summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:49:48 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-15 04:49:48 -0700
commitd8b8835d5c15496502eec97b9ef4aedee4623952 (patch)
treefa964782724b5ce3db348b4bcfb7b44cc2483552
initial commit of ebook 16842HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--16842-8.txt6635
-rw-r--r--16842-8.zipbin0 -> 135959 bytes
-rw-r--r--16842-h.zipbin0 -> 142761 bytes
-rw-r--r--16842-h/16842-h.htm7739
-rw-r--r--16842.txt6635
-rw-r--r--16842.zipbin0 -> 135406 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
9 files changed, 21025 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/16842-8.txt b/16842-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..ac09fe5
--- /dev/null
+++ b/16842-8.txt
@@ -0,0 +1,6635 @@
+The Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+ Blaauw bes, blauw bes!--'T is maar een
+ pennelikker!--Marie--De ezelinnen--Hanna
+
+Author: E.J. Potgieter
+
+Release Date: October 9, 2005 [EBook #16842]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+
+
+
+Produced Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+door
+
+E.J. POTGIETER
+
+ * * * * *
+
+VIJF NOVELLEN:
+
+(BLAAUW BES, BLAAUW BES!--'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!--MARIE--DE EZELINNEN
+--HANNA)
+
+
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+
+Aan de kant van de Revier komende daer de Praeuw lag, stond daer een
+hoop Inwoonders; en haperden geweldig tegen elkander; het scheen dat de
+eene wilde hebben dat ik voer en de ander niet. Ik greep een of twee uit
+den hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw toe, om te varen gelyk of
+ik noch Meester was, en ik was boven half Knechte niet. Sy sagen er soo
+vreesselyk uit als Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee
+gingen met my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander voor:
+elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy hadden elk een
+Kris op haer syde steken, synde een geweer of het een Ponjaerd was, met
+vlammen. Doen wy wat gevaren hadden, kwam de agterste na my toe, want ik
+sat midden in de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in
+myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem. Hy stond en
+bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde; doch nam het ten lesten,
+en wond het in syn Kleedjen dat hy om syn middel hadde, de voorste
+siende dat syn Maet wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my
+dat hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een kwartjen
+uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede, 't leek
+dat hij in twijffel was of hy het geld wilde nemen, dan of hy my wilde
+aentasten, 't welk sy ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen
+geweer, en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een schaep
+tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God weet hoe ik te moede was:
+voeren also voor stroom af; omtrent ten halver weeg aan de boot synde,
+begonnen sy te tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen
+dat sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo benauwt dat
+mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van vreese, keerden my
+derhalven tot God: bad hem om genade en dat hy my verstand wilde geven,
+wat my best in die gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij
+inwendig geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel ik
+in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen en Bosschagie
+klonk, want de Revier was aan beide syden met hooge boomen bewassen. En
+als sy dit sagen, begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel
+sien kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid van
+haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte gesteld, als ik
+vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met soo verre voort dat ik de
+boot sag leggen. Doe ging ik staen en wuifden ons volk toe: die my
+siende dadelijk na my toe kwamen, by de kant de reivier langs, enz.
+
+ _Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en zeer Avontuurlyke
+ Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, gedaan na
+ Oost-Indiën, pag 20_.
+
+ Sumatra dreef in vloeijend goud,
+ Dat van de hooge kamferboomen,
+ Die heerschers in een Indisch woud,
+ Op peperstruik en oobarhout,
+ Op beek en mos scheen neêr te stroomen.
+ Schoon welkomstgroet en liefdebeê
+ Den lichtvorst noodigden in zee,
+ Wier golven ruischten van verlangen,
+ Eer de oceaanbruid hem gedwee
+ In de open armen mogt ontvangen,
+ Riep hij een lang, een zoet vaarwel
+ U toe, o geurige Archipel!
+ En alles baadde zich in luister,
+ En alles dronk het vier der min
+ Van zon en zee wellustig in;
+ De tijger lekte in het scheem'rig duister
+ Van 't roode hol zijn bronstig lief,
+ Terwijl zich de olifant verhief,
+ Om, met van drift gewiekte voeten,
+ Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,
+ Dat louter liefdespelen zag
+ In 't uur des echts van nacht en dag.
+
+ Helaas! de mensch voedde and're driften:
+ Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd
+ Van laag gewas en hoog geboomt',
+ Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften
+ En 't vonk'lend goud in donker blaauw
+ Verkeerde, een ranke, ruwe praauw
+ Op breeden vloed vast sneller voort,
+ Den haat, welligt den dood aan boord!
+
+ Een drietal mannen mogt ze dragen:
+ Twee wilden, naakt en bruin van leên,
+ Een witte schort om 't lijf geslagen,
+ Waaruit de scherpe kris verscheen;
+ Twee wilden, afgerigt op 't jagen,
+ Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,
+ Dat beurt'lings opsprong en verdween.
+ Waarom zij naar den boog niet tastten,
+ Wanneer ze een anteloop verrasten,
+ Schalk spelende op het oevermos;
+ Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,
+ Waar casuarissen hun pluimen
+ Van vloeib're paarlen deden schuimen,
+ Daar gaaikens staarden op hun dos?
+ Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,
+ Die school in 't loof, noch dook in 't nat,
+ Een blanke, dien zij met zich voerden,
+ Een blanke, die in 't midden zat,
+ Die aan zijn heup geen wapen had,
+ En, schoon geen banden hem omsnoerden,
+ Toch opzag en den Heere bad!
+
+ Wèl mogt hij! Was op Texels reede,
+ Toen de oostewind ten leste woei,
+ En vlag en zeil zich grootsch verbreedde
+ En 't schip geslaakt werd uit zijn boei,
+ Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp
+ Op reis hem dagen zou ten kamp;
+ Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen,
+ Die hem zoo fier te roer deed staan,
+ Als lachte Java reeds hem aan;
+ Hoe in den verren oceaan
+ Zijn kiel, _'t Nieuw-Hoorn_, in brand zou vliegen,
+ Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe,
+ Had omgewend, de zeevaart moê!
+ En echter, 't leed was koen gedragen--
+ Vergeef dat woord van ijd'len trots;
+ In ootmoed schiep zijn ziel behagen--
+ Hij droeg het, waard de hoede Gods,
+ Die hem beschermde in 't golfgeklots,
+ Het laaije vaartuig uitgeslagen,
+ Die, voor den ingang van den nacht,
+ De scheepsboot tot zijn redding bragt.
+ Hij droeg het, zoo als echte vromen
+ Het jamm'ren doen,--des Heeren wil
+ Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil:
+ Des avonds kermende ingenomen
+ Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen;
+ De hulk was wel aan 't vier ontkomen,
+ Maar dreef, ontbloot van naald en zeil,
+ Der luimen van de baren veil.
+ En zie, hij onderwierp de winden;
+ Om 't sprietjen van de veege schuit
+ Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden,
+ De smalle banen klaat'rend uit;
+ 't Gestarnt zou hem den weg doen vinden!
+ En week de dag en viel de nacht,
+ En rees geen land bij 't morgengloren,
+ En deed de hongerkreet zich hooren,
+ En stilte niet dan dorst die klagt,
+ Slechts hij had moed, had troost voor allen,
+ Die zuchten aan het kleene boord,
+ En hield op deze reê hun woord.
+
+ Maar nu!
+
+ Zou hij, in gruwb'ren moord,
+ Hier weerloos, ongewroken vallen,
+ Gescheiden van den trouwen stoet,
+ Die met hem, eer nog de uchtend daagde,
+ Om lijftogt aan den wal zich waagde,
+ De streek, het dorp was ingespoed?
+ Ach! geen dier makkers had de wilden
+ Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach,
+ Waarmeê de schaar hun worst'ling zag,
+ Toen zij hun kracht den buffel spilden,
+ Die 't koord des leiders scheurde als rag;
+ Het dier, door hen vooruit betaald,
+ Vervolgd, en toch niet ingehaald.
+ "Neen, broeders," mogt hij hen bezweren,
+ "Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk
+ Van nacht niet wijlen bij dit volk."
+ Zij scholden hem een onheilstolk;
+ Zij wilden naar de kust niet keeren.
+ Dáár droeg de praauw hem naar de boot;
+ Dáár bad hij: "Heere! zie mijn nood!"
+
+ Te regt; want onder 't peinzend staren
+ Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom[1],
+ Die schermen weefde van zijn blâren,
+ Wiens bloesem, wuivende op den stroom,
+ De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten,
+ Had hem een bont faizantenpaar,
+ In 't loof gedoken, doen verzuchten:
+ "Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!"
+ En even of de toon dier klagte
+ Zijn lot den roeijers had ontvouwd,
+ Werd de een, die straks zijn wenken wachtte,
+ Werd de aêr, die eerst hem meester achtte,
+ Geblaakt door lust naar bloed en goud.
+ Ter sluik was de achterste opgesprongen;
+ Hem meldde 't vlijmend tandgesis.
+ De voorste zwaaide met den kris,
+ En spelde... doch hij was bedwongen.
+ Een kleine gift van luttel geld
+ Had beide een wijl te vreê gesteld;
+
+ En zwijgend ging 't op gulden baren
+ De landstreek uit, der haven toe;--
+ Neen, eensklaps kweelde Bontekoe
+ Als waar' zijn togt een spelevaren:
+
+
+Noot 1: De Bombax, of zijde-katoenboom.
+
+
+
+I
+
+'T PASSEREN DER LINIE.
+
+ Stem: Wie had op Sinxen nacht
+ Gedacht.
+ _Vlaamsch Liedeken_.
+
+
+ _Scheepsvolk._
+
+ Daar rijst de god der zee
+ Alreê,
+ Een wierkrans om de lokken;
+ Hij brengt zijn holle weêrhelft meê;
+ 'k Wou dat hij 't wat meerminnen deê,
+ Al moest ik er voor dokken.
+
+ Wat vremde stoet heeft hij
+ Op zij,
+ Het viertal werelddeelen.
+ Die Azië is een oude prij;
+ Die Afrika te zwart voor mij;
+ Wie drommel zou haar stelen?
+
+ _Neptunus._
+
+ Wat hebben malle maats
+ Al praats!
+ Mijn staf jeukt in mijn ving'ren.
+ Wat volkslag ben je? van wat plaats?
+ Lieg niet, of jij zult buiten gaats
+ De lucht en zee zien sling'ren.
+
+ _De schipper._
+
+ Wij zagen in Kijkduin,
+ Neptuin!
+ Het leste van ons landjen;
+ Mijn scheepjen heet,--kijk niet zoo schuin,
+ Ons volk zeî jij was in je tuin:
+ "Het Amsterdamsche Santjen."
+
+ _Neptunus_.
+
+ Ik dacht het, toen 'k je vlag
+ Straks zag:
+ Ik mag haar kleur wel zetten.
+ Maar drokker maak jij 't dan je plag;
+ 'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag
+ 't Wilhelmus nou trompetten.
+
+ _De schipper._
+
+ Wel, Oudjen! 't hartig lied
+ Is niet
+ Voor luije Jan geschreven;
+ Maar zeg eens of je in jou gebied
+ Ons nou van harte welkom hiet,
+ Wat offer moet ik geven?
+
+ _Neptunus._
+
+ Wat offer? Troe, toe, troe
+ Brr, oe!
+ Zoo doop ik al mijn hachjens.
+ Amerika! spuit harder toe;
+ Europe! ben je nou al moê?
+ Op, wijf! wat doe je 't zachtjens!
+
+ _De schipper._
+
+ Hei, hola! oude snaak,
+ 't Was raak;
+ Wij druipen door ons kleêren,
+ 't Is maar een kletserig vermaak;
+ Ik zal je, mits die regen staak,
+ Een mooijen duit vereeren.
+
+ _Neptunus._
+
+ 't Is alleman om poen
+ Te doen;
+ Geef op, en 'k zal je sparen.
+ Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen
+ In 't zog jou volkjen na mogt spoên,
+ Niet klappen van je varen.
+
+ Of wil je, dat ik tuig:
+ "'t Was ruig;
+ 't Had hair tot op de tanden."
+ Zoo gun mij 't scheeren met de duig;
+ 't Volk tart me al met hoezee gejuich;
+ Goê reis naar de Oosterlanden!
+
+ * * * * *
+
+ Aêloudheid! 't was geen ijd'le droom,
+ Dat Orpheus, spelende aan den stroom,
+ Op forschen klank van stem en snaren
+ En aarde en lucht ten rei deed varen;
+ Dat hij in weêrgâlooze luit
+ Den schepter der natuur omklemde,
+ Die leeuwen en die tijgers temde:
+ Hier werkte een deuntjen wond'ren uit,
+ Een blij gelach, een vrolijk tieren
+ Verzelde 't staâg en volgde 't lang;
+ Het was of 't schalke beurtgezang
+ De woestaards van geneugt' deed gieren,
+ Als zagen zij het scheepsfeest vieren,
+ Zoo juichten zij uitgelaten toe,
+ En ruimer aêmde Bontekoe.
+ De veete tusschen werelddeelen
+ Trad niet zoo schril als straks aan 't licht;
+ De sterkte was opnieuw gezwicht,
+ Dewijl 't verstand weêr dorst bevelen;
+ Vast minder hach'lijk stond de kans
+ Des weereloozen blanken mans!
+ Zijn hoofd hing langer niet gebogen,
+ Zijn regterhand niet strak op zij;
+ Er luchtte een fierheid uit zijn oogen,
+ Die aanspraak maakte op heerschappij--
+ Hij voelde zich ter helft weêr vrij.
+
+ En toch, schoon 't onbesuisd geschater,
+ Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied,
+ Weêrgalmde langs het bosch van riet,
+ Dat spiegelde in het effen water,
+ Toch lachte bij van harte niet.
+ O, 't was in 't bidden om zijn leven
+ Gewis door God hem ingegeven:
+ "Het zingen redde u van den dood!"
+ En ijlings had hij van zijn lippen
+ Het lied, het wijsjen laten glippen,
+ Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot;
+ Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;--
+ 't Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel,
+ En wroeging trad in plaats van vrede,--
+ Aandoenlijk, Christelijk gevoel!
+
+ Wie heeft die teêrheid van geweten
+ Des sterken voorgeslachts niet lief?
+ Een schakel van de onzigtb're keten,
+ Waar langs het zich, tot God verhief!
+ Een wijle peinzens,--toen bedaarde
+ Het zelfverwijt in 't vroom gemoed,
+ 't Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde
+ Uit d'angst, door schok op schok gevoed,
+ Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed,
+ Dat onbewust is wat het doet.
+ Eene and're wijl'--zijn vingers wischten
+ Het vocht af, dat in de oogen rees;
+ 't Was woeste lust noch bloode vrees,
+ Die van de keus des lieds beslisten;
+ De Heere was 't, die 't spoor hem wees!
+ Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen
+ In d'ommekeer van 't wilde paar?
+ Hier voegden klagten, droef noch zwaar,
+ Noch psalmen van den Harpenaar,
+ Die Isrel stemden tot vertrouwen,
+ Die Bontekoe, een hurkjen groot,
+ Al opzeî aan zijn moeders schoot.
+ Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen,
+ En zuster Roeltjen werd geprezen,
+ Zijns vaders hulpe, sinds de dood
+ Der brave vrouwe de oogen sloot:
+
+
+
+
+II
+
+ROELTJEN UIT DE BONTEKOE.
+
+ Stem: So haest Gysjen had vernomen.
+ _Bredero_.
+
+
+Toelichting.
+
+ Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren, heette
+ eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader een herberg hield, de
+ _Bontekoe_ genoemd, in zijne jeugd meestal Willem _uit de Bontekoe_
+ geheeten, en behield later dien naam. "Eene woning bij het Hoofd,"
+ zegt de heer C.A. Abbing, in zijne _Beknopte Geschiedenis der stad
+ Hoorn, enz_. (Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) "vertoont nog in den gevel
+ zijn sprekend wapen."
+
+ IJsbrant-baas heeft drokke nering;
+ Schoon een man van luttel praats,
+ Lokt zijn huis schier alle maats,
+ Wordt hij rijk van hun vertering.
+ Vraagt ge: waar komt dit bij toe?
+ Ga eens naar de Bonte Koe.
+
+ Frisscher krans hangt nergens buiten
+ Dan zijn groene wingerdtak;
+ Maar zoo daar zijn roem in stak,
+ Mogt bij op zijn duim wel fluiten,
+ De eene quant riep d' aêr niet toe:
+ Gaat ge meê ter Bonte Koe?
+
+ Spieg'len kan er zich een pronker
+ In het tin van kroes en kan;
+ Maar zoo menig vroeden man,
+ Maar zoo menig hoofschen jonker
+ Lonkt er zoeter spiegel toe:
+ Gaan we naar de Bonte Koe?
+
+ IJsbrant-baas weet wel van wanten;
+ Om een flinke, knappe deern
+ Loopt de jonkheid ter taveern;
+ Mooije schenksters, duizend klanten:
+ Dochterlief brengt daar je toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe!
+
+ Noch een fijn mennisten zusjen,
+ Noch een bloode pimpelmees,
+ Weet zij iets van angst of vrees
+ Voor een handdruk, voor een kusjen;
+ Toch laat zij niet alles toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe.
+
+ Waaghals wie haar durft omvangen!
+ Want haar hand is geen fluweel;
+ Schorre strijkstok op de veêl
+ Van een paar gebaarde wangen,
+ Speelt zij regts en links maar toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe.
+
+ IJsbrant-baas houdt haar in eere:
+ Beugel, bouwen, haak en huik,
+ Alles draagt zij pronk en puik;
+ Vrijers krijgt ze heinde en veere;
+ "Maar ik zie voor Roeltjen toe,"
+ Zegt de waard der Bonte Koe.
+
+ Als, om 't klappen van zijn schijven,
+ Haar een lansk van trouwen praat,
+ Of een wulp haar gadeslaat,
+ Die zijn boêl in 't riet liet drijven,
+ Roept hij: "Duimkruid hoort er toe,
+ Voor een waard der Bonte Koe."
+
+ "Vaderlief! wij hebben mony,"
+ Zeit ze dan, "in overvloed.
+ Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?"
+ En zij streelt zijn bolle trony;
+ "Roeltjens liefste, stem het toe,
+ Wordt de waard der Bonte Koe."
+
+ * * * * *
+
+ Erinn'ring voerde in haar gebied
+ Hem mede, toen hij 't zingen staakte;
+ Hij zag den schelmschen vrijer niet,
+ Die 't wijsjen in een omzien maakte,
+ En 't hartsgeheim van Roeltjen ried;
+ Het was of weêr zijn jeugd ontwaakte,
+ Een lusthof groende in 't lief verschiet.
+ O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken!
+ Hoe vaak plagt Wim, al kloek van leên,
+ Schoon naauw zijn vijftiende ingetreên,
+ Des achternoens in u te duiken,
+ Om ruikers voor de schouw te pluiken,
+ En de oogen maar uit joks te luiken,
+ Als Roeltjen kwam met stille schreên.
+ Het aardig kind van zeven jaren,
+ Een wolk van frisschen levenslust,
+ Wou hem verrassen in zijn rust,
+ En trok hem bij de blonde haren,
+ En werd gegrepen en gekust.
+ Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden,
+ En riep: "Zie zoo, dat gaat te hoof!"
+ En scheurde een twijgjen uit het loof,
+ En dacht den klepper te kastijden,
+ Wijl aan haar voet de bloesem stoof;
+ En nu--nu school ze in luwt van blaêren,
+ Want gierend aan zijn arm ontglipt,
+ Want zwierend van het paard gewipt,
+ Was zij de boschjens ingevaren,
+ En riep van verre: "'t Is geen kind,
+ Die Roeltjen in den donker vindt!"
+ Dan rees hij op en zou haar vangen,
+ En tilde haar de scheem'ring uit,
+ Terwijl zij knorde: "Stoute guit!"
+ Of boos hem kneep in beî zijn wangen,
+ Of bad, die wilde weelde moê:
+ "Ei, kweel eens wat, ik luister toe."
+ En lang had Roeltjen niet te dringen,
+ Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen?
+ 't Lief kind scheen aan zijn zij' te springen:
+
+
+
+
+III
+
+LOUW EN DE WAARZEGSTER.
+
+ Stem: Ach, ach, nog eens ach,
+ 'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag.
+
+
+ _De Waarzegster._
+
+ Louw, Louw, flinke Louw!
+ Wel hoe heb ik het met jou?
+ Heugt je niet hoe maats we waren,
+ Toen je zoudt naar Groenland varen?
+ "Moertjen!" zei je, "'k ga naar zee,
+ Geef me een amuletties meê!"
+ En ik zocht eens in het zootjen
+ Dat ik erfde van mijn grootjen;
+ Maar het sticht niet hier op straat,
+ Ook herken je mij al, maat!
+ Ai, hoe ging het met het visschen?
+ Greep je een walvisch bij de klissen?
+ Heb je er zeven t'huis gebragt?
+ Zie ik droomde 't menig nacht.
+
+ Stil, stil! guitjen, stil!
+ Scheld het voor geen malle gril,
+ Mogt je beeld niet bij me wezen,
+ Als ik jou planeet moest lezen,
+ Voor je vrijsterken, mooi-Aagt,
+ Daar je mij niet eens naar vraagt!
+ 't Is een jeugdje van een meisjen;
+ Zoen je haar nog wel een reisjen?
+ Komt er van je hijlik wat?
+ 'k Wou dat ik haar jaren had,
+ Maat! ik bleef al even pover,
+ Maar jou diefzak vloeit wis over
+ Van dukaten, flinke Louw!
+ Wel, hoe heb ik het met jou?
+
+ _Louw._
+
+ Wijf, wijf! weêrgaasch wijf!
+ Te olijk hadt je mij bij 't lijf:
+ Toen ik, in de boot gesprongen,
+ Beertjen met zijn beide jongen
+ Uit de schotsen duiken zag,
+ Riep ik: "Komt maar voor den dag!"
+ Wou ik haan de voorste wezen,
+ Want je zei 'k had niets te vreezen;
+ Maar, wat meenje? met zijn klaauw
+ Bragt hij deerlijk mij in 't naauw,
+ En ik zwoer je zoudt het boeten.
+ Hola hei! niet uit de voeten,
+ Ik ben nog aan 't einde niet
+ Van mijn amuletties-lied.
+
+ Erg, erg, eens zoo erg
+ Ging 't me bij den Spitsenberg:
+ Kijk, daar kwam een walvisch boven,
+ En de twee fonteinen stoven,
+ En de harpoenier kreeg prik,
+ "Vrij," zoo dacht ik, "vrij loop ik."
+ Fut! toen hij zijn staart maar zwaaide,
+ Was 't of aarde en hemel draaide;
+ Vloekte ik jou niet als de pest,
+ Weet, ik lag ook buiten west!
+ Maar je vroegt straks naar mooi-Aagtjen:
+ Hieldt je dan een oog op 't maagdjen?
+ Voor den drommel, weêrgaasch wijf!
+ Heb me nou niet weêr bij 't lijf!
+
+ _De Waarzegster._
+
+ Louw, Louw, flinke Louw!
+ Als of ik je foppen zou!
+ Wis, was jou de spreuk vergeten,
+ Die de kroon zet op de keten:
+ "Ebro--flavi--pactolus,
+ Dolu--ico--avamus!"
+ Hadt je dat er bij gepreveld,
+ Beertjen had je niet gekneveld,
+ En geen walvisch jou weêrstaan;
+ Zie me maar zoo vremd niet aan.
+ Vraag het Marten, vraag het Flipjen,
+ Nou al reeders op het tipjen,
+ Of ooit lanspunt of harpoen
+ Meer dan deze spreuk mogt doen.
+
+ Maar, maar, jonge vaêr!
+ Een en nog een zijn een paar.
+ Hoor, ik zal een an'dre leeren,
+ Om je meisjen te bezweren,
+ Dat zij je alles klappen zal,
+ Wie een zoentjen van haar stal,
+ Wie zij streelde met een kusjen...
+ Stuif niet op, zij heeft een zusjen.
+ Kom van avond bij me, maat!
+ Als de star in 't westen staat,
+ En mijn keteltjen zal zingen,
+ En mijn katertjen zal springen,
+ En ik ben wat, flinke Louw!
+ Of mooi-Aagtjen blijkt je trouw.--
+
+ * * * * *
+
+ Ach! spoedig werd het beeld verdrongen
+ Der minnelijke onnoozelheid,
+ Die hem, den wilden bootmansjongen,
+ Zoo dikwerf 't wijsjen werd gezongen,
+ Om t'huis te blijven had gevleid;
+ Hij zuchtte luid, hij dacht te poozen,--
+ Maar 't wachten viel zijn makkers zwaar,
+ Onstuimig werd hun handgebaar;
+ Wat liedjen moest er nu gekozen?
+ Daar schoot een aardig feit hem in,
+ Dat Holland in verbazing zette,
+ Toen heinde en veer de krijgsgodin
+ Den lof van Nieuwpoorts held trompette.
+ Een stoffe was 't voor elpen lier!
+ Helaas! hem werd zij niet gegeven;
+ Die, zonder dichterlijken zwier,
+ Voor 't volk het wonder had beschreven...
+ Doch reeds was 't wijsjen aangeheven:
+
+
+
+
+IV
+
+DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH.--1600.
+
+ Stem: Als't begint.
+
+Toelichting.
+
+ Ik weet niet beter te doen, ten einde ook het gros der lezers de
+ toespelingen in dit liedjen versta, dan de volgende plaats uit het
+ opstel _Simon Stevin_, in de _Bijdragen tot de Geschiedenis der
+ Wetenschappen en Letteren in Nederland_, door J.P. van Cappelle,
+ (Amst. van der Hey en Zn. 1821) hier af te schrijven:
+
+ "In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo de Groot
+ getiteld: _Vergelijking der Gemeenebesten_, komt de volgende zeer
+ opmerkelijke plaats voor: "Onlangs hebben wij ook aangevangen op het
+ land te varen; want wij bezitten wagens, die door den wind gedreven
+ worden, met zeilen voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als
+ een schip, daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te
+ worstelen hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een
+ ongeloof'lijken spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat men
+ mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke zij in beweging
+ geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond, toen men er binnen
+ minder dan twee uren tijds veertien van onze mijlen meê heeft
+ afgelegd, waarvan iedere den weg van één uur bevat." De
+ aanteekeningen van Meerman op deze plaats, gepaard met hetgene men
+ elders aantreft, berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een
+ ontwerp van Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der
+ uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de
+ Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst van het jaar
+ 1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig personen, waaronder
+ Maurits zelf, de broeder van den Koning van Denemarken, Graaf Hendrik
+ van Nassau, de Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking
+ verdient, ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die in
+ den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen nog jong,
+ woonde dezen togt bij. Men voer met eenen zuid-oostenwind van
+ Scheveningen. De Stadhouder nam het roer in de hand en voerde het
+ zeil. Toen dreef de wind den wagen met zulk eene snelheid voort, dat
+ hij niet scheen te rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te
+ Petten aankwam. Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna 's
+ menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl in zee,
+ waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door eene geringe
+ wending van het roer bragt hij hem in zijnen vorigen koers op het
+ strand." T.a.p. blz. 21 en 22.
+
+ Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking wage
+ met de fraaije verzen, waarin deze togt door de Groot en door Huygens
+ is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e couplet, heb ik ontleend aan Van
+ Meteren's beschrijving van den slag bij Nieuwpoort: "Milord ofte
+ Baroen van Gray--ende meer andere soo Enghelsche, Fransche, als
+ Hooghduytsche Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz
+ verselschapten." Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb gegeven, zal
+ men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het ergerlijk vinden, dat
+ ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en broeder des Konings van
+ Denemarken, "_Fanden ta dig!_" of "dat de Duivel u hale!" laat
+ roepen, en hem bovendien roode knevels heb gegeven; doch het laatste
+ scheen mij nog al nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval,
+ Ambassadeur van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet
+ verstaan. In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan
+ Bulleval heeten. Het slot, "Luctor et Emergo," (ik worstel, maar ik
+ drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd door het onderwerp
+ van zelf ingegeven.
+
+ Prince Mouringh reed langs zee
+ In zijn wond're koets met masten;
+ Half het Haagsche hof was meê;
+ Groote cijsen, rare kwasten,
+ Nog te noên bij Scheveling
+ Snelden ze al vóór twee langs Petten,
+ Toen het holdebolder ging
+ En de koensten zich ontzetten:
+ Flap zei 't zeil en krak het roer;
+ 's Princen koets te water voer.
+
+ Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis,
+ En men staakte 't vleijend prijzen;
+ Ieder wenschte zich te huis;
+ Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen?
+ Alle tongslag sloeg een vloek;
+ Alle groote banjerts pepen,
+ En van angst werd buis en broek
+ Stuk gescheurd en kaal geknepen;
+ Prince Mouringh zag zoo snip,
+ Of hij vreesde voor zijn schip.
+
+ "_Narren!_" riep een Moffenheer,
+ "_Wo Hans Michel soll ertrinken,
+ Nicht in dieses salzes Meer.
+ In ein Weinfasz wirdst du sinken!"
+ "Das versprach_..." Daar nam een golf,
+ Die aan hem zich wou verwarmen,
+ Die hem sissende overdolf,
+ Forsch den likkebroêr in de armen.
+ Oef! zijn neus, zoo vierig-rood,
+ Bleek te bros voor zulk een stoot.
+
+ De Admirant van Arragon
+ Zat zijn handschoen los te rijten;
+ 't Scheen dat zich de quant bezon,
+ Of hij blaffen zou of bijten.
+ Grimmig sprak hij tot den Prins:
+ "Krenkt ge mij een enkel haartjen,"
+ En hij streek de sik zijns kins.
+ "Zeker heeft die muis een staartjen!"
+ Maar zijn bleekheid dacht er bij:
+ "_Sante Madré!_" baat dat mij?"
+
+ "_Beautiful!_" begon Lord Gray,
+ Toen de zon door 't water straalde:
+ "_Lord!_" daar stoof zijn muts in zee,
+ Die met blaauwe veêren praalde,
+ "_Help, fetch back!_"--"'t Blijve onbeproefd,
+ Riep de Prins; "laat gaan die pluimen,
+ Daar hij twintig jaar op snoeft:
+ Alle wijven hebben luimen;
+ Maar Elisabeth was mal,
+ Zoo zij kaatste met dien bal."
+
+
+ "Fanden ta dig!" klonk in 't want,
+ En de Deen, met roode knevels,
+ Zag hoe Frankrijks afgezant
+ Laf zicht vasthield aan zijn stevels.
+ "_Ah! ne me refusez pas.
+ Prenez moi a la remorque_."--
+ "_Non, Monsieur, a vous le pas!_"
+ Bulleval had uit met snorken,
+ Als een lammetjen gedwee:
+ "_Henri Quatre en saura gré_."
+
+ "_Luctor et Emergo!_" riep
+ Prince Mouringh, en de wagen
+ Eensklaps weêr ter kuste liep,
+ Waar men Petten op zag dagen.
+ "_Luctor et Emergo!_" klonk
+ Uit den mond van al de gasten,
+ Toen de Prins er 't welkom dronk,
+ En ze in puik van mossels brasten.
+ Mouringh zei tot d'Admirant:
+ "_Et Emergo_ Volk als Land!"
+
+ * * * * *
+
+ En nu, wat dacht hij onder 't zingen?
+ "Dat liedjen," zei hij, "haal de droes!"
+ Hij zag de naakte woestelingen
+ Het bruine lijf in bogten wringen,
+ Alsof dier talen mengelmoes
+ Hun 't hoofd deed draaijen als een roes;
+ 't Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen;
+ Zij hingen over 't praauwtjen henen
+ Dat schommelde uit den evenaar,
+ En 't water stoof hun tot de scheenen;
+ Nog duchtten zij geen lijfsgevaar:
+ Een oogwenk en den stroom ten buit,
+ Had zingen en had lagchen uit!
+ Maar neen, zij zagen 't en zij tastten
+ Ten scheppertjens,--al wolkend vloog
+ Het vocht, waarin hun voeten plasten,
+ Van ied're zij der boot omhoog;
+ En weêr was ze in een omzien droog,
+ Weêr moest hen zijn gezang vergasten.
+ Wie zich aan Breêro's deuntjens stiet,
+ Hij luist're naar wat volgde niet:
+
+
+
+
+V
+
+MACHTELD.
+
+ Stem: Wijkker Bietje, die bij 't beekje.
+ _Vondel_.
+
+
+ Machteld had wel hooren luiden,
+ Wat of vensterkens beduiden
+ Die des avonds open staan;
+ Maar een weinig frissche koelte
+ Was zoo welkom na de zoelte,
+ En het hare stond maar aan.
+
+ Ook scheen 't zuchtjen louter weelde,
+ 't Zij het schalk haar bloezem streelde,
+ 't Zij het suisde in 't blonde haar;
+ Echter wuifde 't uit het loover
+ IJlings meer dan geuren over,
+ Zoet accoord van stem en snaar.
+
+ Als zij 't venster nu ging sluiten,
+ Zou de minnezanger buiten,
+ Haar in de onderkeurs bespiên;
+ En dies zocht zij, schaamrood, schuchter,
+ Met de vingers om den luchter,
+ Achter 't saai gordijn te vliên.
+
+ Maar al had zij hooren praten,
+ Dat hij dra wordt ingelaten
+ Die 't ons op zijn luit bediedt,
+ Niet te luist'ren naar zijn bede,
+ Niet te naad'ren ook geen schrede,
+ Dat gedoogde 't hartjen niet.
+
+ Op haar bloote, blanke voetjens,
+ Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens
+ Dies naar 't raam: wat fraaijen val!
+ Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!
+ Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!
+ Neen, hij prees haar schoonst van all'
+
+ Was het waarheid wat hij kweelde,
+ Dat "de lieve lach, die speelde
+ Om haar lipjens, "kus mij!" riep,
+ "Maar dat de opslag van haar oogjens,
+ Wacht hield bij die nektartoogjens?"
+ Hoe zij naar den luchter liep!
+
+ Zie, al had zij hooren preêken,
+ Dat de booze liefst zijn treken
+ Uitspeelt achter 't spiegelglas,
+ Waarom zou zij, nu slechts muren
+ Haar bespiedden, niet eens gluren,
+ Of zij de allermooiste was?
+
+ En zij keek eens en zij knikte,
+ En zij keek weêr en zij blikte
+ Op haar vlugge beentjes neêr;
+ En zij danste een passedijsjen,
+ Naar een zacht geneuried wijsjen,
+ En zij knikte keer op keer.
+
+ Maar het was, terwijl zij zwierde,
+ Of het luik op 't hengsel gierde,
+ Of... doch langer geen geluid;
+ Echter kraakte vast de wingerd,
+ Om haar vensterken geslingerd....
+ Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!
+
+ * * * * *
+
+ En echter hebt gij 't lied beluisterd?
+ Een and're vraag, 'k was dies gewis,
+ Vol lachs of vol van ergernis?
+ Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd,
+ Getuig wat uw verbeelding is:
+ _Of_ schalke als die van vroeger dagen,
+ Wier wieken, gift van scherts en lust,
+ Op 't feestmaal werden uitgeslagen,
+ Haar smetteloosheid zich bewust,--
+ Die zonder blaam, die zonder vrees
+ Het menschelijke menschlijk prees;
+ _Of_... laat mij haar onreine noemen,
+ Die onder dubb'len sluijer kleurt,
+ Die eischt dat we ied're drift verbloemen,
+ Wijl ze elken zegen heeft verbeurd:
+ Wit graf waarbij de minne treurt!
+
+ Wat of zich Bontekoe verbeeldde?
+ Dat Machtelds minnaar binnen kwam,
+ Met zoete woordekens haar streelde,
+ En, louter liefde, louter weelde,
+ Een kus stal eer hij afscheid nam;
+ En... waarlijk verder dacht hij niet;
+ 't Bosschaadje hoorde een ander lied:
+
+
+
+
+VI
+
+PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.
+
+ Stem: Lorretjen.
+
+
+ Wat leide ik toch een leven,
+ Het prinsjen van de buurt!
+ Mijn stok is bruin gewreven,
+ Mijn kooi is glad geschuurd,
+ En ik kan klontjens krijgen,
+ Voor 't praten en voor 't zwijgen.
+ Ai! Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Houd mij je bekjen toe!
+
+ En zou ik mij dan storen
+ Aan 't smalen van dien knaap,
+ Die steeds wat nieuws wil hooren,
+ Die me uitscheldt voor een aap,
+ En mij zoo graag zou dwingen,
+ Een eigen lied te zingen?
+ Neen, Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Is daar te snugger toe!
+
+ Ik ken wel mijns gelijken,
+ Die wand'len over straat,
+ Die met een degen prijken,
+ Die zitten in den raad;
+ Zij kregen 't beste hapjen,
+ Door krek te doen als Papjen.
+ Een Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Waar past die al niet toe?
+
+ * * * * *
+
+ 'k Weet niet of u de les zal smaken;
+ De wilden lachten luide er om,
+ Terwijl 't refrein op eens een drom
+ Van papegaaijen deed ontwaken:
+ Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weêr;
+ De vogels wisten van geen schuwte;
+ De zoelte riep het tot de luwte,
+ Het strand den stroom toe keer op keer;
+ En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren
+ Des wilden wouds, der wilde waat'ren:
+ "Zing voort, ik ken geen liedje meer."
+
+ En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde,
+ Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot,
+ En 't paar weêr rust'loos op hem staarde,
+ En half hem smeekte en half gebood,
+ Was hij niet slechts gereed te kweelen,
+ Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij,
+ Of 't lief tooneel van vrijerij,
+ Dat blanke Maas of gulden IJ
+ Op 't marmer van zijn vloed zag spelen,
+ Een warmte hem mogt mededeelen,
+ Als reed hij schaats, als vrijde hij:
+
+
+
+
+VII
+
+WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.
+
+ Stem: Mijn zoetje!
+ Ik moetje (_met variatie_.)
+ Starter.
+
+ Wijs Klaertjen
+ Zou 't paartjen,
+ Liefst zamen alleen,
+ Verzellen
+ Of kwellen,
+ 't Was moeder schier één,
+ Mits 't zusjen
+ Elk kusjen
+ Haar klappen mogt t'huis:
+ Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.
+
+ Min bloode
+ Dan noode
+ Ging 't vrijsterken meê;
+ Te waken,
+ Te laken,
+ Voedt vriendschap noch vreê,
+ En Govert,
+ Betooverd
+ Door Elze zijn lief,
+ De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!"
+
+ Hoe prachte,
+ Hoe lachte
+ Die olijke guit,
+ Bij 't winden
+ En 't binden
+ 't Wijs zusterken uit!
+ Zij gromde,
+ Zij bromde
+ Om 't schalke gezeur,
+ Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.
+
+ "Mag praten
+ Niet baten,"
+ Was moederliefs woord,
+ "Men jage
+ Den trage
+ Door voorbeelden voort!"
+ Dies rende
+ In 't ende
+ Ons meisken het paar
+ Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.
+
+ Eerst reed zij;
+ Toen gleed zij;
+ Straks peinsde ze een poos:
+ "Die terger!
+ Ik erger
+ Mij niet aan 't gekoos.
+ Omhelze
+ Hij Elze,
+ Mits verre van stad!"--
+ Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.
+
+ Waratje,
+ Mijn schatje,
+ 't Bleek dwaas overleg.
+ Zij blikte,--
+ Zij schrikte,--
+ Het paartje was weg!
+ Wat riep zij!
+ Wat liep zij!
+ Half spijt en half vrees,
+ En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.
+
+ Toch staarde,
+ Toch waarde
+ Getrouw haar op zij
+ De rapste,
+ De knapste
+ Der dartele rij,
+ Noch jonker,
+ Noch pronker,
+ Maar geestige guit
+ Haar aan,--om haar heen,--en borst eindelijk uit:
+
+ "Mooi Grietjen!
+ Dat hiet-je,
+ Of wel, liefste Leen,
+ Of Antjen,
+ Mijn Santjen!
+ Maar dat is al een.
+ Schalk zoetjen
+ Nu moet je
+ Met mij op de baan;
+ Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan."
+
+ Met greep hij,
+ Met kneep hij
+ Haar worst'lende hand,
+ En zeide
+ En beidde:
+ "Spreek op,--naar wat kant?"--
+ "Ik heet niet...--
+ Ik weet niet...--
+ Ik zoek Elze-zus."--
+ "Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus."
+
+ Zij gluurde eens,
+ Zij tuurde eens
+ Wie hij wel geleek;
+ Toen bloosde,
+ Toen poosde,
+ Toen werd zij schier bleek;
+ En 't gapen
+ Der knapen,
+ Die 't aanzagen, moê,
+ Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.
+
+ O Joosjen,
+ Mijn Troosjen,
+ Wat reden zij snel!
+ Wat beende,
+ Wat leende
+ Zij weelderig wel!
+ De molen,
+ Verscholen
+ In 't graauw van de lucht,
+ Verrees--was zij op--was--voorbij in hun vlugt.
+
+ 't Ging schriller,
+ 't Werd stiller
+ Op 't ijs om hen heen.
+ "Dra komen
+ Die boomen,
+ Dan zijn wij alleen!"
+ Sprak 't kwantjen
+ Die 't handjen
+ Nu vaster nog kneep.
+ Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.
+
+ "Daar achter
+ Geen wachter,
+ Die nijdig bespiedt;
+ Voor kunstjens
+ Uw gunstjens,
+ Dat weigert ge niet!"
+ Met ijlden,
+ Met wijlden
+ Ze op de eenzame plek,
+ En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.
+
+ "Rust, meisjen!
+ Van 't reisjen;
+ Ik merk, je bent moê."
+ Hij rende,
+ Hij wendde,
+ Zij lachte hem toe;
+ "'k Heb fraaijer
+ Geen draaijer
+ Gezien op de baan,
+ Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."
+
+ Flip keerde;
+ Zij weerde
+ Den stoutert wel af,
+ Maar pruilde
+ Noch druilde,
+ Wat pas het ook gaf.
+ "Hoe heetje?"--
+ "Dat weetje."--
+ "'k Geloof haast van ja,"
+ Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.
+
+ Eilacie!
+ Tentatie
+ Dient ijlings ontsneld;
+ Op dralen
+ Rijmt falen;
+ Dra struikelt die helt!
+ Vast sling'ren
+ Zijn ving'ren
+ Om 't lijfjen zich heen,
+ Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!
+
+ Maar gluipen,
+ Maar sluipen
+ Die vroolijke twee,
+ Maar rijden,
+ Maar glijden
+ Zij niet naar de steê?
+ Zij komen
+ Vernomen
+ Door hem noch door haar;
+ 't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!
+
+ "Wel, zwager!"
+ De plager
+ Verrast hen alzoo.
+ "Wel, zoetjen!
+ Ik groetje,
+ Ik stoor je maar noô.
+ De vrijheid
+ Is blijheid,
+ Is t'huis op het ijs.
+ Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."
+
+ Luid schreijend,
+ Hen beîend,
+ Houdt Klaertjen 't gezigt,
+ Bij 't blozen
+ Om 't kozen
+ Op 't ijsvlak gerigt,
+ En zuchtend
+ En duchtend
+ Reikt ze Elze de hand,
+ "De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"
+
+ "Neen, vrees niet,
+ Neen, wees niet
+ Eenkennig, lief kind!
+ Al knort zij,
+ Toch wordt gij
+ Opregt'lijk bemind.
+ Ik zocht je,
+ Ik mogt je
+ Al lang gaarne zien,
+ En 'k vraag je vóór Lichtmis nog van je oude liên."
+
+ "Ai, Klaertjen!
+ 't Is 't aertjen
+ Van onz' aller moê;"
+ Spreekt zusjen
+ Na 't kusjen
+ 't Wijs vrijsterken toe.
+ "'k Betrapje,
+ 'k Verklapje
+ Dies toch niet te huis.
+ Op 't ijs met zijn drieën, dat schat ik een kruis!"
+
+ Al telt gij geeuwend de blaên,
+ Verkwist om slechts een schaats te slaan,
+ Voor hem school in de eenvoude woorden
+ Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!
+ Vergeefs was de avondwind belaên
+ Met myrrhe en mastik, langs de boorden
+ Des vloeds al walmende opgegaan,
+ Uit duizend kelken van gebloemt',
+ Die 't Oost hare offerschalen noemt.
+ Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;
+ Hem dorstte naar den geest der kracht,
+ Die de aard herschept in eenen nacht,
+ De graauwe wolken weg doet stuiven,
+ De starren oproept tot zijn wacht,
+ En, als hem de uchtend tegenlacht,
+ Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,
+ Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,
+ Een vonk'lende juweelenschacht.
+ Maar niet alleen het forsche streelen
+ Der 't bloed bevleugelende lucht
+ Was de oorzaak van zijn diepen zucht:
+ Hij droomde van een klein gehucht;
+ Hij zag der landjeugd schalke spelen
+ In de arresleê, bij 't schaatsgenucht;
+ En 't liefste meisjen uit de schaar,
+ Dacht zij aan hem als hij aan haar?
+
+ Dáár fluisterden zijn reisgezellen,
+ En trager werd de vaart der praauw;
+ Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?
+ Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;
+ Maar wat--wat bragt hen dus in 't nauw?
+ Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaâuw,
+ Toch neigden zij ten golven de ooren,
+ Toch weêrlichtte op 't verschiet hun blik,--
+ Een wijle drijvens--dubb'le schrik!
+ Ook hij zag nu het woudvier gloren;
+ Ook hem deed zich de krijgszang hooren,
+ Wier flaauwe klanken 't paar al ving
+ Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;
+ En hij verstond uit hun gebaren,
+ Hij las het in hun schroom en spijt,
+ Dat achter 't rood gordijn dier blaêren
+ Tien, vijftig, honderd krijgers waren,
+ Met hen en met hun stam in strijd!
+
+ Het strand werd levend wijd en zijd!
+
+ Op eens verkeerden hun gezigten,
+ Terwijl de kris des voorsten rees,
+ En de and're greep naar boog en schichten,
+ En proef nam van de kracht der pees:
+ Ze ontveinsden mannelijk de vrees,
+ Zoodra der vlammen feller lichten
+ Hen d'oversterken vijand wees;
+ Zij wilden niet dan strijdend zwichten!
+ En leenden naauw den blanke 't oor,
+ Die, toen de praauw het strand genaakte,
+ 't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,
+ Een lied zong--dat een heek'laar maakte:
+
+
+
+
+VIII
+
+INKEER.
+
+ Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,
+ X. Het quantjen zong gelijk een lijster.
+ _Beurtzang_.
+
+
+ De Oom
+
+ De wereld, die in 't booze ligt,
+ Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;
+ 'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,
+ En straks mijn testament gemaakt.
+
+ De Neef
+
+ Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen
+ Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.
+ Wat kijk ik graag, bij lange togen,
+ Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!
+
+ De Oom
+
+ Wat zou mijn neef met schijven doen?
+ At hij zijn korentje niet groen?
+ Al wat ik spaarde wierd verkwist;
+ Ik wil geen snollen bij mijn kist!
+
+ De neef
+
+ Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten
+ Mij dezen avond na mogt laten,
+ 'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,
+ En kocht een boeijer en twee vossen.
+
+ De Oom
+
+ Dies maakte ik alles aan de kerk,
+ En krijg een lofdicht op mijn zerk.
+ En echter, 't is mijn naaste bloed;
+ Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.
+
+ De Neef
+
+ Wat zou ik als een banjer pragchen!
+ Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,
+ En, arme deern, mij dra verliezen!
+ 't Had dan uit juffers maar te kiezen.
+
+ De Oom
+
+ "Het geld," zoo sprak de vrome man,
+ "Behoort den regten erven, Jan!
+ En wie dies zalig sterven wil...."
+ Wel, waarom niet een codicil?
+
+ De Neef
+
+ Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,
+ Zei ik; "adie mijn guitentsukken!"
+ En zou, wie had het kunnen droomen?
+ Door schoonvaêr nog op 't kussen komen.
+
+ De Oom
+
+ Hoe stel ik best 't legaat op schrift?
+ 't Legaat? dat ware een halve gift:
+ Hij heeft wat noodig naar ik raam;
+ Hij is de leste van mijn naam!
+
+ De Neef
+
+ Het is wel waar wat looze Gijs zeit:
+ "De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,"
+ Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,
+ Om er mijn aapjen in te houên.
+
+ De Oom
+
+ Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,
+ Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!
+ 'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;
+ Roep den Notaris toch weêrom!
+
+ De Neef
+
+ 't Is zonder heksen toch te leeren;
+ Ik ken wel erger, die regeeren.
+ Staat niet in 't Burgermeesters boekjen:
+ "Wijs bij de luî, mal om een hoekjen?"
+
+ * * * * *
+
+ Een korte wijle zweeg 't getier
+ Der uitgelaten rei van wilden,
+ Die in een laaije zee van vier
+ De spietsen, die hun vingers drilden,
+ Nu dompelden ten gloênden doop,
+ En fluks in vogelvluggen loop
+ Die midden uit de vlammen tilden.
+ Een oogwenk zweeg de ruwe hoop,
+ Om over 't roode vlak der baren,
+ Het praauwtje grimmig aan te staren;
+ Maar de invloed van het schalke lied
+ Verloochende ook bij hen zich niet!
+ Zij deden 't sein des vredes wapp'ren,
+ En de ouderdom herriep de dapp'ren,
+ Die, om den erfwrok lang gehuisd,
+ Vast in den breeden vloed zich waagden,
+ En heup en borst van schuim ombruist,
+ De waap'nen in de slinke vuist,
+ Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.--
+ Ach! kind'ren van hetzelfde land,
+ Maar die elkanders rust belaagden,
+ Om onderscheid in offerrand'!
+
+ Was hun de blanke vreemd'ling heilig,
+ Of achtten zij een man zoo koen
+ Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig?
+ Wie lust had om de vraag te doen,
+ Niet hij, die wenkte voort te spoên;
+ En 't paar weerstreefde hem niet langer.
+ De breede stroom, der zee genaakt,
+ Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt.
+ Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger:
+
+
+
+
+IX
+
+JAN COMPAGNIE.[2]
+
+ Stem: Speelnootjes heft eens vrolijk an.
+ _Bruiloftsliedeken_.
+
+
+ De trommel van de Staten werft:
+ Lang leev' de Prins, hoezee!
+ Maar zoo men in het veld niet sterft,
+ Wat brengt men er uit meê?
+ Een stijven arm, een houten poot;
+ De drommel hale die!
+ Is 't geldjen op, en komt de nood,
+ Ik ken Jan Compagnie.
+
+ Wat hielp dat brammetje in zijn tijd
+ Al meisjens 't hoofd op hol!
+ Wat had dat boeijen wijd en zijd
+ Den kerfstok spoedig vol!
+ "Weg!" riep zijn vaêr, en "wee!" zijn moêr.
+ "Mijn rijk is uit, adie!"
+ Hoe arm hij naar Oost-Inje voer,
+ Hij werd Jan Compagnie.
+
+ 't Was in en uit met d'Amboinees;
+ Hij prees zijn specerij,
+ Maar toffelde den Portugees,
+ En had de handen vrij,
+ Ter nood verliep nog jaar en dag,
+ Daar kwam een vloot in 't Vlie,
+ De rijkste, die ooit Holland zag;
+ Haar zond Jan Compagnie.
+
+ De wilde snaak werd groot sinjeur;
+ Hem huift het zwarte volk
+ In wierookwalm en ambergeur;
+ Hij lucht er uit een wolk!
+ Met vonkelende sluijerkroon
+ --Juweelen sieren die--
+ Weerspiegelt daar op gouden troon
+ Mijnheer Jan Compagnie.
+
+ In 't palmbosch klinkt de schelle luit
+ Der Bajaderen-schaar:
+ Hij kiest van daag de schoonste er uit,
+ En morgen weêr een aêr.
+ "Wat baatte me al mijn overvloed,
+ Het rijk, dat ik gebiê,
+ Ontbrak mij hier 't zoetste zoet
+ Omhels Jan Compagnie!"
+
+ Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee:
+ Oranje blanje bleu!
+ Een schip doemt op; hij roeit ter reê,
+ Als was hij 't rusten beu:
+ "Weest welkom, maats! hoe lang je reis?
+ 'k Ben blij dat ik je zie.
+ Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais?
+ Wie zoekt Jan Compagnie?"
+
+ "Ik!" roept dan menig losse guit,
+ Die, baasjen van de baan,
+ Vroeg scheidde van zijn mooijen duit;
+ Hij spreekt hem vroolijk aan:
+ "Heb jij geraasd, mijn eêle vent!
+ Wie deed het niet, ai, wie?
+ 'k Was als de bonte hond bekend;
+ 'k Wierd toch Jan Compagnie!"
+
+ En, wonder! na een jaar vier, vijf,
+ Hijscht elk er 't zeil in top,
+ En reedt een schip en neemt een wijf,
+ Staat voor een ton niet op;
+ 'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan,
+ Schoon ik den boôm al zie,
+ En laat der Staten trommel slaan:
+ Lang leef Jan Compagnie!--
+
+ * * * * *
+
+ Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover
+ Het koeltjen, aangesneld uit zee,
+ Die ruwe klanken vrolijk over!
+ Wat scheen het wilde paar gedwee,
+ Toen 't praauwtjen voortstoof naar de reê!
+ Zij staarden onder het luchtig ijlen,
+ Beheerscht door d' indruk van het lied,
+ Nu oost- dan westwaart in 't verschiet,
+ Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen,
+ Hun nog geen zeekasteel verried;
+ Want beide waren ze onder 't schaat'ren
+ Der leste wijs van Bontekoe,
+ Bij 't luid "Jan Compagnie" te moê,
+ Als riep hij uit den schoot der waat'ren
+ Den geest op van het verre West,
+ Die, d' oorlogsbliksem in de handen,
+ Verscheen aan de Indiaansche stranden,
+ En fluks zijn troon er had gevest,
+ Alreê vermaard in de Oosterlanden,
+ Voor leeuwenkuil en arendsnest.
+
+ 't Was ijdel duchten, ijdel staren.
+ Geen wolk van rook, geen flits van vier
+ Schoot over 't zilv'ren vlak der baren;
+ Geen schip, op tal van masten fier,
+ Viel langs de gansche reê te ontwaren;
+ Wat vaartuig bragt den blanke hier?
+ De wilden vroegen 't, schoon hij rees
+ En 't zeilenpaar der boot hun wees.
+ Half duikende onder kokosboomen,
+ Ontsnapte ze in de baai 't gezigt.
+ Daar gaf hij 't sein--en werd vernomen;
+ Daar riep hij luid--zij gleed aan 't licht:
+ Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen,
+ Of hield den blik ter zee gerigt,
+ Als greep een feller smart hem aan
+ Dan 't man'lijk harte kon weêrstaan.
+ O vijftienjarig ijdel streven!
+ O hoop, zoo lang vergeefs gevoed!
+ Hoe vrolijk had hij van den steven
+ Den Ooster-Oceaan begroet,
+ Den kijker in de hand geheven,
+ En lucht gezien en land vermoed,
+ Tot schril de kreet weêrgalmde in 't want:
+ "Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!"
+ Weêr dwarrelde alles hem voor de oogen,
+ Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht,
+ De bleeke schrik,--de bange klagt,--
+ De flaauwe hoop,--het ijdel pogen,--
+ De vlam, die schoot van steê tot steê,
+ Het noodgeschrei: "de boot in zee!"
+ En toen, het toppunt der ellenden,
+ Geen tucht meer--hoe?--geen zelfbedwang,
+ Voor sluike vlugt, het wild gedrang
+ Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden,
+ 't Gekerm,--'t gebed,--een dof gerucht...
+ En schip en manschap in de lucht!
+
+ Toch werd uit die herinneringen
+ Van heil en hoop, van vlam en vier,
+ De mijmeraar door t' luid getier
+ Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen,
+ Wat beeld kon zulk een rouw verdringen?
+
+Noot 2: De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten April 1602
+opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden bloei: "_La Richesse de la
+Hollande à Londres aux Dépens de la Compagnie_," pag. 33 etc.
+
+
+
+
+X
+
+DIEUWERTJEN.
+
+ Stem: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept.
+ Hooft.
+
+
+ Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
+ Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,
+ Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om,
+ Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.
+
+ Wit van den hagel, maar warm trots de kou',
+ Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw;
+ Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier
+ Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.
+
+ Echter was 't later als jeukte mijn scheen,
+ Schoof ik je digter, je schooft verder heen,
+ En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg,
+ Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.
+
+ 't Vreezen en beven--het had schier geen end';
+ 't Huis van je moeder was jij zoo gewend.
+ Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit,
+ Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.
+
+ Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
+ Onder dat wiegekleed giert onze Claes.
+ Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen,
+ Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!
+
+ * * * * *
+
+ O liefde, die in Hollands streken
+ Alom altaren zaagt ontsteken,
+ Eer kiesch den voorrang won van kuisch
+ En gouden ketens fulpen banden
+ Vervingen in de Zeven Landen,
+ O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch
+ Bij onze heldenvad'ren t'huis!
+ Wie schetst uw wonder alvermogen
+ Op 't onverdorvene geslacht,
+ Dat klagt noch knieval wou gedoogen;
+ Dat, louter licht en lust in de oogen,
+ Het schoon zijn hulde al juichend bragt,
+ En toch zijn eerbied voor de vrouw
+ Verkondde in echtelijke trouw!
+ Wat harte dat gij niet regeerdet,
+ Wat harte dat gij niet herschiept,
+ Gij, die den vroeden schalkheid leerdet,
+ De lachjens tot den stugste riept,
+ Beheerscheresse van de jeugd,
+ Haar hoogste heil, haar hoogste deugd!
+
+ Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde,
+ Dat aanlokte uit het slechte lied,
+ Het droef gemoed des zwervers streelde,--
+ Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde,
+ Zijn gister en zijn morgen niet!
+ Zoo min zijn worst'ling met de golven,
+ Waarin hij, na den gruwb'ren slag,
+ Een lange wijle was bedolven,
+ Waaruit hij, toen hij 't licht herzag,
+ Niets hoorde dan het bang geklag
+ Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen,
+ In 't rustelooze nederzegen;
+ Als 't stil verzuchten om den dood,
+ Toen laaije dorst en wreede nood
+ Het scheepsvolk, onder 't angstig varen,
+ Ten voedsel dat hen overschoot,
+ De jongens vratig aan deed staren,
+ 't Gebrek dien gruwel schier gebood,
+ Wierp langer uit het droef verleden
+ Zijn schaduw dreigende over 't heden,
+ En zijn verschiet? 't Was of de kust
+ Van Java opdoemde uit de baren;
+ En bleek door twee en dertig jaren
+ Het vuur der jeugd nog niet gebluscht:
+ Zijn baard verried reeds graauwe haren;
+ Hij had ten verd'ren togt geen lust;[3]
+ De kiel, waarmeê hij t'huis zou varen,
+ Lag op de reede al uitgerust.
+
+ Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken;
+ Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij
+ Van uit het oord van 't uchtendkrieken
+ Naar 't avondrijk de Kaap voorbij!
+ Daar deed de wind in 't loof der palmen
+ Den groet der koop'ren keel weêrgalmen;
+ 's Lands vlagge wapperde op Guinee!
+ Daar tintelden de witte kruinen
+ Van Hollands wachtgelijke duinen!
+ Hoe seinde hij de Hoornsche reê!
+ En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten
+ Der overwelbeminde kust
+ --Waarin misschien de dierste al rust!--
+ Voorafgaat,--neen! het wuivend groeten
+ Van Guurtjens kleine, blanke hand,
+ Wier pink weêrschittert van zijn pand!
+ Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen,
+ Voor goud of roem uw zegen veil,
+ O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil!
+ De man is wijzer weêrgekomen,
+ Een bloeijend kroost, een brave vrouw,--
+ Ai, niets en gaat voor de echte trouw!
+
+ "Ha, schipper!"
+
+ Holland was verdwenen!
+ Sumatra's kust, het wilde paar,
+ Hij werd die ijlings weêr gewaar;
+ Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen
+ Ter plek, waarop zijn trouwe schaar
+ Hem toefde er met de boot verschenen:
+ Hij was ontkomen aan 't gevaar!
+
+ Wie eischt van mij de groep te schetsen
+ Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving?
+ Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen;
+ Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring,
+ Die luist'rende aan zijn lippen hing!
+ 't Geheim des meesters ging verloren,
+ En daarom zij u 't woord genoeg:
+ Dat ieder zich nieuwsgierig droeg,
+ Om 't lang verhaal ten eind te hooren,
+ En elk toch, door verbazingskreet,
+ Hem afbrak en herhalen deed.
+
+ "Wat lot onz' makkers is beschoren,
+ Helaas! wij zullen 't morgen zien!
+ En nu, ik kan niet meer, goê liên!
+ Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen."
+ Dat stiet hij, met een schor geluid,
+ In 't eind den moeden gorgel uit.
+ "Tot morgen!" zeide zij en gingen
+ Naar hunne loovertenten toe.
+ Een omtrek nog van Bontekoe:
+ Hij boog zich voor den Heere neder
+ Vóór dat de slaap zijne oogen look,
+ --Een vol gemoed is dubbel teeder--
+ En Guurtjens beeld verscheen hem weder,
+ En voor zijn Guurtjen bad hij ook!
+
+1840.
+
+
+Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in
+het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde
+mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats
+in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste
+gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord
+waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar
+hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men
+beseild en besiet, wat konditiën, profijten en vermakelykheden dat men
+geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel,
+van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope
+heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en
+sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde
+en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der
+welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr.
+W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder
+wedervaren te vinden.
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERHALEN
+
+Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen
+--Hanna
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+BLAAUW BES, BLAAUW BES!
+
+(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)
+
+
+Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den
+dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen
+straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om
+te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke
+onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de
+Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor
+van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten
+kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had
+doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weêrzin opgevangen
+woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn
+studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd
+of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten
+beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten
+opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax
+hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld,
+waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de
+beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op
+de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van
+visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het
+voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel
+ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren
+vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die
+het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte
+gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje,
+--de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht;
+--om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de
+behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden
+niet onaardig toetst, als gij neêrblikt, de rosse schijn eener lantaarn,
+als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen
+sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt
+gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeën hebt dank
+te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld
+verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als
+hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past?
+Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene
+onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder
+die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had
+uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge
+doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der
+verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet
+enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet
+louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide
+overdrijvingen wekken zoo velerlei weêrzin op, dat ik dien onmogelijk in
+éénen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen
+van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling
+van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een
+der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig
+mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren
+eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer
+uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder
+behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u
+van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van
+beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven,
+die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans
+afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook
+mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te
+geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen,
+van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de
+laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer
+tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet
+zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem
+heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends
+aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje
+roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden,
+dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen,
+schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die,
+bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre
+dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang
+zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen,
+welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te
+verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo
+schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de
+welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de
+dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar
+waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen
+voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons
+verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede
+schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne
+inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die
+de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet!
+
+
+"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer
+hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen
+heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en
+de beziën, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw
+van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare
+gansche mand leêg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten.
+Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen
+wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer
+te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast
+verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide
+kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de
+hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf
+van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest,
+dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit
+mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de
+tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het
+jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk
+verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf,
+zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn
+geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot
+het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke,
+dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is
+met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den
+blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn
+blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben
+verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen
+niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond
+en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in
+de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt
+aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had
+geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad
+en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog
+invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen
+voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid,
+door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen
+niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier
+stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken,
+zou opgehouden hebben, u weêrzin in te boezemen, want er had een lachje
+over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder
+allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl
+iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar
+troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen
+toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies
+van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel
+die genade had gevonden bij God!
+
+_Une femme qui n'a plus d'âge_ is iets vreeselijk-leelijks, als
+Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der
+oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het
+overige in al zijnen omvang geëerbiedigd), ook aan het onderscheiden
+volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de
+bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?
+
+"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het
+vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit
+gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te
+zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke,
+harer de lippen blaauw verwende beziën niet. En echter was het blijkbaar,
+dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet
+verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre
+van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar
+na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het
+huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door
+geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige
+plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes,
+blaauw bes!" haar hebben geërgerd; thans scheen zij even goedwillig de
+oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze
+pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht
+voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest.
+Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op,
+en de schel ging over, tot twee malen toe.
+
+Een knecht, in geel linnen jas, deed open.
+
+"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw.
+
+"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads
+heeten Sanne en Saar, en--"
+
+"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het
+huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de
+knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn."
+
+"En dat zou geen wonder wezen."--
+
+Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener
+kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez
+donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de
+blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare
+nasporingen voortzette.
+
+"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar
+of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?"
+
+"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem
+ik geene notitie," was het antwoord.
+
+Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de
+veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.
+
+"Foei, Emilie!" zeî haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was
+zoo'n vrolijke, vriendelijke meid."
+
+Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.
+
+"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die
+nare, norsche jufvrouw, Numero Acht."
+
+"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude.
+
+"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goêlijk, "maar die is
+buiten."
+
+"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang.
+Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe
+schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.
+
+"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het
+weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.
+
+"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar
+trekvogels."
+
+"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist."
+
+Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.
+
+"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank
+zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde
+gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn
+blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neêr; maar of de
+oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang
+duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die
+nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.
+
+Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden,
+weêr op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je
+dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----"
+
+"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?"
+
+Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet
+op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het
+ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend
+had.
+
+"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk.
+
+Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij
+het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten
+onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje
+verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die
+aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest;
+en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot
+genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans
+beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek
+wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil,
+en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed,
+wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden
+niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd
+groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld,
+geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man,
+had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs
+willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het
+zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering
+geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan
+waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem
+getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!
+
+Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven!
+
+"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in,
+om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er
+"blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie
+haar wenkte.
+
+"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig
+wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm;
+het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.
+
+"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven
+de natuur.
+
+"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je
+vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz?
+mijn man is zoo gek met den guit!"--
+
+Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe
+weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden
+van haar antwoord er uitkwamen.
+
+"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een
+rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor
+ik."
+
+"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de
+moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw
+Hendriksz?"
+
+"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je
+twee en een' halven cent weêrom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van
+me, ik kom nog weleens weêr aan."
+
+"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden
+dag."--
+
+Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging
+verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van
+dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot
+Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de
+hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed
+getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik,
+dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was
+Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed
+gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of
+had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet
+aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat
+de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve
+boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou
+worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.
+
+Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht
+der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken,
+die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in
+verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het
+vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs
+deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem
+niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij
+eindelijk waar zij wezen moest.
+
+"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf
+aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij
+zou naar huis gaan, geloof ik."
+
+"Ach God!"
+
+En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de
+Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.
+
+"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat
+mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt.
+
+Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij
+hare moeder kondt zijn," sprak de meêwarige man.
+
+"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende
+het glas water had leêggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef
+ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur
+geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat
+haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was
+ongeveer drie maanden geleden!
+
+Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van
+den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen
+ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof,
+waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij
+zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En
+echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij
+deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij
+beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar
+was Eefje? hoe zoude zij haar kind weêrvinden? Slechts één gebouw
+teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp
+tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten
+wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_.
+Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen,
+gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het
+haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze
+der moeder niet toewenschte.
+
+"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des
+huizes, bewogen.
+
+"Onder de mindere menschen wèl; maar die zullen mij weinig kunnen
+helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar
+ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?"
+
+"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..."
+
+"Maar--toch--eer--lijk?"
+
+"Ja, vrouwtje! ja!"
+
+"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze
+vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet
+uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een
+bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje
+niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die
+Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten."
+
+En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had
+neêrgezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den
+last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft
+misschien zelf kinders?"
+
+Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!
+
+De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje!
+dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter;
+--maar je vergeet je mandje--"
+
+"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--"
+
+Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op
+de lippen lag, maar die zij weêrhield, de vraag, welke op het onderzoek
+naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij
+haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een
+licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat
+eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind
+eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze
+dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene
+schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen
+bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de
+tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen.
+
+Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al
+had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten
+om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje,
+een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde
+haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de
+hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer
+beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land
+te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans
+des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het
+eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het
+onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der
+schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in
+dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande
+zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan
+op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had
+gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als
+"de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven
+besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer
+keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet
+mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot
+haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes
+uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls
+voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in
+weêrspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die
+gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat
+niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie
+behoort!
+
+De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste
+maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden
+balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en
+geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde
+zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het,
+dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom
+van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare
+lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien
+haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in
+staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist
+te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens
+deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig
+den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van
+loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.
+
+"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der
+onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de
+smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw
+door merg en been.
+
+En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin
+instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van
+vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van
+eenen naam scheen te kunnen wekken.
+
+"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de
+jammerende moeder voort.
+
+"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder
+naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed
+had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en
+had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer
+gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weêr louter
+oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien,
+eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij,
+zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te
+hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was
+er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon?
+
+"Wouter!" riep de meesteresse des huizes.
+
+Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk
+als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige
+trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.
+
+Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.
+
+"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik
+wilde of niet."
+
+"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking
+verbaasd.
+
+"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd
+eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den
+jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder,
+"leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het
+gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.
+
+"Zij leeft, maar--"
+
+"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van
+zich, als ware hij de schuldige geweest.
+
+"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet
+niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo
+droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg.
+Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst
+kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en
+bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wèl.
+Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze
+woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den
+volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw
+eraan--"
+
+"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid,
+die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij;
+Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden.
+Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.
+
+"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe
+bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit
+waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei
+ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weêr, "Veel stiller
+ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te
+wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit
+in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de
+bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar
+kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje!
+als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met
+mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik
+gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik
+spreke--"
+
+Er school te veel poëzij in die schets, dan dat het hart eener vrouw
+haar niet meê zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en
+evenwel is zij verleid."--
+
+"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als
+menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat
+zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad,
+zooals ik haar. En dan weêr spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek
+van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij
+zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij
+kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje
+vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de
+schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je
+aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen,"
+zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag,
+kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch
+ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord
+sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene
+jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar;
+"mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan
+Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen."
+--"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar
+antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te
+weêrleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."--
+
+En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij
+dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te
+zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten
+prijs van haar eigen verderf.
+
+"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.
+
+Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het
+gesprek maar al te wel had verstaan.
+
+"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"
+
+"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden
+vader komen moest!"
+
+En zij zeeg op den stoel neêr.
+
+"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe;
+"vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."--
+
+"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont,
+zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"
+
+Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij
+viel andermaal in den stoel neêr. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus.
+"Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende
+lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is
+weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?"
+
+Een oogenblik stilzwijgens.
+
+"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord
+ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?"
+
+En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te
+bidden, ook onder die bittere beproeving.
+
+"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje
+moet morgen meê!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar
+ligchaam!"
+
+Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van
+den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den
+schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en
+links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op
+de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan
+over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch
+wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de
+plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo
+verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in
+dat, 't welk de schemering voorafgaat, één jongman uit den drom had er
+blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat
+op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger
+nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.
+
+Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de
+verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter
+verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?
+
+Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in
+hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij
+er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de
+zomer weder zijne vruchten meê;--Amsterdam gij weet het, is nog niet,
+zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen
+geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten
+duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter
+onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend
+gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het
+blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:
+
+"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!"
+
+1845.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!
+
+
+ Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck;
+ Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven;
+ Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven;
+ Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas,
+ Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
+ Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,
+ En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,
+ Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,
+ Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,
+ Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,
+ En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,
+ En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,
+ En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!
+
+
+Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breêro, welke ons
+in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner
+dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds
+bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep,
+waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen
+naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der
+zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het
+loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke
+wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor
+geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te
+vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er
+zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering,
+die ons vertelt, dat Jan de Witt maar één' dienaar had.--Ik tart u
+echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest
+te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel
+met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op
+het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte:
+de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen
+toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er
+niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische
+bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van
+Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder
+den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige
+verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand,
+dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de
+liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op
+statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren'
+wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst
+berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste
+kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen
+de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen
+Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto,
+dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen
+handen in evenredigheid.
+
+Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien
+uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u
+vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene
+gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het
+klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok
+de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen,
+--wie denkt gij dat het spoedigst moê zal zijn, de koetsier of de rossen!
+--scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje
+vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de
+woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden,
+krijgsluî in. Dáár plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat
+zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde
+u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander
+beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte:
+--toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of
+zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden;
+--toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het
+geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige
+kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest
+springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn,
+zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En
+echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens
+heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij
+karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden:
+hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle
+proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor
+ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is
+billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet
+hooge wijsheid, die dáár een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op
+te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt:
+hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal
+wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt,
+ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik
+roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die
+den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt
+gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter!
+wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in
+de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone
+bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het
+oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een
+deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleêrenmaker of
+schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in
+eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden,
+geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte
+wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen
+kantoorbediende gezien?
