diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:49:53 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 04:49:53 -0700 |
| commit | a188cd35bb91323f84e05ce57126bd0faf6be64b (patch) | |
| tree | feba4a535353e33af2cdfa5f6c81eb8bd57b32c9 /16881.txt | |
Diffstat (limited to '16881.txt')
| -rw-r--r-- | 16881.txt | 6372 |
1 files changed, 6372 insertions, 0 deletions
diff --git a/16881.txt b/16881.txt new file mode 100644 index 0000000..3dce68e --- /dev/null +++ b/16881.txt @@ -0,0 +1,6372 @@ +Project Gutenberg's Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1, by Cyriel Buysse + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 + +Author: Cyriel Buysse + +Release Date: October 16, 2005 [EBook #16881] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 1 *** + + + + +Produced by Marc D'Hooghe + + + + +HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN + +ROMAN IN TWEE DEELEN + +DOOR CYRIEL BUYSSE + + +1905 + + + +_Voor mijne Moeder_ + + + + +EERSTE DEEL + + + + +I. + + +De klok, in 't keukentje, riep "koekoe", een keer. Alfons werd half +wakker. Hij vroeg zich even, in onduidelijk denken, af, of het soms +reeds de echte vogel buiten was, en niet de klok. Hij kon 't niet +ophelderen; hij sliep dadelijk weer snurkende in. + +Toen scheen het hem dat iemand aan zijn venster tikte, en dat een +welbekende stem zijn naam riep. Hij wilde opstaan en gaan kijken, maar +de slaap van zwaar-drukkende vermoeidheid hield, als met duwende +vingers, zijn oogleden dicht, en doofde de inspanning van zijn geest in +soezing weer uit. + +Toen hoorde hij het eindelijk heel duidelijk: het driemaal bonzen op +zijn vensterraam, en de stotter-stem van boer Kneuvels, zijn baas, die +riep: + +"A... Alfons... 't es ien! Toe,... ge... ge moet opstoan!" + +Opeens was hij klaar wakker en wipte uit zijn bed. + +"Zij-je 't gij, boas?" riep hij werktuigelijk. En meteen, waggelend op +zijn nog onvaste beenen, was hij bij het raampje en trok het open. + +De heerlijk-frissche zomernacht-lucht woei hem als een adem van frisch +leven in 't gezicht, en vulde met een gulle teug van nieuwe krachten +zijn benauwde longen. + +"Ghaaa!... zuchte hij, diep ademhalend. En in de duisternis zag hij den +boer daar buiten staan, een donkere, vaag omlijnde gestalte, tegen +zwart-blauwen, flonkerenden sterrenacht. + +"Dag Al... Alfons," hakkelde de boer. "Goe... oe weere te weege. Wi... +ilt... e gij de Van Doalens goan roepen, 'k zal ik o... om d'ander +goan?" + +"Joa ik, boas," antwoordde Alfons, die zich reeds aan 't aankleeden was. + +Hol en luid klonken hun stemmen in de stilte van den nacht. Als een +donkere schaduw trok de boer zich terug, en helderder flonkerden in 't +vierkant van het open raampje de levend-tintelende sterren aan het +donkerblauw uitspansel. Alfons stak 't hoofd naar buiten. De boer was +reeds onzichtbaar. Heel in de verte blafte hol en dof een hond. + +Hij rilde en hoestte even van de frissche lucht, en sloot weer dicht het +raampje. Hij stak een nachtpit op en kleedde zich verder aan. Naast zijn +kamertje was dat van zijn oude moeder. Stiller ging hij nu te werk om +haar niet te wekken. Maar zij hoorde hem toch, en haar stem klonk lijzig +en klagend als die van een zieke: + +"Zij-je 't gij, Fons?" + +"Joa ik, moeder." + +"Het den boer om ou geweest?" + +"Joa hij, moeder." + +"Hoe loat es 't?" + +"Koart noar den ien; sloap moar gerust." + +"Zilt-e de deure goed op slot doen?" + +"Joa ik, moeder, ge meug gerust zijn." + +"Ge moet zeker om de Van Doalens goan?" + +"Joa ik, moeder." + +Hij hoorde een zucht en een gekraak van 't bed, waarin ze zich scheen om +te keeren. Hij was aangekleed, nam zijn klompen in de hand om geen +lawaai te maken, blies 't lichtje uit, verliet zijn kamertje en opende +in de duisternis de voordeur. + +Een stil geruisch van ritselende bladeren, zacht-zijig schuivend door +elkaar onder den ademtocht van een windje dat nergens vandaan scheen te +komen, zweefde als een heimelijk gefluister door de hooge kruinen der +nabije popels; en ergens in de buurt kraaide plotseling schel een haan. +Hij kraaide een tweede maal. Toen weer de groote, donkere, +sterrenflonkerende stilte, en heel heel in de verte 't hol geblaf van +waakhonden met zware stemmen. Alfons trok de deur op 't nachtslot en +stak den sleutel in zijn zak. + +Geen schim van dageraad was nog in 't Oosten te bespeuren. Het was de +volle, stille zomernacht met zijn miljoenen en miljoenen aan den +somber-blauwen hemeltrans flonkerende sterren, en heel laag op den +horizon een scheef hellende sikkelmaan, die langzaam aan, van gloed +verdoovend, in het westen aan 't verdwijnen was. + +Met vlugge schreden, den kraag omhooggetrokken en een weinig huiverend, +liep Alfons langs het smalle kronkelpaadje naar den breeden, mullen +zandweg. De zware popels om zijn huisje suisden hem nog even droomerig +na, en dadelijk daarop was hij in 't volle veld, tusschen de rechts en +links golvende, rijpende korenvelden. De hooge halmen, over het paadje +gebogen, gleden hem met de klam-kille streeling hunner bedauwde aren +over de handen en 't gezicht, en geurden zoet en frisch naar landelijke +heerlijkheid. + +Hij dacht aan Rozeke. Gisteren, en ook al de laatste vorige dagen had +hij aan haar gedacht, omdat hij wist dat hij haar nu terug zou zien, dat +hij een dag, een ganschen vollen dag met haar zou mogen doorbrengen. +Maar een ontstemmend gevoel fronste plotseling zijn wenkbrauwen: er was +er nog een die naar haar verlangde en haar den ganschen dag zou zien: +Smul, boer Kneuvels' paardenknecht! + +Hij bromde iets tusschen zijn tanden en vlugger nog, als in gejaagde +haast, liep hij door. Hij voelde reeds de nachtelijke frischheid niet +meer en sloeg den kraag van zijn wambuis weer over. Smul,... dat was de +vijand; hij kon hem niet uitstaan. Telkens wanneer hij een dag op de +hoeve kwam werken, moest hij zich met wilskracht bedwingen, of het zou +tot een uitbarsting, tot een vechten gekomen zijn. Dat was nu al vanaf +dien Kermisdag, twee jaar geleden, toen Smul zoolang met Rozeke gedanst +had. Zij had niet bepaald durven weigeren met hem te dansen, zij wou het +alleen maar heel kort maken; doch eenmaal in zijn bezit had hij haar +niet meer losgelaten, haar met geweld doen meedraaien, oneindig lang, +tegen haar zin, tot zij eindelijk niet meer kon, en huilend in zwijm +bijna, uit de armen van den woestaard in elkaar gezakt was. Hij, Alfons, +was dreigend in het midden gekomen, had hem met geweld het meisje, +--bijna zijn meisje--uit de handen willen rukken; maar Smul was veel +sterker dan hij, en weinig had 't gescheeld of het liep uit op een +gevecht waarin Alfons zonder twijfel een deerlijke nederlaag zou geleden +hebben. + +Hij joeg die nare herinnering van het verleden uit zijn gedachte, en +even kwam een glimlach op zijn lippen. Rozeke hield van hem, hij voelde +'t, hij wist het, al had ze 't hem nog niet gezeid. Hij zag dat telkens +in haar oogen, hij hoorde 't in haar woorden, al deed ze soms ook nog +wat stug en vreemd met hem; en hij had pret in zichzelf omdat hij het +zoo handig met boer Kneuvels had weten te schikken, dat niet de boer +noch zijn paardenknecht, maar wel hij de Van Dalens dien ochtend zou +gaan wekken. Hij eerst, voor alle anderen, zou Rozeke zien en met haar +spreken. Hij zou met haar, en met haar broeders en haar zuster, in de +vertrouwelijke duisternis van den nacht, den tamelijk langen weg +afleggen van hun huisje naar de hoeve, en daarna van de hoeve naar den +vlasgaard. Ook Smul zou haar zien, en met haar spreken, zeker, dat kon +ook niet anders, doch eerst later, als hij al ruim tijd en gelegenheid +zou gehad hebben, om haar te zeggen en te vragen, dat wat hij reeds zoo +lang van plan was en nu eindelijk brandde van verlangen haar te zeggen +en te vragen. + +Hij was op een breeden, zandigen landweg gekomen, volgde dien een +eindje, stak dwars een steenweg over bij een kruispunt waar een eenzaam +huisje stond, volgde weer de kronkelige baan tusschen het hooge koren. +De doodstille zomernacht droomde. De geurende korenvelden stompten zich +aschgrauw gelijk twee vage muren aan beide kanten van den landweg af, en +daarover heen was niets dan een hooge, donkerblauwe oneindigheid, +tintelend van levend-gouden sterren. Hij zag geen boomen en geen huizen +meer: het was de volle nachtelijke eenzaamheid der heerlijk vruchtbare +landouwen. + +Zoo liep hij enkele minuten door, in zachte opgewektheid van gedachten. +Op den onzichtbaren kerktoren van het dorpje klopte kort en hel een +slag: half twee. Een ander dorpje galmde tegen, heel heel zwak en verre, +als een kinderstemmetje dat antwoordt op een mannenstem. Vleermuizen +fladderden geruischloos om hem heen, muggen gonsden droomerig in de +groote stilte, en zijn eenzame schreden klonken in kadans, dof-klompend +door het mulle zand. Weldra draaide en kronkelde de weg in een reeks van +grillige bochten tusschen slooten en boomen, en eindelijk kwam hij op +een klein gehucht met spitse, bleeke geveltjes naar den straatkant, en +reuzen-populieren, die hun donkere kruinen, hoog in den blauwen +sterrennacht, over de stille daakjes uitspreidden. Daar was het. Zijn +klompen, galmend in de doodsche stilte op het smal plaveisel tusschen de +huisjes, deden plotseling de honden blaffen. Hij telde de woninkjes: +twee, drie, vier,... in donkere, gesloten rust achter de boomgaardjes; +en voor het vijfde hield hij stil, tilde den sluitboom van het hek op en +stapte over 't smalle paadje door het gras naar het woonhuisje toe. + +Zijn hart klopte gejaagd. Hij wist niet waar ze sliep: voor of achter. +Alleen wist hij dat rechts van de deur het keukenraampje was, en links +daarvan een slaapvertrek. Hij hoopte, zonder eigenlijk precies te weten +waarom, dat zij aan den voorkant sliep, en dat hij aan het raampje van +haar kamertje zou tikken. + +Hij stond voor 't raampje, de luikjes waren dicht. Hij trok er zachtjes +aan. Zij boden weerstand. Toen tikte hij, driemaal, niet hard, met de +kneukels op het hol-klinkend hout. + +Iemand bewoog zich in een bed daarbinnen. Hij wachtte even. Toen tikte +hij opnieuw, twee maal, zachter. + +"Wie es er doar?" vroeg plotseling een zware, slaperige mannenstem. + +De teleurstelling deed hem 't antwoord even schuldig blijven. Hij had +zoo gehoopt aan Rozeke's venster te tikken. + +"Es er doar iemand?" vroeg opnieuw de stem, norsch-wantrouwend en nu +heelemaal wakker. + +"'k Ben 't ik, boas Van Doalen," antwoordde Alfons eindelijk, "'k Kom +ulder opkloppen veur de slijtinge." + +"Haha!" knorde de stem gerustgesteld. "Wacht'n beetsen, 'k zal open +doen." + +Alfons trok van het raampje weg, en kwam bij de voordeur, terwijl vader +Van Dalen, opgestaan, nu met groot geluid daarbinnen zijn familie wakker +maakte. + +"Roze, La, Miel, Dolf, ala toe, opstoan! 't es tijd!" hoorde Alfons hem +roepen. En dadelijk was hij aan de deur, waarvan hij ratelend den +grendel wegschoof, en spoedig openmaakte. + +Alfons trad binnen. Vader Van Dalen, barrevoets, in broek en hemdsmouwen, +begroette hem met een gullen "goen dag" en ging hem voor in 't keukentje, +waar hij een lichtje opstak. + +"Zet ou 'n beetsen;--wa veur 'n weer es 't buiten? scheun slijting-weer, +he?" praatte hij met luid-galmende stem, alsof hij op den akker was; en +opgewekt ging hij daarover door, bewerend dat 't een zomer was die al de +boeren rijk zou maken, als dat prachtig weer nog maar enkele weken +aanhield. Hij had het lichtje ietwat hooger opgedraaid, en Alfons zag +hem nu zooals hij hem sinds lang al kende: middelmatig van gestalte, met +sterk afgeteekende, vriendelijke gelaatstrekken, het rechter-oog +fel-levendig en helder, het linker als een doffe witte bal, uitgedoofd +en doodgegaan in een ziekte, jaren geleden. + +Binnendeuren gingen open, en van rechts en links kwamen de zonen en de +dochters met een korten ochtendgroet te voorschijn. De gezichten stonden +vermoeid, de oogen waren nog beneveld door slaap, de bewegingen loom en +langzaam. Miel en Dolf, de eerste lang, blond en mager, de tweede kort, +donker en dik, met groote, zwarte, te wijd van elkaar staande oogen, +kwamen van de zoldertrap, en La en Rozeke verschenen samen uit de kamer +rechts. + +Daar sliep ze dus, dacht Alfons met kloppend hart; en zijn oogen bleven +als betooverd op haar gevestigd. + +La-tje, blond als vlas en mollig als een poesje, groette hem met een +lieven glimlach en een vriendelijken blik van haar lichtblauwe oogen; +Rozeke, ietwat grooter en tengerder, met zacht krullend bruin haar en +frissche wangen, begroette hem slechts met een vluchtigen blik en een +haastig, als 't ware bedeesd "dag Fons", haar heel-kleine klompjes in de +hand, haar grauwe werkschort en blauw-linnen zonhoed aan den arm. + +"Wilt g' iets drijnken?" vroeg vader Van Dalen op aanmoedigenden toon +aan Alfons. + +Maar hij had geen zin, hij dankte, ietwat onthutst door Rozeke's koel +onthaal; en zij vertrokken met hun vijven, door den vader tot aan 't hek +gevolgd. + +De zomernacht was onveranderlijk zacht-geurig-frisch van landelijke +aroma's, met de oneindige, donker blauwe sterrenkoepel over de +grauw-duistere uitgestrektheid van de stille, nachtelijke velden. Zij +liepen in een dichtgeschaarde groep, hun klompen dof-klopperend in het +zand, allen even-huiverend met opgetrokken schouders onder de eerste +aanvoeling van koele frischheid. De jongens zetten hun kraag op, de +meisjes sloten haar borstdoek dicht om den hals, en liepen +klappertandend, met haar handen in de mouwen. Maar na een poosje hadden +zij het ook lekker warm; de schouders zakten en de kragen vielen neer en +zij begonnen over het werk van den dag te praten. + +"Weet-e gij, Fons, mee hoevele da we zillen zijn?" vroeg Miel. + +Alfons noemde op: Bros Cnudde, Drieske Nijpers, Miel Pese, Sies de +Seissekoker, Vaprijsken en de Krommen Bulcke als mannen: Sieska +Verhelle, Fietje Cleemens, Maaie Troet, Irma Pese, Liza Cloet, Mietje +Moor en 't Geluw Meuleken als vrouwen; dat was dus samen, met hun vijven +meegerekend, achttien. + +"'t Es drei man te weinig, we'n zille veur den negen van den oavend nie +gedoan hen," bromde Dolf, Rozeke's jongste broeder. + +Allen waren 't met hem eens; het was te weinig, eigenlijk wel vijf, zes +man te weinig voor zulk een uitgestrekten vlasgaard als dien van +Kneuvels. En duchtig begonnen de twee Van Dalens af te geven op den +boer, die stommerik, die hakkelpot, die luiaard, die heele dagen dronken +op zijn hof of in het dorp liep, en zoo slecht op zijn zaken paste dat +hij nooit menschen noch beesten genoeg had om al zijn achterstallig werk +gedaan te krijgen. + +"Dat hij Smul, zijne peirdeknecht, nie 'n ha, hij zoe 'em in twie joar +tijd 't hoar deur zijn mutse boeren!" schimpte minachtend Miel. + +Dolf en La beaamden die woorden door een goedkeurend gemurmel, maar +Alfons fronste even in de duisternis zijn wenkbrauwen, toen hij Smul, +zijn vijand, aldus door Rozeke's oudsten broeder hoorde roemen. Hij had +zich dicht bij Rozeke geschoven, doch het gelukte hem geenszins, zooals +hij gehoopt had, zich met haar van de anderen af te zonderen. Zij deed +niet mee in 't algemeen gesprek, zij liep zwijgend naast La, die des te +drukker praatte en lachte, en alleen 't geklepper van haar kleine +klompjes, die trouw met de klompen van de anderen in stapkadans +meeklapperden, getuigde dat zij solidair met het gezelschap medeging. In +het duistere van den nacht kon hij niets van haar gezicht zien; en daar +zij niet meer notitie van hem nam als van een vreemde, kropte 't in zijn +keel van ingehouden droefheid, en vroeg hij zich wanhopig af wat hij +haar wel onbewust misdaan mocht hebben, toen zij eensklaps, als 't ware +door zijn stilzwijgen benauwd, het hoofd half naar hem omkeerde, en hem +met een lief zacht stemmetje vroeg hoe het nu met zijn moeder ging. + +"O, goed, heul goed," antwoordde hij haastig, met een plotseling gevoel +van innige dankbaarheid en warmte, omdat ze niet boos was op hem zooals +hij vreesde. En eerst nadat hij zoo instinctmatig, op een innigen +juichtoon had geantwoord, wijzigde hij zijn al te optimistisch gezegde +en bekende dat zijn moeder wel iets beter, maar toch nog heel heel +zwakjes was. + +"'t Zal beteren as 't weere wa afkoelt; 't he toch zeu woarm geweest de +loatste viertien doagen," meende Rozeke. + +Hij liep een poosje zwijgend naast haar, gansch ontroerd van vreugd, +zijn geest inspannend om nu toch ook weer iets te zeggen dat het gesprek +zou gaande houden. Maar hij kon eensklaps niets meer bedenken; al de +woorden die hem op de lippen kwamen zeiden heel andere dingen dan wat +hij mocht of durfde uitspreken, en hij voelde zich ellendig en onhandig +als een dom, onmondig kind. Hij beet op de lippen en in de duisternis +verkrompen zijn gelaatsspieren als van pijn, terwijl hij haar zoo heel +dicht aan zijn zij zag loopen, zoo heel en al in zijn bereik en lief +gestemd nog, maar inwendig zeker reeds teleurgesteld, omdat hij nu zoo +weinig op haar tegemoetkomende vriendelijkheid inging. + +Zij waren bij den ingang van het dorp gekomen en moesten er dwars door +om dan verder weer den weg naar boer Kneuvels' boerderij te volgen. En +nauwelijks kwamen zij tusschen de eerste huizen in het hol gegalm van +hun klompen op het hobbelig straatplaveisel, of daar hoorden zij, van +uit een zijstraat, luide kreten in de stilte van den nacht weerklinken. + +Zij hielden even stil en luisterden, en dadelijk wisten zij dat het +andere slijters waren, die ook naar boer Kneuvels' hoeve gingen en bij +het hooren van hun stappen naar hen hadden geroepen, wel vermoedend dat +zij voor hetzelfde doel zoo vroeg van huis trokken. + +Het waren twee mannen en twee meisjes: Bros Cnudde en Vaprijsken, met +Liza Cloet en 't Geluw Meuleken. Zij juichten luid toen zij zoo +onverwacht de Van Dalens en Alfons om den hoek der straat ontmoetten, en +in een drukke lawaaiige groep gingen zij nu samen verder de stille Groote +Dorpsstraat in, reeds opgewonden door 't vooruitzicht van den langen dag +van gemeenschappelijke pret en zwoegen, die nu reeds begonnen was. + +Bros Cnudde zette 't in met het traditioneel, luid-galmend geroep: + +"Zijn we te goare?" + +waarop al de anderen antwoordden: + +"Joa w'!" + +"Blijven we heul den dag te goare?" + +"Joa w'!" + +"Goan we bij boer Kneuvels slijten?" + +"Joa w'!" + +"Goan we veel dzjenuiver drijnken?" + +"Joa w'! Joa w'!" + +Zoo ging het voort, in allerhande juich-en-nonsenskreten, uit louter +opwinderij, omdat het nu eenmaal de gewoonte was bij 't slijten, dat men +den langen, zwaren arbeidsdag door zooveel mogelijk pret en opwinding +vervroolijkte. Zij gilden en zongen, en stampten met hun klompen op de +klinkende straatkeien, om de rustige, slapende burgers ook eens goed te +ergeren; zij schudden aan de enkele, nog brandende lantarens in de +stille, donkere straat; zij keften tegen de razend-keffende hondjes +achter de gesloten deuren, kraaiden op 't gekraai der hanen, en bootsten +ook het gemiauw van katten na; en midden op de brug van het kanaal +dansten zij hand aan hand een ronde, stampvoetend dat de ophaalketens in +hun hengsels ervan schommelden en klapperden. Zij moesten 't maar weten, +al die vette luilakken van burgers die nu in hun bed lagen; zij moesten +ook maar eens om een uur 's nachts opstaan en mee gaan slijten; en +meneer de pastoor en zijn meid moesten het ook maar weten, en meneer de +notaris en meneer de burgemeester moesten 't ook maar weten; zij waren +slijters en de rest kon hun niet schelen... en verder trokken zij door, +het geheele dorp uit zijn nachtelijke rust opschuddend, schreeuwend, +zingend en klompen-klabbetterend tot zij weer buiten waren, in de +eenzaamheid en stilte van het nachtelijk zomerland. + +Daar stond de groote, sombere hoeve, laag en breed uitgebouwd met haar +stallen en schuren, achter de donkere boomen van de oprijlaan en van den +uitgestrekten boomgaard. Twee vensterramen van het woonhuis waren hel +verlicht; de groote waakhonden blaften in het gerinkel van hun +kettingen. + +Een voor een traden zij door de openstaande voordeur en een gangetje +binnen, en kwamen, links, in de helderheid van een groote plaats, de +oogen knippend tegen 't licht, en machinaal "elk ne goen dag" wenschend. +De ruime boerenkeuken met haar glimmend tin en koper boven op den +breeden schoorsteenmantel en alom tegen de muren, was reeds druk gevuld +met mannen en vrouwen, die op twee lange houten banken aan beide zijden +van een lange ruw-houten tafel zaten te eten en te drinken. Alfons +herkende beurtelings Maaie Troet en Mietje Moor, Sieska Verhelle en +Fietje Cleemens, Miel en Irma Pese, Drieske Nijpers, Sies de Seissekoker +en de Krommen Bulcke. 't Was al jong volk, behalve Sieska en de Krommen +Bulcke, en zij juichten allen luid toen zij de bende der Van Dalens +zagen binnenkomen, en schoven joelend op elkaar om plaats voor hen te +maken. De boerin, een jonge, knappe vrouw, met levendige donkere oogen +en zwarte haren, liep bedrijvig heen en weer om allen te bedienen; de +boer, een veertigjarige lummel met paarsrood gezicht, stond, bij den +schoorsteen geleund, tegen de dichtst bij hem zittenden te brabbelen en +te hakkelen. + +Alfons merkte, met een enkelen blik, dat Smul, de paardenknecht, in de +keuken niet was. + +Hij nam plaats bij de anderen, naast Rozeke, op een der lange houten +banken, en zij gebruikten hun eersten maaltijd: dikke tarwesmouterhammen +met groote koppen slappe koffie. Zij hadden honger van het loopen door +de frissche nachtlucht en aten vlug en zwijgend in het druk gebabbel van +de anderen, omdat zij reeds wat laat waren. De hooge stapels wit brood +smolten als sneeuw op de breede, platte teilen. De ouderwetsche klok in +haar lange eiken kast tegen den achterwand sloeg langzaam twee uur. +Enkele mannen stonden op en staken hun pijp aan; de vrouwen ontplooiden +haar grauwe werkschorten en stroopten lange grauwe mouwen over de +voorarmen. + +"Ala k... jongens,... 't... 't zal tijd worden," hakkelde de boer. De +laatst aangekomenen slokten en slorpten met haast de groote brokken en +de lauwe koffie in, en weldra stonden allen klaar. Toen ging de deur ruw +open, en Smul trad binnen. + +"Elk ne goen dag!" riep hij bruusk, zonder iemand aan te kijken; en hij +ging naar de tafel, nam een smouterham, schonk zichzelf een kom met +koffie in, en begon nu ook, zonder te gaan zitten, schrokkig te eten en +te drinken. + +"He... he he-je de peirden al gegeen, I... I... Ivo?" vroeg stotterend +de boer. + +"Joa ik," antwoordde hij lomp, zonder zijn meester aan te kijken. En +zijn barsche blik bleef eensklaps strak gevestigd op Rozeke, die hij nu +naast Alfons ontdekt had. + +Instinctmatig keek zij even met haar heldere oogen naar hem op, terwijl +zij haar mouwen aan 't vaststrikken was, en met een korte rilling, als +van schrik, sloeg zij die dadelijk weer neer, terwijl een lichte kleur +over haar wangen kwam. Alfons merkte het en zijn wenkbrauwen trokken +zich samen. Boos-wantrouwend keek hij den paardenknecht vlak in 't +gezicht. Smul, de wangen kauwend, de lippen aan zijn koffie, staarde, al +over den rand van zijn kom, brutaal onverschrokken, Alfons' blik tegen. +De rosse stekels van zijn snor stonden als 't ware dreigend overeind; +zijn kleine oogen glinsterden, staalblauw en hard. Geen van beiden sprak +een Woord, maar in hun zwijgenden kruisblik lag al de haatdragende wrok +van hun oude vijandschap. + +"'t Zal zomer zijn van doage!" riep enkel Smul op een toon van +uitdaging, als gold het een schimpende hatelijkheid die een ieder wel +begrijpen moest; en meteen zette hij ruw zijn kom op de tafel neer, en +drong met groote, haastige schreden, door de drukke groep heengaande +slijters naar de deur. + +"Loast an 't eten, iest an 't wirken!" hoorde men hem nog even buiten +roepen, terwijl hij in het donker deurgat van den paardenstal verdween. + + * * * * * + +De slijters stonden allen buiten op het erf nu, en als een dichte, +grauwzwarte groep, gingen zij, luidruchtig pratend, onder dof +klompengetrappel, naar het openstaande hek. De boer volgde, met onder +iederen arm een groote flesch jenever. Woest blaften de waakhonden, en +de hanen, ontwaakt, begonnen schril te kraaien. De sterren blonken hier +en daar als gouden punten in het pikzwarte loovergewelf der dubbele rij +boomen van de lange oprijlaan, en een heel zacht windje ging suizend +door de ritselende kruinen. Weer zwijgend nu in 't drukke praten van de +anderen, liep Alfons naast Rozeke. Zijn hart was zoo vol, uren en uren +lang had hij met haar wel willen spreken, en nogmaals vond hij geen +woord. De tegenwoordigheid van al die anderen hinderde en benauwde hem, +maakte 't hem onmogelijk haar iets te zeggen, hoewel hij instinctmatig +voelde dat ze naar zijn woorden wachtte. Had hij de uitdrukking van haar +gezicht maar kunnen zien, had hij maar eerst zwijgend kunnen spreken met +zijn oogen, dan zou het zich wellicht van zelf in hem ontboezemd hebben; +maar hij zag niets dan die vage, donkere gestalte naast zich, en hij +voelde wel dat alles wat hij zeggen zou misplaatst en wanluidend zou +klinken. Hij keek haar van terzijde aan, tersluiks, met schuwe oogen; +wachtend op hij wist niet wat in zijn toenemende bedeesdheid, wachtend +op een woord van haar, op een toevallige aanvoeling, op een gezegde van +een ander, dat hem aanleiding zou geven om ook te spreken en uit zijn +onuitstaanbaar-drukkende knelling verlost te zijn. Hij voelde zich +bespottelijk worden, het suisde in zijn ooren, hij moest, hij zou iets +zeggen, om 't even wat, al was het nog zoo dom, en hij opende reeds +machinaal zijn lippen, toen plotseling, aan zijn andere zij, in het +geraas der drukke bende, een schelle stem opging, een lachende +scherts-stem, die plagend vroeg: + +"Wa scheelt er aan dat-e gulder tegen mallekoar nie 'n spreekt? Zie-je +mallekoar nie geirn mier dan?" + +Als onder een schok keerde hij zich om en herkende in de duisternis de +struische gestalte van Irma Pese. Onopgemerkt was ze naast hem komen +loopen. Haar oogen glommen van ondeugende pret in 't donker, en even zag +hij, als een kleine lichtstreep in haar vaag gezicht, de witte +schittering harer tanden. + +"Wa vertelt-e gij doar!" riep hij gansch onthutst, en meteen keerde hij +zich naar Rozeke, en staarde haar peilend in de duisternis aan. + +Het kwam hem voor of haar gelaat, tot nu toe door het grauwe van den +nacht omneveld, zich plotseling met bijna duidelijk omlijnde trekken +bezielde. 't Was als een vage, teere straling om haar fijn profiel, een +glimlach als van zoete stille vreugd, een uit de duisternis opleven en +hem te gemoet komen van gansch haar zacht en ietwat tenger wezentje. Hij +voelde eensklaps als een tinteling heel zijn lijf doorstroomen, en het +ontsprong als van zelf uit zijn lippen, het borrelde en bruiste op als +'t water uit een bron, terwijl hij zich, met snel-hamerend hart en +jagenden adem, weer tot de dikke vroolijke deerne wendde: + +"Of ik heur nie geirn mier 'n zie! Joa ik, zulle, 'k zie heur zeker nog +geirne!" + +Hij hijgde en stokte. Daar!... daar had hij 't plotseling gezegd, alles +en nog meer zelfs dan hij zeggen wilde! Het was er uit! Ze wist het nu! + +Hij duizelde even van zijn waagstuk, hij hoorde, als in een droom, de +dikke Irma luidop schaterlachen, en Rozeke, beschaamd en half verwijtend +stamelen: "Ah moar Fons, wa peist-e toch!" Maar hij had het gezegd, +het was er uit, er uit!... en hij juichte inwendig, en voelde een +gewaarwording van licht geluk, alsof een ondraagbaar-zware last hem +eensklaps van het hart genomen was. + +Met stralende oogen, zonder acht te geven op 't schertsen der heele +bende, die met de ondeugende Irma om zijn onverwacht antwoord +medelachte, durfde hij nu Rozeke onbevangen aankijken, en 't kwam hem +voor alsof zij, in het schemerduister, onder zijn langen liefdeblik, +meer en meer vast-levende vormen kreeg. Hij zag nu duidelijk iets van +haar gelaat: haar kleinen mond, haar fijnen neus, de vage bleekheid van +haar voorhoofd en haar wangen, de donkere golving van haar haren, den +stillen glans van haar op hem gerichte oogen... En eensklaps zag hij +heel haar tengere gestalte duidelijk omlijnd uit de grauwheid van den +nacht oprijzen, en even om zich heen starend zag hij ook de duidelijker +wordende gestalten van al de anderen, en het alom lichter worden van den +grauwen nacht. Een fijn, kort vogelgezang kweelde ergens in de nabijheid, +een haan kraaide, een zacht-zingend geluid klonk in de verte: het +duidelijk hoorbaar slijpen van een zeis. Het duizelde in zijn geest, +en 't was of hij nog maar half wakker was en nog droomde, tot hij met +heel de bende op een breeden, mullen zandweg stond, dichtbij een +uitgestrekte, nevelige vlakte, die leek een zwaar en dicht begroeid stuk +weiland. + +Zij stonden voor den grooten, rijpen vlasgaard die dien dag geoogst +moest worden, en 't schemerig schijnsel, dat meer en meer aan alles zijn +vaste, duidelijke vormen gaf, was 't zacht en stil geboren-worden van +den zomer-dageraad. + + * * * * * + +Boer Kneuvels trad naar voren en hield glimlachend zijn beide flesschen +jenever in de hoogte. + +"A... allo, jongens, ne nen dreupel om te beginnen!" stotterde hij. +"Ie ie iest d' ouwste." + +Een dof rumoer van pret ging op, en de Krommen Bulcke, die de oudste +was, kwam naar hem toe. Hij nam de tabaksprop, waaraan hij reeds aan +'t kauwen was, uit zijn mond, en spuwde links van zich af. + +"Ik ben den ouwsten!" riep hij. Maar Sieska Verhelle snelde toe en +beweerde dat zij de oudste was. Er werd even gekibbeld en gelachen. Zij +moesten hun geboorte-jaar zeggen en toen het bleek dat de Krommen Bulcke +werkelijk de oudste was, kreeg hij het eerste glas. Hij dronk en gaf het +leege glas aan Sieska. Maar zij noemde hem "ouwen Buck" en veegde eerst +het glaasje schoon aan haar schort omdat het stonk naar zijn tabaksprop. +Om de beurt dronken zij nu, de mannen en de vrouwen, allen uit hetzelfde +glas, tot de twee flesschen leeg waren. Dat was de eerste prikkel voor +den langen zwaren arbeidsdag, die zonder veel jenever nooit zou +uitgehouden worden; en eer ze nu aan 't werk gingen was er een korte +stilte, en maakten zij allen een kruis. Dat riep Gods zegen over hun +werk, en hoog en vroolijk galmde dadelijk daarop de kreet: + +"Goan we beginnen?" + +"Joa w'!" + +en zij schaarden zich op een lange rij, bukten neer, en rukten in de +grijze schemering de kille, natbedauwde stengels uit, met volle grepen. + +De mannen rukten uit, de vrouwen legden de stengels in pakjes van een +handvol over elkaar, beurtelings met de zaadkorrels omhoog en omlaag, om +ze dan later, bij de verdere bewerking weer in afgepaste handvollen +terug te vinden. Iedere twaalf of vijftien pakjes werden met een strik +van enkele vlasaartjes tot een bundel saamgebonden, en op reke +neergelegd. Niemand sprak of schertste meer; allen werkten onverpoosd, +zonder opkijken door, zoo vlug zij konden, enkel bezorgd om vooral in +het begin goed op te schieten. Men hoorde geen ander geluid meer dan dat +van het aanhoudend uitgerukte vlas, en het klonk bijna pijnlijk in de +stilte van den nacht, als iets dat klagend en zuchtend, onder lastig +zwoegen, van elkaar werd gescheurd. + +Zij rukten en bonden, warm reeds en bezweet van den vluggen arbeid, en +om hen heen ontwaakte stil, zonder dat ze 't haast merkten, de teere +heerlijkheid van een frischgeboren zomerdag. Alles werd doorschijnend +wazig-grijs, heel licht, heel teer en ijl, als had nog niets zijn vaste +stevigheid van vormen en van kleuren. De lange vochtige vlasstengels van +vage tint plakten zich papperig-week tot slappe bundels samen, de ronde +zaadkorrels ritselden broos tegen elkander als natte, glazen balletjes; +en zij zelven, al die mannen en die vrouwen, stonden in een onreeele +atmosfeer, als wazige groote poppen, die heel licht een dood-eenvoudig +en gemakkelijk kinderwerk verrichtten. Het was iets zoo vreemds, dat zij +af en toe elkander instinctmatig aankeken, als 't ware om zichzelven te +overtuigen dat zij werkelijk levende wezens waren, die werkelijk-reeele +gebaren en bewegingen maakten. Een der mannen, Drieske Nijpers, hield +even op met rukken en stak de hand uit naar zijn buurman Miel van Dalen, +om hem van zich af te duwen, alsof hij hem hinderlijk in den weg stond. +En beiden lachten vreemd om die nuttelooze beweging, want zij stonden +passen van elkaar. De andere keken op en staarden ingelijks verbaasd +naar rechts en links, en dan ook achter zich om, naar de bindende +meisjes. Wat was het zonderling! 't leek of ze allen op een kluitje +stonden, en wanneer zij de handen uitstaken raakten zij elkander niet +aan. Even stonden zij daar allen lachend met wijd-uitgestrekte handen, +als blinden zoekend met onvaste schreden en gebaren, maar dadelijk in +'t stevig aanvoelen van elkanders lichaam schaterjoelden de mannen van +uitgelaten pret en poogde de een den ander om te gooien. Zoo kwamen zij +ook op de meisjes af, maar deze vluchtten gillend weg, en eindelijk +omringden zij allen den boer, die vruchteloos tegenworstelde en +stotterde, en eerst verlost werd uit hun dolle knelling op voorwaarde +dat hij dadelijk naar de boerderij twee versche flesschen jenever zou +gaan halen. Zij hadden, volgens oud gebruik, recht op een liter per +hoofd, en de boer stotterend, haastte zich weg, terwijl allen met +vernieuwden moed weer aan den arbeid gingen. + + * * * * * + +Toen steeg opeens, als een zachtjubelende groet van levenslust en +liefde, een teer en fijn gezang van uit de grijze lucht naar den +langzaam ophelderenden hemel. Het galmde zoo frisch en zoo rein en zoo +zoet, zoo vol ontroerde melodie, het steeg in de geurende atmosfeer als +een zingende extaze tot de laatste, wegbleekende sterren; en zij zagen +'t eerste leeuwerikje van den pas-geboren zomerochtend, wervelwiekend in +het trillen van zijn fijne vlerkjes, naar de hooge, ijle, lichtblauw- +wordende lucht. Het steeg en steeg, steeds hooger en hooger, als wou het +aan den verren, doffen horizon iets zoeken, dat slechts van uit de +ontoegankelijkste regionen te ontdekken was. En toen scheen het eensklaps +onbewegelijk te blijven hangen, niet zichtbaar meer voor hen die daar in +'t grijs beneden stonden, en alleen zijn gezang parelde nog steeds, heel +fijn nu, als in kristallen droppels op de aarde neer, terwijl ginds heel +heel verre in 't Noord-Oosten, een transparant-geelachtig schijnsel, over +een lange, lage en smalle uitgestrektheid, als de weerschijn van een +eindeloos verren brand den doffen einder kleurde. Het was de dageraad. +Een frisch, bijna kil windje kwam even aangewaaid, en stierf meteen, als +'t ware zuchtend, uit: en plotseling stonden al die mannen en die vrouwen +in 't wezenlijk grijs-roze licht van alle vroege ochtenden, en lachend +groetten zij elkaar nog eens "goen dag", als kwamen zij maar pas elkander +te ontmoeten. + +Reeds keerde de boer met de twee volle flesschen jenever terug, en +opnieuw dronken zij, de mannen en de vrouwen, ieder twee borrels, uit +het eenig, om de beurt van hand tot hand gaande glaasje. En dadelijk +bukten zij met inspanning weer neer over den ruwen arbeid, de mannen +rukkend en de vrouwen bindend, in een van lieverlede weer opkomende roes +van drukte en lawaaiigheid. Vliegensvlug ging het werk vooruit nu, zij +trachtten elkander de loef af te steken; de mannen rukten om de meisjes +te overstelpen, en de meisjes bonden en slingerden de bundels om zich +heen en kwamen in hollende haast de stengels tot onder de voeten der +mannen oprapen. Zij grabbelden en schaterden en lachten, geen van allen +wou voor een ander onder doen, en 't ging zoo voort tot zij eindelijk +niet meer konden en hijgend en blazend allen te gelijk even ophielden, +en afgemat, met druipende gezichten en hangende armen, op den vlasgaard +neerzakten. + +De Krommen Bulcke en de oude Sieska bromden. Was dat nu werken! 't leek +wel jongensspel! Maar al de anderen hadden uitgelaten pret, en zij +hielden de twee oudjes voor den gek en stelden spottend voor hun een +tafeltje en een paar stoelen te halen. Doch de ochtend vorderde en de +nog te bewerken oppervlakte was ontzaglijk groot, en weer gingen zij aan +'t werk, kalmer nu, in een gelijke, vlugge rythme zonder overhaast. Zoo +moest het gaan, zoo zouden zij ook klaar komen; en in die gelijkmatigheid +van arbeid kwam een soort gezelligheid, met lust tot praten en tot zingen. + +Alfons, stilzwijgend in 't geraas der anderen, hield tersluiks Rozeke in +'t oog. Zij stond schuins achter hem en deed ook slechts van verre in de +jool der anderen mee, maar af en toe, terwijl hij vluchtig naar haar +omkeek, kruiste zijn blik zich even met den hare. En het zong van geluk +in zijn ziel, terwijl hij, in 't geroezemoes der drukke bende, alleen +met zijn gedachten en zijn nu vaststaande plannen, aan de zacht-heerlijke +toekomst dacht. Te lang had hij met haar getalmd; thans was hij vast +besloten haar te vragen; zij zouden trouwen en voorloopig hun intrek +nemen bij zijn oude moeder, in het bouwvallig, maar gezellig huisje met +de kleingeruite raampjes en het grauwe stroodak, onder het lommer van de +hooge, zacht-ruischende populieren. Hij was vol illuzien, hij zou voor +haar werken en zij zou voor zijn oude moeder als een dochter zorgen; zij +zouden zoo gelukkig en zoo vreedzaam met hun drieen leven, en in de soms +drukkende kleurloosheid van zijn eenzaam bestaan zou zij plotseling +verrijzen als de zachte, warme lentezon, die alles opfleurt en +verlevendigt.