diff options
Diffstat (limited to '16842.txt')
| -rw-r--r-- | 16842.txt | 6635 |
1 files changed, 6635 insertions, 0 deletions
diff --git a/16842.txt b/16842.txt new file mode 100644 index 0000000..c6031b4 --- /dev/null +++ b/16842.txt @@ -0,0 +1,6635 @@ +The Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen +by E.J. Potgieter + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Liedekens van Bontekoe en vijf novellen + Blaauw bes, blauw bes!--'T is maar een + pennelikker!--Marie--De ezelinnen--Hanna + +Author: E.J. Potgieter + +Release Date: October 9, 2005 [EBook #16842] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE *** + + + + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + + + + +LIEDEKENS VAN BONTEKOE + +door + +E.J. POTGIETER + + * * * * * + +VIJF NOVELLEN: + +(BLAAUW BES, BLAAUW BES!--'T IS MAAR EEN PENNELIKKER!--MARIE--DE EZELINNEN +--HANNA) + + + + +LIEDEKENS VAN BONTEKOE + + +Aan de kant van de Revier komende daer de Praeuw lag, stond daer een +hoop Inwoonders; en haperden geweldig tegen elkander; het scheen dat de +eene wilde hebben dat ik voer en de ander niet. Ik greep een of twee uit +den hoop by den arm, en stuwde ze na de Praeuw toe, om te varen gelyk of +ik noch Meester was, en ik was boven half Knechte niet. Sy sagen er soo +vreesselyk uit als Dollemannen, doch lieten haer geseggen: en twee +gingen met my in de Praeuw, de eene ging agter sitten, en de ander voor: +elk met een scheppertjen in de hand, en staken af; sy hadden elk een +Kris op haer syde steken, synde een geweer of het een Ponjaerd was, met +vlammen. Doen wy wat gevaren hadden, kwam de agterste na my toe, want ik +sat midden in de Praeuw, en wees dat hy geld wilde hebben. Ik taste in +myn dief sak, haelde er een kwartjen uit, en gaf het hem. Hy stond en +bekeek het, en wiste niet wat hij doen wilde; doch nam het ten lesten, +en wond het in syn Kleedjen dat hy om syn middel hadde, de voorste +siende dat syn Maet wat gekregen had, kwam mede na my toe, en wees my +dat hy ook wat hebben wilde; ik dat siende, haelde weder een kwartjen +uit myn dief sak: en gaf het hem. Hij stond en bekeek het mede, 't leek +dat hij in twijffel was of hy het geld wilde nemen, dan of hy my wilde +aentasten, 't welk sy ligt souden hebben kunnen doen, want ik hadde geen +geweer, en sy hadden elk een Kris op syde. Daer sat ik als een schaep +tusschen twee Wolven, met duisend vreesen; God weet hoe ik te moede was: +voeren also voor stroom af; omtrent ten halver weeg aan de boot synde, +begonnen sy te tieren en te parlementen, het scheen aen alle teekenen +dat sy my om den hals wilde brengen. Ik dit siende, was soo benauwt dat +mij het hart in mijn lyf trilde en beefde van vreese, keerden my +derhalven tot God: bad hem om genade en dat hy my verstand wilde geven, +wat my best in die gelegenheid stond te doen: en het scheen of mij +inwendig geseid wierd, dat ik singen soude, hetwelk ik dede: hoewel ik +in sulke benauwheid was, en song dat het door de boomen en Bosschagie +klonk, want de Revier was aan beide syden met hooge boomen bewassen. En +als sy dit sagen, begonden te lagchen, gaepten dat men haer in de keel +sien kon, soo dat het leek dat sy meenden, dat ik geen swarigheid van +haer maekte; doch ik was heel anders in myn herte gesteld, als ik +vertrouw dat sy meenden; wy raekten te met soo verre voort dat ik de +boot sag leggen. Doe ging ik staen en wuifden ons volk toe: die my +siende dadelijk na my toe kwamen, by de kant de reivier langs, enz. + + _Gedenkwaardige Beschryving van de Achtjarige en zeer Avontuurlyke + Reise van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn, gedaan na + Oost-Indien, pag 20_. + + Sumatra dreef in vloeijend goud, + Dat van de hooge kamferboomen, + Die heerschers in een Indisch woud, + Op peperstruik en oobarhout, + Op beek en mos scheen neer te stroomen. + Schoon welkomstgroet en liefdebee + Den lichtvorst noodigden in zee, + Wier golven ruischten van verlangen, + Eer de oceaanbruid hem gedwee + In de open armen mogt ontvangen, + Riep hij een lang, een zoet vaarwel + U toe, o geurige Archipel! + En alles baadde zich in luister, + En alles dronk het vier der min + Van zon en zee wellustig in; + De tijger lekte in het scheem'rig duister + Van 't roode hol zijn bronstig lief, + Terwijl zich de olifant verhief, + Om, met van drift gewiekte voeten, + Zijn gemalinne in 't bosch te ontmoeten, + Dat louter liefdespelen zag + In 't uur des echts van nacht en dag. + + Helaas! de mensch voedde and're driften: + Daar gleed, langs oevers, rijk omzoomd + Van laag gewas en hoog geboomt', + Welks schaduw 't vocht van kleur deed schiften + En 't vonk'lend goud in donker blaauw + Verkeerde, een ranke, ruwe praauw + Op breeden vloed vast sneller voort, + Den haat, welligt den dood aan boord! + + Een drietal mannen mogt ze dragen: + Twee wilden, naakt en bruin van leen, + Een witte schort om 't lijf geslagen, + Waaruit de scherpe kris verscheen; + Twee wilden, afgerigt op 't jagen, + Maar die naar 't schuw gediert' niet zagen, + Dat beurt'lings opsprong en verdween. + Waarom zij naar den boog niet tastten, + Wanneer ze een anteloop verrasten, + Schalk spelende op het oevermos; + Waarom geen werpspiets stoof in 't bosch, + Waar casuarissen hun pluimen + Van vloeib're paarlen deden schuimen, + Daar gaaikens staarden op hun dos? + Zij lieten 't, wijl ze een prooi beloerden, + Die school in 't loof, noch dook in 't nat, + Een blanke, dien zij met zich voerden, + Een blanke, die in 't midden zat, + Die aan zijn heup geen wapen had, + En, schoon geen banden hem omsnoerden, + Toch opzag en den Heere bad! + + Wel mogt hij! Was op Texels reede, + Toen de oostewind ten leste woei, + En vlag en zeil zich grootsch verbreedde + En 't schip geslaakt werd uit zijn boei, + Het hem voorspeld, hoe ramp bij ramp + Op reis hem dagen zou ten kamp; + Hoe wreed de hoop hem zou bedriegen, + Die hem zoo fier te roer deed staan, + Als lachte Java reeds hem aan; + Hoe in den verren oceaan + Zijn kiel, _'t Nieuw-Hoorn_, in brand zou vliegen, + Hij, Willem Ysbrandtsz Bontekoe, + Had omgewend, de zeevaart moe! + En echter, 't leed was koen gedragen-- + Vergeef dat woord van ijd'len trots; + In ootmoed schiep zijn ziel behagen-- + Hij droeg het, waard de hoede Gods, + Die hem beschermde in 't golfgeklots, + Het laaije vaartuig uitgeslagen, + Die, voor den ingang van den nacht, + De scheepsboot tot zijn redding bragt. + Hij droeg het, zoo als echte vromen + Het jamm'ren doen,--des Heeren wil + Eerbiedend, zweeg hij werkzaam stil: + Des avonds kermende ingenomen + Viel 's uchtends nieuw gevaar te schromen; + De hulk was wel aan 't vier ontkomen, + Maar dreef, ontbloot van naald en zeil, + Der luimen van de baren veil. + En zie, hij onderwierp de winden; + Om 't sprietjen van de veege schuit + Sloeg 't noodzeil, dat hij zaam deed binden, + De smalle banen klaat'rend uit; + 't Gestarnt zou hem den weg doen vinden! + En week de dag en viel de nacht, + En rees geen land bij 't morgengloren, + En deed de hongerkreet zich hooren, + En stilte niet dan dorst die klagt, + Slechts hij had moed, had troost voor allen, + Die zuchten aan het kleene boord, + En hield op deze ree hun woord. + + Maar nu! + + Zou hij, in gruwb'ren moord, + Hier weerloos, ongewroken vallen, + Gescheiden van den trouwen stoet, + Die met hem, eer nog de uchtend daagde, + Om lijftogt aan den wal zich waagde, + De streek, het dorp was ingespoed? + Ach! geen dier makkers had de wilden + Mistrouwd als hij, om 't valsch gelach, + Waarmee de schaar hun worst'ling zag, + Toen zij hun kracht den buffel spilden, + Die 't koord des leiders scheurde als rag; + Het dier, door hen vooruit betaald, + Vervolgd, en toch niet ingehaald. + "Neen, broeders," mogt hij hen bezweren, + "Blijft zonder buks, blijkt zonder dolk + Van nacht niet wijlen bij dit volk." + Zij scholden hem een onheilstolk; + Zij wilden naar de kust niet keeren. + Daar droeg de praauw hem naar de boot; + Daar bad hij: "Heere! zie mijn nood!" + + Te regt; want onder 't peinzend staren + Naar schuinschen stam, naar wond'ren boom[1], + Die schermen weefde van zijn blaren, + Wiens bloesem, wuivende op den stroom, + De sneeuwvlok scheen dier balsemluchten, + Had hem een bont faizantenpaar, + In 't loof gedoken, doen verzuchten: + "Dat ik zoo vrij, zoo veilig Waar!" + En even of de toon dier klagte + Zijn lot den roeijers had ontvouwd, + Werd de een, die straks zijn wenken wachtte, + Werd de aer, die eerst hem meester achtte, + Geblaakt door lust naar bloed en goud. + Ter sluik was de achterste opgesprongen; + Hem meldde 't vlijmend tandgesis. + De voorste zwaaide met den kris, + En spelde... doch hij was bedwongen. + Een kleine gift van luttel geld + Had beide een wijl te vree gesteld; + + En zwijgend ging 't op gulden baren + De landstreek uit, der haven toe;-- + Neen, eensklaps kweelde Bontekoe + Als waar' zijn togt een spelevaren: + + +Noot 1: De Bombax, of zijde-katoenboom. + + + +I + +'T PASSEREN DER LINIE. + + Stem: Wie had op Sinxen nacht + Gedacht. + _Vlaamsch Liedeken_. + + + _Scheepsvolk._ + + Daar rijst de god der zee + Alree, + Een wierkrans om de lokken; + Hij brengt zijn holle weerhelft mee; + 'k Wou dat hij 't wat meerminnen dee, + Al moest ik er voor dokken. + + Wat vremde stoet heeft hij + Op zij, + Het viertal werelddeelen. + Die Azie is een oude prij; + Die Afrika te zwart voor mij; + Wie drommel zou haar stelen? + + _Neptunus._ + + Wat hebben malle maats + Al praats! + Mijn staf jeukt in mijn ving'ren. + Wat volkslag ben je? van wat plaats? + Lieg niet, of jij zult buiten gaats + De lucht en zee zien sling'ren. + + _De schipper._ + + Wij zagen in Kijkduin, + Neptuin! + Het leste van ons landjen; + Mijn scheepjen heet,--kijk niet zoo schuin, + Ons volk zei jij was in je tuin: + "Het Amsterdamsche Santjen." + + _Neptunus_. + + Ik dacht het, toen 'k je vlag + Straks zag: + Ik mag haar kleur wel zetten. + Maar drokker maak jij 't dan je plag; + 'k Hoor alle week, 'k hoor ieder dag + 't Wilhelmus nou trompetten. + + _De schipper._ + + Wel, Oudjen! 't hartig lied + Is niet + Voor luije Jan geschreven; + Maar zeg eens of je in jou gebied + Ons nou van harte welkom hiet, + Wat offer moet ik geven? + + _Neptunus._ + + Wat offer? Troe, toe, troe + Brr, oe! + Zoo doop ik al mijn hachjens. + Amerika! spuit harder toe; + Europe! ben je nou al moe? + Op, wijf! wat doe je 't zachtjens! + + _De schipper._ + + Hei, hola! oude snaak, + 't Was raak; + Wij druipen door ons kleeren, + 't Is maar een kletserig vermaak; + Ik zal je, mits die regen staak, + Een mooijen duit vereeren. + + _Neptunus._ + + 't Is alleman om poen + Te doen; + Geef op, en 'k zal je sparen. + Ja, zoo van nacht een Spaansch galjoen + In 't zog jou volkjen na mogt spoen, + Niet klappen van je varen. + + Of wil je, dat ik tuig: + "'t Was ruig; + 't Had hair tot op de tanden." + Zoo gun mij 't scheeren met de duig; + 't Volk tart me al met hoezee gejuich; + Goe reis naar de Oosterlanden! + + * * * * * + + Aeloudheid! 't was geen ijd'le droom, + Dat Orpheus, spelende aan den stroom, + Op forschen klank van stem en snaren + En aarde en lucht ten rei deed varen; + Dat hij in weergalooze luit + Den schepter der natuur omklemde, + Die leeuwen en die tijgers temde: + Hier werkte een deuntjen wond'ren uit, + Een blij gelach, een vrolijk tieren + Verzelde 't staag en volgde 't lang; + Het was of 't schalke beurtgezang + De woestaards van geneugt' deed gieren, + Als zagen zij het scheepsfeest vieren, + Zoo juichten zij uitgelaten toe, + En ruimer aemde Bontekoe. + De veete tusschen werelddeelen + Trad niet zoo schril als straks aan 't licht; + De sterkte was opnieuw gezwicht, + Dewijl 't verstand weer dorst bevelen; + Vast minder hach'lijk stond de kans + Des weereloozen blanken mans! + Zijn hoofd hing langer niet gebogen, + Zijn regterhand niet strak op zij; + Er luchtte een fierheid uit zijn oogen, + Die aanspraak maakte op heerschappij-- + Hij voelde zich ter helft weer vrij. + + En toch, schoon 't onbesuisd geschater, + Om 't wild gebaar verknocht aan 't lied, + Weergalmde langs het bosch van riet, + Dat spiegelde in het effen water, + Toch lachte bij van harte niet. + O, 't was in 't bidden om zijn leven + Gewis door God hem ingegeven: + "Het zingen redde u van den dood!" + En ijlings had hij van zijn lippen + Het lied, het wijsjen laten glippen, + Dat, eer hij nadacht, deze ontschoot; + Maar 't was geen klagt, maar 't was geen bede;-- + 't Prees ijd'le vreugd, 't zong wuft gejoel, + En wroeging trad in plaats van vrede,-- + Aandoenlijk, Christelijk gevoel! + + Wie heeft die teerheid van geweten + Des sterken voorgeslachts niet lief? + Een schakel van de onzigtb're keten, + Waar langs het zich, tot God verhief! + Een wijle peinzens,--toen bedaarde + Het zelfverwijt in 't vroom gemoed, + 't Geen 't luchtig deuntjen zich verklaarde + Uit d'angst, door schok op schok gevoed, + Uit koortsig brein, de prooi van 't bloed, + Dat onbewust is wat het doet. + Eene and're wijl'--zijn vingers wischten + Het vocht af, dat in de oogen rees; + 't Was woeste lust noch bloode vrees, + Die van de keus des lieds beslisten; + De Heere was 't, die 't spoor hem wees! + Of viel Zijn vinger niet te aanschouwen + In d'ommekeer van 't wilde paar? + Hier voegden klagten, droef noch zwaar, + Noch psalmen van den Harpenaar, + Die Isrel stemden tot vertrouwen, + Die Bontekoe, een hurkjen groot, + Al opzei aan zijn moeders schoot. + Hij moest, zijns ondanks, vrolijk wezen, + En zuster Roeltjen werd geprezen, + Zijns vaders hulpe, sinds de dood + Der brave vrouwe de oogen sloot: + + + + +II + +ROELTJEN UIT DE BONTEKOE. + + Stem: So haest Gysjen had vernomen. + _Bredero_. + + +Toelichting. + + Willem IJsbrandtszoon Bontekoe, in 1587 te Hoorn geboren, heette + eigenlijk Decker, maar werd, daar zijn vader een herberg hield, de + _Bontekoe_ genoemd, in zijne jeugd meestal Willem _uit de Bontekoe_ + geheeten, en behield later dien naam. "Eene woning bij het Hoofd," + zegt de heer C.A. Abbing, in zijne _Beknopte Geschiedenis der stad + Hoorn, enz_. (Hoorn, Gebr. Vermande, 1839) "vertoont nog in den gevel + zijn sprekend wapen." + + IJsbrant-baas heeft drokke nering; + Schoon een man van luttel praats, + Lokt zijn huis schier alle maats, + Wordt hij rijk van hun vertering. + Vraagt ge: waar komt dit bij toe? + Ga eens naar de Bonte Koe. + + Frisscher krans hangt nergens buiten + Dan zijn groene wingerdtak; + Maar zoo daar zijn roem in stak, + Mogt bij op zijn duim wel fluiten, + De eene quant riep d' aer niet toe: + Gaat ge mee ter Bonte Koe? + + Spieg'len kan er zich een pronker + In het tin van kroes en kan; + Maar zoo menig vroeden man, + Maar zoo menig hoofschen jonker + Lonkt er zoeter spiegel toe: + Gaan we naar de Bonte Koe? + + IJsbrant-baas weet wel van wanten; + Om een flinke, knappe deern + Loopt de jonkheid ter taveern; + Mooije schenksters, duizend klanten: + Dochterlief brengt daar je toe, + Roeltjen uit de Bonte Koe! + + Noch een fijn mennisten zusjen, + Noch een bloode pimpelmees, + Weet zij iets van angst of vrees + Voor een handdruk, voor een kusjen; + Toch laat zij niet alles toe, + Roeltjen uit de Bonte Koe. + + Waaghals wie haar durft omvangen! + Want haar hand is geen fluweel; + Schorre strijkstok op de veel + Van een paar gebaarde wangen, + Speelt zij regts en links maar toe, + Roeltjen uit de Bonte Koe. + + IJsbrant-baas houdt haar in eere: + Beugel, bouwen, haak en huik, + Alles draagt zij pronk en puik; + Vrijers krijgt ze heinde en veere; + "Maar ik zie voor Roeltjen toe," + Zegt de waard der Bonte Koe. + + Als, om 't klappen van zijn schijven, + Haar een lansk van trouwen praat, + Of een wulp haar gadeslaat, + Die zijn boel in 't riet liet drijven, + Roept hij: "Duimkruid hoort er toe, + Voor een waard der Bonte Koe." + + "Vaderlief! wij hebben mony," + Zeit ze dan, "in overvloed. + Zoudt ge zuur zien, zag ik zoet?" + En zij streelt zijn bolle trony; + "Roeltjens liefste, stem het toe, + Wordt de waard der Bonte Koe." + + * * * * * + + Erinn'ring voerde in haar gebied + Hem mede, toen hij 't zingen staakte; + Hij zag den schelmschen vrijer niet, + Die 't wijsjen in een omzien maakte, + En 't hartsgeheim van Roeltjen ried; + Het was of weer zijn jeugd ontwaakte, + Een lusthof groende in 't lief verschiet. + O geur'ge sneeuw der meidoornstruiken! + Hoe vaak plagt Wim, al kloek van leen, + Schoon naauw zijn vijftiende ingetreen, + Des achternoens in u te duiken, + Om ruikers voor de schouw te pluiken, + En de oogen maar uit joks te luiken, + Als Roeltjen kwam met stille schreen. + Het aardig kind van zeven jaren, + Een wolk van frisschen levenslust, + Wou hem verrassen in zijn rust, + En trok hem bij de blonde haren, + En werd gegrepen en gekust. + Dan vroeg ze om op zijn knie te rijden, + En riep: "Zie zoo, dat gaat te hoof!" + En scheurde een twijgjen uit het loof, + En dacht den klepper te kastijden, + Wijl aan haar voet de bloesem stoof; + En nu--nu school ze in luwt van blaeren, + Want gierend aan zijn arm ontglipt, + Want zwierend van het paard gewipt, + Was zij de boschjens ingevaren, + En riep van verre: "'t Is geen kind, + Die Roeltjen in den donker vindt!" + Dan rees hij op en zou haar vangen, + En tilde haar de scheem'ring uit, + Terwijl zij knorde: "Stoute guit!" + Of boos hem kneep in bei zijn wangen, + Of bad, die wilde weelde moe: + "Ei, kweel eens wat, ik luister toe." + En lang had Roeltjen niet te dringen, + Was 't vremd dat de Oost hem 't hoorde zingen? + 't Lief kind scheen aan zijn zij' te springen: + + + + +III + +LOUW EN DE WAARZEGSTER. + + Stem: Ach, ach, nog eens ach, + 'k Wou, zei Joosjen, dat ik 't zag. + + + _De Waarzegster._ + + Louw, Louw, flinke Louw! + Wel hoe heb ik het met jou? + Heugt je niet hoe maats we waren, + Toen je zoudt naar Groenland varen? + "Moertjen!" zei je, "'k ga naar zee, + Geef me een amuletties mee!" + En ik zocht eens in het zootjen + Dat ik erfde van mijn grootjen; + Maar het sticht niet hier op straat, + Ook herken je mij al, maat! + Ai, hoe ging het met het visschen? + Greep je een walvisch bij de klissen? + Heb je er zeven t'huis gebragt? + Zie ik droomde 't menig nacht. + + Stil, stil! guitjen, stil! + Scheld het voor geen malle gril, + Mogt je beeld niet bij me wezen, + Als ik jou planeet moest lezen, + Voor je vrijsterken, mooi-Aagt, + Daar je mij niet eens naar vraagt! + 't Is een jeugdje van een meisjen; + Zoen je haar nog wel een reisjen? + Komt er van je hijlik wat? + 'k Wou dat ik haar jaren had, + Maat! ik bleef al even pover, + Maar jou diefzak vloeit wis over + Van dukaten, flinke Louw! + Wel, hoe heb ik het met jou? + + _Louw._ + + Wijf, wijf! weergaasch wijf! + Te olijk hadt je mij bij 't lijf: + Toen ik, in de boot gesprongen, + Beertjen met zijn beide jongen + Uit de schotsen duiken zag, + Riep ik: "Komt maar voor den dag!" + Wou ik haan de voorste wezen, + Want je zei 'k had niets te vreezen; + Maar, wat meenje? met zijn klaauw + Bragt hij deerlijk mij in 't naauw, + En ik zwoer je zoudt het boeten. + Hola hei! niet uit de voeten, + Ik ben nog aan 't einde niet + Van mijn amuletties-lied. + + Erg, erg, eens zoo erg + Ging 't me bij den Spitsenberg: + Kijk, daar kwam een walvisch boven, + En de twee fonteinen stoven, + En de harpoenier kreeg prik, + "Vrij," zoo dacht ik, "vrij loop ik." + Fut! toen hij zijn staart maar zwaaide, + Was 't of aarde en hemel draaide; + Vloekte ik jou niet als de pest, + Weet, ik lag ook buiten west! + Maar je vroegt straks naar mooi-Aagtjen: + Hieldt je dan een oog op 't maagdjen? + Voor den drommel, weergaasch wijf! + Heb me nou niet weer bij 't lijf! + + _De Waarzegster._ + + Louw, Louw, flinke Louw! + Als of ik je foppen zou! + Wis, was jou de spreuk vergeten, + Die de kroon zet op de keten: + "Ebro--flavi--pactolus, + Dolu--ico--avamus!" + Hadt je dat er bij gepreveld, + Beertjen had je niet gekneveld, + En geen walvisch jou weerstaan; + Zie me maar zoo vremd niet aan. + Vraag het Marten, vraag het Flipjen, + Nou al reeders op het tipjen, + Of ooit lanspunt of harpoen + Meer dan deze spreuk mogt doen. + + Maar, maar, jonge vaer! + Een en nog een zijn een paar. + Hoor, ik zal een an'dre leeren, + Om je meisjen te bezweren, + Dat zij je alles klappen zal, + Wie een zoentjen van haar stal, + Wie zij streelde met een kusjen... + Stuif niet op, zij heeft een zusjen. + Kom van avond bij me, maat! + Als de star in 't westen staat, + En mijn keteltjen zal zingen, + En mijn katertjen zal springen, + En ik ben wat, flinke Louw! + Of mooi-Aagtjen blijkt je trouw.-- + + * * * * * + + Ach! spoedig werd het beeld verdrongen + Der minnelijke onnoozelheid, + Die hem, den wilden bootmansjongen, + Zoo dikwerf 't wijsjen werd gezongen, + Om t'huis te blijven had gevleid; + Hij zuchtte luid, hij dacht te poozen,-- + Maar 't wachten viel zijn makkers zwaar, + Onstuimig werd hun handgebaar; + Wat liedjen moest er nu gekozen? + Daar schoot een aardig feit hem in, + Dat Holland in verbazing zette, + Toen heinde en veer de krijgsgodin + Den lof van Nieuwpoorts held trompette. + Een stoffe was 't voor elpen lier! + Helaas! hem werd zij niet gegeven; + Die, zonder dichterlijken zwier, + Voor 't volk het wonder had beschreven... + Doch reeds was 't wijsjen aangeheven: + + + + +IV + +DE ZEILWAGEN VAN PRINCE MOURINGH.--1600. + + Stem: Als't begint. + +Toelichting. + + Ik weet niet beter te doen, ten einde ook het gros der lezers de + toespelingen in dit liedjen versta, dan de volgende plaats uit het + opstel _Simon Stevin_, in de _Bijdragen tot de Geschiedenis der + Wetenschappen en Letteren in Nederland_, door J.P. van Cappelle, + (Amst. van der Hey en Zn. 1821) hier af te schrijven: + + "In het voortreffelijk werk van den onsterfelijken Hugo de Groot + getiteld: _Vergelijking der Gemeenebesten_, komt de volgende zeer + opmerkelijke plaats voor: "Onlangs hebben wij ook aangevangen op het + land te varen; want wij bezitten wagens, die door den wind gedreven + worden, met zeilen voorzien zijn en viermaal zooveel spoed maken als + een schip, daar zij met geen baren, die er tegen aan stroomen, te + worstelen hebben, maar door vlaktens heensnellende, met een + ongeloof'lijken spoed voortvliegen, en, hetgeen ik vergen mag dat men + mij als een ooggetuige geloove, de winden, door welke zij in beweging + geraken, schier ontvlugten. Ik heb het bijgewoond, toen men er binnen + minder dan twee uren tijds veertien van onze mijlen mee heeft + afgelegd, waarvan iedere den weg van een uur bevat." De + aanteekeningen van Meerman op deze plaats, gepaard met hetgene men + elders aantreft, berigten ons, dat Maurits dezen wagen naar een + ontwerp van Stevin had doen vervaardigen, aan wien alzoo de eer der + uitvinding toekomt. Zeer gelukkig viel de proef uit, welke de + Stadhouder met denzelven nam, zoo men gist in den herfst van het jaar + 1600. Op den wagen bevonden zich acht en twintig personen, waaronder + Maurits zelf, de broeder van den Koning van Denemarken, Graaf Hendrik + van Nassau, de Ambassadeur van Frankrijk, en, hetgene opmerking + verdient, ook de Admirant van Arragon, Franciscus de Mendosa, die in + den slag bij Nieuwpoort was gevangen. Ook de Groot, toen nog jong, + woonde dezen togt bij. Men voer met eenen zuid-oostenwind van + Scheveningen. De Stadhouder nam het roer in de hand en voerde het + zeil. Toen dreef de wind den wagen met zulk eene snelheid voort, dat + hij niet scheen te rollen, maar te vliegen, en in twee uren tijds te + Petten aankwam. Geene paarden konden hem volgen; hij ontging bijna 's + menschen oog. Eenmaal stuurde Maurits hem uit kortswijl in zee, + waarover velen zich dapper ontzetteden; doch door eene geringe + wending van het roer bragt hij hem in zijnen vorigen koers op het + strand." T.a.p. blz. 21 en 22. + + Men houde het mij ten goede, dat ik mij aan geene vergelijking wage + met de fraaije verzen, waarin deze togt door de Groot en door Huygens + is vereeuwigd. Lord Gray, in het 5e couplet, heb ik ontleend aan Van + Meteren's beschrijving van den slag bij Nieuwpoort: "Milord ofte + Baroen van Gray--ende meer andere soo Enghelsche, Fransche, als + Hooghduytsche Heeren van adel, die sonder eenigh bevel Prince Mauritz + verselschapten." Dat ik Elisabeth een minnaar meer heb gegeven, zal + men mij niet euvel duiden. Welligt zal men het ergerlijk vinden, dat + ik Z.K.H. den Hertog van Holstein en broeder des Konings van + Denemarken, "_Fanden ta dig!_" of "dat de Duivel u hale!" laat + roepen, en hem bovendien roode knevels heb gegeven; doch het laatste + scheen mij nog al nationaal toe, en het eerste heeft Mr. de Busenval, + Ambassadeur van Hendrik IV bij de Staten, waarschijnlijk niet + verstaan. In een volksliedjen mogt de laatste niet anders dan + Bulleval heeten. Het slot, "Luctor et Emergo," (ik worstel, maar ik + drijf boven), de bekende spreuk der Zeeuwen, werd door het onderwerp + van zelf ingegeven. + + Prince Mouringh reed langs zee + In zijn wond're koets met masten; + Half het Haagsche hof was mee; + Groote cijsen, rare kwasten, + Nog te noen bij Scheveling + Snelden ze al voor twee langs Petten, + Toen het holdebolder ging + En de koensten zich ontzetten: + Flap zei 't zeil en krak het roer; + 's Princen koets te water voer. + + Lijnrecht stoof ze in 't golfgebruis, + En men staakte 't vleijend prijzen; + Ieder wenschte zich te huis; + Ieder vroeg: Zal ze ooit weer rijzen? + Alle tongslag sloeg een vloek; + Alle groote banjerts pepen, + En van angst werd buis en broek + Stuk gescheurd en kaal geknepen; + Prince Mouringh zag zoo snip, + Of hij vreesde voor zijn schip. + + "_Narren!_" riep een Moffenheer, + "_Wo Hans Michel soll ertrinken, + Nicht in dieses salzes Meer. + In ein Weinfasz wirdst du sinken!" + "Das versprach_..." Daar nam een golf, + Die aan hem zich wou verwarmen, + Die hem sissende overdolf, + Forsch den likkebroer in de armen. + Oef! zijn neus, zoo vierig-rood, + Bleek te bros voor zulk een stoot. + + De Admirant van Arragon + Zat zijn handschoen los te rijten; + 't Scheen dat zich de quant bezon, + Of hij blaffen zou of bijten. + Grimmig sprak hij tot den Prins: + "Krenkt ge mij een enkel haartjen," + En hij streek de sik zijns kins. + "Zeker heeft die muis een staartjen!" + Maar zijn bleekheid dacht er bij: + "_Sante Madre!_" baat dat mij?" + + "_Beautiful!_" begon Lord Gray, + Toen de zon door 't water straalde: + "_Lord!_" daar stoof zijn muts in zee, + Die met blaauwe veeren praalde, + "_Help, fetch back!_"--"'t Blijve onbeproefd, + Riep de Prins; "laat gaan die pluimen, + Daar hij twintig jaar op snoeft: + Alle wijven hebben luimen; + Maar Elisabeth was mal, + Zoo zij kaatste met dien bal." + + + "Fanden ta dig!" klonk in 't want, + En de Deen, met roode knevels, + Zag hoe Frankrijks afgezant + Laf zicht vasthield aan zijn stevels. + "_Ah! ne me refusez pas. + Prenez moi a la remorque_."-- + "_Non, Monsieur, a vous le pas!_" + Bulleval had uit met snorken, + Als een lammetjen gedwee: + "_Henri Quatre en saura gre_." + + "_Luctor et Emergo!_" riep + Prince Mouringh, en de wagen + Eensklaps weer ter kuste liep, + Waar men Petten op zag dagen. + "_Luctor et Emergo!_" klonk + Uit den mond van al de gasten, + Toen de Prins er 't welkom dronk, + En ze in puik van mossels brasten. + Mouringh zei tot d'Admirant: + "_Et Emergo_ Volk als Land!" + + * * * * * + + En nu, wat dacht hij onder 't zingen? + "Dat liedjen," zei hij, "haal de droes!" + Hij zag de naakte woestelingen + Het bruine lijf in bogten wringen, + Alsof dier talen mengelmoes + Hun 't hoofd deed draaijen als een roes; + 't Werd schuddend gillen, schaat'rend weenen; + Zij hingen over 't praauwtjen henen + Dat schommelde uit den evenaar, + En 't water stoof hun tot de scheenen; + Nog duchtten zij geen lijfsgevaar: + Een oogwenk en den stroom ten buit, + Had zingen en had lagchen uit! + Maar neen, zij zagen 't en zij tastten + Ten scheppertjens,--al wolkend vloog + Het vocht, waarin hun voeten plasten, + Van ied're zij der boot omhoog; + En weer was ze in een omzien droog, + Weer moest hen zijn gezang vergasten. + Wie zich aan Breero's deuntjens stiet, + Hij luist're naar wat volgde niet: + + + + +V + +MACHTELD. + + Stem: Wijkker Bietje, die bij 't beekje. + _Vondel_. + + + Machteld had wel hooren luiden, + Wat of vensterkens beduiden + Die des avonds open staan; + Maar een weinig frissche koelte + Was zoo welkom na de zoelte, + En het hare stond maar aan. + + Ook scheen 't zuchtjen louter weelde, + 't Zij het schalk haar bloezem streelde, + 't Zij het suisde in 't blonde haar; + Echter wuifde 't uit het loover + IJlings meer dan geuren over, + Zoet accoord van stem en snaar. + + Als zij 't venster nu ging sluiten, + Zou de minnezanger buiten, + Haar in de onderkeurs bespien; + En dies zocht zij, schaamrood, schuchter, + Met de vingers om den luchter, + Achter 't saai gordijn te vlien. + + Maar al had zij hooren praten, + Dat hij dra wordt ingelaten + Die 't ons op zijn luit bediedt, + Niet te luist'ren naar zijn bede, + Niet te naad'ren ook geen schrede, + Dat gedoogde 't hartjen niet. + + Op haar bloote, blanke voetjens, + Sloop zij zachtjens, sloop zij zoetjens + Dies naar 't raam: wat fraaijen val! + Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen! + Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen! + Neen, hij prees haar schoonst van all' + + Was het waarheid wat hij kweelde, + Dat "de lieve lach, die speelde + Om haar lipjens, "kus mij!" riep, + "Maar dat de opslag van haar oogjens, + Wacht hield bij die nektartoogjens?" + Hoe zij naar den luchter liep! + + Zie, al had zij hooren preeken, + Dat de booze liefst zijn treken + Uitspeelt achter 't spiegelglas, + Waarom zou zij, nu slechts muren + Haar bespiedden, niet eens gluren, + Of zij de allermooiste was? + + En zij keek eens en zij knikte, + En zij keek weer en zij blikte + Op haar vlugge beentjes neer; + En zij danste een passedijsjen, + Naar een zacht geneuried wijsjen, + En zij knikte keer op keer. + + Maar het was, terwijl zij zwierde, + Of het luik op 't hengsel gierde, + Of... doch langer geen geluid; + Echter kraakte vast de wingerd, + Om haar vensterken geslingerd.... + Wie sprong binnen? 