+gebrek.
+
+"Doar zie, achter ulder schure," sprak plechtig de oude boer naar de
+donkere, toegeblinde ramen wijzend, "he 'k er op nen uchtijnk twiee
+gevonden in de snieuwe, 'n mannemeinsch en 'n vreiwe-meinsch, uit 'n
+vrend dorp, de man deud, de vreiwe nog 'n zierke levend, alle twiee zeu
+moager en uitgeleefd da ze de knecht onder zijn oarms opgepakt het en in
+de schure op 't streu gedregen."
+
+Een plotselinge stilte heerschte om de tafel. Allen staarden met bijna
+angstigen ernst naar het vuurrood, gerimpeld gelaat van den ouden boer.
+
+"Es 't vreiwemensch nog blijve leven?" viel hem eindelijk Rozeke,
+trillend van emotie, in de rede.
+
+"Nie z', ze was al te verre gezet," antwoordde hij.--"Mijn moeder
+zoaliger he z' hier in huis doen brijngen, hier, veur den heird, bij
+'t vier, op de zelve ploatse woar da 'k nou zitte, en w' hen heur woarme
+melk en brandewijn ingegoten; moar 't was al te loate, 't 'n he nie mier
+g'holpen. Veur den noene was z'euk al deud.--Joa joa de goen tijd!
+spreek mij van de goen tijd! Nou es 't de goen tijd, woar da alles van
+'t vrende kan komen als 't in 't land zelve nie 'n groeit."
+
+Weer spraken zij, allen ondereen nu, van den goeden en den slechten
+tijd, van de menschen van vijftig jaar geleden, die met weinig tevreden
+waren en hun geld opspaarden; en van de menschen van den tegenwoordigen
+tijd, die veel verteerden en voor hun ouden dag niets overhielden.
+
+Zij waren klaar met eten en slurpten nu koffie, uit groote, witte
+koppen, de mannen rookend, de vrouwen af en toe een snuifje nemend,
+allen in gemakkelijke houding om de tafel geschaard, de aangezichten
+rood-begloeid door 't haardvuur, waarop Alfons weer versche blokken had
+geworpen. Nu en dan stond er een op en ging even naar buiten en kwam
+toen na een poos rillend weer binnen, zeggend dat het buiten niet meer
+sneeuwde, maar dat de lucht zoo grauw en nog zoo vol zat, met
+loom-schuivende, zware wolken voor de volle maan. En weer maakten ze
+'t zich gezellig om het warme vuur en luisterden naar de vertellingen,
+blazend en slurpend uit hun koppen in den blauwen damp der pijpen.
+
+Toen hoorden zij plotseling een dof gestommel aan de voordeur en allen
+keken met verwondering, de vrouwen bijna angstig, om.
+
+"Och Hiere, was es dat doar!" riep Rozeke, gejaagd opstaande, bang
+geworden door de akelige verhalen.
+
+Maar er werd zacht gekucht daar buiten; en eensklaps hieven zoete
+kinderstemmetjes het welbekende Driekoningenavond-liedje aan:
+
+ "Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan
+ Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan.
+ Naar Bethlehem, naar die schoone stad
+ Waar Maria met haar klein kindeke zat."
+
+"Och Hiere! de kinders die hier Dertien-oavond kome zijngen! O, da es
+toch scheune!" glimlachte Rozeke met tranen van ontroering in haar
+oogen.
+
+Ook al de anderen luisterden, eensklaps weer roerloos en zwijgend, in
+onbewuste emotie, de stil-glimlachende gezichten naar de voordeur
+omgewend.
+
+En zacht zongen de kinderstemmen verder:
+
+ "Hoe kleiner het kind, hoe grooter de eer
+ Dat is er een teeken van God den Heer!"
+
+Zij zwegen even, stommelden en kuchten; en in de groote, luisterende
+stilte klonk het tweede Drie-koningenavond-liedje:
+
+ "Het is vanavond Driekoningen-avond
+ En 't is morgen Driekoningen-dag,
+ Toen Maria al met Magdalena
+ Al op het Heilige graveke zat."
+
+Rozeke stond op:
+
+"Toe, moeder, geef mij wat veur die kinders: 'n beetse rijspap en wa
+cenzen."
+
+"Cenzen!... 'k 'n he ik hier gien cenzen!" riep moeder verwonderd. "En
+rijstpap! woarom moen ze zulder rijspap hen?"
+
+"Neem, doar zijn vijf cens," zei boer Dons in zijn vestzak tastend.
+
+"Och toe, moeder, en 'n beetse rijspap?" smeekte Rozeke.
+
+Pruttelend ging moeder in het achterhuis maar kwam toch met een
+rood-steenen schoteltje vol pap terug.
+
+"Doet er 'n beetse meelsuiker op, moeder?" fleemde Rozeke.
+
+"Ha ge zij gij zot, geleuf ik!" riep de oude ontwaardigd.
+
+Maar zij deed het toch ook, en Rozeke haastte zich naar de deur, waar de
+kinderen, hun liedje uitgezongen, nu zachtjes aanklopten.
+
+"Joa moar ze moen de schotel weere brijngen, zille," vermaande moeder.
+
+Rozeke opende de deur en op de vaag-bemaneglansde sneeuw zag zij het
+troepje voor den drempel staan: drie meisjes en twee knaapjes, waaronder
+een heel kleintje, dat de groote papieren ster droeg. Hij deed ze met
+een touwtje ronddraaien zoodra hij Rozeke zag, en weer zongen de andere,
+met hun fijne, teere stemmetjes:
+
+ "Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan,
+ Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan."
+
+"Neem," zei Rozeke ontroerd, hun de centen en het schoteltje aanreikend,
+"moar 't schotelke moet-e morgen weere brijngen, zille."
+
+"Joa w' bezinne, merci bezinne," dankten zij. En in een druk, dicht
+donker troepje liepen zij haastig en verheugd weer naar het hek.
+
+"Bezinne," dacht Rozeke glimlachend; "'t es woar, 'k ben nou bezinne."
+Zij staarde even naar het wit, besneeuwde hof met de zwarte
+boom-geraamten en naar de hooge maan met de dikke, grauwe wolken erom,
+boven 't dak der schuur.--Daar achter, op een wintersneeuwnacht zooals
+deze, had de arme vrouw gelegen waarvan Dons vertelde. Zij huiverde.
+O, die nare verhalen, wat had het haar aan 't hart gegrepen! Wat was
+er strijd, armoede en lijden op de wereld! Wat was haar lot gelukkig
+vergeleken bij dat van zooveel anderen! Plotseling dacht zij aan
+mejonkvrouw Anna. Ook die was niet gelukkig. Waar zou ze zijn op
+'t oogenblik? En wat was toch de oorzaak harer droefheid? Zij stond daar
+even over te peinzen, vaag luisterend naar 't verwijderd, fijn gezang
+der kinderen, die nu reeds op een andere hoeve waren. Maar de
+feestvierders daarbinnen klaagden luid dat ze 't koud en ongezellig
+maakte en dat ze weer moest binnen komen.
+
+Haastig sloot zij de deur en kwam rillend terug bij den haard.
+
+Nog een poosje bleven zij er doorpraten, gezellig rookend om den haard,
+onder het drinken van steeds meer koppen slappe koffie en ook glaasjes
+brandewijn; en weer werd hun gesprek nu los en licht en vroolijk, met
+ieder oogenblik uitbarstend scherts-gelach om ondeugend-schuine grapjes;
+maar toen boer Dons, zeer opgewonden, voorstelde het onderbroken
+kaartspel voort te zetten, bleek het reeds te laat geworden en spraken
+de vrouwen van nu maar liever weer naar huis te gaan. De mooie bazin
+Kneuvels, die tijdelijk zonder dienstmeid was, moest zelve nog alles
+tegen den volgenden dag beredderen, beweerde zij; en ook bazin Dons
+wilde liefst vertrekken voor het laat in den avond werd en zij wellicht
+spoken op hun weg ontmoetten.
+
+"Speuken! zij-je toch nie wijs! Doar 'n bestoan ommers gien speuken
+mier," lachte vader van Dalen.
+
+Maar bazin Dons en ook meestal de anderen bleven zeer ernstig.
+
+"D'r zijn zeker nog speuken!" bevestigde boer Dons, die reeds was
+opgestaan en zijn jas had aangetrokken, maar even weer ging zitten. En
+hij vertelde een vreemde geschiedenis van zijn ouden paardenknecht, van
+het spook en den kasteelhond.
+
+Iederen avond,--dat was nu zeker wel ruim veertig jaar geleden--dwaalde
+daar in de buurt een kasteelhond.
+
+"Wa es da ne kastielhond?" viel Rozeke hem met groote oogen van
+belangstelling in de rede.
+
+De oude boer haalde zijn schouders op.
+
+"Da es nou gelijk," sprak hij, bijna korzel, "nen hond, ne kastielhond,
+niemand 'n weet precies wa dat dat es. Moar loat mij ne kier veurt
+vertellen."
+
+"Iederen oavond dus,--'t was in de winter, omtrent dezen tijd--liep er
+hier rond 't hof ne kastielhond. Koarel-Sies, mijnen oue peirdeknecht,
+ha hem al heul dikkels gezien, en telkens zat er hij achter mee zijn
+vurke, moar natuurlijk zonder hem oeit te keune krijgen.--Koarel-Sies,
+jongen, zei ik azeu, ge moet oppassen of ge goat doar leulijke dijngen
+mee ondervinden.--Zoe 'k wel, boas, zeit hij; da 'k hem moar e-kier 'n
+kon krijgen, 't zoe hier al gauwe gedoan zijn mee al dat geleup.--'K
+zegge: kijk, ge moe 't weten, Koarel-Sies, zeg ik azeu, moar geleuf mij,
+jongen, ge goat er vuil mee vangen, zeg ik azeu.--Goed.--Op nen oavond,
+nen dag of dreie achter da 'k hem da gezeid ha, komt Koarel-Sies al mee
+ne kier noar mij geleupen: "Boas! hij es doar weere zille en deze kier
+moe 'k hem hen!" Ik ha hem al ne heulen tijd gezien, moet-e weten: en,
+peis ik in mijn eigen...."
+
+"Watte! de kastielhond! Het-e gij hem euk gezien, boas Dons?" viel
+Rozeke den ouden boer opnieuw met trillende emotie in de rede.
+
+"Zeu goed of da 'k ou zie," verzekerde kalm boer Dons. Bazin Dons, die
+ook vol aandacht luisterde, knikte sprakeloos met het hoofd, om te
+getuigen dat het waar was. Al de anderen, om den ouden boer geschaard,
+vingen, in roerloos-stille graagte, de woorden van zijn lippen op.
+
+"En wat deed hij? Hoe liep hij? Hoe zag hij d'r uit?" vorschte Rozeke
+ademloos.
+
+"Da es nou gelijk!" antwoordde Dons weer ongeduldig wordend. "Ne
+kastielhond, zeg ik ou! Niemand 'n weet datte; niemand 'n het da van
+dichte bij gezien. Loat mij ne kier veurt vertellen...."
+
+"Goed.--Peis ik in mijn eigen: Kaorel-Sies, jongen, doe gij ou gedacht;
+leupt gij er achter, aangezien da ge toch nie mier verstand 'n het; ik
+'n trekke mij den boel nie aan. Goed.--De kastielhond droait hem ne keer
+of zeven rondom 't hof, en Koarel-Sies doar achter, mee zijn vurke
+veuruit, vliegen lijk de wind. 'K wilde da ge da gezien hadt! Ge kond'
+hem heure lessemen[6] toe op de keiter[7]. Wel verdeeke!... peis ik in
+mijn eigen, 'k geleuve woarachtig dat hij hem van deze kier goa krijgen,
+want 't 'n school gien hoar mier of hij zat er boven op;... moar al mee
+ne kier, percies op de moment da Koarel-Sies de kastielhond zijn vurke
+deur 't lijf goa steken, verandert de kastielhond in 'n speuk, dat
+rechte lijk ne pijl uit nen bogen noar den bosch toe leupt!
+
+"'n Speuk! 'n woarachtig speuk! En he-je 't gezien, boas Dons? riep
+Rozeke.
+
+"Lijk of ik ou zie!... moar loat mij ne kier veurt vertellen."--Goed, 't
+speuk den bosch in en Koarel-Sies mee zijn vurke doar achter.--Ik vliege
+zeu zier of da 'k kan toe an 't hofgat en 'k roep uit al mijn macht!
+"Koarel-Sies! Koarel-Sies! gie dwoaze loeder, komt toch weere!" Moar 't
+spel was al verbrod en 't was te loate. 'K zag hem nog precies mee ne
+lei al de kant van dan bosch leupen en over de gracht sprijngen; en wig
+was hij, nie mier t'heuren of te ziene!"
+
+"En?" vroeg Rozeke, de woorden uit zijn mond kijkend.
+
+"Hewel... hij het hij heul den nacht rondgedwaald, zonder nog zijne wig
+te keune vinden. 't Speuk ha hem verlied. Tegen den uchtijnk es hij
+weere thuis gekomen, slijknat, deudmoe, al schriemende lijk 'n klein
+kind. Heul de godsche nacht had hij achter 't speuk geleupen, op alle
+soort van vrende prochies, deur bosschen woar dat hij nog noeit van zijn
+leven geweest 'n ha; en as hij thuis kwam had hij, in ploatse van zijn
+vurke, nen bessemstok in zijn peuten.--Hij he hem ontklied en veertien
+doagen van altroassie in zijn bedde gelegen!"
+
+"En 't speuk? de kastielhond?" vroeg Rozeke.
