summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/16842.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '16842.txt')
-rw-r--r--16842.txt6635
1 files changed, 6635 insertions, 0 deletions
diff --git a/16842.txt b/16842.txt
new file mode 100644
index 0000000..c6031b4
--- /dev/null
+++ b/16842.txt
@@ -0,0 +1,6635 @@
+The Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+ Blaauw bes, blauw bes!--'T is maar een
+ pennelikker!--Marie--De ezelinnen--Hanna
+
+Author: E.J. Potgieter
+
+Release Date: October 9, 2005 [EBook #16842]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+
+
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+door
+
+E.J. POTGIETER
+
+ * * * * *
+
+VIJF NOVELLEN:
+
+(BLAAUW BES, BLAAUW BES!--'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!--MARIE--DE EZELINNEN
+--HANNA)
+
+
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+
+Aan de kant van de Revier komende daer de Praeuw lag, stond daer een
+hoop Inwoonders; en haperden geweldig tegen elkander; het scheen dat de
+eene wilde hebben dat ik voer en de ander niet. Ik greep een of twee uit
+den hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw toe, om te varen gelyk of
+ik noch Meester was, en ik was boven half Knechte niet. Sy sagen er soo
+vreesselyk uit als Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee
+gingen met my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander voor:
+elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy hadden elk een
+Kris op haer syde steken, synde een geweer of het een Ponjaerd was, met
+vlammen. Doen wy wat gevaren hadden, kwam de agterste na my toe, want ik
+sat midden in de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in
+myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem. Hy stond en
+bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde; doch nam het ten lesten,
+en wond het in syn Kleedjen dat hy om syn middel hadde, de voorste
+siende dat syn Maet wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my
+dat hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een kwartjen
+uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede, 't leek
+dat hij in twijffel was of hy het geld wilde nemen, dan of hy my wilde
+aentasten, 't welk sy ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen
+geweer, en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een schaep
+tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God weet hoe ik te moede was:
+voeren also voor stroom af; omtrent ten halver weeg aan de boot synde,
+begonnen sy te tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen
+dat sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo benauwt dat
+mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van vreese, keerden my
+derhalven tot God: bad hem om genade en dat hy my verstand wilde geven,
+wat my best in die gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij
+inwendig geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel ik
+in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen en Bosschagie
+klonk, want de Revier was aan beide syden met hooge boomen bewassen. En
+als sy dit sagen, begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel
+sien kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid van
+haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte gesteld, als ik
+vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met soo verre voort dat ik de
+boot sag leggen. Doe ging ik staen en wuifden ons volk toe: die my
+siende dadelijk na my toe kwamen, by de kant de reivier langs, enz.
+
+ _Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en zeer Avontuurlyke
+ Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, gedaan na
+ Oost-Indien, pag 20_.
+
+ Sumatra dreef in vloeijend goud,
+ Dat van de hooge kamferboomen,
+ Die heerschers in een Indisch woud,
+ Op peperstruik en oobarhout,
+ Op beek en mos scheen neer te stroomen.
+ Schoon welkomstgroet en liefdebee
+ Den lichtvorst noodigden in zee,
+ Wier golven ruischten van verlangen,
+ Eer de oceaanbruid hem gedwee
+ In de open armen mogt ontvangen,
+ Riep hij een lang, een zoet vaarwel
+ U toe, o geurige Archipel!
+ En alles baadde zich in luister,
+ En alles dronk het vier der min
+ Van zon en zee wellustig in;
+ De tijger lekte in het scheem'rig duister
+ Van 't roode hol zijn bronstig lief,
+ Terwijl zich de olifant verhief,
+ Om, met van drift gewiekte voeten,
+ Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten,
+ Dat louter liefdespelen zag
+ In 't uur des echts van nacht en dag.
+
+ Helaas! de mensch voedde and're driften:
+ Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd
+ Van laag gewas en hoog geboomt',
+ Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften
+ En 't vonk'lend goud in donker blaauw
+ Verkeerde, een ranke, ruwe praauw
+ Op breeden vloed vast sneller voort,
+ Den haat, welligt den dood aan boord!
+
+ Een drietal mannen mogt ze dragen:
+ Twee wilden, naakt en bruin van leen,
+ Een witte schort om 't lijf geslagen,
+ Waaruit de scherpe kris verscheen;
+ Twee wilden, afgerigt op 't jagen,
+ Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen,
+ Dat beurt'lings opsprong en verdween.
+ Waarom zij naar den boog niet tastten,
+ Wanneer ze een anteloop verrasten,
+ Schalk spelende op het oevermos;
+ Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch,
+ Waar casuarissen hun pluimen
+ Van vloeib're paarlen deden schuimen,
+ Daar gaaikens staarden op hun dos?
+ Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden,
+ Die school in 't loof, noch dook in 't nat,
+ Een blanke, dien zij met zich voerden,
+ Een blanke, die in 't midden zat,
+ Die aan zijn heup geen wapen had,
+ En, schoon geen banden hem omsnoerden,
+ Toch opzag en den Heere bad!
+
+ Wel mogt hij! Was op Texels reede,
+ Toen de oostewind ten leste woei,
+ En vlag en zeil zich grootsch verbreedde
+ En 't schip geslaakt werd uit zijn boei,
+ Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp
+ Op reis hem dagen zou ten kamp;
+ Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen,
+ Die hem zoo fier te roer deed staan,
+ Als lachte Java reeds hem aan;
+ Hoe in den verren oceaan
+ Zijn kiel, _'t Nieuw-Hoorn_, in brand zou vliegen,
+ Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe,
+ Had omgewend, de zeevaart moe!
+ En echter, 't leed was koen gedragen--
+ Vergeef dat woord van ijd'len trots;
+ In ootmoed schiep zijn ziel behagen--
+ Hij droeg het, waard de hoede Gods,
+ Die hem beschermde in 't golfgeklots,
+ Het laaije vaartuig uitgeslagen,
+ Die, voor den ingang van den nacht,
+ De scheepsboot tot zijn redding bragt.
+ Hij droeg het, zoo als echte vromen
+ Het jamm'ren doen,--des Heeren wil
+ Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil:
+ Des avonds kermende ingenomen
+ Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen;
+ De hulk was wel aan 't vier ontkomen,
+ Maar dreef, ontbloot van naald en zeil,
+ Der luimen van de baren veil.
+ En zie, hij onderwierp de winden;
+ Om 't sprietjen van de veege schuit
+ Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden,
+ De smalle banen klaat'rend uit;
+ 't Gestarnt zou hem den weg doen vinden!
+ En week de dag en viel de nacht,
+ En rees geen land bij 't morgengloren,
+ En deed de hongerkreet zich hooren,
+ En stilte niet dan dorst die klagt,
+ Slechts hij had moed, had troost voor allen,
+ Die zuchten aan het kleene boord,
+ En hield op deze ree hun woord.
+
+ Maar nu!
+
+ Zou hij, in gruwb'ren moord,
+ Hier weerloos, ongewroken vallen,
+ Gescheiden van den trouwen stoet,
+ Die met hem, eer nog de uchtend daagde,
+ Om lijftogt aan den wal zich waagde,
+ De streek, het dorp was ingespoed?
+ Ach! geen dier makkers had de wilden
+ Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach,
+ Waarmee de schaar hun worst'ling zag,
+ Toen zij hun kracht den buffel spilden,
+ Die 't koord des leiders scheurde als rag;
+ Het dier, door hen vooruit betaald,
+ Vervolgd, en toch niet ingehaald.
+ "Neen, broeders," mogt hij hen bezweren,
+ "Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk
+ Van nacht niet wijlen bij dit volk."
+ Zij scholden hem een onheilstolk;
+ Zij wilden naar de kust niet keeren.
+ Daar droeg de praauw hem naar de boot;
+ Daar bad hij: "Heere! zie mijn nood!"
+
+ Te regt; want onder 't peinzend staren
+ Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom[1],
+ Die schermen weefde van zijn blaren,
+ Wiens bloesem, wuivende op den stroom,
+ De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten,
+ Had hem een bont faizantenpaar,
+ In 't loof gedoken, doen verzuchten:
+ "Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!"
+ En even of de toon dier klagte
+ Zijn lot den roeijers had ontvouwd,
+ Werd de een, die straks zijn wenken wachtte,
+ Werd de aer, die eerst hem meester achtte,
+ Geblaakt door lust naar bloed en goud.
+ Ter sluik was de achterste opgesprongen;
+ Hem meldde 't vlijmend tandgesis.
+ De voorste zwaaide met den kris,
+ En spelde... doch hij was bedwongen.
+ Een kleine gift van luttel geld
+ Had beide een wijl te vree gesteld;
+
+ En zwijgend ging 't op gulden baren
+ De landstreek uit, der haven toe;--
+ Neen, eensklaps kweelde Bontekoe
+ Als waar' zijn togt een spelevaren:
+
+
+Noot 1: De Bombax, of zijde-katoenboom.
+
+
+
+I
+
+'T PASSEREN DER LINIE.
+
+ Stem: Wie had op Sinxen nacht
+ Gedacht.
+ _Vlaamsch Liedeken_.
+
+
+ _Scheepsvolk._
+
+ Daar rijst de god der zee
+ Alree,
+ Een wierkrans om de lokken;
+ Hij brengt zijn holle weerhelft mee;
+ 'k Wou dat hij 't wat meerminnen dee,
+ Al moest ik er voor dokken.
+
+ Wat vremde stoet heeft hij
+ Op zij,
+ Het viertal werelddeelen.
+ Die Azie is een oude prij;
+ Die Afrika te zwart voor mij;
+ Wie drommel zou haar stelen?
+
+ _Neptunus._
+
+ Wat hebben malle maats
+ Al praats!
+ Mijn staf jeukt in mijn ving'ren.
+ Wat volkslag ben je? van wat plaats?
+ Lieg niet, of jij zult buiten gaats
+ De lucht en zee zien sling'ren.
+
+ _De schipper._
+
+ Wij zagen in Kijkduin,
+ Neptuin!
+ Het leste van ons landjen;
+ Mijn scheepjen heet,--kijk niet zoo schuin,
+ Ons volk zei jij was in je tuin:
+ "Het Amsterdamsche Santjen."
+
+ _Neptunus_.
+
+ Ik dacht het, toen 'k je vlag
+ Straks zag:
+ Ik mag haar kleur wel zetten.
+ Maar drokker maak jij 't dan je plag;
+ 'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag
+ 't Wilhelmus nou trompetten.
+
+ _De schipper._
+
+ Wel, Oudjen! 't hartig lied
+ Is niet
+ Voor luije Jan geschreven;
+ Maar zeg eens of je in jou gebied
+ Ons nou van harte welkom hiet,
+ Wat offer moet ik geven?
+
+ _Neptunus._
+
+ Wat offer? Troe, toe, troe
+ Brr, oe!
+ Zoo doop ik al mijn hachjens.
+ Amerika! spuit harder toe;
+ Europe! ben je nou al moe?
+ Op, wijf! wat doe je 't zachtjens!
+
+ _De schipper._
+
+ Hei, hola! oude snaak,
+ 't Was raak;
+ Wij druipen door ons kleeren,
+ 't Is maar een kletserig vermaak;
+ Ik zal je, mits die regen staak,
+ Een mooijen duit vereeren.
+
+ _Neptunus._
+
+ 't Is alleman om poen
+ Te doen;
+ Geef op, en 'k zal je sparen.
+ Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen
+ In 't zog jou volkjen na mogt spoen,
+ Niet klappen van je varen.
+
+ Of wil je, dat ik tuig:
+ "'t Was ruig;
+ 't Had hair tot op de tanden."
+ Zoo gun mij 't scheeren met de duig;
+ 't Volk tart me al met hoezee gejuich;
+ Goe reis naar de Oosterlanden!
+
+ * * * * *
+
+ Aeloudheid! 't was geen ijd'le droom,
+ Dat Orpheus, spelende aan den stroom,
+ Op forschen klank van stem en snaren
+ En aarde en lucht ten rei deed varen;
+ Dat hij in weergalooze luit
+ Den schepter der natuur omklemde,
+ Die leeuwen en die tijgers temde:
+ Hier werkte een deuntjen wond'ren uit,
+ Een blij gelach, een vrolijk tieren
+ Verzelde 't staag en volgde 't lang;
+ Het was of 't schalke beurtgezang
+ De woestaards van geneugt' deed gieren,
+ Als zagen zij het scheepsfeest vieren,
+ Zoo juichten zij uitgelaten toe,
+ En ruimer aemde Bontekoe.
+ De veete tusschen werelddeelen
+ Trad niet zoo schril als straks aan 't licht;
+ De sterkte was opnieuw gezwicht,
+ Dewijl 't verstand weer dorst bevelen;
+ Vast minder hach'lijk stond de kans
+ Des weereloozen blanken mans!
+ Zijn hoofd hing langer niet gebogen,
+ Zijn regterhand niet strak op zij;
+ Er luchtte een fierheid uit zijn oogen,
+ Die aanspraak maakte op heerschappij--
+ Hij voelde zich ter helft weer vrij.
+
+ En toch, schoon 't onbesuisd geschater,
+ Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied,
+ Weergalmde langs het bosch van riet,
+ Dat spiegelde in het effen water,
+ Toch lachte bij van harte niet.
+ O, 't was in 't bidden om zijn leven
+ Gewis door God hem ingegeven:
+ "Het zingen redde u van den dood!"
+ En ijlings had hij van zijn lippen
+ Het lied, het wijsjen laten glippen,
+ Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot;
+ Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;--
+ 't Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel,
+ En wroeging trad in plaats van vrede,--
+ Aandoenlijk, Christelijk gevoel!
+
+ Wie heeft die teerheid van geweten
+ Des sterken voorgeslachts niet lief?
+ Een schakel van de onzigtb're keten,
+ Waar langs het zich, tot God verhief!
+ Een wijle peinzens,--toen bedaarde
+ Het zelfverwijt in 't vroom gemoed,
+ 't Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde
+ Uit d'angst, door schok op schok gevoed,
+ Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed,
+ Dat onbewust is wat het doet.
+ Eene and're wijl'--zijn vingers wischten
+ Het vocht af, dat in de oogen rees;
+ 't Was woeste lust noch bloode vrees,
+ Die van de keus des lieds beslisten;
+ De Heere was 't, die 't spoor hem wees!
+ Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen
+ In d'ommekeer van 't wilde paar?
+ Hier voegden klagten, droef noch zwaar,
+ Noch psalmen van den Harpenaar,
+ Die Isrel stemden tot vertrouwen,
+ Die Bontekoe, een hurkjen groot,
+ Al opzei aan zijn moeders schoot.
+ Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen,
+ En zuster Roeltjen werd geprezen,
+ Zijns vaders hulpe, sinds de dood
+ Der brave vrouwe de oogen sloot:
+
+
+
+
+II
+
+ROELTJEN UIT DE BONTEKOE.
+
+ Stem: So haest Gysjen had vernomen.
+ _Bredero_.
+
+
+Toelichting.
+
+ Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren, heette
+ eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader een herberg hield, de
+ _Bontekoe_ genoemd, in zijne jeugd meestal Willem _uit de Bontekoe_
+ geheeten, en behield later dien naam. "Eene woning bij het Hoofd,"
+ zegt de heer C.A. Abbing, in zijne _Beknopte Geschiedenis der stad
+ Hoorn, enz_. (Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) "vertoont nog in den gevel
+ zijn sprekend wapen."
+
+ IJsbrant-baas heeft drokke nering;
+ Schoon een man van luttel praats,
+ Lokt zijn huis schier alle maats,
+ Wordt hij rijk van hun vertering.
+ Vraagt ge: waar komt dit bij toe?
+ Ga eens naar de Bonte Koe.
+
+ Frisscher krans hangt nergens buiten
+ Dan zijn groene wingerdtak;
+ Maar zoo daar zijn roem in stak,
+ Mogt bij op zijn duim wel fluiten,
+ De eene quant riep d' aer niet toe:
+ Gaat ge mee ter Bonte Koe?
+
+ Spieg'len kan er zich een pronker
+ In het tin van kroes en kan;
+ Maar zoo menig vroeden man,
+ Maar zoo menig hoofschen jonker
+ Lonkt er zoeter spiegel toe:
+ Gaan we naar de Bonte Koe?
+
+ IJsbrant-baas weet wel van wanten;
+ Om een flinke, knappe deern
+ Loopt de jonkheid ter taveern;
+ Mooije schenksters, duizend klanten:
+ Dochterlief brengt daar je toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe!
+
+ Noch een fijn mennisten zusjen,
+ Noch een bloode pimpelmees,
+ Weet zij iets van angst of vrees
+ Voor een handdruk, voor een kusjen;
+ Toch laat zij niet alles toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe.
+
+ Waaghals wie haar durft omvangen!
+ Want haar hand is geen fluweel;
+ Schorre strijkstok op de veel
+ Van een paar gebaarde wangen,
+ Speelt zij regts en links maar toe,
+ Roeltjen uit de Bonte Koe.
+
+ IJsbrant-baas houdt haar in eere:
+ Beugel, bouwen, haak en huik,
+ Alles draagt zij pronk en puik;
+ Vrijers krijgt ze heinde en veere;
+ "Maar ik zie voor Roeltjen toe,"
+ Zegt de waard der Bonte Koe.