+
+Helaas, neen! Er ligt te weinig poëzij in dien toestand, dan dat hij den
+onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid vóór,
+zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat
+verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving
+kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot;
+het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor
+deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote
+wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat
+zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij
+als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft
+voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de
+onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn
+der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt
+omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk
+--hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide,
+dat hij één dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg
+--in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de
+vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel
+afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en
+dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg
+òf van nooddwang, òf van dweeperij, òf, in exceptioneele toestanden, van
+deugd.
+
+Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan
+moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er
+waren toekomstige klerken in den hoop, tweeërlei soort zelfs, al was er
+niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog
+niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde
+jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn òf kinderen van
+gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten
+gevolge van het verbeterd onderwijs, ééne sport hooger zullen klimmen op
+de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in
+plaats van bazen;--òf het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar
+armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een
+onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees,
+dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen
+herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den
+twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van,
+dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen.
+En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te
+brengen, dan dat er zóóveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne
+bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door
+mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die
+niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit
+geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit
+beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er
+krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er
+krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit
+groene koren des kantoors bestaat dáárin, dat de eene soort het voor
+een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden
+gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen,
+waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene
+verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een
+jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn
+leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl
+Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware
+geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen
+wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel,
+met voornemens en wenschen.
+
+Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding
+om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan
+eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij
+een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine
+eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote
+omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek
+beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching
+dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte
+eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste
+niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding,
+die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een'
+practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza!
+waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school
+voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting
+eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal!
+wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit?
+Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en
+sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen
+voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het
+Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van
+processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de
+schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs
+straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij
+wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller
+inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag
+slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van
+stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde,
+volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een
+verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving
+prijs gaf aan het voortdommelen in de éénige slavernij, uit welke onze
+vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging
+der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het
+Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan
+iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het
+oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de
+woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt,
+werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer één had kunnen
+volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het
+goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen,
+die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem
+onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van
+geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die
+geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon
+is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld!
+Slechts één schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen
+vrij mogt hebben; slechts één publiek, waartoe het hem vergund was te
+spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de
+Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de
+lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met
+Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was
+blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn
+breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er
+u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder
+te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven.
+Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling
+vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche
+phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest.
+Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe
+kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en
+_cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te
+leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten!
+Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth
+Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen
+hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren
+doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den
+eisch der beschaving, die invloed zochten door het éénige middel, dat
+dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen
+stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der
+Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het
+eenvoudige, ontwikkelde.
+
+Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar
+aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met
+mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen
+zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche
+teregtwijzing.
+
+Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan
+Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft,
+in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een'
+jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van
+zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den
+Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weêr jonger knaap hem zal vervangen,
+en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken,
+boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk
+de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net,
+en dat duurt zóó eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van
+die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt
+bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld,
+bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes,
+alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai
+geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen cliënt tot
+zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de
+mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te
+bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een
+nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare
+liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven,
+welke vóór hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren
+waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te
+huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden
+geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen
+om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd.
+Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot
+notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er
+tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en
+trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat
+hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatiën valt er ligt een
+baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weêrgaloos vet, maar
+toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene
+kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid
+tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat
+hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein
+ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen,
+hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een'
+vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend
+wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de
+Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft
+geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is,"
+zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen
+ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels
+afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij
+gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat
+uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt?
+Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wèl
+afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert
+het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.
+
+Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in
+de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een
+burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu
+fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerluî zijn, och ja!
+Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene
+menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet
+zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs.
+Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't
+Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich
+aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of
+de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou
+der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen
+voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt
+staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om
+een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel
+zóó ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker
+ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen
+zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want
+er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest
+verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in
+onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die
+tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de
+bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man
+zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het
+beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de
+arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm
+uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk
+onderscheidt.
+
+"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt
+ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--"
+
+Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan
+hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig
+mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard,
+voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf,
+en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen.
+Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te
+onbarmhartiger, dewijl hij weêrloos is,--maar o, hoe hij Staafje
+benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van
+nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje
+uitlacht!
+
+--Eene verdrietige pauze.
+
+"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!"
+eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon
+worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op
+het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord
+--de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij,
+eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den
+vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op
+het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog
+een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op
+te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den
+patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen
+was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands
+kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.
+
+"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje
+helpen."
+
+En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in
+van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te
+zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn
+stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het
+kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij
+zeggen.
+
+Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat
+kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke
+dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan
+eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt
+ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht
+ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene
+opkamer, dáár weêr boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de
+keuken; en nu, zie, of liever luister toe.
+
+Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en
+zaal langs, snel als een pijl omlaag.
+
+Piep--piep--piep--en de leêge mand is weêr boven; maar zou van den
+Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?...
+
+Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede
+mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten
+van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de
+bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.
+
+"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"
+
+En Rivers?
+
+Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen,
+spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de
+Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door
+eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap
+opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weêrhouden kan te denken:
+
+"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als
+hij!"
+
+De wraak is hem al op de hielen.
+
+"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de
+patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou
+hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die
+met de overigen weêr binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die
+"er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te
+trekken,--de mededinger in den dop!
+
+Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de
+straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het
+rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu.
+
+Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen,
+die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te
+verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn
+voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze
+voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of
+verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke
+gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des
+levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen
+eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poëzij in den
+handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer
+beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken,
+der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur
+en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de
+kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe
+kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij
+het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles
+goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke
+allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe,
+ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen
+menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe
+studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin,
+eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij
+door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd
+bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet
+denkbaar is.--Poëzij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der
+menschelijke natuur, die overal meê te dragen, die onder allerlei
+omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide
+alom op.
+
+Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_
+en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat.
+"Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat
+hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om
+de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neêr te
+trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten
+eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels,
+vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ...
+maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en
+even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman
+slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden
+Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier
+hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar
+Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche
+vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den
+weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne
+scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal
+tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de
+turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch
+vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider
+uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we
+er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij
+onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij
+kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in
+den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de
+laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart,
+enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor
+kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het
+gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering
+wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de
+anderen de Variétés in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een
+glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid
+beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den
+middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen
+beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als
+hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt,
+om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener
+diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop
+toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet,
+hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet
+liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem
+betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes
+bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het
+hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt
+te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert
+en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is
+geëngageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een
+allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt
+hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar,
+herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke
+klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich
+hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet
+dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk
+leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar één middel om
+gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich
+in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in
+zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den
+vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des
+mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van
+vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de
+opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit
+onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de
+innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft
+uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen,
+dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt
+men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den
+beste, die ons vraagt, waarom wij dáár blijven mokken: "Wel ik mok niet,
+ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmeê wij het zeggen, ook
+zuur als edik.
+
+De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit
+dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.
+
+Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de
+Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der
+Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes
+of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje
+luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl
+zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen
+dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op:
+"_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar
+een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop
+koffij zit te mijmeren.
+
+"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij
+veranderd bent, 't is _fameux!_"
+
+De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de
+voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt
+hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots
+den gouden horologieketting, trots den baard _à la jeune France_, en
+een' _glacé-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten,
+terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me!
+praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een
+fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een
+zedelijk gedrag mede.
+
+"Hoe heb ik het met je? _Stupéfait_, Vreese, ken je dan waarachtig
+Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"
+
+Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het
+hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor
+kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls
+heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het
+eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest,
+hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering,
+--herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van
+een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de
+Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.
+
+"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had
+ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang
+gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours
+content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude
+likkebroêr zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van
+Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat
+weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter
+Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld
+en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik
+zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_
+hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_"
+
+"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene
+reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer
+geplaatst ..."
+
+"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik
+... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich
+vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux,
+canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei,
+wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een
+woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_.
+Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch
+knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten
+wil--_fameux!_"--
+
+"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.
+
+"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter
+bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen
+beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij
+eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en
+zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van
+den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir
+au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije
+meiden--of ben je misschien getrouwd?"
+
+"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag.
+
+"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken,
+en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galère?_ Er zijn zoo weinig
+vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weêr zuur, heb je
+zusters?"
+
+"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"
+
+"_C'est du sérieux, vraiment!_" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar
+zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb
+geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei
+Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier
+had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer
+gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot
+_daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou
+het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog,
+in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik
+eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in
+de Star, No. 15, _à votre service_, mits ge mij niet alleen laat
+babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_"
+
+Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wèl mag hij
+het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets
+degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem
+hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten
+vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan
+ellende? tweeërlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?
+
+Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon
+een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan
+hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die
+natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van
+smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het
+met mij eens zijn, dat òf ons volk een predilectie voor hen heeft, òf
+dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u
+eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen
+onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de
+lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de
+soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven,"
+dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om
+het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit
+kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave
+kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets
+natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou
+zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne
+relatiën zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat
+hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe
+verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem
+toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de
+patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van
+den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries
+trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde
+te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten
+pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe
+Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund,
+hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet!
+Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten
+geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries
+verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want
+hij kon relatiën aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo,"
+zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld,
+dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats
+willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en
+partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal
+het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij
+reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde.
+Vreese, die zich niet weêrhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het
+knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit
+kwaad, weet ge.
+
+Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de
+voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne
+tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te
+doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal
+eener hopelooze liefde!--"_Peut-on être si bête!_" zou hij uitroepen,
+"voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend,
+en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij
+zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij
+maar geen kantoorbediende was.
+
+Eenige weken vóór zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano;
+hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar
+deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne
+had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen!
+Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was
+hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.
+
+Helaas!
+
+Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong
+den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte
+Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud
+bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem
+sedert niet weêr alleen.
+
+Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot
+zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer
+vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"
+
+Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem
+nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de
+gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is
+waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar
+de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden
+afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan
+de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring,
+de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij
+uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste
+neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen,
+die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij
+zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn
+jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak,
+maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich
+thans te oud acht om naar Nederland's Indië te vertrekken, en die
+meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag;
+"Eén vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten
+kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der
+onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer
+over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de
+eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is.
+Conservatief _quand-même_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle
+vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand
+kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn
+alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve
+wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de
+hand?--
+
+Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van
+u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat
+het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan
+in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om
+een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan
+aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld
+door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den
+smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is
+maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst
+die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den
+kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn'
+rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks
+"mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge
+uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun
+mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste
+toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner
+voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en
+de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden
+zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongeluî bederft. Behoef
+ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik
+slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan
+wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder
+ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als
+in den verbasterden de Braeuw.
+
+Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik
+heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u
+een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen
+oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen
+kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel
+staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het
+geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die
+graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult
+begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche
+binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der
+zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun
+dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der
+voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder
+deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs
+meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder
+verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de
+vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het
+volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar
+zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer
+tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des
+gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht,
+dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en
+zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid,
+maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook
+geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonnière_
+geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als
+er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een
+paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der
+golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een
+aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het
+licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had
+verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar
+herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de
+verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _à
+fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des
+huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing
+dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u
+tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren
+_cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden
+hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets
+nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist
+hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan
+zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar
+vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij
+men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de
+porseleinen _sta in den weg's!_
+
+Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te
+roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene
+moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie
+jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan
+hare knieën zijne avondbede opzegt.
+
+"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.
+
+Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost
+en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zóó iets
+laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.
+
+Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het
+jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat,
+en--
+
+Dáár legt zij de hand op zijn krullebol.
+
+"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.
+
+"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een
+dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken
+roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!--
+
+"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje
+naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske
+haar half ontkleed te gemoet.
+
+"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?"
+
+Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde
+moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige
+weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige
+toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen.
+IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten
+wil. "Dat hij weêrom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit
+den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij
+werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij
+nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is,
+als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet
+zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij
+t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben
+ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren
+het zenden zouden.
+
+De heeren!--
+
+Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die
+krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij
+zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker,
+dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou
+zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zóó lang zouden hare
+guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen
+zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij
+ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man
+toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen
+hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog vóór hare
+bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had
+... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had
+begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor
+een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had,
+eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen
+zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu
+hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven
+als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor
+over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het
+hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen,
+dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde
+slapen zijn geweest.
+
+Negen ure!
+
+O rijkdom van poëzij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij
+haar zoontje ook zou laten worden, zeî zij in zich zelve, geen
+kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van
+beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een
+man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde,
+het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet
+zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel
+goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den
+ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den
+kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim
+stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van
+haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn
+zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen
+gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind
+toe.
+
+Het sloeg half tien ure!
+
+Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij
+haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed
+te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,
+--armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem
+dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de
+ware lezeres. Dáár stond het immers, dat zijne patroons reden hadden
+over zijne reize tevreden te zijn, dáár stond het: "Wijfjelief, het valt
+mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden
+zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster.
+
+Maar de moeder zag weder naar de klok.
+
+Bij tienen!
+
+Daar werd gescheld.
+
+Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk
+eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw
+hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:
+
+
+Lieve man!
+
+"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor
+om. De kinderen zijn wèl, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed.
+Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van
+_fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200
+krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zeî: dat er gemakkelijk
+eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich
+ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als
+het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten
+zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur.
+Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik
+beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal
+niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er
+morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne
+eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we
+toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag,
+en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het
+buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze
+kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige
+laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, vóor ik het je had
+geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet,
+manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen
+doen zult. En daarmeê, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wèl,
+en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal
+immers niet lang meer duren?
+
+ "Uwe liefhebbende vrouw
+ Aagje.--"
+
+P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons
+zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat
+leelijke geld!"
+
+
+Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van
+hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere
+vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne
+afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven
+zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt
+geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in
+de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner
+lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den
+brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij
+lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe
+wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat
+allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen
+verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij!
+
+Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des
+mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt,
+bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene
+vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds?
+kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang
+sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden,
+al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen
+zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een'
+onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt
+onwillekeurig een casuïst, of hij bezwijkt onder de chicanes der
+Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij
+tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk
+heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt
+zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld
+te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van
+vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei
+speciën,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de
+ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt
+de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het
+vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd
+verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt,
+schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van
+het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus
+gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!"
+
+Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking
+weêrleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord
+verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds
+zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu
+wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te
+huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor,
+en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!"
+--en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associé_
+gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden
+beide schoon."
+
+Dat zij juist ware!
+
+Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te
+gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven,
+vrienden, en dus jongeluî, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen
+beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen
+te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de
+vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde,
+"dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en
+wetens bij den neus nemen," wanneer zij salariëren, dan kiezen zij
+jongeluî, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij
+slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner
+jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een
+opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit
+in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn
+gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge
+dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen,
+dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze
+loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter
+klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij
+uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels,
+dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar één
+oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie
+niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper
+heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel
+te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne
+buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan
+is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij
+krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den
+commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en
+met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms
+zóó verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door
+hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met
+luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de
+makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen
+eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoêlijken;
+integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid
+verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel
+in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder,
+dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De
+voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.
+
+De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat
+enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen
+hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid
+gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen
+te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn'
+deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer
+men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk.
+Ik heb straks van de poëzij van den handel gewaagd, en zeker, het is
+streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij
+zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en
+menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te
+verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te
+hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk
+zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning,
+ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene
+eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de
+telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes
+lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der
+vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te
+huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke
+zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar
+tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen
+zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is
+zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het
+algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot
+beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het
+besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij
+te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw
+misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zóó verre zou
+brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor
+wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of
+wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der
+helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene
+burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene
+plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij
+lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan
+het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?
+
+Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne
+keerzijde.
+
+Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassociëerd geweest,--de
+eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er
+compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het.
+Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo
+ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun
+karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker
+de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet.
+Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun
+gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk.
+Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen
+compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op
+het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand,
+noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven
+van de gezinnen van associé's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam
+maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden;
+geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte
+ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van
+ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van
+vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige
+balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin
+doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van
+Becker zich niet had geërgerd aan de meerdere pracht in de woning van
+Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den
+eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot
+weelde oversloeg.
+
+Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een'
+Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die
+hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het
+schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk
+leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner
+zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de
+rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij
+zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_
+waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog
+vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de
+aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren.
+Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op
+den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot
+--een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde
+allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de
+aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in
+het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was?
+De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne
+ontsteltenis al hadden opgemerkt.
+
+"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de
+jobsmare had doorgeloopen.
+
+--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van
+Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor,
+door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk
+gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen
+hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven
+vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het
+gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest
+naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds
+verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene
+gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster
+had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij
+verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in
+de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking,
+welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in
+voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen
+voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra
+zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er
+schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd.
+--Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van
+zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten,
+waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te
+verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen
+ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen,
+de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger
+regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm.
+Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam,
+zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en
+vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het
+schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten
+staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner
+soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van
+hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd
+zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen;
+--het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen
+aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in
+schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe
+winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden
+ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis
+die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker
+voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was
+geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds,
+zij waren het verlies bijna te boven.--
+
+"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften.
+
+En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den
+nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker!
+Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar
+teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij
+eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek
+weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had
+opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten
+gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over
+het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had
+erger kunnen zijn," zeî de arts, die des morgens voor zijne legerstede
+stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige
+weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle
+beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten.
+Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke!
+Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer
+de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij
+veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter,"
+--gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien
+uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne
+zaken stonden gunstiger dan ooit ...
+
+Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn
+hoofdkussen op de knieën, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht.
+Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte
+verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest.
+
+"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!"
+
+Was het niet erg genoeg?
+
+Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene
+schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne
+toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen,
+hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom
+zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het
+harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de
+bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot
+des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van
+verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik
+er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen
+beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels,"
+voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had
+ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te
+dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat
+is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de
+wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan
+moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend
+gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_!
+
+Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte
+aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan
+het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn
+chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken,
+als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers
+hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal
+des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch
+in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het
+kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht
+waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die
+vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben,
+introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men
+niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de
+herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge
+van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor
+de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen
+ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalariëerde kantoorbediende
+terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld
+stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal
+effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als
+zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet,
+als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleêren uitzien "als apen
+dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt
+heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem
+zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als
+hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om
+zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers
+uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor
+genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des
+juks, dat hunne schouders neerkromt!
+
+"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de
+wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden,
+in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op
+veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw
+aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het
+gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den
+bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat
+de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het
+jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om
+den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon
+dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die
+naïve verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen
+steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan
+kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een
+onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het
+zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen
+Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een
+lafbek van een' Associé de pen haalde door een' vier zijdjes langen
+brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef
+eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een
+Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weêrom
+bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel
+had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren
+het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel
+na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan
+den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die
+harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der
+hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u,"
+dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren
+over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de
+Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens
+bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de
+rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn
+kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet
+eens!
+
+"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit,"
+zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij
+voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk
+maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is
+geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder,
+of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer,
+welke zij vóór twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de
+natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven,
+als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is,
+wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en
+heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig
+gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen
+rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is
+even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe
+verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben
+hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat
+iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel
+in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur
+aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze
+beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen
+van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt.
+
+"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een'
+zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis
+opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en
+beenen breken kan!"
+
+Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch
+eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met
+hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een'
+zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op
+een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof
+niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter
+hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan
+het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister,
+waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te
+duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij
+hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als
+herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner,
+een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart
+verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere,
+zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer
+binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.
+
+"Al weêr roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weêr
+roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb
+jij het mis, danig mis, kind!"
+
+De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun
+zoontje, zagen vader vreemd aan.
+
+"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn
+pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meêgegaan--maar me
+dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man!
+Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe,
+dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een
+beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent
+ze--"
+
+Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel
+netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij
+was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar
+griefden. Zij deed het om der kinderen wil.
+
+"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen,
+--en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al
+had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend.
+Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er
+zie dàt niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en
+Mevrouw, ja wel!--"
+
+Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een'
+kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare
+omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren,
+toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poëzij des
+levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een
+laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.--
+
+"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn
+konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen.
+
+"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel
+zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes
+lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van
+een jaar of tien.
+
+--"Goeden nacht--"
+
+"Haal me eerst mijn pijp, Bram!"
+
+"Ze is stuk, pa!" zei de knaap.
+
+"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn
+pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk."
+
+"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter
+gespeeld, en het roer gebroken."
+
+"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen!
+zeg ik."
+
+"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in
+het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder
+op haar kroost!
+
+"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die
+zijn groot gebragt om den pot te koken, om--"
+
+Bram was van de achterkamer weêr gekomen, met het _corpus delicti_ in de
+hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod
+had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand
+naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne
+opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.
+
+"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde:
+
+"En wie heeft dat gedaan?"
+
+Bram zweeg.
+
+"Spreek op jongen!"
+
+Bram bleef zwijgen.
+
+"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet
+bent.--"
+
+"Houd het er voor, pa!"
+
+Het was zóó ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader
+trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat
+vergoêlijkt het niet.
+
+"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om
+zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die
+ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--"
+
+De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar
+de achterkamer te gaan.
+
+"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar
+een' afleider toekende.
+
+Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de
+oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge
+mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog
+ongelukkiger worden?"
+
+Het werkte.
+
+"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles
+geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte,
+armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook
+thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken,
+dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen
+waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping,
+versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te
+worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het
+zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden
+en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog
+ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig
+er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het
+geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die
+plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de
+weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk:
+de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!
+
+Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking
+in genot.
+
+Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als
+Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop
+hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts
+toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich
+wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich
+ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde,
+failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger
+dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan
+was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking
+iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!
+
+"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren
+aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze
+schuld overkomen."
+
+"Wacht maar tot de raven het u brengen!"
+
+"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen
+Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..."
+
+"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg
+voor de boeken; maar--"
+
+"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?"
+vroeg Kaatje.
+
+"Zou het mijn pligt niet zijn?"
+
+"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd;
+ijlings viel hij haar in de rede:
+
+"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden
+nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij
+het krijgen? Daarbij, in deze kleêren zie ik er zoo schooijerig uit, dat
+niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik
+niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik
+kan bakker noch slager betalen ...
+
+"Als het dáár slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad,
+geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje
+schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij
+eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat
+vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden
+slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij
+het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht,
+--het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--"
+
+Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan
+aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer
+van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog
+gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.
+
+"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste
+aandenken aan uwe moeder.--"
+
+"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze
+zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had
+kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen
+moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je
+vragen, wat je hebt--"
+
+Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die
+in het hoofdstadje van eene onzer landprovinciën was geboren en opgevoed;
+Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het
+voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren
+--heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der
+bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den
+verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was.
+
+"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf
+gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze
+ook.--"
+
+Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner
+vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het
+zijne ooren niet geloofde.
+
+"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw
+..."
+
+"Een leugen, Maatje?"
+
+"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--"
+
+"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan,
+vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.
+
+Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene
+droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er
+heen als eene veêr, het komt weêrom als een steen." neen, dewijl ook hij
+een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen
+gaat, maar insluipt.
+
+"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze
+zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook
+nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag
+heb ik het veil, als gij weêr de oude wierdt, als ge mij liefhadt als
+weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--"
+
+Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij
+deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met
+geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan
+ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had
+aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken
+ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij
+beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw,
+de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter
+fatsoenlijke, eerlijke brave luî waren geweest,--en hij slaagde. Eer
+eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel
+beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin
+van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek
+brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde
+weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in
+de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie
+van Kaatje staande _Mozes_ en _Aäron_ leerde kennen, en haar verzekert,
+hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag
+zij:
+
+"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel
+ik er aan ben verpligt!"
+
+Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De
+betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft,
+en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne
+weder ontwaakt.--
+
+Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de
+jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te
+drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder
+wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--"
+
+Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het
+schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot
+verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd
+huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier
+verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne
+zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou
+mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur
+aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het
+lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak
+maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan
+menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke luî zijn er aan gewend, zich
+te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze
+wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden
+wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het
+goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is
+gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest.
+Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene
+heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen!
+--Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het
+regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend
+kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort
+in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het
+vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef
+gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?"
+
+Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte
+raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden
+huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort
+kantoorbedienden, oud vrijër per systema, en egoïst bij gevolg. Maar de
+mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een
+klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v.,
+laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop,
+zulke veêren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om
+dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_
+moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote
+klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit
+verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige,
+welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist
+dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer
+in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde
+van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge
+hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste,
+als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene
+ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle
+_table-d'hôte_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd,
+ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor
+eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij
+woû voor alles meê eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen
+plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor
+eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij
+toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den
+mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik.
+Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitué_ van elk koffijhuis was, en
+nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer
+naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de
+doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet
+kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan
+zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij
+anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige
+logementen, op mijn woord!
+
+Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen;
+hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den
+(toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.
+
+Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zóó trouw met
+den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in
+de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld ééns in de
+week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een
+treurspel. Al zijne meêwarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al
+de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich dáár des winters
+lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor
+aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen,
+Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en
+Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen
+zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer
+hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna
+een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad
+uitgewischt.
+
+_Probatum est!_
+
+Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden
+belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan
+antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde
+zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen
+Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte
+plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de
+kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem,
+eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende
+_uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de
+Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben
+gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in
+de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken
+stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij
+stoorde zijne illusie.--Eén bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen.
+Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij
+het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al
+zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna
+zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke
+treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?
+
+Ik heb de éénige poëtische zijde van zijn karakter in het licht gesteld,
+men vergunne mij te zeggen, de éénige plek aangewezen, waarop eenige
+soort van poëzij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel.
+Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd
+het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet,
+langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die
+hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte.
+_O obstructies! o hemorrhoïdes!_ Hammink--het motief was het vreemdste,
+het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat
+zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij
+had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een
+huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?
+
+Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer
+vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen
+om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er
+dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne
+jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weêuw had gevrijd, die rijk, zeer
+rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe
+konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare
+bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat
+hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet,
+al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den
+mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij,
+ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was
+laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde,
+hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit
+hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te
+overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs
+een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd
+mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze
+huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die
+beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch
+in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar
+een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets
+ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er
+maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche
+Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen.
+
+Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.
+
+Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan
+het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop
+toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een'
+kantoorbediende.
+
+Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als
+deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken;
+echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van
+alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke
+standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze
+tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der
+begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei
+dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks,
+wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u
+een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in
+dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet
+los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit
+huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel
+andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of
+omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding
+blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weêrzin opwekt.
+Verscheidenheid moge tot éénheid voeren, van elkander afkeerige
+elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar,
+trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot
+zich neêr; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene
+onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk,
+stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is
+almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de
+hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen,
+hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne
+herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet!
+Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer
+aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang
+verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne
+vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters
+dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij
+zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare
+jongens iets aêrs zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien
+zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het
+ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of
+de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin
+voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene
+--het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of
+haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in
+de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men
+begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder
+het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men
+kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u?
+
+Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de
+jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren
+leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den
+vóórherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men
+geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse
+van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de
+ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de
+klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een'
+komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem
+nemen wil, in één woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft
+aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor
+den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen
+van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit meê beschoten: eenige
+huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch
+degelijken stand geplaatst. Zóó behoort het--genadebrood is altijd hard,
+maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat
+allen zóó gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader
+is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen,
+om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het
+huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen,
+--daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun
+ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen,
+traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in
+de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok
+hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen
+versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw
+besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist
+de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner
+hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne
+kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij
+geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien
+zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die
+den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen
+"welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet
+werd gestoken, als het strijdros op het vóórplein van den burg trappelde,
+als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest
+zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster
+of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met
+zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk
+gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de
+grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en
+hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene
+wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw.
+
+Eene vergelijking uit onzen tijd!
+
+Er gaat in den ganschen lande maar ééne stem op over de bureaucratie,
+welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd
+verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid
+van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak
+geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen-
+kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te
+durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden
+werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die
+meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur;
+den pennelikker, die niet, als de geëmploijeerde, gegronde hoop
+koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks
+onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem
+aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen
+tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen
+rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den
+donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger
+geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er
+bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te
+weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog
+met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.
+
+Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt,
+eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan,
+schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang
+het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste
+jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och,
+dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het
+opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het
+licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen
+van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders,
+misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze
+begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude
+knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs
+werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij
+heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken
+uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar
+dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met
+voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde,
+toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen
+wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos
+speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als
+gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe
+toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid
+van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een'
+onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die
+oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor
+u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij
+wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in
+de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen,
+burgerlijken man lief!
+
+"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats
+aan den lessenaar ledig ziende.
+
+En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene
+halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene
+uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt
+geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene
+drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof
+gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn
+salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij
+getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs,
+dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de
+Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig
+jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En
+het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner
+kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er
+van zijne vier dochters meer dan ééne enkele gehuwd was. Stel u gerust,
+de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes
+verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten
+minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.
+
+Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!"
+
+De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in
+lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk
+tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte,
+dat hij zich op het kantoor weêr van zijn' pligt kwijten kon,--die de
+ziekte verergerde door het ongeduld.
+
+"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke
+denkt hij niet.
+
+Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is
+hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest,
+--de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog,
+toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt
+heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte,
+deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die
+Loman zou napluizen, moet dan maar weêr een veertien dagen rusten;--de
+jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene
+flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd,
+om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den
+ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.
+
+Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge
+zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!
+
+Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan
+anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en
+aêmechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van
+hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor
+het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde,
+voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man
+steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er
+aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.
+
+Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.
+
+Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar
+voorgaan--ik spaar u het overige.
+
+Den vijfden zei de patroon:
+
+"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig
+meer an je."
+
+Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen,
+eer hij er bijvoegde:
+
+"Je salaris blijf je trekken."
+
+O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst
+ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de
+aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het
+tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar
+wegzinking van oogen en waggeling van knieën, maar beving der handen en
+trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of
+ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het
+ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de
+stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid
+schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken,
+toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs
+gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker
+verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne
+voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten,
+"jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!"
+
+Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen,
+schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren
+leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig
+loons en veel ondanks.
+
+Welk een leven!
+
+Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste
+bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat
+ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken
+idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn
+doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk vóór te komen.
+
+Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te
+vragen, of ik éénigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan
+dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige
+ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou
+zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het
+zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt;
+waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken
+is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de
+leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan
+een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft
+er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit
+den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der
+gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water,
+aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik
+ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij
+dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het
+twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan
+gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die
+aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch
+wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men
+elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij
+in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele
+waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des
+huizes, dat zóó zijn' feestdag vierde, de jongeluî van het kantoor tot
+zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde
+ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden.
+Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als
+de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder
+onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins
+verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam,
+dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs
+partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der
+bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik
+prijs.
+
+Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der
+klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de
+natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene
+niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in
+zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te
+smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek
+bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven
+klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin
+voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik één hunner een zweem van aanleg
+bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene
+--dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk
+genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis à vis_ brievendekkers en
+loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een'
+landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist?
+Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie
+beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt
+naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme
+wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem
+opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een'
+Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de
+dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening?
+Het zou onedelmoedig ten opzigte der koopluî, het zou onwaar jegens de
+maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--òf schitterende als
+de zon,--òf kwijnende als de maan,--òf schemerende als eene ster,--òf
+--wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich
+vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en
+bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten
+toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet
+tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben
+slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk
+te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren,
+om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard
+te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele
+bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat
+staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!"
+als de patroon er zijne zaken aan geeft.
+
+Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u
+zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten
+slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid
+in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde
+ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt,
+ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in
+deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig
+wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen,
+door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten,
+"medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede
+vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts
+neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,"
+is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men
+sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen
+wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de
+andere op, zooals Isaäc Abraham en Jacob Isaäc; en mijn onderwerp eischt
+alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie,
+eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen
+en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie
+in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei
+kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en
+stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds
+en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe,
+dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp:
+"'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang
+bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe
+schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende
+lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!"
+--louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al
+leerden napraten: "oost west, t'huis best!"
+
+Eén voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met
+den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne
+bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken;
+maar jullie, jonge luî, blijft je jaarwedde behouden tot je dood."
+
+Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt
+--waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets
+anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man
+leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al
+zijnen glans, nooit weêr zóó groote voldoening gesmaakt, als op dat
+oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.
+
+Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zóó
+onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit
+overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag
+is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene
+keuze tusschen tweeërlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde
+of geletterde maatschappijën verdient uit te lokken: "wat is beter,
+_lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat
+zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder
+een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te
+verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een
+eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten,
+die jongeluî zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen.
+Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier
+schouders zich nog niet kromden, wier knieën nog niet knikten, maar
+de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve
+onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den
+volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!
+
+Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer
+letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit
+opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders
+schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die,
+waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo
+verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had
+uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen
+staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van
+het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeën; in spijt
+der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor
+en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te
+verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad,
+--ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken,
+door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den
+staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen;
+gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te
+brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in
+aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten
+einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het
+tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen,
+meent ge, te schamen, zeggen wij.
+
+Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig
+hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen,
+bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij
+onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen
+der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den
+vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen
+van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciërs--lust in één woord,
+andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval
+te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner
+denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het
+gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te
+streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog
+gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten
+van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden
+onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben
+wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige
+lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling
+afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw
+in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde.
+Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare
+drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken
+merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen
+het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en
+de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt,
+onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met
+verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het
+voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit
+voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.
+
+Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke
+in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen
+duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding
+van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge
+wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd
+ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet
+faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken
+deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden:
+Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige
+volken?--Koloniën?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog
+rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent
+reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert
+hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders
+van schuldbrieven van schier alle natiën, en van die der onze niet het
+minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te
+over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij,
+dewijl zij schier de éénige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide
+koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou
+geworden zijn, bij de slaperigheid van vóór het jaar 1830, als koning
+Willem I den interest der actiën bij de oprichting niet had gegarandeerd,
+en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij
+vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel
+verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard
+der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in
+deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt,
+treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren,
+welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding
+van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom,
+--Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land,
+en wij zullen zien--doch ik mag niet weêr afdwalen, ik herhaal liever
+mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken,
+wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad
+in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche
+huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en
+doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!
+
+Er is nog iets.
+
+Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen
+regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met
+"eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene
+lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt,
+waar zij beginsel is geworden, dáár heerscht verband tusschen het werk,
+dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in
+commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke
+men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het
+vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier
+behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij
+John Bull; maar hij heeft eenige reminicentiën van de dagen, toen hij
+monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in
+aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wèl zou
+doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het
+wijsheid toe te zien eer het te laat is.
+
+Zonen van goeden huize, vermogende jongeluî, die klaagt over gebrek aan
+zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat
+belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan?
+--het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld
+braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo
+menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon
+zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken
+in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland,
+verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij
+hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het
+zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te
+knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van
+u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot,
+aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan
+een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet
+reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen?
+--Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle
+sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven,
+nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor
+nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls
+gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt
+verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee vóór u ziet, de zee, waaraan
+ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed,
+zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord:
+Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!
+
+Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen
+eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig
+als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het
+van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt
+alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde
+nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die
+zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een
+ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge
+lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na
+volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten
+einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog
+de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld
+aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den
+geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep
+gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?
+
+Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons
+vóórgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van
+voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en
+waarschuwt haar: ach! dat zijne poëzij geene profetie ware geweest:
+
+ Want nergens is zoo veil
+ De niet verwachte val, als op de toppen steil:
+ Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken
+ Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken.
+ Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet
+ Al wat verbastering der oude zeeden goedt;
+ En, om het snood gewin, in last de goede wetten.
+ Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten.
+ Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.
+
+1842.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+MARIE
+
+
+"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den
+verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister
+bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter
+ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden;
+een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve
+te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef
+dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te
+ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar
+vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de
+onheilsstar, die
+
+ _En des jours ténébreux a changé ces beaux jours_.
+
+Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de
+hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was,
+ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak
+begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij
+er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen
+langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog
+zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog,
+half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich
+door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever
+over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde
+zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor
+omzoomt.
+
+En ik verbeidde.
+
+Dáár plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te
+wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid
+als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om
+de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts
+zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere
+kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen
+aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had
+Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer.
+Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke
+oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan
+werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter
+de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een
+tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend
+woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke
+ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane
+verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren
+haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de
+wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het
+openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen
+_logé_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar
+toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel!
+Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen
+op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met
+de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter
+bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den
+huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van
+statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik,
+op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst
+den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen,
+--den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van
+korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?
+
+Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge,
+slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de
+trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt
+door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden.
+
+"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat
+gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in
+onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan
+de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den
+eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen.
+Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer
+smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of
+wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der
+vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers
+overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den
+cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke
+naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog
+iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar
+als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der
+jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den
+opschik, die hunne lompen van gisteren verving:
+
+ _Beaux parvenus, honteux de leur famille_;
+
+baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang
+gebrek te hebben geleden:
+
+ Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;
+
+als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik
+in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!"
+
+Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen
+geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben
+gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der
+_patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen,
+als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods
+of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste
+
+ Van top tot teen,
+
+dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de
+betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets
+vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter:
+"wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer
+gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem
+lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van
+Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige
+straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide
+Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En
+hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester,
+als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne
+verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig,
+oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de
+hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het
+leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur
+en zilver, blaauw met wit, als men zegt.
+
+Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne
+lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde
+kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!"
+Zilver op azuur, leliën en starren op een hemelsblaauw veld, wat is
+smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van
+mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar
+verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger
+van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen?
+"Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u
+antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen
+verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer
+historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en
+de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke
+geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een
+ander Venetië, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen
+geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geëerbiedigd, nadat hunne
+voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot
+van werelden beslisten.
+
+Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de
+vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil.
+Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een
+onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de
+heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw
+van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een
+ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger
+hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos,
+schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:
+
+"Mijnheer!"
+
+Ik reikte haar de hand.
+
+Was er eene klove tusschen ons?
+
+Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.
+
+"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman.
+
+Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er
+digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok.
+
+"Mijnheer!" zeide zij nog eens.
+
+"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad
+zeggen.
+
+De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.
+
+Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk
+eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van
+deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik
+aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van
+Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van
+den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid
+tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet
+aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En
+
+ Zei mama
+
+Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!
+
+ Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?
+
+Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde
+mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit.
+
+Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen
+mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.
+
+"_Fi donc, Amy!_" riep zij.
+
+"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik.
+
+"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.
+
+Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over
+het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en
+Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie.
+De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weêrhield door de stijve
+houding, waarmede zij de _gants à jour_ voor een oogenblik uittrok, om
+een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte
+operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te
+schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die
+haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een
+paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die
+in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het
+heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos
+opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk
+gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid
+op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord
+mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar
+noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het
+meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt
+te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had
+gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op
+den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren,
+waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin
+hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest,
+mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde?
+waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan
+die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde,
+pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo
+gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij
+te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen!
+Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde
+zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide:
+karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets
+welluidends meer.
+
+O gemaaktheid!
+
+Vermoedt gij hare oorzaak niet?
+
+Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u
+zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms
+aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt
+toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig
+Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart
+lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat
+velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare
+leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij
+uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der
+muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van
+een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt
+zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade
+smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij
+eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den
+weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister
+en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters
+en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van
+moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen
+redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor
+gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon
+in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het
+onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische
+klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken
+harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen?
+Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles
+wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men
+zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker:
+het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene
+buitenlandsche gouvernante heeft.
+
+"_Merci, ma chère!_"
+
+Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp,
+als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig
+stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het
+zand; Marie raapte het op.
+
+"_Bien obligé, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om
+gebogen.
+
+En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg,
+haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.
+
+"Hoe, mijnheer?"
+
+"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt."
+
+"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind.
+
+"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chère_," hernam mademoiselle.
+Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te
+regt wijzen.
+
+"_Je suis charmée, monsieur_," voer zij tot mij voort.
+
+Maar ik was _à mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering;
+want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _française_ u
+betoovert.
+
+En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het
+eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade
+heeft.
+
+"_Non, Monsieur_."
+
+"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik.
+
+"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre
+paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_."
+
+"_Si, monsieur_."
+
+"Dus ook _à sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven.
+
+Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg
+haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.
+
+"_Ma grand'mère_," begon ik.
+
+"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke
+eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.
+
+Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig
+karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_,
+om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen
+"uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De
+wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de
+bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een
+geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de
+gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst,
+die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt.
+Gouvernantes uit alle natiën zijn beklagelijke schepselen; indien één
+toestand, de hare is valsch.
+
+Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het
+is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te
+gemoet:
+
+ Eerzucht kiest in onschulds dreven
+ Vroeg hare arglooze offers uit!
+
+Ik heb kennissen, die op hun drieëntwintigste jaar, in den schoot der
+weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles
+moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de
+_professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van
+de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de
+school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke
+van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar
+wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve
+kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen
+over de leerlingen doen deelen.
+
+Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt,
+tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de
+teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd.
+Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat
+geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met
+een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen
+mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar
+des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en
+vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen
+leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand.
+"De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig.
+Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag
+noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid
+van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van
+zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen,
+overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de
+onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en
+volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste
+voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag,
+zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn
+verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem
+buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur
+smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan,
+voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord
+_beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere
+beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg
+neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij.
+
+Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst
+der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen.
+Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt;
+zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse
+hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt;
+zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse
+haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare
+eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_
+der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts
+drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk
+gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste
+postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden
+Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme
+gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar
+rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer
+heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel
+
+ den Ilias van plagen
+
+niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van
+de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient,
+wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel
+haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig
+zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den
+disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat
+zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt
+bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft?
+Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe
+zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke
+uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo
+twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld.
+Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen
+had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-,
+twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize,
+indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen
+die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe
+worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt
+zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar
+verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u
+kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij
+blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eíschen, dat gij lief,
+vrolijk, goedhartig zoudt zijn?
+
+ "_Sad melancholy mark'd you for her own!_"
+
+Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.
+
+"_Si mademoiselle veut me permettre?_"
+
+"_Oui, ma chère_."
+
+Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de
+gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over
+hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisée Marie_ ..."
+
+Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend
+toegezwaaide lof maakt mij kregel.
+
+"_Jusqu'à lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en
+voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en
+est au système et non à vous, mademoiselle!_"
+
+De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde
+jongen was een knap officier geworden.
+
+_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast,
+een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten
+zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er
+allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.
+
+"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de
+bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar
+weêrzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik.
+
+En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.
+
+"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden
+waren voortgewandeld.
+
+"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer."
+
+"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!"
+
+Eene pauze.
+
+"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen."
+
+"O, zij is zeer goed!"
+
+"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est très bonne_. Doch
+gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?"
+
+"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..."
+
+"Wat, mejufvr ..."
+
+"_Miss_ Hannah More."
+
+"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der
+britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude
+vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het
+uit?
+
+"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter
+kerk?"
+
+"Altijd, mijnheer."
+
+Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der
+episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem
+onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke
+avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon
+eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litaniën
+bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig
+vormen zijn!
+
+Er volgde weder eene pauze.
+
+"Welk een oord!" borst ik uit.
+
+Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene,
+schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u
+zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er
+aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen
+staan. Maar Marie schetste de plek vóór jaren, met een woord.
+
+Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad,
+dat derwaarts voert, inslaan.
+
+"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! dáár woont de
+stilte."
+
+En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer
+phantasie te bewonderen.
+
+"Dáár woont de stilte!"
+
+Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het
+zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf
+weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk
+door hunne roerlooze rust.
+
+Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon.
+
+En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele
+waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik
+verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene
+wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche
+gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.
+
+Daar ging de veêr van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie
+bloosde.
+
+"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?"
+
+En zij bloosde sterker.
+
+"Ha! eene eerste liefde," dacht ik.
+
+"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort.
+
+O opvoeding!
+
+Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de
+dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle
+pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel
+naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk
+in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan
+uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie,
+historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd,"
+verliepen.
+
+Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.
+
+Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_.
+
+En toch heb ik nog iets op het hart.
+
+Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor
+één van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter.
+Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne
+het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude
+kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word
+liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner
+vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij
+heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam
+en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van
+schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen
+onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele
+vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en
+over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende
+toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden
+is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde
+zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te
+humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge
+mij niet toeroepen:
+
+ "Ah! n'allez pas chercher midi
+ A quatorze heures!"
+
+zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den
+huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland
+zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon
+geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van
+haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.
+
+Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.
+
+Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met
+deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde,
+schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker,
+gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid,
+dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het
+leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden
+beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe
+wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten
+van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een
+gruwel. Ik laak het niet,
+
+ Dat zich door alle weêr en winden.
+ Eenvoudige welmeenendheid
+ Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;
+
+de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein
+hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts
+zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van
+het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de
+mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten
+onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid
+terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik
+heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag
+niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in
+de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig
+leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af;
+wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet?
+Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in
+iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.
+
+En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij
+_vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt,
+--dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar
+eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om
+kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van
+vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke
+herstellende.
+
+ Denn ein geschäftiges Weib thut keine Schritte vergebens,
+
+mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf
+onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin
+wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak
+voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der
+boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat
+onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer
+sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets
+stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet
+verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het
+haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep
+overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en
+eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen
+uitdrukken, dan in zijn hexameter:
+
+ Lieblich und schön seyn ist nichts; ein Gottesfürchtiges Ehweib
+ Bringet Lob und Segen!--
+
+ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en
+geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere.
+
+Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen,
+indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!
+
+En zij zelve!
+
+Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder
+voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden
+zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen,
+uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei
+weêrstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende,
+vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde
+de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste
+gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest;
+u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste
+geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van
+het schild, waarmede de welwillendste aller feeën u in het tweede
+voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie
+ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij
+verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort
+mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen
+aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren
+onderscheiden, de heelende van de vergiftige.
+
+En nu?
+
+Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid,
+moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het
+hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen
+rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om
+u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij:
+den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weêrstand kan
+bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken,
+als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder
+bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot
+gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil
+zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder
+verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne
+jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat
+gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.
+
+En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken
+raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften
+ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.
+
+Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven
+vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?
+
+
+1839.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+DE EZELINNEN
+
+(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)
+
+
+Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet
+op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender
+en veelzijdiger poëzy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren
+dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en
+aarde, buiten!
+
+Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid,
+uit het venster de straat op en afdolende, vóór het invallen der
+schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber
+stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij
+wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met
+haren drijver.
+
+Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie,
+welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi
+te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes vóór de deur van mijnen
+overbuurman zag stilhouden,--òverburen, die ik wat meer kende, dan men
+het gewoonlijk zijne nááste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er
+krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij
+zelven:
+
+"Geen van beide."
+
+Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben
+geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen;
+beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben
+gelezen.
+
+Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de
+twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te
+zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping
+verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen,
+als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een
+vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop
+van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de
+minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid
+ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los
+gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven
+breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander
+blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst
+achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik,
+verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den
+top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog
+wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor
+hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongeluî als we
+waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_
+toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen
+spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij,
+--ja, wat niet al!
+
+Vóór drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning
+binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd
+vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_
+oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half
+_lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos,
+hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling
+van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en
+heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?
+
+"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geëngageerd ben," zei hij,
+dood bedaard.
+
+En wij waren elkaâr reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te
+vragen:
+
+"En met--?"
+
+"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.
+
+Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge
+begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de
+tong kwam:
+
+"Dat is anders dan met Elise--"
+
+"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraséologie, waartoe hij reeds
+dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje,
+zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet
+zóó ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het
+practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch
+iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich
+verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd
+geweest.
+
+En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn
+overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst
+paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaämgekoppeld als het was,
+aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de
+aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij
+een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te
+komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den
+oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die
+niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!
+
+Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval,
+--waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet
+zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen.
+Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de
+uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn
+naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter dáárin had bestaan, dat
+de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise,
+levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar
+Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet
+te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der
+graauwtjes vóór mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun
+huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van
+haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zóó
+iets weigert men niet.
+
+Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet
+over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het
+verzweeg.
+
+Vóór alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking
+weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door
+haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat
+hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor
+die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde,
+onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge
+kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig
+maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling
+van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij
+beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school
+had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te
+ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weêr te trouwen?
+
+En de ceremonie!
+
+Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks-
+voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den
+burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn,
+als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden
+geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is
+in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor
+geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel;
+maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze
+Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands
+God is!
+
+Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk
+kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden
+spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een
+afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen,
+het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van
+Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van
+ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.
+
+En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer
+trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen.
+
+De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid
+nazaten van _réfugiés_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het
+onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De
+mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de
+huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.
+
+Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook dáár geene tranen in hare oogen
+kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zóó hartstogteloos,
+zóó kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het
+_pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe
+beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij
+voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer
+aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen
+intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder
+neêrvlijdde.
+
+En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch
+wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt,
+al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der
+ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het
+venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.
+
+Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal
+bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!
+
+Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar
+gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant
+aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg
+zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde
+in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine
+mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken
+kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise
+droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare
+oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten
+gevoelen, dús gevestigd, zóó gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die
+kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag
+er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig,
+ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten
+satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder
+statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige
+evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt
+gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne
+gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe
+lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer
+begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.
+
+"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij
+die woorden invielen bij de leêgte van al de pracht, voor welker
+verzoeking Pieter was bezweken!
+
+Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij
+eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad
+andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat
+in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid
+hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek
+kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde;
+hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen
+dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik
+te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene
+figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was
+niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer
+gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid,
+die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den
+kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van
+het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde,
+dat kinderen zóó ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren.
+Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid
+haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de
+zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf;
+hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar
+gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk.
+
+Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft
+getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de
+uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!
+
+Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil
+stonden?
+
+Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert
+zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de
+arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.
+
+Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang
+op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver
+met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte
+Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens
+ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg
+gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende
+onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!
+
+En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de
+mijmering, waartoe zij uitlokten:
+
+Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poëzy schuilt dan in het
+van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt
+bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks
+zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des
+krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot
+en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne
+oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den
+sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de
+wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst
+begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers
+leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de
+wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten
+om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin
+van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings
+zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste
+driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het
+graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige
+leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen
+schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of
+rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er
+is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den
+jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen:
+liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de
+bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de
+kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de
+lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als
+hij scheuren moest--de éénige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou
+los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar
+vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking
+voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed
+werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de
+vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de
+volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe
+verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan
+haren boezem ontglipt:
+
+"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"
+
+Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had
+gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in
+zijn' stoel vóór het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en
+sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare
+bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet
+uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord
+te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat
+gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het
+plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van
+achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij
+het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten
+zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen,
+daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in
+het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken
+werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik
+de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen
+hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende
+armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide
+ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed!
+Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne
+en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan
+hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten
+in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?
+
+De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene
+wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs
+naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare
+smarte haar prachtig huis weder ingetreden.
+
+De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar
+eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het
+dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de
+luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun éénig kind.
+
+Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag
+ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend,
+scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van
+bewustzijn--door op te zien!
+
+En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar
+Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte
+die.
+
+"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij
+gestraft in mijn kind!"
+
+Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen
+laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te
+hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat
+kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde
+van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde,
+nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is
+zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen
+pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als
+de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen,
+als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet
+aarzelen voort te gaan.
+
+Welke?
+
+Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige
+betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde
+banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid
+ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne,
+dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zóó bestonden als ik
+die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw
+beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken
+toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te
+vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_,
+waarvan niemand te onzent hinder heeft!
+
+
+1842.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+HANNA
+
+(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)
+
+
+Het was zaterdagavond vóór Kersttijd, en in eene kleine woning op
+Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam
+verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge
+vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht,
+staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:
+
+"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."
+
+Waarom schemerde het der peinzende?
+
+Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde
+verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde,
+in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft
+uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille
+bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van
+haar, èn de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de
+Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, én de zin
+voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk,
+het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd.
+Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier,
+dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook
+is weêrvaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige
+Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe
+analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed,
+dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt.
+We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele
+woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden
+willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze
+lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde
+woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij
+te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken
+hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling
+vertolkte de bede:
+
+"O, hoe blijde zou ik zijn!"
+
+Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben
+benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als
+schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik
+u Hanna vóór twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als
+zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare
+moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar
+vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom
+zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur
+ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig
+wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten
+sluit? Slechts nog één trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort,
+die mij niet minder walgt dan u; slechts nog één trek, en ik zal uwer
+verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis
+gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele
+ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der
+uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde,
+haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in
+dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij
+gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars
+treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere
+kijkers, haar goêlijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers
+verraste. Dáár stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het
+Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking
+tot de weleer heerschende kerk;--dáár ontmoetten zij haar, de
+burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van
+Speyk te goed doen, en wèl mogen zij het;--dáár omringden beiden haar,
+de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke
+liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle
+onderscheidende kleederdragt het maakt--dáár zagen de wilden de gesmade
+Aalmoezeniersweeze vóór zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam
+op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom
+bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun
+zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger,
+verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard,
+welke hen weêrhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de
+kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des
+harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poëten toegedicht
+--ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd
+zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-
+hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste
+tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe
+helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.
+
+"Eene knappe meid!" zei de oudste.
+
+"Het arme kind!" zei de jongste.
+
+En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks één' schalk aan onder
+tien schreeuwers.
+
+En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw
+hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't
+welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders
+hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest
+waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!...
+En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der
+huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd;
+maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust,
+niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden
+haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving,
+onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen
+duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk
+voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag
+mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt
+kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer
+moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het
+woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie
+van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem
+geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En,
+zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid
+bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had
+ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was
+toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij
+dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding
+haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei
+der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens
+onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl
+ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik
+een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich
+harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's
+wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan,
+dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl
+ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en
+bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter
+waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving
+afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat
+haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger
+--weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts
+weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieën
+aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord
+genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven
+nà dit leven ware!
+
+Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.
+
+Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een
+smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik
+haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer
+vrijerij schuldig.
+
+Welaan dan!
+
+Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand
+er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken,
+en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar
+zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van
+mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van
+onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid,
+wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms
+bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet
+even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis!
+En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne
+openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls
+u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche,
+belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne
+behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge
+hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de
+Amsterdamsche gemeente te liever om.
+
+Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad
+gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak
+uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was,
+meêlijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij
+zelve teekenen moogt.
+
+"Kind," zeî Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik
+je moeder was."
+
+Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen
+in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de
+verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al
+haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader
+beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij
+slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk
+volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of
+zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!
+
+"Als er geene smet op die meid rustte," zeî Jan, de koetsier, "dan zou
+zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."
+
+"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking
+hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.
+
+Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt
+geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje
+een kippetjes leven leiden, kind! wie wèl doet, wèl ontmoet," maar onze
+kennis, zij weêrlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde
+slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op
+hare muiltjes zoude gaan.
+
+En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen
+uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die
+krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om,
+en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette,
+den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het
+breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij
+allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich,
+uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den
+ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een
+tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden
+verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan
+slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste
+is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare
+betuiging besloten.
+
+Het was avond in den vóórwinter, acht of negen jaren geleden; de kat
+bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna
+was bij haar:
+
+"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan
+mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het
+zelve doe, het gaat niet meer."
+
+En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ...
+
+Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts
+op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den
+binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld
+zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!
+
+"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar
+vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om
+de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de
+bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd
+vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers,
+bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene
+zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit
+getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs
+nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft
+gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene
+jeugd overleefd.
+
+"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield
+Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene
+klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo
+lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou
+hebben gekust.
+
+"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen'
+zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om
+hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar
+van tehuisbrengen willen hooren!
+
+"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen
+had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de
+gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.
+
+En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert
+gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar
+iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter
+ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat
+Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een'
+Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat
+het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op één haartje stond, wiens
+halsdoek fladderde.
+
+"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de
+schreeuwleelijkert ging over.
+
+"God zij met je!" snikte Hanna.
+
+Daar deed de kameraad haar open.
+
+"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait
+het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand
+gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere
+gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.
+
+En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de
+zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben
+vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt
+hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt
+de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te
+zwijgen, dat je beloofd hebt je vóór zijne terugkomst niet te zullen
+verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna
+dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:
+
+"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief!
+Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als
+een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--"
+
+Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen
+betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog
+altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden
+toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.
+
+O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt
+naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt,
+hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft
+mij de uitdrukking, _à pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij
+in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar
+verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar
+geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld,
+versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij
+Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt
+gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens
+op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke
+plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls
+verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde,
+_cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist,
+terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen
+keerkringsnacht om zich zag.
+
+De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.
+
+Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven,
+toen hij, van een' derden togt naar Indië teruggekeerd, haar verraste,
+een kind, een knaap aan de borst!
+
+Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de
+verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien
+schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel
+gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven
+verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer
+geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten!
+Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder
+zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die
+schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van
+zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang
+scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus,
+die hem de armpjes toestak!
+
+Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart
+haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poëzij des harten,
+niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een'
+braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien
+naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wèl bij
+elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht
+boven, licht rondom ons."
+
+"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing
+des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de
+eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."--
+
+Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.
+
+En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen
+met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel
+blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij
+reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het
+schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen
+zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het
+lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ...
+
+En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar
+laat ons Bart zelven laten spreken.
+
+"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat
+behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo
+angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik
+maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, vóór ik heenging, zei,
+dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen
+kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe
+je mij zeî, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had
+gemaakt, als ik je eens niet weêr zag? Toen wou ik er niet van hooren,
+dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en
+schelpen meê zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar
+is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader
+hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen
+ik weg ging, nu is het: "vaêrtje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak,
+toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de
+vierentwintigste September--"
+
+"Toen ben ik bevallen, Bart!"
+
+"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?"
+"Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging
+naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En,
+Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik
+ben--al kon ik in de kerk den Dominé meestal in het bidden niet volgen,
+ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen
+zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne
+gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit
+worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel
+bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof,
+die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou."
+
+Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!
+
+"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar
+vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier
+ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De
+woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo
+achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij
+ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje
+deed, die ik niet weêr zal zien, vóór in de eeuwigheid--" die woorden
+gingen te loor in een' zucht.
+
+En waarom?
+
+Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de
+schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?
+
+Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare
+kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes
+verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid
+hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort
+dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeûw Sint
+Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die
+vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeûw ...
+
+Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!
+
+En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond vóór Kerstijd zijn negentien
+dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht.
+
+Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?
+
+Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan
+honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt
+schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort
+hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland
+leêg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het
+gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten
+heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der
+wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of
+verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der
+West-lndiën in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van
+het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden,
+hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den
+Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op
+zijne bietekroten, èn Oost-Zee èn Zwarte Zee begroeten om strijd koffen
+en brikken met de gelouterde suiker van Java belaân. Willen wij
+voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de
+smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het
+gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen
+van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde
+schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een
+verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de
+welvaart des volks er aan verknocht!
+
+Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip
+van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk
+afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch
+reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen
+wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe
+aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het
+onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo
+vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken
+door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het
+dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de
+carga reeds opsomden, ieder voor zich een zóóveelste. Het jaagt de
+vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder
+welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de
+kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de
+Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier
+schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot
+de ministers van koloniën en van financiën, tot de hoogste ambtenaren
+der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op
+de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den
+koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van
+zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken,
+waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten,
+in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende
+slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmeê het in aanraking
+kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde,
+--luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en
+stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weêr opdaagt,
+--beladen als het werd met de weelde van het Oost!
+
+En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een'
+blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw
+welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren
+nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen
+lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan
+ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden
+erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van
+redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den
+schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken
+angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!"
+op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot
+onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen,
+--ach, mijne Hanna!
+
+Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze,
+voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar
+schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde
+zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het
+onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta,
+het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg.
+Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging
+zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam
+ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met
+hare onschuld!" zeide zij.
+
+En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren
+Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neêr
+kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld.
+Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem
+rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:
+
+"Och, dat hij klopte!"
+
+Hoe zij luistert!
+
+Vergeefs!
+
+"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"
+
+Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse
+als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich
+buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die
+u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat
+van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te
+verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:
+
+"Uw wille geschiede!"
+
+
+1843.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+INHOUD
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+ I 't Passeren der Linie
+ II Roeltjen uit de Bontekoe
+ III Louw en de Waarzegster
+ IV De Zeilwagen van Prince Mouringh
+ V Machteld
+ VI Papegaaijen-deuntjen
+ VII Wijs Klaertjen op 't ijs
+ VIII Inkeer
+ IX Jan Compagnie
+ X Dieuwertjen
+
+
+ VERHALEN:
+
+ Blaauw Bes, Blaauw Bes!
+ 't Is maar een Pennelikker!
+ Marie
+ De Ezelinnen
+ Hanna
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+***** This file should be named 16842-8.txt or 16842-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16842/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/16842-8.zip b/16842-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..e964994
--- /dev/null
+++ b/16842-8.zip
Binary files differ
diff --git a/16842-h.zip b/16842-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..920a583
--- /dev/null
+++ b/16842-h.zip
Binary files differ
diff --git a/16842-h/16842-h.htm b/16842-h/16842-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..23f200a
--- /dev/null
+++ b/16842-h/16842-h.htm
@@ -0,0 +1,7739 @@
+<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN">
+<html>
+ <head>
+ <meta http-equiv="Content-Type" content=
+ "text/html; charset=iso-8859-1">
+ <title>
+ The Project Gutenberg eBook of Liedekens van Bontekoe, by E.J. Potgieter.
+ </title>
+ <style type="text/css">
+ <!--
+ * { font-family: ;}
+ P { text-indent: ;
+ margin-top: .75em;
+ text-align: justify;
+ margin-bottom: .75em; }
+ H1, H2 { text-align: center; color: #800000 }
+ H3,H4,H5,H6 { text-align: center; }
+ HR { width: 33%;
+ margin-top: 1em;
+ margin-bottom: 1em;}
+ BODY{margin-left: 10%;
+ margin-right: 10%;
+ background: #FAEBD7;
+ }
+ .linenum {position: absolute; top: auto; left:
+4%;} /* poetry number */
+ .note {margin-left: 2em; margin-right: 2em;
+margin-bottom: 1em; font-size: 8pt} /* footnote */
+ .blkquot {margin-left: 4em; margin-right: 4em;}
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; right:
+100%; font-size: 8pt; justify: right;} /* page numbers*/
+
+ .poem {margin-left:10%; margin-
+right:10%; text-align: left;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem p {margin: 0; padding-left: 3em;
+text-indent: -3em;}
+ .poem p.i2 {margin-left: 2em;}
+ .poem p.i4 {margin-left: 4em;}
+ .poem .caesura {vertical-align: -200%;}
+ // -->
+ </style>
+ </head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+ Blaauw bes, blauw bes!&mdash;'T is maar een
+ pennelikker!&mdash;Marie&mdash;De ezelinnen&mdash;Hanna
+
+Author: E.J. Potgieter
+
+Release Date: October 9, 2005 [EBook #16842]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+
+
+
+Produced Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+
+<!-- Autogenerated TOC. Modify or delete as required. -->
+ <b>LIEDEKENS VAN BONTEKOE</b><br>
+ <br>
+ <a href="#'T_PASSEREN_DER_LINIE">I 'T PASSEREN DER LINIE</a><br>
+ <a href="#ROELTJEN_UIT_DE_BONTEKOE">II ROELTJEN UIT DE BONTEKOE</a><br>
+ <a href="#LOUW_EN_DE_WAARZEGSTER">III LOUW EN DE WAARZEGSTER</a><br>
+ <a href="#DE_ZEILWAGEN_VAN_PRINCE_MOURINGH">IV DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH. 1600.</a><br>
+ <a href="#MACHTELD">V MACHTELD</a><br>
+ <a href="#PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN">VI PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN</a><br>
+ <a href="#WIJS_KLAERTJEN_OP_'T_IJS">VII WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS</a><br>
+ <a href="#INKEER">VIII INKEER</a><br>
+ <a href="#JAN_COMPAGNIE">IX JAN COMPAGNIE</a><br>
+ <a href="#DIEUWERTJEN">X DIEUWERTJEN</a><br>
+<br>
+ <b>VERHALEN</b>
+<br><br>
+ <a href="#BLAAUW_BES_BLAAUW_BES">BLAAUW BES, BLAAUW BES!</a><br>
+ <a href="#T_IS_MAAR_EEN_PENNELIKKER">'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!</a><br>
+ <a href="#MARIE">MARIE</a><br>
+ <a href="#DE_EZELINNEN">DE EZELINNEN</a><br>
+ <a href="#HANNA">HANNA</a><br>
+
+<!-- End Autogenerated TOC. -->
+
+<h1>LIEDEKENS VAN BONTEKOE</h1>
+
+<h3>door</h3>
+
+<h2>E.J. POTGIETER</h2>
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+<h1>VIJF NOVELLEN:</h1>
+
+<h2>(BLAAUW BES, BLAAUW BES!&mdash;'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!&mdash;MARIE&mdash;DE
+EZELINNEN&mdash;HANNA)</h2>
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="LIEDEKENS_VAN_BONTEKOE"></a><h2>LIEDEKENS VAN BONTEKOE</h2>
+<br>
+
+<p>Aan de kant van de Revier komende daer de
+Praeuw lag, stond daer een hoop Inwoonders;
+en haperden geweldig tegen elkander; het
+scheen dat de eene wilde hebben dat ik voer
+en de ander niet. Ik greep een of twee uit den
+hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw
+toe, om te varen gelyk of ik noch Meester was, en ik was
+boven half Knechte niet. Sy sagen er soo vreesselyk uit als
+Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee gingen met
+my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander
+voor: elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy
+hadden elk een Kris op haer syde steken, synde een geweer
+of het een Ponjaerd was, met vlammen. Doen wy wat gevaren
+hadden, kwam de agterste na my toe, want ik sat midden in
+de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in
+myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem.