+
+"De kastielhond! 'n moand lank he 'k hem hier hoast iederen oavend
+rondom 't hof zien leupen. Hij kwam natuurlijk kijken of da Koarel-Sies
+nog goest ha om d'er mee zijn vurk achter te zitten; moar Koarel-Sies
+had er genoeg van, zille. Ge 'n zoedt hem 't 's oavens mee gien stokken
+mier van 't hof gekregen hen."
+
+Er was opnieuw een korte stilte. Allen staarden weer met ernstige
+gezichten naar den ouden boer, die zooveel wonderbaars had bijgewoond
+en Rozeke durfde geen woord meer vragen.--Maar plotseling ging een
+onverwachte stem op om den hoek der tafel, de ruwe, schorre stem van
+Smul, die nu in kort-gehorte woorden ook een wonderheid vertelde.
+
+Dat was een jaar of twaalf geleden; hij woonde toen, als pasbeginnende
+paardeknecht, op een groote boerderij, den kant uit van 't Westvlaamsche.
+--Eens, op een ochtend, dat hij een verafgelegen partij land aan het
+beploegen was, zag hij, in een struik van den elzekant die den akker
+omsingelde, een vreemd klein dingetje hangen,--een soort bruinhouten pop
+of beeldje, leek het hem--half verborgen in 't gebladerte. Hij liet zijn
+ploeg met paarden even staan en ging dwars over 't akkerland, op 't vreemd
+verschijnsel af. Het was een klein, bruinhouten Lieve-Vrouwbeeldje, met
+een dof-gouden stralenkransje om het hoofd. Wie mag dat daar wel gehangen
+hebben? dacht hij. Het had geen waarde, hij liet het hangen en zette zijn
+arbeid voort, maar nam het 's middags mede naar de boerderij.
+
+Ook daar begreep geen mensch wat het wel beteekenen mocht. Maar,
+aangezien het toch een heilig beeldje was, zou de boer het maar houden,
+en het werd in de keuken boven op de schoorsteenlijst geplaatst.
+
+'s Anderendaags morgens, toen de boerin beneden kwam en even naar den
+schoorsteenriggel opkeek, was het beeldje verdwenen. Dat werd hoe langer
+hoe vreemder; zij ondervroeg al de huisgenooten en de knechts en meiden
+van de groote boerderij, en allen gaven de stellige verzekering dat zij
+geen hand naar 't beeldje hadden uitgestoken. Bij gebrek aan verdere
+bewijzen moest de boerin hen wel gelooven, en ieder ging weer naar zijn
+werk zonder nog veel aan het beeldje te denken.
+
+Maar nu werd het bepaald een wonder, een mirakel. Het eerste wat Smul
+zag, toen hij met ploeg en paarden op den akker kwam, was 't bruine
+Lieve-Vrouwbeeldje, hangend precies op de zelfde plaats, aan 't zelfde
+takje waar hij het 's ochtends te voren ontdekt had.--Dat heeft mij
+niemand voor de grap geleverd, dacht Smul, en 's avonds nam hij weer het
+beeldje naar de hoeve mee. Maar hij vertelde 't aan niemand, hij verborg
+het in een baalzak en stopte 't zoo weg onder zijn bed, op den zolder
+waar hij sliep, boven de paardenstallen.
+
+Toen hij den volgenden ochtend ontwaakte, was zijn eerste zorg haastig
+den baalzak te openen. Het Lieve Vrouwtje was weg! Hij liep naar 't
+verre akkerland. Het beeldje hing er weer op de zelfde plaats, aan 't
+zelfde takje van 't zelfde elzestruikje.--Smul liet het hangen. Het hing
+er heel den dag en 's avonds nam hij het ook naar de boerderij niet
+mede----
+
+Dien nacht gebeurde iets vreeselijks. Een jong boerenmeisje, dat
+tamelijk laat in den avond alleen huiswaarts keerde, werd langs den
+eenzamen weg door een landlooper aangerand. Zij vluchtte weg, kwam juist
+terecht op dat stuk akkerland, bij de plaats waar 't Lieve-Vrouw-beeldje
+in het elzestruikje hing. Daar werd ze verkracht en vermoord!..."
+
+"Och Hiere!" slaakten al de vrouwen. Rozeke zag bleek van schrik en
+beefde, haar angstige oogen op den paardeknecht gevestigd. Had hij zelf
+niet geprobeerd haar met geweld te nemen, in het koren!...
+
+Maar moeder Van Dalen was verontwaardigd en riep:
+
+"Da was 'n heule slechte Lieve-Vreiwe!"
+
+"'T 'n doet, integendeel," beweerde Smul. "Da was 'n woarschuwijnge van
+onz' Lieve-Vreiwe dat er op die ploatse moest gewoakt worden!" En hij
+vertelde verder:
+
+"Den boer het er 'n kapelleke doen bouwen en 't Lieve-Vreiwke doar in
+gezet. Moar alle nachten speukt het er in 't ronde en 't zal d'r blijve
+speuken zeu lank of dat de meurdenoare nie gevonden 'n es."
+
+"Hen z' hem dan nie gevonden?" riep Rozeke.
+
+"Nien z'!" zei Smul kortaf, haar voor het eerst dien avond recht in het
+gezicht aankijkend.
+
+Zij sloeg den blik ten gronde en sidderde, als voelde zij een dreiging
+in zijn blik.
+
+Allen waren langzaam opgestaan en namen afscheid. Ach, men moest maar
+niet te veel aan al die vreeselijke dingen denken, meende de oude boer,
+terwijl hij zijn dikken bruinen kraag opzette en zijn pet over de ooren
+trok: men moest trachten met iedereen goed te staan en ieder geven wat
+hem eerlijk toekwam. Dan lieten spoken, kasteelhonden en verschijningen
+je wel met rust. Allen waren 't daar ernstig over eens, en dat gesprek
+bracht hen eindelijk nog even weer op de kwestie van de weddingschap die
+tusschen Dons en Smul was aangegaan.
+
+De oude boer, buiten op den drempel, gilde Smul, die naar de stallen
+ging om in te spannen, na:
+
+"Veur twintig fran, he? Nie vergeten, zille!"
+
+"Ge meug gerust zijn, 'k zal d'er zelf omme komen!" klonk van verre
+Smuls ruwe, schertsende stem.
+
+De witte nacht was gansch helder geworden, glans-helder van vol
+manelicht over de blanke, donzig-dikke sneeuw; en hun lange, zwarte
+schaduwen rekten zich gedrochtelijk voor hen uit, tusschen het
+vreemd-gewirwar van 't weerkaatste, naakte boomen-netwerk op den
+onbetreden witten grond. Het vroor en al de sterren tintelden in 's
+hemels donkerblauw; maar laag aan den gezichtseinder rezen weer donkere
+balken, zwaar-dik van nog dreigende sneeuw.
+
+"Ala, de goe nacht en 'n dreumt er nie van!" riep de oude boer, terwijl
+hij met zijn vrouw, met vader en de broeders van Dalen het hoevetje
+verliet. Luid pratend onder elkaar verdwenen zij in den helderen,
+sonoren maan-en-vriesnacht. Het oogenblik daarna was ook de sjees
+van Kneuvels klaar en Alfons en Rozeke, die hen tot aan den weg een
+uitgeleide deden, kwamen rillend van de kou terug bij La en moeder,
+om het langzaam uitdoovend haardvuur.
+
+Dien nacht had Rozeke vreemde, benauwende droomen. Alles wat ze 's
+avonds gehoord had woelde verward door haar geest en zij kreeg akelige
+vizioenen van kasteelhonden en spoken, van zieltogende menschen in de
+sneeuw en van vluchtende vrouwen die door landloopers overweldigd en
+vermoord werden. Mejonkvrouw Anna, van 't kasteel, werd wreed door een
+van die honden verscheurd; en zij zelve, eenzaam en verlaten, verre van
+Alfons en verre van haar ouders en haar broeders, vluchtte voor een
+schurk die haar razend achtervolgde en haar eindelijk vastgreep en
+omverwierp op den harden grond onder een elzestruik.
+
+Met een gil van angst schrikte zij plotseling wakker, vloog overeind,
+sloeg verwilderd hare armen uit.
+
+"Wa het-e-gij? Wat doe-je gij?" riep Alfons, ook eensklaps uit zijn
+slaap wakkergeschrikt.
+
+"Niets! 'k 'n weet niet! 'k miende da 'k iets zag! da 'k iets heurde!"
+hijgde ze angstig.
+
+"Kom kom, g' het gedreumd, legt ou neere, loat ons sloapen," zuchtte
+hij.
+
+Zij zag de hooge maan in bleeken hemel door het bovenste gedeelte van
+het kleingeruite raampje; en dat aanschouwen van de kalme, koude,
+heldere werkelijkheid, verjoeg haar ingebeelden droomangst. Ja ja, zij
+had gedroomd....
+
+Zacht strekte ze zich weer uit en legde haar armen om zijn hals.
+
+"'K zie ou zeu geirne Fons; ge 'n meug mij noeit verloaten, ge moet
+altijd... altijd bij mij blijven," nokte zij teer-ontroerd.
+
+Zijn handen drukten haar werktuigelijk tegen zich aan, maar hij gaf geen
+antwoord meer. Hij was reeds weer in slaap.
+
+Toen zuchtte zij heel diep en sliep ook kalm weer in.
+
+
+Noten:
+
+[3] Gerookt rundsvleesch.
+
+[4] Hemelgeiten: kwezels.
+
+[5] Stallen en schuren.
+
+[6] Hijgen.
+
+[7] Kouter; vlakte.
+
+ * * * * *
+
+VIII.
+
+
+Het was dat jaar een lange, ruwe winter. Weken en weken na elkaar bleef
+het doodsche veld onder de dikke sneeuw begraven; en daarop vroor het,
+hard als steen. De menschen liepen met opgetrokken schouders, tot over
+hun ooren in wollen halsdoeken gewikkeld, als zwarte, sukkelige
+stumperds over al die harde, strakke blankheid; en de kinderen die van
+de dorpsschool kwamen leken van verre op misvormde kaboutertjes: de
+oorlappen der petten neergetrokken, de blauw-verkleumde handjes in de
+grijze wollen wanten, de neusjes purperrood en de waterige oogjes
+schreiend van de scherpe kou. Enkele liepen soms met ijssleetjes onder
+den arm, om ergens op een ondergeloopen stuk weiland te gaan "ijsstoelen";
+anderen gingen "baantje slieren" op de smalle slootjes, in benden van
+tien en vijftien glijdend en buitelend in uitgelaten pret onder elkaar.
+Heel enkelen hadden schaatsen, en die waren zeer trotsch en reden met
+aanstellerige minachting, in groot gezwaai van armen en geschrijd van
+beenen, de tragere ijsstoelers en baantjesslierders voorbij. Hun drukke
+pret bracht telkens als een korte herleving over het verlaten veld, dat
+dadelijk na hun lawaaiigen voorbijtocht weer in doodschen winterslaap
+verzonk.
+
+Vreemd zag het heele land er uit: alles verkleind en als 't ware
+ineengekrompen. De mooie fruitboomen der boerderijen leken nu niet
+grooter dan ontbladerde heesters op de smal en klein schijnende erven;
+en zelfs de woonhuizen, de stallen en de schuren schenen tot de helft
+geslonken en als 't ware in den grond gedrukt, onder de dikke, gewafelde
+sneeuwlaag die log de dakpannen bedekte. Het dorpje, in de verte, over
+de wijdte van het blanke, vlakke veld, was niets meer dan een hoopje
+lage, nauwelijks zichtbare gebouwen onder een trosje zwarte boomkruinen;
+en de grijze torennaald der kerk, die anders zoo fier en zoo slank uit
+het frissche zomergroen opschitterde, leek nu wel een brooze, schrale
+ijskegel, die elk oogenblik om zou kunnen vallen. En ook het statig
+kasteel in rood steen met zijn gesloten vensterluiken, maakte thans geen
+grooteren indruk dan een gewoon buitenhuis; en 't prachtig park, 's
+zomers zoo ondoordringbaar zwaar en donker, was nu vol gapende holten en
+gaten, waar men dwars door de verre landerijen en de boerenhuizen zag,
+als hadden schendende handen er in groot getal de mooiste boomen
+weggekapt.
+
+Die winter-kleinheid en bekrompenheid van alles verbaasde en beangstigde
+bijna Alfons en Rozeke.
+
+"Ha moar, dat 'n es hier zeu greut niet as dat Dons gezeid het! Da es
+amoal veel kleinder!" riepen zij soms met onthutste verwondering uit,
+toen zij wel eens, in een enkelen oogopslag, geheel hun erfje met
+gebouwen en omliggende landerijen opnamen. En Alfons moest dan eerst de
+afstanden stappen, de boomen van den boomgaard tellen, de hoogte der
+gebouwen en de uitgestrektheid van de akkers meten, voor zij gelooven
+konden dat zij niet bedrogen waren.
+
+Doch er waren ook soms heerlijke verrassingen.
+
+Op een ochtend, toen Rozeke in de vroegte buitenkwam, scheen het haar
+toe of ze zich plotseling op een heel andere doening, in een soort van
+wonder-of-tooverland bevond. Wat was dat! al die boomen eensklaps zoo
+groot en overladen met het weelderigste bloeisel! En dat ruischend
+zilverkleed in plaats van grasveld! En die heg om het erf als een
+blauw-wazig verre muur van doorschijnend-kristal! En al dat bouwland er
+omheen, glinsterend, fonkelend, flonkerend in de zon, als een eindeloos
+veld van de fijnst-getinte lichtroze en lichtblauwe, levende en
+trillende bloemen? Dat was de winterrijp over de naakte boomen en
+gewassen, de blanke rijp doorschijnend tintelend met allerteerste
+kleurschakeering in de gouden zonnestralen! Het leefde en beefde, de
+overladen twijgjes van de naakte kruinen fluisterden en schitterden in
+stil geritsel als waren zij gansch vol van onbekende, wemelende vogels
+en kapellen. Zij schitterden en wemelden in zacht-suizend gefladder en
+gekweel, maar 't was slecht een illuzie: zij vielen ritselend in risten
+op het wit-glanzende grasveld neer en vloeiden er weg als groote, stille
+droefheidstranen; en weer stonden de boomen zwart en naakt als dorre
+heesters, en weer omheinde de schrale heg met haar doorzichtbaar
+doorngeraamte 't kleine erfje, en weer lagen de akkers kleintjes
+afgemeten er omheen, in de langzaam uitdoovende schitterpracht van al
+dat vreemd en broos-fantastisch leven, dat er eindelijk nat en triestig,
+onder een aanhoudend dof geruisch als van stille zuchtjes en snikjes, te
+smelten en te sterven lag.