--Hij peinsde verder, dieper de toekomst in: moeder, op +gevorderden leeftijd gestorven, door Rozeke's teedere zorgen omgeven, en +zij beiden voortaan alleen in het huisje, met hun kinderen. Hard werken +zou het dan wezen, maar het geluk gaf moed en kracht; daarvoor was hij +niet bang. Zij zouden wel ieder jaar zien rond te komen en zelfs een +klein beetje op zij kunnen leggen, voor later. En dan, ja, wie kon het +weten, zijn oude nicht Begijntje, die te Gent in 't Klein Begijnhof +woonde, liet hun ook misschien iets na! Daar dacht hij plotseling aan +met diepe emotie, als iets dat bijna moest gebeuren. Zijn moeder, en na +zijn moeder, hij, was 't eenig familielid, die nicht Begijntje nog +bezat. Zij had geld, veel geld, beweerde men, en ieder jaar, in Januari, +ging hij haar met zijn moeder in 't Begijnhof een nieuwjaar wenschen, en +kreeg tien frank van haar. Zonder twijfel zou nicht Begijntje in haar +testament wel heel veel van haar vermogen aan 't Begijnhof achterlaten, +maar zou er ook niet iets voor moeder en voor hem, haar eenige +bloedverwanten, overblijven? En eensklaps dacht hij dat hij vooral niet +vergeten mocht nicht Begijntje's goedkeuring te vragen om met Rozeke te +trouwen. Gelukkig dat hij daaraan nu plotseling dacht! Wat zou nicht +Begijntje wel zeggen indien hij daar zoo opeens met Rozeke voor haar +stond, en zei: "Nicht Begijntje, ik ben getrouwd en hier is mijn vrouw." +Wat zou ze 't hem kwalijk nemen en wellicht nooit vergeven, als hij haar +zoo schandelijk miskende! + +Overal nu, hoog boven alle de velden, hingen de zachte leeuwerikjes +onverpoosd te orgelen, in de ijle, teere, wazig-blauw geworden lucht. +'t Was als een aanhoudende melodie zonder begin en zonder eind, als de +rythme zelf van de ontwakende natuur. En alles om hen heen kreeg nu ook +meer en meer zijn vaste vorm en kleur: het vlas waarin zij zwoegden lag +scheef en schots geslagen door de laatste zomer-onweersregens, als een +reusachtige vacht van levende, ongekamde, geel-groene borstelharen; de +blonde korenakkers er omheen bogen hun rijpende halmen naar den grond; +de aardappel-landen lagen somber-groen, met al de rechtopstaande witte +trosjes van hun bloeisel als zoovele zilverwit brandende kaarsjes; de +nog grijs-groene haver trilde door al haar miljoenen bepareldauwde +klokjes, en de bloeiende klavervelden vlamden alom als paarse en roze, +plat ten gronde uitgestrekte vlaggen, tusschen die schitterweelde van +smaragd en goud. Aan den einder, boven de kruinen van de verre vage +boomen, verrees de zon in een chaos van oranje en grijze wolken, als een +boudeerende godheid, als een groot en machtig wonder, dat zich +ongenaakbaar achter nevelen verborgen houdt. 't Begon reeds benauwd warm +te worden. + +"Onweer of regen van doage!" voorspelde de Krommen Bulcke, even +opkijkend en blazend. + +"Onweer in ou broek!" spotte Vaprijsken. En allen moesten schaterlachen. + +Op het veld, langs de eenzame wegen, begon langzamerhand leven en +beweging te komen. Karren dokkerden in de verte, hanen kraaiden overal, +roepstemmen galmden. Onzichtbare maaiers waren ergens aan het werk en in +de ijle, stille lucht, hoorde men af en toe de zeisen slijpen. Heel in +'t verschiet roffelde dof een trein, met rythmisch zuchten van stoom en +lange nadreuning over metalen brug. + +"Hoe loate zoe 't al wel zijn?" vroeg eensklaps een der mannen. En als +een antwoord begon het juist op den kerktoren te slaan en zij telden +vier langzame slagen. Vier uur; 't was volop dag. Zij keken om naar het +reeds afgelegde werk en voelden zich tevreden. Met nieuwen moed bukten, +rukten, bonden zij, al pratend en zingend. De schrille neusstemmen der +vrouwen galmden in fausset-klank tusschen 't zacht en puur gekweel der +leeuwerikjes; de zware keelstemmen der mannen bromden mee in ondertoon. +Een hondenkar bespannen met vier groote honden kwam ratelend in wilden +ren en woest geblaf over den steenweg aangereden, en in de verte, +tusschen de boomen der oprijlaan, zagen de slijters boer Kneuvels met +twee versche flesschen jenever aankomen. Zij juichten hem met rauw +geschreeuw van verre te gemoet, zwaaiend met hun petten en hun +handen.... + + * * * * * + +De leeuwerikjes hadden al een tijd als dol gezongen, en het was zeven +uur en de grootste helft van den vlasgaard was uitgerukt en lag in +geelgroene bundels verspreid over het plat-getrapt veld, toen de lucht, +die sinds een poos steeds grijzer en somberder werd, plotseling in een +overweldigende, lauwe regenbui losbarstte. Het duurde niet lang, maar +zij konden nergens schuilen, en in enkele minuten waren zij allen +doornat. De druipende mannen zagen er uit als uit het water gehaalde +honden, en de vrouwen zaten allen "in de zij" gestoken, zooals ze 't +schaterlachend noemden: al hun kleeren plakkend om het lijf gegoten, met +natten weerglans als van fijn-glimmende zijde. + +"Kijk ne kier! Kijk ne kier! 'k zit in de zije en 'k droage ne sleep!" +giegelde Irma Pese, met doorgezakte knieen en wringingen van heel het +lijf haar morsigen rok over het veld heen en weer dweilend. Maar de +mannen keken minder naar haar rok dan naar haar bovenlijf en dijen, waar +de volle vormen zoo rond afgegoten waren, dat het alles meehuppelde en +trilde in de dolheid van haar wispelturige bewegingen. Drieske Nijpers +en de Seissekoker staakten alle twee het werk om haar met begeerig- +glinsterende oogen aan te kijken, en plotseling vloog de Seissekoker +als gek op haar af, greep haar met zijn beide armen in het middel dat +zij er bijna van omsloeg, en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen +op den mond. Zij worstelde zich giegelend los en sloeg hem zonder +boosheid van zich af; en allen schaterden en gilden om het meest, +terwijl ieder van de mannen nu op een der meisjes afvloog. Het vocht en +schreeuwde en schaterde even alles door elkaar, enkele vrouwen boos, de +meeste jolig, als een wilde bende uitgelaten jonge dieren. Zelfs de oude +Krommen Bulcke wilde meedoen, en vloog waggelend op zijn scheeve beenen +naar de oude Sieska toe, de eenige werkelijk booze, die hem met een +ruwen vuistslag van zich afweerde; maar wat hen allen bij het eindigen +der dolle pret nog 't meest deed lachen, was het vreemd gezicht van +Alfons en van Rozeke, die als 't ware aaneengebonden nog steeds in +elkanders armen stonden, nadat al de anderen elkaar reeds hadden +losgelaten. Bij 't eerste sein der wilde uitspatting was hij recht op +haar afgesneld, zoodat geen ander haar kon nemen, en daar stond hij nog +zooals hij haar had vastgegrepen: de rechterhand beschermend om haar +middel, de linkerhand over haar schouder en zijn blik in smachtende, +biddende liefde op haar aangezicht gevestigd. Zij hield de oogen neer en +wachtte, een warme kleur over haar wangen, de losse bruine krulletjes om +'t voorhoofd en de slapen door glinsterende regendroppels nat-bepareld. +Hij zou en wilde 't haar nu eindelijk in duidelijke woorden zeggen, maar +plotseling zag en hoorde hij het spotgelach van al de anderen, en rood +van spijt en schaamte liet hij haar weer los zonder nog een enkel woord +te kunnen vinden. + +Maar er kwam afleiding opdagen. De paardenknecht der hoeve was in +aantocht om de eerste vracht groen vlas naar de rooterij te vervoeren. +Zij zagen van verre het tweespan met den wagen komen, hobbelend in +gestrekten draf door de lange oprijlaan der boerderij, met Smul rechtop +van voren, de beenen wijd-opengeschraagd, de zweep snel-klappend- +slingerend in de lucht. Alfons fronste de wenkbrauwen: daar kwam de +vijand aan. Maar al de anderen keken met een soort van eerbied en +bewondering en 't deed hem leed dat Rozeke ook iets van dien eerbied en +bewondering scheen te voelen. O die Smul, wat wist hij met de paarden om +te gaan! Zij sidderden en snoven zoodra ze zijne stem maar hoorden of +zijn hand aan de leidsels voelden. Ja, gelukkig voor Kneuvels dat hij +zulk een "boever" had; anders was hij al lang boer-af, met zijn heele +godsche dagen zwadderen en drinken!--Smul, rechtop met uitgesperde +beenen op den ratelend-hotsenden wagen, kwam als een rukwind uit de +oprijlaan gestoven, zwenkte zonder zijn wilde vaart te stremmen links +om, kwam recht als een kogel, in daverenden draf, op den vlasgaard +aangerukt. De blonde manen van zijn sterke vossen wapperden als +rook-en-vlamme-tongen in den wind, en groote brokken modder-aarde vlogen +wentelend met de wielen op. Blijkbaar was hij prat over die gapende +bewondering van allen, en vlak voor den vlasgaard hield hij met een +plotsen ruk zijn paarden in, sprong af en greep ze alle twee bij de +gebitten vast, schuddend en duwend, terwijl de jagende beesten +steigerden en hinnikten, met snuivende, schuimende bekken en +angstig-wild draaiende oogen. + +"Hierrr zilt-e stoan, peirden van luxe!" bulderde hij, ze met een +laatsten, ruwen wrong twee passen achteruitduwend; en trotsch omdat +ze gedwee en bevend als lammeren gehoorzaamden, klopte hij hun even +vriendelijk op den hals, wipte weer op den wagen en tilde een zware +mand in de hoogte, nu roepend tot de slijters: + +"Allo, hier!... uldere fricot!" + +Hij had hun tweede ontbijt meegebracht, en bij dit zicht straalden de +oogen, en allen voelden plotseling den scherpen honger, waarvan zij tot +nog toe, onder het harde werken, den knagenden prikkel hadden +onderdrukt. + +"Joa moar, iest mijne woagen loan!" eischte Smul, hun de mand +overhandigend. + +"Ha moar Ivo jongen, loat ons iest eten, we zien scheel van den honger," +smeekte de oude Krommen Bulcke. + +Doch er was geen zeggen aan. Smul ging aan 't vloeken, sprong weer +beneen en begon zelf de groene bundels op den wagen neer te ploffen. +Toen hielpen zij hem allen en in enkele minuten was de zware vracht +opgeladen. + +"Jue, nondedzju!" bulderde Smul. + +Zijn zweep klapte als razend, en de twee paarden, rillend als van schrik +tegen elkaar gedrongen, spanden hun krachtige lenden dat het harnas er +onder kraakte, en rukten eindelijk den wagen met zijn ingezakte wielen +uit den kleverigen moddergrond op. + +"Och Hiere, die biesten moeten toch trekken!" riep de oude Sieska +meewarig. + +"Ze'n trekken aan mijn hoar niet!" brulde Smul; en weg was hij, in +gestrekten pas nu, hangend aan de leidsels die hij ruw op de gebitten +snokte, aanhoudend schreeuwend, vloekend, en klappend met zijn lange +zweep over de glimmend-gespannen ruggen der paarden, die trokken en +trokken, alsof de dood hen op de hielen zat. + +"Nondedzju!" riep een der slijters, pal van bewondering. + +Alfons zei geen woord. Hij keek naar Rozeke. Haar strakke oogen volgden +een poos den aftrekkenden wagen, en toen keerde zij zich om en huiverde, +als van kou. Haar blik viel op hem, en zacht en teeder staarde zij hem +zwijgend even aan, en in zijn ziel juichte 't hoog op van zalige +ontroering. Neen neen, zij hield niet van dien woesteling en bewonderde +hem ook niet. Zij hield van hem, alleen van hem, en zou de zijne +worden!... + + * * * * * + +Even voor tien uur hadden zij, onder uitbundig gejubel, de laatste +stengels van den ontzaglijken vlasgaard uitgerukt en tot een laatsten +bundel in elkaar gebonden. Nu lag het gansche naakte veld bezaaid met +groene bundels, en daar waar 't hooge, rijpe vlas stond, schemerde nog +nauwelijks, vlak bij den grond, als een dons van grauwachtig groen, het +fijne wortelloof, dat, tegelijkertijd met 't vlas gezaaid, eerst nu zijn +vrije beurt van wasdom zou krijgen. Het eerste gedeelte van hun zwaren +arbeid was volbracht; en zij verademden even en dronken weer een borrel +uit de flesschen die de boer voor de zooveelste maal van de hoeve had +gehaald. Zij waren nog niet dronken, maar enkelen toch begonnen vreemd +te doen. Irma Pese had van Vaprijsken een gevulde pijp gekregen en +rookte met gulzige smakken, veel te gauw, als een kwajongen voor hij +rooken kan. La, Mietje Moor, Maaie Troet, het Geluw Meuleken en nog een +zestal mannen en vrouwen omringden haar en moedigden haar spottend aan. +Alleen Vaprijsken, die de pijp gegeven had, stond onbewegelijk en +sprakeloos, als 't ware wachtend op haar te staren, een stillen glimlach +op zijn bleek, effen gelaat met gelen baard en gele snor, waarin de +kleine, bruingerookte schimp-mond als een donker putje lag. + +Plotseling rukte Irma ruw de pijp uit haar lippen en gooide die tegen +den grond, terwijl ze met een "pouah" van walging spuwde. + +"Wa scheelt er dan? Deugt den toebak niet?" giegelden de vrouwen. + +"Pouah! de smeirlap! hij het er papier in gestopt!" walgde Irma met een +verwoeden blik op Vaprijsken. + +"Papier nog al!" deed deze, zich onnoozel houdend en de pijp oprapend. +"Kijk kijk, 't es toch woar! wie mag da gedoan hen?" En onder algemeen +schatergelach haalde hij, kalm glimlachend in zijn gelen baard, een +vieze prop half versmeuld papier uit den bak. + +Bij dit zicht werd Irma groen en ijlings keerde zij zich om. Haar +schouders hikten even krampachtig op en neer, en plotseling zakte zij +klagend ineen met het hoofd tegen een bundel vlas. + +De anderen lieten haar maar liggen. Zij hadden nu pret met Krommen +Bulcke en oude Sieska, die beiden half dronken, elkaar ter wille van een +oude veete, heftig aan 't uitschelden waren. De Krommen brabbelde en +viel over zijn woorden, heelemaal overstelpt door het razend gekwebbel +en geschreeuw van Sieska, die hem eensklaps voor "ouwe smeirlap" +uitmaakte, en dat scheldwoord herhaalde: tien keer, twintig keer, dertig +keer, tot het werd als een blaffen en snauwen, zoo wild en dol, dat al +de anderen weldra begonnen mee te gillen en te blaffen, en ten slotte +hand aan hand een woeste ronde om de kijvers dansden, die aldoor maar +razend bleven doorschelden, de Krommen in verwarde klanken brabbelend en +stotterend, de oude feeks aldoor haar "smeirlap! smeirlap! smeirlap!" +krijschend, in zulk een furie dat het schuim haar op de lippen kwam. +Eensklaps rukte ze zich om en stak als uitersten hoon, met half +opgetilde rokken haar achterste naar hem uit, zoo woest-geweldig, dat +zij op den glibberigen bodem uitgleed en met 't gezicht tegen den grond +neerstortte. De mannen brulden 't uit en de meisjes gilden schrille +kreten, als werden zij door twintig handen te gelijk gekitteld, terwijl +de Krommen Bulcke, eerst even als verbluft staande, plotseling in een +reusachtig, onbedaarlijk, zegevierend schoklachen uitbarstte, zijn oogen +stralend op het schouwspel, zijn tandeloozen mond wijd open, zijn beide +grove handen beurtelings als biddend in de hoogte en dan wild-juichend +neerpletsend op zijn knokkelige, natte, kromme beenen, als een kind in +overdolle uitgelatenheid. Hij hoorde niet eens het woedend geschreeuw +van Smul, die, intusschen met zijn wagen terug gekomen, hem bijna omver +reed; hij stond daar nog een heele poos te proesten, nadat Sieska, +bevend van woede, weer opgestaan en met de anderen aan het laden was; +hij zwenkte eindelijk weg, gelukkig voor den ganschen dag, wat er +voortaan ook gebeuren mocht. + +Smul, recht op den wagen, stond geducht te brommen en te vloeken. Wat +dachten ze wel met hun lanterfanten en hun gekheid maken? Meenden ze +misschien dat hij tot laat in den nacht met zijn paarden heen en weer +zou rijden! Dadelijk moest de helft der mannen en der vrouwen naar den +rootput met hem mee om het vlas te helpen lossen en aan 't reepen en +rooten te gaan. De andere helft moest op de partij blijven en de bundels +aan den rand van den landweg brengen. Hij sprak en beval alsof hij de +baas was, en toen een der slijters hem vroeg of de boer het zoo geschikt +had, antwoordde hij vloekend dat de boer al met een stuk in zijn kraag +liep en dat hij nondedzju zijn broek veegde aan den boer. De wagen werd +opnieuw geladen en de slijters bespraken even onder elkaar wie mee zou +gaan en wie zou blijven. + +Alfons kwam heimelijk naast Rozeke geschoven. + +"Wat doe-je gij?" vroeg hij fluisterend. + +"Lijk of ge wilt," antwoordde zij zacht. + +Wat vond hij 't lief van haar, dat zij haar besluit van 't zijne liet +afhangen. + +"Ik blijve," zei hij. + +"Ik ook," murmelde zij. En beiden gingen achteraan staan. + +De meesten wilden trouwens mee, om de verandering en de pret. De meisjes +wipten giegelend midden in de groene bundels op den wagen, de mannen +zouden loopen. Met een woedenden blik keek Smul Alfons en Rozeke even +na. Zij hoorden hem wat pruttelen van "verdomsche leeggangers" maar +trokken 't zich niet aan. Hij zweepklapte en rukte aan de leidsels, en +de schichtige paarden stoven vooruit, met wreed-blikkerend wit van oogen +en overeind-wuivende manen. De rootput lag verre, in een weiland, aan de +andere zijde van het dorp. Het was een heele sjouw om al dat vlas +daarheen te vervoeren. Het was er geen mindere de zware bundels van het +verste einde der partij naar voren aan den weg te brengen; en zonder +verder talmen gingen de overblijvers weer aan 't werk. + +De heete zon priemde af en toe met scherpe schichten door de grijze +wolken en kroop het oogenblik daarna, als verstoppertje spelend, weer +achter sluiers weg. De leeuwerikjes orgelden steeds onvermoeid in 't +hooge van de lucht, en bijwijlen galmden nu ook in de verte de zwaardere +contralto-stemmen van wielewaal en koekoek. Stil fladderden soms gele en +witte vlinders rond, loom zwenkend als vermoeide wezens; en heele kleine +kapelletjes: bruinroode, met zwarte stippeltjes, of louter azuurblauwe +zonder een vlekje, zaten roerloos op de lichte, schrale wortel-kruidjes, +nu eens met schitterende open vlerkjes in de heete zon te genieten, dan +weer met doffe, mes-fijn dichtgeknepen vlerkjes in de schaduw te rusten +of te slapen. De Krommen Bulcke, die op 't veld gebleven was, keek nu en +dan gebogen-luisterend naar den einder, en beweerde dat het in de verte +donderde. + +Om de drie kwartier keerde Smul met zijn leegen wagen terug. Zij zagen +en hoorden hem komen van verre in de woestheid van zijn rennen, en in +vliegende haast werden de bundels opgeladen. Telkens keek Alfons hem +even vluchtig aan. Hij nam geen bizondere notitie van Rozeke, hij keek +naar niemand, hij schreeuwde maar, in onstuimige drift, als tegen een +troep beesten, dat ze zich moesten haasten; en terwijl zij laadden ging +hij naar de jeneverflesch en dronk groote borrels, soms twee drie na +elkaar. + +Toen sloeg het op den onzichtbaren kerktoren twaalf trage slagen, en te +gelijkertijd klingelde schel het klokje boven op het dak der +boerenwoning, de arbeiders naar 't noenmaal roepend. Zij lieten dadelijk +de bundels vallen en trokken in groep naar de hoeve. Weer voelden zij +plotseling allen een knagenden honger, en 't leek hun of de dag nu reeds +zoo lang geduurd had dat het wel avond moest zijn. Zij waren moe en beu +van werken en van drinken, zij hadden maar een gedachte, een verlangen +meer: eten, en daarna gaan liggen op den boomgaard in het gras, onder de +frissche schaduw der fruitboomen. Bijna te gelijkertijd kwam ook het +volk der rooterij op het boerenhof aan; en in de ruime keuken, waar de +karnemelkpap dampend in vier groote aarden kommen op de lange, +ruw-houten tafel klaar stond, namen allen haastig plaats, sloegen een +kruis, deden een kort gebed, en gingen met de houten lepels aan het +scheppen. Borden hadden zij niet: allen aten met hun lepels uit de +groote kommen. De magen rammelden. Zij hadden honger, honger!... Zij +voelden eerst hoe groot hun honger was, nadat zij gulzig een paar lepels +hadden ingeslurpt. In enkele minuten waren alle vier de reusachtige +kommen leeg, de boerin nam ze weg en zette de tweede schotel: vier +enorme platte teilen aardappels met kaantjessaus in de plaats. De gele, +vet-besausde knollen glommen in hooge stapels, en de korte ijzeren +vorken prikten in den tas, telkens een vollen, heet-dampenden aardappel +naar den mond brengend. Hun honger scheen nog toe te nemen en zij aten +overdadig; de lekkere geur der vettige ui-en-speksaus krinkelde diep in +de neusgaten en deed hun 't water in den mond komen. Het was stikwarm in +huis en 't zweet brak uit op de gezichten. + +De werkers der rooterij beweerden dat zij nu te veel vlas kregen op den +dem[1] en drongen er op aan dat de achterblijvers op den vlasgaard thans +ook mee zouden helpen om den te grooten voorraad te reepen en te wateren +voor het overige vlas gehaald werd. Anders kwamen zij stellig voor +middernacht niet klaar. De boer, die heel den ochtend in de herbergen +van 't dorp gezeten had, kwam aangeschoten, met vuurrood gezicht en +waterige oogen binnen, en hakkelde ook dat er te te te te veel volk was +op den vlasgaard en te te te weinig op den dem; kortom er werd besloten +dat zij na de noenstondrust allen samen naar den dem zouden gaan, en +eerst later, nadat zij daar goed opgeschoten waren, de laatste bundels +van den vlasgaard weghalen. Zij waren klaar met eten, zij deden weer een +kort gebed en sloegen een kruis, en toen haastten zij zich allen naar +den boomgaard en vielen er doodmoe in het malsche, koele gras, onder de +frissche schaduw der heerlijke fruitboomen neer. De meesten sliepen +dadelijk in; anderen babbelden nog even door en enkele mannen kittelden +de bloote enkels van de meisjes met stroohalmen en graspijltjes. Alfons +lag naast Rozeke's broeder, Rozeke zelf lag tusschen haar zuster La en +'t Geluw Meuleken. Af en toe klonk een kort gelach der mannen of een +geknor der gesarde meisjes. Alfons richtte zich even, geprikkeld en +jaloersch, half overeind, vreezend dat de mannen ook Rozeke kittelden. +Maar zij had haar voorzorgen genomen, haar rok nauwsluitend om haar +beenen opgerold. Zij sliep reeds, en dat stelde hem gerust. Hij hoorde +nog even het gegiegel van de dikke Irma Pese, die wat hooger dan de +andere gekitteld werd, en toen sliep hij ook loodzwaar in. De lucht was +effen grijs en stil, benauwd en broeiend; de vliegen zwermden sarrend. +Glanzend-rood hingen de rijpe kersen in het zachte groen te blozen. In +de verte hoorde men af en toe vaag en zwaar dondergeroffel. + + * * * * * + +Klokslag twee waren zij allen op den dem. 't Was in een groot stuk +weiland, midden in een lang en smal verschiet van andere weilanden, +rechts afgebakend door den met hooge boomen beplanten berm van een +onzichtbaar, diepliggend kanaal, links door een zanderigen landweg, +waarachter de rijke akkers van vruchtbaarheid geleidelijk naar de ruime +vlakte opgolfden. Op korten afstand rees de ouderwetsche slanke +dorpskerktoren boven de lage, roode huisdaken, als een fijne naald van +grijsgeel steen met gothisch kantwerk van boogramen; en even verder, aan +de andere zijde van de weilanden, lag een groote boerderij midden in +haar boomgaard als een rotsig eilandje in vlakke, stille zee. Nog verder +was een donker eikenbosch, en daarachter puntten scherp ten hemel de +hoektorentjes van het kasteel. In enkele weiden graasden vreedzaam bonte +kudden koeien en paarden; in andere zag en hoorde men de vroolijke +bedrijvigheid van maaien en van hooien. 't Was overal de volle +zomerdrukte, wanneer de lange dagen nog te kort zijn voor het +overweldigend-vele dat verricht moet worden. + +Op den dem, vlak bij den rootput, naast een kolossalen stapel +lichtgroene vlasbundels, waarin hier en daar een meegerukte klaproos als +een bloedspat vlekte, waren de vier "reepen" volop aan den gang. Het +waren vier stevige, zware, twee voet breede en zes voet lange, plat op +den grond liggende planken, met dwars door het midden een dichte rij +lange, stevige, rechtopstaande ijzeren punten. De reepers, rechts en +links met de voeten naar voren tegen de punten geschraagd en plat ten +gronde op de planken neergezeten, sloegen de vlasstengels met volle +grepen tusschen de scherpe ijzeren tanden, rukten uit al hun kracht, een +keer, twee keer, soms drie keer, tot al de zaadkorrels er af geritst +waren, gooiden de stengels op zij, namen een andere volle greep, rukten +opnieuw. De vrouwen holden om hen heen en weer, brachten de bundels aan, +bonden ze los, namen ze, ontdaan van de korrels op, bonden ze weer tot +bundels, en gooiden ze dan van hand tot hand naar de rooters, die in en +om den rootput stonden. Met een plons gingen de bundels in het water +onder, de een boven den ander, en naarmate zij in dikke lagen heel de +diepte van den bodem vulden, werd er stroo over uitgespreid en boven op +het stroo zware graszoden gelegd, om het geheel goed in elkaar gedrukt +onder water te houden. Dat reepen en rooten was het echte harde sjouwen +van den ganschen ruwen vlas-arbeid. Het uitrukken en op de wagens laden +was slechts kinderspel daarbij vergeleken. + +Nu was het hijgen en zweeten zonder ophouden; nu was het beulen als +afgejakkerde lastdieren. De haren van de vrouwen hingen in natte, +slordige verwarring om haar vuurroode gezichten; de mannen, hemdsmouwen +en broeken opgestroopt tot over de ellebogen en knieen, waren beslijkt +en bemorst als hadden zij in een modderpoel ondergeduikeld. En echte +vreugd klonk er niet meer in hun af en toe nog gewilde uitgelatenheid: +de oogen stonden dof en hol, de wangen waren ingevallen, de knieen +knikten en de handen beefden. Maar de drank, de slechte jenever, werd +bijna aanhoudend rondgeschonken, en dat hield de krachten nog op, en gaf +aan de bedrijvigheid haren bedriegelijken schijn van levenslustige pret. + +Zij snakten allen naar den avond, naar het einde van het afmattend +gebeul. De zon was weer even tusschen grijze wolken doorgeschoven en +straalde met goudende tinten over de groene weilanden, over het rijke +vee, over de rijpende korenakkers en de hooge, grijsgele kanteelen van +den kerktoren. En zij keken op en zuchtten; de zon stond nog zoo hoog, +zoo eindeloos-wanhopig-hoog; het zou zoo lang nog duren voor die weiden +en akkers bronsrood werden, voor dat rustig-grazend vee wegsmolt in +avondnevelen, voor die oude, grijze kerk, rood-laaiend als een vuurtoren, +het laatste licht van den ondergaanden stralenbol opving. De klokkeslag +der lange trage uren was zoo gauw geslagen: drie uur, vier uur; 't was +of de langzame dag niet voortschreed en nooit eindigen zou. + +De maaltijd van vier ure: spek met roggebrood en koffie werd in gedrukte +afgematheid gebruikt, en eerst toen ze weer aan den arbeid waren, en de +jeneverflesch nog eens was rondgegaan, begon de trapsgewijze afkoeling +van den druk-benauwden dag hen eenigszins op te fleuren. Allen samen +zongen zij een liedje en 't leek wel of het werk eensklaps gemakkelijker +ging in het eentonig rythmeerende wiegen van het deuntje, en toen het +uit was zongen zij er nog eentje, vroolijk en opgewekt, en toen een +derde, een schuin-ondeugend, dat hen allen lachen deed. Weer werd de +stemming goed, weer haalden zij hun grapjes uit. Om vijf uur barstte +plotseling opnieuw een korte, maar geweldige plasbui los, en voor de +tweede maal werden de vrouwen "in de zij" gestoken. Die tegenspoed, in +plaats van hen ter neer te slaan, verfrischte en verlevendigde hun pret. +Zij waren nu toch eenmaal morsig en nat, het kon hun niet meer schelen, +zij zouden nu maar kletsnat blijven, van binnen en van buiten nat, +giegelden zij, en voor de zooveelste maal ging de flesch rond. De boer, +die sinds een paar uren bij de slijters niet gekomen was, verscheen +plotseling op den zandweg, in zulk een toestand, dat de heele bende wild +begon te proesten en te gillen. Hij zwenkte waggelend over de gansche +breedte van den weg, 't gezicht paarsrood, de armen hangend, en toen hij +op het glooiend weiland kwam namen zijn knikkende beenen van zelf een +aanloopje, recht op den rootput af. Twee mannen sprongen toe om hem nog +bij tijds tegen te houden, en hij plofte als een doode massa in den hoop +zaadkorrels tusschen de twee eerste reepen neer, klanken brabbelend +waarvan geen enkel mensch een woord verstaan kon. De boer van de +nabij-gelegen hoeve, die op zijn akker stond en hem van verre had zien +aanzwenken, kwam langzaam en glimlachend naar de slijtersbende toe, +drong door de spotlachende menigte, tilde Kneuvels onder de schouders op +en sleepte hem mee naar zijn huis om er wat bij te komen. + + * * * * * + +De slijters waren nog volop aan 't praten en aan 't lachen over het +geval, en de langzaam dalende avondzon brak opnieuw schitterend door de +wolken, toen zij aan de overzijde van het weiland, op den berm van het +kanaal, een groepje menschen zagen: drie dames en een heer, die van +verre met belangstelling naar hun werk stonden te kijken. + +"Wie zijn datte!" riep Irma Pese. + +Niemand herkende ze. + +"Datte!... da zijn liefs veur ons!" schertste Vaprijsken. En hij wenkte +ze van verre tot zich, vrijpostig roepend: + +"Ala toe, meiskes, kom moar hier; we zillen ulder ne kier tegen onz' +onderveste trekken." + +"Ha moar zwijg toch, gie kalf!" riep Rozeke eensklaps een vurige kleur +krijgend. "Zij-je nie beschoamd! 't zijn iefers van 't kastiel!" + +Rozeke had plotseling jonkvrouw Anna, de dochter van 't kasteel herkend, +die veel in 't veld ging wandelen en haar reeds meer dan eens op +vriendelijke wijze aangesproken had. + +Haar uitroeping tegen Vaprijsken bracht als bij tooverslag een +benauwende stilte onder de slijters te weeg. 't Kasteel, dat was de +almacht waar zij allen bang voor waren; en nu hadden zij allen ook +eensklaps mejonkvrouw Anna herkend. Zij vreesden dat de jonkvrouw +Vaprijskens onbeschoft geroep gehoord had, en hun vrees steeg plotseling +tot ontzetting en schrik, toen zij de vier personen, na een korte +aarzeling, beslist naar hen toe zagen komen. + +"Z'hen ou g'heurd zille; ge zilt er van goan krijgen, Vaprijs," +fluisterden zij bevend, terwijl zij allen met inspanning en +schuw-neergeslagen oogen weer aan 't werk gingen. + +De vier bezoekers waren reeds op 't weiland. De slijters, in hun werk +verdiept, keken al onder op met zijlingsche blikken en zagen ze bedaard +onder kalm gepraat over het groene gras naar hen toeschuiven. De dames +waren in lichte zomerkleeren: wit, geel en roze, met schitterende +parasols; de heer, in 't donkerblauw met gelen stroohoed, zwaaide met +een bruinen wandelstok. De reepers rukten aan de stengels, de vrouwen +holden met de bundels heen en weer, de rooters plonsden in het water. +Geen woord werd meer gesproken, geen oog durfde meer opkijken. + +"Mogen we ne keer komen zien?" klonk eensklaps een jonge, heldere, +vriendelijke stem. + +Als bij tooverslag, het hart van een zwaar pak verlost, keken al de +slijters op. + +"Zeker, mejonkvreiwe, zeker," klonken bedeesd een paar stemmen. + +De vier bezoekers waren heel dichtbij gekomen en mejonkvrouw Anna +groette de arbeiders met een lieven glimlach en een algemeenen "goen +dag." De beide dames die haar vergezelden groetten insgelijks, met +een kort hoofdknikje, en de heer lichtte eventjes den rand van zijn +stroohoed op. Allen antwoordden, stil en nederig: "dag mejonkvreiw +en gezelschap," en gingen druk voort met hun arbeid. + +Het kasteelmeisje gaf, in een vreemde taal, uitleggingen aan haar +gezellinnen. + +"They begin very early in the morning, I believe at one or two o'clock +and they have to work awfully hard all day, until they have finished, +not often before eight or nine in the evening." + +De andere luisterden en glimlachten, met af en toe een "very interesting" +van belangstelling. Zij waren leelijk en mager, met grooten mond en +vooruitstekende kin, en iets hard-mannelijks in haar stijve, houterige +gestalten. Haar rokken waren kort en hare voeten groot, en op haar +rosblonde haren droegen zij, sterk naar voren, gewone mansstroohoeden +met zwarte linten, zonder gratie. Mejonkvrouw Anna, daarentegen, was +een buitengewoon mooie en gracieuze verschijning, lang en slank, een +frisch-roze gezondheidskleur over haar zachte ovale wangen, met schoone +donkere oogen en weelderige zwarte haren onder een licht en lief, +sierlijk gebogen zomerhoedje met witte tulle en roze rozen, die dezelfde +teere kleur hadden als haar doorschijnend japonnetje. De jonge man die +haar vergezelde was groot en blond, stevig gebouwd, met een borstelig- +opgekrulde, blonde snor en iets stugs in de uitdrukking van zijn koude, +grijze oogen. De mannen keken onder het sjouwen af en toe eens schichtig +op, de meisjes waagden, in het heen en weer hollen met de vlasbundels, +zijdsche blikken naar de frissche, lichte zomertoiletjes. + +Eensklaps ontwaarde mejonkvrouw Anna Rozeke; en vriendelijk-verrast, als +tot een goede oude kennis, riep zij uit: + +"Kijk kijk, Rozeke, zijt gij hier ook aan 't werk?" + +"Ha joa ik e-woar: mejonkvreiwe," glimlachte Rozeke, verlegen opkijkend. +En een vluchtig blosje verlevendigde zoo lief en frisch haar moegesjouwd +gezichtje, met de natte, om haar voorhoofd en slapen klevende bruine +krulletjes, dat alle drie de bezoeksters haar even met verteederde +bewondering aanschouwden. + +"That's my very dear little friend. Is n't it a pity that she has to do +such a hard, rough work?" zei jonkvrouw Anna tot haar gezellinnen. + +"Aoh! too bad, she looks so nice!" antwoordden zij met een aanstellerig +glimlachje. + +"That young man behind her, the dark one with his good features, that's +her lover, you know." + +"Aoh! really!" riepen de twee Engelsche, eensklaps vol belangstelling +naar Alfons kijkend. De oudste van de twee greep naar haar face-a-main +en nam den jongen man aandachtig op. Vaprijsken en de Seissekoker, die +naast Alfons stonden, zagen de beweging en glimlachten. + +De heer, die de drie meisjes vergezelde, was even wat op zij gaan staan +en keek belangstellend naar 't zwaar figuur van Irma Pese in haar +plakkend-natte kleeren. + +Mejonkvrouw Anna kwam plotseling naar hem toe en keek hem sprekend met +haar lieve oogen aan, terwijl ze zacht en teeder haar fijne hand op zijn +arm legde. + +"Armand, donne-leur quelque chose, leur travail est si dur," streelde +zij. + +Hij ging dadelijk in zijn zak, tastte even, haalde een goudstuk van +twintig frank uit. + +"C'est trop, n'est-ce pas?" dubieerde hij. + +"Mais non, mais non; rend-les heureux, ne fut-ce qu'une fois," smeekte +zij met een ontroerde verteedering in stem en oogen. + +Hij stak het glinsterend stukje in de hoogte, en floot even, als om een +hond te roepen. + +De slijters keken op en aarzelden, niet goed begrijpende wat hij +bedoelde, niet kunnende gelooven dat hij hun zooveel wou geven. + +"Allons donc!" riep hij eenigszins ongeduldig met het stukje wenkend. + +Vaprijsken liet zijn bundel vallen en kwam toegesneld. Hij kreeg het +goudstuk. + +"Merci, menier den b'ron, merci, gij zijt wel bedankt," zei hij met een +kleur van emotie, die gansch zijn geel gezicht met gelen baard van geluk +deed stralen. + +"Nondedzju! twintig fran!" juichte hij stil, met het schitterend stukje +bij de anderen terugkomend. Zij stonden er allen als verbluft van, en +keken bijna bang-bewonderend naar den milden gever. + +"Ha ha ha, menier den b'ron, gij gij gij zij nog weird da ge leeft!" +brabbelde plotseling de Krommen Bulcke, onmachtig zijn overweldigende +ontroering langer te bedwingen. + +Wild moesten zij eensklaps allen schateren om de gekke woorden en +gebaren van den Krommen Bulcke. Hun eerste schroomvalligheid was voorbij +en de gezichten glommen van vreugd, op de rijke bezoekers bevestigd. +Irma Pese keek den jongen man met glinsterende oogen aan. + +"What did he say? Why do they laugh for?" vroegen de Engelsche. + +Maar de Krommen Bulcke liet zich door hun spotten niet uit het veld +slaan. Hij was ontroerd en hij was dronken, en plotseling kwam hij +waggelend en hinkend naar het viertal toe, en barstte daar voor hen in +tranen uit, klanken krabbelend, die niet meer te verstaan waren. + +"Why does he cry now!" riepen verbaasd de Engelsche. + +Maar al de andere slijters lachten en schaterden steeds luider om den +Krommen Bulcke, die niet meer tot bedaren was te brengen, en nu +volstrekt in zijn vuile, natte hand, de fijne hand van den heer poogde +te drukken. + +"Hij'n wilt ou smeirige peuten niet!... dat't nog van 'n meiske woare!" +spotte Vaprijsken, die de blikken van den jongen man op Irma Pese wel +gemerkt had. En hij riep naar de dikke deerne: + +"Toe, Irma, gee gij hem e-kier 'n handsjen!" + +Maar de bezoekers hoorden 't niet; zij trokken zich langzaam voor de +penibel wordende emotie van den Krommen terug, met vriendelijke +glimlachjes en knikjes, als goede vorsten, die hun trouwe onderdanen met +een weldadig bezoek hebben vereerd. Mejonkvrouw Anna klopte Rozeke in 't +voorbijgaan vriendelijk op den schouder en glimlachte ook welwillend en +als 't ware goedkeurend naar Alfons. En ook de twee stijve, magere +Engelsche glimlachten en knikten nog eens apart voor Rozeke en Alfons; +en weg waren ze, voorzichtig schrijdend door de modder, dwars over 't +weiland naar den landweg, in de richting van 't kasteel. + +Nauwelijks waren zij uit zicht, of al de vrouwen begonnen verward en +ondereen te snateren. Zij hadden 't tegelijkertijd over de mooie +kleeren, over de twee leelijke, magere Engelsche, over die schoone, +lieve jonkvrouw Anna en over den milden heer dien zij nog nooit te voren +gezien hadden. + +"Doar zilt-e van heuren! da es mejonkvreiw Anna's lief!" riep opgewonden +Irma Pese. + +"Ge zoe't gij meschien zijn lief wille zijn!" gekte Vaprijsken. + +Luid moesten zij allen giegelen en schateren. + +"'k Weinsche dat ik 't heure woare!" riep de Seissekoker. + +"O gie leulijke vuilbek!" schimpten de vrouwen. + +Zij babbelden daar nog druk over na en kwamen tot de conclusie dat het +waarschijnlijk toch wel was zooals Irma zeide: jonkvrouw Anna's lief. +Zij vonden hem een mooien, flinken man, en wat moest hij schatrijk zijn +om zoo maar ineens twintig frank ten beste te geven. + +"En ienen die de meiskes geire ziet es 't euk!" riep oude Sieska. + +"Joa? joa?... woaraan zie-je gij da, Sieska?" schaterden zij. + +"Mijn eugen 'n zitten in mijne zak nie!" schetterde de oude. "'t Es +ienen die 't katsen in 't donker zoe pakken, da zegge 'k ik ulder!" + +De mannen proestlachten, de meisjes kronkelden zich en sloegen van de +pret op haar billen. + +Vaprijsken, lachend in zijn gelen baard, haalde 't mooie stukje uit zijn +vestzak en hield het in de hoogte. + +"Fouitt!" floot hij, het wenkend gebaar van den heer nabootsend. + +Allen kwamend joelend om hem staan. Er werd beraadslaagd wat zij er mee +zouden doen. + +"Verdrijnken, nondedzju!" riep de Seissekoker. + +Maar luide kreten van protest lieten zich hooren. Zij hadden al te veel +gedronken, en er werd besloten dat zij 's avonds 't stukje zouden +deelen. + +Vaprijsken stopte 't zorgvuldig weer in zijn binnenzak, en staarde nu +met ondeugend-glimlachende oogen naar Alfons en Rozeke. Hij was in +dol-grappige luim en riep tot de anderen: + +"Zeg ne kier, jongens, verstoat-e gulder Fransch en Yngelsch?" + +Allen lachten, ontkennend hoofdschuddend. + +"Ik wel!" riep Vaprijsken. "Oh yes, ecoutez!" + +"O gie zot!" giegelden de vrouwen. + +Vaprijsken nam enkele vlasstengels bij elkaar, verboog ze tot een soort +van bril en keek er door naar Alfons en Rozeke, zooals een van de +Engelsche gedaan had. + +"C'est ca Alfons en Rozeke, die mee malkander vrijen," gekscheerde +hij.... + +Opnieuw schaterden en giegelden zij allen overluid terwijl Alfons en +Rozeke, hoogkleurend, gegeneerd-glimlachend stonden te kijken. + +"Eh bien ce bon, ze zijn getreiwd!" riep Vaprijsken. En voor ze den tijd +hadden hem te ontwijken duwde hij Alfons zoo ruw tegen Rozeke aan, dat +ze beiden, onder luid gejuich en gegil, in den hoop zaadkorrels omver +vielen. + + * * * * * + +Maar het werd avond en de lucht betrok alweer met zware, donkere, +goud-omrande wolken. De stapel vlasbundels was spoedig aan het +verdwijnen en sinds een poos reed Smul, geholpen door twee mannen, +opnieuw van en naar den vlasgaard heen en weer, om wat ginder nog +overbleef te halen. Hij kwam juist met den laatsten wagen aan den +rootput, toen de laatste bundel van den voorraad er werd ingedoopt, en +schril gejubel begroette zijn verschijning. In vliegende haast werd de +vracht beneen geworpen, en enkele vrouwen, waaronder ook Rozeke, +sprongen op den wagen om er de laatste stengels af te bezemen. + +De lucht was intusschen bijna zwart geworden. Alles kreeg vreemde, +fantastische vormen en kleuren: de rootput lag daar als een donkere, +peilloos-diepe kuil, de weilanden strekten zich als een vale, dorre +vlakte uit, de dichte boomenkruinen langs 't kanaal rezen als sombere +heuvelkammen, de kerktoren stond spierwit, ijl, klein en broos als een +speeltuigje door kinderhanden daar geplaatst, en 't rijpend koren aan +den landweg blikkerde met sulfergele golvingen, als wasemden er +zwaveldampen uit op. De bruingebrande gezichten van de slijters hadden +een ongewone, bijna grijnzende uitdrukking, het grazend vee troepte zich +loeiend ergens samen, en de paarden werden zenuwachtig-ongeduldig, ter +plaatse trippelend, met rillingen over hun klamme huid, als voelden zij, +in bange gejaagdheid, het dreigend naderen van het gansch den dag +verwachte onweer. Zelfs hun vrees voor Smul, die driftig de gebitten +schudde, was niet meer in staat ze te kalmeeren; en haastig gooiden de +mannen reeds met groote schoppen op den nog maar half schoongeveegden +wagen de zaadkorrels welke Smul naar de hoeve zou vervoeren, toen +plotseling een verblindend vuurzigzag, bijna onmiddellijk door een +krakenden donderslag gevolgd, het donker zwerk doorscheurde en +doordaverde. De slijters vluchtten gillend weg, de paarden sprongen op +en schoten toe, en als de bliksem zelf waren zij om en weg, in dolle +vaart achter zich rukkend den ratelenden, hobbelenden wagen, waarop nog +enkele vrouwen en de leidsman woest door elkaar werden geslingerd en +geschokt. De slijters hoorden een korten, schrillen kreet, zagen, in 't +halfduister, een vrouwengestalte uit den wegstormenden wagen springen of +vallen, en toen een tweede en toen een derde, en toen nog een die +springen wilde, maar op 't laatste oogenblik met ruw geweld door twee +mannen-armen,--van Smul--werd achteruitgetrokken en binnen in den wagen +neergesmakt.