+
+ Als, om 't klappen van zijn schijven,
+ Haar een lansk van trouwen praat,
+ Of een wulp haar gadeslaat,
+ Die zijn boel in 't riet liet drijven,
+ Roept hij: "Duimkruid hoort er toe,
+ Voor een waard der Bonte Koe."
+
+ "Vaderlief! wij hebben mony,"
+ Zeit ze dan, "in overvloed.
+ Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?"
+ En zij streelt zijn bolle trony;
+ "Roeltjens liefste, stem het toe,
+ Wordt de waard der Bonte Koe."
+
+ * * * * *
+
+ Erinn'ring voerde in haar gebied
+ Hem mede, toen hij 't zingen staakte;
+ Hij zag den schelmschen vrijer niet,
+ Die 't wijsjen in een omzien maakte,
+ En 't hartsgeheim van Roeltjen ried;
+ Het was of weer zijn jeugd ontwaakte,
+ Een lusthof groende in 't lief verschiet.
+ O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken!
+ Hoe vaak plagt Wim, al kloek van leen,
+ Schoon naauw zijn vijftiende ingetreen,
+ Des achternoens in u te duiken,
+ Om ruikers voor de schouw te pluiken,
+ En de oogen maar uit joks te luiken,
+ Als Roeltjen kwam met stille schreen.
+ Het aardig kind van zeven jaren,
+ Een wolk van frisschen levenslust,
+ Wou hem verrassen in zijn rust,
+ En trok hem bij de blonde haren,
+ En werd gegrepen en gekust.
+ Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden,
+ En riep: "Zie zoo, dat gaat te hoof!"
+ En scheurde een twijgjen uit het loof,
+ En dacht den klepper te kastijden,
+ Wijl aan haar voet de bloesem stoof;
+ En nu--nu school ze in luwt van blaeren,
+ Want gierend aan zijn arm ontglipt,
+ Want zwierend van het paard gewipt,
+ Was zij de boschjens ingevaren,
+ En riep van verre: "'t Is geen kind,
+ Die Roeltjen in den donker vindt!"
+ Dan rees hij op en zou haar vangen,
+ En tilde haar de scheem'ring uit,
+ Terwijl zij knorde: "Stoute guit!"
+ Of boos hem kneep in bei zijn wangen,
+ Of bad, die wilde weelde moe:
+ "Ei, kweel eens wat, ik luister toe."
+ En lang had Roeltjen niet te dringen,
+ Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen?
+ 't Lief kind scheen aan zijn zij' te springen:
+
+
+
+
+III
+
+LOUW EN DE WAARZEGSTER.
+
+ Stem: Ach, ach, nog eens ach,
+ 'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag.
+
+
+ _De Waarzegster._
+
+ Louw, Louw, flinke Louw!
+ Wel hoe heb ik het met jou?
+ Heugt je niet hoe maats we waren,
+ Toen je zoudt naar Groenland varen?
+ "Moertjen!" zei je, "'k ga naar zee,
+ Geef me een amuletties mee!"
+ En ik zocht eens in het zootjen
+ Dat ik erfde van mijn grootjen;
+ Maar het sticht niet hier op straat,
+ Ook herken je mij al, maat!
+ Ai, hoe ging het met het visschen?
+ Greep je een walvisch bij de klissen?
+ Heb je er zeven t'huis gebragt?
+ Zie ik droomde 't menig nacht.
+
+ Stil, stil! guitjen, stil!
+ Scheld het voor geen malle gril,
+ Mogt je beeld niet bij me wezen,
+ Als ik jou planeet moest lezen,
+ Voor je vrijsterken, mooi-Aagt,
+ Daar je mij niet eens naar vraagt!
+ 't Is een jeugdje van een meisjen;
+ Zoen je haar nog wel een reisjen?
+ Komt er van je hijlik wat?
+ 'k Wou dat ik haar jaren had,
+ Maat! ik bleef al even pover,
+ Maar jou diefzak vloeit wis over
+ Van dukaten, flinke Louw!
+ Wel, hoe heb ik het met jou?
+
+ _Louw._
+
+ Wijf, wijf! weergaasch wijf!
+ Te olijk hadt je mij bij 't lijf:
+ Toen ik, in de boot gesprongen,
+ Beertjen met zijn beide jongen
+ Uit de schotsen duiken zag,
+ Riep ik: "Komt maar voor den dag!"
+ Wou ik haan de voorste wezen,
+ Want je zei 'k had niets te vreezen;
+ Maar, wat meenje? met zijn klaauw
+ Bragt hij deerlijk mij in 't naauw,
+ En ik zwoer je zoudt het boeten.
+ Hola hei! niet uit de voeten,
+ Ik ben nog aan 't einde niet
+ Van mijn amuletties-lied.
+
+ Erg, erg, eens zoo erg
+ Ging 't me bij den Spitsenberg:
+ Kijk, daar kwam een walvisch boven,
+ En de twee fonteinen stoven,
+ En de harpoenier kreeg prik,
+ "Vrij," zoo dacht ik, "vrij loop ik."
+ Fut! toen hij zijn staart maar zwaaide,
+ Was 't of aarde en hemel draaide;
+ Vloekte ik jou niet als de pest,
+ Weet, ik lag ook buiten west!
+ Maar je vroegt straks naar mooi-Aagtjen:
+ Hieldt je dan een oog op 't maagdjen?
+ Voor den drommel, weergaasch wijf!
+ Heb me nou niet weer bij 't lijf!
+
+ _De Waarzegster._
+
+ Louw, Louw, flinke Louw!
+ Als of ik je foppen zou!
+ Wis, was jou de spreuk vergeten,
+ Die de kroon zet op de keten:
+ "Ebro--flavi--pactolus,
+ Dolu--ico--avamus!"
+ Hadt je dat er bij gepreveld,
+ Beertjen had je niet gekneveld,
+ En geen walvisch jou weerstaan;
+ Zie me maar zoo vremd niet aan.
+ Vraag het Marten, vraag het Flipjen,
+ Nou al reeders op het tipjen,
+ Of ooit lanspunt of harpoen
+ Meer dan deze spreuk mogt doen.
+
+ Maar, maar, jonge vaer!
+ Een en nog een zijn een paar.
+ Hoor, ik zal een an'dre leeren,
+ Om je meisjen te bezweren,
+ Dat zij je alles klappen zal,
+ Wie een zoentjen van haar stal,
+ Wie zij streelde met een kusjen...
+ Stuif niet op, zij heeft een zusjen.
+ Kom van avond bij me, maat!
+ Als de star in 't westen staat,
+ En mijn keteltjen zal zingen,
+ En mijn katertjen zal springen,
+ En ik ben wat, flinke Louw!
+ Of mooi-Aagtjen blijkt je trouw.--
+
+ * * * * *
+
+ Ach! spoedig werd het beeld verdrongen
+ Der minnelijke onnoozelheid,
+ Die hem, den wilden bootmansjongen,
+ Zoo dikwerf 't wijsjen werd gezongen,
+ Om t'huis te blijven had gevleid;
+ Hij zuchtte luid, hij dacht te poozen,--
+ Maar 't wachten viel zijn makkers zwaar,
+ Onstuimig werd hun handgebaar;
+ Wat liedjen moest er nu gekozen?
+ Daar schoot een aardig feit hem in,
+ Dat Holland in verbazing zette,
+ Toen heinde en veer de krijgsgodin
+ Den lof van Nieuwpoorts held trompette.
+ Een stoffe was 't voor elpen lier!
+ Helaas! hem werd zij niet gegeven;
+ Die, zonder dichterlijken zwier,
+ Voor 't volk het wonder had beschreven...
+ Doch reeds was 't wijsjen aangeheven:
+
+
+
+
+IV
+
+DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH.--1600.
+
+ Stem: Als't begint.
+
+Toelichting.
+
+ Ik weet niet beter te doen, ten einde ook het gros der lezers de
+ toespelingen in dit liedjen versta, dan de volgende plaats uit het
+ opstel _Simon Stevin_, in de _Bijdragen tot de Geschiedenis der
+ Wetenschappen en Letteren in Nederland_, door J.P. van Cappelle,
+ (Amst. van der Hey en Zn. 1821) hier af te schrijven:
+
+ "In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo de Groot
+ getiteld: _Vergelijking der Gemeenebesten_, komt de volgende zeer
+ opmerkelijke plaats voor: "Onlangs hebben wij ook aangevangen op het
+ land te varen; want wij bezitten wagens, die door den wind gedreven
+ worden, met zeilen voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als
+ een schip, daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te
+ worstelen hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een
+ ongeloof'lijken spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat men
+ mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke zij in beweging
+ geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond, toen men er binnen
+ minder dan twee uren tijds veertien van onze mijlen mee heeft
+ afgelegd, waarvan iedere den weg van een uur bevat." De
+ aanteekeningen van Meerman op deze plaats, gepaard met hetgene men
+ elders aantreft, berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een
+ ontwerp van Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der
+ uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de
+ Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst van het jaar
+ 1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig personen, waaronder
+ Maurits zelf, de broeder van den Koning van Denemarken, Graaf Hendrik
+ van Nassau, de Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking
+ verdient, ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die in
+ den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen nog jong,
+ woonde dezen togt bij. Men voer met eenen zuid-oostenwind van
+ Scheveningen. De Stadhouder nam het roer in de hand en voerde het
+ zeil. Toen dreef de wind den wagen met zulk eene snelheid voort, dat
+ hij niet scheen te rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te
+ Petten aankwam. Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna 's
+ menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl in zee,
+ waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door eene geringe
+ wending van het roer bragt hij hem in zijnen vorigen koers op het
+ strand." T.a.p. blz. 21 en 22.
+
+ Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking wage
+ met de fraaije verzen, waarin deze togt door de Groot en door Huygens
+ is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e couplet, heb ik ontleend aan Van
+ Meteren's beschrijving van den slag bij Nieuwpoort: "Milord ofte
+ Baroen van Gray--ende meer andere soo Enghelsche, Fransche, als
+ Hooghduytsche Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz
+ verselschapten." Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb gegeven, zal
+ men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het ergerlijk vinden, dat
+ ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en broeder des Konings van
+ Denemarken, "_Fanden ta dig!_" of "dat de Duivel u hale!" laat
+ roepen, en hem bovendien roode knevels heb gegeven; doch het laatste
+ scheen mij nog al nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval,
+ Ambassadeur van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet
+ verstaan. In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan
+ Bulleval heeten. Het slot, "Luctor et Emergo," (ik worstel, maar ik
+ drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd door het onderwerp
+ van zelf ingegeven.
+
+ Prince Mouringh reed langs zee
+ In zijn wond're koets met masten;
+ Half het Haagsche hof was mee;
+ Groote cijsen, rare kwasten,
+ Nog te noen bij Scheveling
+ Snelden ze al voor twee langs Petten,
+ Toen het holdebolder ging
+ En de koensten zich ontzetten:
+ Flap zei 't zeil en krak het roer;
+ 's Princen koets te water voer.
+
+ Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis,
+ En men staakte 't vleijend prijzen;
+ Ieder wenschte zich te huis;
+ Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen?
+ Alle tongslag sloeg een vloek;
+ Alle groote banjerts pepen,
+ En van angst werd buis en broek
+ Stuk gescheurd en kaal geknepen;
+ Prince Mouringh zag zoo snip,
+ Of hij vreesde voor zijn schip.
+
+ "_Narren!_" riep een Moffenheer,
+ "_Wo Hans Michel soll ertrinken,
+ Nicht in dieses salzes Meer.
+ In ein Weinfasz wirdst du sinken!"
+ "Das versprach_..." Daar nam een golf,
+ Die aan hem zich wou verwarmen,
+ Die hem sissende overdolf,
+ Forsch den likkebroer in de armen.
+ Oef! zijn neus, zoo vierig-rood,
+ Bleek te bros voor zulk een stoot.
+
+ De Admirant van Arragon
+ Zat zijn handschoen los te rijten;
+ 't Scheen dat zich de quant bezon,
+ Of hij blaffen zou of bijten.
+ Grimmig sprak hij tot den Prins:
+ "Krenkt ge mij een enkel haartjen,"
+ En hij streek de sik zijns kins.
+ "Zeker heeft die muis een staartjen!"
+ Maar zijn bleekheid dacht er bij:
+ "_Sante Madre!_" baat dat mij?"
+
+ "_Beautiful!_" begon Lord Gray,
+ Toen de zon door 't water straalde:
+ "_Lord!_" daar stoof zijn muts in zee,
+ Die met blaauwe veeren praalde,
+ "_Help, fetch back!_"--"'t Blijve onbeproefd,
+ Riep de Prins; "laat gaan die pluimen,
+ Daar hij twintig jaar op snoeft:
+ Alle wijven hebben luimen;
+ Maar Elisabeth was mal,
+ Zoo zij kaatste met dien bal."
+
+
+ "Fanden ta dig!" klonk in 't want,
+ En de Deen, met roode knevels,
+ Zag hoe Frankrijks afgezant
+ Laf zicht vasthield aan zijn stevels.
+ "_Ah! ne me refusez pas.
+ Prenez moi a la remorque_."--
+ "_Non, Monsieur, a vous le pas!_"
+ Bulleval had uit met snorken,
+ Als een lammetjen gedwee:
+ "_Henri Quatre en saura gre_."
+
+ "_Luctor et Emergo!_" riep
+ Prince Mouringh, en de wagen
+ Eensklaps weer ter kuste liep,
+ Waar men Petten op zag dagen.
+ "_Luctor et Emergo!_" klonk
+ Uit den mond van al de gasten,
+ Toen de Prins er 't welkom dronk,
+ En ze in puik van mossels brasten.
+ Mouringh zei tot d'Admirant:
+ "_Et Emergo_ Volk als Land!"
+
+ * * * * *
+
+ En nu, wat dacht hij onder 't zingen?
+ "Dat liedjen," zei hij, "haal de droes!"
+ Hij zag de naakte woestelingen
+ Het bruine lijf in bogten wringen,
+ Alsof dier talen mengelmoes
+ Hun 't hoofd deed draaijen als een roes;
+ 't Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen;
+ Zij hingen over 't praauwtjen henen
+ Dat schommelde uit den evenaar,
+ En 't water stoof hun tot de scheenen;
+ Nog duchtten zij geen lijfsgevaar:
+ Een oogwenk en den stroom ten buit,
+ Had zingen en had lagchen uit!
+ Maar neen, zij zagen 't en zij tastten
+ Ten scheppertjens,--al wolkend vloog
+ Het vocht, waarin hun voeten plasten,
+ Van ied're zij der boot omhoog;
+ En weer was ze in een omzien droog,
+ Weer moest hen zijn gezang vergasten.
+ Wie zich aan Breero's deuntjens stiet,
+ Hij luist're naar wat volgde niet:
+
+
+
+
+V
+
+MACHTELD.
+
+ Stem: Wijkker Bietje, die bij 't beekje.
+ _Vondel_.
+
+
+ Machteld had wel hooren luiden,
+ Wat of vensterkens beduiden
+ Die des avonds open staan;
+ Maar een weinig frissche koelte
+ Was zoo welkom na de zoelte,
+ En het hare stond maar aan.
+
+ Ook scheen 't zuchtjen louter weelde,
+ 't Zij het schalk haar bloezem streelde,
+ 't Zij het suisde in 't blonde haar;
+ Echter wuifde 't uit het loover
+ IJlings meer dan geuren over,
+ Zoet accoord van stem en snaar.
+
+ Als zij 't venster nu ging sluiten,
+ Zou de minnezanger buiten,
+ Haar in de onderkeurs bespien;
+ En dies zocht zij, schaamrood, schuchter,
+ Met de vingers om den luchter,
+ Achter 't saai gordijn te vlien.
+
+ Maar al had zij hooren praten,
+ Dat hij dra wordt ingelaten
+ Die 't ons op zijn luit bediedt,
+ Niet te luist'ren naar zijn bede,
+ Niet te naad'ren ook geen schrede,
+ Dat gedoogde 't hartjen niet.
+
+ Op haar bloote, blanke voetjens,
+ Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens
+ Dies naar 't raam: wat fraaijen val!
+ Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!
+ Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!
+ Neen, hij prees haar schoonst van all'
+
+ Was het waarheid wat hij kweelde,
+ Dat "de lieve lach, die speelde
+ Om haar lipjens, "kus mij!" riep,
+ "Maar dat de opslag van haar oogjens,
+ Wacht hield bij die nektartoogjens?"
+ Hoe zij naar den luchter liep!
+
+ Zie, al had zij hooren preeken,
+ Dat de booze liefst zijn treken
+ Uitspeelt achter 't spiegelglas,
+ Waarom zou zij, nu slechts muren
+ Haar bespiedden, niet eens gluren,
+ Of zij de allermooiste was?
+
+ En zij keek eens en zij knikte,
+ En zij keek weer en zij blikte
+ Op haar vlugge beentjes neer;
+ En zij danste een passedijsjen,
+ Naar een zacht geneuried wijsjen,
+ En zij knikte keer op keer.