+
+Zij leefden in afwachting van wat langzaam aan komen en worden zou: de
+lente; en met de lente: de arbeid op het land. Alfons had tegen Maart
+een knecht gehuurd: Vaprijsken, die boer Kneuvels' boerderij verlaten
+had en gelukkig was, bij een vroegeren werkkameraad en vriend, een
+goeden meester en een vaste betrekking te zullen vinden; en Rozeke, die
+in haar zwangerschap het zware werk van koeienmelken en beestenvoeder-
+koken niet goed meer verrichten kon, had reeds een dienstmeisje, ook een
+vroegere kennis en een flinke werkster: het Geluw Meuleken. Met die twee
+konden zij 't vooreerst wel stellen. Een paardenknecht hadden zij niet
+noodig: dat baantje zou Alfons zelf waarnemen.
+
+Stil en gelukkig leefden zij, met hun hoop en hun gedachten in de
+toekomst. Slechts bij zeldzame uitzondering ging Rozeke nog een enkelen
+keer naar het ouderlijk huis, dat nu wel wat ver afgelegen was, maar
+bijna elken zondag kreeg zij bezoek van de haren. Meestal kwamen moeder
+en La na de vesper aanhijgen, telkens klagend dat het niet te doen was
+door de sneeuw; en als ook vader en de broeders kwamen spraken zij uren
+lang over vee en landerijen, en eindigden doorgaans met een partijtje
+kaart te spelen, de mannen rookend bij het haardvuur, met koppen koffie
+en borrel-glaasjes op de tafel om zich heen. Dat mooie boerderijtje was
+de trots en als 't ware de rijkdom van hen allen. Zij waren er allen in
+een hoogeren stand en voornamer aanzien door gekomen; zij waren boeren,
+echte boeren geworden; en iederen zondag bij het huiswaarts keeren
+voelde vader de behoefte nog enkele herbergen in het dorp te bezoeken,
+waar hij dan, dikwijls tot ergernis en spotlust der aanwezigen, zonder
+eind op het rijk huwelijk en op die schoone rijke "doening" van zijn
+oudste dochter zat te snoeven en te pochen.
+
+
+ * * * * *
+
+IX.
+
+
+Nog nooit was de lente zoo levendig en zoo frisch uit den winterslaap
+geboren.
+
+In de eerste dagen van April scheurde de alom uitgespreide sneeuwmantel
+eindelijk aan flarden; en 't leven der ontwakende natuur bruiste
+onstuimig door de scheuren en de gaten op, groen als van een
+nooit-geziene jonge, malsche groenheid, met triomfante kracht en
+graagte. De blonde vlietjes huppelden als dol tusschen de steile,
+wit-en-geel-bebloeide oevertjes, de wilgentwijgjes trilden als duizenden
+slanke vleugeltjes, wild van jeugdig, opstormend levenssap. In enkele
+dagen tijds stonden de populierenkruinen alom als dichte, groen-grijze
+pruiken van ontluikende en krullende knopjes, en 't een na 't ander
+kwamen leutig zingend al de lentevogeltjes, terwijl gele, bruine en
+witte vlinders, waggelend als van luchtdronkene bedwelming, door de
+lauw-wazige zon-atmosfeer der vrije, frisch-geurende ruimte fladderden.
+
+En ook het boerderijtje herleefde uit zijn stillen winterslaap!... De
+mooie boomgaard stond niet stekelig-witbebaard meer met schijn-bloeisel
+van fantastische rijp, maar bloeide en geurde werkelijk nu van
+zacht-en-frisch-levend lentebloeisel. Het waren als donzige wolken van
+wit en van roze om het roze huisje en de roze stallen, als reusachtige,
+heerlijk-frisch ruikende tuilen van herboren jeugd op oud-verweerde
+dingen; en de blaadjes die zacht-ritselend in zonneglinstering op den
+grond vielen, smolten niet meer weg als stil gedrop van tranen, maar
+bleven liggen, als een licht, fluweelig kleed van weelde, om de ruige
+stammen in het groen, groen bloeiend gras gespreid. De beesten waren
+buiten in de wei, de staldeuren stonden den ganschen dag wijd open,
+rechthoekigzwart als donkere kuilen en gaten, waar mensch noch dier lust
+meer had zich in te wagen. Het gele haar van 't Geluw Meuleken blonk als
+een glinsterende goudvacht op haar hoofd, waar zij buiten op het erf
+haar rinkelende en schitterende koperen emmers schuurde; en op de
+landerijen was Alfons van den ochtend tot den avond aan 't ploegen, aan
+'t zaaien of aan 't eggen, zijn donkere silhouet achter het zware paard
+scherp afgeteekend in een paarlemoeren atmosfeer, terwijl Vaprijsken,
+over de vore gebukt, met vluggen duw zijn spade in de aarde drukte en
+telkens met een breeden zwaai van vette glinstering een groote kluit van
+zware blonde klei omkeerde.
+
+Rozeke, in huis, of voor het zonnig geveltje, zat stil-gelukkig bij een
+hoop verstelgoed of werkte aan de luiermand van het verwachte
+kleintje....
+
+Eens, op een namiddag, tegen avond, terwijl ze daar in de gouden
+schemering zat, mazend aan kousen, naast het Geluw Meuleken, die de karn
+aan 't schoonmaken was, hoorde zij een vluggen stap in een geruisch van
+rokken achter zich naderen; en, toen ze 't hoofd omwendde, stond
+plotseling mejonkvrouw Anna voor haar.
+
+"Och Hier, och God, mejonkvreiwe!" kreet Rozeke, verkleurend van
+verrassing en emotie.
+
+"Dag Rozeke, hoe gaat 't met u?" glimlachte zwakjes jonkvrouw Anna.
+
+Zij zag er bleek uit, slechter nog dan op dien wintermiddag, toen Rozeke
+haar voor 't laatst op het kasteel gezien had. Zij was weer geheel in
+'t zwart gekleed, als droeg zij rouwkleeren, en haar vermagerd gezicht
+stond pijnlijk getrokken, met ingevallen wangen en donkere oogen van
+lijden en angst.
+
+Ontroerd was Rozeke opgestaan.
+
+"Kom binnen, mejonkvreiwe: zet ou 'n beetsen," verzocht zij het meisje.
+En met aarzelende stem durfde zij te nauwernood vragen:
+
+"Hoe goat 't mee ou? Het ou goed geamezeerd op reize?"
+
+"Rozeke," sprak de jonkvrouw, angstig-gejaagd om zich heen starend,
+zoodra zij binnen waren, "Rozeke, g' hebt mij beloofd dat g' ook eens
+iets voor mij zoudt doen als het u mogelijk was, en nu kom ik het u
+vragen."
+
+"Zeker, mejonkvreiwe, mee plezier, 'k ben ten ouen dienste, al wa da 'k
+kan zal ik veur ou doen," beloofde Rozeke.
+
+"Is er hier iemand! Kan ons niemand hooren?" vroeg de jonkvrouw,
+wantrouwig rechts en links omkijkend.
+
+"Niemand, mejonkvreiwe, ge meug gerust zijn. Alfons en de knecht zijn op
+'t land en 't meissen stoat doarbuiten de kirn te kuischen. Moar zet ou,
+zet ou toch, mejonkvreiwe," drong Rozeke aan.
+
+Jonkvrouw Anna zakte neer op een stoel en meteen barstte zij plotseling,
+als gebroken, in tranen uit, de beide handen voor de oogen.
+
+"Ach Hiere toch, mejonkvreiw Anna! Ach Hiere toch! ach Hiere toch!"
+weeklaagde Rozeke, zelve tot de tranen ontroerd en niet wetend hoe hare
+vriendin te troosten.
+
+"Ge moet mij helpen, ge moet mij helpen, ik kan zoo niet meer blijven
+leven, ik zal sterven van verdriet," snikte de jonkvrouw.
+
+"Ach Hiere wa moe 'k veur ou doen, mejonkvreiwe? Zeg mij toch wa da 'k
+veur ou moet doen?" zuchtte Rozeke schreiend.
+
+Jonkvrouw Anna kwam een weinig tot bedaren. Zij droogde hare tranen af,
+en met een tragisch-smeekende uitdrukking in haar zwakke oogen, vertelde
+zij in doffe, nog door snikken onderbroken woorden:
+
+"Gij weet wel, Rozeke, die lange blonde heer, dien gij met mij gezien
+hebt op de slijting, en later 's avonds van uw trouwfeest, in de
+automobiel, dat is mijnheer Armand d' Hautmont, mijn neef, en wij zien
+malkander gaarne, en wilden met malkander trouwen. Papa en mama waren er
+eerst wel wat tegen, omdat wij neef en nicht zijn, maar eindelijk hadden
+zij toch toegestemd, en de dag van ons huwelijk was reeds vastgesteld,
+toen papa al opeens heel leelijke dingen over Armand heeft hooren
+vertellen. Verbeeld u toch, Rozeke, er werd verteld dat hij zoo
+schrikkelijk veel geld verteerde met andere vrouwen! maar het zijn
+leugens, leugens! Ik geloof er niets van, ik weet zeker dat het niet
+waar is, hij ziet mij veel te geerne. Ik heb het hem gevraagd en hij
+heeft op zijn eed gezworen dat het laster is; maar papa gelooft het niet
+en hij heeft hem verzocht het kasteel te verlaten en zijn toestemming
+tot ons huwelijk geweigerd. Dat was precies gebeurd eenige dagen voor
+dat gij op 't kasteel gekomen zijt om dit boerderijtje te huren en gij
+hebt dan wel gezien dat ik veel verdriet had. Kort daarna zijn wij op
+reis gegaan. Papa en mama dachten dat ik hem op reis wel zou vergeten.
+Maar het heeft niet geholpen; wel het tegendeel. Wij zijn met elkaar in
+correspondentie gebleven, wij zien elkaar hoe langer hoe liever, en nu
+is het zooverre gekomen dat wij niet langer kunnen leven zonder elkander
+nu en dan eens te ontmoeten. Welnu, Rozeke, gij moet mij daarin
+helpen!..."
+
+"Ik! mejonkvreiwe!" riep Rozeke verschrikt.
+
+"Ach ja, als 't u belieft, Rozeke, zeg toch niet neen!" smeekte de
+jonkvrouw, wanhopig handenwringend.
+
+"Ha moar och Hiere, mejonkvreiwe, 'k en kan ik ou nie helpen!" zuchtte
+Rozeke bedroefd.
+
+"Ge doet, ge doet, ge kunt heel wel. Ge moet mij hier met hem te zamen
+laten komen."
+
+"Hier op ons hof! O, mejonkvreiwe!" schrikte Rozeke.
+
+"Ach, doe het toch, Rozeke, als 't u belieft doe het toch, voor mij,"
+smeekte zij, met weer-opwellende tranen hartstochtelijk Rozeke's hand
+vattend.
+
+"Moar 't zal uitkomen, mejonkvreiwe! De meinschen zillen ulder hier zien
+komen! Oue papa zal 't heuren en hij zal ons doen verhuizen en we zillen
+gereineweerd zijn!" riep Rozeke, hoe langer hoe dieper door het voorstel
+afgeschrikt.
+
+"Nee nee,... nee nee, dat zal niet waar zijn, dat zal niet gebeuren,"
+verzekerde de jonkvrouw. "En moest het gebeuren, wel, dan zal ik Armand
+doen beloven, ja, op zijn woord van eer doen beloven, dat hij u terstond
+op een van zijn hofstees zal laten komen, en veel schooner dan gij hier
+woont. Ach toe, Rozeke," smeekte en snikte zij weer, "ik ben zoo diep en
+diep ongelukkig en ik heb u toch ook geholpen. Ik zal mij van 't leven
+berooven als ge mij niet helpt."
+
+Rozeke schreide. Haar gansche hart schreide van meelijdende droefheid;
+maar zij schrikte en ijsde van 't idee, zij zag erin de ondergang en de
+vernieling van al haar jeugdig frisch geluk. Zij staarde met angstige,
+betraande oogen naar het ongelukkig meisje en vroeg zich in wanhopige
+spanning af, hoe zij haar helpen zou, zonder zichzelf, en haar gansche
+gezin ten onder te brengen.
+
+"Ach, laat ons toch komen, een enkele keer, voor een enkel uurtje,
+iedere week?" drong de bedroefde jonkvrouw aan. "Gij hebt hier toch wel
+een kamer, niet waar, waar we een enkel uurtje kunnen samen zijn?"
+
+"O moar mejonkvreiwe! En 't meissen! En de knecht! En Alfons! En de
+geburen die ulder zoen zien komen!" angstigde Rozeke.
+
+"Het meisje en de knecht zal Armand voor veel geld tot zwijgen
+uitkoopen," weerlegde de jonkvrouw.
+
+"Joa moar de geburen! de geburen!"
+
+"Die zullen het niet merken, die wonen hier niet zoo dicht bij. Ik kom
+door het veld gewandeld met mijn hond, zooals ik dikwijls doe, en hij
+komt langs den anderen kant, over den landweg.