't Licht woei uit! + + * * * * * + + En echter hebt gij 't lied beluisterd? + Een and're vraag, 'k was dies gewis, + Vol lachs of vol van ergernis? + Neen, niet gemeesmuild, niet gefluisterd, + Getuig wat uw verbeelding is: + _Of_ schalke als die van vroeger dagen, + Wier wieken, gift van scherts en lust, + Op 't feestmaal werden uitgeslagen, + Haar smetteloosheid zich bewust,-- + Die zonder blaam, die zonder vrees + Het menschelijke menschlijk prees; + _Of_... laat mij haar onreine noemen, + Die onder dubb'len sluijer kleurt, + Die eischt dat we ied're drift verbloemen, + Wijl ze elken zegen heeft verbeurd: + Wit graf waarbij de minne treurt! + + Wat of zich Bontekoe verbeeldde? + Dat Machtelds minnaar binnen kwam, + Met zoete woordekens haar streelde, + En, louter liefde, louter weelde, + Een kus stal eer hij afscheid nam; + En... waarlijk verder dacht hij niet; + 't Bosschaadje hoorde een ander lied: + + + + +VI + +PAPEGAAIJEN-DEUNTJEN. + + Stem: Lorretjen. + + + Wat leide ik toch een leven, + Het prinsjen van de buurt! + Mijn stok is bruin gewreven, + Mijn kooi is glad geschuurd, + En ik kan klontjens krijgen, + Voor 't praten en voor 't zwijgen. + Ai! Lorretjen, + Kaporretjen, + Kapoe, kapoe, kapoe, + Houd mij je bekjen toe! + + En zou ik mij dan storen + Aan 't smalen van dien knaap, + Die steeds wat nieuws wil hooren, + Die me uitscheldt voor een aap, + En mij zoo graag zou dwingen, + Een eigen lied te zingen? + Neen, Lorretjen, + Kaporretjen, + Kapoe, kapoe, kapoe, + Is daar te snugger toe! + + Ik ken wel mijns gelijken, + Die wand'len over straat, + Die met een degen prijken, + Die zitten in den raad; + Zij kregen 't beste hapjen, + Door krek te doen als Papjen. + Een Lorretjen, + Kaporretjen, + Kapoe, kapoe, kapoe, + Waar past die al niet toe? + + * * * * * + + 'k Weet niet of u de les zal smaken; + De wilden lachten luide er om, + Terwijl 't refrein op eens een drom + Van papegaaijen deed ontwaken: + Daar klonk 't kapoe; daar galmde 't weer; + De vogels wisten van geen schuwte; + De zoelte riep het tot de luwte, + Het strand den stroom toe keer op keer; + En Bontekoe dacht onder 't schaat'ren + Des wilden wouds, der wilde waat'ren: + "Zing voort, ik ken geen liedje meer." + + En toch, toen 't woest geschreeuw bedaarde, + Dat zelfs zijn roeijers dra verdroot, + En 't paar weer rust'loos op hem staarde, + En half hem smeekte en half gebood, + Was hij niet slechts gereed te kweelen, + Maar werd zijn toon zoo vol, zoo vrij, + Of 't lief tooneel van vrijerij, + Dat blanke Maas of gulden IJ + Op 't marmer van zijn vloed zag spelen, + Een warmte hem mogt mededeelen, + Als reed hij schaats, als vrijde hij: + + + + +VII + +WIJS KLAERTJEN OP 'T IJS. + + Stem: Mijn zoetje! + Ik moetje (_met variatie_.) + Starter. + + Wijs Klaertjen + Zou 't paartjen, + Liefst zamen alleen, + Verzellen + Of kwellen, + 't Was moeder schier een, + Mits 't zusjen + Elk kusjen + Haar klappen mogt t'huis: + Op 't ijs met zijn beiden hield de oude niet pluis. + + Min bloode + Dan noode + Ging 't vrijsterken mee; + Te waken, + Te laken, + Voedt vriendschap noch vree, + En Govert, + Betooverd + Door Elze zijn lief, + De borst gaf den drommel van haar: "houd den dief!" + + Hoe prachte, + Hoe lachte + Die olijke guit, + Bij 't winden + En 't binden + 't Wijs zusterken uit! + Zij gromde, + Zij bromde + Om 't schalke gezeur, + Bij 't kitt'len der voetjens voor dooven mans deur. + + "Mag praten + Niet baten," + Was moederliefs woord, + "Men jage + Den trage + Door voorbeelden voort!" + Dies rende + In 't ende + Ons meisken het paar + Vooruit, naar de baan, in de woelige schaar. + + Eerst reed zij; + Toen gleed zij; + Straks peinsde ze een poos: + "Die terger! + Ik erger + Mij niet aan 't gekoos. + Omhelze + Hij Elze, + Mits verre van stad!"-- + Toen keek ze eens, of zus op het stoeltjen nog zat. + + Waratje, + Mijn schatje, + 't Bleek dwaas overleg. + Zij blikte,-- + Zij schrikte,-- + Het paartje was weg! + Wat riep zij! + Wat liep zij! + Half spijt en half vrees, + En luisterde niet, schoon de jonkheid haar prees. + + Toch staarde, + Toch waarde + Getrouw haar op zij + De rapste, + De knapste + Der dartele rij, + Noch jonker, + Noch pronker, + Maar geestige guit + Haar aan,--om haar heen,--en borst eindelijk uit: + + "Mooi Grietjen! + Dat hiet-je, + Of wel, liefste Leen, + Of Antjen, + Mijn Santjen! + Maar dat is al een. + Schalk zoetjen + Nu moet je + Met mij op de baan; + Wij kunnen nooit jonger een flikkertjen slaan." + + Met greep hij, + Met kneep hij + Haar worst'lende hand, + En zeide + En beidde: + "Spreek op,--naar wat kant?"-- + "Ik heet niet...-- + Ik weet niet...-- + Ik zoek Elze-zus."-- + "Leg op dan, mooi meisjen! wij vinden haar flus." + + Zij gluurde eens, + Zij tuurde eens + Wie hij wel geleek; + Toen bloosde, + Toen poosde, + Toen werd zij schier bleek; + En 't gapen + Der knapen, + Die 't aanzagen, moe, + Stak Klaertjen haar vingers Flip bevende toe. + + O Joosjen, + Mijn Troosjen, + Wat reden zij snel! + Wat beende, + Wat leende + Zij weelderig wel! + De molen, + Verscholen + In 't graauw van de lucht, + Verrees--was zij op--was--voorbij in hun vlugt. + + 't Ging schriller, + 't Werd stiller + Op 't ijs om hen heen. + "Dra komen + Die boomen, + Dan zijn wij alleen!" + Sprak 't kwantjen + Die 't handjen + Nu vaster nog kneep. + Wel wilde zij 't ligten, toch bleef zij op sleep. + + "Daar achter + Geen wachter, + Die nijdig bespiedt; + Voor kunstjens + Uw gunstjens, + Dat weigert ge niet!" + Met ijlden, + Met wijlden + Ze op de eenzame plek, + En Flip knoopte teeder zijn doek om haar nek. + + "Rust, meisjen! + Van 't reisjen; + Ik merk, je bent moe." + Hij rende, + Hij wendde, + Zij lachte hem toe; + "'k Heb fraaijer + Geen draaijer + Gezien op de baan, + Dan jij, die tot zesmaal beentje over kunt slaan." + + Flip keerde; + Zij weerde + Den stoutert wel af, + Maar pruilde + Noch druilde, + Wat pas het ook gaf. + "Hoe heetje?"-- + "Dat weetje."-- + "'k Geloof haast van ja," + Zoo sprak hij en trok met zijn schaatspunt een K. + + Eilacie! + Tentatie + Dient ijlings ontsneld; + Op dralen + Rijmt falen; + Dra struikelt die helt! + Vast sling'ren + Zijn ving'ren + Om 't lijfjen zich heen, + Hij kust, zij kust weder. Ach! waren ze alleen! + + Maar gluipen, + Maar sluipen + Die vroolijke twee, + Maar rijden, + Maar glijden + Zij niet naar de stee? + Zij komen + Vernomen + Door hem noch door haar; + 't Zijn Govert en Elze; hoe schatert het paar! + + "Wel, zwager!" + De plager + Verrast hen alzoo. + "Wel, zoetjen! + Ik groetje, + Ik stoor je maar noo. + De vrijheid + Is blijheid, + Is t'huis op het ijs. + Elk kiest zich een liefjen; zoo wil het 's lands wijs." + + Luid schreijend, + Hen beiend, + Houdt Klaertjen 't gezigt, + Bij 't blozen + Om 't kozen + Op 't ijsvlak gerigt, + En zuchtend + En duchtend + Reikt ze Elze de hand, + "De linke," roept Flip, "want de regte is mijn pand!" + + "Neen, vrees niet, + Neen, wees niet + Eenkennig, lief kind! + Al knort zij, + Toch wordt gij + Opregt'lijk bemind. + Ik zocht je, + Ik mogt je + Al lang gaarne zien, + En 'k vraag je voor Lichtmis nog van je oude lien." + + "Ai, Klaertjen! + 't Is 't aertjen + Van onz' aller moe;" + Spreekt zusjen + Na 't kusjen + 't Wijs vrijsterken toe. + "'k Betrapje, + 'k Verklapje + Dies toch niet te huis. + Op 't ijs met zijn drieen, dat schat ik een kruis!" + + Al telt gij geeuwend de blaen, + Verkwist om slechts een schaats te slaan, + Voor hem school in de eenvoude woorden + Een tooverspel, dat riep naar 't Noorden! + Vergeefs was de avondwind belaen + Met myrrhe en mastik, langs de boorden + Des vloeds al walmende opgegaan, + Uit duizend kelken van gebloemt', + Die 't Oost hare offerschalen noemt. + Hij walgde van zijn weeklijk wuiven; + Hem dorstte naar den geest der kracht, + Die de aard herschept in eenen nacht, + De graauwe wolken weg doet stuiven, + De starren oproept tot zijn wacht, + En, als hem de uchtend tegenlacht, + Het veld, dat rijm en sneeuw omhuiven, + Heel 't landschap tint'len ziet van pracht, + Een vonk'lende juweelenschacht. + Maar niet alleen het forsche streelen + Der 't bloed bevleugelende lucht + Was de oorzaak van zijn diepen zucht: + Hij droomde van een klein gehucht; + Hij zag der landjeugd schalke spelen + In de arreslee, bij 't schaatsgenucht; + En 't liefste meisjen uit de schaar, + Dacht zij aan hem als hij aan haar? + + Daar fluisterden zijn reisgezellen, + En trager werd de vaart der praauw; + Wat nieuwe ellend moest hij zich spellen? + Hen scheen een folt'rende angst te kwellen; + Maar wat--wat bragt hen dus in 't nauw? + Al heerschte aan 't strand maar stilte en schaauw, + Toch neigden zij ten golven de ooren, + Toch weerlichtte op 't verschiet hun blik,-- + Een wijle drijvens--dubb'le schrik! + Ook hij zag nu het woudvier gloren; + Ook hem deed zich de krijgszang hooren, + Wier flaauwe klanken 't paar al ving + Toen 't nog zoo pijlsnel zeewaart ging; + En hij verstond uit hun gebaren, + Hij las het in hun schroom en spijt, + Dat achter 't rood gordijn dier blaeren + Tien, vijftig, honderd krijgers waren, + Met hen en met hun stam in strijd! + + Het strand werd levend wijd en zijd! + + Op eens verkeerden hun gezigten, + Terwijl de kris des voorsten rees, + En de and're greep naar boog en schichten, + En proef nam van de kracht der pees: + Ze ontveinsden mannelijk de vrees, + Zoodra der vlammen feller lichten + Hen d'oversterken vijand wees; + Zij wilden niet dan strijdend zwichten! + En leenden naauw den blanke 't oor, + Die, toen de praauw het strand genaakte, + 't Geen 't wilde volk ten vuurdans koor, + Een lied zong--dat een heek'laar maakte: + + + + +VIII + +INKEER. + + Stem: Q. De paai gaf 't voor geen roerdomp op, + X. Het quantjen zong gelijk een lijster. + _Beurtzang_. + + + De Oom + + De wereld, die in 't booze ligt, + Verdwijnt als rook uit mijn gezigt; + 'k Heb dies alle ijdelheid verzaakt, + En straks mijn testament gemaakt. + + De Neef + + Het lekk're gulden Rhijnsche wijntjen + Smaakt mij wel eens zoo zoet bij Trijntjen. + Wat kijk ik graag, bij lange togen, + Mijn boeltjen door de fluit in de oogen! + + De Oom + + Wat zou mijn neef met schijven doen? + At hij zijn korentje niet groen? + Al wat ik spaarde wierd verkwist; + Ik wil geen snollen bij mijn kist! + + De neef + + Zoo oompjen-Grommert zijn dukaten + Mij dezen avond na mogt laten, + 'k Zou morgen 't meisjen prachtig dossen, + En kocht een boeijer en twee vossen. + + De Oom + + Dies maakte ik alles aan de kerk, + En krijg een lofdicht op mijn zerk. + En echter, 't is mijn naaste bloed; + Hij heet toch, als mijn vader, Knoet. + + De Neef + + Wat zou ik als een banjer pragchen! + Hoe liefelijk zou Trijntjen lagchen, + En, arme deern, mij dra verliezen! + 't Had dan uit juffers maar te kiezen. + + De Oom + + "Het geld," zoo sprak de vrome man, + "Behoort den regten erven, Jan! + En wie dies zalig sterven wil...." + Wel, waarom niet een codicil? + + De Neef + + Bijlo! wanneer mij dat wou lukken, + Zei ik; "adie mijn guitentsukken!" + En zou, wie had het kunnen droomen? + Door schoonvaer nog op 't kussen komen. + + De Oom + + Hoe stel ik best 't legaat op schrift? + 't Legaat? dat ware een halve gift: + Hij heeft wat noodig naar ik raam; + Hij is de leste van mijn naam! + + De Neef + + Het is wel waar wat looze Gijs zeit: + "De tabbaard, jongen! geeft de wijsheid," + Maar 't eischt, voorwaar! al lange mouwen, + Om er mijn aapjen in te houen. + + De Oom + + Maar 't lofdicht, dat ik had verwacht, + Wijl ik de kerk zoo ruim bedacht! + 'k Weet niet hoe 'k uit dien maalstroom kom; + Roep den Notaris toch weerom! + + De Neef + + 't Is zonder heksen toch te leeren; + Ik ken wel erger, die regeeren. + Staat niet in 't Burgermeesters boekjen: + "Wijs bij de lui, mal om een hoekjen?" + + * * * * * + + Een korte wijle zweeg 't getier + Der uitgelaten rei van wilden, + Die in een laaije zee van vier + De spietsen, die hun vingers drilden, + Nu dompelden ten gloenden doop, + En fluks in vogelvluggen loop + Die midden uit de vlammen tilden. + Een oogwenk zweeg de ruwe hoop, + Om over 't roode vlak der baren, + Het praauwtje grimmig aan te staren; + Maar de invloed van het schalke lied + Verloochende ook bij hen zich niet! + Zij deden 't sein des vredes wapp'ren, + En de ouderdom herriep de dapp'ren, + Die, om den erfwrok lang gehuisd, + Vast in den breeden vloed zich waagden, + En heup en borst van schuim ombruist, + De waap'nen in de slinke vuist, + Het roeijerpaar ten kampstrijd daagden.-- + Ach! kind'ren van hetzelfde land, + Maar die elkanders rust belaagden, + Om onderscheid in offerrand'! + + Was hun de blanke vreemd'ling heilig, + Of achtten zij een man zoo koen + Voor 't kwetsen van hun spietsen veilig? + Wie lust had om de vraag te doen, + Niet hij, die wenkte voort te spoen; + En 't paar weerstreefde hem niet langer. + De breede stroom, der zee genaakt, + Scheen uit zijn kronkelboei geslaakt. + Hoe blij, hoe luchtig zong de zanger: + + + + +IX + +JAN COMPAGNIE.[2] + + Stem: Speelnootjes heft eens vrolijk an. + _Bruiloftsliedeken_. + + + De trommel van de Staten werft: + Lang leev' de Prins, hoezee! + Maar zoo men in het veld niet sterft, + Wat brengt men er uit mee? + Een stijven arm, een houten poot; + De drommel hale die! + Is 't geldjen op, en komt de nood, + Ik ken Jan Compagnie. + + Wat hielp dat brammetje in zijn tijd + Al meisjens 't hoofd op hol! + Wat had dat boeijen wijd en zijd + Den kerfstok spoedig vol! + "Weg!" riep zijn vaer, en "wee!" zijn moer. + "Mijn rijk is uit, adie!" + Hoe arm hij naar Oost-Inje voer, + Hij werd Jan Compagnie. + + 't Was in en uit met d'Amboinees; + Hij prees zijn specerij, + Maar toffelde den Portugees, + En had de handen vrij, + Ter nood verliep nog jaar en dag, + Daar kwam een vloot in 't Vlie, + De rijkste, die ooit Holland zag; + Haar zond Jan Compagnie. + + De wilde snaak werd groot sinjeur; + Hem huift het zwarte volk + In wierookwalm en ambergeur; + Hij lucht er uit een wolk! + Met vonkelende sluijerkroon + --Juweelen sieren die-- + Weerspiegelt daar op gouden troon + Mijnheer Jan Compagnie. + + In 't palmbosch klinkt de schelle luit + Der Bajaderen-schaar: + Hij kiest van daag de schoonste er uit, + En morgen weer een aer. + "Wat baatte me al mijn overvloed, + Het rijk, dat ik gebie, + Ontbrak mij hier 't zoetste zoet + Omhels Jan Compagnie!" + + Maar 's ochtends kijkt hij uit in zee: + Oranje blanje bleu! + Een schip doemt op; hij roeit ter ree, + Als was hij 't rusten beu: + "Weest welkom, maats! hoe lang je reis? + 'k Ben blij dat ik je zie. + Hoe vaart de Prins? Is 't nog geen pais? + Wie zoekt Jan Compagnie?" + + "Ik!" roept dan menig losse guit, + Die, baasjen van de baan, + Vroeg scheidde van zijn mooijen duit; + Hij spreekt hem vroolijk aan: + "Heb jij geraasd, mijn eele vent! + Wie deed het niet, ai, wie? + 'k Was als de bonte hond bekend; + 'k Wierd toch Jan Compagnie!" + + En, wonder! na een jaar vier, vijf, + Hijscht elk er 't zeil in top, + En reedt een schip en neemt een wijf, + Staat voor een ton niet op; + 'k Staar dies mijn pot niet zuinig aan, + Schoon ik den boom al zie, + En laat der Staten trommel slaan: + Lang leef Jan Compagnie!-- + + * * * * * + + Wat droeg naar 't suiz'lend bamboesloover + Het koeltjen, aangesneld uit zee, + Die ruwe klanken vrolijk over! + Wat scheen het wilde paar gedwee, + Toen 't praauwtjen voortstoof naar de ree! + Zij staarden onder het luchtig ijlen, + Beheerscht door d' indruk van het lied, + Nu oost- dan westwaart in 't verschiet, + Of 't licht, dat aan de kim bleef wijlen, + Hun nog geen zeekasteel verried; + Want beide waren ze onder 't schaat'ren + Der leste wijs van Bontekoe, + Bij 't luid "Jan Compagnie" te moe, + Als riep hij uit den schoot der waat'ren + Den geest op van het verre West, + Die, d' oorlogsbliksem in de handen, + Verscheen aan de Indiaansche stranden, + En fluks zijn troon er had gevest, + Alree vermaard in de Oosterlanden, + Voor leeuwenkuil en arendsnest. + + 't Was ijdel duchten, ijdel staren. + Geen wolk van rook, geen flits van vier + Schoot over 't zilv'ren vlak der baren; + Geen schip, op tal van masten fier, + Viel langs de gansche ree te ontwaren; + Wat vaartuig bragt den blanke hier? + De wilden vroegen 't, schoon hij rees + En 't zeilenpaar der boot hun wees. + Half duikende onder kokosboomen, + Ontsnapte ze in de baai 't gezigt. + Daar gaf hij 't sein--en werd vernomen; + Daar riep hij luid--zij gleed aan 't licht: + Helaas! hij zag haar naauw'lijks komen, + Of hield den blik ter zee gerigt, + Als greep een feller smart hem aan + Dan 't man'lijk harte kon weerstaan. + O vijftienjarig ijdel streven! + O hoop, zoo lang vergeefs gevoed! + Hoe vrolijk had hij van den steven + Den Ooster-Oceaan begroet, + Den kijker in de hand geheven, + En lucht gezien en land vermoed, + Tot schril de kreet weergalmde in 't want: + "Brand, Schipper! brand, in 't ruim is brand!" + Weer dwarrelde alles hem voor de oogen, + Nu hij dat vrees'lijk uur gedacht, + De bleeke schrik,--de bange klagt,-- + De flaauwe hoop,--het ijdel pogen,-- + De vlam, die schoot van stee tot stee, + Het noodgeschrei: "de boot in zee!" + En toen, het toppunt der ellenden, + Geen tucht meer--hoe?--geen zelfbedwang, + Voor sluike vlugt, het wild gedrang + Van wie geen mensch'lijkheid meer kenden, + 't Gekerm,--'t gebed,--een dof gerucht... + En schip en manschap in de lucht! + + Toch werd uit die herinneringen + Van heil en hoop, van vlam en vier, + De mijmeraar door t' luid getier + Gewekt, genoopt, voor 't laatst te zingen, + Wat beeld kon zulk een rouw verdringen? + +Noot 2: De O. I. Compagnie werd, zooals men weet, den 20sten April 1602 +opgerigt. Zie over haren spoedig toenemenden bloei: "_La Richesse de la +Hollande a Londres aux Depens de la Compagnie_," pag. 33 etc. + + + + +X + +DIEUWERTJEN. + + Stem: Klaare, wat heeft er uw hartjen verlept. + Hooft. + + + Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch? + Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats, + Mijn woning, mijn schuren, mijn stal nog eens om, + Vast peinzend: tot alles is zij wellekom. + + Wit van den hagel, maar warm trots de kou', + Haalde ik de klink op; je zat bij de schouw; + Ik ligtte mijn mantel; jij wierpt op het vier + Een mutserd, en 'k dacht: zij ziet gaarne mij hier. + + Echter was 't later als jeukte mijn scheen, + Schoof ik je digter, je schooft verder heen, + En toen 'k, bij de kast, om het jawoord je vroeg, + Was 't vremd, dat de fluit niet aan diggelen sloeg. + + 't Vreezen en beven--het had schier geen end'; + 't Huis van je moeder was jij zoo gewend. + Al droeg ik ten leste in mijn armen je er uit, + Ons dorpjen zag nimmer een droeviger bruid. + + Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch? + Onder dat wiegekleed giert onze Claes. + Ai, kus hem, en zeg, zoo het nog stond te doen, + Of jij nu wel aarzelen zoudt zoo als toen! + + * * * * * + + O liefde, die in Hollands streken + Alom altaren zaagt ontsteken, + Eer kiesch den voorrang won van kuisch + En gouden ketens fulpen banden + Vervingen in de Zeven Landen, + O liefde! in 't woelig krijgsgedruisch + Bij onze heldenvad'ren t'huis! + Wie schetst uw wonder alvermogen + Op 't onverdorvene geslacht, + Dat klagt noch knieval wou gedoogen; + Dat, louter licht en lust in de oogen, + Het schoon zijn hulde al juichend bragt, + En toch zijn eerbied voor de vrouw + Verkondde in echtelijke trouw! + Wat harte dat gij niet regeerdet, + Wat harte dat gij niet herschiept, + Gij, die den vroeden schalkheid leerdet, + De lachjens tot den stugste riept, + Beheerscheresse van de jeugd, + Haar hoogste heil, haar hoogste deugd! + + Hoe 't aardig beeld van huw'lijksweelde, + Dat aanlokte uit het slechte lied, + Het droef gemoed des zwervers streelde,-- + Hem deerde, toen hij 't lagchend kweelde, + Zijn gister en zijn morgen niet! + Zoo min zijn worst'ling met de golven, + Waarin hij, na den gruwb'ren slag, + Een lange wijle was bedolven, + Waaruit hij, toen hij 't licht herzag, + Niets hoorde dan het bang geklag + Van hen, die, 't vlammend graf ontstegen, + In 't rustelooze nederzegen; + Als 't stil verzuchten om den dood, + Toen laaije dorst en wreede nood + Het scheepsvolk, onder 't angstig varen, + Ten voedsel dat hen overschoot, + De jongens vratig aan deed staren, + 't Gebrek dien gruwel schier gebood, + Wierp langer uit het droef verleden + Zijn schaduw dreigende over 't heden, + En zijn verschiet? 't Was of de kust + Van Java opdoemde uit de baren; + En bleek door twee en dertig jaren + Het vuur der jeugd nog niet gebluscht: + Zijn baard verried reeds graauwe haren; + Hij had ten verd'ren togt geen lust;[3] + De kiel, waarmee hij t'huis zou varen, + Lag op de reede al uitgerust. + + Eens minnaars hoop heeft aad'laars wieken; + Hoe schoot hij ze aan! hoe snelde hij + Van uit het oord van 't uchtendkrieken + Naar 't avondrijk de Kaap voorbij! + Daar deed de wind in 't loof der palmen + Den groet der koop'ren keel weergalmen; + 's Lands vlagge wapperde op Guinee! + Daar tintelden de witte kruinen + Van Hollands wachtgelijke duinen! + Hoe seinde hij de Hoornsche ree! + En nu de huiv'ring, die 't ontmoeten + Der overwelbeminde kust + --Waarin misschien de dierste al rust!-- + Voorafgaat,--neen! het wuivend groeten + Van Guurtjens kleine, blanke hand, + Wier pink weerschittert van zijn pand! + Zie, had de knaap voor jong'lingsdroomen, + Voor goud of roem uw zegen veil, + O bruilofsvreugde! o huw'lijksheil! + De man is wijzer weergekomen, + Een bloeijend kroost, een brave vrouw,-- + Ai, niets en gaat voor de echte trouw! + + "Ha, schipper!" + + Holland was verdwenen! + Sumatra's kust, het wilde paar, + Hij werd die ijlings weer gewaar; + Hij stuurde 't praauwtjen landwaarts henen + Ter plek, waarop zijn trouwe schaar + Hem toefde er met de boot verschenen: + Hij was ontkomen aan 't gevaar! + + Wie eischt van mij de groep te schetsen + Van 't scheepsvolk, dat hem blijde ontving? + Slechts Rembrandts hand zou 't waardig etsen; + Hij 't lichtpunt van den donk'ren kring, + Die luist'rende aan zijn lippen hing! + 't Geheim des meesters ging verloren, + En daarom zij u 't woord genoeg: + Dat ieder zich nieuwsgierig droeg, + Om 't lang verhaal ten eind te hooren, + En elk toch, door verbazingskreet, + Hem afbrak en herhalen deed. + + "Wat lot onz' makkers is beschoren, + Helaas! wij zullen 't morgen zien! + En nu, ik kan niet meer, goe lien! + Slaapt wel! mijn keel is heesch van 't zingen." + Dat stiet hij, met een schor geluid, + In 't eind den moeden gorgel uit. + "Tot morgen!" zeide zij en gingen + Naar hunne loovertenten toe. + Een omtrek nog van Bontekoe: + Hij boog zich voor den Heere neder + Voor dat de slaap zijne oogen look, + --Een vol gemoed is dubbel teeder-- + En Guurtjens beeld verscheen hem weder, + En voor zijn Guurtjen bad hij ook! + +1840. + + +Noot 3: Het is bekend dat Bontekoe eerst na lang omzwerven in 1625 in +het Vaderland terugkeerde; de stemming, waarin ik hem aan het einde +mijner vertelling doe verkeeren, schijnt mij gemotiveerd uit eene plaats +in zijn Journaal, bl. 43: "Ik van voornemen synde om mij met de eerste +gelegenheid na Holland te transporteren, bevindende dat het spreekwoord +waer, en uit de ervarentheid bekragtigd is, ieder vogel is gaern daar +hij uitgebroeid is: want wat schoone Landen, Kusten of Rijken dat men +beseild en besiet, wat konditien, profijten en vermakelykheden dat men +geniet, 't souden ons maer pyn wesen, so die hope ons niet onderhiel, +van dat selfde eens na te vertellen in ons Vaderland, want om die hope +heeten onse Reisen, Reisen, anders souden tusschen de ballingschap, en +sulk hopeloos reisen, niet veel verschil zijn"--De gissing eener liefde +en die van een huwelijk, achtte ik waarschijnlijker, daar het zelfs der +welwillende nasporingen van mijnen oudheidkundigen vriend, den heer Mr. +W.J.C. van Hasselt, niet is mogen gelukken iets van zijn verder +wedervaren te vinden. + + + + + * * * * * + + + + +VERHALEN + +Blaauw bes, Blaauw bes!--'t Is maar een pennelikker!--Marie--Ezelinnen +--Hanna + + + * * * * * + + + +BLAAUW BES, BLAAUW BES! + +(EEN STUDIEBEELD UIT ONS VOLKSLEVEN) + + +Bilderdijk wenschte, in een zijner veelvuldige verzuchtingen om den +dood, in het stille graf te liggen, ten einde voor den Haagschen +straatkreet doof te zijn. Ik ben te zeer van muzijkalen zin misdeeld, om +te durven beslissen, of de schreeuwers der hoofdstad het van die, welke +onze hofstad doorkrijschen, in welluidendheid winnen; maar ik mag de +Amsterdamsche keelklanken wel, en verbaas er mij over, hoe het gehoor +van onzen eersten dichter zijner verbeelding zoo zeer de wieken knotten +kon. Verrees er dan, als zijn trommelvlies de pijnlijke aandoening had +doorgestaan, verrees er dan, ten gevolge van dat met weerzin opgevangen +woord, niet een geheel ander tooneel voor zijnen geest, dan zijn +studeercel aanbood? bragt het hem niet naar buiten, niet over in beemd +of bosch? Ik wil mij eerst op eenen der minst behagelijke kreten +beroepen, om later van diegene te gewagen, welke streelender gedachten +opwekken; Bilderdijk zelf, verbeelde ik mij, zou dien zin voor climax +hebben gewaardeerd. Daar klinkt het: "_Elft as zalm!_" bij voorbeeld, +waaruit de Jordaner in het middelwoord de l weglaat, om u die in de +beide andere zooveel te zwaarder toe te wegen. Het rijst raauw genoeg op +de lucht,--het is eene onwaarheid bovendien, want de eene soort van +visch evenaart de andere nooit,--en echter heb ik er nimmer het +voorhoofd om gefronsd, laat staan er om dood willen zijn; een geheel +ander verlangen wordt er bij mij levendig door. Wie heeft niet hooren +vertellen, dat die visch meest des nachts gevangen wordt, en wie, die +het zoomin als ik ooit zag, onthoudt zich, bij de plotseling opgewekte +gedachte, van den wensch, zulk een vangst bij te wonen? Het schuitje, +--de visschers,--het want, spaarzaam, grillig, afwisselend verlicht; +--om u heen de roerloosheid van den nacht, maar aan boord al de +behendigheid van de winzucht;--en, tegenstelling die boven en beneden +niet onaardig toetst, als gij neerblikt, de rosse schijn eener lantaarn, +als gij opziet, eene enkele, tien, twintig, duizend, millioenen +sterren, die de duisternis des hemels zwichten doen;--wat dunkt u, zendt +gij den voorbijganger, aan wien gij die afwisseling van ideeen hebt dank +te weten, nog eene verwensching na? Waartoe echter zou ik het voorbeeld +verder uitspinnen, als viel er op uwe fantasie weinig te vertrouwen, als +hadde ik er niet voor het grijpen, waarbij schilderiger stoffaadje past? +Welaan--maar eerst een paar uitzonderingen, ten einde ik in geene +onbedingde lofspraak der straatkreten vervalle. Er zijn ergerlijke onder +die uitroepingen--en och! dat Bilderdijk deze van de Haagsche had +uitgemonsterd!--er zijn er bij de Amsterdamsche, die u de haren te berge +doen rijzen, niet enkel om den klank, maar ook, maar vooral om der +verbeelding wille: "_Beerzen binnen de garneelen!_" krijscht u niet +enkel door merg en been, en "_rapen as kinderhoofies!_" doet u niet +louter om den temerig gerekten uitgang pijnlijk aan; beide +overdrijvingen wekken zoo velerlei weerzin op, dat ik dien onmogelijk in +eenen volzin uiten kan. Ichtyoloog of niet, u stuit dat dooreenhaspelen +van zout- en zoetwatervisch; het verbijstert schier iedere voorstelling +van het verblijf van den eenen en den anderen gevinde. Rapen zijn een +der oudste geregten ter wereld, en doen u ons bestuur onwillekeurig +mannen toewenschen, als de Romeinsche Republiek er in de dagen van haren +eenvoud en harer grootheid voortbragt, maar hoe vurig ge, bij vrijer +uitstellingen, meer onafhankelijkheid van geest wenscht, die voor minder +behoeften veil is, denk er eens aan, als die ongelukkige vergelijking u +van het kannibalen-maal gruwen doet! Het is wel, zoo gij, onder een van +beide jammeren, den lust overhoudt, om op te merken, dat de proeven, +die ons volk bijwijlen van Oostersche beeldspraak neemt, doorgaans +afgrijsselijk uitvallen. Gij ziet, ik ben billijk, al geldt het ook +mijne gunstelingen; want waarom zou ik schromen, thans dien naam te +geven aan de velerlei verrassingen, die in roep of kreet tot mij komen, +van den bitteren eersteling onzer velden, van het radijsje af, tot de +laatste, scherpe vrucht onzer hoven, de rammenas, toe? Er ligt een zomer +tusschenbeide, de keel des volks zou het u vertellen, zoo gij hem niet +zelf gezien, niet zelf genoten hadt! Naauwelijks mag het een meisjesstem +heeten, dat snerpende geluid, 't welk in 't vroege voorjaar des ochtends +aan het venster door de leden vaart en uit deernis, hoop ik, "een bosje +roode of witte" koopen doet, ware het ook maar om het kind te vergelden, +dat het u de komst der lente geboodschapt heeft. Mild, daarentegen, +schier melodisch, zou ik willen schrijven, klinkt de roep des mans, die, +bij invallenden avond, den herfstwind de a's van zijne _rammenas_ verre +dragen doet,--als de zonneschijn langer geduurd had, ze zouden tot zang +zijn verzacht! En zal ik ze nu optellen, de tallooze verkwikkingen, +welke de arme langs uwe deuren vent, zonder er zich zelfs over te +verbazen, dat gij die in overvloed genieten moogt, terwijl hij ze zoo +schaars smaakt, terwijl zoo vele van deze hem zijn ontzegd: de +welriekende aardbezie, de verfrisschende kers, de druiven, waarop de +dauw nog ligt, de china's-appelen, die het Zuiden ons zendt, de--maar +waar zou ik eindigen, als ik ook slechts een honderdste der tooneelen +voor uwen geest wilde roepen, waarop de gevleugelde verbeelding ons +verplaatst, bij het hooren van eenen der vele klanken op welke de breede +schaal van toonen boogt, die van behoefte tot weelde reikt? Mijne +inleiding zal haar doel hebben bereikt, als zij de ergernis voorkomt die +de titel van mijn opstel geven mogt--maar een straatkreet! + + +"Blaauw bes, Blaauw bes!"--klonk het langs de ----gracht onzer +hoofdstad, en het geluid, dat eene oude vrouw verried, mogt den jongen +heer van het eene venster niet van zijn duodecimootje op doen zien, en +de bezien, welke het wijfje door dien kreet ventte, der jonge jufvrouw +van het andere raam geenen blik waard zijn, een Rembrandt had hare +gansche mand leeg gekocht, als zij een uur voor hem had willen zitten. +Een sergierok, die de beenen verder blootgaf, dan hunne vormen +wenschelijk maakten, maar wiens kortheid haar in het voortstappen zeer +te stade kwam;--een sergiejak, dat de verbruinde, en van ouderdom vast +verstrammende armen onder geene mouwen in zijne hoede nam; beide +kleedingstukken vielen iederen ledeman om te werpen, en zouden onder de +hand des meesters stellig fraaijer hebben geplooid, dan zij om het lijf +van mijn moedertje deden; maar het zou ook niet om deze zijn geweest, +dat een schilder zich tegenover haar achter den ezel had gezet. Hagelwit +mogt het eenvoudige mutsje zijn, dat de grijze haren bedekte en de +tronie omsloot; hoog van kleur, "in den noode" de doek, die, over het +jak gespeld, de uitstekende schouders en ingevallene borst kwalijk +verborg; ook deze eigenaardige dragt van een geldersch huismanswijf, +zou, zonder haren persoon, binnen het bereik des kunstenaars zijn +geweest, hoezeer die kleeding, het zij in het voorbijgaan opgemerkt, tot +het karakteristieke van haren straatkreet behoort. Al het aantrekkelijke, +dat zij voor Rembrandt zou hebben gehad, school in haar gelaat; waarom is +met hem de kunst verloren gegaan, voor de beeldtenis eener oude vrouw den +blik des eerbieds, het knikje des welgevallens te verwerven? Als hij mijn +blaauwbessenwijfje op het doek had gebragt, hij zou de rimpels niet hebben +verheeld, die haar breed voorhoofd doorploegden; hij zou de jukbeenderen +niet hebben weggedast, die hare wangen zoo hoekig maakten; hij zou om mond +en kin zelfs den zweem van grijzen baard hebben geschilderd, dien hij in +de natuur aanschouwde. Maar zoo gij haar bij den eersten oogopslag hadt +aangezien, dat zij zestig, vijf en zestig lange jaren misschien had +geleefd en geleden, het ware u ook helder geworden, dat zij had liefgehad +en geloofd; het wintersch landschap ware opgeluisterd door van omhoog +invallend zonnelicht! En ge hadt het graauwe dons om kin en lippen +voorbijgezien, in uwe bewondering van de beraden-, van de bedachtzaamheid, +door dien mond geteekend: woorden der wijsheid zouden u van die lippen +niet hebben verbaasd, gij hadt er geene andere van verwacht. En het schier +stramme dier wangen, en het scherpe der beenderen, die er onder uitstaken, +zou opgehouden hebben, u weerzin in te boezemen, want er had een lachje +over gezweefd, waarbij het u te moede ware geworden als had zij onder +allerlei leed den zin voor schuldelooze vreugde bewaard. En terwijl +iedere rimpel voor u in een teeken ware verkeerd der rampen, die haar +troffen, hadt gij u gebogen voor het geloof, dat u uit hare bruine oogen +toestraalde, hadt gij u verkwikt aan eene gemoedsrust, die het verlies +van jeugd, schoonheid en wereldsche uitzigten overleefde; van eene ziel +die genade had gevonden bij God! + +_Une femme qui n'a plus d'age_ is iets vreeselijk-leelijks, als +Beaumarchais haar ons schetst;--zou het geheim van het innemende, der +oude vrouwen van Rembrandt eigen (het genie des meesters voor het +overige in al zijnen omvang geeerbiedigd), ook aan het onderscheiden +volkskarakter, ook aan dier mannen verschillend begrip over de +bestemming van den mens, zijn toe te schrijven? + +"Blaauw bes, blaauw bes!" klonk het, maar zonder den nadruk, dien het +vrouwtje den woorden in eene straat zou hebben bijgezet, maar meer uit +gewoonte, naar het scheen, dan uit hoop de aandacht van koopers te +zullen trekken--in die buurt scholen de liefhebbers harer onaanzienlijke, +harer de lippen blaauw verwende bezien niet. En echter was het blijkbaar, +dat haar des ondanks het voortstappen over de harde straatsteenen niet +verdroot; dat mismoedigheid over het vergeefsche van haren roep verre +van haar was. Vier of vijf jongens stoven haar voor, of sprongen haar +na, om bij beurten haar af te wachten of in te halen, en onder het +huppelen om haar heen eenige bessen uit de mand te grijpen, die door +geen deksel werd beschut; in eene andere stemming zou de baldadige +plagerij, zou het soms van alle kanten eensklaps opgaand: "blaauw bes, +blaauw bes!" haar hebben geergerd; thans scheen zij even goedwillig de +oorvijgen te geven, als de Janraps zich die voor hunne vruchtelooze +pogingen lieten welgevallen. Intusschen was zij een halve gracht +voortgegaan, en zie, daar stond ze voor het huis, waar zij wezen moest. +Vlug, als een meisje van drie zesjes schier, vlug wipte ze de stoep op, +en de schel ging over, tot twee malen toe. + +Een knecht, in geel linnen jas, deed open. + +"Is Eefje thuis?" vroeg de blaauwbessen vrouw. + +"Eefje?" hernam de borst; "er woont geen Eefje hier; mijne kameraads +heeten Sanne en Saar, en--" + +"Eefje heeft toch hier gewoond," zei de vrouw, "of ik moest mij in het +huis hebben vergist,--maar ik ben hier immers bij Mijnheer ----?" (en de +knecht knikte: "jawel") "dan moet zij verhuisd zijn." + +"En dat zou geen wonder wezen."