+
+ Maar het was, terwijl zij zwierde,
+ Of het luik op 't hengsel gierde,
+ Of... doch langer geen geluid;
+ Echter kraakte vast de wingerd,
+ Om haar vensterken geslingerd....
+ Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!
+
+ * * * * *
+
+ En echter hebt gij 't lied beluisterd?
+ Een and're vraag, 'k was dies gewis,
+ Vol lachs of vol van ergernis?
+ Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd,
+ Getuig wat uw verbeelding is:
+ _Of_ schalke als die van vroeger dagen,
+ Wier wieken, gift van scherts en lust,
+ Op 't feestmaal werden uitgeslagen,
+ Haar smetteloosheid zich bewust,--
+ Die zonder blaam, die zonder vrees
+ Het menschelijke menschlijk prees;
+ _Of_... laat mij haar onreine noemen,
+ Die onder dubb'len sluijer kleurt,
+ Die eischt dat we ied're drift verbloemen,
+ Wijl ze elken zegen heeft verbeurd:
+ Wit graf waarbij de minne treurt!
+
+ Wat of zich Bontekoe verbeeldde?
+ Dat Machtelds minnaar binnen kwam,
+ Met zoete woordekens haar streelde,
+ En, louter liefde, louter weelde,
+ Een kus stal eer hij afscheid nam;
+ En... waarlijk verder dacht hij niet;
+ 't Bosschaadje hoorde een ander lied:
+
+
+
+
+VI
+
+PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN.
+
+ Stem: Lorretjen.
+
+
+ Wat leide ik toch een leven,
+ Het prinsjen van de buurt!
+ Mijn stok is bruin gewreven,
+ Mijn kooi is glad geschuurd,
+ En ik kan klontjens krijgen,
+ Voor 't praten en voor 't zwijgen.
+ Ai! Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Houd mij je bekjen toe!
+
+ En zou ik mij dan storen
+ Aan 't smalen van dien knaap,
+ Die steeds wat nieuws wil hooren,
+ Die me uitscheldt voor een aap,
+ En mij zoo graag zou dwingen,
+ Een eigen lied te zingen?
+ Neen, Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Is daar te snugger toe!
+
+ Ik ken wel mijns gelijken,
+ Die wand'len over straat,
+ Die met een degen prijken,
+ Die zitten in den raad;
+ Zij kregen 't beste hapjen,
+ Door krek te doen als Papjen.
+ Een Lorretjen,
+ Kaporretjen,
+ Kapoe, kapoe, kapoe,
+ Waar past die al niet toe?
+
+ * * * * *
+
+ 'k Weet niet of u de les zal smaken;
+ De wilden lachten luide er om,
+ Terwijl 't refrein op eens een drom
+ Van papegaaijen deed ontwaken:
+ Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weer;
+ De vogels wisten van geen schuwte;
+ De zoelte riep het tot de luwte,
+ Het strand den stroom toe keer op keer;
+ En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren
+ Des wilden wouds, der wilde waat'ren:
+ "Zing voort, ik ken geen liedje meer."
+
+ En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde,
+ Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot,
+ En 't paar weer rust'loos op hem staarde,
+ En half hem smeekte en half gebood,
+ Was hij niet slechts gereed te kweelen,
+ Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij,
+ Of 't lief tooneel van vrijerij,
+ Dat blanke Maas of gulden IJ
+ Op 't marmer van zijn vloed zag spelen,
+ Een warmte hem mogt mededeelen,
+ Als reed hij schaats, als vrijde hij:
+
+
+
+
+VII
+
+WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS.
+
+ Stem: Mijn zoetje!
+ Ik moetje (_met variatie_.)
+ Starter.
+
+ Wijs Klaertjen
+ Zou 't paartjen,
+ Liefst zamen alleen,
+ Verzellen
+ Of kwellen,
+ 't Was moeder schier een,
+ Mits 't zusjen
+ Elk kusjen
+ Haar klappen mogt t'huis:
+ Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis.
+
+ Min bloode
+ Dan noode
+ Ging 't vrijsterken mee;
+ Te waken,
+ Te laken,
+ Voedt vriendschap noch vree,
+ En Govert,
+ Betooverd
+ Door Elze zijn lief,
+ De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!"
+
+ Hoe prachte,
+ Hoe lachte
+ Die olijke guit,
+ Bij 't winden
+ En 't binden
+ 't Wijs zusterken uit!
+ Zij gromde,
+ Zij bromde
+ Om 't schalke gezeur,
+ Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur.
+
+ "Mag praten
+ Niet baten,"
+ Was moederliefs woord,
+ "Men jage
+ Den trage
+ Door voorbeelden voort!"
+ Dies rende
+ In 't ende
+ Ons meisken het paar
+ Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar.
+
+ Eerst reed zij;
+ Toen gleed zij;
+ Straks peinsde ze een poos:
+ "Die terger!
+ Ik erger
+ Mij niet aan 't gekoos.
+ Omhelze
+ Hij Elze,
+ Mits verre van stad!"--
+ Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat.
+
+ Waratje,
+ Mijn schatje,
+ 't Bleek dwaas overleg.
+ Zij blikte,--
+ Zij schrikte,--
+ Het paartje was weg!
+ Wat riep zij!
+ Wat liep zij!
+ Half spijt en half vrees,
+ En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees.
+
+ Toch staarde,
+ Toch waarde
+ Getrouw haar op zij
+ De rapste,
+ De knapste
+ Der dartele rij,
+ Noch jonker,
+ Noch pronker,
+ Maar geestige guit
+ Haar aan,--om haar heen,--en borst eindelijk uit:
+
+ "Mooi Grietjen!
+ Dat hiet-je,
+ Of wel, liefste Leen,
+ Of Antjen,
+ Mijn Santjen!
+ Maar dat is al een.
+ Schalk zoetjen
+ Nu moet je
+ Met mij op de baan;
+ Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan."
+
+ Met greep hij,
+ Met kneep hij
+ Haar worst'lende hand,
+ En zeide
+ En beidde:
+ "Spreek op,--naar wat kant?"--
+ "Ik heet niet...--
+ Ik weet niet...--
+ Ik zoek Elze-zus."--
+ "Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus."
+
+ Zij gluurde eens,
+ Zij tuurde eens
+ Wie hij wel geleek;
+ Toen bloosde,
+ Toen poosde,
+ Toen werd zij schier bleek;
+ En 't gapen
+ Der knapen,
+ Die 't aanzagen, moe,
+ Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe.
+
+ O Joosjen,
+ Mijn Troosjen,
+ Wat reden zij snel!
+ Wat beende,
+ Wat leende
+ Zij weelderig wel!
+ De molen,
+ Verscholen
+ In 't graauw van de lucht,
+ Verrees--was zij op--was--voorbij in hun vlugt.
+
+ 't Ging schriller,
+ 't Werd stiller
+ Op 't ijs om hen heen.
+ "Dra komen
+ Die boomen,
+ Dan zijn wij alleen!"
+ Sprak 't kwantjen
+ Die 't handjen
+ Nu vaster nog kneep.
+ Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep.
+
+ "Daar achter
+ Geen wachter,
+ Die nijdig bespiedt;
+ Voor kunstjens
+ Uw gunstjens,
+ Dat weigert ge niet!"
+ Met ijlden,
+ Met wijlden
+ Ze op de eenzame plek,
+ En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek.
+
+ "Rust, meisjen!
+ Van 't reisjen;
+ Ik merk, je bent moe."
+ Hij rende,
+ Hij wendde,
+ Zij lachte hem toe;
+ "'k Heb fraaijer
+ Geen draaijer
+ Gezien op de baan,
+ Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan."
+
+ Flip keerde;
+ Zij weerde
+ Den stoutert wel af,
+ Maar pruilde
+ Noch druilde,
+ Wat pas het ook gaf.
+ "Hoe heetje?"--
+ "Dat weetje."--
+ "'k Geloof haast van ja,"
+ Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K.
+
+ Eilacie!
+ Tentatie
+ Dient ijlings ontsneld;
+ Op dralen
+ Rijmt falen;
+ Dra struikelt die helt!
+ Vast sling'ren
+ Zijn ving'ren
+ Om 't lijfjen zich heen,
+ Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen!
+
+ Maar gluipen,
+ Maar sluipen
+ Die vroolijke twee,
+ Maar rijden,
+ Maar glijden
+ Zij niet naar de stee?
+ Zij komen
+ Vernomen
+ Door hem noch door haar;
+ 't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar!
+
+ "Wel, zwager!"
+ De plager
+ Verrast hen alzoo.
+ "Wel, zoetjen!
+ Ik groetje,
+ Ik stoor je maar noo.
+ De vrijheid
+ Is blijheid,
+ Is t'huis op het ijs.
+ Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs."
+
+ Luid schreijend,
+ Hen beiend,
+ Houdt Klaertjen 't gezigt,
+ Bij 't blozen
+ Om 't kozen
+ Op 't ijsvlak gerigt,
+ En zuchtend
+ En duchtend
+ Reikt ze Elze de hand,
+ "De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!"
+
+ "Neen, vrees niet,
+ Neen, wees niet
+ Eenkennig, lief kind!
+ Al knort zij,
+ Toch wordt gij
+ Opregt'lijk bemind.
+ Ik zocht je,
+ Ik mogt je
+ Al lang gaarne zien,
+ En 'k vraag je voor Lichtmis nog van je oude lien."
+
+ "Ai, Klaertjen!
+ 't Is 't aertjen
+ Van onz' aller moe;"
+ Spreekt zusjen
+ Na 't kusjen
+ 't Wijs vrijsterken toe.
+ "'k Betrapje,
+ 'k Verklapje
+ Dies toch niet te huis.
+ Op 't ijs met zijn drieen, dat schat ik een kruis!"
+
+ Al telt gij geeuwend de blaen,
+ Verkwist om slechts een schaats te slaan,
+ Voor hem school in de eenvoude woorden
+ Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden!
+ Vergeefs was de avondwind belaen
+ Met myrrhe en mastik, langs de boorden
+ Des vloeds al walmende opgegaan,
+ Uit duizend kelken van gebloemt',
+ Die 't Oost hare offerschalen noemt.
+ Hij walgde van zijn weeklijk wuiven;
+ Hem dorstte naar den geest der kracht,
+ Die de aard herschept in eenen nacht,
+ De graauwe wolken weg doet stuiven,
+ De starren oproept tot zijn wacht,
+ En, als hem de uchtend tegenlacht,
+ Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven,
+ Heel 't landschap tint'len ziet van pracht,
+ Een vonk'lende juweelenschacht.
+ Maar niet alleen het forsche streelen
+ Der 't bloed bevleugelende lucht
+ Was de oorzaak van zijn diepen zucht:
+ Hij droomde van een klein gehucht;
+ Hij zag der landjeugd schalke spelen
+ In de arreslee, bij 't schaatsgenucht;
+ En 't liefste meisjen uit de schaar,
+ Dacht zij aan hem als hij aan haar?
+
+ Daar fluisterden zijn reisgezellen,
+ En trager werd de vaart der praauw;
+ Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen?
+ Hen scheen een folt'rende angst te kwellen;
+ Maar wat--wat bragt hen dus in 't nauw?
+ Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaauw,
+ Toch neigden zij ten golven de ooren,
+ Toch weerlichtte op 't verschiet hun blik,--
+ Een wijle drijvens--dubb'le schrik!
+ Ook hij zag nu het woudvier gloren;
+ Ook hem deed zich de krijgszang hooren,
+ Wier flaauwe klanken 't paar al ving
+ Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging;
+ En hij verstond uit hun gebaren,
+ Hij las het in hun schroom en spijt,
+ Dat achter 't rood gordijn dier blaeren
+ Tien, vijftig, honderd krijgers waren,
+ Met hen en met hun stam in strijd!
+
+ Het strand werd levend wijd en zijd!
+
+ Op eens verkeerden hun gezigten,
+ Terwijl de kris des voorsten rees,
+ En de and're greep naar boog en schichten,
+ En proef nam van de kracht der pees:
+ Ze ontveinsden mannelijk de vrees,
+ Zoodra der vlammen feller lichten
+ Hen d'oversterken vijand wees;
+ Zij wilden niet dan strijdend zwichten!
+ En leenden naauw den blanke 't oor,
+ Die, toen de praauw het strand genaakte,
+ 't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor,
+ Een lied zong--dat een heek'laar maakte:
+
+
+
+
+VIII
+
+INKEER.
+
+ Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op,
+ X. Het quantjen zong gelijk een lijster.
+ _Beurtzang_.
+
+
+ De Oom
+
+ De wereld, die in 't booze ligt,
+ Verdwijnt als rook uit mijn gezigt;
+ 'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt,
+ En straks mijn testament gemaakt.
+
+ De Neef
+
+ Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen
+ Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen.
+ Wat kijk ik graag, bij lange togen,
+ Mijn boeltjen door de fluit in de oogen!
+
+ De Oom
+
+ Wat zou mijn neef met schijven doen?
+ At hij zijn korentje niet groen?
+ Al wat ik spaarde wierd verkwist;
+ Ik wil geen snollen bij mijn kist!
+
+ De neef
+
+ Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten
+ Mij dezen avond na mogt laten,
+ 'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen,
+ En kocht een boeijer en twee vossen.
+
+ De Oom
+
+ Dies maakte ik alles aan de kerk,
+ En krijg een lofdicht op mijn zerk.
+ En echter, 't is mijn naaste bloed;
+ Hij heet toch, als mijn vader, Knoet.
+
+ De Neef
+
+ Wat zou ik als een banjer pragchen!
+ Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen,
+ En, arme deern, mij dra verliezen!
+ 't Had dan uit juffers maar te kiezen.
+
+ De Oom
+
+ "Het geld," zoo sprak de vrome man,
+ "Behoort den regten erven, Jan!
+ En wie dies zalig sterven wil...."
+ Wel, waarom niet een codicil?
+
+ De Neef
+
+ Bijlo! wanneer mij dat wou lukken,
+ Zei ik; "adie mijn guitentsukken!"
+ En zou, wie had het kunnen droomen?
+ Door schoonvaer nog op 't kussen komen.
+
+ De Oom
+
+ Hoe stel ik best 't legaat op schrift?
+ 't Legaat? dat ware een halve gift:
+ Hij heeft wat noodig naar ik raam;
+ Hij is de leste van mijn naam!
+
+ De Neef
+
+ Het is wel waar wat looze Gijs zeit:
+ "De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid,"
+ Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen,
+ Om er mijn aapjen in te houen.
+
+ De Oom
+
+ Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht,
+ Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht!
+ 'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom;
+ Roep den Notaris toch weerom!
+
+ De Neef
+
+ 't Is zonder heksen toch te leeren;
+ Ik ken wel erger, die regeeren.
+ Staat niet in 't Burgermeesters boekjen:
+ "Wijs bij de lui, mal om een hoekjen?"
+
+ * * * * *
+
+ Een korte wijle zweeg 't getier
+ Der uitgelaten rei van wilden,
+ Die in een laaije zee van vier
+ De spietsen, die hun vingers drilden,
+ Nu dompelden ten gloenden doop,
+ En fluks in vogelvluggen loop
+ Die midden uit de vlammen tilden.
+ Een oogwenk zweeg de ruwe hoop,
+ Om over 't roode vlak der baren,
+ Het praauwtje grimmig aan te staren;
+ Maar de invloed van het schalke lied
+ Verloochende ook bij hen zich niet!
+ Zij deden 't sein des vredes wapp'ren,
+ En de ouderdom herriep de dapp'ren,
+ Die, om den erfwrok lang gehuisd,
+ Vast in den breeden vloed zich waagden,
+ En heup en borst van schuim ombruist,
+ De waap'nen in de slinke vuist,
+ Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.--
+ Ach! kind'ren van hetzelfde land,
+ Maar die elkanders rust belaagden,
+ Om onderscheid in offerrand'!
+
+ Was hun de blanke vreemd'ling heilig,
+ Of achtten zij een man zoo koen
+ Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig?
+ Wie lust had om de vraag te doen,
+ Niet hij, die wenkte voort te spoen;
+ En 't paar weerstreefde hem niet langer.
+ De breede stroom, der zee genaakt,
+ Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt.
+ Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger:
+
+
+
+
+IX
+
+JAN COMPAGNIE.[2]
+
+ Stem: Speelnootjes heft eens vrolijk an.
+ _Bruiloftsliedeken_.
+
+
+ De trommel van de Staten werft:
+ Lang leev' de Prins, hoezee!
+ Maar zoo men in het veld niet sterft,
+ Wat brengt men er uit mee?
+ Een stijven arm, een houten poot;
+ De drommel hale die!
+ Is 't geldjen op, en komt de nood,
+ Ik ken Jan Compagnie.
+
+ Wat hielp dat brammetje in zijn tijd
+ Al meisjens 't hoofd op hol!
+ Wat had dat boeijen wijd en zijd
+ Den kerfstok spoedig vol!
+ "Weg!" riep zijn vaer, en "wee!" zijn moer.
+ "Mijn rijk is uit, adie!"
+ Hoe arm hij naar Oost-Inje voer,
+ Hij werd Jan Compagnie.