+
+"Joa moar, wannier, mejonkvrouwe, wannier? Toch nie alle twiee te
+gelijk!" aarzelde Rozeke, reeds in haar tegenstand verzwakkend.
+
+"Neen, natuurlijk niet. Hij komt dan iets vroeger en ik wat later. Gij
+laat hem binnen in de kamer en daar wacht hij op mij."
+
+Een ander schrikbeeld, angstwekkender nog dan al het overige, schoot
+plotseling door Rozeke's brein. Zij kreeg er een kleur van over haar
+wangen, maar zei het toch, onbewust-beleedigend in de ontzetting van
+haar schrik:
+
+"O moar, mejonkvreiwe, dat er e-kier iest moest van komen?"
+
+"Hoe?... wat zou er van komen?" vroeg jonkvrouw Anna niet begrijpend.
+
+"O, mejonkvreiwe... zeu lank alliene, mee hem, in de koamer...."
+
+Het meisje kreeg een kleur als vuur, en keek even instinctief naar
+Rozeke's zwaar figuur, eensklaps begrijpend. Doch zij nam het niet kwaad
+op en werd niet boos.
+
+"Nee, daar moet ge niet voor vreezen," zei ze koel, ietwat uit de
+hoogte, de lippen nauwelijks bewegend, de wenkbrauwen gefronsd, de oogen
+strak ten gronde.
+
+Rozeke voelde plotseling den afstand tusschen haar en haar bescherm-
+vriendin die zij gekrenkt had en schudde droevig en beschaamd het hoofd.
+
+"Hij 'n mag toch mee zijnen odemebiel nie komen," zuchtte zij nog, om
+iets te zeggen, maar reeds overwonnen. "Heul de gebuurte zoe aan 't
+hekken kome kijken."
+
+Jonkvrouw Anna stond op. Zij vatte Rozeke's beide handen in de hare en
+drukte en knelde die met hartstochtelijke dankbaarheid.
+
+"Hij zal natuurlijk met zijn automobiel niet komen," glimlachte zij voor
+Rozeke's naive vrees. "Hij zal voor 't eerst komen, aanstaande woensdag,
+te voet, en heel gewoon gekleed, zoodat hij niet opvalt, tegen drie uur.
+Om kwart over drie of half vier zal _ik_ komen."
+
+"Och Hiere, volop in de kloaren dag!" riep Rozeke.
+
+"Anders kan ik niet. Voor donker moet ik natuurlijk weer op het kasteel
+zijn!--Waar is die kamer?"
+
+"Doar, mejonkvreiwe," zei Rozeke schor, naar een zijdeur wijzend.
+
+"Mag ik ne keer zien?"
+
+Rozeke duwde de deur open en beiden traden binnen.
+
+De kamer was ruim, ietwat kil, rood-betegelvloerd met een ronde biezen
+mat onder de ronde bruine tafel. Enkele stoelen en een groote bruine
+kast stonden langs de witgekalkte muren, waaraan schel-gekleurde
+chromo-platen hingen, onder glas, in vergulde, smalle lijsten. Een
+ivoren Christusbeeld prijkte op den schoorsteen, tusschen de twee vazen
+en het penduultje die Rozeke op haar huwelijksdag van de jonkvrouw
+cadeau-gekregen had. Witte gordijntjes hingen over de twee kleingeruite
+vensterraampjes en in een hoek stond het bed, half zichtbaar onder de
+plooien van het wit gordijn. Alles zag er frisch en zindelijk uit.
+
+"'t Is goed, zoo is 't heel goed," zei stil de jonkvrouw, met iets
+maagdelijk-schroomvalligs in haar houding, aarzelend om verder in de
+kamer door te dringen.
+
+"D'r zijn euk storsen aan de veisters die ge keunt loate zijnken," zei
+Rozeke. En zij liet een der grijze rolgordijnen neer. Toen ging ze naar
+het bed en trok het omhangsel heelemaal dicht, als iets dat zij afsloot.
+
+Jonkvrouw Anna was reeds in de woonkamer terug....
+
+
+ * * * * *
+
+X.
+
+
+Groot was Rozeke's kwelling al die dagen en vooral dien woensdag steeg
+haar angst ten top. Zij had er niets van aan Alfons durven vertellen;
+zij vreesde zijn gramschap en verwijten. Zij hoopte maar dat hij er,
+voor dien eersten keer ten minste, niets van merken zou.
+
+"Als 't maar niet regent!" hoopte zij: want dan kon Alfons wellicht met
+paard en ploeg op den akker niet werken; en hij zou thuis zitten, en
+natuurlijk alles zien. Maar van een anderen kant hoopte zij haast dat
+het wel mocht regenen, omdat er dan minder kans was dat iemand uit de
+buurt hen zou zien komen. Zij leefde in folterenden tweestrijd en voelde
+zich ziek van emotie.
+
+ * * * * *
+
+De dag was mooi en helder. Geen regen aan de lucht. Dadelijk na het
+middageten vertrokken Alfons en Vaprijsken weer naar den akker en zij
+bleef alleen met 't Geluw-Meuleken, die de vaten omwaschte. Zij dacht er
+even aan het meisje met een boodschap weg te sturen, ergens verre, naar
+moeder of in 't dorp, zoodat zij vrij lang weg kon blijven; maar zij
+bedacht zich dat het weinig baten zou: in het vervolg moest 't Geluw
+Meuleken het toch ontdekken. Beter dan maar dadelijk haar op de hoogte
+brengen, haar het stilzwijgen opleggen en tot een soort van
+medeplichtige haar maken.
+
+Even voor drie uur ging Rozeke buiten met haar naaiwerk voor de deur
+zitten. Zij wilde zijn komst bespieden, zien of iemand uit de buurt er
+iets van merkte. Vol angst en wantrouwen keek zij naar de twee naaste
+woningen: vlak over hun boomgaard, op een paar honderd meters afstand,
+half verborgen achter struikgewas, den achtergevel van boer Lauwe's
+hoeve; en even verder, aan den overkant van den landweg, een
+werkmanshuisje met een deurtje en twee kleingeruite vensterraampjes. Van
+boer Lauwe's hofstede zag zij niets dan een langen, lagen rood-steenen
+muur met een enkel, heel klein, haast onmerkbaar kijkgat in het
+achterhuis en van dien kant voelde Rozeke zich vrijwel gerustgesteld;
+maar 't werkmanshuisje vlak daarover zag er zoo akelig brutaal-vrijpostig
+en nieuwsgierig uit, in heel licht hemelsblauw gekleurd met wit-en-groene
+luikjes; en kijkend als met ontelbare, onbeschaamd vorschende en spiedende
+oogen, door al de kleine, zonnetintelende ruitjes van zijn beide raampjes.
+Rozeke voelde 't als 't ware op haar loeren en haar angst werd ontzettend
+toen zij daar plotseling een vrouw zag buiten komen, die bij de houten
+pomp voor 't geveltje ging staan en zich daar even bezighield.
+
+"O! de diee zal hem zien! 't Es of z'er espress veuren kwam!" schrikte
+Rozeke. Zij kende die vrouw: een allervervelendste babbelkous!
+
+Doch zij verademde. De Vrouw had niet eens opgekeken. Zij had een emmer
+aan de pomp gevuld en was al weer binnen in 't huisje. 't Was 't huisje
+zelf dat er zoo angstwekkend spiedend en nieuwsgierig uitzag.
+
+En plotseling zag zij hem komen, jonkvrouw Anna's beminde, heel gewoon
+als een gewone wandelaar of zakenman, vlak langs de heg voorbij het
+huisje, in donkergrijzen overjas met rond zwart hoedje, een wandelstok
+in de hand.
+
+Vlug stond zij op en ging naar binnen. Haar hart bonsde van ontroering.
+Zij loerde door het raam of niemand hem zag. Neen, niemand, gelukkig!
+Met kalmen tred kwam hij den boomgaard opgestapt en talmde even aan de
+open deur.
+
+"Keen belet?" hoorde zij zijn stem.
+
+"Kom binnen, meniere, hoast ou!" antwoordde zij met hikkend-afgebroken
+woorden.
+
+Hij trad binnen. Hij leek haar nu veel grooter dan de eerste maal toen
+zij hem zag, zoo groot, dat de lage, zwartgerookte balkenzoldering der
+keuken hem op hoofd en schouders scheen te drukken.
+
+"Koeden dag. 't Is hier da 'k moet zijn, niewaar?" vroeg hij beleefd, in
+moeilijk, gebroken Vlaamsch.
+
+"Joa 't meniere, hier, hier in de koamer," hijgde zij, hem naar de
+binnendeur loodsend.
+
+Het Geluw Meuleken kwam juist uit 't achterhuis. Hij aarzelde even, keek
+wantrouwend op.
+
+"'T 'n es niets, meniere, 't es 't meisken," zei Rozeke geruststellend.
+
+"Ah oui," deed hij. En dadelijk ging hij in zijn zak en gaf het Geluw
+Meuleken een twintigfrankstuk.
+
+"Siedaar voor u," zei hij.
+
+Het Geluw Meuleken, die hem wel dadelijk herkend had, schrikte haast van
+de onverwachte, milde gift. Zij werd rood tot in haar gele haren en de
+gele sproetjes van haar wangen smolten weg onder dien vurigen gloed.
+
+"O moar meniere toch!" stotterde zij, het blinkend goudstuk in haar
+hand.
+
+"Ja ja, 't is koed, 't is koed; de vrouw zal u wel zeg," glimlachte hij.
+En hij verdween met Rozeke in de binnenkamer, op den drempel machinaal
+zijn hoed afnemend.
+
+Toen Rozeke na een oogenblik in de keuken terugkwam, maakte zij 't Geluw
+Meuleken met den toestand bekend en lei haar streng 't stilzwijgen op.
+Het Geluw Meuleken knikte gewichtig-toestemmend; met groote ronde oogen
+van verbazing. Zwijgen zou ze, zwijgen als een graf. Geen gevaar dat ze
+zulke milde weldoeners verklikte!
+
+Rozeke, nu zij een medeplichtige had die haar desnoods helpen zou,
+voelde haar angst iets minder worden. Zij ging weer buiten voor de deur
+zitten om nu ook jonkvrouw Anna af te wachten. Alles ging eigenlijk veel
+eenvoudiger en gemakkelijker dan zij verwacht en gevreesd had. Boer
+Lauwe's hoeve en 't onrustwekkend werkmanshuisje stonden net zoo kalm en
+zoo gewoon als altijd; niemand had iets bemerkt; en even om den boomgaard
+loopend, zag zij ook in de verte Alfons kalm aan 't ploegen en naast hem
+de gebukte silhouet van Vaprijsken, die, langzaam schrijdend, bieten
+plantte.
+
+En eindelijk zag zij ook de jonkvrouw komen, heel heel ver in 't land,
+tusschen de olmendreef die van 't kasteel kwam, met een donkeren hond
+die aan haar zijde liep.
+
+"O, wat haast ze zich! wat verlangt ze om bij hem te zijn!" dacht
+Rozeke. En een innig medelijden greep haar aan voor die twee verliefde,
+rijke, jonge menschen, die alles op de wereld konden hebben, en die
+niets hadden dan droefheid, omdat hun liefde werd gedwarsboomd. Zij
+voelde zichzelve eensklaps veel rijker en gelukkiger in haar kalm,
+werkzaam en nederig leven met Alfons, dan haar voorname vriendin in al
+haar weelde, en 't speet haar haast niet meer dat zij hen heimelijk,
+tegen den wil van den baron en van de barones, in hun ongelukkige liefde
+helpen zou.
+
+De jonkvrouw kwam door het klein achterhekje, ook heel eenvoudig en
+geenszins opvallend in het donkergrijs gekleed met een zwart
+stroohoedje, den boomgaard opgetreden. Haastig, met groote, donkere
+oogen van emotie en een warme kleur over haar ingevallen wangen, kwam
+zij, door den bruinen jachthond gevolgd, naar Rozeke toe.
+
+"Is hij daar, Rozeke?"
+
+"Joa hij, mejonkvreiwe; hoast ou, hij zit op ou te wachten in de
+koamer."
+
+Zij holde naar binnen, en toen Rozeke even na haar in de keuken kwam,
+was zij reeds met den hond in de kamer verdwenen.
+
+"Och Hiere, wa zie z' hem toch geiren!" murmelde Rozeke meewarig in
+zichzelve.
+
+Het Geluw Meuleken kwam met ernstige oogen op den drempel van het
+achterhuis staan, zwijgend-vragend of zij Rozeke met iets kon helpen.
+
+"Goa gij op 't hof, ik zal hier blijven," zei Rozeke. "Moakt dat er
+niemand in huis 'n kan, en da ge Fons of Vaprijsken moest zien komen,
+ziet da ge 't mij op tijd komt zeggen!"
+
+"Ge meug gerust zijn, bezinne" antwoordde't Geluw Meuleken.
+
+Zij trok haar opgestroopte mouwen neer en ging naar buiten.
+
+ * * * * *
+
+Rozeke zat nu met haar naaiwerk aan het groene tafeltje naast een der
+kleingeruite raampjes....
+
+Zij voelde zich wonder kalm, maar haar oogen loerden onophoudend door de
+ruitjes en zij was op haar hoede, klaar om den vijand, wie 't ook zijn
+mocht, af te weren. Zij was niet bang meer, de twee verliefden zaten
+veilig opgeborgen en niemand zou hen zien noch hooren.