+Hy stond en bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde;
+doch nam het ten lesten, en wond het in syn Kleedjen dat
+hy om syn middel hadde, de voorste siende dat syn Maet
+wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my dat
+hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een
+kwartjen uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en
+bekeek het mede, 't leek dat hij in twijffel was of hy het
+geld wilde nemen, dan of hy my wilde aentasten, 't welk sy
+ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen geweer,
+en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een
+schaep tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God
+weet hoe ik te moede was: voeren also voor stroom af;
+omtrent ten halver weeg aan de boot synde, begonnen sy te
+tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen dat
+sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo
+benauwt dat mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van
+vreese, keerden my derhalven tot God: bad hem om genade
+en dat hy my verstand wilde geven, wat my best in die
+gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij inwendig
+geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel
+ik in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen
+en Bosschagie klonk, want de Revier was aan beide
+syden met hooge boomen bewassen. En als sy dit sagen,
+begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel sien
+kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid
+van haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte
+gesteld, als ik vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met
+soo verre voort dat ik de boot sag leggen. Doe ging ik staen
+en wuifden ons volk toe: die my siende dadelijk na my toe
+kwamen, by de kant de reivier langs, enz.</p>
+
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en</i></span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>zeer Avontuurlyke Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe</i></span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>van Hoorn, gedaan na Oost-Indi&euml;n, pag 20</i>.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Sumatra dreef in vloeijend goud,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat van de hooge kamferboomen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die heerschers in een Indisch woud,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Op peperstruik en oobarhout,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op beek en mos scheen ne&ecirc;r te stroomen.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Schoon welkomstgroet en liefdebe&ecirc;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Den lichtvorst noodigden in zee,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wier golven ruischten van verlangen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Eer de oceaanbruid hem gedwee</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">In de open armen mogt ontvangen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Riep hij een lang, een zoet vaarwel</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">U toe, o geurige Archipel!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En alles baadde zich in luister,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En alles dronk het vier der min</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van zon en zee wellustig in;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De tijger lekte in het scheem'rig duister</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van 't roode hol zijn bronstig lief,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Terwijl zich de olifant verhief,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om, met van drift gewiekte voeten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat louter liefdespelen zag</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">In 't uur des echts van nacht en dag.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Helaas! de mensch voedde and're driften:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van laag gewas en hoog geboomt',</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En 't vonk'lend goud in donker blaauw</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Verkeerde, een ranke, ruwe praauw</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Op breeden vloed vast sneller voort,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Den haat, welligt den dood aan boord!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een drietal mannen mogt ze dragen:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Twee wilden, naakt en bruin van le&ecirc;n,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een witte schort om 't lijf geslagen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Waaruit de scherpe kris verscheen;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Twee wilden, afgerigt op 't jagen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat beurt'lings opsprong en verdween.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Waarom zij naar den boog niet tastten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wanneer ze een anteloop verrasten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Schalk spelende op het oevermos;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Waar casuarissen hun pluimen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Van vloeib're paarlen deden schuimen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar gaaikens staarden op hun dos?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die school in 't loof, noch dook in 't nat,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een blanke, dien zij met zich voerden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een blanke, die in 't midden zat,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die aan zijn heup geen wapen had,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En, schoon geen banden hem omsnoerden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toch opzag en den Heere bad!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">W&egrave;l mogt hij! Was op Texels reede,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toen de oostewind ten leste woei,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En vlag en zeil zich grootsch verbreedde</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En 't schip geslaakt werd uit zijn boei,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Op reis hem dagen zou ten kamp;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die hem zoo fier te roer deed staan,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als lachte Java reeds hem aan;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hoe in den verren oceaan</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zijn kiel, <i>'t Nieuw-Hoorn</i>, in brand zou vliegen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Had omgewend, de zeevaart mo&ecirc;!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En echter, 't leed was koen gedragen&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vergeef dat woord van ijd'len trots;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">In ootmoed schiep zijn ziel behagen&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hij droeg het, waard de hoede Gods,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die hem beschermde in 't golfgeklots,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het laaije vaartuig uitgeslagen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die, voor den ingang van den nacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De scheepsboot tot zijn redding bragt.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij droeg het, zoo als echte vromen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het jamm'ren doen,&mdash;des Heeren wil</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Des avonds kermende ingenomen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De hulk was wel aan 't vier ontkomen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar dreef, ontbloot van naald en zeil,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Der luimen van de baren veil.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zie, hij onderwierp de winden;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Om 't sprietjen van de veege schuit</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De smalle banen klaat'rend uit;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Gestarnt zou hem den weg doen vinden!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En week de dag en viel de nacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En rees geen land bij 't morgengloren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En deed de hongerkreet zich hooren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En stilte niet dan dorst die klagt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Slechts hij had moed, had troost voor allen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die zuchten aan het kleene boord,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En hield op deze re&ecirc; hun woord.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2.5em;">Maar nu!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 5.5em;">Zou hij, in gruwb'ren moord,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hier weerloos, ongewroken vallen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Gescheiden van den trouwen stoet,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die met hem, eer nog de uchtend daagde,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om lijftogt aan den wal zich waagde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De streek, het dorp was ingespoed?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ach! geen dier makkers had de wilden</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Waarme&ecirc; de schaar hun worst'ling zag,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toen zij hun kracht den buffel spilden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die 't koord des leiders scheurde als rag;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het dier, door hen vooruit betaald,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vervolgd, en toch niet ingehaald.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Neen, broeders,&quot; mogt hij hen bezweren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van nacht niet wijlen bij dit volk.&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zij scholden hem een onheilstolk;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij wilden naar de kust niet keeren.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">D&aacute;&aacute;r droeg de praauw hem naar de boot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">D&aacute;&aacute;r bad hij: &quot;Heere! zie mijn nood!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Te regt; want onder 't peinzend staren</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom<a name="FNanchor1"></a><a href="#Footnote_1"><sup>[1]</sup></a>,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die schermen weefde van zijn bl&acirc;ren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wiens bloesem, wuivende op den stroom,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Had hem een bont faizantenpaar,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">In 't loof gedoken, doen verzuchten:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En even of de toon dier klagte</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zijn lot den roeijers had ontvouwd,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Werd de een, die straks zijn wenken wachtte,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Werd de a&ecirc;r, die eerst hem meester achtte,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Geblaakt door lust naar bloed en goud.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ter sluik was de achterste opgesprongen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hem meldde 't vlijmend tandgesis.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De voorste zwaaide met den kris,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En spelde... doch hij was bedwongen.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een kleine gift van luttel geld</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Had beide een wijl te vre&ecirc; gesteld;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zwijgend ging 't op gulden baren</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De landstreek uit, der haven toe;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Neen, eensklaps kweelde Bontekoe</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Als waar' zijn togt een spelevaren:</span><br>
+<br>
+
+
+<a name="Footnote_1"></a><a href="#FNanchor1">[1]</a><div class="note"><p> De Bombax, of zijde-katoenboom.</p></div>
+
+<br><br>
+
+<p>I</p>
+
+<a name="'T_PASSEREN_DER_LINIE"></a><p><b>'T PASSEREN DER LINIE.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 4em;"><i>Stem</i>: Wie had op Sinxen nacht</span><br>
+<span style="margin-left: 15.5em;">Gedacht.</span><br>
+<span style="margin-left: 9.5em;"><i>Vlaamsch Liedeken</i>.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>Scheepsvolk.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Daar rijst de god der zee</span><br>
+<span style="margin-left: 13em;">Alre&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een wierkrans om de lokken;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij brengt zijn holle we&ecirc;rhelft me&ecirc;;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Wou dat hij 't wat meerminnen de&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Al moest ik er voor dokken.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4.5em;">Wat vremde stoet heeft hij</span><br>
+<span style="margin-left: 13em;">Op zij,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het viertal werelddeelen.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die Azi&euml; is een oude prij;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die Afrika te zwart voor mij;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wie drommel zou haar stelen?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>Neptunus.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wat hebben malle maats</span><br>
+<span style="margin-left: 12em;">Al praats!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Mijn staf jeukt in mijn ving'ren.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat volkslag ben je? van wat plaats?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Lieg niet, of jij zult buiten gaats</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De lucht en zee zien sling'ren.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De schipper.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wij zagen in Kijkduin,</span><br>
+<span style="margin-left: 11.5em;">Neptuin!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het leste van ons landjen;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mijn scheepjen heet,&mdash;kijk niet zoo schuin,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ons volk zei jij was in je tuin:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Het Amsterdamsche Santjen.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>Neptunus</i>.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Ik dacht het, toen 'k je vlag</span><br>
+<span style="margin-left: 13em;">Straks zag:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ik mag haar kleur wel zetten.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar drokker maak jij 't dan je plag;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Wilhelmus nou trompetten.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De schipper.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wel, Oudjen! 't hartig lied</span><br>
+<span style="margin-left: 13em;">Is niet</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Voor luije Jan geschreven;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar zeg eens of je in jou gebied</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ons nou van harte welkom hiet,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wat offer moet ik geven?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>Neptunus.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wat offer? Troe, toe, troe</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Brr, oe!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zoo doop ik al mijn hachjens.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Amerika! spuit harder toe;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Europe! ben je nou al mo&ecirc;?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Op, wijf! wat doe je 't zachtjens!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De schipper.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4.5em;">Hei, hola! oude snaak,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">'t Was raak;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wij druipen door ons kle&ecirc;ren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Is maar een kletserig vermaak;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik zal je, mits die regen staak,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een mooijen duit vereeren.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9.5em;"><i>Neptunus.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">'t Is alleman om poen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Te doen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Geef op, en 'k zal je sparen.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">In 't zog jou volkjen na mogt spo&ecirc;n,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Niet klappen van je varen.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Of wil je, dat ik tuig:</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;'t Was ruig;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Had hair tot op de tanden.&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo gun mij 't scheeren met de duig;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Volk tart me al met hoezee gejuich;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Go&ecirc; reis naar de Oosterlanden!</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">A&ecirc;loudheid! 't was geen ijd'le droom,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat Orpheus, spelende aan den stroom,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op forschen klank van stem en snaren</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En aarde en lucht ten rei deed varen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat hij in we&ecirc;rg&acirc;looze luit</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Den schepter der natuur omklemde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die leeuwen en die tijgers temde:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hier werkte een deuntjen wond'ren uit,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een blij gelach, een vrolijk tieren</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Verzelde 't sta&acirc;g en volgde 't lang;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het was of 't schalke beurtgezang</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De woestaards van geneugt' deed gieren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Als zagen zij het scheepsfeest vieren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zoo juichten zij uitgelaten toe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En ruimer a&ecirc;mde Bontekoe.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De veete tusschen werelddeelen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Trad niet zoo schril als straks aan 't licht;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De sterkte was opnieuw gezwicht,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dewijl 't verstand we&ecirc;r dorst bevelen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vast minder hach'lijk stond de kans</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Des weereloozen blanken mans!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zijn hoofd hing langer niet gebogen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zijn regterhand niet strak op zij;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Er luchtte een fierheid uit zijn oogen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die aanspraak maakte op heerschappij&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hij voelde zich ter helft we&ecirc;r vrij.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En toch, schoon 't onbesuisd geschater,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">We&ecirc;rgalmde langs het bosch van riet,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat spiegelde in het effen water,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toch lachte bij van harte niet.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">O, 't was in 't bidden om zijn leven</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Gewis door God hem ingegeven:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Het zingen redde u van den dood!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En ijlings had hij van zijn lippen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het lied, het wijsjen laten glippen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En wroeging trad in plaats van vrede,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Aandoenlijk, Christelijk gevoel!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wie heeft die te&ecirc;rheid van geweten</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Des sterken voorgeslachts niet lief?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een schakel van de onzigtb're keten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Waar langs het zich, tot God verhief!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een wijle peinzens,&mdash;toen bedaarde</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het zelfverwijt in 't vroom gemoed,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Uit d'angst, door schok op schok gevoed,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat onbewust is wat het doet.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Eene and're wijl'&mdash;zijn vingers wischten</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het vocht af, dat in de oogen rees;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Was woeste lust noch bloode vrees,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die van de keus des lieds beslisten;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De Heere was 't, die 't spoor hem wees!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">In d'ommekeer van 't wilde paar?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hier voegden klagten, droef noch zwaar,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Noch psalmen van den Harpenaar,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die Isrel stemden tot vertrouwen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die Bontekoe, een hurkjen groot,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Al opze&icirc; aan zijn moeders schoot.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zuster Roeltjen werd geprezen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zijns vaders hulpe, sinds de dood</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Der brave vrouwe de oogen sloot:</span><br>
+<br><br>
+<p>II</p>
+
+<a name="ROELTJEN_UIT_DE_BONTEKOE"></a><p><b>ROELTJEN UIT DE BONTEKOE.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 4em;"><i>Stem</i>: So haest Gysjen had vernomen.</span><br>
+<span style="margin-left: 16.5em;"><i>Bredero</i>.</span><br>
+<br><br>
+
+<p><b>Toelichting</b>.</p>
+
+<p>Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren,
+heette eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader
+een herberg hield, de <i>Bontekoe</i> genoemd, in zijne jeugd
+meestal Willem <i>uit de Bontekoe</i> geheeten, en behield later
+dien naam. &quot;Eene woning bij het Hoofd,&quot; zegt de heer C.A.
+Abbing, in zijne <i>Beknopte Geschiedenis der stad Hoorn, enz</i>.
+(Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) &quot;vertoont nog in den gevel
+zijn sprekend wapen.&quot;</p><br>
+
+<span style="margin-left: 2em;">IJsbrant-baas heeft drokke nering;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Schoon een man van luttel praats,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Lokt zijn huis schier alle maats,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wordt hij rijk van hun vertering.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vraagt ge: waar komt dit bij toe?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ga eens naar de Bonte Koe.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Frisscher krans hangt nergens buiten</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dan zijn groene wingerdtak;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar zoo daar zijn roem in stak,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mogt bij op zijn duim wel fluiten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De eene quant riep d' a&ecirc;r niet toe:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Gaat ge me&ecirc; ter Bonte Koe?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Spieg'len kan er zich een pronker</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">In het tin van kroes en kan;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar zoo menig vroeden man,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar zoo menig hoofschen jonker</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Lonkt er zoeter spiegel toe:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Gaan we naar de Bonte Koe?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">IJsbrant-baas weet wel van wanten;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Om een flinke, knappe deern</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Loopt de jonkheid ter taveern;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mooije schenksters, duizend klanten:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dochterlief brengt daar je toe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Roeltjen uit de Bonte Koe!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Noch een fijn mennisten zusjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Noch een bloode pimpelmees,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Weet zij iets van angst of vrees</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Voor een handdruk, voor een kusjen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toch laat zij niet alles toe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Roeltjen uit de Bonte Koe.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Waaghals wie haar durft omvangen!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Want haar hand is geen fluweel;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Schorre strijkstok op de ve&ecirc;l</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Van een paar gebaarde wangen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Speelt zij regts en links maar toe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Roeltjen uit de Bonte Koe.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">IJsbrant-baas houdt haar in eere:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Beugel, bouwen, haak en huik,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Alles draagt zij pronk en puik;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vrijers krijgt ze heinde en veere;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Maar ik zie voor Roeltjen toe,&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zegt de waard der Bonte Koe.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als, om 't klappen van zijn schijven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Haar een lansk van trouwen praat,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of een wulp haar gadeslaat,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die zijn bo&ecirc;l in 't riet liet drijven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Roept hij: &quot;Duimkruid hoort er toe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Voor een waard der Bonte Koe.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Vaderlief! wij hebben mony,&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zeit ze dan, &quot;in overvloed.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zij streelt zijn bolle trony;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Roeltjens liefste, stem het toe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wordt de waard der Bonte Koe.&quot;</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Erinn'ring voerde in haar gebied</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hem mede, toen hij 't zingen staakte;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij zag den schelmschen vrijer niet,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die 't wijsjen in een omzien maakte,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En 't hartsgeheim van Roeltjen ried;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het was of weer zijn jeugd ontwaakte,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een lusthof groende in 't lief verschiet.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hoe vaak plagt Wim, al kloek van le&ecirc;n,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Schoon naauw zijn vijftiende ingetre&ecirc;n,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Des achternoens in u te duiken,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om ruikers voor de schouw te pluiken,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En de oogen maar uit joks te luiken,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als Roeltjen kwam met stille schre&ecirc;n.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het aardig kind van zeven jaren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een wolk van frisschen levenslust,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wou hem verrassen in zijn rust,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En trok hem bij de blonde haren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En werd gegrepen en gekust.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En riep: &quot;Zie zoo, dat gaat te hoof!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En scheurde een twijgjen uit het loof,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En dacht den klepper te kastijden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wijl aan haar voet de bloesem stoof;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En nu&mdash;nu school ze in luwt van bla&ecirc;ren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Want gierend aan zijn arm ontglipt,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Want zwierend van het paard gewipt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was zij de boschjens ingevaren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En riep van verre: &quot;'t Is geen kind,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die Roeltjen in den donker vindt!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dan rees hij op en zou haar vangen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En tilde haar de scheem'ring uit,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Terwijl zij knorde: &quot;Stoute guit!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Of boos hem kneep in be&icirc; zijn wangen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of bad, die wilde weelde mo&ecirc;:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Ei, kweel eens wat, ik luister toe.&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En lang had Roeltjen niet te dringen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Lief kind scheen aan zijn zij' te springen:</span><br>
+<br><br>
+<p>III</p>
+
+<a name="LOUW_EN_DE_WAARZEGSTER"></a><p><b>LOUW EN DE WAARZEGSTER.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 4em;"><i>Stem</i>: Ach, ach, nog eens ach,</span><br>
+<span style="margin-left: 7em;">'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Waarzegster.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Louw, Louw, flinke Louw!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wel hoe heb ik het met jou?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Heugt je niet hoe maats we waren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toen je zoudt naar Groenland varen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Moertjen!&quot; zei je, &quot;'k ga naar zee,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Geef me een amuletties me&ecirc;!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En ik zocht eens in het zootjen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat ik erfde van mijn grootjen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar het sticht niet hier op straat,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ook herken je mij al, maat!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ai, hoe ging het met het visschen?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Greep je een walvisch bij de klissen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Heb je er zeven t'huis gebragt?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zie ik droomde 't menig nacht.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Stil, stil! guitjen, stil!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Scheld het voor geen malle gril,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mogt je beeld niet bij me wezen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Als ik jou planeet moest lezen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Voor je vrijsterken, mooi-Aagt,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar je mij niet eens naar vraagt!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Is een jeugdje van een meisjen;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoen je haar nog wel een reisjen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Komt er van je hijlik wat?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'k Wou dat ik haar jaren had,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maat! ik bleef al even pover,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar jou diefzak vloeit wis over</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van dukaten, flinke Louw!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wel, hoe heb ik het met jou?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>Louw.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wijf, wijf! we&ecirc;rgaasch wijf!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Te olijk hadt je mij bij 't lijf:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toen ik, in de boot gesprongen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Beertjen met zijn beide jongen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Uit de schotsen duiken zag,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Riep ik: &quot;Komt maar voor den dag!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wou ik haan de voorste wezen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Want je zei 'k had niets te vreezen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar, wat meenje? met zijn klaauw</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Bragt hij deerlijk mij in 't naauw,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En ik zwoer je zoudt het boeten.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hola hei! niet uit de voeten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ik ben nog aan 't einde niet</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van mijn amuletties-lied.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Erg, erg, eens zoo erg</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ging 't me bij den Spitsenberg:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Kijk, daar kwam een walvisch boven,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En de twee fonteinen stoven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En de harpoenier kreeg prik,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Vrij,&quot; zoo dacht ik, &quot;vrij loop ik.&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Fut! toen hij zijn staart maar zwaaide,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was 't of aarde en hemel draaide;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vloekte ik jou niet als de pest,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Weet, ik lag ook buiten west!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar je vroegt straks naar mooi-Aagtjen:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hieldt je dan een oog op 't maagdjen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Voor den drommel, we&ecirc;rgaasch wijf!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Heb me nou niet we&ecirc;r bij 't lijf!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Waarzegster.</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Louw, Louw, flinke Louw!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als of ik je foppen zou!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wis, was jou de spreuk vergeten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die de kroon zet op de keten:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Ebro&mdash;flavi&mdash;pactolus,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dolu&mdash;ico&mdash;avamus!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hadt je dat er bij gepreveld,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Beertjen had je niet gekneveld,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En geen walvisch jou we&ecirc;rstaan;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zie me maar zoo vremd niet aan.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vraag het Marten, vraag het Flipjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Nou al reeders op het tipjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of ooit lanspunt of harpoen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Meer dan deze spreuk mogt doen.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Maar, maar, jonge va&ecirc;r!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een en nog een zijn een paar.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoor, ik zal een an'dre leeren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om je meisjen te bezweren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat zij je alles klappen zal,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wie een zoentjen van haar stal,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wie zij streelde met een kusjen...</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Stuif niet op, zij heeft een zusjen.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Kom van avond bij me, maat!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als de star in 't westen staat,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En mijn keteltjen zal zingen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En mijn katertjen zal springen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En ik ben wat, flinke Louw!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of mooi-Aagtjen blijkt je trouw.&mdash;</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ach! spoedig werd het beeld verdrongen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Der minnelijke onnoozelheid,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die hem, den wilden bootmansjongen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo dikwerf 't wijsjen werd gezongen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Om t'huis te blijven had gevleid;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij zuchtte luid, hij dacht te poozen,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar 't wachten viel zijn makkers zwaar,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Onstuimig werd hun handgebaar;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat liedjen moest er nu gekozen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar schoot een aardig feit hem in,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat Holland in verbazing zette,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toen heinde en veer de krijgsgodin</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Den lof van Nieuwpoorts held trompette.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een stoffe was 't voor elpen lier!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Helaas! hem werd zij niet gegeven;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die, zonder dichterlijken zwier,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Voor 't volk het wonder had beschreven...</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Doch reeds was 't wijsjen aangeheven:</span><br>
+<br><br>
+<p>IV</p>
+
+<a name="DE_ZEILWAGEN_VAN_PRINCE_MOURINGH"></a><p><b>DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH.&mdash;1600.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 10em;"><i>Stem</i>: Als't begint.</span><br>
+<br>
+<p><b>Toelichting</b>.</p>
+
+<p>Ik weet niet beter te doen, ten einde ook het gros der
+lezers de toespelingen in dit liedjen versta, dan de volgende
+plaats uit het opstel <i>Simon Stevin</i>, in de <i>Bijdragen tot
+de Geschiedenis der Wetenschappen en Letteren in Nederland</i>,
+door J.P. van Cappelle, (Amst. van der Hey en Zn. 1821) hier af te
+schrijven:</p>
+
+<p>&quot;In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo
+de Groot getiteld: <i>Vergelijking der Gemeenebesten</i>, komt de
+volgende zeer opmerkelijke plaats voor: &quot;Onlangs hebben
+wij ook aangevangen op het land te varen; want wij bezitten
+wagens, die door den wind gedreven worden, met zeilen
+voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als een schip,
+daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te worstelen
+hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een ongeloof'lijken
+spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat
+men mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke
+zij in beweging geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond,
+toen men er binnen minder dan twee uren tijds veertien
+van onze mijlen me&ecirc; heeft afgelegd, waarvan iedere
+den weg van &eacute;&eacute;n uur bevat.&quot; De aanteekeningen van Meerman
+op deze plaats, gepaard met hetgene men elders aantreft,
+berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een ontwerp van
+Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der
+uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de
+Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst
+van het jaar 1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig
+personen, waaronder Maurits zelf, de broeder van den
+Koning van Denemarken, Graaf Hendrik van Nassau, de
+Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking verdient,
+ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die
+in den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen
+nog jong, woonde dezen togt bij. Men voer met eenen
+zuid-oostenwind van Scheveningen. De Stadhouder nam het roer
+in de hand en voerde het zeil. Toen dreef de wind den
+wagen met zulk eene snelheid voort, dat hij niet scheen te
+rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te Petten aankwam.
+Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna
+'s menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl
+in zee, waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door
+eene geringe wending van het roer bragt hij hem in zijnen
+vorigen koers op het strand.&quot; T.a.p. blz. 21 en 22.</p>
+
+<p>Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking
+wage met de fraaije verzen, waarin deze togt door de
+Groot en door Huygens is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e
+couplet, heb ik ontleend aan Van Meteren's beschrijving van
+den slag bij Nieuwpoort: &quot;Milord ofte Baroen van Gray&mdash;ende
+meer andere soo Enghelsche, Fransche, als Hooghduytsche
+Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz
+verselschapten.&quot; Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb
+gegeven, zal men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het
+ergerlijk vinden, dat ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en
+broeder des Konings van Denemarken, &quot;<i>Fanden ta dig!</i>&quot; of
+&quot;dat de Duivel u hale!&quot; laat roepen, en hem bovendien roode
+knevels heb gegeven; doch het laatste scheen mij nog al
+nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval, Ambassadeur
+van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet verstaan.
+In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan
+Bulleval heeten. Het slot, &quot;Luctor et Emergo,&quot; (ik worstel,
+maar ik drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd
+door het onderwerp van zelf ingegeven.</p>
+<br><br>
+
+<span style="margin-left: 3em;">Prince Mouringh reed langs zee</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">In zijn wond're koets met masten;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Half het Haagsche hof was me&ecirc;; </span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Groote cijsen, rare kwasten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Nog te no&ecirc;n bij Scheveling </span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Snelden ze al v&oacute;&oacute;r twee langs Petten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toen het holdebolder ging</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En de koensten zich ontzetten:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Flap zei 't zeil en krak het roer;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'s Princen koets te water voer.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En men staakte 't vleijend prijzen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ieder wenschte zich te huis;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Alle tongslag sloeg een vloek;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Alle groote banjerts pepen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En van angst werd buis en broek</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Stuk gescheurd en kaal geknepen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Prince Mouringh zag zoo snip,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of hij vreesde voor zijn schip.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Narren!</i>&quot; riep een Moffenheer,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;<i>Wo Hans Michel soll ertrinken,</i></span><br>
+<span style="margin-left: 3em;"><i>Nicht in dieses salzes Meer.</i></span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>In ein Weinfasz wirdst du sinken!&quot;</i></span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>&quot;Das versprach</i>...&quot; Daar nam een golf,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die aan hem zich wou verwarmen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die hem sissende overdolf,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Forsch den likkebro&ecirc;r in de armen.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Oef! zijn neus, zoo vierig-rood,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Bleek te bros voor zulk een stoot.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">De Admirant van Arragon</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zat zijn handschoen los te rijten;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Scheen dat zich de quant bezon,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Of hij blaffen zou of bijten.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Grimmig sprak hij tot den Prins:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Krenkt ge mij een enkel haartjen,&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En hij streek de sik zijns kins.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Zeker heeft die muis een staartjen!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar zijn bleekheid dacht er bij:</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">&quot;<i>Sante Madr&eacute;!</i>&quot; baat dat mij?&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Beautiful!</i>&quot; begon Lord Gray,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toen de zon door 't water straalde:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Lord!</i>&quot; daar stoof zijn muts in zee,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die met blaauwe ve&ecirc;ren praalde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Help, fetch back!</i>&quot;&mdash;&quot;'t Blijve onbeproefd,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Riep de Prins; &quot;laat gaan die pluimen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar hij twintig jaar op snoeft: </span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Alle wijven hebben luimen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar Elisabeth was mal,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo zij kaatste met dien bal.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Fanden ta dig!&quot; klonk in 't want,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En de Deen, met roode knevels,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zag hoe Frankrijks afgezant</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Laf zicht vasthield aan zijn stevels.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Ah! ne me refusez pas.</i></span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Prenez moi a la remorque</i>.&quot;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Non, Monsieur, a vous le pas!</i>&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Bulleval had uit met snorken,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als een lammetjen gedwee:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Henri Quatre en saura gr&eacute;</i>.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Luctor et Emergo!</i>&quot; riep</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Prince Mouringh, en de wagen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Eensklaps we&ecirc;r ter kuste liep,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Waar men Petten op zag dagen.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;<i>Luctor et Emergo!</i>&quot; klonk</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Uit den mond van al de gasten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toen de Prins er 't welkom dronk,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En ze in puik van mossels brasten.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Mouringh zei tot d'Admirant:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;<i>Et Emergo</i> Volk als Land!&quot;</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En nu, wat dacht hij onder 't zingen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Dat liedjen,&quot; zei hij, &quot;haal de droes!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij zag de naakte woestelingen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het bruine lijf in bogten wringen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Alsof dier talen mengelmoes</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hun 't hoofd deed draaijen als een roes;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij hingen over 't praauwtjen henen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat schommelde uit den evenaar,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En 't water stoof hun tot de scheenen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Nog duchtten zij geen lijfsgevaar:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een oogwenk en den stroom ten buit,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Had zingen en had lagchen uit!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar neen, zij zagen 't en zij tastten</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ten scheppertjens,&mdash;al wolkend vloog</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het vocht, waarin hun voeten plasten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van ied're zij der boot omhoog;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En we&ecirc;r was ze in een omzien droog,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">We&ecirc;r moest hen zijn gezang vergasten.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wie zich aan Bre&ecirc;ro's deuntjens stiet,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hij luist're naar wat volgde niet:</span><br>
+<br><br>
+<p>V</p>
+
+<a name="MACHTELD"></a><p><b>MACHTELD.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 4.5em;"><i>Stem</i>: Wijkker Bietje, die bij 't beekje.</span><br>
+<span style="margin-left: 20em;"><i>Vondel</i>.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Machteld had wel hooren luiden,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat of vensterkens beduiden</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die des avonds open staan;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar een weinig frissche koelte</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was zoo welkom na de zoelte,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En het hare stond maar aan.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ook scheen 't zuchtjen louter weelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Zij het schalk haar bloezem streelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Zij het suisde in 't blonde haar;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Echter wuifde 't uit het loover</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">IJlings meer dan geuren over,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Zoet accoord van stem en snaar.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Als zij 't venster nu ging sluiten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zou de minnezanger buiten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Haar in de onderkeurs bespi&ecirc;n;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En dies zocht zij, schaamrood, schuchter,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Met de vingers om den luchter,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Achter 't saai gordijn te vli&ecirc;n.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar al had zij hooren praten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat hij dra wordt ingelaten</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die 't ons op zijn luit bediedt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Niet te luist'ren naar zijn bede,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Niet te naad'ren ook geen schrede,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat gedoogde 't hartjen niet.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op haar bloote, blanke voetjens,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dies naar 't raam: wat fraaijen val!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Neen, hij prees haar schoonst van all'</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was het waarheid wat hij kweelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat &quot;de lieve lach,&nbsp; die speelde</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Om haar lipjens, &quot;kus mij!&quot; riep,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Maar dat de opslag van haar oogjens,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wacht hield bij die nektartoogjens?&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hoe zij naar den luchter liep!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zie, al had zij hooren pre&ecirc;ken,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat de booze liefst zijn treken</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Uitspeelt achter 't spiegelglas,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Waarom zou zij, nu slechts muren</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Haar bespiedden, niet eens gluren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of zij de allermooiste was?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zij keek eens en zij knikte,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zij keek we&ecirc;r en zij blikte</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Op haar vlugge beentjes ne&ecirc;r;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zij danste een passedijsjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Naar een zacht geneuried wijsjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En zij knikte keer op keer.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar het was, terwijl zij zwierde,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Of het luik op 't hengsel gierde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of... doch langer geen geluid;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Echter kraakte vast de wingerd,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om haar vensterken geslingerd....</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En echter hebt gij 't lied beluisterd?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een and're vraag, 'k was dies gewis,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vol lachs of vol van ergernis?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Getuig wat uw verbeelding is:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Of</i> schalke als die van vroeger dagen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wier wieken, gift van scherts en lust,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op 't feestmaal werden uitgeslagen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Haar smetteloosheid zich bewust,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die zonder blaam, die zonder vrees</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het menschelijke menschlijk prees;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;"><i>Of</i>... laat mij haar onreine noemen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die onder dubb'len sluijer kleurt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die eischt dat we ied're drift verbloemen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wijl ze elken zegen heeft verbeurd:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wit graf waarbij de minne treurt!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat of zich Bontekoe verbeeldde?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat Machtelds minnaar binnen kwam,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Met zoete woordekens haar streelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En, louter liefde, louter weelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een kus stal eer hij afscheid nam;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En... waarlijk verder dacht hij niet;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Bosschaadje hoorde een ander lied:</span><br>
+<br><br>
+<p>VI</p>
+
+<a name="PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN"></a><p><b>PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 10em;"><i>Stem</i>: Lorretjen.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat leide ik toch een leven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het prinsjen van de buurt!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mijn stok is bruin gewreven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Mijn kooi is glad geschuurd,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En ik kan klontjens krijgen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Voor 't praten en voor 't zwijgen.</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Ai! Lorretjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Kaporretjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Kapoe, kapoe, kapoe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Houd mij je bekjen toe!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zou ik mij dan storen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Aan 't smalen van dien knaap,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die steeds wat nieuws wil hooren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die me uitscheldt voor een aap,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En mij zoo graag zou dwingen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een eigen lied te zingen?</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Neen, Lorretjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Kaporretjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Kapoe, kapoe, kapoe,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Is daar te snugger toe!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik ken wel mijns gelijken,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die wand'len over straat,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die met een degen prijken,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die zitten in den raad;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij kregen 't beste hapjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Door krek te doen als Papjen.</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Een Lorretjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Kaporretjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Kapoe, kapoe, kapoe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Waar past die al niet toe?</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Weet niet of u de les zal smaken;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De wilden lachten luide er om,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Terwijl 't refrein op eens een drom</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Van papegaaijen deed ontwaken:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't we&ecirc;r;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De vogels wisten van geen schuwte;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De zoelte riep het tot de luwte,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het strand den stroom toe keer op keer;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Des wilden wouds, der wilde waat'ren:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Zing voort, ik ken geen liedje meer.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En 't paar we&ecirc;r rust'loos op hem staarde,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En half hem smeekte en half gebood,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was hij niet slechts gereed te kweelen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of 't lief tooneel van vrijerij,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dat blanke Maas of gulden IJ</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op 't marmer van zijn vloed zag spelen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een warmte hem mogt mededeelen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als reed hij schaats, als vrijde hij:</span><br>
+<br><br>
+<p>VII</p>
+
+<a name="WIJS_KLAERTJEN_OP_'T_IJS"></a><p><b>WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.</b></p>
+<br>
+<span style="margin-left: 4.5em;"><i>Stem</i>: Mijn zoetje!</span><br>
+<span style="margin-left: 7em;">Ik moetje (<i>met variatie</i>.)</span><br>
+<span style="margin-left: 14em;">Starter.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Wijs Klaertjen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zou 't paartjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Liefst zamen alleen,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Verzellen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Of kwellen,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">'t Was moeder schier &eacute;&eacute;n,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Mits 't zusjen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Elk kusjen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Haar klappen mogt t'huis:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Min bloode</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Dan noode</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Ging 't vrijsterken me&ecirc;;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Te waken,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Te laken,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Voedt vriendschap noch vre&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En Govert,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Betooverd</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Door Elze zijn lief,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De borst gaf den drommel van haar: &quot;houd den dief!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Hoe prachte,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Hoe lachte</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Die olijke guit,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Bij 't winden</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En 't binden</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">'t Wijs zusterken uit!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij gromde,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij bromde</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Om 't schalke gezeur,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Mag praten</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Niet baten,&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Was moederliefs woord,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Men jage</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Den trage</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Door voorbeelden voort!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Dies rende</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">In 't ende</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Ons meisken het paar</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 10.5em;">Eerst reed zij;</span><br>
+<span style="margin-left: 10.5em;">Toen gleed zij;</span><br>
+<span style="margin-left: 6em;">Straks peinsde ze een poos:</span><br>
+<span style="margin-left: 10.5em;">&quot;Die terger!</span><br>
+<span style="margin-left: 10.5em;">Ik erger</span><br>
+<span style="margin-left: 6em;">Mij niet aan 't gekoos.</span><br>
+<span style="margin-left: 10.5em;">Omhelze</span><br>
+<span style="margin-left: 10.5em;">Hij Elze,</span><br>
+<span style="margin-left: 6em;">Mits verre van stad!&quot;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Waratje,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Mijn schatje,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">'t Bleek dwaas overleg.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij blikte,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij schrikte,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Het paartje was weg!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Wat riep zij!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Wat liep zij!</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Half spijt en half vrees,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Toch staarde,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Toch waarde</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Getrouw haar op zij</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">De rapste,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">De knapste</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Der dartele rij,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Noch jonker,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Noch pronker,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Maar geestige guit</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Haar aan,&mdash;om haar heen,&mdash;en borst eindelijk uit:</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Mooi Grietjen!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Dat hiet-je,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Of wel, liefste Leen,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Of Antjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Mijn Santjen!</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Maar dat is al een.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Schalk zoetjen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Nu moet je</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Met mij op de baan;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Met greep hij,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Met kneep hij</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Haar worst'lende hand,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En zeide</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En beidde:</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">&quot;Spreek op,&mdash;naar wat kant?&quot;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Ik heet niet...&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Ik weet niet...&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Ik zoek Elze-zus.&quot;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij gluurde eens,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij tuurde eens</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Wie hij wel geleek;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Toen bloosde,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Toen poosde,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Toen werd zij schier bleek;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En 't gapen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Der knapen,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Die 't aanzagen, mo&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">O Joosjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Mijn Troosjen,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Wat reden zij snel!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Wat beende,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Wat leende</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Zij weelderig wel!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">De molen,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Verscholen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">In 't graauw van de lucht,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Verrees&mdash;was zij op&mdash;was&mdash;voorbij in hun vlugt.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">'t Ging schriller,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">'t Werd stiller</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Op 't ijs om hen heen.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Dra komen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Die boomen,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Dan zijn wij alleen!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Sprak 't kwantjen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Die 't handjen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Nu vaster nog kneep.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Daar achter</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Geen wachter,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Die nijdig bespiedt;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Voor kunstjens</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Uw gunstjens,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Dat weigert ge niet!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Met ijlden,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Met wijlden</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Ze op de eenzame plek,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Rust, meisjen!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Van 't reisjen;</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Ik merk, je bent mo&ecirc;.&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Hij rende,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Hij wendde,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Zij lachte hem toe;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;'k Heb fraaijer</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Geen draaijer</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Gezien op de baan,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Flip keerde;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij weerde</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Den stoutert wel af,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Maar pruilde</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Noch druilde,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Wat pas het ook gaf.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Hoe heetje?&quot;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Dat weetje.&quot;&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">&quot;'k Geloof haast van ja,&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Eilacie!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Tentatie</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Dient ijlings ontsneld;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Op dralen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Rijmt falen;</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Dra struikelt die helt!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Vast sling'ren</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zijn ving'ren</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Om 't lijfjen zich heen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Maar gluipen,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Maar sluipen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Die vroolijke twee,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Maar rijden,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Maar glijden</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Zij niet naar de ste&ecirc;?</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Zij komen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Vernomen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Door hem noch door haar;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Wel, zwager!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">De plager</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Verrast hen alzoo.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Wel, zoetjen!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Ik groetje,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Ik stoor je maar no&ocirc;.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">De vrijheid</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Is blijheid,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Is t'huis op het ijs.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">Luid schreijend,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Hen be&icirc;end,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Houdt Klaertjen 't gezigt,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Bij 't blozen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Om 't kozen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Op 't ijsvlak gerigt,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En zuchtend</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">En duchtend</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Reikt ze Elze de hand,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;De linke,&quot; roept Flip, &quot;want de regte is mijn pand!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Neen, vrees niet,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Neen, wees niet</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Eenkennig, lief kind!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Al knort zij,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Toch wordt gij</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Opregt'lijk bemind.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Ik zocht je,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Ik mogt je</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Al lang gaarne zien,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En 'k vraag je v&oacute;&oacute;r Lichtmis nog van je oude li&ecirc;n.&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;Ai, Klaertjen!</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">'t Is 't aertjen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Van onz' aller mo&ecirc;;&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Spreekt zusjen</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">Na 't kusjen</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">'t Wijs vrijsterken toe.</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">&quot;'k Betrapje,</span><br>
+<span style="margin-left: 11em;">'k Verklapje</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">Dies toch niet te huis.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op 't ijs met zijn drie&euml;n, dat schat ik een kruis!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Al telt gij geeuwend de bla&ecirc;n,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Verkwist om slechts een schaats te slaan,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Voor hem school in de eenvoude woorden</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vergeefs was de avondwind bela&ecirc;n</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Met myrrhe en mastik, langs de boorden</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Des vloeds al walmende opgegaan,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Uit duizend kelken van gebloemt',</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die 't Oost hare offerschalen noemt.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hem dorstte naar den geest der kracht,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die de aard herschept in eenen nacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De graauwe wolken weg doet stuiven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De starren oproept tot zijn wacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En, als hem de uchtend tegenlacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een vonk'lende juweelenschacht.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar niet alleen het forsche streelen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Der 't bloed bevleugelende lucht</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Was de oorzaak van zijn diepen zucht:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hij droomde van een klein gehucht;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij zag der landjeugd schalke spelen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">In de arresle&ecirc;, bij 't schaatsgenucht;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En 't liefste meisjen uit de schaar,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dacht zij aan hem als hij aan haar?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">D&aacute;&aacute;r fluisterden zijn reisgezellen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En trager werd de vaart der praauw;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar wat&mdash;wat bragt hen dus in 't nauw?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Al heerschte aan 't strand maar stilte en scha&acirc;uw,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toch neigden zij ten golven de ooren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toch we&ecirc;rlichtte op 't verschiet hun blik,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een wijle drijvens&mdash;dubb'le schrik!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ook hij zag nu het woudvier gloren;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ook hem deed zich de krijgszang hooren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wier flaauwe klanken 't paar al ving</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En hij verstond uit hun gebaren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hij las het in hun schroom en spijt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dat achter 't rood gordijn dier bla&ecirc;ren</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Tien, vijftig, honderd krijgers waren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Met hen en met hun stam in strijd!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het strand werd levend wijd en zijd!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Op eens verkeerden hun gezigten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Terwijl de kris des voorsten rees,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En de and're greep naar boog en schichten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En proef nam van de kracht der pees:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ze ontveinsden mannelijk de vrees,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoodra der vlammen feller lichten</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hen d'oversterken vijand wees;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij wilden niet dan strijdend zwichten!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En leenden naauw den blanke 't oor,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die, toen de praauw het strand genaakte,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een lied zong&mdash;dat een heek'laar maakte:</span><br>
+<br><br>
+<p>VIII</p>
+
+<a name="INKEER"></a><p><b>INKEER.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 4em;"><i>Stem</i>: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,</span><br>
+<span style="margin-left: 6.5em;">X. Het quantjen zong gelijk een lijster.</span><br>
+<span style="margin-left: 21em;"><i>Beurtzang</i>.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Oom</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">De wereld, die in 't booze ligt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En straks mijn testament gemaakt.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Neef</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat kijk ik graag, bij lange togen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Oom</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat zou mijn neef met schijven doen?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">At hij zijn korentje niet groen?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Al wat ik spaarde wierd verkwist;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik wil geen snollen bij mijn kist!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De neef</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mij dezen avond na mogt laten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En kocht een boeijer en twee vossen.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Oom</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dies maakte ik alles aan de kerk,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En krijg een lofdicht op mijn zerk.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En echter, 't is mijn naaste bloed;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Neef</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat zou ik als een banjer pragchen!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En, arme deern, mij dra verliezen!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Had dan uit juffers maar te kiezen.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Oom</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Het geld,&quot; zoo sprak de vrome man,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Behoort den regten erven, Jan!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En wie dies zalig sterven wil....&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wel, waarom niet een codicil?</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Neef</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zei ik; &quot;adie mijn guitentsukken!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En zou, wie had het kunnen droomen?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Door schoonva&ecirc;r nog op 't kussen komen.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Oom</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe stel ik best 't legaat op schrift?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Legaat? dat ware een halve gift:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij heeft wat noodig naar ik raam;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij is de leste van mijn naam!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Neef</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het is wel waar wat looze Gijs zeit:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om er mijn aapjen in te hou&ecirc;n.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Oom</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Roep den Notaris toch we&ecirc;rom!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 9em;"><i>De Neef</i></span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Is zonder heksen toch te leeren;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik ken wel erger, die regeeren.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Staat niet in 't Burgermeesters boekjen:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Wijs bij de lu&icirc;, mal om een hoekjen?&quot;</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een korte wijle zweeg 't getier</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Der uitgelaten rei van wilden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die in een laaije zee van vier</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De spietsen, die hun vingers drilden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Nu dompelden ten glo&ecirc;nden doop,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En fluks in vogelvluggen loop</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die midden uit de vlammen tilden.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Een oogwenk zweeg de ruwe hoop,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Om over 't roode vlak der baren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het praauwtje grimmig aan te staren;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Maar de invloed van het schalke lied</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Verloochende ook bij hen zich niet!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij deden 't sein des vredes wapp'ren,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En de ouderdom herriep de dapp'ren,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die, om den erfwrok lang gehuisd,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vast in den breeden vloed zich waagden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En heup en borst van schuim ombruist,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De waap'nen in de slinke vuist,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ach! kind'ren van hetzelfde land,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar die elkanders rust belaagden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Om onderscheid in offerrand'!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was hun de blanke vreemd'ling heilig,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of achtten zij een man zoo koen</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wie lust had om de vraag te doen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Niet hij, die wenkte voort te spo&ecirc;n;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En 't paar weerstreefde hem niet langer.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De breede stroom, der zee genaakt,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger:</span><br>
+<br><br>
+<p>IX</p>
+
+<a name="JAN_COMPAGNIE"></a><p><b>JAN COMPAGNIE.</b><a name="FNanchor2"></a><a href="#Footnote_2"><sup>[2]</sup></a></p>
+<br>
+<span style="margin-left: 4.5em;"><i>Stem</i>: Speelnootjes heft eens vrolijk an.</span><br>
+<span style="margin-left: 14.5em;"><i>Bruiloftsliedeken</i>.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">De trommel van de Staten werft:</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Lang leev' de Prins, hoezee!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar zoo men in het veld niet sterft,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wat brengt men er uit me&ecirc;?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een stijven arm, een houten poot;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">De drommel hale die!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Is 't geldjen op, en komt de nood,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Ik ken Jan Compagnie.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat hielp dat brammetje in zijn tijd</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Al meisjens 't hoofd op hol!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat had dat boeijen wijd en zijd</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Den kerfstok spoedig vol!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Weg!&quot; riep zijn va&ecirc;r, en &quot;wee!&quot; zijn mo&ecirc;r.</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">&quot;Mijn rijk is uit, adie!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe arm hij naar Oost-Inje voer,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hij werd Jan Compagnie.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Was in en uit met d'Amboinees;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hij prees zijn specerij,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar toffelde den Portugees,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">En had de handen vrij,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ter nood verliep nog jaar en dag,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Daar kwam een vloot in 't Vlie,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De rijkste, die ooit Holland zag;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Haar zond Jan Compagnie.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">De wilde snaak werd groot sinjeur;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hem huift het zwarte volk</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">In wierookwalm en ambergeur;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hij lucht er uit een wolk!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Met vonkelende sluijerkroon</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">&mdash;Juweelen sieren die&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Weerspiegelt daar op gouden troon</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Mijnheer Jan Compagnie.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">In 't palmbosch klinkt de schelle luit</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Der Bajaderen-schaar:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hij kiest van daag de schoonste er uit,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">En morgen we&ecirc;r een a&ecirc;r.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Wat baatte me al mijn overvloed,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Het rijk, dat ik gebi&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ontbrak mij hier 't zoetste zoet</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Omhels Jan Compagnie!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee:</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Oranje blanje bleu!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een schip doemt op; hij roeit ter re&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Als was hij 't rusten beu:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Weest welkom, maats! hoe lang je reis?</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">'k Ben blij dat ik je zie.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais?</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wie zoekt Jan Compagnie?&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Ik!&quot; roept dan menig losse guit,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Die, baasjen van de baan,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vroeg scheidde van zijn mooijen duit;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hij spreekt hem vroolijk aan:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">&quot;Heb jij geraasd, mijn e&ecirc;le vent!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wie deed het niet, ai, wie?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Was als de bonte hond bekend;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">'k Wierd toch Jan Compagnie!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">En, wonder! na een jaar vier, vijf,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hijscht elk er 't zeil in top,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En reedt een schip en neemt een wijf,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Staat voor een ton niet op;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Schoon ik den bo&ocirc;m al zie,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En laat der Staten trommel slaan:</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Lang leef Jan Compagnie!&mdash;</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het koeltjen, aangesneld uit zee,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Die ruwe klanken vrolijk over!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wat scheen het wilde paar gedwee,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Toen 't praauwtjen voortstoof naar de re&ecirc;!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zij staarden onder het luchtig ijlen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Beheerscht door d' indruk van het lied,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Nu oost- dan westwaart in 't verschiet,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Hun nog geen zeekasteel verried;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Want beide waren ze onder 't schaat'ren</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Der leste wijs van Bontekoe,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Bij 't luid &quot;Jan Compagnie&quot; te mo&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Als riep hij uit den schoot der waat'ren</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Den geest op van het verre West,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Die, d' oorlogsbliksem in de handen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Verscheen aan de Indiaansche stranden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En fluks zijn troon er had gevest,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Alre&ecirc; vermaard in de Oosterlanden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Voor leeuwenkuil en arendsnest.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">'t Was ijdel duchten, ijdel staren.</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Geen wolk van rook, geen flits van vier</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Schoot over 't zilv'ren vlak der baren;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Geen schip, op tal van masten fier,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Viel langs de gansche re&ecirc; te ontwaren;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wat vaartuig bragt den blanke hier?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De wilden vroegen 't, schoon hij rees</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En 't zeilenpaar der boot hun wees.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Half duikende onder kokosboomen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Ontsnapte ze in de baai 't gezigt.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Daar gaf hij 't sein&mdash;en werd vernomen;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Daar riep hij luid&mdash;zij gleed aan 't licht:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Of hield den blik ter zee gerigt,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Als greep een feller smart hem aan</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dan 't man'lijk harte kon we&ecirc;rstaan.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">O vijftienjarig ijdel streven!</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">O hoop, zoo lang vergeefs gevoed!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Hoe vrolijk had hij van den steven</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Den Ooster-Oceaan begroet,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Den kijker in de hand geheven,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En lucht gezien en land vermoed,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Tot schril de kreet we&ecirc;rgalmde in 't want:</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">&quot;Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">We&ecirc;r dwarrelde alles hem voor de oogen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De bleeke schrik,&mdash;de bange klagt,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De flaauwe hoop,&mdash;het ijdel pogen,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De vlam, die schoot van ste&ecirc; tot ste&ecirc;,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Het noodgeschrei: &quot;de boot in zee!&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En toen, het toppunt der ellenden,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Geen tucht meer&mdash;hoe?&mdash;geen zelfbedwang,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Voor sluike vlugt, het wild gedrang</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Gekerm,&mdash;'t gebed,&mdash;een dof gerucht...</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En schip en manschap in de lucht!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 2em;">Toch werd uit die herinneringen</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Van heil en hoop, van vlam en vier,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">De mijmeraar door t' luid getier</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat beeld kon zulk een rouw verdringen?</span><br>
+
+<a name="Footnote_2"></a><a href="#FNanchor2">[2]</a><div class="note"><p> De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten
+April 1602 opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden
+bloei: &quot;<i>La Richesse de la Hollande &agrave; Londres aux D&eacute;pens de
+la Compagnie</i>,&quot; pag. 33 etc.</p></div>
+<br>
+
+<p>X</p>
+
+<a name="DIEUWERTJEN"></a><p><b>DIEUWERTJEN.</b></p>
+
+<span style="margin-left: 4.5em;"><i>Stem</i>: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept.</span><br>
+<span style="margin-left: 23.5em;">Hooft.</span><br>
+<br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Wit van den hagel, maar warm trots de kou',</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Echter was 't later als jeukte mijn scheen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Schoof ik je digter, je schooft verder heen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Vreezen en beven&mdash;het had schier geen end';</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">'t Huis van je moeder was jij zoo gewend.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 3em;">Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Onder dat wiegekleed giert onze Claes.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!</span><br>
+<br>
+<hr style="width: 45%;">
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">O liefde, die in Hollands streken</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Alom altaren zaagt ontsteken,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Eer kiesch den voorrang won van kuisch</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">En gouden ketens fulpen banden</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Vervingen in de Zeven Landen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Bij onze heldenvad'ren t'huis!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wie schetst uw wonder alvermogen</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Op 't onverdorvene geslacht,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Dat klagt noch knieval wou gedoogen;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Dat, louter licht en lust in de oogen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Het schoon zijn hulde al juichend bragt,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">En toch zijn eerbied voor de vrouw</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Verkondde in echtelijke trouw!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wat harte dat gij niet regeerdet,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Wat harte dat gij niet herschiept,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Gij, die den vroeden schalkheid leerdet,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">De lachjens tot den stugste riept,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Beheerscheresse van de jeugd,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Haar hoogste heil, haar hoogste deugd!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Dat aanlokte uit het slechte lied,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Het droef gemoed des zwervers streelde,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Zijn gister en zijn morgen niet!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Zoo min zijn worst'ling met de golven,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Waarin hij, na den gruwb'ren slag,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Een lange wijle was bedolven,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Waaruit hij, toen hij 't licht herzag,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Niets hoorde dan het bang geklag</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">In 't rustelooze nederzegen;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Als 't stil verzuchten om den dood,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Toen laaije dorst en wreede nood</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Het scheepsvolk, onder 't angstig varen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Ten voedsel dat hen overschoot,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">De jongens vratig aan deed staren,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">'t Gebrek dien gruwel schier gebood,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wierp langer uit het droef verleden</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Zijn schaduw dreigende over 't heden,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">En zijn verschiet? 't Was of de kust</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Van Java opdoemde uit de baren;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">En bleek door twee en dertig jaren</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Het vuur der jeugd nog niet gebluscht:</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Zijn baard verried reeds graauwe haren;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hij had ten verd'ren togt geen lust;<a name="FNanchor3"></a><a href="#Footnote_3"><sup>[3]</sup></a></span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">De kiel, waarme&ecirc; hij t'huis zou varen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Lag op de reede al uitgerust.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Van uit het oord van 't uchtendkrieken</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Naar 't avondrijk de Kaap voorbij!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Daar deed de wind in 't loof der palmen</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Den groet der koop'ren keel we&ecirc;rgalmen;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">'s Lands vlagge wapperde op Guinee!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Daar tintelden de witte kruinen</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Van Hollands wachtgelijke duinen!</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hoe seinde hij de Hoornsche re&ecirc;!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Der overwelbeminde kust</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">&mdash;Waarin misschien de dierste al rust!&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Voorafgaat,&mdash;neen! het wuivend groeten</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Van Guurtjens kleine, blanke hand,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Wier pink we&ecirc;rschittert van zijn pand!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Voor goud of roem uw zegen veil,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">De man is wijzer we&ecirc;rgekomen,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Een bloeijend kroost, een brave vrouw,&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Ai, niets en gaat voor de echte trouw!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">&quot;Ha, schipper!&quot;</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 8em;">Holland was verdwenen!</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Sumatra's kust, het wilde paar,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hij werd die ijlings we&ecirc;r gewaar;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Ter plek, waarop zijn trouwe schaar</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hem toefde er met de boot verschenen:</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hij was ontkomen aan 't gevaar!</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">Wie eischt van mij de groep te schetsen</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving?</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Die luist'rende aan zijn lippen hing!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">'t Geheim des meesters ging verloren,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">En daarom zij u 't woord genoeg:</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Dat ieder zich nieuwsgierig droeg,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Om 't lang verhaal ten eind te hooren,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">En elk toch, door verbazingskreet,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Hem afbrak en herhalen deed.</span><br>
+<br>
+<span style="margin-left: 4em;">&quot;Wat lot onz' makkers is beschoren,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Helaas! wij zullen 't morgen zien!</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">En nu, ik kan niet meer, go&ecirc; li&ecirc;n!</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen.&quot;</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Dat stiet hij, met een schor geluid,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">In 't eind den moeden gorgel uit.</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">&quot;Tot morgen!&quot; zeide zij en gingen</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Naar hunne loovertenten toe.</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">Een omtrek nog van Bontekoe:</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Hij boog zich voor den Heere neder</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">V&oacute;&oacute;r dat de slaap zijne oogen look,</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">&mdash;Een vol gemoed is dubbel teeder&mdash;</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">En Guurtjens beeld verscheen hem weder,</span><br>
+<span style="margin-left: 5em;">En voor zijn Guurtjen bad hij ook!</span><br>
+
+<p>1840.</p>
+
+
+<a name="Footnote_3"></a><a href="#FNanchor3">[3]</a><div class="note"><p> Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven
+in 1625 in het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin
+ik hem aan het einde mijner vertelling doe verkeeren, schijnt
+mij gemotiveerd uit eene plaats in zijn Journaal, bl. 43: &quot;Ik
+van voornemen synde om mij met de eerste gelegenheid na
+Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord
+waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is
+gaern daar hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen,
+Kusten of Rijken dat men beseild en besiet, wat konditi&euml;n,
+profijten en vermakelykheden dat men geniet, 't souden ons
+maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel, van dat
+selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die
+hope heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen
+de ballingschap, en sulk hopeloos reisen, niet veel verschil
+zijn&quot;&mdash;De gissing eener liefde en die van een huwelijk,
+achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der welwillende
+nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer
+Mr. W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van
+zijn verder wedervaren te vinden.</p></div>
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="VERHALEN"></a><h2>VERHALEN</h2>
+
+<h3>Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie&mdash;Ezelinnen
+&mdash;Hanna</h3>
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="BLAAUW_BES_BLAAUW_BES"></a><h2>BLAAUW BES, BLAAUW BES!</h2>
+
+<p>(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)</p>
+<br>
+
+<p>Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige
+verzuchtingen om den dood, in het
+stille graf te liggen, ten einde voor den
+Haagschen straatkreet doof te zijn. Ik ben
+te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om te
+durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het
+van die, welke onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid
+winnen; maar ik mag de Amsterdamsche
+keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor
+van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer
+de wieken knotten kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies
+de pijnlijke aandoening had doorgestaan, verrees
+er dan, ten gevolge van dat met we&ecirc;rzin opgevangen
+woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest,
+dan zijn studeercel aanbood? bragt het hem niet naar
+buiten, niet over in beemd of bosch? Ik wil mij eerst op
+eenen der minst behagelijke kreten beroepen, om later
+van diegene te gewagen, welke streelender gedachten
+opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien
+zin voor climax hebben gewaardeerd. Daar klinkt het:
+&quot;<i>Elft as zalm!</i>&quot; bij voorbeeld, waaruit de Jordaner in
+het middelwoord de l weglaat, om u die in de beide
+andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst
+raauw genoeg op de lucht,&mdash;het is eene onwaarheid
+bovendien, want de eene soort van visch evenaart de
+andere nooit,&mdash;en echter heb ik er nimmer het voorhoofd
+om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn;
+een geheel ander verlangen wordt er bij mij levendig
+door. Wie heeft niet hooren vertellen, dat die visch
+meest des nachts gevangen wordt, en wie, die het zoomin
+als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling
+opgewekte gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij
+te wonen? Het schuitje,&mdash;de visschers,&mdash;het want,
+spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht;&mdash;om u heen
+de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de
+behendigheid van de winzucht;&mdash;en, tegenstelling die
+boven en beneden niet onaardig toetst, als gij ne&ecirc;rblikt,
+de rosse schijn eener lantaarn, als gij opziet, eene
+enkele, tien, twintig, duizend, millioenen sterren, die de
+duisternis des hemels zwichten doen;&mdash;wat dunkt u,
+zendt gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling
+van idee&euml;n hebt dank te weten, nog eene verwensching
+na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld verder uitspinnen,
+als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen,
+als hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij
+schilderiger stoffaadje past? Welaan&mdash;maar eerst een
+paar uitzonderingen, ten einde ik in geene onbedingde
+lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke
+onder die uitroepingen&mdash;en och! dat Bilderdijk deze
+van de Haagsche had uitgemonsterd!--er zijn er bij
+de Amsterdamsche, die u de haren te berge doen rijzen,
+niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der
+verbeelding wille: &quot;<i>Beerzen binnen de garneelen!</i>&quot;
+krijscht u niet enkel door merg en been, en &quot;<i>rapen as
+kinderhoofies!</i>&quot; doet u niet louter om den temerig gerekten
+uitgang pijnlijk aan; beide overdrijvingen wekken
+zoo velerlei weerzin op, dat ik dien onmogelijk in &eacute;&eacute;nen
+volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat
+dooreenhaspelen van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert
+schier iedere voorstelling van het verblijf van den eenen
+en den anderen gevinde. Rapen zijn een der oudste geregten
+ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig
+mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er
+in de dagen van haren eenvoud en harer grootheid
+voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer uitstellingen,
+meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor
+minder behoeften veil is, denk er eens aan, als die
+ongelukkige vergelijking u van het kannibalen-maal gruwen
+doet! Het is wel, zoo gij, onder een van beide jammeren,
+den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven,
+die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak
+neemt, doorgaans afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben
+billijk, al geldt het ook mijne gunstelingen; want waarom
+zou ik schromen, thans dien naam te geven aan de
+velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen,
+van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje
+af, tot de laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas,
+toe? Er ligt een zomer tusschenbeide, de keel des
+volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet zelf gezien,
+niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem
+heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege
+voorjaar des ochtends aan het venster door de leden
+vaart en uit deernis, hoop ik, &quot;een bosje roode of
+witte&quot; koopen doet, ware het ook maar om het kind te
+vergelden, dat het u de komst der lente geboodschapt
+heeft. Mild, daarentegen, schier melodisch, zou ik willen
+schrijven, klinkt de roep des mans, die, bij invallenden
+avond, den herfstwind de a's van zijne <i>rammenas</i> verre
+dragen doet,&mdash;als de zonneschijn langer geduurd had,
+ze zouden tot zang zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen,
+de tallooze verkwikkingen, welke de arme langs
+uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te verbazen,
+dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze
+zoo schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn
+ontzegd: de welriekende aardbezie, de verfrisschende
+kers, de druiven, waarop de dauw nog ligt, de
+china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de&mdash;maar waar zou
+ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen
+voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde
+verbeelding ons verplaatst, bij het hooren van
+eenen der vele klanken op welke de breede schaal van
+toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne
+inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis
+voorkomt die de titel van mijn opstel geven mogt&mdash;maar
+een straatkreet!</p>
+<br>
+
+<p>&quot;Blaauw bes, Blaauw bes!&quot;&mdash;klonk het langs de ----
+gracht onzer hoofdstad, en het geluid, dat eene oude
+vrouw verried, mogt den jongen heer van het eene
+venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en
+de bezi&euml;n, welke het wijfje door dien kreet ventte, der
+jonge jufvrouw van het andere raam geenen blik waard
+zijn, een Rembrandt had hare gansche mand le&ecirc;g gekocht,
+als zij een uur voor hem had willen zitten. Een
+sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne
+vormen wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar
+in het voortstappen zeer te stade kwam;&mdash;een sergiejak,
+dat de verbruinde, en van ouderdom vast verstrammende
+armen onder geene mouwen in zijne hoede nam;
+beide kleedingstukken vielen iederen ledeman om te
+werpen, en zouden onder de hand des meesters stellig
+fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf van mijn
+moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn
+geweest, dat een schilder zich tegenover haar achter den
+ezel had gezet. Hagelwit mogt het eenvoudige mutsje
+zijn, dat de grijze haren bedekte en de tronie omsloot;
+hoog van kleur, &quot;in den noode&quot; de doek, die, over het
+jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene
+borst kwalijk verborg; ook deze eigenaardige dragt van
+een geldersch huismanswijf, zou, zonder haren persoon,
+binnen het bereik des kunstenaars zijn geweest, hoezeer
+die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot
+het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al
+het aantrekkelijke, dat zij voor Rembrandt zou hebben
+gehad, school in haar gelaat; waarom is met hem de
+kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude
+vrouw den blik des eerbieds, het knikje des welgevallens
+te verwerven? Als hij mijn blaauwbessenwijfje op het
+doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben verheeld,
+die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou
+de jukbeenderen niet hebben weggedast, die hare wangen
+zoo hoekig maakten; hij zou om mond en kin zelfs
+den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien
+hij in de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij
+den eersten oogopslag hadt aangezien, dat zij zestig,
+vijf en zestig lange jaren misschien had geleefd en
+geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had
+liefgehad en geloofd; het wintersch landschap ware
+opgeluisterd door van omhoog invallend zonnelicht! En
+ge hadt het graauwe dons om kin en lippen voorbijgezien,
+in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid,
+door dien mond geteekend: woorden
+der wijsheid zouden u van die lippen niet hebben verbaasd,
+gij hadt er geene andere van verwacht. En het
+schier stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen,
+die er onder uitstaken, zou opgehouden hebben,
+u we&ecirc;rzin in te boezemen, want er had een lachje over
+gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als
+had zij onder allerlei leed den zin voor schuldelooze
+vreugde bewaard. En terwijl iedere rimpel voor u in een
+teeken ware verkeerd der rampen, die haar troffen, hadt
+gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine
+oogen toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust,
+die het verlies van jeugd, schoonheid en wereldsche
+uitzigten overleefde; van eene ziel die genade had gevonden
+bij God!</p>
+
+<p><i>Une femme qui n'a plus d'&acirc;ge</i> is iets vreeselijk-leelijks,
+als Beaumarchais haar ons schetst;&mdash;zou het geheim
+van het innemende, der oude vrouwen van Rembrandt
+eigen (het genie des meesters voor het overige in al
+zijnen omvang ge&euml;erbiedigd), ook aan het onderscheiden
+volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip
+over de bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?</p>
+
+<p>&quot;Blaauw bes, blaauw bes!&quot; klonk het, maar zonder
+den nadruk, dien het vrouwtje den woorden in eene
+straat zou hebben bijgezet, maar meer uit gewoonte,
+naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers
+te zullen trekken&mdash;in die buurt scholen de liefhebbers
+harer onaanzienlijke, harer de lippen blaauw verwende
+bezi&euml;n niet. En echter was het blijkbaar, dat haar des
+ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen
+niet verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche
+van haren roep verre van haar was. Vier of vijf jongens
+stoven haar voor, of sprongen haar na, om bij beurten
+haar af te wachten of in te halen, en onder het huppelen
+om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die
+door geen deksel werd beschut; in eene andere stemming
+zou de baldadige plagerij, zou het soms van alle
+kanten eensklaps opgaand: &quot;blaauw bes, blaauw bes!&quot;
+haar hebben ge&euml;rgerd; thans scheen zij even goedwillig
+de oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor
+hunne vruchtelooze pogingen lieten welgevallen. Intusschen
+was zij een halve gracht voortgegaan, en zie,
+daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest.
+Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug
+wipte ze de stoep op, en de schel ging over, tot twee malen toe.</p>
+
+<p>Een knecht, in geel linnen jas, deed open.</p>
+
+<p>&quot;Is Eefje thuis?&quot; vroeg de blaauwbessen vrouw.</p>
+
+<p>&quot;Eefje?&quot; hernam de borst; &quot;er woont geen Eefje hier;
+mijne kameraads heeten Sanne en Saar, en&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Eefje heeft toch hier gewoond,&quot; zei de vrouw, &quot;of
+ik moest mij in het huis hebben vergist,&mdash;maar ik ben
+hier immers bij Mijnheer ----?&quot; (en de knecht knikte:
+&quot;jawel&quot;) &quot;dan moet zij verhuisd zijn.&quot;</p>
+
+<p>&quot;En dat zou geen wonder wezen.&quot;&mdash;</p>
+
+<p>Een paar kinderen sprongen aan het einde van den
+gang de deur eener kamer uit, en eene vrouwenstem
+mogt de meisjes naroepen: &quot;<i>Mais attendez donc!</i>&quot; zij
+deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur
+de blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst
+vergeefs hare nasporingen voortzette.</p>
+
+<p>&quot;Jonge jufvrouw!&quot; vroeg de knecht aan eene van de
+kleuters, die een jaar of tien wezen kon, &quot;heeft hier
+een meisje gewoond dat Eefje heette?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb,
+maar van de meiden neem ik geene notitie,&quot; was het antwoord.</p>
+
+<p>Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet
+weerhouden, de veelbelovende nuf van het hoofd tot
+de voeten op te nemen.</p>
+
+<p>&quot;Foei, Emilie!&quot; ze&icirc; haar jonge zusje, &quot;heugt je Eefje
+niet meer? ze was zoo'n vrolijke, vriendelijke meid.&quot;</p>
+
+<p>Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.</p>
+
+<p>&quot;'t Is waar,&quot; viel Emilie in: &quot;<i>je m'en souviens</i>, toen
+hadden wij die nare, norsche jufvrouw, Numero Acht.&quot;</p>
+
+<p>&quot;En waar woont Eefje nu?&quot; vroeg de teleurgestelde oude.</p>
+
+<p>&quot;Mama zou het wel weten,&quot; hernam het jongste kind
+go&ecirc;lijk, &quot;maar die is buiten.&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>Mesdemoiselles!</i>&quot; klonk het gebiedende achter uit
+den gang. Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero
+Negen, die de kinderen, hoe schoorvoetende ook, verpligtte,
+met haar naar boven te gaan.</p>
+
+<p>&quot;Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je
+kameraads het weet?&quot; vroeg de blaauwbessenvrouw aan
+den knecht.</p>
+
+<p>&quot;Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn
+hier allemaal maar trekvogels.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och! doe het,&quot; zei ze, &quot;ik ben hare moeder, of je 't
+niet wist.&quot;</p>
+
+<p>Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.</p>
+
+<p>&quot;Kom binnen, besje!&quot; zei de knecht, &quot;en ga zoo lang
+op de bank zitten,&quot;&mdash;er stond een geel geschilderde
+in den gang,&mdash;het medegedeelde gesprek was met
+geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn
+blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien ne&ecirc;r; maar
+of de oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt,
+haar niet lang duurden, vreesselijk lang, dat beslisse
+iedere mijner lezeressen&mdash;die nog geene negen jufvrouwen
+bij haar tienjarig kind heeft gehad.</p>
+
+<p>Eindelijk&mdash;daar sprong de knecht de trappen, die
+naar de keuken leidden, we&ecirc;r op&mdash;&quot;moedertje!&quot; zei
+hij, &quot;de keukenmeid meent te weten, dat je dochter naar
+de ----gracht is verhuisd&mdash;bij Mijnheer ----&quot;</p>
+
+<p>&quot;Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?&quot;</p>
+
+<p>Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam
+zij bij den borst niet op, al vielen er voor de trekvogels
+andere kruimels van de tafel. &quot;Het ga je goed,&quot; zei het
+moedertje, toen de knecht de deur weder geopend had.</p>
+
+<p>&quot;Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me,&quot; lachte de schalk.</p>
+
+<p>Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude
+vrouw trager was bij het afgaan der gracht, dan bij het
+opkomen; allerlei gedachten onderdrukten het verlangen,
+dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje verhuisd!--het
+moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in
+die aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk
+kind geweest; en had zij in hare buurt niet drie
+jaren lang op den Huize ---- tot genoegen harer meesters
+gediend?&mdash;Eefje verhuisd&mdash;zij kon het thans
+beter getroffen hebben; maar als het eens het begin
+van een zwerfziek wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje
+stond stil, stond op straat stil, en de voorbijganger,
+die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken
+deed, wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had
+in de laatste maanden niet geschreven; maar er waren
+haar en haren man toch van tijd tot tijd groeten, er
+waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in
+geld, geworden, die slechts van Eefje komen konden.
+Haar man, haar blinde man, had bij dat geld, het is
+waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs willen
+weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie
+het zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten
+waren zoo gering geweest! O dikwijls had zij
+vader, wiens zuchten haar niet ontgaan waren, hoe hard
+haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem getroost,
+dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne
+armelijke hut!</p>
+
+<p>Eefje verhuisd,&mdash;en dat zonder het hun te schrijven!</p>
+
+<p>&quot;Moedertje! moedertje!&quot; hoorde zij roepen; maar het
+viel haar niet in, om te zien, of die kreet ook haar gelden
+mogt; eerst toen de stem er &quot;blaauw bes, blaauw
+bes!&quot; op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie haar wenkte.</p>
+
+<p>&quot;Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?&quot;
+vroeg een aardig wijfje, in haren winkel aan de deur
+staande, met een kind op den arm; het jongsken bukte
+zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.</p>
+
+<p>&quot;Hoeveel Antje?&quot; was het antwoord; de neering ging
+een oogenblik boven de natuur.</p>
+
+<p>&quot;Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel&mdash;bah
+Wim! je zult je vingertjes blaauw verwen;&mdash;wat
+zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz? mijn man is
+zoo gek met den guit!&quot;&mdash;</p>
+
+<p>Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij
+niet opmerkte, hoe weinig vrouw Hendriksz op haar
+gemak was; hoe hortend de laatste woorden van haar
+antwoord er uitkwamen.</p>
+
+<p>&quot;Je eerste was eene dochter, niet waar?&quot;&mdash;In drie
+jaren een rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens
+bij je?&mdash;Zij is verhuisd, hoor ik.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Zoo!&quot; hernam Antje, &quot;neen, ze is in lang niet hier
+geweest,&quot; en de moeder doldijnde met den knaap: &quot;hoe
+gaat het met je man, vrouw Hendriksz?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik
+geloof, dat je twee en een' halven cent we&ecirc;rom
+krijgt; daar zijn ze&mdash;groet den baas van me, ik kom
+nog weleens we&ecirc;r aan.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje
+eens goeden dag.&quot;&mdash;</p>
+
+<p>Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw
+Hendriksz ging verder&mdash;nog minder opgeruimd, dewijl
+ze juist getuige was geweest van dat tooneeltje van
+geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot Eefjes
+speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger
+naar de hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend,
+was er gaauw en goed getrouwd; waarom had Antje
+haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik, dat haar
+die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En
+wat was Antje tevreden geweest, als had zij zich op
+haren trouwdag te goed gedaan!--Vrouw Hendriksz
+werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of had er
+berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het
+had niet aan het aardige wijfje uit den winkel, het had
+aan haar gescheeld, dat de oude mensch haar te sterk
+was geworden, en zij beloofde in zich zelve boete en
+beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets
+zou worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.</p>
+
+<p>Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers,
+dese of gene gracht der hoofdstad heeft langs gedwaald,
+om de woning eens vriends te zoeken, die zijn' naam
+niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in
+verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te
+schellen; hij houdt het vrouw Hendriksz ten goede, dat
+zij het tot drie malen toe te vergeefs deed; hij stelt zich
+voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: &quot;neem
+niet kwalijk!&quot; een graauw werd achterna gezonden; de
+vierde maal was zij eindelijk waar zij wezen moest.</p>
+
+<p>&quot;Eefje heeft hier gewoond,&quot; zei de heer des huizes,
+die toevallig zelf aan de deur verscheen, heuschelijk;
+&quot;maar zij was niet wel geworden, zij zou naar huis gaan,
+geloof ik.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ach God!&quot;</p>
+
+<p>En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw
+Hendriksz dreigde de Jobstijding te besterven; zij werd
+bleek als een lijk.</p>
+
+<p>&quot;Een glas water!&quot; riep hij der dienstbode toe, die
+verbaasd opzag, dat mijnheer een blaauwbessenvrouwtje
+binnenbragt.</p>
+
+<p>Het glas water werd der oude toegereikt. &quot;Ik dacht
+er niet aan dat gij hare moeder kondt zijn,&quot; sprak de
+me&ecirc;warige man.</p>
+
+<p>&quot;Mijn kind! mijn kind!&quot; snikte de grijze, en toen zij
+klappertandende het glas water had le&ecirc;ggedronken,
+volgde vraag op vraag, maar bleef ieder antwoord
+onbevredigend;&mdash;Eefje was wat wispelturig van humeur
+geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid;
+dit was alles, wat haar te laste werd gelegd; alles, wat
+men van haar wist. Het was ongeveer drie maanden geleden!</p>
+
+<p>Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam,
+in de oogen van den wereldburger, wel geene
+kleine stad; maar trots den vijfdubbelen ring van grachten,
+om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof,
+waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten
+den besten, dien hij zocht, op het spoor te komen,
+hoe deze zich ook schuil houden mogt. En echter, voor
+mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke
+zich bij deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei
+verschiet, dat zij beurtelings verpligt zoude zijn in
+te slaan, schier verbijsterend. Waar was Eefje? hoe
+zoude zij haar kind we&ecirc;rvinden? Slechts &eacute;&eacute;n gebouw
+teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen
+dwarlde, scherp tegen de lucht af; het was de huizing,
+waarin de armoede vergeten wegsterft; het was de
+St. Pieterspoort, het was het <i>Gasthuis</i>. Onwillekeurig
+had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot
+lagen, gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden,
+zagen de omstanders het haar aan, dat zij God om
+sterkte bad; er was niemand onder hen die ze der moeder
+niet toewenschte.</p>
+
+<p>&quot;Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?&quot; vroeg
+de heer des huizes, bewogen.</p>
+
+<p>&quot;Onder de mindere menschen w&egrave;l; maar die zullen mij
+weinig kunnen helpen, als&mdash;Ooh, Mijnheer! al ben ik
+hare moeder, zeg het mij maar ronduit,&mdash;Eefje heeft
+zich hier immers goed gedragen?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wat wispelturig, zooals ik u zeide...&quot;</p>
+
+<p>&quot;Maar&mdash;toch&mdash;eer&mdash;lijk?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ja, vrouwtje! ja!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Goddank, Mijnheer!&quot; er sprongen tranen uit de
+oogen der grijze vrouw,&mdash;&quot;en&quot; voer zij voort; doch
+het woord wilde de keel niet uit;&mdash;&quot;daar valt mij een
+huis in; Mevrouw van ----,&quot; en zij noemde een bekenden
+naam&mdash;die Mevrouw zal zeker wel weten, waar
+zij is; als Eefje niet naar huis komen kon, heeft zij
+zeker bij haar hulp gezocht&mdash;die Mevrouw is bij ons
+vandaan, moet u weten.&quot;</p>
+
+<p>En zij stond op van den stoel, waarin de heer des
+huizes haar had ne&ecirc;rgezet, en met de wellevendheid
+der natuur verzocht zij hem, haar den last ten goede te
+houden, dien zij hem had aangedaan: &quot;maar u heeft
+misschien zelf kinders?&quot;</p>
+
+<p>Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!</p>
+
+<p>De heer des huizes knikte toestemmend,&mdash;&quot;en daarom
+hoop ik, moedertje! dat Mevrouw van ---- je goed
+berigt zal hebben te geven van je dochter;&mdash;maar je
+vergeet je mandje&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--&quot;</p>
+
+<p>Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op
+weg; de vraag, die haar op de lippen lag, maar die
+zij we&ecirc;rhield, de vraag, welke op het onderzoek naar
+de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam
+andermaal bij haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook
+die niet had gedaan! Welk een licht werpt het op den
+toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat eene
+vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van
+haar kind eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine
+geschenken voegen, deze dadelijk aan diefstal of aan
+ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene schets naar
+de natuur te leveren, en het u overlatende er de
+opmerkingen bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft,
+breng ik u liever de tuinkamer, waarin Mevrouw Van
+---- gezeten was, binnen.</p>
+
+<p>Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz
+was toegelaten; al had de meesteresse der huizinge
+dien achtermiddag eenen kring van gasten om
+haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van
+het moedertje, een oogenblik bij haar gezelschap hebben
+verontschuldigd; het heugde haar, dat zij Freule&mdash;
+was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de hoofdstad
+al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots
+te harer beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks
+meer weder op het land te leven, thans des winters
+aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans des zomers
+aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter
+kon het eensklaps gewaar worden van een Geldersch
+huismanswijf, kon het onverwacht vernomen geroep
+van: &quot;blaauw bes, blaauw bes!&quot; het der schoone vrouw
+voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in
+dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,&mdash;want
+weder waande zij te wezen, zou eene te flaauwe
+uitdrukking zijn,&mdash;weder was zij dan op het landgoed
+in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had gespeeld,
+waarop zij als aankomend meisje had gedarteld,
+waarop zij als &quot;de freule&quot; was gezegend geworden,
+waarop zij de lente van haar leven besloten had met
+hare hand en haar hart te geven aan den man harer
+keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den
+geboortegrond zoet mogen heeten, dan zijn het dezulke!