+
+ 't Was in en uit met d'Amboinees;
+ Hij prees zijn specerij,
+ Maar toffelde den Portugees,
+ En had de handen vrij,
+ Ter nood verliep nog jaar en dag,
+ Daar kwam een vloot in 't Vlie,
+ De rijkste, die ooit Holland zag;
+ Haar zond Jan Compagnie.
+
+ De wilde snaak werd groot sinjeur;
+ Hem huift het zwarte volk
+ In wierookwalm en ambergeur;
+ Hij lucht er uit een wolk!
+ Met vonkelende sluijerkroon
+ --Juweelen sieren die--
+ Weerspiegelt daar op gouden troon
+ Mijnheer Jan Compagnie.
+
+ In 't palmbosch klinkt de schelle luit
+ Der Bajaderen-schaar:
+ Hij kiest van daag de schoonste er uit,
+ En morgen weer een aer.
+ "Wat baatte me al mijn overvloed,
+ Het rijk, dat ik gebie,
+ Ontbrak mij hier 't zoetste zoet
+ Omhels Jan Compagnie!"
+
+ Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee:
+ Oranje blanje bleu!
+ Een schip doemt op; hij roeit ter ree,
+ Als was hij 't rusten beu:
+ "Weest welkom, maats! hoe lang je reis?
+ 'k Ben blij dat ik je zie.
+ Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais?
+ Wie zoekt Jan Compagnie?"
+
+ "Ik!" roept dan menig losse guit,
+ Die, baasjen van de baan,
+ Vroeg scheidde van zijn mooijen duit;
+ Hij spreekt hem vroolijk aan:
+ "Heb jij geraasd, mijn eele vent!
+ Wie deed het niet, ai, wie?
+ 'k Was als de bonte hond bekend;
+ 'k Wierd toch Jan Compagnie!"
+
+ En, wonder! na een jaar vier, vijf,
+ Hijscht elk er 't zeil in top,
+ En reedt een schip en neemt een wijf,
+ Staat voor een ton niet op;
+ 'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan,
+ Schoon ik den boom al zie,
+ En laat der Staten trommel slaan:
+ Lang leef Jan Compagnie!--
+
+ * * * * *
+
+ Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover
+ Het koeltjen, aangesneld uit zee,
+ Die ruwe klanken vrolijk over!
+ Wat scheen het wilde paar gedwee,
+ Toen 't praauwtjen voortstoof naar de ree!
+ Zij staarden onder het luchtig ijlen,
+ Beheerscht door d' indruk van het lied,
+ Nu oost- dan westwaart in 't verschiet,
+ Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen,
+ Hun nog geen zeekasteel verried;
+ Want beide waren ze onder 't schaat'ren
+ Der leste wijs van Bontekoe,
+ Bij 't luid "Jan Compagnie" te moe,
+ Als riep hij uit den schoot der waat'ren
+ Den geest op van het verre West,
+ Die, d' oorlogsbliksem in de handen,
+ Verscheen aan de Indiaansche stranden,
+ En fluks zijn troon er had gevest,
+ Alree vermaard in de Oosterlanden,
+ Voor leeuwenkuil en arendsnest.
+
+ 't Was ijdel duchten, ijdel staren.
+ Geen wolk van rook, geen flits van vier
+ Schoot over 't zilv'ren vlak der baren;
+ Geen schip, op tal van masten fier,
+ Viel langs de gansche ree te ontwaren;
+ Wat vaartuig bragt den blanke hier?
+ De wilden vroegen 't, schoon hij rees
+ En 't zeilenpaar der boot hun wees.
+ Half duikende onder kokosboomen,
+ Ontsnapte ze in de baai 't gezigt.
+ Daar gaf hij 't sein--en werd vernomen;
+ Daar riep hij luid--zij gleed aan 't licht:
+ Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen,
+ Of hield den blik ter zee gerigt,
+ Als greep een feller smart hem aan
+ Dan 't man'lijk harte kon weerstaan.
+ O vijftienjarig ijdel streven!
+ O hoop, zoo lang vergeefs gevoed!
+ Hoe vrolijk had hij van den steven
+ Den Ooster-Oceaan begroet,
+ Den kijker in de hand geheven,
+ En lucht gezien en land vermoed,
+ Tot schril de kreet weergalmde in 't want:
+ "Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!"
+ Weer dwarrelde alles hem voor de oogen,
+ Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht,
+ De bleeke schrik,--de bange klagt,--
+ De flaauwe hoop,--het ijdel pogen,--
+ De vlam, die schoot van stee tot stee,
+ Het noodgeschrei: "de boot in zee!"
+ En toen, het toppunt der ellenden,
+ Geen tucht meer--hoe?--geen zelfbedwang,
+ Voor sluike vlugt, het wild gedrang
+ Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden,
+ 't Gekerm,--'t gebed,--een dof gerucht...
+ En schip en manschap in de lucht!
+
+ Toch werd uit die herinneringen
+ Van heil en hoop, van vlam en vier,
+ De mijmeraar door t' luid getier
+ Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen,
+ Wat beeld kon zulk een rouw verdringen?
+
+Noot 2: De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten April 1602
+opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden bloei: "_La Richesse de la
+Hollande a Londres aux Depens de la Compagnie_," pag. 33 etc.
+
+
+
+
+X
+
+DIEUWERTJEN.
+
+ Stem: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept.
+ Hooft.
+
+
+ Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
+ Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,
+ Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om,
+ Vast peinzend: tot alles is zij wellekom.
+
+ Wit van den hagel, maar warm trots de kou',
+ Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw;
+ Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier
+ Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier.
+
+ Echter was 't later als jeukte mijn scheen,
+ Schoof ik je digter, je schooft verder heen,
+ En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg,
+ Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg.
+
+ 't Vreezen en beven--het had schier geen end';
+ 't Huis van je moeder was jij zoo gewend.
+ Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit,
+ Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid.
+
+ Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
+ Onder dat wiegekleed giert onze Claes.
+ Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen,
+ Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen!
+
+ * * * * *
+
+ O liefde, die in Hollands streken
+ Alom altaren zaagt ontsteken,
+ Eer kiesch den voorrang won van kuisch
+ En gouden ketens fulpen banden
+ Vervingen in de Zeven Landen,
+ O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch
+ Bij onze heldenvad'ren t'huis!
+ Wie schetst uw wonder alvermogen
+ Op 't onverdorvene geslacht,
+ Dat klagt noch knieval wou gedoogen;
+ Dat, louter licht en lust in de oogen,
+ Het schoon zijn hulde al juichend bragt,
+ En toch zijn eerbied voor de vrouw
+ Verkondde in echtelijke trouw!
+ Wat harte dat gij niet regeerdet,
+ Wat harte dat gij niet herschiept,
+ Gij, die den vroeden schalkheid leerdet,
+ De lachjens tot den stugste riept,
+ Beheerscheresse van de jeugd,
+ Haar hoogste heil, haar hoogste deugd!
+
+ Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde,
+ Dat aanlokte uit het slechte lied,
+ Het droef gemoed des zwervers streelde,--
+ Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde,
+ Zijn gister en zijn morgen niet!
+ Zoo min zijn worst'ling met de golven,
+ Waarin hij, na den gruwb'ren slag,
+ Een lange wijle was bedolven,
+ Waaruit hij, toen hij 't licht herzag,
+ Niets hoorde dan het bang geklag
+ Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen,
+ In 't rustelooze nederzegen;
+ Als 't stil verzuchten om den dood,
+ Toen laaije dorst en wreede nood
+ Het scheepsvolk, onder 't angstig varen,
+ Ten voedsel dat hen overschoot,
+ De jongens vratig aan deed staren,
+ 't Gebrek dien gruwel schier gebood,
+ Wierp langer uit het droef verleden
+ Zijn schaduw dreigende over 't heden,
+ En zijn verschiet? 't Was of de kust
+ Van Java opdoemde uit de baren;
+ En bleek door twee en dertig jaren
+ Het vuur der jeugd nog niet gebluscht:
+ Zijn baard verried reeds graauwe haren;
+ Hij had ten verd'ren togt geen lust;[3]
+ De kiel, waarmee hij t'huis zou varen,
+ Lag op de reede al uitgerust.
+
+ Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken;
+ Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij
+ Van uit het oord van 't uchtendkrieken
+ Naar 't avondrijk de Kaap voorbij!
+ Daar deed de wind in 't loof der palmen
+ Den groet der koop'ren keel weergalmen;
+ 's Lands vlagge wapperde op Guinee!
+ Daar tintelden de witte kruinen
+ Van Hollands wachtgelijke duinen!
+ Hoe seinde hij de Hoornsche ree!
+ En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten
+ Der overwelbeminde kust
+ --Waarin misschien de dierste al rust!--
+ Voorafgaat,--neen! het wuivend groeten
+ Van Guurtjens kleine, blanke hand,
+ Wier pink weerschittert van zijn pand!
+ Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen,
+ Voor goud of roem uw zegen veil,
+ O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil!
+ De man is wijzer weergekomen,
+ Een bloeijend kroost, een brave vrouw,--
+ Ai, niets en gaat voor de echte trouw!
+
+ "Ha, schipper!"
+
+ Holland was verdwenen!
+ Sumatra's kust, het wilde paar,
+ Hij werd die ijlings weer gewaar;
+ Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen
+ Ter plek, waarop zijn trouwe schaar
+ Hem toefde er met de boot verschenen:
+ Hij was ontkomen aan 't gevaar!
+
+ Wie eischt van mij de groep te schetsen
+ Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving?
+ Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen;
+ Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring,
+ Die luist'rende aan zijn lippen hing!
+ 't Geheim des meesters ging verloren,
+ En daarom zij u 't woord genoeg:
+ Dat ieder zich nieuwsgierig droeg,
+ Om 't lang verhaal ten eind te hooren,
+ En elk toch, door verbazingskreet,
+ Hem afbrak en herhalen deed.
+
+ "Wat lot onz' makkers is beschoren,
+ Helaas! wij zullen 't morgen zien!
+ En nu, ik kan niet meer, goe lien!
+ Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen."
+ Dat stiet hij, met een schor geluid,
+ In 't eind den moeden gorgel uit.
+ "Tot morgen!" zeide zij en gingen
+ Naar hunne loovertenten toe.
+ Een omtrek nog van Bontekoe:
+ Hij boog zich voor den Heere neder
+ Voor dat de slaap zijne oogen look,
+ --Een vol gemoed is dubbel teeder--
+ En Guurtjens beeld verscheen hem weder,
+ En voor zijn Guurtjen bad hij ook!
+
+1840.
+
+
+Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in
+het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde
+mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats
+in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste
+gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord
+waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar
+hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men
+beseild en besiet, wat konditien, profijten en vermakelykheden dat men
+geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel,
+van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope
+heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en
+sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde
+en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der
+welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr.
+W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder
+wedervaren te vinden.
+
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+VERHALEN
+
+Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen
+--Hanna
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+BLAAUW BES, BLAAUW BES!
+
+(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN)
+
+
+Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den
+dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen
+straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om
+te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke
+onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de
+Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor
+van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten
+kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had
+doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weerzin opgevangen
+woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn
+studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd
+of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten
+beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten
+opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax
+hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld,
+waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de
+beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op
+de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van
+visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het
+voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel
+ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren
+vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die
+het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte
+gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje,
+--de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht;
+--om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de
+behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden
+niet onaardig toetst, als gij neerblikt, de rosse schijn eener lantaarn,
+als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen
+sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt
+gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeen hebt dank
+te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld
+verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als
+hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past?
+Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene
+onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder
+die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had
+uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge
+doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der
+verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet
+enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet
+louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide
+overdrijvingen wekken zoo velerlei weerzin op, dat ik dien onmogelijk in
+eenen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen
+van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling
+van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een
+der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig
+mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren
+eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer
+uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder
+behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u
+van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van
+beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven,
+die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans
+afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook
+mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te
+geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen,
+van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de
+laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer
+tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet
+zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem
+heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends
+aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje
+roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden,
+dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen,
+schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die,
+bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre
+dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang
+zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen,
+welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te
+verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo
+schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de
+welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de
+dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar
+waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen
+voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons
+verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede
+schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne
+inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die
+de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet!
+
+
+"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer
+hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen
+heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en
+de bezien, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw
+van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare
+gansche mand leeg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten.
+Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen
+wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer
+te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast
+verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide
+kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de
+hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf
+van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest,
+dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit
+mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de
+tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het
+jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk
+verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf,
+zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn
+geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot
+het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke,
+dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is
+met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den
+blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn
+blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben
+verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen
+niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond
+en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in
+de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt
+aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had
+geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad
+en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog
+invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen
+voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid,
+door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen
+niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier
+stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken,
+zou opgehouden hebben, u weerzin in te boezemen, want er had een lachje
+over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder
+allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl
+iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar
+troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen
+toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies
+van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel
+die genade had gevonden bij God!
+
+_Une femme qui n'a plus d'age_ is iets vreeselijk-leelijks, als
+Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der
+oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het
+overige in al zijnen omvang geeerbiedigd), ook aan het onderscheiden
+volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de
+bestemming van den mens, zijn toe te schrijven?
+
+"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het
+vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit
+gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te
+zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke,
+harer de lippen blaauw verwende bezien niet. En echter was het blijkbaar,
+dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet
+verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre
+van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar
+na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het
+huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door
+geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige
+plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes,
+blaauw bes!" haar hebben geergerd; thans scheen zij even goedwillig de
+oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze
+pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht
+voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest.
+Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op,
+en de schel ging over, tot twee malen toe.
+
+Een knecht, in geel linnen jas, deed open.
+
+"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw.
+
+"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads
+heeten Sanne en Saar, en--"
+
+"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het
+huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de
+knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn."
+
+"En dat zou geen wonder wezen."--
+
+Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener
+kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez
+donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de
+blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare
+nasporingen voortzette.
+
+"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar
+of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?"
+
+"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem
+ik geene notitie," was het antwoord.
+
+Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de
+veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen.
+
+"Foei, Emilie!" zei haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was
+zoo'n vrolijke, vriendelijke meid."
+
+Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen.
+
+"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die
+nare, norsche jufvrouw, Numero Acht."
+
+"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude.
+
+"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goelijk, "maar die is
+buiten."
+
+"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang.
+Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe
+schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan.
+
+"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het
+weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht.
+
+"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar
+trekvogels."
+
+"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist."
+
+Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd.
+
+"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank
+zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde
+gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn
+blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neer; maar of de
+oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang
+duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die
+nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad.
+
+Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden,
+weer op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je
+dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----"
+
+"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?"
+
+Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet
+op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het
+ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend
+had.
+
+"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk.
+
+Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij
+het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten
+onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje
+verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die
+aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest;
+en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot
+genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans
+beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek
+wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil,
+en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed,
+wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden
+niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd
+groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld,
+geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man,
+had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs
+willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het
+zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering
+geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan
+waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem
+getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut!
+
+Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven!
+
+"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in,
+om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er
+"blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie
+haar wenkte.
+
+"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig
+wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm;
+het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen.
+
+"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven
+de natuur.
+
+"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je
+vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz?
+mijn man is zoo gek met den guit!"--
+
+Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe
+weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden
+van haar antwoord er uitkwamen.
+
+"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een
+rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor
+ik."
+
+"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de
+moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw
+Hendriksz?"
+
+"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je
+twee en een' halven cent weerom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van
+me, ik kom nog weleens weer aan."
+
+"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden
+dag."--
+
+Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging
+verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van
+dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot
+Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de
+hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed
+getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik,
+dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was
+Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed
+gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of
+had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet
+aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat
+de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve
+boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou
+worden gesteld, of dit haar ernst was geweest.
+
+Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht
+der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken,
+die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in
+verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het
+vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs
+deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem
+niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij
+eindelijk waar zij wezen moest.
+
+"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf
+aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij
+zou naar huis gaan, geloof ik."
+
+"Ach God!"
+
+En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de
+Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk.
+
+"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat
+mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt.
+
+Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij
+hare moeder kondt zijn," sprak de meewarige man.
+
+"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende
+het glas water had leeggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef
+ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur
+geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat
+haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was
+ongeveer drie maanden geleden!
+
+Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van
+den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen
+ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof,
+waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij
+zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En
+echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij
+deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij
+beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar
+was Eefje? hoe zoude zij haar kind weervinden? Slechts een gebouw
+teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp
+tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten
+wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_.
+Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen,
+gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het
+haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze
+der moeder niet toewenschte.
+
+"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des
+huizes, bewogen.
+
+"Onder de mindere menschen wel; maar die zullen mij weinig kunnen
+helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar
+ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?"
+
+"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..."
+
+"Maar--toch--eer--lijk?"
+
+"Ja, vrouwtje! ja!"
+
+"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze
+vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet
+uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een
+bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje
+niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die
+Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten."
+
+En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had
+neergezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den
+last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft
+misschien zelf kinders?"
+
+Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk!
+
+De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje!
+dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter;
+--maar je vergeet je mandje--"
+
+"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--"
+
+Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op
+de lippen lag, maar die zij weerhield, de vraag, welke op het onderzoek
+naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij
+haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een
+licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat
+eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind
+eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze
+dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene
+schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen
+bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de
+tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen.
+
+Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al
+had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten
+om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje,
+een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde
+haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de
+hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer
+beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land
+te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans
+des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het
+eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het
+onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der
+schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in
+dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande
+zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan
+op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had
+gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als
+"de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven
+besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer
+keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet
+mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot
+haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes
+uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls
+voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in
+weerspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die
+gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat
+niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie
+behoort!
+
+De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste
+maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden
+balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en
+geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde
+zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het,
+dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom
+van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare
+lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien
+haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in
+staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist
+te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens
+deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig
+den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van
+loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon.
+
+"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der
+onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de
+smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw
+door merg en been.
+
+En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin
+instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van
+vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van
+eenen naam scheen te kunnen wekken.
+
+"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de
+jammerende moeder voort.
+
+"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder
+naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed
+had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en
+had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer
+gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weer louter
+oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien,
+eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij,
+zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te
+hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was
+er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon?
+
+"Wouter!" riep de meesteresse des huizes.
+
+Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk
+als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige
+trappen, die naar de tuinkamer voerden, op.
+
+Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan.
+
+"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik
+wilde of niet."
+
+"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking
+verbaasd.
+
+"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd
+eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den
+jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder,
+"leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het
+gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde.
+
+"Zij leeft, maar--"
+
+"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van
+zich, als ware hij de schuldige geweest.
+
+"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet
+niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo
+droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg.
+Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst
+kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en
+bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wel.
+Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze
+woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den
+volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw
+eraan--"
+
+"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid,
+die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij;
+Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden.
+Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was.
+
+"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe
+bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit
+waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei
+ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weer, "Veel stiller
+ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te
+wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit
+in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de
+bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar
+kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje!
+als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met
+mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik
+gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik
+spreke--"
+
+Er school te veel poezij in die schets, dan dat het hart eener vrouw
+haar niet mee zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en
+evenwel is zij verleid."--
+
+"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als
+menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat
+zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad,
+zooals ik haar. En dan weer spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek
+van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij
+zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij
+kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje
+vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de
+schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je
+aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen,"
+zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag,
+kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch
+ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord
+sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene
+jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar;
+"mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan
+Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen."
+--"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar
+antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te
+weerleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."--
+
+En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij
+dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te
+zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten
+prijs van haar eigen verderf.
+
+"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman.
+
+Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het
+gesprek maar al te wel had verstaan.
+
+"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!"
+
+"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden
+vader komen moest!"
+
+En zij zeeg op den stoel neer.
+
+"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe;
+"vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."--
+
+"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont,
+zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!"
+
+Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij
+viel andermaal in den stoel neer. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus.
+"Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende
+lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is
+weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?"
+
+Een oogenblik stilzwijgens.
+
+"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord
+ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?"
+
+En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te
+bidden, ook onder die bittere beproeving.
+
+"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje
+moet morgen mee!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar
+ligchaam!"
+
+Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van
+den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den
+schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en
+links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op
+de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan
+over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch
+wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de
+plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo
+verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in
+dat, 't welk de schemering voorafgaat, een jongman uit den drom had er
+blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat
+op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger
+nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord.
+
+Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de
+verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter
+verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet?
+
+Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in
+hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij
+er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de
+zomer weder zijne vruchten mee;--Amsterdam gij weet het, is nog niet,
+zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen
+geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten
+duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter
+onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend
+gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het
+blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem:
+
+"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!"
+
+1845.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!
+
+
+ Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck;
+ Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven;
+ Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven;
+ Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas,
+ Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was!
+ Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen,
+ En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen,
+ Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery,
+ Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory,
+ Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten,
+ En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten,
+ En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift,
+ En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift!
+
+
+Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breero, welke ons
+in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner
+dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds
+bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep,
+waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen
+naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der
+zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het
+loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke
+wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor
+geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te
+vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er
+zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering,
+die ons vertelt, dat Jan de Witt maar een' dienaar had.--Ik tart u
+echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest
+te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel
+met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op
+het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte:
+de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen
+toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er
+niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische
+bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van
+Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder
+den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige
+verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand,
+dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de
+liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op
+statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren'
+wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst
+berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste
+kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen
+de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen
+Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto,
+dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen
+handen in evenredigheid.
+
+Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien
+uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u
+vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene
+gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het
+klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok
+de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen,
+--wie denkt gij dat het spoedigst moe zal zijn, de koetsier of de rossen!
+--scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje
+vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de
+woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden,
+krijgslui in. Daar plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat
+zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde
+u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander
+beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte:
+--toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of
+zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden;
+--toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het
+geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige
+kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest
+springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn,
+zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En
+echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens
+heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij
+karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden:
+hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle
+proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor
+ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is
+billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet
+hooge wijsheid, die daar een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op
+te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt:
+hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal
+wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt,
+ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik
+roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die
+den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt
+gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter!
+wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in
+de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone
+bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het
+oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een
+deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleerenmaker of
+schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in
+eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden,
+geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte
+wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen
+kantoorbediende gezien?
+
+Helaas, neen! Er ligt te weinig poezij in dien toestand, dan dat hij den
+onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid voor,
+zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat
+verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving
+kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot;
+het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor
+deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote
+wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat
+zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij
+als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft
+voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de
+onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn
+der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt
+omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk
+--hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide,
+dat hij een dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg
+--in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de
+vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel
+afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en
+dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg
+of van nooddwang, of van dweeperij, of, in exceptioneele toestanden, van
+deugd.
+
+Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan
+moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er
+waren toekomstige klerken in den hoop, tweeerlei soort zelfs, al was er
+niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog
+niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde
+jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn of kinderen van
+gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten
+gevolge van het verbeterd onderwijs, eene sport hooger zullen klimmen op
+de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in
+plaats van bazen;--of het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar
+armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een
+onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees,
+dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen
+herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den
+twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van,
+dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen.
+En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te
+brengen, dan dat er zooveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne
+bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door
+mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die
+niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit
+geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit
+beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er
+krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er
+krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit
+groene koren des kantoors bestaat daarin, dat de eene soort het voor
+een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden
+gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen,
+waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene
+verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een
+jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn
+leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl
+Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware
+geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen
+wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel,
+met voornemens en wenschen.
+
+Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding
+om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan
+eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij
+een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine
+eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote
+omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek
+beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching
+dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte
+eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste
+niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding,
+die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een'
+practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza!
+waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school
+voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting
+eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal!
+wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit?
+Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en
+sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen
+voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het
+Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van
+processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de
+schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs
+straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij
+wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller
+inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag
+slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van
+stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde,
+volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een
+verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving
+prijs gaf aan het voortdommelen in de eenige slavernij, uit welke onze
+vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging
+der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het
+Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan
+iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het
+oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de
+woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt,
+werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer een had kunnen
+volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het
+goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen,
+die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem
+onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van
+geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die
+geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon
+is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld!
+Slechts een schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen
+vrij mogt hebben; slechts een publiek, waartoe het hem vergund was te
+spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de
+Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de
+lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met
+Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was
+blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn
+breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er
+u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder
+te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven.
+Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling
+vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche
+phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest.
+Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe
+kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en
+_cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te
+leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten!
+Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth
+Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen
+hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren
+doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den
+eisch der beschaving, die invloed zochten door het eenige middel, dat
+dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen
+stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der
+Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het
+eenvoudige, ontwikkelde.
+
+Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar
+aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met
+mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen
+zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche
+teregtwijzing.
+
+Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan
+Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft,
+in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een'
+jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van
+zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den
+Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weer jonger knaap hem zal vervangen,
+en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken,
+boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk
+de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net,
+en dat duurt zoo eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van
+die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt
+bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld,
+bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes,
+alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai
+geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen client tot
+zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de
+mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te
+bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een
+nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare
+liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven,
+welke voor hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren
+waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te
+huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden
+geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen
+om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd.
+Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot
+notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er
+tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en
+trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat
+hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatien valt er ligt een
+baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weergaloos vet, maar
+toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene
+kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid
+tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat
+hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein
+ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen,
+hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een'
+vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend
+wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de
+Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft
+geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is,"
+zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen
+ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels
+afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij
+gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat
+uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt?
+Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wel
+afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert
+het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut.
+
+Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in
+de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een
+burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu
+fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerlui zijn, och ja!
+Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene
+menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet
+zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs.
+Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't
+Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich
+aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of
+de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou
+der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen
+voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt
+staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om
+een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel
+zoo ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker
+ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen
+zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want
+er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest
+verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in
+onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die
+tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de
+bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man
+zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het
+beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de
+arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm
+uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk
+onderscheidt.
+
+"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt
+ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--"
+
+Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan
+hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig
+mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard,
+voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf,
+en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen.
+Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te
+onbarmhartiger, dewijl hij weerloos is,--maar o, hoe hij Staafje
+benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van
+nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje
+uitlacht!
+
+--Eene verdrietige pauze.
+
+"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!"
+eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon
+worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op
+het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord
+--de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij,
+eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den
+vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op
+het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog
+een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op
+te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den
+patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen
+was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands
+kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij.
+
+"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje
+helpen."
+
+En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in
+van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te
+zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn
+stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het
+kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij
+zeggen.
+
+Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat
+kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke
+dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan
+eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt
+ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht
+ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene
+opkamer, daar weer boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de
+keuken; en nu, zie, of liever luister toe.
+
+Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en
+zaal langs, snel als een pijl omlaag.
+
+Piep--piep--piep--en de leege mand is weer boven; maar zou van den
+Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?...
+
+Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede
+mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten
+van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de
+bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold.
+
+"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!"
+
+En Rivers?
+
+Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen,
+spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de
+Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door
+eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap
+opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weerhouden kan te denken:
+
+"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als
+hij!"
+
+De wraak is hem al op de hielen.
+
+"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de
+patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou
+hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die
+met de overigen weer binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die
+"er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te
+trekken,--de mededinger in den dop!
+
+Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de
+straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het
+rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu.
+
+Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen,
+die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te
+verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn
+voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze
+voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of
+verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke
+gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des
+levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen
+eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poezij in den
+handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer
+beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken,
+der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur
+en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de
+kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe
+kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij
+het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles
+goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke
+allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe,
+ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen
+menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe
+studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin,
+eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij
+door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd
+bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet
+denkbaar is.--Poezij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der
+menschelijke natuur, die overal mee te dragen, die onder allerlei
+omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide
+alom op.
+
+Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_
+en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat.
+"Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat
+hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om
+de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neer te
+trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten
+eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels,
+vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ...
+maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en
+even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman
+slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden
+Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier
+hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar
+Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche
+vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den
+weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne
+scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal
+tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de
+turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch
+vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider
+uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we
+er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij
+onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij
+kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in
+den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de
+laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart,
+enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor
+kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het
+gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering
+wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de
+anderen de Varietes in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een
+glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid
+beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den
+middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen
+beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als
+hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt,
+om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener
+diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop
+toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet,
+hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet
+liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem
+betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes
+bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het
+hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt
+te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert
+en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is
+geengageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een
+allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt
+hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar,
+herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke
+klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich
+hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet
+dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk
+leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar een middel om
+gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich
+in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in
+zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den
+vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des
+mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van
+vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de
+opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit
+onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de
+innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft
+uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen,
+dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt
+men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den
+beste, die ons vraagt, waarom wij daar blijven mokken: "Wel ik mok niet,
+ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmee wij het zeggen, ook
+zuur als edik.
+
+De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit
+dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen.
+
+Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de
+Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der
+Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes
+of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje
+luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl
+zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen
+dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op:
+"_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar
+een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop
+koffij zit te mijmeren.
+
+"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij
+veranderd bent, 't is _fameux!_"
+
+De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de
+voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt
+hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots
+den gouden horologieketting, trots den baard _a la jeune France_, en
+een' _glace-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten,
+terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me!
+praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een
+fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een
+zedelijk gedrag mede.
+
+"Hoe heb ik het met je? _Stupefait_, Vreese, ken je dan waarachtig
+Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!"
+
+Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het
+hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor
+kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls
+heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het
+eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest,
+hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering,
+--herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van
+een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de
+Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie.
+
+"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had
+ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang
+gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours
+content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude
+likkebroer zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van
+Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat
+weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter
+Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld
+en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik
+zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_
+hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_"
+
+"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene
+reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer
+geplaatst ..."
+
+"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik
+... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich
+vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux,
+canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei,
+wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een
+woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_.
+Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch
+knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten
+wil--_fameux!_"--
+
+"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in.
+
+"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter
+bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen
+beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij
+eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en
+zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van
+den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir
+au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije
+meiden--of ben je misschien getrouwd?"
+
+"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag.
+
+"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken,
+en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galere?_ Er zijn zoo weinig
+vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weer zuur, heb je
+zusters?"
+
+"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!"
+
+"_C'est du serieux, vraiment!_" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar
+zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb
+geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei
+Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier
+had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer
+gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot
+_daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou
+het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog,
+in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik
+eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in
+de Star, No. 15, _a votre service_, mits ge mij niet alleen laat
+babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_"
+
+Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wel mag hij
+het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets
+degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem
+hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten
+vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan
+ellende? tweeerlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere?
+
+Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon
+een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan
+hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die
+natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van
+smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het
+met mij eens zijn, dat of ons volk een predilectie voor hen heeft, of
+dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u
+eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen
+onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de
+lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de
+soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven,"
+dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om
+het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit
+kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave
+kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets
+natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou
+zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne
+relatien zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat
+hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe
+verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem
+toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de
+patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van
+den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries
+trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde
+te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten
+pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe
+Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund,
+hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet!
+Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten
+geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries
+verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want
+hij kon relatien aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo,"
+zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld,
+dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats
+willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en
+partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal
+het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij
+reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde.
+Vreese, die zich niet weerhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het
+knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit
+kwaad, weet ge.
+
+Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de
+voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne
+tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te
+doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal
+eener hopelooze liefde!--"_Peut-on etre si bete!_" zou hij uitroepen,
+"voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend,
+en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij
+zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij
+maar geen kantoorbediende was.
+
+Eenige weken voor zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano;
+hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar
+deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne
+had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen!
+Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was
+hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan.
+
+Helaas!
+
+Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong
+den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte
+Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud
+bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem
+sedert niet weer alleen.
+
+Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot
+zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer
+vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?"
+
+Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem
+nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de
+gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is
+waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar
+de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden
+afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan
+de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring,
+de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij
+uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste
+neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen,
+die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij
+zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn
+jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak,
+maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich
+thans te oud acht om naar Nederland's Indie te vertrekken, en die
+meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag;
+"Een vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten
+kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der
+onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer
+over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de
+eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is.
+Conservatief _quand-meme_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle
+vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand
+kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn
+alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve
+wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de
+hand?--
+
+Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van
+u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat
+het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan
+in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om
+een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan
+aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld
+door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den
+smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is
+maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst
+die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den
+kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn'
+rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks
+"mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge
+uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun
+mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste
+toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner
+voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en
+de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden
+zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongelui bederft. Behoef
+ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik
+slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan
+wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder
+ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als
+in den verbasterden de Braeuw.
+
+Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik
+heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u
+een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen
+oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen
+kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel
+staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het
+geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die
+graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult
+begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche
+binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der
+zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun
+dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der
+voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder
+deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs
+meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder
+verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de
+vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het
+volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar
+zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer
+tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des
+gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht,
+dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en
+zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid,
+maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook
+geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonniere_
+geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als
+er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een
+paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der
+golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een
+aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het
+licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had
+verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar
+herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de
+verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _a
+fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des
+huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing
+dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u
+tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren
+_cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden
+hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets
+nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist
+hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan
+zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar
+vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij
+men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de
+porseleinen _sta in den weg's!_
+
+Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te
+roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene
+moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie
+jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan
+hare knieen zijne avondbede opzegt.
+
+"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na.
+
+Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost
+en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zoo iets
+laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur.
+
+Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het
+jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat,
+en--
+
+Daar legt zij de hand op zijn krullebol.
+
+"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij.
+
+"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een
+dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken
+roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!--
+
+"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje
+naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske
+haar half ontkleed te gemoet.
+
+"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?"
+
+Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde
+moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige
+weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige
+toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen.
+IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten
+wil. "Dat hij weerom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit
+den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij
+werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij
+nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is,
+als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet
+zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij
+t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben
+ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren
+het zenden zouden.
+
+De heeren!--
+
+Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die
+krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij
+zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker,
+dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou
+zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zoo lang zouden hare
+guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen
+zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij
+ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man
+toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen
+hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog voor hare
+bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had
+... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had
+begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor
+een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had,
+eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen
+zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu
+hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven
+als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor
+over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het
+hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen,
+dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde
+slapen zijn geweest.
+
+Negen ure!
+
+O rijkdom van poezij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij
+haar zoontje ook zou laten worden, zei zij in zich zelve, geen
+kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van
+beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een
+man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde,
+het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet
+zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel
+goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den
+ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den
+kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim
+stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van
+haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn
+zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen
+gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind
+toe.
+
+Het sloeg half tien ure!
+
+Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij
+haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed
+te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven,
+--armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem
+dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de
+ware lezeres. Daar stond het immers, dat zijne patroons reden hadden
+over zijne reize tevreden te zijn, daar stond het: "Wijfjelief, het valt
+mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden
+zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster.
+
+Maar de moeder zag weder naar de klok.
+
+Bij tienen!
+
+Daar werd gescheld.
+
+Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk
+eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw
+hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen:
+
+
+Lieve man!
+
+"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor
+om. De kinderen zijn wel, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed.
+Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van
+_fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200
+krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zei: dat er gemakkelijk
+eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich
+ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als
+het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten
+zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur.
+Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik
+beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal
+niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er
+morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne
+eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we
+toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag,
+en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het
+buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze
+kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige
+laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, voor ik het je had
+geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet,
+manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen
+doen zult. En daarmee, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wel,
+en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal
+immers niet lang meer duren?
+
+ "Uwe liefhebbende vrouw
+ Aagje.--"
+
+P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons
+zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat
+leelijke geld!"
+
+
+Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van
+hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere
+vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne
+afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven
+zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt
+geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in
+de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner
+lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den
+brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij
+lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe
+wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat
+allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen
+verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij!
+
+Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des
+mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt,
+bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene
+vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds?
+kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang
+sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden,
+al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen
+zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een'
+onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt
+onwillekeurig een casuist, of hij bezwijkt onder de chicanes der
+Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij
+tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk
+heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt
+zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld
+te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van
+vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei
+specien,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de
+ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt
+de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het
+vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd
+verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt,
+schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van
+het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus
+gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!"
+
+Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking
+weerleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord
+verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds
+zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu
+wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te
+huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor,
+en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!"
+--en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associe_
+gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden
+beide schoon."
+
+Dat zij juist ware!
+
+Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te
+gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven,
+vrienden, en dus jongelui, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen
+beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen
+te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de
+vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde,
+"dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en
+wetens bij den neus nemen," wanneer zij salarieren, dan kiezen zij
+jongelui, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij
+slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner
+jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een
+opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit
+in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn
+gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge
+dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen,
+dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze
+loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter
+klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij
+uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels,
+dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar een
+oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie
+niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper
+heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel
+te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne
+buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan
+is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij
+krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den
+commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en
+met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms
+zoo verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door
+hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met
+luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de
+makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen
+eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoelijken;
+integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid
+verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel
+in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder,
+dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De
+voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen.
+
+De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat
+enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen
+hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid
+gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen
+te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn'
+deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer
+men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk.
+Ik heb straks van de poezij van den handel gewaagd, en zeker, het is
+streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij
+zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en
+menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te
+verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te
+hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk
+zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning,
+ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene
+eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de
+telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes
+lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der
+vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te
+huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke
+zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar
+tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen
+zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is
+zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het
+algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot
+beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het
+besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij
+te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw
+misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zoo verre zou
+brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor
+wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of
+wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der
+helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene
+burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene
+plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij
+lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan
+het harte ligt als de bakermat van zijn kroost?
+
+Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne
+keerzijde.
+
+Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassocieerd geweest,--de
+eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er
+compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het.
+Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo
+ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun
+karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker
+de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet.
+Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun
+gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk.
+Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen
+compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op
+het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand,
+noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven
+van de gezinnen van associe's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam
+maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden;
+geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte
+ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van
+ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van
+vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige
+balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin
+doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van
+Becker zich niet had geergerd aan de meerdere pracht in de woning van
+Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den
+eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot
+weelde oversloeg.
+
+Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een'
+Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die
+hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het
+schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk
+leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner
+zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de
+rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij
+zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_
+waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog
+vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de
+aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren.
+Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op
+den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot
+--een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde
+allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de
+aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in
+het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was?
+De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne
+ontsteltenis al hadden opgemerkt.
+
+"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de
+jobsmare had doorgeloopen.
+
+--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van
+Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor,
+door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk
+gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen
+hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven
+vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het
+gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest
+naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds
+verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene
+gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster
+had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij
+verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in
+de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking,
+welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in
+voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen
+voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra
+zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er
+schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd.
+--Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van
+zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten,
+waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te
+verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen
+ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen,
+de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger
+regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm.
+Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam,
+zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en
+vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het
+schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten
+staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner
+soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van
+hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd
+zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen;
+--het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen
+aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in
+schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe
+winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden
+ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis
+die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker
+voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was
+geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds,
+zij waren het verlies bijna te boven.--
+
+"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften.
+
+En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den
+nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker!
+Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar
+teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij
+eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek
+weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had
+opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten
+gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over
+het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had
+erger kunnen zijn," zei de arts, die des morgens voor zijne legerstede
+stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige
+weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle
+beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten.
+Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke!
+Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer
+de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij
+veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter,"
+--gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien
+uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne
+zaken stonden gunstiger dan ooit ...
+
+Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn
+hoofdkussen op de knieen, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht.
+Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte
+verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest.
+
+"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!"
+
+Was het niet erg genoeg?
+
+Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene
+schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne
+toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen,
+hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom
+zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het
+harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de
+bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot
+des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van
+verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik
+er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen
+beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels,"
+voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had
+ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te
+dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat
+is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de
+wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan
+moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend
+gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_!
+
+Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte
+aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan
+het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn
+chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken,
+als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers
+hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal
+des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch
+in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het
+kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht
+waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die
+vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben,
+introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men
+niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de
+herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge
+van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor
+de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen
+ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalarieerde kantoorbediende
+terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld
+stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal
+effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als
+zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet,
+als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleeren uitzien "als apen
+dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt
+heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem
+zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als
+hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om
+zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers
+uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor
+genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des
+juks, dat hunne schouders neerkromt!
+
+"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de
+wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden,
+in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op
+veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw
+aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het
+gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den
+bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat
+de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het
+jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om
+den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon
+dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die
+naive verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen
+steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan
+kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een
+onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het
+zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen
+Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een
+lafbek van een' Associe de pen haalde door een' vier zijdjes langen
+brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef
+eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een
+Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weerom
+bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel
+had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren
+het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel
+na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan
+den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die
+harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der
+hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u,"
+dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren
+over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de
+Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens
+bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de
+rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn
+kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet
+eens!
+
+"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit,"
+zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij
+voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk
+maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is
+geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder,
+of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer,
+welke zij voor twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de
+natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven,
+als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is,
+wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en
+heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig
+gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen
+rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is
+even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe
+verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben
+hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat
+iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel
+in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur
+aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze
+beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen
+van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt.
+
+"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een'
+zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis
+opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en
+beenen breken kan!"
+
+Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch
+eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met
+hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een'
+zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op
+een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof
+niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter
+hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan
+het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister,
+waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te
+duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij
+hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als
+herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner,
+een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart
+verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere,
+zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer
+binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid.
+
+"Al weer roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weer
+roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb
+jij het mis, danig mis, kind!"
+
+De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun
+zoontje, zagen vader vreemd aan.
+
+"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn
+pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meegegaan--maar me
+dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man!
+Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe,
+dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een
+beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent
+ze--"
+
+Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel
+netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij
+was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar
+griefden. Zij deed het om der kinderen wil.
+
+"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen,
+--en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al
+had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend.
+Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er
+zie dat niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en
+Mevrouw, ja wel!--"
+
+Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een'
+kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare
+omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren,
+toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poezij des
+levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een
+laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.--
+
+"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn
+konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen.
+
+"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel
+zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes
+lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van
+een jaar of tien.
+
+--"Goeden nacht--"
+
+"Haal me eerst mijn pijp, Bram!"
+
+"Ze is stuk, pa!" zei de knaap.
+
+"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn
+pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk."
+
+"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter
+gespeeld, en het roer gebroken."
+
+"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen!
+zeg ik."
+
+"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in
+het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder
+op haar kroost!
+
+"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die
+zijn groot gebragt om den pot te koken, om--"
+
+Bram was van de achterkamer weer gekomen, met het _corpus delicti_ in de
+hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod
+had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand
+naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne
+opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen.
+
+"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde:
+
+"En wie heeft dat gedaan?"
+
+Bram zweeg.
+
+"Spreek op jongen!"
+
+Bram bleef zwijgen.
+
+"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet
+bent.--"
+
+"Houd het er voor, pa!"
+
+Het was zoo ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader
+trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat
+vergoelijkt het niet.
+
+"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om
+zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die
+ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--"
+
+De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar
+de achterkamer te gaan.
+
+"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar
+een' afleider toekende.
+
+Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de
+oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge
+mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog
+ongelukkiger worden?"
+
+Het werkte.
+
+"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles
+geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte,
+armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook
+thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken,
+dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen
+waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping,
+versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te
+worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het
+zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden
+en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog
+ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig
+er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het
+geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die
+plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de
+weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk:
+de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert!
+
+Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking
+in genot.
+
+Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als
+Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop
+hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts
+toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich
+wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich
+ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde,
+failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger
+dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan
+was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking
+iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig!
+
+"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren
+aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze
+schuld overkomen."
+
+"Wacht maar tot de raven het u brengen!"
+
+"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen
+Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..."
+
+"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg
+voor de boeken; maar--"
+
+"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?"
+vroeg Kaatje.
+
+"Zou het mijn pligt niet zijn?"
+
+"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd;
+ijlings viel hij haar in de rede:
+
+"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden
+nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij
+het krijgen? Daarbij, in deze kleeren zie ik er zoo schooijerig uit, dat
+niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik
+niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik
+kan bakker noch slager betalen ...
+
+"Als het daar slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad,
+geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje
+schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij
+eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat
+vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden
+slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij
+het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht,
+--het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--"
+
+Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan
+aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer
+van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog
+gekomen, zonder haren bijbel te verpanden.
+
+"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste
+aandenken aan uwe moeder.--"
+
+"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze
+zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had
+kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen
+moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je
+vragen, wat je hebt--"
+
+Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die
+in het hoofdstadje van eene onzer landprovincien was geboren en opgevoed;
+Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het
+voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren
+--heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der
+bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den
+verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was.
+
+"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf
+gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze
+ook.--"
+
+Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner
+vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het
+zijne ooren niet geloofde.
+
+"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw
+..."
+
+"Een leugen, Maatje?"
+
+"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--"
+
+"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan,
+vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende.
+
+Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene
+droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er
+heen als eene veer, het komt weerom als een steen." neen, dewijl ook hij
+een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen
+gaat, maar insluipt.
+
+"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze
+zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook
+nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag
+heb ik het veil, als gij weer de oude wierdt, als ge mij liefhadt als
+weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--"
+
+Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij
+deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met
+geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan
+ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had
+aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken
+ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij
+beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw,
+de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter
+fatsoenlijke, eerlijke brave lui waren geweest,--en hij slaagde. Eer
+eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel
+beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin
+van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek
+brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde
+weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in
+de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie
+van Kaatje staande _Mozes_ en _Aaeron_ leerde kennen, en haar verzekert,
+hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag
+zij:
+
+"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel
+ik er aan ben verpligt!"
+
+Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De
+betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft,
+en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne
+weder ontwaakt.--
+
+Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de
+jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te
+drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder
+wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--"
+
+Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het
+schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot
+verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd
+huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier
+verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne
+zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou
+mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur
+aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het
+lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak
+maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan
+menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke lui zijn er aan gewend, zich
+te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze
+wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden
+wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het
+goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is
+gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest.
+Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene
+heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen!
+--Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het
+regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend
+kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort
+in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het
+vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef
+gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?"
+
+Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte
+raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden
+huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort
+kantoorbedienden, oud vrijer per systema, en egoist bij gevolg. Maar de
+mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een
+klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v.,
+laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop,
+zulke veeren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om
+dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_
+moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote
+klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit
+verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige,
+welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist
+dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer
+in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde
+van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge
+hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste,
+als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene
+ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle
+_table-d'hote_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd,
+ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor
+eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij
+wou voor alles mee eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen
+plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor
+eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij
+toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den
+mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik.
+Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitue_ van elk koffijhuis was, en
+nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer
+naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de
+doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet
+kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan
+zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij
+anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige
+logementen, op mijn woord!
+
+Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen;
+hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den
+(toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam.
+
+Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zoo trouw met
+den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in
+de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld eens in de
+week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een
+treurspel. Al zijne meewarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al
+de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich daar des winters
+lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor
+aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen,
+Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en
+Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen
+zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer
+hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna
+een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad
+uitgewischt.
+
+_Probatum est!_
+
+Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden
+belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan
+antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde
+zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen
+Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte
+plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de
+kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem,
+eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende
+_uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de
+Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben
+gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in
+de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken
+stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij
+stoorde zijne illusie.--Een bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen.
+Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij
+het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al
+zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna
+zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke
+treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt?
+
+Ik heb de eenige poetische zijde van zijn karakter in het licht gesteld,
+men vergunne mij te zeggen, de eenige plek aangewezen, waarop eenige
+soort van poezij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel.
+Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd
+het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet,
+langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die
+hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte.
+_O obstructies! o hemorrhoides!_ Hammink--het motief was het vreemdste,
+het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat
+zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij
+had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een
+huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij?
+
+Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer
+vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen
+om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er
+dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne
+jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weeuw had gevrijd, die rijk, zeer
+rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe
+konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare
+bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat
+hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet,
+al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den
+mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij,
+ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was
+laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde,
+hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit
+hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te
+overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs
+een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd
+mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze
+huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die
+beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch
+in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar
+een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets
+ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er
+maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche
+Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen.
+
+Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales.
+
+Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan
+het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop
+toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een'
+kantoorbediende.
+
+Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als
+deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken;
+echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van
+alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke
+standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze
+tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der
+begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei
+dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks,
+wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u
+een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in
+dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet
+los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit
+huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel
+andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of
+omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding
+blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weerzin opwekt.
+Verscheidenheid moge tot eenheid voeren, van elkander afkeerige
+elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar,
+trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot
+zich neer; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene
+onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk,
+stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is
+almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de
+hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen,
+hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne
+herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet!
+Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer
+aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang
+verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne
+vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters
+dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij
+zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare
+jongens iets aers zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien
+zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het
+ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of
+de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin
+voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene
+--het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of
+haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in
+de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men
+begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder
+het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men
+kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u?
+
+Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de
+jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren
+leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den
+voorherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men
+geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse
+van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de
+ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de
+klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een'
+komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem
+nemen wil, in een woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft
+aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor
+den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen
+van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit mee beschoten: eenige
+huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch
+degelijken stand geplaatst. Zoo behoort het--genadebrood is altijd hard,
+maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat
+allen zoo gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader
+is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen,
+om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het
+huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen,
+--daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun
+ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen,
+traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in
+de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok
+hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen
+versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw
+besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist
+de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner
+hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne
+kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij
+geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien
+zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die
+den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen
+"welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet
+werd gestoken, als het strijdros op het voorplein van den burg trappelde,
+als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest
+zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster
+of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met
+zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk
+gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de
+grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en
+hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene
+wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw.
+
+Eene vergelijking uit onzen tijd!
+
+Er gaat in den ganschen lande maar eene stem op over de bureaucratie,
+welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd
+verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid
+van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak
+geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen-
+kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te
+durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden
+werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die
+meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur;
+den pennelikker, die niet, als de geemploijeerde, gegronde hoop
+koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks
+onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem
+aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen
+tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen
+rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den
+donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger
+geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er
+bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te
+weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog
+met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft.