+
+Een stille glimlach speelde om haar half ontsloten lippen; de fijne,
+bruine krulletjes om haar voorhoofd en haar slapen hadden korte
+weerglansjes als van krinkelende gouddraadjes. En ook haar heldere,
+blauwe oogen lachten en een kleur van jeugd en frischheid fleurde op
+haar wangen. Het huisje ginder met zijn fel-brutaal kijkende
+ruitjes-oogen mocht nu wel nieuwsgierig op haar loeren: niets zou het
+zien noch weten; en ook boer Lauwe's achterraampje zou niets zien noch
+weten; zij had hen allen kalmpjes verschalkt, en heel het zonnebadend
+groene veld lag daar in heerlijk-rustige onwetendheid van wat hier op
+het boerderijtje achter die dichtgesloten binnendeur gebeurde.
+
+Af en toe hield zij even op met naaien en zat een oogenblik doodstil en
+roerloos, luisterend, de oogen strak, een glimlach op de lippen. Maar
+zij hoorde niets daarbinnen, geen woord, geen zoen. Zou hij haar zelfs
+niet eens een zoen geven? Zij dacht daar even over na en glimlachte, en
+warmer werd de frissche kleur over haar zachte wangen, terwijl haar
+oogen oolijk straalden....
+
+Maar eensklaps, zonder overgang, schrikte zij hevig op. Het Geluw
+Meuleken stond daar plotseling voor het raampje!
+
+"Es 't er iets?" kreet zij dof, van angst opspringend.
+
+"Niets, noch God noch meinsch," antwoordde kalm het Geluw Meuleken; en
+zij ging langzaam verder.
+
+"Och Hier och God!" zuchte Rozeke, met de hand het bonzen van haar hart
+bedwingend. En meteen voelde zij hoe bedriegelijk en oppervlakkig hare
+schijn-rust was en hoe 't gevaar aanhoudend en angstwekkend dreigde.
+
+Zij keek op de klok. Vier uur weldra. Nu zouden ze zeker welhaast
+elkander verlaten. Weer poogde zij kalm bij het raam te zitten, maar het
+hart tikte en popelde van onrust. "Het is niet goed voor mijn kind,"
+dacht zij; en die gedachte stemde haar even ernstig en weemoedig.--Ach,
+als ze nu toch maar spoedig weggingen en ook nooit meer terugkwamen!
+
+Eindelijk ging de binnendeur zacht-piepend open. Een aarzelende voetstap
+bleef stil-schuivend op den drempel staan.
+
+"Alles goed," fluisterde Rozeke opstaande.
+
+De bruine jachthond met zijn lange, hangende ooren en zijn goedige,
+goudgele oogen kwam het eerst te voorschijn. Schoorvoetend volgde
+jonkvrouw Anna. Haar wangen waren hooggekleurd en haar mooie oogen
+glinsterden, als 't ware vochtig nog van pas-gestorte tranen.
+
+"Kan ik weg?" vroeg ze gejaagd.
+
+"Wacht, mejonkvreiwe," zei Rozeke naar de voordeur loopend.
+
+Zij wenkte 't Geluw Meuleken, vroeg haar in stilte of alles veilig was.
+
+"Alles es goed!" knikte fluisterend het meisje.
+
+"Alles es goed, mejonkvreiwe," herhaalde Rozeke.
+
+"Tot woensdag dan," zei de jonkvrouw. "Merci, merci," herhaalde zij nog,
+vurig Rozeke's beide handen drukkend; en haastig was ze weg, door haar
+bruinen hond gevolgd.
+
+Rozeke, de handen krampachtig van angst in elkaar gekneld, zag haar over
+den boomgaard stappen, het achterhekje openen, onopgemerkt in 't veld
+verdwijnen. Zij verademde diep en kwam weer in huis.
+
+Aarzelend ging zij naar de binnendeur en klopte zachtjes.
+
+"Ja," klonk stil een stem achter de deur.
+
+Rozeke trad binnen en zag hem in het midden van de kamer staan, knap en
+slank, met lange blonde snor en warme wangen, de overjas open en zijn
+hoed in de hand.
+
+"Wilt g'as 't ou b'lieft nog 'n beetse wachten, meniere?" vroeg zij
+schuchter.
+
+"Zeker,... zeker," antwoordde hij; en meteen wenkte hij haar bij zich,
+de gesloten rechterhand tot haar uitgestoken.
+
+Zij begreep dat hij ook haar iets geven wilde en trok zich instinctmatig
+terug, verlegen fluisterend:
+
+"Nie nie, meniere, 'k 'n doe ik dat doar niet veuren."
+
+"Toetoet, toetoet, kij moet aanvaard," drong hij aan; en met geweld
+bijna stopte hij haar een bankbiljet van honderd frank in de hand.
+
+"Ha moar meniere toch!" kreet zij verschrikt, vuurrood van schaamte, met
+een plotseling gevoel van zelfverwijt, alsof zij iets heel leelijks had
+gedaan.
+
+Hij glimlachte over haar ontzetting, ging in zijn zak en stak opnieuw de
+hand tot haar uit. Zij wilde vluchten.
+
+"Kij heb ook een knecht niewaar?" vroeg hij kalm.
+
+"Joa w' meniere, moar 't en es oprecht nie neudig," zei ze bevend....
+
+"Toetoet, toetoet!" drong hij weer aan; en hij dwong haar ook een
+twintigfrankstuk voor Vaprijsken te aanvaarden.
+
+"O meniere," sprak Rozeke eensklaps ernstig en angstig, terwijl zij hem
+het goudstukje poogde terug te geven, "'t es veel beter da w' hem
+doarbuiten houen zeulank of dat er hij niets van 'n mirkt"
+
+"Hewel, 't is goed, geef hem dan de stuk als gij 't moment gekom denkt,"
+zei hij.
+
+Zij dankte en haastte zich weg.
+
+Weer liep zij naar den buitendrempel en wenkte naar het Geluw Meuleken,
+die nu in de wagenloods verscholen op den uitkijk stond.
+
+"Nog 'n beetse wachten, bezinne!" riep 't meisje halfluid. "De kinders
+komen van de schoole!..."
+
+Daar kwam inderdaad een kleine bende: drie jongens en twee meisjes,
+spelend met knikkers, over den landweg. Zij huppelden telkens een eindje
+vooruit, hurkten neer, schoten met hun knikkers, huppelden verward
+pratend en kibbelend weer verder.
+
+"Alles goed!" riep eindelijk het Geluw Meuleken, toen de kinderen in de
+richting van boer Lauwe's schuur verdwenen waren.
+
+Rozeke ging haastig naar binnen en duwde de kamerdeur open.
+
+"Kan iek gaan?" vroeg hij.
+
+"Joa g' meniere, alles es goed!"
+
+"Merci, madame, en tot woensdag!" Hij lichtte even zijn rond hoedje op
+en stapte gewoon weg, zijn stok in de hand, een pijpje in den mond.
+
+"Madame!" dacht Rozeke; en zij had moeite om niet te lachen.
+
+Maar gejaagd vloog zij naar 't raampje om hem na te kijken.
+
+Goddank! geen mensch was in de buurt en het nieuwsgierig werkmanshuisje
+stond vrijpostig door al zijn kleine ruitjes te kijken, zonder iets te
+zien.
+
+--Maar,... die dommerik!... waarom moest hij nu ook voor 't Geluw
+Meuleken, daar bij de wagenschuur, even zijn hoed afnemen? Als iemand
+dat nu zag, wat zou men wel gaan denken!
+
+Hij was weg, het hek uit, den landweg op. Rozeke zag 't Geluw Meuleken
+uit de wagenloods komen, en, achter den gevel half verborgen, hem
+naloeren. Toen kwam zij kalm weer in huis.
+
+"Niemand gezien?" vroeg angstig Rozeke.
+
+"Noch God noch meinsch," antwoordde 't dienstmeisje.
+
+"Goddank!" zuchtte Rozeke.
+
+Zij ging in de kamer. Er hing een ongewone lucht, een lucht van iets dat
+zeer fijn rook, gemengd met den lichten damp van 't pijpje, dat hij er,
+na haar vertrek, had aangestoken. Zij zette een der ramen open. Alfons
+mocht dat niet ruiken: hij zou vragen waar 't vandaan kwam. Toen keek ze
+rondom in de kamer of er niets verdachts te bespeuren was. Niets.--Alleen
+twee naast elkaar geschoven stoelen bij de ronde tafel. Zij ging ze weer
+op hun gewone plaats zetten, tegen den muur. Zij kwam bij 't bed en
+lichtte even 't wit gordijn op. Zij liet het dadelijk weer dicht vallen....
+
+Toen kwam ze terug in de keuken en haalde het bankbiljet uit haar zak.
+Honderd frank! En dan nog twintig aan het Geluw Meuleken en twintig voor
+Vaprijsken! Wat moest die heer toch rijk zijn! Maar 't brandde haar als
+'t ware in de handen; zij had het bijna liever niet gekregen. Zij zou
+aan jonkvrouw Anna zeggen dat hij 't niet meer doen mocht. Het maakte
+haar klein, en laag, en schuldig! Het was geen vriendschapsdienst meer;
+het was de betaalde gunst van een koppelaarster. Wat zou ze wel zeggen
+als het eenmaal uitlekte? Hoe zou ze zich schamen en vernederd voelen
+tegenover haar ouders en haar man.
+
+Alfons! dat was de eerste maal dat zij iets voor hem verborgen hield. En
+waarom? Vroeg of laat zou hij het toch ontdekken en dan zou hij 't haar
+zoo kwalijk nemen! Die gedachte kwelde haar, liet haar, den ganschen
+verderen middag, geen rust meer. 't Gevoel van zelfverwijt werd zoo
+sterk dat zij eindelijk besloot hem nog dienzelfden avond alles te
+bekennen.
+
+Even voor zonsondergang keerde hij met Vaprijsken van den akker terug,
+doodmoe, maar gelukkig na 't volbrachte dagwerk, hoopvol pratend over
+het voorspoedig weer en den rijken oogst der toekomst, die hem al zijn
+moeite zou vergoeden. Zij zaten met hun vieren, meesters en bedienden om
+de gemeenschappelijke avondtafel, twee die het groot geheim kenden en
+het diep en stil in hun binnenste verborgen hielden; twee die er niets
+van wisten noch vermoedden en aan heel andere dingen dachten. En Rozeke
+vond het nu weer hard en wreed hem in zijn welverdiende en zoo noodige
+rust te willen storen met iets dat hem zooveel zorg en leed kon baren.
+Neen; neen. Zij zou het hem toch maar liever niet zeggen; en als het
+eindelijk zooverre kwam dat hij 't zelf ontdekte of er van hoorde,...
+dan maar gedwee zijn gramschap en verwijten verdragen.
+
+De lippen dicht op haar geheim gesloten, maar in de diepte van haar hart
+gedrukt en wroegend, sliep zij met dit vast voornemen in.
+
+
+ * * * * *
+
+XI.
+
+
+Zij kwamen terug, vast elken woensdag, van drie tot vier. En hoe dat
+telkens zoo goed trof dat juist nooit iemand hinderlijk in huis of in de
+buurt was, Rozeke begreep het zelve niet. 't Was of 't zoo wezen moest;
+of een beschermengel over hen waakte.
+
+Reeds vier keer waren zij er bij elkaar gekomen en zij zaten er dien
+middag voor de vijfde maal, toen het Geluw Meuleken, die als naar
+gewoonte buiten op den uitkijk stond, eensklaps haastig kwam in huis
+geloopen en bleek van ontsteltenis uitriep:
+
+"Och Hiere, bezinne, bezinne, Fons komt doar op 't hof mee Smul en mee
+boer Dons!"
+
+"Watte! watte!" schrikte Rozeke geweldig op.
+
+"Fons, bezinne! Fons, mee Smul en mee boer Dons. Kijk! kijk! ze zijn
+doar!"
+
+"Och Hiere! och Hiere!" kreet Rozeke, lijkbleek en bevend door het
+raampje kijkend.
+
+En zij zag werkelijk het drietal komen, langzaam onder levendig gepraat
+den boomgaard opstappend: de oude, magere boer vuurrood onder zijn
+zwarte pet waaruit de witte haren staken, Smul barsch en stug uitziend
+als altijd, en Alfons bleek en tenger naast die beiden, stil-glimlachend
+luisterend naar hun blijkbaar voor hem zeer belangwekkend gesprek. Een
+klein, wit-en-zwart-gevlekt hondje liep snuffelend met hen mee.
+
+"Woarom 'n he-je mij da toch nie ier gezeid?" verweet Rozeke het Geluw
+Meuleken met doffe stem. Maar zonder op 't antwoord te wachten liep zij
+gejaagd naar de binnendeur en klopte zenuwachtig aan.
+
+"Is er iets?" hoorde zij de fluisterstem van jonkvrouw Anna achter de
+gesloten deur.
+
+"Nie buiten komen, mejonkvreiwe; nie buiten komen ier da 'k ulder roepe!
+Mijne man es doar mee nog twie andere!" hijgde Rozeke.
+
+"Goed, we zullen wachten." antwoordde stil de jonkvrouw.
+
+"En ulder stil houen, ewoar? Da z'ulder nie 'n heuren?"
+
+"Ge moogt gerust zijn, Rozeke."
+
+"Ze goan noar de peirdstal, bezinne!" berichtte 't Geluw Meuleken.
+
+"O, gelukkig!" riep Rozeke. "Moar ze zillen toch wel in huis komen euk!"
+voegde zij er angstig bij.
+
+"'t Es zeker te wille van de mirrie," meende 't Geluw Meuleken.
+
+"'K peist 't euk," zei Rozeke. En zij herinnerde zich inderdaad dat er
+de laatste dagen weer kwestie was geweest van die weddenschap tusschen
+Smul en Dons aangaande 't veulen van de merrie. Volgens Alfons en
+Vaprijsken was het al lang uitgemaakt dat Smul gelijk had en er geen
+sprake was van veulen; en nu kwamen ze zeker met elkaar de zaak
+beslechten.