-- + +Een paar kinderen sprongen aan het einde van den gang de deur eener +kamer uit, en eene vrouwenstem mogt de meisjes naroepen: "_Mais attendez +donc!_" zij deden of zij het niet hoorden; zij stonden al aan de deur de +blaauwbessenvrouw aan te zien, die bij den borst vergeefs hare +nasporingen voortzette. + +"Jonge jufvrouw!" vroeg de knecht aan eene van de kleuters, die een jaar +of tien wezen kon, "heeft hier een meisje gewoond dat Eefje heette?" + +"Ik weet wel, hoeveel jufvrouwen ik gehad heb, maar van de meiden neem +ik geene notitie," was het antwoord. + +Ondanks al hare onrust, kon mijn moedertje zich niet weerhouden, de +veelbelovende nuf van het hoofd tot de voeten op te nemen. + +"Foei, Emilie!" zei haar jonge zusje, "heugt je Eefje niet meer? ze was +zoo'n vrolijke, vriendelijke meid." + +Het blaauwbessenvrouwtje had het kind wel willen kussen. + +"'t Is waar," viel Emilie in: "_je m'en souviens_, toen hadden wij die +nare, norsche jufvrouw, Numero Acht." + +"En waar woont Eefje nu?" vroeg de teleurgestelde oude. + +"Mama zou het wel weten," hernam het jongste kind goelijk, "maar die is +buiten." + +"_Mesdemoiselles!_" klonk het gebiedende achter uit den gang. +Waarschijnlijk was het jufvrouw Numero Negen, die de kinderen, hoe +schoorvoetende ook, verpligtte, met haar naar boven te gaan. + +"Wil je in de keuken niet eens hooren, of eene van je kameraads het +weet?" vroeg de blaauwbessenvrouw aan den knecht. + +"Het zal vergeefsche moeite wezen, vrouwtje! we zijn hier allemaal maar +trekvogels." + +"Och! doe het," zei ze, "ik ben hare moeder, of je 't niet wist." + +Het was een beroep op het harte, dat ijlings verhoord werd. + +"Kom binnen, besje!" zei de knecht, "en ga zoo lang op de bank +zitten,"--er stond een geel geschilderde in den gang,--het medegedeelde +gesprek was met geopende deur half op de stoep gehouden. En mijn +blaauwbessenvrouwtje zette zich een omzien neer; maar of de +oogenblikken, welke zij er verbeidende doorbragt, haar niet lang +duurden, vreesselijk lang, dat beslisse iedere mijner lezeressen--die +nog geene negen jufvrouwen bij haar tienjarig kind heeft gehad. + +Eindelijk--daar sprong de knecht de trappen, die naar de keuken leidden, +weer op--"moedertje!" zei hij, "de keukenmeid meent te weten, dat je +dochter naar de ----gracht is verhuisd--bij Mijnheer ----" + +"Dank je, jongelief!--wil je een handvol blaauwbessen?" + +Eene weigering ware onheusch geweest; ook kwam zij bij den borst niet +op, al vielen er voor de trekvogels andere kruimels van de tafel. "Het +ga je goed," zei het moedertje, toen de knecht de deur weder geopend +had. + +"Van 's gelijke, en zoen Eefje voor me," lachte de schalk. + +Eefje verhuisd!--geen wonder dat de tred der oude vrouw trager was bij +het afgaan der gracht, dan bij het opkomen; allerlei gedachten +onderdrukten het verlangen, dat hare voeten straks bevleugelde. Eefje +verhuisd!--het moest haar wel ondragelijk hard zijn gevallen in die +aanzienlijke woning, want zij was altijd een gezeggelijk kind geweest; +en had zij in hare buurt niet drie jaren lang op den Huize ---- tot +genoegen harer meesters gediend?--Eefje verhuisd--zij kon het thans +beter getroffen hebben; maar als het eens het begin van een zwerfziek +wisselen was? Het blaauwbessenvrouwtje stond stil, stond op straat stil, +en de voorbijganger, die haar uit den weg duwde, die haar ontwaken deed, +wist niet wat er omging in haar gemoed. Eefje had in de laatste maanden +niet geschreven; maar er waren haar en haren man toch van tijd tot tijd +groeten, er waren hun later zelfs kleine geschenken, geschenken in geld, +geworden, die slechts van Eefje komen konden. Haar man, haar blinde man, +had bij dat geld, het is waar, bedenkelijk het hoofd geschud, had zelfs +willen weigeren, het aan te nemen, als hij niet weten mogt, wie het +zond; maar de winter was zeer lang, en hare verdiensten waren zoo gering +geweest! O dikwijls had zij vader, wiens zuchten haar niet ontgaan +waren, hoe hard haar spinnewiel snorren mogt, dikwijls had zij hem +getroost, dat Eefje het zeker beter had dan zij in hunne armelijke hut! + +Eefje verhuisd,--en dat zonder het hun te schrijven! + +"Moedertje! moedertje!" hoorde zij roepen; maar het viel haar niet in, +om te zien, of die kreet ook haar gelden mogt; eerst toen de stem er +"blaauw bes, blaauw bes!" op volgen liet, zag zij waar zij was, en wie +haar wenkte. + +"Vrouw Hendriksz! vergeet jij je oude vrienden zoo?" vroeg een aardig +wijfje, in haren winkel aan de deur staande, met een kind op den arm; +het jongsken bukte zich vast naar de mand, om een bezie te grijpen. + +"Hoeveel Antje?" was het antwoord; de neering ging een oogenblik boven +de natuur. + +"Drie maatjes, vrouw Hendriksz! dat weet je wel--bah Wim! je zult je +vingertjes blaauw verwen;--wat zeg je van mijn' jongen, vrouw Hendriksz? +mijn man is zoo gek met den guit!"-- + +Het viel der gelukkige moeder te vergeven, dat zij niet opmerkte, hoe +weinig vrouw Hendriksz op haar gemak was; hoe hortend de laatste woorden +van haar antwoord er uitkwamen. + +"Je eerste was eene dochter, niet waar?"--In drie jaren een +rijkelui-wensch!--Komt Eefje nog weleens bij je?--Zij is verhuisd, hoor +ik." + +"Zoo!" hernam Antje, "neen, ze is in lang niet hier geweest," en de +moeder doldijnde met den knaap: "hoe gaat het met je man, vrouw +Hendriksz?" + +"Och, hij kan den lieven dag niet eens meer zien!--Ik geloof, dat je +twee en een' halven cent weerom krijgt; daar zijn ze--groet den baas van +me, ik kom nog weleens weer aan." + +"Wim! jongen als eene wolk! kraai het blaauwbessenvrouwtje eens goeden +dag."-- + +Maar vrouw Hendriksz wachtte het niet af; vrouw Hendriksz ging +verder--nog minder opgeruimd, dewijl ze juist getuige was geweest van +dat tooneeltje van geluk. Het aardig wijfje uit den winkel had tot +Eefjes speelmakkertjes behoord; slechts een paar jaren vroeger naar de +hoofdstad vertrokken, had zij er kort gediend, was er gaauw en goed +getrouwd; waarom had Antje haar ook zien voorbijkomen, op het oogenblik, +dat haar die muizenesten over Eefje door het hoofd maalden? En wat was +Antje tevreden geweest, als had zij zich op haren trouwdag te goed +gedaan!--Vrouw Hendriksz werd onbillijk, en gevoelde het naauwelijks, of +had er berouw over; hoe de sloof zich den nijd schaamde! Het had niet +aan het aardige wijfje uit den winkel, het had aan haar gescheeld, dat +de oude mensch haar te sterk was geworden, en zij beloofde in zich zelve +boete en beterschap, zonder te weten hoe spoedig zij op den toets zou +worden gesteld, of dit haar ernst was geweest. + +Wie ooit, bij gebrek van eene opgave der nommers, dese of gene gracht +der hoofdstad heeft langs gedwaald, om de woning eens vriends te zoeken, +die zijn' naam niet aan de deur had gezet, hij weet, hoe dikwijls hij in +verzoeking kwam, op goed geluk maar eens aan te schellen; hij houdt het +vrouw Hendriksz ten goede, dat zij het tot drie malen toe te vergeefs +deed; hij stelt zich voor, hoe haar twee keeren van deze op haar: "neem +niet kwalijk!" een graauw werd achterna gezonden; de vierde maal was zij +eindelijk waar zij wezen moest. + +"Eefje heeft hier gewoond," zei de heer des huizes, die toevallig zelf +aan de deur verscheen, heuschelijk; "maar zij was niet wel geworden, zij +zou naar huis gaan, geloof ik." + +"Ach God!" + +En de man schelde aan zijne eigene deur, want vrouw Hendriksz dreigde de +Jobstijding te besterven; zij werd bleek als een lijk. + +"Een glas water!" riep hij der dienstbode toe, die verbaasd opzag, dat +mijnheer een blaauwbessenvrouwtje binnenbragt. + +Het glas water werd der oude toegereikt. "Ik dacht er niet aan dat gij +hare moeder kondt zijn," sprak de meewarige man. + +"Mijn kind! mijn kind!" snikte de grijze, en toen zij klappertandende +het glas water had leeggedronken, volgde vraag op vraag, maar bleef +ieder antwoord onbevredigend;--Eefje was wat wispelturig van humeur +geweest; Eefje was vertrokken, wegens ongesteldheid; dit was alles, wat +haar te laste werd gelegd; alles, wat men van haar wist. Het was +ongeveer drie maanden geleden! + +Vergeleken met Parijs, met Londen zelfs, is Amsterdam, in de oogen van +den wereldburger, wel geene kleine stad; maar trots den vijfdubbelen +ring van grachten, om hare oude burgtwallen geslagen, toch geen doolhof, +waarin het hem onmogelijk zou zijn, den eersten den besten, dien hij +zocht, op het spoor te komen, hoe deze zich ook schuil houden mogt. En +echter, voor mijn arm blaauwbessenvrouwtje was de ruimte, welke zich bij +deze woorden voor haar ontsloot, was het velerlei verschiet, dat zij +beurtelings verpligt zoude zijn in te slaan, schier verbijsterend. Waar +was Eefje? hoe zoude zij haar kind weervinden? Slechts een gebouw +teekende zich op ieder tooneel, dat voor hare oogen dwarlde, scherp +tegen de lucht af; het was de huizing, waarin de armoede vergeten +wegsterft; het was de St. Pieterspoort, het was het _Gasthuis_. +Onwillekeurig had vrouw Hendriksz de handen, die in haren schoot lagen, +gevouwen, en zonder dat hare lippen prevelden, zagen de omstanders het +haar aan, dat zij God om sterkte bad; er was niemand onder hen die ze +der moeder niet toewenschte. + +"Hebt gij hier geene kennissen, geene vrienden?" vroeg de heer des +huizes, bewogen. + +"Onder de mindere menschen wel; maar die zullen mij weinig kunnen +helpen, als--Ooh, Mijnheer! al ben ik hare moeder, zeg het mij maar +ronduit,--Eefje heeft zich hier immers goed gedragen?" + +"Wat wispelturig, zooals ik u zeide ..." + +"Maar--toch--eer--lijk?" + +"Ja, vrouwtje! ja!" + +"Goddank, Mijnheer!" er sprongen tranen uit de oogen der grijze +vrouw,--"en" voer zij voort; doch het woord wilde de keel niet +uit;--"daar valt mij een huis in; Mevrouw van ----," en zij noemde een +bekenden naam--die Mevrouw zal zeker wel weten, waar zij is; als Eefje +niet naar huis komen kon, heeft zij zeker bij haar hulp gezocht--die +Mevrouw is bij ons vandaan, moet u weten." + +En zij stond op van den stoel, waarin de heer des huizes haar had +neergezet, en met de wellevendheid der natuur verzocht zij hem, haar den +last ten goede te houden, dien zij hem had aangedaan: "maar u heeft +misschien zelf kinders?" + +Daarin zijn armen en rijken ten minste gelijk! + +De heer des huizes knikte toestemmend,--"en daarom hoop ik, moedertje! +dat Mevrouw van ---- je goed berigt zal hebben te geven van je dochter; +--maar je vergeet je mandje--" + +"Och, Mijnheer! Eefje is ons eenig kind!--" + +Vrouw Hendriksz was weder op straat; weder op weg; de vraag, die haar op +de lippen lag, maar die zij weerhield, de vraag, welke op het onderzoek +naar de eerlijkheid harer dochter had moeten volgen, kwam andermaal bij +haar op; zij verweet zichzelve, dat ze ook die niet had gedaan! Welk een +licht werpt het op den toestand onzer armen, dat eene verstandige, dat +eene vrome moeder onder hen, als zich bij de krankte van haar kind +eenige maanden stilzwijgens en eenige kleine geschenken voegen, deze +dadelijk aan diefstal of aan ontucht denkt! Doch ik beproeve maar eene +schets naar de natuur te leveren, en het u overlatende er de opmerkingen +bij te maken, waartoe de stof aanleiding geeft, breng ik u liever de +tuinkamer, waarin Mevrouw Van ---- gezeten was, binnen. + +Vrouw Hendriksz was aangediend, en vrouw Hendriksz was toegelaten; al +had de meesteresse der huizinge dien achtermiddag eenen kring van gasten +om haar gezien, zij zou zich, op de dringende bede van het moedertje, +een oogenblik bij haar gezelschap hebben verontschuldigd; het heugde +haar, dat zij Freule--was geweest. Gelukkig gehuwd, genoot zij in de +hoofdstad al de weelde, die de rijkdom haars echtgenoots te harer +beschikking stellen kon, wenschte zij naauwelijks meer weder op het land +te leven, thans des winters aan een uitgebreid gezellig verkeer, thans +des zomers aan telkens verscheidene uitstapjes gewend; en echter kon het +eensklaps gewaar worden van een Geldersch huismanswijf, kon het +onverwacht vernomen geroep van: "blaauw bes, blaauw bes!" het der +schoone vrouw voor de oogen doen schemeren, of er in die kleeding, in +dien kreet, eene tooverkracht school. Weder was zij,--want weder waande +zij te wezen, zou eene te flaauwe uitdrukking zijn,--weder was zij dan +op het landgoed in de buurt van Elburg, waarop zij als kind had +gespeeld, waarop zij als aankomend meisje had gedarteld, waarop zij als +"de freule" was gezegend geworden, waarop zij de lente van haar leven +besloten had met hare hand en haar hart te geven aan den man harer +keuze. Inderdaad, indien eenige herinneringen aan den geboortegrond zoet +mogen heeten, dan zijn het dezulke! en vrouw Hendriksz, opdat wij tot +haar terug keeren, vrouw Hendriksz behoorde tot de lievelingsbeeldjes +uit het landschap harer jeugd: wat had de freule op haren hit dikwijls +voor de woning des daglooners stilgehouden! wat had zij het vrouwtje in +weerspoed of in winter vaak getroost en geholpen met al die +gemeenzaamheid, waarin de P----t's geen bezwaar zien, wetende, dat +niemand vergeten zal, dat hun naam tot de oudste in onze historie +behoort! + +De beangste moeder had haar harte uitgestort; helaas! voor de eerste +maal scheen het Mevrouw Van ---- aan middelen ter hulpe, aan heelenden +balsem te falen! Eefje was ook daar in vele maanden niet geweest; en +geen der dienstboden, die beurtelings werden binnengeroepen, herinnerde +zich, het meisje te hebben ontmoet of gezien, geen hunner heugde het, +dat zij bij afwezigheid hunner meesteresse, vergeefs was gekomen. Stom +van smarte, maar niet minder verslagen, al kwam er geen klagte over hare +lippen, leunde het blaauwbessenvrouwtje over den rug van den stoel, dien +haar Mevrouw Van ---- dadelijk had doen zetten. Als ware zij niet in +staat het lijden, waarvoor zij in den eersten oogenblik geen troost wist +te geven, langer aan te zien, staarde de laatste den tuin in, wiens +deurramen, ik vergat het te zeggen, openstonden;--zag zij onwillekeurig +den jongen tuinier de rozenstruiken opbinden die wat weelderig van +loover waren geworden, door de gloeijende Augustuszon. + +"Eefje, Eefje!" kreet de moeder. Want de natuur brak de banden der +onderwerping, waartoe zij getracht had haar gemoed te stemmen, en de +smart, die uit den toon der woorden sprak, drong der aanzienlijke vrouw +door merg en been. + +En toch gaf zij er niet fluks antwoord op; toch bleef zij den tuin +instaren: de jongman bij de rozenstruiken had opgezien bij den kreet van +vrouw Hendriksz, opgezien met meer aandoening, dan louter het noemen van +eenen naam scheen te kunnen wekken. + +"Ik zal naar het gasthuis gaan, en hooren of zij gestorven is," voer de +jammerende moeder voort. + +"Wacht, vrouw Hendriksz, wacht!" fluisterde de vrouw des huizes, zonder +naar de verslagene om te zien: de jongman die het tweede woord even goed +had verstaan als het eerste, was van zins geweest binnen te komen, en +had zijns ondanks, naar het scheen, twee stappen naar de tuinkamer +gedaan. Immers toen had hij zich bedacht; thans scheen hij weer louter +oog en hand voor de rozenstruiken. Mevrouw Van ---- aarzelde een omzien, +eer zij het ijlings genomen besluit gevolg gaf; een omzien vreesde zij, +zich de deelneming, zich de ontroering des jongmans daarbuiten maar te +hebben verbeeld; doch neen, beide waren te blijkbaar geweest, en wat was +er bij gewaagd de proef te nemen, of hij eenige inlichtingen geven kon? + +"Wouter!" riep de meesteresse des huizes. + +Een sprong bragt hem op het arduinen bordesje; maar even hartstogtelijk +als die beweging was geweest, even schoorvoetende kwam hij de weinige +trappen, die naar de tuinkamer voerden, op. + +Mevrouw Van ---- zag hem zwijgend, maar uitvorschende aan. + +"Och, Mevrouw! ik heb haar zoo lief gehad, dat ik luisteren moest, of ik +wilde of niet." + +"Eefje!" riep de meesteresse des huizes, over het slagen harer opmerking +verbaasd. + +"Eefje!" herhaalde vrouw Hendriksz, als in eenen droom, en werd +eensklaps den derde gewaar, die in het vertrek stond, en sprong op den +jongman toe, en viel hem om den hals. "Leeft zij?" vroeg de moeder, +"leeft mijn kind?" en staarde Wouter met hare bruine oogen in het +gezigt, of zij in zijne ziel lezen wilde. + +"Zij leeft, maar--" + +"Zij is verleid!" jammerde vrouw Hendriksz, en stiet den jongman van +zich, als ware hij de schuldige geweest. + +"Dat heb ik niet aan je verdiend, moedertje! maar je radeloosheid weet +niet, wat ze doet. Ik had Eefje zoo lief, eerlijk lief; je zoudt zoo +droef niet gekreten hebben, als zij "ja" had gezegd, toen ik haar vroeg. +Mijn oog was hier op haar gevallen, Mevrouw! toen ik verleden' herfst +kwam tuinen; zij maakte een praatje met me; ze wist van boomen en +bloemen; zij wist ook, dat ze mooi was, maar het stond haar toen wel. +Eer zij hare hielen uit den hof had geligt, moest ze mij zeggen, waar ze +woonde, en wanneer ze uitging. "Waratje, daar heb je Wouter!" zei ze den +volgenden Zondag, toen zij de stoep afstoof, en--maar wat heeft Mevrouw +eraan--" + +"Ga voort, Wouter! ga voort!" en het was geen ijdele nieuwsgierigheid, +die der meesteresse des huizes het oor deed leenen aan de vrijerij; +Eefjes toestand kon haar slechts door dat verhaal duidelijk worden. +Vrouw Hendriksz zag voor zich heen, of zij er niet bij tegenwoordig was. + +"Het leed niet lang, of ik dacht, dat zij me wel zien mogt. "Eefje! hoe +bevalt het je hier?" vroeg ik haar, toen we een keer of wat zamen uit +waren geweest, om eens hoogte te nemen hoe na bij land. "Opperbest!" zei +ze. "Gelderland moet toch mooijer wezen," begon ik weer, "Veel stiller +ook," was haar woord. "Anders zou het mij wel loenen op het land te +wonen," polste ik alverder, "om Haarlem en bij den Haag" (ik ben nooit +in Gelderland geweest, Mevrouw!) "daar beleeft men plezier aan de +bloemisterij en aan de broeikassen; onze stadstuinen zijn maar +kerkhofjes," (het is de waarheid, Mevrouw!); "wat zeg je ervan, Eefje! +als ik eens bij een groot heerschap mijn eigen huisje had, zou je er met +mij in willen wonen?"--"Malligheid, Wouter!" mogt ze zoo zeggen, maar ik +gaf haar een zoen, die klonk als een klok ... doch ik vergat tot wie ik +spreke--" + +Er school te veel poezij in die schets, dan dat het hart eener vrouw +haar niet mee zou hebben gevoeld, "En evenwel," zei Mevrouw Van ----, "en +evenwel is zij verleid."-- + +"Omdat ze mooi was, meende ze zoowel mevrouw te kunnen worden, als +menige andere--och die opschik!--schoon ik soms tot mij zelve zegge, dat +zij nooit naar hem zou hebben geluisterd, als zij mij had liefgehad, +zooals ik haar. En dan weer spijt het mij, spijt het mij, of ik er gek +van worden zal, dat ik mijne vuisten voor me hield, toen ik zag, dat hij +zijn' arm om hare middel had geslagen! Afranselen is alles, wat wij +kunnen, wat wij mogen, als zoo'n wulp zich aan onze zuster of ons meisje +vergrijpt! Waarom ik het niet deed? ik zal het u zeggen, in de +schemering was ik hun op zij eer zij het wisten. "Eefje! heeft hij je +aangerand?" vroeg ik, en hief mijne hand al op, "Neen, Wouter! neen," +zei ze. "Wat meen je, maat?" vroeg de wulp. "Ik weet wat ik zag, +kwajongen!" gromde ik. Hij ging zijns weegs--dat ik hem liet gaan!--Doch +ik dacht meer aan Eefje, die naast me staan bleef, maar geen woord +sprak. "Eefje!" zei ik ten leste, "wat wou--?" "Hij vroeg me naar eene +jonge jufvrouw, die bij ons logeert." "Lieg niet, Eefje!" bad ik haar; +"mooije kleeren kan ik je niet geven, maar een goed man zou je aan +Wouter gehad hebben, en dat is meer dan die lichtmis me kan nazeggen." +--"Lichtmis! een jonge heer, die bij ons aan huis komt!" was al haar +antwoord, als achtte zij het niet waard, mijne verdenking verder te +weerleggen,--ik geloofde, dat ik had misgezien."-- + +En Wouter hield een oogenblik op; de vrouw des huizes was aangedaan; zij +dacht niet aan het belagchelijke, dat men in bedrogen minnaars pleegt te +zien; zij dacht er slechts aan, welke een harte Eefje gekrenkt had, ten +prijs van haar eigen verderf. + +"O, dat die oogen liegen konden!" besloot de jongman. + +Een smartelijke gil, der oude vrouw ontsnapt, getuigde, dat zij het +gesprek maar al te wel had verstaan. + +"Moedertje! ik zeg je, dat Eefje leeft!" + +"Maar verleid!--och! dat ook dit nog over het hoofd van haren blinden +vader komen moest!" + +En zij zeeg op den stoel neer. + +"Ik heb haar gebeden, ik heb haar gewaarschuwd, tot het leste toe; +"vervolg mij niet meer," zei ze, "want ik haat je wijsheid."-- + +"Toch blijft ze mijn kind," snikte de oude; "als je weet waar ze woont, +zoo doe een goed werk, en breng mij tot haar!" + +Vrouw Hendriksz wilde opstaan; maar zij beefde als een blad, maar zij +viel andermaal in den stoel neer. Mevrouw Van ---- schelde om spiritus. +"Wat zal het baten?" zeide de moeder, toen zij het glas aan hare bevende +lippen bragt, "de kroon is ons toch van het hoofd gevallen, onze eere is +weg!--Eefje! mijn kind!--waarom moest je dit over ons brengen?" + +Een oogenblik stilzwijgens. + +"Waarom?" herhaalde de oude vrouw, "waarom? o Heere! houd mij dat woord +ten goede; wat verdienen wij niet voor onze zonden?" + +En het schuldbesef stelde het blaauwbessenvrouwtje in staat om te +bidden, ook onder die bittere beproeving. + +"Jongman! het deert me, dat ik je verdacht;--wijs me nu den weg; Eefje +moet morgen mee!--God geve, dat hare ziel niet verloren ga als haar +ligchaam!" + +Er waren den volgenden avond wandelaars in menigte, die op de hoogte van +den Schreijerstoren, te Amsterdam, een oogenblik stilstonden, om den +schoonen zomeravond ten volle te genieten, door beurtelings regts en +links, om en op te zien. Het goud der ondergaande zon flikkerde nog op +de spitsen van het mast-bosch in het Westerdok, terwijl de volle maan +over dat van het Ooster-vast haar vloeijend zilver stroomen deed. Doch +wie er zich ook verlustigde in het prachtig wolkenschouwspel, dat de +plek te ieder ure schier gelegenheid geeft te zien, maar zelden zoo +verscheiden, zoo rijk aan allerlei toonen en tinten, aanbiedt, als in +dat, 't welk de schemering voorafgaat, een jongman uit den drom had er +blijkbaar geene oogen voor. Zijn blik scheen aan een zeil te hangen, dat +op Pampus in het verschiet verdween,--het was Wouter, die den Elburger +nastaarde, met vrouw Hendriksz en Eefje aan boord. + +Mevrouw Van ---- was hij de ontmoeting van moeder en kind, was bij de +verzoening tegenwoordig geweest, wie vraagt mij, of zij verder, ter +verzachting van beider ellende, iets onbeproefd liet? + +Wouter--wij keeren nog eens tot hem terug--Wouter had der gevallene in +hare schande het wederzien gespaard; de eenige belooning, met welke hij +er zich voor vlijen mogt, ontging hem niet. Een jaar later bragt de +zomer weder zijne vruchten mee;--Amsterdam gij weet het, is nog niet, +zoo als Bilderdijk misschien zou hebben gewenscht, een ander Bremen +geworden, dat geene stoornis van de doodsche stilte zijner straten +duldt;--de kreet, aan het hoofd van dit stukje geplaatst, heeft Wouter +onlangs verrast. Hij sprong op toen hij dien hoorde; hij zag een bekend +gezigt, waaraan de rouw, dien de grijze droeg, niet misstond; het +blaauwbessenvrouwtje had eene boodschap voor hem: + +"Eefje heeft, eer ze stierf, om je vergiffenis gebeden!" + +1845. + + + * * * * * + + + +'T IS MAAR EEN PENNELIKKER! + + + Steets was hy op 't kantoor en met de neus in 't boeck; + Sijn mutsjen op sijn hooft, sijn mouwen an voor 't wrijven; + Want hy was besich staegh met dit of dat te schrijven; + Dan sloot hy syn ballans, dan sagh hij nae de kas, + Ja wel, hy had soo veel te doen dattet wonder was! + Wat het hy in sijn hooft winckeltjes, en kassen, + En hockels en laedjes, dosynen van Lyassen, + Vol Assignatie, vol Oblygatie, vol boomery, + Vol Wissel-brieven, vol Retour, en vol Factory, + Vol konnossementen, en vol Konvoy-biljetten, + En Kamers vol Journaels, Schuldt-boeken, Alphabetten, + En Riemen kladt papiers, van loopende uyt-gift, + En Tafels vol chijffers, en schalien vol schrift! + + +Te regt zou men er zich over beklagen, dat de geestige Breero, welke ons +in deze weinige regelen de stoffaadje van een koopmanskantoor zijner +dagen heeft geschilderd, er geene tekening van de klerken zijns tijds +bijvoegde, als het minder waarschijnlijk was, dat men het beroep, +waarvoor thans een patent van kantoorbediende wordt vereischt, toen +naauwelijks kende. Immers, het valt ligt zich een' zeehandelaar der +zeventiende eeuw voor te stellen, die slechts een factotum voor het +loopende werk nahield, en misschien een' boekhouder bezoldigde welke +wekelijks eenige uren de zaken kwam bijschrijven,--tenzij de zucht voor +geheimhouding, onzen handel eigen, den man aanspoorde, geen derde toe te +vertrouwen, wat niemand behoefde te weten, dan hij en zijne vrouw. Er +zou harmonie zijn geweest tusschen dat vele zelfdoen en de overlevering, +die ons vertelt, dat Jan de Witt maar een' dienaar had.--Ik tart u +echter uit, u de paruik van den kleinzoon diens koopmans voor den geest +te brengen, zonder dat zich, in uwe verbeelding, rondom dat hoofdtooisel +met eene krulbatterij, een aantal jeugdige oude mannetjes groepeert, op +het kantoor te voorschijn geroepen door eene driedubbele behoefte: +de zeden waren weeldiger geworden--de gemeenschap had allerwegen +toegenomen,--de mededinging was bij de naburen ontwaakt. Men kwam er +niet, tenzij men alle zeilen bijzette. Weder valt mij eene historische +bijzonderheid in, welke deze wijze van zien staaft. In de dagen van +Willem IV plagt de handel op ieder slempmaal gedacht te worden, onder +den toast van: "De zieke Bruid!"--Voeg nu bij de eigenaardige +verschijnselen der negentiende eeuw: het verdwijnen van allen afstand, +dat wij aan den stoom te water en te land hebben dank te weten, en de +liefhebberij onzes tijds voor bespiegelingen en voorspellingen, op +statistische tafelen gegrond; voeg bij deze den uit beide geboren' +wedijver, wie den vreemde het eerst, het uitvoerigst, het drokst +berigten zal geven; en gij verbaast u er niet langer over dat de meeste +kantoren van drie tot zes, ja tot tien en twaalf klerken hebben. Alleen +de veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij veroorzaken iedereen +Duitschen Commissionair grooter uitgaven aan papier, drukloon en porto, +dan een zeehandelaar weleer in een geheel jaar betaalde, en eischen +handen in evenredigheid. + +Waarom wordt men klerk? Gij hebt zeker wel eens eene school zien +uitgaan,--eene burgerschool, meen ik, eene armenschool zelfs, en u +vermeid in het weergaloos schouwspel, dat die jeugd aanbood? Welk eene +gelijkheid, en welk eene verscheidenheid tevens! Eene wereld in het +klein! Houd er oogen op, als gij kunt. Soldaatjespelen,--de eerste stok +de beste is een generaalsstaf, voor dien flinken borst;--paardenmennen, +--wie denkt gij dat het spoedigst moe zal zijn, de koetsier of de rossen! +--scheepje zeilen,--de klomp gaat te water, als zij maar een touwtje +vinden om hem aan te vieren,--wij hebben het naauwelijks opgemerkt of de +woeligsten zijn al uit ons gezigt: er schuilen matrozen, voerlieden, +krijgslui in. Daar plaagt een krullebol een aardig meisje,--maar dat +zullen zij eens allen doen, dat is het algemeen menschelijke,--ik wilde +u tot den bijzonderen aard, blijkbaar uit de keuze van het een of ander +beroep, bepalen.--Welnu, we zien arbeids-en handwerkslieden in menigte: +--toekomstige metselaars, die naar dat half voltooide gebouw kijken, of +zij de evenredigheid der zwaarte tusschen balken en muren berekenden; +--toekomstige hoveniers, die gadeslaan of de lentezon de knoppen van het +geboomte sedert gisteren verder heeft doen uitbotten;--toekomstige +kastenmakers, die een voorbijgedragen meubel begluren, of het open moest +springen voor hun nieuwsgierigen blik;--maar, er zou geen einde aan zijn, +zoo wij alles wilden bespieden, wat hier in den dop te zien valt.--En +echter, het is aardig naar het gindsche groepje te kijken: een der jongens +heeft een stuk krijt gevonden, en zie eens, hoe hij teekent, hoe hij +karikatureert! Hij hinkt aan het zelfde euvel, waaraan wij allen lijden: +hij overdrijft! Die neus van den meester steekt den draak met alle +proportie. Doch, geen nood, er zijn critici om hem heen, recensenten voor +ieder, die zijn werk der beschouwing van het algemeen prijs geeft; wat is +billijker?--Indien gij uw' aanstaanden timmerman vindt in de drie voet +hooge wijsheid, die daar een stroowisch tot passer bezigt, vergun mij op +te hebben met den vluggert, welke een' weinig verder een vlinder naloopt: +hij zal blaken van lust om te ondernemen; hij zal koopman worden; hij zal +wagen en winnen. Winkeliers-geest, die te huis blijft zitten en verbeidt, +ik zie hem te over, bij dien knikkerenden hoop. "Valsch doen!" hoor ik +roepen. Arme jongen! die u zoo boos maakt over het gepleegde onregt; die +den kleinen bedrogene de hand boven het hoofd houdt; die, nu gij hem hebt +gewroken, zoo ernstig naar den blaauwen hemel opziet, toekomstige dichter! +wat deed ge bij het spel? Hij geeft geen antwoord, verloren als hij is in +de beschouwing eener bloem, die aan den weg groeit; liefde voor het schoone +bij zin voor het edele, ik mag dien jongen.--Toch verlies ik hem uit het +oog, om den wil van den gindschen manke; gebrekkige jeugd is zulk een +deerniswaardig schouwspel!--Maar ge hebt gelijk, hij kan kleerenmaker of +schoeneflik worden, en als hij geld en geest heeft, zoo goed een' graad in +eene der drie faculteiten verwerven, als een van deze rechtsgeleerden, +geneesheeren of leeraars _in spe_.--Doch, zeg mij, hebt gij in die bonte +wemeling van standen, in die wereld in het klein, ergens een' toekomstigen +kantoorbediende gezien? + +Helaas, neen! Er ligt te weinig poezij in dien toestand, dan dat hij den +onbevangen blik der jeugd zou kunnen aanlokken. Stel u de jonkheid voor, +zoo als ge wilt, onder den invloed van begrippen, aan den natuurstaat +verwant, of alreeds beheerscht door den zin, die onze beschaving +kenschetst. Het werktuigelijk beroep belooft zoo min geluk als genot; +het waarborgt even weinig vrijheid, als de schadeloosstellingen voor +deze: weelde, gezag, roem. Denk niet, dat ik der volksjeugd zoo groote +wijsbegeerte toeschrijft, dat zij zich van die oorzaak bewust is, dat +zij er zich reden van geeft. Verre van daar. Maar des ondanks moet gij +als ik dikwijls hebben opgemerkt, dat zij slechts sympathie over heeft +voor alles, waarin kracht schuilt, dat de populairste beelden tevens de +onafhankelijkste zijn. Het is of in den boezem des volks het bewustzijn +der oorspronkelijke bestemming van het mannelijk karakter wordt +omgedragen: ontwikkeling aller krachten, aller gaven.