--Meer zagen zij niet. De wagen was donderend om den hoek +van den landweg tusschen het sulfergeel-blikkerend koren verdwenen, en +plotseling, met rauw gegil, stormden zij hem allen achterna. + + * * * * * + +Rozeke, de laatste der vier, op den weghollenden wagen gebleven meisjes, +lag half bewusteloos, plat op den plankenbodem, in de dunne laag +zaadkorrels uitgestrekt. + +De wagen sprong en kraakte, bonsde scheef en schots, nu eens als 't ware +schokkend over een berg en dan plots weer neerploffend als in een +afgrond; en in het donderend geratel van het onweer en het flitsen van +de bliksemstralen hoorde Rozeke aanhoudend een reusachtig snuivend en +rythmisch gejaag, alsof een machtige, schor-hijgende stem onophoudelijk, +in overijlend-vlugtellen, de steeds herhaalde getallen: een twee drie! +een twee drie! een twee drie! uitbulkte. Dat was de rythmisch-stormende +galopvlucht der weghollende paarden. Zij slaakte een noodkreet en richtte +zich half overeind, eensklaps tot het volle besef der werkelijkheid +opgeschud, en zag in het halfduister Smul van voren op den wagen staan, +de beide handen aan de leidsels, het lichaam achterover, de beenen van +elkaar gesperd. Hij schoorde zich met beide voeten tegen de op en neer +dansende voorplank, en zijn hoofd, en schouders schokten en zwenkten met +het schokken en het zwenken van den wagen mee, als stond hij er op vast +gespijkerd. Hij hoorde haar noodkreet, keerde fluks het hoofd half tot +haar om, schreeuwde haar toe, in korte, afgebroken woorden: + +"Stille!... nondedzju!... liggen!... Bijt... op ou tanden!... anders... +ou tonge!..." + +Hij slaakte plotseling een vloekschreeuw van pijn: door zijn roepen had +hij zelf, in 't schokken van den wagen, de tong tusschen zijn tanden +geklemd, en 't bloed spatte uit zijn mond. Hij schoorde zich nog +hardnekkiger met de voeten tegen de voorplank, hing met al de kracht van +zijn zwaar lichaam achterover aan de leidsels.... + +"Ivo! Ivo! help mij!" schreeuwde zij verwilderd, overeind, op haar +knieen, de oogen uitpuilend van doodsangst, haar beide handen aan de +heen en weer schuddende zijplanken geklemd. + +"Nondedzju!... stille!... roep niet!... gemoakt... de peirden... +roazend!" gilde hij tegen. + +Maar zij schreeuwde al harder en harder, uitzinnig van schrik, en steeds +woester bruiste, als een sombere verdelgingsmacht, in 't dreunen van het +onweer, de doffe, razend-snelle rythmus van de weghollende paarden, +terwijl de wagen, van den landweg afgedwaald, nu dwars door 't akkerland +over voren en door kuilen schokte, als in blinde stormvaart naar den +dood. + +Plotseling was't of hij door ruischend water holde, en meteen stuitte +aanzienlijk de dolle woestheid van zijn vaart. De wilde paarden waren +vlak in een hoog korenveld terecht gekomen. Zij rukten er toch door en +sprongen weer als leeuwen, met vliegende manen door een klaverveld; maar +achter de klaver was nog een partij koren, en daar plofte eensklaps een +der paarden neer en werd de wagen met een krakenden schok tot staan +gebracht. Rozeke bonsde met ruw geweld tegen Smul, die voorover van den +wagen stortte, boven op het neergevallen, spartelend paard. + +Met duivelsche snelheid vloog hij weer overeind, rukte en schokte razend +het omgevallen beest weer recht, sprong naar de schuimende gebitten en +liet er zich met beide klauwen, als een klit aan hangen. Hij blies en +hijgde, het zweet droop van zijn vuurrood aangezicht, zijn wreede oogen +stonden uitgepuild, zijn bloedende, bevende lippen vloekten de +afschuwelijkste verwenschingen uit. Hij bezat zichzelf niet meer van +woeste furie, hij liet eensklaps de gebitten los en sprong met beide +klauwen op de snuivende, blazende neusgaten der paarden, en schudde en +kneep ze met het snijdend-scherpe van zijn nagels toe, als om de beesten +te verstikken. Zij hinnikten van pijn en trilden op hun beenen, +plotseling tam als schuwe lammeren, de druipende huid als met een dikke +laag van wit-schuimende zeep bedekt, den staart tusschen hun doorzakkende +schenkels ingetrokken. Eerst toen hij zelf geen kracht meer had om ze te +slaan, te schoppen en te knijpen liet hij ze los, en kwam met een helschen +glimlach van overwinning naar Rozeke toe. Hij veegde met zijn mouw zijn +schuimenden, bloedenden mond af; en voor ze in haar bevende, huilende +ontsteltenis kon gissen wat hij doen wou, greep hij haar woest in zijn +sterke armen en drukte haar een hartstochtelijk-wilden zoen op den mond. + +"Nou... nou of noeit!" brulde hij schor. + +Zonder aarzelen, zonder een oogenblik te pogen hem met zachtheid of door +smeeking af te weren, intuitief en instinctmatig in haar gruwelijken +angst en afkeer, wrong zij 't hoofd op zij, en slaakte een kreet, een +enkele, zoo hard als zij kon: + +"Alfons! help mij! meurd! meurd!" + +Als een veertje tilde hij haar op, smakte haar omver, stortte met haar +in 't vertrapte koren neer. + +Maar de doodsangst en 't gevaar gaven haar eensklaps bovenmenschelijke +kracht en vlugheid. Als een springveer schokte zij zich op, sprong door +het weggeslingerd koren, gilde opnieuw een rauwen kreet, alsof hare keel +er van openscheurde: + +"Alfons!... help mij! meurd! meurd!" + +Kreten galmden in de duisternis op korten afstand, en 't oogenblik +daarna rukte de hijgende slijtersbende door het hooge ritselende koren +aan, en kwam Alfons huilend en roepend op haar afgevlogen: + +"Rozeke!... Och Hiere, Rozeke!... Leeft-e nog? He-je geen lied." + +"Niets! niets!" juichte zij heesch haar redder te gemoet. + +Hij greep haar in zijn armen en zoende haar hartstochtelijk, niet bang +meer voor de opspraak van de anderen, niet aarzelend haar als iets dat +nu van hem was te verdedigen en te beschermen. En toen hij, angstig haar +aankijkend en betastend, eindelijk overtuigd was dat haar niets geen +leed was overkomen, toen barstte hij als een kind in tranen uit, en trok +haar smeekend met zich mee, verre van den akeligen wagen, waar al de +anderen nu in angstig druk gepraat omheen stonden. Gedwee volgde zij +hem, nu ook ineens ontspannen na de heftige emotie, tranen van zachte +herleving weenend, heel zacht tegen hem aangedrukt die plotseling als +haar redder was verschenen, en haar nu zijn leven lang beminnen en +beschermen zou. + +Zij kwamen door 't vertrapte koren en de klaver op den landweg, en +zonder op de anderen te wachten gingen zij vooruit, in de richting van +de hoeve. Hij ondervroeg haar nu met angstige, teedere bezorgdheid; hoe +of 't gekomen was? waarom zij ook niet uit den wagen was gesprongen? en +of zij niet gedacht had dat haar laatste oogenblik gekomen was toen de +wilde paarden met haar door en over alles heen wegholden? + +Zij wist het niet meer, zij kon niet antwoorden. Alles was zoo +bliksemsnel gegaan; alleen ja, dat wist ze: dat ze nooit gedacht had +levend er van daan te komen. De paarden waren door den donderslag +geschrokken, maar Smul had er toch ook wel schuld aan: hij had zijn +beesten heel den dag zoo wild en woest gejaagd en opgezweept. + +"En wat dee Smul as de woagen eindelijk in 't keuren stille stond?" +vroeg hij plotseling. + +"Hij..." ze wou het zeggen, maar een plotselinge intuitie deed haar +zwijgen. Smul was een dierlijke woestaard, maar hij was sterk en moedig, +en zijn onverschrokken koenheid had haar wellicht het leven gered. Zij +was bang, doodsbang voor hem geweest als voor een moordenaar; maar haar +angst en toorn waren over en iets zei haar dat zij hem nu niet te zwaar +beschuldigen mocht. + +"Hij he zijn peirden wried geschupt en geslegen," antwoordde zij. + +Hij liet haar los en zij liepen een poosje zwijgend door, als 't ware +elk in zijn eigen gedachten. De duisternis was bijna gansch gevallen +en het onweer trok af, maar aan den grauwen horizon flitsten nog bij +tusschenpoozen scherp-zigzaggende weerlichten, die dan voor een +oogenblik den blonden landweg met zijn kronkelende wagensporen, de +neerbuigende natte korenakkers, de malsche groene en paarse klavervelden +zoo scherp en helder als bij klaren dag verlichtten. De lucht was +heerlijk frisch geworden en de verre donder bromde slechts heel lang na +elken bliksemstraal, in doffe trillingen zwaardreigend over andere +gewesten. + +Toen nam hij eindelijk heel zacht weer hare hand, en zoo eenvoudig en +natuurlijk alsof 't niet anders kon, zei en vroeg hij haar met diepe, +kalme, ernstige stem, dat wat hij maanden lang in kwellende +schuchterheid geaarzeld had te durven zeggen en te vragen: + +"Rozeke,... 'k zie ou geiren;... wilt e mee mij treiwen?" + +Haar handje had een korte trilling van emotie en verrassing en een teere +zucht steeg van haar lippen. + +"Joa ik... 'k zie ou euk geiren," antwoordde zij heel stil, heel +zalig-zacht ontroerd. + +Hij legde zijn arm om haar middel en plotseling begon zijn hand hevig te +beven. Hij wilde nog veel meer zeggen, maar kon niet. Zijn droge keel +hikte telkens de woorden van liefde en ontroering diep in zijn binnenste +terug. + +"Rozeke... Rozeke..." herhaalde hij enkel met streelende stem; en +vanzelf neeg haar hoofdje naar het zijne, en in de duisternis vonden +zijn zoenende lippen haar frisschen mond.... + + * * * * * + +Zwaar-dreigend trok het verre onweer steeds dieper naar het zuiden af, +en in de schoongeveegde, hoog-donkerblauwe lucht schitterden nu de +stille, gouden sterren. + +Zij spraken geen woord meer; zij konden niet meer spreken. Hun ziel was +te vol, te gelukkig. Maar als onscheidbaar hielden zij zich tegen elkaar +aangesloten, in een gevoel van wederzijdsche sterkte en bescherming, die +voortaan alles kon trotseeren. + +Daar blonken reeds, in 't kort verschiet, laag bij den grond, de stille +lichten van de groote hoeve; en achter zich aan hoorden zij vaag het +druk gepraat der opgewonden slijters en het dof geratel van den wagen, +die nu in kalmen gang met de getemde rossen terugkwam. + +Hij liet haar los en aan den ingang van de oprijlaan voegden zij zich +bij de anderen, die hun korte afzondering niet eens bemerkt hadden. +Allen praatten in driftige verwarring over het geval, en op den drempel +van het woonhuis stond de boerin, angstig roepend van verre wat er toch +gebeurd was. + +"Niets,... niemendalle; de peirden die 'n beetsen hoastig woaren om noar +huis te komen," snoefde Smul. + +De slijters lachten, en driest, als uitdagend, liet hij zijn zweep boven +de schuddende manen der nog bang-trillende, schuimende beesten knallen. + +Als een trage kudde drongen de afgematte sjouwers onder zwaar +klompengetrappel naar binnen. + +"Es den boer bij ulder niet?" vroeg de boerin. + +"Nien hij, bezinne," antwoordden enkele stemmen. + +"O die smeirigen dronkoard!" bromde zij, bevend van gramschap. + +In 't helder licht der ruime keuken stonden de reusachtige kommen +"slijtpap" wachtend op de lange, ruw-houten tafel te dampen. Als +uitgehongerden vielen de slijters er op aan. Enkele waren zoo moe dat +hun zware oogleden onder het slurpend eten neerzakten. + +Reeds een volle week hadden de meesten dag aan dag bij verschillende +boeren "gesleten"; en morgen voor het eerste daglicht zouden zij opnieuw +beginnen... + +Noot: + +[1] Rootveld. + + + * * * * * + +II. + + +Toen de oogst veilig opgeborgen in de schuren zat, of ten allen kante +in groote schelven op het kaalgeschoren land stond; toen het tenger +rapenloof begon te kiemen op de wijde akkers waar het gouden koren had +gegolfd; toen stille rust kwam na den zwaren arbeid, en boeren en +boerinnen overal met vroolijke gezichten in hun beste kleeren naar de +kermisdorpen togen, greep het huwelijk op een zacht-zonnigen +September-ochtend plaats. + +Alfons' moeder had wel eerst wat geklaagd en gebromd, onaangenaam door +de gebeurtenis in haar bedompt stilleventje van oude, ziekelijke vrouw +verrast; en ook Rozeke's ouders hadden er wat tegen opgezien, omdat het +meisje nog zoo jong was, maar tot feitelijk verzet was 't niet gekomen. + +"Zurgt da g'aan de kost komt," had Rozeke's vader gezegd; en Alfons' +oude moeder had slechts een voorwaarde gesteld, maar een streng-besliste: +dat ze de goedkeuring van nicht Begijntje moesten hebben. + +Dat was een angst geweest!... Bevend waren Alfons en Rozeke naar het +Begijnhof in de stad gegaan, en als twee schuldigen waren zij voor nicht +Begijntje verschenen. + +Doch het was meegevallen. Nicht Begijntje, oud en half verkindscht, had +te nauwernood eenige verwondering laten blijken. Zij had weinig notitie +van Rozeke genomen en eindeloos geklaagd over haar eigen gezondheid, die +den laatsten tijd zoo achteruitging. Zij waren weldra zoo totaal van het +doel huns bezoeks afgedwaald, dat Alfons haar eraan had moeten +herinneren en met trillende stem aan nicht Begijntje gevraagd had of ze +'t wel goed vond, dat ze met elkander trouwden. + +"Joa ik," had nicht Begijntje geantwoord, "op conditie da g'ulder veur +ulder huwelijk deftig gedroagt en in de zonde van onkuischheid nie 'n +vervalt." En streng had zij Rozeke even aangekeken. + +Rozeke had blozend haar oogen neergeslagen, maar Alfons had moed gevat +en plechtig verklaard dat nog nooit iets verkeerds tusschen hen gebeurd +was, en dat het voor hun huwelijk ook niet gebeuren zou. + +Daarmee was nicht Begijntje tevreden geweest en verder had zij over hun +wederzijdsche plichten gesproken. Het scheen in haar versuften geest van +oude kwezel onomstootbaar vast te staan, dat de vereeniging der beide +seksen--zelfs de door den echt gewettigde--iets buitengewoon akeligs en +onteerends was, hetwelk tenauwernood door een voorbeeldig kuischen +omgang voor het huwelijk eenigszins vergoed kon worden. Zij zelve was +veel te fatsoenlijk geweest om te trouwen, beweerde ze; en zij noemde +hun tot voorbeeld den heiligen Tobias, die na zijn huwelijk drie dagen +en drie nachten met zijn vrouw in zuiverheid leefde. Met deze en andere +vermaningen had zij hen eindelijk laten gaan, maar hun doen beloven, dat +zij op hun trouwdag,--dien ze toch zeker wel volgens gebruik in de stad +zouden doorbrengen--haar nog eens moesten komen opzoeken. + +Met Smul, daarentegen, hadden zij vervelender gescharrel gehad. + +Toen hun voorgenomen huwelijk publiek bekend werd, was Smul wild aan 't +drinken gegaan en had in alle herbergen geschreeuwd dat Rozeke de zijne +was geweest, dien avond van de slijting, toen de stormende paarden met +hen beiden op den wagen in het koren waren weggehold. Dagen lang had hij +als gek geloopen, zwerend dat hij Alfons zijn mes door 't lijf zou halen +indien hij hem ontmoette; hij had zijn dienst opgezegd en was gaan +landloopen; en op een avond was hij komen schelden en brieschen voor 't +huisje van Rozeke's ouders, zoo gemeen beleedigend, dat haar broeders en +haar vader op hem af gevlogen waren en geducht hem hadden afgeranseld. + +Sinds was hij weer bedaard en uiterlijk kalm geworden. Hij had opnieuw +zijn dienst als paardenknecht genomen bij boer Kneuvels, en werkte als +een lastdier, somber in zichzelf teruggetrokken, geen nutteloos woord +tusschen zijn halsstarrig-dreigend gesloten lippen doorlatend. Maar +Rozeke bleef doodsbang voor hem en vermeed stelselmatig elke gelegenheid +hem te ontmoeten. Zij was geen enkele maal meer bij boer Kneuvels komen +werken, en in haar schrik had zij ook aan Alfons zijn woeste aanranding +in 't koren, op dien avond, met de weghollende paarden, verteld. + +"Rozeke, zweir mij da ge de woarheid zegt; zweir mij dat er nie anders +gebeurd 'n es en dat de sloeber liegt!" had hij haar plechtig-dringend +gevraagd. + +"'k Zweire 't ou, Fons; 'k mage deudvallen as ik ou de woarheid nie 'n +zegge!" had zij met onwrikbare beslistheid geantwoord. En frank in het +gezicht had zij hem met haar mooie, kinderlijk-reine, blauwe oogen +aangekeken. + +"'k Geleuf ou," had hij ontroerd geantwoord: en verder was er niet meer +over gesproken. + + * * * * * + +Even voor negen uur kwamen zij op het gemeentehuis, waar het burgerlijk +huwelijk zou voltrokken worden. Zij waren beiden gansch in 't zwart +gekleed, hij met een rond hoedje, het donker haar zorgvuldig gestreken +en 't zwarte snorretje gekruld, netjes als een heer; zij met een +schitterend-witten onderrok waarvan zij het randje liet zien en een +zwart-tullen hoedje, met hel-witte-en-rose bloemen. Zij zag er frisch +en jeugdig uit als een nog heel jong meisje. Haar zachte wangen hadden, +onder hun warme tint van zonnebruinheid, de teere, frissche kleur van de +bloemen op haar hoofd en haar blauwe oogen schitterden, als glanzende +vergeet-mij-nietjes. + +Alfons' oude moeder en Rozeke's beide ouders waren meegekomen. +Vaprijsken, als een zomervogel in 't groengeel gekleed, was trouwvaarke, +en La, in 't donkerbruin, met schel-blauwe bloemen op haar hoed, was +trouwmoerke. Verder dienden drie ambachtslui uit de buurt, doorgaans +voor dergelijke gelegenheden op het laatste oogenblik van hun werk +gehaald, tot huwelijksgetuigen. In de afwezigheid van meneer de +Latour-Champlon, den baron-burgemeester en jonkvrouw Anna's vader, +werden zij door meneer Waelckens, den eersten wethouder, in de +secretarie van het gemeentehuis, met openstaande deuren, getrouwd. De +plechtigheid was spoedig afgeloopen. Meneer Provijn, de secretaris, een +slaperige, bleeke dikkerd, met vet-glimmend vest, zanikte de lezing van +de huwelijksacte voor, terwijl meneer Waelckens, met gansch andere +dingen bezig, de gelegenheid van zijn komst op het gemeentehuis waarnam, +om met gefronste wenkbrauwen van verveling talrijke malen zijn +handteekening op lijvige, gele registers te krabbelen. Hij kwam eerst +ter zake toen de secretaris zijn zeurige voorlezing even onderbrak en +vragend-wachtend naar hem opkeek. + +"Zijn we'r?" vroeg hij.--En, op een bevestigend hoofdgeknik van den +slappen secretaris, keerde hij zich tot Alfons' oude moeder en stelde de +sacramenteele vraag: + +"Vreiw Urzela van de Weghe, verkloart-e gij toe te stemmen in 't +huwelijk van oue zeune Alfonsus Josephus van de Weghe mee Irma Rosalia +van Doalen?" + +"Joa ik, menier de schepen," antwoordde dof en heesch het ziekelijk +oudje. + +Meneer Waelckens keerde zich tot Rozeke's vader om: + +"Constantinus Ludovicus van Doalen, verkloart-e gij toe te stemmen in +'t huwelijk van ou dochter Irma Rosalia mee Alfonsus Josephus van de +Weghe?" + +"O ba joa ik, menier Woalkes; ze'n moen maar zien e-woar da z'ulder +deveuren doen om aan de kost te komen," antwoordde glimlachend de vader. + +"En gij, vreiwe, stemt-e gij euk toe?" vroeg meneer Waelckens aan +Rozeke's moeder, zonder op vaders grappigen toon in te gaan. + +"Ha, 'k zal wel moeten, e-woar; maar 't es spijtig da ze nog zeu jonk +es." + +"Joa moar, stemt-e toe of stemt-e niet toe?" vroeg meneer Waelckens met +een begin van ongeduld. + +"O joa joa ik, joa joa ik, menier Woalkes. Z'n moen ulder moar weiren, +e-woar? W'hen't wij euk moeten doen om deur 't leven te komen." + +Meneer Waelckens, 't gelaat steeds ernstig en de wenkbrauwen in +verveling gefronsd, wendde zich tot Alfons: + +"Alfonsus Josephus van de Weghe, verkloart-e gij tot wettige huisvreiwe +te nemen Irma Rosalia van Doalen?" + +"Joa ik, meneer de schepen," antwoordde kalm Alfons. + +Meneer Waelckens keerde zich tot Rozeke: + +"Irma Rosalia van Doalen, verklaart-e gij tot wettigen echtgeneut te +nemen Alfonsus Josephus van de Weghe?" + +Ja ik, menier de schepen," fluisterde Rozeke zacht. + +"In noame der Wet verkloar ik ulder deur het huwelijk verienigd!" +orakelde meneer Waelckens.--En zonder verder notitie van hen te nemen +verdiepte hij zich weer in handteekeningen-krassen op de lijvige +registers, terwijl de secretaris, met zijn slappe, toonlooze zeurstem, +de langdradige lezing der acte voortzette. + +Rozeke zat stil-ontroerd en vreemd te moede. Heel diep in haar binnenste +lag de ontroering, want al het uiterlijk der plechtigheid leek zoo +gewoon en oppervlakkig dat er geen emotie tot haar van door drong. Die +vadsige, trage secretaris, die stugge wethouder, die drie getuigen in +hun werkpak, die stoffige registers in de hooge, houten kasten om de +muren, en ook de welbekende alledaagschheid van haar ouders en zijn +moeder, van Vaprijsken en van La, 't was alles of het niets te maken had +met de gewichtige gebeurtenis waarvoor zij daar vereenigd waren, en die +nu plotseling als een omwenteling in haar leven zou te weeg brengen. Zij +voelde al dat uitwendige zoo koud, zoo vreemd en onverschillig, bijna +als iets vijandig-dreigends over haar jong en frisch geluk. Hare +gedachten dwaalden van de werkelijkheid af, vlogen in 't ronde om haar +heen, als gejaagd-zoekende vogels, die uit alle oorden de gebeurtenissen +van 't verleden weer in haar geheugen brachten. Zij dacht aan het +verwilderd hollen van de paarden met den wagen, en 't akelig grijnsgelaat +van Smul rees eensklaps als een duivelsche verschijning voor haar op. Zij +schrikte ervan tot in haar ziel en haar zachte oogen staarden angstig even +voor zich uit. Zij dacht aan jonkvrouw Anna, het mooi, lief meisje van +'t kasteel, dat haar altijd zooveel vriendelijkheid betuigde en dat zij, +na dien middag op de slijting, niet meer had teruggezien. Had die haar +dan vergeten en verlaten? Vreemd, zij voelde zich eensklaps als in +eenzaamheid vergeten en verlaten, terwijl toch haast allen die zij kende +en liefhad nu bij haar waren, om haar levensgeluk met hem, Alfons, den +man van haar hart en haar keus, te helpen zegenen. En slechts aan hem +alleen geloofde en hechtte zij met veilige zekerheid, als aan den eenigen +steun van bescherming, die haar tegen alle levensgevaren zou behoeden. +Tranen van zalige ontroering kwamen even in haar oogen en van terzijde +keek zij hem aan, in volle overgave van haar gansche wezen. Hij glimlachte +haar zachtjes tegen, met zijn mooie, donkere oogen, alsof hij haar +begrepen had en zoet gerust wou stellen. Toen werd het haar te machtig: +zij moest hem even aanraken, hem even voelen. Zacht-langzaam-zoekend +strekte haar hand zich naar hem uit, terwijl haar oogen stil-behoedzaam +op het kwabbig-dik gezicht van den saai-voorlezenden secretaris gevestigd +bleven. En als in een wederzijdsche strooming van onbedwingbare versmelting +tot een wezen, raakten zij elkanders vingers zonder naar elkaar op te +kijken en wisselden zij, plechtig als een stillen eed, de zwijgend- +omknellende belofte van hun onvergankelijke liefde. + +Toen de secretaris eindelijk met zijn lezing klaar was stonden zij op, +eerst Alfons en dan Rozeke en beiden zetten langzaam, met bevende +vingers, hun handteekening onderaan de acte. Het was als de bezegeling +van hun zwijgenden liefdeseed. Geen een van de anderen, behalve +Vaprijsken, waren geleerd en konden hun naam zetten. Zij teekenden met +een kruisje. De overige drie getuigen: een smid, een bakker en een +zadelmaker teekenden ook, en laatst van allen onderteekenden meneer +Waelckens en de dikke secretaris. + +"Es 't spel hier gedoan?" vroeg luchtig vader van Dalen. + +"'t Es gedoan," antwoordde de secretaris, zijn pen afvegend. + +"Kurt en goed, e-woar?" schertste een der getuigen. + +"Joa," lachte vader van Dalen, blij dat hij even lachen kon, "kurt en +nie kurt; 't es gauwe gedoan, maar 't duurt lank." + +Hij keerde zijn vriendelijk gezicht met het eene helder-levend oog en +het andere wit-dood oog naar den stroeven wethouder en naar den slappen +secretaris en vroeg of hij hen met iets trakteeren mocht. + +"Merci, van Doalen, 't es te vroeg," bedankten zij. + +"Lijk of ge wilt menieren; 't wordt ulder toch hertelijk gejoond," zei +vader. Hij groette, en met al de anderen en de getuigen verliet hij de +secretarie en opende de deur vlak tegenover in den gang, waar de +herbergkamer van het gemeentehuis was. + +De trouwers en de ouders werden er door de waardin proficiat gewenscht, +en zij dronken er een "dreupelken" met de getuigen, en de mannen +ontstaken een pijpje. Toen gingen zij langzaam in een troepje naar de +kerk, waar 't klokje reeds de jonge echtgenooten voor de trouwmis +opriep. + +Na de plechtigheid in de kerk, die ook heel kort en haastig verliep, +omdat er nog dienzelfden ochtend een groote begrafenis van een ouden +heereboer moest plaats hebben, werden allen door vader en moeder van +Dalen in _d'Ope van Vrede_ op warme chocolade en krentebroodjes +getrakteerd, en dadelijk daarop vertrokken de trouwers met het +trouwvaarke en 't trouwmoerke te voet naar 't naastgelegen kleine +station, om verder den dag in Gent door te brengen. + +"Nichte Begijntje nie vergete zille!" riep Alfons' moeder hem nog eens +vol bezorgdheid na. + +"Meugen La en ik euk mee noar nichte Begijntje?" keerde Vaprijsken zich +gekscheerend om. + +Het oude vrouwtje pruttelde nog iets dat ze niet begrepen, en weg waren +zij met hun vieren, haastig stappend naar het station, bang dat ze te +laat zouden komen. Zij kwamen echter nog precies op tijd en holden +zweetend met rood-hijgende gezichten in een derde-klas wagen van den +reeds wachtenden, snuivenden trein. + + * * * * * + +Toen zij een half uur later in de drukte van het groote-stadsstation +uitstapten, bleven zij even aarzelend midden op het woelig plein staan +om te beraadslagen hoe zij hun vrijen dag besteden zouden. Zij hadden in +'t geheel geen vastgestelde plannen, zij waren maar naar Gent gekomen +omdat het nu zoo eenmaal de gewoonte was bij huwelijks-gelegenheden. + +"Loat ons ievers om nen dreupel of'n pinte goan, we keunen d'r doar op +ons gemak over klappen," stelde Vaprijsken voor. De anderen vonden 't +voorstel goed en langzaam slenterend, verbouwereerd reeds in 't gejoel +van trams en rijtuigen en fietsen, gingen zij naar de huizenreeks vlak +tegenover 't station en kozen er een herberg uit van onaanzienlijk +voorkomen, waar zij binnen traden. + +"Ik zoe iest en veural noar nichte Begijntje wille goan," zei Alfons, +toen zij gezeten waren. + +'t Idee werd goedgekeurd; maar La en Vaprijsken wisten niet wat zij in +dien tusschentijd wel zouden doen. + +"Goa mee," zei Rozeke, die tegen dit tweede bezoek aan nicht Begijntje +heimelijk opzag. + +Doch Alfons keurde dit voorstel beslist af. + +"Nie nie, 'n doe da niet, ze zoe 't kunnen kwoalijk nemen," zei hij +bezorgd. + +Vaprijsken en La hadden trouwens ook niets geen zin om naar 't Begijnhof +mee te gaan. Zij zouden de trouwers maar liefst tot aan de poort van het +Begijnhof vergezellen, en daarna wat heen en weer gaan wandelen in de +straten, en na een half uurtje of drie kwartier hen bij den ingang komen +afwachten. Moest het gebeuren dat zij elkander daar niet troffen, dan +zouden zij elkaar tegen twaalf uur hier in de herberg terugvinden. + +Zoo werd besloten en zij gingen heen. Op een slenterpasje, elk oogenblik +stilhoudend bij de uitstallingsramen der winkels, de meisjes voor, de +mannen achter, telkens op zij gestooten en geduwd door vluggere +voorbijgangers, spotachtig aangekeken door nieuwsgierigen, en af en toe +in verbouwereerd troepje opgehouden aan drukke kruispunten van +tramlijnen en straten, kwamen zij eindelijk, in een lange, ouderwetsche +straat voor de gesloten, groene poort van het Begijnhof aan. + +"Allo, tot binnen 'n half uur of drei koartiers," zei Alfons, de zware +klink optillend. + +La liep reeds vooruit alsof ze bang was om gezien te worden, maar +Vaprijsken kwam met een schalkschen glimlach eventjes terug en +fluisterde schertsend: + +"Zeg, as nichte Begijntjen ou 'n gouwstik van twintig fran geeft, lijk +dien baron, van de zomer, op de slijtijnge, trekteert-e mee'n flassche +wijn?" + +"Joa ik," knikte Alfons glimlachend; en hij duwde de poort open. + + * * * * * + +Plotseling, zonder overgang, kwamen zij van de roezige drukte der straat +in heerlijke, volkomen stilte. Buiten het kort, smal gangetje, waar het +huisje der portierster stond, die even, vriendelijk glimlachend onder +'t wit kornetje, op haar drempel naar de bezoekers kwam kijken, strekte +zich een ruim en vierkant grasveld uit met boomen, waar koeien vreedzaam +als in weiland graasden; en overal rondom, achter witte muurtjes met +gesloten groene deurtjes, vertoonden zich, omgeven van hun kleine +tuintjes, de rood-en-witte trapgevelhuisjes der couventen. De kerk stond +op een hoek, verweerd en grijs als een monument van hoogen ouderdom, met +groote boogvensters vol kleine kleurenruitjes en met grillig klokkenspel +op fijn-gekanteelden, slanken toren. Zwartgerokte, wit-gekornette +begijntjes liepen ingetogen langs de witte muurtjes, verdwenen +geheimzinnig in de groene deurtjes, schreden met korte, vlugge pasjes, +over 't breede grasveld naar het kerkje toe. Een paar waren er bezig met +wit waschgoed op een hoekje van het groene veld te drogen uit te leggen, +en het kwam Rozeke voor of het werkelijk waschvrouwtjes waren, +keurig-nette waschvrouwtjes, met jonge, roze, lachende gezichten, en of +het gansche vriendelijk Begijnhofje, wit-en-groen-en-roze glinsterend in +de zoete najaarszon, iets was van stille, wereldlijke frischheid, iets +waar alles weer heel jong en zacht en rein werd, door een zorgzame, +teedere bescherming tegen alle schendende ruwheid, tegen alle smet van +buiten schroomvallig gevrijwaard. + +"Da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte Rozeke, met van +verrukking in elkaar geslagen handen. + +Maar Alfons zei dat ze geen tijd mochten verliezen, en zacht trok hij +haar uit haar verraste bewondering mee naar links, langs een der witte +muren met de groene deurtjes, waarachter, midden in hun kleine tuintjes, +de wit-en-roze couventen-huisjes zoo liefelijk in de blauwe lucht +trapgevelden. + +Rozeke, door een schuchteren eerbied bevangen, las, als bij haar eerste +komst in het Begijnhof, in 't voorbijgaan de verschillende namen der +couventen, met gele of witte letters op de groene deurtjes geschilderd: +H. Antonius van Padua, H. Aloysius van Gonzague, H. Nicodemus, H. +Ignatius van Loyola, couvent Ter Velden, couvent der Onbevlekte +Ontvangenis, couvent Ter Bloemen. + +Daar was het. Alfons belde bescheiden aan 't ijzeren roedje met +glimmend-koperen knop, dat aan den witten muur naast het groen deurtje +hing. + +Zij wachtten even, Rozeke met van ontroering kloppend hart. Toen hoorden +zij een stillen, vluggen pas over een grintpad achter 't muurtje en 't +oogenblik daarna schoof een gerasterd spiegat in het deurtje open en +vertoonde zich achter het tralienet een frisch, jeugdig gezicht met +hagelblank kornetje, dat als een groote, wit-en-roze, stil-levende bloem +op onzichtbaren stengel, midden uit al de andere, slanke stengel-bloemen +en heesters van het smal tuintje scheen op te rijzen. + +"Es mesoeur van de Weghe thuis?" wilde Alfons vragen. Maar, nog voor hij +den tijd had het uit te spreken, trok het vriendelijk-glimlachend +gezicht van 't jong begijntje, dat hem dadelijk herkend had, achter 't +judasraampje zich terug, en meteen ging 't groene deurtje zachtjes open +en werden zij verzocht te willen binnenkomen. + +Zij traden binnen, eerst Alfons en dan Rozeke. Het jong begijntje keek +'t jong bruidje even aan, met vlug-opslaande oogen, die dadelijk weer +zedig naar beneden staarden, terwijl zij 't deurtje dichtdrukte en 't +judasje weer toeschoof. + +"Wilt-e moar meekomen?" verzocht zij hen met zachte, ingetogen stem; en +zij liep hen even, over het smal en kort grintpaadje, tusschen de +heesters en de bloemen-perkjes voor, en opende nu ook de deur van het +wit-en-roze trapgevelhuisje. + +Zij stonden in een korten, rechten, geelgekalkten gang met bruine deuren +aan de beide zijden en een helle, matglazen tuindeur aan het uiteinde. +Het jong begijntje opende het eerste deurtje links, verzocht hen even te +gaan zitten, en verdween. + +Door schuchteren eerbied bevangen, keek Rozeke om zich heen. Een ronde +tafel met een grijsbruin kleedje stond in 't midden van de tamelijk +ruime, ietwat kille kamer, op den kraak-zindelijk-geboenden, rooden +tegelvloer. Konterfeitsels van heiligen en pausen hingen, achter glas, +in mahoniehouten lijsten aan de witgekalkte muren, en midden op den +schoorsteen zonder spiegel was een kolossaal bruinhouten Christusbeeld +met akelig-gefolterd aangezicht onder de scherpe doornenkroon en met +bloedende, aan 't kruis gespijkerde handen en voeten. Door de witte +gordijntjes der kleingeruite vensterraampjes zagen zij de bloemen en de +heesters van het tuintje, en over 't witte muurtje het massieve grijze +schip met slanken klokketoren van de kerk achter het groene grasveld. + +"Zet ou moar," fluisterde Alfons tot Rozeke. + +"'K en durve bijkans niet," murmelde zij. + +"Woarom niet? Ge'n moet nie schouw zijn," drong hij aan. En hij ging +zelf zitten. Maar het verschuiven van zijn stoel maakte zoo groot geluid +over den tegelvloer van 't doodstil kamertje, dat zij er beiden haast +van schrikten, alsof hij iets gedaan had dat niet mocht. Meteen hoorden +zij in de gang het traag-naderend schuiven van slepende voeten, begeleid +door het gekadanseerd tikken van een stokje. + +"Stt!... z'es doar," fluisterde Alfons. + +Langzaam, heel heel langzaam werd de deur geopend. 