+en vrouw Hendriksz, opdat wij tot haar terug keeren,
+vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes uit
+het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren
+hit dikwijls voor de woning des daglooners stilgehouden!
+wat had zij het vrouwtje in we&ecirc;rspoed of in winter
+vaak getroost en geholpen met al die gemeenzaamheid,
+waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat
+niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in
+onze historie behoort!</p>
+
+<p>De beangste moeder had haar harte uitgestort;
+helaas! voor de eerste maal scheen het Mevrouw Van
+---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden balsem te
+falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest;
+en geen der dienstboden, die beurtelings werden
+binnengeroepen, herinnerde zich, het meisje te hebben
+ontmoet of gezien, geen hunner heugde het, dat zij bij
+afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen.
+Stom van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam
+er geen klagte over hare lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje
+over den rug van den stoel, dien haar
+Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware
+zij niet in staat het lijden, waarvoor zij in den eersten
+oogenblik geen troost wist te geven, langer aan te zien,
+staarde de laatste den tuin in, wiens deurramen, ik
+vergat het te zeggen, openstonden;&mdash;zag zij onwillekeurig
+den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die
+wat weelderig van loover waren geworden, door de
+gloeijende Augustuszon.</p>
+
+<p>&quot;Eefje, Eefje!&quot; kreet de moeder. Want de natuur
+brak de banden der onderwerping, waartoe zij getracht
+had haar gemoed te stemmen, en de smart, die uit den
+toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw
+door merg en been.</p>
+
+<p>En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef
+zij den tuin instaren: de jongman bij de rozenstruiken
+had opgezien bij den kreet van vrouw Hendriksz, opgezien
+met meer aandoening, dan louter het noemen van
+eenen naam scheen te kunnen wekken.</p>
+
+<p>&quot;Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven
+is,&quot; voer de jammerende moeder voort.</p>
+
+<p>&quot;Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!&quot; fluisterde de
+vrouw des huizes, zonder naar de verslagene om te
+zien: de jongman die het tweede woord even goed had
+verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen
+te komen, en had zijns ondanks, naar het scheen, twee
+stappen naar de tuinkamer gedaan. Immers toen had hij
+zich bedacht; thans scheen hij we&ecirc;r louter oog en hand
+voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een
+omzien, eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf;
+een omzien vreesde zij, zich de deelneming, zich de
+ontroering des jongmans daarbuiten maar te hebben
+verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest,
+en wat was er bij gewaagd de proef te nemen, of hij
+eenige inlichtingen geven kon?</p>
+
+<p>&quot;Wouter!&quot; riep de meesteresse des huizes.</p>
+
+<p>Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje;
+maar even hartstogtelijk als die beweging was geweest,
+even schoorvoetende kwam hij de weinige trappen, die
+naar de tuinkamer voerden, op.</p>
+
+<p>Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.</p>
+
+<p>&quot;Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik
+luisteren moest, of ik wilde of niet.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Eefje!&quot; riep de meesteresse des huizes, over het
+slagen harer opmerking verbaasd.</p>
+
+<p>&quot;Eefje!&quot; herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen
+droom, en werd eensklaps den derde gewaar, die in
+het vertrek stond, en sprong op den jongman toe, en
+viel hem om den hals. &quot;Leeft zij?&quot; vroeg de moeder,
+&quot;leeft mijn kind?&quot; en staarde Wouter met hare bruine
+oogen in het gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.</p>
+
+<p>&quot;Zij leeft, maar&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Zij is verleid!&quot; jammerde vrouw Hendriksz, en
+stiet den jongman van zich, als ware hij de schuldige geweest.</p>
+
+<p>&quot;Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar
+je radeloosheid weet niet, wat ze doet. Ik had Eefje
+zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo droef niet gekreten
+hebben, als zij &quot;ja&quot; had gezegd, toen ik haar vroeg.
+Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen
+ik verleden' herfst kwam tuinen; zij maakte een praatje
+met me; ze wist van boomen en bloemen; zij wist ook,
+dat ze mooi was, maar het stond haar toen w&egrave;l. Eer zij
+hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen,
+waar ze woonde, en wanneer ze uitging. &quot;Waratje, daar
+heb je Wouter!&quot; zei ze den volgenden Zondag, toen zij
+de stoep afstoof, en&mdash;maar wat heeft Mevrouw eraan&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ga voort, Wouter! ga voort!&quot; en het was geen ijdele
+nieuwsgierigheid, die der meesteresse des huizes het
+oor deed leenen aan de vrijerij; Eefjes toestand kon
+haar slechts door dat verhaal duidelijk worden. Vrouw
+Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij
+tegenwoordig was.</p>
+
+<p>&quot;Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien
+mogt. &quot;Eefje! hoe bevalt het je hier?&quot; vroeg ik haar,
+toen we een keer of wat zamen uit waren geweest,
+om eens hoogte te nemen hoe na bij land. &quot;Opperbest!&quot;
+zei ze. &quot;Gelderland moet toch mooijer wezen,&quot; begon
+ik we&ecirc;r, &quot;Veel stiller ook,&quot; was haar woord. &quot;Anders
+zou het mij wel loenen op het land te wonen,&quot; polste
+ik alverder, &quot;om Haarlem en bij den Haag&quot; (ik ben
+nooit in Gelderland geweest, Mevrouw!) &quot;daar beleeft
+men plezier aan de bloemisterij en aan de broeikassen;
+onze stadstuinen zijn maar kerkhofjes,&quot; (het is de
+waarheid, Mevrouw!); &quot;wat zeg je ervan, Eefje! als
+ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had,
+zou je er met mij in willen wonen?&quot;&mdash;&quot;Malligheid,
+Wouter!&quot; mogt ze zoo zeggen, maar ik gaf haar een
+zoen, die klonk als een klok... doch ik vergat tot wie
+ik spreke&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Er school te veel po&euml;zij in die schets, dan dat het hart
+eener vrouw haar niet me&ecirc; zou hebben gevoeld, &quot;En
+evenwel,&quot; zei Mevrouw Van ----, &quot;en evenwel is zij
+verleid.&quot;&mdash;</p>
+
+<p>&quot;Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw
+te kunnen worden, als menige andere&mdash;och die opschik!--schoon
+ik soms tot mij zelve zegge, dat zij
+nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad,
+zooals ik haar. En dan we&ecirc;r spijt het mij, spijt het
+mij, of ik er gek van worden zal, dat ik mijne vuisten
+voor me hield, toen ik zag, dat hij zijn' arm om hare
+middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij kunnen,
+wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster
+of ons meisje vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal
+het u zeggen, in de schemering was ik hun op zij eer
+zij het wisten. &quot;Eefje! heeft hij je aangerand?&quot; vroeg ik,
+en hief mijne hand al op, &quot;Neen, Wouter! neen,&quot; zei
+ze. &quot;Wat meen je, maat?&quot; vroeg de wulp. &quot;Ik weet wat
+ik zag, kwajongen!&quot; gromde ik. Hij ging zijns weegs&mdash;dat
+ik hem liet gaan!--Doch ik dacht meer aan Eefje,
+die naast me staan bleef, maar geen woord sprak.
+&quot;Eefje!&quot; zei ik ten leste, &quot;wat wou&mdash;?&quot; &quot;Hij vroeg me
+naar eene jonge jufvrouw, die bij ons logeert.&quot; &quot;Lieg niet,
+Eefje!&quot; bad ik haar; &quot;mooije kleeren kan ik je niet
+geven, maar een goed man zou je aan Wouter gehad
+hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan
+nazeggen.&quot;&mdash;&quot;Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis
+komt!&quot; was al haar antwoord, als achtte zij het niet
+waard, mijne verdenking verder te we&ecirc;rleggen,&mdash;ik
+geloofde, dat ik had misgezien.&quot;&mdash;</p>
+
+<p>En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des
+huizes was aangedaan; zij dacht niet aan het belagchelijke,
+dat men in bedrogen minnaars pleegt te zien;
+zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt
+had, ten prijs van haar eigen verderf.</p>
+
+<p>&quot;O, dat die oogen liegen konden!&quot; besloot de jongman.</p>
+
+<p>Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde,
+dat zij het gesprek maar al te wel had verstaan.</p>
+
+<p>&quot;Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd
+van haren blinden vader komen moest!&quot;</p>
+
+<p>En zij zeeg op den stoel ne&ecirc;r.</p>
+
+<p>&quot;Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd,
+tot het leste toe; &quot;vervolg mij niet meer,&quot; zei ze,
+&quot;want ik haat je wijsheid.&quot;&mdash;</p>
+
+<p>&quot;Toch blijft ze mijn kind,&quot; snikte de oude; &quot;als je
+weet waar ze woont, zoo doe een goed werk, en breng
+mij tot haar!&quot;</p>
+
+<p>Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde
+als een blad, maar zij viel andermaal in den stoel ne&ecirc;r.
+Mevrouw Van ---- schelde om spiritus. &quot;Wat zal het
+baten?&quot; zeide de moeder, toen zij het glas aan hare
+bevende lippen bragt, &quot;de kroon is ons toch van het
+hoofd gevallen, onze eere is weg!--Eefje! mijn kind!--waarom
+moest je dit over ons brengen?&quot;</p>
+
+<p>Een oogenblik stilzwijgens.</p>
+
+<p>&quot;Waarom?&quot; herhaalde de oude vrouw, &quot;waarom?
+o Heere! houd mij dat woord ten goede; wat verdienen
+wij niet voor onze zonden?&quot;</p>
+
+<p>En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje
+in staat om te bidden, ook onder die bittere beproeving.</p>
+
+<p>&quot;Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;&mdash;wijs
+me nu den weg; Eefje moet morgen me&ecirc;!--God geve,
+dat hare ziel niet verloren ga als haar ligchaam!&quot;</p>
+
+<p>Er waren den volgenden avond wandelaars in
+menigte, die op de hoogte van den Schreijerstoren, te
+Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den schoonen
+zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings
+regts en links, om en op te zien. Het goud der ondergaande
+zon flikkerde nog op de spitsen van het mast-bosch
+in het Westerdok, terwijl de volle maan over dat
+van het Ooster- vast haar vloeijend zilver stroomen
+deed. Doch wie er zich ook verlustigde in het prachtig
+wolkenschouwspel, dat de plek te ieder ure schier
+gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo verscheiden,
+zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in
+dat, 't welk de schemering voorafgaat, &eacute;&eacute;n jongman uit
+den drom had er blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik
+scheen aan een zeil te hangen, dat op Pampus in het
+verschiet verdween,&mdash;het was Wouter, die den Elburger
+nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.</p>
+
+<p>Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder
+en kind, was bij de verzoening tegenwoordig geweest,
+wie vraagt mij, of zij verder, ter verzachting van beider
+ellende, iets onbeproefd liet?</p>
+
+<p>Wouter&mdash;wij keeren nog eens tot hem terug&mdash;Wouter
+had der gevallene in hare schande het wederzien
+gespaard; de eenige belooning, met welke hij er
+zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later
+bragt de zomer weder zijne vruchten me&ecirc;;&mdash;Amsterdam
+gij weet het, is nog niet, zoo als Bilderdijk misschien
+zou hebben gewenscht, een ander Bremen
+geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte
+zijner straten duldt;&mdash;de kreet, aan het hoofd van
+dit stukje geplaatst, heeft Wouter onlangs verrast. Hij
+sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend
+gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet
+misstond; het blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap
+voor hem:</p>
+
+<p>&quot;Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!&quot;</p>
+
+<p>1845.</p>
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="T_IS_MAAR_EEN_PENNELIKKER"></a><h2>'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!</h2>
+
+
+<span style="margin-left: 2em;">Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!</span><br>
+<br>
+
+<p>Te regt zou men er zich over beklagen, dat
+de geestige Bre&ecirc;ro, welke ons in deze weinige
+regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor
+zijner dagen heeft geschilderd,
+er geene tekening van de klerken zijns
+tijds bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat
+men het beroep, waarvoor thans een patent van kantoorbediende
+wordt vereischt, toen naauwelijks kende.
+Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der zeventiende
+eeuw voor te stellen, die slechts een factotum
+voor het loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder
+bezoldigde welke wekelijks eenige uren de zaken
+kwam bijschrijven,&mdash;tenzij de zucht voor geheimhouding,
+onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde
+toe te vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan
+hij en zijne vrouw. Er zou harmonie zijn geweest tusschen
+dat vele zelfdoen en de overlevering, die ons
+vertelt, dat Jan de Witt maar &eacute;&eacute;n' dienaar had.&mdash;Ik
+tart u echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens
+koopmans voor den geest te brengen, zonder dat zich,
+in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel met eene
+krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert,
+op het kantoor te voorschijn geroepen door eene
+driedubbele behoefte: de zeden waren weeldiger geworden&mdash;de
+gemeenschap had allerwegen toegenomen,&mdash;de
+mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men
+kwam er niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder
+valt mij eene historische bijzonderheid in, welke deze
+wijze van zien staaft. In de dagen van Willem IV plagt
+de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder
+den toast van: &quot;De zieke Bruid!&quot;&mdash;Voeg nu bij de
+eigenaardige verschijnselen der negentiende eeuw: het
+verdwijnen van allen afstand, dat wij aan den stoom te
+water en te land hebben dank te weten, en de liefhebberij
+onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen,
+op statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit
+beide geboren' wedijver, wie den vreemde het eerst,
+het uitvoerigst, het drokst berigten zal geven; en gij
+verbaast u er niet langer over dat de meeste kantoren
+van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben.
+Alleen de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij
+veroorzaken iedereen Duitschen Commissionair
+grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto, dan een
+zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en
+eischen handen in evenredigheid.</p>
+
+<p>Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens
+eene school zien uitgaan,&mdash;eene burgerschool, meen
+ik, eene armenschool zelfs, en u vermeid in het weergaloos
+schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene
+gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene
+wereld in het klein! Houd er oogen op, als gij kunt.
+Soldaatjespelen,&mdash;de eerste stok de beste is een
+generaalsstaf, voor dien flinken borst;&mdash;paardenmennen,&mdash;wie
+denkt gij dat het spoedigst mo&ecirc; zal zijn, de koetsier
+of de rossen!--scheepje zeilen,&mdash;de klomp gaat te
+water, als zij maar een touwtje vinden om hem aan te
+vieren,&mdash;wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de
+woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen,
+voerlieden, krijgslu&icirc; in. D&aacute;&aacute;r plaagt een krullebol een
+aardig meisje,&mdash;maar dat zullen zij eens allen doen,
+dat is het algemeen menschelijke,&mdash;ik wilde u tot den
+bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een
+of ander beroep, bepalen.&mdash;Welnu, we zien arbeids- en
+handwerkslieden in menigte:&mdash;toekomstige metselaars,
+die naar dat half voltooide gebouw kijken, of zij
+de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren
+berekenden;&mdash;toekomstige hoveniers, die gadeslaan
+of de lentezon de knoppen van het geboomte sedert
+gisteren verder heeft doen uitbotten;&mdash;toekomstige
+kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren,
+of het open moest springen voor hun nieuwsgierigen
+blik;&mdash;maar, er zou geen einde aan zijn, zoo wij alles
+wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.&mdash;En
+echter, het is aardig naar het gindsche groepje te
+kijken: een der jongens heeft een stuk krijt gevonden,
+en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij karikatureert! Hij
+hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden: hij
+overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak
+met alle proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om
+hem heen, recensenten voor ieder, die zijn werk der
+beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is
+billijker?&mdash;Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt
+in de drie voet hooge wijsheid, die d&aacute;&aacute;r een stroowisch
+tot passer bezigt, vergun mij op te hebben met den
+vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt:
+hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman
+worden; hij zal wagen en winnen. Winkeliers-geest,
+die te huis blijft zitten en verbeidt, ik zie hem te over,
+bij dien knikkerenden hoop. &quot;Valsch doen!&quot; hoor ik roepen.
+Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde
+onregt; die den kleinen bedrogene de hand
+boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt gewroken,
+zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige
+dichter! wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen
+antwoord, verloren als hij is in de beschouwing eener
+bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone
+bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.&mdash;Toch
+verlies ik hem uit het oog, om den wil van den gindschen
+manke; gebrekkige jeugd is zulk een deerniswaardig
+schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan
+kle&ecirc;renmaker of schoeneflik worden, en als hij geld en
+geest heeft, zoo goed een' graad in eene der drie faculteiten
+verwerven, als een van deze rechtsgeleerden,
+geneesheeren of leeraars <i>in spe</i>.&mdash;Doch, zeg mij, hebt
+gij in die bonte wemeling van standen, in die wereld in
+het klein, ergens een' toekomstigen kantoorbediende gezien?</p>
+
+<p>Helaas, neen! Er ligt te weinig po&euml;zij in dien toestand,
+dan dat hij den onbevangen blik der jeugd zou kunnen
+aanlokken. Stel u de jonkheid v&oacute;&oacute;r, zoo als ge wilt,
+onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat
+verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze
+beschaving kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft
+zoo min geluk als genot; het waarborgt even weinig
+vrijheid, als de schadeloosstellingen voor deze: weelde,
+gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo
+groote wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die
+oorzaak bewust is, dat zij er zich reden van geeft. Verre
+van daar. Maar des ondanks moet gij als ik dikwijls
+hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft
+voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste
+beelden tevens de onafhankelijkste zijn. Het is of in den
+boezem des volks het bewustzijn der oorspronkelijke
+bestemming van het mannelijk karakter wordt omgedragen:
+ontwikkeling aller krachten, aller
+gaven.&mdash;Knecht&mdash;klerk&mdash;hofmeester&mdash;hoveling&mdash;hebt gij ooit
+een jongen ontmoet, die u zeide, dat hij &eacute;&eacute;n dier vier
+dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg&mdash;in de
+laagste kringen het spoedigst,&mdash;dat er iets, dat er veel
+van de vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille
+van het geld&mdash;maar er geheel afstand van te doen,
+maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en dat
+wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd
+het gevolg &ograve;f van nooddwang, &ograve;f van dweeperij, &ograve;f, in
+exceptioneele toestanden, van deugd.</p>
+
+<p>Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn
+uitgegaan, dan moet ge mij vergunnen, nog eens naar
+de jongens terug te keeren: er waren toekomstige klerken
+in den hoop, twee&euml;rlei soort zelfs, al was er niets
+in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve
+nog niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars,
+de bezadigde jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren.
+Het zijn &ograve;f kinderen van gemeene lieden, die zich
+de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten gevolge
+van het verbeterd onderwijs, &eacute;&eacute;ne sport hooger
+zullen klimmen op de ladder des maatschappelijken
+levens, die klerken zullen worden in plaats van bazen;&mdash;&ograve;f
+het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar
+armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner
+ouderen boeten: een onberaden huwelijk, de oorzaak
+van achteruitgang en armoede. Ik vrees, dat het te fijn
+gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen herkennen
+aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot
+den twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar
+ik ben er zeker van, dat zij de bollen van de bent zijn,
+in fraai schrijven en vlug rekenen. En wat de laatsten
+betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te brengen,
+dan dat er z&oacute;&oacute;veel te zien was; maar anders, wij
+hadden hunne bestemming moeten gissen uit armen en
+beenen, die zegevierend door mouwen en pijpen van hun
+oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die niets
+beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent
+rustte, waaruit geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel,
+dat de ouders van beiden dit beroep voor hen zal doen
+kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er krampachtig
+naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die
+er krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid
+tusschen dit groene koren des kantoors bestaat
+d&aacute;&aacute;rin, dat de eene soort het voor een' meelmolen houdt,
+waarin het heel veel eer is fijn te worden gemalen,
+terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen,
+waarin zij slechts van den bolster zal worden
+ontdaan. Eene verschillende wijze van zien, welke niet
+belet, dat Piet, die, na een jaar twee, drie sloovens, zijne
+eigen zaken dacht te beginnen, zijn leven lang achter
+den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl
+Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem
+vergund ware geworden voort te blijven kruipen, vliegt,
+vliegt, wat benje me! Geen wonder&mdash;de geblinddoekte
+fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel, met voornemens
+en wenschen.</p>
+
+<p>Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er,
+ter voorbereiding om op een koopmanskantoor te worden
+geplaatst, niets geschikter was, dan eenige jaren op
+dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij
+een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen
+kleine eigenaardigheden van het volksleven slechts
+ten gevolge van groote omwentelingen. Welligt zoude
+men, als het de moeite van het onderzoek beloonde,
+doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de
+navorsching dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk
+begrip, iedere gewoonte eene schakel is in de groote
+keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste niet wijken,
+niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding,
+die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt.
+&quot;Bij een' practizijn leert men stellen,&quot; heette
+het, O genius van ons Proza! waartoe was het met u
+gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school
+voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school
+ter afsluiting eener rekening, de school voor
+koopmans-briefstijl;&mdash;Hollandsche Taal! wie het kernige en
+korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit? Hooft had
+ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en
+sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als
+hij had kunnen voorzien, dat men, het spoor bijster geworden
+in de bewondering van het Latijn, alle eigenaardigheid
+zou doen verstikken in het stof van processtukken
+en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden
+stijl van de schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij
+het proza niet vergund langs straat te slenteren, even
+als hij zijner schalker muze in het Gooi bij wijle vrij
+spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling
+aller inheemsche gaven en krachten was <i>vergeefsch</i>
+geweest,&mdash;hij voorzag slechts te juist, dat er een tijdperk
+van weelde, van traagheid, van stilzitten, op het
+woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde, volgen
+zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het?
+Maar een verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde,
+onze volksbeschaving prijs gaf aan het voortdommelen
+in de &eacute;&eacute;nige slavernij, uit welke onze vaderen zich
+niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging
+der ouden;&mdash;maar eene verslapping, die eerst alles wat
+naar het Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in
+aperij ontaardende, aan iedere windvlaag, die ons uit den
+vreemde bastaardklanken overwoei, het oor leende,&mdash;wie
+zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de
+woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde
+munt, werden er drie geldstukken vereischt,
+waar weleer &eacute;&eacute;n had kunnen volstaan,&mdash;en woog het
+bekende: &quot;<i>puur</i> zuiver en <i>innocent</i>&quot;, nog het goed
+oud-Hollandsche <i>onschuldig</i> niet op! Wat wonder, dat van
+Effen, die den Genius van ons proza als portier van Jan
+Borliut aantrof, hem onhandelbaar en onhebbelijk vond;
+stroef van toon als hij heusch van geest wilde zijn, verlamd
+van tong en vereelt van oor, hem, die geschapen
+scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en
+schoon is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden
+klank, louter beeld! Slechts &eacute;&eacute;n schuilhoek was den
+stakker overgebleven, waarin hij de armen vrij mogt
+hebben; slechts &eacute;&eacute;n publiek, waartoe het hem vergund
+was te spreken, in den schilderijen tongval onzer oude
+kluchtspelen: zoo &quot;de Spectator&quot; nog leeft, hij wijt het
+dank aan het beluisteren van de lippen des volks. Het
+volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met Latijnsche
+en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat
+Hollandsch was blijven praten, kernig als het merg van
+zijn gebeente,&mdash;ruig als zijn breede borst,&mdash;waar als
+zijn aard. Lees de <i>Angenietjes</i>, en verbaas er u met mij
+over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees,
+zonder te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer
+op zijde te streven. Of werd er een minder geweldige
+schok dan die der Fransche omwenteling vereischt, om
+onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche
+phrases wakker te schudden? te schrikken ware
+juister woord geweest. Immers, het was deze, welke hen
+dwong het oor te leenen aan raauwe kreten, ja, maar
+die ondanks hun volslagen gebrek aan <i>numerus</i> en
+<i>cadans</i> ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk
+Hollandsch te leeren schrijven, als zij tot Hollanders het
+woord wilden rigten! Dragelijk Hollandsch? Eere twee
+vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth Bekker, die
+de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen
+hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks
+spelling huiveren doet. Eere den kansel, wiens leeraars
+eindelijk oor hadden voor den eisch der beschaving, die
+invloed zochten door het &eacute;&eacute;nige middel, dat dien op
+den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een
+levendigen stijl, welke het ware verzusterd acht met het
+schoone. Eere aan van der Palm, die bij ons proza
+iederen zin, maar vooral dien voor het eenvoudige,
+ontwikkelde.</p>
+
+<p>Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding
+steekt, zoo wijt haar aan het boeksken van professor
+Geel, over: &quot;<i>Het proza</i>&quot; en vlei u met mij, dat hij de
+gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen
+zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche
+teregtwijzing.</p>
+
+<p>Jan Borliut&mdash;het wordt tijd tot ons onderwerp terug
+te keeren&mdash;Jan Borliut houdt geene kweekschool van
+kantoorbedienden meer; hij heeft, in den geest des tijds,
+een' knecht om de deur open te doen, of een' jongen, die
+aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt
+van zelf, blijft knecht&mdash;en de aspirant-klerk ziet met
+blijdschap den Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een
+we&ecirc;r jonger knaap hem zal vervangen, en hij bevrijd
+zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken, boodschappen
+doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt
+eindelijk de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten
+uit het klad in het net, en dat duurt z&oacute;&oacute; eenige
+jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van die het
+digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt
+bevorderd. &quot;Het is een schrale climax,&quot; zegt gij; een
+oogenblik geduld, bid ik u! Hij heeft intusschen allengs
+grooter aandeel in de fooitjes, alias <i>cadeaux</i> gekregen,
+die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai geschreven
+acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen cli&euml;nt
+tot zich trekt,&mdash;als het onverwachte eener testamentaire
+dispositie de mildheid van verraste erfgenamen uitlokt,
+om de arme drommels te bedenken,&mdash;als het
+kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een
+nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,&mdash;die
+kostbare liefhebberij onzer dagen.&mdash;Waar zijn
+intusschen de klerken gebleven, welke v&oacute;&oacute;r hem op die
+krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren waren,
+rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot
+notaris te huis af te wachten,&mdash;nadat zij ongeveer alles
+van de praktijk hadden geleerd, uitgezonderd de beste
+praktijk, van alle, die&mdash;om met menschen om te gaan.
+Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd.
+Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten
+bediende, wie tot notaris op een dorp het al dan
+niet brengen kan,&mdash;en wat zou hij er tegen hebben,
+dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en
+trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun
+onderhoud en dat hunner kinderen belaste? Door zijne
+velerlei relati&euml;n valt er ligt een baantje op te sporen;
+niet heel voordeelig, niet we&ecirc;rgaloos vet, maar toch mooi
+genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij
+op eene kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En,
+schoone evenredigheid tusschen middel en doel! de burgerknaap,
+die aan hem verpligt is, dat hij zijn Maartje
+of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein
+ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis
+heeft gekregen, hij is hem zijn leven lang dankbaar en
+vereert hem niet zelden als een' vader. We kennen een'
+notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend wordt,
+door menig' &quot;sukkel van een vent,&quot; dien zijn invloed aan
+de Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale
+Schuld heeft geholpen. Hij is schalk genoeg, om
+&quot;wanneer er weer een geborgen is,&quot; zoo dikwijls hij
+een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen ontmoet,
+deze te plagen met de klagt; &quot;dat zij hem ook al
+zijne ezels afnemen!&quot; Waarom zouden wij hem die
+scherts niet gunnen, gepaard als zij gaat met waarachtige
+humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat
+uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd
+wordt? Stil,&mdash;we zijn reeds te uitvoerig geweest
+over eene wereld zoo w&egrave;l afgerond als deze, en
+welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert het
+proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.</p>
+
+<p>Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt.
+Ziet ge dat paar in de binnenkamer, van den tweedehands
+koopman? Staaf, de jongste, is een burgermanskind,
+in de hedendaagsche beteekenis van het woord,
+nu fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerlu&icirc;
+zijn, och ja! Rivers&mdash;de tweede&mdash;is een ordentelijke
+jongen, wiens ouders &quot;aangeziene menschen&quot;
+zouden zijn,&mdash;hoe waar is die uitdrukking!--wanneer
+het niet zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden
+met eene schrale beurs. Rivers is eenige jaren ouder
+dan Staaf, die pas van het Nut van 't Algemeen komt,
+en <i>siegenbeekt</i> dat het een' aard heeft, als Rivers zich
+aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of <i>kassa</i> met eene
+c schrijft, of de tweede lettergreep van <i>ontvangst</i> met
+eene f begint. En Rivers zou der menschelijke natuur
+niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen voor &quot;al
+die malligheden&quot; niet strafte, zoo dikwijls het in zijne
+magt staat. Of hij het kan!--&quot;Overschrijven,&quot;&mdash;&quot;overrekenen,&quot;&mdash;heet
+het om een haverklap. Zie ik zou de
+partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel z&oacute;&oacute; ergert,
+als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker
+ware dan Staafje,&mdash;hij is op zijn beurt het slagtoffer
+van de luimen zijns patroons. Een tweedehands-koopman,&mdash;geloof
+het op mijn woord! want er zou
+geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms
+moest verklaren&mdash;een tweedehands koopman is, bij de
+rigting, die de handel in onze dagen neemt, in meer dan
+de helft aller vakken, een schipper, die tegen wind en
+stroom roeit.&mdash;&quot;Als het getij verloopen is, moeten de
+bakens worden verzet,&quot;&mdash;En zoo dikwijls deze overtuiging
+zich den man zijns ondanks opdringt, wordt hij
+boos, en het eerste voorwerp het beste, dat hem in het
+oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de arme
+Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait
+de storm uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij
+een binnenlandsch postmerk onderscheidt.</p>
+
+<p>&quot;Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart
+ceel,&mdash;en dat koopt ook al in de veiling!--Rivers,
+het is toch alleronpleizierigst, dat&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het
+is hard, want kan hij het helpen, dat de tijdgeest er naar
+streeft, alles zoo spoedig mogelijk van den producent
+tot den consument te voeren?&mdash;Het is hard, voor drie
+honderd gulden 's jaars&mdash;met het uitzigt het tot vier,
+vijf, en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te
+zullen brengen. Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij
+den onbillijken uitval, te onbarmhartiger, dewijl hij
+we&ecirc;rloos is,&mdash;maar o, hoe hij Staafje benijdt, die met
+wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van
+nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die
+hem in zijn vuistje uitlacht!</p>
+
+<p>&mdash;Eene verdrietige pauze.</p>
+
+<p>&quot;Manlief!&quot; breekt eensklaps eene vrouwenstem de
+stilte af, &quot;manlief!&quot; eene ochtendmuts gluurt even om
+de deur, &quot;als er nu een handje kon worden geholpen?&quot;
+En de aarzeling waarmede de patroon,&mdash;nadat hij,
+op het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, &quot;ja!!
+ja!&quot; heeft geantwoord&mdash;de twee overgebleven kantoorbedienden
+aanziet, verraadt&mdash;verpligt mij, eer ik
+verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd
+heb, den vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij
+is <i>volontair</i>,&mdash;in rang, op het kantoor altoos, tusschen
+Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog een paar
+jaren &quot;bij den baas&quot; blijven, om er de kennis dier artikelen
+op te doen, in welke hij later handel denkt te
+drijven. En nu tot den patroon terug, wiens schroom
+verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen was, en die
+toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands
+kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.</p>
+
+<p>&quot;Hm!--hm!--&quot; zegt hij, &quot;och van den Bergh ge
+moest eens even een handje helpen.&quot;</p>
+
+<p>En van den Bergh&mdash;ik gebruik dien naam, dewijl ik
+geen' tijd heb, om in van Leeuwen's &quot;Batavia Illustrata&quot;
+een uitgestorven familie op te zoeken,&mdash;van den Bergh
+staat op, of hij oorlog voerde, met zijn stoeltje, dat
+bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het
+kantoor niet ruw achter zich digt. &quot;Dat doen de dienstbaren,&quot;
+zou hij zeggen.</p>
+
+<p>Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje
+te helpen. Wat kan Mevrouw te doen hebben, waartoe
+zijn bijstand wordt vereischt? Welke dienst&mdash;maar ge
+zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is
+aan eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche
+huisverdeeling hebt ge dus tegenover het raam,
+waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht ontvangt,
+twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar
+boven eene opkamer, d&aacute;&aacute;r we&ecirc;r boven een' zolder, en
+beneden, diep in de diepte, de keuken; en nu, zie, of
+liever luister toe.</p>
+
+<p>Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam
+uit, opkamer en zaal langs, snel als een pijl omlaag.</p>
+
+<p>Piep&mdash;piep&mdash;piep&mdash;en de le&ecirc;ge mand is we&ecirc;r
+boven; maar zou van den Bergh&mdash;zou hij waarachtig&mdash;turf
+aflaten?...</p>
+
+<p>Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling,
+de tweede mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer
+geschommeld, levert den ruiten van de zaal slag, die
+achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de bres
+instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.</p>
+
+<p>&quot;Mijn God!&quot; roept de patroon, &quot;die rakker van een' jongen!&quot;</p>
+
+<p>En Rivers?</p>
+
+<p>Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de
+gebroken glazen, spijt de drift van mijnheer, spijt den
+angst van mevrouw, spijt de Babylonische verwarring
+in het gansche huishouden, te weeg gebragt door eenige
+schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een
+doek, de trap opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet
+we&ecirc;rhouden kan te denken:</p>
+
+<p>&quot;Jongens! die zich kon doen gelden als van den
+Bergh, die mony had als hij!&quot;</p>
+
+<p>De wraak is hem al op de hielen.</p>
+
+<p>&quot;Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder,&quot;
+zegt de patroon, die van den Bergh nauwelijks
+heeft durven bestraffen; hij zou hem geantwoord
+hebben, dat het <i>knechts werk</i> was. En Staaf, Staafje
+die met de overigen we&ecirc;r binnen is gekomen, Staafje
+hoort het, Staafje die &quot;er vinger en duim naar zou likken&quot;
+om drie honderd gulden 's jaars te trekken,&mdash;de
+mededinger in den dop!</p>
+
+<p>Als Rivers weigerde,&mdash;er loopen andere Staafs in
+menigte langs de straat!--Maar het komt niet bij hem
+op&mdash;hij lachte straks niet bij het rumoer der gebroken
+vensterschijven,&mdash;hij verkropt nu.</p>
+
+<p>Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had
+ik moeten zeggen, die u zelve niet om den wille eener
+kleine toelage behoeft te verloochenen, die den handel
+als eene wetenschap bestudeert, wat zijn voor u <i>copij-boek,
+rekening-courant, journaal, grootboek</i>, wat zijn ze
+voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden
+bediende! Of verkeeren in uwe oogen de cijfers
+niet in zoo vele tooverteekenen, welke gij magtig moet
+zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des
+levens, alle weelden van den geest ter beschikking van
+zijnen gelukkigen eigenaar stelt! &quot;Phoe!&quot; hoor ik uitroepen,
+&quot;alsof er po&euml;zij in den handel school, alsof hij
+iets van philosofie wist!&quot; En men is zeer beleefd als men
+het daarbij laat; want het spook der slinksche streken,
+der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat
+aan de deur en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er
+zijn schelmen onder de kooplieden;&mdash;maar eilieve, vergun
+mij een enkele vraag: is in uwe kringen, in die der
+wetenschap en in die der kunst&mdash;voor de balie, bij het
+ziekbed, op den kansel,&mdash;in den raad en aan het hof,
+is daar alles goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij
+de gruwelen biecht, welke allerlei ijverzucht, van lage
+broodnijd af, tot geniale jaloezij toe, ook onder u aanrigt;
+ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen
+menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij
+dat uwe studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben
+geleid, dat een gezin, eene maatschappij, een staat,
+dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij door geene
+andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen
+werd bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de
+orde der dingen niet denkbaar is.&mdash;Po&euml;zij, philosophie,
+het ligt gelukkig in den aard der menschelijke natuur, die
+overal me&ecirc; te dragen, die onder allerlei omstandigheden
+aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide alom op.</p>
+
+<p>Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen,
+<i>inheemsche</i> en <i>uitheemsche</i>. De kantoorbediende
+haat beide met een' fellen haat. &quot;Het zijn heertjes, die
+voor een' beenen knoop werken!&quot; Wat wonder, dat hij
+de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche?
+Om de laatste van de hoogte, waarop zij
+zich boven hem plaatsen, ne&ecirc;r te trekken, geeft onze
+volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten eerste
+&quot;zijn het meestal maar moffen&quot;&mdash;ten tweede
+&quot;vreemde vogels, vreemde veren; wie weet, hoe het er
+in hun nest uitziet?&quot;&mdash;ten derde... maar er is geene
+aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en even
+magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands
+koopman slechts den inboorling, slechts een'
+vrijwilliger van goeden Hollandschen huize aan. Grooter
+kwelling dan de trekvogels, die hier hunnen zomer doorbrengen,
+en in het volgend saizoen naar Havre of naar
+Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft
+de inheemsche vrijwilliger onzen klerk eene rots der
+ergernis, die geenszins uit den weg wordt geruimd, al
+stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne scheenen
+niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des
+chefs veelal tegenstellingen als die, welke wij straks
+omtrokken, voorkomt&mdash;de turfhistorie is exceptioneel,
+maar schildert er niet minder om!--toch vallen er op
+de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens
+beider uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil
+is gering, dewijl we er schier geene hebben: dank
+zij de ligging onzer koopsteden, dank zij onzen huiselijken
+aard! Immers,&mdash;wandelingen? geniet de natuur
+als gij kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam!
+Gezellige genoegens in den winter, in ruimeren
+kring dan die van vertrouwde vrienden? de laatste stad
+biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart,
+enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad
+wat duur voor kantoorbedienden; maar deze heeft
+schouwburgen, het is waar, in het gebouw op het Leijdsche
+plein&mdash;met acteurs, die om een longtering
+wedijveren, zoo schreeuwen zij&mdash;voor de vrijwilligers;
+en voor de anderen de Vari&eacute;t&eacute;s in de Nes&mdash;de kunst
+en nog iets, eene pijp en een glaasje.&mdash;En toch zult ge
+mij van geene overdreven kieskeurigheid beschuldigen,
+als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den
+middelstand aangeboden, maar overspring, om van het
+onderscheid tusschen beider huiselijke geneugten te gewagen?
+Stel u van den Bergh voor, als hij des zomers,
+'s zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt,
+om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het
+portier eener diligence, de gansche Kalverstraat door en
+de Utrechtsche op den koop toe, op de t'huis blijvende
+sukkels, Rivers en consorten, nederziet, hij, die naar de
+Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet liefelijker
+voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens
+hem betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden
+allerlei partijtjes bij, met wier beschrijving hij misschien
+den klerk kwelt&mdash;dewijl het hem, in de prettige
+stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt te
+vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den
+ontberende ergert en grieft. Van den Bergh spreekt van
+zich te vestigen, van den Bergh is ge&euml;ngageerd, als
+Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een allerburgerlijkst
+meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman
+wordt hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter
+den lessenaar, herneemt de hoogere stand zijn regt,
+liever gaapt de maatschappelijke klove op nieuw tusschen
+hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich
+hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de
+ander geen verschiet dan dezelfde dienstbaarheid. Als de
+balling van het maatschappelijk leven er zich niet dood
+over zal kniezen, rest hem maar &eacute;&eacute;n middel om gelukkig
+te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die
+zich in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden,
+dat hij er in zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is.
+Of het bij allen, als bij den vriend van Lamb, ontstond
+uit eene speling der natuur, die de oogen des mans, voor
+het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van vergrootglazen
+bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd
+heb ik de opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke
+dien sanguinen Brit onderscheidde; het is meestal een
+ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de innerlijke ontevredenheid
+vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft
+uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost
+ziet opdagen, dan zet men zich moedeloos ter zijde van
+den grooten weg neder, dan legt men de handen in den
+schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den
+beste, die ons vraagt, waarom wij d&aacute;&aacute;r blijven mokken:
+&quot;Wel ik mok niet, ik zit hier heel goed;&quot; al is de
+glimlach waarme&ecirc; wij het zeggen, ook zuur als edik.</p>
+
+<p>De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen,
+om uit dien toestand te geraken, soms erger
+kwalen te weeg brengen.</p>
+
+<p>Het is zomer&mdash;het zondag-ochtend&mdash;het is zeer
+vol in het Park (in de Plantaadje te Amsterdam). Een
+gesprek over de groote voeten der Hollandsche vrouwen,
+in een poespas van allerlei talen, aan een met zes
+of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet
+tafeltje luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt
+zit: den heeren, dewijl zij het ongeveer verstaan; der
+dames, dewijl ze er meer van begrijpen dan haar lief is.
+Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op:
+&quot;<i>Himmelkreutz element</i>,&quot; roept hij, &quot;een oude kennis!&quot; en
+stuift naar een jonkman, die, in een' hoek, tegen het
+logement aan, bij een kop koffij zit te mijmeren.</p>
+
+<p>&quot;Wel Vreese, hoe maak jij het?&mdash;het is <i>opvallend</i>,
+zoo weinig als jij veranderd bent, 't is <i>fameux!</i>&quot;</p>
+
+<p>De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan
+van het hoofd tot de voeten op, &quot;Ik weet waarlijk niet,
+wien ik de eer heb te zien,&quot; zegt hij, schoon de eer
+gering is; want, trots de elegante kleeding, trots den
+gouden horologieketting, trots den baard <i>&agrave; la jeune
+France</i>, en een' <i>glac&eacute;-handschoen</i>, die om de lange
+linkervingers schijnt gegoten, terwijl de Vreese toegestoken
+regterhand met een' ring, wat ben je me! praalt, brengt
+de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een fatsoenlijk
+voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis
+van een zedelijk gedrag mede.</p>
+
+<p>&quot;Hoe heb ik het met je? <i>Stup&eacute;fait</i>, Vreese, ken je dan
+waarachtig Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!&quot;</p>
+
+<p>Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden,
+en toch heugt het hem, dat er, op een' mooijen Meidag,
+een flinke borst aan het kantoor kwam, die er maar een
+half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls heeft
+gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als
+vuur. Het eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese
+dichter was geweest, hij had er uitgebrande vulkanen in
+gezien. Herkenning,&mdash;herinnering,&mdash;herschepping,&mdash;de
+daad, de gedachte, de opmerking, was het werk
+van een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden
+volgden,&mdash;de Braeuw was al begonnen aan
+eene vertelling van zijne historie.</p>
+
+<p>&quot;En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne
+gading niet. Dat had ik gaauw <i>gewaarmerkt</i>, en daarom
+poetste ik de plaat. Ik heb lang gezocht, en zal blijven
+zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. &quot;<i>Toujours content et
+sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!</i>&quot; als een
+oude likkebro&ecirc;r zei. Laat zien hoe dikwijls ik al <i>omzadelde.
+Fameux!</i> Van Effens en Zoon, waar ik je leerde
+kennen, naar Schnack &amp; Co., maar dat weet je, toen
+zagen wij ons nog!--Van Schnack &amp; Co. naar Gebroeders
+Ter Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem
+Acker Wittwe &amp; Sn., in Crefeld en uit dat aardig stadje
+naar Du Bois, la Riviere &amp; Ce., te Parijs; ik zou er eerst
+bij een grooter huis zijn gekomen, maar die <i>onderbraken</i>
+hunne betalingen: <i>c'est jouer de malheur, ma foi!</i>&quot;</p>
+
+<p>&quot;Maar me dunkt,&quot; zegt Vreese, om toch iets te zeggen,
+&quot;ge hebt geene reden van klagen,&mdash;zoo dikwijls buiten
+betrekking, en toch telkens weer geplaatst...&quot;</p>
+
+<p>&quot;O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert,
+zooals ik... <i>fameux!</i> En bovendien er zijn huizen
+genoeg in Parijs die zich vleijen met de exploitatie van
+eene goudmijn, <i>dans le pays de canaux, canards, canaille</i>,
+als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei, wat
+zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney!
+Het is een woord, waarin veel waars steekt, schoon
+het mij hier zelden <i>ontsnapt</i>. Drommels, neen, men moet
+in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch knijpen ze
+hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten
+wil&mdash;<i>fameux!</i>&quot;&mdash;</p>
+
+<p>&quot;Die moet naar Parijs,&quot; valt Vreese, met veelbeteekenenden
+blik in.</p>
+
+<p>&quot;<i>J'ai longtemps parcouru le monde</i>.&quot;&mdash;neuriet de
+Braeuw &quot;<i>Statt Reuter bin ich nur noch Pferd</i>, dat is
+waar; maar toch heb ik andere dagen beleefd, dan gij
+ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij
+eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een
+apenkind was, en zijn pret niet de geraffineerdste, dat
+moet ik van de <i>gesinnungen</i> van den man zeggen, hij was
+van de ware leer: <i>Le jour aux affaires, le soir au
+plaisir</i>&mdash;<i>fameux!</i> Er is overal goede wijn, en er zijn overal
+mooije meiden&mdash;of ben je misschien getrouwd?&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>Excuseer!</i>&quot; zegt Vreese,&mdash;een mal antwoord op zulk
+eene vraag.</p>
+
+<p>&quot;<i>Pas d'offense</i>; aan een huwelijk valt in onze betrekking
+niet te denken, en ook: <i>Que diable allait-il faire
+dans cette gal&egrave;re?</i> Er zijn zoo weinig vrouwen, die niet
+wel eens&mdash;<i>fameux!</i> Maar je ziet al we&ecirc;r zuur, heb
+je zusters?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wij hadden eene moeder, de Braeuw!&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>C'est du s&eacute;rieux, vraiment!</i>&quot; maar Vreese lachte niet.
+&quot;Wat ik maar zeggen wil,&quot; vaart Braeuwtje voort, &quot;dat
+ik een prettig leven heb geleid; dat zit er achter den
+houten bak niet op. &quot;Poot an speulen,&quot; zei Schnack, &quot;dat
+ist Hollandsch!&quot;&mdash;het was al wat hij in dertig jaren
+hier had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet.
+Als ik er langer gebleven was, dan zou het tusschen mij
+en den grompot tot <i>daadwerkelijkheid</i> zijn gekomen, <i>bei
+meiner Seele</i>, dat zou het&mdash;<i>fameux!</i> Maar ik kreeg de
+reizigersplaats te Rotterdam in 't oog, in Verfwaren
+weet je;&mdash;in Creveld pakte ik de Linten beet;&mdash;nu heb
+ik eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens
+kijken, als je lust hebt; in de Star, No. 15, <i>&agrave; votre service</i>,
+mits ge mij niet alleen laat babbelen. Adieu, Vreese,
+<i>au plaisir!</i>&quot;</p>
+
+<p>Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd
+na&mdash;en w&egrave;l mag hij het doen! Verbastering van taal
+en verbastering van zeden, niets degelijks, niets hollandsch
+meer!--&quot;Alleen babbelen!&quot;&mdash;, wat zou hij
+hem hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen,
+aan geneugten vooral, is zijn leven in die jaren
+geweest! Wat heugt er hem van dan ellende? twee&euml;rlei
+jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?</p>
+
+<p>Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij
+Effens en Zoon een' confrater gehad, die het veel verder in
+de wereld zal brengen dan hij&mdash;het was ook een Oost-Fries.
+Als gij rondziet, hoe velen van die natie, neen,
+van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes
+van smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten,
+dan zult ge het met mij eens zijn, dat &ograve;f ons
+volk een predilectie voor hen heeft, &ograve;f dat zij met het
+genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u
+eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er
+heusche menschen onder, enkele zelfs reken ik onder
+mijne vrienden. Maar de lessenaarmakker van Vreese
+vertegenwoordigde al de gebreken welke de soort kenschetsen;
+hij wist &quot;ieder schoenen naar de voeten te
+geven,&quot; dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en
+laagzielig, was het hem om het even, of hij trapte, of
+dat hij getrapt werd&mdash;mits hij maar vooruit kon komen,
+vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon&mdash;brave
+kooplui in granen&mdash;waren in het eerst zeer met
+hem gediend;&mdash;niets natuurlijker. Zij eischten slechts
+het redelijke van hem, maar hij zou zich zelfs het onredelijke
+hebben getroost;&mdash;het was zijn belang hunne
+relati&euml;n zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,&mdash;en
+het scheen, dat hunne zaak hem ter harte ging, als ware
+ze zijne eigene geweest. Hoe verschilde het oordeel, over
+hem uitgebragt, naar het doel dat men hem toeschreef:
+Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de
+patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra
+walgde de eerste van den gluiper, en werd onaardig,
+norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries trachtte den steen,
+dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde te
+schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister
+afgeschoten pijl stiet op den schutter terug, en&mdash;hij
+kreeg zijn afscheid. Hoe Effens en Zoon er voor boetten,
+dat hun open aard hun niet had vergund, hem te verhelen,
+hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet!
+Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche
+concurrenten geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun
+door den Oost-Fries verstrekt, onder hunne duiven. Hij
+had een hoog salaris bedongen&mdash;want hij kon relati&euml;n
+aanbrengen van zijn vorige patroons. &quot;Dat gaat zoo,&quot;
+zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet.
+Trots al het geld, dat zijn voormalige confrater nu verdient,
+zou hij niet in zijne plaats willen zijn. Vier of vijf
+soorten van beroepen in zich vereenigende, en partij
+trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te
+dringen, zal het niet bij den <i>tilbury</i> blijven, waarin hij
+straks Vreese voorbij reed, een leelijk gedrogtje, maar
+dat geld heeft, aan zijne zijde. Vreese, die zich niet we&ecirc;rhouden
+kon haar op te nemen, beantwoordde het knikje
+niet, waarmee hij hem groette&mdash;zulke Oost-Friezen
+worden nooit kwaad, weet ge.</p>
+
+<p>Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren
+&quot;amen!&quot; zeggen op de voorkeur, die Vreese aan &quot;een'
+goeden naam boven olie&quot; geeft; maar zijne tweede confidentie,
+neen, het viel dezen niet te vergen <i>hem</i> die te
+doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten,
+bij het verhaal eener hopelooze liefde!--&quot;<i>Peut-on &ecirc;tre
+si b&ecirc;te!</i>&quot; zou hij uitroepen, &quot;voor deze eene andere!&quot;&mdash;Maar
+Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend, en nog
+is the <i>awful question</i> niet over zijne lippen gekomen, al
+is hij zeker, dat zij hem geen &quot;neen!&quot; zal geven. Hij zou
+haar vragen&mdash;als hij maar geen kantoorbediende was.</p>
+
+<p>Eenige weken v&oacute;&oacute;r zijn bezoek van het Park zaten
+zij zamen aan de piano; hij speelde, zij zong. Ik weet
+niet, welk teeder liedeke van Heije haar deed haperen&mdash;genoeg,
+schroom beving haar, zij aarzelde;&mdash;o hoe
+gaarne had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij
+niet durfde uitbrengen! Onwillekeurig hief zijne hand
+zich van de toetsen op, de verzoeking was hem te sterk,&mdash;hij
+wilde zijnen arm om haar midden slaan.</p>
+
+<p>Helaas!</p>
+
+<p>Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij
+verkeerde; ze zong den tekst, smeltend als hij was.
+&quot;Maar een kantoorbediende!&quot; zuchtte Vreese, op wien
+hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een
+koud bad. En een derde kwam binnen en de piano ging
+digt,&mdash;Betsy ontving hem sedert niet we&ecirc;r alleen.</p>
+
+<p>Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een
+blaauwtje moest zijn lot zijn; want wat zou zij, als ze
+hem nam, harer kennissen, harer vriendinnen antwoorden,
+als zij haar vroegen: &quot;En wat doet Mijnheer?&quot;</p>
+
+<p>Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u
+verzeker, dat het hem nog nooit was ingevallen te
+wenschen:&mdash;&quot;dat Betsy rijk ware!&quot;&mdash;dat de gedachte aan
+een' <i>mariage de raison</i> hem nog een gruwel was. Het is
+waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar:
+&quot;liever naar de Oost, dan door eene rijke vrouw de man
+te worden!&quot; Hoe zich de zeden afspiegelen in de onderscheidene
+beteekenis in verschillende eeuwen aan de
+woorden gehecht! &quot;De man&quot;: dat was weleer in hoogen
+en lagen kring, de verpersoonlijking van moed en van
+kracht; dat was hij, bij uitnemendheid, die de lans het
+rapste velde, die de bijl het zwaarste neer deed vallen,&mdash;dat
+is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen, die
+het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En
+echter, gij zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er
+bijvoeg, dat hij&mdash;er zijn jaren verloopen sedert het
+oogenblik, 't welk ik schetste,&mdash;na vaak, maar altijd
+vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan,
+zich thans te oud acht om naar Nederland's Indi&euml; te
+vertrekken, en die meening voedsel geeft door de theorie
+te onzent aan de orde van den dag; &quot;E&eacute;n vogel in de
+hand is beter dan drie in de lucht!&quot; Van den bedompten
+kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij
+allengs meer der onderdanigheid gewoon geworden,
+verbaast hij er zich zelfs niet langer over, dat hij dag
+aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de
+eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul
+is. Conservatief <i>quand-m&ecirc;me</i> gruwt hij van alle
+nieuwigheid-zoekers in alle vakken; zoo de veranderingen,
+welke die &quot;afbrekers&quot; wenschen, tot stand kwamen, ze
+konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking
+die zijn alles is,&mdash;sedert Betsy huwde!--Hij leeft
+immers nu <i>tevreden</i>&mdash;behalve wanneer hij haar ontmoet,
+een jongske van een jaar drie vier, aan de hand?&mdash;</p>
+
+<p>Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt
+zoo veel geloof van u te eischen, en toch zult gij weder
+op mijn woord moeten aannemen, dat het nergens
+moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen,
+dan in eene der koopsteden van ons vaderland,&mdash;dat
+men aan geen beurs, om een' technieken term te bezigen,
+&quot;meer op de tand wordt gevoeld,&quot; dan aan de Amsterdamsche.
+Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw
+geduld door dit opstel op de proef gesteld; welligt
+kende onze taal den smadelijken uitroep niet, aan het
+hoofd dezer bladen geplaatst. &quot;'t Is maar een pennelikker!&quot;
+geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst die
+zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den
+kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die,
+trots zijn' rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt
+door de heffe des volks &quot;mijnheer&quot; te worden genoemd.
+&quot;Foei, van den ziekelijken trots!&quot; wilt ge uitroepen; of
+ik u bewegen kon te zeggen: &quot;De arme afhankelijke!&quot;
+Vergun mij den toestand andermaal in beelden te brengen,
+het zal de scherpste toets van de billijkheid mijns
+verlangens zijn. Mogt die schets mijner voorstelling
+tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese
+en de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren,
+dat kantoorbedienden zelden trouwen, dat reizen in
+den vreemde onze jongelu&icirc; bederft. Behoef ik te verzekeren,
+dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde?
+dat ik slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening
+van zelfgevoel, waarvan wij in Rivers eene proeve
+zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder
+ontberingen&mdash;Vreese&mdash;tenzij de natuur zich door uitspattingen
+wreke, als in den verbasterden de Braeuw.</p>
+
+<p>Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor
+het huiselijke. Ik heb het hun zelden zoo zeer benijd
+als in dit oogenblik; want ik moet u een klein vertrek
+binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen
+oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat
+er een tinnen kapje werd gezet op de kleine lamp die
+in het midden der kamer op tafel staat&mdash;anders gaf
+ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het
+geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een
+oogenblik in die graauwe schemering, buiten den kring
+des lichts, rond, en ge zult begrijpen, waarom de heeren
+van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche binnenhuizen
+schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje
+der zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den
+weerzin, welken hun dit vertrek zeker inboezemde, toe
+te schrijven aan de menigte der voorwerpen, welke gij
+allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder deze, dat
+zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht
+zelfs meer orde in hunne plaatsing&mdash;lof zij der huisvrouw!--dan
+een schilder verlangen, dulden zoude.
+Maar de lijnen dier meubelen, maar de vermenging van
+allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het volslagen
+ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels,
+ziedaar zwarigheden, welke moeijelijker zijn te
+boven te komen, dan dat de kamer tevens tot huizen en
+tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des gezins
+geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan
+het licht, dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch
+orde in de schikking, en zindelijkheid in het gebruik, het
+zijn wel voorwaarden van schoonheid, maar zij volstaan
+voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook
+geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts,
+eene <i>chiffonni&egrave;re</i> geheeten&mdash;zijn beslag is nog glanzig
+of het pas uit den winkel kwam&mdash;als er naast de kleine,
+heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een paar
+jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij
+gebreke der golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet
+wel wachten, u een aanregtje, alias <i>trumeau</i>,
+te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het licht brengt,
+als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had verheven,
+wiens krullende koperen slang verwaten neerzag
+op een paar herders en herderinnetjes van porselein. Ik
+zou&mdash;maar ge schenkt mij de verdere beschrijving,
+dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, <i>&agrave; fantasie</i>,
+en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der
+vrouw des huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd
+over de plaatsing dier kastanjevazen, over
+die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u tevens te hebben
+verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide
+waren <i>cadeaux</i>, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd.
+De eerste werden hun te huis gezonden door een' Oom,
+die het hart te hoog droeg om iets nuttigs te geven; en de
+jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist hare
+dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk,
+waarvan zij wel nooit gebruik zou maken&mdash;te
+pronk te zetten. De tweede zijn haar vereerd door eene
+oude Nicht, &quot;die eindelijk iets had gevonden, waarbij
+men haar dagelijks gedenken kon,&quot;&mdash;en of men het
+deed, bij de porseleinen <i>sta in den weg's!</i></p>
+
+<p>Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer
+voor den geest te roepen, nu binnen het schijnsel
+der lamp gezien. Welk eene groep! Eene moeder
+met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje
+van drie jaren,&mdash;het laatste zit stil op haren schoot,
+terwijl het eerste aan hare knie&euml;n zijne avondbede opzegt.</p>
+
+<p>&quot;Amen!&quot; fluistert de moeder haar zoontje na.</p>
+
+<p>Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit
+nachtgoed; hoe koost en streelt ze met hare mollige
+armpjes de wangen der moeder: z&oacute;&oacute; iets laat zich niet
+beschrijven, het is te zeer natuur.</p>
+
+<p>Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het
+schetsen van het jongske, dat niet afgunstig, maar toch
+benijdend aan hare knie staat, en&mdash;</p>
+
+<p>D&aacute;&aacute;r legt zij de hand op zijn krullebol.</p>
+
+<p>&quot;Ge zult woord houden, Wim?&quot; vraagt zij.</p>
+
+<p>&quot;Het eene versje kan ik nu al, moederlief!&quot; en waarlijk,
+daar rolt een dier gedichtjes van zijn lippen, welke
+van Alphen een' onsterfelijken roem waarborgen&mdash;die
+hem bij de zaligen streelen mag!&mdash;</p>
+
+<p>&quot;Braaf, Wim!&quot; zegt de moeder, &quot;morgen het andere,&quot;
+en zij brengt Chrisje naar hare wieg; doch eer zij ter
+tafel terugkeert, loopt het jongske haar half ontkleed
+te gemoet.</p>
+
+<p>&quot;Nu nog een zoentje voor vader,&mdash;komt hij haast weer?&quot;</p>
+
+<p>Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de
+wensch zijner bekommerde moeder ried&mdash;haar man
+was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige
+weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel;
+de weinige toestel, voor het avondmaal der kinderen
+vereischt, is al weggeborgen. IJverig vat zij de naald
+op, en echter, het is of het werk niet vlotten wil. &quot;Dat
+hij we&ecirc;rom ware!&quot; denkt zij. En ze haalt een klein
+beursje uit den zak, en zij telt de weinige guldens, welke
+er nog zijn, over; en zij werpt een' blik op de pendule:
+al digt bij half negen ure? Wis zou zij nog eenmaal in
+den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is,
+als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien,
+als ze er niet zeker van was, dat het eergister al de
+eerste is geweest. &quot;O, als hij t'huis ware!&quot; dan zou ze
+reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben ontvangen,
+en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de
+heeren het zenden zouden.</p>
+
+<p>De heeren!&mdash;</p>
+
+<p>Honderde gedachten gingen haar door het hoofd;
+maar geene enkele, die krenkend was voor haren man&mdash;honderde
+gedachten, in haren toestand, zij zou
+eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was
+waarschijnlijker, dan dat het op het kantoor vergeten
+was het haar te brengen; maar, zou zij dan morgen,
+overmorgen, in de volgende week&mdash;z&oacute;&oacute; lang zouden
+hare guldens niet strekken!--er om gaan vragen?&mdash;Slechts
+met looden schoenen zou zij den trap opklimmen.
+Het wijf van een' daglooner eischt, bij ontstentenis
+van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man
+toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En
+echter, de kinderen hadden kleine behoeften voor den
+winter, in welke zij nog v&oacute;&oacute;r hare bevalling voorzien
+moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had...
+O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij
+had begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn,
+dan te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken,
+indien zij dat geweten had, eer zij trouwde&mdash;foei!
+Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen zij
+hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de
+ongeborene reeds nu hare zorgen, als zij aan het derde
+zoo veel genoegen zou mogen beleven als aan de beide
+eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor over.
+Maar&mdash;als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich
+vleide dat het hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij
+een aandeel had gekregen, neen, dan zou er nu geene
+glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde slapen
+zijn geweest.</p>
+
+<p>Negen ure!</p>
+
+<p>O rijkdom van po&euml;zij die er in het hart eener moeder
+schuilt! Wat zij haar zoontje ook zou laten worden, ze&icirc;
+zij in zich zelve, geen kantoorbediende! en toen dat
+afgepraat was, liep ze eene reeks van beroepen door,
+en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een
+man in <i>bonis</i> wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn,
+als hij wilde, het jongske voort te helpen: was hij niet
+een oud vrijer, was Wim niet zijn petekind? Doch, als
+het hem dan eens goed ging in de wereld, heel goed, zou
+hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den
+ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen
+vader, den kantoorbediende! God beware hem voor zulk
+een' rijkdom. Maar neen, Wim stond haar voor den
+geest. Wim, wiens oogjes&mdash;het waren sprekend die
+van haren Gerrit&mdash;de verdenking logenstraften; Wim,
+die zoo veel van zijn zusje, zooveel van haar hield. Eer
+zij het wist waren hare handen gevouwen,&mdash;zij bad
+voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren
+kind toe.</p>
+
+<p>Het sloeg half tien ure!</p>
+
+<p>Helaas, de vraag: &quot;wie weet waarom het geld uitblijft?&quot;
+kwam weder bij haar op. Gerrits laatste brief
+moest uit de plooijen van haar huiskleed te voorschijn
+gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,&mdash;armoede
+draagt dien van den echtgenoot
+op het hart. Wat had zij hem dikwijls gelezen, en
+telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de ware
+lezeres. D&aacute;&aacute;r stond het immers, dat zijne patroons reden
+hadden over zijne reize tevreden te zijn, d&aacute;&aacute;r stond
+het: &quot;Wijfjelief, het valt mij hoe langer hoe zuurder van
+huis te zijn,&quot; dat was geluk! Al hadden zij geen geld&mdash;de
+vrouw zegevierde op de huishoudster.</p>
+
+<p>Maar de moeder zag weder naar de klok.</p>
+
+<p>Bij tienen!</p>
+
+<p>Daar werd gescheld.</p>
+
+<p>Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt
+geld; maar met welk eene boodschap! Zij blijke uit den
+volgenden brief, dien Gerrit's vrouw hem nog denzelfden
+avond schreef, met tranen in de oogen:</p>
+<br>
+
+<p>Lieve man!</p>
+
+<p>&quot;Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel
+buiten het kantoor om. De kinderen zijn w&egrave;l, en ik,
+Goddank! ook, alles gaat zooverre goed. Maar straks
+is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats
+van <i>fl</i>250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg
+maar <i>fl</i>200 krijgen; de zaken gingen zoo slecht.
+En Wolf ze&icirc;: dat er gemakkelijk eerste bedienden voor
+<i>fl</i>800 waren te krijgen. Ook liet hij zich ontvallen, dat
+de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair.
+Als het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de
+nering moeten zetten; maar het is hard met twee kinderen,
+en het derde voor de deur. Ik zeg het niet om het
+je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik beloofd met
+je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat
+zal niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer
+baker, ik zal er morgen naar hooren. Ook kan ik het
+zijden kleedje, dat ge mij na mijne eerste kraam hebt
+gegeven, wel weer vermaken,&mdash;jongens, wat waren we
+toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,&mdash;het
+is een slag, en dat zoo onverwacht! Als gij iets
+anders vinden kondt, al was het buiten de stad,&mdash;ik
+zou er wel niet graag uit willen,&mdash;wat zouden onze
+kennissen zeggen?&mdash;maar rondkomen is de eerste
+pligt. En het overige laat ik aan God over. Ik had geen
+rust, Gerrit, v&oacute;or ik het je had geschreven,&mdash;het is mij
+nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet, manlief,
+dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen
+doen zult. En daarme&ecirc;, goeden nacht! Nog eens,
+Wim en Chrisje zijn w&egrave;l, en ik zal mij opbeuren, tot je
+weer komt, wees daar gerust op. Het zal immers niet
+lang meer duren?</p>
+
+<span style="margin-left: 11.5em;">&quot;Uwe liefhebbende vrouw</span><br>
+<span style="margin-left: 19.5em;">Aagje.&mdash;&quot;</span><br>
+
+<p>P.S. &quot;Wie weet hoe rijk we nog eens worden&mdash;want
+nicht Saartje heeft ons zeker goed bedacht.
+Maar foei, ik doe doodslag in mijn
+hart,&mdash;o, dat leelijke geld!&quot;</p>
+<br>
+
+<p>Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren&mdash;vrijstond,
+het salaris van hunnen bediende te verminderen;
+maar dit zijner vrouw, zijner zwangere vrouw te
+doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne
+afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke
+ik zelf niet gelooven zou, indien ik haar verdicht had,
+indien het geen feit was!--Het lijdt geen' twijfel, dat
+het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in
+de heeren&mdash;verried; want waartoe zou ik het zedelijk
+gevoel mijner lezers op de pijnbank brengen, door
+hun te verhelen, dat Gerrit op den brief van Aagje
+ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij
+lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten?
+O hoe wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook
+geen twijfel lijdt, dat allen, die op deze of dergelijke
+wijze den zwaren strijd tusschen verdiensten en behoeften
+zagen beginnen, gered werden zoo als hij!</p>
+
+<p>Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen
+in den bloei des mannelijken levens,&mdash;bij wie
+het uiterlijke verarmelijking verraadt, bij wie het
+verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,&mdash;eene
+vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping
+des hoofds? kantoorbedienden, welke beginnen
+in te zien, dat het hun leven lang sukkelen
+zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden,
+al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene
+zou er zich over heen zetten, dat hij het gansche jaar
+niets anders te doen heeft, dan een' onaangenamen
+briefwissel te voeren:&mdash;een correspondent wordt
+onwillekeurig een casu&iuml;st, of hij bezwijkt onder de chicanes
+der Duitschers. De andere zou het zich getroosten
+dat hij van primo Januarij tot ultimo December,
+van den ochtend tot den avond, geen ander werk heeft,
+dan te ontvangen en te betalen,&mdash;bij een' kashouder
+ontwikkelt zich zucht voor numismatiek; immers, hoe
+houdt men het anders uit, geld te tellen, dat ons niet
+behoort? Maar liefhebberij in het stellen van vinnige
+brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei
+speci&euml;n,&mdash;hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd
+vol heeft van de ellenden van een berooid gezin! Om
+ernstig te spreken, hoe zwaar wordt de taak en hoe
+hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het
+vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de
+droomen der jeugd verdwenen is, als zelfs de flaauwste
+hoop ons niet meer prikkelt, schraagt, troost! Het is
+of de geneugten van den echt, de weelden van het
+vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer
+men niet dus gekluisterd ware! &quot;Wanneer ik nog alleen
+in de wereld stond!&quot;</p>
+
+<p>Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik
+eene dubbele bedenking we&ecirc;rleggen, die stellig bij u
+opkomt, al heb ik u straks met een woord verzekerd,
+dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein
+fonds zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. &quot;Waarom,&quot;
+hoor ik vragen, nu wij genaderd zijn tot den
+leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te huis om strijd
+stuiten, &quot;waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor,
+en niet op dat van een makelaar? die kan zonder
+fonds vooruitkomen!&quot;&mdash;en&mdash;: &quot;Als kennis in
+handel nog iets waard is: waarom dan geen <i>associ&eacute;</i>
+gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de
+andere wascht, dan worden beide schoon.&quot;</p>
+
+<p>Dat zij juist ware!</p>
+
+<p>Makelaarsklerken&mdash;de tegenwerping verpligt ons,
+eenige jaren terug te gaan&mdash;makelaarsklerken zijn
+doorgaans vrijwilligers, zonen, neven, vrienden, en dus
+jongelu&icirc;, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen
+beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook
+de teleurstellingen te bestrijden, aan het beginnen van
+elk beroep verknocht. Of wanneer &quot;de vijanden van het
+liegen,&quot; zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde,
+&quot;dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij
+iemand willens en wetens bij den neus nemen,&quot; wanneer
+zij salari&euml;ren, dan kiezen zij jongelu&icirc;, arm genoeg om
+afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij slechts,
+wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen
+hunner jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp
+verlangen, of naar een opvolger omzien;&mdash;de laatsten
+moeten jonge menschen zijn, die hun nooit in de wielen
+kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn
+gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten,
+ten gevolge dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt;
+maar ge zult mij toestemmen, dat het getal dergenen,
+die kans hebben, zich zonder vermogen in deze loopbaan
+eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein,
+bitter klein wordt. Bovendien,&mdash;er is in de onderstelling,
+van welke wij uitgingen, &quot;dat een makelaar geen
+fonds behoeft,&quot; iets zoo overonnoozels, dat de broeders
+van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar &eacute;&eacute;n
+oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft,
+wie niet wil, wie niet kan inkoopen &quot;voor zijn' meester,&quot;
+dat is, eer hij een kooper heeft,&mdash;wie niet &quot;lipt,&quot;
+luidt de technieke term&mdash;wat heeft de sukkel te doen?
+Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne
+buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de
+partij afgedaan is;&mdash;hij moge wroeten en slooven, van
+den ochtend tot den avond, hij krijgt geene patroons;&mdash;want
+wat kan hij der tweede hand, den commissionair
+aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer
+en met hetzelfde regt veilt? De verbastering der
+zeden ging in Rome soms z&oacute;&oacute; verre, dat de wijsste wetten
+krachteloos werden, dewijl men door hare toepassing
+allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met
+luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid
+des kwaads de makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten
+van transigeren met hunnen eed. Het zij verre
+van mij, het daarom te willen vergo&ecirc;lijken; integendeel,
+het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid
+verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel
+voor den handel in het algemeen, als voor kooplieden
+en makelaars in het bijzonder, dikwijls, ik zou schier
+durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De voorbeelden
+zouden ligt zijn bij te brengen.</p>
+
+<p>De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal
+ontkennen, dat enkelen hare juistheid door den gelukkigen
+uitslag hunner pogingen hebben gestaafd; maar
+heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid gewogen,
+welke de jonkman op zich neemt, die de kans
+trotseert verliezen te ondergaan, welke voor hem in
+persoonlijke schulden aan zijn' deelgenoot verkeeren?
+Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer men
+zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van
+een huwelijk. Ik heb straks van de po&euml;zij van den handel
+gewaagd, en zeker, het is streelend, door eigen vlijt,
+door eigen kracht, een' onbekenden naam bij zijne
+medeburgers in aanzien te brengen,&mdash;door zijne
+kennis van zaken en menschen, het vertrouwen van stad- en
+landgenooten te verwerven en te verdienen,&mdash;aan zijne
+allengs uitgebreider betrekking een te huis te hebben
+dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken
+onafscheidelijk zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief
+en waard, dewijl die woning, ten gevolge van overleg
+en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene eigene is
+verkeerd,&mdash;een te huis liever en waarder nog, dewijl
+de telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden
+des levens de blosjes lang op de wangen der gade doen
+wijlen, en er dikwijls in den lach der vreugde een'
+zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen&mdash;een
+te huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel
+der kleinen, voor welke zich, hoe rap zij ook opgroeijen,
+nog sneller uitzigten openen, daar tien, vijftien, twintig
+jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen zaken,
+honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de
+tijd is zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade!
+Aan de achting van het algemeen, aan het vertrouwen,
+dat de naam des handelaars van beurs tot beurs wint,
+paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven;
+het besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in
+zijnen stand bij te hebben gedragen tot den vooruitgang
+van zijn Volk, van zijne Eeuw misschien! Want,
+wie onzer acht het mogelijk, dat men het z&oacute;&oacute; verre zou
+brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder
+zin voor wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles
+wat goed en groot is? Of wat is natuurlijker, dan dat
+de man, ten gevolge van de inspanning der helft zijns
+levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene
+burgerlijke waardigheid staat&mdash;geen ridderlint, bid ik
+u!--maar eene plaats in den Raad der stad, tot wier
+welvaart hij bijdroeg&mdash;die hij lief heeft gekregen, als
+de getuige van zijnen voorspoed&mdash;die hem aan het
+harte ligt als de bakermat van zijn kroost?</p>
+
+<p>Er is veel uitlokkends in,&mdash;maar de penning heeft
+toch ook zijne keerzijde.</p>
+
+<p>Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften
+geassoci&euml;erd geweest,&mdash;de eerste bragt de kennis, de
+laatste bragt het geld aan, en, zoo er compagnons
+zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze
+waren het. Overmoed en overzorg, de gewone vloek
+van vennootschappen, uit zoo ongelijke bestanddeelen
+zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun karakter
+hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt,
+dat Becker de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste
+was, in het geven van crediet. Beide gehuwd, moet
+ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun
+gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone
+droom van geluk. Want, verre van den waan, dat de
+goede verstandhouding tusschen compagnons het langst
+duurt als zij elkander nergens elders zien dan op het
+kantoor,&mdash;er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid
+van stand, noch die ongelijkheid van jaren, welke
+het opzettelijk vreemd blijven van de gezinnen van
+associ&eacute;'s, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam
+maken&mdash;waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten
+vrienden geworden; geen huisselijk lief of leed van den
+een', dat den ander niet ter harte ging. Het was eene
+dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van
+ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens
+tot het geluk van vrienden door bijdragen.&mdash;De avonden
+na het afsluiten eener voordeelige balance, beurtelings
+in den schoot van het een of ander gezin doorgebragt,
+verkeerden in huiselijke feesten, op welke de
+vrouw van Becker zich niet had ge&euml;rgerd aan de meerdere
+pracht in de woning van Haeften, en die van de
+laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den eersten
+van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot
+weelde oversloeg.</p>
+
+<p>Het was in het derde jaar hunner associatie, en de
+looper reikte op een' Vrijdagmorgen den patroons de
+brieven over. Haeften opende er eenen, die hun eene
+aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen
+door, het schrift danste hem voor het gezigt. O, als de
+bankbreukige wist, welk leed hij aanrigt; als hij het
+bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner zaken onder
+telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel
+de rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen
+meer op het spel zet,&mdash;hij zou van alle gevoel vervreemd
+moeten zijn, eer hij <i>quitte ou double</i> waagde, eer hij
+zichzelven diets maakte, dat het hem <i>onder nul</i> nog
+vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren
+wilde! Het was de aankondiging van het faillissement
+van een' hunner grootste debiteuren. Een huis, dat langer
+dan eene halve eeuw bestond&mdash;een huis, dat, tot
+op den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen
+vertrouwen genoot&mdash;een huis, dat, reeds sedert jaren,
+zijn crediet in den vreemde allerhandigst exploiteerde.
+Wie begrijpt niet, waarom Becker, de aankondiging inziende,
+verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in
+het volgende oogenblik <i>groot houden</i>, des ondanks, zijne
+leuze was? De klerken zaten om hem heen, en er waren
+onder deze, die zijne ontsteltenis al hadden opgemerkt.</p>
+
+<p>&quot;Het had erger kunnen zijn,&quot; zei Haeften, toen hij op
+zijne beurt de jobsmare had doorgeloopen.</p>
+
+<p>&mdash;Het had erger kunnen zijn&mdash;voor iemand van
+Becker's gestel, van Becker's geweten? oordeel zelf!
+Er kwamen geprotesteerde traittes voor, door hen op
+het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk
+gerembourseerd werden,&mdash;maar wier bedrag
+Becker voor oogen stond, toen hij zijne arme vrouw en
+kinderen aanzag, door wier pas verworven vermogen
+eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren
+dan het gezin van menig kantoorbediende&mdash;hij was
+Haeften schuldig!--Er moest naar de beurs worden
+gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds verbreid,
+vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene
+gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen;
+want de laster had vrij spel, dewijl zij er inderdaad
+eene aanzienlijke som bij verloren. Becker las wantrouwen
+in de blikken van wie hen groetten, in de deelneming
+van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in
+de opmerking, welke hun kassier aarzelend maakte, dat
+hij geloofde, voor hen in voorschot te zijn,&mdash;in de
+traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen voor
+hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die
+week, zoodra zij 1 pCt. contant aanboden,&mdash;in de
+klagte der wisseljoden, dat er schier geene nemers
+waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd.&mdash;Er
+school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg
+van zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan
+zijne vlerken reikten, waarheid genoeg in zijn vermoeden,
+om tot dubbele voorzigtigheid te verpligten in de
+keuze der maatregelen, om de belemmering te doen
+ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de
+eerzuchtige, neen, de gemoedelijke zich voor kan stellen;
+want zijn gezin had heiliger regten op hem, op ons mogen
+toekennen.&mdash;Er volgde stilte op den storm. Toen zij
+menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen
+nam, zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het
+vertrouwen terug, en vergat men het verlies, dat zij
+hadden geleden, ja, veranderde het schier te hunner
+gunste, in een blijk, &quot;dat zij toch goed moesten staan.&quot;
+Maar wie het vergat, Becker niet&mdash;wie het voor een
+bewijs hunner soliditeit liet gelden, Becker wist dat er
+slechts vijf ten honderd van hunne aanzienlijke vordering
+te wachten viel; werken&mdash;werken&mdash;werken&mdash;werd
+zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun
+verlies te herstellen;&mdash;het leed geen' twijfel, dat er
+nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen aan te knoopen,
+als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in schikken
+naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor
+geringe winsten misschien. Eene verre reize moest met
+groote spoed worden ondernomen; als zij slagen zouden,
+dan diende een der chefs van het huis die zelf te
+doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar,
+Becker voerde haar uit,&mdash;hij was terug eer het algemeen
+wist, dat hij weg was geweest;&mdash;hij had orders,
+groote, solide orders, zij wonnen veel gelds, zij waren
+het verlies bijna te boven.&mdash;</p>
+
+<p>&quot;Het had erger kunnen zijn,&quot; zei Haeften.</p>
+
+<p>En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar
+eens,&mdash;het was in den nawinter, ontwaakte zij midden
+in den nacht: &quot;Wie kucht daar? Becker! Becker!&quot;&mdash;Hij
+schonk een glas water in, en leegde het in een
+paar teugen. &quot;Wat scheelt er aan?&quot; en, daar zij geen
+antwoord kreeg, werd zij eensklaps wakker of het
+uchtend was; &quot;waarom frommelt gij dien zakdoek
+weg?&quot; Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds
+meermalen bloed had opgegeven ten gevolge van de
+vermoeijenissen der reize, dacht hij,&mdash;ten gevolge van
+den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust
+over het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet
+te boven was. &quot;Het had erger kunnen zijn,&quot; ze&icirc; de
+arts, die des morgens voor zijne legerstede stond, en
+rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van
+eenige weken verblijfs op het land hoopte; Becker
+moest zich aan alle beslommeringen onttrekken; Becker
+moest de zaken uit het hoofd zetten. Och, die
+goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke!
+Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger
+had kunnen zijn. Eer de lente kwam, werkte Becker
+reeds weder in zijne kamer, en toen hij veertien dagen
+buiten was geweest, en zich&mdash;&quot;beter, o veel beter,&quot;&mdash;
+gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag
+hem tot tien uren des avonds op zijne kruk voor den
+lessenaar zitten, want hunne zaken stonden gunstiger
+dan ooit...</p>
+
+<p>Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw
+lag bij zijn hoofdkussen op de knie&euml;n, en hij kuste zijne
+kinderen goeden nacht. Haeften beloofde hem, voor
+deze te zullen zorgen,&mdash;en eene diepe stilte verkondigde,
+dat het zijne laatste woorden waren geweest.</p>
+
+<p>&quot;Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!&quot;</p>
+
+<p>Was het niet erg genoeg?</p>
+
+<p>Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het
+leven, boven eene schepping der fantasie, maar geloof
+niet dat ik tot de verdichting mijne toevlugt zou
+behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te
+hangen, hoe menig klerk de vermetelheid koopman te
+spelen heeft geboet. Waarom zoude ik het verzwijgen,
+dat de figuur van Haeften mij, om het harmonische, dat
+zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de
+bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat
+ons met het lot des vaders verzoent. En echter, hoe
+zeldzaam is de afloop van verbintenissen van dien aard
+zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik er niet
+gekend, die mij het oude spreekwoord: &quot;alle compagnieschappen
+beginnen in den naam des Heeren, maar
+eindigen in den naam des duivels,&quot; voor den geest herriepen?
+Het was altijd de vennoot, die luttel had ingebragt,
+aan wien de kwade afloop geweten werd, hij
+was <i>te dit of te dat</i>; genoeg, een man, die geen geld
+heeft, en wat dan ook <i>te</i> is, wat is hij anders dan een
+verloren man? <i>Le succes justifie tout</i>, zegt de wereld;
+maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van
+gebrek aan moed, als hij zich laat terughouden van eigen
+zaken, door een grijnzend gebouw, dat het verschiet
+verdonkert, door de <i>gijzeling!</i></p>
+
+<p>Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd,
+wanneer de gedachte aan een etablissement bij hem
+opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan het vrolijke
+leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn
+chef,&mdash;commissionair&mdash;zeehandelaar&mdash;bankier&mdash;bijna als
+zijns gelijken, als zonen van den huize behandelt. Inderdaad,
+uitheemsche vrijwilligers hebben zich slechts fatsoenlijk
+te gedragen, om in de gezelschapszaal des
+patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het
+fransch, noch in het duitsch, noch in het engelsch, heeten
+de jonge lieden, die op het kantoor werkzaam zijn,
+<i>bedienden</i>. Onze patenten zijn in dit opzicht waar, tot
+krenkens toe.&mdash;Als er iets aardigs of geestigs in die
+vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,&mdash;als ze
+vlugge beenen hebben, introduceert men hen alom, tot
+op het Casino toe,&mdash;en waarom zou men niet? Eens
+zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de
+herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen,
+ten gevolge van deze aangeknoopt, iets duurzaams,
+dat latere mededinging tart. Voor de <i>gijzeling</i>,
+voor den kerker, waarin hij misschien zijnen ondernemingslust
+boeten zou, huivert de gesalari&euml;erde kantoorbediende
+terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen
+vergelijkt met het geld stuk slaan der onbezorgde trekvogels.
+O, geloof niet, dat de schaal effen hangt, wanneer
+hij hen voor &quot;een bok op een' ezel&quot; uitscheldt, als
+zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;&mdash;geloof
+het niet, als hij u verzekert, dat zij er in hun
+nieuwe kle&ecirc;ren uitzien &quot;als apen dat ze zijn,&quot; terwijl hij
+zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt heeft geknoopt,
+om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk
+gaan hem zijn aardigheden tegen fransche comedie en
+italiaansche opera af,&mdash;als hij niet te zeer verstompt is
+om eenigerlei malligheden te bedenken, om zijn' nijd
+achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers
+uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van
+vatbaarheid voor genot,&mdash;hoe dikwijls gevoelen de
+ongelukkigen niets dan het wigt des juks, dat hunne
+schouders neerkromt!</p>
+
+<p>&quot;Zoo ik nog vrij man ware!&quot; zeiden wij, &quot;wanneer
+ik nog alleen in de wereld stond!&quot; Inderdaad, wie zou
+dan de afhankelijkheid willen dulden, in een' leeftijd,
+die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op
+veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen
+van nieuw aankomende chefs, naar de grillen
+van jongere patroons! En echter&mdash;het gezin, dat zich
+reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den
+bedelstaf vervallen&mdash;zoo de plaats werd opgezegd.
+Verwondert het u, dat de bedaagde bediende slaafscher
+kruipt dan een dienstbode, dat het jammer met elk jaar
+ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om
+den wille van een karig loon! De meiden van het huis
+voeren hooger toon dan hij. Op het bekende: &quot;er is geene
+hand vol, maar een land vol,&quot; die na&iuml;ve verklaring van
+het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen steunt,
+antwoorden de deernen luchtig weg: &quot;Er zijn meer diensten
+dan kerken!&quot; Hoe anders ontrust zich de bejaarde
+klerk over een onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke
+vergissing, dan zij het zich over het grofste vergrijp
+doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen Correspondent
+te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen
+een lafbek van een' Associ&eacute; de pen haalde door een'
+vier zijdjes langen brief,&mdash;en echter ging de man naar
+zijnen lessenaar terug en schreef eenen anderen. Nooit
+zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een Kashouder
+den eerlijken borst de hand drukte, die hem het
+geld we&ecirc;rom bragt, dat de laatste te veel had ontvangen,
+dat de eerste hem te veel had betaald. De tranen stonden
+den grijskop in de oogen, en toch waren het maar&mdash;vijf
+en twintig gulden. De volgende morgen zag beide,
+zoowel na het eene voorval als na het andere, weder op
+het kantoor, weder aan den arbeid, briefschrijvende en
+geldtellende; maar wat moet er in die harten zijn omgegaan,
+toen zij, den avond te voren, in den schoot der
+hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! &quot;Dat
+leed ik om u,&quot; dacht de Correspondent; en welligt relde
+zijne vrouw hem aan de ooren over een' uitgang voor de
+kinderen, om het zien van een spel op de Botermarkt,
+de bloeden waren nog nergens geweest! &quot;Wanneer er
+dat eens bij was gekomen,&quot; zei de andere, terwijl hij
+misschien zuchtende, de rekening van den schoolmeester
+wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn kroost op die
+der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het
+niet eens!</p>
+
+<p>&quot;Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde
+het venster uit,&quot; zeiden onze vaderen, maar men went
+niet aan den ruwer toon, dien zij voert. Maar men komt
+niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk maakt;
+maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het
+lijden is geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening.
+Dirk, de kashouder, of Daan, de correspondent,
+zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer,
+welke zij v&oacute;&oacute;r twintig jaren zijn geweest, welke zij,
+behoudens de natuurlijke overgangen van den leeftijd,
+beloofden te zullen blijven, als het paard, dat
+altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is,
+wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van
+gehinnik doet daveren en heiningen overspringt en
+stroomen klieft, en als het in een tuig gespannen,
+dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag,
+den molen rondstrompelt, blind en lam, met den vilder
+in het verschiet. Het is even zeldzaam voor een van
+beide, deernis aan te treffen; maar hoe verdienstelijk
+het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben
+hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik
+niet geloof, dat iemand tot dergelijke bestemming geboren
+wordt, zoo lang ik niet wankel in de overtuiging,
+dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur
+aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest
+spiegelen in onze beschaafde maatschappij, zoo lang zal
+ik de ziekelijke verschijnselen van dezen aard bewijzen
+eener krankte achten, die genezing eischt.</p>
+
+<p>&quot;Gierige feeks!&quot; mompelde Doorne, in zich zelven,
+terwijl hij, op een' zondag-avond in de laten herfst,
+den trap van zijn bovenhuis opstommelde, &quot;gierige
+feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en beenen
+breken kan!&quot;</p>
+
+<p>Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan
+zijne vrouw, die toch eens de liefste zijner jeugd, zijn
+mooi Kaatje was geweest,&mdash;die met hare drie kinderen
+had zitten voortschemeren, terwijl hij door een'
+zijner confraters van het kantoor&mdash;den expediteur&mdash;was
+vrijgehouden op een heeren-diner;&mdash;de man was
+zoo aardig&mdash;buiten 's huis. Ik geloof niet, dat het zijn
+doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter
+hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve,
+door een' ruk aan het smerige touw, de deur opengetrokken,
+en zag, trots het duister, waarover hij zich
+beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te duidelijk,
+dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus
+niet, dat zij hem verbeidde, dat er eene ontmoeting
+plaats greep, zoo als herderszangers er schilderen, bij
+de tehuiskomst van eenen daglooner, een vriendelijk
+welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart
+verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed
+alle vroegere, zachtere, edelaardige aandoeningen had
+vervangen, trad zij de kamer binnen en had licht ontstoken,
+eer hij over den drempel was gezwaaid.</p>
+
+<p>&quot;Al we&ecirc;r roode oogen,&quot; gromde hij, haar opgewonden
+aanziende, &quot;al we&ecirc;r roode oogen; als je meent dat het
+grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb jij het mis,
+danig mis, kind!&quot;</p>
+
+<p>De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide
+meisjes, en hun zoontje, zagen vader vreemd aan.</p>
+
+<p>&quot;Huilen en pruilen,&quot; voer hij voort, &quot;men zou waarachtig
+voor zijn pleizier t'huis komen. Was ik maar
+met de jongens me&ecirc;gegaan&mdash;maar me dacht, dat gaf
+voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd
+man! Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar
+ongelukkig aan toe, dat moet ik zeggen. Als het hem
+niet meeloopt in de wereld, als ze een beetje de handen
+uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent ze&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek
+getuigde, hoe veel netheid vermag om behoefte te verbergen;
+en Kaatje&mdash;brave vrouw als zij was&mdash;beproefde
+te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden
+haar griefden. Zij deed het om der kinderen wil.</p>
+
+<p>&quot;Maar, het is waar,&quot; voer hij voort, als tergde hem
+haar stilzwijgen,&mdash;en toch zou het haar onmogelijk
+zijn geweest iets uit te brengen, al had haar leven er
+aan gehangen,&mdash;&quot;het is waar, je was het anders gewend.
+Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan
+te kleeden, en schoon er zie d&agrave;t niet bij je oude lui
+is overgebleven, toch was het Mijnheer en Mevrouw, ja wel!--&quot;</p>
+
+<p>Hij moest veel gedronken&mdash;hij moest, zoo als het
+gemeen zegt, een' kwaden dronk hebben, om dien toon
+aan te slaan; om Kaatje in hare omstandigheden, in
+zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren,
+toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen
+zij de po&euml;zij des levens genoot:&mdash;achting, vriendschap,
+liefde&mdash;zij, die nu tot zulk een laag proza was
+gedaald:&mdash;vergetelheid, armoede, smaad.&mdash;</p>
+
+<p>&quot;Gaat naar bed, kinderen!&quot; sprak zij tot de kleinen,
+zoo bedaard ze zijn konde,&mdash;zij had de oogen een wijle
+ten hemel geslagen.</p>
+
+<p>&quot;Nacht paatje,&quot; mogten de meisjes zeggen; &quot;paatje!&quot;
+grinnikte hij, &quot;wel zeker, paatje! het was immers ook
+grootpapa <i>von Habernichts!</i>&quot; Kaatjes lippen sloten zich
+krampig;&mdash;de jongen was aan de beurt, een borst van
+een jaar of tien.</p>
+
+<p>&mdash;&quot;Goeden nacht&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Haal me eerst mijn pijp, Bram!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ze is stuk, pa!&quot; zei de knaap.</p>
+
+<p>&quot;Stuk!&quot; was het antwoord, &quot;mijn meerschuimen pijp
+stuk! haal me mijn pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Doorne!&quot;&mdash;viel de moeder in&mdash;&quot;de kinderen
+hebben van middag achter gespeeld, en het roer gebroken.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;&mdash;mijn
+pijp, jongen! zeg ik.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Als wij het ruimer hadden, als we ze konden
+kleeden&mdash;&quot; het was olie in het vuur,&mdash;die laatste hoogmoed
+van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder op
+haar kroost!</p>
+
+<p>&quot;Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van
+doen dan jij, maar die zijn groot gebragt om den pot
+te koken, om&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Bram was van de achterkamer we&ecirc;r gekomen, met
+het <i>corpus delicti</i> in de hand: het viel den jongen aan
+te zien, dat niet hij zich aan den afgod had vergrepen.
+De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende
+hand naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje
+aan zijne opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar
+te zwaar gevallen.</p>
+
+<p>&quot;O God!&quot; zuchtte zij, terwijl hij bulderde:</p>
+
+<p>&quot;En wie heeft dat gedaan?&quot;</p>
+
+<p>Bram zweeg.</p>
+
+<p>&quot;Spreek op jongen!&quot;</p>
+
+<p>Bram bleef zwijgen.</p>
+
+<p>&quot;Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat
+jij de deugniet bent.&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Houd het er voor, pa!&quot;</p>
+
+<p>Het was z&oacute;&oacute; ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat
+het kind den vader trotseerde,&mdash;schoon de knaap het
+uit een edel beginsel deed, dat vergo&ecirc;lijkt het niet.</p>
+
+<p>&quot;Doorne!&quot; borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand
+zag opheffen, om zijn kind te slaan, &quot;Doorne! ge zijt
+u zelven niet,&mdash;straf Mietje, die ze gebroken heeft,&mdash;maar
+doe het morgen, niet nu!--&quot;</p>
+
+<p>De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne
+opwaggelde, om naar de achterkamer te gaan.</p>
+
+<p>&quot;Er is nog een Goudsche pijp in den bak,&quot; zei Bram,
+instinktmatig naar een' afleider toekende.</p>
+
+<p>Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak
+Kaatje, met tranen in de oogen, en smeekend zaamgevouwen
+handen: &quot;Doorne! er was een tijd dat ge mij
+lief hadt&mdash;toen waart ge nooit beschonken,&mdash;moeten
+wij nog ongelukkiger worden?&quot;</p>
+
+<p>Het werkte.</p>
+
+<p>&quot;Er was een tijd dat ge mij lief hadt!&quot; O grootheid
+der vrouw die alles geduldig had gedragen, bekrimping,
+ontbering, vernedering,&mdash;behoefte, armoede,
+gebrek,&mdash;zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,&mdash;die
+ook thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks
+langer diets maken, dat er nog een' vonk van het
+heilig vuur in de asch gloeide.&mdash;&quot;Toen waart ge nooit
+beschonken!&quot; Er werd zedelijk verval, verstomping, versteening
+toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte
+makker te worden van een hoop losse jonge lieden,
+om genoegen te vinden in het zwelgen met deze, terwijl
+vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden en teerden
+op de herinnering van blijder dagen.&mdash;&quot;Moeten wij nog
+ongelukkiger worden?&quot; Kaatje voorzag slechts te duidelijk,
+hoe weinig er in eene stemming, als die van dezen
+avond, na tooneelen als het geschetste, toe vereischt
+zou worden, om hem mede te slepen naar die plaatsen,
+waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet
+enkel de weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid,
+en in deze haar geluk: de kracht des ligchaams en
+de krachten der ziel aan den wellust offert!</p>
+
+<p>Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant
+met verdierlijking in genot.</p>
+
+<p>Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou
+hebben gebaat, als Doorne denzelfden slentergang was
+blijven gaan, aan een kantoor waarop hij automaat was
+geworden, naar een te huis, waarin hem slechts toenemende
+ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware
+hij, &quot;om zich wat op te beuren,&quot; al dieper gezonken;
+doch grooter onheil, dan hij zich ooit had voorgesteld,
+trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde, failleerde!
+Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij
+Kaatje, vroeger dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar
+mede, dat het met hem gedaan was! Op zijnen leeftijd
+scheen hem het vinden eener andere betrekking iets
+onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!</p>
+
+<p>&quot;Een christenmensch wanhoopt nooit,&quot; hernam zijne
+vrouw, in haren aandoenlijken eenvoud; &quot;en allerminst
+onder rampen, die ons buiten onze schuld overkomen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wacht maar tot de raven het u brengen!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder
+den wil van onzen Hemelschen Vader,&mdash;als wij de
+handen aan den ploeg slaan...&quot;</p>
+
+<p>&quot;Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik
+schrijf niet mooi genoeg voor de boeken; maar&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,&mdash;niet
+waar, man?&quot; vroeg Kaatje.</p>
+
+<p>&quot;Zou het mijn pligt niet zijn?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer,&quot; begon zijne
+vrouw, bemoedigd; ijlings viel hij haar in de rede:</p>
+
+<p>&quot;Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken&mdash;de
+patroons betaalden nooit, tenzij men er om vroeg&mdash;wie
+weet hoe lang het duren zal eer wij het krijgen?
+Daarbij, in deze kle&ecirc;ren zie ik er zoo schooijerig uit,
+dat niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest
+te koopen&mdash;crediet heb ik niet, vrienden die leenen
+nog minder,&mdash;neen met mij is het afgedaan.&mdash;Ik
+kan bakker noch slager betalen...</p>
+
+<p>&quot;Als het d&aacute;&aacute;r slechts aan hapert,&quot; hernam Kaatje,
+&quot;dan weet ik raad, geld zult ge hebben,&quot; en zij riep
+Bram, die op de achterkamer zijn zusje schrijven leerde.
+&quot;Jongen!&quot; sprak zij, en met bevende handen sloot zij
+eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei
+gewikkeld&mdash;dat vloei had dertien jaren dienst gedaan,
+het was een bijbel met een gouden slot! O! de traan,
+die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij het
+haar zoontje overreikte! &quot;Brammetje?&quot; zei zij, &quot;op de
+----gracht,&mdash;het huis van de ----straat, is eene
+<i>Bank van Leening</i>.&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en
+in het voorbijgaan aangestaard, daar zij zoo juist de
+ligging, daar zij schier het nommer van het huis wist,&mdash;en
+was er echter tot op dezen dag altoos nog gekomen,
+zonder haren bijbel te verpanden.</p>
+
+<p>&quot;Het zal niet gebeuren, Kaatje!&quot; viel Doorne in, &quot;het
+is het laatste aandenken aan uwe moeder.&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Dank voor het woord,&quot; zeide ze en reikte hem hare
+magere hand; &quot;maar ze zou me niet anders geleerd
+hebben, als zij er man en kinderen mee had kunnen
+redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en
+wij allen moeten <i>eten!</i> Bram! die groene deur ga je
+in&mdash;en&mdash;dan zal iemand je vragen, wat je hebt&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers
+zeggen; Kaatje, die in het hoofdstadje van eene
+onzer landprovinci&euml;n was geboren en opgevoed; Kaatje
+wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken
+naar het voorwerp,&mdash;het overreiken van het pand,&mdash;het
+beschouwen&mdash;het waardeeren&mdash;heet het, geloof
+ik, stil, als ware de bank van leening het graf der
+bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de
+naam van den verpander, wordt gefluisterd, of het eene
+misdaad was.</p>
+
+<p>&quot;Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft
+honderd en vijf gekost; doch als ze maar zestig of
+vijftig geven willen, dan neem jij ze ook.&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde
+hem de moed zijner vrouw,&mdash;kwam hij tot inkeer?
+Het knaapje zag zijne moeder aan, of het zijne ooren
+niet geloofde.</p>
+
+<p>&quot;En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van
+eene oude jufvrouw...&quot;</p>
+
+<p>&quot;Een leugen, Maatje?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Toe jongen, ga dan toch,&quot; voer zij voort. Het kind
+was blijven staan, vader en moeder beurtelings
+verbaasd aanziende.</p>
+
+<p>Bram ging met looden schoenen&mdash;niet dewijl het
+kind al wist, welk eene droevige ervaring er in het
+woord der behoeftigen schuilt: &quot;het gaat er heen als
+eene ve&ecirc;r, het komt we&ecirc;rom als een steen.&quot; neen, dewijl
+ook hij een' instinktmatigen afkeer had van de schuine
+deur, die men niet binnen gaat, maar insluipt.</p>
+
+<p>&quot;O Doorne!&quot; zei Kaatje, toen de borst de trappen af
+was,&mdash;zoo lang ze zijne voetjes hoorden, hadden beide
+gezwegen,&mdash;&quot;o Doorne al kwam het ook nooit weer in
+mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag
+heb ik het veil, als gij we&ecirc;r de oude wierdt, als ge mij
+liefhadt als weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig
+was om bestwil!--&quot;</p>
+
+<p>Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet
+had beloofd;&mdash;hij deed meer, hij hield woord. Zoodra
+het jongske was teruggekeerd&mdash;met geld;&mdash;zoodra
+de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan
+ook&mdash;geweken was, zoodra hij zich de vereischte
+kleinigheden had aangeschaft, om als sollicitant uit te
+kunnen gaan&mdash;de kleederen maken ook van den smeekende
+den man&mdash;trok hij de stoute schoenen aan. Hij beriep
+zich op zijn ongeluk,&mdash;hij sprak van de familie zijner
+vrouw, de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon
+geen rijke, echter fatsoenlijke, eerlijke brave lu&icirc; waren
+geweest,&mdash;en hij slaagde. Eer eene halve maand verstreken
+was, zag hij zich weder geplaatst, en wel beter
+dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere
+vriendin van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags
+uit de kerk een bezoek brengt,&mdash;de vriendschapsbetrekking
+is door de heusche rijker gehuwde weder
+aangeknoopt,&mdash;als Kaatje te harent komt, het geloste
+bijbeltje in de hand, en Amalia dan het slot beziet,
+waarop zij weleer aan de knie van Kaatje staande <i>Mozes</i>
+en <i>A&auml;ron</i> leerde kennen, en haar verzekert, hoe haar
+dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne,
+en wel mag zij:</p>
+
+<p>&quot;Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd
+is, en hoe veel ik er aan ben verpligt!&quot;</p>
+
+<p>Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den
+Lombard te komen. De betere mensch, de mensch,
+die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft, en, daardoor
+geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne
+weder ontwaakt.&mdash;</p>
+
+<p>Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit
+doet hij het de jufvrouw met mooije linten op de muts,
+die binnen chocolade zat te drinken, en hem geene
+zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder wou
+geven:&mdash;&quot;maar vijftig, het is zoo dun!--&quot;</p>
+
+<p>Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan
+ik het in het schetsen van Doorne deed, eer de val van
+het huis, waaraan hij zijn lot verbonden waande, het
+middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd
+huishouden,&mdash;een schot kinderen&mdash;als de term is&mdash;voor
+wier verstandelijke vorming even weinig zorg wordt
+gedragen als voor hunne zedelijke;&mdash;eene ellende, die
+overgaat van geslacht op geslacht? Men zou mij
+beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar
+willekeur aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe
+dikwijls dat alles ook het lot is der ongelukkigen, van
+welke ik vermogende lieden, die aanspraak maakten op
+humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak
+aan menschenkennis heb hooren beweren: &quot;Zulke lu&icirc; zijn
+er aan gewend, zich te behelpen,&mdash;zij weten niet anders
+of het hoort zoo.&quot; Jammer voor deze wijsgeeren, dat zij
+van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden wakker
+geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich
+aan het goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een
+kashouder op de vlugt is gegaan, dat de verzoeking dezen
+of genen klerk te zwaar is geweest. Dagelijks zagen zij
+weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene heuschheid
+beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen&mdash;en zij
+vielen!--Veroordeel,&mdash;de maatschappij eischt het, de
+wet geeft er u het regt toe,&mdash;maar beklaag tevens.
+Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend kunt antwoorden,
+als ge u gemoedelijk afvraagt: &quot;Schoot ik niet te kort in
+belangstelling in het lot van dien huisvader?&mdash;heb ik
+door het vertrouwen dat ik in dien <i>arme</i> schonk, hem
+niet op te zware proef gesteld, zijne omstandigheden in
+aanmerking genomen?&quot;</p>
+
+<p>Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester
+zulk een witte raaf schieten zoude, Hammink wachtte
+zich wel voor een onberaden huwelijk, Hammink, de
+vertegenwoordiger van een talrijke soort kantoorbedienden,
+oud vrij&euml;r per systema, en ego&iuml;st bij gevolg. Maar de
+mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren,
+zelfs een klerkenslag laat zich niet generaliseeren
+als eene vogelensoort b.v., laat zich niet afschepen met
+enkele trekken, zoo als: zulk een kop, zulke ve&ecirc;ren,
+zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om
+dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele <i>species</i> ook dit
+<i>genus</i> moet worden verdeeld, Hammink behoorde even
+weinig tot de overgroote klasse van hen, die in hunne
+vrijheid&mdash;vergeef mij het woord, het feit verdient geen
+beter&mdash;verliederlijken, als tot de zeer kleintallige,
+welke in hun eentje vergierigaarden&mdash;ik vind de
+uitdrukking eer juist dan mooi. Ook was hij geen
+<i>sentimental bachelor</i>, in onze tijden meer in de wereld
+der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde
+van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden
+zijn op te duiken. Ge hadt jaren lang groot gevaar
+geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste, als voor
+den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was
+rond als eene ton, want hij hield veel van een goed
+maal en een gullen dronk. Alle <i>table-d'h&ocirc;te</i>-houders
+wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd, ter viering
+van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij
+wilde voor eene geboorte, voor een' veldslag, voor een
+vijfentwintigjarigje; hij wo&ucirc; voor alles me&ecirc; eten, al had
+hij geen plan ooit te trouwen&mdash;geen plan, voor zijn
+vaderland ooit eene vin te verroeren,&mdash;geen plan voor
+eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven.
+Ge stemt mij toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd
+dan in den uwen en den mijnen kon zijn geboren;
+wat het aantal <i>diners</i> betreft, meen ik. Behoef ik er bij
+te voegen, dat hij <i>habitu&eacute;</i> van elk koffijhuis was, en
+nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er
+dan ook eene kamer naar. Doch wat maakte het uit?
+Vrienden zag hij niet, om de doodeenvoudige reden, dat
+&quot;een jonge heer zich met al dat gesnor niet kan ophouden.&quot;
+En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend,
+dan zijne meeste gehuwde kennissen opdischten.
+Welk een poespas! Dan at hij anders in de ---- en bij ----
+en aan ----; allemaal middelmatige logementen, op mijn woord!</p>
+
+<p>Laat mij voorzigtig zijn&mdash;ik ga den man in een scheef
+licht voorstellen; hij was niet ontbloot van gevoel; hij
+had eene plaats in den bak van den (toenmaligen)
+Stads-schouwburg te Amsterdam.</p>
+
+<p>Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond,
+z&oacute;&oacute; trouw met den klokslag, als de <i>souffleur</i> in
+zijn hok; vijf en twintig jaren, in de eerste tien van welke
+het parterre-publiek, geregeld &eacute;&eacute;ns in de week,&mdash;en wel
+op zijn' avond&mdash;in tranen zwom, bij de vertooning van
+een treurspel. Al zijne me&ecirc;warigheid, al het vrouwelijke
+in zijn gemoed, al de verteedering, waarvoor hij vatbaar
+was, plagt zich d&aacute;&aacute;r des winters lucht te geven; het was
+eene soort van veiligheidspijp voor aandoeningen, welke
+hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen,
+Dries, Jans of Trui&mdash;(de heer Snoek en mevrouwen
+Wattier-Ziesenis en Grevelink)&mdash;ontlokten hem tranen:
+waarachtig, iets dat naar tranen zweemde;&mdash;hij had er
+de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer hij
+in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij
+Casje, en daarna een ballet gezien, dan waren alle
+sporen van verweekeling weer glad uitgewischt.</p>
+
+<p><i>Probatum est!</i></p>
+
+<p>Als een arme drommel van een' confrater, met een
+zwaar huishouden belast, hem in de volgende week
+tien gulden ter leen vroeg, dan antwoordde hij: &quot;Jongen,
+je weet, dat ik het nooit doe;&quot; en herinnerde zich
+te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel
+tusschen Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was,
+dat zijn hart wel op de regte plaats zat. Zoo iemand, hij
+trok partij van zijne liefhebberij voor de kunst!--Als
+hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar
+Haarlem, eens bij toeval van Piepenbrink was
+afgedwaald,&mdash;hij zag er het bekende <i>uitstapje</i> zoo gaarne
+<i>in natura</i>&mdash;en hem eene arme vrouw in de Spanjaardslaan
+verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben
+gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe
+Phedra wenschte in de lommer van het bosch te zitten,
+om een' wagen na te oogen, in wolken stofs gehuld!
+&quot;Loop naar den drommel!&quot; riep hij der vrouw toe, zij
+stoorde zijne illusie.&mdash;E&eacute;n bewijs nog, en gij schenkt
+mij de overigen. Wanneer zijn patroon hem eens wat
+hard viel&mdash;het moest erg zijn eer hij het voelde,&mdash;dan
+troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots
+al zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond;
+Augustus die tot Cinna zeide:&mdash;wie weet niet
+wat?&mdash;Verwondert het u nog, dat het klassieke treurspel op
+zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?</p>
+
+<p>Ik heb de &eacute;&eacute;nige po&euml;tische zijde van zijn karakter
+in het licht gesteld, men vergunne mij te zeggen, de
+&eacute;&eacute;nige plek aangewezen, waarop eenige soort van po&euml;zij
+vat op hem had&mdash;behalve het epicurisch genot der tafel.
+Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de
+mode raakte. Houd het er echter voor, dat hij het zou
+zijn overgekomen, als hij niet, langzamerhand, een dagje
+ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die hem van
+tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk
+maakte. <i>O obstructies! o hemorrho&iuml;des!</i> Hammink&mdash;het
+motief was het vreemdste, het ongehoordste niet&mdash;Hammink
+dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat zoo
+alleen&mdash;hij was zoo vlug niet meer&mdash;ter been
+altoos.&mdash;Vrienden? hij had er geene.&mdash;Kennissen? die komen
+naar geen' grommert omzien.&mdash;Een huwelijk dus. Maar
+wie zoude hij vragen? wie kende hij?</p>
+
+<p>Deze&mdash;die&mdash;dat&mdash;vul al de fraaije benamingen,
+waarmede een oud vrijer vrouwen en meisjes bestempelt,
+zelf in,&mdash;neen, het ging niet. De dagen om er eene
+speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij
+er dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel,
+dat hij in zijne jeugd&mdash;vroeg&mdash;heel vroeg&mdash;naar
+een we&ecirc;uw had gevrijd, die rijk, zeer rijk was,&mdash;maar
+dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe
+konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan
+niet op hare bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor
+zes? En dan te verspreiden, dat hij verliefd was
+geweest,&mdash;verliefd&mdash;de kwaal, waarvan men bleek ziet, al is
+men zwart als Orosman;&mdash;verliefd&mdash;dat ding waarvan
+de helden den mond vol hadden, tot Titus, den zoon
+van Brutus toe, maar waarvan hij, ondanks al hunne
+tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was
+laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn
+zoo het wilde, hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe
+dit den kring beperkte, waaruit hij kiezen kon! Van
+eischer was hij er waarlijk toe gebragt te overleggen,
+welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-,
+zelfs een minder meisje aanbood. Een meisje?&mdash;ja!--want
+wat hij over 't hoofd mogt zien, op twee voorwaarden
+moest hij aandringen, slechts om deze huwde
+hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter
+die beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen;
+maar hij had toch in geen zijner treurspelen ooit iets
+gezien, ooit iets gehoord, dat naar een' echt zweemde,
+als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets ongehoords
+in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek
+leverde er maar weinig voorbeelden van op. Zelfs
+de historie van &quot;het Spaansche Heidinnetje&quot; maakte
+beter figuur dan de zijne zou doen.</p>
+
+<p>Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.</p>
+
+<p>Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij
+het pleizier aan het wiegetouw te trekken,&mdash;en bitter
+weinig oppassing op den koop toe;&mdash;zelfs de meid
+vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een'
+kantoorbediende.</p>
+
+<p>Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur,
+bespottelijk als deze;&mdash;en echter was het mijn doel
+niet, uwen lachlust op te wekken; echter zijn Hammink's
+gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van alle
+gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke
+standen&mdash;een jammer, waartoe meer klerken
+vervallen dan onze tooneelkijker&mdash;de meeste kwade
+kansen te opleveren. Het strijdige der begrippen van
+beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei
+dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat
+vertrouwelijks, wat innigs is denkbaar, waar sympathie
+in wijze van zien faalt? Stel u een paar voor, bij hetwelk
+zoo min verstand als gevoel ongeveer in dezelfde
+mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de
+band niet los zal springen, zoodra verzadiging op genot
+volgt? Hebt ge ooit huiselijk heil benijd of bewonderd,
+waar de echtgenoot in eene geheel andere wereld van
+gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of omgekeerd?
+Het is veel, als het bij louter koelheid, louter
+vervreemding blijft; als de ongelijkheid geene walging,
+geen' we&ecirc;rzin opwekt. Verscheidenheid moge tot &eacute;&eacute;nheid
+voeren, van elkander afkeerige elementen kampen
+tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar,
+trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw
+haren man tot zich ne&ecirc;r; maar gewoonte, die ons van
+kindsbeen af bootseerde, is eene onhandige herschepster;
+zij doet het volwassenen slechts pijnlijk, stuksgewijze,
+en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde
+is almagtig;&mdash;doch is de liefde van een' klerk voor eene
+meid, is dat de hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke
+mogelijk maakt? Helaas, neen, hoe weinig is zij in
+harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne
+herinneringen,&mdash;hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost
+aanziet! Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken,
+welke het paar naauwer aan een sluiten, het zijn
+struikelblokken, die den dagelijkschen omgang verzwaren.
+Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over
+hunne vorming niet? Wie schetst de ergernis eens
+vaders, die in zijne dochters dezelfde onbehouwen stukken
+vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij zich
+verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit
+hare jongens iets a&ecirc;rs zag opwassen, dan het evenbeeld
+des timmermans, wien zij in een zwak oogenblik hare
+hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het ligchamelijke;
+dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man
+of de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving,
+met ietwat opener zin voor het welvoegelijke, het bevallige,
+het edelaardige, het verhevene&mdash;het zijn allen
+zusters van het schoone&mdash;hoe dikwijls grieft het hem
+of haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene
+ijverige hulpe in de ontwikkeling, onverschilligheid of
+wederstand aan te treffen! Men begrijpt elkander niet,&mdash;men
+voelt verschillend,&mdash;men doet zeer zonder het
+op te merken,&mdash;men kwetst eer men het weet,&mdash;men
+ergert elkander,&mdash;men kwijnt weg,&mdash;men geeft het
+op;&mdash;arme kinderen, wat wordt er van u?</p>
+
+<p>Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening
+in de jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in
+den middelbaren leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval
+naar ligchaam en geest in den v&oacute;&oacute;rherfst, als bij Doorne;
+vervreemding van den kring waarin men geboren, voor
+wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse
+van Hammink,&mdash;of de avond van het leven van een'
+kantoorbediende, de ellende van ochtend en middag
+opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de klerk reeds vroeger
+getracht hebbe boekhouder te worden,&mdash;bij een'
+komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands
+huis, bij wie hem nemen wil, in &eacute;&eacute;n woord,&mdash;de
+wijssten doen dit het vroegst. Het geeft aanleiding, met
+meer menschen in betrekking te komen; het bewaart
+voor den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er,
+die zes, zeven pezen van die soort op hunnen boog hebben,
+en er hun wit me&ecirc; beschoten: eenige huisjes, een
+effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar
+toch degelijken stand geplaatst. Z&oacute;&oacute; behoort het&mdash;genadebrood
+is altijd hard, maar hardst uit de handen
+van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat allen
+z&oacute;&oacute; gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al
+grootvader is&mdash;en toch nog kantoorbediende&mdash;des
+middags naar de beurs strompelen, om dezen of genen
+jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het
+huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den
+patroon te komen,&mdash;daar zijn er, voor wie de schaduwen
+zich verlengen, zonder dat zij hun ruste aankondigen.
+Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen,
+traag van voet en stijf van leden,&mdash;die binnenkomen,
+met het hoedje in de hand, schoon kaal of grijs
+van schedel,&mdash;die den rok aan den kapstok hangen,
+schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,&mdash;die
+de pen versnijden met bevende vingers. Aan uwe
+taak, oude stumper, of gij en uw besje hebt gebrek! O,
+hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist de
+oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de
+deur zijner hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig
+toe te zien, hoe zijne kinderen en kleinkinderen feest
+vierden op het groene gras; had hij geene bete broods
+en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien
+zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden,
+maar die den grijze met een: &quot;de heilige maagd
+zegene u!&quot; genaderd, door dezen &quot;welkom!&quot; werd
+geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de
+trompet werd gestoken, als het strijdros op het v&oacute;&oacute;rplein
+van den burg trappelde, als de ridder, de heer, zich
+het harnas om de leden gespte, dan moest zijn zoon, zijn
+kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster
+of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken
+voor, neen! met zijnen meester; want voor wat anders
+vochten deze, dan voor het stuk gronds, dat hunnen
+oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de
+grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst,
+hunne ouders en hunne telgen herbergde? De dagen der
+grafelijkheid leverden geene wedergade op van het jammer
+onzer handels-eeuw.</p>
+
+<p>Eene vergelijking uit onzen tijd!</p>
+
+<p>Er gaat in den ganschen lande maar &eacute;&eacute;ne stem op over
+de bureaucratie, welke ons uitmergelt; doch schoon de
+jongste wet op de pensioenen werd verworpen, hoe luttel
+leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid van
+het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst
+aanspraak geven op een onbezorgden ouden dag! Eere
+den minister, die menschenkennis genoeg had, den
+staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te durven
+beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of
+bedaagden werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den
+kantoorbediende, den klerk, die meer van zijnen patroon
+inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur; den
+pennelikker, die niet, als de ge&euml;mploijeerde, gegronde
+hoop koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste
+valt naauwelijks onder de automaten te betrekken;
+want er was een prikkel, die hem aanvuurde; want,
+vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen tijd;
+want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne
+dagen rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert
+geenerlei licht den donkeren nacht door, dan de
+bleeke toorts des medelijdens van een jonger geslacht;
+bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend,
+dat ik er bij moet voegen, dat eene kleinigheid, &quot;te veel
+om van te sterven, te weinig om van te leven,&quot; slechts
+zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog met die genegenheid,
+waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.</p>
+
+<p>Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede
+men er toe komt, eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden
+op het kantoor te ontslaan, schoon men
+hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. &quot;Wie weet hoe
+lang het met den ouden man nog duren zal?&quot; heet het
+soms, &quot;in de laatste jaren hadden wij toch reeds zoo
+weinig dienst van hem.&quot; En echter, och, dat ge liever
+bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het
+opklimmen van uwe trappen,&mdash;dat zijne oogen verglaasd
+zijn, bij het licht van uwe lamp,&mdash;dat zijn hoofd suf is
+geworden, door het optellen van uw vermogen&mdash;uw
+vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders, misschien
+dat van uwen grootvader gekend&mdash;hij heeft geweten,
+hoe deze begon&mdash;overlegde&mdash;groote winsten
+had. Al die jaren bleef hij de oude knecht; of was uw
+voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs werden
+wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen.
+Hij heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden
+en jaren der zaken uws vaders te wijden&mdash;niet meer
+dan hij schuldig was, als ge wilt, maar dat u niet minder
+aan hem verpligt:&mdash;hij heeft gezwegen, gezwegen
+met voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen
+grootvader faalde, toen zijn crediet hem staande hield,
+terwijl de schaal van zijn vermogen wankelde. Als gij
+die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos
+speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke
+jongeheer als gij heettet, wanneer gij er toen begrip van
+hadt kunnen hebben, hoe uwe toekomst, hoe de middelen
+van herstel afhingen van de stilzwijgendheid van
+dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem
+gaarne een' onbekommerden ouden dag beloofd, ten
+prijs zijner geheimhouding. Die oude getrouwe! Als hij
+voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor u,
+want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid,
+en hij wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij
+erfdet, wien gij uwen rang in de maatschappij verschuldigd
+zijt, hij had dien eenvoudigen, burgerlijken
+man lief!</p>
+
+<p>&quot;Waar blijft Loman toch?&quot; vraagt de nog jeugdige
+patroon, eene plaats aan den lessenaar ledig ziende.</p>
+
+<p>En het antwoord is niet: &quot;Loman is ongesteld,&quot; want
+het is ongeveer eene halve eeuw geleden, dat de man
+in den leeftijd was, waarin deze of gene uitspatting
+op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt
+geboet,&mdash;ook is het hem tusschen de twintig en
+dertig misschien geene drie malen gebeurd. En het
+antwoord is nog minder: &quot;Loman heeft verlof gevraagd,
+om naar buiten te gaan,&quot; want noch zijne betrekking,
+noch zijn salaris, hebben hem ooit vergund boven
+Utrecht te komen, en sedert hij getrouwd is, heeft hij,
+even als de aartsvaders naar het paradijs, dikwijls maar
+vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de
+Amstelveensche weg,&mdash;ziedaar al de schoone natuur,
+welke hij in twintig jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is
+zijn <i>Ultima Thule</i> geworden. En het antwoord is allerminst:
+&quot;Loman viert de bruiloft van een zijner kinders,&quot;
+want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt,
+als er van zijne vier dochters meer dan &eacute;&eacute;ne enkele
+gehuwd was. Stel u gerust, de overigen winnen zelve
+den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes verstellen,
+enz, enz.&mdash;de middelen waardoor eene oude vrijster er
+ten minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.</p>
+
+<p>Het antwoord is: &quot;Loman heeft de jicht!&quot;</p>
+
+<p>De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit
+had geleerd in lectuur afleiding te vinden, door
+nadenken;&mdash;die, in het huiselijk tooneel om hem heen, niets
+opbeurends aanschouwde,&mdash;die maar wenschte, dat
+hij zich op het kantoor we&ecirc;r van zijn' pligt kwijten
+kon,&mdash;die de ziekte verergerde door het ongeduld.</p>
+
+<p>&quot;Het is lastig,&quot; zegt de patroon. De man meent voor
+hem, aan den zieke denkt hij niet.</p>
+
+<p>Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag,
+en het antwoord is hetzelfde. Jan (de knecht) is in het
+voorbijgaan bij den oude aangeweest,&mdash;de boodschap
+blijft &quot;<i>pijnlijk!</i>&quot;&mdash;Voor twintig, voor tien jaren nog,
+toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog
+vrij kras mogt heeten, zou de patroon zelfs eens hebben
+gaan zien, hoe hij het maakte, deels uit belangstelling,
+deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die Loman
+zou napluizen, moet dan maar we&ecirc;r een veertien dagen
+rusten;&mdash;de jicht, wat is daartegen te doen? Weleer&mdash;ja,
+toen zond mevrouw eene flesch wijn voor den
+herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd, om op
+de bittere medicijnen toe te nemen,&mdash;doch thans, er
+is voor den ouderdom geen kruid gewassen, het einde
+is toch de dood.</p>
+
+<p>Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat
+zij gierig zijn, als ge zoo vaak ziet, wat grijsheid is
+zonder geld!</p>
+
+<p>Het eindje was bij Loman niet de dood; op een'
+maandagmorgen, later dan anders, maar toch niet over
+kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en a&ecirc;mechtig,
+zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene
+schaduw van hetgeen hij nog voor een jaar was geweest.
+De jicht heette geweken voor het zoele weder, voor het
+roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde, voor&mdash;waarom
+het verzwegen?&mdash;voor den ijzeren dwang der
+behoefte; de man steende bij iedere beweging, en zijne
+borst &quot;was niet vrij.&quot; Als gij er aan getwijfeld hadt, dan
+had zijn kuch er u van overtuigd.</p>
+
+<p>Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.</p>
+
+<p>Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den
+trap&mdash;hij zou haar voorgaan&mdash;ik spaar u het overige.</p>
+
+<p>Den vijfden zei de patroon:</p>
+
+<p>&quot;Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we
+hebben toch weinig meer an je.&quot;</p>
+
+<p>Het ging mij door de ziel&mdash;want de chef liet een
+paar minuten verloopen, eer hij er bijvoegde:</p>
+
+<p>&quot;Je salaris blijf je trekken.&quot;</p>
+
+<p>O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid
+verzoette, wie schetst ze? De oude voelt niet vlug meer;
+het trage bloed sluipt slechts door de aderen; de
+verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat
+het tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften
+voorbij is;&mdash;maar wegzinking van oogen en waggeling
+van knie&euml;n, maar beving der handen en trilling der lippen;
+vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of
+ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis,
+zeide ik, het ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was
+de toezegging gegeven, of de stumper drukte de handen
+van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid
+schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden
+van Pius VII te denken, toen ligtzinnige jeugd de
+handenoplegging weigerde van den naar Parijs gevoerden
+vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap
+en kerker verzwaarde. &quot;Jonkman!&quot; zeide de paus, dat
+oogenblik grooter dan zijne voorgangers het mij schijnen,
+toen keizers hunne muilen kusten, &quot;jonkman, de zegen
+eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!&quot;</p>
+
+<p>Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel,
+hij ging heen, schreijende heen van het kantoor, waarop
+hij jeugd, middelbaren leeftijd, bedaagde jaren en
+ouderdom ten offer had gebragt voor weinig loons en
+veel ondanks.</p>
+
+<p>Welk een leven!</p>
+
+<p>Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek
+van het laatste bedrijf des treurspels leverde, de
+beschuldiging niet ontgaan, dat ik eene satyre op den handel
+heb geschreven, dat ik de klerken idealiseerde, ten koste
+der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn doel als
+het andere,&mdash;ik haast mij dien verkeerden indruk v&oacute;&oacute;r
+te komen.</p>
+
+<p>Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen;
+ik heb het regt te vragen, of ik &eacute;&eacute;nigen patroon met
+eene zwarte kool heb geteekend, dan dien van Aagje's
+echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige ondervinding
+eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling
+zou zijn, <i>allen</i> in zulk een donker daglicht te stellen.
+Ik ken huizen&mdash;het zijn meest oud-hollandsche&mdash;waarin
+alles nog iets burgerlijks ademt; waaruit de
+vroomheid der vaderen&mdash;eene praktikale&mdash;nog niet
+geweken is;&mdash;in welke een band van vertrouwelijkheid
+den meester en de leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten
+in deze nog deel gegund aan een huiselijk feest des
+patroons. De verjaring van een' der chefs blijft er geen
+geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd&mdash;uit
+den geur der spijzen in den hoogen en langen gang&mdash;uit
+de komst der gasten, gissen. En hetzij gij al of
+niet gelooft, dat een glas water, aan een dorstige gereikt,
+de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik ben er zeker
+van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij
+dezen of genen eene verrassende versnapering op het
+bord van het twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij
+ietwat sterker rookt dan gewoonlijk! Het zijn kleine
+teekenen van groote deugden. Die aanvullingen slechten de
+maatschappelijke klove niet, het is waar; doch wie eischt
+dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits
+men elkander, mits vooral de mindere den meerdere
+kunne beroepen, als hij in nood is! Welnu, die
+onbeduidendheden waren schier overal zoo vele waarborgen
+eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd
+des huizes, dat z&oacute;&oacute; zijn' feestdag vierde, de jongelu&icirc; van
+het kantoor tot zijn gezin betrok, niet alleen als zijne
+hand de beker der vreugde ophief, maar ook en vooral
+wanneer zij den kelk der smarte ledigden. Er waren
+onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden,
+als de jongheid van het pad afdwaalde, als de
+middelbare leeftijd onder onverwachte slagen schier
+bezweek, als de ouderdom den last des gezins verdubbelde.
+Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond
+voor uitkwam, dat het niet algemeen zoo is, dat te
+dikwijls louter de band des belangs partijen verbindt,
+dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der
+bevelen tempert,&mdash;zeker doen zij het niet. Alleen op
+hun oordeel stel ik prijs.</p>
+
+<p>Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig.
+&quot;Idealisatie der klerken!&quot; hoorde ik mij van verre
+toeroepen. Eilieve, welke dan de natuurlijkste en meest
+alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,&mdash;eene
+niet al te drukkende afhankelijkheid&mdash;een huiselijk
+geluk, zoo matig in zijne eischen, dat het ten prijs van
+de eerste behoeften des levens te smaken valt&mdash;een'
+ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek
+bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de
+zes of zeven klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt
+werd door een' overgrooten zin voor eenige wetenschap
+of kunst? Heb ik &eacute;&eacute;n hunner een zweem van aanleg
+bedeeld, waardoor hun toestand&mdash;de bekrompene, de
+gesmade, de vergetene&mdash;dubbel pijnlijk werd? Schetste
+ik eene liefde voor natuurschoon, sterk genoeg om
+iemand achter den lessenaar en <i>vis &agrave; vis</i> brievendekkers
+en loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de
+foltering van een' landschapschilder in den dop, achter de
+toonbank of bij de ijzeren kist? Zaagt gij een' der zeven
+ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie beurtelings
+te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om
+zich grijpt naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe
+duidelijker het den arme wordt, dat al zijne lectuur
+tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem opleiding ontbreekt?
+Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een'
+Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars
+door de dwarrelende cijfers heen&mdash;een' Vondel eindelijk
+in de bank van leening? Het zou onedelmoedig
+ten opzigte der kooplu&icirc;, het zou onwaar jegens de
+maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht&mdash;&ograve;f
+schitterende als de zon,&mdash;&ograve;f kwijnende als de
+maan,&mdash;&ograve;f schemerende als eene ster,&mdash;&ograve;f&mdash;wanneer
+lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen,
+wanneer alles zich vereenigt om het te omhullen,
+te verbergen, te verstikken,&mdash;onverwacht en bij vlagen
+als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den
+laatsten toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als
+deze, behoort thans niet tot mijn onderwerp,&mdash;genoeg,&mdash;het
+was er, en het blonk. Zie, ik ben slechts bij gewone
+menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier
+dronk te dikwijls wrang is&mdash;of behoeft men tot de
+milder bedeelden te behooren, om als knaap uitdooving,
+om als man vernedering, om als grijze gebrek hard te
+vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt
+onder de dubbele bedreiging van donkere wolken,
+een: &quot;ik kan niet helpen dat je op straat staat!&quot; bij de
+bankbreuk van het huis;&mdash;een: &quot;ga henen en wordt
+warm!&quot; als de patroon er zijne zaken aan geeft.</p>
+
+<p>Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u
+te verbazen, dat ik u zoolang bij den heloot der
+handelswereld liet stilstaan, als ik ten slotte niet anders
+had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid
+in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn,
+als twijfelde ik aan den indruk, dien mijne schetsen
+en groepen op u hebben gemaakt, ik doe het en van
+harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in
+deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs
+een weinig wierden opgebeurd in de schatting des
+publieks. Daar zijn menschen, door de natuur tot
+bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten,
+&quot;medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn,&quot; beweert
+een mijner goede vrienden. Het zij zoo!--men gebruike
+er zoovele men behoeft, &quot;slechts neme men liever de
+italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,&quot;
+is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen
+aandringen,&mdash;men sluite toch niet onbarmhartig in eene
+kooi, wie in staat zou zijn eigen wieken te kleppen. Ik
+moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de andere
+op, zooals Isa&auml;c Abraham en Jacob Isa&auml;c; en mijn
+onderwerp eischt alles behalve oostersche weelderigheid;
+het geldt eene handelskwestie, eene geldzaak. &quot;Voedsel
+en deksel&mdash;huis en hof&mdash;vrouw en kroost&mdash;genoegen
+en geneugten voor allen&mdash;&quot; zou ik Jan willen toeroepen,
+&quot;maar voor wie in staat zouden zijn, zich zelven meer
+te verschaffen, wanneer allerlei kleingeestige belemmeringen
+hen niet verpligtten t'huis te blijven en stil te
+zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat
+er goeds en groots in hen schuilt!--Immers ons volk
+is er niet te beter aan toe, dewijl we er thans onder ons
+zoo velen hebben, die geduldig den schimp: &quot;'t Is maar
+een pennelikker!&quot; verduwen&mdash;die zich hun leven lang
+bekrimpen, omdat men geen: &quot;oude sloffen mag weggooijen
+eer men nieuwe schoenen heeft,&quot;&mdash;uithoofde
+dat een groot gedeelte onzer vermogende lieden zweert
+bij het woord: &quot;Ver van je goed, digt bij je schade!&quot;&mdash;louter
+dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur
+staken, al leerden napraten: &quot;oost west, t'huis best!&quot;</p>
+
+<p>E&eacute;n voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen.
+We hebben op met den vermogenden handelaar, die
+voor een vijftiental jaren al zijne bedienden met de
+tijding verraste: &quot;Ik schei er uit met mijne zaken; maar
+jullie, jonge lu&icirc;, blijft je jaarwedde behouden tot je dood.&quot;</p>
+
+<p>Een <i>rara avis</i> in onze streken;&mdash;het zij in het
+voorbijgaan opgemerkt&mdash;waar een jaar vooruit opzeggens,
+gepaard aan de waarschuwing: iets anders te zoeken, in
+zulk een geval al eene zeldzaamheid is&mdash;de man leeft
+nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten&mdash;al zijne
+weelde&mdash;al zijnen glans, nooit we&ecirc;r z&oacute;&oacute; groote voldoening
+gesmaakt, als op dat oogenblik, in den zoeten
+waan, dat hij gelukkigen maakte.</p>
+
+<p>Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben
+er ons z&oacute;&oacute; onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat
+afkeer van zaken, uit overdreven mededinging geboren,
+te onzent meer aan de orde van den dag is dan
+halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen&mdash;het
+is eene keuze tusschen twee&euml;rlei kwaad, welke eene
+prijsvraag onzer geleerde of geletterde maatschappij&euml;n
+verdient uit te lokken: &quot;wat is beter, <i>lusteloosheid</i> of
+<i>overmoed?</i>&quot;&mdash;Maar het acht- of tiental klerken, dat
+zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en
+heenging, zonder een' patroon, die zoo groote welwillendheid
+aan den dag legde, te verzoeken, hun de
+behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een eerlijk
+beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten,
+die jongelu&icirc; zijn verre van mij levendige
+sympathie in te boezemen. Waarschijnlijk waren er
+eenige bedaagden onder;&mdash;maar zij, wier schouders
+zich nog niet kromden, wier knie&euml;n nog niet knikten,
+maar de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen
+om zich zelve onafhankelijk te maken, hoe duidelijk
+bewezen zij het verval van den volksgeest, die
+Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!</p>
+
+<p>Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van
+de gulden eeuw onzer letterkunde begonnen: eene
+vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit opstel
+voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze
+voorouders schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger
+omstandigheden, dan die, waarin wij verkeeren; waarom
+blijven wij met onze meerdere middelen zoo verre onder
+hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had
+uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de
+grenzen des jongen staats keerde, ontwierpen de broeders
+en de zonen der verdedigers van het vaderland het
+plan voor togten door de noordelijke zee&euml;n; in spijt der
+natuur, bereidden zij de verovering van een ander
+werelddeel voor en voerden die uit. Niemand heeft
+minder lust dan ik, de gruwelen te verdedigen, ter oprigting
+eener factory,&mdash;ter aanlegging eener stad,&mdash;ter
+verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde
+hemelstreken, door onze voorzaten gepleegd. Maar wien
+het voegt, uit dien hoofde den staf over hen te breken,
+ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen; gezwegen,
+wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou
+zijn in te brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten
+hunner mededingers in aanmerking genomen. Wij willen
+het niet; wij gewagen er slechts van, ten einde, na dit
+blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van
+het tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt,
+te verlustigen, meent ge, te schamen, zeggen wij.</p>
+
+<p>Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer
+een eigenaardig hollandsche karaktertrek plagt te
+zijn? Lust ter koopvaardij te varen, bij den minderen
+stand,&mdash;lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij
+onze rijke kooplieden,&mdash;lust, het land der zon te
+bezoeken, bij de zonen der kunst,&mdash;lust, eenigen tijd
+aan de beroemdste hoogescholen in den vreemde te
+verwijlen, bij onze geleerden,&mdash;lust, tusschen de bouwvallen
+van oud-Rome rond te dolen, bij onze patrici&euml;rs&mdash;lust
+in &eacute;&eacute;n woord, andere landen te zien, andere
+volken te leeren kennen, anderen tongval te hooren,
+andere zeden gade te slaan,&mdash;lust den kring zijner
+denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te
+vermeerderen, het gevoel te verfijnen, den smaak te
+vormen,&mdash;lust, door wrijving te streven naar licht, hoe is
+die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog gij wilt,
+de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide
+berigten van de afgelegenste deelen der aarde;&mdash;&quot;met
+eigen oogen zien,&quot; zeiden onze vaderen, &quot;gaat voor
+alles,&quot;&mdash;en beweerden het te regt. Wat hebben wij bij
+het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige
+lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze
+deugden,&mdash;zonderling afstekende bij de onpartijdigheid,
+waarmede men in de zeventiende eeuw in Nederland de
+verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde. Beweer,
+dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare
+drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij
+de afgelegenste volken merkwaardigs opleveren, tot u
+brengt, zoodra het in het oosten of westen het licht
+ziet: &quot;Vreemde oogen maken menschen,&quot; zeiden onze
+vaderen, en de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien.
+Het is of men schroomt, onze jongelieden den
+toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met verre
+vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed
+van het voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef
+te onderwerpen, pleit voor de beginselen, welke zij
+deze inscherpte.</p>
+
+<p>Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het
+vroede en het kloeke in haar karakter zoo vroeg had
+ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen duchtte, het
+gevolg van eigenliefde of zelfbewondering&mdash;eene
+uitweiding van dien aard zoude hier misplaatst zijn&mdash;tot
+den handel terug, als ge wilt. Wie er voor vreeze,
+ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd ontaard zoude
+blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet
+faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch.
+Waardoor ontbreken deze? Welligt zal eene wedervraag
+het kortst tot beantwoording leiden: Wat geeft Engelands
+handel het overwigt op dien van alle overige
+volken?&mdash;Koloni&euml;n?&mdash;we hebben even rijke, zoo niet in
+evenredigheid nog rijkere dan <i>Albion</i>.&mdash;Industrie?&mdash;de
+gevaarlijke boom droeg te onzent reeds meer vruchten
+dan wij behoeven.&mdash;Landbouw, veeteelt?&mdash;wie
+weigert hollandsch zuivel den wel verdienden
+lof?&mdash;Vermogen?&mdash;we zijn houders van schuldbrieven van
+schier alle nati&euml;n, en van die der onze niet het
+minst.&mdash;Hoofden en handen?&mdash;we zouden niet klagen, als wij
+er geene te over hadden.&mdash;Een kreet gaat op tegen de
+Nederlandsche Handelmaatschappij, dewijl zij schier de
+&eacute;&eacute;nige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide
+koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat
+er van Java zou geworden zijn, bij de slaperigheid van
+v&oacute;&oacute;r het jaar 1830, als koning Willem I den interest der
+acti&euml;n bij de oprichting niet had gegarandeerd, en jaren
+lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult
+mij vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel
+den goederenhandel verstikt, even als de schuldenlast
+der nieuwere staten het krijgszwaard der koningen onzer
+dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in
+deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's <i>Income-Tax</i>
+bedreigt, treft alreeds de bezittingen en portefeuille;&mdash;de
+hooggeroemde papieren, welke rente geven, al
+sluimerende en al nederliggende, die uitvinding van den
+nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met
+volksrijkdom,&mdash;Sir Robert Peel's <i>Income-Tax</i> zal
+navolging vinden op het vaste land, en wij zullen zien&mdash;doch
+ik mag niet we&ecirc;r afdwalen, ik herhaal liever
+mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt
+op dien aller volken, wat heeft hij zigtbaar boven den
+onzen vooruit?&mdash;Wijs mij eene koopstad in de vijf
+werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene
+Engelsche huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den
+vreemde bestudeerden en doorsnuffelden, en zich de
+dubbele kennis ten nutte maken!</p>
+
+<p>Er is nog iets.</p>
+
+<p>Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne
+betrekkingen regelt. <i>Fair</i> heet het. Vertaal het met
+&quot;billijk&quot; of met &quot;gepast&quot;, met &quot;eerlijk&quot; of met &quot;teregt&quot;,
+het drukt al die gedachten uit; het is eene lofspraak, het
+is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar
+nakomt, waar zij beginsel is geworden, d&aacute;&aacute;r heerscht
+verband tusschen het werk, dat men doet, en het loon,
+dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in commissie en
+courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis,
+welke men zich verwierf en de onderscheiding, waarop
+zij aanspraak geeft, het vertrouwen, dat men bewijst
+waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier behartiging
+men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen
+bij John Bull; maar hij heeft eenige reminicenti&euml;n van
+de dagen, toen hij monopolist was,&mdash;factors aan de
+graanmarkt, overdreven makelaars-loon in aantal van
+artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.&mdash;die hij
+w&egrave;l zou doen te vergeten; want als men een' mededinger
+heeft gekregen, is het wijsheid toe te zien eer
+het te laat is.</p>
+
+<p>Zonen van goeden huize, vermogende jongelu&icirc;, die
+klaagt over gebrek aan zaken te onzent, leert den
+vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat belet u?
+Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken
+aan?&mdash;het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er
+ligt nog zoo menig veld braak, er schuilt nog zoo menige
+mijn onder den grond, er vloeit nog zoo menige bron
+vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen
+uw loon zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde
+vestigen? welaan, uws gelijken in aanleg, maar niet in
+vermogen, vloeijen over in het moederland, verstikken en
+kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom
+zoudt gij hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten?
+Hoeveel edeler zou het zijn, zoo ge, dus strevende voor
+Holland nieuwe betrekkingen aan te knoopen, den overvloed
+van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van
+u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan
+dubbelzinnig genot, aan spel en aan min,&mdash;hoeveel
+edeler dus een flink burger te worden, dan een vroeg-oude
+couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en
+Bremen ons niet reeds in het uitbreiden harer betrekkingen
+met veel geringer middelen?&mdash;Hoe ons volkskarakter
+winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle
+sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid
+te doen herleven, nieuwe bronnen van welvaart en
+glorie te openen voor tijdgenoot en voor nageslacht!
+Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo
+dikwijls gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het
+schoon der natuur hebt verlustigd, en, de duinen opgestegen,
+de zee v&oacute;&oacute;r u ziet, de zee, waaraan ons voorgeslacht
+alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed,
+zijne vroomheid misschien,&mdash;want niet te onregt
+zegt een oud spreekwoord: Wie wil leeren bidden, die
+vare ter zee!</p>
+
+<p>Het is in den handel als in alle standen, wie zich de
+kunst te bevelen eigen wil maken, die oefene zich eerst
+in het gehoorzamen! Zoo rampzalig als het is, altijd op
+de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het van de
+eerste sport op te klimmen. Het vormt&mdash;het prikkelt&mdash;het
+brengt alle gaven aan het licht.&mdash;Maar de leerjaren
+moeten eens een einde nemen; hij moet het vooruitzigt
+hebben meester te kunnen worden, die zich deze
+ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is
+een ondragelijke vloek.&mdash;Aldus begrepen het onze
+vaderen, die hunne jonge lieden uitzonden in oost en
+west en in noord en zuid, maar hun na volbragten togt
+ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten
+einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus
+begrijpen het nog de degelijksten onder ons. Waarom
+mag ik hier geen loffelijk voorbeeld aanhalen, dat allen,
+die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den
+geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee
+voor zijn beroep gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?</p>
+
+<p>Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze
+aanzienlijken ons v&oacute;&oacute;rgingen, zoo als hij:&mdash;de dichter
+ziet zijne vaderstad ten top van voorspoed gestegen, ter
+prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en waarschuwt
+haar: ach! dat zijne po&euml;zij geene profetie ware geweest:</p>
+<br>
+<span style="margin-left: 15em;">Want nergens is zoo veil</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">De niet verwachte val, als op de toppen steil:</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Al wat verbastering der oude zeeden goedt;</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">En, om het snood gewin, in last de goede wetten.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten.</span><br>
+<span style="margin-left: 2em;">Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.</span><br>
+
+<p>1842.</p>
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="MARIE"></a><h2>MARIE</h2>
+<br>
+
+<p>&quot;Marie is alleraardigst,&quot; plagt ik uit te
+roepen, zoo dikwijls ik in den verleden zomer
+op den huize Duin en Dal gast was geweest;
+maar gister bewaarde ze mij wel voor de
+verzoeking het nog eens te doen. En echter
+ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een
+pruik geworden; een der beide herscheppingen zou genoeg
+geweest zijn, om het der lieve te doen vergeven,
+zoo ze mij geschuwd had als de pest. <i>Ik</i> bleef dezelfde;&mdash;een
+jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts
+te ruimer ieder zin voor genoegen,&mdash;maar hoe was <i>zij</i>
+veranderd! Uit haar vijftiende trad zij in haar zestiende.