--Knecht--klerk +--hofmeester--hoveling--hebt gij ooit een jongen ontmoet, die u zeide, +dat hij een dier vier dingen worden wilde? Allen leeren spoedig genoeg +--in de laagste kringen het spoedigst,--dat er iets, dat er veel van de +vrijheid moet worden opgeofferd, om den wille van het geld--maar er geheel +afstand van te doen, maar zich zelfverloochening ter taak te stellen, en +dat wel een gansch leven lang, dit is eerst in lateren leeftijd het gevolg +of van nooddwang, of van dweeperij, of, in exceptioneele toestanden, van +deugd. + +Als de school echter voor ons niet te vergeefs zal zijn uitgegaan, dan +moet ge mij vergunnen, nog eens naar de jongens terug te keeren: er +waren toekomstige klerken in den hoop, tweeerlei soort zelfs, al was er +niets in hun uiterlijk dat het aanduidde, al wisten zij het zelve nog +niet. De tros des heers, de bedaarde naslenteraars, de bezadigde +jongelui, zullen die waarschijnlijk opleveren. Het zijn of kinderen van +gemeene lieden, die zich de nering hunner ouders zullen schamen, en, ten +gevolge van het verbeterd onderwijs, eene sport hooger zullen klimmen op +de ladder des maatschappelijken levens, die klerken zullen worden in +plaats van bazen;--of het zijn zonen eener weduwe, van goeden, maar +armen huize, telgen, die voor de misslagen hunner ouderen boeten: een +onberaden huwelijk, de oorzaak van achteruitgang en armoede. Ik vrees, +dat het te fijn gesponnen zou zijn, de eersten op school te willen +herkennen aan hun uitmuntend gedrag, dat hen soms tot den +twijfelachtigen rang van kweekelingen verheft; maar ik ben er zeker van, +dat zij de bollen van de bent zijn, in fraai schrijven en vlug rekenen. +En wat de laatsten betreft, wij hebben geene verontschuldiging in te +brengen, dan dat er zooveel te zien was; maar anders, wij hadden hunne +bestemming moeten gissen uit armen en beenen, die zegevierend door +mouwen en pijpen van hun oud, maar fijn pak staken; uit aangezigten, die +niets beloofden; waarop geene wolk van sluimerend talent rustte, waaruit +geenerlei zielskracht blonk. Het beginsel, dat de ouders van beiden dit +beroep voor hen zal doen kiezen, is hetzelfde: dolende eerzucht, die er +krampachtig naar streeft heer te blijven; dolende eerzucht, die er +krampachtig op uit is, heer te worden. Al het onderscheid tusschen dit +groene koren des kantoors bestaat daarin, dat de eene soort het voor +een' meelmolen houdt, waarin het heel veel eer is fijn te worden +gemalen, terwijl de andere het niet hooger schat dan een' pelmolen, +waarin zij slechts van den bolster zal worden ontdaan. Eene +verschillende wijze van zien, welke niet belet, dat Piet, die, na een +jaar twee, drie sloovens, zijne eigen zaken dacht te beginnen, zijn +leven lang achter den lessenaar van zijn' patroon blijft zitten, terwijl +Claes, die al overtevreden zou zijn geweest, zoo het hem vergund ware +geworden voort te blijven kruipen, vliegt, vliegt, wat benje me! Geen +wonder--de geblinddoekte fortuin drijft in alle standen hetzelfde spel, +met voornemens en wenschen. + +Er is een tijd geweest, waarin men geloofde, dat er, ter voorbereiding +om op een koopmanskantoor te worden geplaatst, niets geschikter was, dan +eenige jaren op dat van een' practizijn door te brengen, des noods bij +een' Advocaat, maar liefst bij een' Notaris. Soms verdwijnen kleine +eigenaardigheden van het volksleven slechts ten gevolge van groote +omwentelingen. Welligt zoude men, als het de moeite van het onderzoek +beloonde, doorgaans tot dezelfde uitkomst komen, waartoe de navorsching +dezer bijzonderheid leidt, namelijk: dat elk begrip, iedere gewoonte +eene schakel is in de groote keten, en dat de schijnbaar onbeduidendste +niet wijken, niet te verwrikken zijn, dan door een volslagen omsmeding, +die het verroeste herblaakt, en louterende vernieuwt. "Bij een' +practizijn leert men stellen," heette het, O genius van ons Proza! +waartoe was het met u gekomen? De protocollen van Jan Borliut, de school +voor de eenvoudigste uitdrukking der wereld, de school ter afsluiting +eener rekening, de school voor koopmans-briefstijl;--Hollandsche Taal! +wie het kernige en korte scheen aangeboren, hoe hieldt gij het uit? +Hooft had ons proza de toga der Romeinen omgehangen, en statig en +sierlijk bewoog het zich in de breede plooijen; maar als hij had kunnen +voorzien, dat men, het spoor bijster geworden in de bewondering van het +Latijn, alle eigenaardigheid zou doen verstikken in het stof van +processtukken en inventarissen, hoe zou hij den ongebonden stijl van de +schoolsche banden hebben bevrijd! Had hij het proza niet vergund langs +straat te slenteren, even als hij zijner schalker muze in het Gooi bij +wijle vrij spel liet? Helaas! zijn aandringen op de ontwikkeling aller +inheemsche gaven en krachten was _vergeefsch_ geweest,--hij voorzag +slechts te juist, dat er een tijdperk van weelde, van traagheid, van +stilzitten, op het woelige, krachtvolle, roemrijke, dat hij beleefde, +volgen zou. Al waarschuwde hij er tegen, wat baatte het? Maar een +verslapping, die onze gedachten, onze letterkunde, onze volksbeschaving +prijs gaf aan het voortdommelen in de eenige slavernij, uit welke onze +vaderen zich niet wisten vrij te maken, de kwalijk begrepen navolging +der ouden;--maar eene verslapping, die eerst alles wat naar het +Latijnsche zweemde, fraai vond, en, weldra in aperij ontaardende, aan +iedere windvlaag, die ons uit den vreemde bastaardklanken overwoei, het +oor leende,--wie zou deze hebben durven voorspellen? Het was of de +woorden allengs hun gehalte verloren. Vervalschte, vermengde munt, +werden er drie geldstukken vereischt, waar weleer een had kunnen +volstaan,--en woog het bekende: "_puur_ zuiver en _innocent_", nog het +goed oud-Hollandsche _onschuldig_ niet op! Wat wonder, dat van Effen, +die den Genius van ons proza als portier van Jan Borliut aantrof, hem +onhandelbaar en onhebbelijk vond; stroef van toon als hij heusch van +geest wilde zijn, verlamd van tong en vereelt van oor, hem, die +geschapen scheen, om voor alles wat kloek en groot, wat lief en schoon +is, uitdrukkingen te smeden, louter nabootsenden klank, louter beeld! +Slechts een schuilhoek was den stakker overgebleven, waarin hij de armen +vrij mogt hebben; slechts een publiek, waartoe het hem vergund was te +spreken, in den schilderijen tongval onzer oude kluchtspelen: zoo "de +Spectator" nog leeft, hij wijt het dank aan het beluisteren van de +lippen des volks. Het volk, het gemeene volk, dat zijne taal niet met +Latijnsche en Fransche bastaardklanken had doorspekt, dat Hollandsch was +blijven praten, kernig als het merg van zijn gebeente,--ruig als zijn +breede borst,--waar als zijn aard. Lees de _Angenietjes_, en verbaas er +u met mij over, dat men de burgervrijaadje zoo lang las en prees, zonder +te beproeven, in schrift en stijl der natuur meer op zijde te streven. +Of werd er een minder geweldige schok dan die der Fransche omwenteling +vereischt, om onze geleerden uit de overpeinzing hunner Ciceroniaansche +phrases wakker te schudden? te schrikken ware juister woord geweest. +Immers, het was deze, welke hen dwong het oor te leenen aan raauwe +kreten, ja, maar die ondanks hun volslagen gebrek aan _numerus_ en +_cadans_ ter harte gingen, die hen verpligtte dragelijk Hollandsch te +leeren schrijven, als zij tot Hollanders het woord wilden rigten! +Dragelijk Hollandsch? Eere twee vrouwen, eere Agatha Deken en Elisabeth +Bekker, die de behoeften des tijds begrepen en bevredigden, toen +hooggeleerden nog een poespas zamenflansten, welks spelling huiveren +doet. Eere den kansel, wiens leeraars eindelijk oor hadden voor den +eisch der beschaving, die invloed zochten door het eenige middel, dat +dien op den duur en eervol verzekert, een' natuurlijken, een levendigen +stijl, welke het ware verzusterd acht met het schoone. Eere aan van der +Palm, die bij ons proza iederen zin, maar vooral dien voor het +eenvoudige, ontwikkelde. + +Als er ketterij in deze onwillekeurige uitwijding steekt, zoo wijt haar +aan het boeksken van professor Geel, over: "_Het proza_" en vlei u met +mij, dat hij de gedachten, er in aangegeven, uitvoeriger ontwikkelen +zal. Ik loop, tot dien prijs, gaarne de kans zijner heusche +teregtwijzing. + +Jan Borliut--het wordt tijd tot ons onderwerp terug te keeren--Jan +Borliut houdt geene kweekschool van kantoorbedienden meer; hij heeft, +in den geest des tijds, een' knecht om de deur open te doen, of een' +jongen, die aspireert tot eene klerksplaats. De knecht, het spreekt van +zelf, blijft knecht--en de aspirant-klerk ziet met blijdschap den +Nieuwjaarsdag te gemoet, waarop een weer jonger knaap hem zal vervangen, +en hij bevrijd zijn van het verdrietelijk baantje, kagchelstokken, +boodschappen doen, uitlaten, enz. Hij beklimt op zijne beurt eindelijk +de lang gewenschte kruk, hij schrijft concepten uit het klad in het net, +en dat duurt zoo eenige jaren, in welker loop hij van kruk tot kruk, van +die het digtst bij de deur tot die het digtst bij het venster wordt +bevorderd. "Het is een schrale climax," zegt gij; een oogenblik geduld, +bid ik u! Hij heeft intusschen allengs grooter aandeel in de fooitjes, +alias _cadeaux_ gekregen, die soms aanzienlijk zijn, wanneer de fraai +geschreven acte de opmerkzaamheid van den een' of anderen client tot +zich trekt,--als het onverwachte eener testamentaire dispositie de +mildheid van verraste erfgenamen uitlokt, om de arme drommels te +bedenken,--als het kantoor weken lang geheim heeft gehouden, dat er een +nieuwe naamlooze vennootschap zou worden opgerigt,--die kostbare +liefhebberij onzer dagen.--Waar zijn intusschen de klerken gebleven, +welke voor hem op die krukjes zaten, en die niet allen jonge heeren +waren, rijk genoeg aan geld en geduld, om eene benoeming tot notaris te +huis af te wachten,--nadat zij ongeveer alles van de praktijk hadden +geleerd, uitgezonderd de beste praktijk, van alle, die--om met menschen +om te gaan. Waar ze gebleven zijn? Jan Borliut heeft voor hen gezorgd. +Hij onderscheidt weldra, wie hunner het lot eersten bediende, wie tot +notaris op een dorp het al dan niet brengen kan,--en wat zou hij er +tegen hebben, dat de stakkers, welke dit niet kunnen, dat zij vrijen en +trouwen, mits men hem maar niet met de zorg voor hun onderhoud en dat +hunner kinderen belaste? Door zijne velerlei relatien valt er ligt een +baantje op te sporen; niet heel voordeelig, niet weergaloos vet, maar +toch mooi genoeg voor een' jongen, die al heel blij was, dat hij op eene +kruk zat. Hoe dan ook, hij plaatst ze. En, schoone evenredigheid +tusschen middel en doel! de burgerknaap, die aan hem verpligt is, dat +hij zijn Maartje of zijn Grietje heeft kunnen huwen, dat hij een klein +ambtje, een' post bij den gouverneur of op het stadhuis heeft gekregen, +hij is hem zijn leven lang dankbaar en vereert hem niet zelden als een' +vader. We kennen een' notaris, die niet weet hoe dikwijls hij gezegend +wordt, door menig' "sukkel van een vent," dien zijn invloed aan de +Nederlandsche Bank of aan het Grootboek der Nationale Schuld heeft +geholpen. Hij is schalk genoeg, om "wanneer er weer een geborgen is," +zoo dikwijls hij een' der directeuren of ambtenaren dier inrigtingen +ontmoet, deze te plagen met de klagt; "dat zij hem ook al zijne ezels +afnemen!" Waarom zouden wij hem die scherts niet gunnen, gepaard als zij +gaat met waarachtige humaniteit des harten, die bovendien voorkomt, dat +uit zijne school de bent der zaakwaarnemers gerecruteerd wordt? +Stil,--we zijn reeds te uitvoerig geweest over eene wereld zoo wel +afgerond als deze, en welke ons onderwerp eigenlijk vreemd is, sedert +het proza ontslagen is van den boei van Jan Borliut. + +Tot onze eigenlijke kantoorbedienden, als gij wilt. Ziet ge dat paar in +de binnenkamer, van den tweedehands koopman? Staaf, de jongste, is een +burgermanskind, in de hedendaagsche beteekenis van het woord, nu +fruitvrouwen en schoorsteenvegers ook al burgerlui zijn, och ja! +Rivers--de tweede--is een ordentelijke jongen, wiens ouders "aangeziene +menschen" zouden zijn,--hoe waar is die uitdrukking!--wanneer het niet +zoo moeijelijk viel, zijn fatsoen op te houden met eene schrale beurs. +Rivers is eenige jaren ouder dan Staaf, die pas van het Nut van 't +Algemeen komt, en _siegenbeekt_ dat het een' aard heeft, als Rivers zich +aan twijfelaarsgeslachten bezondigt, of _kassa_ met eene c schrijft, of +de tweede lettergreep van _ontvangst_ met eene f begint. En Rivers zou +der menschelijke natuur niet deelachtig moeten zijn, als hij den jongen +voor "al die malligheden" niet strafte, zoo dikwijls het in zijne magt +staat. Of hij het kan!--"Overschrijven,"--"overrekenen,"--heet het om +een haverklap. Zie ik zou de partij van Staaf kiezen, daar mij geen spel +zoo ergert, als dat van dwingelandje, indien Rivers niet beklagelijker +ware dan Staafje,--hij is op zijn beurt het slagtoffer van de luimen +zijns patroons. Een tweedehands-koopman,--geloof het op mijn woord! want +er zou geen einde aan mijne schets zijn, als ik u al de waaroms moest +verklaren--een tweedehands koopman is, bij de rigting, die de handel in +onze dagen neemt, in meer dan de helft aller vakken, een schipper, die +tegen wind en stroom roeit.--"Als het getij verloopen is, moeten de +bakens worden verzet,"--En zoo dikwijls deze overtuiging zich den man +zijns ondanks opdringt, wordt hij boos, en het eerste voorwerp het +beste, dat hem in het oog valt, moet het ontgelden. Het is doorgaans de +arme Rivers, die tegen mijn' koffijkooper overzit. Heden waait de storm +uit dat onnoozel stukje papier, waarop gij een binnenlandsch postmerk +onderscheidt. + +"Die verduivelde makelaars-knoeierijen! Eene kwart ceel,--en dat koopt +ook al in de veiling!--Rivers, het is toch alleronpleizierigst, dat--" + +Hetzelfde wat, de jongen heeft den graauw beet. Het is hard, want kan +hij het helpen, dat de tijdgeest er naar streeft, alles zoo spoedig +mogelijk van den producent tot den consument te voeren?--Het is hard, +voor drie honderd gulden 's jaars--met het uitzigt het tot vier, vijf, +en mogelijk zes, na nog eenige jaren verduwens, te zullen brengen. +Toch zwijgt Rivers, toch verkropt hij den onbillijken uitval, te +onbarmhartiger, dewijl hij weerloos is,--maar o, hoe hij Staafje +benijdt, die met wissels wordt uitgezonden, en er een vrij half uur van +nemen zal! Neen, hoe hij den jongen duivel haat, die hem in zijn vuistje +uitlacht! + +--Eene verdrietige pauze. + +"Manlief!" breekt eensklaps eene vrouwenstem de stilte af, "manlief!" +eene ochtendmuts gluurt even om de deur, "als er nu een handje kon +worden geholpen?" En de aarzeling waarmede de patroon,--nadat hij, op +het verzoek zijner beminnelijke wederhelft, "ja!! ja!" heeft geantwoord +--de twee overgebleven kantoorbedienden aanziet, verraadt--verpligt mij, +eer ik verder ga, te bekennen, dat ik tot nog toe verzuimd heb, den +vierden persoon, op te voeren. Waarom? Hij is _volontair_,--in rang, op +het kantoor altoos, tusschen Staafje en Rivers in. Hij zal hoogstens nog +een paar jaren "bij den baas" blijven, om er de kennis dier artikelen op +te doen, in welke hij later handel denkt te drijven. En nu tot den +patroon terug, wiens schroom verried, hoe zeer hij met de zaak verlegen +was, en die toch eindelijk een besluit neemt, dat weinig tweedehands +kooplieden zouden genomen hebben zoo als hij. + +"Hm!--hm!--" zegt hij, "och van den Bergh ge moest eens even een handje +helpen." + +En van den Bergh--ik gebruik dien naam, dewijl ik geen' tijd heb, om in +van Leeuwen's "Batavia Illustrata" een uitgestorven familie op te +zoeken,--van den Bergh staat op, of hij oorlog voerde, met zijn +stoeltje, dat bonkt tegen de snipperbak, maar slaat de deur van het +kantoor niet ruw achter zich digt. "Dat doen de dienstbaren," zou hij +zeggen. + +Ik bid u, gis nu, waaraan hij verzocht werd een handje te helpen. Wat +kan Mevrouw te doen hebben, waartoe zijn bijstand wordt vereischt? Welke +dienst--maar ge zoudt u vruchteloos het hoofd breken. Het kantoor is aan +eene binnenplaats, heb ik gezegd. Naar Amsterdamsche huisverdeeling hebt +ge dus tegenover het raam, waardoor de kamer haar lieflijk muurlicht +ontvangt, twee vensters, die van de onontbeerlijke zaal, daar boven eene +opkamer, daar weer boven een' zolder, en beneden, diep in de diepte, de +keuken; en nu, zie, of liever luister toe. + +Roetsch!--daar vliegt een mand met turf het zolderraam uit, opkamer en +zaal langs, snel als een pijl omlaag. + +Piep--piep--piep--en de leege mand is weer boven; maar zou van den +Bergh--zou hij waarachtig--turf aflaten?... + +Kling, kling, er is geen twijfel aan, kling, kling, kling, de tweede +mand, blijkbaar opzettelijk heen en weer geschommeld, levert den ruiten +van de zaal slag, die achteruit deinzen als hazen, terwijl de turven de +bres instormen, of het de verovering eener belegerde stad gold. + +"Mijn God!" roept de patroon, "die rakker van een' jongen!" + +En Rivers? + +Ach, houdt het hem ten goede, dat het hem, spijt de gebroken glazen, +spijt de drift van mijnheer, spijt den angst van mevrouw, spijt de +Babylonische verwarring in het gansche huishouden, te weeg gebragt door +eenige schreeuwende kinders en de meid, die, bleek als een doek, de trap +opvliegt, dat hij, spijt dit alles, zich niet weerhouden kan te denken: + +"Jongens! die zich kon doen gelden als van den Bergh, die mony had als +hij!" + +De wraak is hem al op de hielen. + +"Rivers! in het vervolg laat jij turf af, je bent bedaarder," zegt de +patroon, die van den Bergh nauwelijks heeft durven bestraffen; hij zou +hem geantwoord hebben, dat het _knechts werk_ was. En Staaf, Staafje die +met de overigen weer binnen is gekomen, Staafje hoort het, Staafje die +"er vinger en duim naar zou likken" om drie honderd gulden 's jaars te +trekken,--de mededinger in den dop! + +Als Rivers weigerde,--er loopen andere Staafs in menigte langs de +straat!--Maar het komt niet bij hem op--hij lachte straks niet bij het +rumoer der gebroken vensterschijven,--hij verkropt nu. + +Gelukkige van den Berghs, gelukkige volontairs! had ik moeten zeggen, +die u zelve niet om den wille eener kleine toelage behoeft te +verloochenen, die den handel als eene wetenschap bestudeert, wat zijn +voor u _copij-boek, rekening-courant, journaal, grootboek_, wat zijn ze +voor u andere voorwerpen, dan voor den eigenlijk gezegden bediende! Of +verkeeren in uwe oogen de cijfers niet in zoo vele tooverteekenen, welke +gij magtig moet zijn, om den staf te zwaaijen, die alle geneugten des +levens, alle weelden van den geest ter beschikking van zijnen gelukkigen +eigenaar stelt! "Phoe!" hoor ik uitroepen, "alsof er poezij in den +handel school, alsof hij iets van philosofie wist!" En men is zeer +beleefd als men het daarbij laat; want het spook der slinksche streken, +der knevelarijen, der volslagene oneerlijkheid, het staat aan de deur +en het klopt. Laat binnen, mijne heeren! er zijn schelmen onder de +kooplieden;--maar eilieve, vergun mij een enkele vraag: is in uwe +kringen, in die der wetenschap en in die der kunst--voor de balie, bij +het ziekbed, op den kansel,--in den raad en aan het hof, is daar alles +goud wat blinkt? Ik eisch niet, dat ge mij de gruwelen biecht, welke +allerlei ijverzucht, van lage broodnijd af, tot geniale jaloezij toe, +ook onder u aanrigt; ik wenschte slechts, dat gij erkendet, dat menschen +menschen blijven, waar gij die ook aantreft. Ik vleide mij dat uwe +studie u ten minste tot de overtuiging zou hebben geleid, dat een gezin, +eene maatschappij, een staat, dat onze handeldrijvende burgerij, zoo zij +door geene andere dan onedele; oneerlijke, onzedelijke beginselen werd +bezield, niet zoo lang zou hebben bestaan, in de orde der dingen niet +denkbaar is.--Poezij, philosophie, het ligt gelukkig in den aard der +menschelijke natuur, die overal mee te dragen, die onder allerlei +omstandigheden aan te kweeken: wie oogen heeft om te zien, merkt beide +alom op. + +Volontairs vallen eigenaardig in twee klassen te verdeelen, _inheemsche_ +en _uitheemsche_. De kantoorbediende haat beide met een' fellen haat. +"Het zijn heertjes, die voor een' beenen knoop werken!" Wat wonder, dat +hij de binnenlandsche nog minder kan uitstaan dan de buitenlandsche? Om +de laatste van de hoogte, waarop zij zich boven hem plaatsen, neer te +trekken, geeft onze volkstrots hem honderd middelen aan de hand. Ten +eerste "zijn het meestal maar moffen"--ten tweede "vreemde vogels, +vreemde veren; wie weet, hoe het er in hun nest uitziet?"--ten derde ... +maar er is geene aardigheid aan de teekening dier magtelooze woede en +even magtelooze wraak. Ook treffen wij bij den tweedehands koopman +slechts den inboorling, slechts een' vrijwilliger van goeden +Hollandschen huize aan. Grooter kwelling dan de trekvogels, die hier +hunnen zomer doorbrengen, en in het volgend saizoen naar Havre of naar +Liverpool, naar Hamburg of naar Londen vliegen, blijft de inheemsche +vrijwilliger onzen klerk eene rots der ergernis, die geenszins uit den +weg wordt geruimd, al stoot hij er telkens morgen op het kantoor zijne +scheenen niet meer aan. Immers, ofschoon de heuschheid des chefs veelal +tegenstellingen als die, welke wij straks omtrokken, voorkomt--de +turfhistorie is exceptioneel, maar schildert er niet minder om!--toch +vallen er op de grenzen gedurig schermutselingen voor. Neem eens beider +uitspanning! Wat de openbare betreft, het verschil is gering, dewijl we +er schier geene hebben: dank zij de ligging onzer koopsteden, dank zij +onzen huiselijken aard! Immers,--wandelingen? geniet de natuur als gij +kunt in den omtrek van Amsterdam of Rotterdam! Gezellige genoegens in +den winter, in ruimeren kring dan die van vertrouwde vrienden? de +laatste stad biedt er weinig aan, tenzij ge het koffijhuis, het biljart, +enz. daaronder betrekt. Concerten? ze zijn in de hoofdstad wat duur voor +kantoorbedienden; maar deze heeft schouwburgen, het is waar, in het +gebouw op het Leijdsche plein--met acteurs, die om een longtering +wedijveren, zoo schreeuwen zij--voor de vrijwilligers; en voor de +anderen de Varietes in de Nes--de kunst en nog iets, eene pijp en een +glaasje.--En toch zult ge mij van geene overdreven kieskeurigheid +beschuldigen, als ik deze en andere plezieren, onzer jeugd uit den +middelstand aangeboden, maar overspring, om van het onderscheid tusschen +beider huiselijke geneugten te gewagen? Stel u van den Bergh voor, als +hij des zomers, 's zaterdagmiddags, na de beurs, in een' omnibus wipt, +om naar het buiten zijner ouders te sporen, of uit het portier eener +diligence, de gansche Kalverstraat door en de Utrechtsche op den koop +toe, op de t'huis blijvende sukkels, Rivers en consorten, nederziet, +hij, die naar de Vecht of naar Zeist moet! En de winter is niet +liefelijker voor den misdeelde dan het schoone saizoen zich jegens hem +betoonde; de vrijwilliger woont in die barre maanden allerlei partijtjes +bij, met wier beschrijving hij misschien den klerk kwelt--dewijl het +hem, in de prettige stemming, eener onbezorgde jeugd eigen, niet invalt +te vermoeden, hoe zeer het verhaal dier geneugten den ontberende ergert +en grieft. Van den Bergh spreekt van zich te vestigen, van den Bergh is +geengageerd, als Rivers nog aan geen huwelijk, zelfs met een +allerburgerlijkst meisje denken durft. Welk een hatelijk buurman wordt +hij; wat al afgunst wekt hij op! Confraters achter den lessenaar, +herneemt de hoogere stand zijn regt, liever gaapt de maatschappelijke +klove op nieuw tusschen hen, zoodra zij de deur des kantoors achter zich +hebben digtgetrokken. De eene heeft eene toekomst; de ander geen verschiet +dan dezelfde dienstbaarheid. Als de balling van het maatschappelijk +leven er zich niet dood over zal kniezen, rest hem maar een middel om +gelukkig te zijn; het zich te wanen. Andere kapitein Jackson, die zich +in zijn armoede rijk dacht, moet hij zich verbeelden, dat hij er in +zijne bekrompenheid wonder wel aan toe is. Of het bij allen, als bij den +vriend van Lamb, ontstond uit eene speling der natuur, die de oogen des +mans, voor het weinigtje genot hem vergund, de eigenschap van +vergrootglazen bedeelde! Maar bij geen enkele van honderd heb ik de +opgeruimdheid van geest aangetroffen, welke dien sanguinen Brit +onderscheidde; het is meestal een ziekelijk zelfbedrog, dat kwalijk de +innerlijke ontevredenheid vermomt. Als men herwaarts en derwaarts heeft +uitgezien en van deze noch gene zijde hulp, licht, troost ziet opdagen, +dan zet men zich moedeloos ter zijde van den grooten weg neder, dan legt +men de handen in den schoot, en verzekert den eersten voorbijganger den +beste, die ons vraagt, waarom wij daar blijven mokken: "Wel ik mok niet, +ik zit hier heel goed;" al is de glimlach waarmee wij het zeggen, ook +zuur als edik. + +De billijkheid eischt, dat wij er bijvoegen, dat de middelen, om uit +dien toestand te geraken, soms erger kwalen te weeg brengen. + +Het is zomer--het zondag-ochtend--het is zeer vol in het Park (in de +Plantaadje te Amsterdam). Een gesprek over de groote voeten der +Hollandsche vrouwen, in een poespas van allerlei talen, aan een met zes +of zeven jongelui en even zooveel glaasjes bitter bezet tafeltje +luidruchtig gevoerd, ergert al wie in de buurt zit: den heeren, dewijl +zij het ongeveer verstaan; der dames, dewijl ze er meer van begrijpen +dan haar lief is. Eensklaps rijst de drokste babbelaar van allen op: +"_Himmelkreutz element_," roept hij, "een oude kennis!" en stuift naar +een jonkman, die, in een' hoek, tegen het logement aan, bij een kop +koffij zit te mijmeren. + +"Wel Vreese, hoe maak jij het?--het is _opvallend_, zoo weinig als jij +veranderd bent, 't is _fameux!_" + +De aangesprokene neemt den vreemden snoeshaan van het hoofd tot de +voeten op, "Ik weet waarlijk niet, wien ik de eer heb te zien," zegt +hij, schoon de eer gering is; want, trots de elegante kleeding, trots +den gouden horologieketting, trots den baard _a la jeune France_, en +een' _glace-handschoen_, die om de lange linkervingers schijnt gegoten, +terwijl de Vreese toegestoken regterhand met een' ring, wat ben je me! +praalt, brengt de oude kennis noch den aanbevelingsbrief van een +fatsoenlijk voorkomen, noch het hooger te waarderen getuigenis van een +zedelijk gedrag mede. + +"Hoe heb ik het met je? _Stupefait_, Vreese, ken je dan waarachtig +Braeuwtje niet meer? De Braeuw, man!" + +Vreese herinnert zich, ja. Het is zeven jaren geleden, en toch heugt het +hem, dat er, op een' mooijen Meidag, een flinke borst aan het kantoor +kwam, die er maar een half jaar bleef, en aan wien hij echter dikwijls +heeft gedacht; de jongen had raafzwart haar, en oogen als vuur. Het +eerste is er nog, maar de laatste! Als Vreese dichter was geweest, +hij had er uitgebrande vulkanen in gezien. Herkenning,--herinnering, +--herschepping,--de daad, de gedachte, de opmerking, was het werk van +een oogenblik; eenige onbeduidende vragen en antwoorden volgden,--de +Braeuw was al begonnen aan eene vertelling van zijne historie. + +"En ben je nog altoos bij den Oude? Hij was mijne gading niet. Dat had +ik gaauw _gewaarmerkt_, en daarom poetste ik de plaat. Ik heb lang +gezocht, en zal blijven zoeken, tot ik vind wat mij lijkt. "_Toujours +content et sans souci, c'est l'ordre du grand Bamboury!_" als een oude +likkebroer zei. Laat zien hoe dikwijls ik al _omzadelde. Fameux!_ Van +Effens en Zoon, waar ik je leerde kennen, naar Schnack & Co., maar dat +weet je, toen zagen wij ons nog!--Van Schnack & Co. naar Gebroeders Ter +Sol, te Rotterdam, van die, naar Auf Dem Acker Wittwe & Sn., in Crefeld +en uit dat aardig stadje naar Du Bois, la Riviere & Ce., te Parijs; ik +zou er eerst bij een grooter huis zijn gekomen, maar die _onderbraken_ +hunne betalingen: _c'est jouer de malheur, ma foi!_" + +"Maar me dunkt," zegt Vreese, om toch iets te zeggen, "ge hebt geene +reden van klagen,--zoo dikwijls buiten betrekking, en toch telkens weer +geplaatst ..." + +"O dat is het minste, jongenlief, als men zich presenteert, zooals ik +... _fameux!_ En bovendien er zijn huizen genoeg in Parijs die zich +vleijen met de exploitatie van eene goudmijn, _dans le pays de canaux, +canards, canaille_, als ze maar een hollandschen reiziger hebben. Foei, +wat zie je zuur om die aardigheid van den Heilige van Ferney! Het is een +woord, waarin veel waars steekt, schoon het mij hier zelden _ontsnapt_. +Drommels, neen, men moet in dit land zeer voorzigtig wezen; en toch +knijpen ze hier de kat in den donker. Maar wie zijn leven genieten +wil--_fameux!_"-- + +"Die moet naar Parijs," valt Vreese, met veelbeteekenenden blik in. + +"_J'ai longtemps parcouru le monde_."--neuriet de Braeuw "_Statt Reuter +bin ich nur noch Pferd_, dat is waar; maar toch heb ik andere dagen +beleefd, dan gij ooit bij den oude zien zult. Schnack's reiziger gaf mij +eens een kijkje op zijn leven, en schoon hij maar een apenkind was, en +zijn pret niet de geraffineerdste, dat moet ik van de _gesinnungen_ van +den man zeggen, hij was van de ware leer: _Le jour aux affaires, le soir +au plaisir_--_fameux!_ Er is overal goede wijn, en er zijn overal mooije +meiden--of ben je misschien getrouwd?" + +"_Excuseer!_" zegt Vreese,--een mal antwoord op zulk eene vraag. + +"_Pas d'offense_; aan een huwelijk valt in onze betrekking niet te denken, +en ook: _Que diable allait-il faire dans cette galere?_ Er zijn zoo weinig +vrouwen, die niet wel eens--_fameux!_ Maar je ziet al weer zuur, heb je +zusters?" + +"Wij hadden eene moeder, de Braeuw!" + +"_C'est du serieux, vraiment!_" maar Vreese lachte niet. "Wat ik maar +zeggen wil," vaart Braeuwtje voort, "dat ik een prettig leven heb +geleid; dat zit er achter den houten bak niet op. "Poot an speulen," zei +Schnack, "dat ist Hollandsch!"--het was al wat hij in dertig jaren hier +had geleerd; maar wien hij er toe kreeg, mij niet. Als ik er langer +gebleven was, dan zou het tusschen mij en den grompot tot +_daadwerkelijkheid_ zijn gekomen, _bei meiner Seele_, dat zou +het--_fameux!_ Maar ik kreeg de reizigersplaats te Rotterdam in 't oog, +in Verfwaren weet je;--in Creveld pakte ik de Linten beet;--nu heb ik +eene heele Galanteriekraam hij me. Kom eens kijken, als je lust hebt; in +de Star, No. 15, _a votre service_, mits ge mij niet alleen laat +babbelen. Adieu, Vreese, _au plaisir!_" + +Vreese oogt hem half verbaasd, half verontwaardigd na--en wel mag hij +het doen! Verbastering van taal en verbastering van zeden, niets +degelijks, niets hollandsch meer!--"Alleen babbelen!"