't Was of ze vanzelf +open ging en of niemand zou naar binnen komen. Toen verscheen het +onderste eind van een bruin-houten, scheef naar voren gedrukt stokje, +toen de stijve onderrand van een zwarten rok, toen de helft van een +wit-gekousden, dik-gezwollen voet: en eindelijk stond nicht Begijntje in +de kamer, even roerloos-hijgend van de inspanning, steunend op haar +stokje en op den arm van het jong verpleegstertje; nicht Begijntje kort +en dik, het rimpelig gezicht wasgeel en gezwollen onder de witte kap, de +doffe oogen fletsblauw, de dikke onderlip suffig-kwijlend naar beneden +hangend. Een groote, bruine rozenkrans hing los over haar ingezakte en +platgedrukte borst te schommelen, en zij zuchtte kreunend, alsof dat +heel kort eindje steunend loopen haar uitermate had afgemat. Zij sloeg +even haar fletsen blik op naar Alfons, die haar schuchter en eerbiedig +groetend te gemoet kwam, maar dadelijk gingen haar oogen zich vestigen +op Rozeke, en zij vroeg, hortend en hijgend, alsof zij zich het meisje +en de reden van hun bezoek niet goed meer herinnerde: + +"Zij-je van doage... meschien getreiwd... en es dat de vreiwe?" + +"Joa w' nichtje Begijntje, en 'k kom ou Rozeke nog ne kier teugen, lijk +of ik ou beloof ha," antwoordde Alfons. + +Rozeke, innig benauwd en hoogkleurend van schaamte, wist niet wat ze +zeggen moest. Ze stond daar doodsverlegen als een schuldige te +glimlachen, en zij werd feitelijk onbeleefd door overgroote vrees van +onbeleefd te zullen zijn. Het jong begijntje keek haar stil-glimlachend +en als 't ware vriendelijk-meewarig aan. + +"Z'es nog 'n beetse verlegen, nichte Begijntje," trachtte Alfons te +vergoelijken. + +Doch nicht Begijntje scheen niet onaangenaam over Rozeke gestemd, haar +indruk was blijkbaar een nog gunstige: die eerbiedige schuchterheid +beviel haar, en zij wees verwelkomend naar stoelen, terwijl zij zelve +met de hulp van haar geleidster zuchtend in een breeden armstoel +neerzakte. + +Het jong begijntje scheen haar vragend iets in 't oor te fluisteren. De +oude knikte goedkeurend en de jonge verdween, de bezoekers met nicht +Begijntje alleen latend. + +Zij zaten alle twee in stijve, strakke houding om de tafel, ver van +elkander af, als vreemden, de oogen eerbiedig-ontzagvol gevestigd op de +oude, rijke nicht, die, na nog eens herhaaldelijk gezucht en gekreund te +hebben, hen nu met aamechtig-hijgende tusschenpoozen over verschillende +dingen begon te ondervragen. Ze stelde voornamelijk belang in Alfons' +moeder, omdat zij wist dat deze, evenals zij, oud en ziekelijk was, en +wilde vooral weten waar het haar nu 't meest aanpakte: op den adem, in +de zij of in de beenen. Toen deze nieuwsgierigheid bevredigd was begon +zij opnieuw over haar eigen slechte gezondheid te zeuren, telkens +herhalend dat zij toch geen recht tot klagen had, aangezien het onzen +lieven Heer in zijn almachtige goedheid en wijsheid behaagde haar op +aarde te beproeven om haar wellicht hiernamaals des te gelukkiger te +maken. En eindelijk sprak zij over henzelven, over de plechtige +gebeurtenis van hun huwelijk en hoe zij zich op zulk een dag als +christelijke menschen behoorden te gedragen. + +"Het-ulder tot nou toe wel altijd treffelijk gedregen?" vroeg ze +plotseling, hen om de beurt met haar slappe, fletse oogen eenigszins +wantrouwend aankijkend. + +Zij schrikten beiden heftig op bij die zoo onverwachte vraag en keken +elkaar even met onthutste verbouwereerdheid aan. Rozeke kreeg een kleur +als vuur en haar wimpers gingen vlug en zenuwachtig, als zou ze gaan +schreien, over haar eensklaps neergeslagen oogen op en neer, terwijl +Alfons, zich strak vermannend, nicht Begijntje frank in het gezicht +dorst aankijken en met de kloekheid van een rein geweten antwoordde: + +"Altijd, altijd, nichte Begijntje, d'er 'n es giene meinsch op heul de +weireld die ons iets te verwijten het." + +Die kranig uitgesproken verzekering scheen nicht Begijntje ten zeerste +te bevredigen. Zij knikte goedkeurend met het hoofd en haar nat-bevend +afhangende onderlip pruttelde iets van tevredene waardeering. Toch +meende zij dat rein met elkaar omgaan voor het huwelijk lang niet alles +was, en weer sprak zij hen over den heiligen Tobias, die drie dagen en +drie nachten met zijn vrouw in zuiverheid had geleefd. + +Alfons had alle moeite om een plotseling in hem opstormende lachbui te +bedwingen. Hij beet op zijn lippen en gluurde schichtig naar Rozeke, die +ook even met een vluggen blikstraal naar hem opkeek en toen weer met +hooge kleur haar oogen zedig neersloeg, terwijl haar mooie lipjes even +onbedwingbaar-zenuwachtig over elkaar schoven en trilden. + +Gelukkig merkte nicht Begijntje er niets van op; en zij bleef rustig +door haar stokpaardje berijden: + +"Da ge mij wilde beloven van gedurende drei doagen en drei nachten lijk +den heiligen Tobias in zuiverheid te leven, 'k zoe ulder huwelijk +zegenen en ulder geluk helpen bewirken." + +Alfons zat op de pijnbank en Rozeke kreeg het zoo benauwd dat haast +tranen van verlegenheid en schaamte in haar neergeslagen oogen kwamen, +terwijl een zenuwachtig grimas haar lippen onophoudend van het lachen +naar het huilen heen en weer trok. + +Maar nicht Begijntje zat met strak-starenden, fletsen blik op een +positief antwoord te wachten, en Alfons dacht hoe oud en rijk ze was en +hoe ze hen kon bevoor-of-benadeelen in haar testament, En hij zei, met +een doffe stem die van inspanning trilde, terwijl ook hij zijn +beschaamde oogen instinctmatig als een schuldige neersloeg: + +"Nichte Begijntje, 'k beloof ou da'k al zal doen wat da 'k kan om...." + +Op 't oogenblik dat hij het met een laatste aarzeling zeggen zou ging de +deur zachtjes open, en als een engel van verlossing trad het vriendelijk +jong begijntje binnen met een volgeladen presenteerblad op haar beide +uitgestrekte handen. + +Alfons zweeg plotseling; en nicht Begijntje zelve betuigde hem met een +goedkeurend hoofdgeknik dat zij genoeg begrepen had, terwijl het jong +begijntje 't zware blad met kan, kopjes en koekjes voor haar op de ronde +tafel plaatste. + +"'t Es seekelou," sprak nicht Begijntje. "Ge goat 'n taske seekelou +drijnken en'n boterkoeksken eten ier da ge veurt goat." + +De ochtend-chocolade met broodjes die zij na de trouwmis in _d' Ope van +Vrede_ gebruikt hadden, lag hun nog zwaar op de maag, en zij voelden +geen de minste lust om nog eens weer het zelfde te gebruiken, doch de +uitkomst was er een zoo ongehoopte en welkome, dat zij terstond, met +ongeveinsde verrukking bijschoven en vol graagte het weee, zoeterige +goed naar binnen werkten. Het jong begijntje en de oude nicht deden er +trouwens aan mee, de laatste akelig morsend met haar kwijllip en haar +tandeloozen mond; en toen zij gegeten en gedronken hadden mochten zij +eindelijk opstaan en afscheid nemen. + +"Wacht," brabbelde nicht Begijntje, "hier es nog wa veur ulder, moar... +moar 'n verlies het niet... en keupt er ulder 'n stik in ulder huishouen +mee." + +Zij ging met haar bevende hand in een mandje, dat het jong begijntje in +een kast voor haar gaan halen was en nam er van onder een kerkboek en +een sleutelbos een bankbriefje van honderd frank uit. + +"Ha moar nichte Begijntje, 't es te veele!" riep Alfons gansch ontroerd. + +"Neem moar, neem moar,... moar 'n verlies het niet, en... en vergeet +ulder belofte niet...." zei nicht Begijntje. + +Met bevende vingers nam Alfons het kostbaar papiertje aan en stopte het +zorgvuldig in zijn binnenzak. Innig ontroerd stond hij voor haar, hij +zag ineens als heel nieuw en onbekend nicht Begijntje, een goed en +liefdadig oud mensch met een paar zonderlinge eigenaardigheden, en hij +voelde plotseling dat het hem werkelijk spijten zou als zij er eenmaal +niet meer was. + +"Merci, merci, nichte Begijntje, ge zij wel duuzen kiers bedankt, en 'k +hoop uit de grond van mijn herte da ge genezen zilt en da ge wel honder +joar oud zilt worden," zei hij, met tranen van dankbaarheid in de oogen, +terwijl hij, met Rozeke heengaande, nog een laatste maal haar gele, +bevende, rimpelige hand in de zijne drukte. + + * * * * * + +Toen zij buiten het Begijnhof kwamen ontwaarden zij dadelijk Vaprijsken +en La, die langzaam in de drukke straat voor de winkelramen op en neer +wandelden. Alfons floot op zijn vingers en dadelijk keerden zij zich om +en kwamen naar hen toe. + +"Hawel, hoe he 't geweest! He z' ulder'n stik van twintig fran gegeen?" +schertste Vaprijsken. Maar hij werd vreemd getroffen door de zonderlinge +uitdrukking van beider gezicht en riep verwonderd: + +"He! wa scheelt er dan? Es 't lachen of es 't schriemen da ge goat +doen?" + +Rozeke, zenuwachtig van emotie, trok inderdaad een vreemd gezicht. +En plotseling barstte 't bij haar uit, half lachen en half huilen, +onbedwingbaar, midden op de straat, onder de verbaasde blikken van de +talrijke voorbijgangers. + +"Ha moar onz' Roze wa het-e gij! schiedt er toch uit! wordt-e gij zot!" +riep La verbaasd en bijna verontwaardigd. + +Eensklaps werd het ook Alfons te machtig, en net als Rozeke barstte hij +uit in tranen en gelach, krampachtig op zijn lippen bijtend en zijn +vuisten knellend, als een gek. Stom-gapend van verbazing stonden La en +Vaprijsken hen aan te kijken, tot Alfons hen eindelijk met zich meetrok +in een eenzaam zijstraatje, waar hij hen, nog steeds om de beurt lachend +en huilend, het verhaal deed van den heiligen Tobias en van het +bankbriefje van honderd frank, telkens in hortende woorden smeekend dat +zij er toch niet om lachen zouden, want dat nicht Begijntje veel te goed +en veel te lief was om bespot te worden, en telkens zelf weer in +overweldigende lachbuien uitproestend, hoe langer hoe erger, naarmate La +en Vaprijsken, die eindelijk de toedracht van de zaak begrepen, ook in +dolle uitgelatenheid hun wilde pret uitschaterden. Toen zij eindelijk +tot bedaren kwamen vroeg Vaprijsken, nog half ongeloovig, om het +bankbriefje te mogen zien; en hij werd stil van eerbied terwijl Alfons +het als een heiligdom te voorschijn haalde en het hem van verre liet +bewonderen. + +"Nondedzju!" riep hij, de tabakspruim, die hij kauwde, als van wellust +in zijn mond omkeerend. + +Weer slenterden zij met hun vieren door de straten, doelloos, +gapend-rondkijkend, hinderlijk voor de overige voetgangers, die telkens +op het trottoir om hun trage viertal heen moesten, als water om een +klip. Maar 't was reeds over twaalf, La en Vaprijsken kregen honger, en +de laatste stelde voor dat zij ergens wat zouden gaan eten en vooral de +flesch wijn uitdrinken waarop Alfons nu met zijn honderd frank +waarachtig wel trakteeren mocht. Alfons stemde toe, en in een groepje +stonden zij nu even weer midden op het kruispunt van vier straten, +wantrouwig-aarzelend rondkijkend, of zij ook ergens een geschikte +herberg zagen. Doch zij ontdekten niets dat hen bepaald aanlokte en daar +zij ieder oogenblik op zij gedrongen werden door het druk verkeer van +voetgangers en rijtuigen, raadde Vaprijsken aan om weer naar die herberg +bij het station te gaan, wat zij ook deden. + +Loom en moe reeds van de benauwende stadsdrukte en het doelloos +slenteren, kwamen zij voor de tweede maal in 't herbergje en Alfons +vroeg aan den dikken baas, die in grijs linnen jasje achter de +schenktafel stond, of zij iets te eten konden krijgen. + +"Iets kaud, joa," antwoordde kortaf de man; en hij wees naar zijn +schenktafel, waar stukken koude roastbeef, ham en kaas op groote borden +onder glazen stolpen stonden. Er was ook een mandje vol met +hard-gekookte eieren. + +Vaprijsken trok zijn neus op. Hij had gehoopt iets warms, iets van +"teelkost" te kunnen krijgen. Maar La deelde hem mede dat zij 's avonds +bij vader en moeder van Dalen teelkost in overvloed zouden krijgen, en +dat vooruitzicht troostte Vaprijsken en deed hem reeds op voorhand +lekkerbekken. Na lang aarzelen en overwegen bestelde Alfons voor La en +Vaprijsken twee groote porties "rosbuuf en hespe" en voor hemzelf en +Rozeke, die na al hun chocola met broodjes nog geen honger hadden, +slechts twee gekookte eieren. En meteen bestelde hij ook, plechtig, als +gold het een daad van belang, "'n flassche wijn." + +"Reuen of witten?" vroeg de baas van achter zijn schenktafel. + +Gewichtig raadpleegden zij even elkaar. + +"Reuen," zei eindelijk Alfons. + +"Van den ordinairen of van den besten?" + +Weer staken zij de hoofden samen. + +"Hoevele scheelt het in de prijs?" vroeg Alfons. + +"Twie fran en drei fran." + +"Van den besten dan," besloot Alfons. + +Zij aten en dronken. Vaprijskens leuke oogen glinsterden. Zijn gele +baard ging onophoudend op en neer, in gelijkmatige kadans, als een heel +eigenaardige mekaniek, die door iets automatisch in beweging werd +gebracht. Hij sneed zijn vleesch, dik met mosterd bestreken, in gelijke +stukken op kubieke hompen brood, en telkens na het slikken dronk hij een +teug van zijn wijn, schalks knipoogend naar de anderen, als voerde hij +iets heel ondeugends uit, waarin hij groote, stille pret had. La ging +plotseling, zonder merkbare oorzaak, weer aan 't schaterlachen en +beweerde dat de wijn haar naar het hoofd steeg; Alfons en Rozeke zaten +een beetje lusteloos, de maag wee-overladen en vagelijk van streek door +te veel zoete chocola en broodjes. + +Na den wijn en het eten dronken zij koffie met suiker in groote glazen, +--wat hen eerst verbaasd deed lachen--en Alfons trakteerde ook Vaprijsken +met sigaren. Toen spraken zij weer over nicht Begijntje en hadden nog +even pret om de Tobias-historie; maar langzamerhand begonnen ze zich toch +te vervelen, en weldra vroeg Vaprijsken wat zij nu verder met hun middag +zouden doen. + +Rozeke en La stelden voor om nog wat in de stad te gaan wandelen en naar +de winkels te kijken en misschien 't een of 't ander te koopen; doch de +mannen hadden reeds meer dan genoeg van de winkels en zochten naar iets +anders zonder het evenwel te vinden. + +"We'n keunen hier toch nie heul den dag in die hirbirge blijve zitten," +zei Rozeke een beetje wrevelig. + +Alfons keek haar even van ter zijde aan. Haar mooie oogen stonden stroef +en haar lipje hing een beetje neer. Hij had al meer gehoord dat ze soms +wel een ietsje grillig kon zijn; hij had het zelfs een paar keer +ondervonden al. Nu ook. Hij glimlachte zoet en nam streelend hare hand +onder de tafel. Half pruilend nog keek ze naar hem op, maar het lieve en +aardige in haar karakter nam dadelijk weer de overhand en haar heldere +oogen lachten hem glinsterend tegen, als zonnestralen door een vluchtig +onweerswolkje. + +Plotseling had Vaprijsken een inval. + +Weet-e watte! loat ons elk van zijne kant goan!" riep hij. "La mee +Rozeke in de wijnkels en ik mee Fons ievers elders." + +Maar Rozeke, die 't oogenblik te voren wellicht zou hebben toegestemd, +was er thans niet meer voor te vinden. + +"Op onzen treiwdag van mijne veint wigleupen! nien ik, daor! 'K ben bij +hem en 'k goa mee hem mee woar dat hij wilt!" riep zij, als een bedorven +kind. En zoet legde zij haar handje in de zijne en drukte die +teederlijk. + +"Al gezeid!" lachtte Vaprijsken. "Hawel weet-e watte: loat ons al te +goare mee den elektriek rond-rijen!" + +Dat was een heerlijk voorstel en zij juichten 't toe. Ja, met de +electrische trams rondrijden, van den eenen in den anderen, zoover ze +liepen! Dat was iets nieuws, dat kenden ze nog niet, dat zou pleizierig +zijn! + +Zij verlieten de herberg en stapten lachend in den eersten tram den +besten, die klaar stond om te vertrekken. + +"Woar noartoe?" vroeg de conducteur. + +"Noar 't ende van de weireld!" schertste Vaprijsken. + +En zij reden. De mooie winkelstraten, met schitterpracht van +uitstallingen, de stille ouderwetsche buurten, met groote, donkere, +deftige huizen en indrukwekkende kerken, de vuile krioelende voorstad +met lange, rechte straten vol grauwe arbeiderswoningen en reusachtige +fabrieks-gebouwen, ze reden 't alles zoo gemakkelijk af en langs, in +telkens afwisselende belangstelling voor in-en-uitstijgende reizigers, +tot zij weldra heelemaal buiten waren, midden in vuilnis-terreinen met +half-gesloopte werven en loodsen, waar de tram eindelijk stilhield en +zij verzocht werden om uit te stappen. + +"Ah, Vaprijs, da es 'n scheune streeke woar da g' ons hier gebrocht het, +zille; 'k moak ou mijn kompliment," gekscheerde Alfons om zich heen +kijkend. Ook La hield Vaprijske voor den gek, vragend of hij hier +wellicht een lief had zitten. Maar Rozeke, de oogen nog vol van de +glinstering der schoone winkels die zij slechts in het vlugge +voorbijsnorren van den tram gezien had, werd opnieuw misnoegd en +pruilerig en verlangde reeds zoo spoedig mogelijk terug te keeren. Zij +stonden daar even als verdwaald: geen van allen wist nog waar naartoe; +zij vonden er niets beters op dan met denzelfden tram naar de stad terug +te rijden, en daar opnieuw te blijven slenteren en hangen, en nog eens +wat te eten en te drinken, en nog eens in en uit de winkels en bazars te +loopen, tot het eindelijk tijd werd om den trein huiswaarts te nemen. + +Zij waren moe en beu. In 't kort trajectje op de spoor vielen Rozeke's +oogen toe en zonk zij weg in slaap. Alfons, met hare hand zacht in de +zijne voelde eveneens een loome slaaplust in zijn hersens suffen; en hij +hoorde nog te nauwernood, in 't knarsend-ruischen van den trein, het +lachgepraat van La en Vaprijsken, die elkaar met grapjes trachtten op te +winden. O, slapen, rustig naast elkander mogen slapen, na een zoo langen +dag van afmattend slenteren en hangen! Maar knarsend op zijn remmen +hield de trein plotseling met een korten schok stil en beiden schrikten +zuchtend uit hun sluimering, terwijl het portier, wijd-opengerukt, een +frissche, koele tocht naar binnen deed stroomen. Zij waren er; haastig +hobbelden zij uit den wagen en stonden op 't perron. + +De avond was gevallen. Zoodra zij uit de drukte van het klein station +kwamen, bevonden zij zich in stille duisternis op een eenzamen steenweg +tusschen twee rijen jonge eikenboompjes. Een paar rijtuigen, die +reizigers waren komen afhalen, reden hen in de glinstering van hun +lantarens voorbij, en in een daarvan meende Rozeke den baron en de +barones van het kasteel te herkennen. Zij verbaasde zich zeer. Sinds +een paar maanden waren zij reizende, en na den middag der slijting had +Rozeke van haar voorname vriendin jonkvrouw Anna ook niets meer gemerkt. +Koffers stonden boven op de omnibus: wellicht keerden ze juist nu van de +reis terug. Maar hoe kwam het dan dat zij hen noch bij 't vertrekken van +den trein, noch hier aan 't kleine station gezien had? + +"Zat mejonkvreiw Anna euk in de voiture?" vroeg Alfons. + +Rozeke wist het niet, zij had het niet goed kunnen zien; maar zij dacht +wel dat de jonkvrouw er bij was en haar hart popelde van ongeduld en +vreugd in het vooruitzicht haar wellicht spoedig weer te ontmoeten. + +"'K weinsche dat die jongen b'ron d'r euk bij woare en dat hij ons van +den oavond nog ne kier mee 'n gouwstik van twintig fran kwam +trekteeren," lachte Vaprijsken. + +"Zoe da nou heur lief zijn?" riep La. + +Geen van allen wist die vraag te beantwoorden. Niemand in 't dorp had er +verder iets van gezien of gehoord; men wist zelfs niet wie hij was en of +hij op 't kasteel vertoefd had; maar Rozeke voelde instinctmatig dat hij +en de jonkvrouw elkander liefhadden en zij brandde van verlangen om er +wat meer van te weten. In stil gepeins daarover liep zij even zwijgend +in de duisternis naast Alfons, terwijl La en Vaprijsken in stoeiende +pret reeds enkele schreden vooruit waren. + +Zacht legde hij zijn arm om haar middel en drukte haar tegen zich aan. + +"Rozeke, woarop peist-e dan?" streelde hij. + +"Op ou," sprak ze heel zacht, verliefd-glimlachend in het donker naar +hem opkijkend. + +"Op mij alliene?" plaagde hij. + +"Op ou en op mejonkvreiw Anna; 'k zoe toch wel wille weten of dat die +jongen b'ron heur lief es, en of ze mee hem zal treiwen, en of ze +gelukkig zal zijn." + +"Zij-je gij gelukkig, Rozeke?" + +"Joa ik, o joa ik, Fons," streelde haar stem, met een teedere intonatie +van zalig-ontroerde overtuiging. + +"We zillen allen twiee zeu gelukkig zijn, e-woar, mijn Rozeke?" + +"O joa w' Fons, o joa w' Fons." + +Zij liepen samen met gelijken tred nauw tegen elkander aangesloten, +voelend, als een groot geluk van innig een-zijn, de zacht-levende warmte +en de lenige beweging van elkanders lichaam. Hij was niet groot en niet +sterk, eerder fijn en tenger voor een man, maar hij voelde haar nog +zooveel fijner en tengerder en ook zwakker dan hemzelf en dat gevoel gaf +hem grootere kracht en sterkte dan hij wezenlijk bezat, om haar steeds +teeder lief te hebben en haar te beschermen. Al zijn loome moeheid van +het suffig slenteren in de stad was eensklaps voorbij, de zachte +frischheid en 't mysterie van de duisternis verkwikten hem, hij keek op +naar de heldere sterren die tintelden in 't donkerblauw uitspansel +tusschen de zwarte kruinen van de boomen en dan weer rechts en links +naar de hier en daar nog vaag zichtbare velden, waar krekels droomerig +zongen tusschen de laatste haverschoofjes van den lieven zomer, die daar +ook als geheimzinnig-omstrengelde liefdesgestalten op de naakte +stoppelvelden stonden, en het werd hem zoo heerlijk-zacht en rustig- +zeker in zijn binnenste te moede, het werd zoo zalig van vertrouwd geluk +en goede, kalme toekomst. Hij sprak niet meer, hij kon niet meer spreken; +hij hield haar heel heel innig-zacht tegen zich aangedrukt, en streelde +hare wangen met zijn teerbevende hand, en zoende haar eindelijk op de +zoete lippen, met lange, lange zoenen en gesloten oogen, terwijl hij niets +kon zuchten dan haar steeds herhaalden, lieven naam: + +"O Rozeke, Rozeke, mijn Rozeke.... + +Links voor hen uit, in 't donkere van den nacht, laaide plotseling een +roode gloed op en tegelijkertijd bomden in de verte, kort na elkaar, +drie dreunende kanonschoten. + +"Zie-je 't vier? Heurt-e ze?" riep Vaprijsken, in de duisternis tot +Alfons en Rozeke zich omkeerend. + +Hartstochtelijk knelde Rozeke Alfons' hand in de hare. Ja zeker, zij +zagen en zij hoorden het en wisten wat het was: de avondpret in het +gehuchtje waar haar ouders woonden en waar de terugkomst van de +jonggehuwden door het volk gevierd zou worden. Hooger en rooder +flakkerde de vuurgloed op en opnieuw bomden de kanonnen, terwijl ze +reeds van verre het verdoofd gejoel hoorden van 't jonge volkje, dat +zeker al om den brandstapel een wilde ronde danste. + +Zij liepen haastiger, met ongeduldig-jagend hart en sloegen links den +landweg in, die naar 't gehuchtje leidde. Zwaarder dreunden de kanonnen, +schriller galmden de vreugdekreten, terwijl het vuur, door het gewirwar +van struikgewas, van verre op een boschbrand leek. En plotseling kwamen +zij in 't zicht en een lang hoezee-geroep begroette hun verschijning, +terwijl eensklaps, door onzichtbare handen, een lange snoer van in +elkaar gevlochten bloemen dwars over den weg werd gespannen, om hun den +doortocht te beletten. + +Glimlachend trad een klein, in 't wit gekleed meisje uit een groep naar +voren, met een papiertje en een bloemruiker in de hand; en bij het in +rooden gloed tegen de huisjes opflakkerend houtvuur las het een +gedichtje voor: + + Welkom van uwe reis, Alfons en Rosalie + Die nu zijt in den echt getreden + En bij uw ouders Leo en Marie, + Dezen avond het feestmaal zult eten. + De gansche buurt heeft zich in uw geluk verblijd + En hoopt dat gij veel lange jaren + Tot spijt van wie 't benijdt + Als man en vrouw zult blijven paren. + +Gejuich en hoezees klonken in kanongebulder op, de bloemen werden +overgereikt, Alfons en Rozeke dankten, het snoer werd neergelaten en 't +oogenblik daarna waren zij met de trouwgasten en andere genoodigden in +vader van Dalen's huisje, waar een lange tafel klaar gedekt stond, +terwijl het volk daarbuiten, mild getrakteerd op bier en jenever, in den +helderen Septemberavond rondom het krakend en sissend, met groote +armvollen versch hout gevoede vuur, luidruchtig bleef joelen en dansen. + +Zij praatten en lachten en aten, eerst "karbenoaden en saucietjes" met +aardappels en daarna pannekoeken die zwommen in melk, met boter en met +bruine suiker. Het bier stroomde overvloedig en de koffie stond geurend +op 't fornuis te dampen. Behalve Rozeke's ouders en broeders waren daar +ook velen van de makkers met wie zij in de zomerdrukte op boer Kneuvels' +hoeve werkten, en zij hadden allen dolle pret en haalden grapjes uit, +een beetje dronken reeds van 't joelen om het houtvuur. De dikke moeder +van Dalen liep hijgend en zweetend, van 't fornuis naar de tafel om een +ieder te bedienen, en vader deed een beetje buitensporig, den broekband +los en in zijn hemdsmouwen, om de beurt verteederd en trotsch +uitgelaten, nu eens klagend dat hij zijn oudste dochter in huis niet +missen kon en dan weer pochend dat zijn dochter trouwde met een jongen +van fortuin, die als een rijke boer zou kunnen leven, wanneer hij +eenmaal 't erfdeel van zijn nicht Begijntje had. + +Vaprijsken's leuke oogen glinsterden van ondeugende pret en zijn +spotmond lachte in zijn gelen baard. Hij keek naar Rozeke en Alfons, +die zelven met moeite zich bedwingen konden, al beduidden zij hem ook +telkens dat hij zwijgen moest. En plotseling flapte hij 't er proestend +uit: + +"Op conditie dat hij leeft gelijk den heiligen Tobias!" + +"Wa vertelt-e gij, doar?" vroeg vader van Dalen wenkbrauw-fronsend in +zijn pochen gestoord. + +"Ge'n meug nie, ge moet zwijgen, Vaprijs!" vermaanden Alfons en Rozeke, +half boos, half lachend. + +Maar in de nu algemeen opgewekte nieuwsgierigheid kon Vaprijsken het +niet langer onder zich houden; en hij vertelde in een adem heel de +historie. + +De mannen schaterden, de meisjes kronkelden zich met roode gezichten en +glinsterende oogen op haar stoelen. Moeders zweetstralende, heete wangen +lodderden tot in haar hals en haar zwaar buikje stond als met kleine, +korte schokjes tegen de kachel aan te huppelen, terwijl haar hooge +lachstem klokte en kakelde, als het gekrijsch van een leggende hen; en +vader zat daar stom en roerloos even, verbluft en overdonderd, zijn +helder oog rond als een glinsterkogel op Vaprijsken, zijn doode oog als +in slaap of treurnis half gesloten. Maar plotseling begon het goede oog +te knippen en te twinkelen terwijl zijn mond wijd open ging; en op zijn +beurt proestte hij 't eindelijk uit, zoo hevig dat hij zich verslikte en +van zijn stoel opsprong, den rug gekromd en de handen op zijn knieen, +als in stuiptrekkingen. Hun wild geschater en gegil werd tot op den weg +gehoord en de pretmakers lieten even hun vuur in den steek om +nieuwsgierig door de raampjes te komen luisteren en kijken. Zij +schaterden en gilden van buiten mee zonder te begrijpen wat er gaande +was en een aantal kwamen zelfs, ongevraagd, binnen. + +Zij waren er welkom, de heele buurt was er welkom, het was een dag van +uitgelaten leute, en moeder schonk en gaf er maar op los: dreupelkes +jenever, kannen bier, meetjeskonte, voor al wie er van wilde. Haast heel +het klein gehucht kwam daar weldra bijeengestroomd, maar 't werd er zoo +benauwd en stikkend, dat de een na de ander spoedig naar buiten vluchtte +en allen op den duur midden op den kruisweg weer rondom het houtvuur +gingen joelen. De trouwers en de gasten trokken mee en volop werd de +pret er voortgezet. Vader van Dalen liet opnieuw bier, jenever en +meetjeskonte halen in den "_Graeve van Halfvasten_," de herberg aan den +overkant; armvollen hout werden van alle kanten bijgehaald, en hoog en +rood in grijze kolken rook flitste de brandgloed op, verlevendigend met +snelle weerlichten en vegen, de fantastische gezichten en gestalten der +in breeden kring woelende menigte. Reusachtige schaduwen dansten +gedrochtelijk uit over de hel verlichte gevels en tot op de daken der +omringende huizen en de rood-beglansde bladeren van heggen en van boomen +ritselden soms als levend klatergoud. + +En in dien vreemden, onreeelen toovergloed zag plotseling Rozeke een man +daar staan, aan wien zij niet meer had gedacht en dien zij nooit op deze +plaats en op dit uur verwacht zou hebben: Smul, boer Kneuvels' +paardenknecht! Zij zag hem staan, heel achteraan en heel alleen, geleund +tegen den gelen gevel van den _Graeve van Halfvasten_, de pet laag op +het voorhoofd, den rossen knevel als een zware streep dwars door het bar +gezicht, de stuursche oogen strak op haar gevestigd. Het was haar +plotseling te moede alsof een onverwachte ongeluksbode een droeve +schaduw over haar jong en frisch geluk uitspreidde en instinctmatig, als +in schrik, deinsde zij even achteruit. Wat stond hij daar te doen? +Waarom was hij er gekomen? Was het uit haat, als uitdaging?... of was +het uit liefde?... uit lijdende, kwellende liefde? + +Zij voelde plotseling een vreemd medelijden. Zij toch was gelukkig en +dat was hij zeker niet. Zij was bang voor hem, vreeselijk bang,--de +herinnering aan zijn woeste aanranding in 't koren kon haar nog doen +ijzen--maar, had hij haar ook niet het leven gered? Het kwelde haar dat +hij daar nu zoo norsch en zoo alleen stond; zij had hem willen mee zien +dansen met de anderen in de vreugderonde om het knappend vuur, en toch +schrikte zij ontzettend bij de gedachte dat hij in den kring zou komen +en wellicht pogen zou met haar te spreken. Eensklaps zag ook Alfons hem +staan. "Kijk ne kier die sloeber doar! wa komt-ie hij hier doen!" riep +hij bijna hardop, verbolgen uit. Maar Rozeke suste hem spoedig met +angstige woorden: + +"Zwijg, zwijg, geboart da g'hem nie'n ziet." + +Doch Rozeke's broeders en ook anderen die Smul kenden, hadden Alfons' +uitroep gehoord en staarden boos, dreigementen brommend, naar de sombere +gestalte van den paardenknecht tegen den gevel van het herbergje. De +uitgelaten jool verzwakte en verstomde; allen keken met wantrouwend +ongenoegen naar den stoeren kerel, die door zijn enkele verschijning de +pret gestoord had; en reeds trad Miel, Rozeke's oudste broeder, ondanks +haar smeeken, beslist op hem toe, toen eensklaps, in de verte, in 't +onzichtbare van den donkeren nacht, een donderend gedruisch, als van een +snel-aanrollenden trein, alle hoofden met verbazing om deed wenden. + +"Wa es datte? Wa komt er ginter?" riepen allen verschrikt uit elkaar +stuivend. + +Een vage wit-gele gloed, als van ononderbroken verre weerlichten, +flitste dansend in 't verschiet op de boomstammen en heesters bij een +bocht van den weg; het werd al lichter en al grooter in een steeds +hooger en zwaarder opdreunend geraas, en plotseling fonkelde de +flikkerstraling van twee groote, gele vuuroogen in 't zwarte van den +nacht, oogen als van een onbekend, reusachtig vuurbeest, dat blazend en +snuivend in brieschende woede op de feestvierders kwam losgestormd. + +"Nen odemebiel! nen odemebiel!" werd er van alle kanten te gelijk +gegild. En een donkere bende holde den helderen lichtglans te gemoet. + +Daar was hij!... Langzaam vertraagde zijn vaart en 't dreunend gedruisch +verminderde. De meevliegende, helle lichtvlak der lantarens veegde de +duisternis van voor 't gevaarte weg: de boomen, de heesters, de +menschen, de huizen, alles werd om de beurt pijlsnel beschenen, als met +bundels sneeuwwit manelicht begooid en weer in duisternis gedompeld, tot +het eindelijk voor het huisje van van Dalen in den rooden gloed van het +brandend houtvuur stilhield. Een dame en een heer, gedrochtelijk +toegetakeld met mantels, capuchons en groote brillen, stegen uit den +lagen, langen, grijs-bestoven wagen, die enkel twee smalle zitplaatsen +had; en de dame, plotseling een dik voilet oplichtend, vertoonde haar +frisch en mooi gelaat aan de verbouwereerde menigte en zei, terwijl zij +met uitgereikte hand en lieven glimlach recht op Rozeke toetrad: + +"Rozeke, ik wist dat het vandaag uw trouwdag was en ik heb u van mijn +reis een cadeautje meegebracht." + +"Och Hiere God, mejonkvreiw Anna!" riep Rozeke met star-verbaasde oogen, +plotseling haar voorname bescherm-vriendin herkennend. + +De heer die haar vergezelde had uit den steeds door-ruischenden wagen +een pakje genomen en naderde nu ook glimlachend de bruiloftsgasten, en +allen herkenden in hem den milden gever van het twintigfrankstuk op den +middag van de slijting. + +De jonkvrouw nam het pakje van hem af en overhandigde 't aan Rozeke. + +"Kijk, Rozeke, hier zit 'n schoon penduulken in om boven op een schouw +of een kaske te zetten en een stuk goed om u een beste winterkleed van +te maken." + +"O merci, mejonkvreiwe, merci, merci, da es toch vriendelijk da ge nog +op mij gepeisd het." dankte Rozeke, tot de tranen ontroerd, terwijl zij +herhaaldelijk de hand harer weldoenster drukte. Alfons nam zijn rond +hoedje af en drukte ook, met emotie, de minzaam naar hem uitgereikte +hand. + +"Zijt gij gelukkig dat ge nu getrouwd zijt, Rozeke?" glimlachte de mooie +jonkvrouw. + +"O joa ik, zille, mejonkvreiwe!" antwoorde Rozeke met stralende oogen. +En plotseling ontsnapte 't haar, onwillekeurig, terwijl haar blik zich +even op den heer die 't meisje vergezelde vestigde: + +"En gij euk, mejonkvreiwe? Zijt-e gij euk gelukkig?" + +"O ja, zeker, zeker, ik ook," lachte de jonkvrouw, met teederzachten +oogenglans de richting van Rozeke's blik even volgend. "Meneer is een +neef van mij, weet ge? Gij hebt hem dezen zomer op de slijting wel +gezien. Hij heeft toen de slijters getrakteerd en nu komen wij samen van +Oostende, waar hij heeft meegedaan in de courses met zijn automobile." + +"En het-e gij euk meegedoan, mejonkvreiwe?" vroeg Rozeke haast +verschrikt. + +"Maar neen! 't gaat veel te gauw en ik ben veel te schuw! Ik ga maar mee +als 't is voor wandeling," glimlachte zij. Vlug keerde zij zich tot haar +neef, en zei, in 't Fransch, net zooals ze gedaan had op de slijting: + +"Donne-leur encore quelque chose, Armand." + +Vaprijsken, die van op een afstand het gesprek gevolgd had en duidelijk +begreep waarvan nu kwestie was, kwam al vast, met van oolijke pret +flikkerende oogen naast den jonker staan. En juist als op de slijting, +ging deze nu ook in zijn zak en haalde er een goudstukje van twintig +frank uit. + +"Pour qui?" vroeg hij aarzelend en stil tot jonkvrouw Anna. + +"Pour moi, monsieu!" riep vrijpostig Vaprijsken. + +Een wild gelach steeg op omdat Vaprijsken Fransch sprak, en ook de +jonker glimlachte, den blik nieuwsgierig op Vaprijsken. + +"Mais c'est le meme de cet ete!" zei hij verwonderd. + +"Owie monsieu, owie monsieu," antwoordde Vaprijsken ongestoord, onder +het nogmaals wild-opstijgend, algemeen gelach. + +"Vous partagerez au moins, n'est-ce pas?" conditionneerde de jonker. + +"Owie monsieu, owie...." herhaalde met overtuiging Vaprijsken; en onder +een storm van geschater en gelach kreeg hij het twintigfrankstuk en +holde er juichend en dansend midden in de joelbende mee weg. + +"Allons, nu gaan wij ook weg," zei jonkvrouw Anna. "Veel geluk in uw +leven, Rozeke; en gij," sprak ze tot Alfons, "gij moet altijd goed en +zacht en lief voor haar zijn." + +Rozeke liet Alfons staan om even met haar lieflijke beschermster mee te +loopen. + +"Wilt-e nie 'n beetse binnenkomen, mejonkvreiwe en meniere? Wilt-e nie +wat eten of drijnken?" vroeg ze goedig, niet wetend waarmede haar dank +te betuigen. En ook vader en moeder en La kwamen aandringen, maar reeds +waren de reizigers weer in den lagen, langen, grijs-bestoven wagen +gestegen, die ook dadelijk oorverdoovend weer begon te bruisen en te +trillen. 't Was iets ontzettends, alsof een helsche kracht daarbinnen +woedde, een roffelen als van twintig trommelslagers op tot barstens toe +gespannen trommels, met af en toe daartusschen door geweldig knallen als +van kanonschoten, waarbij het monster vuurspuwde uit zijn flanken en de +dicht-opeengedrongen menigte schrikgillend uit elkaar deed stuiven. + +"O, zij toch voorzichtig, mejonkvreiwe!" riep Rozeke door angst +bevangen; en de zachte, kalm-gelukkige glimlach van haar voorname +vriendin kon haar zelfs niet geruststellen. Zij kreeg ineens het akelig +vizioen alsof dat lange en lage, daverend monsterding een doodkist was, +een sombere doodkist, waarin een levend-opgesloten wezen uit al zijn +krachten lag te beuken en te bonzen om verlost te worden; en hij die het +bestuurde, met zijn neergetrokken pet en zwarten bril was als de dood +zelf, 't geraamte met de zeis, dat haar vriendin,--zijn schuldeloos +slachtoffer--naar de vernieling medesleepte. + +"Zij veurzichtig, zij toch veurzichtig, mejonkvreiwe!" riep zij nog +eens, als in een intuitieve waarschuwing van onbewuste, diepere +beteekenis, uit al haar kracht, terwijl het akelig gevaarte met een +langzamen, sierlijken zwaai omdraaide en in de flikkering van zijn helle +lichten die den zwarten nacht doorboorden, pijlsnel, onder 't +juichendgillen van de menigte, in het verschiet verdween. + + * * * * * + +'t Was over tien. Alfons nam zacht Rozeke's hand en fluisterde dat 't +tijd werd om naar huis te gaan. Het vuur verflauwde, enkele feestvierders +trokken reeds zingend langs de donkere wegen huiswaarts en Rozeke's +broeders stonden met harsfakkels klaar om de jonggehuwden naar het huis +van Alfons' oude moeder, waar zij hun intrek zouden nemen, te begeleiden. +Een tiental vrienden en vriendinnen, waaronder Vaprijsken, Drieske Nijpers +en de Seissekoker, Irma Pese, Maaie Troet en 't Geluw Meuleken, die +denzelfden kant uit moesten, schaarden zich bij hen en zij namen afscheid +van de ouders en van La. Vader van Dalen, stomdronken, wilde iets zeggen, +maar raakte niet meer uit zijn brabbelwoorden; moeder kwam voor Rozeke +staan, lei de beide handen op haar schouders en begon ook, met tranen van +ontroering in de stem, te spreken; maar plotseling riep een der mannen +schertsend dat zij Rozeke nog eens aan de geschiedenis van den heiligen +Tobias moest herinneren; en daarop viel moeder zonder overgang aan 't +proestlachen en dan weer aan het huilen, stikkend in haar woorden en haar +tranen, terwijl haar dik, rond buikje als in struiptrekkende schokken, +tegen Rozeke's corset op en neer stond te huppelen. Dat werkte +aanstekelijk. Ook La kwam huilend van haar zuster afscheid nemen en zoo +deden ook enkele buurvrouwen. Het leek wel of het op een rouwpartij zou +uitloopen, toen eensklaps Vaprijsken met nog twee volle flesschen uit den +_Graeve van Halfvasten_ kwam gerend en schreeuwde dat zij voor het +afscheidnemen nog een laatste dreupelken moesten pakken en pret maken en +lachen in plaats van daar als kleine kinderen te staan schreien. + +Alfons en Rozeke werd elk een vol glas in de hand gestopt en om de beurt +kwamen nu allen hun glas tegen die van de trouwers aantikken. Allen +kwamen: ouders, vrienden, buren, in een opgewekten, vroolijken stoet en +wenschten de echtgenooten nog eens voorspoed en geluk. En toen zag +Rozeke, in haar ontroering, plotseling ook Smul naar hen toe komen. Zij +had hem in 't geharrewar met de automobiel niet meer gezien, ze had aan +hem niet meer gedacht, zij wist niet of hij er nog was,... en daar stond +hij eensklaps in de rij met al de anderen voor haar en als in een droom +zag zij hem naderen en op zijn beurt de hand naar een der glaasjes +uitsteken. Zij zag Vaprijsken, die inschonk, even aarzelen en hem met +wantrouwen aankijken, zij hoorde vaag een dof gemor van Alfons en haar +broeders; maar het leek alles als een droom, en 't oogenblik daarna +voelde zij zijn glaasje tegen 't hare tikken en hoorde zij zijn schorre, +heesche stem: + +"Proficiat, Rozeke; en gien kwoaje vrienden." + +"Proficiat, Ivo," antwoordde zij haast onhoorbaar; en even keek ze naar +hem op. + +Zij zag zijn stuursche blauwe oogen, onder de klep van zijn laag-getrokken +pet, als door een waas van droefheid beneveld. Onwillekeurig greep het +haar aan en weer voelde zij iets van medelijden. + +Maar hij was reeds bij Alfons en ook bij hem zag zij het glaasje vredig +aantikken en hoorde ze zijn doffe stem: + +"Proficiat, Fons, en gien kwoaje vrienden...." waarop Alfons, ook even +instinctmatig, als wist hij in zijn verbouwereerdheid niet goed wat hij +zei: "Proficiat, Ivo, gien kwoaje vrienden," antwoordde en daarop zijn +glas in een teug leeg dronk. Haast tegelijkertijd deed Smul het hem na, +en het leek Rozeke alsof de beide mannen die om haar gestreden hadden, +plotseling met den drank hun wrok inslikten en of er nu voortaan rust en +vrede tusschen hen zou bestaan. Zij loosde een zucht van verlichting, +alles leek haar goed nu, en in 't geknetter van de aangestoken fakkels +keerde zij zich om en verliet met Alfons en den stoet der begeleiders, +de juichende en joelende groep der nog even door-feestende gasten om het +langzaam uitstervende houtvuur. + +In een compact vroolijk troepje liepen zij nu, bij het stoomende laaien +der sissende fakkels, door den kalmen, donkeren Septembernacht. Hun +groote, donkere schaduw-schimmen dwarrelden als gedrochtelijke, door +elkaar hollende dansers over den rood-beglansden landweg voor hen uit, +en op de ingeslapen boerderijen waar zij langs kwamen, blaften de +waakhonden schor-verwoed hun lawaaiigen voorbijtocht na. Toen blaften +zij allen voor de pret soms mee, waarbij de honden nog razender werden +en door hun woest gebrul de koeien wakker maakten, die dan klagend even +loeiden, terwijl de hanen eensklaps schel-klaroenend aan het kraaien +gingen. Toen loeiden en kraaiden zij weer allen in koor mede en het +lawaai breidde zich even uit over de gansche ingeslapen streek, van +boerderij tot boerderij, waar de plotseling ontwaakte honden en hanen +overal tegen elkaar opblaften en kraaiden. + +Alfons en Rozeke lieten de joelende bende enkele passen vooruit gaan. +Zacht nam hij hare hand en hield die gedrukt in de zijne. Een tijdlang +spraken ze geen woord. Zij voelden de zaligheid van het geluk hun +gansche wezen als 't ware doorstroomen. De nacht verspreidde om hen heen +zijn zoete geuren, de krekels piepten vreedzaam in de klavervelden, even +slechts zwijgend in 't voorbijgaan der luidruchtige bende; en op de +naakte stoppelvelden stonden hier en daar zware korenschelven als een in +veilige haven opgeborgen rijkdom voor de toekomst, terwijl de laatste, +nog maar pas gemaaide en gebonden haver-schoofjes op lange optochten van +zwijgende kinderen leken, die met de laatste, nog verspreide schatten +van den lieven zomer naar hen toe schenen te komen. 