+Laat mij u waarschuwen voor de onheilsstar, die</p>
+
+<span style="margin-left: 1em;"><i>En des jours t&eacute;n&eacute;breux a chang&eacute; ces beaux jours</i>.</span><br>
+
+<p>Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij
+beidde, toen ik, de hofstede genaderd, mijn paard liet
+stappen, en, zoo als ik gewoon was, ten lommerrijken
+heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak
+begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte
+doek wuifde mij er tegen. Traag reed ik onder haar
+prieel van bloeijende meidoornen langs, en staarde
+weder op; doch de slanke leest van het meisje boog zich
+niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar
+omhoog, half ongerust over haren welstand; neen, geen
+lief handje repte zich door het gebladert. Maar de wielen
+van mijne tilbury rolden stroever over het zand van eenen
+bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde zij den
+bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er
+het spoor omzoomt.</p>
+
+<p>En ik verbeidde.</p>
+
+<p>D&aacute;&aacute;r plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij
+op het rijtuig te wippen, schier altijd regts, gij zult zien
+waarom, en, lieve wilde meid als zij was, de leidsels uit
+mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om de zweep te
+slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts
+zelden uit den koker nam. &quot;Straks, Marie!&quot; zeide ik dan,
+en hare donkere kijkers tintelden van vreugde; ijlings
+gingen mijne groote handschoenen aan de blanke dunne
+vingertjes mijner lievelinge over. Even als had Diane
+geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet
+langer. Maar als wij het hek der plaats in het verschiet
+zagen, en de heerlijke oprijlaan, die van de huizinge
+tot den straatweg voert, instoven, dan werd de dreumis
+van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter
+de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden,
+moedwillig met een tikje bedreigd, dan kreeg het ros
+er een, en wij renden! Het vleijend woord, de belofte
+eener versnapering, waarmede de beminnelijke ondeugende
+den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want
+Diane verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds
+ter vierde, wij waren haar halverwege doorgevlogen. En
+het gebriesch van mijn paard, of de wolk van stof, bijwijle
+ook Marie's luide lach, was het sein tot het openen der
+zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen
+<i>log&eacute;</i>. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde,
+gene haar toejuichte, Diane zelve behagen scheen te
+scheppen in het wilde spel! Dan gierde Marie hare blijdschap
+uit,&mdash;hief zich van het kussen op,&mdash;stond in de
+tilbury,&mdash;vuurde aan met hand en voet, maar meest
+met de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig
+eens een bitter bang gezigt hebben gezet; immers een
+beroemd schilder, gast van den huize, verraste ons een
+uur later met een <i>croquis</i> van den echt van statelijken
+ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat
+ik, op het blad, den eersten vertegenwoordigde,&mdash;ik,
+die in pijnlijken angst den strooijen hoed van Marie
+onder het afvliegen trachtte te grijpen,&mdash;den strooijen
+hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van
+korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?</p>
+
+<p>Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar
+niet mijne gunstelinge, slechts een jagthond was te
+voorschijn gesprongen; en toen ik aan de trappen der huizinge
+stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt
+door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard
+doorgereden.</p>
+
+<p>&quot;De familie is op het terras,&quot; verzekerde Hendrik mij.
+Ik wenschte dat gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij
+geneigd zijt te doen; er valt in onzen tijd meer, dikwijls
+iets anders uit de liverei op te maken, dan de kleuren van
+des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den
+eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in
+uit te dossen. Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts,
+dat zij het niet met meer smaak doen. Of ergert u dat
+onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of wat het zijn
+mogen, van <i>keel</i> niet, die door het algemeene rood der
+vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten
+minste den jagers overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich,
+in omgekeerden zin van den cameleon, het karakter der
+bedienden van den nieuwelings aanzienlijke naar den
+bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er
+nog iets uit te leeren. &quot;Zoo heer, zoo knecht!&quot; luidt het
+spreekwoord; maar als ik, in de voorportalen onzer
+geld-aristocratie, het gejoel der jonge, winderige,
+over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den opschik,
+die hunne lompen van gisteren verving:</p>
+
+<span style="margin-left: 4em;"><i>Beaux parvenus, honteux de leur famille</i>;</span><br>
+
+<p>baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen
+baden, na jaren lang gebrek te hebben geleden:</p>
+
+<span style="margin-left: 1em;">Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;</span><br>
+
+<p>als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar
+vinde, dan zeg ik in mij zelven: &quot;Zoo knecht, zoo heer!&quot;</p>
+
+<p>Op Duin en Dal&mdash;ik verlies inderdaad op mijne
+beurt onzen gedienstigen geest uit het oog&mdash;op Duin
+en Dal zou uw blik met welgevallen hebben gerust op
+den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een
+der <i>patterns of fidelity</i>, die mij minder een aandoenlijk
+belang inboezemen, als de laatste, bleeke afschaduwing
+der leenknechten, welke naar knods of bijl grepen, wanneer
+de ridder zich harnaste</p>
+
+<span style="margin-left: 14em;">Van top tot teen,</span><br>
+
+<p>dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd,
+toen de betrekking tusschen meester en dienaar door iets
+hartelijks, iets vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld.
+Het is bij hem niet louter: &quot;wiens brood men eet,
+wiens woord men spreekt;&quot; zijne stemming is eer gemoedelijk
+dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij
+heeft hem lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne
+oogen, toen de vrouw van Duin en Dal verleden winter
+doodelijk krank was, waar baldadige straatjongens het
+zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide Hendrik
+die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had
+geboden. En hoe Marie hem ter harte ging&mdash;het is eene
+lofspraak op den meester, als zijne dienstbare de kinderen
+des huizes bemint&mdash;dat getuigde zijne verzekering
+van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig,
+oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon,
+die op de hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede
+er de genoegens van het leven werden aangeboden en
+gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur en zilver,
+blaauw met wit, als men zegt.</p>
+
+<p>Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar
+het zijn mijne lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat
+hij, die deze tot wapen durfde kiezen, zeggen mogt:
+&quot;Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!&quot; Zilver op
+azuur, leli&euml;n en starren op een hemelsblaauw veld, wat
+is smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze
+op het wapen van mijnen gastheer prijkten, vergunt ge
+mij gissing te laten; maar verzekeren mag ik u, dat hij
+waardig is die te voeren, vertegenwoordiger van een
+onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man
+kennen? &quot;Liever eerste der graven, dan laatste der
+hertogen,&quot; zal hij u antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich
+in den adelstand te doen verheffen. Het is een woord uit
+mijn hart; zulk eene verloochening onzer historie is mij
+een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers
+en de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren
+onzer grafelijke geschiedenis toe; in het handeldrijvend
+gemeenebest wiessen, als in een ander Veneti&euml;, nieuwe
+geslachten met den staat op, welker nakomelingen geen
+jonkheerstitel behoeven, om te worden ge&euml;erbiedigd,
+nadat hunne voorvaderen, twee eeuwen lang aan de
+beurs als in den raad, over het lot van werelden beslisten.</p>
+
+<p>Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als
+mijne buiging: de vrouwe van Duin en Dal was <i>even
+lief</i> als vroeger, schoon zwak en stil. Slechts vlugtig
+merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een
+onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren
+zeeman op, en zag de heeren voorbij, om den wil
+mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw van een bonten
+esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een ree;&mdash;daar
+rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die
+mij vroeger hare frissche lippen ten kus aanbood;&mdash;daar
+zeide zij zacht, toonloos, schroomvallig, ik wist niet
+wat er van mijne Marie geworden was:</p>
+
+<p>&quot;Mijnheer!&quot;</p>
+
+<p>Ik reikte haar de hand.</p>
+
+<p>Was er eene klove tusschen ons?</p>
+
+<p>Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.</p>
+
+<p>&quot;Het zal u geen zeer doen,&quot; schertste de moeder van
+den wakkeren zeeman.</p>
+
+<p>Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om;
+ik bemerkte dat er digt bij haar een stoeltje ledig stond,
+'t welk hare aandacht trok.</p>
+
+<p>&quot;Mijnheer!&quot; zeide zij nog eens.</p>
+
+<p>&quot;Wat is zij gracieus!&quot; hoorde ik de gade van den
+onbekenden staatsraad zeggen.</p>
+
+<p>De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.</p>
+
+<p>Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin
+wij naar den indruk eener bij ons oprijzende gedachte
+handelen, eer wij de juistheid van deze hebben overwogen.
+De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik
+aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in
+den cirkel van Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak
+op taille. Zie, de vuile ijzers van den kapper hadden
+haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid tusschen
+de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving.
+Er viel niet aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw
+geworden. En</p>
+
+<span style="margin-left: 30em;">Zei mama</span><br><br>
+
+<p>Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!</p>
+
+<span style="margin-left: 4em;">Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?</span><br>
+
+<p>Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren;
+die blos mishaagde mij,&mdash;Marie werd links; als
+kind was zij het nooit.</p>
+
+<p>Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had,
+vertrouwelijk tegen mij op, en raakte met de voorpooten
+haar kleed aan.</p>
+
+<p>&quot;<i>Fi donc, Amy!</i>&quot; riep zij.</p>
+
+<p>&quot;Heeft het beest Fransch geleerd?&quot; vroeg ik.</p>
+
+<p>&quot;Mijnheer!&quot; zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.</p>
+
+<p>Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde
+mij tot de dames over het weder, het uitzigt, het nieuws
+van den dag. De vrouwe van Duin en Dal sprak niet dan
+juist; een recept voor eene kwijnende conversatie. De
+echtgenoote van den onbekenden staatsraad we&ecirc;rhield
+door de stijve houding, waarmede zij de <i>gants &agrave; jour</i>
+voor een oogenblik uittrok, om een beschuitje in een glas
+maderawijn te doopen, en die, na volbragte operatie,
+weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren
+te schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman
+in het kouten over hem, die haar, ondanks dat hij zich
+op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een paar lieve
+gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie,
+die in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug
+van Amy het heuveltje zou zijn afgeschommeld,&mdash;of,
+door het zand ademloos opgeklouterd, ons verrast had
+met een paar frambozen, minder lieflijk gloeijende dan
+hare wangen,&mdash;Marie zag nu naauwelijks van haren
+arbeid op, <i>et ne fit que tapisserie</i>. Of zoo zij van tijd tot
+tijd een woord mede in de schaal legde, het was zoo
+onbeduidend, dat het den evenaar noch ter regter noch
+ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het meisje
+voor mij, dat me &quot;gaauw, gaauw, maar heel gaauw,&quot; ter
+hulp plagt te roepen, om een vlinder te vangen,
+&quot;mooijer&quot; dan zij er ooit had gezien? Hoe was de kleine
+veranderd, die zoo driftig haar vingertje op den mond
+legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te
+smoren, waar zij de woudduiven op het mos voederde!
+Waar was de tijd, waarin hare vragen, onverwachte
+bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest, mij deden
+aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee
+woonde? waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan
+de boomen vertelde? En dan die lieve vertrouwelijkheid,
+waarmede zij mij in later dagen influisterde, pa of ma
+over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat
+zij zoo gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,&mdash;of
+haar piano aan de boerderij te doen brengen, opdat
+zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen!
+Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,&mdash;zij
+hield zich, als behoefde zij zulk eene aanleiding om zich
+in het gesprek te mengen,&mdash;miste beide: karakter en
+kleur;&mdash;haar geest dartelde niet langer,&mdash;hare stem
+had niets welluidends meer.</p>
+
+<p>O gemaaktheid!</p>
+
+<p>Vermoedt gij hare oorzaak niet?</p>
+
+<p>Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid
+verkondig, zoo ik u zeg, dat er een leelijk Hollandsch
+is, 't welk wij verpligt zijn soms aan te hooren, ja, te
+prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt toegegalmd,
+zoo van den predikstoel als van het tooneel;
+het eentoonig Hollandsch onzer dreunende verhandelaars.
+Vergun mij echter er mijn hart lucht over te geven,
+eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat velen
+onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het
+openbare leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang,
+de driften heerschappij uitoefenen over de menschelijke
+stem. Zij eentoonig? de schaal der muzijk is bekrompen
+bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van een
+bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust?
+Zij werpt zich, onder het voordragen eener bede, als eene
+slavin die genade smeekt, in het stof; zoo het vuur der
+gramschap ons blaakt, gelijkt zij eene verschroeiende
+vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den weelderigen
+schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister
+en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende
+troosters en galmende verliefden gekomen?
+Holland en de zee, het is of men van moeder en dochter
+spreekt... maar het voorbeeld van den Griekschen redenaar,
+die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen
+te loor gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze
+leerden hunnen toon in harmonie te brengen met het
+gevoel, dat de toestand eischt of het onderwerp wekt;&mdash;die,
+als de golven, den God des dags in melodische
+klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee,
+uit de kolken harer diepte, tegen den orkaan een grimmig
+antwoord durven opdonderen? Helaas! vreugde,
+droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles wordt
+te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd,
+zoo als men zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En
+toch is er een nog leelijker: het is onze moedertaal in
+den mond van een meisje, dat eene buitenlandsche gouvernante
+heeft.</p>
+
+<p>&quot;<i>Merci, ma ch&egrave;re!</i>&quot;</p>
+
+<p>Gij ziet <i>mademoiselle</i> bij dat woord voor u, schraal,
+tenger, scherp, als allen; zij plaatste zich op het stoeltje
+dat naast Marie ledig stond; <i>arrangeant les plis de sa
+robe</i>, viel haar <i>lorgnon</i> in het zand; Marie raapte het op.</p>
+
+<p>&quot;<i>Bien oblig&eacute;, monsieur!</i>&quot; voegde zij er stijf bij, ook ik
+had er mij om gebogen.</p>
+
+<p>En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was
+plaagziek genoeg, haar te verzoeken, om mij aan hare
+gouvernante voor te stellen.</p>
+
+<p>&quot;Hoe, mijnheer?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Foei, Marie!&quot; antwoordde ik: &quot;als een oud vriend, zoo gij wilt.&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>Monsieur</i> ----, <i>un vieil ami</i>,&quot; zeide het kind.</p>
+
+<p>&quot;<i>Vous voulez dire, un de vos anciens, ma ch&egrave;re</i>,&quot;
+hernam mademoiselle. Ik vond dat zij mijne gunstelinge
+wel op liefderijker toon had kunnen te regt wijzen.</p>
+
+<p>&quot;<i>Je suis charm&eacute;e, monsieur</i>,&quot; voer zij tot mij voort.</p>
+
+<p>Maar ik was <i>&agrave; mille lieues de Paris</i>, ondanks de
+vleijende verzekering; want den woorden ontbrak het
+lachje, waarmede eene <i>fran&ccedil;aise</i> u betoovert.</p>
+
+<p>En <i>mademoiselle</i> zweeg als Marie; ik waagde eene
+opmerking over het eigenaardig schoon der duinlandschappen,
+dat nergens elders wedergade heeft.</p>
+
+<p>&quot;<i>Non, Monsieur</i>.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Dus geen gevoel voor natuurschoon,&quot; dacht ik.</p>
+
+<p>&quot;<i>Il est vrai</i>,&quot; zette ik mijne proeve voort; &quot;<i>il est vrai
+que notre paysage n'est que joli, tandis que les Alpes
+sont sublimes</i>.&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>Si, monsieur</i>.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Dus ook <i>&agrave; sec</i> voor het vaderland,&quot; zeide ik bij mij zelven.</p>
+
+<p>Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie
+luisterde; ik vroeg haar, of zij de liedjes van Mad. Albert
+had bestudeerd.</p>
+
+<p>&quot;<i>Ma grand'm&egrave;re</i>,&quot; begon ik.</p>
+
+<p>&quot;<i>Monsieur!</i>&quot; viel <i>mademoiselle</i> in, met al het
+hooge-priesterlijke eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u
+de diatribe.</p>
+
+<p>Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en
+Dal, het levendig karakter harer dochter, de keuze
+eener stemmige, overstemmige <i>Suisse</i>, om dat te temperen,
+hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen &quot;uitdooven&quot;
+willen zeggen. Eene <i>Suisse</i>, zonderling verschijnsel!
+De wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet
+te huis op de bergen, en door geheel Europa ontmoeten
+wij zijne nakomelingen, die een geest van knechtsche
+onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de
+gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen
+verlicht vorst, die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene
+anomalie afdankt. Gouvernantes uit alle nati&euml;n zijn
+beklagelijke schepselen; indien &eacute;&eacute;n toestand, de hare is valsch.</p>
+
+<p>Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede
+op ons onderwijs. Het is waar, er waait u uit de scholen
+onzer dagen eene ongezonde lucht te gemoet:</p>
+
+<span style="margin-left: 4em;">Eerzucht kiest in onschulds dreven</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Vroeg hare arglooze offers uit!</span><br>
+
+<p>Ik heb kennissen, die op hun drie&euml;ntwintigste jaar, in
+den schoot der weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing,
+mij, u, zichzelven, alles moede zijn; maar toch&mdash;leve
+de schoolmeester, de instituteur, de <i>professeur de
+langues</i>, de taalkunstenaar des noods!--spreek <i>mij</i> van
+de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat
+gij tegen de school kunt inbrengen, het gevaarlijke van
+den omgang, het verleidelijke van het voorbeeld, het
+besmettelijke van den geest van wederstand; maar wat
+beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping&mdash;heele
+of halve kennis? Een blik op het lot der beide
+meesters zal u in mijn gevoelen over de leerlingen doen deelen.</p>
+
+<p>Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele
+knopt, ontluikt, tiert overal. Wij hebben elken meester,
+tot den dorpsdionys toe, van de teekenen zijner koninklijke
+waardigheid, de roede en de plak, beroofd. Wij
+eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner
+grondwet, dat geene drift hem meer in verzoeking mag
+brengen, ezelachtige domheid met een oorvijg te kastijden.
+Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen
+mogt: &quot;<i>l'Etat c'est moi</i>,&quot; uw onderwijzer is slechts de
+eerste dienaar des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan
+met hen, die tusschen mal en vroed zijn, en zich
+redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen leiden,
+en dommen beschaven, stuggen overreden door louter
+verstand. &quot;De ongelukkige!&quot; roept gij uit. Ik bid u, doe
+het niet te voorbarig. Er komen uren, dagen, weken in
+zijne jaren voor, die hij <i>vrije</i> mag noemen; <i>vrije</i>, zeg ik,
+waarin hij den last der verantwoordelijkheid van zijne
+schouderen schudt, <i>vrije</i>, waarin hij de gulden cijfers
+van zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen
+aangewassen, overtelt, en in ieder van deze eenen
+borg te meer voor de onafhankelijkheid zijns ouderdoms
+ziet. Feestdagen af te kondigen en volksspelen aan te
+rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste voorregten,
+der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet
+den vierdag, zijnen onderdanen geschonken, als de
+schoolmeester de uren, waarin zijn verlof het kleine
+volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem
+buiten&mdash;schaarsche, maar daarom te zoeter weelde&mdash;het
+schoon der natuur smaken. Dan treft gij hem onder de
+lieve kennissen zijner jeugd aan, voor de eerste maal
+zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord <i>beminnen</i>
+vervoegen zal,&mdash;de meester door zijne schalke scholiere
+beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene
+uit de wieg neemt, en den Heere voor zijn lot zegent.
+&quot;De ongelukkige!&quot; zeidet gij.</p>
+
+<p>Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene
+alleenheersching; dienst der vreeze geldt bij hare
+kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen. Zie, zij komt,
+en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt; zie,
+zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene
+oosterse hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die,
+welke haar wordt toegebragt; zoo gij hare schaduw
+tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse haar
+op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als
+was het hare eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de
+onbeduidende <i>Durchlauchten</i> der kleine duitsche staten
+gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts drie of zes
+of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij
+pijnlijk gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne
+onderdanen; de beleefdste postillon ter wereld lacht hen
+uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden Wij over
+zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme
+gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de
+landpalen van haar rijk achter zich laat, en ruw, wreed,
+onbarmhartig uit den droom harer heerschappij wordt
+opgewekt! Ik bedoel</p>
+
+<span style="margin-left: 12em;">den Ilias van plagen</span><br>
+
+<p>niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost
+haar drie maal van de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen
+winnen zoo als zij verdient, wanneer zij met
+hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel
+haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch&mdash;zij
+gevoelt hoe weinig zij geldt&mdash;de eetzaal inglijdt,
+dan vindt zij, ja, eene plaats aan den disch, maar beneden
+het zout, en de dienstboden verwonderen zich,
+dat zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de
+mannelijke gasten wordt bediend. Ei, wie is zij toch,
+dat men haar dus ongestraft honen durft? Wat misdeed
+zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse,
+waartoe zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien
+gruwel ziet en duldt? Welke uitzigten werden haar geopend,
+om wier wille zij zich getroost eene zoo twijfelachtige
+betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare
+schuld. Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl
+ze slechts te kiezen had tusschen deze taak en de
+schande. Zij ontvangt een loon, een-, twee-, driehonderd
+gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize,
+indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam
+verdienen;&mdash;de vossen die de koets trekken, kostten meer
+dan twaalf honderd gulden, en hoe worden zij verpleegd!
+Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt zij hare
+dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom
+haar verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den
+wrevel, die u kenschetst,&mdash;den nijd, die u verteert,&mdash;den
+menschenhaat, waarvan gij blaakt; de roos der min
+geurt u niet: wie durft e&iacute;schen, dat gij lief, vrolijk,
+goedhartig zoudt zijn?</p>
+
+<span style="margin-left: 4em;">&quot;<i>Sad melancholy mark'd you for her own!</i>&quot;</span><br>
+
+<p>Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.</p>
+
+<p>&quot;<i>Si mademoiselle veut me permettre?</i>&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>Oui, ma ch&egrave;re</i>.&quot;</p>
+
+<p>Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol
+haalde, maakte de gade van den onbekenden Staatsraad
+<i>mademoiselle</i> een compliment over hare opvoeding: &quot;<i>elle
+avait si bien apprivois&eacute;e Marie</i>...&quot;</p>
+
+<p>Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer
+dagen: onverdiend toegezwaaide lof maakt mij kregel.</p>
+
+<p>&quot;<i>Jusqu'à lui faire briser les ailes dans sa cage</i>,&quot; viel
+ik in, en voegde er, berouw gevoelende over mijne
+scherpheid, bij: &quot;<i>la faute en est au syst&egrave;me et non &agrave; vous,
+mademoiselle!</i>&quot;</p>
+
+<p>De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij
+goedkeurend toe; haar wilde jongen was een knap
+officier geworden.</p>
+
+<p><i>Mademoiselle</i> had zich zeker met de verdediging van
+het stelsel belast, een stelsel, waardoor onze jonge
+meisjes worden opgevoed, als moesten zij alle onnoozele
+nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er
+allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.</p>
+
+<p>&quot;Dadelijk mijnheer!&quot; zeide zij, en wipte naar hare
+mama, en kuste de bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige
+beweging, sedert ik haar we&ecirc;rzag. &quot;Welk een
+aanleg gaat hier te loor,&quot; dacht ik.</p>
+
+<p>En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.</p>
+
+<p>&quot;Diane heeft u verwacht, Marie,&quot; begon ik, toen wij
+eenige schreden waren voortgewandeld.</p>
+
+<p>&quot;<i>Mademoiselle</i> vond, dat het niet voegde, mijnheer.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!&quot;</p>
+
+<p>Eene pauze.</p>
+
+<p>&quot;Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen.&quot;</p>
+
+<p>&quot;O, zij is zeer goed!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, <i>elle est
+tr&egrave;s bonne</i>. Doch gij spreekt dagelijks Fransch met haar;
+wat leest gij?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wij lezen veel Engelsch, mijnhe...&quot;</p>
+
+<p>&quot;Wat, mejufvr...&quot;</p>
+
+<p>&quot;<i>Miss</i> Hannah More.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Oef!&quot; dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke
+beginsel der britsche opvoeding: &quot;<i>what would people
+say?</i>&quot; het gekwezel eener oude vrijster, de lectuur van
+een meisje van zestien,&mdash;hoe hield het kind het uit?</p>
+
+<p>&quot;En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij <i>the
+Reverend</i>... ter kerk?&quot;</p>
+
+<p>&quot;Altijd, mijnheer.&quot;</p>
+
+<p>Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het
+ritueel der episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met
+den tact die hem onderscheid, er al het schoone van
+doen uitkomen, in de huiselijke avondbede van <i>sir</i> Henry
+Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon eens zeven
+zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde
+litani&euml;n bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid
+verliest, hoe zinledig vormen zijn!</p>
+
+<p>Er volgde weder eene pauze.</p>
+
+<p>&quot;Welk een oord!&quot; borst ik uit.</p>
+
+<p>Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap
+duldt er geene, schoon, de stoffaadje niets zeldzaams
+heeft. Er zijn menschen, die u zeggen, dat er
+slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er
+aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere
+twee oude boomen staan. Maar Marie schetste de plek
+v&oacute;&oacute;r jaren, met een woord.</p>
+
+<p>Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde,
+en wilde het pad, dat derwaarts voert, inslaan.</p>
+
+<p>&quot;Niet regts!&quot; riep ze mij van het hare toe: &quot;niet regts!
+d&aacute;&aacute;r woont de stilte.&quot;</p>
+
+<p>En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige
+uitdrukking harer phantasie te bewonderen.</p>
+
+<p>&quot;D&aacute;&aacute;r woont de stilte!&quot;</p>
+
+<p>Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen
+wolkje zwierf langs het zuiver blaauwe luchtruim; de
+breede stroom deed niets dan dat gewelf weerkaatsen;
+de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel
+statelijk door hunne roerlooze rust.</p>
+
+<p>Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een
+medaillon.</p>
+
+<p>En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende
+heesters zoo vele waaijers schijnen, om het blinkend
+duinzand uit het oor te keeren. Ik verbeeldde mij, dat
+de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene wuifde;
+alle blanke armen waren op de mollige heup of op
+het frissche gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen:
+ik hoorde de stilte.</p>
+
+<p>Daar ging de ve&ecirc;r van het medaillon; er was een lok
+blond haar in; Marie bloosde.</p>
+
+<p>&quot;Van Willem,&quot; zeide zij openhartig; &quot;weet gij, of hij
+al kadet is?&quot;</p>
+
+<p>En zij bloosde sterker.</p>
+
+<p>&quot;Ha! eene eerste liefde,&quot; dacht ik.</p>
+
+<p>&quot;Spreek er toch <i>mademoiselle</i> niet van!&quot; ging zij
+verlegen voort.</p>
+
+<p>O opvoeding!</p>
+
+<p>Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe;
+ik hoorde de dorpsklok slaan, en wij keerden terug.
+Het ware u kwellen, zoo ik u alle pauzes deed medemaken,
+die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel
+naar de natuur schetste? en haar antwoord: &quot;<i>Mademoiselle</i>
+is niet sterk in het teekenen,&quot; tusschen mijn ongeloovig:
+&quot;En waarin munt zij dan uit?&quot; en haar vertrouwend:
+&quot;O, zij leert mij geographie, mythologie, historie
+en handwerken; zij heeft reeds vele educaties
+geacheveerd,&quot; verliepen.</p>
+
+<p>Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.</p>
+
+<p>Marie zat naast <i>mademoiselle; c'est tout dire</i>.</p>
+
+<p>En toch heb ik nog iets op het hart.</p>
+
+<p>Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever,
+dat ge mij voor &eacute;&eacute;n van beide hieldt, dan voor een
+koud-waterdrinker of pannekoekeneter. Wie ook naar
+buiten ga, om zich te behelpen,&mdash;wie ook op het land
+gaarne het weinige voor lief neme,&mdash;ik ben zoo bescheiden
+niet. Zoo de oude kloostertucht zich de versterving
+aller zinnen ter taak stelde, ik word liefst op
+het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid
+mijner vijf. Vele spiegels&mdash;lichtkleurige wanden,&mdash;een
+zuivere dampkring om mij heen,&mdash;een zonnig
+landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam
+en de half weggeschoven gordijn een koeltje
+binnenlaten,&mdash;overvloed van schotels voor mij, wier
+verscheidenheid mij de weelde te kiezen onbekrompen
+vergunt&mdash;geurige tintelende wijnen in kelken, het
+edele vocht waardig,&mdash;vooral lieve, vrolijke, mooije
+aangezigtjes naast en over mij,&mdash;en, wilt gij het geheel
+volmaken? de malsche, ruischende toonen eener
+muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden
+is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem
+aan uwe zijde zwijgt;&mdash;ik zie er niets zondigs in, ik
+acht er mijnen gastheer te humaner om, naarmate hij
+voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge mij niet toeroepen:</p>
+
+<span style="margin-left: 12em;">&quot;Ah! n'allez pas chercher midi</span><br>
+<span style="margin-left: 14em;">A quatorze heures!&quot;</span><br>
+
+<p>zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,&mdash;iets, dat
+niet op den huize Duin en Dal alleen ontbreekt,&mdash;iets,
+dat in ons vaderland zeldzamer is dan rijkdom, weelde,
+overvloed?&mdash;eene gastvrouw, die toon geeft,&mdash;die het
+gesprek levendig houdt,&mdash;die ons, door de gaven van
+haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.</p>
+
+<p>Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.</p>
+
+<p>Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn
+mild bedeeld met deftige vrouwen; ik heb eerbied voor
+de eerste, de tweede en de derde, schoon ik wenschte,
+dat alle een weinig levendiger, beminnelijker, gezelliger
+waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid,
+dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende
+huismoeder; maar het leven wordt ondragelijk vervelend,
+wanneer men ons zijne geriefelijkheden beknibbelt;
+en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij
+zie toe wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt
+op de schrale geneugten van uit te winnen. Eene ongeloovige
+vrouw is zelfs den ongeloovige een gruwel. Ik
+laak het niet,</p>
+
+<span style="margin-left: 3em;">Dat zich door alle we&ecirc;r en winden.</span><br>
+<span style="margin-left: 4em;">Eenvoudige welmeenendheid</span><br>
+<span style="margin-left: 3em;">Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;</span><br>
+
+<p>de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere
+geest, een rein hart looft den Heer in het dankbaar
+genot Zijner schoone wereld; slechts zij, die zich in eene
+wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van het
+zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op
+te rigten. O, de mantel der waardigheid plooit zich
+statelijk om de kloeke gestalten onzer aanzienlijke
+vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid terug,
+grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied
+aan: ik heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij
+hoogtijden en rouwbeklag niet te bewonderen. Doch het
+gaat der deftigheid als alles, wat niet in de natuur, wat
+slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig
+leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een &quot;<i>cui
+bono?</i>&quot; af; wie beklaagt den echtgenoot eener altijd
+getabbaarde matrone niet? Waarlijk, mijn eisch heeft
+minder onredelijks dan gij vermoeddet; in iederen stand
+moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.</p>
+
+<p>En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel
+duide, dat zij <i>vrieg</i> in plaats van <i>vroeg</i> zegt,&mdash;dat zij
+van <i>profester</i> spreekt,&mdash;dat zij <i>eindelijk</i> met <i>eigenlijk</i>
+verwisselt,&mdash;zoo ik niet van haar eische, dat zij het
+vervelende &quot;<i>En toen zei ik</i>,&quot; het langdradige &quot;<i>Om kort
+te gaan</i>,&quot; het babbelzieke &quot;<i>Onder ons</i>&quot; afleere,&mdash;mits
+zij van vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele,
+overal het onordelijke herstellende.</p>
+
+<span style="margin-left: 1em;">Denn ein gesch&auml;ftiges Weib thut keine Schritte vergebens,</span><br>
+
+<p>mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,&mdash;ik
+durf onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger
+beschaving, gezelliger zin wachten bij haar, die
+wekelijks onze redenaars hoort,&mdash;zij, wier smaak voor
+alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het
+boek der boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze
+om het vormelijke, dat onze leerredenen aankleeft, om
+den ernst, die op het voorhoofd onzer sprekers zetelt,
+om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets stijfs,
+iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,&mdash;zoo ik
+haar niet verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare
+woning zijn,&mdash;zoo ik het haar niet toerekene, dat haar
+gade de uren, die hem van zijn beroep overschieten, in
+het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en eene
+pijp zoek brengt,&mdash;droef bewijs, dat Voss zich juister
+had kunnen uitdrukken, dan in zijn hexameter:</p>
+
+<span style="margin-left: 1em;">Lieblich und sch&ouml;n seyn ist nichts; ein Gottesf&uuml;rchtiges Ehweib</span><br>
+<span style="margin-left: 6em;">Bringet Lob und Segen!&mdash;</span><br>
+
+<p>ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten
+van hart en geest, opdat de verveling niet tot <i>maitresses</i> voere.</p>
+
+<p>Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde
+er bij winnen, indien vrouwen er eenen meer dan
+lijdelijken invloed op uitoefenden!</p>
+
+<p>En zij zelve!</p>
+
+<p>Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk,
+uwe geuren ieder voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe
+knopjes voor iederen afzwervenden zonnestraal ontsloot,
+waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen,
+uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen
+groei we&ecirc;rstreven, uwe aantrekkelijkheid in een
+nevel van onbeduidende, vervelende, zoogenaamde
+bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde de natuur
+u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste
+gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u
+schonk zij geest; u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt
+kan het eerste en het laatste geschenk u noodlottig worden,
+als uwe gouvernante er in slaagt, om u van het
+schild, waarmede de welwillendste aller fee&euml;n u in het
+tweede voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim
+aller conversatie ingefluisterd: gij luisterdet en gij
+vroegt; gij hernaamt en gij verhaaldet; gij luisterdet en
+gij merktet op. Hadt gij dien krans voort mogen vlechten,
+bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen
+aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de
+frissche leeren onderscheiden, de heelende van de vergiftige.</p>
+
+<p>En nu?</p>
+
+<p>Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk
+door uwe schoonheid, moeders zien het hare dochters
+gaarne;&mdash;aanlokkende door uw gevoel, het hart ligt
+buiten het bereik eener gouvernante;&mdash;begeerenswaard
+om uwen rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik
+zie hen in het verschiet om u heenwemelen, de hommels&mdash;neen,
+de gieren onzer zedelijke maatschappij: den
+bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen
+we&ecirc;rstand kan bieden aan de verzoeking, om drie winters
+lang van zich te doen spreken, als van den gemaal
+der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder bal;&mdash;den
+eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts
+vermogen tot gezag voert, en, mits uw goud hem tot
+voetstuk strekke, u vergunnen wil zijnen naam te dragen;
+elk ander beschermer zoude hem onder duurder
+verpligtingen leggen dan gij;&mdash;den lichtmis, die zijn
+erfdeel, zijne jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild,
+en u ten echt vraagt, opdat gij, schuldelooze, verkwijnen
+moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.</p>
+
+<p>En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar
+belangzieken raad, en later zal uw vernuft uit de asch
+opvlammen, zullen uwe driften ontwaken, en gij zult
+strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.</p>
+
+<p>Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie,
+hoe zou ik mij durven vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?</p>
+<br>
+
+<p>1839.</p>
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="DE_EZELINNEN"></a><h2>DE EZELINNEN</h2>
+
+<p>(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)</p>
+<br>
+
+<p>Een korenveld, eene weide, een bosch leveren
+zeker streelender verschiet op, dan eene
+straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel
+afwisselender en veelzijdiger po&euml;zy
+schuilt er in de menigte welke ik binnen de
+muren dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het
+gelaat van hemel en aarde, buiten!</p>
+
+<p>Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat
+mijne opmerkzaamheid, uit het venster de straat op en
+afdolende, v&oacute;&oacute;r het invallen der schemering, geboeid
+werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber
+stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel
+op, dat bij wijlen zelfs dartel werd,&mdash;het waren vijf,
+zes, zeven ezelinnen met haren drijver.</p>
+
+<p>Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering;
+onder de studie, welke de krankte eischt, zou ik mij
+welligt verbeelden haar ter prooi te zijn.&mdash;Integendeel,
+toen ik de graauwtjes v&oacute;&oacute;r de deur van mijnen overbuurman
+zag stilhouden,&mdash;&ograve;verburen, die ik wat meer
+kende, dan men het gewoonlijk zijne n&aacute;&aacute;ste doet&mdash;toen
+kwam de gedachte: &quot;Wie zou er krank zijn, <i>hij</i> of <i>zij</i>?&quot;
+naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij zelven:</p>
+
+<p>&quot;Geen van beide.&quot;</p>
+
+<p>Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg
+zoudt hebben geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne
+toetvlugt moesten nemen; beslis, dit zeg ik, als gij de
+volgende bijzonderheden zult hebben gelezen.</p>
+
+<p>Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den
+rug heeft, smaakt de twijfelachtige vreugde, allengs de
+kennissen zijner jeugd gevestigd te zien. Twijfelachtige
+vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping verkeeren
+velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in
+kennissen, als ik ze noemde. Een andere familiekring&mdash;hoe
+vervreemdt die!--Een vertrek naar elders&mdash;hoe
+kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop van
+het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren
+deze nog tot de minst smartelijke wijzen, waarop men de
+begoochelingen zijner jonkheid ziet vervliegen. Sommige
+banden worden niet langzaam door den tijd los gestrikt,
+gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk
+leven breekt die wel eens plotseling en voor altijd
+af, schoon men elkander blijft zien, schoon men de
+kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst achtte ik
+mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik,
+verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde,
+en wij, op den top van dezen of genen blinkert,
+het dubbele lied hoorden, dat nog wedergalm vindt in
+mijn hart,&mdash;welk eene andere toekomst, dan zich voor
+hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden
+jongelu&icirc; als we waren, beurtelings naar het landschap
+aan onze slinke, dat ons <i>ijver</i> toesuisde, en naar de zee
+aan onze regte, die <i>glorie</i> zong&mdash;toen spraken wij van
+het verleden, van degelijkheid,&mdash;toen beloofden wij,&mdash;ja,
+wat niet al!</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r drie, drie en een half jaar misschien, kwam
+Pieter mijne woning binnen, stoof zou het woord zijn
+geweest, als hij mij geruimen tijd vroeger iets dergelijks
+had mogen mededeelen, als hij mij op <i>dat</i> oogenblik
+wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor
+een half <i>lustrum</i>, het is waar, op eene zware proef gesteld.
+Hij had hopeloos, hij had vergeefs bemind. Maar
+de jongeling, die, na eene teleurstelling van dien aard,
+niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en
+heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?</p>
+
+<p>&quot;Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik ge&euml;ngageerd
+ben,&quot; zei hij, dood bedaard.</p>
+
+<p>En wij waren elka&acirc;r reeds zoo vreemd geworden, dat
+ik verpligt was te vragen:</p>
+
+<p>&quot;En met&mdash;?&quot;</p>
+
+<p>&quot;De dochter van ----&quot; en eenige kwaliteiten volgden.</p>
+
+<p>Ik was niet genoeg vriend meer,&mdash;vergun mij te
+zeggen: ik heb te strenge begrippen van vriendschap,
+om in te houden, wat inij uit het hart op de tong kwam:</p>
+
+<p>&quot;Dat is anders dan met Elise&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Och&mdash;wat&mdash;ja!&quot; hernam hij, eene phras&eacute;ologie,
+waartoe hij reeds dikwijls zijne toevlugt had genomen,
+als ik hem sedert zijn blaauwtje, zijn wankelen, zijn
+hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet
+z&oacute;&oacute; ver gekomen, om te beweren: &quot;dat men transigeren
+moet, om in het practische leven nuttig te zijn;&quot; enz.,
+enz. Hij begreep, dat hij toch iets ter gunste van zijn
+meisje zeggen moest, en liet er zich verstandiger over
+uit, dan hij gedaan zou hebben,&mdash;ware hij verliefd geweest.</p>
+
+<p>En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement
+getrouwd, mijn overbuurman was geworden; voor hem
+zou de drijver daar het balsturigst paar ezelinnen uit
+den hoop, ongezeggelijk en za&auml;mgekoppeld als het was,
+aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn,
+hij, wien de aanstaande schoonpapa eene geschikte partij
+had gevonden, al dreef hij een beetje oppositie, &quot;oppositie
+was immers tegenwoordig de weg om er te komen?&quot;
+Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van
+den oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een
+lucratieve betrekking die niet zou kunnen genezen; Pieter
+de tering? bah!</p>
+
+<p>Was <i>zij</i> dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet
+ik. Het toeval,&mdash;waarom het verheeld?&mdash;het toeval,
+dat door mijne nieuwsgierigheid niet zoo heel toevallig
+was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen. Alles
+wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden,
+was de uitgang van den naam <i>en</i> ise. Twee meer
+verscheiden meisjes zijn naauwelijks denkbaar. Of het
+onderscheid louter d&aacute;&aacute;rin had bestaan, dat de eerste
+eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise,
+levenslust, plaagzieke dartelheid,&mdash;liefde&mdash;innige,
+vurige liefde; maar Louise, onberispelijke vormen bij
+volslagen vrijheid van hart, om niet te zeggen afwezigheid
+van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der
+graauwtjes v&oacute;&oacute;r mij, zoo als ik haar had gezien den dag,
+waarop hun huwelijk werd voltrokken,&mdash;den dag,
+sedert welken ik weinig meer van haar hield. Pieter had
+mij verzocht zijn getuige te willen zijn,&mdash;z&oacute;&oacute; iets weigert
+men niet.</p>
+
+<p>Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij
+de plegtigheid niet over aangedaan te zijn geweest.&mdash;Het
+ware onbillijk van mij, zoo ik het verzweeg.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r alles, zij was moederloos: de weeze had de
+zoetste betrekking weinig of niet gekend. Op een paar
+vermaarde pensionnats was zij door haar koel temperament
+beveiligd voor&mdash;het woord <i>besmetting</i> is wat
+hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren
+gebruiken voor die ontreiniging der gedachten, welke
+het gevolg is van overprikkelde, onmaagdelijke
+nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge kuischheid
+van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen
+afkeerig maakte, niet in een ander opzigt, niet door de
+verzuimde ontwikkeling van haar hart had geboet! Wien
+konde zij lief hebben, wien leerde zij beminnen? Een'
+vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school
+had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des
+huizes te ontvangen, en die haar uithuwelijkte&mdash;om zelf
+we&ecirc;r te trouwen?</p>
+
+<p>En de ceremonie!</p>
+
+<p>Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke
+huwelijksvoltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert
+de invoering van den burgerlijken stand,&mdash;die eene
+voortreffelijke inrigting zoude zijn, als wij haar niet zoo
+<i>mir nichts, dir nichts</i> met huid en haar hadden geslikt;
+als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een
+huwelijk is in Holland nog niet louter <i>un contrat civil</i>,
+de hemel zij er voor geloofd! &quot;Dan sukkele de kerk den
+staat achterna!&quot; schijnt het stelsel; maar hoe die verdeeling
+den indruk verzwakt: God, in Christus onze Vader,
+volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk
+niemands God is!</p>
+
+<p>Het formulier naar de wet had echter op Louise, op
+ons eenigen indruk kunnen maken, ware het voorgelezen,
+zoo als onze moedertaal hoogtijden spreekt, kernig, met
+nadruk, uit het gemoed. Maar al had een afstammeling
+van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen,
+het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek
+mij niet van Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen
+der vingers tintelen van ergernis; het was of zij ons trok
+bij de haren.</p>
+
+<p>En de griffier raffelde de acte over&mdash;als wenschte hij
+dat niemand meer trouwen mogt,&mdash;om hem de moeite
+te besparen.</p>
+
+<p>De inzegening had in de Wale-kerk plaats;&mdash;daar
+bruidegom noch bruid nazaten van <i>r&eacute;fugi&eacute;s</i> waren,
+vergoedden geene familieherinneringen het onhartelijke der
+vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De
+mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande
+uit, als gij de huwelijksformulieren der hervormde
+gemeenten in beide talen vergelijkt.</p>
+
+<p>Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook d&aacute;&aacute;r geene tranen
+in hare oogen kwamen. Maar dat zij, na den afloop van
+het feest, z&oacute;&oacute; hartstogteloos, z&oacute;&oacute; kalm, in het reisrijtuig
+stapte, als ware zij nogmaals naar het <i>pensionnat</i> gereden,
+hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe
+beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er
+met mij voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve
+het graauwtje haren uijer aan de vingers des drijvers
+prijs gaf; het graauwtje, welks veulen intusschen zijn'
+ruigharigen kop achteloos op haren schouder ne&ecirc;rvlijdde.</p>
+
+<p>En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren;
+en toch wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode
+weldra naar binnen bragt, al de heilzame, al de
+genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der ezelinnen
+ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit
+het venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij
+huiveren deed.</p>
+
+<p>Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren
+geworden, tweemaal bezocht. Hoe anders had ik hen de
+eerste dan de laatste maal aangetroffen!</p>
+
+<p>Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje
+was ik het paar gaan zien. De indruk, dien het
+bezoek bij mij achterliet, was verwant aan dien, welken
+de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg
+zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij
+ontvingen, wedijverde in helderheid van kleur met de
+rosetten van het plafond;&mdash;het lichtbruine mahonyhout
+der huisraden schitterde mij tegen,&mdash;de fijngeslepen
+kerken kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het
+kristallen blad weder;&mdash;Louise droeg een zijden kleed.
+Maar de glans der vreugde, die mij uit hare oogen had
+moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had
+moeten gevoelen, d&uacute;s gevestigd, z&oacute;&oacute; gelukkig te zijn;
+maar de geestigheid, die kruiderij des gespreks; maar de
+lach, dat zout der zamenleving, ik zag er te hunnen
+huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even
+weinig, ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken
+van onzen eersten satijnschilder doet. De overeenkomst
+ging verder; Louise was niet minder statelijk dan
+zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige
+evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet
+haar gelaat, hadt gezien. Pieter staarde in den wijnkelk,
+met denzelfden ernst, dien zijne gemusqueerde allonge-paruiken
+onderscheidt, en van welken ge toch, hoe lang
+gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen,
+niet meer begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den
+wijn bekijken.</p>
+
+<p>&quot;De mensch en sal by broodt alleen niet leven,&quot; zegt
+de Schrift. Hoe mij die woorden invielen bij de le&ecirc;gte
+van al de pracht, voor welker verzoeking Pieter was bezweken!</p>
+
+<p>Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden
+welligt: daar verraste mij eene heugelijke tijding, daar
+volgde eene uitnoodiging,&mdash;ik trad andermaal de woning
+van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat in
+eene weelderige <i>chaise longue</i>; een Dou onzer dagen zou
+zich vermeid hebben in de schildering der niet al te breede
+kant, welke haar bleek kopje en hare bleeker handen,
+welke haar mutsje en haar kleed omgolfde; hij zou
+regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare
+oogen dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst
+was zij bezield; behoef ik te zeggen, dat zij voor het
+eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene figuur op,
+het penseel van den schilder der <i>Kraamkamer</i> waardig.
+Er was niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon
+der vreugde had meer gedooid dan gezengd&mdash;ook de
+groote Gerard hield van eene waardigheid, die de grenzen
+van het stijve naderde. Onder het roeren van den
+kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het
+mogt mij niet van het hart er voor uit te komen, hoe
+dikwijls ik den dollen wensch voedde, dat kinderen z&oacute;&oacute;
+ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren.
+Hoe gelukkig was Louise met haren zoon&mdash;hoe hechtte
+zijne hulpeloosheid haar aan het wicht! Wijze natuur!
+Ik zag beide trots en schroom in de zijdelingsche
+ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf;
+hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de
+kleine&mdash;en haar gade knikte haar toe&mdash;zij hadden nog
+kans op geluk.</p>
+
+<p>Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal
+van Mozes heeft getroffen; maar ik las nooit zonder
+aandoening, hoe de oudervreugde de uitdrijving uit het
+paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!</p>
+
+<p>Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan
+de overzijde stil stonden?</p>
+
+<p>Den volgenden morgen was ik er zeker van;&mdash;het
+jongsken scheen, sedert zijne spening, geloof ik, in eene
+kwijning te vervallen, tegen welke de arts het gebruik
+van ezelinnemelk had aanbevolen.</p>
+
+<p>Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen
+daarna en weken lang op ongeveer hetzelfde uur getrouw
+het venster uitzwierf, om den drijver met zijn
+zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog
+ligtte Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de
+graauwtjes nu eens ongeduldig te gemoet starende, dan
+weder door hunne niet zoo vroeg gehoopte komst verrast.
+Hoe wettigde, helaas, de voortdurende onzekerheid
+over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!</p>
+
+<p>En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen
+opgewekt; de mijmering, waartoe zij uitlokten:</p>
+
+<p>Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer po&euml;zy
+schuilt dan in het van allerlei zorg afhankelijke schepseltje
+in den wieg,&mdash;dat welligt bestemd is de luister
+van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks zijne
+handjes te gebruiken,&mdash;handen, die later misschien
+het zwaard des krijgs of de veder des vredes zullen
+zwaaijen of stieren, met tijdgenoot en nakomeling verbazende
+kracht.&mdash;Het invallend zonnelicht doet zijne
+oogjes zeer;&mdash;oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen
+peilen of den sterrenhemel meten; oogen, die de
+duisternis noch de schittering van de wonderen der
+natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst
+begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het
+instinkt des diers leidt sneller en wisser dan de zoo
+hoog geroemde rede; maar wacht, en de wetenschap zal
+haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer
+vlechten om dien nu nog naakten, schier nog weeken
+schedel. Een kind!--het begin van een leven, door
+vreugde en smarte bont geschakeerd,&mdash;dat beurtelings
+zoo groot en zoo klein schijnt,&mdash;dat der laagste togten
+en der edelste driften om strijd ter prooi zal wezen,&mdash;maar
+dat niet eindigt in het graf, waaraan de onsterfelijkheid
+is gewaarborgd, liever nog het eeuwige leven;
+opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet
+heen schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een
+kind!--laat ons dalen, of rijzen misschien, want de moeder
+buigt zich over het wiegje heen, en er is niets verheveners
+in de gedachten, welke ons de toekomst van den
+jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze
+groep aanschouwen: liefde, liefde, het uitgedrukte beeld
+Gods! Zie, er was zelfzucht in de bekommering, waarmede
+Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de
+kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet
+gestoken;&mdash;de lipjes kuste, bleeker dan weleer;&mdash;zij
+gevoelde, dat met dien band,&mdash;als hij scheuren
+moest&mdash;de &eacute;&eacute;nige, die haar innig aan Pieter hechtte,
+zou los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat
+vleesch van haar vleesch, zoo als dat leven van haar
+leven. Maar&mdash;wordt die opmerking voor eene mijner
+lezeressen wel vereischt?&mdash;hoe die zelfzucht vergoed
+werd en opgewogen door de toewijding van den dag en
+den nacht, van de vreugde der openbare vermaken en
+der gezellige geneugten; door de volslagen ontzegging
+van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe verloochende
+zij die zelfzucht geheel door de verzuchting,
+eindelijk aan haren boezem ontglipt:</p>
+
+<p>&quot;Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!&quot;</p>
+
+<p>Op eenen schoonen herfstmiddag&mdash;het heugt mij nog
+of ik 't straks had gezien&mdash;was het gordijntje ter zijde
+geschoven&mdash;de kleine lijder zat in zijn' stoel v&oacute;&oacute;r het
+raam. Daar kwamen de graauwtjes&mdash;hoe hij gierde en
+sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen,
+die er met hare bleekzilverige huid en fijne ooren,&mdash;zij
+stak die op,&mdash;waarlijk niet uitzag of wij regt hadden
+den naam der dierensoort tot een schimpwoord te
+verlagen,&mdash;eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de
+straat gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en
+nog eens om,&mdash;het plaveisel was pas gemaakt, en het
+zand nog droog. Het jongsken zag van achter de spiegelruit
+de speelsche groep, want een veulen had zich bij
+het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar
+buiten reikten zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch
+gehoor. Op de stoep verschenen, daalde zij met haar
+kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in het
+streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor
+hem gemolken werd, en plaatste hem voor een oogenblik
+op den rug des diers. O, dat ik de weelde schilderen kon,
+waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen hij, een
+omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende
+armen wipte, die boven en beneden hem hadden
+gewaakt; de weelde, zeide ik, de huivering had ik moeten
+zeggen, die haar rank lijf trillen deed! Of waren
+hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde
+van ezelinne en veulen, die zich nog altijd omkantelden
+in het warme zand; die, aan hunne weide,
+aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur
+smaakten in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?</p>
+
+<p>De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het
+graauwtje, dat eene wolk van stof deed opgaan. Toen
+deze was weggewaaid, zag ik vergeefs naar de overzijde:
+Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare
+smarte haar prachtig huis weder ingetreden.</p>
+
+<p>De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog
+menigen avond terug; maar eer de winter inviel, hadden
+de plagerijen tusschen den drijver en het dienstmeisje
+uit,&mdash;want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald,
+de luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun
+&eacute;&eacute;nig kind.</p>
+
+<p>Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij
+het rouwbeklag ontving&mdash;Louise, die luttel maanden
+het leven des harten had gekend, scheen versteend;
+slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van bewustzijn&mdash;door
+op te zien!</p>
+
+<p>En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van
+eene reize naar Zwitserland sprak; de toestand zijner
+gade, verzekerde hij mij, eischte die.</p>
+
+<p>&quot;Ook ik zelf, jongen,&quot; zeide hij, &quot;ben niet gelukkig&mdash;de
+hemel heeft mij gestraft in mijn kind!&quot;</p>
+
+<p>Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een'
+verslagene zeggen laat,&mdash;hoe het mij heugde uit den
+mond eener waardige oude vrouw te hebben gehoord:
+&quot;Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar
+dat kwam later door zijn gedrag,&quot;&mdash;met andere woorden,
+dat Pieter de liefde van Louise, welke hij had
+leeren achten, die hij thans schier beminde, nog verdienen
+kon;&mdash;ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand
+te laat is zijn levensgeluk te zoeken en te vinden
+in de betrachting van zijnen pligt; dat ieder, die wil, een
+degelijk mensch kan worden, degelijk als de vaderen het
+waren in onzen roemrijksten tijd,&mdash;ik zou dit alles
+doen, als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij
+letterlijk doet aarzelen voort te gaan.</p>
+
+<p>Welke?</p>
+
+<p>Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die
+vroegere innige betrekking,&mdash;later aangehouden kennis,&mdash;eindelijk
+weder toegehaalde banden prijs geeft,
+die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid ik.
+Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul
+uit bekenne, dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind,
+nergens z&oacute;&oacute; bestonden als ik die schetste, dat ik zelfs
+geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw beurt
+niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en
+huiselijken toestand door mij gegispt, dat de verspreide
+trekken, welke ik zocht te vereenigen, dat deze niets
+anders zijn dan <i>boosheden in de lucht</i>, waarvan niemand
+te onzent hinder heeft!</p>
+<br>
+
+<p>1842.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+<a name="HANNA"></a><h2>HANNA</h2>
+
+<p>(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)</p>
+<br>
+
+<p>Het was zaterdagavond v&oacute;&oacute;r Kersttijd, en
+in eene kleine woning op Katten-, Oosten- of
+Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een
+spaarzaam verlicht slaapvertrek; het woord
+Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge
+vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost,
+licht in zocht, staakte onwillekeurig de lezing, toen haar
+blik op de woorden rustte:</p>
+
+<p>&quot;Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met
+seer groote vreugde.&quot;</p>
+
+<p>Waarom schemerde het der peinzende?</p>
+
+<p>Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie
+bestierde verbeelding wieken aanschoot, en zich de
+Oostersche Monarchen voorstelde, in al de pracht,
+waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft uitgedost,
+verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel
+stille bleef staan boven eene nederige woning. En echter,
+verre, zeer verre van haar, &egrave;n de zin voor het gemoedelijke,
+waarmede Bendemann ons met de Wijzen uit het
+Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, &eacute;n de zin
+voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn
+bekend meesterstuk, het goddelijk Kind laat aanbidden.
+We zijn noodeloos hoog gesteigerd. Het was iets eenvoudigers,
+iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier, dat haar
+schreijen deed; iets, dat u en mij,&mdash;laat ons het bekennen&mdash;ook
+is we&ecirc;rvaren, wanneer wij, in verslagenheid
+des harten, der Heilige Schrift het oor leenden, en een
+zweem van gelijkenis, eene flaauwe analogie tusschen
+beide toestanden, de voorstelling vergeten deed, dewijl
+indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige
+overbragt. We zagen op, of wij zuchtten,&mdash;een oogenblikkelijk
+gevoel, dat vele woorden zou hebben vereischt,
+indien wij het aan een' derde hadden willen verklaren,&mdash;een
+wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot
+onze lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde,
+in de aangehaalde woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt,
+trof haar diep: eensklaps werd zij te moede, als zag zij,
+tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken hemel
+des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe
+ademhaling vertolkte de bede:</p>
+
+<p>&quot;O, hoe blijde zou ik zijn!&quot;</p>
+
+<p>Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere
+kennismaking hebben benomen! Immers, ik voorzie, dat ik
+zoo voorhoofdfronsing als schouderophaling te tarten
+heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik u Hanna
+v&oacute;&oacute;r twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze
+als zij was,&mdash;vondelinge, die in haar kleed het
+bewijs omdroeg, dat hare moeder haar van zich had gestooten,
+zoodra zij het licht zag; dat haar vader er zich
+welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom
+zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan
+de figuur ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u
+te overtuigen, hoe weinig wat gij het gemeenste leven
+heet, het goede, het schoone zelfs buiten sluit? Slechts
+nog &eacute;&eacute;n trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort,
+die mij niet minder walgt dan u; slechts nog &eacute;&eacute;n trek,
+en ik zal uwer verfijnde zenuwen geen geweld meer
+aandoen: Hanna was in het Huis gelukkig, schier bij
+uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele ten
+minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe
+droeg der uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier
+lust, niet wier liefde, haar in het leven riep. Schoonheid
+was haar deel. Stellig hebt gij in dichterlijke droomen
+dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij gelezen,
+welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld
+schaars treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor
+hare lieve heldere kijkers, haar go&ecirc;lijk-mooi gezigtje
+soms voorbijgangers of toeschouwers verraste. D&aacute;&aacute;r
+stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het
+Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op
+hunne betrekking tot de weleer heerschende kerk;&mdash;d&aacute;&aacute;r
+ontmoetten zij haar, de burgerweezen, de jongens,
+die zich thans op hunne broederschap met van Speyk te
+goed doen, en w&egrave;l mogen zij het;&mdash;d&aacute;&aacute;r omringden beiden
+haar, de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in
+hunne stedelijke liverei, en deze als gene, verwaten op
+dien dos, zoo als alle onderscheidende kleederdragt het
+maakt&mdash;d&aacute;&aacute;r zagen de wilden de gesmade Aalmoezeniersweeze
+v&oacute;&oacute;r zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord
+kwam op de lippen&mdash;maar wat was het?
+<i>Hoerenkind! hoerenkind!</i>&mdash;waarom bestierf het, eer het
+werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun zou
+staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog
+ongelukkiger, verlatener weeze dan zij, te smalen, geene
+bedenking van dien aard, welke hen we&ecirc;rhield. Wat zich
+ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de kweekelingen uit
+dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des
+harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer
+po&euml;ten toegedicht&mdash;ook valt zij naauwelijks te vergen,
+waar het lot in de prilste jeugd zelfstandigheid tot
+voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-hollandsch-mooije,
+die blanke wangen, waaraan de roos hare
+schoonste tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke
+oogjes, wier blaauwe helderheid vrede en vreugde verkondigt,
+het was de schoonheid, die overwon.</p>
+
+<p>&quot;Eene knappe meid!&quot; zei de oudste.</p>
+
+<p>&quot;Het arme kind!&quot; zei de jongste.</p>
+
+<p>En zij gingen verder,&mdash;want ge treft naauwelijks
+&eacute;&eacute;n' schalk aan onder tien schreeuwers.</p>
+
+<p>En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden
+uitgescholden en ruw hadden bejegend, niet minder
+betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't welk slechts
+behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die
+kinders hadden hunne ouders gekend,&mdash;zij wisten ten
+minste wie zij geweest waren,&mdash;zij konden hunner in
+liefde gedenken. Zij, daarentegen!... En waarom ook
+zij niet?&mdash;Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der
+huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen
+haar ontsluijerd; maar niet door overprikkelde
+nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust, niet door wulpschen
+zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden haar
+die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze
+beschaving, onze zedelijkheid, ons christendom op de
+hoeken onzer straten en stegen duldt, onder die schepselen
+kon hare moeder schuilen,&mdash;en wie weet, welk
+voorbijganger haar vader was?&mdash;Voortreffelijke Hanna!
+herhaal ik. Vraag mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke,
+tot die echt kinderlijke, tot die vrome beschouwing
+van haren toestand en dien harer moeder gekomen
+was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het
+woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn.
+Het woord: &quot;Wie van u zonder zonde is, werpe den eersten
+steen op haar!&quot; was balsem geweest voor haar gekrenkt
+gemoed; het bragt verzoening te weeg. En, zonderlinge
+zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid
+bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de
+onschuld harer gedachten had ingeboet, maar door wie
+zij tevens in de kennis met wapenen was toegerust&mdash;zij
+behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij
+dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en
+de verleiding haar aanlokte, niet slechts in den glans
+van goud, maar ook in den bloei der jeugd. Hare moeder
+stond haar voor den geest;&mdash;hare moeder, die eens
+onbevlekt was geweest als zij;&mdash;hare moeder, die misschien
+viel, dewijl ze niet gewaarschuwd was;&mdash;hare
+moeder, die mogelijk op dat oogenblik een leven van
+zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze
+zich harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen,
+welke er langs Hanna's wangen vloten, dewijl ze haar in
+dien jammer niet bij konde staan, dewijl zij het kussen
+van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl ze
+haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg
+en kreb, en bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig
+gegund, haar zoo bitter waren geweest, dewijl ze haar
+niet goeden nacht mogt kussen en vergeving afsmeeken
+van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven&mdash;die
+tranen, dat haar vader ze hadde gezien! Handwerksman&mdash;
+winkelier&mdash;ambtenaar&mdash;beursganger&mdash;weledelgeborene&mdash;of
+wat hij zij of was&mdash;God slechts kent
+hem&mdash;God slechts weet het&mdash;hij had zich voor zijne
+onechte dochter geschaamd, en hare knie&euml;n aangegrepen,
+zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens
+woord genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor
+den onmensch geen leven n&agrave; dit leven ware!</p>
+
+<p>Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.</p>
+
+<p>Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten
+lezen? Harer is een smarte, welke het toch niet in onze
+magt staat te verzachten. Ook heb ik haar u als jonge
+vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer
+vrijerij schuldig.</p>
+
+<p>Welaan dan!</p>
+
+<p>Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen
+van hoogeren stand er zich over verbaasden, hoe geringe
+lieden zoo spoedig kennis maken, en in eenige oogenblikken
+onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar
+zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt
+er in? Verre van mij ditmaal uit te varen tegen het
+weinig toeschietelijke der zeden van onzen fatsoenlijken
+kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid, wier
+zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat
+het ons soms bij haar als bij Rembrandt's schilderijen:
+jammer, dat die groep niet even mooi zou zijn, zonder
+dat donker. Stil, geene heiligschennis! En ten einde wij
+niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne openhartigheid?
+armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo
+dikwijls u een trek uit het volksleven verrast, met een
+blijk, dat wederzijdsche, belangelooze welwillendheid,
+onder onze mindere standen, ondanks hunne behoeften,
+groot, zeer groot is,&mdash;zoo dikwijls hunne onderlinge
+hulpvaardigheid mij en u beschaamt&mdash;ik heb er de
+Hollandsche, de Amsterdamsche gemeente te liever om.</p>
+
+<p>Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten
+van de hoofdstad gediend, of niet alleen haar groet werd
+beantwoord, maar hare toespraak uitgelokt; maar hare
+geschiedenis, droevig en kort als die was, me&ecirc;lijdend
+aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret
+gij zelve teekenen moogt.</p>
+
+<p>&quot;Kind,&quot; ze&icirc; Machteld, &quot;als ge wilt, ik zal de hand aan
+je houden, of ik je moeder was.&quot;</p>
+
+<p>Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna
+sprongen de tranen in de oogen. Zoo was er dan
+iemand, die haar lief had, haar, de verlatene! Want al
+was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al haar
+godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen
+Vader beschikt, niet hard te vinden, er kwamen
+oogenblikken, waarin zij slechts al te zeer gevoelde, wat
+zij er in miste, &quot;niet van eerlijk volk&quot; te zijn. Geene
+jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of zij
+voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief
+te hebben!</p>
+
+<p>&quot;Als er geene smet op die meid rustte,&quot; ze&icirc; Jan, de
+koetsier, &quot;dan zou zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Ik zal krijgen wat mij opgelegd is,&quot; antwoordde
+Hanna, die de opmerking hoorde. Maar de predestinatie
+was kranke troost.</p>
+
+<p>Het is waar, oude Machteld beweerde; &quot;Hanna, ik
+ben nooit gehijlikt geweest, en ik heb er nooit over gekniesd;
+met Mei zal ik op het Hofje een kippetjes leven
+leiden, kind! wie w&egrave;l doet, w&egrave;l ontmoet,&quot; maar onze
+kennis, zij weerlegde, noch zij beaamde die woorden.
+Zij beloofde slechts hare moederlijke vriendin trouw
+te zullen bezoeken, als deze op hare muiltjes zoude gaan.</p>
+
+<p>En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord,
+iederen uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam
+zij met de vrouw, die krukte, toen zij uit de drukte was,
+de binnenplaats van het gesticht om, en nog eens
+omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette,
+den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de
+steken in het breiwerk opnam, en de luimen vierde,
+welke de best zoo goed had, als wij allen die met hare
+jaren en kwalen hebben zouden.&mdash;Hoe wist Hanna zich,
+uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te
+onzent voor den ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke
+woning, een bleekveld en een tuintje,&mdash;geenerlei
+onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden verhoogd
+door storelooze rust&mdash;of zoo deze wordt afgewisseld,
+dan slechts door die soort van gezelligheid,
+welke den grijze het liefste is, een praatje over het verledene,
+een praatje met een dankbare betuiging besloten.</p>
+
+<p>Het was avond in den v&oacute;&oacute;rwinter, acht of negen jaren
+geleden; de kat bakerde zich bij den kleinen haard, en
+het bestje mogt zoo zeggen, Hanna was bij haar:</p>
+
+<p>&quot;Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan
+de letters, of aan mijn' bril, of aan mijne oogen schort,
+ik weet het niet, maar als ik het zelve doe, het gaat
+niet meer.&quot;</p>
+
+<p>En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las...</p>
+
+<p>Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur
+des gestichts op?&mdash;maar wie stapte daar zoo
+driftig over de gele klinkers van den binnenhof?&mdash;maar
+wie... ja, hij moest aan het huisje van oude
+Machteld zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als
+kende zij die stem!</p>
+
+<p>&quot;Moeije! Moeije!&quot; riep de borst, die al binnen was,
+eer Machteld haar vermoeden aan Hanna had medegedeeld,
+en de armen van zijn kabaaitje om de smalle
+schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder
+de bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was
+gestoven, Poes werd vergeten: er schoten waterlanders
+van onder Machteld's grijze wimpers, bij de tehuiskomst
+van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene
+zuster. Het bestje&mdash;ik zeide het reeds vroeger&mdash;het
+bestje was nooit getrouwd geweest; zij had, zoo als zij
+Hanna diets wou maken, zelfs nooit gevrijd; maar des
+ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft gezegd,
+&quot;de melk toch in het bloed,&quot; en haar gevoel had hare
+groene jeugd overleefd.</p>
+
+<p>&quot;Dag, mooije meid!&quot; voer de pikbroek voort, want
+dat was hij, en hield Hanna om haar middel gevat, en
+gaf haar een' kus, die klonk als eene klok, eer zij het
+hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo
+lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank
+meisje zou hebben gekust.</p>
+
+<p>&quot;Bart! Bart!&quot; riep Machteld. Het werd eene predicatie,
+als had zij geen' zeerob maar een' wever tot neef
+gehad, Janmaat zou er zich geene zier om hebben bekreund,
+was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had
+Hanna maar van tehuisbrengen willen hooren!</p>
+
+<p>&quot;Toch niet,&quot; zei ze, vrij streng; en toen hij alevel
+opsprong, oef! toen had dat mooije gezigtje eene
+waardigheid&mdash;die Bart overtuigde, dat de gelegenheid voor
+dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.</p>
+
+<p>En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd
+vindt, al ergert gij er u aan tot kleurens toe,
+echter ging Bart&mdash;geen ligt matroos, maar iemand, die
+na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te
+worden&mdash;echter ging Bart niet weder naar het zeeregt ter
+monstering, of, zonder dat Hanna er een woord van
+gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een'
+Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang
+verkondigde, dat het dek zijn vloer was geweest, wiens
+hoed op &eacute;&eacute;n haartje stond, wiens halsdoek fladderde.</p>
+
+<p>&quot;Schel nog niet aan!&quot; bad hij; maar het handje was
+aan den knop, en de schreeuwleelijkert ging over.</p>
+
+<p>&quot;God zij met je!&quot; snikte Hanna.</p>
+
+<p>Daar deed de kameraad haar open.</p>
+
+<p>&quot;Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien
+je oogen rood&mdash;waait het zoo?&quot; vroeg de schalke
+deern, als had zij niemand gehoord, niemand gezien, als
+wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere
+gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.</p>
+
+<p>En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij
+Hanna ik zeg niet de zwakheid jegens Bart, maar de
+onopregtheid tegenover Machteld hebben vergeven, als
+ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt
+hooren lezen over hare geheimhouding. &quot;Waar het hart
+vol van is, loopt de mond van over, kind!&quot; zei Machteld;
+&quot;het was Bart niet mogelijk te zwijgen, dat je beloofd
+hebt je v&oacute;&oacute;r zijne terugkomst niet te zullen verzeggen.&quot;
+En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen
+zij Hanna dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:</p>
+
+<p>&quot;Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben?
+Machteld,&mdash;moederlief! Bart, zeidet gij altoos, Bart
+had geen matroos behoeven te worden, als een mensch
+zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar&mdash;&quot;</p>
+
+<p>Inderdaad, ik had mijn opstel wel <i>het lezende
+vrouwtje</i> mogen betitelen, zoo weinig gang is er in&mdash;nog
+altijd brandt de lamp, nog altijd staart zij
+voort&mdash;maar wees gerust, wij naderen het sombere
+heden toch. Een woord slechts over den jongsten Sint
+Nicolaas, en we zijn er.</p>
+
+<p>O mijne broeders van den gilde, die, op den avond
+van dat feest, welligt naar iets piquants, iets nieuws,
+iets schoons hoop ik gezocht hebt, hetzij in het gewoel
+van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft mij
+de uitdrukking, <i>&agrave; pure perte</i> een grijnend gezigt zette,&mdash;hetzij
+in de woning eens vriends, wiens aanvallige
+kinderen door Ter Haar verdienden te worden geschetst,&mdash;gij
+die luisterdet en toezaagt, maar geen treffend
+onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld, versleten,
+afgezaagd scholdt,&mdash;het is mij dikwijls als u
+gegaan. Dat gij Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel
+hadt kunnen lezen! Welligt zijt gij haar roer langs het
+lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens op,&mdash;bovendien,
+wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo
+armelijke plunje den schat van waarachtig gevoel te zien,
+welken zij dikwijls verheelt? Het vrouwtje&mdash;gij vermoedt
+reeds dat zij met Bart trouwde, <i>cela va sans dire</i>,&mdash;het
+vrouwtje zocht haren weg door den mist, terwijl
+hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen
+keerkringsnacht om zich zag.</p>
+
+<p>De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is,
+zij is waar ook.</p>
+
+<p>Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek
+beschreven, toen hij, van een' derden togt naar
+Indi&euml; teruggekeerd, haar verraste, een kind, een knaap
+aan de borst!</p>
+
+<p>Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al
+ben ik u de verklaring schuldig, wat hem bewoog van
+een' nacht onder dien schitterenden hemel op te halen;
+waarom zij juist toen dat tooneel gedacht.&mdash;Hoe
+beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven verzoend,
+Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die
+nu niet langer geloofde, dat de hare heur wichtje, haar
+zelve van zich had gestooten! Het te vondeling leggen
+was een gruwel der baker geweest, die de moeder zeker
+had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren
+was. En nu Bart, die schreide, zoo als een man
+schreijen mag, van weelde, van verrukking, van
+zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind,
+dat niet bang scheen voor zijne ruwe handen, dat niet
+wegkroop voor zijn' harigen kus, die hem de armpjes toestak!</p>
+
+<p>Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht.