--, wat zou hij hem +hebben toe te vertrouwen? Hoe arm aan gebeurtenissen, aan geneugten +vooral, is zijn leven in die jaren geweest! Wat heugt er hem van dan +ellende? tweeerlei jaloezij! De eene is hij te boven, maar de andere? + +Opdat ik niet langer in raadsels spreke, hij heeft bij Effens en Zoon +een' confrater gehad, die het veel verder in de wereld zal brengen dan +hij--het was ook een Oost-Fries. Als gij rondziet, hoe velen van die +natie, neen, van die inboorlingen van Embden, Leer, en meer stadjes van +smokkelige vermaardheid, hier wortel hebben geschoten, dan zult ge het +met mij eens zijn, dat of ons volk een predilectie voor hen heeft, of +dat zij met het genie der intrigue zijn begaafd. Gaarne vergun ik u +eenigen van dit dilemma uit te zonderen; ook ik ken er heusche menschen +onder, enkele zelfs reken ik onder mijne vrienden. Maar de +lessenaarmakker van Vreese vertegenwoordigde al de gebreken welke de +soort kenschetsen; hij wist "ieder schoenen naar de voeten te geven," +dat wil zeggen, beurtelings onbeschaamd en laagzielig, was het hem om +het even, of hij trapte, of dat hij getrapt werd--mits hij maar vooruit +kon komen, vooruitkruipen is het ware woord. Effens en Zoon--brave +kooplui in granen--waren in het eerst zeer met hem gediend;--niets +natuurlijker. Zij eischten slechts het redelijke van hem, maar hij zou +zich zelfs het onredelijke hebben getroost;--het was zijn belang hunne +relatien zoo spoedig mogelijk te leeren kennen,--en het scheen, dat +hunne zaak hem ter harte ging, als ware ze zijne eigene geweest. Hoe +verschilde het oordeel, over hem uitgebragt, naar het doel dat men hem +toeschreef: Vreese sprak van afneuzen en flikflooijen, terwijl de +patroons hem voorkomend en ijverig prezen. Weldra walgde de eerste van +den gluiper, en werd onaardig, norsch, bar tegen hem; de Oost-Fries +trachtte den steen, dien hij niet uit den weg konde schoppen, op zijde +te schuiven. Hij lasterde Vreese, maar de in het duister afgeschoten +pijl stiet op den schutter terug, en--hij kreeg zijn afscheid. Hoe +Effens en Zoon er voor boetten, dat hun open aard hun niet had vergund, +hem te verhelen, hoezeer zijn karakter hen tegen de borst stiet! +Naauwelijks was hij bij een' hunner niet overkiesche concurrenten +geplaatst, of deze schoten met het kruit, hun door den Oost-Fries +verstrekt, onder hunne duiven. Hij had een hoog salaris bedongen--want +hij kon relatien aanbrengen van zijn vorige patroons. "Dat gaat zoo," +zeide deze en gene; maar wie het zeide, Vreese niet. Trots al het geld, +dat zijn voormalige confrater nu verdient, zou hij niet in zijne plaats +willen zijn. Vier of vijf soorten van beroepen in zich vereenigende, en +partij trekkende van elk, bij wie het hem gelukt zich in te dringen, zal +het niet bij den _tilbury_ blijven, waarin hij straks Vreese voorbij +reed, een leelijk gedrogtje, maar dat geld heeft, aan zijne zijde. +Vreese, die zich niet weerhouden kon haar op te nemen, beantwoordde het +knikje niet, waarmee hij hem groette--zulke Oost-Friezen worden nooit +kwaad, weet ge. + +Welligt zou Braeuwtje, ondanks zijne wilde haren "amen!" zeggen op de +voorkeur, die Vreese aan "een' goeden naam boven olie" geeft; maar zijne +tweede confidentie, neen, het viel dezen niet te vergen _hem_ die te +doen. Stel u voor, welke oogen de losbol op zou zetten, bij het verhaal +eener hopelooze liefde!--"_Peut-on etre si bete!_" zou hij uitroepen, +"voor deze eene andere!"--Maar Vreese heeft Betsy al drie jaren gekend, +en nog is the _awful question_ niet over zijne lippen gekomen, al is hij +zeker, dat zij hem geen "neen!" zal geven. Hij zou haar vragen--als hij +maar geen kantoorbediende was. + +Eenige weken voor zijn bezoek van het Park zaten zij zamen aan de piano; +hij speelde, zij zong. Ik weet niet, welk teeder liedeke van Heije haar +deed haperen--genoeg, schroom beving haar, zij aarzelde;--o hoe gaarne +had Vreese haar door een' kus gezegd wat zij niet durfde uitbrengen! +Onwillekeurig hief zijne hand zich van de toetsen op, de verzoeking was +hem te sterk,--hij wilde zijnen arm om haar midden slaan. + +Helaas! + +Betsy begreep en verijdelde het gevaar, waarin zij verkeerde; ze zong +den tekst, smeltend als hij was. "Maar een kantoorbediende!" zuchtte +Vreese, op wien hare zelfoverwinning den invloed uitoefende van een koud +bad. En een derde kwam binnen en de piano ging digt,--Betsy ontving hem +sedert niet weer alleen. + +Ongaarne zou zij hem bedroeven, en echter een blaauwtje moest zijn lot +zijn; want wat zou zij, als ze hem nam, harer kennissen, harer +vriendinnen antwoorden, als zij haar vroegen: "En wat doet Mijnheer?" + +Ge zult als ik met Vreese ophebben, wanneer ik u verzeker, dat het hem +nog nooit was ingevallen te wenschen:--"dat Betsy rijk ware!"--dat de +gedachte aan een' _mariage de raison_ hem nog een gruwel was. Het is +waar, hij telde naauwelijks zeven en twintig jaren, maar: "liever naar +de Oost, dan door eene rijke vrouw de man te worden!" Hoe zich de zeden +afspiegelen in de onderscheidene beteekenis in verschillende eeuwen aan +de woorden gehecht! "De man": dat was weleer in hoogen en lagen kring, +de verpersoonlijking van moed en van kracht; dat was hij, bij +uitnemendheid, die de lans het rapste velde, die de bijl het zwaarste +neer deed vallen,--dat is in onze dagen hij vooral, neen, hij alleen, +die het hoogste woord mag voeren, dewijl hij geld heeft. En echter, gij +zult als ik Vreese beklagen, wanneer ik er bijvoeg, dat hij--er zijn +jaren verloopen sedert het oogenblik, 't welk ik schetste,--na vaak, +maar altijd vergeefs naar eene betere betrekking te hebben gestaan, zich +thans te oud acht om naar Nederland's Indie te vertrekken, en die +meening voedsel geeft door de theorie te onzent aan de orde van den dag; +"Een vogel in de hand is beter dan drie in de lucht!" Van den bedompten +kantoor-dampkring schier geheel doortrokken, is hij allengs meer der +onderdanigheid gewoon geworden, verbaast hij er zich zelfs niet langer +over, dat hij dag aan dag mede aan de beurs figureert: de nul, die de +eenheid vertienvoudt, maar op zich zelve slechts een nul is. +Conservatief _quand-meme_ gruwt hij van alle nieuwigheid-zoekers in alle +vakken; zoo de veranderingen, welke die "afbrekers" wenschen, tot stand +kwamen, ze konden hem zijne betrekking kosten; zijne betrekking die zijn +alles is,--sedert Betsy huwde!--Hij leeft immers nu _tevreden_--behalve +wanneer hij haar ontmoet, een jongske van een jaar drie vier, aan de +hand?-- + +Het deert mij, dat mijn onderwerp er me toe verpligt zoo veel geloof van +u te eischen, en toch zult gij weder op mijn woord moeten aannemen, dat +het nergens moeijelijker valt met een klein fonds zaken te beginnen, dan +in eene der koopsteden van ons vaderland,--dat men aan geen beurs, om +een' technieken term te bezigen, "meer op de tand wordt gevoeld," dan +aan de Amsterdamsche. Ware dit zoo niet, welligt had ik nooit uw geduld +door dit opstel op de proef gesteld; welligt kende onze taal den +smadelijken uitroep niet, aan het hoofd dezer bladen geplaatst. "'t Is +maar een pennelikker!" geldt minder dan veertien-, vijftienjarigen borst +die zich te goed doet op de zaken van zijn patroon, dan den +kantoorbediende van dertig of vijf en dertig jaren, die, trots zijn' +rooden hoed en kalen jas, aanspraak maakt door de heffe des volks +"mijnheer" te worden genoemd. "Foei, van den ziekelijken trots!" wilt ge +uitroepen; of ik u bewegen kon te zeggen: "De arme afhankelijke!" Vergun +mij den toestand andermaal in beelden te brengen, het zal de scherpste +toets van de billijkheid mijns verlangens zijn. Mogt die schets mijner +voorstelling tevens vrijwaren voor al te eenzijdige opvatting! Vreese en +de Braeuw kunnen misduid worden tot een beweren, dat kantoorbedienden +zelden trouwen, dat reizen in den vreemde onze jongelui bederft. Behoef +ik te verzekeren, dat ik noch het eene, noch het andere bedoelde? dat ik +slechts wilde afschaduwen, hoe de verloochening van zelfgevoel, waarvan +wij in Rivers eene proeve zagen, maar de eerste stap is tot nog zwaarder +ontberingen--Vreese--tenzij de natuur zich door uitspattingen wreke, als +in den verbasterden de Braeuw. + +Onze schilders bezitten een eigenaardig talent voor het huiselijke. Ik +heb het hun zelden zoo zeer benijd als in dit oogenblik; want ik moet u +een klein vertrek binnen leiden, zoo klein, dat gij het met een' enkelen +oogopslag kunt overzien. Gelukkig dat het avond is, dat er een tinnen +kapje werd gezet op de kleine lamp die in het midden der kamer op tafel +staat--anders gaf ik dadelijk den wedstrijd met hen op. Maar schort het +geheel aan mijn gebrek aan talent? Staar eens een oogenblik in die +graauwe schemering, buiten den kring des lichts, rond, en ge zult +begrijpen, waarom de heeren van het penseel zoo ongaarne hedendaagsche +binnenhuizen schilderen, waarom zij bij voorkeur de stoffaadje der +zeventiende eeuw kiezen. Of zou het u invallen den weerzin, welken hun +dit vertrek zeker inboezemde, toe te schrijven aan de menigte der +voorwerpen, welke gij allengs ontdekt? Neen, er is geen enkel onder +deze, dat zich opdringt, dat uitsteekt, dat schreeuwt. Er heerscht zelfs +meer orde in hunne plaatsing--lof zij der huisvrouw!--dan een schilder +verlangen, dulden zoude. Maar de lijnen dier meubelen, maar de +vermenging van allerlei stijl, in den vorm dier sieraden; maar het +volslagen ontbreken van een' harmonischen indruk des geheels, ziedaar +zwarigheden, welke moeijelijker zijn te boven te komen, dan dat de kamer +tevens tot huizen en tot slapen dient. Nog eenmaal zij de moeder des +gezins geprezen, er komt desondanks in het vertrek niets aan het licht, +dat der keurigste kieschheid ergeren kan. Doch orde in de schikking, en +zindelijkheid in het gebruik, het zijn wel voorwaarden van schoonheid, +maar zij volstaan voor haar wezen niet, dat eischt meer. Ik zou dan ook +geen woord reppen van dien vierkanten klomp houts, eene _chiffonniere_ +geheeten--zijn beslag is nog glanzig of het pas uit den winkel kwam--als +er naast de kleine, heel kleine pendule, op deze geplaatst, niet een +paar jannen van kastanjevazen hadden gestaan. Ik zou mij bij gebreke der +golvende lijnen van een ouderwetsch spiegelkabinet wel wachten, u een +aanregtje, alias _trumeau_, te wijzen, dat ons leelijk schoeisel aan het +licht brengt, als zich daarop niet een hooge pijpenstandaard had +verheven, wiens krullende koperen slang verwaten neerzag op een paar +herders en herderinnetjes van porselein. Ik zou--maar ge schenkt mij de +verdere beschrijving, dewijl ik niet als de schilders stoffeeren mag, _a +fantasie_, en ik maak dankbaar van uw verlof gebruik, na der vrouw des +huizes met een enkel woord te hebben verontschuldigd over de plaatsing +dier kastanjevazen, over die liefhebberij in gebakken beeldjes, na u +tevens te hebben verduidelijkt, waarom ik er van ophaalde. Beide waren +_cadeaux_, het jonge paar bij zijn huwelijk vereerd. De eerste werden +hun te huis gezonden door een' Oom, die het hart te hoog droeg om iets +nuttigs te geven; en de jeugdige echtgenoote, welke hem ontzag, wist +hare dankbaarheid niet beter te bewijzen, dan door een geschenk, waarvan +zij wel nooit gebruik zou maken--te pronk te zetten. De tweede zijn haar +vereerd door eene oude Nicht, "die eindelijk iets had gevonden, waarbij +men haar dagelijks gedenken kon,"--en of men het deed, bij de +porseleinen _sta in den weg's!_ + +Te over willigt, om u eene burgerlijke bovenvoorkamer voor den geest te +roepen, nu binnen het schijnsel der lamp gezien. Welk eene groep! Eene +moeder met twee kinderen: een jongetje van vijf, een meisje van drie +jaren,--het laatste zit stil op haren schoot, terwijl het eerste aan +hare knieen zijne avondbede opzegt. + +"Amen!" fluistert de moeder haar zoontje na. + +Maar hoe lief is die kleine in haar wolkje van wit nachtgoed; hoe koost +en streelt ze met hare mollige armpjes de wangen der moeder: zoo iets +laat zich niet beschrijven, het is te zeer natuur. + +Geloof mij, dat ik het verder zou brengen in het schetsen van het +jongske, dat niet afgunstig, maar toch benijdend aan hare knie staat, +en-- + +Daar legt zij de hand op zijn krullebol. + +"Ge zult woord houden, Wim?" vraagt zij. + +"Het eene versje kan ik nu al, moederlief!" en waarlijk, daar rolt een +dier gedichtjes van zijn lippen, welke van Alphen een' onsterfelijken +roem waarborgen--die hem bij de zaligen streelen mag!-- + +"Braaf, Wim!" zegt de moeder, "morgen het andere," en zij brengt Chrisje +naar hare wieg; doch eer zij ter tafel terugkeert, loopt het jongske +haar half ontkleed te gemoet. + +"Nu nog een zoentje voor vader,--komt hij haast weer?" + +Het knaapje vermoedde weinig, hoe zeer het de wensch zijner bekommerde +moeder ried--haar man was voor het kantoor zijner patroons reeds eenige +weken op reis. Zie, zij zit weder in haren leuningstoel; de weinige +toestel, voor het avondmaal der kinderen vereischt, is al weggeborgen. +IJverig vat zij de naald op, en echter, het is of het werk niet vlotten +wil. "Dat hij weerom ware!" denkt zij. En ze haalt een klein beursje uit +den zak, en zij telt de weinige guldens, welke er nog zijn, over; en zij +werpt een' blik op de pendule: al digt bij half negen ure? Wis zou zij +nog eenmaal in den almanak kijken, de hoeveelste van de maand het is, +als ze niet reeds lang November had te gemoet gezien, als ze er niet +zeker van was, dat het eergister al de eerste is geweest. "O, als hij +t'huis ware!" dan zou ze reeds toen het vierendeeljarig salaris hebben +ontvangen, en echter, hij had haar zoo stellig verzekerd, dat de heeren +het zenden zouden. + +De heeren!-- + +Honderde gedachten gingen haar door het hoofd; maar geene enkele, die +krenkend was voor haren man--honderde gedachten, in haren toestand, zij +zou eerlang weder moeder worden, dubbel pijnlijk. Wat was waarschijnlijker, +dan dat het op het kantoor vergeten was het haar te brengen; maar, zou +zij dan morgen, overmorgen, in de volgende week--zoo lang zouden hare +guldens niet strekken!--er om gaan vragen?--Slechts met looden schoenen +zou zij den trap opklimmen. Het wijf van een' daglooner eischt, bij +ontstentenis van dezen, zonder omweg, de penningen, die haren man +toekomen; maar zij, die juffrouw heet, die----En echter, de kinderen +hadden kleine behoeften voor den winter, in welke zij nog voor hare +bevalling voorzien moest, maar niet voorzien kon, als zij geen geld had +... O, indien zij zich dat alles had voorgesteld! indien zij had +begrepen, hoe zij toch altoos niets anders zou zijn, dan te groot voor +een servet en te klein voor een tafellaken, indien zij dat geweten had, +eer zij trouwde--foei! Zij had haren Gerrit immers nog lief, als toen +zij hem nam? En hare kinderen! Zie, al verzwaarde de ongeborene reeds nu +hare zorgen, als zij aan het derde zoo veel genoegen zou mogen beleven +als aan de beide eersten, dan had zij er dit, dan had zij er alles voor +over. Maar--als het Gerrit gegaan ware, zoo als hij zich vleide dat het +hem gaan zou, toen zij huwden, zoo hij een aandeel had gekregen, neen, +dan zou er nu geene glinstering van angstzweet op die fijne, vermagerde +slapen zijn geweest. + +Negen ure! + +O rijkdom van poezij die er in het hart eener moeder schuilt! Wat zij +haar zoontje ook zou laten worden, zei zij in zich zelve, geen +kantoorbediende! en toen dat afgepraat was, liep ze eene reeks van +beroepen door, en hare verbeelding schoot wieken aan, als hij eens een +man in _bonis_ wierd, als oom! Ja, die zou in staat zijn, als hij wilde, +het jongske voort te helpen: was hij niet een oud vrijer, was Wim niet +zijn petekind? Doch, als het hem dan eens goed ging in de wereld, heel +goed, zou hij haar dan nog liefhebben als nu, haar, Chrisje, den +ongeborene, zou hij dan ook smadelijk neerzien op zijnen vader, den +kantoorbediende! God beware hem voor zulk een' rijkdom. Maar neen, Wim +stond haar voor den geest. Wim, wiens oogjes--het waren sprekend die van +haren Gerrit--de verdenking logenstraften; Wim, die zoo veel van zijn +zusje, zooveel van haar hield. Eer zij het wist waren hare handen +gevouwen,--zij bad voor haar gezin, zij bad tot voor het ongeboren kind +toe. + +Het sloeg half tien ure! + +Helaas, de vraag: "wie weet waarom het geld uitblijft?" kwam weder bij +haar op. Gerrits laatste brief moest uit de plooijen van haar huiskleed +te voorschijn gehaald worden. Rijkdom bewaart ter nood minnebrieven, +--armoede draagt dien van den echtgenoot op het hart. Wat had zij hem +dikwijls gelezen, en telkens met dezelfde belangstelling! Liefde is de +ware lezeres. Daar stond het immers, dat zijne patroons reden hadden +over zijne reize tevreden te zijn, daar stond het: "Wijfjelief, het valt +mij hoe langer hoe zuurder van huis te zijn," dat was geluk! Al hadden +zij geen geld--de vrouw zegevierde op de huishoudster. + +Maar de moeder zag weder naar de klok. + +Bij tienen! + +Daar werd gescheld. + +Het was een jongman van het kantoor, en hij bragt geld; maar met welk +eene boodschap! Zij blijke uit den volgenden brief, dien Gerrit's vrouw +hem nog denzelfden avond schreef, met tranen in de oogen: + + +Lieve man! + +"Schrik niet, dewijl ge dezen van mij krijgt en wel buiten het kantoor +om. De kinderen zijn wel, en ik, Goddank! ook, alles gaat zooverre goed. +Maar straks is Wolf hier geweest, met een' kwade tijding. In plaats van +_fl_250, lieten de heeren weten, zoudt gij in het vervolg maar _fl_200 +krijgen; de zaken gingen zoo slecht. En Wolf zei: dat er gemakkelijk +eerste bedienden voor _fl_800 waren te krijgen. Ook liet hij zich +ontvallen, dat de heeren al eens gedacht hadden over een' volontair. Als +het niet anders kan, dan zullen wij de tering naar de nering moeten +zetten; maar het is hard met twee kinderen, en het derde voor de deur. +Ik zeg het niet om het je te verwijten, Gerrit! Lief en leed heb ik +beloofd met je te deelen, en ik zou het nog doen! Minder wonen, dat zal +niet gaan, het is nu al zoo eng; maar een geringer baker, ik zal er +morgen naar hooren. Ook kan ik het zijden kleedje, dat ge mij na mijne +eerste kraam hebt gegeven, wel weer vermaken,--jongens, wat waren we +toen rijkelijk! Maar, Wim zal toch naar school moeten,--het is een slag, +en dat zoo onverwacht! Als gij iets anders vinden kondt, al was het +buiten de stad,--ik zou er wel niet graag uit willen,--wat zouden onze +kennissen zeggen?--maar rondkomen is de eerste pligt. En het overige +laat ik aan God over. Ik had geen rust, Gerrit, voor ik het je had +geschreven,--het is mij nu of er een pak van mijn hart is. Want ik weet, +manlief, dat gij zelfs in nood en dood, alles voor mij en de kinderen +doen zult. En daarmee, goeden nacht! Nog eens, Wim en Chrisje zijn wel, +en ik zal mij opbeuren, tot je weer komt, wees daar gerust op. Het zal +immers niet lang meer duren? + + "Uwe liefhebbende vrouw + Aagje.--" + +P.S. "Wie weet hoe rijk we nog eens worden--want nicht Saartje heeft ons +zeker goed bedacht. Maar foei, ik doe doodslag in mijn hart,--o, dat +leelijke geld!" + + +Het lijdt geen' twijfel dat het den heeren--vrijstond, het salaris van +hunnen bediende te verminderen; maar dit zijner vrouw, zijner zwangere +vrouw te doen aankondigen, op het oogenblik, dat zij van zijne +afwezigheid bewust waren, is eene wreedheid, welke ik zelf niet gelooven +zou, indien ik haar verdicht had, indien het geen feit was!--Het lijdt +geen' twijfel, dat het niet enkel inhumaniteit, maar ook onverstand in +de heeren--verried; want waartoe zou ik het zedelijk gevoel mijner +lezers op de pijnbank brengen, door hun te verhelen, dat Gerrit op den +brief van Aagje ijlings te huis kwam, en een betere betrekking vond bij +lieden, die zijn' ijver en zijne kennis wisten te schatten? O hoe +wenschte ik er bij te mogen voegen, dat het ook geen twijfel lijdt, dat +allen, die op deze of dergelijke wijze den zwaren strijd tusschen +verdiensten en behoeften zagen beginnen, gered werden zoo als hij! + +Hebt gij er geene onder uwe kennissen, die wegkwijnen in den bloei des +mannelijken levens,--bij wie het uiterlijke verarmelijking verraadt, +bij wie het verstandelijke den kreeftengang schijnt te gaan,--eene +vereeniging van moedeloosheid des harten met verstomping des hoofds? +kantoorbedienden, welke beginnen in te zien, dat het hun leven lang +sukkelen zal blijven? Het schort niet aan den aard hunner bezigheden, +al zijn deze waarachtig geen prettige. De eene zou er zich over heen +zetten, dat hij het gansche jaar niets anders te doen heeft, dan een' +onaangenamen briefwissel te voeren:--een correspondent wordt +onwillekeurig een casuist, of hij bezwijkt onder de chicanes der +Duitschers. De andere zou het zich getroosten dat hij van primo Januarij +tot ultimo December, van den ochtend tot den avond, geen ander werk +heeft, dan te ontvangen en te betalen,--bij een' kashouder ontwikkelt +zich zucht voor numismatiek; immers, hoe houdt men het anders uit, geld +te tellen, dat ons niet behoort? Maar liefhebberij in het stellen van +vinnige brieven; maar liefhebberij in het nazien van allerlei +specien,--hoe verflauwen zij wanneer men het hoofd vol heeft van de +ellenden van een berooid gezin! Om ernstig te spreken, hoe zwaar wordt +de taak en hoe hard valt de pligt voor de zijnen te zorgen, als het +vooruitzigt op eene verbetering van ons lot met de droomen der jeugd +verdwenen is, als zelfs de flaauwste hoop ons niet meer prikkelt, +schraagt, troost! Het is of de geneugten van den echt, de weelden van +het vaderschap in banden en boeijen verkeeren. Wanneer men niet dus +gekluisterd ware! "Wanneer ik nog alleen in de wereld stond!" + +Eer ik u den toestand veraanschouwelijke, moet ik eene dubbele bedenking +weerleggen, die stellig bij u opkomt, al heb ik u straks met een woord +verzekerd, dat het allermoeijelijkst is te onzent met een klein fonds +zaken te beginnen, en ondoenlijk zonder. "Waarom," hoor ik vragen, nu +wij genaderd zijn tot den leeftijd, waarin dit beroep, waarin dat te +huis om strijd stuiten, "waarom klerk geworden op een koopmans-kantoor, +en niet op dat van een makelaar? die kan zonder fonds vooruitkomen!" +--en--: "Als kennis in handel nog iets waard is: waarom dan geen _associe_ +gezocht, die geld heeft? wanneer de eene hand de andere wascht, dan worden +beide schoon." + +Dat zij juist ware! + +Makelaarsklerken--de tegenwerping verpligt ons, eenige jaren terug te +gaan--makelaarsklerken zijn doorgaans vrijwilligers, zonen, neven, +vrienden, en dus jongelui, die vermogen genoeg hebben, om uit eigen +beurs niet alleen de leerjaren goed te maken, maar ook de teleurstellingen +te bestrijden, aan het beginnen van elk beroep verknocht. Of wanneer "de +vijanden van het liegen," zoo als Nieuwland de makelaars aardig noemde, +"dewijl het in geen duizend jaren gebeurt, dat zij iemand willens en +wetens bij den neus nemen," wanneer zij salarieren, dan kiezen zij +jongelui, arm genoeg om afhankelijk te blijven. De eersten nemen zij +slechts, wanneer zij ter uitbreiding hunner zaken, om het klimmen hunner +jaren, of uit welken hoofde dan ook, een' hulp verlangen, of naar een +opvolger omzien;--de laatsten moeten jonge menschen zijn, die hun nooit +in de wielen kunnen rijden; die tot altoosdurende slavernij zijn +gedoemd. Ik wil niet beweren, dat de kring der aspiranten, ten gevolge +dier inlichting, voor uwen blik bekrimpt; maar ge zult mij toestemmen, +dat het getal dergenen, die kans hebben, zich zonder vermogen in deze +loopbaan eene eervolle onafhankelijkheid te verwerven, klein, bitter +klein wordt. Bovendien,--er is in de onderstelling, van welke wij +uitgingen, "dat een makelaar geen fonds behoeft," iets zoo overonnoozels, +dat de broeders van den gilde ons zouden uitlagchen, als wij haar een +oogenblik voor goede munt aannamen. Wie niet durft, wie niet wil, wie +niet kan inkoopen "voor zijn' meester," dat is, eer hij een kooper +heeft,--wie niet "lipt," luidt de technieke term--wat heeft de sukkel +te doen? Hij verliest zijn eerstehandshuizen, die heden aan hunne +buitenlandsche vrienden berigt willen zenden, dat de partij afgedaan +is;--hij moge wroeten en slooven, van den ochtend tot den avond, hij +krijgt geene patroons;--want wat kan hij der tweede hand, den +commissionair aanbieden, dat ieder zijner mededingers niet evenzeer en +met hetzelfde regt veilt? De verbastering der zeden ging in Rome soms +zoo verre, dat de wijsste wetten krachteloos werden, dewijl men door +hare toepassing allen schuldig zou hebben verklaard; ik vrees, dat, met +luttele (doch eervolle) uitzonderingen, de algemeenheid des kwaads de +makelaars onzer dagen zal moeten vrijpleiten van transigeren met hunnen +eed. Het zij verre van mij, het daarom te willen vergoelijken; +integendeel, het sticht, als alles wat den standaard der zedelijkheid +verlaagt, onberekenbaar veel jammers, en brengt, zoowel voor den handel +in het algemeen, als voor kooplieden en makelaars in het bijzonder, +dikwijls, ik zou schier durven zeggen altijd, zijne straf met zich. De +voorbeelden zouden ligt zijn bij te brengen. + +De tweede bedenking heeft meer schijns, en wie zal ontkennen, dat +enkelen hare juistheid door den gelukkigen uitslag hunner pogingen +hebben gestaafd; maar heeft een mijner lezers de verantwoordelijkheid +gewogen, welke de jonkman op zich neemt, die de kans trotseert verliezen +te ondergaan, welke voor hem in persoonlijke schulden aan zijn' +deelgenoot verkeeren? Het is last genoeg om van terug te deinzen, eer +men zich dien op de schouders laadt, zelfs om den wil van een huwelijk. +Ik heb straks van de poezij van den handel gewaagd, en zeker, het is +streelend, door eigen vlijt, door eigen kracht, een' onbekenden naam bij +zijne medeburgers in aanzien te brengen,--door zijne kennis van zaken en +menschen, het vertrouwen van stad- en landgenooten te verwerven en te +verdienen,--aan zijne allengs uitgebreider betrekking een te huis te +hebben dank te weten, dat voor de zorgen, welke van zaken onafscheidelijk +zijn, schadeloos stelt!--Een te huis lief en waard, dewijl die woning, +ten gevolge van overleg en werkzaamheid, van eene gehuurde in eene +eigene is verkeerd,--een te huis liever en waarder nog, dewijl de +telkens in grooter mate genoten geriefelijkheden des levens de blosjes +lang op de wangen der gade doen wijlen, en er dikwijls in den lach der +vreugde een' zweem van jeugdige aanvalligheid op terugroepen--een te +huis, liefst en waardst bovenal, om het gekeuvel der kleinen, voor welke +zich, hoe rap zij ook opgroeijen, nog sneller uitzigten openen, daar +tien, vijftien, twintig jaren stipte eerlijkheid, in allengs toegenomen +zaken, honderdvoude belooning met zich brengen. Immers, de tijd is +zoowel een woekeraar ten goede als ten kwade! Aan de achting van het +algemeen, aan het vertrouwen, dat de naam des handelaars van beurs tot +beurs wint, paart zich het bewustzijn van een welbesteed leven; het +besef, in zijnen kring geluk te hebben verspreid, in zijnen stand bij +te hebben gedragen tot den vooruitgang van zijn Volk, van zijne Eeuw +misschien! Want, wie onzer acht het mogelijk, dat men het zoo verre zou +brengen, zonder degelijkheid van hart en hoofd, zonder zin voor +wetenschap of kunst, zonder liefde voor alles wat goed en groot is? Of +wat is natuurlijker, dan dat de man, ten gevolge van de inspanning der +helft zijns levens, met een groot vermogen gezegend, naar eene +burgerlijke waardigheid staat--geen ridderlint, bid ik u!--maar eene +plaats in den Raad der stad, tot wier welvaart hij bijdroeg--die hij +lief heeft gekregen, als de getuige van zijnen voorspoed--die hem aan +het harte ligt als de bakermat van zijn kroost? + +Er is veel uitlokkends in,--maar de penning heeft toch ook zijne +keerzijde. + +Een jaar twee, drie, waren Becker en Haeften geassocieerd geweest,--de +eerste bragt de kennis, de laatste bragt het geld aan, en, zoo er +compagnons zijn, die broederlijke vrienden mogen heeten, deze waren het. +Overmoed en overzorg, de gewone vloek van vennootschappen, uit zoo +ongelijke bestanddeelen zaamgesteld, bleven hun vreemd. Als gij hun +karakter hadt gadegeslagen, dan zoudt gij hebben opgemerkt, dat Becker +de vreesachtigste, Haeften de onbezorgste was, in het geven van crediet. +Beide gehuwd, moet ik mij zelven geweld aandoen, in geene schets van hun +gezellig verkeer uit te weiden. Het was een schoone droom van geluk. +Want, verre van den waan, dat de goede verstandhouding tusschen +compagnons het langst duurt als zij elkander nergens elders zien dan op +het kantoor,--er heerschte tusschen hen noch die ongelijkheid van stand, +noch die ongelijkheid van jaren, welke het opzettelijk vreemd blijven +van de gezinnen van associe's, van beider vrouwen vooral, soms raadzaam +maken--waren zij, zoo als ik zeide, van vennooten vrienden geworden; +geen huisselijk lief of leed van den een', dat den ander niet ter harte +ging. Het was eene dier zeldzame betrekkingen, waarin het bevorderen van +ons eigen belang veredeld wordt, dewijl wij er tevens tot het geluk van +vrienden door bijdragen.--De avonden na het afsluiten eener voordeelige +balance, beurtelings in den schoot van het een of ander gezin +doorgebragt, verkeerden in huiselijke feesten, op welke de vrouw van +Becker zich niet had geergerd aan de meerdere pracht in de woning van +Haeften, en die van de laatste er zich in verlustigde, dat alles bij den +eersten van welvaart getuigde, schoon zij er, en te regt, niet tot +weelde oversloeg. + +Het was in het derde jaar hunner associatie, en de looper reikte op een' +Vrijdagmorgen den patroons de brieven over. Haeften opende er eenen, die +hun eene aanzienlijke order opdroeg. Becker liep een' anderen door, het +schrift danste hem voor het gezigt. O, als de bankbreukige wist, welk +leed hij aanrigt; als hij het bedacht, eer hij, den achteruitgang zijner +zaken onder telkens uitgebreider ondernemingen bemantelende, vermetel de +rust van een tien- of twintigtal huisgezinnen meer op het spel zet,--hij +zou van alle gevoel vervreemd moeten zijn, eer hij _quitte ou double_ +waagde, eer hij zichzelven diets maakte, dat het hem _onder nul_ nog +vrij stond te beproeven, of de fortuin voor hem keeren wilde! Het was de +aankondiging van het faillissement van een' hunner grootste debiteuren. +Een huis, dat langer dan eene halve eeuw bestond--een huis, dat, tot op +den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot +--een huis, dat, reeds sedert jaren, zijn crediet in den vreemde +allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, de +aankondiging inziende, verbleekte? Wie vermoedt niet te gelijk, dat in +het volgende oogenblik _groot houden_, des ondanks, zijne leuze was? +De klerken zaten om hem heen, en er waren onder deze, die zijne +ontsteltenis al hadden opgemerkt. + +"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften, toen hij op zijne beurt de +jobsmare had doorgeloopen. + +--Het had erger kunnen zijn--voor iemand van Becker's gestel, van +Becker's geweten? oordeel zelf! Er kwamen geprotesteerde traittes voor, +door hen op het buitenlandsche huis getrokken, die natuurlijk dadelijk +gerembourseerd werden,--maar wier bedrag Becker voor oogen stond, toen +hij zijne arme vrouw en kinderen aanzag, door wier pas verworven +vermogen eene streep was gehaald, die er nu erger aan toe waren dan het +gezin van menig kantoorbediende--hij was Haeften schuldig!--Er moest +naar de beurs worden gegaan, en het gerucht had hun verlies reeds +verbreid, vergroot, vertienvoud; want de nijd had lang naar eene +gelegenheid uitgezien, het opkomend huis te benadeelen; want de laster +had vrij spel, dewijl zij er inderdaad eene aanzienlijke som bij +verloren. Becker las wantrouwen in de blikken van wie hen groetten, in +de deelneming van wie hen beklaagden. Hij bespeurde het in de opmerking, +welke hun kassier aarzelend maakte, dat hij geloofde, voor hen in +voorschot te zijn,--in de traagheid, waarmede hunne makelaars inkoopen +voor hunne firma schenen te behartigen, eene traagheid, die week, zoodra +zij 1 pCt. contant aanboden,--in de klagte der wisseljoden, dat er +schier geene nemers waren voor papier, zoo min voor kort als op tijd. +--Er school, ondanks zijn ziekelijke kwetsbaarheid, het gevolg van +zijnen toestand, van zijne hoogere vlugt dan zijne vlerken reikten, +waarheid genoeg in zijn vermoeden, om tot dubbele voorzigtigheid te +verpligten in de keuze der maatregelen, om de belemmering te doen +ophouden. Becker bragt nachten door, welke slechts de eerzuchtige, neen, +de gemoedelijke zich voor kan stellen; want zijn gezin had heiliger +regten op hem, op ons mogen toekennen.--Er volgde stilte op den storm. +Toen zij menige proef, welke de zaakkennis van oudere huizen nam, +zegevierend hadden doorgestaan, toen keerde het vertrouwen terug, en +vergat men het verlies, dat zij hadden geleden, ja, veranderde het +schier te hunner gunste, in een blijk, "dat zij toch goed moesten +staan." Maar wie het vergat, Becker niet--wie het voor een bewijs hunner +soliditeit liet gelden, Becker wist dat er slechts vijf ten honderd van +hunne aanzienlijke vordering te wachten viel; werken--werken--werken--werd +zijn pligt. Er bood zich eene gelegenheid aan, hun verlies te herstellen; +--het leed geen' twijfel, dat er nieuwe, voordeelige betrekkingen vielen +aan te knoopen, als men anderen vooruit wist te zijn in ijver, in +schikken naar den geest des tijds, in groote omzettingen voor geringe +winsten misschien. Eene verre reize moest met groote spoed worden +ondernomen; als zij slagen zouden, dan diende een der chefs van het huis +die zelf te doen. Becker ontwierp het plan, Becker ondernam haar, Becker +voerde haar uit,--hij was terug eer het algemeen wist, dat hij weg was +geweest;--hij had orders, groote, solide orders, zij wonnen veel gelds, +zij waren het verlies bijna te boven.