't Was alles vrede +en illuzie en geluk wat hen omringde; zij voelden innig-diep de rijpe +schoonheid van het leven, de zalige, sereene zekerheid van het geluk. + +Daar waren zij aan het huisje,--moeders huisje--witgekalkt, met +wit-en-groene luikjes, liefelijk klein en eenzaam onder het lommer van +de hooge, zacht-ruischende populieren. Moeder, die hen had hooren +aankomen, stond wachtend op den drempel, Rozeke's broeders verlichtten +den ingang met hun laaiende, walmende fakkels, de begeleiders en enkele +nieuwsgierigen woelden er omheen. Zij schaarden zich joelend in dubbele +rij en onder juichkreten moesten Alfons en Rozeke naar voren treden. + +"Zijn onz' treiwers thuis?" schreeuwde met luid-galmende stem +Vaprijsken. + +"Joa z'!" schreeuwden al de bruiloftsgasten terug. + +"Hen z'ulder op ulderen treiwdag goed geaemezeerd?" + +"Joa z'!" + +"Goan z'ulder nou nog beter amezeeren!" + +"Joa z'! Joa z'!" + +"Zillen ze doen lijk den heiligen Tobias?" + +"Nie z'! Nie z'! Nie z'!" + +Een wild gelach ging op, Irma Pese en 't Geluw Meuleken kronkelden zich +van de pret, de Seissekoker en Drieske Nijpers kittelden haar in de +lenden dat zij er van giegelden en kraaiden; en Rozeke, doelpunt aller +blikken naast Alfons op den drempel, voelde een heete kleur van schaamte +over hare wangen gloeien. + +"Goan we nou amoal noar huis?" schreeuwde opnieuw Vaprijsken. + +"Joa w'!" + +"Moar goan w' iest nog eentsje pakken?" + +"Joa w'! Joa w'!" + +Hij haalde een flesch voor den dag, die hij in zijn zak verstopt had; en +tot laatste afscheid werden nog eens de glaasjes volgeschonken. + +Toen gingen ze weg. Dansend en zwierend, jongens en meisjes arm in arm, +zag Rozeke de uitgelaten bende in 't roode weerlicht van de toortsen +onder de hooge boomen verdwijnen. Zij zongen en brulden in koor het +welbekende lied: + + Waar kunnen wij ook beter zijn + Dan bij onz' goede vrienden? + +en slaakten wild daar tusschen door harde schreeuwen en kreten als +dierengeluiden, met af en toe hoog en schril opgalmend meisjes-gegil, +als greep er een worsteling plaats. + +"Ze zillen wa uitvoeren in 't noar huis goan!" glimlachte Alfons; en +teederlijk sloeg hij nogmaals zijn arm om Rozeke's middel. + +"Kom, we goan euk binnen; moeder es al noar bedde," fluisterde hij; en +hij drukte een zoen op haar frissche wang, terwijl hij haar zacht maar +onweerstaanbaar met zich mee trok. + +"Wacht ne kier! wa es dat doar?" riep zij plotseling, als in schrik naar +de donkere boomen wijzend. + +De vaag-zichtbare gestalte van een man kwam er langzaam uit het donkere +der stammen en verwijderde zich geluidloos in de richting van boer +Kneuvels hoeve. + +"'t Es ne man, hij zal 't gezien hen;" fluisterde zij dof. + +"Wa zoedt hij gezien hen? Da 'k ou 'n totse gaf? 'K mage toch zeker +wel!" En hij poogde haar opnieuw te zoenen. + +"Stt! zwijg," weerde zij hem bijna angstig af, de verdwijnende gestalte +in de duisternis nastarend. + +"Ge 'n zijt toch nie schouw, zeker!" spotte hij. "'t Es den ienen of den +anderen van boer Kneuvels' hof die doar stoan kijken het." + +Zij sprak geen woord meer, maar een huivering doorrilde haar en zij ging +met hem binnen. + +Plotseling had zij den man herkend. 't Was Smul! Zij was er zeker van. + +Instinctmatig sloten zich haar lippen op elkaar. + +Waarom zij aan Alfons niet zegde dat ze Smul herkend had wist ze zelve +niet.... + + + * * * * * + +III. + + +Het nieuwe en frissche van een heerlijken October-ochtend hing in een +waas van vrede en kalmte over 't land, toen Rozeke dien morgen opstond +en de luikjes openduwde. + +Alfons was reeds voor zes uur vertrokken, naar zijn gewone dagwerk op +boer Kneuvels' hoeve en zijn oude, ziekelijke moeder lag nog in bed, +wachtend om op te staan, tot Rozeke met de koffie klaar was. + +Diep ademde Rozeke de zuivere, verkwikkende ochtendlucht in. Gras en +rapenvelden lagen zacht bepareldauwd, als nog in slaap gedompeld, met +stille flonkeringen hier en daar, waarin de opkomende roode zon +herlevende bezieling tintelde. De kleine hagestruikjes om het erfje +waren als van biggelend en druipend zilver, en uit de hooge, gele +kruinen der nog vaag omnevelde populieren, ritselden met zacht geruisch +de droge bladeren neer, als zooveel groote, trage, stille, gouden +weemoeds-tranen op den weeken grond. Alles voorspelde een glanzend-mooien, +zachten herfstdag. + +Rozeke's oogen blonken en haar wangen bloosden. Zij had nog niets van +haar frissche jonge-meisjes-bekoorlijkheid verloren. Zij was gelukkig. +--De eerste dagen had haar alles wel vreemd en ongewoon toegeschenen, en +zij had heimwee gevoeld, heimwee naar 't ouderlijk huis, naar vader en +moeder, naar broeders en zusters, naar de bekende buren en de welbekende +omgeving van haar dagelijksch leven. Zij woonde er slechts een half uurtje +loopens vandaan, dezelfde boomen en gewassen groeiden op dezelfde akkers, +en 't zelfde soort menschen sprak er juist dezelfde taal en had net +eendere gebruiken; en toch was er voor haar een groot verschil, iets +ongewoon vreemds in al dat uiterlijk precies gelijke. + +Maar 't had slechts korten tijd geduurd. Het "moeder" zeggen tegen +Alfons' oude moeder--wat haar in de eerste dagen haast onmogelijk was en +haar pijnde als een verraad en een verloochening van haar eigen moeder +--deed ze nu met liefde en zonder gedwongenheid; en aan de stilte van hun +leventje met drieen, dat haar eerst zoo doodsch leek na de opgewekte +drukte van haar eigen thuis, was ze ook reeds gansch gewend geraakt. Zij +was gelukkig door en met Alfons, en dat maakte alles goed. Zij dacht en +wist ook wel, dat haar tegenwoordig leven slechts tijdelijk zoo was +ingericht en dat er, met den dag, groote veranderingen in konden komen. +Alles om haar heen zou zich van zelf ontwikkelen en vervormen; het oude +was bestemd om te verdwijnen en het nieuwe zou geboren worden. O, verre +van haar de gedachte naar den dood van het goedig, soms wat zeurig-klagend +oudje te verlangen! Maar het lag in den aard der dingen dat het toch gauw +gebeuren kon en die gebeurtenis zag ze met peinzenden ernst, als een +bedroevend, doch onvermijdelijk verschijnsel in de stage voortzetting van +haar en Alfons' eigen leven te gemoet, evenals een andere gebeurtenis: de +hoopvolle verwachting van het eerste kind, de dichtst in het verschiet +liggende gelukzijde in de ontwikkeling van haar komend leven was. + + * * * * * + +De wit-en-groene luikjes waren open, de vroege zon scheen in de kleine +ruitjes en Rozeke kwam weer in huis, om voor de oude moeder en haarzelf +het ontbijt klaar te maken. Voor Alfons hoefde zij 's ochtends niet te +zorgen; die kreeg zijn ontbijt op de hoeve. Het vuur in de kachel was +aan, en zij ging reeds aan 't koffie malen, toen zij eensklaps weer +opvloog en naar buiten liep. Zij had alweer de broeihen en de konijntjes +vergeten. Hoe gek was dat toch! Haast iederen ochtend vergat ze 't! +Thuis gaf moeder altijd de konijntjes en kippen hun voeder. Zij ging in +'t stalletje, lichtte de planken op, gooide volle grepen "verslokkerde" +koolbladen en gras in de hokken. Dadelijk kwamen de konijntjes om het +hoopje groen gehuppeld en zij zag de witte en grijze kopjes gezellig +tegen elkaar aanschuiven, met eigenaardig snoetgefrons en in den hals +gestreken oortjes, aan dezelfde steeltjes knagend. Toen ging ze naar den +versten hoek van 't stalletje en nam een plank weg, die er schuins tegen +den muur stond. Daar zat de klokhen in 't halfduister, een dikke, +geel-en-bruingespikkelde, plat neergevlokt op een nest van stroo. De +oogen keken star en boos, en kop noch lijf verroerde. Alleen de kleine +veertjes van den hals krulden zich nijdig overeind en de gesloten snavel +grauwde kort en schor, toen Rozeke een greepje gele maiskorrels voor het +beest neerstrooide. + +"Toe, klokke, eet watte," zei Rozeke op aanmoedigenden toon. Maar star +en boos bleven de oogen, en nijdig-overeind de kleine veertjes, en strak +en roerloos kop en lichaam.--"O gie dulle klokke!" bromde Rozeke. Zij +schoof de plank weer voor, ging met het mais-bakje buiten op den drempel +van het woonhuis staan, en riep daar met schril-hooge stem haar overige, +zeker ergens reeds in 't veld verspreide kippen bij elkaar: + +"Ti ti ti ti tiii!" + +Plotseling dacht ze dat het nog zoo vroeg was en dat zij 't oudje met +haar schreeuwen niet mocht wakker maken. En zij riep zachter, in +gedempten toon: + +"Tu tu tu tu tuuu!" + +Maar de kippen hadden reeds het welbekende ti ti ti tiii gehoord en wild +kwamen zij om den hoek van 't huisje aangekakeld en gevlogen, en wierpen +zich met gulzige gretigheid op de gele korrels, die Rozeke met vollen +greep, in een gekletter als van hagel, over hun bont-wemelende, harde +ruggen strooide. Even ontstond een kort gekibbel. Twee hennen vlogen +klauwend, met overeind gerezen veeren op elkander af, maar de haan kwam +statig-gezagvoerend tusschen beide, klakvleerde links, klakvleerde +rechts, en herstelde weer den vrede. Alfons' enkele duiven kwamen +bijgevlogen en gapten ook hun deel, met vlugge pikjes en sierlijke +wipjes tusschen de pooten van de kippen door, of waar zij 't vinden +konden. Rozeke, glimlachend op den drempel, met het leeg bakje op den +arm, zag alleen nog 't vlug gepik der korte snavels, waaronder het dun +laagje mais ziender oogen verdween. + +Maar nu zou zij bijna de koffie vergeten en haastig kwam ze weer in +huis, ging nog even op haar stoel zitten en maalde door. Toen goot zij +water op. Geurend verspreidde zich de lucht der versch gezette koffie +in het kleine keukentje. Zij haalde uit de eetkast twee groote, witte +koppen en een bord; en nadat zij met de punt van 't mes op 't brood een +kruis getrokken had, sneed zij de tarwe-boterhammen voor. Toen duwde zij +het binnendeurtje naar de kamer open, stak haar hoofd half binnen en +riep: + +"Moeder!"... + +Geen antwoord kwam, maar dat gebeurde meer; en Rozeke, niet twijfelend +dat 't oudje haar gehoord had, keerde terug in 't keukentje, nam een +langen borstel en veegde met langzaam gebaar, zonder stof op te jagen, +den rooden tegelvloer schoon. Uit het achterhuisje haalde zij een emmer +met zand, strooide 't in greepjes over den net-geveegden vloer, breidde +'t met den borstel open en teekende sierlijke breede krullen en +festoenen om de zwarte kachel en het groene tafeltje. Thuis deed ze dat +ook elken morgen en had er telkens een soort kinderlijk genoegen in. +Haar hoofdje golfde en zwenkte zacht met de trage zwenkingen en +golvingen van den borstel mee en met een glimlach van genot keek zij +naar de keurige kronkels van haar netjes uitgevoerd werk. Toen het +eindelijk klaar was zette zij den borstel achter 't houten schut naast +het kleingeruit venster, en even verwonderd dat zij 't oudje nog niet +hoorde opstaan, stak zij weer het binnendeurtje open en riep opnieuw: + +"Moeder?... Zij-je wakker? De kaffee es geried!" + +Nogmaals geen antwoord. Verwonderd trad Rozeke 't kamertje binnen. + +"Moeder?... sloapt-e nog dan?" vroeg zij. En 't kwam haar voor of haar +stem, die weer geen antwoord kreeg, in de halfduistere stilte van het +slaapvertrekje galmde met een vreemden, hollen klank. + +"Moeder!... wa..." Eensklaps, door een angstig voorgevoel aangegrepen, +liep zij naar het raampje dat zij openrukte en waarvan zij 't luikje +wegduwde. + +De volle ochtendklaarte stroomde 't kamertje binnen en viel als een +vloed van licht op het gelaat van het oud vrouwtje, wasgeel en +onbewegelijk scheefgezakt op 't wit-en-blauw geruite hoofdkussen van +'t bed. + +"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke, eensklaps in doodsangst, zoo +luid zij kon, als om met haar gillen die akelig-roerlooze gestalte +wakker te schudden. + +Maar nog steeds gaf het oudje geen antwoord noch verroerde zij zich. + +"Moeder! moeder! moeder!" gilde Rozeke nog schriller. En plotseling, als +een gekke, vluchtte zij weg, uit het kamertje, uit het huisje, om hulp +bij de buren. + + * * * * * + +Oud-moedertje was dood!... + +De vrouw uit de buurt, die enkele oogenblikken later met Rozeke in 't +huisje aankwam, ging recht op 't oudje af, keek het strak-gele gezicht +van dichtbij aan, opende de oogleden, die langzaam over de glasachtig- +stijve oogballen weer neerzakten, hief den arm op, die als lood weer +neerviel.... En, zich omkeerend tot Rozeke, die stokstijf, met lijkbleek +gelaat en van schrik uitgezette oogen op den drempel stond zonder te +durven binnenkomen: + +"Z' es deud! z' es al stijf en kaud!" zeide zij, meer verwonderd dan +verschrikt. + +"Deud!" gilde Rozeke, met wilde oogen en de beide vuisten voor haar +mond. + +"Deud, jong; zeu deud of ne stien in de muur," antwoordde de vrouw. + +"O! o! wa zal Alfons schrikken!" kreet Rozeke. + +"Goa zeg het hem al geiwe; 'k zal hier wachten tot da ge weere komt," +zei de vrouw. + +"Joa... goed... goed..." hikte Rozeke. "'K goa... 'k leupe noar boer +Kneuvels." + +Zij holde 't huis uit, maar keerde dadelijk terug. + +"Bezinne,... riep zij tot de buurvrouw; 'k ha zjuust kaffee +opgeschonken. Wilt 'n potse kaffee drijnken en nen boterham eten binst +da ge wacht?" + +"Joa ik, jong, goa moar, 'k zal mijn eigen wel bedienen," antwoordde de +buurvrouw. + +Rozeke sloeg een wollen halsdoek om haar schouders en rende 't huis uit. + +De buurvrouw sloot de deur van 't slaapvertrekje, kwam in het keukentje, +schonk zich een groote kop met koffie in, ging bij de tafel zitten en +nam een boterham, dien zij met traag gebaar in tweeen brak. + +Door de opengebleven voordeur kwam een kip naar binnen. Wijd-schrijdend, +stil-kakelend, met om de beurt lang-uitgerekten en kort-ingetrokken +hals, den kop op zij, nu links, dan rechts, om telkens met haar rond, +fel oog de buurvrouw aan te kijken, naderde zij tot het tafeltje en +pikte vlug, onder de pooten, de gevallen brood-kruimeltjes van den +vloer. + +De lieve, zachte najaarszon blonk helder-rustig door de kleine, +groenachtige, in lood-gevatte ruitjes. Het gansche nette keukentje, met +glinsterend tin-en-koperwerk tegen de wit-gekalkte wanden, tintelde van +goede, gezellige zonnewarmte. + +Buiten, op het pleintje voor de deur, klaroende schel de mooie, +geel-en-rood-geveerde haan. + +Kalmpjes bij een hoek van 't groene tafeltje, zat de buurvrouw wachtend +te eten en te slurpen.... + + + * * * * * + +IV. + + +'t Es om nichte Begijntje te spreken." + +Alfons, in 't zwart gekleed, 't gelaat bleek en getrokken, de oogen week +en rood-omrand door 't schreien, stond in den killen, naakten gang van +het Couvent ter Bloemen voor het jong begijntje dat zijn oude nicht +verpleegde en met stil gebaar de deur voor hem geopend had. + +"Woarom es 't?" vroeg zij gedempt, haast fluisterend, als in een huis +waar een zwaar-zieke ligt. + +"Moeder es gisteren nacht sebiet gestorven; 'k kome nicht Begijntje +neun[2] veur de begroavijnge," zei Alfons met doffe stem. + +"Och Hiere God!" verschrikte 't jong begijntje, de handen in elkaar +geslagen. Maar dadelijk voegde zij er bij: + +"'t En zal nie meugelijk zijn; mesoeur van de Weghe es zelve heul ziek +en zoe euk wel keune stirven." + +Op zijn beurt keek Alfons haar met angstige verbazing aan. + +"'T en es gie woar toch zeker!" riep hij. "Wa he ze dan?" + +"'t Woater," fluisterde 't Begijntje. "Wilt er gij ne kier bij komen: +moar 'k en peize niet da z'ou nog zal irkennen?" + +Zij ging hem voor door 't kille gangetje, de rand van haar zwart kleed +zacht schuivend over de roode tegeltjes, haar frisch gelaat in het +doorschijnend-hagelblanke van 't kornet gedoken. Zwijgend opende zij een +deur en wenkte hem dat hij zou binnenkomen. + +Schoorvoetend trad hij op den drempel en bleef er even +roerloos-aarzelend staan. + +"Kom binnen, kom binnen," fluisterde zij. + +Zacht schreed hij binnen en zij sloot de deur. + +Vlak voor hem in het lichte kamertje, met witte muren en witte +gordijntjes aan de kleingeruite raampjes, zat het oud begijntje naast +het witte bed op een leunstoel in elkaar gezakt. Het diep over de borst +gezonken, geel gelaat was haast onzichtbaar onder 't blanke van de +groote vleugelkap, en van tusschen haar gerimpeld-bruine, roerloos- +saamgevouwen handen, kronkelden de donkerbruine kralen van den rozenkrans +met koperen kruis gelijk een dubbel snoer van groote, stille rouwtranen +over de strakke plooien van haar lang wit nachtkleed. Als een tragische +heilige zat ze daar, als een afgeleefde bruid des Heeren in +bewusteloosheid wachtend op de levenslang verbeide komst van haar +verlosser. + +"Nichte Begijntje," begon heel zacht Alfons, met een stem die beefde van +ontroering:... doch zij merkte niets van zijn aanwezigheid, noch hoorde +zelfs den klank van zijne woorden. Haar wit-gedoekte hoofd bleef +onbewegelijk op de witte borst gezonken, en slechts een vaag gehijg van +ademhalen getuigde nog van eenig leven in die blanke, menschelijke +ruine. + +Het jong begijntje schudde stil het hoofd naar hem, als om hem te +beduiden dat alle verdere poging overbodig was. + +Alfons begreep het en bleef stom en roerloos staren, met opwellende +tranen in zijn oogen. Eerst zoo plotseling zijn moeder en nu ook nicht +Begijntje... o, wat volgden ze elkaar spoedig op, de twee goedige +oudjes! + +"Z' he van den uchtijnk d' Heilig Olie g' had," fluisterde het jong +begijntje. + +"Zoe ze mij nie zien? Zoe ze mij nie heuren?" vroeg hij diep ontroerd. + +"'K en peist niet," antwoordde zij. Zij hurkte even voor het oud +begijntje neer, kwam met haar lieve, frissche wang tot dichtbij 't geel, +gerimpeld en verschrompeld aangezicht onder de witte kap en vroeg, met +duidelijke, luide stem: + +"Mesoeur... mesoeur van de Weghe... heurt-e mij niet?" + +Doch neen,... ook haar met wie ze jaren lang samen gewoond had, hoorde +nicht Begijntje niet meer. Geen trek verroerde zich op haar getaand +gelaat, geen ander leven was aan haar nog te bespeuren dan het +kort-hijgend ademhalen van haar mond met slap-hangende lippen. + +"Hoe es 't gekomen?" fluisterde Alfons. + +"Al mee ne kier, in drei, vier doagen tijd," antwoordde zij op +denzelfden toon. + +Fluks helderde een gedachte in hem op. Zou zij een testament gemaakt +hebben? Hij was op 't punt van het te vragen, doch hield zich in, uit +een gevoel van schaamte. Hoe of 't ook was, nu kon er niets meer aan +veranderd worden. + +Langzaam en triestig schudde hij 't hoofd en week terug naar de deur. + +"D'r 'n es nie mier aan te doen; 't es euk al uit mee heur," murmelde +hij moedeloos. + +"All' uren uit," antwoordde stil het jong begijntje. + +Zacht opende zij weer de deur voor hem en na een laatsten, weemoedigen +blik op de in elkaar gezonken, witte gedaante, verliet hij het couvent, +tot aan het poortje door het jong begijntje uitgeleid. + +Ook nicht Begijntje zou hij nooit in leven meer terugzien. + + * * * * * + +Acht dagen later, juist op een ochtend dat Alfons klaar stond om nog +eens naar nicht Begijntje toe te gaan, kwam het doodsbericht. Zij was +'s avonds te voren zacht ontslapen. Meteen was er een brief van den +notaris, waarbij Alfons, in vervanging van zijn overleden moeder, als +erfgenaam opgeroepen werd. + +Noot: + +[2] Uitnoodigen. + + * * * * * + +V. + + +Zacht-troostend in veel droefheid is de verrassing voor hem die een +toekomst van geldelijke zorgen te gemoet ziet, eenklaps van arm bijna +rijk te worden. + +Dit wel eenigszins verwacht, maar toch onzeker geluk viel Alfons te +beurt toen hij, na nicht Begijntje's begrafenis, door den notaris haar +testament hoorde voorlezen. Wel had hij gehoopt dat aan zijn moeder, en +na zijn moeder aan hem, als eenig familielid, iets van nicht Begijntje's +fortuin na haar overlijden zou toekomen; maar vooreerst vermoedde hij +bijlange niet dat ze zoo rijk was en verder verwachtte hij wel dat +nagenoeg het grootste deel van haar vermogen aan het Begijnhof of aan +godvruchtige werken besteed zou worden. + +Dit was ook wel gedeeltelijk het geval. De notaris las een vrij lange +opsomming voor: zooveel aan 't Begijnhof, zooveel aan 't begijntje dat +haar jarenlang verpleegd had, zooveel aan meneer de pastoor van het +Begijnhof, zooveel aan de kerk van het Begijnhof; en verder aan de +voortplanting van het Geloof, aan het werk tot bekeering der jonge +Chineezen, aan de congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis; en dan nog +zooveel voor haar lijkdienst en gezongen en gelezen missen tot lafenis +harer ziel; maar met dat alles, en erfenis-onkosten en notaris-honorarium +er af gerekend, bleef voor Alfons nog een goede vijftienduizend frank--een +schat voor hem--over. + +Het duizelde in zijn hoofd toen hij die ontzettende som hoorde noemen, +en hij werd bleek van emotie toen de notaris een lijvig pak papieren uit +zijn dikke portefeuille haalde en die voor hem op tafel openlegde. + +De notaris begon op te tellen: + +"Vijf acties Westvloamsche speurwigmoatschappije duuzen frank ieder, +intrest viere per cent, vijf duuzen frank." + +Hij vouwde een der stukken open, wees op het couponsblad en zei: + +"De loatste coupon es vervallen, van van doag af meugt 'em knippen." + +"Wa... wa b' lieft er ou, menier de notoarus?" vroeg Alfons, die nog +nooit een effect gezien had en met verbouwereerdheid staarde op het half +afgeknipt couponsblad." + +"Dat de loaste coupon vervallen es, zeg ik, en da g' hem dus van nou af +aan meug knippen as ge wilt; verstoa-je 't?" + +"Aha joa joa, c'est ca," antwoordde Alfons, doende alsof hij verstond, +maar eigenlijk niets ervan begrijpend. + +De notaris ging verder door: + +"Vier acties Depots et Reports, duuzen frank ieder, intrest drei em half +per cent: vier duuzen frank." + +Evenals van de andere stukken vouwde hij 't couponsblad open en zei: + +"De vervallen coupon es geknipt; de volgende vervalt 1 April." + +Alfons, de wangen hooggekleurd, staarde met toenemende verbazing op de +groote vreemde stukken vol dikke letters en lange risten cijfers. Zijn +handen waren klam van transpiratie, zijn wenkbrauwen stonden van +inspanning samengefronst. + +De notaris legde de vier effecten boven op de vijf eerste, ontvouwde er +twee andere en ging voort: + +"Twie acties Geconsolideerde Schuld, ingeschreven op de greutboek van de +Stoat...." + +"Meneer de notoarus as 't ou belieft?" viel Alfons hem plotseling met +ontroerde stem in de rede. + +"Menier de notoarus, ge 'n meug het mij nie kwoalijk nemen, moar k'n +verstoa 't niet, k'n kenne die dijngen niet. Es da geld weird, de +pampieren?" + +"Of 't geld weird es!" riep verbaasd de notaris, "'t Es geld!" + +"Ha moar da ziet er zeu oardig uit, meneer de notoarus! Dat 'n zijn gien +bankbriefkes!" + +De notaris barstte in een korten proestlach uit, welken Alfons beschaamd +en ongelukkig als een schuldige deed den blik ten gronde slaan. + +"G'n verstoa 't niet, e-woar, mijne vriend? vroeg eensklaps goedig de +notaris. + +"Nien ik, menier de notoarus, 'k 'n verstoa d'r niets van," bekende +Alfons, wanhopig de schouders ophalend. + +De notaris zat een oogenblik in perplex nadenken, de oogen op den jongen +boer gevestigd. + +"Zoe-je liever geld hen, mijne vriend?" vroeg hij plotseling. + +"Rechtaf gesproken, joa ik, menier de notoarus. 'K zoe veel liever geld +hen!" + +"Moar wa goa-je mee da geld doen? 'T'n goa mij wel nie aan en g' het gij +'t recht van d'r mee te doen wat da ge wilt, moar 't zoe mij toch +spijten da ge 't moest verliezen of gestole worden." + +Alfons bedacht zich even, de wangen vurig rood, de oogen strak op 't +tafelkleed gevestigd. Toen antwoordde hij met een soort weerzin, als +ontsluierde hij ten ontijde een groot geheim dat nog liefst moest +ongerept blijven. + +"'K he lijk halvelijngen 'n gedacht van d'r mee op 'n hofstee te goan, +menier de notoarus." + +"Hoho! da es 'n ander kwestie!" zei de ambtenaar ernstig. "Het g' al +iets in 't zicht?" + +"Nog niet, menier de notoarus; moar 'k goa zoeken." + +Weer bleef de notaris een poosje peinzend en stilzwijgend, zijn kin +tusschen wijsvinger en duim. + +"Luister," zei hij eindelijk. "As ge wilt 'k zal ik ouw geld bewoaren +zeu lank of da ge 't nie neudig 'n het en d'r ou den intrest van +betoalen. 'K zal ou 'n schuldbekentenesse tiekenen van de somme die +'k ontvange, en effen aan da ge wa neudig het meugt ge 'r bij mij omme +komen. Ge 'n moet mij veur mijn verantwoordelijkheid en moeite niets +betoalen; 'k zal da gratis veur ou doen.--Es 't azeu goed?" + +"Joa 't, heul goed, as 't ou b'lieft menier de notoarus, ge zij wel +bedankt," zei Alfons met een zucht van verlichting, als van een zwaar +pak op het hart verlost. + +In enkele oogenblikken was alles klaar. De notaris teekende hem een +schuldbekentenis van vijftienduizend frank en stelde hem het overige van +zijn erfenis: vierhonderd twee en twintig frank en zeventig centimen, in +specien ter hand. + +Alfons was gelukkig. Met geld en schuldbekentenis zorgvuldig in een +binnenzak vastgespeld, keerde hij haastig weer naar huis. + + + * * * * * + +VI. + + +Zooals van zelf spreekt, had hij bij boer Kneuvels zijn dienst opgezegd. +Hij was nu rijk genoeg om als eigen baas te werken; en bijna dadelijk +deed zich een uitmuntende gelegenheid voor. Een boerderijtje met een +paard, behoorende aan den baron, mejonkvrouw Anna's vader, kwam tegen +Kerstdag te huur. Het was er lief gelegen op de grens der vruchtbare +bouwlanderijen en der malsche weiden, met een lange, mooie olmendreef +naar den hoogen zandweg op de golvende vlakte en een beukenboschje +achter schuur en stallen. Deze waren nog met stroo gedekt en eigenaardig +overdakt als in den ouden tijd; de uitgestrekte boomgaard stond vol +oude, knoestige fruitboomen, sommige zoo grillig krom-gegroeid dat de +ruige stammen als kronkelende grauwe slangen over 't gras schenen te +kruipen; en 't woonhuis was geheel geschilderd in de teerste rozekleur, +met een zwarte plint langs onder aan den muur en blinkende wit-en-roode +vensterluikjes, de kleuren van 't kasteel. Midden op het dak prijkte een +klein, grijs, houten torentje met een klokje. + +"Hoast ou, toe, goa d'r mee mejonkvreiw Anna over spreken ier dat er nog +ander liefhebbers komen," had Alfons tot Rozeke gezegd, zoodra hij +hoorde dat het boerderijtje zou beschikbaar komen. En op een ochtend, op +haar uiterst best gekleed, trok Rozeke naar het kasteel en vroeg er om +een onderhoud met jonkvrouw Anna. + +De knecht die haar ontving zette een bezorgd gezicht. + +"'K wete niet of da mejonkvreiw op 't kasteel es en of g' heur wel zilt +keune zien," zei hij. + +Hij bracht haar door de ruime, wit-marmeren vestibule, die vol bloemen +en sierplanten stond, en waar een groote, glinsterende kachel brandde, +in een kabinetje met oude kasten en blauw porselein aan de donkere +wanden en verzocht haar eventjes te wachten. + +Rozeke, sterk door de prachtige omgeving geimponeerd, nam plaats bij 't +eenige venster en keek tusschen de zware, bruine gordijnen naar buiten. +Zij zag het glooiend grasveld met den grooten vijver, waarop stille +zwanen dreven, een hoekje van 't bordes, met den steenen leeuw in +wakende rust op den breed-arduinen balustrade-pijler; en verder, onder +de reeds ontbladerde hooge boomen, de lief-roode gebouwtjes van +tuinmanshuis, remise en stallen. Vlak voor haar lag de statige +beukendreef waardoor zij was gekomen en gansch in het verschiet, over +de groene en bruine golving der najaarsvelden onder effengrijzen hemel, +ontwaardde zij de dichte, donkere kruin van een andere dreef: die naar +het, van hier onzichtbaar, lieve boerderijtje leidde, waarnaar zij +vragen kwam.--Stil, benauwend-doodstil leek het groot, plechtig kasteel +van binnen. 't Was of geen mensch erin bewoog of leefde en een bijna +angstige beklemdheid maakte zich langzaam van Rozeke meester. Is dat het +vroolijk leven van de rijke menschen die op kasteelen wonen? dacht zij; +en zij vond dat die zware stilte, die benauwende plechtigheid die zij +overal om zich heen voelde, niets paste bij mejonkvrouw Anna's lief en +vriendelijk en opgewekt karakter. + +Zacht ging de deur open en mejonkvrouw Anna, geheel in 't zwart gekleed, +kwam te voorschijn. + +"Dag mejonkvreiwe," zei Rozeke, met haar vriendelijksten glimlach en van +emotie hoogkleurende wangen opstaande. Maar die ontroerde glimlach +veranderde in een uitdrukking van onthutste verwondering, voor het heel +onverwacht bedroefd en bleek gelaat met hetwelk haar voorname vriendin +op haar toetrad. + +"Mejonkvreiw Anna!... wa scheelt er? Zij-je ziek dan?" vroeg Rozeke +verschrikt. + +"'n Beetje Rozeke, ik ben niet heel wel geweest," antwoordde +neerslachtig de jonkvrouw. + +Zij ging zitten, wees Rozeke op haar stoel terug en vroeg wat zij +verlangde. + +Rozeke vertelde 't haar. + +"Ik zal er aanstonds met papa over spreken; dat zal hij mij +waarschijnlijk niet weigeren," zei ze bijna bitter. + +Rozeke dankte, maar wist nu verder geen woord meer te zeggen. Die +droeve, strakke houding, die donkere kleeren, die wanhopig-weemoedige +oogen van haar mooie, eertijds zoo opgewekte en levenslustige +beschermvriendin verlamden haar de woorden in den mond en ontroerden +haar inwendig tot een medelijden, dat haar bijna tranen in de oogen +bracht. Van de reden haars bezoeks durfde zij heelemaal niet meer +spreken, wel voelend dat de geest der jonkvrouw met heel andere dingen +bezig was; en eensklaps kon zij zich niet langer bedwingen: echte +droefheidstranen kwamen in haar oogen en zij vroeg met bibberende +lippen, in gehorte woorden: + +"Mejonkvreiw Anna... 'k zie da ge triestig zijt... kan ik niets veur ou +doen?... kan ik ou nie helpen?" + +Een schielijke, teer-roode kleur bloosde even vluchtig over der +jonkvrouw bleeke wangen en haar fijne witte tanden trilden zenuwachtig +op haar onderlip, terwijl zij blijkbaar alle moeite deed om haar eigen +aanstekelijk-opwellende tranen te weerhouden. Twee, drie korte, vlugge +zuchten golfden ontstuimig uit haar keel en haastig haalde zij haar +zakdoek uit en drukte hem op haar oogen, hoofdschuddend dof-snikkend: + +"Nee nee nee, Rozeke, gij kunt niets voor mij doen." + +En Rozeke zat daar en staarde, roerloos, als verslagen. Zij durfde niets +meer vragen, maar zij voelde, zij raadde instinctmatig, dat het +liefdesmart was, waaronder de jonkvrouw leed. Zij had ook in den +laatsten tijd wel vagelijk iets gehoord: dat er eerst plan was voor een +huwelijk tusschen jonkvrouw Anna en haar neef, maar dat haar ouders--om +welke reden wist men niet--er zich op 't laatste oogenblik, toen het +engagement al haast publiek was, tegen verzet hadden. Zooveel was zeker, +dat de jonge neef op een ochtend plotseling het kasteel verlaten had en +er sinds niet meer was teruggezien. + +"Och Hiere, mejonkvreiwe, da pakt mij toch aan 't herte da 'k ou azeu +zie schriemen en da 'k niets veur ou 'n kan doen," klaagde Rozeke, met +innig medelijden het diep-bedroefd meisje aanschouwend. + +De jonkvrouw schreide en snikte stilletjes, haar mooie, slanke, witte +handen bevend op den fijnen zakdoek voor haar oogen, haar vermagerde, +bijna puntige schouders zenuwachtig op en neer schokkend; en Rozeke +hoorde, door haar snikken heen, het rammelen van haar holle maag, als +van een ongelukkige, arme vrouw, die niet genoeg te eten heeft. + +"O, mejonkvreiwe ge 'n meugt ou toch nie loate veroarmoen; ge moet +koeroaze hen en ou beter voen," streelde Rozeke, zelve van ontroering +weer schreiend. "O, da 'k toch moar iets veur ou 'n kon doen, +mejonkvreiwe, gij die zelve altijd zeu goed en zeu broave veur mij +geweest het!" + +"Merci, Rozeke, 'k weet het, ge zijt goed," zuchtte de jonkvrouw. + +"Belooft-e mij da ge 't mij vragen zilt as ik oeit iets veur ou kan +doen?" drong Rozeke aan. + +"Ja, Rozeke, ja, ik beloof het u." + +De jonkvrouw stond op, kropte met inspanning haar tranen terug, streek +met haar bevende hand over 't voorhoofd. + +"Ga nu, Rozeke," zei ze met zwakke stem. "Ik heb zoo'n hoofdpijn. Ik zal +er papa over spreken en mijn best doen dat ge 't boerderijtje krijgt." + +"O, merci, merci, mejonkvreiwe," dankte Rozeke. "'K zal veur ou bidden, +mejonkvreiwe, omda ge weere zoedt gelukkig worden." + +Zij greep plotseling 's meisjes hand, drukte er een vromen, vurigen kus +van onderdanige liefde op, en verliet schreiend het somber kamertje. + + + * * * * * + +VII. + + +Zij hadden 't mooie boerderijtje!... + +De dorpsnotaris liet hun op een ochtend de gelukkige tijding aanzeggen, +en 's avonds voor Kerstdag werd de huur-acte op het kasteel geteekend. + +Rozeke, die Alfons vergezeld had, ontmoette er nog even vluchtig +jonkvrouw Anna. Zij zag er niet minder bezorgd en bedroefd uit dan op +den dag toen Rozeke haar was komen opzoeken. Zij vertelde aan 't jong +boerenvrouwtje dat zij dien winter niet als gewoonlijk naar de stad +gingen, maar op reis, naar 't Zuiden, voor verscheiden maanden. + +"Moar te noaste zomer komt-e toch weer op 't kastiel, mejonkvreiwe?" +vroeg Rozeke bijna angstig. + +"Ja, Rozeke, ik denk het toch wel, als 't God belieft," antwoordde zij +neerslachtig. + +Ook de baron, haar vader, zag er bekommerd, somber, triestig uit. Hij +ontving hen in hetzelfde kamertje met de bruine kasten en het blauw +porselein waar de jonkvrouw Rozeke ontvangen had, legde Alfons met +gefronste wenkbrauwen de te onderteekenen acten voor, gaf hem het eene +stuk en hield het duplicaat; en zonder verder gepraat, met een +eenvoudig, "ik hoop dat gij op uw boerderij zult welvaren" stond hij op, +ten teeken dat hij de zaak als afgehandeld beschouwde. Voor alle verdere +schikkingen hadden zij zich te wenden tot den dorpsnotaris. + +"D'er es verdriet op 't kastiel," merkte Alfons fluisterend op, terwijl +zij door het statig ingangshek in de groote beukenlaan terugkwamen. + +Rozeke schudde weemoedig het hoofd. + +"Alles hen wat de weireld geven kan en toch nie gelukkig zijn," zuchtte +zij. + + * * * * * + +Zij, ten minste, waren nu toch wel gelukkig! + +Na de vele, vermoeiende en vervelende, maar gelukkig niet langdurige +beslommeringen van overname en inrichting, betrokken zij eindelijk in +het begin van Januari hun dierbaar hoevetje; en dadelijk daarna, op +Driekoningen-avond, had de "overhaal-feeste" plaats. + +Alfons en Rozeke hadden de gelukkige kans getroffen bijna alles van boer +Dons, den vorigen pachter te kunnen overnemen. Deze had zich in de goede +jaren "rijkgeboerd" en wilde nu rustig in het dorp, als rentenier, zijn +verdere dagen slijten. + +De koeien, de varkens, het paard; het hooi, het stroo en het verdere +voeder; de oogst in de schuur, het vlas op den zolder en de vruchten te +velde; karren, wagens, ploegen, eggen en ander landbouwgereedschap; tot +zelfs een groot gedeelte van het huisgerief en van de meubels: alles was +mogen blijven waar het lag of stond; en als bij tooverslag waren zij aan +'t hoofd van een mooi-ingerichte, degelijk-ouderwetsche hoeve, met zware +oude kasten in de kamers, met veel koper, tin en gekleurd-aardewerk +boven op den zwartgerookten schoorsteenmantel van den haard en overal +rondom tegen de bruingerookte wanden van de ruime keuken, net als een +bejaard gezin van deftige, welgestelde boeren, die er hun leven lang +zouden gewoond hebben. Zij hadden alleen te verhuizen gehad hun eigen +klein inboedeltje van moeders huis, hun enkele meubeltjes en kleeren, +hun beetje aardappels en veldvruchten, hun kippen en konijnen. Toch +waren met dat kleinood nog twee groote wagens gevuld, die volgens +traditioneel gebruik van goede buurschap, kosteloos door den +naastbijwonenden boer--in dit geval boer Kneuvels--naar Alfons' nieuwe +woning, waren overgebracht. Daartegenover bestond voor Alfons de +verplichting boer Kneuvels met zijn vrouw en ook den knecht die 't +vervoerd had, op de "overhaal-feeste" te noodigen. Wel had het hem +even onaangenaam aangedaan dat juist boer Kneuvels en dus ook zijn +paardenknecht Smul de daartoe aangewezen personen waren; doch aan een +ander vragen wat Kneuvels om zoo te zeggen van rechtswege toekwam, ware +zijn vroegeren meester vijandig behandelen en nutteloos beleedigen, en +dit had Alfons niet durven noch willen doen. Trouwens, Smul zelf was +immers verzoenend naar hem toe gekomen, 's avonds van hun +bruiloftsfeest: waarom zouden zij langer haatdragend blijven dan hun +vroegeren vijand?