+
+Maar dat het juist nu moest gebeuren!...
+
+"Ha 'k da nou toch vijf menuten ier geweten, hij kon tenminste wig zijn!
+Woarom 'n zij-je mij dat toch nie bij tijds kome zeggen?" klaagde
+Rozeke.
+
+"Moar 'k 'n he z' ik nie zien komen, bezinne! Ze zijn al mee ne kier
+dwirs deur 't land van achter de schure gekomen," verontschuldigde zich
+het Geluw Meuleken.
+
+"Zwijg! ze zijn doar weere!" riep Roze, angstig naar buiten starend.
+
+Zij kwamen uit den paardenstal en stapten dwars over den boomgaard naar
+het woonhuis toe, nu ingelijks door Vaprijsken vergezeld. Het
+wit-en-zwart-gevlekt hondje liep hen kwispelstaartend voor.
+
+"'T en es het doar nie aan te doene; betoalen! betoalen!" hoorde Rozeke
+den ouden, opgewonden boer met luid-galmende stem roepen. En 't
+oogenblik daarna klonken zijn stampende voeten op het plankier voor den
+drempel van het huis, terwijl Alfons hem vleiend aanmoedigde:
+
+"Goa binnen, boer Dons, goa binnen; mee betoalen 'n es er gien hoaste;
+we zillen d'r iest op ons gemak eentsjen op pakken."
+
+"Es er gien belet?" riep luid boer Dons. En meteen stond hij binnen,
+achterover-kaarsrecht en vuurrood, lachend met zijn bijna toegeknepen
+oogjes, schreeuw-roepend tot Rozeke:
+
+"'K ben verloren, vreiwken! De mirrie 'n he gien veulen in! Ierlijk es
+ierlijk; 'k brijng ulder d'honderd fran weere en de twintig van de
+weddijnge d'r bij."
+
+Hij keek haar even met verbazing aan, zooals ze daar met angstigen blik
+en zwaar figuur van naderende moederschap voor hem stond en zijn kleine
+oogjes flikkerden van leuke pret, tewijl hij proest-lachend het grapje
+waagde:
+
+"Hahaha!... 't spijt mij da 'k nie liever op ou gewed 'n he! 'K en zoe
+mijn honder fran nie kwijt zijn!"
+
+"Ha moar zij-je toch nie beschoamd, boas Dons!" riep Rozeke eensklaps
+purperrood en bijna boos wordend. Maar 't bulderend gelach van al de
+anderen moedigde den ouden boer in zijn ondeugendheid nog aan; en prat
+op zijn succes schaterde hij, spottend met zijn eigen kinderloosheid:
+
+"Woarom 'n he mijn wijf mij euk noeit g'holpen! Ha ze 't mij in den tijd
+beter gelierd 'k zoe d'r nou euk meer verstand van hen!"
+
+Zij lachten en zij schaterden weer allen om de dolle grap, vullend met
+hun grof gedruisch de heele boerenkeuken; en zooals ze daar weldra
+zaten, rookend, babbelend en jenever-drinkend, met gekruiste beenen om
+de tafel, begreep Rozeke dat het voor een langen tijd zou zijn. Het
+hamerde in haar van ongeduld en haar gelaatstrekken stonden van angst
+verwrongen.
+
+De oude boer had van diep onder zijn buis een linnen beurs te voorschijn
+gehaald en hij ontsnoerde 't propje dat ze dichthield en begon langzaam,
+met afgemeten gebaren, de dof-glinsterende, rinkelende vijffrankstukken
+op de groene tafel te rangschikken en te tellen. Er was een oogenblik
+stilte. Waar 't mooie geld te voorschijn kwam hielden de grapjes
+dadelijk op. Allen keken met strakke gezichten van eerbied naar de
+groote, ronde, zilverstukken. Alleen Vaprijsken, die ook geen direkt
+belang had bij de onderhandeling, waagde oolijk-glimlachend een
+kluchtige opmerking:
+
+"Da es toch scheun e-woar, die greute stikken! 't Woater komt er van in
+mijne mond."
+
+Maar hij kreeg zelfs geen antwoord; 't was of ze niet gehoord hadden.
+Dons had zijn beursje bijna tot den bodem leeggeteld, en keek Alfons en
+Smul met zijn kleine, flikkerende oogjes aan.
+
+"Veur ou," zei hij, vier stukken naar den paardenknecht toeschuivend.
+
+"Merci, boas," dankte Smul kortaf, langzaam de stukken oprapend en die
+in zijn ondervest verbergend.
+
+"En de reste veur ou. Wilt-e kier tellen?" vroeg de oude boer aan
+Alfons, terwijl hij zich trotsch op zijn stoel achterover uitrekte.
+
+Opnieuw was er een korte stilte, terwijl Alfons langzaam, met mond en
+vinger, de stukken natelde. Rozeke was opgestaan en had opnieuw de
+glaasjes gevuld om hen maar zoo spoedig mogelijk te verzadigen en dan
+kwijt te raken; en zij was weer bij haar naaiwerktafel aan 't raampje
+gaan zitten, toen plotseling, in de laatste, aandachtvolle stilte van
+het nog eens over-tellen, achter den haard een kort en fijn gepiep
+opsteeg, dat als 't ware uit den grond scheen te komen.
+
+"Wa es da?" vroeg Vaprijsken verwonderd omkijkend.
+
+Hevig was Rozeke opgeschrikt. 't Geluid kwam van achter de kamerdeur en
+zij begreep er plotseling de oorzaak van: mejonkvrouw Anna's hond, die
+zeker Dons' hondje geroken had en er naar piepte. "Och God! och God! die
+zullen het uitbrengen!" dacht zij bevend. En haastig liep ze naar de
+deur.
+
+Dons' hondje stond er reeds voor, kopje scheef, oortjes gespitst, scherp
+luisterend en loerend naar het onderste reetje.
+
+"Ala foert! hier geen vuiligheid te doene!" riep zij met gelukkige
+gevatheid. En zij trapte den kleine weg, die even jankte.
+
+"'K geleuve dat er muizen in ou beste koamer zitten, bezinne," zei
+Vaprijsken.
+
+"Zoe 't wel,"[8] sprak zij tegen; "moar d'r he hier van den achternoene
+ne rondleurder mee nen hond in huis geweest, die doar wa gedoan het, en
+die kleinen riekt datte!"
+
+Hoe dacht ze 't uit om zoo te jokken! vroeg ze zichzelve met verbazing
+af.
+
+Het Geluw Meuleken, die angstig op den drempel van het achterhuis
+verschenen was, keek Rozeke met groote oogen aan. Als jonkvrouw Anna nu
+toch maar in Godsnaam haar eigen hond wist stil te houden!
+
+Gelukkig was het viertal nu reeds weer in druk gepraat en gezwets. De
+schrille stem van den ouden boer kletste en knalde als zweepgeklap en
+zijn druk gebaren-maken vulde heel de keuken, terwijl zijn gerimpeld
+gezicht en zijn pezige hals al rooder werden, naarmate hij meer dronk en
+zich meer opwond; en zijn felle oogjes straalden zoo puntig fijn, dat
+zij wel schenen te steken en prikken als glinsterende naaldtoppen, zoo
+vol als zij waren van leuk-pittige boerenpret. Hij vermaakte zich weer
+uitermate, zooals altijd wanneer het hem gelukte zijn tallooze vrije
+uren in gezelschap door te brengen; en plotseling stelde hij voor nu ook
+maar voor het overige van den middag bij elkaar te blijven en een
+partijtje kaart te spelen.
+
+"Och Hiere!" kreet instinctmatig en onweerstaarbaar-hardop Rozeke.
+
+"Watte, vreiwken! Es 't ou goeste niet?" keek de oude boer verwonderd
+op.
+
+"Ba 't doet, boas," antwoordde zij, eensklaps kalm en ijskoud, als
+voelde zij 't bloed in haar lichaam stollen, "ba 't doet, moar d'er es
+toch nog zeuveel wirk op 't land en wie weet wa veur 'n weere da we
+morgen hen?"
+
+Gelukkig kwam Alfons haar ter hulp.
+
+"Nie nie boas, we'n meugen nie verletten; we zijn volop aan 't
+eirdappels planten en mijn wiedvolk ligt in d' hoaver," zei hij ernstig,
+meteen opstaande.
+
+"En ik 'n mag euk nie langer blijven, 'k moe van doage nog 'n ker of
+zesse mes uitvoeren," verklaarde Smul, insgelijks opstaande.
+
+Rozeke verademde, verademde! Zij knikte, als in zwijgende dankbaarheid,
+werktuigelijk met het hoofd naar Alfons en naar Smul; zij had hen beiden
+wel naar de voordeur willen duwen. Maar plotseling vloog zij met een
+angstgil weer op en holde naar de kamerdeur, waarop de kleine hond,
+onopgemerkt teruggekomen, hijgend en snuivend met zijn beide voorpooten
+stond te krabben.
+
+"O gie leulijkoard! wilt-e doar afblijven!" En zij gaf hem een trap dat
+hij jankend weghinkte.
+
+De oude boer stond ook eindelijk op.
+
+"Oo, 't es spijtig! 't es spijtig! we woaren nou zeu scheune t' heupe,"
+jammerde hij.
+
+"Kom liever op nen anderen dag weeromme, boas," stelde Rozeke voor.
+"Wilt-e zondag komen, mee de bezinne? 'K zal voader en moeder euk doen
+komen, en ge zilt heel den achternoene keune koarten."
+
+"Hawel joa, c'est ca!" riep Dons getroost. "We zille zondag komen en ne
+kier koarten tot dat we beu gekoart zijn."
+
+"Hawel joa, c'est ca!" herhaalde Rozeke, hem als 't ware naar de
+voordeur drijvend.
+
+Hij stond nog even wat te gillen, buiten op den drempel, maar eindelijk
+was hij met Smul weg en Alfons en Vaprijsken maakten zich ook dadelijk
+klaar om weer naar 't veld te gaan.
+
+"Wacht, 'k zal iest da geld wigsteken in de kasse," zei Alfons naar de
+kamerdeur gaande.
+
+"Goa moar, goa moar," snelde Rozeke angstig toe. "Kom, gee mij 't geld,
+'k zal 't ik wel wigsteken. Toe, 'n verlet nou nie mier: 't wordt al zeu
+loate."
+
+Hij gaf haar de vijffrankstukken, een zwaar, rinkelend handvol in haar
+open schort en spoedde zich met Vaprijsken weg.
+
+Rozeke zakte even, als in duizeling, op een stoel.
+
+"Ach Hier, ach Hiere!... Ach Hier! ach Hiere!" klaagde zij machteloos,
+met dichte oogen.
+
+Het Geluw Meuleken kwam naar haar toegeschoten:
+
+"Scheelt er iets, bezinne? Zij-je nie wel?"
+
+"Ach Hier! ach Hiere!" zuchtte zij opnieuw, als kon zij geen andere
+klanken meer uitbrengen.
+
+Maar plotseling stond zij vastberaden op en liep met haar opgevouwen
+schort, waarin de zilverstukken rinkelden, naar de kamerdeur. Zij klopte
+aan.
+
+"Ja," klonk schuchter een stem.
+
+Zij opende de deur, en groot was haar verbazing de jonkvrouw alleen in
+de kamer te zien staan, haar rechterhand aan den halsband van den
+scherp-loerenden en snuffelenden jachthond.
+
+"Woa... woar es meniere!" riep Rozeke.
+
+De jonkvrouw glimlachte; in plaats van geschrikt of angstig, scheen
+gansch haar mooi gelaat van kalm geluk te stralen.
+
+"Meneer is weg," antwoordde ze leuk, zich blijkbaar vroolijk makend over
+Rozeke's verbouwereerde ontsteltenis.
+
+"Wig! Al woar?" vroeg Rozeke ongeloovig.
+
+"Door 't venster, Rozeke."
+
+"Deur de veister! Och Hier, as z' hem moar nie gezien 'n hen!"
+
+En plotseling, overweldigd door al haar emoties:
+
+"O, mejonkvreiwe, as 't ou belieft," schreide zij, "as 't ou b'lieft,
+mejonkvreiwe, 'n komt hier toch mee hem nie mier, 'k 'n kan d'r nie
+tegen van d'altroassie! 't zal mijn deud zijn, of de deud van mijn
+kiendsjen!"
+
+En hevig snikkend zakte zij op een stoel in elkaar.
+
+"Rozeke," zei de jonkvrouw, zacht naar haar toe komend, en teederlijk
+haar mooie handen op Rozeke's schokkende schouders leggend, "het zal
+waarschijnlijk wel voor de laatste keer zijn, dat wij hier samen komen.
+O, Rozeke, Rozeke, ge weet het niet, maar nu ben ik toch weer zoo
+gelukkig! Papa heeft hem geschreven, Rozeke! Ja, kijk me maar verwonderd
+aan: het is zoo, en ik ben toch zoo gelukkig! Papa heeft hem geschreven
+dat hij hem gaarne nog eens zou willen spreken en hem gevraagd om morgen
+op 't kasteel te komen.--O, het zal goed zijn, Rozeke, ik voel het, het
+zal goed zijn. Waarom zou papa anders nog schrijven? Ik had het al een
+paar dagen gemerkt dat papa en mama beter gezind waren. Zij zullen
+eindelijk wel gehoord hebben dat men laster en leugen van Armand verteld
+heeft, en wij zullen mogen trouwen. O, Rozeke, Rozeke, wat zullen wij
+gelukkig zijn en u altijd dankbaar blijven!--Kijk, Rozeke, dit heeft hij
+mij nog eens voor u gegeven, en ook dit voor 't meisken. Gij wordt een
+rijk, schoon boerinneken, Rozeke!"