+
+Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt,
+eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan,
+schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang
+het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste
+jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och,
+dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het
+opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het
+licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen
+van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders,
+misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze
+begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude
+knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs
+werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij
+heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken
+uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar
+dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met
+voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde,
+toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen
+wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos
+speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als
+gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe
+toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid
+van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een'
+onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die
+oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor
+u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij
+wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in
+de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen,
+burgerlijken man lief!
+
+"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats
+aan den lessenaar ledig ziende.
+
+En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene
+halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene
+uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt
+geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene
+drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof
+gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn
+salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij
+getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs,
+dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de
+Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig
+jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En
+het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner
+kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er
+van zijne vier dochters meer dan eene enkele gehuwd was. Stel u gerust,
+de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes
+verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten
+minste voor bewaard wordt, van honger om te komen.
+
+Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!"
+
+De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in
+lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk
+tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte,
+dat hij zich op het kantoor weer van zijn' pligt kwijten kon,--die de
+ziekte verergerde door het ongeduld.
+
+"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke
+denkt hij niet.
+
+Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is
+hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest,
+--de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog,
+toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt
+heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte,
+deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die
+Loman zou napluizen, moet dan maar weer een veertien dagen rusten;--de
+jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene
+flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd,
+om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den
+ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood.
+
+Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge
+zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld!
+
+Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan
+anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en
+aemechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van
+hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor
+het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde,
+voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man
+steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er
+aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd.
+
+Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon.
+
+Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar
+voorgaan--ik spaar u het overige.
+
+Den vijfden zei de patroon:
+
+"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig
+meer an je."
+
+Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen,
+eer hij er bijvoegde:
+
+"Je salaris blijf je trekken."
+
+O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst
+ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de
+aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het
+tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar
+wegzinking van oogen en waggeling van knieen, maar beving der handen en
+trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of
+ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het
+ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de
+stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid
+schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken,
+toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs
+gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker
+verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne
+voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten,
+"jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!"
+
+Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen,
+schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren
+leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig
+loons en veel ondanks.
+
+Welk een leven!
+
+Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste
+bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat
+ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken
+idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn
+doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk voor te komen.
+
+Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te
+vragen, of ik eenigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan
+dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige
+ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou
+zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het
+zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt;
+waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken
+is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de
+leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan
+een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft
+er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit
+den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der
+gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water,
+aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik
+ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij
+dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het
+twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan
+gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die
+aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch
+wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men
+elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij
+in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele
+waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des
+huizes, dat zoo zijn' feestdag vierde, de jongelui van het kantoor tot
+zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde
+ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden.
+Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als
+de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder
+onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins
+verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam,
+dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs
+partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der
+bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik
+prijs.
+
+Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der
+klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de
+natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene
+niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in
+zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te
+smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek
+bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven
+klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin
+voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik een hunner een zweem van aanleg
+bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene
+--dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk
+genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis a vis_ brievendekkers en
+loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een'
+landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist?
+Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie
+beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt
+naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme
+wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem
+opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een'
+Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de
+dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening?
+Het zou onedelmoedig ten opzigte der kooplui, het zou onwaar jegens de
+maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--of schitterende als
+de zon,--of kwijnende als de maan,--of schemerende als eene ster,--of
+--wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich
+vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en
+bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten
+toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet
+tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben
+slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk
+te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren,
+om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard
+te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele
+bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat
+staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!"
+als de patroon er zijne zaken aan geeft.
+
+Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u
+zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten
+slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid
+in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde
+ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt,
+ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in
+deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig
+wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen,
+door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten,
+"medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede
+vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts
+neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld,"
+is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men
+sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen
+wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de
+andere op, zooals Isaaec Abraham en Jacob Isaaec; en mijn onderwerp eischt
+alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie,
+eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen
+en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie
+in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei
+kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en
+stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds
+en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe,
+dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp:
+"'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang
+bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe
+schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende
+lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!"
+--louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al
+leerden napraten: "oost west, t'huis best!"
+
+Een voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met
+den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne
+bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken;
+maar jullie, jonge lui, blijft je jaarwedde behouden tot je dood."
+
+Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt
+--waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets
+anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man
+leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al
+zijnen glans, nooit weer zoo groote voldoening gesmaakt, als op dat
+oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte.
+
+Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zoo
+onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit
+overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag
+is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene
+keuze tusschen tweeerlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde
+of geletterde maatschappijen verdient uit te lokken: "wat is beter,
+_lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat
+zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder
+een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te
+verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een
+eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten,
+die jongelui zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen.
+Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier
+schouders zich nog niet kromden, wier knieen nog niet knikten, maar
+de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve
+onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den
+volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde!
+
+Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer
+letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit
+opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders
+schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die,
+waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo
+verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had
+uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen
+staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van
+het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeen; in spijt
+der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor
+en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te
+verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad,
+--ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken,
+door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den
+staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen;
+gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te
+brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in
+aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten
+einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het
+tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen,
+meent ge, te schamen, zeggen wij.
+
+Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig
+hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen,
+bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij
+onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen
+der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den
+vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen
+van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciers--lust in een woord,
+andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval
+te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner
+denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het
+gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te
+streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog
+gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten
+van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden
+onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben
+wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige
+lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling
+afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw
+in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde.
+Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare
+drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken
+merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen
+het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en
+de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt,
+onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met
+verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het
+voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit
+voor de beginselen, welke zij deze inscherpte.
+
+Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke
+in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen
+duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding
+van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge
+wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd
+ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet
+faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken
+deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden:
+Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige
+volken?--Kolonien?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog
+rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent
+reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert
+hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders
+van schuldbrieven van schier alle natien, en van die der onze niet het
+minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te
+over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij,
+dewijl zij schier de eenige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide
+koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou
+geworden zijn, bij de slaperigheid van voor het jaar 1830, als koning
+Willem I den interest der actien bij de oprichting niet had gegarandeerd,
+en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij
+vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel
+verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard
+der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in
+deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt,
+treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren,
+welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding
+van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom,
+--Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land,
+en wij zullen zien--doch ik mag niet weer afdwalen, ik herhaal liever
+mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken,
+wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad
+in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche
+huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en
+doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken!
+
+Er is nog iets.
+
+Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen
+regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met
+"eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene
+lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt,
+waar zij beginsel is geworden, daar heerscht verband tusschen het werk,
+dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in
+commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke
+men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het
+vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier
+behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij
+John Bull; maar hij heeft eenige reminicentien van de dagen, toen hij
+monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in
+aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wel zou
+doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het
+wijsheid toe te zien eer het te laat is.
+
+Zonen van goeden huize, vermogende jongelui, die klaagt over gebrek aan
+zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat
+belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan?
+--het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld
+braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo
+menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon
+zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken
+in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland,
+verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij
+hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het
+zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te
+knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van
+u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot,
+aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan
+een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet
+reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen?
+--Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle
+sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven,
+nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor
+nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls
+gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt
+verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee voor u ziet, de zee, waaraan
+ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed,
+zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord:
+Wie wil leeren bidden, die vare ter zee!
+
+Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen
+eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig
+als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het
+van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt
+alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde
+nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die
+zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een
+ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge
+lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na
+volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten
+einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog
+de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld
+aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den
+geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep
+gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard?
+
+Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons
+voorgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van
+voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en
+waarschuwt haar: ach! dat zijne poezij geene profetie ware geweest:
+
+ Want nergens is zoo veil
+ De niet verwachte val, als op de toppen steil:
+ Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken
+ Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken.
+ Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet
+ Al wat verbastering der oude zeeden goedt;
+ En, om het snood gewin, in last de goede wetten.
+ Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten.
+ Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent.
+
+1842.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+MARIE
+
+
+"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den
+verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister
+bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter
+ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden;
+een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve
+te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef
+dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te
+ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar
+vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de
+onheilsstar, die
+
+ _En des jours tenebreux a change ces beaux jours_.
+
+Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de
+hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was,
+ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak
+begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij
+er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen
+langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog
+zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog,
+half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich
+door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever
+over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde
+zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor
+omzoomt.
+
+En ik verbeidde.
+
+Daar plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te
+wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid
+als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om
+de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts
+zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere
+kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen
+aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had
+Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer.
+Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke
+oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan
+werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter
+de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een
+tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend
+woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke
+ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane
+verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren
+haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de
+wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het
+openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen
+_loge_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar
+toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel!
+Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen
+op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met
+de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter
+bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den
+huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van
+statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik,
+op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst
+den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen,
+--den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van
+korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde?
+
+Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge,
+slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de
+trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt
+door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden.
+
+"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat
+gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in
+onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan
+de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den
+eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen.
+Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer
+smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of
+wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der
+vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers
+overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den
+cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke
+naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog
+iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar
+als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der
+jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den
+opschik, die hunne lompen van gisteren verving:
+
+ _Beaux parvenus, honteux de leur famille_;
+
+baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang
+gebrek te hebben geleden:
+
+ Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt;
+
+als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik
+in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!"
+
+Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen
+geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben
+gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der
+_patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen,
+als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods
+of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste
+
+ Van top tot teen,
+
+dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de
+betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets
+vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter:
+"wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer
+gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem
+lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van
+Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige
+straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide
+Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En
+hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester,
+als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne
+verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig,
+oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de
+hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het
+leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur
+en zilver, blaauw met wit, als men zegt.
+
+Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne
+lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde
+kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!"
+Zilver op azuur, lelien en starren op een hemelsblaauw veld, wat is
+smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van
+mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar
+verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger
+van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen?
+"Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u
+antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen
+verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer
+historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en
+de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke
+geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een
+ander Venetie, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen
+geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geeerbiedigd, nadat hunne
+voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot
+van werelden beslisten.
+
+Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de
+vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil.
+Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een
+onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de
+heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw
+van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een
+ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger
+hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos,
+schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was:
+
+"Mijnheer!"
+
+Ik reikte haar de hand.
+
+Was er eene klove tusschen ons?
+
+Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe.
+
+"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman.
+
+Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er
+digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok.
+
+"Mijnheer!" zeide zij nog eens.
+
+"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad
+zeggen.
+
+De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden.
+
+Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk
+eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van
+deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik
+aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van
+Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van
+den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid
+tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet
+aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En
+
+ Zei mama
+
+Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen!
+
+ Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na?
+
+Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde
+mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit.
+
+Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen
+mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan.
+
+"_Fi donc, Amy!_" riep zij.
+
+"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik.
+
+"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan.
+
+Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over
+het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en
+Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie.
+De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weerhield door de stijve
+houding, waarmede zij de _gants a jour_ voor een oogenblik uittrok, om
+een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte
+operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te
+schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die
+haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een
+paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die
+in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het
+heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos
+opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk
+gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid
+op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord
+mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar
+noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het
+meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt
+te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had
+gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op
+den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren,
+waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin
+hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest,
+mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde?
+waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan
+die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde,
+pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo
+gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij
+te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen!
+Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde
+zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide:
+karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets
+welluidends meer.
+
+O gemaaktheid!
+
+Vermoedt gij hare oorzaak niet?
+
+Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u
+zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms
+aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt
+toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig
+Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart
+lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat
+velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare
+leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij
+uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der
+muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van
+een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt
+zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade
+smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij
+eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den
+weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister
+en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters
+en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van
+moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen
+redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor
+gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon
+in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het
+onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische
+klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken
+harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen?
+Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles
+wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men
+zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker:
+het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene
+buitenlandsche gouvernante heeft.
+
+"_Merci, ma chere!_"
+
+Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp,
+als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig
+stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het
+zand; Marie raapte het op.
+
+"_Bien oblige, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om
+gebogen.
+
+En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg,
+haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen.
+
+"Hoe, mijnheer?"
+
+"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt."
+
+"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind.
+
+"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chere_," hernam mademoiselle.
+Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te
+regt wijzen.
+
+"_Je suis charmee, monsieur_," voer zij tot mij voort.
+
+Maar ik was _a mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering;
+want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _francaise_ u
+betoovert.
+
+En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het
+eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade
+heeft.
+
+"_Non, Monsieur_."
+
+"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik.
+
+"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre
+paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_."
+
+"_Si, monsieur_."
+
+"Dus ook _a sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven.
+
+Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg
+haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd.
+
+"_Ma grand'mere_," begon ik.
+
+"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke
+eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe.
+
+Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig
+karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_,
+om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen
+"uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De
+wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de
+bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een
+geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de
+gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst,
+die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt.
+Gouvernantes uit alle natien zijn beklagelijke schepselen; indien een
+toestand, de hare is valsch.
+
+Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het
+is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te
+gemoet:
+
+ Eerzucht kiest in onschulds dreven
+ Vroeg hare arglooze offers uit!
+
+Ik heb kennissen, die op hun drieentwintigste jaar, in den schoot der
+weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles
+moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de
+_professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van
+de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de
+school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke
+van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar
+wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve
+kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen
+over de leerlingen doen deelen.
+
+Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt,
+tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de
+teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd.
+Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat
+geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met
+een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen
+mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar
+des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en
+vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen
+leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand.
+"De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig.
+Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag
+noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid
+van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van
+zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen,
+overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de
+onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en
+volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste
+voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag,
+zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn
+verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem
+buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur
+smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan,
+voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord
+_beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere
+beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg
+neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij.
+
+Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst
+der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen.
+Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt;
+zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse
+hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt;
+zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse
+haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare
+eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_
+der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts
+drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk
+gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste
+postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden
+Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme
+gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar
+rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer
+heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel
+
+ den Ilias van plagen
+
+niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van
+de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient,
+wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel
+haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig
+zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den
+disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat
+zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt
+bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft?
+Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe
+zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke
+uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo
+twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld.
+Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen
+had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-,
+twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize,
+indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen
+die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe
+worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt
+zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar
+verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u
+kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij
+blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eischen, dat gij lief,
+vrolijk, goedhartig zoudt zijn?
+
+ "_Sad melancholy mark'd you for her own!_"
+
+Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor.
+
+"_Si mademoiselle veut me permettre?_"
+
+"_Oui, ma chere_."
+
+Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de
+gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over
+hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisee Marie_ ..."
+
+Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend
+toegezwaaide lof maakt mij kregel.
+
+"_Jusqu'a lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en
+voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en
+est au systeme et non a vous, mademoiselle!_"
+
+De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde
+jongen was een knap officier geworden.
+
+_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast,
+een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten
+zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er
+allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm.
+
+"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de
+bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar
+weerzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik.
+
+En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks.
+
+"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden
+waren voortgewandeld.
+
+"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer."
+
+"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!"
+
+Eene pauze.
+
+"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen."
+
+"O, zij is zeer goed!"
+
+"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est tres bonne_. Doch
+gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?"
+
+"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..."
+
+"Wat, mejufvr ..."
+
+"_Miss_ Hannah More."
+
+"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der
+britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude
+vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het
+uit?
+
+"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter
+kerk?"
+
+"Altijd, mijnheer."
+
+Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der
+episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem
+onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke
+avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon
+eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litanien
+bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig
+vormen zijn!
+
+Er volgde weder eene pauze.
+
+"Welk een oord!" borst ik uit.
+
+Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene,
+schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u
+zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er
+aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen
+staan. Maar Marie schetste de plek voor jaren, met een woord.
+
+Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad,
+dat derwaarts voert, inslaan.
+
+"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! daar woont de
+stilte."
+
+En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer
+phantasie te bewonderen.
+
+"Daar woont de stilte!"
+
+Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het
+zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf
+weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk
+door hunne roerlooze rust.
+
+Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon.
+
+En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele
+waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik
+verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene
+wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche
+gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte.
+
+Daar ging de veer van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie
+bloosde.
+
+"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?"
+
+En zij bloosde sterker.
+
+"Ha! eene eerste liefde," dacht ik.
+
+"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort.
+
+O opvoeding!
+
+Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de
+dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle
+pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel
+naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk
+in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan
+uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie,
+historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd,"
+verliepen.
+
+Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal.
+
+Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_.
+
+En toch heb ik nog iets op het hart.
+
+Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor
+een van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter.
+Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne
+het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude
+kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word
+liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner
+vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij
+heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam
+en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van
+schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen
+onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele
+vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en
+over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende
+toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden
+is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde
+zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te
+humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge
+mij niet toeroepen:
+
+ "Ah! n'allez pas chercher midi
+ A quatorze heures!"
+
+zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den
+huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland
+zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon
+geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van
+haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet.
+
+Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend.
+
+Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met
+deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde,
+schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker,
+gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid,
+dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het
+leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden
+beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe
+wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten
+van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een
+gruwel. Ik laak het niet,
+
+ Dat zich door alle weer en winden.