--Zij wachtten dus, als een vervelende, niet te +ontwijken noodzakelijkheid, ook de komst van Smul op dit intiem +familie-en-vriendenfeestje. + + * * * * * + +Het was drie uur. Moeder van Dalen en La waren reeds den vorigen avond +gekomen en weldra verschenen ook vader en Rozeke's twee broeders. Het +had den ganschen dag en ook den nacht te voren aanhoudend gesneeuwd, de +wegen lagen bijna onbruikbaar en daarom waren zij maar liefst heel vroeg +gekomen, om ook niet te laat in den avond weer huiswaarts te kunnen +keeren. + +Nauwelijks waren zij binnen of een gestamp van sneeuw-afkloppende voeten +klonk aan de voordeur en met het geijkte "gien belet?" verschenen de +insgelijks genoodigde, vroegere bewoners van het hoevetje: boer en +boerin Dons. + +De boer was een lange, magere, kaarsrechte man van bij de zeventig, met +zilvergrijze, dunne haren en een eenkleurig-vuurrood gezicht, waarin +twee heel kleine, bijna dichtgeknepen oogjes als 't ware in voortdurende +pret schenen te lachen. Zijn vrouw, wel een twintig jaar jonger, was nog +gitzwart van haar, met dikke zwarte wenkbrauwen en donkere oogen zonder +glans, en in haar getaand, bijna wasgeel gelaat lagen sterke rimpels als +grauwgrijze lijnen en streepen gegroefd. Glimlachend kwamen zij binnen, +de oude boer luidruchtig, de boerin stil, en dadelijk zetten zij, als in +hun eigen huis nog, hun parapluies achter het houten schut naast de deur +en kwamen handenwrijvend bij het helder-vlammend haardvuur, de boer met +schel-galmende stem vertellend van de onbegaanbare wegen en van de vele +sneeuw die zonder twijfel nog met hoopen uit de dikke, grijze lucht zou +vallen. Rozeke nam de boerin haar zwarten kapmantel af, terwijl moeder +van Dalen naar den kelder liep en dadelijk weer, hijgend, met twee +flesschen boven kwam: jenever voor de mannen; roode kriek voor de +vrouwen. Met algemeene belangstelling werd gevraagd of de oude boer +en zijn vrouw zich reeds gewend hadden aan hun heerlijk, zorgeloos +renteniersleven in 't dorp; en nauwelijks waren zij goed gezeten en +aan 't praten, of daar kwam in snellen draf boer Kneuvels' sjees den +boomgaard oprijden. + +"Zou Smul er werkelijk bij zijn?" dacht Rozeke met een korten angstgreep +aan het hart.--Jawel; zij zag hem vlug uit 't rijtuig wippen en het +paard bij den breidel houden, terwijl boer Kneuvels en zijn vrouw op hun +beurt uitstapten. Alfons haastte zich naar buiten, zijn vroegere baas en +bazin te gemoet. + +Zij kwamen binnen, terwijl Smul het paard bij den stal ging uitspannen: +de mooie, jonge boerin op haar zondagsbest gekleed, met haar lange +gouden oorbellen en gouden kettingkruis; de boer als een suffige +lomperd, den hals omwonden met een dikke, groen-en-zwart-gestreepte +bouffante en den rooden, opgeblazen kop onder een zware bonten muts, +waarvan hij voor de kou de oorlappen had neergetrokken. Hij hakkelde +zijn goeden dag, de weerbarstige woorden in zenuw-trekkende beweging als +'t ware met de hand van tusschen zijn paars-trillende lippen halend; en +dadelijk na het vlug naar binnen slaan van een paar borrels wilde hij de +"doening" bezichtigen: de stallen, de beesten, den boomgaard, alles wat +er op de boerderij te zien was. + +'t Was ook maar goed dat ze dat eerst en vooraf waarnamen, want het zou +al spoedig donker worden met die zware, grijze sneeuwlucht; en 't heele +troepje behalve moeder, Rozeke en La, die het nog druk hadden om alles +voor den maaltijd in orde te brengen, gingen weer naar buiten en stapten +dwars over den dik-besneeuwden boomgaard naar de schuur-en-stal-gebouwen. + +Alfons ging als de baas voorop, naast Kneuvels die druk stotter-praatte +tegen Dons en de van Dalens. De twee boerinnen volgden, voorzichtig- +schrijdend in het soppend-zuigen van haar voeten in 't weeke mestbed voor +de stallen, haar rokken met de beide handen ophoudend om zich niet te +bevuilen. + +Zij bekeken de melkkoeien en de kalveren, de zeug en haar biggen, zij +roemden de stevigheid en goede indeeling der gebouwen, 't geriefelijke +van de ruime bergplaats in de schuur en in het wagenhuis; en voor de +bruine merrie bleven zij in lang gesprek en lange contemplatie. Het was +alsnog niet duidelijk uitgemaakt of het beest al of niet veulen in had. +Dons beweerde ten stelligste van ja; Alfons twijfelde. Kneuvels ging bij +'t paard, bevoelde 't, twijfelde insgelijks. Vader van Dalen en zijn +zonen zeiden ja noch neen; zij hadden er geen verstand van. Een discussie +ontstond, de boeren werden het niet eens, en de boerinnen, op een afstand, +luisterden en keken met belangstelling. Smul, die in den stal daarnaast +boer Kneuvels paard aan het verzorgen was, werd er eindelijk bij +geraadpleegd om ook zijn advies te geven. + +"Of da ze veulen in het!" riep hij op zijn gewone ruwe manier, +onbeschroomd, met een bruusken ruk in de krib der merrie binnendringend; +"'k zal ulder da sebiet goan zeggen!" + +Hij legde zijn rechterhand op den rug van het beest, dat dadelijk, als +van angst, onder zijn strakke aanvoeling huiverde, en bevoelde haar +nauwkeurig van onder, met zijn onomzichtige, grove vingers. + +Het paard keek schichtig naar hem om, snuivend met wreedglinsterend wit +van oogen. + +"He! stille!" riep Smul barsch, en voelde door. De boeren zagen roerloos +toe, in een soort eerbied voor zijn durf en kunde. + +Het beest trappelde, drong even, rilde en schudde over gansch zijn huid. +Het keerde even vlug zijn hoofd om en plukte flappend met de lippen aan +Smuls vest. + +"Stille dan, nondedzju!" bromde hij, de merrie met een woesten stoot op +zij duwend. + +Zij hinnikte even, als uitte zij een klacht, maar stond meteen +onbewegelijk. De boeren glimlachten, stil bewonderend. Ook de boerinnen +zagen met zwijgende bewondering toe. Geen een die durfde om te gaan met +paarden als die Smul; geen een die er verstand van had als hij. + +Smul liet zijn hand los en richtte zich op. + +"Da peird he zeuveel veulen in as ikke!" orakelde hij ruw, met een +rechten blik op Dons uit de krib komend. + +Noch boeren, noch boerinnen moesten om zijn uitval lachen. 't Was ernst, +geen grapje. + +"En en en z'es twie kiers van den hijngst gediend!... en en en den derde +kier sloeg ze'r noar!" brabbelde Dons, door Smuls onverwachte, ruwe +bevestiging van zijn stuk gebracht. + +"Al ha z'er honder kiers bij geweest en duuzend kiers noar geslegen, +'k zegge da ze nondedzju gien veulen in 'n het!" herhaalde Smul met +toenemenden nadruk. + +"Ha da zal nondedzju uitkomen! Ha da zal nondedzju uitkomen of da ze +gien veulen in 'n het!" bromde de oude boer, die begon boos te worden. + +Alfons bleef twijfelen. De merrie was hem door Dons verkocht met de +waarborg van het veulen. Daarom ook had hij er honderd frank meer voor +betaald. Als dat nu niet uitkwam, dan had hij ook wel recht op zijn +honderd frank terug. En hij wou er juist iets van reppen, toen de oude +boer in zijn kwaadaardige opwinding hem de woorden uit den mond nam. + +"As ze gien veulen in 'n het 'n geef ik ou nie allienlijk d' honder fran +weere, moar bovendien nog twintig fran op de keup toe!" riep hij, bijna +uitdagend. + +"Ha moar boer toch!" zei zijn vrouw ontsteld. + +"O da mannevolk, mee ulder peirden!" lachte bazin Kneuvels. + +"Gezeid es gezeid! He ze gien veulen in, hij krijgt honderd twintig +fran!" herhaalde Dons met nadruk. + +"Gewed!" trad Smul met brutaal-uitgestrekte hand naar hem toe. + +"Tut tut tut! wedders zijn kijvers!" kwam bazin Dons misnoegd in 't +midden. + +Kneuvels was driftig iets aan 't hakkelen dat geen van allen begreep. +Vader van Dalen en zijn beide zonen stonden belangstellend te +glimlachen. + +Maar Dons, in zijn rijken-boerentrots gekrenkt, duwde zijn vrouw op zij +en stak op zijn beurt driftig de uitgestrekte hand naar Smul toe. + +"Veur zeuveel of da ge wilt!" riep hij. + +"Euk veur 'n stik van twintig fran!" gilde Smul. + +"Gezeid!" riep Dons; "ge zij amoal getuigen." En met geweld sloeg hij +zijn ruwe hand in die van Smul, die dadelijk met flinken zwaai den klap +teruggaf. + +"Ala toe toe, ala toe toe, 't es zottigheid!" riep de boerin boos. Maar +al de anderen babbelden en lachten opgewonden en Dons en Smul waren +beiden even verrukt dat zij zoo flink op hun stuk hadden gestaan, +terwijl ook geen van beiden twijfelde of hij had het stuk van twintig +frank gewonnen. + +Toen zij weer in huis kwamen stelde moeder van Dalen voor dat ze wat +kaart zouden spelen, terwijl het nog licht was en zij met Rozeke en La +het eten verder klaar maakte. Dat vonden zij allen een uitstekend plan. +Moeder van Dalen had de voorzorg genomen een paar kaartspellen van huis +mee te nemen en dadelijk zaten zij om twee tafeltjes bij ieder der twee +kleingeruite raampjes, boer Dons met bazin Kneuvels, Smul en vader van +Dalen aan het eene, bazin Dons met boer Kneuvels en de beide zonen van +van Dalen aan het andere. Alfons speelde liever niet mee; hij zou rechts +en links wat toekijken en ook de vrouwen helpen om de tafel te schikken. + +Genoeglijk en gezellig speelden zij het boeren-jasspel. De +grauwbeduimelde kaarten werden langzaam, met telkens weer nat-gelikte +vingers, uit elkaar geschoven en rondgedeeld, en toen zaten zij even +heel ernstig hun spel te bestudeeren, wantrouwend van terzijde naar +elkander kijkend en zorgvuldig hun eigen kaarten tegen loerende en +spiedende blikken vrijwarend, totdat er eindelijk een "uitging" en de +anderen dan om de beurt "oplegden." De mannen rookten een pijp, de +vrouwen kregen een frisch-levendige kleur onder de warmte van het +houtvuur, dat gezellig in den breeden haard opflakkerde; en vlak naast +hen, op tafeltjes en vensterriggels, stonden de jenever-en-krieksap- +flesschen en de kleine glaasjes. Buiten viel langzaam de vroege, grauwe +schemering in. De muren en daken van stallen en schuur smolten weg in +grijze doezeling van de naakte boomen rezen als zwarte, dor-takkige +geraamten uit het dik-besneeuwde gras. Weldra begon het weer te sneeuwen: +eerst als een heel fijn, kleurloos stuifmeel, nauw zichtbaar in de grijze +lucht; toen ietwat grootere, wittere vlokjes, die vlug en druk door +elkander warrelden als stoeiende vlindertjes, en eindelijk groote, witte, +trage brokken, loom dalend in zware verdooving van alle geluiden uit een +lagen, loodkleurigen hemel, die er gansch van trilde en wemelde, als werd +een onuitputtelijke voorraad witte watten met reusachtige grepen op de +gesmoorde aarde neergestrooid. De laatste op het erf verspreid loopende +kippen vluchtten ijlings naar hun roestplaats, de grauwe, ruigharige +waakhond kroop met hangenden staart en knippende oogen in zijn hok. + +"Oo!... es da snieuwen! es da snieuwen!" riepen zij om de beurt, naar +buiten starend. Maar binnen werd het des te gezelliger en zij vulden nog +eens goed de glaasjes en staken versche pijpen aan terwijl de pret van +lieverlede hooger opklonk, met luid-geestdriftige uitroepingen en gebons +van vuisten op de tafeltjes, telkens als er een opwekkende slag +uitgespeeld werd. + +Rood en zweetend, den mond hijgend open en 't dikke buikje als een +tonnetje onder haar schort, kwam moeder van Dalen met opgestroopte +mouwen uit het achterhuis te voorschijn. + +"Zeg ne kier meinschen," riep zij van op den drempel, "'k ha iest +gepeisd van de toafel in de beste koamer te dekken, moar zoe 't nie +achenoamer zijn hier in de keuken, bij 't vier?" + +"Joa 't jong, veele, veele!" riepen zij allen. + +"Zij-je wel, houdt ou wel!" gilde de oude Dons. + +"Al gezeid!" besloot moeder van Dalen. Zij riep om La en Rozeke en met +behulp van Alfons plaatste zij twee tafels naast elkaar vlak langs den +haard en begon er de wit-en-rood geruite kleedjes over uit te spreiden. +Door de opengebleven deur van 't achterhuis, waar gekookt werd, drong +de fijne geur van 't sissend-bradend varkensvleesch naar binnen en de +verlekkerde spelers staken den neus in de lucht en snoven die wellustig +op, terwijl hun 't water van verlangen in den mond kwam. + +Maar het werd heelemaal donker, zij zagen haast de kleuren en figuren +van hun kaarten niet meer en Alfons stelde voor de blinden te sluiten en +het licht aan te steken. Zoo werd gedaan. De winter-triestigheid van +buiten werd door het helder licht van een groote petroleumlamp verbannen +en met vernieuwde pret speelden zij verder door en vulden nog eens weer +de glaasjes en staken versche pijpen aan. + +Maar uit het achterhuis galmde eindelijk de hooge stem van moeder: "Ala +jongens, schiedt er nou moar uit, 't es geried!" en meteen kwam zij +binnen, 't gezicht verborgen achter de dampnevelen van een reusachtige +schotel, die zij op haar beide uitgestrekte handen droeg, terwijl Rozeke +en La ook alle twee met heet-dampende schotels volgden. + +Een luid gejuich steeg op en al de spelers stonden overeind. Maar Dons, +die zijn partijtje niet had uitgespeeld, gilde driftig dat de kaarten +moesten blijven liggen tot na 't eten om dan voort te spelen; en eerst +nadat de anderen daarin hadden toegestemd kalmeerde hij en kwam +glimlachend met zijn flikkeroogjes naar de tafel toe. + +"Haha! da zal smoaken! da zal smoaken!" lekkerbekte hij.--"Mag 'k doen +lijk thuis?" vroeg hij; en zonder op 't antwoord te wachten trok hij +zijn ouderwetsche, bruin-lakensche jas uit, hing hem aan een deurknop en +nam plaats in zijn hemdsmouwen, in het midden der tafel, met den rug +naar het warm en rood opflakkerend haardvuur. + +"Den buik noar de toafel en de rugge noar 't vier! da es de gezondheid +van den ouwe Pier!" schetterde hij tot proestens lachend over zijn eigen +grapje. + +Zij zaten allen, elk naar zijn eigen zin zich schikkend en plotseling +hield het schertsen en praten op, terwijl een groote, ernstige stilte +even heerschte. + +De oude Dons nam zijn zware pet af, maakte een kruis, vouwde zijn +eeltige handen in elkaar en murmelde met neergeslagen oogen een gebed. +Heel zijn gezicht was eenkleurig rood als een gekookte kreeft en de +dunne sluike haren stonden er spierwit als sneeuw omheen. Allen volgden +hem na. Vader van Dalens kale schedel blonk in 't helder lamplicht, +Smuls rossig haar stak borstelig en verward achter zijn ooren uit, +Alfons' gelaat leek fijn en bleek onder zijn donkere lokken en zijn dun +zwart snorretje. Rozeke, een frissche kleur van warmte over haar zachte +wangen, hield liefelijk haar hoofdje scheef-geheld, als een bijna nog +kinderlijk jong meisje; bazin Kneuvels' gouden kruis vonkenschitterde +onbewegelijk op haar zwarte borst. En bazin Dons had nu een trek van +vermoeienis en ouderdom op haar getaand gezicht waarin men niet meer zag +het donkere der neergeslagen oogen; en moeder van Dalen, de gevouwen +handen op haar rythmisch op en neer golvend buikje, zat nog stil van +inspanning te hijgen, met twee langzaam neerzijgende zweetdroppels, +rechts en links over haar bolle, heete wangen. Boer Kneuvels en Rozeke's +broeders staarden strak naar de dampende schotels. De ronde, blonde, +blozende La prevelde haar gebed met vlug-bewegende lippen. + +"In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, amen," +zei eindelijk hardop boer Dons, terwijl hij weer een kruis sloeg en zijn +dikke pet opzette. + +Alle handen ontvouwden zich, maakten het kruisteeken, en weer gingen +alle petten op de hoofden, terwijl de ernstige gezichten, opgelicht, tot +vroolijkheid herleefden. + +"Allo jongens, valt er moar aan!" riep moeder van Dalen. + +Zij hadden eerst booli[3] met aardappels en worteltjes, en Dons vroeg of +hij maar wilde voorsnijden om het niet koud te laten worden. + +Dat was uitstekend. Niemand anders had daar veel verstand van, want +enkel op kermissen, begrafenis-maaltijden en overhaal-feesten aten zij +rund-vleesch. In dikke hompen sneed de oude boer de stukken van elkaar. +Zichzelf bediende hij het eerst, aangezien het toch vlak voor hem stond, +riep hij, en gaf toen de schotel verder door. + +Zij aten!... De mannen slokten de groote brokken vettig vleesch, de +heele aardappels, de opgehoopte vorken worteltjes naar binnen. De +vrouwen aten trager, met kleinere beetjes, niet zoo schrokkig. Alleen +met korte, vlugge woorden ging 't gesprek nog even door. Zij hadden geen +tijd om te praten. Wanneer zij niet slurpten en kauwden dronken zij van +hun bier, met lange, gulzige, zuigende, in de keel klokkende teugen. + +"Haa!... 't es goed, zille! 't doet deugd!" schreeuwde Dons met +blinkende oogen. + +"K ie... ie... ieste kla... asse! 'k moa... oak ou mijn compliment, +be... e... zinne van Doale!" brabbelde Kneuvels tusschen twee slokken. +Smul slikte en schrokte zonder opkijken en ook vader van Dalen had +heelemaal geen tijd tot praten. Hij at zooals hij wrocht: zwoegend, +de schouders scheef van inspanning. Hij kreeg het al spoedig benauwd +en legde vork en mes even neer om als boer Dons zijn vest uit te trekken +en ook zijn broekband los te knoopen. + +"Goe gedacht!" riep Dons, en knoopte insgelijks los. "Moet-e gulder gien +ploatse moaken?" schertste hij tot de vrouwen. + +Zij moesten even schateren. + +"Hoe zoen we da moeten doen, boer! We'n droage wulder gien broek!" +lachte de mooie bazin Kneuvels. + +"Zeu!" riep Dons verwonderd. "'K miende dat da tegenwoordig mode was!" + +Zij gingen daar even op door en dadelijk werden de toespelingen zeer +gewaagd. Bazin Kneuvels deed of ze zich vreeselijk schaamde maar haar +oogen flikkerden van pret; en moeder van Dalen kon zich eensklaps niet +meer inhouden: zij riep den ouden boer een erge schouwiteit toe, en +schaterde met open, tandeloozen mond, de handen op haar schokkend +buikje, terwijl de lachtranen over haar wangen rolden. + +"Ha moar moeder, zij-je toch nie beschoamd!" riep Rozeke half boos +wordend. + +"Tut tut tut, w'amezeeren ons onder mallekoar en doar 'n zijn hier toch +gien "hemelgieten"[4] lachte moeder. + +Na den "booli" kwam er nog een gewichtige schotel "saucietjes en +carbonaden" met spruitjes en ten slotte rijstpap met bruine suiker. Zij +konden niet meer; zij blaakten en hijgden. Het purperrood gezicht van +den ouden, mageren Dons was glimmend als met olie overstreken en zijn +kleine varkensoogjes waren zoo dicht toegeknepen dat men ze nog slechts +als twee donkere flikkerstreepjes onder de rood-gezwollen oogleden zag. +Boer Kneuvels, die nog meer nat dan droog gebruikt had, begon vreemd met +zijn dikke tong te brabbelen; en vader van Dalen, anders praatziek +genoeg en luidruchtig, zat nu stom en roerloos in elkaar gezakt, de +koonen rood-gevlamd, zijn levend een-oog rond-verwilderd en strak voor +zich uit starend, alsof hij zich onwel begon te voelen. Smul bleef +schijnbaar kalm en als 't ware onverschillig, met de gewone uitdrukking +van stugge barschheid in zijn harde, blauwe oogen. Soms viel zijn blik, +heel even slechts, op Rozeke; maar dadelijk, terwijl zij zelve haar +oogen instinctmatig neersloeg, wendde hij zich af en sprak geen enkel +woord tot haar. Zij was zoo bang niet meer voor hem als in 't begin, +maar zijn aanwezigheid maakte haar stil, doodstil, als voelde zij om +zich heen een vaag en steeds dreigend gevaar. + +Allen trouwens, werden van lieverlede stiller en spraken weldra over +ernstige zaken. De van pret haast toegeknepen oogjes van den ouden boer +ontpopten zich weer tot gewone kleine menschen-oogen, en hij sprak heel +verstandig, zonder schreeuwen, met Alfons, als een vader tot zijn zoon, +over de voor-en-nadeelen die verbonden waren aan het boerderijtje, dat +hij van hem had overgenomen. Mooi en buitengewoon geschikt was het +gelegen: alles om het pachthof heen en eerste klasse grond. Van op zijn +boomgaard kon hij zijn werkvolk gade slaan tot op de verst-afgelegen +partij. Droge jaren waren de gunstigste; een drietal bunders lagen wat +te laag en bleven bij natte seizoenen te vochtig. De boomgaard was een +van de rijkste in den omtrek. Meer dan eens had hij Dons de drie-vierden +van zijn ganschen huurprijs opgeleverd. De kateilen[5] waren ruim en +stevig gebouwd; de pachtsom was niet overdreven. Kortom, zonder +onvoorzienen tegenspoed zou Alfons er goed aan zijn brood komen en zelfs +een aardig stuivertje op zij kunnen leggen. + +De anderen luisterden, stilzwijgend, vol eerbied voor den ouden boer die +op zijn hoeve rijk geworden was. Hoogst zeldzaam waren ze nog die dat +konden zeggen, want de tijden waren slecht, de pachten hoog, de uitgaven +en lasten ieder jaar grooter. Verreweg de meeste boeren gingen +tegenwoordig achteruit in plaats van rijk te worden. Hoeveel waren er +niet, die na een gansch leven van werken en zorgen en zwoegen, op hun +ouden dag in het armenhuis eindigden? + +"Kjoa... joa... kg... het gij wel scheune te spreken, boe oer Dons," +hakkelde Kneuvels, met ingespannen handenwringen de weerspannige woorden +uit zijn mond halend, "kg... het gij de goen tijd ggghad... moar kkk da +ge nou nog moest be... be... beginnen kt 'n zoe zoe euk kk azeu nie mier +zijn!" + +"De goen tijd, zegt-e gij," antwoordde Dons ernstig, met oogen van +verbazing. "De goen tijd!--T'n was giene goen tijd in de joaren 47 en 48 +as de meinschen van den honger op stroate lagen te stirven!" En hij +vertelde van die nare tijden, waarvan zij allen slechts vaag gehoord +hadden, maar die hij, zooveel ouder, in al hun akeligheid had +meegemaakt. Twee opeenvolgende jaren, eerst door zware regens, dan door +maandenlange droogte, waren de oogsten mislukt en er was geen eten meer +voor menschen noch voor beesten. Geen graantje meer in de schuren, geen +aardappel meer op 't veld; alleen nog maar wat half bevroren, half +verrotte raapknollen en bieten, die de hongerige menschen 's nachts op +de akkers kwamen ontgraven. Boeren en gendarmen hielden onophoudelijk de +wacht: arme stumperds werden doodgeschoten; anderen vond men op de +velden 's ochtends dood liggen, versteven van de kou, omgekomen van +gebrek. + +"Doar zie, achter ulder schure," sprak plechtig de oude boer naar de +donkere, toegeblinde ramen wijzend, "he 'k er op nen uchtijnk twiee +gevonden in de snieuwe, 'n mannemeinsch en 'n vreiwe-meinsch, uit 'n +vrend dorp, de man deud, de vreiwe nog 'n zierke levend, alle twiee zeu +moager en uitgeleefd da ze de knecht onder zijn oarms opgepakt het en in +de schure op 't streu gedregen." + +Een plotselinge stilte heerschte om de tafel. Allen staarden met bijna +angstigen ernst naar het vuurrood, gerimpeld gelaat van den ouden boer. + +"Es 't vreiwemensch nog blijve leven?" viel hem eindelijk Rozeke, +trillend van emotie, in de rede. + +"Nie z', ze was al te verre gezet," antwoordde hij.--"Mijn moeder +zoaliger he z' hier in huis doen brijngen, hier, veur den heird, bij +'t vier, op de zelve ploatse woar da 'k nou zitte, en w' hen heur woarme +melk en brandewijn ingegoten; moar 't was al te loate, 't 'n he nie mier +g'holpen. Veur den noene was z'euk al deud.--Joa joa de goen tijd! +spreek mij van de goen tijd! Nou es 't de goen tijd, woar da alles van +'t vrende kan komen als 't in 't land zelve nie 'n groeit." + +Weer spraken zij, allen ondereen nu, van den goeden en den slechten +tijd, van de menschen van vijftig jaar geleden, die met weinig tevreden +waren en hun geld opspaarden; en van de menschen van den tegenwoordigen +tijd, die veel verteerden en voor hun ouden dag niets overhielden. + +Zij waren klaar met eten en slurpten nu koffie, uit groote, witte +koppen, de mannen rookend, de vrouwen af en toe een snuifje nemend, +allen in gemakkelijke houding om de tafel geschaard, de aangezichten +rood-begloeid door 't haardvuur, waarop Alfons weer versche blokken had +geworpen. Nu en dan stond er een op en ging even naar buiten en kwam +toen na een poos rillend weer binnen, zeggend dat het buiten niet meer +sneeuwde, maar dat de lucht zoo grauw en nog zoo vol zat, met +loom-schuivende, zware wolken voor de volle maan. En weer maakten ze +'t zich gezellig om het warme vuur en luisterden naar de vertellingen, +blazend en slurpend uit hun koppen in den blauwen damp der pijpen. + +Toen hoorden zij plotseling een dof gestommel aan de voordeur en allen +keken met verwondering, de vrouwen bijna angstig, om. + +"Och Hiere, was es dat doar!" riep Rozeke, gejaagd opstaande, bang +geworden door de akelige verhalen. + +Maar er werd zacht gekucht daar buiten; en eensklaps hieven zoete +kinderstemmetjes het welbekende Driekoningenavond-liedje aan: + + "Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan + Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan. + Naar Bethlehem, naar die schoone stad + Waar Maria met haar klein kindeke zat." + +"Och Hiere! de kinders die hier Dertien-oavond kome zijngen! O, da es +toch scheune!" glimlachte Rozeke met tranen van ontroering in haar +oogen. + +Ook al de anderen luisterden, eensklaps weer roerloos en zwijgend, in +onbewuste emotie, de stil-glimlachende gezichten naar de voordeur +omgewend. + +En zacht zongen de kinderstemmen verder: + + "Hoe kleiner het kind, hoe grooter de eer + Dat is er een teeken van God den Heer!" + +Zij zwegen even, stommelden en kuchten; en in de groote, luisterende +stilte klonk het tweede Drie-koningenavond-liedje: + + "Het is vanavond Driekoningen-avond + En 't is morgen Driekoningen-dag, + Toen Maria al met Magdalena + Al op het Heilige graveke zat." + +Rozeke stond op: + +"Toe, moeder, geef mij wat veur die kinders: 'n beetse rijspap en wa +cenzen." + +"Cenzen!... 'k 'n he ik hier gien cenzen!" riep moeder verwonderd. "En +rijstpap! woarom moen ze zulder rijspap hen?" + +"Neem, doar zijn vijf cens," zei boer Dons in zijn vestzak tastend. + +"Och toe, moeder, en 'n beetse rijspap?" smeekte Rozeke. + +Pruttelend ging moeder in het achterhuis maar kwam toch met een +rood-steenen schoteltje vol pap terug. + +"Doet er 'n beetse meelsuiker op, moeder?" fleemde Rozeke. + +"Ha ge zij gij zot, geleuf ik!" riep de oude ontwaardigd. + +Maar zij deed het toch ook, en Rozeke haastte zich naar de deur, waar de +kinderen, hun liedje uitgezongen, nu zachtjes aanklopten. + +"Joa moar ze moen de schotel weere brijngen, zille," vermaande moeder. + +Rozeke opende de deur en op de vaag-bemaneglansde sneeuw zag zij het +troepje voor den drempel staan: drie meisjes en twee knaapjes, waaronder +een heel kleintje, dat de groote papieren ster droeg. Hij deed ze met +een touwtje ronddraaien zoodra hij Rozeke zag, en weer zongen de andere, +met hun fijne, teere stemmetjes: + + "Wel sterre, wel sterre, gij moet er zoo stille niet staan, + Gij moet er met ons mee naar Bethlehem gaan." + +"Neem," zei Rozeke ontroerd, hun de centen en het schoteltje aanreikend, +"moar 't schotelke moet-e morgen weere brijngen, zille." + +"Joa w' bezinne, merci bezinne," dankten zij. En in een druk, dicht +donker troepje liepen zij haastig en verheugd weer naar het hek. + +"Bezinne," dacht Rozeke glimlachend; "'t es woar, 'k ben nou bezinne." +Zij staarde even naar het wit, besneeuwde hof met de zwarte +boom-geraamten en naar de hooge maan met de dikke, grauwe wolken erom, +boven 't dak der schuur.--Daar achter, op een wintersneeuwnacht zooals +deze, had de arme vrouw gelegen waarvan Dons vertelde. Zij huiverde. +O, die nare verhalen, wat had het haar aan 't hart gegrepen! Wat was +er strijd, armoede en lijden op de wereld! Wat was haar lot gelukkig +vergeleken bij dat van zooveel anderen! Plotseling dacht zij aan +mejonkvrouw Anna. Ook die was niet gelukkig. Waar zou ze zijn op +'t oogenblik? En wat was toch de oorzaak harer droefheid? Zij stond daar +even over te peinzen, vaag luisterend naar 't verwijderd, fijn gezang +der kinderen, die nu reeds op een andere hoeve waren. Maar de +feestvierders daarbinnen klaagden luid dat ze 't koud en ongezellig +maakte en dat ze weer moest binnen komen. + +Haastig sloot zij de deur en kwam rillend terug bij den haard. + +Nog een poosje bleven zij er doorpraten, gezellig rookend om den haard, +onder het drinken van steeds meer koppen slappe koffie en ook glaasjes +brandewijn; en weer werd hun gesprek nu los en licht en vroolijk, met +ieder oogenblik uitbarstend scherts-gelach om ondeugend-schuine grapjes; +maar toen boer Dons, zeer opgewonden, voorstelde het onderbroken +kaartspel voort te zetten, bleek het reeds te laat geworden en spraken +de vrouwen van nu maar liever weer naar huis te gaan. De mooie bazin +Kneuvels, die tijdelijk zonder dienstmeid was, moest zelve nog alles +tegen den volgenden dag beredderen, beweerde zij; en ook bazin Dons +wilde liefst vertrekken voor het laat in den avond werd en zij wellicht +spoken op hun weg ontmoetten. + +"Speuken! zij-je toch nie wijs! Doar 'n bestoan ommers gien speuken +mier," lachte vader van Dalen. + +Maar bazin Dons en ook meestal de anderen bleven zeer ernstig. + +"D'r zijn zeker nog speuken!" bevestigde boer Dons, die reeds was +opgestaan en zijn jas had aangetrokken, maar even weer ging zitten. En +hij vertelde een vreemde geschiedenis van zijn ouden paardenknecht, van +het spook en den kasteelhond. + +Iederen avond,--dat was nu zeker wel ruim veertig jaar geleden--dwaalde +daar in de buurt een kasteelhond. + +"Wa es da ne kastielhond?" viel Rozeke hem met groote oogen van +belangstelling in de rede. + +De oude boer haalde zijn schouders op. + +"Da es nou gelijk," sprak hij, bijna korzel, "nen hond, ne kastielhond, +niemand 'n weet precies wa dat dat es. Moar loat mij ne kier veurt +vertellen." + +"Iederen oavond dus,--'t was in de winter, omtrent dezen tijd--liep er +hier rond 't hof ne kastielhond. Koarel-Sies, mijnen oue peirdeknecht, +ha hem al heul dikkels gezien, en telkens zat er hij achter mee zijn +vurke, moar natuurlijk zonder hem oeit te keune krijgen.--Koarel-Sies, +jongen, zei ik azeu, ge moet oppassen of ge goat doar leulijke dijngen +mee ondervinden.--Zoe 'k wel, boas, zeit hij; da 'k hem moar e-kier 'n +kon krijgen, 't zoe hier al gauwe gedoan zijn mee al dat geleup.--'K +zegge: kijk, ge moe 't weten, Koarel-Sies, zeg ik azeu, moar geleuf mij, +jongen, ge goat er vuil mee vangen, zeg ik azeu.--Goed.--Op nen oavond, +nen dag of dreie achter da 'k hem da gezeid ha, komt Koarel-Sies al mee +ne kier noar mij geleupen: "Boas! hij es doar weere zille en deze kier +moe 'k hem hen!" Ik ha hem al ne heulen tijd gezien, moet-e weten: en, +peis ik in mijn eigen...." + +"Watte! de kastielhond! Het-e gij hem euk gezien, boas Dons?" viel +Rozeke den ouden boer opnieuw met trillende emotie in de rede. + +"Zeu goed of da 'k ou zie," verzekerde kalm boer Dons. Bazin Dons, die +ook vol aandacht luisterde, knikte sprakeloos met het hoofd, om te +getuigen dat het waar was. Al de anderen, om den ouden boer geschaard, +vingen, in roerloos-stille graagte, de woorden van zijn lippen op. + +"En wat deed hij? Hoe liep hij? Hoe zag hij d'r uit?" vorschte Rozeke +ademloos. + +"Da es nou gelijk!" antwoordde Dons weer ongeduldig wordend. "Ne +kastielhond, zeg ik ou! Niemand 'n weet datte; niemand 'n het da van +dichte bij gezien. Loat mij ne kier veurt vertellen...." + +"Goed.--Peis ik in mijn eigen: Kaorel-Sies, jongen, doe gij ou gedacht; +leupt gij er achter, aangezien da ge toch nie mier verstand 'n het; ik +'n trekke mij den boel nie aan. Goed.--De kastielhond droait hem ne keer +of zeven rondom 't hof, en Koarel-Sies doar achter, mee zijn vurke +veuruit, vliegen lijk de wind. 'K wilde da ge da gezien hadt! Ge kond' +hem heure lessemen[6] toe op de keiter[7]. Wel verdeeke!... peis ik in +mijn eigen, 'k geleuve woarachtig dat hij hem van deze kier goa krijgen, +want 't 'n school gien hoar mier of hij zat er boven op;... moar al mee +ne kier, percies op de moment da Koarel-Sies de kastielhond zijn vurke +deur 't lijf goa steken, verandert de kastielhond in 'n speuk, dat +rechte lijk ne pijl uit nen bogen noar den bosch toe leupt! + +"'n Speuk! 'n woarachtig speuk! En he-je 't gezien, boas Dons? riep +Rozeke. + +"Lijk of ik ou zie!... moar loat mij ne kier veurt vertellen."--Goed, 't +speuk den bosch in en Koarel-Sies mee zijn vurke doar achter.--Ik vliege +zeu zier of da 'k kan toe an 't hofgat en 'k roep uit al mijn macht! +"Koarel-Sies! Koarel-Sies! gie dwoaze loeder, komt toch weere!" Moar 't +spel was al verbrod en 't was te loate. 'K zag hem nog precies mee ne +lei al de kant van dan bosch leupen en over de gracht sprijngen; en wig +was hij, nie mier t'heuren of te ziene!" + +"En?" vroeg Rozeke, de woorden uit zijn mond kijkend. + +"Hewel... hij het hij heul den nacht rondgedwaald, zonder nog zijne wig +te keune vinden. 't Speuk ha hem verlied. Tegen den uchtijnk es hij +weere thuis gekomen, slijknat, deudmoe, al schriemende lijk 'n klein +kind. Heul de godsche nacht had hij achter 't speuk geleupen, op alle +soort van vrende prochies, deur bosschen woar dat hij nog noeit van zijn +leven geweest 'n ha; en as hij thuis kwam had hij, in ploatse van zijn +vurke, nen bessemstok in zijn peuten.--Hij he hem ontklied en veertien +doagen van altroassie in zijn bedde gelegen!" + +"En 't speuk? de kastielhond?" vroeg Rozeke. + +"De kastielhond! 'n moand lank he 'k hem hier hoast iederen oavend +rondom 't hof zien leupen. Hij kwam natuurlijk kijken of da Koarel-Sies +nog goest ha om d'er mee zijn vurk achter te zitten; moar Koarel-Sies +had er genoeg van, zille. Ge 'n zoedt hem 't 's oavens mee gien stokken +mier van 't hof gekregen hen." + +Er was opnieuw een korte stilte. Allen staarden weer met ernstige +gezichten naar den ouden boer, die zooveel wonderbaars had bijgewoond +en Rozeke durfde geen woord meer vragen.--Maar plotseling ging een +onverwachte stem op om den hoek der tafel, de ruwe, schorre stem van +Smul, die nu in kort-gehorte woorden ook een wonderheid vertelde. + +Dat was een jaar of twaalf geleden; hij woonde toen, als pasbeginnende +paardeknecht, op een groote boerderij, den kant uit van 't Westvlaamsche. +--Eens, op een ochtend, dat hij een verafgelegen partij land aan het +beploegen was, zag hij, in een struik van den elzekant die den akker +omsingelde, een vreemd klein dingetje hangen,--een soort bruinhouten pop +of beeldje, leek het hem--half verborgen in 't gebladerte. Hij liet zijn +ploeg met paarden even staan en ging dwars over 't akkerland, op 't vreemd +verschijnsel af. Het was een klein, bruinhouten Lieve-Vrouwbeeldje, met +een dof-gouden stralenkransje om het hoofd. Wie mag dat daar wel gehangen +hebben? dacht hij. Het had geen waarde, hij liet het hangen en zette zijn +arbeid voort, maar nam het 's middags mede naar de boerderij. + +Ook daar begreep geen mensch wat het wel beteekenen mocht. Maar, +aangezien het toch een heilig beeldje was, zou de boer het maar houden, +en het werd in de keuken boven op de schoorsteenlijst geplaatst. + +'s Anderendaags morgens, toen de boerin beneden kwam en even naar den +schoorsteenriggel opkeek, was het beeldje verdwenen. Dat werd hoe langer +hoe vreemder; zij ondervroeg al de huisgenooten en de knechts en meiden +van de groote boerderij, en allen gaven de stellige verzekering dat zij +geen hand naar 't beeldje hadden uitgestoken. Bij gebrek aan verdere +bewijzen moest de boerin hen wel gelooven, en ieder ging weer naar zijn +werk zonder nog veel aan het beeldje te denken. + +Maar nu werd het bepaald een wonder, een mirakel. Het eerste wat Smul +zag, toen hij met ploeg en paarden op den akker kwam, was 't bruine +Lieve-Vrouwbeeldje, hangend precies op de zelfde plaats, aan 't zelfde +takje waar hij het 's ochtends te voren ontdekt had.--Dat heeft mij +niemand voor de grap geleverd, dacht Smul, en 's avonds nam hij weer het +beeldje naar de hoeve mee. Maar hij vertelde 't aan niemand, hij verborg +het in een baalzak en stopte 't zoo weg onder zijn bed, op den zolder +waar hij sliep, boven de paardenstallen. + +Toen hij den volgenden ochtend ontwaakte, was zijn eerste zorg haastig +den baalzak te openen. Het Lieve Vrouwtje was weg! Hij liep naar 't +verre akkerland. Het beeldje hing er weer op de zelfde plaats, aan 't +zelfde takje van 't zelfde elzestruikje.