+Of had Bart haar dien, in zijne kunstelooze, maar
+waarachtige po&euml;zij des harten, niet beschreven, zoo als
+lucht en zee er uitzagen, toen hij met een' braven ouden
+matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien
+naar de stille zee, en opgezien naar den stillen
+hemel, &quot;die zoo w&egrave;l bij elkander pasten,&quot; zei Bart, in
+zijnen eenvoud, &quot;licht beneden, licht boven, licht
+rondom ons.&quot;</p>
+
+<p>&quot;Stuurman,&quot; had Jaap, de oude matroos, gezegd, &quot;is
+het geen afschaduwing des hemels? Ik zou niet vreemd
+opzien, als mijn Guurtje mij in de eeuwigheid in zulk
+een licht te gemoet kwam.&quot;&mdash;</p>
+
+<p>Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.</p>
+
+<p>En Bart&mdash;woeste, wilde natuur als hij was, had
+den oude willen afschepen met een: &quot;Wat schort je,
+paai?&quot; maar zijne stem was in zijne keel blijven steken.
+Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij
+reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom;
+immers het schip liep als een pijl uit een' boog, en aan
+zijn werk haperde geen zier. Maar bij die woorden van
+den oude was hem het hart week in het lijf geworden;
+hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende...</p>
+
+<p>En het eene woord van den ouden matroos had
+het andere uitgelokt; maar laat ons Bart zelven laten spreken.</p>
+
+<p>&quot;En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden&mdash;hoe
+lief ik jou heb; dat behoefde ik hem niet te zeggen, hij
+had het wel gehoord, toen ik zoo angstig uitriep: &quot;Jaap,
+als haar uurtje eens geslagen is!&quot;&mdash;want ik maakte er
+voor hem geen geheim van, dat je mij, v&oacute;&oacute;r ik heenging,
+zei, dat je geloofde... Weet je nog, Hanna, dat de
+tranen jou in de oogen kwamen, toen ik bij jou haperen
+een' voet van den grond sprong, en hoe je mij ze&icirc;, dat
+ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had gemaakt,
+als ik je eens niet we&ecirc;r zag? Toen wou ik er
+niet van hooren, dat je sterven zoudt; toen beloofde ik
+jou, dat ik je hoornen en schelpen me&ecirc; zou brengen
+voor den kleinen Bart,&mdash;den kleinen Bart! daar is hij
+waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn
+vader hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens
+kussen: het was &quot;man!&quot; toen ik weg ging, nu is het:
+&quot;va&ecirc;rtje!&quot;&mdash;Maar in den nacht, waarvan ik sprak, toen
+was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog,
+het was de vierentwintigste September&mdash;&quot;</p>
+
+<p>&quot;Toen ben ik bevallen, Bart!&quot;</p>
+
+<p>&quot;Dach ik het niet al,&quot; zei oude Jaap, &quot;dat het bijgeloof
+was?&quot; &quot;Stuurman,&quot; zei hij, &quot;ik ben geen fijmelaar;
+maar was ik jou, ik ging naar mijne kooi, en ik deed een
+gebed, dat zal je lucht geven.&quot; En, Hanna&mdash;gelooven
+moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik
+ben&mdash;al kon ik in de kerk den Domin&eacute; meestal in het
+bidden niet volgen, ook al jookten mij geene wilde haren
+onder den neus, wijl die mannen zulk een' schat van
+mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne
+gedachten mijnen woorden vooruit. &quot;Onze Lieve Heer zal
+er wel wijs uit worden,&quot; zei ik, toen ik snikkende
+&quot;Amen!&quot; sprak, &quot;en er voor haar wel bij zorgen,&quot; want
+ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof,
+die mij bidden heeft geleerd&mdash;ik vergat haar om jou.&quot;</p>
+
+<p>Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!</p>
+
+<p>&quot;En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet
+Hij altijd, als wij maar vurig bidden,&quot; voegde de gelukkige
+echtgenoot en vader er bij; doch hier ook braken
+Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af.
+De woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den
+overmoed zijns geluks, zoo achteloos op had laten volgen:
+&quot;Tenzij het beter voor ons is, dat Hij ons de bede
+weigere,&mdash;zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje
+deed, die ik niet we&ecirc;r zal zien, v&oacute;&oacute;r in de eeuwigheid&mdash;&quot;
+die woorden gingen te loor in een' zucht.</p>
+
+<p>En waarom?</p>
+
+<p>Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier
+en daar licht op de schepen,&mdash;maar zijn schip, waar
+was het? Had zij dan niet vurig gebeden?</p>
+
+<p>Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven.
+Hare kindertjes,&mdash;hun was sedert ook een
+dochtertje geboren,&mdash;hare kindertjes verbeidden haar
+te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid hebben,
+al was haar hart meer voor rouw dan voor pret
+gestemd. Voort dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje,
+waarin die wee&ucirc;w Sint Nicolaasgoed verkocht.
+Bij wie anders zou zij het halen dan bij die vrouw, welke
+zoo sober rondkwam, die wee&ucirc;w...</p>
+
+<p>Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!</p>
+
+<p>En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond v&oacute;&oacute;r
+Kerstijd zijn negentien dagen, negentien nachten, wier
+lengte <i>zij</i> kent, die wacht.</p>
+
+<p>Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?</p>
+
+<p>Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk
+nieuws; want aan honderd derzulken hangt het lot van
+duizenden en tienduizenden, hangt schier het lot van
+ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort hij
+zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare
+Vaderland le&ecirc;g. Welligt brengt hij de laatste vurig
+verbeide tijdingen uit het gewest, waarin schier elk
+tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten heeft, en
+zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen
+der wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat
+rijken beschaamt! Of verdringt niet de Java-koffij alle
+andere?&mdash;de tallooze soorten der West-lndi&euml;n in
+Europa,&mdash;de Mocka bij Tartaar en Turk?&mdash;Of kruiden,
+van het eene schiereiland tot het andere, kruiden,
+beide Spanje en Zweden, hunne geregten niet met onzen
+nageloogst? Of is er <i>negus</i> voor den Yankee zonder den
+geur onzer Molukken?&mdash;Laat Duitschland stoffen op
+zijne bietekroten, &egrave;n Oost-Zee &egrave;n Zwarte Zee begroeten
+om strijd koffen en brikken met de gelouterde suiker
+van Java bela&acirc;n. Willen wij voortvaren op dien toon?
+Het tin onzer bezittingen ziedt in al de smeltkroezen
+van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel
+het gewaad der blanke dochteren van het Noorden als
+dat der bruine schoonen van het Zuiden zijne frissche
+kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde schets: voorzeker,
+een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een verheugend,
+een verheffend schouwspel, door den voorspoed
+des lands, de welvaart des volks er aan verknocht!</p>
+
+<p>Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet
+laten zien; een schip van Java verbeid, doch dat
+uitblijft,&mdash;langer dan andere, te gelijk afgezeilde,&mdash;weken,
+maanden langer dan eenige later vertrokkene
+en toch reeds aangekomene bodems,&mdash;welke geheel
+verschillende gewaarwordingen wekt het op,&mdash;welk
+leed berokkent het! Het onthoudt,&mdash;zie eens, hoe
+aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk
+landje!--het onthoudt zoo vele handen der smalle
+gemeente dagen lang werk, aan zoo vele monden dagen
+lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken
+door de rekening van de werf, waarop net zou zijn
+gekalefaterd,&mdash;het dreigt eene winstderving te worden voor
+makelaars en kooplieden, die de carga reeds opsomden,
+ieder voor zich een z&oacute;&oacute;veelste. Het jaagt de vreeze voor
+een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars,
+onder welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat
+zonder dit gewigt in de kwade schaal,&mdash;en het is een
+doorn in het vleesch der directeuren van de Nederlandsche
+Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord,
+wier schikking er door belemmerd wordt. We
+zijn er nog niet! Het ontrust tot de ministers van koloni&euml;n
+en van financi&euml;n, tot de hoogste ambtenaren der
+kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor
+iets dat op de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en
+angst verspreidt? Den koning der Nederlanden, zou ik
+schier durven zeggen, gaat het lot van zulk een' bodem
+ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken,
+waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen
+en uitschieten, in de wouden en op het gebergte,
+slechts flaauwelijk de duizende slagaderen des
+maatschappelijken levens af, waarme&ecirc; het in aanraking
+kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en
+wimpels zwierde,&mdash;luister onzer handelsvloot, als het
+was!--die het zal kwetsen en stremmen, wanneer het
+nooit uit den schoot der wateren we&ecirc;r opdaagt,&mdash;beladen
+als het werd met de weelde van het Oost!</p>
+
+<p>En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens
+digt, en waag een' blik op het lot van hen, die,
+droomende van vaderland, vrienden, vrouw welligt, op dien
+bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren
+nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,&mdash;of
+uren, dagen lang, beurtelings door hoop en vrees
+gefolterd, op eenen oceaan ronddrijven, slechts verlicht,
+ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden erkennen, en
+het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim
+van redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit.
+O, de rust in den schoot der wateren is verkieslijk boven
+de verlenging van zulken angst!--en &quot;de barmhartigheden
+des Heeren gaan over alle Zijne werken!&quot; op het
+vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,&mdash;dat
+staat tot onze vertroosting geschreven. Vertroosting?
+Ach, hunne betrekkingen,&mdash;ach, mijne Hanna!</p>
+
+<p>Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de
+ontwikkeling der weeze, voor hare vroomheid niet, dan
+de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar schilderen
+mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den
+vreemde zou de diepte des gevoels aanduiden, door den
+waanzin, waarin het onderging,&mdash;en echter, hoe hoog
+Hanna boven die hartstogtelijkheid sta, het ware der
+waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg.
+Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel
+digtgeslagen, en ging zij naar het wiegje in gindschen
+hoek, en ligtte het kleed behoedzaam ter zijde,&mdash;haar
+dochtertje sliep gerust. &quot;God zal deernis hebben met
+hare onschuld!&quot; zeide zij.</p>
+
+<p>En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren
+eerstgeborene, van haren Bart,&mdash;wat aarzelt gij?&mdash;Eer zij
+het hoofd op haar slapeloos kussen ne&ecirc;r kan vleijen,
+moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld.
+Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare
+oogen lang op hem rusten. Wraak het, zoo gij durft,
+dat de wensch haar op de lippen komt:</p>
+
+<p>&quot;Och, dat hij klopte!&quot;</p>
+
+<p>Hoe zij luistert!</p>
+
+<p>Vergeefs!</p>
+
+<p>&quot;Ik zal morgen opgaan,&mdash;of God mijn geduld, mijn
+geloof versterken wil!&quot;</p>
+
+<p>Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe
+geboorte, martelaresse als gij dreigt te worden in den
+echt, doe het! En welke hoofden er zich buigen
+mogen,&mdash;aanzienlijken en armen, gevierden en geringen&mdash;allen,
+die u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het
+eerst het licht dale, dat van boven is. Want wien onzer
+zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te verloochenen,
+als gij het u zult doen in het berustende:</p>
+
+<p>&quot;Uw wille geschiede!&quot;</p>
+<br>
+
+<p>1843.</p>
+
+
+<hr style="width: 45%;">
+
+
+
+<hr style="width: 65%;">
+
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+***** This file should be named 16842-h.htm or 16842-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16842/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
+
+
+
+
diff --git a/16842.txt b/16842.txt
new file mode 100644
index 0000000..c6031b4
--- /dev/null
+++ b/16842.txt
@@ -0,0 +1,6635 @@
+The Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+ Blaauw bes, blauw bes!--'T is maar een
+ pennelikker!--Marie--De ezelinnen--Hanna
+
+Author: E.J. Potgieter
+
+Release Date: October 9, 2005 [EBook #16842]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+door
+
+E.J. POTGIETER
+
+ * * * * *
+
+VIJF NOVELLEN:
+
+(BLAAUW BES, BLAAUW BES!--'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!--MARIE--DE EZELINNEN
+--HANNA)
+
+
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+
+Aan de kant van de Revier komende daer de Praeuw lag, stond daer een
+hoop Inwoonders; en haperden geweldig tegen elkander; het scheen dat de
+eene wilde hebben dat ik voer en de ander niet. Ik greep een of twee uit
+den hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw toe, om te varen gelyk of
+ik noch Meester was, en ik was boven half Knechte niet. Sy sagen er soo
+vreesselyk uit als Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee
+gingen met my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander voor:
+elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy hadden elk een
+Kris op haer syde steken, synde een geweer of het een Ponjaerd was, met
+vlammen. Doen wy wat gevaren hadden, kwam de agterste na my toe, want ik
+sat midden in de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in
+myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem. Hy stond en
+bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde; doch nam het ten lesten,
+en wond het in syn Kleedjen dat hy om syn middel hadde, de voorste
+siende dat syn Maet wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my
+dat hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een kwartjen
+uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede, 't leek
+dat hij in twijffel was of hy het geld wilde nemen, dan of hy my wilde
+aentasten, 't welk sy ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen
+geweer, en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een schaep
+tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God weet hoe ik te moede was:
+voeren also voor stroom af; omtrent ten halver weeg aan de boot synde,
+begonnen sy te tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen
+dat sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo benauwt dat
+mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van vreese, keerden my
+derhalven tot God: bad hem om genade en dat hy my verstand wilde geven,
+wat my best in die gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij
+inwendig geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel ik
+in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen en Bosschagie
+klonk, want de Revier was aan beide syden met hooge boomen bewassen. En
+als sy dit sagen, begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel
+sien kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid van
+haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte gesteld, als ik
+vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met soo verre voort dat ik de
+boot sag leggen. Doe ging ik staen en wuifden ons volk toe: die my
+siende dadelijk na my toe kwamen, by de kant de reivier langs, enz.
+
+ _Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en zeer Avontuurlyke
+ Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, gedaan na
+ Oost-Indien, pag 20_.
+
+ Sumatra dreef in vloeijend goud,
+ Dat van de hooge kamferboomen,
+ Die heerschers in een Indisch woud,
+ Op peperstruik en oobarhout,
+ Op beek en mos scheen neer te stroomen.
+ Schoon welkomstgroet en liefdebee
+ Den lichtvorst noodigden in zee,
+ Wier golven ruischten van verlangen,
+ Eer de oceaanbruid hem gedwee
+ In de open armen mogt ontvangen,
+ Riep hij een lang, een zoet vaarwel
+ U toe, o geurige Archipel!
+ En alles baadde zich in luister,
+ En alles dronk het vier der min
+ Van zon en zee wellustig in;
+ De tijger lekte in het scheem'rig duister
+ Van 't roode hol zijn bronstig lief,
+ Terwijl zich de olifant verhief,
+ Om, met van drift gewiekte voeten,
+ Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,
+ Dat louter liefdespelen zag
+ In 't uur des echts van nacht en dag.
+
+ Helaas! de mensch voedde and're driften:
+ Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd
+ Van laag gewas en hoog geboomt',
+ Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften
+ En 't vonk'lend goud in donker blaauw
+ Verkeerde, een ranke, ruwe praauw
+ Op breeden vloed vast sneller voort,
+ Den haat, welligt den dood aan boord!
+
+ Een drietal mannen mogt ze dragen:
+ Twee wilden, naakt en bruin van leen,
+ Een witte schort om 't lijf geslagen,
+ Waaruit de scherpe kris verscheen;
+ Twee wilden, afgerigt op 't jagen,
+ Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,
+ Dat beurt'lings opsprong en verdween.
+ Waarom zij naar den boog niet tastten,
+ Wanneer ze een anteloop verrasten,
+ Schalk spelende op het oevermos;
+ Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,
+ Waar casuarissen hun pluimen
+ Van vloeib're paarlen deden schuimen,
+ Daar gaaikens staarden op hun dos?
+ Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,
+ Die school in 't loof, noch dook in 't nat,
+ Een blanke, dien zij met zich voerden,
+ Een blanke, die in 't midden zat,
+ Die aan zijn heup geen wapen had,
+ En, schoon geen banden hem omsnoerden,
+ Toch opzag en den Heere bad!
+
+ Wel mogt hij! Was op Texels reede,
+ Toen de oostewind ten leste woei,
+ En vlag en zeil zich grootsch verbreedde
+ En 't schip geslaakt werd uit zijn boei,
+ Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp
+ Op reis hem dagen zou ten kamp;
+ Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen,
+ Die hem zoo fier te roer deed staan,
+ Als lachte Java reeds hem aan;
+ Hoe in den verren oceaan
+ Zijn kiel, _'t Nieuw-Hoorn_, in brand zou vliegen,
+ Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe,
+ Had omgewend, de zeevaart moe!
+ En echter, 't leed was koen gedragen--
+ Vergeef dat woord van ijd'len trots;
+ In ootmoed schiep zijn ziel behagen--
+ Hij droeg het, waard de hoede Gods,
+ Die hem beschermde in 't golfgeklots,
+ Het laaije vaartuig uitgeslagen,
+ Die, voor den ingang van den nacht,
+ De scheepsboot tot zijn redding bragt.
+ Hij droeg het, zoo als echte vromen
+ Het jamm'ren doen,--des Heeren wil
+ Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil:
+ Des avonds kermende ingenomen
+ Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen;
+ De hulk was wel aan 't vier ontkomen,
+ Maar dreef, ontbloot van naald en zeil,
+ Der luimen van de baren veil.
+ En zie, hij onderwierp de winden;
+ Om 't sprietjen van de veege schuit
+ Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden,
+ De smalle banen klaat'rend uit;
+ 't Gestarnt zou hem den weg doen vinden!
+ En week de dag en viel de nacht,
+ En rees geen land bij 't morgengloren,
+ En deed de hongerkreet zich hooren,
+ En stilte niet dan dorst die klagt,
+ Slechts hij had moed, had troost voor allen,
+ Die zuchten aan het kleene boord,
+ En hield op deze ree hun woord.
+
+ Maar nu!
+
+ Zou hij, in gruwb'ren moord,
+ Hier weerloos, ongewroken vallen,
+ Gescheiden van den trouwen stoet,
+ Die met hem, eer nog de uchtend daagde,
+ Om lijftogt aan den wal zich waagde,
+ De streek, het dorp was ingespoed?
+ Ach! geen dier makkers had de wilden
+ Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach,
+ Waarmee de schaar hun worst'ling zag,
+ Toen zij hun kracht den buffel spilden,
+ Die 't koord des leiders scheurde als rag;
+ Het dier, door hen vooruit betaald,
+ Vervolgd, en toch niet ingehaald.
+ "Neen, broeders," mogt hij hen bezweren,
+ "Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk
+ Van nacht niet wijlen bij dit volk."
+ Zij scholden hem een onheilstolk;
+ Zij wilden naar de kust niet keeren.
+ Daar droeg de praauw hem naar de boot;
+ Daar bad hij: "Heere! zie mijn nood!"
+
+ Te regt; want onder 't peinzend staren
+ Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom[1],
+ Die schermen weefde van zijn blaren,
+ Wiens bloesem, wuivende op den stroom,
+ De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten,
+ Had hem een bont faizantenpaar,
+ In 't loof gedoken, doen verzuchten:
+ "Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!"
+ En even of de toon dier klagte
+ Zijn lot den roeijers had ontvouwd,
+ Werd de een, die straks zijn wenken wachtte,
+ Werd de aer, die eerst hem meester achtte,
+ Geblaakt door lust naar bloed en goud.
+ Ter sluik was de achterste opgesprongen;
+ Hem meldde 't vlijmend tandgesis.
+ De voorste zwaaide met den kris,
+ En spelde... doch hij was bedwongen.
+ Een kleine gift van luttel geld
+ Had beide een wijl te vree gesteld;
+
+ En zwijgend ging 't op gulden baren
+ De landstreek uit, der haven toe;--
+ Neen, eensklaps kweelde Bontekoe
+ Als waar' zijn togt een spelevaren:
+
+
+Noot 1: De Bombax, of zijde-katoenboom.
+
+
+
+I
+
+'T PASSEREN DER LINIE.
+
+ Stem: Wie had op Sinxen nacht
+ Gedacht.
+ _Vlaamsch Liedeken_.
+
+
+ _Scheepsvolk._
+
+ Daar rijst de god der zee
+ Alree,
+ Een wierkrans om de lokken;
+ Hij brengt zijn holle weerhelft mee;
+ 'k Wou dat hij 't wat meerminnen dee,
+ Al moest ik er voor dokken.
+
+ Wat vremde stoet heeft hij
+ Op zij,
+ Het viertal werelddeelen.
+ Die Azie is een oude prij;
+ Die Afrika te zwart voor mij;
+ Wie drommel zou haar stelen?
+
+ _Neptunus._
+
+ Wat hebben malle maats
+ Al praats!
+ Mijn staf jeukt in mijn ving'ren.
+ Wat volkslag ben je? van wat plaats?
+ Lieg niet, of jij zult buiten gaats
+ De lucht en zee zien sling'ren.
+
+ _De schipper._
+
+ Wij zagen in Kijkduin,
+ Neptuin!
+ Het leste van ons landjen;
+ Mijn scheepjen heet,--kijk niet zoo schuin,
+ Ons volk zei jij was in je tuin:
+ "Het Amsterdamsche Santjen."
+
+ _Neptunus_.
+
+ Ik dacht het, toen 'k je vlag
+ Straks zag:
+ Ik mag haar kleur wel zetten.
+ Maar drokker maak jij 't dan je plag;
+ 'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag
+ 't Wilhelmus nou trompetten.
+
+ _De schipper._
+
+ Wel, Oudjen! 't hartig lied
+ Is niet
+ Voor luije Jan geschreven;
+ Maar zeg eens of je in jou gebied
+ Ons nou van harte welkom hiet,
+ Wat offer moet ik geven?
+
+ _Neptunus._
+
+ Wat offer? Troe, toe, troe
+ Brr, oe!
+ Zoo doop ik al mijn hachjens.
+ Amerika! spuit harder toe;
+ Europe! ben je nou al moe?
+ Op, wijf! wat doe je 't zachtjens!
+
+ _De schipper._
+
+ Hei, hola! oude snaak,
+ 't Was raak;
+ Wij druipen door ons kleeren,
+ 't Is maar een kletserig vermaak;
+ Ik zal je, mits die regen staak,
+ Een mooijen duit vereeren.
+
+ _Neptunus._
+
+ 't Is alleman om poen
+ Te doen;
+ Geef op, en 'k zal je sparen.
+ Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen
+ In 't zog jou volkjen na mogt spoen,
+ Niet klappen van je varen.
+
+ Of wil je, dat ik tuig:
+ "'t Was ruig;
+ 't Had hair tot op de tanden."
+ Zoo gun mij 't scheeren met de duig;
+ 't Volk tart me al met hoezee gejuich;
+ Goe reis naar de Oosterlanden!
+
+ * * * * *
+
+ Aeloudheid! 't was geen ijd'le droom,
+ Dat Orpheus, spelende aan den stroom,
+ Op forschen klank van stem en snaren
+ En aarde en lucht ten rei deed varen;
+ Dat hij in weergalooze luit
+ Den schepter der natuur omklemde,
+ Die leeuwen en die tijgers temde:
+ Hier werkte een deuntjen wond'ren uit,
+ Een blij gelach, een vrolijk tieren
+ Verzelde 't staag en volgde 't lang;
+ Het was of 't schalke beurtgezang
+ De woestaards van geneugt' deed gieren,
+ Als zagen zij het scheepsfeest vieren,
+ Zoo juichten zij uitgelaten toe,
+ En ruimer aemde Bontekoe.
+ De veete tusschen werelddeelen
+ Trad niet zoo schril als straks aan 't licht;
+ De sterkte was opnieuw gezwicht,
+ Dewijl 't verstand weer dorst bevelen;
+ Vast minder hach'lijk stond de kans
+ Des weereloozen blanken mans!
+ Zijn hoofd hing langer niet gebogen,
+ Zijn regterhand niet strak op zij;
+ Er luchtte een fierheid uit zijn oogen,
+ Die aanspraak maakte op heerschappij--
+ Hij voelde zich ter helft weer vrij.
+
+ En toch, schoon 't onbesuisd geschater,
+ Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied,
+ Weergalmde langs het bosch van riet,
+ Dat spiegelde in het effen water,
+ Toch lachte bij van harte niet.
+ O, 't was in 't bidden om zijn leven
+ Gewis door God hem ingegeven:
+ "Het zingen redde u van den dood!"
+ En ijlings had hij van zijn lippen
+ Het lied, het wijsjen laten glippen,
+ Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot;
+ Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;--
+ 't Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel,
+ En wroeging trad in plaats van vrede,--
+ Aandoenlijk, Christelijk gevoel!
+
+ Wie heeft die teerheid van geweten
+ Des sterken voorgeslachts niet lief?
+ Een schakel van de onzigtb're keten,
+ Waar langs het zich, tot God verhief!
+ Een wijle peinzens,--toen bedaarde
+ Het zelfverwijt in 't vroom gemoed,
+ 't Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde
+ Uit d'angst, door schok op schok gevoed,
+ Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed,
+ Dat onbewust is wat het doet.
+ Eene and're wijl'--zijn vingers wischten
+ Het vocht af, dat in de oogen rees;
+ 't Was woeste lust noch bloode vrees,
+ Die van de keus des lieds beslisten;
+ De Heere was 't, die 't spoor hem wees!
+ Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen
+ In d'ommekeer van 't wilde paar?
+ Hier voegden klagten, droef noch zwaar,
+ Noch psalmen van den Harpenaar,
+ Die Isrel stemden tot vertrouwen,
+ Die Bontekoe, een hurkjen groot,
+ Al opzei aan zijn moeders schoot.
+ Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen,
+ En zuster Roeltjen werd geprezen,
+ Zijns vaders hulpe, sinds de dood
+ Der brave vrouwe de oogen sloot:
+
+
+
+
+II
+
+ROELTJEN UIT DE BONTEKOE.
+
+ Stem: So haest Gysjen had vernomen.
+ _Bredero_.
+
+
+Toelichting.
+
+ Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren, heette
+ eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader een herberg hield, de
+ _Bontekoe_ genoemd, in zijne jeugd meestal Willem _uit de Bontekoe_
+ geheeten, en behield later dien naam. "Eene woning bij het Hoofd,"
+ zegt de heer C.A. Abbing, in zijne _Beknopte Geschiedenis der stad
+ Hoorn, enz_. (Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) "vertoont nog in den gevel
+ zijn sprekend wapen."
+
+ IJsbrant-baas heeft drokke nering;
+ Schoon een man van luttel praats,
+ Lokt zijn huis schier alle maats,
+ Wordt hij rijk van hun vertering.
+ Vraagt ge: waar komt dit bij toe?
+ Ga eens naar de Bonte Koe.
+
+ Frisscher krans hangt nergens buiten
+ Dan zijn groene wingerdtak;
+ Maar zoo daar zijn roem in stak,
+ Mogt bij op zijn duim wel fluiten,
+ De eene quant riep d' aer niet toe:
+ Gaat ge mee ter Bonte Koe?
+
+ Spieg'len kan er zich een pronker
+ In het tin van kroes en kan;
+ Maar zoo menig vroeden man,
+ Maar zoo menig hoofschen jonker
+ Lonkt er zoeter spiegel toe:
+ Gaan we naar de Bonte Koe?
+
+ IJsbrant-baas weet wel van wanten;
+ Om een flinke, knappe deern
+ Loopt de jonkheid ter taveern;
+ Mooije schenksters, duizend klanten:
+ Dochterlief brengt daar je toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe!
+
+ Noch een fijn mennisten zusjen,
+ Noch een bloode pimpelmees,
+ Weet zij iets van angst of vrees
+ Voor een handdruk, voor een kusjen;
+ Toch laat zij niet alles toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe.
+
+ Waaghals wie haar durft omvangen!
+ Want haar hand is geen fluweel;
+ Schorre strijkstok op de veel
+ Van een paar gebaarde wangen,
+ Speelt zij regts en links maar toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe.
+
+ IJsbrant-baas houdt haar in eere:
+ Beugel, bouwen, haak en huik,
+ Alles draagt zij pronk en puik;
+ Vrijers krijgt ze heinde en veere;
+ "Maar ik zie voor Roeltjen toe,"
+ Zegt de waard der Bonte Koe.
+
+ Als, om 't klappen van zijn schijven,
+ Haar een lansk van trouwen praat,
+ Of een wulp haar gadeslaat,
+ Die zijn boel in 't riet liet drijven,
+ Roept hij: "Duimkruid hoort er toe,
+ Voor een waard der Bonte Koe."
+
+ "Vaderlief! wij hebben mony,"
+ Zeit ze dan, "in overvloed.
+ Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?"
+ En zij streelt zijn bolle trony;
+ "Roeltjens liefste, stem het toe,
+ Wordt de waard der Bonte Koe."
+
+ * * * * *
+
+ Erinn'ring voerde in haar gebied
+ Hem mede, toen hij 't zingen staakte;
+ Hij zag den schelmschen vrijer niet,
+ Die 't wijsjen in een omzien maakte,
+ En 't hartsgeheim van Roeltjen ried;
+ Het was of weer zijn jeugd ontwaakte,
+ Een lusthof groende in 't lief verschiet.
+ O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken!
+ Hoe vaak plagt Wim, al kloek van leen,
+ Schoon naauw zijn vijftiende ingetreen,
+ Des achternoens in u te duiken,
+ Om ruikers voor de schouw te pluiken,
+ En de oogen maar uit joks te luiken,
+ Als Roeltjen kwam met stille schreen.
+ Het aardig kind van zeven jaren,
+ Een wolk van frisschen levenslust,
+ Wou hem verrassen in zijn rust,
+ En trok hem bij de blonde haren,
+ En werd gegrepen en gekust.
+ Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden,
+ En riep: "Zie zoo, dat gaat te hoof!"
+ En scheurde een twijgjen uit het loof,
+ En dacht den klepper te kastijden,
+ Wijl aan haar voet de bloesem stoof;
+ En nu--nu school ze in luwt van blaeren,
+ Want gierend aan zijn arm ontglipt,
+ Want zwierend van het paard gewipt,
+ Was zij de boschjens ingevaren,
+ En riep van verre: "'t Is geen kind,
+ Die Roeltjen in den donker vindt!"
+ Dan rees hij op en zou haar vangen,
+ En tilde haar de scheem'ring uit,
+ Terwijl zij knorde: "Stoute guit!"
+ Of boos hem kneep in bei zijn wangen,
+ Of bad, die wilde weelde moe:
+ "Ei, kweel eens wat, ik luister toe."
+ En lang had Roeltjen niet te dringen,
+ Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen?
+ 't Lief kind scheen aan zijn zij' te springen:
+
+
+
+
+III
+
+LOUW EN DE WAARZEGSTER.
+
+ Stem: Ach, ach, nog eens ach,
+ 'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag.
+
+
+ _De Waarzegster._
+
+ Louw, Louw, flinke Louw!
+ Wel hoe heb ik het met jou?
+ Heugt je niet hoe maats we waren,
+ Toen je zoudt naar Groenland varen?
+ "Moertjen!" zei je, "'k ga naar zee,
+ Geef me een amuletties mee!"
+ En ik zocht eens in het zootjen
+ Dat ik erfde van mijn grootjen;
+ Maar het sticht niet hier op straat,
+ Ook herken je mij al, maat!
+ Ai, hoe ging het met het visschen?
+ Greep je een walvisch bij de klissen?
+ Heb je er zeven t'huis gebragt?
+ Zie ik droomde 't menig nacht.
+
+ Stil, stil! guitjen, stil!
+ Scheld het voor geen malle gril,
+ Mogt je beeld niet bij me wezen,
+ Als ik jou planeet moest lezen,
+ Voor je vrijsterken, mooi-Aagt,
+ Daar je mij niet eens naar vraagt!
+ 't Is een jeugdje van een meisjen;
+ Zoen je haar nog wel een reisjen?
+ Komt er van je hijlik wat?
+ 'k Wou dat ik haar jaren had,
+ Maat! ik bleef al even pover,
+ Maar jou diefzak vloeit wis over
+ Van dukaten, flinke Louw!
+ Wel, hoe heb ik het met jou?
+
+ _Louw._
+
+ Wijf, wijf! weergaasch wijf!
+ Te olijk hadt je mij bij 't lijf:
+ Toen ik, in de boot gesprongen,
+ Beertjen met zijn beide jongen
+ Uit de schotsen duiken zag,
+ Riep ik: "Komt maar voor den dag!"
+ Wou ik haan de voorste wezen,
+ Want je zei 'k had niets te vreezen;
+ Maar, wat meenje? met zijn klaauw
+ Bragt hij deerlijk mij in 't naauw,
+ En ik zwoer je zoudt het boeten.
+ Hola hei! niet uit de voeten,
+ Ik ben nog aan 't einde niet
+ Van mijn amuletties-lied.
+
+ Erg, erg, eens zoo erg
+ Ging 't me bij den Spitsenberg:
+ Kijk, daar kwam een walvisch boven,
+ En de twee fonteinen stoven,
+ En de harpoenier kreeg prik,
+ "Vrij," zoo dacht ik, "vrij loop ik."
+ Fut! toen hij zijn staart maar zwaaide,
+ Was 't of aarde en hemel draaide;
+ Vloekte ik jou niet als de pest,
+ Weet, ik lag ook buiten west!
+ Maar je vroegt straks naar mooi-Aagtjen:
+ Hieldt je dan een oog op 't maagdjen?
+ Voor den drommel, weergaasch wijf!
+ Heb me nou niet weer bij 't lijf!
+
+ _De Waarzegster._
+
+ Louw, Louw, flinke Louw!
+ Als of ik je foppen zou!
+ Wis, was jou de spreuk vergeten,
+ Die de kroon zet op de keten:
+ "Ebro--flavi--pactolus,
+ Dolu--ico--avamus!"
+ Hadt je dat er bij gepreveld,
+ Beertjen had je niet gekneveld,
+ En geen walvisch jou weerstaan;
+ Zie me maar zoo vremd niet aan.
+ Vraag het Marten, vraag het Flipjen,
+ Nou al reeders op het tipjen,
+ Of ooit lanspunt of harpoen
+ Meer dan deze spreuk mogt doen.
+
+ Maar, maar, jonge vaer!
+ Een en nog een zijn een paar.
+ Hoor, ik zal een an'dre leeren,
+ Om je meisjen te bezweren,
+ Dat zij je alles klappen zal,
+ Wie een zoentjen van haar stal,
+ Wie zij streelde met een kusjen...
+ Stuif niet op, zij heeft een zusjen.
+ Kom van avond bij me, maat!
+ Als de star in 't westen staat,
+ En mijn keteltjen zal zingen,
+ En mijn katertjen zal springen,
+ En ik ben wat, flinke Louw!
+ Of mooi-Aagtjen blijkt je trouw.--
+
+ * * * * *
+
+ Ach! spoedig werd het beeld verdrongen
+ Der minnelijke onnoozelheid,
+ Die hem, den wilden bootmansjongen,
+ Zoo dikwerf 't wijsjen werd gezongen,
+ Om t'huis te blijven had gevleid;
+ Hij zuchtte luid, hij dacht te poozen,--
+ Maar 't wachten viel zijn makkers zwaar,
+ Onstuimig werd hun handgebaar;
+ Wat liedjen moest er nu gekozen?
+ Daar schoot een aardig feit hem in,
+ Dat Holland in verbazing zette,
+ Toen heinde en veer de krijgsgodin
+ Den lof van Nieuwpoorts held trompette.
+ Een stoffe was 't voor elpen lier!
+ Helaas! hem werd zij niet gegeven;
+ Die, zonder dichterlijken zwier,
+ Voor 't volk het wonder had beschreven...
+ Doch reeds was 't wijsjen aangeheven:
+
+
+
+
+IV
+
+DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH.--1600.
+
+ Stem: Als't begint.
+
+Toelichting.
+
+ Ik weet niet beter te doen, ten einde ook het gros der lezers de
+ toespelingen in dit liedjen versta, dan de volgende plaats uit het
+ opstel _Simon Stevin_, in de _Bijdragen tot de Geschiedenis der
+ Wetenschappen en Letteren in Nederland_, door J.P. van Cappelle,
+ (Amst. van der Hey en Zn. 1821) hier af te schrijven:
+
+ "In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo de Groot
+ getiteld: _Vergelijking der Gemeenebesten_, komt de volgende zeer
+ opmerkelijke plaats voor: "Onlangs hebben wij ook aangevangen op het
+ land te varen; want wij bezitten wagens, die door den wind gedreven
+ worden, met zeilen voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als
+ een schip, daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te
+ worstelen hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een
+ ongeloof'lijken spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat men
+ mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke zij in beweging
+ geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond, toen men er binnen
+ minder dan twee uren tijds veertien van onze mijlen mee heeft
+ afgelegd, waarvan iedere den weg van een uur bevat." De
+ aanteekeningen van Meerman op deze plaats, gepaard met hetgene men
+ elders aantreft, berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een
+ ontwerp van Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der
+ uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de
+ Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst van het jaar
+ 1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig personen, waaronder
+ Maurits zelf, de broeder van den Koning van Denemarken, Graaf Hendrik
+ van Nassau, de Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking
+ verdient, ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die in
+ den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen nog jong,
+ woonde dezen togt bij. Men voer met eenen zuid-oostenwind van
+ Scheveningen. De Stadhouder nam het roer in de hand en voerde het
+ zeil. Toen dreef de wind den wagen met zulk eene snelheid voort, dat
+ hij niet scheen te rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te
+ Petten aankwam. Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna 's
+ menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl in zee,
+ waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door eene geringe
+ wending van het roer bragt hij hem in zijnen vorigen koers op het
+ strand." T.a.p. blz. 21 en 22.
+
+ Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking wage
+ met de fraaije verzen, waarin deze togt door de Groot en door Huygens
+ is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e couplet, heb ik ontleend aan Van
+ Meteren's beschrijving van den slag bij Nieuwpoort: "Milord ofte
+ Baroen van Gray--ende meer andere soo Enghelsche, Fransche, als
+ Hooghduytsche Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz
+ verselschapten." Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb gegeven, zal
+ men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het ergerlijk vinden, dat
+ ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en broeder des Konings van
+ Denemarken, "_Fanden ta dig!_" of "dat de Duivel u hale!" laat
+ roepen, en hem bovendien roode knevels heb gegeven; doch het laatste
+ scheen mij nog al nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval,
+ Ambassadeur van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet
+ verstaan. In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan
+ Bulleval heeten. Het slot, "Luctor et Emergo," (ik worstel, maar ik
+ drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd door het onderwerp
+ van zelf ingegeven.
+
+ Prince Mouringh reed langs zee
+ In zijn wond're koets met masten;
+ Half het Haagsche hof was mee;
+ Groote cijsen, rare kwasten,
+ Nog te noen bij Scheveling
+ Snelden ze al voor twee langs Petten,
+ Toen het holdebolder ging
+ En de koensten zich ontzetten:
+ Flap zei 't zeil en krak het roer;
+ 's Princen koets te water voer.
+
+ Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis,
+ En men staakte 't vleijend prijzen;
+ Ieder wenschte zich te huis;
+ Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen?
+ Alle tongslag sloeg een vloek;
+ Alle groote banjerts pepen,
+ En van angst werd buis en broek
+ Stuk gescheurd en kaal geknepen;
+ Prince Mouringh zag zoo snip,
+ Of hij vreesde voor zijn schip.
+
+ "_Narren!_" riep een Moffenheer,
+ "_Wo Hans Michel soll ertrinken,
+ Nicht in dieses salzes Meer.
+ In ein Weinfasz wirdst du sinken!"
+ "Das versprach_..." Daar nam een golf,
+ Die aan hem zich wou verwarmen,
+ Die hem sissende overdolf,
+ Forsch den likkebroer in de armen.
+ Oef! zijn neus, zoo vierig-rood,
+ Bleek te bros voor zulk een stoot.
+
+ De Admirant van Arragon
+ Zat zijn handschoen los te rijten;
+ 't Scheen dat zich de quant bezon,
+ Of hij blaffen zou of bijten.
+ Grimmig sprak hij tot den Prins:
+ "Krenkt ge mij een enkel haartjen,"
+ En hij streek de sik zijns kins.
+ "Zeker heeft die muis een staartjen!"
+ Maar zijn bleekheid dacht er bij:
+ "_Sante Madre!_" baat dat mij?"
+
+ "_Beautiful!_" begon Lord Gray,
+ Toen de zon door 't water straalde:
+ "_Lord!_" daar stoof zijn muts in zee,
+ Die met blaauwe veeren praalde,
+ "_Help, fetch back!_"--"'t Blijve onbeproefd,
+ Riep de Prins; "laat gaan die pluimen,
+ Daar hij twintig jaar op snoeft:
+ Alle wijven hebben luimen;
+ Maar Elisabeth was mal,
+ Zoo zij kaatste met dien bal."
+
+
+ "Fanden ta dig!" klonk in 't want,
+ En de Deen, met roode knevels,
+ Zag hoe Frankrijks afgezant
+ Laf zicht vasthield aan zijn stevels.
+ "_Ah! ne me refusez pas.
+ Prenez moi a la remorque_."--
+ "_Non, Monsieur, a vous le pas!_"
+ Bulleval had uit met snorken,
+ Als een lammetjen gedwee:
+ "_Henri Quatre en saura gre_."
+
+ "_Luctor et Emergo!_" riep
+ Prince Mouringh, en de wagen
+ Eensklaps weer ter kuste liep,
+ Waar men Petten op zag dagen.
+ "_Luctor et Emergo!_" klonk
+ Uit den mond van al de gasten,
+ Toen de Prins er 't welkom dronk,
+ En ze in puik van mossels brasten.
+ Mouringh zei tot d'Admirant:
+ "_Et Emergo_ Volk als Land!"
+
+ * * * * *
+
+ En nu, wat dacht hij onder 't zingen?
+ "Dat liedjen," zei hij, "haal de droes!"
+ Hij zag de naakte woestelingen
+ Het bruine lijf in bogten wringen,
+ Alsof dier talen mengelmoes
+ Hun 't hoofd deed draaijen als een roes;
+ 't Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen;
+ Zij hingen over 't praauwtjen henen
+ Dat schommelde uit den evenaar,
+ En 't water stoof hun tot de scheenen;
+ Nog duchtten zij geen lijfsgevaar:
+ Een oogwenk en den stroom ten buit,
+ Had zingen en had lagchen uit!
+ Maar neen, zij zagen 't en zij tastten
+ Ten scheppertjens,--al wolkend vloog
+ Het vocht, waarin hun voeten plasten,
+ Van ied're zij der boot omhoog;
+ En weer was ze in een omzien droog,
+ Weer moest hen zijn gezang vergasten.
+ Wie zich aan Breero's deuntjens stiet,
+ Hij luist're naar wat volgde niet:
+
+
+
+
+V
+
+MACHTELD.
+
+ Stem: Wijkker Bietje, die bij 't beekje.
+ _Vondel_.
+
+
+ Machteld had wel hooren luiden,
+ Wat of vensterkens beduiden
+ Die des avonds open staan;
+ Maar een weinig frissche koelte
+ Was zoo welkom na de zoelte,
+ En het hare stond maar aan.
+
+ Ook scheen 't zuchtjen louter weelde,
+ 't Zij het schalk haar bloezem streelde,
+ 't Zij het suisde in 't blonde haar;
+ Echter wuifde 't uit het loover
+ IJlings meer dan geuren over,
+ Zoet accoord van stem en snaar.
+
+ Als zij 't venster nu ging sluiten,
+ Zou de minnezanger buiten,
+ Haar in de onderkeurs bespien;
+ En dies zocht zij, schaamrood, schuchter,
+ Met de vingers om den luchter,
+ Achter 't saai gordijn te vlien.
+
+ Maar al had zij hooren praten,
+ Dat hij dra wordt ingelaten
+ Die 't ons op zijn luit bediedt,
+ Niet te luist'ren naar zijn bede,
+ Niet te naad'ren ook geen schrede,
+ Dat gedoogde 't hartjen niet.
+
+ Op haar bloote, blanke voetjens,
+ Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens
+ Dies naar 't raam: wat fraaijen val!
+ Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!
+ Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!
+ Neen, hij prees haar schoonst van all'
+
+ Was het waarheid wat hij kweelde,
+ Dat "de lieve lach, die speelde
+ Om haar lipjens, "kus mij!" riep,
+ "Maar dat de opslag van haar oogjens,
+ Wacht hield bij die nektartoogjens?"
+ Hoe zij naar den luchter liep!
+
+ Zie, al had zij hooren preeken,
+ Dat de booze liefst zijn treken
+ Uitspeelt achter 't spiegelglas,
+ Waarom zou zij, nu slechts muren
+ Haar bespiedden, niet eens gluren,
+ Of zij de allermooiste was?
+
+ En zij keek eens en zij knikte,
+ En zij keek weer en zij blikte
+ Op haar vlugge beentjes neer;
+ En zij danste een passedijsjen,
+ Naar een zacht geneuried wijsjen,
+ En zij knikte keer op keer.
+
+ Maar het was, terwijl zij zwierde,
+ Of het luik op 't hengsel gierde,
+ Of... doch langer geen geluid;
+ Echter kraakte vast de wingerd,
+ Om haar vensterken geslingerd....
+ Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!
+
+ * * * * *
+
+ En echter hebt gij 't lied beluisterd?
+ Een and're vraag, 'k was dies gewis,
+ Vol lachs of vol van ergernis?
+ Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd,
+ Getuig wat uw verbeelding is:
+ _Of_ schalke als die van vroeger dagen,
+ Wier wieken, gift van scherts en lust,
+ Op 't feestmaal werden uitgeslagen,
+ Haar smetteloosheid zich bewust,--
+ Die zonder blaam, die zonder vrees
+ Het menschelijke menschlijk prees;
+ _Of_... laat mij haar onreine noemen,
+ Die onder dubb'len sluijer kleurt,
+ Die eischt dat we ied're drift verbloemen,
+ Wijl ze elken zegen heeft verbeurd:
+ Wit graf waarbij de minne treurt!
+
+ Wat of zich Bontekoe verbeeldde?
+ Dat Machtelds minnaar binnen kwam,
+ Met zoete woordekens haar streelde,
+ En, louter liefde, louter weelde,
+ Een kus stal eer hij afscheid nam;
+ En... waarlijk verder dacht hij niet;
+ 't Bosschaadje hoorde een ander lied:
+
+
+
+
+VI
+
+PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.
+
+ Stem: Lorretjen.
+
+
+ Wat leide ik toch een leven,
+ Het prinsjen van de buurt!
+ Mijn stok is bruin gewreven,
+ Mijn kooi is glad geschuurd,
+ En ik kan klontjens krijgen,
+ Voor 't praten en voor 't zwijgen.
+ Ai! Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Houd mij je bekjen toe!
+
+ En zou ik mij dan storen
+ Aan 't smalen van dien knaap,
+ Die steeds wat nieuws wil hooren,
+ Die me uitscheldt voor een aap,
+ En mij zoo graag zou dwingen,
+ Een eigen lied te zingen?
+ Neen, Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Is daar te snugger toe!
+
+ Ik ken wel mijns gelijken,
+ Die wand'len over straat,
+ Die met een degen prijken,
+ Die zitten in den raad;
+ Zij kregen 't beste hapjen,
+ Door krek te doen als Papjen.
+ Een Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Waar past die al niet toe?
+
+ * * * * *
+
+ 'k Weet niet of u de les zal smaken;
+ De wilden lachten luide er om,
+ Terwijl 't refrein op eens een drom
+ Van papegaaijen deed ontwaken:
+ Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weer;
+ De vogels wisten van geen schuwte;
+ De zoelte riep het tot de luwte,
+ Het strand den stroom toe keer op keer;
+ En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren
+ Des wilden wouds, der wilde waat'ren:
+ "Zing voort, ik ken geen liedje meer."
+
+ En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde,
+ Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot,
+ En 't paar weer rust'loos op hem staarde,
+ En half hem smeekte en half gebood,
+ Was hij niet slechts gereed te kweelen,
+ Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij,
+ Of 't lief tooneel van vrijerij,
+ Dat blanke Maas of gulden IJ
+ Op 't marmer van zijn vloed zag spelen,
+ Een warmte hem mogt mededeelen,
+ Als reed hij schaats, als vrijde hij:
+
+
+
+
+VII
+
+WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.
+
+ Stem: Mijn zoetje!
+ Ik moetje (_met variatie_.)
+ Starter.
+
+ Wijs Klaertjen
+ Zou 't paartjen,
+ Liefst zamen alleen,
+ Verzellen
+ Of kwellen,
+ 't Was moeder schier een,
+ Mits 't zusjen
+ Elk kusjen
+ Haar klappen mogt t'huis:
+ Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.
+
+ Min bloode
+ Dan noode
+ Ging 't vrijsterken mee;
+ Te waken,
+ Te laken,
+ Voedt vriendschap noch vree,
+ En Govert,
+ Betooverd
+ Door Elze zijn lief,
+ De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!"
+
+ Hoe prachte,
+ Hoe lachte
+ Die olijke guit,
+ Bij 't winden
+ En 't binden
+ 't Wijs zusterken uit!
+ Zij gromde,
+ Zij bromde
+ Om 't schalke gezeur,
+ Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.
+
+ "Mag praten
+ Niet baten,"
+ Was moederliefs woord,
+ "Men jage
+ Den trage
+ Door voorbeelden voort!"
+ Dies rende
+ In 't ende
+ Ons meisken het paar
+ Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.
+
+ Eerst reed zij;
+ Toen gleed zij;
+ Straks peinsde ze een poos:
+ "Die terger!
+ Ik erger
+ Mij niet aan 't gekoos.
+ Omhelze
+ Hij Elze,
+ Mits verre van stad!"--
+ Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.
+
+ Waratje,
+ Mijn schatje,
+ 't Bleek dwaas overleg.
+ Zij blikte,--
+ Zij schrikte,--
+ Het paartje was weg!
+ Wat riep zij!
+ Wat liep zij!
+ Half spijt en half vrees,
+ En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.
+
+ Toch staarde,
+ Toch waarde
+ Getrouw haar op zij
+ De rapste,
+ De knapste
+ Der dartele rij,
+ Noch jonker,
+ Noch pronker,
+ Maar geestige guit
+ Haar aan,--om haar heen,--en borst eindelijk uit:
+
+ "Mooi Grietjen!
+ Dat hiet-je,
+ Of wel, liefste Leen,
+ Of Antjen,
+ Mijn Santjen!
+ Maar dat is al een.
+ Schalk zoetjen
+ Nu moet je
+ Met mij op de baan;
+ Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan."
+
+ Met greep hij,
+ Met kneep hij
+ Haar worst'lende hand,
+ En zeide
+ En beidde:
+ "Spreek op,--naar wat kant?"--
+ "Ik heet niet...--
+ Ik weet niet...--
+ Ik zoek Elze-zus."--
+ "Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus."
+
+ Zij gluurde eens,
+ Zij tuurde eens
+ Wie hij wel geleek;
+ Toen bloosde,
+ Toen poosde,
+ Toen werd zij schier bleek;
+ En 't gapen
+ Der knapen,
+ Die 't aanzagen, moe,
+ Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.
+
+ O Joosjen,
+ Mijn Troosjen,
+ Wat reden zij snel!
+ Wat beende,
+ Wat leende
+ Zij weelderig wel!
+ De molen,
+ Verscholen
+ In 't graauw van de lucht,
+ Verrees--was zij op--was--voorbij in hun vlugt.
+
+ 't Ging schriller,
+ 't Werd stiller
+ Op 't ijs om hen heen.
+ "Dra komen
+ Die boomen,
+ Dan zijn wij alleen!"
+ Sprak 't kwantjen
+ Die 't handjen
+ Nu vaster nog kneep.
+ Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.
+
+ "Daar achter
+ Geen wachter,
+ Die nijdig bespiedt;
+ Voor kunstjens
+ Uw gunstjens,
+ Dat weigert ge niet!"
+ Met ijlden,
+ Met wijlden
+ Ze op de eenzame plek,
+ En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.
+
+ "Rust, meisjen!
+ Van 't reisjen;
+ Ik merk, je bent moe."
+ Hij rende,
+ Hij wendde,
+ Zij lachte hem toe;
+ "'k Heb fraaijer
+ Geen draaijer
+ Gezien op de baan,
+ Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."
+
+ Flip keerde;
+ Zij weerde
+ Den stoutert wel af,
+ Maar pruilde
+ Noch druilde,
+ Wat pas het ook gaf.
+ "Hoe heetje?"--
+ "Dat weetje."--
+ "'k Geloof haast van ja,"
+ Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.
+
+ Eilacie!
+ Tentatie
+ Dient ijlings ontsneld;
+ Op dralen
+ Rijmt falen;
+ Dra struikelt die helt!
+ Vast sling'ren
+ Zijn ving'ren
+ Om 't lijfjen zich heen,
+ Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!
+
+ Maar gluipen,
+ Maar sluipen
+ Die vroolijke twee,
+ Maar rijden,
+ Maar glijden
+ Zij niet naar de stee?
+ Zij komen
+ Vernomen
+ Door hem noch door haar;
+ 't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!
+
+ "Wel, zwager!"
+ De plager
+ Verrast hen alzoo.
+ "Wel, zoetjen!
+ Ik groetje,
+ Ik stoor je maar noo.
+ De vrijheid
+ Is blijheid,
+ Is t'huis op het ijs.
+ Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."
+
+ Luid schreijend,
+ Hen beiend,
+ Houdt Klaertjen 't gezigt,
+ Bij 't blozen
+ Om 't kozen
+ Op 't ijsvlak gerigt,
+ En zuchtend
+ En duchtend
+ Reikt ze Elze de hand,
+ "De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"
+
+ "Neen, vrees niet,
+ Neen, wees niet
+ Eenkennig, lief kind!
+ Al knort zij,
+ Toch wordt gij
+ Opregt'lijk bemind.
+ Ik zocht je,
+ Ik mogt je
+ Al lang gaarne zien,
+ En 'k vraag je voor Lichtmis nog van je oude lien."
+
+ "Ai, Klaertjen!
+ 't Is 't aertjen
+ Van onz' aller moe;"
+ Spreekt zusjen
+ Na 't kusjen
+ 't Wijs vrijsterken toe.
+ "'k Betrapje,
+ 'k Verklapje
+ Dies toch niet te huis.
+ Op 't ijs met zijn drieen, dat schat ik een kruis!"
+
+ Al telt gij geeuwend de blaen,
+ Verkwist om slechts een schaats te slaan,
+ Voor hem school in de eenvoude woorden
+ Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!
+ Vergeefs was de avondwind belaen
+ Met myrrhe en mastik, langs de boorden
+ Des vloeds al walmende opgegaan,
+ Uit duizend kelken van gebloemt',
+ Die 't Oost hare offerschalen noemt.
+ Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;
+ Hem dorstte naar den geest der kracht,
+ Die de aard herschept in eenen nacht,
+ De graauwe wolken weg doet stuiven,
+ De starren oproept tot zijn wacht,
+ En, als hem de uchtend tegenlacht,
+ Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,
+ Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,
+ Een vonk'lende juweelenschacht.
+ Maar niet alleen het forsche streelen
+ Der 't bloed bevleugelende lucht
+ Was de oorzaak van zijn diepen zucht:
+ Hij droomde van een klein gehucht;
+ Hij zag der landjeugd schalke spelen
+ In de arreslee, bij 't schaatsgenucht;
+ En 't liefste meisjen uit de schaar,
+ Dacht zij aan hem als hij aan haar?
+
+ Daar fluisterden zijn reisgezellen,
+ En trager werd de vaart der praauw;
+ Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?
+ Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;
+ Maar wat--wat bragt hen dus in 't nauw?
+ Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaauw,
+ Toch neigden zij ten golven de ooren,
+ Toch weerlichtte op 't verschiet hun blik,--
+ Een wijle drijvens--dubb'le schrik!
+ Ook hij zag nu het woudvier gloren;
+ Ook hem deed zich de krijgszang hooren,
+ Wier flaauwe klanken 't paar al ving
+ Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;
+ En hij verstond uit hun gebaren,
+ Hij las het in hun schroom en spijt,
+ Dat achter 't rood gordijn dier blaeren
+ Tien, vijftig, honderd krijgers waren,
+ Met hen en met hun stam in strijd!
+
+ Het strand werd levend wijd en zijd!
+
+ Op eens verkeerden hun gezigten,
+ Terwijl de kris des voorsten rees,
+ En de and're greep naar boog en schichten,
+ En proef nam van de kracht der pees:
+ Ze ontveinsden mannelijk de vrees,
+ Zoodra der vlammen feller lichten
+ Hen d'oversterken vijand wees;
+ Zij wilden niet dan strijdend zwichten!
+ En leenden naauw den blanke 't oor,
+ Die, toen de praauw het strand genaakte,
+ 't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,
+ Een lied zong--dat een heek'laar maakte:
+
+
+
+
+VIII
+
+INKEER.
+
+ Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,
+ X. Het quantjen zong gelijk een lijster.
+ _Beurtzang_.
+
+
+ De Oom
+
+ De wereld, die in 't booze ligt,
+ Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;
+ 'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,
+ En straks mijn testament gemaakt.
+
+ De Neef
+
+ Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen
+ Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.
+ Wat kijk ik graag, bij lange togen,
+ Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!
+
+ De Oom
+
+ Wat zou mijn neef met schijven doen?
+ At hij zijn korentje niet groen?
+ Al wat ik spaarde wierd verkwist;
+ Ik wil geen snollen bij mijn kist!
+
+ De neef
+
+ Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten
+ Mij dezen avond na mogt laten,
+ 'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,
+ En kocht een boeijer en twee vossen.
+
+ De Oom
+
+ Dies maakte ik alles aan de kerk,
+ En krijg een lofdicht op mijn zerk.
+ En echter, 't is mijn naaste bloed;
+ Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.
+
+ De Neef
+
+ Wat zou ik als een banjer pragchen!
+ Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,
+ En, arme deern, mij dra verliezen!
+ 't Had dan uit juffers maar te kiezen.
+
+ De Oom
+
+ "Het geld," zoo sprak de vrome man,
+ "Behoort den regten erven, Jan!
+ En wie dies zalig sterven wil...."
+ Wel, waarom niet een codicil?
+
+ De Neef
+
+ Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,
+ Zei ik; "adie mijn guitentsukken!"
+ En zou, wie had het kunnen droomen?
+ Door schoonvaer nog op 't kussen komen.
+
+ De Oom
+
+ Hoe stel ik best 't legaat op schrift?
+ 't Legaat? dat ware een halve gift:
+ Hij heeft wat noodig naar ik raam;
+ Hij is de leste van mijn naam!
+
+ De Neef
+
+ Het is wel waar wat looze Gijs zeit:
+ "De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,"
+ Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,
+ Om er mijn aapjen in te houen.
+
+ De Oom
+
+ Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,
+ Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!
+ 'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;
+ Roep den Notaris toch weerom!
+
+ De Neef
+
+ 't Is zonder heksen toch te leeren;
+ Ik ken wel erger, die regeeren.
+ Staat niet in 't Burgermeesters boekjen:
+ "Wijs bij de lui, mal om een hoekjen?"
+
+ * * * * *
+
+ Een korte wijle zweeg 't getier
+ Der uitgelaten rei van wilden,
+ Die in een laaije zee van vier
+ De spietsen, die hun vingers drilden,
+ Nu dompelden ten gloenden doop,
+ En fluks in vogelvluggen loop
+ Die midden uit de vlammen tilden.
+ Een oogwenk zweeg de ruwe hoop,
+ Om over 't roode vlak der baren,
+ Het praauwtje grimmig aan te staren;
+ Maar de invloed van het schalke lied
+ Verloochende ook bij hen zich niet!
+ Zij deden 't sein des vredes wapp'ren,
+ En de ouderdom herriep de dapp'ren,
+ Die, om den erfwrok lang gehuisd,
+ Vast in den breeden vloed zich waagden,
+ En heup en borst van schuim ombruist,
+ De waap'nen in de slinke vuist,
+ Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.--
+ Ach! kind'ren van hetzelfde land,
+ Maar die elkanders rust belaagden,
+ Om onderscheid in offerrand'!
+
+ Was hun de blanke vreemd'ling heilig,
+ Of achtten zij een man zoo koen
+ Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig?
+ Wie lust had om de vraag te doen,
+ Niet hij, die wenkte voort te spoen;
+ En 't paar weerstreefde hem niet langer.
+ De breede stroom, der zee genaakt,
+ Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt.
+ Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger:
+
+
+
+
+IX
+
+JAN COMPAGNIE.[2]
+
+ Stem: Speelnootjes heft eens vrolijk an.
+ _Bruiloftsliedeken_.
+
+
+ De trommel van de Staten werft:
+ Lang leev' de Prins, hoezee!
+ Maar zoo men in het veld niet sterft,
+ Wat brengt men er uit mee?
+ Een stijven arm, een houten poot;
+ De drommel hale die!
+ Is 't geldjen op, en komt de nood,
+ Ik ken Jan Compagnie.
+
+ Wat hielp dat brammetje in zijn tijd
+ Al meisjens 't hoofd op hol!
+ Wat had dat boeijen wijd en zijd
+ Den kerfstok spoedig vol!
+ "Weg!" riep zijn vaer, en "wee!" zijn moer.
+ "Mijn rijk is uit, adie!"
+ Hoe arm hij naar Oost-Inje voer,
+ Hij werd Jan Compagnie.
+
+ 't Was in en uit met d'Amboinees;
+ Hij prees zijn specerij,
+ Maar toffelde den Portugees,
+ En had de handen vrij,
+ Ter nood verliep nog jaar en dag,
+ Daar kwam een vloot in 't Vlie,
+ De rijkste, die ooit Holland zag;
+ Haar zond Jan Compagnie.
+
+ De wilde snaak werd groot sinjeur;
+ Hem huift het zwarte volk
+ In wierookwalm en ambergeur;
+ Hij lucht er uit een wolk!
+ Met vonkelende sluijerkroon
+ --Juweelen sieren die--
+ Weerspiegelt daar op gouden troon
+ Mijnheer Jan Compagnie.
+
+ In 't palmbosch klinkt de schelle luit
+ Der Bajaderen-schaar:
+ Hij kiest van daag de schoonste er uit,
+ En morgen weer een aer.
+ "Wat baatte me al mijn overvloed,
+ Het rijk, dat ik gebie,
+ Ontbrak mij hier 't zoetste zoet
+ Omhels Jan Compagnie!"
+
+ Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee:
+ Oranje blanje bleu!
+ Een schip doemt op; hij roeit ter ree,
+ Als was hij 't rusten beu:
+ "Weest welkom, maats! hoe lang je reis?
+ 'k Ben blij dat ik je zie.
+ Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais?
+ Wie zoekt Jan Compagnie?"
+
+ "Ik!" roept dan menig losse guit,
+ Die, baasjen van de baan,
+ Vroeg scheidde van zijn mooijen duit;
+ Hij spreekt hem vroolijk aan:
+ "Heb jij geraasd, mijn eele vent!
+ Wie deed het niet, ai, wie?
+ 'k Was als de bonte hond bekend;
+ 'k Wierd toch Jan Compagnie!"
+
+ En, wonder! na een jaar vier, vijf,
+ Hijscht elk er 't zeil in top,
+ En reedt een schip en neemt een wijf,
+ Staat voor een ton niet op;
+ 'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan,
+ Schoon ik den boom al zie,
+ En laat der Staten trommel slaan:
+ Lang leef Jan Compagnie!--
+
+ * * * * *
+
+ Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover
+ Het koeltjen, aangesneld uit zee,
+ Die ruwe klanken vrolijk over!
+ Wat scheen het wilde paar gedwee,
+ Toen 't praauwtjen voortstoof naar de ree!
+ Zij staarden onder het luchtig ijlen,
+ Beheerscht door d' indruk van het lied,
+ Nu oost- dan westwaart in 't verschiet,
+ Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen,
+ Hun nog geen zeekasteel verried;
+ Want beide waren ze onder 't schaat'ren
+ Der leste wijs van Bontekoe,
+ Bij 't luid "Jan Compagnie" te moe,
+ Als riep hij uit den schoot der waat'ren
+ Den geest op van het verre West,
+ Die, d' oorlogsbliksem in de handen,
+ Verscheen aan de Indiaansche stranden,
+ En fluks zijn troon er had gevest,
+ Alree vermaard in de Oosterlanden,
+ Voor leeuwenkuil en arendsnest.
+
+ 't Was ijdel duchten, ijdel staren.
+ Geen wolk van rook, geen flits van vier
+ Schoot over 't zilv'ren vlak der baren;
+ Geen schip, op tal van masten fier,
+ Viel langs de gansche ree te ontwaren;
+ Wat vaartuig bragt den blanke hier?
+ De wilden vroegen 't, schoon hij rees
+ En 't zeilenpaar der boot hun wees.
+ Half duikende onder kokosboomen,
+ Ontsnapte ze in de baai 't gezigt.
+ Daar gaf hij 't sein--en werd vernomen;
+ Daar riep hij luid--zij gleed aan 't licht:
+ Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen,
+ Of hield den blik ter zee gerigt,
+ Als greep een feller smart hem aan
+ Dan 't man'lijk harte kon weerstaan.
+ O vijftienjarig ijdel streven!
+ O hoop, zoo lang vergeefs gevoed!
+ Hoe vrolijk had hij van den steven
+ Den Ooster-Oceaan begroet,
+ Den kijker in de hand geheven,
+ En lucht gezien en land vermoed,
+ Tot schril de kreet weergalmde in 't want:
+ "Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!"
+ Weer dwarrelde alles hem voor de oogen,
+ Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht,
+ De bleeke schrik,--de bange klagt,--
+ De flaauwe hoop,--het ijdel pogen,--
+ De vlam, die schoot van stee tot stee,
+ Het noodgeschrei: "de boot in zee!"
+ En toen, het toppunt der ellenden,
+ Geen tucht meer--hoe?--geen zelfbedwang,
+ Voor sluike vlugt, het wild gedrang
+ Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden,
+ 't Gekerm,--'t gebed,--een dof gerucht...
+ En schip en manschap in de lucht!
+
+ Toch werd uit die herinneringen
+ Van heil en hoop, van vlam en vier,
+ De mijmeraar door t' luid getier
+ Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen,
+ Wat beeld kon zulk een rouw verdringen?
+
+Noot 2: De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten April 1602
+opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden bloei: "_La Richesse de la
+Hollande a Londres aux Depens de la Compagnie_," pag. 33 etc.
+
+
+
+
+X
+
+DIEUWERTJEN.
+
+ Stem: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept.
+ Hooft.
+
+
+ Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
+ Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,
+ Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om,
+ Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.
+
+ Wit van den hagel, maar warm trots de kou',
+ Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw;
+ Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier
+ Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.
+
+ Echter was 't later als jeukte mijn scheen,
+ Schoof ik je digter, je schooft verder heen,
+ En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg,
+ Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.
+
+ 't Vreezen en beven--het had schier geen end';
+ 't Huis van je moeder was jij zoo gewend.
+ Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit,
+ Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.
+
+ Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
+ Onder dat wiegekleed giert onze Claes.
+ Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen,
+ Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!
+
+ * * * * *
+
+ O liefde, die in Hollands streken
+ Alom altaren zaagt ontsteken,
+ Eer kiesch den voorrang won van kuisch
+ En gouden ketens fulpen banden
+ Vervingen in de Zeven Landen,
+ O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch
+ Bij onze heldenvad'ren t'huis!
+ Wie schetst uw wonder alvermogen
+ Op 't onverdorvene geslacht,
+ Dat klagt noch knieval wou gedoogen;
+ Dat, louter licht en lust in de oogen,
+ Het schoon zijn hulde al juichend bragt,
+ En toch zijn eerbied voor de vrouw
+ Verkondde in echtelijke trouw!
+ Wat harte dat gij niet regeerdet,
+ Wat harte dat gij niet herschiept,
+ Gij, die den vroeden schalkheid leerdet,
+ De lachjens tot den stugste riept,
+ Beheerscheresse van de jeugd,
+ Haar hoogste heil, haar hoogste deugd!
+
+ Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde,
+ Dat aanlokte uit het slechte lied,
+ Het droef gemoed des zwervers streelde,--
+ Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde,
+ Zijn gister en zijn morgen niet!
+ Zoo min zijn worst'ling met de golven,
+ Waarin hij, na den gruwb'ren slag,
+ Een lange wijle was bedolven,
+ Waaruit hij, toen hij 't licht herzag,
+ Niets hoorde dan het bang geklag
+ Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen,
+ In 't rustelooze nederzegen;
+ Als 't stil verzuchten om den dood,
+ Toen laaije dorst en wreede nood
+ Het scheepsvolk, onder 't angstig varen,
+ Ten voedsel dat hen overschoot,
+ De jongens vratig aan deed staren,
+ 't Gebrek dien gruwel schier gebood,
+ Wierp langer uit het droef verleden
+ Zijn schaduw dreigende over 't heden,
+ En zijn verschiet? 't Was of de kust
+ Van Java opdoemde uit de baren;
+ En bleek door twee en dertig jaren
+ Het vuur der jeugd nog niet gebluscht:
+ Zijn baard verried reeds graauwe haren;
+ Hij had ten verd'ren togt geen lust;[3]
+ De kiel, waarmee hij t'huis zou varen,
+ Lag op de reede al uitgerust.
+
+ Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken;
+ Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij
+ Van uit het oord van 't uchtendkrieken
+ Naar 't avondrijk de Kaap voorbij!
+ Daar deed de wind in 't loof der palmen
+ Den groet der koop'ren keel weergalmen;
+ 's Lands vlagge wapperde op Guinee!
+ Daar tintelden de witte kruinen
+ Van Hollands wachtgelijke duinen!
+ Hoe seinde hij de Hoornsche ree!
+ En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten
+ Der overwelbeminde kust
+ --Waarin misschien de dierste al rust!--
+ Voorafgaat,--neen! het wuivend groeten
+ Van Guurtjens kleine, blanke hand,
+ Wier pink weerschittert van zijn pand!
+ Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen,
+ Voor goud of roem uw zegen veil,
+ O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil!
+ De man is wijzer weergekomen,
+ Een bloeijend kroost, een brave vrouw,--
+ Ai, niets en gaat voor de echte trouw!
+
+ "Ha, schipper!"
+
+ Holland was verdwenen!
+ Sumatra's kust, het wilde paar,
+ Hij werd die ijlings weer gewaar;
+ Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen
+ Ter plek, waarop zijn trouwe schaar
+ Hem toefde er met de boot verschenen:
+ Hij was ontkomen aan 't gevaar!
+
+ Wie eischt van mij de groep te schetsen
+ Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving?
+ Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen;
+ Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring,
+ Die luist'rende aan zijn lippen hing!
+ 't Geheim des meesters ging verloren,
+ En daarom zij u 't woord genoeg:
+ Dat ieder zich nieuwsgierig droeg,
+ Om 't lang verhaal ten eind te hooren,
+ En elk toch, door verbazingskreet,
+ Hem afbrak en herhalen deed.
+
+ "Wat lot onz' makkers is beschoren,
+ Helaas! wij zullen 't morgen zien!
+ En nu, ik kan niet meer, goe lien!
+ Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen."
+ Dat stiet hij, met een schor geluid,
+ In 't eind den moeden gorgel uit.
+ "Tot morgen!" zeide zij en gingen
+ Naar hunne loovertenten toe.
+ Een omtrek nog van Bontekoe:
+ Hij boog zich voor den Heere neder
+ Voor dat de slaap zijne oogen look,
+ --Een vol gemoed is dubbel teeder--
+ En Guurtjens beeld verscheen hem weder,
+ En voor zijn Guurtjen bad hij ook!
+
+1840.
+
+
+Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in
+het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde
+mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats
+in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste
+gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord
+waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar
+hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men
+beseild en besiet, wat konditien, profijten en vermakelykheden dat men
+geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel,
+van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope
+heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en
+sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde
+en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der
+welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr.
+W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder
+wedervaren te vinden.
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERHALEN
+
+Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen
+--Hanna
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+BLAAUW BES, BLAAUW BES!