-- + +"Het had erger kunnen zijn," zei Haeften. + +En de vrouw van Becker zeide het hem na, maar eens,--het was in den +nawinter, ontwaakte zij midden in den nacht: "Wie kucht daar? Becker! +Becker!"--Hij schonk een glas water in, en leegde het in een paar +teugen. "Wat scheelt er aan?" en, daar zij geen antwoord kreeg, werd zij +eensklaps wakker of het uchtend was; "waarom frommelt gij dien zakdoek +weg?" Helaas, niemand dan hij wist, dat hij reeds meermalen bloed had +opgegeven ten gevolge van de vermoeijenissen der reize, dacht hij,--ten +gevolge van den angst, dien hij maanden lang leed, van de onrust over +het lot van vrouw en kinderen, die hij nog niet te boven was. "Het had +erger kunnen zijn," zei de arts, die des morgens voor zijne legerstede +stond, en rust aanbeval, en veel van de naderende lente en van eenige +weken verblijfs op het land hoopte; Becker moest zich aan alle +beslommeringen onttrekken; Becker moest de zaken uit het hoofd zetten. +Och, die goede artsen, hoe redelijk eischen zij soms het onredelijke! +Maar waarlijk, het scheen dat het inderdaad erger had kunnen zijn. Eer +de lente kwam, werkte Becker reeds weder in zijne kamer, en toen hij +veertien dagen buiten was geweest, en zich--"beter, o veel beter," +--gevoelde, hijgde hij naar het kantoor, en de zomer zag hem tot tien +uren des avonds op zijne kruk voor den lessenaar zitten, want hunne +zaken stonden gunstiger dan ooit ... + +Echter liep de herfst niet ten einde, of zijne vrouw lag bij zijn +hoofdkussen op de knieen, en hij kuste zijne kinderen goeden nacht. +Haeften beloofde hem, voor deze te zullen zorgen,--en eene diepe stilte +verkondigde, dat het zijne laatste woorden waren geweest. + +"Suze ik had u zoo gaarne rijk achtergelaten!" + +Was het niet erg genoeg? + +Ik heb de voorkeur gegeven aan eene schets naar het leven, boven eene +schepping der fantasie, maar geloof niet dat ik tot de verdichting mijne +toevlugt zou behoeven te nemen, om u somberder tafereel op te hangen, +hoe menig klerk de vermetelheid koopman te spelen heeft geboet. Waarom +zoude ik het verzwijgen, dat de figuur van Haeften mij, om het +harmonische, dat zij den indruk des geheels geeft, beviel? Er is, in de +bescherming, welke hij den kinderen toezegt, iets, dat ons met het lot +des vaders verzoent. En echter, hoe zeldzaam is de afloop van +verbintenissen van dien aard zoo weemoedig-bevredigend! Hoe vele heb ik +er niet gekend, die mij het oude spreekwoord: "alle compagnieschappen +beginnen in den naam des Heeren, maar eindigen in den naam des duivels," +voor den geest herriepen? Het was altijd de vennoot, die luttel had +ingebragt, aan wien de kwade afloop geweten werd, hij was _te dit of te +dat_; genoeg, een man, die geen geld heeft, en wat dan ook _te_ is, wat +is hij anders dan een verloren man? _Le succes justifie tout_, zegt de +wereld; maar ik beschuldig den armen kantoorbediende niet van gebrek aan +moed, als hij zich laat terughouden van eigen zaken, door een grijnzend +gebouw, dat het verschiet verdonkert, door de _gijzeling_! + +Voor haar huivert de klerk van middelbaren leeftijd, wanneer de gedachte +aan een etablissement bij hem opkomt, zoo dikwerf hij zich ergert aan +het vrolijke leven der buitenlandsche volontairs, welke zijn +chef,--commissionair--zeehandelaar--bankier--bijna als zijns gelijken, +als zonen van den huize behandelt. Inderdaad, uitheemsche vrijwilligers +hebben zich slechts fatsoenlijk te gedragen, om in de gezelschapszaal +des patroons als gasten te worden ontvangen; noch in het fransch, noch +in het duitsch, noch in het engelsch, heeten de jonge lieden, die op het +kantoor werkzaam zijn, _bedienden_. Onze patenten zijn in dit opzicht +waar, tot krenkens toe.--Als er iets aardigs of geestigs in die +vreempjes schuilt, zijn zij overal welkom,--als ze vlugge beenen hebben, +introduceert men hen alom, tot op het Casino toe,--en waarom zou men +niet? Eens zullen zij zelve een huis van negotie oprigten, en de +herinneringen uit de jeugd geven aan de handelsbetrekkingen, ten gevolge +van deze aangeknoopt, iets duurzaams, dat latere mededinging tart. Voor +de _gijzeling_, voor den kerker, waarin hij misschien zijnen +ondernemingslust boeten zou, huivert de gesalarieerde kantoorbediende +terug, als hij de uitspanningen zijner kinderen vergelijkt met het geld +stuk slaan der onbezorgde trekvogels. O, geloof niet, dat de schaal +effen hangt, wanneer hij hen voor "een bok op een' ezel" uitscheldt, als +zij hem te paard voorbij rijden en hem noode groeten;--geloof het niet, +als hij u verzekert, dat zij er in hun nieuwe kleeren uitzien "als apen +dat ze zijn," terwijl hij zijn kaalgeschuijerden jas humoristisch digt +heeft geknoopt, om zijn vuil linnen te verbergen. Hoe pijnlijk gaan hem +zijn aardigheden tegen fransche comedie en italiaansche opera af,--als +hij niet te zeer verstompt is om eenigerlei malligheden te bedenken, om +zijn' nijd achter schimp te verbergen, om spijtig te zijn. Immers +uitvallen van dien aard onderstellen nog een besef van vatbaarheid voor +genot,--hoe dikwijls gevoelen de ongelukkigen niets dan het wigt des +juks, dat hunne schouders neerkromt! + +"Zoo ik nog vrij man ware!" zeiden wij, "wanneer ik nog alleen in de +wereld stond!" Inderdaad, wie zou dan de afhankelijkheid willen dulden, +in een' leeftijd, die zoo weinig plooibaars meer heeft; wie zou zich op +veertigjarigen ouderdom willen voegen naar de begrippen van nieuw +aankomende chefs, naar de grillen van jongere patroons! En echter--het +gezin, dat zich reeds zoo armelijk behelpen moet, het zou tot den +bedelstaf vervallen--zoo de plaats werd opgezegd. Verwondert het u, dat +de bedaagde bediende slaafscher kruipt dan een dienstbode, dat het +jammer met elk jaar ergerlijker wordt? O graauwende hairen, gebogen om +den wille van een karig loon! De meiden van het huis voeren hooger toon +dan hij. Op het bekende: "er is geene hand vol, maar een land vol," die +naive verklaring van het beginsel, waarop de wisselzin der vrouwen +steunt, antwoorden de deernen luchtig weg: "Er zijn meer diensten dan +kerken!" Hoe anders ontrust zich de bejaarde klerk over een +onwillekeurig verzuim, over eene vergeeflijke vergissing, dan zij het +zich over het grofste vergrijp doen. Het heugt mij, een' vijftigjarigen +Correspondent te hebben zien beven van verkropte gramschap, toen een +lafbek van een' Associe de pen haalde door een' vier zijdjes langen +brief,--en echter ging de man naar zijnen lessenaar terug en schreef +eenen anderen. Nooit zal ik de dankbaarheid vergeten, waarmede een +Kashouder den eerlijken borst de hand drukte, die hem het geld weerom +bragt, dat de laatste te veel had ontvangen, dat de eerste hem te veel +had betaald. De tranen stonden den grijskop in de oogen, en toch waren +het maar--vijf en twintig gulden. De volgende morgen zag beide, zoowel +na het eene voorval als na het andere, weder op het kantoor, weder aan +den arbeid, briefschrijvende en geldtellende; maar wat moet er in die +harten zijn omgegaan, toen zij, den avond te voren, in den schoot der +hunnen, ieder het zijne, hun gezin gadesloegen! "Dat leed ik om u," +dacht de Correspondent; en welligt relde zijne vrouw hem aan de ooren +over een' uitgang voor de kinderen, om het zien van een spel op de +Botermarkt, de bloeden waren nog nergens geweest! "Wanneer er dat eens +bij was gekomen," zei de andere, terwijl hij misschien zuchtende, de +rekening van den schoolmeester wegborg. Verg hem niet, dat hij zijn +kroost op die der armen zende: zijn buurman, de blikslager doet het niet +eens! + +"Als de armoede de deur inkomt, dan vliegt de liefde het venster uit," +zeiden onze vaderen, maar men went niet aan den ruwer toon, dien zij +voert. Maar men komt niet tot de onverschilligheid, die haar dragelijk +maakt; maar men leert het leven niet dulden, ondanks dat het lijden is +geworden, dan door ongevoeligheid, door versteening. Dirk, de kashouder, +of Daan, de correspondent, zijn zoo min dezelfde Daan of Dirk meer, +welke zij voor twintig jaren zijn geweest, welke zij, behoudens de +natuurlijke overgangen van den leeftijd, beloofden te zullen blijven, +als het paard, dat altoos een paard wordt geheeten, hetzelfde dier is, +wanneer het in jeugdigen overmoed de lucht van gehinnik doet daveren en +heiningen overspringt en stroomen klieft, en als het in een tuig +gespannen, dat het voor jaren zou hebben gescheurd als rag, den molen +rondstrompelt, blind en lam, met den vilder in het verschiet. Het is +even zeldzaam voor een van beide, deernis aan te treffen; maar hoe +verdienstelijk het zijn mag dierenapostel te wezen, menschen hebben +hooger aanspraak op ons mededoogen. En zoo lang ik niet geloof, dat +iemand tot dergelijke bestemming geboren wordt, zoo lang ik niet wankel +in de overtuiging, dat de wijsheid des Scheppers, welke in de Natuur +aller behoeften bevrediging waarborgt, zich af moest spiegelen in onze +beschaafde maatschappij, zoo lang zal ik de ziekelijke verschijnselen +van dezen aard bewijzen eener krankte achten, die genezing eischt. + +"Gierige feeks!" mompelde Doorne, in zich zelven, terwijl hij, op een' +zondag-avond in de laten herfst, den trap van zijn bovenhuis +opstommelde, "gierige feeks! het is hier zoo donker, dat men hals en +beenen breken kan!" + +Deze liefelijke toespraak gold niemand anders dan zijne vrouw, die toch +eens de liefste zijner jeugd, zijn mooi Kaatje was geweest,--die met +hare drie kinderen had zitten voortschemeren, terwijl hij door een' +zijner confraters van het kantoor--den expediteur--was vrijgehouden op +een heeren-diner;--de man was zoo aardig--buiten 's huis. Ik geloof +niet, dat het zijn doel was haar het verwijt toe te duwen, en echter +hoorde zij het. Op het portaal staande, had zij zelve, door een' ruk aan +het smerige touw, de deur opengetrokken, en zag, trots het duister, +waarover hij zich beklaagde, aan zijn struikelend klimmen slechts te +duidelijk, dat hij meer dan ontnuchterd was. Verwacht dus niet, dat zij +hem verbeidde, dat er eene ontmoeting plaats greep, zoo als +herderszangers er schilderen, bij de tehuiskomst van eenen daglooner, +een vriendelijk welkom, een kus als eene klok. In stilte hare smart +verkroppende, dat wrevel, louter wrevel in zijn gemoed alle vroegere, +zachtere, edelaardige aandoeningen had vervangen, trad zij de kamer +binnen en had licht ontstoken, eer hij over den drempel was gezwaaid. + +"Al weer roode oogen," gromde hij, haar opgewonden aanziende, "al weer +roode oogen; als je meent dat het grienen je mooi maakt, Kaatje, dan heb +jij het mis, danig mis, kind!" + +De vrouw antwoordde niet op den uitval; de beide meisjes, en hun +zoontje, zagen vader vreemd aan. + +"Huilen en pruilen," voer hij voort, "men zou waarachtig voor zijn +pleizier t'huis komen. Was ik maar met de jongens meegegaan--maar me +dacht, dat gaf voor een' getrouwd man geen pas! Hm, een getrouwd man! +Wie een fatsoenlijk meisje neemt, is er toch maar ongelukkig aan toe, +dat moet ik zeggen. Als het hem niet meeloopt in de wereld, als ze een +beetje de handen uit de mouw moet steken, dan zucht zij, dan steent +ze--" + +Het verwijt was onbillijk, want het gansche vertrek getuigde, hoe veel +netheid vermag om behoefte te verbergen; en Kaatje--brave vrouw als zij +was--beproefde te verhelen, hoe diep de smadelijke woorden haar +griefden. Zij deed het om der kinderen wil. + +"Maar, het is waar," voer hij voort, als tergde hem haar stilzwijgen, +--en toch zou het haar onmogelijk zijn geweest iets uit te brengen, al +had haar leven er aan gehangen,--"het is waar, je was het anders gewend. +Als jonge jufvrouw, hadt je een meid om je aan te kleeden, en schoon er +zie dat niet bij je oude lui is overgebleven, toch was het Mijnheer en +Mevrouw, ja wel!--" + +Hij moest veel gedronken--hij moest, zoo als het gemeen zegt, een' +kwaden dronk hebben, om dien toon aan te slaan; om Kaatje in hare +omstandigheden, in zulk een' oogenblik, aan hare jonkheid te herinneren, +toen betrekkelijke weelde haar deel was geweest, toen zij de poezij des +levens genoot:--achting, vriendschap, liefde--zij, die nu tot zulk een +laag proza was gedaald:--vergetelheid, armoede, smaad.-- + +"Gaat naar bed, kinderen!" sprak zij tot de kleinen, zoo bedaard ze zijn +konde,--zij had de oogen een wijle ten hemel geslagen. + +"Nacht paatje," mogten de meisjes zeggen; "paatje!" grinnikte hij, "wel +zeker, paatje! het was immers ook grootpapa _von Habernichts!_" Kaatjes +lippen sloten zich krampig;--de jongen was aan de beurt, een borst van +een jaar of tien. + +--"Goeden nacht--" + +"Haal me eerst mijn pijp, Bram!" + +"Ze is stuk, pa!" zei de knaap. + +"Stuk!" was het antwoord, "mijn meerschuimen pijp stuk! haal me mijn +pijp, zeg ik, of ik sla je de ribben stuk." + +"Doorne!"--viel de moeder in--"de kinderen hebben van middag achter +gespeeld, en het roer gebroken." + +"Dat komt er van; dewijl jij ze altoos t'huis houdt;--mijn pijp, jongen! +zeg ik." + +"Als wij het ruimer hadden, als we ze konden kleeden--" het was olie in +het vuur,--die laatste hoogmoed van Kaatje, de hoogmoed van eene moeder +op haar kroost! + +"Wat ruimer! andere vrouwen kunnen er meer van doen dan jij, maar die +zijn groot gebragt om den pot te koken, om--" + +Bram was van de achterkamer weer gekomen, met het _corpus delicti_ in de +hand: het viel den jongen aan te zien, dat niet hij zich aan den afgod +had vergrepen. De drift, waarmede Doorne de zenuwachtig trillende hand +naar het gebroken roer uitstrekte, onttrok Kaatje aan zijne +opmerkzaamheid; het laatste verwijt was haar te zwaar gevallen. + +"O God!" zuchtte zij, terwijl hij bulderde: + +"En wie heeft dat gedaan?" + +Bram zweeg. + +"Spreek op jongen!" + +Bram bleef zwijgen. + +"Als je niet antwoord, dan houd ik het er voor, dat jij de deugniet +bent.--" + +"Houd het er voor, pa!" + +Het was zoo ver gekomen in het huiselijk verkeer, dat het kind den vader +trotseerde,--schoon de knaap het uit een edel beginsel deed, dat +vergoelijkt het niet. + +"Doorne!" borst Kaatje uit, terwijl zij hem de hand zag opheffen, om +zijn kind te slaan, "Doorne! ge zijt u zelven niet,--straf Mietje, die +ze gebroken heeft,--maar doe het morgen, niet nu!--" + +De laatste woorden voegde ze er bij, dewijl Doorne opwaggelde, om naar +de achterkamer te gaan. + +"Er is nog een Goudsche pijp in den bak," zei Bram, instinktmatig naar +een' afleider toekende. + +Toen het kind andermaal uit de kamer was, sprak Kaatje, met tranen in de +oogen, en smeekend zaamgevouwen handen: "Doorne! er was een tijd dat ge +mij lief hadt--toen waart ge nooit beschonken,--moeten wij nog +ongelukkiger worden?" + +Het werkte. + +"Er was een tijd dat ge mij lief hadt!" O grootheid der vrouw die alles +geduldig had gedragen, bekrimping, ontbering, vernedering,--behoefte, +armoede, gebrek,--zoo lang zij aan zijne liefde gelooven mogt,--die ook +thans nog niet bezweek, al kon zij zich naauwelijks langer diets maken, +dat er nog een' vonk van het heilig vuur in de asch gloeide.--"Toen +waart ge nooit beschonken!" Er werd zedelijk verval, verstomping, +versteening toe vereischt, om op zijnen leeftijd de gezochte makker te +worden van een hoop losse jonge lieden, om genoegen te vinden in het +zwelgen met deze, terwijl vrouw en kinderen te huis zaten, en treurden +en teerden op de herinnering van blijder dagen.--"Moeten wij nog +ongelukkiger worden?" Kaatje voorzag slechts te duidelijk, hoe weinig +er in eene stemming, als die van dezen avond, na tooneelen als het +geschetste, toe vereischt zou worden, om hem mede te slepen naar die +plaatsen, waarop ter beschaming onzer hooggeroemde zeden, niet enkel de +weelderige wulpschheid der jeugd hare gezondheid, en in deze haar geluk: +de kracht des ligchaams en de krachten der ziel aan den wellust offert! + +Helaas, versteening des harten is zoo naauw verwant met verdierlijking +in genot. + +Het werkte, zeide ik; maar of het op den duur zou hebben gebaat, als +Doorne denzelfden slentergang was blijven gaan, aan een kantoor waarop +hij automaat was geworden, naar een te huis, waarin hem slechts +toenemende ellende verbeidde, wie weet het? Welligt ware hij, "om zich +wat op te beuren," al dieper gezonken; doch grooter onheil, dan hij zich +ooit had voorgesteld, trof hem: de Firma, in wier dienst hij arbeidde, +failleerde! Verslagen kwam hij op zekeren ochtend bij Kaatje, vroeger +dan gewoonlijk, te huis, en deelde haar mede, dat het met hem gedaan +was! Op zijnen leeftijd scheen hem het vinden eener andere betrekking +iets onmogelijks; hij was letterlijk wanhopig! + +"Een christenmensch wanhoopt nooit," hernam zijne vrouw, in haren +aandoenlijken eenvoud; "en allerminst onder rampen, die ons buiten onze +schuld overkomen." + +"Wacht maar tot de raven het u brengen!" + +"Foei Doorne! er valt geen muschje op aarde, zonder den wil van onzen +Hemelschen Vader,--als wij de handen aan den ploeg slaan ..." + +"Maar ik ben te oud voor de expeditie; maar ik schrijf niet mooi genoeg +voor de boeken; maar--" + +"Ik zal toch doen, wat mijne hand vindt om te doen,--niet waar, man?" +vroeg Kaatje. + +"Zou het mijn pligt niet zijn?" + +"Daar hoor ik mijn ouden Doorne weer," begon zijne vrouw, bemoedigd; +ijlings viel hij haar in de rede: + +"Maar het kwartaal is al eenige dagen verstreken--de patroons betaalden +nooit, tenzij men er om vroeg--wie weet hoe lang het duren zal eer wij +het krijgen? Daarbij, in deze kleeren zie ik er zoo schooijerig uit, dat +niemand me nemen zal; en een' hoed en een vest te koopen--crediet heb ik +niet, vrienden die leenen nog minder,--neen met mij is het afgedaan.--Ik +kan bakker noch slager betalen ... + +"Als het daar slechts aan hapert," hernam Kaatje, "dan weet ik raad, +geld zult ge hebben," en zij riep Bram, die op de achterkamer zijn zusje +schrijven leerde. "Jongen!" sprak zij, en met bevende handen sloot zij +eene latafel open, waarin een bijbeltje lag, in vloei gewikkeld--dat +vloei had dertien jaren dienst gedaan, het was een bijbel met een gouden +slot! O! de traan, die er op viel toen zij het nog eens bezag eer zij +het haar zoontje overreikte! "Brammetje?" zei zij, "op de ----gracht, +--het huis van de ----straat, is eene _Bank van Leening_.--" + +Zij had die toevlugt zeker menigmaal van verre en in het voorbijgaan +aangestaard, daar zij zoo juist de ligging, daar zij schier het nommer +van het huis wist,--en was er echter tot op dezen dag altoos nog +gekomen, zonder haren bijbel te verpanden. + +"Het zal niet gebeuren, Kaatje!" viel Doorne in, "het is het laatste +aandenken aan uwe moeder.--" + +"Dank voor het woord," zeide ze en reikte hem hare magere hand; "maar ze +zou me niet anders geleerd hebben, als zij er man en kinderen mee had +kunnen redden. Ge hebt eene ordentelijke plunje noodig en wij allen +moeten _eten!_ Bram! die groene deur ga je in--en--dan zal iemand je +vragen, wat je hebt--" + +Kaatje, die van buiten was, zoo als de Amsterdammers zeggen; Kaatje, die +in het hoofdstadje van eene onzer landprovincien was geboren en opgevoed; +Kaatje wist niet, hoe alles daar stil toegaat, het handuitsteken naar het +voorwerp,--het overreiken van het pand,--het beschouwen--het waardeeren +--heet het, geloof ik, stil, als ware de bank van leening het graf der +bedrogen hoop. Slechts de som, die men eischt, slechts de naam van den +verpander, wordt gefluisterd, of het eene misdaad was. + +"Dan vraag je zeventig gulden op het slot, het heeft honderd en vijf +gekost; doch als ze maar zestig of vijftig geven willen, dan neem jij ze +ook.--" + +Doorne hield de hand voor het gezigt. Beschaamde hem de moed zijner +vrouw,--kwam hij tot inkeer? Het knaapje zag zijne moeder aan, of het +zijne ooren niet geloofde. + +"En als ze vragen van wie je komt, dan zeg je van eene oude jufvrouw +..." + +"Een leugen, Maatje?" + +"Om best-wil, kind! Van jufvrouw Effen.--" + +"Toe jongen, ga dan toch," voer zij voort. Het kind was blijven staan, +vader en moeder beurtelings verbaasd aanziende. + +Bram ging met looden schoenen--niet dewijl het kind al wist, welk eene +droevige ervaring er in het woord der behoeftigen schuilt: "het gaat er +heen als eene veer, het komt weerom als een steen." neen, dewijl ook hij +een' instinktmatigen afkeer had van de schuine deur, die men niet binnen +gaat, maar insluipt. + +"O Doorne!" zei Kaatje, toen de borst de trappen af was,--zoo lang ze +zijne voetjes hoorden, hadden beide gezwegen,--"o Doorne al kwam het ook +nooit weer in mijn handen, zoo noode als ik het zou missen, zoo graag +heb ik het veil, als gij weer de oude wierdt, als ge mij liefhadt als +weleer, als ge begreept, dat ik maar zuinig was om bestwil!--" + +Doorne ware een onmensch geweest, als hij het niet had beloofd;--hij +deed meer, hij hield woord. Zoodra het jongske was teruggekeerd--met +geld;--zoodra de angst voor dadelijk gebrek, tot welken prijs dan +ook--geweken was, zoodra hij zich de vereischte kleinigheden had +aangeschaft, om als sollicitant uit te kunnen gaan--de kleederen maken +ook van den smeekende den man--trok hij de stoute schoenen aan. Hij +beriep zich op zijn ongeluk,--hij sprak van de familie zijner vrouw, +de familie, waarop hij gesmaald had, die schoon geen rijke, echter +fatsoenlijke, eerlijke brave lui waren geweest,--en hij slaagde. Eer +eene halve maand verstreken was, zag hij zich weder geplaatst, en wel +beter dan te voren, bij den echtgenoot eener vroegere, jongere vriendin +van Kaatje. Als deze haar bij wijlen des zondags uit de kerk een bezoek +brengt,--de vriendschapsbetrekking is door de heusche rijker gehuwde +weder aangeknoopt,--als Kaatje te harent komt, het geloste bijbeltje in +de hand, en Amalia dan het slot beziet, waarop zij weleer aan de knie +van Kaatje staande _Mozes_ en _Aaeron_ leerde kennen, en haar verzekert, +hoe haar dat alles nog heugt, dan denkt de vrouw van Doorne, en wel mag +zij: + +"Als gij eens wist, wat er sedert met dat boek gebeurd is, en hoe veel +ik er aan ben verpligt!" + +Gelukkig loopt het geen gevaar, andermaal in den Lombard te komen. De +betere mensch, de mensch, die hoopt, die verwacht, die uitzigt heeft, +en, daardoor geprikkeld, werkt, streeft en zich beijvert, is in Doorne +weder ontwaakt.-- + +Wat Brammetje in zijn volgend leven vergete, nooit doet hij het de +jufvrouw met mooije linten op de muts, die binnen chocolade zat te +drinken, en hem geene zeventig gulden op het bijbeltje van zijne moeder +wou geven:--"maar vijftig, het is zoo dun!--" + +Wie is er die eischt, dat ik nog dieper afdale, dan ik het in het +schetsen van Doorne deed, eer de val van het huis, waaraan hij zijn lot +verbonden waande, het middel tot zijn oprigting werd? Een verwaarloosd +huishouden,--een schot kinderen--als de term is--voor wier +verstandelijke vorming even weinig zorg wordt gedragen als voor hunne +zedelijke;--eene ellende, die overgaat van geslacht op geslacht? Men zou +mij beschuldigen van overdrijving, van zware toetsen naar willekeur +aangebragt. Ik zal er mij voor hoeden, hoe dikwijls dat alles ook het +lot is der ongelukkigen, van welke ik vermogende lieden, die aanspraak +maakten op humaniteit, en wie het in andere opzichten niet ontbrak aan +menschenkennis heb hooren beweren: "Zulke lui zijn er aan gewend, zich +te behelpen,--zij weten niet anders of het hoort zoo." Jammer voor deze +wijsgeeren, dat zij van tijd tot tijd uit hunnen zoeten waan worden +wakker geschrikt door het nieuws, dat een kantoorbediende zich aan het +goed zijns meesters heeft vergrepen, dat een kashouder op de vlugt is +gegaan, dat de verzoeking dezen of genen klerk te zwaar is geweest. +Dagelijks zagen zij weelde, en dagelijks leden zij ellende; geene +heuschheid beurde hen op, geen uitzigt bevredigde hen--en zij vielen! +--Veroordeel,--de maatschappij eischt het, de wet geeft er u het +regt toe,--maar beklaag tevens. Gelukkig zoo gij u zelven bevredigend +kunt antwoorden, als ge u gemoedelijk afvraagt: "Schoot ik niet te kort +in belangstelling in het lot van dien huisvader?--heb ik door het +vertrouwen dat ik in dien _arme_ schonk, hem niet op te zware proef +gesteld, zijne omstandigheden in aanmerking genomen?" + +Wie het er op waagde, dat hij in zijn heer en meester zulk een witte +raaf schieten zoude, Hammink wachtte zich wel voor een onberaden +huwelijk, Hammink, de vertegenwoordiger van een talrijke soort +kantoorbedienden, oud vrijer per systema, en egoist bij gevolg. Maar de +mensch moge eene bijdrage tot de natuurlijke historie leveren, zelfs een +klerkenslag laat zich niet generaliseeren als eene vogelensoort b.v., +laat zich niet afschepen met enkele trekken, zoo als: zulk een kop, +zulke veeren, zulke pooten en zulk eene vlugt. Hammink behoorde, om +dadelijk een bewijs te leveren, in hoe vele _species_ ook dit _genus_ +moet worden verdeeld, Hammink behoorde even weinig tot de overgroote +klasse van hen, die in hunne vrijheid--vergeef mij het woord, het feit +verdient geen beter--verliederlijken, als tot de zeer kleintallige, +welke in hun eentje vergierigaarden--ik vind de uitdrukking eer juist +dan mooi. Ook was hij geen _sentimental bachelor_, in onze tijden meer +in de wereld der verdichting, dan in die der wezenlijkheid aan de orde +van den dag, maar waarvan toch enkele voorbeelden zijn op te duiken. Ge +hadt jaren lang groot gevaar geloopen, hem evenzeer voor den gelukkigste, +als voor den welgedaanste van den gilde te houden. Hij was rond als eene +ton, want hij hield veel van een goed maal en een gullen dronk. Alle +_table-d'hote_-houders wisten, dat hij geene lijst voor een' maaltijd, +ter viering van wat het zijn mogt, ongeteekend terugzond. Hij wilde voor +eene geboorte, voor een' veldslag, voor een vijfentwintigjarigje; hij +wou voor alles mee eten, al had hij geen plan ooit te trouwen--geen +plan, voor zijn vaderland ooit eene vin te verroeren,--geen plan voor +eenige maatschappij ooit een' driegulden af te schuiven. Ge stemt mij +toe, dat de man in geen' gelukkiger leeftijd dan in den uwen en den +mijnen kon zijn geboren; wat het aantal _diners_ betreft, meen ik. +Behoef ik er bij te voegen, dat hij _habitue_ van elk koffijhuis was, en +nergens minder te huis dan op zijne kamer? Het was er dan ook eene kamer +naar. Doch wat maakte het uit? Vrienden zag hij niet, om de +doodeenvoudige reden, dat "een jonge heer zich met al dat gesnor niet +kan ophouden." En bovendien, man! hij was het zoo veel beter gewend, dan +zijne meeste gehuwde kennissen opdischten. Welk een poespas! Dan at hij +anders in de ---- en bij ---- en aan ----; allemaal middelmatige +logementen, op mijn woord! + +Laat mij voorzigtig zijn--ik ga den man in een scheef licht voorstellen; +hij was niet ontbloot van gevoel; hij had eene plaats in den bak van den +(toenmaligen) Stads-schouwburg te Amsterdam. + +Vijf en twintig jaren lang was hij er elken Zaterdagavond, zoo trouw met +den klokslag, als de _souffleur_ in zijn hok; vijf en twintig jaren, in +de eerste tien van welke het parterre-publiek, geregeld eens in de +week,--en wel op zijn' avond--in tranen zwom, bij de vertooning van een +treurspel. Al zijne meewarigheid, al het vrouwelijke in zijn gemoed, al +de verteedering, waarvoor hij vatbaar was, plagt zich daar des winters +lucht te geven; het was eene soort van veiligheidspijp voor +aandoeningen, welke hem anders duurder zouden zijn te staan gekomen, +Dries, Jans of Trui--(de heer Snoek en mevrouwen Wattier-Ziesenis en +Grevelink)--ontlokten hem tranen: waarachtig, iets dat naar tranen +zweemde;--hij had er de gansche week geen' last meer van. Vooral wanneer +hij in de pauze een stevig glas punch had gedronken bij Casje, en daarna +een ballet gezien, dan waren alle sporen van verweekeling weer glad +uitgewischt. + +_Probatum est!_ + +Als een arme drommel van een' confrater, met een zwaar huishouden +belast, hem in de volgende week tien gulden ter leen vroeg, dan +antwoordde hij: "Jongen, je weet, dat ik het nooit doe;" en herinnerde +zich te gelijk, hoe het hem, eergisteravond, bij het tooneel tusschen +Ninus en Semiramis, op nieuw gebleken was, dat zijn hart wel op de regte +plaats zat. Zoo iemand, hij trok partij van zijne liefhebberij voor de +kunst!--Als hij in den zomer, op zijn gewoon zondagstogtje naar Haarlem, +eens bij toeval van Piepenbrink was afgedwaald,--hij zag er het bekende +_uitstapje_ zoo gaarne _in natura_--en hem eene arme vrouw in de +Spanjaardslaan verraste, dan zou hij misschien in den zak hebben +gegrepen, als hij er niet juist aan gedacht had, hoe Phedra wenschte in +de lommer van het bosch te zitten, om een' wagen na te oogen, in wolken +stofs gehuld! "Loop naar den drommel!" riep hij der vrouw toe, zij +stoorde zijne illusie.--Een bewijs nog, en gij schenkt mij de overigen. +Wanneer zijn patroon hem eens wat hard viel--het moest erg zijn eer hij +het voelde,--dan troostte hij er zich mede, hoe diep de man, trots al +zijne schatten, toch nog beneden Augustus stond; Augustus die tot Cinna +zeide:--wie weet niet wat?--Verwondert het u nog, dat het klassieke +treurspel op zoo vele ongeroepen aansprekers bogen mogt? + +Ik heb de eenige poetische zijde van zijn karakter in het licht gesteld, +men vergunne mij te zeggen, de eenige plek aangewezen, waarop eenige +soort van poezij vat op hem had--behalve het epicurisch genot der tafel. +Ge begrijpt wat hij leed, toen het treurspel uit de mode raakte. Houd +het er echter voor, dat hij het zou zijn overgekomen, als hij niet, +langzamerhand, een dagje ouder geworden, eene kwaal had gekregen, die +hem van tijd tot tijd hulp, toespraak, gezelschap, onontbeerlijk maakte. +_O obstructies! o hemorrhoides!_ Hammink--het motief was het vreemdste, +het ongehoordste niet--Hammink dacht inderdaad aan een huwelijk, hij zat +zoo alleen--hij was zoo vlug niet meer--ter been altoos.--Vrienden? hij +had er geene.--Kennissen? die komen naar geen' grommert omzien.--Een +huwelijk dus. Maar wie zoude hij vragen? wie kende hij? + +Deze--die--dat--vul al de fraaije benamingen, waarmede een oud vrijer +vrouwen en meisjes bestempelt, zelf in,--neen, het ging niet. De dagen +om er eene speculatie van te maken waren voorbij. Voorbij? had hij er +dan ooit plan op gehad? Kwade tongen relden wel, dat hij in zijne +jeugd--vroeg--heel vroeg--naar een weeuw had gevrijd, die rijk, zeer +rijk was,--maar dat hij er met een blaauwe scheen af was gekomen. Hoe +konden de menschen het zeggen? O logen! Had hij dan niet op hare +bruiloft gedanst, ik meen, gegeten, voor zes? En dan te verspreiden, dat +hij verliefd was geweest,--verliefd--de kwaal, waarvan men bleek ziet, +al is men zwart als Orosman;--verliefd--dat ding waarvan de helden den +mond vol hadden, tot Titus, den zoon van Brutus toe, maar waarvan hij, +ondanks al hunne tirades, nooit het verhevene had begrepen. Het was +laster; schandelijke, zwarte laster. Doch, dat mogt zijn zoo het wilde, +hij had nu behoefte aan oppassing. Hoe dit den kring beperkte, waaruit +hij kiezen kon! Van eischer was hij er waarlijk toe gebragt te +overleggen, welk voordeel een huwelijk met hem, zelfs een burger-, zelfs +een minder meisje aanbood. Een meisje?--ja!--want wat hij over 't hoofd +mogt zien, op twee voorwaarden moest hij aandringen, slechts om deze +huwde hij: zij moest jong, zij moest vlug wezen. Het was ligter die +beide vereischten te vinden dan den steen der wijzen; maar hij had toch +in geen zijner treurspelen ooit iets gezien, ooit iets gehoord, dat naar +een' echt zweemde, als dien, welken hij zat te beramen. Het was iets +ongehoords in de zoogenaamde klassiek, en ook de romantiek leverde er +maar weinig voorbeelden van op. Zelfs de historie van "het Spaansche +Heidinnetje" maakte beter figuur dan de zijne zou doen. + +Goden en menschen!