+ Eenvoudige welmeenendheid
+ Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden;
+
+de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein
+hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts
+zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van
+het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de
+mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten
+onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid
+terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik
+heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag
+niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in
+de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig
+leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af;
+wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet?
+Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in
+iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren.
+
+En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij
+_vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt,
+--dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar
+eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om
+kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van
+vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke
+herstellende.
+
+ Denn ein geschaeftiges Weib thut keine Schritte vergebens,
+
+mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf
+onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin
+wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak
+voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der
+boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat
+onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer
+sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets
+stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet
+verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het
+haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep
+overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en
+eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen
+uitdrukken, dan in zijn hexameter:
+
+ Lieblich und schoen seyn ist nichts; ein Gottesfuerchtiges Ehweib
+ Bringet Lob und Segen!--
+
+ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en
+geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere.
+
+Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen,
+indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden!
+
+En zij zelve!
+
+Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder
+voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden
+zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen,
+uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei
+weerstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende,
+vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde
+de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste
+gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest;
+u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste
+geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van
+het schild, waarmede de welwillendste aller feeen u in het tweede
+voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie
+ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij
+verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort
+mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen
+aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren
+onderscheiden, de heelende van de vergiftige.
+
+En nu?
+
+Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid,
+moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het
+hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen
+rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om
+u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij:
+den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weerstand kan
+bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken,
+als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder
+bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot
+gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil
+zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder
+verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne
+jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat
+gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet.
+
+En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken
+raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften
+ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp.
+
+Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven
+vleijen, dat gij gelukkig zult zijn?
+
+
+1839.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+DE EZELINNEN
+
+(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER)
+
+
+Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet
+op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender
+en veelzijdiger poezy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren
+dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en
+aarde, buiten!
+
+Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid,
+uit het venster de straat op en afdolende, voor het invallen der
+schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber
+stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij
+wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met
+haren drijver.
+
+Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie,
+welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi
+te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes voor de deur van mijnen
+overbuurman zag stilhouden,--overburen, die ik wat meer kende, dan men
+het gewoonlijk zijne naaste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er
+krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij
+zelven:
+
+"Geen van beide."
+
+Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben
+geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen;
+beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben
+gelezen.
+
+Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de
+twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te
+zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping
+verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen,
+als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een
+vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop
+van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de
+minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid
+ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los
+gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven
+breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander
+blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst
+achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik,
+verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den
+top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog
+wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor
+hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongelui als we
+waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_
+toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen
+spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij,
+--ja, wat niet al!
+
+Voor drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning
+binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd
+vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_
+oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half
+_lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos,
+hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling
+van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en
+heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad?
+
+"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geengageerd ben," zei hij,
+dood bedaard.
+
+En wij waren elkaar reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te
+vragen:
+
+"En met--?"
+
+"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden.
+
+Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge
+begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de
+tong kwam:
+
+"Dat is anders dan met Elise--"
+
+"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraseologie, waartoe hij reeds
+dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje,
+zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet
+zoo ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het
+practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch
+iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich
+verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd
+geweest.
+
+En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn
+overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst
+paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaaemgekoppeld als het was,
+aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de
+aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij
+een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te
+komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den
+oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die
+niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah!
+
+Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval,
+--waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet
+zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen.
+Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de
+uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn
+naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter daarin had bestaan, dat
+de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise,
+levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar
+Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet
+te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der
+graauwtjes voor mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun
+huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van
+haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zoo
+iets weigert men niet.
+
+Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet
+over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het
+verzweeg.
+
+Voor alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking
+weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door
+haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat
+hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor
+die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde,
+onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge
+kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig
+maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling
+van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij
+beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school
+had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te
+ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weer te trouwen?
+
+En de ceremonie!
+
+Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks-
+voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den
+burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn,
+als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden
+geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is
+in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor
+geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel;
+maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze
+Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands
+God is!
+
+Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk
+kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden
+spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een
+afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen,
+het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van
+Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van
+ergernis; het was of zij ons trok bij de haren.
+
+En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer
+trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen.
+
+De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid
+nazaten van _refugies_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het
+onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De
+mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de
+huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt.
+
+Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook daar geene tranen in hare oogen
+kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zoo hartstogteloos,
+zoo kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het
+_pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe
+beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij
+voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer
+aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen
+intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder
+neervlijdde.
+
+En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch
+wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt,
+al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der
+ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het
+venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed.
+
+Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal
+bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen!
+
+Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar
+gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant
+aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg
+zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde
+in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine
+mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken
+kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise
+droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare
+oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten
+gevoelen, dus gevestigd, zoo gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die
+kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag
+er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig,
+ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten
+satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder
+statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige
+evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt
+gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne
+gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe
+lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer
+begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken.
+
+"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij
+die woorden invielen bij de leegte van al de pracht, voor welker
+verzoeking Pieter was bezweken!
+
+Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij
+eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad
+andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat
+in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid
+hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek
+kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde;
+hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen
+dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik
+te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene
+figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was
+niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer
+gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid,
+die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den
+kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van
+het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde,
+dat kinderen zoo ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren.
+Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid
+haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de
+zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf;
+hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar
+gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk.
+
+Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft
+getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de
+uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan!
+
+Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil
+stonden?
+
+Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert
+zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de
+arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen.
+
+Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang
+op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver
+met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte
+Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens
+ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg
+gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende
+onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop!
+
+En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de
+mijmering, waartoe zij uitlokten:
+
+Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poezy schuilt dan in het
+van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt
+bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks
+zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des
+krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot
+en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne
+oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den
+sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de
+wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst
+begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers
+leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de
+wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten
+om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin
+van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings
+zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste
+driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het
+graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige
+leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen
+schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of
+rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er
+is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den
+jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen:
+liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de
+bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de
+kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de
+lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als
+hij scheuren moest--de eenige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou
+los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar
+vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking
+voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed
+werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de
+vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de
+volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe
+verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan
+haren boezem ontglipt:
+
+"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!"
+
+Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had
+gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in
+zijn' stoel voor het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en
+sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare
+bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet
+uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord
+te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat
+gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het
+plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van
+achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij
+het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten
+zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen,
+daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in
+het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken
+werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik
+de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen
+hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende
+armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide
+ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed!
+Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne
+en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan
+hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten
+in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren?
+
+De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene
+wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs
+naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare
+smarte haar prachtig huis weder ingetreden.
+
+De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar
+eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het
+dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de
+luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun eenig kind.
+
+Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag
+ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend,
+scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van
+bewustzijn--door op te zien!
+
+En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar
+Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte
+die.
+
+"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij
+gestraft in mijn kind!"
+
+Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen
+laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te
+hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat
+kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde
+van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde,
+nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is
+zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen
+pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als
+de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen,
+als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet
+aarzelen voort te gaan.
+
+Welke?
+
+Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige
+betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde
+banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid
+ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne,
+dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zoo bestonden als ik
+die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw
+beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken
+toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te
+vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_,
+waarvan niemand te onzent hinder heeft!
+
+
+1842.
+
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+HANNA
+
+(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN)
+
+
+Het was zaterdagavond voor Kersttijd, en in eene kleine woning op
+Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam
+verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge
+vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht,
+staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte:
+
+"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde."
+
+Waarom schemerde het der peinzende?
+
+Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde
+verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde,
+in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft
+uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille
+bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van
+haar, en de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de
+Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, en de zin
+voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk,
+het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd.
+Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier,
+dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook
+is weervaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige
+Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe
+analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed,
+dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt.
+We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele
+woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden
+willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze
+lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde
+woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij
+te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken
+hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling
+vertolkte de bede:
+
+"O, hoe blijde zou ik zijn!"
+
+Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben
+benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als
+schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik
+u Hanna voor twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als
+zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare
+moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar
+vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom
+zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur
+ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig
+wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten
+sluit? Slechts nog een trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort,
+die mij niet minder walgt dan u; slechts nog een trek, en ik zal uwer
+verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis
+gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele
+ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der
+uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde,
+haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in
+dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij
+gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars
+treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere
+kijkers, haar goelijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers
+verraste. Daar stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het
+Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking
+tot de weleer heerschende kerk;--daar ontmoetten zij haar, de
+burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van
+Speyk te goed doen, en wel mogen zij het;--daar omringden beiden haar,
+de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke
+liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle
+onderscheidende kleederdragt het maakt--daar zagen de wilden de gesmade
+Aalmoezeniersweeze voor zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam
+op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom
+bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun
+zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger,
+verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard,
+welke hen weerhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de
+kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des
+harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poeten toegedicht
+--ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd
+zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt-
+hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste
+tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe
+helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon.
+
+"Eene knappe meid!" zei de oudste.
+
+"Het arme kind!" zei de jongste.
+
+En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks een' schalk aan onder
+tien schreeuwers.
+
+En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw
+hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't
+welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders
+hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest
+waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!...
+En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der
+huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd;
+maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust,
+niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden
+haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving,
+onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen
+duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk
+voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag
+mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt
+kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer
+moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het
+woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie
+van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem
+geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En,
+zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid
+bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had
+ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was
+toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij
+dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding
+haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei
+der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens
+onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl
+ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik
+een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich
+harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's
+wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan,
+dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl
+ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en
+bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter
+waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving
+afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat
+haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger
+--weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts
+weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieen
+aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord
+genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven
+na dit leven ware!
+
+Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt.
+
+Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een
+smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik
+haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer
+vrijerij schuldig.
+
+Welaan dan!
+
+Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand
+er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken,
+en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar
+zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van
+mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van
+onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid,
+wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms
+bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet
+even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis!
+En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne
+openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls
+u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche,
+belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne
+behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge
+hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de
+Amsterdamsche gemeente te liever om.
+
+Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad
+gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak
+uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was,
+meelijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij
+zelve teekenen moogt.
+
+"Kind," zei Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik
+je moeder was."
+
+Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen
+in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de
+verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al
+haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader
+beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij
+slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk
+volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of
+zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben!
+
+"Als er geene smet op die meid rustte," zei Jan, de koetsier, "dan zou
+zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad."
+
+"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking
+hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost.
+
+Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt
+geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje
+een kippetjes leven leiden, kind! wie wel doet, wel ontmoet," maar onze
+kennis, zij weerlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde
+slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op
+hare muiltjes zoude gaan.
+
+En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen
+uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die
+krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om,
+en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette,
+den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het
+breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij
+allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich,
+uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den
+ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een
+tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden
+verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan
+slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste
+is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare
+betuiging besloten.
+
+Het was avond in den voorwinter, acht of negen jaren geleden; de kat
+bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna
+was bij haar:
+
+"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan
+mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het
+zelve doe, het gaat niet meer."
+
+En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ...
+
+Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts
+op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den
+binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld
+zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem!
+
+"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar
+vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om
+de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de
+bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd
+vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers,
+bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene
+zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit
+getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs
+nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft
+gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene
+jeugd overleefd.
+
+"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield
+Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene
+klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo
+lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou
+hebben gekust.
+
+"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen'
+zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om
+hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar
+van tehuisbrengen willen hooren!
+
+"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen
+had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de
+gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was.
+
+En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert
+gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar
+iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter
+ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat
+Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een'
+Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat
+het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op een haartje stond, wiens
+halsdoek fladderde.
+
+"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de
+schreeuwleelijkert ging over.
+
+"God zij met je!" snikte Hanna.
+
+Daar deed de kameraad haar open.
+
+"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait
+het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand
+gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere
+gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet.
+
+En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de
+zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben
+vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt
+hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt
+de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te
+zwijgen, dat je beloofd hebt je voor zijne terugkomst niet te zullen
+verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna
+dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze:
+
+"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief!
+Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als
+een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--"
+
+Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen
+betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog
+altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden
+toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er.
+
+O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt
+naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt,
+hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft
+mij de uitdrukking, _a pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij
+in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar
+verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar
+geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld,
+versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij
+Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt
+gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens
+op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke
+plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls
+verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde,
+_cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist,
+terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen
+keerkringsnacht om zich zag.
+
+De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook.
+
+Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven,
+toen hij, van een' derden togt naar Indie teruggekeerd, haar verraste,
+een kind, een knaap aan de borst!
+
+Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de
+verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien
+schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel
+gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven
+verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer
+geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten!
+Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder
+zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die
+schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van
+zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang
+scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus,
+die hem de armpjes toestak!
+
+Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart
+haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poezij des harten,
+niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een'
+braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien
+naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wel bij
+elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht
+boven, licht rondom ons."
+
+"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing
+des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de
+eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."--
+
+Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven.
+
+En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen
+met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel
+blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij
+reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het
+schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen
+zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het
+lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ...
+
+En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar
+laat ons Bart zelven laten spreken.
+
+"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat
+behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo
+angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik
+maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, voor ik heenging, zei,
+dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen
+kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe
+je mij zei, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had
+gemaakt, als ik je eens niet weer zag? Toen wou ik er niet van hooren,
+dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en
+schelpen mee zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar
+is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader
+hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen
+ik weg ging, nu is het: "vaertje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak,
+toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de
+vierentwintigste September--"
+
+"Toen ben ik bevallen, Bart!"
+
+"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?"
+"Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging
+naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En,
+Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik
+ben--al kon ik in de kerk den Domine meestal in het bidden niet volgen,
+ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen
+zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne
+gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit
+worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel
+bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof,
+die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou."
+
+Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag!
+
+"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar
+vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier
+ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De
+woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo
+achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij
+ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje
+deed, die ik niet weer zal zien, voor in de eeuwigheid--" die woorden
+gingen te loor in een' zucht.
+
+En waarom?
+
+Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de
+schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden?
+
+Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare
+kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes
+verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid
+hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort
+dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeuw Sint
+Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die
+vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeuw ...
+
+Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven!
+
+En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond voor Kerstijd zijn negentien
+dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht.
+
+Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen?
+
+Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan
+honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt
+schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort
+hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland
+leeg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het
+gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten
+heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der
+wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of
+verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der
+West-lndien in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van
+het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden,
+hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den
+Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op
+zijne bietekroten, en Oost-Zee en Zwarte Zee begroeten om strijd koffen
+en brikken met de gelouterde suiker van Java belaan. Willen wij
+voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de
+smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het
+gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen
+van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde
+schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een
+verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de
+welvaart des volks er aan verknocht!
+
+Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip
+van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk
+afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch
+reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen
+wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe
+aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het
+onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo
+vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken
+door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het
+dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de
+carga reeds opsomden, ieder voor zich een zooveelste. Het jaagt de
+vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder
+welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de
+kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de
+Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier
+schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot
+de ministers van kolonien en van financien, tot de hoogste ambtenaren
+der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op
+de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den
+koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van
+zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken,
+waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten,
+in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende
+slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmee het in aanraking
+kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde,
+--luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en
+stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weer opdaagt,
+--beladen als het werd met de weelde van het Oost!
+
+En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een'
+blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw
+welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren
+nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen
+lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan
+ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden
+erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van
+redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den
+schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken
+angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!"
+op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot
+onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen,
+--ach, mijne Hanna!
+
+Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze,
+voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar
+schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde
+zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het
+onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta,
+het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg.
+Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging
+zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam
+ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met
+hare onschuld!" zeide zij.
+
+En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren
+Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neer
+kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld.
+Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem
+rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt:
+
+"Och, dat hij klopte!"
+
+Hoe zij luistert!
+
+Vergeefs!
+
+"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!"
+
+Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse
+als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich
+buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die
+u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat
+van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te
+verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende:
+
+"Uw wille geschiede!"
+
+
+1843.
+
+
+ * * * * *
+
+
+
+INHOUD
+
+
+LIEDEKENS VAN BONTEKOE
+
+ I 't Passeren der Linie
+ II Roeltjen uit de Bontekoe
+ III Louw en de Waarzegster
+ IV De Zeilwagen van Prince Mouringh
+ V Machteld
+ VI Papegaaijen-deuntjen
+ VII Wijs Klaertjen op 't ijs
+ VIII Inkeer
+ IX Jan Compagnie
+ X Dieuwertjen
+
+
+ VERHALEN:
+
+ Blaauw Bes, Blaauw Bes!
+ 't Is maar een Pennelikker!
+ Marie
+ De Ezelinnen
+ Hanna
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen
+by E.J. Potgieter
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE ***
+
+***** This file should be named 16842.txt or 16842.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16842/
+
+Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.