+
+(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)
+
+
+Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den
+dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen
+straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om
+te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke
+onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de
+Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor
+van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten
+kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had
+doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weerzin opgevangen
+woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn
+studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd
+of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten
+beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten
+opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax
+hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld,
+waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de
+beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op
+de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van
+visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het
+voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel
+ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren
+vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die
+het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte
+gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje,
+--de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht;
+--om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de
+behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden
+niet onaardig toetst, als gij neerblikt, de rosse schijn eener lantaarn,
+als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen
+sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt
+gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeen hebt dank
+te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld
+verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als
+hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past?
+Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene
+onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder
+die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had
+uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge
+doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der
+verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet
+enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet
+louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide
+overdrijvingen wekken zoo velerlei weerzin op, dat ik dien onmogelijk in
+eenen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen
+van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling
+van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een
+der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig
+mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren
+eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer
+uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder
+behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u
+van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van
+beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven,
+die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans
+afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook
+mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te
+geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen,
+van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de
+laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer
+tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet
+zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem
+heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends
+aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje
+roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden,
+dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen,
+schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die,
+bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre
+dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang
+zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen,
+welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te
+verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo
+schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de
+welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de
+dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar
+waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen
+voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons
+verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede
+schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne
+inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die
+de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet!
+
+
+"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer
+hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen
+heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en
+de bezien, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw
+van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare
+gansche mand leeg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten.
+Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen
+wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer
+te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast
+verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide
+kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de
+hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf
+van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest,
+dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit
+mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de
+tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het
+jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk
+verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf,
+zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn
+geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot
+het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke,
+dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is
+met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den
+blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn
+blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben
+verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen
+niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond
+en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in
+de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt
+aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had
+geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad
+en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog
+invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen
+voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid,
+door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen
+niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier
+stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken,
+zou opgehouden hebben, u weerzin in te boezemen, want er had een lachje
+over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder
+allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl
+iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar
+troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen
+toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies
+van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel
+die genade had gevonden bij God!
+
+_Une femme qui n'a plus d'age_ is iets vreeselijk-leelijks, als
+Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der
+oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het
+overige in al zijnen omvang geeerbiedigd), ook aan het onderscheiden
+volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de
+bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?
+
+"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het
+vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit
+gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te
+zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke,
+harer de lippen blaauw verwende bezien niet. En echter was het blijkbaar,
+dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet
+verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre
+van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar
+na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het
+huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door
+geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige
+plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes,
+blaauw bes!" haar hebben geergerd; thans scheen zij even goedwillig de
+oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze
+pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht
+voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest.
+Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op,
+en de schel ging over, tot twee malen toe.
+
+Een knecht, in geel linnen jas, deed open.
+
+"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw.
+
+"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads
+heeten Sanne en Saar, en--"
+
+"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het
+huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de
+knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn."
+
+"En dat zou geen wonder wezen."--
+
+Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener
+kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez
+donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de
+blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare
+nasporingen voortzette.
+
+"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar
+of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?"
+
+"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem
+ik geene notitie," was het antwoord.
+
+Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de
+veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.
+
+"Foei, Emilie!" zei haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was
+zoo'n vrolijke, vriendelijke meid."
+
+Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.
+
+"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die
+nare, norsche jufvrouw, Numero Acht."
+
+"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude.
+
+"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goelijk, "maar die is
+buiten."
+
+"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang.
+Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe
+schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.
+
+"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het
+weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.
+
+"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar
+trekvogels."
+
+"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist."
+
+Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.
+
+"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank
+zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde
+gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn
+blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neer; maar of de
+oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang
+duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die
+nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.
+
+Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden,
+weer op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je
+dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----"
+
+"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?"
+
+Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet
+op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het
+ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend
+had.
+
+"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk.
+
+Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij
+het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten
+onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje
+verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die
+aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest;
+en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot
+genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans
+beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek
+wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil,
+en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed,
+wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden
+niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd
+groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld,
+geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man,
+had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs
+willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het
+zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering
+geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan
+waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem
+getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!
+
+Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven!
+
+"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in,
+om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er
+"blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie
+haar wenkte.
+
+"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig
+wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm;
+het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.
+
+"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven
+de natuur.
+
+"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je
+vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz?
+mijn man is zoo gek met den guit!"--
+
+Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe
+weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden
+van haar antwoord er uitkwamen.
+
+"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een
+rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor
+ik."
+
+"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de
+moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw
+Hendriksz?"
+
+"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je
+twee en een' halven cent weerom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van
+me, ik kom nog weleens weer aan."
+
+"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden
+dag."--
+
+Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging
+verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van
+dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot
+Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de
+hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed
+getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik,
+dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was
+Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed
+gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of
+had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet
+aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat
+de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve
+boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou
+worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.
+
+Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht
+der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken,
+die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in
+verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het
+vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs
+deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem
+niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij
+eindelijk waar zij wezen moest.
+
+"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf
+aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij
+zou naar huis gaan, geloof ik."
+
+"Ach God!"
+
+En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de
+Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.
+
+"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat
+mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt.
+
+Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij
+hare moeder kondt zijn," sprak de meewarige man.
+
+"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende
+het glas water had leeggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef
+ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur
+geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat
+haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was
+ongeveer drie maanden geleden!
+
+Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van
+den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen
+ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof,
+waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij
+zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En
+echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij
+deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij
+beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar
+was Eefje? hoe zoude zij haar kind weervinden? Slechts een gebouw
+teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp
+tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten
+wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_.
+Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen,
+gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het
+haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze
+der moeder niet toewenschte.
+
+"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des
+huizes, bewogen.
+
+"Onder de mindere menschen wel; maar die zullen mij weinig kunnen
+helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar
+ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?"
+
+"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..."
+
+"Maar--toch--eer--lijk?"
+
+"Ja, vrouwtje! ja!"
+
+"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze
+vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet
+uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een
+bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje
+niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die
+Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten."
+
+En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had
+neergezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den
+last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft
+misschien zelf kinders?"
+
+Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!
+
+De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje!
+dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter;
+--maar je vergeet je mandje--"
+
+"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--"
+
+Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op
+de lippen lag, maar die zij weerhield, de vraag, welke op het onderzoek
+naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij
+haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een
+licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat
+eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind
+eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze
+dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene
+schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen
+bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de
+tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen.
+
+Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al
+had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten
+om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje,
+een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde
+haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de
+hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer
+beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land
+te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans
+des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het
+eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het
+onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der
+schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in
+dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande
+zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan
+op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had
+gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als
+"de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven
+besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer
+keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet
+mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot
+haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes
+uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls
+voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in
+weerspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die
+gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat
+niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie
+behoort!
+
+De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste
+maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden
+balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en
+geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde
+zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het,
+dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom
+van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare
+lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien
+haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in
+staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist
+te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens
+deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig
+den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van
+loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.
+
+"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der
+onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de
+smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw
+door merg en been.
+
+En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin
+instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van
+vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van
+eenen naam scheen te kunnen wekken.
+
+"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de
+jammerende moeder voort.
+
+"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder
+naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed
+had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en
+had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer
+gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weer louter
+oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien,
+eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij,
+zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te
+hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was
+er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon?
+
+"Wouter!" riep de meesteresse des huizes.
+
+Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk
+als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige
+trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.
+
+Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.
+
+"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik
+wilde of niet."
+
+"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking
+verbaasd.
+
+"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd
+eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den
+jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder,
+"leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het
+gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.
+
+"Zij leeft, maar--"
+
+"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van
+zich, als ware hij de schuldige geweest.
+
+"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet
+niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo
+droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg.
+Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst
+kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en
+bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wel.
+Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze
+woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den
+volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw
+eraan--"
+
+"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid,
+die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij;
+Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden.
+Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.
+
+"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe
+bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit
+waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei
+ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weer, "Veel stiller
+ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te
+wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit
+in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de
+bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar
+kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje!
+als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met
+mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik
+gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik
+spreke--"
+
+Er school te veel poezij in die schets, dan dat het hart eener vrouw
+haar niet mee zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en
+evenwel is zij verleid."--
+
+"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als
+menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat
+zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad,
+zooals ik haar. En dan weer spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek
+van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij
+zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij
+kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje
+vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de
+schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je
+aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen,"
+zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag,
+kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch
+ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord
+sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene
+jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar;
+"mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan
+Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen."
+--"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar
+antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te
+weerleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."--
+
+En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij
+dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te
+zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten
+prijs van haar eigen verderf.
+
+"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.
+
+Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het
+gesprek maar al te wel had verstaan.
+
+"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"
+
+"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden
+vader komen moest!"
+
+En zij zeeg op den stoel neer.
+
+"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe;
+"vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."--
+
+"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont,
+zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"
+
+Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij
+viel andermaal in den stoel neer. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus.
+"Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende
+lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is
+weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?"
+
+Een oogenblik stilzwijgens.
+
+"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord
+ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?"
+
+En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te
+bidden, ook onder die bittere beproeving.
+
+"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje
+moet morgen mee!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar
+ligchaam!"
+
+Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van
+den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den
+schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en
+links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op
+de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan
+over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch
+wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de
+plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo
+verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in
+dat, 't welk de schemering voorafgaat, een jongman uit den drom had er
+blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat
+op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger
+nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.
+
+Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de
+verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter
+verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?
+
+Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in
+hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij
+er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de
+zomer weder zijne vruchten mee;--Amsterdam gij weet het, is nog niet,
+zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen
+geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten
+duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter
+onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend
+gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het
+blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:
+
+"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!"
+
+1845.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!
+
+
+ Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck;
+ Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven;
+ Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven;
+ Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas,
+ Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
+ Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,
+ En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,
+ Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,
+ Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,
+ Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,
+ En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,
+ En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,
+ En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!
+
+
+Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breero, welke ons
+in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner
+dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds
+bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep,
+waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen
+naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der
+zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het
+loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke
+wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor
+geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te
+vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er
+zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering,
+die ons vertelt, dat Jan de Witt maar een' dienaar had.--Ik tart u
+echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest
+te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel
+met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op
+het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte:
+de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen
+toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er
+niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische
+bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van
+Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder
+den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige
+verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand,
+dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de
+liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op
+statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren'
+wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst
+berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste
+kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen
+de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen
+Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto,
+dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen
+handen in evenredigheid.
+
+Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien
+uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u
+vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene
+gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het
+klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok
+de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen,
+--wie denkt gij dat het spoedigst moe zal zijn, de koetsier of de rossen!
+--scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje
+vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de
+woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden,
+krijgslui in. Daar plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat
+zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde
+u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander
+beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte:
+--toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of
+zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden;
+--toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het
+geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige
+kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest
+springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn,
+zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En
+echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens
+heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij
+karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden:
+hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle
+proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor
+ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is
+billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet
+hooge wijsheid, die daar een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op
+te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt:
+hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal
+wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt,
+ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik
+roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die
+den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt
+gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter!
+wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in
+de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone
+bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het
+oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een
+deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleerenmaker of
+schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in
+eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden,
+geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte
+wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen
+kantoorbediende gezien?
+
+Helaas, neen! Er ligt te weinig poezij in dien toestand, dan dat hij den
+onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid voor,
+zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat
+verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving
+kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot;
+het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor
+deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote
+wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat
+zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij
+als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft
+voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de
+onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn
+der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt
+omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk
+--hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide,
+dat hij een dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg
+--in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de
+vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel
+afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en
+dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg
+of van nooddwang, of van dweeperij, of, in exceptioneele toestanden, van
+deugd.
+
+Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan
+moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er
+waren toekomstige klerken in den hoop, tweeerlei soort zelfs, al was er
+niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog
+niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde
+jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn of kinderen van
+gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten
+gevolge van het verbeterd onderwijs, eene sport hooger zullen klimmen op
+de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in
+plaats van bazen;--of het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar
+armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een
+onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees,
+dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen
+herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den
+twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van,
+dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen.
+En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te
+brengen, dan dat er zooveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne
+bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door
+mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die
+niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit
+geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit
+beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er
+krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er
+krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit
+groene koren des kantoors bestaat daarin, dat de eene soort het voor
+een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden
+gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen,
+waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene
+verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een
+jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn
+leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl
+Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware
+geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen
+wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel,
+met voornemens en wenschen.
+
+Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding
+om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan
+eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij
+een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine
+eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote
+omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek
+beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching
+dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte
+eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste
+niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding,
+die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een'
+practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza!
+waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school
+voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting
+eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal!
+wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit?
+Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en
+sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen
+voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het
+Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van
+processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de
+schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs
+straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij
+wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller
+inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag
+slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van
+stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde,
+volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een
+verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving
+prijs gaf aan het voortdommelen in de eenige slavernij, uit welke onze
+vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging
+der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het
+Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan
+iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het
+oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de
+woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt,
+werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer een had kunnen
+volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het
+goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen,
+die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem
+onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van
+geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die
+geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon
+is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld!
+Slechts een schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen
+vrij mogt hebben; slechts een publiek, waartoe het hem vergund was te
+spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de
+Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de
+lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met
+Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was
+blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn
+breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er
+u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder
+te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven.
+Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling
+vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche
+phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest.
+Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe
+kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en
+_cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te
+leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten!
+Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth
+Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen
+hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren
+doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den
+eisch der beschaving, die invloed zochten door het eenige middel, dat
+dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen
+stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der
+Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het
+eenvoudige, ontwikkelde.
+
+Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar
+aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met
+mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen
+zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche
+teregtwijzing.
+
+Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan
+Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft,
+in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een'
+jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van
+zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den
+Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weer jonger knaap hem zal vervangen,
+en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken,
+boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk
+de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net,
+en dat duurt zoo eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van
+die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt
+bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld,
+bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes,
+alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai
+geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen client tot
+zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de
+mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te
+bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een
+nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare
+liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven,
+welke voor hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren
+waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te
+huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden
+geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen
+om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd.
+Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot
+notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er
+tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en
+trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat
+hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatien valt er ligt een
+baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weergaloos vet, maar
+toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene
+kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid
+tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat
+hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein
+ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen,
+hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een'
+vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend
+wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de
+Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft
+geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is,"
+zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen
+ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels
+afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij
+gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat
+uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt?
+Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wel
+afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert
+het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.
+
+Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in
+de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een
+burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu
+fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerlui zijn, och ja!
+Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene
+menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet
+zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs.
+Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't
+Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich
+aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of
+de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou
+der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen
+voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt
+staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om
+een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel
+zoo ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker
+ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen
+zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want
+er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest
+verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in
+onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die
+tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de
+bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man
+zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het
+beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de
+arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm
+uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk
+onderscheidt.
+
+"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt
+ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--"
+
+Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan
+hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig
+mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard,
+voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf,
+en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen.
+Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te
+onbarmhartiger, dewijl hij weerloos is,--maar o, hoe hij Staafje
+benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van
+nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje
+uitlacht!
+
+--Eene verdrietige pauze.
+
+"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!"
+eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon
+worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op
+het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord
+--de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij,
+eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den
+vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op
+het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog
+een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op
+te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den
+patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen
+was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands
+kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.
+
+"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje
+helpen."
+
+En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in
+van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te
+zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn
+stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het
+kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij
+zeggen.
+
+Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat
+kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke
+dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan
+eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt
+ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht
+ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene
+opkamer, daar weer boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de
+keuken; en nu, zie, of liever luister toe.
+
+Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en
+zaal langs, snel als een pijl omlaag.
+
+Piep--piep--piep--en de leege mand is weer boven; maar zou van den
+Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?...
+
+Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede
+mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten
+van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de
+bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.
+
+"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"
+
+En Rivers?
+
+Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen,
+spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de
+Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door
+eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap
+opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weerhouden kan te denken:
+
+"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als
+hij!"
+
+De wraak is hem al op de hielen.
+
+"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de
+patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou
+hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die
+met de overigen weer binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die
+"er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te
+trekken,--de mededinger in den dop!
+
+Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de
+straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het
+rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu.
+
+Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen,
+die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te
+verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn
+voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze
+voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of
+verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke
+gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des
+levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen
+eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poezij in den
+handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer
+beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken,
+der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur
+en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de
+kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe
+kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij
+het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles
+goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke
+allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe,
+ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen
+menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe
+studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin,
+eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij
+door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd
+bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet
+denkbaar is.--Poezij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der
+menschelijke natuur, die overal mee te dragen, die onder allerlei
+omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide
+alom op.
+
+Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_
+en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat.
+"Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat
+hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om
+de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neer te
+trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten
+eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels,
+vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ...
+maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en
+even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman
+slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden
+Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier
+hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar
+Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche
+vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den
+weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne
+scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal
+tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de
+turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch
+vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider
+uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we
+er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij
+onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij
+kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in
+den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de
+laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart,
+enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor
+kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het
+gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering
+wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de
+anderen de Varietes in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een
+glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid
+beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den
+middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen
+beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als
+hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt,
+om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener
+diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop
+toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet,
+hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet
+liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem
+betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes
+bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het
+hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt
+te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert
+en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is
+geengageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een
+allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt
+hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar,
+herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke
+klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich
+hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet
+dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk
+leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar een middel om
+gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich
+in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in
+zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den
+vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des
+mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van
+vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de
+opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit
+onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de
+innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft
+uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen,
+dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt
+men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den
+beste, die ons vraagt, waarom wij daar blijven mokken: "Wel ik mok niet,
+ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmee wij het zeggen, ook
+zuur als edik.
+
+De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit
+dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.
+
+Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de
+Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der
+Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes
+of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje
+luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl
+zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen
+dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op:
+"_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar
+een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop
+koffij zit te mijmeren.
+
+"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij
+veranderd bent, 't is _fameux!_"
+
+De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de
+voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt
+hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots
+den gouden horologieketting, trots den baard _a la jeune France_, en
+een' _glace-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten,
+terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me!
+praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een
+fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een
+zedelijk gedrag mede.
+
+"Hoe heb ik het met je? _Stupefait_, Vreese, ken je dan waarachtig
+Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"
+
+Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het
+hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor
+kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls
+heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het
+eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest,
+hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering,
+--herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van
+een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de
+Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.
+
+"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had
+ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang
+gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours
+content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude
+likkebroer zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van
+Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat
+weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter
+Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld
+en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik
+zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_
+hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_"
+
+"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene
+reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer
+geplaatst ..."
+
+"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik
+... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich
+vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux,
+canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei,
+wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een
+woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_.
+Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch
+knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten
+wil--_fameux!_"--
+
+"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.
+
+"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter
+bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen
+beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij
+eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en
+zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van
+den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir
+au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije
+meiden--of ben je misschien getrouwd?"
+
+"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag.
+
+"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken,
+en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galere?_ Er zijn zoo weinig
+vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weer zuur, heb je
+zusters?"
+
+"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"
+
+"_C'est du serieux, vraiment!_" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar
+zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb
+geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei
+Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier
+had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer
+gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot
+_daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou
+het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog,
+in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik
+eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in
+de Star, No. 15, _a votre service_, mits ge mij niet alleen laat
+babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_"
+
+Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wel mag hij
+het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets
+degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem
+hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten
+vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan
+ellende? tweeerlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?
+
+Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon
+een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan
+hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die
+natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van
+smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het
+met mij eens zijn, dat of ons volk een predilectie voor hen heeft, of
+dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u
+eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen
+onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de
+lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de
+soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven,"
+dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om
+het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit
+kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave
+kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets
+natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou
+zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne
+relatien zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat
+hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe
+verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem
+toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de
+patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van
+den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries
+trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde
+te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten
+pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe
+Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund,
+hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet!
+Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten
+geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries
+verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want
+hij kon relatien aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo,"
+zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld,
+dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats
+willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en
+partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal
+het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij
+reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde.
+Vreese, die zich niet weerhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het
+knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit
+kwaad, weet ge.
+
+Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de
+voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne
+tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te
+doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal
+eener hopelooze liefde!--"_Peut-on etre si bete!_" zou hij uitroepen,
+"voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend,
+en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij
+zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij
+maar geen kantoorbediende was.
+
+Eenige weken voor zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano;
+hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar
+deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne
+had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen!
+Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was
+hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.
+
+Helaas!
+
+Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong
+den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte
+Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud
+bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem
+sedert niet weer alleen.
+
+Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot
+zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer
+vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"
+
+Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem
+nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de
+gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is
+waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar
+de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden
+afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan
+de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring,
+de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij
+uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste
+neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen,
+die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij
+zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn
+jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak,
+maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich
+thans te oud acht om naar Nederland's Indie te vertrekken, en die
+meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag;
+"Een vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten
+kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der
+onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer
+over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de
+eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is.
+Conservatief _quand-meme_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle
+vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand
+kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn
+alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve
+wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de
+hand?--
+
+Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van
+u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat
+het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan
+in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om
+een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan
+aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld
+door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den
+smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is
+maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst
+die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den
+kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn'
+rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks
+"mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge
+uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun
+mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste
+toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner
+voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en
+de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden
+zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongelui bederft. Behoef
+ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik
+slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan
+wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder
+ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als
+in den verbasterden de Braeuw.
+
+Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik
+heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u
+een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen
+oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen
+kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel
+staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het
+geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die
+graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult
+begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche
+binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der
+zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun
+dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der
+voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder
+deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs
+meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder
+verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de
+vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het
+volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar
+zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer
+tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des
+gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht,
+dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en
+zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid,
+maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook
+geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonniere_
+geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als
+er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een
+paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der
+golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een
+aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het
+licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had
+verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar
+herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de
+verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _a
+fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des
+huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing
+dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u
+tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren
+_cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden
+hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets
+nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist
+hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan
+zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar
+vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij
+men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de
+porseleinen _sta in den weg's!_
+
+Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te
+roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene
+moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie
+jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan
+hare knieen zijne avondbede opzegt.
+
+"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.
+
+Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost
+en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zoo iets
+laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.
+
+Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het
+jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat,
+en--
+
+Daar legt zij de hand op zijn krullebol.
+
+"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.
+
+"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een
+dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken
+roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!--
+
+"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje
+naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske
+haar half ontkleed te gemoet.
+
+"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?"
+
+Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde
+moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige
+weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige
+toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen.
+IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten
+wil. "Dat hij weerom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit
+den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij
+werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij
+nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is,
+als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet
+zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij
+t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben
+ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren
+het zenden zouden.
+
+De heeren!--
+
+Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die
+krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij
+zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker,
+dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou
+zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zoo lang zouden hare
+guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen
+zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij
+ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man
+toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen
+hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog voor hare
+bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had
+... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had
+begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor
+een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had,
+eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen
+zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu
+hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven
+als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor
+over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het
+hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen,
+dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde
+slapen zijn geweest.
+
+Negen ure!
+
+O rijkdom van poezij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij
+haar zoontje ook zou laten worden, zei zij in zich zelve, geen
+kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van
+beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een
+man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde,
+het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet
+zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel
+goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den
+ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den
+kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim
+stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van
+haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn
+zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen
+gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind
+toe.
+
+Het sloeg half tien ure!
+
+Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij
+haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed
+te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,
+--armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem
+dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de
+ware lezeres. Daar stond het immers, dat zijne patroons reden hadden
+over zijne reize tevreden te zijn, daar stond het: "Wijfjelief, het valt
+mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden
+zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster.
+
+Maar de moeder zag weder naar de klok.
+
+Bij tienen!
+
+Daar werd gescheld.
+
+Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk
+eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw
+hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:
+
+
+Lieve man!
+
+"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor
+om. De kinderen zijn wel, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed.
+Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van
+_fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200
+krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zei: dat er gemakkelijk
+eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich
+ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als
+het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten
+zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur.
+Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik
+beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal
+niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er
+morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne
+eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we
+toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag,
+en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het
+buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze
+kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige
+laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, voor ik het je had
+geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet,
+manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen
+doen zult. En daarmee, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wel,
+en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal
+immers niet lang meer duren?
+
+ "Uwe liefhebbende vrouw
+ Aagje.--"
+
+P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons
+zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat
+leelijke geld!"
+
+
+Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van
+hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere
+vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne
+afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven
+zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt
+geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in
+de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner
+lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den
+brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij
+lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe
+wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat
+allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen
+verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij!
+
+Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des
+mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt,
+bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene
+vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds?
+kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang
+sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden,
+al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen
+zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een'
+onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt
+onwillekeurig een casuist, of hij bezwijkt onder de chicanes der
+Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij
+tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk
+heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt
+zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld
+te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van
+vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei
+specien,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de
+ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt
+de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het
+vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd
+verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt,
+schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van
+het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus
+gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!"
+
+Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking
+weerleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord
+verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds
+zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu
+wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te
+huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor,
+en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!"
+--en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associe_
+gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden
+beide schoon."
+
+Dat zij juist ware!
+
+Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te
+gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven,
+vrienden, en dus jongelui, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen
+beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen
+te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de
+vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde,
+"dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en
+wetens bij den neus nemen," wanneer zij salarieren, dan kiezen zij
+jongelui, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij
+slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner
+jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een
+opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit
+in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn
+gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge
+dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen,
+dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze
+loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter
+klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij
+uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels,
+dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar een
+oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie
+niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper
+heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel
+te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne
+buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan
+is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij
+krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den
+commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en
+met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms
+zoo verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door
+hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met
+luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de
+makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen
+eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoelijken;
+integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid
+verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel
+in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder,
+dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De
+voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.
+
+De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat
+enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen
+hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid
+gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen
+te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn'
+deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer
+men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk.
+Ik heb straks van de poezij van den handel gewaagd, en zeker, het is
+streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij
+zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en
+menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te
+verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te
+hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk
+zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning,
+ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene
+eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de
+telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes
+lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der
+vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te
+huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke
+zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar
+tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen
+zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is
+zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het
+algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot
+beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het
+besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij
+te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw
+misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zoo verre zou
+brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor
+wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of
+wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der
+helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene
+burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene
+plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij
+lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan
+het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?
+
+Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne
+keerzijde.
+
+Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassocieerd geweest,--de
+eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er
+compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het.
+Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo
+ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun
+karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker
+de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet.
+Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun
+gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk.
+Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen
+compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op
+het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand,
+noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven
+van de gezinnen van associe's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam
+maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden;
+geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte
+ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van
+ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van
+vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige
+balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin
+doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van
+Becker zich niet had geergerd aan de meerdere pracht in de woning van
+Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den
+eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot
+weelde oversloeg.
+
+Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een'
+Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die
+hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het
+schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk
+leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner
+zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de
+rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij
+zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_
+waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog
+vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de
+aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren.
+Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op
+den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot
+--een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde
+allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de
+aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in
+het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was?
+De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne
+ontsteltenis al hadden opgemerkt.
+
+"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de
+jobsmare had doorgeloopen.
+
+--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van
+Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor,
+door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk
+gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen
+hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven
+vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het
+gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest
+naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds
+verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene
+gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster
+had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij
+verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in
+de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking,
+welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in
+voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen
+voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra
+zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er
+schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd.
+--Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van
+zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten,
+waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te
+verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen
+ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen,
+de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger
+regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm.
+Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam,
+zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en
+vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het
+schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten
+staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner
+soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van
+hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd
+zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen;
+--het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen
+aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in
+schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe
+winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden
+ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis
+die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker
+voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was
+geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds,
+zij waren het verlies bijna te boven.--
+
+"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften.
+
+En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den
+nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker!
+Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar
+teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij
+eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek
+weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had
+opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten
+gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over
+het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had
+erger kunnen zijn," zei de arts, die des morgens voor zijne legerstede
+stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige
+weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle
+beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten.
+Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke!
+Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer
+de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij
+veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter,"
+--gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien
+uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne
+zaken stonden gunstiger dan ooit ...
+
+Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn
+hoofdkussen op de knieen, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht.
+Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte
+verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest.
+
+"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!"
+
+Was het niet erg genoeg?
+
+Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene
+schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne
+toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen,
+hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom
+zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het
+harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de
+bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot
+des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van
+verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik
+er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen
+beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels,"
+voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had
+ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te
+dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat
+is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de
+wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan
+moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend
+gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_!
+
+Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte
+aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan
+het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn
+chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken,
+als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers
+hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal
+des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch
+in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het
+kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht
+waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die
+vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben,
+introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men
+niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de
+herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge
+van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor
+de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen
+ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalarieerde kantoorbediende
+terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld
+stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal
+effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als
+zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet,
+als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleeren uitzien "als apen
+dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt
+heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem
+zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als
+hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om
+zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers
+uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor
+genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des
+juks, dat hunne schouders neerkromt!
+
+"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de
+wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden,
+in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op
+veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw
+aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het
+gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den
+bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat
+de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het
+jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om
+den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon
+dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die
+naive verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen
+steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan
+kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een
+onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het
+zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen
+Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een
+lafbek van een' Associe de pen haalde door een' vier zijdjes langen
+brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef
+eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een
+Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weerom
+bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel
+had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren
+het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel
+na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan
+den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die
+harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der
+hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u,"
+dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren
+over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de
+Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens
+bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de
+rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn
+kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet
+eens!
+
+"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit,"
+zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij
+voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk
+maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is
+geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder,
+of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer,
+welke zij voor twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de
+natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven,
+als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is,
+wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en
+heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig
+gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen
+rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is
+even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe
+verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben
+hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat
+iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel
+in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur
+aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze
+beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen
+van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt.
+
+"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een'
+zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis
+opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en
+beenen breken kan!"
+
+Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch
+eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met
+hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een'
+zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op
+een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof
+niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter
+hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan
+het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister,
+waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te
+duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij
+hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als
+herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner,
+een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart
+verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere,
+zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer
+binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.
+
+"Al weer roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weer
+roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb
+jij het mis, danig mis, kind!"
+
+De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun
+zoontje, zagen vader vreemd aan.
+
+"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn
+pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meegegaan--maar me
+dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man!
+Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe,
+dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een
+beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent
+ze--"
+
+Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel
+netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij
+was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar
+griefden. Zij deed het om der kinderen wil.
+
+"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen,
+--en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al
+had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend.
+Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er
+zie dat niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en
+Mevrouw, ja wel!--"
+
+Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een'
+kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare
+omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren,
+toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poezij des
+levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een
+laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.--
+
+"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn
+konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen.
+
+"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel
+zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes
+lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van
+een jaar of tien.
+
+--"Goeden nacht--"
+
+"Haal me eerst mijn pijp, Bram!"
+
+"Ze is stuk, pa!" zei de knaap.
+
+"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn
+pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk."
+
+"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter
+gespeeld, en het roer gebroken."
+
+"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen!
+zeg ik."
+
+"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in
+het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder
+op haar kroost!
+
+"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die
+zijn groot gebragt om den pot te koken, om--"
+
+Bram was van de achterkamer weer gekomen, met het _corpus delicti_ in de
+hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod
+had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand
+naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne
+opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.
+
+"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde:
+
+"En wie heeft dat gedaan?"
+
+Bram zweeg.
+
+"Spreek op jongen!"
+
+Bram bleef zwijgen.
+
+"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet
+bent.--"
+
+"Houd het er voor, pa!"
+
+Het was zoo ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader
+trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat
+vergoelijkt het niet.
+
+"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om
+zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die
+ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--"
+
+De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar
+de achterkamer te gaan.
+
+"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar
+een' afleider toekende.
+
+Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de
+oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge
+mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog
+ongelukkiger worden?"
+
+Het werkte.
+
+"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles
+geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte,
+armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook
+thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken,
+dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen
+waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping,
+versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te
+worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het
+zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden
+en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog
+ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig
+er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het
+geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die
+plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de
+weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk:
+de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!
+
+Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking
+in genot.
+
+Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als
+Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop
+hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts
+toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich
+wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich
+ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde,
+failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger
+dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan
+was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking
+iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!
+
+"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren
+aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze
+schuld overkomen."
+
+"Wacht maar tot de raven het u brengen!"
+
+"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen
+Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..."
+
+"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg
+voor de boeken; maar--"
+
+"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?"
+vroeg Kaatje.
+
+"Zou het mijn pligt niet zijn?"
+
+"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd;
+ijlings viel hij haar in de rede:
+
+"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden
+nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij
+het krijgen? Daarbij, in deze kleeren zie ik er zoo schooijerig uit, dat
+niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik
+niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik
+kan bakker noch slager betalen ...
+
+"Als het daar slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad,
+geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje
+schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij
+eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat
+vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden
+slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij
+het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht,
+--het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--"
+
+Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan
+aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer
+van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog
+gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.
+
+"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste
+aandenken aan uwe moeder.--"
+
+"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze
+zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had
+kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen
+moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je
+vragen, wat je hebt--"
+
+Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die
+in het hoofdstadje van eene onzer landprovincien was geboren en opgevoed;
+Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het
+voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren
+--heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der
+bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den
+verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was.
+
+"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf
+gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze
+ook.--"
+
+Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner
+vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het
+zijne ooren niet geloofde.
+
+"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw
+..."
+
+"Een leugen, Maatje?"
+
+"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--"
+
+"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan,
+vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.
+
+Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene
+droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er
+heen als eene veer, het komt weerom als een steen." neen, dewijl ook hij
+een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen
+gaat, maar insluipt.
+
+"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze
+zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook
+nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag
+heb ik het veil, als gij weer de oude wierdt, als ge mij liefhadt als
+weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--"
+
+Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij
+deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met
+geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan
+ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had
+aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken
+ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij
+beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw,
+de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter
+fatsoenlijke, eerlijke brave lui waren geweest,--en hij slaagde. Eer
+eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel
+beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin
+van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek
+brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde
+weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in
+de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie
+van Kaatje staande _Mozes_ en _Aaeron_ leerde kennen, en haar verzekert,
+hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag
+zij:
+
+"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel
+ik er aan ben verpligt!"
+
+Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De
+betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft,
+en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne
+weder ontwaakt.--
+
+Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de
+jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te
+drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder
+wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--"
+
+Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het
+schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot
+verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd
+huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier
+verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne
+zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou
+mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur
+aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het
+lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak
+maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan
+menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke lui zijn er aan gewend, zich
+te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze
+wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden
+wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het
+goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is
+gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest.
+Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene
+heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen!
+--Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het
+regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend
+kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort
+in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het
+vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef
+gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?"
+
+Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte
+raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden
+huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort
+kantoorbedienden, oud vrijer per systema, en egoist bij gevolg. Maar de
+mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een
+klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v.,
+laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop,
+zulke veeren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om
+dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_
+moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote
+klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit
+verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige,
+welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist
+dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer
+in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde
+van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge
+hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste,
+als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene
+ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle
+_table-d'hote_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd,
+ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor
+eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij
+wou voor alles mee eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen
+plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor
+eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij
+toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den
+mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik.
+Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitue_ van elk koffijhuis was, en
+nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer
+naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de
+doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet
+kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan
+zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij
+anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige
+logementen, op mijn woord!
+
+Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen;
+hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den
+(toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.
+
+Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zoo trouw met
+den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in
+de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld eens in de
+week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een
+treurspel. Al zijne meewarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al
+de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich daar des winters
+lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor
+aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen,
+Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en
+Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen
+zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer
+hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna
+een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad
+uitgewischt.
+
+_Probatum est!_
+
+Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden
+belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan
+antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde
+zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen
+Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte
+plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de
+kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem,
+eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende
+_uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de
+Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben
+gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in
+de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken
+stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij
+stoorde zijne illusie.--Een bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen.
+Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij
+het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al
+zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna
+zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke
+treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?
+
+Ik heb de eenige poetische zijde van zijn karakter in het licht gesteld,
+men vergunne mij te zeggen, de eenige plek aangewezen, waarop eenige
+soort van poezij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel.
+Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd
+het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet,
+langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die
+hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte.
+_O obstructies! o hemorrhoides!_ Hammink--het motief was het vreemdste,
+het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat
+zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij
+had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een
+huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?
+
+Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer
+vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen
+om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er
+dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne
+jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weeuw had gevrijd, die rijk, zeer
+rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe
+konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare
+bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat
+hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet,
+al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den
+mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij,
+ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was
+laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde,
+hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit
+hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te
+overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs
+een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd
+mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze
+huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die
+beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch
+in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar
+een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets
+ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er
+maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche
+Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen.
+
+Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.
+
+Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan
+het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop
+toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een'
+kantoorbediende.
+
+Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als
+deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken;
+echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van
+alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke
+standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze
+tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der
+begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei
+dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks,
+wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u
+een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in
+dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet
+los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit
+huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel
+andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of
+omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding
+blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weerzin opwekt.
+Verscheidenheid moge tot eenheid voeren, van elkander afkeerige
+elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar,
+trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot
+zich neer; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene
+onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk,
+stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is
+almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de
+hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen,
+hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne
+herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet!
+Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer
+aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang
+verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne
+vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters
+dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij
+zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare
+jongens iets aers zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien
+zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het
+ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of
+de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin
+voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene
+--het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of
+haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in
+de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men
+begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder
+het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men
+kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u?
+
+Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de
+jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren
+leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den
+voorherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men
+geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse
+van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de
+ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de
+klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een'
+komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem
+nemen wil, in een woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft
+aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor
+den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen
+van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit mee beschoten: eenige
+huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch
+degelijken stand geplaatst. Zoo behoort het--genadebrood is altijd hard,
+maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat
+allen zoo gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader
+is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen,
+om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het
+huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen,
+--daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun
+ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen,
+traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in
+de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok
+hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen
+versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw
+besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist
+de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner
+hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne
+kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij
+geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien
+zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die
+den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen
+"welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet
+werd gestoken, als het strijdros op het voorplein van den burg trappelde,
+als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest
+zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster
+of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met
+zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk
+gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de
+grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en
+hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene
+wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw.
+
+Eene vergelijking uit onzen tijd!
+
+Er gaat in den ganschen lande maar eene stem op over de bureaucratie,
+welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd
+verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid
+van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak
+geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen-
+kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te
+durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden
+werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die
+meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur;
+den pennelikker, die niet, als de geemploijeerde, gegronde hoop
+koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks
+onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem
+aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen
+tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen
+rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den
+donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger
+geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er
+bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te
+weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog
+met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.
+
+Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt,
+eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan,
+schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang
+het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste
+jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och,
+dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het
+opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het
+licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen
+van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders,
+misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze
+begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude
+knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs
+werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij
+heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken
+uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar
+dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met
+voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde,
+toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen
+wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos
+speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als
+gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe
+toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid
+van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een'
+onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die
+oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor
+u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij
+wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in
+de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen,
+burgerlijken man lief!
+
+"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats
+aan den lessenaar ledig ziende.
+
+En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene
+halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene
+uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt
+geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene
+drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof
+gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn
+salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij
+getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs,
+dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de
+Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig
+jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En
+het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner
+kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er
+van zijne vier dochters meer dan eene enkele gehuwd was. Stel u gerust,
+de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes
+verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten
+minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.
+
+Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!"
+
+De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in
+lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk
+tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte,
+dat hij zich op het kantoor weer van zijn' pligt kwijten kon,--die de
+ziekte verergerde door het ongeduld.
+
+"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke
+denkt hij niet.
+
+Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is
+hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest,
+--de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog,
+toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt
+heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte,
+deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die
+Loman zou napluizen, moet dan maar weer een veertien dagen rusten;--de
+jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene
+flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd,
+om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den
+ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.
+
+Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge
+zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!
+
+Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan
+anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en
+aemechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van
+hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor
+het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde,
+voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man
+steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er
+aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.
+
+Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.
+
+Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar
+voorgaan--ik spaar u het overige.
+
+Den vijfden zei de patroon:
+
+"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig
+meer an je."
+
+Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen,
+eer hij er bijvoegde:
+
+"Je salaris blijf je trekken."
+
+O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst
+ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de
+aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het
+tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar
+wegzinking van oogen en waggeling van knieen, maar beving der handen en
+trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of
+ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het
+ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de
+stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid
+schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken,
+toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs
+gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker
+verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne
+voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten,
+"jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!"
+
+Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen,
+schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren
+leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig
+loons en veel ondanks.
+
+Welk een leven!
+
+Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste
+bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat
+ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken
+idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn
+doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk voor te komen.
+
+Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te
+vragen, of ik eenigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan
+dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige
+ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou
+zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het
+zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt;
+waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken
+is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de
+leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan
+een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft
+er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit
+den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der
+gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water,
+aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik
+ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij
+dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het
+twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan
+gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die
+aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch
+wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men
+elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij
+in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele
+waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des
+huizes, dat zoo zijn' feestdag vierde, de jongelui van het kantoor tot
+zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde
+ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden.
+Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als
+de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder
+onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins
+verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam,
+dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs
+partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der
+bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik
+prijs.
+
+Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der
+klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de
+natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene
+niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in
+zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te
+smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek
+bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven
+klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin
+voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik een hunner een zweem van aanleg
+bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene
+--dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk
+genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis a vis_ brievendekkers en
+loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een'
+landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist?
+Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie
+beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt
+naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme
+wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem
+opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een'
+Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de
+dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening?
+Het zou onedelmoedig ten opzigte der kooplui, het zou onwaar jegens de
+maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--of schitterende als
+de zon,--of kwijnende als de maan,--of schemerende als eene ster,--of
+--wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich
+vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en
+bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten
+toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet
+tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben
+slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk
+te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren,
+om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard
+te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele
+bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat
+staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!"
+als de patroon er zijne zaken aan geeft.
+
+Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u
+zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten
+slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid
+in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde
+ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt,
+ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in
+deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig
+wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen,
+door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten,
+"medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede
+vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts
+neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,"
+is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men
+sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen
+wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de
+andere op, zooals Isaaec Abraham en Jacob Isaaec; en mijn onderwerp eischt
+alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie,
+eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen
+en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie
+in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei
+kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en
+stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds
+en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe,
+dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp:
+"'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang
+bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe
+schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende
+lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!"
+--louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al
+leerden napraten: "oost west, t'huis best!"
+
+Een voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met
+den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne
+bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken;
+maar jullie, jonge lui, blijft je jaarwedde behouden tot je dood."
+
+Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt
+--waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets
+anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man
+leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al
+zijnen glans, nooit weer zoo groote voldoening gesmaakt, als op dat
+oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.
+
+Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zoo
+onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit
+overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag
+is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene
+keuze tusschen tweeerlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde
+of geletterde maatschappijen verdient uit te lokken: "wat is beter,
+_lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat
+zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder
+een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te
+verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een
+eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten,
+die jongelui zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen.
+Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier
+schouders zich nog niet kromden, wier knieen nog niet knikten, maar
+de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve
+onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den
+volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!
+
+Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer
+letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit
+opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders
+schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die,
+waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo
+verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had
+uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen
+staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van
+het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeen; in spijt
+der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor
+en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te
+verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad,
+--ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken,
+door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den
+staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen;
+gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te
+brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in
+aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten
+einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het
+tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen,
+meent ge, te schamen, zeggen wij.
+
+Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig
+hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen,
+bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij
+onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen
+der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den
+vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen
+van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciers--lust in een woord,
+andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval
+te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner
+denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het
+gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te
+streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog
+gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten
+van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden
+onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben
+wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige
+lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling
+afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw
+in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde.
+Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare
+drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken
+merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen
+het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en
+de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt,
+onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met
+verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het
+voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit
+voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.
+
+Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke
+in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen
+duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding
+van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge
+wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd
+ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet
+faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken
+deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden:
+Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige
+volken?--Kolonien?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog
+rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent
+reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert
+hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders
+van schuldbrieven van schier alle natien, en van die der onze niet het
+minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te
+over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij,
+dewijl zij schier de eenige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide
+koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou
+geworden zijn, bij de slaperigheid van voor het jaar 1830, als koning
+Willem I den interest der actien bij de oprichting niet had gegarandeerd,
+en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij
+vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel
+verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard
+der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in
+deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt,
+treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren,
+welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding
+van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom,
+--Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land,
+en wij zullen zien--doch ik mag niet weer afdwalen, ik herhaal liever
+mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken,
+wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad
+in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche
+huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en
+doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!
+
+Er is nog iets.
+
+Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen
+regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met
+"eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene
+lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt,
+waar zij beginsel is geworden, daar heerscht verband tusschen het werk,
+dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in
+commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke
+men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het
+vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier
+behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij
+John Bull; maar hij heeft eenige reminicentien van de dagen, toen hij
+monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in
+aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wel zou
+doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het
+wijsheid toe te zien eer het te laat is.
+
+Zonen van goeden huize, vermogende jongelui, die klaagt over gebrek aan
+zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat
+belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan?
+--het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld
+braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo
+menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon
+zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken
+in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland,
+verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij
+hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het
+zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te
+knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van
+u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot,
+aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan
+een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet
+reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen?
+--Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle
+sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven,
+nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor
+nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls
+gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt
+verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee voor u ziet, de zee, waaraan
+ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed,
+zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord:
+Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!
+
+Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen
+eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig
+als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het
+van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt
+alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde
+nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die
+zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een
+ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge
+lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na
+volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten
+einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog
+de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld
+aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den
+geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep
+gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?
+
+Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons
+voorgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van
+voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en
+waarschuwt haar: ach! dat zijne poezij geene profetie ware geweest:
+
+ Want nergens is zoo veil
+ De niet verwachte val, als op de toppen steil:
+ Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken
+ Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken.
+ Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet
+ Al wat verbastering der oude zeeden goedt;
+ En, om het snood gewin, in last de goede wetten.
+ Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten.
+ Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.
+
+1842.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+MARIE
+
+
+"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den
+verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister
+bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter
+ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden;
+een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve
+te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef
+dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te
+ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar
+vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de
+onheilsstar, die
+
+ _En des jours tenebreux a change ces beaux jours_.
+
+Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de
+hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was,
+ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak
+begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij
+er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen
+langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog
+zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog,
+half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich
+door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever
+over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde
+zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor
+omzoomt.
+
+En ik verbeidde.
+
+Daar plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te
+wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid
+als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om
+de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts
+zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere
+kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen
+aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had
+Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer.
+Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke
+oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan
+werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter
+de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een
+tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend
+woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke
+ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane
+verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren
+haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de
+wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het
+openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen
+_loge_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar
+toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel!
+Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen
+op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met
+de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter
+bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den
+huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van
+statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik,
+op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst
+den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen,
+--den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van
+korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?
+
+Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge,
+slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de
+trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt
+door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden.
+
+"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat
+gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in
+onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan
+de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den
+eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen.
+Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer
+smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of
+wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der
+vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers
+overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den
+cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke
+naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog
+iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar
+als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der
+jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den
+opschik, die hunne lompen van gisteren verving:
+
+ _Beaux parvenus, honteux de leur famille_;
+
+baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang
+gebrek te hebben geleden:
+
+ Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;
+
+als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik
+in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!"
+
+Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen
+geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben
+gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der
+_patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen,
+als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods
+of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste
+
+ Van top tot teen,
+
+dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de
+betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets
+vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter:
+"wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer
+gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem
+lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van
+Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige
+straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide
+Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En
+hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester,
+als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne
+verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig,
+oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de
+hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het
+leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur
+en zilver, blaauw met wit, als men zegt.
+
+Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne
+lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde
+kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!"
+Zilver op azuur, lelien en starren op een hemelsblaauw veld, wat is
+smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van
+mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar
+verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger
+van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen?
+"Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u
+antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen
+verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer
+historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en
+de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke
+geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een
+ander Venetie, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen
+geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geeerbiedigd, nadat hunne
+voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot
+van werelden beslisten.
+
+Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de
+vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil.
+Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een
+onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de
+heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw
+van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een
+ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger
+hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos,
+schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:
+
+"Mijnheer!"
+
+Ik reikte haar de hand.
+
+Was er eene klove tusschen ons?
+
+Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.
+
+"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman.
+
+Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er
+digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok.
+
+"Mijnheer!" zeide zij nog eens.
+
+"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad
+zeggen.
+
+De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.
+
+Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk
+eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van
+deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik
+aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van
+Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van
+den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid
+tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet
+aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En
+
+ Zei mama
+
+Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!
+
+ Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?
+
+Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde
+mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit.
+
+Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen
+mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.
+
+"_Fi donc, Amy!_" riep zij.
+
+"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik.
+
+"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.
+
+Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over
+het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en
+Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie.
+De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weerhield door de stijve
+houding, waarmede zij de _gants a jour_ voor een oogenblik uittrok, om
+een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte
+operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te
+schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die
+haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een
+paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die
+in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het
+heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos
+opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk
+gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid
+op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord
+mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar
+noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het
+meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt
+te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had
+gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op
+den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren,
+waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin
+hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest,
+mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde?
+waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan
+die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde,
+pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo
+gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij
+te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen!
+Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde
+zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide:
+karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets
+welluidends meer.
+
+O gemaaktheid!
+
+Vermoedt gij hare oorzaak niet?
+
+Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u
+zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms
+aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt
+toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig
+Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart
+lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat
+velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare
+leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij
+uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der
+muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van
+een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt
+zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade
+smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij
+eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den
+weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister
+en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters
+en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van
+moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen
+redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor
+gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon
+in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het
+onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische
+klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken
+harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen?
+Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles
+wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men
+zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker:
+het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene
+buitenlandsche gouvernante heeft.
+
+"_Merci, ma chere!_"
+
+Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp,
+als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig
+stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het
+zand; Marie raapte het op.
+
+"_Bien oblige, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om
+gebogen.
+
+En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg,
+haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.
+
+"Hoe, mijnheer?"
+
+"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt."
+
+"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind.
+
+"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chere_," hernam mademoiselle.
+Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te
+regt wijzen.
+
+"_Je suis charmee, monsieur_," voer zij tot mij voort.
+
+Maar ik was _a mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering;
+want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _francaise_ u
+betoovert.
+
+En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het
+eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade
+heeft.
+
+"_Non, Monsieur_."
+
+"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik.
+
+"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre
+paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_."
+
+"_Si, monsieur_."
+
+"Dus ook _a sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven.
+
+Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg
+haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.
+
+"_Ma grand'mere_," begon ik.
+
+"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke
+eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.
+
+Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig
+karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_,
+om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen
+"uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De
+wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de
+bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een
+geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de
+gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst,
+die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt.
+Gouvernantes uit alle natien zijn beklagelijke schepselen; indien een
+toestand, de hare is valsch.
+
+Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het
+is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te
+gemoet:
+
+ Eerzucht kiest in onschulds dreven
+ Vroeg hare arglooze offers uit!
+
+Ik heb kennissen, die op hun drieentwintigste jaar, in den schoot der
+weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles
+moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de
+_professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van
+de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de
+school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke
+van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar
+wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve
+kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen
+over de leerlingen doen deelen.
+
+Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt,
+tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de
+teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd.
+Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat
+geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met
+een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen
+mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar
+des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en
+vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen
+leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand.
+"De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig.
+Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag
+noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid
+van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van
+zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen,
+overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de
+onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en
+volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste
+voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag,
+zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn
+verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem
+buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur
+smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan,
+voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord
+_beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere
+beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg
+neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij.
+
+Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst
+der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen.
+Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt;
+zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse
+hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt;
+zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse
+haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare
+eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_
+der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts
+drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk
+gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste
+postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden
+Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme
+gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar
+rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer
+heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel
+
+ den Ilias van plagen
+
+niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van
+de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient,
+wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel
+haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig
+zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den
+disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat
+zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt
+bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft?
+Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe
+zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke
+uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo
+twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld.
+Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen
+had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-,
+twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize,
+indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen
+die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe
+worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt
+zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar
+verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u
+kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij
+blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eischen, dat gij lief,
+vrolijk, goedhartig zoudt zijn?
+
+ "_Sad melancholy mark'd you for her own!_"
+
+Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.
+
+"_Si mademoiselle veut me permettre?_"
+
+"_Oui, ma chere_."
+
+Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de
+gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over
+hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisee Marie_ ..."
+
+Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend
+toegezwaaide lof maakt mij kregel.
+
+"_Jusqu'a lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en
+voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en
+est au systeme et non a vous, mademoiselle!_"
+
+De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde
+jongen was een knap officier geworden.
+
+_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast,
+een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten
+zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er
+allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.
+
+"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de
+bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar
+weerzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik.
+
+En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.
+
+"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden
+waren voortgewandeld.
+
+"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer."
+
+"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!"
+
+Eene pauze.
+
+"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen."
+
+"O, zij is zeer goed!"
+
+"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est tres bonne_. Doch
+gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?"
+
+"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..."
+
+"Wat, mejufvr ..."
+
+"_Miss_ Hannah More."
+
+"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der
+britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude
+vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het
+uit?
+
+"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter
+kerk?"
+
+"Altijd, mijnheer."
+
+Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der
+episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem
+onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke
+avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon
+eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litanien
+bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig
+vormen zijn!
+
+Er volgde weder eene pauze.
+
+"Welk een oord!" borst ik uit.
+
+Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene,
+schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u
+zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er
+aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen
+staan. Maar Marie schetste de plek voor jaren, met een woord.
+
+Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad,
+dat derwaarts voert, inslaan.
+
+"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! daar woont de
+stilte."
+
+En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer
+phantasie te bewonderen.
+
+"Daar woont de stilte!"
+
+Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het
+zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf
+weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk
+door hunne roerlooze rust.
+
+Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon.
+
+En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele
+waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik
+verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene
+wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche
+gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.
+
+Daar ging de veer van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie
+bloosde.
+
+"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?"
+
+En zij bloosde sterker.
+
+"Ha! eene eerste liefde," dacht ik.
+
+"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort.
+
+O opvoeding!
+
+Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de
+dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle
+pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel
+naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk
+in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan
+uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie,
+historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd,"
+verliepen.
+
+Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.
+
+Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_.
+
+En toch heb ik nog iets op het hart.
+
+Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor
+een van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter.
+Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne
+het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude
+kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word
+liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner
+vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij
+heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam
+en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van
+schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen
+onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele
+vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en
+over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende
+toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden
+is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde
+zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te
+humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge
+mij niet toeroepen:
+
+ "Ah! n'allez pas chercher midi
+ A quatorze heures!"
+
+zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den
+huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland
+zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon
+geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van
+haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.
+
+Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.
+
+Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met
+deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde,
+schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker,
+gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid,
+dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het
+leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden
+beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe
+wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten
+van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een
+gruwel. Ik laak het niet,
+
+ Dat zich door alle weer en winden.
+ Eenvoudige welmeenendheid
+ Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;
+
+de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein
+hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts
+zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van
+het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de
+mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten
+onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid
+terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik
+heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag
+niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in
+de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig
+leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af;
+wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet?
+Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in
+iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.
+
+En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij
+_vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt,
+--dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar
+eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om
+kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van
+vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke
+herstellende.
+
+ Denn ein geschaeftiges Weib thut keine Schritte vergebens,
+
+mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf
+onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin
+wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak
+voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der
+boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat
+onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer
+sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets
+stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet
+verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het
+haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep
+overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en
+eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen
+uitdrukken, dan in zijn hexameter:
+
+ Lieblich und schoen seyn ist nichts; ein Gottesfuerchtiges Ehweib
+ Bringet Lob und Segen!--
+
+ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en
+geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere.
+
+Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen,
+indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!
+
+En zij zelve!
+
+Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder
+voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden
+zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen,
+uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei
+weerstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende,
+vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde
+de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste
+gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest;
+u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste
+geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van
+het schild, waarmede de welwillendste aller feeen u in het tweede
+voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie
+ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij
+verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort
+mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen
+aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren
+onderscheiden, de heelende van de vergiftige.
+
+En nu?
+
+Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid,
+moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het
+hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen
+rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om
+u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij:
+den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weerstand kan
+bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken,
+als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder
+bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot
+gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil
+zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder
+verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne
+jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat
+gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.
+
+En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken
+raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften
+ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.
+
+Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven
+vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?
+
+
+1839.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+DE EZELINNEN
+
+(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)
+
+
+Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet
+op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender
+en veelzijdiger poezy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren
+dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en
+aarde, buiten!
+
+Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid,
+uit het venster de straat op en afdolende, voor het invallen der
+schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber
+stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij
+wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met
+haren drijver.
+
+Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie,
+welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi
+te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes voor de deur van mijnen
+overbuurman zag stilhouden,--overburen, die ik wat meer kende, dan men
+het gewoonlijk zijne naaste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er
+krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij
+zelven:
+
+"Geen van beide."
+
+Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben
+geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen;
+beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben
+gelezen.
+
+Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de
+twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te
+zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping
+verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen,
+als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een
+vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop
+van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de
+minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid
+ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los
+gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven
+breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander
+blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst
+achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik,
+verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den
+top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog
+wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor
+hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongelui als we
+waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_
+toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen
+spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij,
+--ja, wat niet al!
+
+Voor drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning
+binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd
+vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_
+oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half
+_lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos,
+hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling
+van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en
+heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?
+
+"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geengageerd ben," zei hij,
+dood bedaard.
+
+En wij waren elkaar reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te
+vragen:
+
+"En met--?"
+
+"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.
+
+Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge
+begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de
+tong kwam:
+
+"Dat is anders dan met Elise--"
+
+"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraseologie, waartoe hij reeds
+dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje,
+zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet
+zoo ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het
+practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch
+iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich
+verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd
+geweest.
+
+En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn
+overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst
+paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaaemgekoppeld als het was,
+aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de
+aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij
+een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te
+komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den
+oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die
+niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!
+
+Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval,
+--waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet
+zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen.
+Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de
+uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn
+naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter daarin had bestaan, dat
+de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise,
+levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar
+Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet
+te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der
+graauwtjes voor mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun
+huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van
+haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zoo
+iets weigert men niet.
+
+Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet
+over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het
+verzweeg.
+
+Voor alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking
+weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door
+haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat
+hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor
+die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde,
+onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge
+kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig
+maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling
+van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij
+beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school
+had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te
+ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weer te trouwen?
+
+En de ceremonie!
+
+Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks-
+voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den
+burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn,
+als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden
+geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is
+in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor
+geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel;
+maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze
+Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands
+God is!
+
+Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk
+kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden
+spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een
+afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen,
+het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van
+Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van
+ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.
+
+En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer
+trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen.
+
+De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid
+nazaten van _refugies_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het
+onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De
+mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de
+huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.
+
+Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook daar geene tranen in hare oogen
+kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zoo hartstogteloos,
+zoo kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het
+_pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe
+beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij
+voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer
+aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen
+intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder
+neervlijdde.
+
+En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch
+wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt,
+al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der
+ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het
+venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.
+
+Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal
+bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!
+
+Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar
+gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant
+aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg
+zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde
+in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine
+mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken
+kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise
+droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare
+oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten
+gevoelen, dus gevestigd, zoo gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die
+kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag
+er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig,
+ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten
+satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder
+statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige
+evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt
+gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne
+gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe
+lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer
+begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.
+
+"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij
+die woorden invielen bij de leegte van al de pracht, voor welker
+verzoeking Pieter was bezweken!
+
+Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij
+eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad
+andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat
+in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid
+hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek
+kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde;
+hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen
+dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik
+te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene
+figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was
+niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer
+gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid,
+die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den
+kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van
+het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde,
+dat kinderen zoo ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren.
+Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid
+haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de
+zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf;
+hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar
+gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk.
+
+Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft
+getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de
+uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!
+
+Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil
+stonden?
+
+Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert
+zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de
+arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.
+
+Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang
+op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver
+met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte
+Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens
+ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg
+gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende
+onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!
+
+En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de
+mijmering, waartoe zij uitlokten:
+
+Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poezy schuilt dan in het
+van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt
+bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks
+zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des
+krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot
+en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne
+oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den
+sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de
+wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst
+begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers
+leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de
+wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten
+om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin
+van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings
+zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste
+driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het
+graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige
+leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen
+schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of
+rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er
+is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den
+jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen:
+liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de
+bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de
+kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de
+lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als
+hij scheuren moest--de eenige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou
+los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar
+vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking
+voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed
+werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de
+vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de
+volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe
+verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan
+haren boezem ontglipt:
+
+"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"
+
+Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had
+gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in
+zijn' stoel voor het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en
+sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare
+bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet
+uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord
+te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat
+gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het
+plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van
+achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij
+het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten
+zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen,
+daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in
+het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken
+werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik
+de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen
+hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende
+armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide
+ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed!
+Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne
+en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan
+hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten
+in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?
+
+De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene
+wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs
+naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare
+smarte haar prachtig huis weder ingetreden.
+
+De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar
+eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het
+dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de
+luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun eenig kind.
+
+Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag
+ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend,
+scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van
+bewustzijn--door op te zien!
+
+En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar
+Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte
+die.
+
+"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij
+gestraft in mijn kind!"
+
+Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen
+laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te
+hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat
+kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde
+van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde,
+nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is
+zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen
+pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als
+de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen,
+als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet
+aarzelen voort te gaan.
+
+Welke?
+
+Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige
+betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde
+banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid
+ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne,
+dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zoo bestonden als ik
+die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw
+beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken
+toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te
+vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_,
+waarvan niemand te onzent hinder heeft!
+
+
+1842.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+HANNA
+
+(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)
+
+
+Het was zaterdagavond voor Kersttijd, en in eene kleine woning op
+Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam
+verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge
+vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht,
+staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:
+
+"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."
+
+Waarom schemerde het der peinzende?
+
+Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde
+verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde,
+in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft
+uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille
+bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van
+haar, en de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de
+Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, en de zin
+voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk,
+het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd.
+Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier,
+dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook
+is weervaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige
+Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe
+analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed,
+dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt.
+We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele
+woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden
+willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze
+lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde
+woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij
+te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken
+hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling
+vertolkte de bede:
+
+"O, hoe blijde zou ik zijn!"
+
+Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben
+benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als
+schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik
+u Hanna voor twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als
+zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare
+moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar
+vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom
+zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur
+ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig
+wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten
+sluit? Slechts nog een trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort,
+die mij niet minder walgt dan u; slechts nog een trek, en ik zal uwer
+verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis
+gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele
+ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der
+uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde,
+haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in
+dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij
+gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars
+treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere
+kijkers, haar goelijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers
+verraste. Daar stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het
+Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking
+tot de weleer heerschende kerk;--daar ontmoetten zij haar, de
+burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van
+Speyk te goed doen, en wel mogen zij het;--daar omringden beiden haar,
+de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke
+liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle
+onderscheidende kleederdragt het maakt--daar zagen de wilden de gesmade
+Aalmoezeniersweeze voor zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam
+op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom
+bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun
+zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger,
+verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard,
+welke hen weerhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de
+kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des
+harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poeten toegedicht
+--ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd
+zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-
+hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste
+tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe
+helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.
+
+"Eene knappe meid!" zei de oudste.
+
+"Het arme kind!" zei de jongste.
+
+En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks een' schalk aan onder
+tien schreeuwers.
+
+En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw
+hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't
+welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders
+hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest
+waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!...
+En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der
+huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd;
+maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust,
+niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden
+haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving,
+onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen
+duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk
+voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag
+mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt
+kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer
+moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het
+woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie
+van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem
+geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En,
+zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid
+bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had
+ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was
+toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij
+dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding
+haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei
+der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens
+onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl
+ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik
+een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich
+harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's
+wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan,
+dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl
+ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en
+bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter
+waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving
+afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat
+haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger
+--weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts
+weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieen
+aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord
+genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven
+na dit leven ware!
+
+Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.
+
+Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een
+smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik
+haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer
+vrijerij schuldig.
+
+Welaan dan!
+
+Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand
+er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken,
+en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar
+zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van
+mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van
+onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid,
+wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms
+bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet
+even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis!
+En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne
+openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls
+u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche,
+belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne
+behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge
+hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de
+Amsterdamsche gemeente te liever om.
+
+Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad
+gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak
+uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was,
+meelijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij
+zelve teekenen moogt.
+
+"Kind," zei Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik
+je moeder was."
+
+Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen
+in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de
+verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al
+haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader
+beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij
+slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk
+volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of
+zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!
+
+"Als er geene smet op die meid rustte," zei Jan, de koetsier, "dan zou
+zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."
+
+"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking
+hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.
+
+Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt
+geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje
+een kippetjes leven leiden, kind! wie wel doet, wel ontmoet," maar onze
+kennis, zij weerlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde
+slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op
+hare muiltjes zoude gaan.
+
+En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen
+uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die
+krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om,
+en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette,
+den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het
+breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij
+allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich,
+uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den
+ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een
+tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden
+verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan
+slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste
+is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare
+betuiging besloten.
+
+Het was avond in den voorwinter, acht of negen jaren geleden; de kat
+bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna
+was bij haar:
+
+"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan
+mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het
+zelve doe, het gaat niet meer."
+
+En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ...
+
+Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts
+op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den
+binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld
+zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!
+
+"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar
+vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om
+de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de
+bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd
+vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers,
+bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene
+zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit
+getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs
+nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft
+gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene
+jeugd overleefd.
+
+"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield
+Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene
+klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo
+lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou
+hebben gekust.
+
+"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen'
+zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om
+hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar
+van tehuisbrengen willen hooren!
+
+"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen
+had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de
+gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.
+
+En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert
+gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar
+iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter
+ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat
+Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een'
+Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat
+het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op een haartje stond, wiens
+halsdoek fladderde.
+
+"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de
+schreeuwleelijkert ging over.
+
+"God zij met je!" snikte Hanna.
+
+Daar deed de kameraad haar open.
+
+"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait
+het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand
+gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere
+gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.
+
+En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de
+zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben
+vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt
+hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt
+de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te
+zwijgen, dat je beloofd hebt je voor zijne terugkomst niet te zullen
+verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna
+dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:
+
+"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief!
+Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als
+een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--"
+
+Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen
+betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog
+altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden
+toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.
+
+O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt
+naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt,
+hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft
+mij de uitdrukking, _a pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij
+in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar
+verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar
+geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld,
+versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij
+Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt
+gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens
+op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke
+plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls
+verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde,
+_cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist,
+terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen
+keerkringsnacht om zich zag.
+
+De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.
+
+Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven,
+toen hij, van een' derden togt naar Indie teruggekeerd, haar verraste,
+een kind, een knaap aan de borst!
+
+Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de
+verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien
+schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel
+gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven
+verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer
+geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten!
+Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder
+zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die
+schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van
+zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang
+scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus,
+die hem de armpjes toestak!
+
+Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart
+haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poezij des harten,
+niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een'
+braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien
+naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wel bij
+elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht
+boven, licht rondom ons."
+
+"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing
+des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de
+eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."--
+
+Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.
+
+En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen
+met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel
+blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij
+reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het
+schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen
+zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het
+lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ...
+
+En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar
+laat ons Bart zelven laten spreken.
+
+"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat
+behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo
+angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik
+maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, voor ik heenging, zei,
+dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen
+kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe
+je mij zei, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had
+gemaakt, als ik je eens niet weer zag? Toen wou ik er niet van hooren,
+dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en
+schelpen mee zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar
+is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader
+hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen
+ik weg ging, nu is het: "vaertje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak,
+toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de
+vierentwintigste September--"
+
+"Toen ben ik bevallen, Bart!"
+
+"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?"
+"Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging
+naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En,
+Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik
+ben--al kon ik in de kerk den Domine meestal in het bidden niet volgen,
+ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen
+zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne
+gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit
+worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel
+bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof,
+die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou."
+
+Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!
+
+"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar
+vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier
+ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De
+woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo
+achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij
+ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje
+deed, die ik niet weer zal zien, voor in de eeuwigheid--" die woorden
+gingen te loor in een' zucht.
+
+En waarom?
+
+Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de
+schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?
+
+Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare
+kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes
+verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid
+hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort
+dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeuw Sint
+Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die
+vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeuw ...
+
+Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!
+
+En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond voor Kerstijd zijn negentien
+dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht.
+
+Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?
+
+Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan
+honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt
+schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort
+hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland
+leeg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het
+gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten
+heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der
+wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of
+verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der
+West-lndien in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van
+het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden,
+hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den
+Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op
+zijne bietekroten, en Oost-Zee en Zwarte Zee begroeten om strijd koffen
+en brikken met de gelouterde suiker van Java belaan. Willen wij
+voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de
+smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het
+gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen
+van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde
+schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een
+verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de
+welvaart des volks er aan verknocht!
+
+Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip
+van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk
+afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch
+reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen
+wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe
+aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het
+onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo
+vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken
+door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het
+dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de
+carga reeds opsomden, ieder voor zich een zooveelste. Het jaagt de
+vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder
+welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de
+kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de
+Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier
+schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot
+de ministers van kolonien en van financien, tot de hoogste ambtenaren
+der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op
+de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den
+koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van
+zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken,
+waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten,
+in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende
+slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmee het in aanraking
+kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde,
+--luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en
+stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weer opdaagt,
+--beladen als het werd met de weelde van het Oost!
+
+En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een'
+blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw
+welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren
+nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen
+lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan
+ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden
+erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van
+redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den
+schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken
+angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!"
+op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot
+onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen,
+--ach, mijne Hanna!
+
+Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze,
+voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar
+schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde
+zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het
+onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta,
+het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg.
+Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging
+zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam
+ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met
+hare onschuld!" zeide zij.
+
+En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren
+Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neer
+kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld.
+Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem
+rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:
+
+"Och, dat hij klopte!"
+
+Hoe zij luistert!
+
+Vergeefs!
+
+"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"
+
+Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse
+als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich
+buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die
+u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat
+van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te
+verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:
+
+"Uw wille geschiede!"
+
+
+1843.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+INHOUD
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+ I 't Passeren der Linie
+ II Roeltjen uit de Bontekoe
+ III Louw en de Waarzegster
+ IV De Zeilwagen van Prince Mouringh
+ V Machteld
+ VI Papegaaijen-deuntjen
+ VII Wijs Klaertjen op 't ijs
+ VIII Inkeer
+ IX Jan Compagnie
+ X Dieuwertjen
+
+
+ VERHALEN:
+
+ Blaauw Bes, Blaauw Bes!
+ 't Is maar een Pennelikker!
+ Marie
+ De Ezelinnen
+ Hanna
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+***** This file should be named 16842.txt or 16842.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16842/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/16842.zip b/16842.zip
new file mode 100644
index 0000000..dbebbae
--- /dev/null
+++ b/16842.zip
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..830cef8
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #16842 (https://www.gutenberg.org/ebooks/16842)