--Smul liet het hangen. Het hing +er heel den dag en 's avonds nam hij het ook naar de boerderij niet +mede---- + +Dien nacht gebeurde iets vreeselijks. Een jong boerenmeisje, dat +tamelijk laat in den avond alleen huiswaarts keerde, werd langs den +eenzamen weg door een landlooper aangerand. Zij vluchtte weg, kwam juist +terecht op dat stuk akkerland, bij de plaats waar 't Lieve-Vrouw-beeldje +in het elzestruikje hing. Daar werd ze verkracht en vermoord!..." + +"Och Hiere!" slaakten al de vrouwen. Rozeke zag bleek van schrik en +beefde, haar angstige oogen op den paardeknecht gevestigd. Had hij zelf +niet geprobeerd haar met geweld te nemen, in het koren!... + +Maar moeder Van Dalen was verontwaardigd en riep: + +"Da was 'n heule slechte Lieve-Vreiwe!" + +"'T 'n doet, integendeel," beweerde Smul. "Da was 'n woarschuwijnge van +onz' Lieve-Vreiwe dat er op die ploatse moest gewoakt worden!" En hij +vertelde verder: + +"Den boer het er 'n kapelleke doen bouwen en 't Lieve-Vreiwke doar in +gezet. Moar alle nachten speukt het er in 't ronde en 't zal d'r blijve +speuken zeu lank of dat de meurdenoare nie gevonden 'n es." + +"Hen z' hem dan nie gevonden?" riep Rozeke. + +"Nien z'!" zei Smul kortaf, haar voor het eerst dien avond recht in het +gezicht aankijkend. + +Zij sloeg den blik ten gronde en sidderde, als voelde zij een dreiging +in zijn blik. + +Allen waren langzaam opgestaan en namen afscheid. Ach, men moest maar +niet te veel aan al die vreeselijke dingen denken, meende de oude boer, +terwijl hij zijn dikken bruinen kraag opzette en zijn pet over de ooren +trok: men moest trachten met iedereen goed te staan en ieder geven wat +hem eerlijk toekwam. Dan lieten spoken, kasteelhonden en verschijningen +je wel met rust. Allen waren 't daar ernstig over eens, en dat gesprek +bracht hen eindelijk nog even weer op de kwestie van de weddingschap die +tusschen Dons en Smul was aangegaan. + +De oude boer, buiten op den drempel, gilde Smul, die naar de stallen +ging om in te spannen, na: + +"Veur twintig fran, he? Nie vergeten, zille!" + +"Ge meug gerust zijn, 'k zal d'er zelf omme komen!" klonk van verre +Smuls ruwe, schertsende stem. + +De witte nacht was gansch helder geworden, glans-helder van vol +manelicht over de blanke, donzig-dikke sneeuw; en hun lange, zwarte +schaduwen rekten zich gedrochtelijk voor hen uit, tusschen het +vreemd-gewirwar van 't weerkaatste, naakte boomen-netwerk op den +onbetreden witten grond. Het vroor en al de sterren tintelden in 's +hemels donkerblauw; maar laag aan den gezichtseinder rezen weer donkere +balken, zwaar-dik van nog dreigende sneeuw. + +"Ala, de goe nacht en 'n dreumt er nie van!" riep de oude boer, terwijl +hij met zijn vrouw, met vader en de broeders van Dalen het hoevetje +verliet. Luid pratend onder elkaar verdwenen zij in den helderen, +sonoren maan-en-vriesnacht. Het oogenblik daarna was ook de sjees +van Kneuvels klaar en Alfons en Rozeke, die hen tot aan den weg een +uitgeleide deden, kwamen rillend van de kou terug bij La en moeder, +om het langzaam uitdoovend haardvuur. + +Dien nacht had Rozeke vreemde, benauwende droomen. Alles wat ze 's +avonds gehoord had woelde verward door haar geest en zij kreeg akelige +vizioenen van kasteelhonden en spoken, van zieltogende menschen in de +sneeuw en van vluchtende vrouwen die door landloopers overweldigd en +vermoord werden. Mejonkvrouw Anna, van 't kasteel, werd wreed door een +van die honden verscheurd; en zij zelve, eenzaam en verlaten, verre van +Alfons en verre van haar ouders en haar broeders, vluchtte voor een +schurk die haar razend achtervolgde en haar eindelijk vastgreep en +omverwierp op den harden grond onder een elzestruik. + +Met een gil van angst schrikte zij plotseling wakker, vloog overeind, +sloeg verwilderd hare armen uit. + +"Wa het-e-gij? Wat doe-je gij?" riep Alfons, ook eensklaps uit zijn +slaap wakkergeschrikt. + +"Niets! 'k 'n weet niet! 'k miende da 'k iets zag! da 'k iets heurde!" +hijgde ze angstig. + +"Kom kom, g' het gedreumd, legt ou neere, loat ons sloapen," zuchtte +hij. + +Zij zag de hooge maan in bleeken hemel door het bovenste gedeelte van +het kleingeruite raampje; en dat aanschouwen van de kalme, koude, +heldere werkelijkheid, verjoeg haar ingebeelden droomangst. Ja ja, zij +had gedroomd.... + +Zacht strekte ze zich weer uit en legde haar armen om zijn hals. + +"'K zie ou zeu geirne Fons; ge 'n meug mij noeit verloaten, ge moet +altijd... altijd bij mij blijven," nokte zij teer-ontroerd. + +Zijn handen drukten haar werktuigelijk tegen zich aan, maar hij gaf geen +antwoord meer. Hij was reeds weer in slaap. + +Toen zuchtte zij heel diep en sliep ook kalm weer in. + + +Noten: + +[3] Gerookt rundsvleesch. + +[4] Hemelgeiten: kwezels. + +[5] Stallen en schuren. + +[6] Hijgen. + +[7] Kouter; vlakte. + + * * * * * + +VIII. + + +Het was dat jaar een lange, ruwe winter. Weken en weken na elkaar bleef +het doodsche veld onder de dikke sneeuw begraven; en daarop vroor het, +hard als steen. De menschen liepen met opgetrokken schouders, tot over +hun ooren in wollen halsdoeken gewikkeld, als zwarte, sukkelige +stumperds over al die harde, strakke blankheid; en de kinderen die van +de dorpsschool kwamen leken van verre op misvormde kaboutertjes: de +oorlappen der petten neergetrokken, de blauw-verkleumde handjes in de +grijze wollen wanten, de neusjes purperrood en de waterige oogjes +schreiend van de scherpe kou. Enkele liepen soms met ijssleetjes onder +den arm, om ergens op een ondergeloopen stuk weiland te gaan "ijsstoelen"; +anderen gingen "baantje slieren" op de smalle slootjes, in benden van +tien en vijftien glijdend en buitelend in uitgelaten pret onder elkaar. +Heel enkelen hadden schaatsen, en die waren zeer trotsch en reden met +aanstellerige minachting, in groot gezwaai van armen en geschrijd van +beenen, de tragere ijsstoelers en baantjesslierders voorbij. Hun drukke +pret bracht telkens als een korte herleving over het verlaten veld, dat +dadelijk na hun lawaaiigen voorbijtocht weer in doodschen winterslaap +verzonk. + +Vreemd zag het heele land er uit: alles verkleind en als 't ware +ineengekrompen. De mooie fruitboomen der boerderijen leken nu niet +grooter dan ontbladerde heesters op de smal en klein schijnende erven; +en zelfs de woonhuizen, de stallen en de schuren schenen tot de helft +geslonken en als 't ware in den grond gedrukt, onder de dikke, gewafelde +sneeuwlaag die log de dakpannen bedekte. Het dorpje, in de verte, over +de wijdte van het blanke, vlakke veld, was niets meer dan een hoopje +lage, nauwelijks zichtbare gebouwen onder een trosje zwarte boomkruinen; +en de grijze torennaald der kerk, die anders zoo fier en zoo slank uit +het frissche zomergroen opschitterde, leek nu wel een brooze, schrale +ijskegel, die elk oogenblik om zou kunnen vallen. En ook het statig +kasteel in rood steen met zijn gesloten vensterluiken, maakte thans geen +grooteren indruk dan een gewoon buitenhuis; en 't prachtig park, 's +zomers zoo ondoordringbaar zwaar en donker, was nu vol gapende holten en +gaten, waar men dwars door de verre landerijen en de boerenhuizen zag, +als hadden schendende handen er in groot getal de mooiste boomen +weggekapt. + +Die winter-kleinheid en bekrompenheid van alles verbaasde en beangstigde +bijna Alfons en Rozeke. + +"Ha moar, dat 'n es hier zeu greut niet as dat Dons gezeid het! Da es +amoal veel kleinder!" riepen zij soms met onthutste verwondering uit, +toen zij wel eens, in een enkelen oogopslag, geheel hun erfje met +gebouwen en omliggende landerijen opnamen. En Alfons moest dan eerst de +afstanden stappen, de boomen van den boomgaard tellen, de hoogte der +gebouwen en de uitgestrektheid van de akkers meten, voor zij gelooven +konden dat zij niet bedrogen waren. + +Doch er waren ook soms heerlijke verrassingen. + +Op een ochtend, toen Rozeke in de vroegte buitenkwam, scheen het haar +toe of ze zich plotseling op een heel andere doening, in een soort van +wonder-of-tooverland bevond. Wat was dat! al die boomen eensklaps zoo +groot en overladen met het weelderigste bloeisel! En dat ruischend +zilverkleed in plaats van grasveld! En die heg om het erf als een +blauw-wazig verre muur van doorschijnend-kristal! En al dat bouwland er +omheen, glinsterend, fonkelend, flonkerend in de zon, als een eindeloos +veld van de fijnst-getinte lichtroze en lichtblauwe, levende en +trillende bloemen? Dat was de winterrijp over de naakte boomen en +gewassen, de blanke rijp doorschijnend tintelend met allerteerste +kleurschakeering in de gouden zonnestralen! Het leefde en beefde, de +overladen twijgjes van de naakte kruinen fluisterden en schitterden in +stil geritsel als waren zij gansch vol van onbekende, wemelende vogels +en kapellen. Zij schitterden en wemelden in zacht-suizend gefladder en +gekweel, maar 't was slecht een illuzie: zij vielen ritselend in risten +op het wit-glanzende grasveld neer en vloeiden er weg als groote, stille +droefheidstranen; en weer stonden de boomen zwart en naakt als dorre +heesters, en weer omheinde de schrale heg met haar doorzichtbaar +doorngeraamte 't kleine erfje, en weer lagen de akkers kleintjes +afgemeten er omheen, in de langzaam uitdoovende schitterpracht van al +dat vreemd en broos-fantastisch leven, dat er eindelijk nat en triestig, +onder een aanhoudend dof geruisch als van stille zuchtjes en snikjes, te +smelten en te sterven lag. + +Zij leefden in afwachting van wat langzaam aan komen en worden zou: de +lente; en met de lente: de arbeid op het land. Alfons had tegen Maart +een knecht gehuurd: Vaprijsken, die boer Kneuvels' boerderij verlaten +had en gelukkig was, bij een vroegeren werkkameraad en vriend, een +goeden meester en een vaste betrekking te zullen vinden; en Rozeke, die +in haar zwangerschap het zware werk van koeienmelken en beestenvoeder- +koken niet goed meer verrichten kon, had reeds een dienstmeisje, ook een +vroegere kennis en een flinke werkster: het Geluw Meuleken. Met die twee +konden zij 't vooreerst wel stellen. Een paardenknecht hadden zij niet +noodig: dat baantje zou Alfons zelf waarnemen. + +Stil en gelukkig leefden zij, met hun hoop en hun gedachten in de +toekomst. Slechts bij zeldzame uitzondering ging Rozeke nog een enkelen +keer naar het ouderlijk huis, dat nu wel wat ver afgelegen was, maar +bijna elken zondag kreeg zij bezoek van de haren. Meestal kwamen moeder +en La na de vesper aanhijgen, telkens klagend dat het niet te doen was +door de sneeuw; en als ook vader en de broeders kwamen spraken zij uren +lang over vee en landerijen, en eindigden doorgaans met een partijtje +kaart te spelen, de mannen rookend bij het haardvuur, met koppen koffie +en borrel-glaasjes op de tafel om zich heen. Dat mooie boerderijtje was +de trots en als 't ware de rijkdom van hen allen. Zij waren er allen in +een hoogeren stand en voornamer aanzien door gekomen; zij waren boeren, +echte boeren geworden; en iederen zondag bij het huiswaarts keeren +voelde vader de behoefte nog enkele herbergen in het dorp te bezoeken, +waar hij dan, dikwijls tot ergernis en spotlust der aanwezigen, zonder +eind op het rijk huwelijk en op die schoone rijke "doening" van zijn +oudste dochter zat te snoeven en te pochen. + + + * * * * * + +IX. + + +Nog nooit was de lente zoo levendig en zoo frisch uit den winterslaap +geboren. + +In de eerste dagen van April scheurde de alom uitgespreide sneeuwmantel +eindelijk aan flarden; en 't leven der ontwakende natuur bruiste +onstuimig door de scheuren en de gaten op, groen als van een +nooit-geziene jonge, malsche groenheid, met triomfante kracht en +graagte. De blonde vlietjes huppelden als dol tusschen de steile, +wit-en-geel-bebloeide oevertjes, de wilgentwijgjes trilden als duizenden +slanke vleugeltjes, wild van jeugdig, opstormend levenssap. In enkele +dagen tijds stonden de populierenkruinen alom als dichte, groen-grijze +pruiken van ontluikende en krullende knopjes, en 't een na 't ander +kwamen leutig zingend al de lentevogeltjes, terwijl gele, bruine en +witte vlinders, waggelend als van luchtdronkene bedwelming, door de +lauw-wazige zon-atmosfeer der vrije, frisch-geurende ruimte fladderden. + +En ook het boerderijtje herleefde uit zijn stillen winterslaap!... De +mooie boomgaard stond niet stekelig-witbebaard meer met schijn-bloeisel +van fantastische rijp, maar bloeide en geurde werkelijk nu van +zacht-en-frisch-levend lentebloeisel. Het waren als donzige wolken van +wit en van roze om het roze huisje en de roze stallen, als reusachtige, +heerlijk-frisch ruikende tuilen van herboren jeugd op oud-verweerde +dingen; en de blaadjes die zacht-ritselend in zonneglinstering op den +grond vielen, smolten niet meer weg als stil gedrop van tranen, maar +bleven liggen, als een licht, fluweelig kleed van weelde, om de ruige +stammen in het groen, groen bloeiend gras gespreid. De beesten waren +buiten in de wei, de staldeuren stonden den ganschen dag wijd open, +rechthoekigzwart als donkere kuilen en gaten, waar mensch noch dier lust +meer had zich in te wagen. Het gele haar van 't Geluw Meuleken blonk als +een glinsterende goudvacht op haar hoofd, waar zij buiten op het erf +haar rinkelende en schitterende koperen emmers schuurde; en op de +landerijen was Alfons van den ochtend tot den avond aan 't ploegen, aan +'t zaaien of aan 't eggen, zijn donkere silhouet achter het zware paard +scherp afgeteekend in een paarlemoeren atmosfeer, terwijl Vaprijsken, +over de vore gebukt, met vluggen duw zijn spade in de aarde drukte en +telkens met een breeden zwaai van vette glinstering een groote kluit van +zware blonde klei omkeerde. + +Rozeke, in huis, of voor het zonnig geveltje, zat stil-gelukkig bij een +hoop verstelgoed of werkte aan de luiermand van het verwachte +kleintje.... + +Eens, op een namiddag, tegen avond, terwijl ze daar in de gouden +schemering zat, mazend aan kousen, naast het Geluw Meuleken, die de karn +aan 't schoonmaken was, hoorde zij een vluggen stap in een geruisch van +rokken achter zich naderen; en, toen ze 't hoofd omwendde, stond +plotseling mejonkvrouw Anna voor haar. + +"Och Hier, och God, mejonkvreiwe!" kreet Rozeke, verkleurend van +verrassing en emotie. + +"Dag Rozeke, hoe gaat 't met u?" glimlachte zwakjes jonkvrouw Anna. + +Zij zag er bleek uit, slechter nog dan op dien wintermiddag, toen Rozeke +haar voor 't laatst op het kasteel gezien had. Zij was weer geheel in +'t zwart gekleed, als droeg zij rouwkleeren, en haar vermagerd gezicht +stond pijnlijk getrokken, met ingevallen wangen en donkere oogen van +lijden en angst. + +Ontroerd was Rozeke opgestaan. + +"Kom binnen, mejonkvreiwe: zet ou 'n beetsen," verzocht zij het meisje. +En met aarzelende stem durfde zij te nauwernood vragen: + +"Hoe goat 't mee ou? Het ou goed geamezeerd op reize?" + +"Rozeke," sprak de jonkvrouw, angstig-gejaagd om zich heen starend, +zoodra zij binnen waren, "Rozeke, g' hebt mij beloofd dat g' ook eens +iets voor mij zoudt doen als het u mogelijk was, en nu kom ik het u +vragen." + +"Zeker, mejonkvreiwe, mee plezier, 'k ben ten ouen dienste, al wa da 'k +kan zal ik veur ou doen," beloofde Rozeke. + +"Is er hier iemand! Kan ons niemand hooren?" vroeg de jonkvrouw, +wantrouwig rechts en links omkijkend. + +"Niemand, mejonkvreiwe, ge meug gerust zijn. Alfons en de knecht zijn op +'t land en 't meissen stoat doarbuiten de kirn te kuischen. Moar zet ou, +zet ou toch, mejonkvreiwe," drong Rozeke aan. + +Jonkvrouw Anna zakte neer op een stoel en meteen barstte zij plotseling, +als gebroken, in tranen uit, de beide handen voor de oogen. + +"Ach Hiere toch, mejonkvreiw Anna! Ach Hiere toch! ach Hiere toch!" +weeklaagde Rozeke, zelve tot de tranen ontroerd en niet wetend hoe hare +vriendin te troosten. + +"Ge moet mij helpen, ge moet mij helpen, ik kan zoo niet meer blijven +leven, ik zal sterven van verdriet," snikte de jonkvrouw. + +"Ach Hiere wa moe 'k veur ou doen, mejonkvreiwe? Zeg mij toch wa da 'k +veur ou moet doen?" zuchtte Rozeke schreiend. + +Jonkvrouw Anna kwam een weinig tot bedaren. Zij droogde hare tranen af, +en met een tragisch-smeekende uitdrukking in haar zwakke oogen, vertelde +zij in doffe, nog door snikken onderbroken woorden: + +"Gij weet wel, Rozeke, die lange blonde heer, dien gij met mij gezien +hebt op de slijting, en later 's avonds van uw trouwfeest, in de +automobiel, dat is mijnheer Armand d' Hautmont, mijn neef, en wij zien +malkander gaarne, en wilden met malkander trouwen. Papa en mama waren er +eerst wel wat tegen, omdat wij neef en nicht zijn, maar eindelijk hadden +zij toch toegestemd, en de dag van ons huwelijk was reeds vastgesteld, +toen papa al opeens heel leelijke dingen over Armand heeft hooren +vertellen. Verbeeld u toch, Rozeke, er werd verteld dat hij zoo +schrikkelijk veel geld verteerde met andere vrouwen! maar het zijn +leugens, leugens! Ik geloof er niets van, ik weet zeker dat het niet +waar is, hij ziet mij veel te geerne. Ik heb het hem gevraagd en hij +heeft op zijn eed gezworen dat het laster is; maar papa gelooft het niet +en hij heeft hem verzocht het kasteel te verlaten en zijn toestemming +tot ons huwelijk geweigerd. Dat was precies gebeurd eenige dagen voor +dat gij op 't kasteel gekomen zijt om dit boerderijtje te huren en gij +hebt dan wel gezien dat ik veel verdriet had. Kort daarna zijn wij op +reis gegaan. Papa en mama dachten dat ik hem op reis wel zou vergeten. +Maar het heeft niet geholpen; wel het tegendeel. Wij zijn met elkaar in +correspondentie gebleven, wij zien elkaar hoe langer hoe liever, en nu +is het zooverre gekomen dat wij niet langer kunnen leven zonder elkander +nu en dan eens te ontmoeten. Welnu, Rozeke, gij moet mij daarin +helpen!..." + +"Ik! mejonkvreiwe!" riep Rozeke verschrikt. + +"Ach ja, als 't u belieft, Rozeke, zeg toch niet neen!" smeekte de +jonkvrouw, wanhopig handenwringend. + +"Ha moar och Hiere, mejonkvreiwe, 'k en kan ik ou nie helpen!" zuchtte +Rozeke bedroefd. + +"Ge doet, ge doet, ge kunt heel wel. Ge moet mij hier met hem te zamen +laten komen." + +"Hier op ons hof! O, mejonkvreiwe!" schrikte Rozeke. + +"Ach, doe het toch, Rozeke, als 't u belieft doe het toch, voor mij," +smeekte zij, met weer-opwellende tranen hartstochtelijk Rozeke's hand +vattend. + +"Moar 't zal uitkomen, mejonkvreiwe! De meinschen zillen ulder hier zien +komen! Oue papa zal 't heuren en hij zal ons doen verhuizen en we zillen +gereineweerd zijn!" riep Rozeke, hoe langer hoe dieper door het voorstel +afgeschrikt. + +"Nee nee,... nee nee, dat zal niet waar zijn, dat zal niet gebeuren," +verzekerde de jonkvrouw. "En moest het gebeuren, wel, dan zal ik Armand +doen beloven, ja, op zijn woord van eer doen beloven, dat hij u terstond +op een van zijn hofstees zal laten komen, en veel schooner dan gij hier +woont. Ach toe, Rozeke," smeekte en snikte zij weer, "ik ben zoo diep en +diep ongelukkig en ik heb u toch ook geholpen. Ik zal mij van 't leven +berooven als ge mij niet helpt." + +Rozeke schreide. Haar gansche hart schreide van meelijdende droefheid; +maar zij schrikte en ijsde van 't idee, zij zag erin de ondergang en de +vernieling van al haar jeugdig frisch geluk. Zij staarde met angstige, +betraande oogen naar het ongelukkig meisje en vroeg zich in wanhopige +spanning af, hoe zij haar helpen zou, zonder zichzelf, en haar gansche +gezin ten onder te brengen. + +"Ach, laat ons toch komen, een enkele keer, voor een enkel uurtje, +iedere week?" drong de bedroefde jonkvrouw aan. "Gij hebt hier toch wel +een kamer, niet waar, waar we een enkel uurtje kunnen samen zijn?" + +"O moar mejonkvreiwe! En 't meissen! En de knecht! En Alfons! En de +geburen die ulder zoen zien komen!" angstigde Rozeke. + +"Het meisje en de knecht zal Armand voor veel geld tot zwijgen +uitkoopen," weerlegde de jonkvrouw. + +"Joa moar de geburen! de geburen!" + +"Die zullen het niet merken, die wonen hier niet zoo dicht bij. Ik kom +door het veld gewandeld met mijn hond, zooals ik dikwijls doe, en hij +komt langs den anderen kant, over den landweg. + +"Joa moar, wannier, mejonkvrouwe, wannier? Toch nie alle twiee te +gelijk!" aarzelde Rozeke, reeds in haar tegenstand verzwakkend. + +"Neen, natuurlijk niet. Hij komt dan iets vroeger en ik wat later. Gij +laat hem binnen in de kamer en daar wacht hij op mij." + +Een ander schrikbeeld, angstwekkender nog dan al het overige, schoot +plotseling door Rozeke's brein. Zij kreeg er een kleur van over haar +wangen, maar zei het toch, onbewust-beleedigend in de ontzetting van +haar schrik: + +"O moar, mejonkvreiwe, dat er e-kier iest moest van komen?" + +"Hoe?... wat zou er van komen?" vroeg jonkvrouw Anna niet begrijpend. + +"O, mejonkvreiwe... zeu lank alliene, mee hem, in de koamer...." + +Het meisje kreeg een kleur als vuur, en keek even instinctief naar +Rozeke's zwaar figuur, eensklaps begrijpend. Doch zij nam het niet kwaad +op en werd niet boos. + +"Nee, daar moet ge niet voor vreezen," zei ze koel, ietwat uit de +hoogte, de lippen nauwelijks bewegend, de wenkbrauwen gefronsd, de oogen +strak ten gronde. + +Rozeke voelde plotseling den afstand tusschen haar en haar bescherm- +vriendin die zij gekrenkt had en schudde droevig en beschaamd het hoofd. + +"Hij 'n mag toch mee zijnen odemebiel nie komen," zuchtte zij nog, om +iets te zeggen, maar reeds overwonnen. "Heul de gebuurte zoe aan 't +hekken kome kijken." + +Jonkvrouw Anna stond op. Zij vatte Rozeke's beide handen in de hare en +drukte en knelde die met hartstochtelijke dankbaarheid. + +"Hij zal natuurlijk met zijn automobiel niet komen," glimlachte zij voor +Rozeke's naive vrees. "Hij zal voor 't eerst komen, aanstaande woensdag, +te voet, en heel gewoon gekleed, zoodat hij niet opvalt, tegen drie uur. +Om kwart over drie of half vier zal _ik_ komen." + +"Och Hiere, volop in de kloaren dag!" riep Rozeke. + +"Anders kan ik niet. Voor donker moet ik natuurlijk weer op het kasteel +zijn!--Waar is die kamer?" + +"Doar, mejonkvreiwe," zei Rozeke schor, naar een zijdeur wijzend. + +"Mag ik ne keer zien?" + +Rozeke duwde de deur open en beiden traden binnen. + +De kamer was ruim, ietwat kil, rood-betegelvloerd met een ronde biezen +mat onder de ronde bruine tafel. Enkele stoelen en een groote bruine +kast stonden langs de witgekalkte muren, waaraan schel-gekleurde +chromo-platen hingen, onder glas, in vergulde, smalle lijsten. Een +ivoren Christusbeeld prijkte op den schoorsteen, tusschen de twee vazen +en het penduultje die Rozeke op haar huwelijksdag van de jonkvrouw +cadeau-gekregen had. Witte gordijntjes hingen over de twee kleingeruite +vensterraampjes en in een hoek stond het bed, half zichtbaar onder de +plooien van het wit gordijn. Alles zag er frisch en zindelijk uit. + +"'t Is goed, zoo is 't heel goed," zei stil de jonkvrouw, met iets +maagdelijk-schroomvalligs in haar houding, aarzelend om verder in de +kamer door te dringen. + +"D'r zijn euk storsen aan de veisters die ge keunt loate zijnken," zei +Rozeke. En zij liet een der grijze rolgordijnen neer. Toen ging ze naar +het bed en trok het omhangsel heelemaal dicht, als iets dat zij afsloot. + +Jonkvrouw Anna was reeds in de woonkamer terug.... + + + * * * * * + +X. + + +Groot was Rozeke's kwelling al die dagen en vooral dien woensdag steeg +haar angst ten top. Zij had er niets van aan Alfons durven vertellen; +zij vreesde zijn gramschap en verwijten. Zij hoopte maar dat hij er, +voor dien eersten keer ten minste, niets van merken zou. + +"Als 't maar niet regent!" hoopte zij: want dan kon Alfons wellicht met +paard en ploeg op den akker niet werken; en hij zou thuis zitten, en +natuurlijk alles zien. Maar van een anderen kant hoopte zij haast dat +het wel mocht regenen, omdat er dan minder kans was dat iemand uit de +buurt hen zou zien komen. Zij leefde in folterenden tweestrijd en voelde +zich ziek van emotie. + + * * * * * + +De dag was mooi en helder. Geen regen aan de lucht. Dadelijk na het +middageten vertrokken Alfons en Vaprijsken weer naar den akker en zij +bleef alleen met 't Geluw-Meuleken, die de vaten omwaschte. Zij dacht er +even aan het meisje met een boodschap weg te sturen, ergens verre, naar +moeder of in 't dorp, zoodat zij vrij lang weg kon blijven; maar zij +bedacht zich dat het weinig baten zou: in het vervolg moest 't Geluw +Meuleken het toch ontdekken. Beter dan maar dadelijk haar op de hoogte +brengen, haar het stilzwijgen opleggen en tot een soort van +medeplichtige haar maken. + +Even voor drie uur ging Rozeke buiten met haar naaiwerk voor de deur +zitten. Zij wilde zijn komst bespieden, zien of iemand uit de buurt er +iets van merkte. Vol angst en wantrouwen keek zij naar de twee naaste +woningen: vlak over hun boomgaard, op een paar honderd meters afstand, +half verborgen achter struikgewas, den achtergevel van boer Lauwe's +hoeve; en even verder, aan den overkant van den landweg, een +werkmanshuisje met een deurtje en twee kleingeruite vensterraampjes. Van +boer Lauwe's hofstede zag zij niets dan een langen, lagen rood-steenen +muur met een enkel, heel klein, haast onmerkbaar kijkgat in het +achterhuis en van dien kant voelde Rozeke zich vrijwel gerustgesteld; +maar 't werkmanshuisje vlak daarover zag er zoo akelig brutaal-vrijpostig +en nieuwsgierig uit, in heel licht hemelsblauw gekleurd met wit-en-groene +luikjes; en kijkend als met ontelbare, onbeschaamd vorschende en spiedende +oogen, door al de kleine, zonnetintelende ruitjes van zijn beide raampjes. +Rozeke voelde 't als 't ware op haar loeren en haar angst werd ontzettend +toen zij daar plotseling een vrouw zag buiten komen, die bij de houten +pomp voor 't geveltje ging staan en zich daar even bezighield. + +"O! de diee zal hem zien! 't Es of z'er espress veuren kwam!" schrikte +Rozeke. Zij kende die vrouw: een allervervelendste babbelkous! + +Doch zij verademde. De Vrouw had niet eens opgekeken. Zij had een emmer +aan de pomp gevuld en was al weer binnen in 't huisje. 't Was 't huisje +zelf dat er zoo angstwekkend spiedend en nieuwsgierig uitzag. + +En plotseling zag zij hem komen, jonkvrouw Anna's beminde, heel gewoon +als een gewone wandelaar of zakenman, vlak langs de heg voorbij het +huisje, in donkergrijzen overjas met rond zwart hoedje, een wandelstok +in de hand. + +Vlug stond zij op en ging naar binnen. Haar hart bonsde van ontroering. +Zij loerde door het raam of niemand hem zag. Neen, niemand, gelukkig! +Met kalmen tred kwam hij den boomgaard opgestapt en talmde even aan de +open deur. + +"Keen belet?" hoorde zij zijn stem. + +"Kom binnen, meniere, hoast ou!" antwoordde zij met hikkend-afgebroken +woorden. + +Hij trad binnen. Hij leek haar nu veel grooter dan de eerste maal toen +zij hem zag, zoo groot, dat de lage, zwartgerookte balkenzoldering der +keuken hem op hoofd en schouders scheen te drukken. + +"Koeden dag. 't Is hier da 'k moet zijn, niewaar?" vroeg hij beleefd, in +moeilijk, gebroken Vlaamsch. + +"Joa 't meniere, hier, hier in de koamer," hijgde zij, hem naar de +binnendeur loodsend. + +Het Geluw Meuleken kwam juist uit 't achterhuis. Hij aarzelde even, keek +wantrouwend op. + +"'T 'n es niets, meniere, 't es 't meisken," zei Rozeke geruststellend. + +"Ah oui," deed hij. En dadelijk ging hij in zijn zak en gaf het Geluw +Meuleken een twintigfrankstuk. + +"Siedaar voor u," zei hij. + +Het Geluw Meuleken, die hem wel dadelijk herkend had, schrikte haast van +de onverwachte, milde gift. Zij werd rood tot in haar gele haren en de +gele sproetjes van haar wangen smolten weg onder dien vurigen gloed. + +"O moar meniere toch!" stotterde zij, het blinkend goudstuk in haar +hand. + +"Ja ja, 't is koed, 't is koed; de vrouw zal u wel zeg," glimlachte hij. +En hij verdween met Rozeke in de binnenkamer, op den drempel machinaal +zijn hoed afnemend. + +Toen Rozeke na een oogenblik in de keuken terugkwam, maakte zij 't Geluw +Meuleken met den toestand bekend en lei haar streng 't stilzwijgen op. +Het Geluw Meuleken knikte gewichtig-toestemmend; met groote ronde oogen +van verbazing. Zwijgen zou ze, zwijgen als een graf. Geen gevaar dat ze +zulke milde weldoeners verklikte! + +Rozeke, nu zij een medeplichtige had die haar desnoods helpen zou, +voelde haar angst iets minder worden. Zij ging weer buiten voor de deur +zitten om nu ook jonkvrouw Anna af te wachten. Alles ging eigenlijk veel +eenvoudiger en gemakkelijker dan zij verwacht en gevreesd had. Boer +Lauwe's hoeve en 't onrustwekkend werkmanshuisje stonden net zoo kalm en +zoo gewoon als altijd; niemand had iets bemerkt; en even om den boomgaard +loopend, zag zij ook in de verte Alfons kalm aan 't ploegen en naast hem +de gebukte silhouet van Vaprijsken, die, langzaam schrijdend, bieten +plantte. + +En eindelijk zag zij ook de jonkvrouw komen, heel heel ver in 't land, +tusschen de olmendreef die van 't kasteel kwam, met een donkeren hond +die aan haar zijde liep. + +"O, wat haast ze zich! wat verlangt ze om bij hem te zijn!" dacht +Rozeke. En een innig medelijden greep haar aan voor die twee verliefde, +rijke, jonge menschen, die alles op de wereld konden hebben, en die +niets hadden dan droefheid, omdat hun liefde werd gedwarsboomd. Zij +voelde zichzelve eensklaps veel rijker en gelukkiger in haar kalm, +werkzaam en nederig leven met Alfons, dan haar voorname vriendin in al +haar weelde, en 't speet haar haast niet meer dat zij hen heimelijk, +tegen den wil van den baron en van de barones, in hun ongelukkige liefde +helpen zou. + +De jonkvrouw kwam door het klein achterhekje, ook heel eenvoudig en +geenszins opvallend in het donkergrijs gekleed met een zwart +stroohoedje, den boomgaard opgetreden. Haastig, met groote, donkere +oogen van emotie en een warme kleur over haar ingevallen wangen, kwam +zij, door den bruinen jachthond gevolgd, naar Rozeke toe. + +"Is hij daar, Rozeke?" + +"Joa hij, mejonkvreiwe; hoast ou, hij zit op ou te wachten in de +koamer." + +Zij holde naar binnen, en toen Rozeke even na haar in de keuken kwam, +was zij reeds met den hond in de kamer verdwenen. + +"Och Hiere, wa zie z' hem toch geiren!" murmelde Rozeke meewarig in +zichzelve. + +Het Geluw Meuleken kwam met ernstige oogen op den drempel van het +achterhuis staan, zwijgend-vragend of zij Rozeke met iets kon helpen. + +"Goa gij op 't hof, ik zal hier blijven," zei Rozeke. "Moakt dat er +niemand in huis 'n kan, en da ge Fons of Vaprijsken moest zien komen, +ziet da ge 't mij op tijd komt zeggen!" + +"Ge meug gerust zijn, bezinne" antwoordde't Geluw Meuleken. + +Zij trok haar opgestroopte mouwen neer en ging naar buiten. + + * * * * * + +Rozeke zat nu met haar naaiwerk aan het groene tafeltje naast een der +kleingeruite raampjes.... + +Zij voelde zich wonder kalm, maar haar oogen loerden onophoudend door de +ruitjes en zij was op haar hoede, klaar om den vijand, wie 't ook zijn +mocht, af te weren. Zij was niet bang meer, de twee verliefden zaten +veilig opgeborgen en niemand zou hen zien noch hooren. + +Een stille glimlach speelde om haar half ontsloten lippen; de fijne, +bruine krulletjes om haar voorhoofd en haar slapen hadden korte +weerglansjes als van krinkelende gouddraadjes. En ook haar heldere, +blauwe oogen lachten en een kleur van jeugd en frischheid fleurde op +haar wangen. Het huisje ginder met zijn fel-brutaal kijkende +ruitjes-oogen mocht nu wel nieuwsgierig op haar loeren: niets zou het +zien noch weten; en ook boer Lauwe's achterraampje zou niets zien noch +weten; zij had hen allen kalmpjes verschalkt, en heel het zonnebadend +groene veld lag daar in heerlijk-rustige onwetendheid van wat hier op +het boerderijtje achter die dichtgesloten binnendeur gebeurde. + +Af en toe hield zij even op met naaien en zat een oogenblik doodstil en +roerloos, luisterend, de oogen strak, een glimlach op de lippen. Maar +zij hoorde niets daarbinnen, geen woord, geen zoen. Zou hij haar zelfs +niet eens een zoen geven? Zij dacht daar even over na en glimlachte, en +warmer werd de frissche kleur over haar zachte wangen, terwijl haar +oogen oolijk straalden.... + +Maar eensklaps, zonder overgang, schrikte zij hevig op. Het Geluw +Meuleken stond daar plotseling voor het raampje! + +"Es 't er iets?" kreet zij dof, van angst opspringend. + +"Niets, noch God noch meinsch," antwoordde kalm het Geluw Meuleken; en +zij ging langzaam verder. + +"Och Hier och God!" zuchte Rozeke, met de hand het bonzen van haar hart +bedwingend. En meteen voelde zij hoe bedriegelijk en oppervlakkig hare +schijn-rust was en hoe 't gevaar aanhoudend en angstwekkend dreigde. + +Zij keek op de klok. Vier uur weldra. Nu zouden ze zeker welhaast +elkander verlaten. Weer poogde zij kalm bij het raam te zitten, maar het +hart tikte en popelde van onrust. "Het is niet goed voor mijn kind," +dacht zij; en die gedachte stemde haar even ernstig en weemoedig.--Ach, +als ze nu toch maar spoedig weggingen en ook nooit meer terugkwamen! + +Eindelijk ging de binnendeur zacht-piepend open. Een aarzelende voetstap +bleef stil-schuivend op den drempel staan. + +"Alles goed," fluisterde Rozeke opstaande. + +De bruine jachthond met zijn lange, hangende ooren en zijn goedige, +goudgele oogen kwam het eerst te voorschijn. Schoorvoetend volgde +jonkvrouw Anna. Haar wangen waren hooggekleurd en haar mooie oogen +glinsterden, als 't ware vochtig nog van pas-gestorte tranen. + +"Kan ik weg?" vroeg ze gejaagd. + +"Wacht, mejonkvreiwe," zei Rozeke naar de voordeur loopend. + +Zij wenkte 't Geluw Meuleken, vroeg haar in stilte of alles veilig was. + +"Alles es goed!" knikte fluisterend het meisje. + +"Alles es goed, mejonkvreiwe," herhaalde Rozeke. + +"Tot woensdag dan," zei de jonkvrouw. "Merci, merci," herhaalde zij nog, +vurig Rozeke's beide handen drukkend; en haastig was ze weg, door haar +bruinen hond gevolgd. + +Rozeke, de handen krampachtig van angst in elkaar gekneld, zag haar over +den boomgaard stappen, het achterhekje openen, onopgemerkt in 't veld +verdwijnen. Zij verademde diep en kwam weer in huis. + +Aarzelend ging zij naar de binnendeur en klopte zachtjes. + +"Ja," klonk stil een stem achter de deur. + +Rozeke trad binnen en zag hem in het midden van de kamer staan, knap en +slank, met lange blonde snor en warme wangen, de overjas open en zijn +hoed in de hand. + +"Wilt g'as 't ou b'lieft nog 'n beetse wachten, meniere?" vroeg zij +schuchter. + +"Zeker,... zeker," antwoordde hij; en meteen wenkte hij haar bij zich, +de gesloten rechterhand tot haar uitgestoken. + +Zij begreep dat hij ook haar iets geven wilde en trok zich instinctmatig +terug, verlegen fluisterend: + +"Nie nie, meniere, 'k 'n doe ik dat doar niet veuren." + +"Toetoet, toetoet, kij moet aanvaard," drong hij aan; en met geweld +bijna stopte hij haar een bankbiljet van honderd frank in de hand. + +"Ha moar meniere toch!" kreet zij verschrikt, vuurrood van schaamte, met +een plotseling gevoel van zelfverwijt, alsof zij iets heel leelijks had +gedaan. + +Hij glimlachte over haar ontzetting, ging in zijn zak en stak opnieuw de +hand tot haar uit. Zij wilde vluchten. + +"Kij heb ook een knecht niewaar?" vroeg hij kalm. + +"Joa w' meniere, moar 't en es oprecht nie neudig," zei ze bevend.... + +"Toetoet, toetoet!" drong hij weer aan; en hij dwong haar ook een +twintigfrankstuk voor Vaprijsken te aanvaarden. + +"O meniere," sprak Rozeke eensklaps ernstig en angstig, terwijl zij hem +het goudstukje poogde terug te geven, "'t es veel beter da w' hem +doarbuiten houen zeulank of dat er hij niets van 'n mirkt" + +"Hewel, 't is goed, geef hem dan de stuk als gij 't moment gekom denkt," +zei hij. + +Zij dankte en haastte zich weg. + +Weer liep zij naar den buitendrempel en wenkte naar het Geluw Meuleken, +die nu in de wagenloods verscholen op den uitkijk stond. + +"Nog 'n beetse wachten, bezinne!" riep 't meisje halfluid. "De kinders +komen van de schoole!..." + +Daar kwam inderdaad een kleine bende: drie jongens en twee meisjes, +spelend met knikkers, over den landweg. Zij huppelden telkens een eindje +vooruit, hurkten neer, schoten met hun knikkers, huppelden verward +pratend en kibbelend weer verder. + +"Alles goed!" riep eindelijk het Geluw Meuleken, toen de kinderen in de +richting van boer Lauwe's schuur verdwenen waren. + +Rozeke ging haastig naar binnen en duwde de kamerdeur open. + +"Kan iek gaan?" vroeg hij. + +"Joa g' meniere, alles es goed!" + +"Merci, madame, en tot woensdag!" Hij lichtte even zijn rond hoedje op +en stapte gewoon weg, zijn stok in de hand, een pijpje in den mond. + +"Madame!" dacht Rozeke; en zij had moeite om niet te lachen. + +Maar gejaagd vloog zij naar 't raampje om hem na te kijken. + +Goddank! geen mensch was in de buurt en het nieuwsgierig werkmanshuisje +stond vrijpostig door al zijn kleine ruitjes te kijken, zonder iets te +zien. + +--Maar,... die dommerik!... waarom moest hij nu ook voor 't Geluw +Meuleken, daar bij de wagenschuur, even zijn hoed afnemen? Als iemand +dat nu zag, wat zou men wel gaan denken! + +Hij was weg, het hek uit, den landweg op. Rozeke zag 't Geluw Meuleken +uit de wagenloods komen, en, achter den gevel half verborgen, hem +naloeren. Toen kwam zij kalm weer in huis. + +"Niemand gezien?" vroeg angstig Rozeke. + +"Noch God noch meinsch," antwoordde 't dienstmeisje. + +"Goddank!" zuchtte Rozeke. + +Zij ging in de kamer. Er hing een ongewone lucht, een lucht van iets dat +zeer fijn rook, gemengd met den lichten damp van 't pijpje, dat hij er, +na haar vertrek, had aangestoken. Zij zette een der ramen open. Alfons +mocht dat niet ruiken: hij zou vragen waar 't vandaan kwam. Toen keek ze +rondom in de kamer of er niets verdachts te bespeuren was. Niets.--Alleen +twee naast elkaar geschoven stoelen bij de ronde tafel. Zij ging ze weer +op hun gewone plaats zetten, tegen den muur. Zij kwam bij 't bed en +lichtte even 't wit gordijn op. Zij liet het dadelijk weer dicht vallen.... + +Toen kwam ze terug in de keuken en haalde het bankbiljet uit haar zak. +Honderd frank! En dan nog twintig aan het Geluw Meuleken en twintig voor +Vaprijsken! Wat moest die heer toch rijk zijn! Maar 't brandde haar als +'t ware in de handen; zij had het bijna liever niet gekregen. Zij zou +aan jonkvrouw Anna zeggen dat hij 't niet meer doen mocht. Het maakte +haar klein, en laag, en schuldig! Het was geen vriendschapsdienst meer; +het was de betaalde gunst van een koppelaarster. Wat zou ze wel zeggen +als het eenmaal uitlekte? Hoe zou ze zich schamen en vernederd voelen +tegenover haar ouders en haar man. + +Alfons! dat was de eerste maal dat zij iets voor hem verborgen hield. En +waarom? Vroeg of laat zou hij het toch ontdekken en dan zou hij 't haar +zoo kwalijk nemen! Die gedachte kwelde haar, liet haar, den ganschen +verderen middag, geen rust meer. 