+
+En zacht glimlachend liet zij twee bankbriefjes bij 't zilver in
+Rozeke's schoot vallen en stopte haar in de hand een twintig-frankstuk
+voor het Geluw Meuleken.
+
+"Kom, Rozeke, schrei nu niet meer. Wees nu ook eens met mij gelukkig!"
+
+Maar Rozeke bleef doorschreien, schreide hoe langer hoe heviger. Al die
+emoties hadden haar gebroken; zij voelde zich ziek van ontroering. Zij
+kon alleen de beide handen van de jonkvrouw in de hare nemen en die
+drukken en nog eens drukken en ze met heete tranen en vurige kussen
+bedekken.
+
+"O, mejonkvreiwe, 'k hope toch da ge zilt gelukkig zijn!... 'k hope toch
+da ge zilt gelukkig zijn!" herhaalde zij snikkend, terwijl de jonkvrouw,
+gelukstralend, met haar hond het gastvrij boerenwoninkje verliet.
+
+Noot:
+
+[8] Volstrekt niet.
+
+
+ * * * * *
+
+XII.
+
+
+Jonkvrouw Anna had zich in haar hoopvolle verwachting niet vergist. Haar
+vader was anders en beter over zijn neef gaan denken, had enkele
+jongelingszonden van vroeger vergeven, geloofd in zijn berouw en
+vertrouwd in zijn beloften, en eindelijk, ofschoon nog met geheimen
+tegenzin, vooral omdat zij neef en nicht waren, zijn toestemming in 't
+huwelijk gegeven.
+
+Enkele dagen na de laatste bijeenkomst op het hoevetje met haar beminde,
+was de jonkvrouw in verrukking Rozeke de gelukkige tijding komen
+mededeelen; en sinds dien dag had Rozeke haar voorname bescherm-vriendin
+ook niet meer teruggezien. De adellijke familie was op reis geweest, had
+daarna veel gasten ontvangen en veel drukte gehad met de toebereidselen
+voor het aanstaand huwelijk.
+
+Slechts een enkele maal, na de geboorte van Rozeke's zoontje, was de
+jonkvrouw haar op de boerderij nog komen opzoeken en lang en veel hadden
+zij over alles gepraat; en nu was Rozeke eindelijk zelve op het kasteel
+geweest om het prachtig uitzet van de bruid te bewonderen, en 's
+ochtends van den trouwdag liep zij al van in de vroegte op haar uiterst
+best gekleed, om de plechtigheid in de kerk te gaan bijwonen.
+
+Het gansche dorpje was in feeststemming. Niemand werkte. Hoog op den
+slanken, grijzen toren stak de groene mei uit en aan alle gevels
+pronkten de driekleurige vlaggen. In dubbele rij, rechts en links, voor
+de huizen, stonden op de gansche lengte van de straat kleine sparretjes
+geplant, door lange wit-en-rood katoenen banderolen, met festoenen van
+gekleurd papier en bloemen aan elkaar gesnoerd. Triomfbogen met groen,
+met vlaggetjes en klatergoud prijkten bij den ingang van het dorp en
+voor de kerk; groote, breede wimpels wuifden statig dwars over de straat
+en aan bijna alle huizen hingen opschriften met roode en zwarte letters,
+uitgeknipt op witte transparanten. Geheel in 't wit gekleede meisjes
+liepen met volle mandjes bloemen die zij zouden strooien; andere, met
+ernstige gezichtjes, reciteerden nog eens in zichzelf de komplimentjes
+die zij zouden opzeggen; en nu en dan drong haastig een schitterend-
+getooide ruiter van de eerewacht of een vaandrig met zijn klapperende
+vlag door den zwart-en-bont-krioelenden menschendrom, op weg naar zijn
+post in den stoet.
+
+Het was een zachte, kalme, zonnige September-ochtend. Even buiten de
+dorpskom strekten de velden zich uit, blond-golvend naar de verte waar
+'t kasteel rood-glinsterend stond te prijken tegen den zwaren, donkeren
+achtergrond van 't statig park. De oogst was bijna overal geschoren en
+stond in groote, ronde schelven op het bloote, droge land. Slechts hier
+en daar nog lag een effen gouden veld van rijpe haver, of strekten zich,
+in lange, regelmatige rijen, de saamgebonden, overeind-gezette schoofjes
+van een pas-gemaaiden akker uit. En alleen de zoet-geurende klavervelden
+tierden nog ten allen kant in vollen bloei, paars-streepend overal de
+blonde golving, in heerlijk-rijke harmonie van tinten met het tanend
+goud der rijpe haver, met het verkleurend groen der verre boomen en het
+wazig blauw der vlekkelooze lucht.
+
+Het was tien uur. Ginds verre, in de richting van 't kasteel, gonsde dof
+een aanhoudend geratel van rijtuigen. Dat was de aankomst der talrijke
+voorname gasten. Tot in het dorp drong het als een koortsige gejaagdheid
+door en een dichte menigte hield zich roerloos op den uitkijk, als
+konden zij reeds iets zien komen.
+
+Alfons was op de boerderij gebleven met het Geluw Meuleken, aan wie de
+zorg voor 't kind was toevertrouwd, maar Rozeke was reeds in 't dorp en
+stond met popelend hart te staren naar de verte, besloten tot op 't
+laatste oogenblik te wachten op de verschijning van den bruidsstoet,
+voor zij in de kerk de, op bevel van jonkvrouw Anna speciaal voor haar
+bewaarde plaats, zou gaan bezetten. Zij zag er ietwat schraal en mager
+uit na haar bevalling, die zwaar was geweest. Haar eertijds roze en
+ronde wangen waren bleek en ingevallen en haar lichte blauwe oogen
+stonden zwak. Alleen haar gestalte was fijn en lenig gebleven, nog
+steeds als van een heel jong meisje.
+
+Ook in het dorp begonnen nu steeds talrijker, vreemde bezoekers aan te
+komen. Ook daar was het weldra een onafgebroken stoet van ratelende
+rijtuigen en bruisende automobielen, waaruit in bonte, vroolijke
+menigte, mooigekleede dames en heeren stegen. Dat waren meestal de
+bewoners der omringende kasteelen, die uit louter nieuwsgierigheid
+kwamen zien. Zij liepen even wandelend door de straat, belangstellend
+kijkend naar de versiering der huizen en naar de opschriften der
+transparanten, en kwamen eindelijk wachtend op het kerkplein staan,
+onderling lachend en elkander groetend, complimenteerend en Fransch
+babbelend, in een drukke, schitterende groep van pret en weelde.
+
+Eensklaps bomde echoend in de verte een kanonschot, en een lang Aah!...
+van opgejaagde verwachting steeg uit de woelend op elkaar gepakte
+menigte. Meteen begonnen de feestklokken op den kerktoren triomf te
+luiden. De wettelijke huwelijks-plechtigheid, die op het kasteel zelf
+plaats zou hebben, was nu voltrokken, de stoet zette zich in beweging
+naar de kerk.
+
+De krioelende menigte drong op elkaar, reikhalsde en joelde. Vrouwen
+kwamen met stoelen buiten en gingen er recht overeind op staan, kleine
+jongens klauterden op de muren, hingen als wanstaltig-groote vruchten in
+de takken van de boomen rondom het kerkplein, en uit alle dak-en-zolder-
+vensters staken hoofden. Rozeke, met haar linkerhand aan de deurpost van
+een huis geklemd, stond reikhalzend op een wiebelend voetbankje.
+
+En ginds, heel in de verte, over de blonde en paarse golving der velden,
+kwam het eindelijk aan: een groote, geel-grijze stofwolk, waaruit af en
+toe, als 't ware weerlichtend, korte flikkering van felle kleur opschoot...
+een chaos, die zich langzaam aan vervormde en uitbreidde tot een langen,
+schitterenden praalstoet: vaandrig te paard, met schel-wapperende, wit-
+en-roode vlag aan 't hoofd, ruiters met witte broeken en met roode sjerpen
+in lange dubbele rij daarachter; en eindelijk de rijtuigen: een lange,
+lange file prachtrijtuigen, met heel aan 't eind de staatsie-koets der
+bruid, lakei en koetsier in rood-en-geel livrei met witte ruikers en met
+lange, wit-bebloemde zweep, die als een pijl van zilver witte vonken schoot
+in 't gouden zonnelicht. Een eerewacht van een twintigtal ruiters sloot den
+stoet.
+
+Rozeke stond van ontroering op haar wiebelend bankje te trillen. O! wat
+leek haar dat alles schoon en grootsch en indrukwekkend! Zij werd er
+gansch bleek van en het triomfgelui der klokken en het verwijderd
+gedreun der kanonnen bonsde tot in haar ziel terug. Toen hoorde zij de
+verre juichkreten en de schetterende jubelklanken der muziek bij den
+ingang van het dorp; zij rekte zich nog eens uit zooveel zij kon en
+haastte zich dan naar de kerk, waar het reeds vol was van nieuwsgierige
+toeschouwers, rechts en links van de breede, met een rooden looper
+bedekte middengang. Zij vond er haar stoel, bijna gansch van voren op de
+eerste rij, zooals die op bevel van jonkvrouw Anna voor haar was bewaard
+gebleven; en omgekeerd als al de anderen naar den ingang van de kerk,
+staarde zij met bonzend hart door de dubbele, wijd-openstaande deur naar
+buiten, waar politie en gendarmen, het opdringend gepeupel steeds
+terugduwend, een breede open ruimte vrijhielden.
+
+Daar waren ze! Men hoorde 't vlugge hoeven-getrappel der paarden en alle
+hoofden, daarbuiten, in de zon, stonden met gretige nieuwsgierigheid
+naar links gereikhalsd. De hoeven klepperden harder op de straatsteenen,
+de hoofden van de kijkers draaiden langzaam weer naar voren; en
+glinsterend in zijn kleurenpak met wit-en-roode sjerp, den wit-en-rooden
+standaard met zijn schitterend gouden franjes statig achteroverwapperend
+in de zon, verscheen de trotsche vaandrig op zijn groot wit paard. De
+boerenruiters volgden, twee aan twee, de witte broeken schitterend, de
+wit-en-roode sjerpen om de lenden. Zij reden deftig stapvoets en hielden
+met inspanning hun zware, schuwe paarden in bedwang. Een der laatste
+steigerde en hinnikte geweldig, met overeind gerezen, blonde, schuddende
+manen en wild-flikkerende oogen; en in den woesten ruiter die het
+eindelijk wist te temmen, herkende Rozeke plotseling Smul, op een der
+twee schichtige vossen, die 't vorige jaar met haar en met hem op den
+hotsend-en-botsenden vlaswagen weggehold waren. Zij huiverde even; haar
+angst voor Smul was nog maar steeds niet over.
+
+Toen verscheen 't eerste rijtuig. Een knecht in livrei opende vlug het
+portier en een lange, magere heer in rok steeg uit, biedend de hand aan
+een in gele zij gekleede dame, die zijn arm nam en statig en ruischend
+met hem over den rooden looper de kerk binnentrad. Zij naderden tot
+dicht bij Rozeke, hier en daar met glimlachende blikken en knikjes in de
+dubbele rij toeschouwers kennissen begroetend, en eindelijk liet de dame
+den arm van den heer los en even buigend voor elkaar gingen zij rechts
+en links tegenover elkander staan.
+
+Reeds volgde 't tweede rijtuig, met een dikken, rooden, grijzen,
+schitterend-gedecoreerden heer en een groote, zware, zwartharige dame
+geheel in 't lila, met lila hoed en lila struisveeren. Ook paars leek
+haar gezicht onder de witte poudre-de-rizlaag die 't bedekte en
+vreemd-brutaal en grof stonden daarin de groote, ronde, zwarte oogen,
+terwijl een duidelijk, donker snorrestreepje haar deed lijken op een man
+in vrouw-kleederen vermomd. Een vaag rumoer van opschudding begroette
+haar indrukwekkende verschijning; er werd even gestommeld en gegrinnikt.
+
+Toen volgden snel, in rijke, bonte kleurschakeering al de anderen:
+blauwe dames, roode dames, groene dames; jonge meisjes in lichtroze en
+wit; groote en kleine, oude en jonge, dikke en magere, mooie en leelijke;
+blonde, bruine, zwarte en grijze, allen ruischend en schitterend van
+weelde, behangen met kant en juweelen, met sierlijke kapsels, op een
+lange, bonte, bedwelmend-geurende rij naast elkander geschaard; en
+tegenover haar de mannen, ook de kleine en de groote, de jonge en de
+oude, de dikke en de magere, de blonde, bruine, zwarte, grijze en de
+kaalhoofdige, allen witgedast en zwartgerokt, behalve twee militairen
+in uniformen die schitterden als nationale vlaggen, en meest allen
+overvloedig gedecoreerd met kruisen en linten, als kwamen zij van een
+cotillon-bal. En ook allen stonden dadelijk weer naar den ingang
+omgekeerd, kijkend, evenals de andere toeschouwers, naar de rijtuigen
+die volgden, wachtend op de indrukwekkende verschijning van de ouders,
+van den bruidegom en van de bruid.
+
+Daar waren ze eindelijk! De bruidegom met de barones; en, ten laatste,
+nobele slanke verschijning, als van een prachtbeeld, als van een levend
+en bewegend Lieve-Vrouw-beeld, gemaagdekroond, het donker haar en de
+donkere oogen zacht getemperd door den langen witten sluier over heel
+haar sierlijke gestalte in het lang-sleepend wit-satijnen trouwkleed,
+de ideaal-schoone bruid aan den arm van haar vader. Onzichtbare violen
+hieven plotseling, onder zwaar-dreunende orgelbegeleiding, bij haar
+intree een triomf-juichenden bruidsmarsch aan; en langzaam en statig,
+als een koningin, schreed zij naar voren tusschen de dubbele rij der
+schitterende paren, die zich weer achter haar aansloten en als een
+eerewacht volgden naar het koor, waar drie priesters in prachtgewaden
+den bruidstoet stonden af te wachten.