--hij trouwde de meid van zijne commensales. + +Arme stakker! Op zijn vijfenvijftigste jaar heeft hij het pleizier aan +het wiegetouw te trekken,--en bitter weinig oppassing op den koop +toe;--zelfs de meid vindt niet dat zij fortuin heeft gemaakt met een' +kantoorbediende. + +Het valt moeijelijk ernstig te blijven bij eene figuur, bespottelijk als +deze;--en echter was het mijn doel niet, uwen lachlust op te wekken; +echter zijn Hammink's gelijken beklagenswaardiger dan gij gelooft. Van +alle gewaagde echtverbintenissen schijnt mij die van ongelijke +standen--een jammer, waartoe meer klerken vervallen dan onze +tooneelkijker--de meeste kwade kansen te opleveren. Het strijdige der +begrippen van beide echtgenooten over allerlei menschen en allerlei +dingen kweekt een eindeloos verschil van meening. Wat vertrouwelijks, +wat innigs is denkbaar, waar sympathie in wijze van zien faalt? Stel u +een paar voor, bij hetwelk zoo min verstand als gevoel ongeveer in +dezelfde mate zijn ontwikkeld en beschaafd, en zeg mij, of de band niet +los zal springen, zoodra verzadiging op genot volgt? Hebt ge ooit +huiselijk heil benijd of bewonderd, waar de echtgenoot in eene geheel +andere wereld van gedachten en gevoelens leefde, dan de gade, of +omgekeerd? Het is veel, als het bij louter koelheid, louter vervreemding +blijft; als de ongelijkheid geene walging, geen' weerzin opwekt. +Verscheidenheid moge tot eenheid voeren, van elkander afkeerige +elementen kampen tot het sterkste overwint. Enkele malen, het is waar, +trekt de man zijne vrouw tot zich op, of haalt de vrouw haren man tot +zich neer; maar gewoonte, die ons van kindsbeen af bootseerde, is eene +onhandige herschepster; zij doet het volwassenen slechts pijnlijk, +stuksgewijze, en niet zonder herhaalde wederinstorting. Liefde is +almagtig;--doch is de liefde van een' klerk voor eene meid, is dat de +hartstogt, die, veredeld, het onmogelijke mogelijk maakt? Helaas, neen, +hoe weinig is zij in harmonie met zijne jeugd, zijne opvoeding, zijne +herinneringen,--hoe wreken deze zich, als hij zijn kroost aanziet! +Kinderen uit zulk eenen echt zijn geene strikken, welke het paar naauwer +aan een sluiten, het zijn struikelblokken, die den dagelijkschen omgang +verzwaren. Hoe verscheiden is het oordeel van zulke ouders over hunne +vorming niet? Wie schetst de ergernis eens vaders, die in zijne dochters +dezelfde onbehouwen stukken vleesch ziet opgroeijen, als waaraan hij +zich verslingerde; wie het leed eener moeder, die zoo gaarne uit hare +jongens iets aers zag opwassen, dan het evenbeeld des timmermans, wien +zij in een zwak oogenblik hare hand gaf? Ziedaar de wroeging naar het +ligchamelijke; dat het naar den geest beter ginge! Maar hetzij de man of +de vrouw ophebbe met een weinig meer beschaving, met ietwat opener zin +voor het welvoegelijke, het bevallige, het edelaardige, het verhevene +--het zijn allen zusters van het schoone--hoe dikwijls grieft het hem of +haar, bij melieve, of bij mijnlief, in plaats van eene ijverige hulpe in +de ontwikkeling, onverschilligheid of wederstand aan te treffen! Men +begrijpt elkander niet,--men voelt verschillend,--men doet zeer zonder +het op te merken,--men kwetst eer men het weet,--men ergert elkander,--men +kwijnt weg,--men geeft het op;--arme kinderen, wat wordt er van u? + +Vernedering in de jeugd, als bij Rivers; verloochening in de +jongelingsjaren, als bij Vreese; afhankelijkheid in den middelbaren +leeftijd, als bij Gerrit en Aagje; verval naar ligchaam en geest in den +voorherfst, als bij Doorne; vervreemding van den kring waarin men +geboren, voor wien men gevormd werd, als bij de beteren uit de klasse +van Hammink,--of de avond van het leven van een' kantoorbediende, de +ellende van ochtend en middag opwoog! Vlei er u niet mede, tenzij de +klerk reeds vroeger getracht hebbe boekhouder te worden,--bij een' +komenijsman, bij een' winkelier, bij een tweedehands huis, bij wie hem +nemen wil, in een woord,--de wijssten doen dit het vroegst. Het geeft +aanleiding, met meer menschen in betrekking te komen; het bewaart voor +den vloek, van een' enkele af te hangen. Ik ken er, die zes, zeven pezen +van die soort op hunnen boog hebben, en er hun wit mee beschoten: eenige +huisjes, een effect of wat, en kroost, des noods in minderen, maar toch +degelijken stand geplaatst. Zoo behoort het--genadebrood is altijd hard, +maar hardst uit de handen van jongeren van dagen. Waan daarom niet, dat +allen zoo gelukkig zijn. Al ziet gij zeldzaam een man, die al grootvader +is--en toch nog kantoorbediende--des middags naar de beurs strompelen, +om dezen of genen jongen mensch in een' anderen hoek dan dien van het +huis op te sporen, en hem te verzoeken, eens bij den patroon te komen, +--daar zijn er, voor wie de schaduwen zich verlengen, zonder dat zij hun +ruste aankondigen. Daar zij er, die 's ochtends naar het kantoor sukkelen, +traag van voet en stijf van leden,--die binnenkomen, met het hoedje in +de hand, schoon kaal of grijs van schedel,--die den rok aan den kapstok +hangen, schoon de hand hem naauwelijks meer beuren kan,--die de pen +versnijden met bevende vingers. Aan uwe taak, oude stumper, of gij en uw +besje hebt gebrek! O, hooggeroemde vrijheid onzer instellingen! wat wist +de oude vassal van zulke ellende? Plagt hij niet voor de deur zijner +hut, in de lommer der eiken gezeten, rustig toe te zien, hoe zijne +kinderen en kleinkinderen feest vierden op het groene gras; had hij +geene bete broods en geen glas melk over voor den moeden pelgrim, dien +zijne oogen in het verschiet niet meer konden onderscheiden, maar die +den grijze met een: "de heilige maagd zegene u!" genaderd, door dezen +"welkom!" werd geheeten, onbekommerd welkom? Het is waar, als de trompet +werd gestoken, als het strijdros op het voorplein van den burg trappelde, +als de ridder, de heer, zich het harnas om de leden gespte, dan moest +zijn zoon, zijn kleinzoon, den ploeg den ploeg laten, om de morgenster +of den strijdakst op te nemen, om te velde te trekken voor, neen! met +zijnen meester; want voor wat anders vochten deze, dan voor het stuk +gronds, dat hunnen oogst droeg, dan voor de kleine woning, wier dak de +grijsheid en de jeugd, het verledene en de toekomst, hunne ouders en +hunne telgen herbergde? De dagen der grafelijkheid leverden geene +wedergade op van het jammer onzer handels-eeuw. + +Eene vergelijking uit onzen tijd! + +Er gaat in den ganschen lande maar eene stem op over de bureaucratie, +welke ons uitmergelt; doch schoon de jongste wet op de pensioenen werd +verworpen, hoe luttel leden der Tweede Kamer loochenden de billijkheid +van het beginsel, dat dertig of veertig jaren trouwe dienst aanspraak +geven op een onbezorgden ouden dag! Eere den minister, die menschen- +kennis genoeg had, den staat noch eerlijke, noch ijverige dienaren te +durven beloven, als alle uitzigt op pensioen, den ziekelijken of bedaagden +werd ontnomen. Maar wie waarborgt dit den kantoorbediende, den klerk, die +meer van zijnen patroon inschikt, dan de ambtenaar van zijnen superieur; +den pennelikker, die niet, als de geemploijeerde, gegronde hoop +koesteren mogt op bevordering? Waarlijk, de laatste valt naauwelijks +onder de automaten te betrekken; want er was een prikkel, die hem +aanvuurde; want, vergelijkender wijze gesproken, had hij veel vrijen +tijd; want er blijft voor hem eene rust over, als de Heer zijne dagen +rekt. In den toestand, dien wij beschouwen, schemert geenerlei licht den +donkeren nacht door, dan de bleeke toorts des medelijdens van een jonger +geslacht; bouw daar uwe hoop eens op! Het is hartverscheurend, dat ik er +bij moet voegen, dat eene kleinigheid, "te veel om van te sterven, te +weinig om van te leven," slechts zelden wordt toegestaan, zeldzamer nog +met die genegenheid, waarop de dienst van een gansch leven regt geeft. + +Er is iets verschoonlijks in de aarzeling, waarmede men er toe komt, +eenen ouden klerk van zijne werkzaamheden op het kantoor te ontslaan, +schoon men hem zijne bezoldiging blijft uitbetalen. "Wie weet hoe lang +het met den ouden man nog duren zal?" heet het soms, "in de laatste +jaren hadden wij toch reeds zoo weinig dienst van hem." En echter, och, +dat ge liever bedacht, dat zijne beenen verstramd zijn, door het +opklimmen van uwe trappen,--dat zijne oogen verglaasd zijn, bij het +licht van uwe lamp,--dat zijn hoofd suf is geworden, door het optellen +van uw vermogen--uw vermogen!--Hij heeft stellig dat uws vaders, +misschien dat van uwen grootvader gekend--hij heeft geweten, hoe deze +begon--overlegde--groote winsten had. Al die jaren bleef hij de oude +knecht; of was uw voorganger milder dan gij, zijne kleine douceurs +werden wel vereischt, om zes of zeven kinderen groot te brengen. Hij +heeft meer voor u gedaan, dan al die dagen en maanden en jaren der zaken +uws vaders te wijden--niet meer dan hij schuldig was, als ge wilt, maar +dat u niet minder aan hem verpligt:--hij heeft gezwegen, gezwegen met +voorbeeldige trouw, toen eene onderneming van uwen grootvader faalde, +toen zijn crediet hem staande hield, terwijl de schaal van zijn vermogen +wankelde. Als gij die toen welligt nog in de wieg laagt, of zorgeloos +speeldet en stoeidet, getroeteld kind als gij waart, rijke jongeheer als +gij heettet, wanneer gij er toen begrip van hadt kunnen hebben, hoe uwe +toekomst, hoe de middelen van herstel afhingen van de stilzwijgendheid +van dien eenvoudigen, burgerlijken man, dan hadt gij hem gaarne een' +onbekommerden ouden dag beloofd, ten prijs zijner geheimhouding. Die +oude getrouwe! Als hij voor zich en de zijnen bad, dan bad hij ook voor +u, want het huis uws vaders was schier zijne Voorzienigheid, en hij +wiens naam gij draagt, wiens vermogen gij erfdet, wien gij uwen rang in +de maatschappij verschuldigd zijt, hij had dien eenvoudigen, +burgerlijken man lief! + +"Waar blijft Loman toch?" vraagt de nog jeugdige patroon, eene plaats +aan den lessenaar ledig ziende. + +En het antwoord is niet: "Loman is ongesteld," want het is ongeveer eene +halve eeuw geleden, dat de man in den leeftijd was, waarin deze of gene +uitspatting op kermis of partij met een' dag te huisblijvens wordt +geboet,--ook is het hem tusschen de twintig en dertig misschien geene +drie malen gebeurd. En het antwoord is nog minder: "Loman heeft verlof +gevraagd, om naar buiten te gaan," want noch zijne betrekking, noch zijn +salaris, hebben hem ooit vergund boven Utrecht te komen, en sedert hij +getrouwd is, heeft hij, even als de aartsvaders naar het paradijs, +dikwijls maar vergeefs, naar Haarlem uitgezien; de slatuintjes en de +Amstelveensche weg,--ziedaar al de schoone natuur, welke hij in twintig +jaren genoot. Sloten of Ouderkerk is zijn _Ultima Thule_ geworden. En +het antwoord is allerminst: "Loman viert de bruiloft van een zijner +kinders," want dat feest zou de man op zondag hebben geschikt, als er +van zijne vier dochters meer dan eene enkele gehuwd was. Stel u gerust, +de overigen winnen zelve den kost, door mutsen opmaken, door kleedjes +verstellen, enz, enz.--de middelen waardoor eene oude vrijster er ten +minste voor bewaard wordt, van honger om te komen. + +Het antwoord is: "Loman heeft de jicht!" + +De jicht! Vreeselijke kwaal voor een' geest, die nooit had geleerd in +lectuur afleiding te vinden, door nadenken;--die, in het huiselijk +tooneel om hem heen, niets opbeurends aanschouwde,--die maar wenschte, +dat hij zich op het kantoor weer van zijn' pligt kwijten kon,--die de +ziekte verergerde door het ongeduld. + +"Het is lastig," zegt de patroon. De man meent voor hem, aan den zieke +denkt hij niet. + +Er verloopt eene week, en de chef herhaalt de vraag, en het antwoord is +hetzelfde. Jan (de knecht) is in het voorbijgaan bij den oude aangeweest, +--de boodschap blijft "_pijnlijk!_"--Voor twintig, voor tien jaren nog, +toen de man, zoo al niet meer in zijn' fleur, echter nog vrij kras mogt +heeten, zou de patroon zelfs eens hebben gaan zien, hoe hij het maakte, +deels uit belangstelling, deels uit belang. Maar nu! de oude zaak, die +Loman zou napluizen, moet dan maar weer een veertien dagen rusten;--de +jicht, wat is daartegen te doen? Weleer--ja, toen zond mevrouw eene +flesch wijn voor den herstellende, nadat zij een potje gelei had gestuurd, +om op de bittere medicijnen toe te nemen,--doch thans, er is voor den +ouderdom geen kruid gewassen, het einde is toch de dood. + +Duid het menschen van jaren eens ten kwade, dat zij gierig zijn, als ge +zoo vaak ziet, wat grijsheid is zonder geld! + +Het eindje was bij Loman niet de dood; op een' maandagmorgen, later dan +anders, maar toch niet over kwartier over tien, kwam Loman, vermagerd en +aemechtig, zijne plaats achter den lessenaar hernemen, eene schaduw van +hetgeen hij nog voor een jaar was geweest. De jicht heette geweken voor +het zoele weder, voor het roode flanel, dat de knie nog omzwachtelde, +voor--waarom het verzwegen?--voor den ijzeren dwang der behoefte; de man +steende bij iedere beweging, en zijne borst "was niet vrij." Als gij er +aan getwijfeld hadt, dan had zijn kuch er u van overtuigd. + +Het werk ging drie dagen lang zoo als het kon. + +Den vierden ontmoette mevrouw hem toevallig bij den trap--hij zou haar +voorgaan--ik spaar u het overige. + +Den vijfden zei de patroon: + +"Je kunt in 't vervolg wel t'huisblijven, Loman, we hebben toch weinig +meer an je." + +Het ging mij door de ziel--want de chef liet een paar minuten verloopen, +eer hij er bijvoegde: + +"Je salaris blijf je trekken." + +O die oogenblikken, eer dat woord het afscheid verzoette, wie schetst +ze? De oude voelt niet vlug meer; het trage bloed sluipt slechts door de +aderen; de verdroogde, gerimpelde huid schijnt aan te kondigen, dat het +tijdvak der gewaarwordingen met dat der driften voorbij is;--maar +wegzinking van oogen en waggeling van knieen, maar beving der handen en +trilling der lippen; vergete haar wie het kan, mij heugt de ergernis of +ze mij heden eerst tegen de borst stiet. De ergernis, zeide ik, het +ergerlijkste volgde eerst. Naauwelijks was de toezegging gegeven, of de +stumper drukte de handen van den patroon, die zich dezer gemeenzaamheid +schaamde. Het was een tooneel, om aan de woorden van Pius VII te denken, +toen ligtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs +gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker +verzwaarde. "Jonkman!" zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne +voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten, +"jonkman, de zegen eens grijsaards heeft nog niemand geschaad!" + +Loman niet aldus; hij bemerkte ter nood den gruwel, hij ging heen, +schreijende heen van het kantoor, waarop hij jeugd, middelbaren +leeftijd, bedaagde jaren en ouderdom ten offer had gebragt voor weinig +loons en veel ondanks. + +Welk een leven! + +Welligt zal ik, die u in deze schets den ruwen omtrek van het laatste +bedrijf des treurspels leverde, de beschuldiging niet ontgaan, dat +ik eene satyre op den handel heb geschreven, dat ik de klerken +idealiseerde, ten koste der kooplui. Het eene was zoo verre van mijn +doel als het andere,--ik haast mij dien verkeerden indruk voor te komen. + +Ik zou mij kunnen beroepen op de voorgaande bladen; ik heb het regt te +vragen, of ik eenigen patroon met eene zwarte kool heb geteekend, dan +dien van Aagje's echtgenoot. Liever breng ik uit mijne weinige +ondervinding eenige voorbeelden bij, hoe onbillijk de voorstelling zou +zijn, _allen_ in zulk een donker daglicht te stellen. Ik ken huizen--het +zijn meest oud-hollandsche--waarin alles nog iets burgerlijks ademt; +waaruit de vroomheid der vaderen--eene praktikale--nog niet geweken +is;--in welke een band van vertrouwelijkheid den meester en de +leerlingen omsluit. Er wordt den laatsten in deze nog deel gegund aan +een huiselijk feest des patroons. De verjaring van een' der chefs blijft +er geen geheim, dat zij slechts uit den toestel voor een' maaltijd--uit +den geur der spijzen in den hoogen en langen gang--uit de komst der +gasten, gissen. En hetzij gij al of niet gelooft, dat een glas water, +aan een dorstige gereikt, de prijs van het eeuwige leven kan zijn, ik +ben er zeker van, dat ge u als ik zoudt verlustigen, wanneer ge bij +dezen of genen eene verrassende versnapering op het bord van het +twaalfuurtje zaagt, wanneer gij de koffij ietwat sterker rookt dan +gewoonlijk! Het zijn kleine teekenen van groote deugden. Die +aanvullingen slechten de maatschappelijke klove niet, het is waar; doch +wie eischt dit? er heersche onderscheid, afstand, zoo ge wilt, mits men +elkander, mits vooral de mindere den meerdere kunne beroepen, als hij +in nood is! Welnu, die onbeduidendheden waren schier overal zoo vele +waarborgen eener echt menschelijke betrekking. Het was of het hoofd des +huizes, dat zoo zijn' feestdag vierde, de jongelui van het kantoor tot +zijn gezin betrok, niet alleen als zijne hand de beker der vreugde +ophief, maar ook en vooral wanneer zij den kelk der smarte ledigden. +Er waren onder deze, die toezagen, die voorkwamen, die bijstonden, als +de jongheid van het pad afdwaalde, als de middelbare leeftijd onder +onverwachte slagen schier bezweek, als de ouderdom den last des gezins +verdubbelde. Wie het mij euvel duiden, dat ik er goedrond voor uitkwam, +dat het niet algemeen zoo is, dat te dikwijls louter de band des belangs +partijen verbindt, dat geen inmengsel van heuschheid het straffe der +bevelen tempert,--zeker doen zij het niet. Alleen op hun oordeel stel ik +prijs. + +Het verwijt, dat ik af wilde keeren, was tweeledig. "Idealisatie der +klerken!" hoorde ik mij van verre toeroepen. Eilieve, welke dan de +natuurlijkste en meest alledaagsche wenschen heb ik hun toegekend,--eene +niet al te drukkende afhankelijkheid--een huiselijk geluk, zoo matig in +zijne eischen, dat het ten prijs van de eerste behoeften des levens te +smaken valt--een' ouden dag, door geen schrikbeeld van hofje of gebrek +bedreigd? Wat wilt ge redelijkers? Wie is er onder de zes of zeven +klerken, welke ik opvoerde, die geblaakt werd door een' overgrooten zin +voor eenige wetenschap of kunst? Heb ik een hunner een zweem van aanleg +bedeeld, waardoor hun toestand--de bekrompene, de gesmade, de vergetene +--dubbel pijnlijk werd? Schetste ik eene liefde voor natuurschoon, sterk +genoeg om iemand achter den lessenaar en _vis a vis_ brievendekkers en +loketkasjes te verteren, iets gelijkende naar de foltering van een' +landschapschilder in den dop, achter de toonbank of bij de ijzeren kist? +Zaagt gij een' der zeven ter prooi aan kennisdorst, die, door geene studie +beurtelings te leur gesteld en geprikkeld, in den blinde om zich grijpt +naar boeken, en slechts te feller martelt, hoe duidelijker het den arme +wordt, dat al zijne lectuur tijdverlies is, tijdverlies, dewijl hem +opleiding ontbreekt? Ten derde en ten laatste: schilderde ik u een' +Tollens, verzen schrijvende in het hatelijke boek, dwars door de +dwarrelende cijfers heen--een' Vondel eindelijk in de bank van leening? +Het zou onedelmoedig ten opzigte der kooplui, het zou onwaar jegens de +maatschappij zijn geweest. Genie komt aan het licht--of schitterende als +de zon,--of kwijnende als de maan,--of schemerende als eene ster,--of +--wanneer lot, leven, omstandigheden, gebeurtenissen, wanneer alles zich +vereenigt om het te omhullen, te verbergen, te verstikken,--onverwacht en +bij vlagen als de bliksem uit de zwangere wolk. Dat het in den laatsten +toestand even voorbijgaande, even vlugtig is als deze, behoort thans niet +tot mijn onderwerp,--genoeg,--het was er, en het blonk. Zie, ik ben +slechts bij gewone menschen gebleven, wier bete te vaak bitter, wier dronk +te dikwijls wrang is--of behoeft men tot de milder bedeelden te behooren, +om als knaap uitdooving, om als man vernedering, om als grijze gebrek hard +te vinden, om een leven ondragelijk te achten, doorgebragt onder de dubbele +bedreiging van donkere wolken, een: "ik kan niet helpen dat je op straat +staat!" bij de bankbreuk van het huis;--een: "ga henen en wordt warm!" +als de patroon er zijne zaken aan geeft. + +Gij zoudt ondanks deze verdediging regt hebben, u te verbazen, dat ik u +zoolang bij den heloot der handelswereld liet stilstaan, als ik ten +slotte niet anders had te doen, dan voor hem een weinig menschelijkheid +in te roepen. Al geef ik me er door bloot aan den schijn, als twijfelde +ik aan den indruk, dien mijne schetsen en groepen op u hebben gemaakt, +ik doe het en van harte (waarom het verheeld?) voor hen, die zich in +deze betrekking gelukkig zouden achten, als zij allengs een weinig +wierden opgebeurd in de schatting des publieks. Daar zijn menschen, +door de natuur tot bedienden bestemd, bekrompen hoofden, koele harten, +"medeklinkers, niet allen kunnen vokalen zijn," beweert een mijner goede +vrienden. Het zij zoo!--men gebruike er zoovele men behoeft, "slechts +neme men liever de italiaansche dan de russische spelling tot voorbeeld," +is mijn antwoord. En waar ik vooral op zou willen aandringen,--men +sluite toch niet onbarmhartig in eene kooi, wie in staat zou zijn eigen +wieken te kleppen. Ik moet oppassen of de eene leenspreuk volgt de +andere op, zooals Isaaec Abraham en Jacob Isaaec; en mijn onderwerp eischt +alles behalve oostersche weelderigheid; het geldt eene handelskwestie, +eene geldzaak. "Voedsel en deksel--huis en hof--vrouw en kroost--genoegen +en geneugten voor allen--" zou ik Jan willen toeroepen, "maar voor wie +in staat zouden zijn, zich zelven meer te verschaffen, wanneer allerlei +kleingeestige belemmeringen hen niet verpligtten t'huis te blijven en +stil te zitten, voor hen gelegenheid ter ontwikkeling van wat er goeds +en groots in hen schuilt!--Immers ons volk is er niet te beter aan toe, +dewijl we er thans onder ons zoo velen hebben, die geduldig den schimp: +"'t Is maar een pennelikker!" verduwen--die zich hun leven lang +bekrimpen, omdat men geen: "oude sloffen mag weggooijen eer men nieuwe +schoenen heeft,"--uithoofde dat een groot gedeelte onzer vermogende +lieden zweert bij het woord: "Ver van je goed, digt bij je schade!" +--louter dewijl wij, eer wij ooit den neus buiten de deur staken, al +leerden napraten: "oost west, t'huis best!" + +Een voorbeeld schildert treffender dan tien vertoogen. We hebben op met +den vermogenden handelaar, die voor een vijftiental jaren al zijne +bedienden met de tijding verraste: "Ik schei er uit met mijne zaken; +maar jullie, jonge lui, blijft je jaarwedde behouden tot je dood." + +Een _rara avis_ in onze streken;--het zij in het voorbijgaan opgemerkt +--waar een jaar vooruit opzeggens, gepaard aan de waarschuwing: iets +anders te zoeken, in zulk een geval al eene zeldzaamheid is--de man +leeft nog! Welligt heeft hij van al zijne schatten--al zijne weelde--al +zijnen glans, nooit weer zoo groote voldoening gesmaakt, als op dat +oogenblik, in den zoeten waan, dat hij gelukkigen maakte. + +Ik vermeet mij niet te beslissen, of wij regt hebben er ons zoo +onvoorwaardelijk op te goed te doen, dat afkeer van zaken, uit +overdreven mededinging geboren, te onzent meer aan de orde van den dag +is dan halsbrekerij ten gevolge van gewaagde ondernemingen--het is eene +keuze tusschen tweeerlei kwaad, welke eene prijsvraag onzer geleerde +of geletterde maatschappijen verdient uit te lokken: "wat is beter, +_lusteloosheid_ of _overmoed?_"--Maar het acht-of tiental klerken, dat +zich, volgens de overlevering, boog, en verblijdde en heenging, zonder +een' patroon, die zoo groote welwillendheid aan den dag legde, te +verzoeken, hun de behulpzame hand te bieden tot het beginnen van een +eerlijk beroep, liever dan hen door dit genadeblijk te verpligten, +die jongelui zijn verre van mij levendige sympathie in te boezemen. +Waarschijnlijk waren er eenige bedaagden onder;--maar zij, wier +schouders zich nog niet kromden, wier knieen nog niet knikten, maar +de overigen, die zulk eene gelegenheid niet aangrepen om zich zelve +onafhankelijk te maken, hoe duidelijk bewezen zij het verval van den +volksgeest, die Jan weleer van zijne naburen onderscheidde! + +Wij zijn met eene plaats uit een' der dichters van de gulden eeuw onzer +letterkunde begonnen: eene vraag, die ons reeds bij den aanvang van dit +opstel voor den geest zweefde, besluite dit opstel. Onze voorouders +schiepen hunnen handel onder veel ongunstiger omstandigheden, dan die, +waarin wij verkeeren; waarom blijven wij met onze meerdere middelen zoo +verre onder hen? Terwijl het krijgsvuur binnenslands nog niet had +uitgeblaakt, terwijl men den vijand met moeite van de grenzen des jongen +staats keerde, ontwierpen de broeders en de zonen der verdedigers van +het vaderland het plan voor togten door de noordelijke zeeen; in spijt +der natuur, bereidden zij de verovering van een ander werelddeel voor +en voerden die uit. Niemand heeft minder lust dan ik, de gruwelen te +verdedigen, ter oprigting eener factory,--ter aanlegging eener stad, +--ter verwerving van een gebied, onder de mildst bedeelde hemelstreken, +door onze voorzaten gepleegd. Maar wien het voegt, uit dien hoofde den +staf over hen te breken, ons, hunne erfgenamen, wel het minst van allen; +gezwegen, wat er ter verschooning dier onmenschelijkheid zou zijn in te +brengen, de begrippen der eeuw, de gewoonten hunner mededingers in +aanmerking genomen. Wij willen het niet; wij gewagen er slechts van, ten +einde, na dit blijk, dat wij niet blind zijn voor de schaduwzijde van het +tafereel, ons in het licht, dat er ons van toestraalt, te verlustigen, +meent ge, te schamen, zeggen wij. + +Wat is er geworden van de zucht tot reizen, die weleer een eigenaardig +hollandsche karaktertrek plagt te zijn? Lust ter koopvaardij te varen, +bij den minderen stand,--lust, ontdekkingstochten te ondernemen, bij +onze rijke kooplieden,--lust, het land der zon te bezoeken, bij de zonen +der kunst,--lust, eenigen tijd aan de beroemdste hoogescholen in den +vreemde te verwijlen, bij onze geleerden,--lust, tusschen de bouwvallen +van oud-Rome rond te dolen, bij onze patriciers--lust in een woord, +andere landen te zien, andere volken te leeren kennen, anderen tongval +te hooren, andere zeden gade te slaan,--lust den kring zijner +denkbeelden te verruimen, de som zijner kennis te vermeerderen, het +gevoel te verfijnen, den smaak te vormen,--lust, door wrijving te +streven naar licht, hoe is die uitgedoofd en verflaauwd! Roem zoo hoog +gij wilt, de versnelde gemeenschap tusschen, de vlug verbreide berigten +van de afgelegenste deelen der aarde;--"met eigen oogen zien," zeiden +onze vaderen, "gaat voor alles,"--en beweerden het te regt. Wat hebben +wij bij het stilzitten van lateren tijd gewonnen, dan eenzijdige +lofspraken op ons volk, onze instellingen, onze deugden,--zonderling +afstekende bij de onpartijdigheid, waarmede men in de zeventiende eeuw +in Nederland de verdiensten van vreemdelingen erkende en huldigde. +Beweer, dat de algemeene studie van talen, dat de onvermoeibare +drukpers, alles, wat wetenschap of kunst, bij de afgelegenste volken +merkwaardigs opleveren, tot u brengt, zoodra het in het oosten of westen +het licht ziet: "Vreemde oogen maken menschen," zeiden onze vaderen, en +de uitslag bewees, hoe juist zij hadden gezien. Het is of men schroomt, +onze jongelieden den toets te doen doorstaan, waarop het verkeer met +verre vreemden hunne zeden stellen zoude. Waarlijk, de moed van het +voorgeslacht, de jeugd aan die vuur- en waterproef te onderwerpen, pleit +voor de beginselen, welke zij deze inscherpte. + +Eene uitweiding over de levensbeschouwing die het vroede en het kloeke +in haar karakter zoo vroeg had ontwikkeld, dat men geene teleurstellingen +duchtte, het gevolg van eigenliefde of zelfbewondering--eene uitweiding +van dien aard zoude hier misplaatst zijn--tot den handel terug, als ge +wilt. Wie er voor vreeze, ik ducht geen oogenblik, dat onze jeugd +ontaard zoude blijken, als haar de middelen ter ontwikkelling niet +faalden, zonder hare schuld en tegen haren wensch. Waardoor ontbreken +deze? Welligt zal eene wedervraag het kortst tot beantwoording leiden: +Wat geeft Engelands handel het overwigt op dien van alle overige +volken?--Kolonien?--we hebben even rijke, zoo niet in evenredigheid nog +rijkere dan _Albion_.--Industrie?--de gevaarlijke boom droeg te onzent +reeds meer vruchten dan wij behoeven.--Landbouw, veeteelt?--wie weigert +hollandsch zuivel den wel verdienden lof?--Vermogen?--we zijn houders +van schuldbrieven van schier alle natien, en van die der onze niet het +minst.--Hoofden en handen?--we zouden niet klagen, als wij er geene te +over hadden.--Een kreet gaat op tegen de Nederlandsche Handelmaatschappij, +dewijl zij schier de eenige groote zeehandelaar mag heeten onzer beide +koopsteden; doch bedenk, eer gij er mede instemt, wat er van Java zou +geworden zijn, bij de slaperigheid van voor het jaar 1830, als koning +Willem I den interest der actien bij de oprichting niet had gegarandeerd, +en jaren lang voorgeschoten. Ik huiver te beslissen, maar ge zult mij +vergunnen de vreeze te opperen, dat het effectenspel den goederenhandel +verstikt, even als de schuldenlast der nieuwere staten het krijgszwaard +der koningen onzer dagen in de scheede houdt: zoo gaan goed en kwaad in +deze wereld hand aan hand. Sir Robert Peel's _Income-Tax_ bedreigt, +treft alreeds de bezittingen en portefeuille;--de hooggeroemde papieren, +welke rente geven, al sluimerende en al nederliggende, die uitvinding +van den nieuweren tijd, welke staatsschuld synoniem acht met volksrijkdom, +--Sir Robert Peel's _Income-Tax_ zal navolging vinden op het vaste land, +en wij zullen zien--doch ik mag niet weer afdwalen, ik herhaal liever +mijne vraag: wat geeft Engelands handel het overwigt op dien aller volken, +wat heeft hij zigtbaar boven den onzen vooruit?--Wijs mij eene koopstad +in de vijf werelddeelen, zou ik u willen antwoorden, waarin geene Engelsche +huizen gevestigd zijn, jonger zonen, die den vreemde bestudeerden en +doorsnuffelden, en zich de dubbele kennis ten nutte maken! + +Er is nog iets. + +Engelands handel heeft een tooverwoord, dat al zijne betrekkingen +regelt. _Fair_ heet het. Vertaal het met "billijk" of met "gepast", met +"eerlijk" of met "teregt", het drukt al die gedachten uit; het is eene +lofspraak, het is eene wet. Waar men haar toepast, waar men haar nakomt, +waar zij beginsel is geworden, daar heerscht verband tusschen het werk, +dat men doet, en het loon, dat men geniet, bij inkoop en verkoop, in +commissie en courtage, in handel en wandel; tusschen de kennis, welke +men zich verwierf en de onderscheiding, waarop zij aanspraak geeft, het +vertrouwen, dat men bewijst waardig te zijn, en de aangelegenheden, wier +behartiging men ons opdraagt. Ik wil Jan niet in de school brengen bij +John Bull; maar hij heeft eenige reminicentien van de dagen, toen hij +monopolist was,--factors aan de graanmarkt, overdreven makelaars-loon in +aantal van artikelen, refactiemeesters in de tabak b.v.