't Gevoel van zelfverwijt werd zoo +sterk dat zij eindelijk besloot hem nog dienzelfden avond alles te +bekennen. + +Even voor zonsondergang keerde hij met Vaprijsken van den akker terug, +doodmoe, maar gelukkig na 't volbrachte dagwerk, hoopvol pratend over +het voorspoedig weer en den rijken oogst der toekomst, die hem al zijn +moeite zou vergoeden. Zij zaten met hun vieren, meesters en bedienden om +de gemeenschappelijke avondtafel, twee die het groot geheim kenden en +het diep en stil in hun binnenste verborgen hielden; twee die er niets +van wisten noch vermoedden en aan heel andere dingen dachten. En Rozeke +vond het nu weer hard en wreed hem in zijn welverdiende en zoo noodige +rust te willen storen met iets dat hem zooveel zorg en leed kon baren. +Neen; neen. Zij zou het hem toch maar liever niet zeggen; en als het +eindelijk zooverre kwam dat hij 't zelf ontdekte of er van hoorde,... +dan maar gedwee zijn gramschap en verwijten verdragen. + +De lippen dicht op haar geheim gesloten, maar in de diepte van haar hart +gedrukt en wroegend, sliep zij met dit vast voornemen in. + + + * * * * * + +XI. + + +Zij kwamen terug, vast elken woensdag, van drie tot vier. En hoe dat +telkens zoo goed trof dat juist nooit iemand hinderlijk in huis of in de +buurt was, Rozeke begreep het zelve niet. 't Was of 't zoo wezen moest; +of een beschermengel over hen waakte. + +Reeds vier keer waren zij er bij elkaar gekomen en zij zaten er dien +middag voor de vijfde maal, toen het Geluw Meuleken, die als naar +gewoonte buiten op den uitkijk stond, eensklaps haastig kwam in huis +geloopen en bleek van ontsteltenis uitriep: + +"Och Hiere, bezinne, bezinne, Fons komt doar op 't hof mee Smul en mee +boer Dons!" + +"Watte! watte!" schrikte Rozeke geweldig op. + +"Fons, bezinne! Fons, mee Smul en mee boer Dons. Kijk! kijk! ze zijn +doar!" + +"Och Hiere! och Hiere!" kreet Rozeke, lijkbleek en bevend door het +raampje kijkend. + +En zij zag werkelijk het drietal komen, langzaam onder levendig gepraat +den boomgaard opstappend: de oude, magere boer vuurrood onder zijn +zwarte pet waaruit de witte haren staken, Smul barsch en stug uitziend +als altijd, en Alfons bleek en tenger naast die beiden, stil-glimlachend +luisterend naar hun blijkbaar voor hem zeer belangwekkend gesprek. Een +klein, wit-en-zwart-gevlekt hondje liep snuffelend met hen mee. + +"Woarom 'n he-je mij da toch nie ier gezeid?" verweet Rozeke het Geluw +Meuleken met doffe stem. Maar zonder op 't antwoord te wachten liep zij +gejaagd naar de binnendeur en klopte zenuwachtig aan. + +"Is er iets?" hoorde zij de fluisterstem van jonkvrouw Anna achter de +gesloten deur. + +"Nie buiten komen, mejonkvreiwe; nie buiten komen ier da 'k ulder roepe! +Mijne man es doar mee nog twie andere!" hijgde Rozeke. + +"Goed, we zullen wachten." antwoordde stil de jonkvrouw. + +"En ulder stil houen, ewoar? Da z'ulder nie 'n heuren?" + +"Ge moogt gerust zijn, Rozeke." + +"Ze goan noar de peirdstal, bezinne!" berichtte 't Geluw Meuleken. + +"O, gelukkig!" riep Rozeke. "Moar ze zillen toch wel in huis komen euk!" +voegde zij er angstig bij. + +"'t Es zeker te wille van de mirrie," meende 't Geluw Meuleken. + +"'K peist 't euk," zei Rozeke. En zij herinnerde zich inderdaad dat er +de laatste dagen weer kwestie was geweest van die weddenschap tusschen +Smul en Dons aangaande 't veulen van de merrie. Volgens Alfons en +Vaprijsken was het al lang uitgemaakt dat Smul gelijk had en er geen +sprake was van veulen; en nu kwamen ze zeker met elkaar de zaak +beslechten. + +Maar dat het juist nu moest gebeuren!... + +"Ha 'k da nou toch vijf menuten ier geweten, hij kon tenminste wig zijn! +Woarom 'n zij-je mij dat toch nie bij tijds kome zeggen?" klaagde +Rozeke. + +"Moar 'k 'n he z' ik nie zien komen, bezinne! Ze zijn al mee ne kier +dwirs deur 't land van achter de schure gekomen," verontschuldigde zich +het Geluw Meuleken. + +"Zwijg! ze zijn doar weere!" riep Roze, angstig naar buiten starend. + +Zij kwamen uit den paardenstal en stapten dwars over den boomgaard naar +het woonhuis toe, nu ingelijks door Vaprijsken vergezeld. Het +wit-en-zwart-gevlekt hondje liep hen kwispelstaartend voor. + +"'T en es het doar nie aan te doene; betoalen! betoalen!" hoorde Rozeke +den ouden, opgewonden boer met luid-galmende stem roepen. En 't +oogenblik daarna klonken zijn stampende voeten op het plankier voor den +drempel van het huis, terwijl Alfons hem vleiend aanmoedigde: + +"Goa binnen, boer Dons, goa binnen; mee betoalen 'n es er gien hoaste; +we zillen d'r iest op ons gemak eentsjen op pakken." + +"Es er gien belet?" riep luid boer Dons. En meteen stond hij binnen, +achterover-kaarsrecht en vuurrood, lachend met zijn bijna toegeknepen +oogjes, schreeuw-roepend tot Rozeke: + +"'K ben verloren, vreiwken! De mirrie 'n he gien veulen in! Ierlijk es +ierlijk; 'k brijng ulder d'honderd fran weere en de twintig van de +weddijnge d'r bij." + +Hij keek haar even met verbazing aan, zooals ze daar met angstigen blik +en zwaar figuur van naderende moederschap voor hem stond en zijn kleine +oogjes flikkerden van leuke pret, tewijl hij proest-lachend het grapje +waagde: + +"Hahaha!... 't spijt mij da 'k nie liever op ou gewed 'n he! 'K en zoe +mijn honder fran nie kwijt zijn!" + +"Ha moar zij-je toch nie beschoamd, boas Dons!" riep Rozeke eensklaps +purperrood en bijna boos wordend. Maar 't bulderend gelach van al de +anderen moedigde den ouden boer in zijn ondeugendheid nog aan; en prat +op zijn succes schaterde hij, spottend met zijn eigen kinderloosheid: + +"Woarom 'n he mijn wijf mij euk noeit g'holpen! Ha ze 't mij in den tijd +beter gelierd 'k zoe d'r nou euk meer verstand van hen!" + +Zij lachten en zij schaterden weer allen om de dolle grap, vullend met +hun grof gedruisch de heele boerenkeuken; en zooals ze daar weldra +zaten, rookend, babbelend en jenever-drinkend, met gekruiste beenen om +de tafel, begreep Rozeke dat het voor een langen tijd zou zijn. Het +hamerde in haar van ongeduld en haar gelaatstrekken stonden van angst +verwrongen. + +De oude boer had van diep onder zijn buis een linnen beurs te voorschijn +gehaald en hij ontsnoerde 't propje dat ze dichthield en begon langzaam, +met afgemeten gebaren, de dof-glinsterende, rinkelende vijffrankstukken +op de groene tafel te rangschikken en te tellen. Er was een oogenblik +stilte. Waar 't mooie geld te voorschijn kwam hielden de grapjes +dadelijk op. Allen keken met strakke gezichten van eerbied naar de +groote, ronde, zilverstukken. Alleen Vaprijsken, die ook geen direkt +belang had bij de onderhandeling, waagde oolijk-glimlachend een +kluchtige opmerking: + +"Da es toch scheun e-woar, die greute stikken! 't Woater komt er van in +mijne mond." + +Maar hij kreeg zelfs geen antwoord; 't was of ze niet gehoord hadden. +Dons had zijn beursje bijna tot den bodem leeggeteld, en keek Alfons en +Smul met zijn kleine, flikkerende oogjes aan. + +"Veur ou," zei hij, vier stukken naar den paardenknecht toeschuivend. + +"Merci, boas," dankte Smul kortaf, langzaam de stukken oprapend en die +in zijn ondervest verbergend. + +"En de reste veur ou. Wilt-e kier tellen?" vroeg de oude boer aan +Alfons, terwijl hij zich trotsch op zijn stoel achterover uitrekte. + +Opnieuw was er een korte stilte, terwijl Alfons langzaam, met mond en +vinger, de stukken natelde. Rozeke was opgestaan en had opnieuw de +glaasjes gevuld om hen maar zoo spoedig mogelijk te verzadigen en dan +kwijt te raken; en zij was weer bij haar naaiwerktafel aan 't raampje +gaan zitten, toen plotseling, in de laatste, aandachtvolle stilte van +het nog eens over-tellen, achter den haard een kort en fijn gepiep +opsteeg, dat als 't ware uit den grond scheen te komen. + +"Wa es da?" vroeg Vaprijsken verwonderd omkijkend. + +Hevig was Rozeke opgeschrikt. 't Geluid kwam van achter de kamerdeur en +zij begreep er plotseling de oorzaak van: mejonkvrouw Anna's hond, die +zeker Dons' hondje geroken had en er naar piepte. "Och God! och God! die +zullen het uitbrengen!" dacht zij bevend. En haastig liep ze naar de +deur. + +Dons' hondje stond er reeds voor, kopje scheef, oortjes gespitst, scherp +luisterend en loerend naar het onderste reetje. + +"Ala foert! hier geen vuiligheid te doene!" riep zij met gelukkige +gevatheid. En zij trapte den kleine weg, die even jankte. + +"'K geleuve dat er muizen in ou beste koamer zitten, bezinne," zei +Vaprijsken. + +"Zoe 't wel,"[8] sprak zij tegen; "moar d'r he hier van den achternoene +ne rondleurder mee nen hond in huis geweest, die doar wa gedoan het, en +die kleinen riekt datte!" + +Hoe dacht ze 't uit om zoo te jokken! vroeg ze zichzelve met verbazing +af. + +Het Geluw Meuleken, die angstig op den drempel van het achterhuis +verschenen was, keek Rozeke met groote oogen aan. Als jonkvrouw Anna nu +toch maar in Godsnaam haar eigen hond wist stil te houden! + +Gelukkig was het viertal nu reeds weer in druk gepraat en gezwets. De +schrille stem van den ouden boer kletste en knalde als zweepgeklap en +zijn druk gebaren-maken vulde heel de keuken, terwijl zijn gerimpeld +gezicht en zijn pezige hals al rooder werden, naarmate hij meer dronk en +zich meer opwond; en zijn felle oogjes straalden zoo puntig fijn, dat +zij wel schenen te steken en prikken als glinsterende naaldtoppen, zoo +vol als zij waren van leuk-pittige boerenpret. Hij vermaakte zich weer +uitermate, zooals altijd wanneer het hem gelukte zijn tallooze vrije +uren in gezelschap door te brengen; en plotseling stelde hij voor nu ook +maar voor het overige van den middag bij elkaar te blijven en een +partijtje kaart te spelen. + +"Och Hiere!" kreet instinctmatig en onweerstaarbaar-hardop Rozeke. + +"Watte, vreiwken! Es 't ou goeste niet?" keek de oude boer verwonderd +op. + +"Ba 't doet, boas," antwoordde zij, eensklaps kalm en ijskoud, als +voelde zij 't bloed in haar lichaam stollen, "ba 't doet, moar d'er es +toch nog zeuveel wirk op 't land en wie weet wa veur 'n weere da we +morgen hen?" + +Gelukkig kwam Alfons haar ter hulp. + +"Nie nie boas, we'n meugen nie verletten; we zijn volop aan 't +eirdappels planten en mijn wiedvolk ligt in d' hoaver," zei hij ernstig, +meteen opstaande. + +"En ik 'n mag euk nie langer blijven, 'k moe van doage nog 'n ker of +zesse mes uitvoeren," verklaarde Smul, insgelijks opstaande. + +Rozeke verademde, verademde! Zij knikte, als in zwijgende dankbaarheid, +werktuigelijk met het hoofd naar Alfons en naar Smul; zij had hen beiden +wel naar de voordeur willen duwen. Maar plotseling vloog zij met een +angstgil weer op en holde naar de kamerdeur, waarop de kleine hond, +onopgemerkt teruggekomen, hijgend en snuivend met zijn beide voorpooten +stond te krabben. + +"O gie leulijkoard! wilt-e doar afblijven!" En zij gaf hem een trap dat +hij jankend weghinkte. + +De oude boer stond ook eindelijk op. + +"Oo, 't es spijtig! 't es spijtig! we woaren nou zeu scheune t' heupe," +jammerde hij. + +"Kom liever op nen anderen dag weeromme, boas," stelde Rozeke voor. +"Wilt-e zondag komen, mee de bezinne? 'K zal voader en moeder euk doen +komen, en ge zilt heel den achternoene keune koarten." + +"Hawel joa, c'est ca!" riep Dons getroost. "We zille zondag komen en ne +kier koarten tot dat we beu gekoart zijn." + +"Hawel joa, c'est ca!" herhaalde Rozeke, hem als 't ware naar de +voordeur drijvend. + +Hij stond nog even wat te gillen, buiten op den drempel, maar eindelijk +was hij met Smul weg en Alfons en Vaprijsken maakten zich ook dadelijk +klaar om weer naar 't veld te gaan. + +"Wacht, 'k zal iest da geld wigsteken in de kasse," zei Alfons naar de +kamerdeur gaande. + +"Goa moar, goa moar," snelde Rozeke angstig toe. "Kom, gee mij 't geld, +'k zal 't ik wel wigsteken. Toe, 'n verlet nou nie mier: 't wordt al zeu +loate." + +Hij gaf haar de vijffrankstukken, een zwaar, rinkelend handvol in haar +open schort en spoedde zich met Vaprijsken weg. + +Rozeke zakte even, als in duizeling, op een stoel. + +"Ach Hier, ach Hiere!... Ach Hier! ach Hiere!" klaagde zij machteloos, +met dichte oogen. + +Het Geluw Meuleken kwam naar haar toegeschoten: + +"Scheelt er iets, bezinne? Zij-je nie wel?" + +"Ach Hier! ach Hiere!" zuchtte zij opnieuw, als kon zij geen andere +klanken meer uitbrengen. + +Maar plotseling stond zij vastberaden op en liep met haar opgevouwen +schort, waarin de zilverstukken rinkelden, naar de kamerdeur. Zij klopte +aan. + +"Ja," klonk schuchter een stem. + +Zij opende de deur, en groot was haar verbazing de jonkvrouw alleen in +de kamer te zien staan, haar rechterhand aan den halsband van den +scherp-loerenden en snuffelenden jachthond. + +"Woa... woar es meniere!" riep Rozeke. + +De jonkvrouw glimlachte; in plaats van geschrikt of angstig, scheen +gansch haar mooi gelaat van kalm geluk te stralen. + +"Meneer is weg," antwoordde ze leuk, zich blijkbaar vroolijk makend over +Rozeke's verbouwereerde ontsteltenis. + +"Wig! Al woar?" vroeg Rozeke ongeloovig. + +"Door 't venster, Rozeke." + +"Deur de veister! Och Hier, as z' hem moar nie gezien 'n hen!" + +En plotseling, overweldigd door al haar emoties: + +"O, mejonkvreiwe, as 't ou belieft," schreide zij, "as 't ou b'lieft, +mejonkvreiwe, 'n komt hier toch mee hem nie mier, 'k 'n kan d'r nie +tegen van d'altroassie! 't zal mijn deud zijn, of de deud van mijn +kiendsjen!" + +En hevig snikkend zakte zij op een stoel in elkaar. + +"Rozeke," zei de jonkvrouw, zacht naar haar toe komend, en teederlijk +haar mooie handen op Rozeke's schokkende schouders leggend, "het zal +waarschijnlijk wel voor de laatste keer zijn, dat wij hier samen komen. +O, Rozeke, Rozeke, ge weet het niet, maar nu ben ik toch weer zoo +gelukkig! Papa heeft hem geschreven, Rozeke! Ja, kijk me maar verwonderd +aan: het is zoo, en ik ben toch zoo gelukkig! Papa heeft hem geschreven +dat hij hem gaarne nog eens zou willen spreken en hem gevraagd om morgen +op 't kasteel te komen.--O, het zal goed zijn, Rozeke, ik voel het, het +zal goed zijn. Waarom zou papa anders nog schrijven? Ik had het al een +paar dagen gemerkt dat papa en mama beter gezind waren. Zij zullen +eindelijk wel gehoord hebben dat men laster en leugen van Armand verteld +heeft, en wij zullen mogen trouwen. O, Rozeke, Rozeke, wat zullen wij +gelukkig zijn en u altijd dankbaar blijven!--Kijk, Rozeke, dit heeft hij +mij nog eens voor u gegeven, en ook dit voor 't meisken. Gij wordt een +rijk, schoon boerinneken, Rozeke!" + +En zacht glimlachend liet zij twee bankbriefjes bij 't zilver in +Rozeke's schoot vallen en stopte haar in de hand een twintig-frankstuk +voor het Geluw Meuleken. + +"Kom, Rozeke, schrei nu niet meer. Wees nu ook eens met mij gelukkig!" + +Maar Rozeke bleef doorschreien, schreide hoe langer hoe heviger. Al die +emoties hadden haar gebroken; zij voelde zich ziek van ontroering. Zij +kon alleen de beide handen van de jonkvrouw in de hare nemen en die +drukken en nog eens drukken en ze met heete tranen en vurige kussen +bedekken. + +"O, mejonkvreiwe, 'k hope toch da ge zilt gelukkig zijn!... 'k hope toch +da ge zilt gelukkig zijn!" herhaalde zij snikkend, terwijl de jonkvrouw, +gelukstralend, met haar hond het gastvrij boerenwoninkje verliet. + +Noot: + +[8] Volstrekt niet. + + + * * * * * + +XII. + + +Jonkvrouw Anna had zich in haar hoopvolle verwachting niet vergist. Haar +vader was anders en beter over zijn neef gaan denken, had enkele +jongelingszonden van vroeger vergeven, geloofd in zijn berouw en +vertrouwd in zijn beloften, en eindelijk, ofschoon nog met geheimen +tegenzin, vooral omdat zij neef en nicht waren, zijn toestemming in 't +huwelijk gegeven. + +Enkele dagen na de laatste bijeenkomst op het hoevetje met haar beminde, +was de jonkvrouw in verrukking Rozeke de gelukkige tijding komen +mededeelen; en sinds dien dag had Rozeke haar voorname bescherm-vriendin +ook niet meer teruggezien. De adellijke familie was op reis geweest, had +daarna veel gasten ontvangen en veel drukte gehad met de toebereidselen +voor het aanstaand huwelijk. + +Slechts een enkele maal, na de geboorte van Rozeke's zoontje, was de +jonkvrouw haar op de boerderij nog komen opzoeken en lang en veel hadden +zij over alles gepraat; en nu was Rozeke eindelijk zelve op het kasteel +geweest om het prachtig uitzet van de bruid te bewonderen, en 's +ochtends van den trouwdag liep zij al van in de vroegte op haar uiterst +best gekleed, om de plechtigheid in de kerk te gaan bijwonen. + +Het gansche dorpje was in feeststemming. Niemand werkte. Hoog op den +slanken, grijzen toren stak de groene mei uit en aan alle gevels +pronkten de driekleurige vlaggen. In dubbele rij, rechts en links, voor +de huizen, stonden op de gansche lengte van de straat kleine sparretjes +geplant, door lange wit-en-rood katoenen banderolen, met festoenen van +gekleurd papier en bloemen aan elkaar gesnoerd. Triomfbogen met groen, +met vlaggetjes en klatergoud prijkten bij den ingang van het dorp en +voor de kerk; groote, breede wimpels wuifden statig dwars over de straat +en aan bijna alle huizen hingen opschriften met roode en zwarte letters, +uitgeknipt op witte transparanten. Geheel in 't wit gekleede meisjes +liepen met volle mandjes bloemen die zij zouden strooien; andere, met +ernstige gezichtjes, reciteerden nog eens in zichzelf de komplimentjes +die zij zouden opzeggen; en nu en dan drong haastig een schitterend- +getooide ruiter van de eerewacht of een vaandrig met zijn klapperende +vlag door den zwart-en-bont-krioelenden menschendrom, op weg naar zijn +post in den stoet. + +Het was een zachte, kalme, zonnige September-ochtend. Even buiten de +dorpskom strekten de velden zich uit, blond-golvend naar de verte waar +'t kasteel rood-glinsterend stond te prijken tegen den zwaren, donkeren +achtergrond van 't statig park. De oogst was bijna overal geschoren en +stond in groote, ronde schelven op het bloote, droge land. Slechts hier +en daar nog lag een effen gouden veld van rijpe haver, of strekten zich, +in lange, regelmatige rijen, de saamgebonden, overeind-gezette schoofjes +van een pas-gemaaiden akker uit. En alleen de zoet-geurende klavervelden +tierden nog ten allen kant in vollen bloei, paars-streepend overal de +blonde golving, in heerlijk-rijke harmonie van tinten met het tanend +goud der rijpe haver, met het verkleurend groen der verre boomen en het +wazig blauw der vlekkelooze lucht. + +Het was tien uur. Ginds verre, in de richting van 't kasteel, gonsde dof +een aanhoudend geratel van rijtuigen. Dat was de aankomst der talrijke +voorname gasten. Tot in het dorp drong het als een koortsige gejaagdheid +door en een dichte menigte hield zich roerloos op den uitkijk, als +konden zij reeds iets zien komen. + +Alfons was op de boerderij gebleven met het Geluw Meuleken, aan wie de +zorg voor 't kind was toevertrouwd, maar Rozeke was reeds in 't dorp en +stond met popelend hart te staren naar de verte, besloten tot op 't +laatste oogenblik te wachten op de verschijning van den bruidsstoet, +voor zij in de kerk de, op bevel van jonkvrouw Anna speciaal voor haar +bewaarde plaats, zou gaan bezetten. Zij zag er ietwat schraal en mager +uit na haar bevalling, die zwaar was geweest. Haar eertijds roze en +ronde wangen waren bleek en ingevallen en haar lichte blauwe oogen +stonden zwak. Alleen haar gestalte was fijn en lenig gebleven, nog +steeds als van een heel jong meisje. + +Ook in het dorp begonnen nu steeds talrijker, vreemde bezoekers aan te +komen. Ook daar was het weldra een onafgebroken stoet van ratelende +rijtuigen en bruisende automobielen, waaruit in bonte, vroolijke +menigte, mooigekleede dames en heeren stegen. Dat waren meestal de +bewoners der omringende kasteelen, die uit louter nieuwsgierigheid +kwamen zien. Zij liepen even wandelend door de straat, belangstellend +kijkend naar de versiering der huizen en naar de opschriften der +transparanten, en kwamen eindelijk wachtend op het kerkplein staan, +onderling lachend en elkander groetend, complimenteerend en Fransch +babbelend, in een drukke, schitterende groep van pret en weelde. + +Eensklaps bomde echoend in de verte een kanonschot, en een lang Aah!... +van opgejaagde verwachting steeg uit de woelend op elkaar gepakte +menigte. Meteen begonnen de feestklokken op den kerktoren triomf te +luiden. De wettelijke huwelijks-plechtigheid, die op het kasteel zelf +plaats zou hebben, was nu voltrokken, de stoet zette zich in beweging +naar de kerk. + +De krioelende menigte drong op elkaar, reikhalsde en joelde. Vrouwen +kwamen met stoelen buiten en gingen er recht overeind op staan, kleine +jongens klauterden op de muren, hingen als wanstaltig-groote vruchten in +de takken van de boomen rondom het kerkplein, en uit alle dak-en-zolder- +vensters staken hoofden. Rozeke, met haar linkerhand aan de deurpost van +een huis geklemd, stond reikhalzend op een wiebelend voetbankje. + +En ginds, heel in de verte, over de blonde en paarse golving der velden, +kwam het eindelijk aan: een groote, geel-grijze stofwolk, waaruit af en +toe, als 't ware weerlichtend, korte flikkering van felle kleur opschoot... +een chaos, die zich langzaam aan vervormde en uitbreidde tot een langen, +schitterenden praalstoet: vaandrig te paard, met schel-wapperende, wit- +en-roode vlag aan 't hoofd, ruiters met witte broeken en met roode sjerpen +in lange dubbele rij daarachter; en eindelijk de rijtuigen: een lange, +lange file prachtrijtuigen, met heel aan 't eind de staatsie-koets der +bruid, lakei en koetsier in rood-en-geel livrei met witte ruikers en met +lange, wit-bebloemde zweep, die als een pijl van zilver witte vonken schoot +in 't gouden zonnelicht. Een eerewacht van een twintigtal ruiters sloot den +stoet. + +Rozeke stond van ontroering op haar wiebelend bankje te trillen. O! wat +leek haar dat alles schoon en grootsch en indrukwekkend! Zij werd er +gansch bleek van en het triomfgelui der klokken en het verwijderd +gedreun der kanonnen bonsde tot in haar ziel terug. Toen hoorde zij de +verre juichkreten en de schetterende jubelklanken der muziek bij den +ingang van het dorp; zij rekte zich nog eens uit zooveel zij kon en +haastte zich dan naar de kerk, waar het reeds vol was van nieuwsgierige +toeschouwers, rechts en links van de breede, met een rooden looper +bedekte middengang. Zij vond er haar stoel, bijna gansch van voren op de +eerste rij, zooals die op bevel van jonkvrouw Anna voor haar was bewaard +gebleven; en omgekeerd als al de anderen naar den ingang van de kerk, +staarde zij met bonzend hart door de dubbele, wijd-openstaande deur naar +buiten, waar politie en gendarmen, het opdringend gepeupel steeds +terugduwend, een breede open ruimte vrijhielden. + +Daar waren ze! Men hoorde 't vlugge hoeven-getrappel der paarden en alle +hoofden, daarbuiten, in de zon, stonden met gretige nieuwsgierigheid +naar links gereikhalsd. De hoeven klepperden harder op de straatsteenen, +de hoofden van de kijkers draaiden langzaam weer naar voren; en +glinsterend in zijn kleurenpak met wit-en-roode sjerp, den wit-en-rooden +standaard met zijn schitterend gouden franjes statig achteroverwapperend +in de zon, verscheen de trotsche vaandrig op zijn groot wit paard. De +boerenruiters volgden, twee aan twee, de witte broeken schitterend, de +wit-en-roode sjerpen om de lenden. Zij reden deftig stapvoets en hielden +met inspanning hun zware, schuwe paarden in bedwang. Een der laatste +steigerde en hinnikte geweldig, met overeind gerezen, blonde, schuddende +manen en wild-flikkerende oogen; en in den woesten ruiter die het +eindelijk wist te temmen, herkende Rozeke plotseling Smul, op een der +twee schichtige vossen, die 't vorige jaar met haar en met hem op den +hotsend-en-botsenden vlaswagen weggehold waren. Zij huiverde even; haar +angst voor Smul was nog maar steeds niet over. + +Toen verscheen 't eerste rijtuig. Een knecht in livrei opende vlug het +portier en een lange, magere heer in rok steeg uit, biedend de hand aan +een in gele zij gekleede dame, die zijn arm nam en statig en ruischend +met hem over den rooden looper de kerk binnentrad. Zij naderden tot +dicht bij Rozeke, hier en daar met glimlachende blikken en knikjes in de +dubbele rij toeschouwers kennissen begroetend, en eindelijk liet de dame +den arm van den heer los en even buigend voor elkaar gingen zij rechts +en links tegenover elkander staan. + +Reeds volgde 't tweede rijtuig, met een dikken, rooden, grijzen, +schitterend-gedecoreerden heer en een groote, zware, zwartharige dame +geheel in 't lila, met lila hoed en lila struisveeren. Ook paars leek +haar gezicht onder de witte poudre-de-rizlaag die 't bedekte en +vreemd-brutaal en grof stonden daarin de groote, ronde, zwarte oogen, +terwijl een duidelijk, donker snorrestreepje haar deed lijken op een man +in vrouw-kleederen vermomd. Een vaag rumoer van opschudding begroette +haar indrukwekkende verschijning; er werd even gestommeld en gegrinnikt. + +Toen volgden snel, in rijke, bonte kleurschakeering al de anderen: +blauwe dames, roode dames, groene dames; jonge meisjes in lichtroze en +wit; groote en kleine, oude en jonge, dikke en magere, mooie en leelijke; +blonde, bruine, zwarte en grijze, allen ruischend en schitterend van +weelde, behangen met kant en juweelen, met sierlijke kapsels, op een +lange, bonte, bedwelmend-geurende rij naast elkander geschaard; en +tegenover haar de mannen, ook de kleine en de groote, de jonge en de +oude, de dikke en de magere, de blonde, bruine, zwarte, grijze en de +kaalhoofdige, allen witgedast en zwartgerokt, behalve twee militairen +in uniformen die schitterden als nationale vlaggen, en meest allen +overvloedig gedecoreerd met kruisen en linten, als kwamen zij van een +cotillon-bal. En ook allen stonden dadelijk weer naar den ingang +omgekeerd, kijkend, evenals de andere toeschouwers, naar de rijtuigen +die volgden, wachtend op de indrukwekkende verschijning van de ouders, +van den bruidegom en van de bruid. + +Daar waren ze eindelijk! De bruidegom met de barones; en, ten laatste, +nobele slanke verschijning, als van een prachtbeeld, als van een levend +en bewegend Lieve-Vrouw-beeld, gemaagdekroond, het donker haar en de +donkere oogen zacht getemperd door den langen witten sluier over heel +haar sierlijke gestalte in het lang-sleepend wit-satijnen trouwkleed, +de ideaal-schoone bruid aan den arm van haar vader. Onzichtbare violen +hieven plotseling, onder zwaar-dreunende orgelbegeleiding, bij haar +intree een triomf-juichenden bruidsmarsch aan; en langzaam en statig, +als een koningin, schreed zij naar voren tusschen de dubbele rij der +schitterende paren, die zich weer achter haar aansloten en als een +eerewacht volgden naar het koor, waar drie priesters in prachtgewaden +den bruidstoet stonden af te wachten. + +Rozeke hield van emotie beide handen om de leuning van haar stoel +gekneld. Als in een hemelsche verschijning zag zij alleen nog maar haar +schoone, lieve jonkvrouw met neergeslagen oogen onder den langen witten +sluier naderen. Zij zag het blanke van de maagdelijke kroon op 't +weelderig donker haar, zij zag den maagdelijken ruiker met de lange +witte linten in haar fijne hand, zij zag het teere, frissche levensroze +op haar zachte wangen en haar kleine wit-satijnen voetjes, telkens even +uittippend onder den strakken rand van 't wit-satijnen staatsiekleed; en +'t was alles zoo schoon, zoo rein en zoo verheven-edel, in het galmen en +dreunen van die bijna goddelijk-indrukwekkende muziek, dat zij plotseling, +als verblind, de beide handen voor haar oogen sloeg en als een kind begon +te schreien en te snikken.... + +Zij hadden allen plaats genomen op fluweelen stoelen in het koor en de +plechtigheid begon. Overal in de kerk waren de prachtvendels uitgehangen +en aan den voet der heilige beelden brandden waskaarsen. De koorknapen +droegen fonkelnieuwe roode rokken. Bruid en bruidegom zaten vooraan +naast elkaar op aparte roodfluweelen stoelen neergeknield, en links +waren de dames van den bruidstoet en rechts de heeren. Rozeke, langzaam +aan tot bedaren gekomen, wendde haar oogen van het bruidspaar niet meer +af. O! zij had het hem wel willen toeschreeuwen, als een vermaning en +een dreiging, aan dien man van haar: "Wees altijd goed voor haar! +mishandel of bedrieg haar nooit, of gij zijt niet waard dat ge nog +leeft!" En een gevoel van toorn gemengd met jaloezie kwam in haar op bij +de gedachte dat zoo iets toch gebeuren kon en dat het in de booze macht +van zoo'n man bestond--als hij eenmaal boos en slecht was--het gansche +geluksleven van een zoo mooie, reine en edele vrouw als jonkvrouw Anna +te verwoesten. + +Daar greep het groot mysterie plaats. De dekenpriester wisselde de +ringen. Dat was voor 't gansche lange leven; alleen de dood mocht hen +nog scheiden. Rozeke bukte 't hoofd en haar lippen trilden van +ontroering. Ook zij was voor altijd aan hem dien ze liefhad verbonden, +en zij was gelukkig en vreesde alleen de scheiding door den dood.--En +plotseling steeg nu onder de galmende kerkgewelven een zingende stem op, +een stem zoo zuiver, zoo schoon als scheen zij met gewiek van engelen- +vleugelen uit de hemelen te dalen, om op aarde te verkondigen den nobelen +lofzang van hun jong en frisch geluk. Zacht-begeleidend kweelden de +violen, als een droomerig koor van aetherische vogelen, en 't zware orgel +tremoleerde in ondertoon, dragend met ingehouden kracht den edelen, +stijgenden zang. + +Plechtige roerloosheid en stilte heerschten in de gansche volle kerk. In +hieratisch-strakke houding zaten bruid en bruidegom met gebogen hoofd op +hun stoelen geknield en al de anderen om hen heen, de zwart-gerokte +heeren, de schitterende officieren en de bont-getooide dames, stonden +stijf en recht, als een deftige eerewacht. Een schelletje ging en alle +hoofden bogen.--En Rozeke, de handen biddend in elkaar gekneld, voelde +weer stille, onstelpbare tranen langs haar wangen vloeien.... + +De plechtigheid was volbracht. Op een wenk van een kerkdienaar stonden +bruid en bruidegom langzaam op en gingen statig, alleen door hun ouders +gevolgd, met de priesters in de sacristij. Er was een oogenblik +verpoozing. Het orgel zweeg, het koor bleef leeg, de dames en de heeren +wisselden glimlachend stille, korte gesprekken. Buiten hoorde men het +dof gegons der menigte, het naderend geratel van rijtuigen en het +verwijderd gepuf van automobielen. + +Dat duurde enkele minuten. Toen barstten orgel en violen weer in een +triomfmarsch uit en statig kwam het paar gearmd uit de sacristij en +daalde langzaam van de treden uit het koor, om weer door al de anderen +gevolgd in plechtigen stoet de kerk te verlaten. + +Zenuwachtig-bevend, met groote, als 't ware hunkerende oogen, drong +Rozeke naar voren om haar lieve jonkvrouw nog een laatste maal te zien +en misschien een vluchtigen herkenningsblik van haar op te vangen. En +ja, 't gebeurde; stralend van geluk aan den arm van haar echtgenoot, +schoof zij vlak langs Rozeke heen en in 't voorbijgaan knikte zij +vriendelijk en glimlachte met haar schoone donkere oogen, terwijl Rozeke +haar fluisterend, als in een zaligen droom, streelend haar naam hoorde +uitspreken. Zij was voorbij, zij verdween in haar schitterende, +hieratische blankheid onder 't hooge kerkportaal; en achter haar zag +Rozeke niets meer dan een bonte wemeling van zwarte ruggen en van +pracht-toiletten en zij hoorde nog slechts, als een reusachtig, +chaotisch gedruisch, het juichen van de menigte daar buiten, het +feestgelui der klokken, het schalmeien der fanfares en het verwijderd, +zwaar gebulder der kanonnen.... + +Onder het huiswaarts keeren in de blijde feeststemming van heel het +dorp, dacht zij plotseling aan het twintigfrankstuk, dat de jonge baron +haar destijds voor Vaprijsken gegeven had. 't Was nu of nooit het +oogenblik om het hem te overhandigen. Zij deed het des te liever omdat +Vaprijsken zulk een goede, trouwe dienstknecht voor hen was; en zoodra +zij weer thuis kwam haalde zij het goudstuk uit het laadje waar ze 't +opgeborgen had; en, het oogenblik te baat nemend dat Alfons zich nog op +den akker bevond, riep zij 't blonde ventje, dat bij de stallen bezig +was, van op den drempel van het woonhuis toe: + +"Vaprijs, 'k he hier wa veur ou!" + +"Es 't woar bezinne?" deed hij, even opkijkend, zonder zijn werk te +staken. + +"Joa 't, kom-e kier hier." + +Hij naderde, schalks glimlachend in zijn gelen baard, en ook zijn lichte +blauwe oogjes lachten, alsof hij een grapje verwachtte. + +"Kijk, da es ne cadeau veur ou, van den jongen baron." + +En zij reikte hem het schitterend goudstuk toe. + +"Alweere!" schertste hij, zonder het stukje aan te nemen. + +"Ge'n wil het nie, geleuf ik," lachte zij. + +Hij kreeg een lichte kleur over zijn gele wangen. Zijn tong keerde +langzaam in zijn mond de pruim tabak eens om, en hij spuwde, de oogen +flikkerend, wantrouwend-ongeloovig nog. + +"Ba toet, ba toet," zei hij eindelijk, droog-leuk. "Moar mag ik weten +woarveuren.... + +"Veur diensten die ge nie bewezen 'n het!" plaagde zij hem, oolijk +glimlachend. + +"En es da al?" + +"'t Es al. Es 't meschien nie genoeg?" + +"'t Es genoeg," zei hij, kalm het stuk aanvaardend. En hij ging er mee +weg. + +Verbaasd keek Rozeke hem na. Wat wist hij zich goed leuk en kalm te +houden onder de prettige verrassing! Zeker vertrouwde hij 't nog niet. +Bij de schuur gekomen keerde hij zich om, knipoogde haar met een +hoofdknikje toe en schermde even grappig met zijn beide handen om zich +heen, alsof hij het stukje weggoochelde. Hij deed of hij het kwijt was, +hij zocht er naar, gek om zichzelf rondtollend als een hond die naar +zijn staart hapt, hij greep het eindelijk weer, als een vlieg, uit de +lucht, stopte het gulzig in zijn mond, slikte met inspanning, haalde +'t onder zijn rug weer uit, verborg het eindelijk in zijn vestzak. Toen +ging hij terug naar zijn werk en Rozeke keerde schaterlachend weer in +huis; doch na een poosje zag zij hem, van uit de keuken, het stuk +opnieuw te voorschijn halen, aandachtig er naar kijken en het omdraaien +en eindelijk het Geluw Meuleken, die met een emmer uit den stal kwam, +bij zich wenken.--Even zag Rozeke hem in ernstig gesprek met het meisje, +die herhaaldelijk het hoofd schudde en haar schouders ophaalde en +eindelijk, met moeite haar lachlust bedwingend, naar het woonhuis kwam, +door de wantrouwige blikken van het onthutste Vaprijsken gevolgd. + +"Wa het hij ou gevroagd?" zei Rozeke nieuwsgierig, zoodra het Geluw +Meuleken in huis was. + +"Of da 'k euk azeu 'n stik gekregen ha. Hij 'n verstoat er hem nie aan!" +lachte 't Geluw Meuleken. + +"Ge 'n meug het hem nie zeggen, ge moet hem in den twijfel loaten," +schertste Rozeke ondeugend. + +En zij vermaakten zich beiden nog een heelen tijd om 't leuke grapje, +spottend-spiedend door de raampjes naar Vaprijsken, die nu weer, met een +uitdrukking van diepzinnig peinzen op 't gelaat, aan 't werken was. +Rozeke was in dol-blijde stemming, om het geluk van haar schoone, lieve +jonkvrouw. Den ganschen dag had zij wel gekke kindergrapjes willen +uithalen. + + * * * * * + +Dit grapje echter, verliep wel eenigszins anders dan Rozeke liefst zou +verwacht hebben. + +Vaprijsken, die 's middags vrij had, ging naar het feestvierend dorp, en +in plaats van als naar gewoonte op zijn uitgangsdagen, tusschen negen en +tien, licht-aangeschoten maar toch kalm thuis te komen, keerde hij +ditmaal terug in 't holle van den nacht, luidkeels brullend, vloekend en +zingend door elkaar, spektakel en gedruisch verwekkend als van een bende +van wel tien. Hij was blijkbaar smoordronken, en Alfons, die reeds een +uur of drie met stijgend ongeduld op hem had liggen wachten, sprong +woedend uit bed, rukte 't raampje open en schreeuwde naar buiten: + +"Vaprijs! nondedzju! Wilt ou smoel houen, zatlap!" + +"'K voage mijn broek an ou! Vivat den b'ron!" brulde Vaprijskens heesche +dronkemansstem. En hij begon weer te vloeken en te zingen, zoo hard als +hij maar kon, terwijl hij in den helderen manenacht als een gek +waggelend op den boomgaard rondtolde. De waakhond blafte woedend, Rozeke +lag van angst te beven, het kind werd wakker en begon te schreien. + +"Vaprijs! nondedzju! houdt ou smoel of 'k schiet ou omverre!" brulde +Alfons nog woedender. + +Rozeke had hem nog nooit zoo boos gezien, zij vloog ingelijks uit het +bed, trok hem van 't venster weg, riep op haar beurt in den helderen +boomgaard, waar Vaprijsken, steeds brieschend onder het razend geblaf +van den hond, bonzend en struikelend van boomstam tot boomstam +rondzwenkte: + +"Vaprijs! zij-je nie beschoamd! Wilt-e ne kier beginne zwijgen en noar +ou bedde goan!" + +Eensklaps werd Vaprijsken bijna kalm. + +"Ha! bezinne, zij-je 't gij!" grinnikte hij, "He-je mij gien twintig +fran? Haha! twintig fran? Vivat den b'ron, nonded-ju! Vivat den b'ron +mee zijn jonge b'ronesse!" + +"Ge moet zwijgen, Vaprijs, en noar ou bedde goan. Zij-je nie beschoamd +van zulk 'n laweid te moaken!" + +"'K goa noar mijn bedde! 'K goa noar mijn bedde!" + +brabbelde Vaprijsken. "Den b'ron es euk noar zijn bedde! en de jonge +b'ronesse es euk noar heur bedde! hahaha! nondedzju! nondedzju!" + +Hij schaterlachte, hij zwenkte nog even tegen een boom, plofte neer en +stond weer op, en eindelijk waggelde hij lachend naar de schuur, waar +zijn bed onder de pannen stond. + +"Zatlap! smeirige zatlap! As hij den boel moar nie in brand 'n steekt!" +raasde Alfons, bevend en knarsetandend. + +Rozeke had moeite om hem te bedaren. Zij suste 't kindje tot het weer +sliep en kreeg hem ook eindelijk weer in bed. + +"Och, 't en es euk gienen dag lijk nen anderen," zei ze vergoelijkend. +Zij had er hem nu ook wel gaarne alles van verteld, maar durfde toch +niet. Hij was te boos nu. + +Daarbuiten, in 't verbleekend manelicht, klaroende reeds een haan het +naderen van den dageraad.... + + + +EINDE VAN HET EERSTE DEEL. + + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Het leven van Rozeke van Dalen, deel 1 +by Cyriel Buysse + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN VAN ROZEKE VAN DALEN 1 *** + +***** This file should be named 16881.txt or 16881.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/8/16881/ + +Produced by Marc D'Hooghe. + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