+
+Rozeke hield van emotie beide handen om de leuning van haar stoel
+gekneld. Als in een hemelsche verschijning zag zij alleen nog maar haar
+schoone, lieve jonkvrouw met neergeslagen oogen onder den langen witten
+sluier naderen. Zij zag het blanke van de maagdelijke kroon op 't
+weelderig donker haar, zij zag den maagdelijken ruiker met de lange
+witte linten in haar fijne hand, zij zag het teere, frissche levensroze
+op haar zachte wangen en haar kleine wit-satijnen voetjes, telkens even
+uittippend onder den strakken rand van 't wit-satijnen staatsiekleed; en
+'t was alles zoo schoon, zoo rein en zoo verheven-edel, in het galmen en
+dreunen van die bijna goddelijk-indrukwekkende muziek, dat zij plotseling,
+als verblind, de beide handen voor haar oogen sloeg en als een kind begon
+te schreien en te snikken....
+
+Zij hadden allen plaats genomen op fluweelen stoelen in het koor en de
+plechtigheid begon. Overal in de kerk waren de prachtvendels uitgehangen
+en aan den voet der heilige beelden brandden waskaarsen. De koorknapen
+droegen fonkelnieuwe roode rokken. Bruid en bruidegom zaten vooraan
+naast elkaar op aparte roodfluweelen stoelen neergeknield, en links
+waren de dames van den bruidstoet en rechts de heeren. Rozeke, langzaam
+aan tot bedaren gekomen, wendde haar oogen van het bruidspaar niet meer
+af. O! zij had het hem wel willen toeschreeuwen, als een vermaning en
+een dreiging, aan dien man van haar: "Wees altijd goed voor haar!
+mishandel of bedrieg haar nooit, of gij zijt niet waard dat ge nog
+leeft!" En een gevoel van toorn gemengd met jaloezie kwam in haar op bij
+de gedachte dat zoo iets toch gebeuren kon en dat het in de booze macht
+van zoo'n man bestond--als hij eenmaal boos en slecht was--het gansche
+geluksleven van een zoo mooie, reine en edele vrouw als jonkvrouw Anna
+te verwoesten.
+
+Daar greep het groot mysterie plaats. De dekenpriester wisselde de
+ringen. Dat was voor 't gansche lange leven; alleen de dood mocht hen
+nog scheiden. Rozeke bukte 't hoofd en haar lippen trilden van
+ontroering. Ook zij was voor altijd aan hem dien ze liefhad verbonden,
+en zij was gelukkig en vreesde alleen de scheiding door den dood.--En
+plotseling steeg nu onder de galmende kerkgewelven een zingende stem op,
+een stem zoo zuiver, zoo schoon als scheen zij met gewiek van engelen-
+vleugelen uit de hemelen te dalen, om op aarde te verkondigen den nobelen
+lofzang van hun jong en frisch geluk. Zacht-begeleidend kweelden de
+violen, als een droomerig koor van aetherische vogelen, en 't zware orgel
+tremoleerde in ondertoon, dragend met ingehouden kracht den edelen,
+stijgenden zang.
+
+Plechtige roerloosheid en stilte heerschten in de gansche volle kerk. In
+hieratisch-strakke houding zaten bruid en bruidegom met gebogen hoofd op
+hun stoelen geknield en al de anderen om hen heen, de zwart-gerokte
+heeren, de schitterende officieren en de bont-getooide dames, stonden
+stijf en recht, als een deftige eerewacht. Een schelletje ging en alle
+hoofden bogen.--En Rozeke, de handen biddend in elkaar gekneld, voelde
+weer stille, onstelpbare tranen langs haar wangen vloeien....
+
+De plechtigheid was volbracht. Op een wenk van een kerkdienaar stonden
+bruid en bruidegom langzaam op en gingen statig, alleen door hun ouders
+gevolgd, met de priesters in de sacristij. Er was een oogenblik
+verpoozing. Het orgel zweeg, het koor bleef leeg, de dames en de heeren
+wisselden glimlachend stille, korte gesprekken. Buiten hoorde men het
+dof gegons der menigte, het naderend geratel van rijtuigen en het
+verwijderd gepuf van automobielen.
+
+Dat duurde enkele minuten. Toen barstten orgel en violen weer in een
+triomfmarsch uit en statig kwam het paar gearmd uit de sacristij en
+daalde langzaam van de treden uit het koor, om weer door al de anderen
+gevolgd in plechtigen stoet de kerk te verlaten.
+
+Zenuwachtig-bevend, met groote, als 't ware hunkerende oogen, drong
+Rozeke naar voren om haar lieve jonkvrouw nog een laatste maal te zien
+en misschien een vluchtigen herkenningsblik van haar op te vangen. En
+ja, 't gebeurde; stralend van geluk aan den arm van haar echtgenoot,
+schoof zij vlak langs Rozeke heen en in 't voorbijgaan knikte zij
+vriendelijk en glimlachte met haar schoone donkere oogen, terwijl Rozeke
+haar fluisterend, als in een zaligen droom, streelend haar naam hoorde
+uitspreken. Zij was voorbij, zij verdween in haar schitterende,
+hieratische blankheid onder 't hooge kerkportaal; en achter haar zag
+Rozeke niets meer dan een bonte wemeling van zwarte ruggen en van
+pracht-toiletten en zij hoorde nog slechts, als een reusachtig,
+chaotisch gedruisch, het juichen van de menigte daar buiten, het
+feestgelui der klokken, het schalmeien der fanfares en het verwijderd,
+zwaar gebulder der kanonnen....
+
+Onder het huiswaarts keeren in de blijde feeststemming van heel het
+dorp, dacht zij plotseling aan het twintigfrankstuk, dat de jonge baron
+haar destijds voor Vaprijsken gegeven had. 't Was nu of nooit het
+oogenblik om het hem te overhandigen. Zij deed het des te liever omdat
+Vaprijsken zulk een goede, trouwe dienstknecht voor hen was; en zoodra
+zij weer thuis kwam haalde zij het goudstuk uit het laadje waar ze 't
+opgeborgen had; en, het oogenblik te baat nemend dat Alfons zich nog op
+den akker bevond, riep zij 't blonde ventje, dat bij de stallen bezig
+was, van op den drempel van het woonhuis toe:
+
+"Vaprijs, 'k he hier wa veur ou!"
+
+"Es 't woar bezinne?" deed hij, even opkijkend, zonder zijn werk te
+staken.
+
+"Joa 't, kom-e kier hier."
+
+Hij naderde, schalks glimlachend in zijn gelen baard, en ook zijn lichte
+blauwe oogjes lachten, alsof hij een grapje verwachtte.
+
+"Kijk, da es ne cadeau veur ou, van den jongen baron."
+
+En zij reikte hem het schitterend goudstuk toe.
+
+"Alweere!" schertste hij, zonder het stukje aan te nemen.
+
+"Ge'n wil het nie, geleuf ik," lachte zij.
+
+Hij kreeg een lichte kleur over zijn gele wangen. Zijn tong keerde
+langzaam in zijn mond de pruim tabak eens om, en hij spuwde, de oogen
+flikkerend, wantrouwend-ongeloovig nog.
+
+"Ba toet, ba toet," zei hij eindelijk, droog-leuk. "Moar mag ik weten
+woarveuren....
+
+"Veur diensten die ge nie bewezen 'n het!" plaagde zij hem, oolijk
+glimlachend.
+
+"En es da al?"
+
+"'t Es al. Es 't meschien nie genoeg?"
+
+"'t Es genoeg," zei hij, kalm het stuk aanvaardend. En hij ging er mee
+weg.
+
+Verbaasd keek Rozeke hem na. Wat wist hij zich goed leuk en kalm te
+houden onder de prettige verrassing! Zeker vertrouwde hij 't nog niet.
+Bij de schuur gekomen keerde hij zich om, knipoogde haar met een
+hoofdknikje toe en schermde even grappig met zijn beide handen om zich
+heen, alsof hij het stukje weggoochelde. Hij deed of hij het kwijt was,
+hij zocht er naar, gek om zichzelf rondtollend als een hond die naar
+zijn staart hapt, hij greep het eindelijk weer, als een vlieg, uit de
+lucht, stopte het gulzig in zijn mond, slikte met inspanning, haalde
+'t onder zijn rug weer uit, verborg het eindelijk in zijn vestzak. Toen
+ging hij terug naar zijn werk en Rozeke keerde schaterlachend weer in
+huis; doch na een poosje zag zij hem, van uit de keuken, het stuk
+opnieuw te voorschijn halen, aandachtig er naar kijken en het omdraaien
+en eindelijk het Geluw Meuleken, die met een emmer uit den stal kwam,
+bij zich wenken.--Even zag Rozeke hem in ernstig gesprek met het meisje,
+die herhaaldelijk het hoofd schudde en haar schouders ophaalde en
+eindelijk, met moeite haar lachlust bedwingend, naar het woonhuis kwam,
+door de wantrouwige blikken van het onthutste Vaprijsken gevolgd.
+
+"Wa het hij ou gevroagd?" zei Rozeke nieuwsgierig, zoodra het Geluw
+Meuleken in huis was.
+
+"Of da 'k euk azeu 'n stik gekregen ha. Hij 'n verstoat er hem nie aan!"
+lachte 't Geluw Meuleken.
+
+"Ge 'n meug het hem nie zeggen, ge moet hem in den twijfel loaten,"
+schertste Rozeke ondeugend.
+
+En zij vermaakten zich beiden nog een heelen tijd om 't leuke grapje,
+spottend-spiedend door de raampjes naar Vaprijsken, die nu weer, met een
+uitdrukking van diepzinnig peinzen op 't gelaat, aan 't werken was.
+Rozeke was in dol-blijde stemming, om het geluk van haar schoone, lieve
+jonkvrouw. Den ganschen dag had zij wel gekke kindergrapjes willen
+uithalen.
+
+ * * * * *
+
+Dit grapje echter, verliep wel eenigszins anders dan Rozeke liefst zou
+verwacht hebben.
+
+Vaprijsken, die 's middags vrij had, ging naar het feestvierend dorp, en
+in plaats van als naar gewoonte op zijn uitgangsdagen, tusschen negen en
+tien, licht-aangeschoten maar toch kalm thuis te komen, keerde hij
+ditmaal terug in 't holle van den nacht, luidkeels brullend, vloekend en
+zingend door elkaar, spektakel en gedruisch verwekkend als van een bende
+van wel tien. Hij was blijkbaar smoordronken, en Alfons, die reeds een
+uur of drie met stijgend ongeduld op hem had liggen wachten, sprong
+woedend uit bed, rukte 't raampje open en schreeuwde naar buiten:
+
+"Vaprijs! nondedzju! Wilt ou smoel houen, zatlap!"
+
+"'K voage mijn broek an ou! Vivat den b'ron!" brulde Vaprijskens heesche
+dronkemansstem. En hij begon weer te vloeken en te zingen, zoo hard als
+hij maar kon, terwijl hij in den helderen manenacht als een gek
+waggelend op den boomgaard rondtolde. De waakhond blafte woedend, Rozeke
+lag van angst te beven, het kind werd wakker en begon te schreien.
+
+"Vaprijs! nondedzju! houdt ou smoel of 'k schiet ou omverre!" brulde
+Alfons nog woedender.
+
+Rozeke had hem nog nooit zoo boos gezien, zij vloog ingelijks uit het
+bed, trok hem van 't venster weg, riep op haar beurt in den helderen
+boomgaard, waar Vaprijsken, steeds brieschend onder het razend geblaf
+van den hond, bonzend en struikelend van boomstam tot boomstam
+rondzwenkte:
+
+"Vaprijs! zij-je nie beschoamd! Wilt-e ne kier beginne zwijgen en noar
+ou bedde goan!"
+
+Eensklaps werd Vaprijsken bijna kalm.
+
+"Ha! bezinne, zij-je 't gij!" grinnikte hij, "He-je mij gien twintig
+fran? Haha! twintig fran? Vivat den b'ron, nonded-ju! Vivat den b'ron
+mee zijn jonge b'ronesse!"
+
+"Ge moet zwijgen, Vaprijs, en noar ou bedde goan. Zij-je nie beschoamd
+van zulk 'n laweid te moaken!"
+
+"'K goa noar mijn bedde! 'K goa noar mijn bedde!"
+
+brabbelde Vaprijsken. "Den b'ron es euk noar zijn bedde! en de jonge
+b'ronesse es euk noar heur bedde! hahaha! nondedzju! nondedzju!"
+
+Hij schaterlachte, hij zwenkte nog even tegen een boom, plofte neer en
+stond weer op, en eindelijk waggelde hij lachend naar de schuur, waar
+zijn bed onder de pannen stond.
+
+"Zatlap! smeirige zatlap! As hij den boel moar nie in brand 'n steekt!"
+raasde Alfons, bevend en knarsetandend.
+
+Rozeke had moeite om hem te bedaren. Zij suste 't kindje tot het weer
+sliep en kreeg hem ook eindelijk weer in bed.
+
+"Och, 't en es euk gienen dag lijk nen anderen," zei ze vergoelijkend.
+Zij had er hem nu ook wel gaarne alles van verteld, maar durfde toch
+niet. Hij was te boos nu.
+
+Daarbuiten, in 't verbleekend manelicht, klaroende reeds een haan het
+naderen van den dageraad....
+
+
+
+EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1
+by Cyriel Buysse
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 1 ***
+
+***** This file should be named 16881.txt or 16881.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16881/
+
+Produced by Marc D'Hooghe.
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.