--die hij wel zou +doen te vergeten; want als men een' mededinger heeft gekregen, is het +wijsheid toe te zien eer het te laat is. + +Zonen van goeden huize, vermogende jongelui, die klaagt over gebrek aan +zaken te onzent, leert den vreemde kennen, vergelijkt, spoort op, wat +belet u? Lokken oude en nieuwe wereld niet om strijd uwe blikken aan? +--het uitstapje, de togt zal u goed doen. Er ligt nog zoo menig veld +braak, er schuilt nog zoo menige mijn onder den grond, er vloeit nog zoo +menige bron vergeefs. Ontdekt ze, en honderdvoudige rente zullen uw loon +zijn. Ge wilt u niet alleen in den vreemde vestigen? welaan, uws gelijken +in aanleg, maar niet in vermogen, vloeijen over in het moederland, +verstikken en kwijnen weg in de bedompte kantoorlucht; waarom zoudt gij +hun aan uwe zijde het spoor niet ontsluiten? Hoeveel edeler zou het +zijn, zoo ge, dus strevende voor Holland nieuwe betrekkingen aan te +knoopen, den overvloed van levensgeesten, der jeugd eigen, ten nutte van +u zelve en anderen besteeddet, dan die te wijden aan dubbelzinnig genot, +aan spel en aan min,--hoeveel edeler dus een flink burger te worden, dan +een vroeg-oude couponnenknipper! Of beschamen Hamburg en Bremen ons niet +reeds in het uitbreiden harer betrekkingen met veel geringer middelen? +--Hoe ons volkskarakter winnen zoude bij dergelijke pogingen, alle +sluimerende krachten op te wekken, vroegere degelijkheid te doen herleven, +nieuwe bronnen van welvaart en glorie te openen voor tijdgenoot en voor +nageslacht! Hoort gij de stemme niet, die er u toe aanmaant, zoo dikwijls +gij u, op de hofsteden uwer ouderen, in het schoon der natuur hebt +verlustigd, en, de duinen opgestegen, de zee voor u ziet, de zee, waaraan +ons voorgeslacht alles verschuldigd was, zijne vrijheid, zijn' voorspoed, +zijne vroomheid misschien,--want niet te onregt zegt een oud spreekwoord: +Wie wil leeren bidden, die vare ter zee! + +Het is in den handel als in alle standen, wie zich de kunst te bevelen +eigen wil maken, die oefene zich eerst in het gehoorzamen! Zoo rampzalig +als het is, altijd op de laagste trap te blijven staan, zoo goed is het +van de eerste sport op te klimmen. Het vormt--het prikkelt--het brengt +alle gaven aan het licht.--Maar de leerjaren moeten eens een einde +nemen; hij moet het vooruitzigt hebben meester te kunnen worden, die +zich deze ten nutte zal maken. Altijd de oude knecht te blijven is een +ondragelijke vloek.--Aldus begrepen het onze vaderen, die hunne jonge +lieden uitzonden in oost en west en in noord en zuid, maar hun na +volbragten togt ook de behulpzame hand boden om zich te vestigen, ten +einde van de verkregen kennis partij te trekken. Aldus begrijpen het nog +de degelijksten onder ons. Waarom mag ik hier geen loffelijk voorbeeld +aanhalen, dat allen, die in de hoofdstad beurs en raad kennen, voor den +geest komt; waarom den man niet noemen, die op zee voor zijn beroep +gevormd, thans een hooger roer heeft aanvaard? + +Laat Hooft uitdrukken hoe ik wenschte, dat al onze aanzienlijken ons +voorgingen, zoo als hij:--de dichter ziet zijne vaderstad ten top van +voorspoed gestegen, ter prooi aan de duizeling, der weelde eigen, en +waarschuwt haar: ach! dat zijne poezij geene profetie ware geweest: + + Want nergens is zoo veil + De niet verwachte val, als op de toppen steil: + Zoo slibbrigh staan, als op de kruin; zoo te bedinken + Het gypen, als voor wind, en zoo gereed het zinken. + Gelijk ik zie, uit wenst tot weelde, te gemoet + Al wat verbastering der oude zeeden goedt; + En, om het snood gewin, in last de goede wetten. + Doch zullen daar de best' hun voorgang tegens zetten. + Uitblinkendt als in goudt het heldere gesteent. + +1842. + + + * * * * * + + + +MARIE + + +"Marie is alleraardigst," plagt ik uit te roepen, zoo dikwijls ik in den +verleden zomer op den huize Duin en Dal gast was geweest; maar gister +bewaarde ze mij wel voor de verzoeking het nog eens te doen. En echter +ben ik, in den jongsten winter, zoo min een fat als een pruik geworden; +een der beide herscheppingen zou genoeg geweest zijn, om het der lieve +te doen vergeven, zoo ze mij geschuwd had als de pest. _Ik_ bleef +dezelfde;--een jaar meer in de gulden twintig ontwikkelt slechts te +ruimer ieder zin voor genoegen,--maar hoe was _zij_ veranderd! Uit haar +vijftiende trad zij in haar zestiende. Laat mij u waarschuwen voor de +onheilsstar, die + + _En des jours tenebreux a change ces beaux jours_. + +Ik vermoedde geenszins de teleurstelling die mij beidde, toen ik, de +hofstede genaderd, mijn paard liet stappen, en, zoo als ik gewoon was, +ten lommerrijken heuvel opzag, naar de plek, van waar ze mij zoo vaak +begroette. Het was ditmaal echter vergeefs; geen witte doek wuifde mij +er tegen. Traag reed ik onder haar prieel van bloeijende meidoornen +langs, en staarde weder op; doch de slanke leest van het meisje boog +zich niet over hunne twijgen. Ik zag eindelijk nog eens naar omhoog, +half ongerust over haren welstand; neen, geen lief handje repte zich +door het gebladert. Maar de wielen van mijne tilbury rolden stroever +over het zand van eenen bijweg, en Diane stak de ooren op, als hoorde +zij den bekenden vogelvluggen tred over het grasperk, dat er het spoor +omzoomt. + +En ik verbeidde. + +Daar plagt Marie mij te gemoet te snellen, naast mij op het rijtuig te +wippen, schier altijd regts, gij zult zien waarom, en, lieve wilde meid +als zij was, de leidsels uit mijne hand te nemen, ja, hare vingeren om +de zweep te slaan, die ik, wanneer Diane mij buiten bragt, slechts +zelden uit den koker nam. "Straks, Marie!" zeide ik dan, en hare donkere +kijkers tintelden van vreugde; ijlings gingen mijne groote handschoenen +aan de blanke dunne vingertjes mijner lievelinge over. Even als had +Diane geweten wie meesteresse was geworden, stapten wij niet langer. +Maar als wij het hek der plaats in het verschiet zagen, en de heerlijke +oprijlaan, die van de huizinge tot den straatweg voert, instoven, dan +werd de dreumis van den tuinman of de deerne des koetsiers, die achter +de traliestijlers in schaduw der oude linde speelden, moedwillig met een +tikje bedreigd, dan kreeg het ros er een, en wij renden! Het vleijend +woord, de belofte eener versnapering, waarmede de beminnelijke +ondeugende den schrik wilde goedmaken, gingen te loor, want Diane +verslond het spoor der laan; wij waren haar reeds ter vierde, wij waren +haar halverwege doorgevlogen. En het gebriesch van mijn paard, of de +wolk van stof, bijwijle ook Marie's luide lach, was het sein tot het +openen der zonneblinden, of het ophalen eener gordijn voor menigen +_loge_. Hoe het lieve kind genoot, als deze zich verbaasde, gene haar +toejuichte, Diane zelve behagen scheen te scheppen in het wilde spel! +Dan gierde Marie hare blijdschap uit,--hief zich van het kussen +op,--stond in de tilbury,--vuurde aan met hand en voet, maar meest met +de oogen. Ik moet bij een dier toertjes onwillekeurig eens een bitter +bang gezigt hebben gezet; immers een beroemd schilder, gast van den +huize, verraste ons een uur later met een _croquis_ van den echt van +statelijken ernst met dartele schalkheid. Behoef ik te zeggen, dat ik, +op het blad, den eersten vertegenwoordigde,--ik, die in pijnlijken angst +den strooijen hoed van Marie onder het afvliegen trachtte te grijpen, +--den strooijen hoed, welks smal, geel lint zich, als een krans van +korenairen, door haar kastanjebruin haar slingerde? + +Diane had de ooren gespitst, en ik had gebeid. Maar niet mijne gunstelinge, +slechts een jagthond was te voorschijn gesprongen; en toen ik aan de +trappen der huizinge stilhield, werden bediende noch stalknecht opgeschrikt +door een ongeduldig stampend ros; ik was bedaard doorgereden. + +"De familie is op het terras," verzekerde Hendrik mij. Ik wenschte dat +gij hem niet voorbijzaagt, zoo als gij geneigd zijt te doen; er valt in +onzen tijd meer, dikwijls iets anders uit de liverei op te maken, dan +de kleuren van des heeren wapenbord. Wij leven in eene eeuw, die den +eersten rijke den beste vergunt er zijne dienstboden in uit te dossen. +Ik heb er niets tegen. Het spijt mij slechts, dat zij het niet met meer +smaak doen. Of ergert u dat onwaarschijnlijk aantal velden, leeuwen, of +wat het zijn mogen, van _keel_ niet, die door het algemeene rood der +vesten worden verkondigd? Dat men het groen ten minste den jagers +overliet! Ik heb opgemerkt, hoe zich, in omgekeerden zin van den +cameleon, het karakter der bedienden van den nieuwelings aanzienlijke +naar den bonten tooi, met welken zij pralen, wijzigt. Ook valt er nog +iets uit te leeren. "Zoo heer, zoo knecht!" luidt het spreekwoord; maar +als ik, in de voorportalen onzer geld-aristocratie, het gejoel der +jonge, winderige, over-welgedane livereiknechts hoor, verwaand op den +opschik, die hunne lompen van gisteren verving: + + _Beaux parvenus, honteux de leur famille_; + +baldadig door den overvloed, waarin zij zich mogen baden, na jaren lang +gebrek te hebben geleden: + + Als nu Jeschurum vet wert, zoo sloeg hy achter uyt; + +als ik hen onbescheiden, aanmatigend, onuitstaanbaar vinde, dan zeg ik +in mij zelven: "Zoo knecht, zoo heer!" + +Op Duin en Dal--ik verlies inderdaad op mijne beurt onzen gedienstigen +geest uit het oog--op Duin en Dal zou uw blik met welgevallen hebben +gerust op den liverei-bediende van goeden huize. Hendrik is een der +_patterns of fidelity_, die mij minder een aandoenlijk belang inboezemen, +als de laatste, bleeke afschaduwing der leenknechten, welke naar knods +of bijl grepen, wanneer de ridder zich harnaste + + Van top tot teen, + +dan als een dagelijks zeldzamer overblijfsel uit den tijd, toen de +betrekking tusschen meester en dienaar door iets hartelijks, iets +vertrouwelijks, iets humaans werd geadeld. Het is bij hem niet louter: +"wiens brood men eet, wiens woord men spreekt;" zijne stemming is eer +gemoedelijk dan wijsgeerig; hij benijdt zijnen heer niet, hij heeft hem +lief. Al glinsterden er geen tranen in zijne oogen, toen de vrouw van +Duin en Dal verleden winter doodelijk krank was, waar baldadige +straatjongens het zand van de steenen hadden gewoeld, overstrooide +Hendrik die zorgvuldig weder, voordat iemand het hem had geboden. En +hoe Marie hem ter harte ging--het is eene lofspraak op den meester, +als zijne dienstbare de kinderen des huizes bemint--dat getuigde zijne +verzekering van haren welstand. Daar stond hij voor mij, gedienstig, +oplettend, eerbiedig, een waarborg van den goeden toon, die op de +hofstede heerschte, der rustige orde, waarmede er de genoegens van het +leven werden aangeboden en gesmaakt; daar stond hij voor mij, in azuur +en zilver, blaauw met wit, als men zegt. + +Lach mij uit om de dwaasheid, zoo het u lust; maar het zijn mijne +lievelingskleuren. Ik verbeeldde mij, dat hij, die deze tot wapen durfde +kiezen, zeggen mogt: "Zie, hier ben ik, standvastig en onschuldig!" +Zilver op azuur, lelien en starren op een hemelsblaauw veld, wat is +smaakvoller, wat dichterlijker? Uwe gissing, of deze op het wapen van +mijnen gastheer prijkten, vergunt ge mij gissing te laten; maar +verzekeren mag ik u, dat hij waardig is die te voeren, vertegenwoordiger +van een onzer oudste patricische geslachten. Wilt gij den man kennen? +"Liever eerste der graven, dan laatste der hertogen," zal hij u +antwoorden, zoo gij hem aanraadt, zich in den adelstand te doen +verheffen. Het is een woord uit mijn hart; zulk eene verloochening onzer +historie is mij een gruwel. De baronnen en de ridders, de Wassenaers en +de Brederodes, de Arkels en de Egmonds behooren onzer grafelijke +geschiedenis toe; in het handeldrijvend gemeenebest wiessen, als in een +ander Venetie, nieuwe geslachten met den staat op, welker nakomelingen +geen jonkheerstitel behoeven, om te worden geeerbiedigd, nadat hunne +voorvaderen, twee eeuwen lang aan de beurs als in den raad, over het lot +van werelden beslisten. + +Mijne welkomst had zoo min iets opmerkelijks als mijne buiging: de +vrouwe van Duin en Dal was _even lief_ als vroeger, schoon zwak en stil. +Slechts vlugtig merkte ik onder hare gasten de echtgenoote van een +onbekenden staatsraad en de moeder van een wakkeren zeeman op, en zag de +heeren voorbij, om den wil mijner lievelinge. Daar zat zij, in schaduw +van een bonten esch, mijne Marie, die anders rondhuppelde als een +ree;--daar rees zij op en neeg statelijk, mijne Marie, die mij vroeger +hare frissche lippen ten kus aanbood;--daar zeide zij zacht, toonloos, +schroomvallig, ik wist niet wat er van mijne Marie geworden was: + +"Mijnheer!" + +Ik reikte haar de hand. + +Was er eene klove tusschen ons? + +Schichtig stak ze mij de toppen harer vingeren toe. + +"Het zal u geen zeer doen," schertste de moeder van den wakkeren zeeman. + +Het kind zag op, het kind zag rond, het kind zag om; ik bemerkte dat er +digt bij haar een stoeltje ledig stond, 't welk hare aandacht trok. + +"Mijnheer!" zeide zij nog eens. + +"Wat is zij gracieus!" hoorde ik de gade van den onbekenden staatsraad +zeggen. + +De vrouwe van Duin en Dal knikte tevreden. + +Er komen oogenblikken in het leven voor, waarin wij naar den indruk +eener bij ons oprijzende gedachte handelen, eer wij de juistheid van +deze hebben overwogen. De mijne deed mij Marie met een vorschenden blik +aanzien. Zij was veranderd. Zij had plaats genomen in den cirkel van +Mama. Waarlijk, zij maakte aanspraak op taille. Zie, de vuile ijzers van +den kapper hadden haar het eerst begrip gegeven van het onderscheid +tusschen de vrijheid der jeugd en den dwang der beschaving. Er viel niet +aan te twijfelen, zij was jonge jufvrouw geworden. En + + Zei mama + +Staring vergeve mij de mishandeling zijner verzen! + + Dit met de kamenier den spiegel vlijtig na? + +Waarschijnlijk; want Marie bloosde bij mijn aanstaren; die blos mishaagde +mij,--Marie werd links; als kind was zij het nooit. + +Eensklaps sprong de jagthond die mij herkend had, vertrouwelijk tegen +mij op, en raakte met de voorpooten haar kleed aan. + +"_Fi donc, Amy!_" riep zij. + +"Heeft het beest Fransch geleerd?" vroeg ik. + +"Mijnheer!" zeide Marie voor de derde maal, en zag Mama aan. + +Ik had deernis met het arme schepsel, en wendde mij tot de dames over +het weder, het uitzigt, het nieuws van den dag. De vrouwe van Duin en +Dal sprak niet dan juist; een recept voor eene kwijnende conversatie. +De echtgenoote van den onbekenden staatsraad weerhield door de stijve +houding, waarmede zij de _gants a jour_ voor een oogenblik uittrok, om +een beschuitje in een glas maderawijn te doopen, en die, na volbragte +operatie, weder langzaam, voorzigtig, doods bedaard aan de vingeren te +schuiven, de moeder van den wakkeren zeeman in het kouten over hem, die +haar, ondanks dat hij zich op Java bevond, zoo na aan het harte lag. Een +paar lieve gezigtjes waren figuranten; welk een gesprek! En Marie, die +in vroegere jaren, bij iets zoo vervelends, op den rug van Amy het +heuveltje zou zijn afgeschommeld,--of, door het zand ademloos +opgeklouterd, ons verrast had met een paar frambozen, minder lieflijk +gloeijende dan hare wangen,--Marie zag nu naauwelijks van haren arbeid +op, _et ne fit que tapisserie_. Of zoo zij van tijd tot tijd een woord +mede in de schaal legde, het was zoo onbeduidend, dat het den evenaar +noch ter regter noch ter slinker deed overhellen. Zag ik inderdaad het +meisje voor mij, dat me "gaauw, gaauw, maar heel gaauw," ter hulp plagt +te roepen, om een vlinder te vangen, "mooijer" dan zij er ooit had +gezien? Hoe was de kleine veranderd, die zoo driftig haar vingertje op +den mond legde, om mij te gebieden, het kraken mijner laarzen te smoren, +waar zij de woudduiven op het mos voederde! Waar was de tijd, waarin +hare vragen, onverwachte bewijzen voor de ontwikkeling van haren geest, +mij deden aarzelen, hoe die te beantwoorden? wie er in de zee woonde? +waarom zij niet vliegen kon? wat de wind aan de boomen vertelde? En dan +die lieve vertrouwelijkheid, waarmede zij mij in later dagen influisterde, +pa of ma over te halen, om haar een rijpaard te koopen, omdat zij zoo +gaarne zulk een moedig dier zoude bevelen,--of haar piano aan de boerderij +te doen brengen, opdat zij Arend en Geert de horlepijp mogt leeren dansen! +Al wat zij thans op mijne vragen antwoordde,--zij hield zich, als behoefde +zij zulk eene aanleiding om zich in het gesprek te mengen,--miste beide: +karakter en kleur;--haar geest dartelde niet langer,--hare stem had niets +welluidends meer. + +O gemaaktheid! + +Vermoedt gij hare oorzaak niet? + +Ik weet wel, dat ik slechts eene garstige waarheid verkondig, zoo ik u +zeg, dat er een leelijk Hollandsch is, 't welk wij verpligt zijn soms +aan te hooren, ja, te prijzen; het Hollandsch dat ons te dikwijls wordt +toegegalmd, zoo van den predikstoel als van het tooneel; het eentoonig +Hollandsch onzer dreunende verhandelaars. Vergun mij echter er mijn hart +lucht over te geven, eer ik het ter vergelijking bezig. Het schijnt, dat +velen onzer sprekers de opmerkingsgave ontzegd is, hoe in het openbare +leven, zelfs in gezelligen, beschaafden omgang, de driften heerschappij +uitoefenen over de menschelijke stem. Zij eentoonig? de schaal der +muzijk is bekrompen bij de hare. Verheft zij zich niet bij het geven van +een bevel, als was zij zich van hare koninklijke magt bewust? Zij werpt +zich, onder het voordragen eener bede, als eene slavin die genade +smeekt, in het stof; zoo het vuur der gramschap ons blaakt, gelijkt zij +eene verschroeiende vlam, die zich zelve verteerd; als wij in den +weelderigen schoot der liefde rusten, kwijnt zij weg in zoet gefluister +en verteederend gezucht. Hoe zijn wij dan toch aan bulderende troosters +en galmende verliefden gekomen? Holland en de zee, het is of men van +moeder en dochter spreekt ... maar het voorbeeld van den Griekschen +redenaar, die de wateren beluisterde, schijnt voor de onzen te loor +gegaan. Eilieve, hoe velen kent gij er, die van deze leerden hunnen toon +in harmonie te brengen met het gevoel, dat de toestand eischt of het +onderwerp wekt;--die, als de golven, den God des dags in melodische +klanken eene hymne weten toe te zingen, of, als de zee, uit de kolken +harer diepte, tegen den orkaan een grimmig antwoord durven opdonderen? +Helaas! vreugde, droefheid, wanhoop, verrukking, liefde, haat, alles +wordt te onzent uitgegalmd, uitgeschreeuwd, gedeclameerd, zoo als men +zegt. O, het is een leelijk Hollandsch! En toch is er een nog leelijker: +het is onze moedertaal in den mond van een meisje, dat eene +buitenlandsche gouvernante heeft. + +"_Merci, ma chere!_" + +Gij ziet _mademoiselle_ bij dat woord voor u, schraal, tenger, scherp, +als allen; zij plaatste zich op het stoeltje dat naast Marie ledig +stond; _arrangeant les plis de sa robe_, viel haar _lorgnon_ in het +zand; Marie raapte het op. + +"_Bien oblige, monsieur!_" voegde zij er stijf bij, ook ik had er mij om +gebogen. + +En ik leunde half over het stoeltje van Marie, en was plaagziek genoeg, +haar te verzoeken, om mij aan hare gouvernante voor te stellen. + +"Hoe, mijnheer?" + +"Foei, Marie!" antwoordde ik: "als een oud vriend, zoo gij wilt." + +"_Monsieur_ ----, _un vieil ami_," zeide het kind. + +"_Vous voulez dire, un de vos anciens, ma chere_," hernam mademoiselle. +Ik vond dat zij mijne gunstelinge wel op liefderijker toon had kunnen te +regt wijzen. + +"_Je suis charmee, monsieur_," voer zij tot mij voort. + +Maar ik was _a mille lieues de Paris_, ondanks de vleijende verzekering; +want den woorden ontbrak het lachje, waarmede eene _francaise_ u +betoovert. + +En _mademoiselle_ zweeg als Marie; ik waagde eene opmerking over het +eigenaardig schoon der duinlandschappen, dat nergens elders wedergade +heeft. + +"_Non, Monsieur_." + +"Dus geen gevoel voor natuurschoon," dacht ik. + +"_Il est vrai_," zette ik mijne proeve voort; "_il est vrai que notre +paysage n'est que joli, tandis que les Alpes sont sublimes_." + +"_Si, monsieur_." + +"Dus ook _a sec_ voor het vaderland," zeide ik bij mij zelven. + +Er kweelde een vogel in den lommer; ik zag dat Marie luisterde; ik vroeg +haar, of zij de liedjes van Mad. Albert had bestudeerd. + +"_Ma grand'mere_," begon ik. + +"_Monsieur!_" viel _mademoiselle_ in, met al het hooge-priesterlijke +eener bekrompene zedelijkheid; ik spaar u de diatribe. + +Ik begreep alles; de zwakte der vrouwe van Duin en Dal, het levendig +karakter harer dochter, de keuze eener stemmige, overstemmige _Suisse_, +om dat te temperen, hoe logisch! Ik zou slechts voor temperen +"uitdooven" willen zeggen. Eene _Suisse_, zonderling verschijnsel! De +wereld is vol van den lof van Tell, de vrijheid heet te huis op de +bergen, en door geheel Europa ontmoeten wij zijne nakomelingen, die een +geest van knechtsche onderwerping inscherpen, met het zwaard of met de +gard. Doch waartoe de armen hard gevallen? Er is geen verlicht vorst, +die de Zwitsers in onze eeuw niet als eene anomalie afdankt. +Gouvernantes uit alle natien zijn beklagelijke schepselen; indien een +toestand, de hare is valsch. + +Vrees daarom voor geene onvoorwaardelijke lofrede op ons onderwijs. Het +is waar, er waait u uit de scholen onzer dagen eene ongezonde lucht te +gemoet: + + Eerzucht kiest in onschulds dreven + Vroeg hare arglooze offers uit! + +Ik heb kennissen, die op hun drieentwintigste jaar, in den schoot der +weelde, door ziekelijke wereldbeschouwing, mij, u, zichzelven, alles +moede zijn; maar toch--leve de schoolmeester, de instituteur, de +_professeur de langues_, de taalkunstenaar des noods!--spreek _mij_ van +de matres, niet van de gouvernante. Som alles op, wat gij tegen de +school kunt inbrengen, het gevaarlijke van den omgang, het verleidelijke +van het voorbeeld, het besmettelijke van den geest van wederstand; maar +wat beoogt uwe opvoeding, ontwikkeling of uitdomping--heele of halve +kennis? Een blik op het lot der beide meesters zal u in mijn gevoelen +over de leerlingen doen deelen. + +Het monarchale heeft uitgebloeid; het constitutioneele knopt, ontluikt, +tiert overal. Wij hebben elken meester, tot den dorpsdionys toe, van de +teekenen zijner koninklijke waardigheid, de roede en de plak, beroofd. +Wij eischen hem zoozeer doordrongen van den geest zijner grondwet, dat +geene drift hem meer in verzoeking mag brengen, ezelachtige domheid met +een oorvijg te kastijden. Zoo de voorganger van onzen schoolvos zeggen +mogt: "_l'Etat c'est moi_," uw onderwijzer is slechts de eerste dienaar +des staats. Hij, de volwassene, moet omgaan met hen, die tusschen mal en +vroed zijn, en zich redelijk toonen jegens onredelijken, en onwilligen +leiden, en dommen beschaven, stuggen overreden door louter verstand. +"De ongelukkige!" roept gij uit. Ik bid u, doe het niet te voorbarig. +Er komen uren, dagen, weken in zijne jaren voor, die hij _vrije_ mag +noemen; _vrije_, zeg ik, waarin hij den last der verantwoordelijkheid +van zijne schouderen schudt, _vrije_, waarin hij de gulden cijfers van +zijn eigendom, van tien tot honderd, tot duizendtallen aangewassen, +overtelt, en in ieder van deze eenen borg te meer voor de +onafhankelijkheid zijns ouderdoms ziet. Feestdagen af te kondigen en +volksspelen aan te rigten, schijnt mij een der benijdenswaardigste +voorregten, der kroon toegekend; maar welk autocraat geniet den vierdag, +zijnen onderdanen geschonken, als de schoolmeester de uren, waarin zijn +verlof het kleine volkje de wijde wereld inzendt. Dan ziet gij hem +buiten--schaarsche, maar daarom te zoeter weelde--het schoon der natuur +smaken. Dan treft gij hem onder de lieve kennissen zijner jeugd aan, +voor de eerste maal zijns levens verlegen, hoe hij het werkwoord +_beminnen_ vervoegen zal,--de meester door zijne schalke scholiere +beschaamd. Dan verrast gij hem, die zijnen eerstgeborene uit de wieg +neemt, en den Heere voor zijn lot zegent. "De ongelukkige!" zeidet gij. + +Het bestier eener gouvernante zweemt naar eene alleenheersching; dienst +der vreeze geldt bij hare kweekelingen: te hooren is te gehoorzamen. +Zie, zij komt, en het kind zit regt; zie, zij wenkt, en het kind buigt; +zie, zij lacht, en het kind waagt het te glimlagchen. Geene oosterse +hulde is zoo vleijend en slaafsch, als die, welke haar wordt toegebragt; +zoo gij hare schaduw tegen den wand onderscheidt, is die harer dienaresse +haar op de hielen, en ijlt en zwenkt en wijlt met haar, als was het hare +eigene. Bittere spot! Hebt gij nooit van de onbeduidende _Durchlauchten_ +der kleine duitsche staten gehoord? Zoodra zij hun gebied van slechts +drie of zes of twaalf vierkante mijlen overschrijden, worden zij pijnlijk +gegriefd; ze zijn slechts vorsten voor hunne onderdanen; de beleefdste +postillon ter wereld lacht hen uit, zoodra hij de fooi van den onbekenden +Wij over zijne eeltige hand heeft voelen glijden. Helaas, de arme +gouvernante doet geen tien schreden, zonder dat zij de landpalen van haar +rijk achter zich laat, en ruw, wreed, onbarmhartig uit den droom harer +heerschappij wordt opgewekt! Ik bedoel + + den Ilias van plagen + +niet, die ingenomen ouders en ongezeggelijk kroost haar drie maal van +de vier berokkenen. Laat zij vertrouwen winnen zoo als zij verdient, +wanneer zij met hare leerlinge de bovenkamer verlaat, waar een armstoel +haar ten troon strekt; als zij zonder gedruisch--zij gevoelt hoe weinig +zij geldt--de eetzaal inglijdt, dan vindt zij, ja, eene plaats aan den +disch, maar beneden het zout, en de dienstboden verwonderen zich, dat +zij haar moeten bedienen, haar, die eerst na de mannelijke gasten wordt +bediend. Ei, wie is zij toch, dat men haar dus ongestraft honen durft? +Wat misdeed zij, dat de vrouw des huizes, die in haar de sekse, waartoe +zij behoort, moest doen eerbiedigen, dien gruwel ziet en duldt? Welke +uitzigten werden haar geopend, om wier wille zij zich getroost eene zoo +twijfelachtige betrekking te bekleeden? Zij is arm, buiten hare schuld. +Zij bood hare diensten, ter opvoeding aan, dewijl ze slechts te kiezen +had tusschen deze taak en de schande. Zij ontvangt een loon, een-, +twee-, driehonderd gulden 's jaars, boven de gastvrijheid van den huize, +indien hare bete, haar dronk, haar leger dien naam verdienen;--de vossen +die de koets trekken, kostten meer dan twaalf honderd gulden, en hoe +worden zij verpleegd! Te loor gesteld in al hare verwachtingen, telt +zij hare dagen bij hare krenkingen, is een verlaten ouderdom haar +verschiet.... Arme misdeelden! niet u wijt ik den wrevel, die u +kenschetst,--den nijd, die u verteert,--den menschenhaat, waarvan gij +blaakt; de roos der min geurt u niet: wie durft eischen, dat gij lief, +vrolijk, goedhartig zoudt zijn? + + "_Sad melancholy mark'd you for her own!_" + +Ik sloeg Marie eene kleine wandeling voor. + +"_Si mademoiselle veut me permettre?_" + +"_Oui, ma chere_." + +Terwijl het lieve kind mantille en hoed en parasol haalde, maakte de +gade van den onbekenden Staatsraad _mademoiselle_ een compliment over +hare opvoeding: "_elle avait si bien apprivoisee Marie_ ..." + +Ik heb een lastig zwak voor een Hollander onzer dagen: onverdiend +toegezwaaide lof maakt mij kregel. + +"_Jusqu'a lui faire briser les ailes dans sa cage_," viel ik in, en +voegde er, berouw gevoelende over mijne scherpheid, bij: "_la faute en +est au systeme et non a vous, mademoiselle!_" + +De moeder van den wakkeren zeeman knikte mij goedkeurend toe; haar wilde +jongen was een knap officier geworden. + +_Mademoiselle_ had zich zeker met de verdediging van het stelsel belast, +een stelsel, waardoor onze jonge meisjes worden opgevoed, als moesten +zij alle onnoozele nonnekens blijven; maar Marie verscheen. Zij zag er +allerliefst uit; ik bood haar mijnen arm. + +"Dadelijk mijnheer!" zeide zij, en wipte naar hare mama, en kuste de +bleeke. Het was hare eerste onwillekeurige beweging, sedert ik haar +weerzag. "Welk een aanleg gaat hier te loor," dacht ik. + +En haar handje gleed over mijnen arm; het rustte naauwelijks. + +"Diane heeft u verwacht, Marie," begon ik, toen wij eenige schreden +waren voortgewandeld. + +"_Mademoiselle_ vond, dat het niet voegde, mijnheer." + +"Lieve Marie, mijnheer me zoo niet!" + +Eene pauze. + +"Gij hadt vrolijker gouvernante kunnen treffen." + +"O, zij is zeer goed!" + +"Maar dat is geen Hollandsch, beste meid! O, _elle est tres bonne_. Doch +gij spreekt dagelijks Fransch met haar; wat leest gij?" + +"Wij lezen veel Engelsch, mijnhe ..." + +"Wat, mejufvr ..." + +"_Miss_ Hannah More." + +"Oef!" dacht ik, en zuchtte; want bij het verderfelijke beginsel der +britsche opvoeding: "_what would people say?_" het gekwezel eener oude +vrijster, de lectuur van een meisje van zestien,--hoe hield het kind het +uit? + +"En als gij in de stad zijt, gaat gij zeker bij _the Reverend_ ... ter +kerk?" + +"Altijd, mijnheer." + +Zie, het past mij niet een vonnis te vellen over het ritueel der +episcopale eeredienst; Walter Scott heeft, met den tact die hem +onderscheid, er al het schoone van doen uitkomen, in de huiselijke +avondbede van _sir_ Henry Lee en zijne beminnelijke dochter; maar woon +eens zeven zondagen achter elkander de voorlezing van dezelfde litanien +bij, een leer hoe veel uw gevoel aan innigheid verliest, hoe zinledig +vormen zijn! + +Er volgde weder eene pauze. + +"Welk een oord!" borst ik uit. + +Ik waag mij niet aan eene beschrijving; het landschap duldt er geene, +schoon, de stoffaadje niets zeldzaams heeft. Er zijn menschen, die u +zeggen, dat er slechts een vloed door eene weide kronkelt, terwijl er +aan uw eene zijde duinen oprijzen, en aan de andere twee oude boomen +staan. Maar Marie schetste de plek voor jaren, met een woord. + +Mijn rijdpaard was schichtig geworden; het steigerde, en wilde het pad, +dat derwaarts voert, inslaan. + +"Niet regts!" riep ze mij van het hare toe: "niet regts! daar woont de +stilte." + +En ik vergat mijn ros te bestraffen, om den gelukkige uitdrukking harer +phantasie te bewonderen. + +"Daar woont de stilte!" + +Aarde en hemel was er weder in harmonie, geen wolkje zwierf langs het +zuiver blaauwe luchtruim; de breede stroom deed niets dan dat gewelf +weerkaatsen; de kroonen van het monarchenpaar schenen dubbel statelijk +door hunne roerlooze rust. + +Ik zag Marie aan; hare vingeren speelden met een medaillon. + +En mijn blik rustte op het verschiet, waar de hellende heesters zoo vele +waaijers schijnen, om het blinkend duinzand uit het oor te keeren. Ik +verbeeldde mij, dat de veldnimfen waren ingesluimerd; immers geene +wuifde; alle blanke armen waren op de mollige heup of op het frissche +gras afgegleden; de zoelte had haar bevangen: ik hoorde de stilte. + +Daar ging de veer van het medaillon; er was een lok blond haar in; Marie +bloosde. + +"Van Willem," zeide zij openhartig; "weet gij, of hij al kadet is?" + +En zij bloosde sterker. + +"Ha! eene eerste liefde," dacht ik. + +"Spreek er toch _mademoiselle_ niet van!" ging zij verlegen voort. + +O opvoeding! + +Ik sloeg het verzoek af, noch stemde het verzoek toe; ik hoorde de +dorpsklok slaan, en wij keerden terug. Het ware u kwellen, zoo ik u alle +pauzes deed medemaken, die er tusschen mijne vraag, of Marie nog veel +naar de natuur schetste? en haar antwoord: "_Mademoiselle_ is niet sterk +in het teekenen," tusschen mijn ongeloovig: "En waarin munt zij dan +uit?" en haar vertrouwend: "O, zij leert mij geographie, mythologie, +historie en handwerken; zij heeft reeds vele educaties geacheveerd," +verliepen. + +Het luiden van den bengel riep ons in de eetzaal. + +Marie zat naast _mademoiselle; c'est tout dire_. + +En toch heb ik nog iets op het hart. + +Ik ben gastronoom noch epicurist; maar ik had liever, dat ge mij voor +een van beide hieldt, dan voor een koud-waterdrinker of pannekoekeneter. +Wie ook naar buiten ga, om zich te behelpen,--wie ook op het land gaarne +het weinige voor lief neme,--ik ben zoo bescheiden niet. Zoo de oude +kloostertucht zich de versterving aller zinnen ter taak stelde, ik word +liefst op het eigen oogenblik overtuigd van de prikkelbaarheid mijner +vijf. Vele spiegels--lichtkleurige wanden,--een zuivere dampkring om mij +heen,--een zonnig landschap in het verschiet, waar het geopend vensterraam +en de half weggeschoven gordijn een koeltje binnenlaten,--overvloed van +schotels voor mij, wier verscheidenheid mij de weelde te kiezen +onbekrompen vergunt--geurige tintelende wijnen in kelken, het edele +vocht waardig,--vooral lieve, vrolijke, mooije aangezigtjes naast en +over mij,--en, wilt gij het geheel volmaken? de malsche, ruischende +toonen eener muzijk, die zich niet oorkwetsend opdringt, die tevreden +is, zoo gij slechts naar haar luistert, als de zoeter stem aan uwe zijde +zwijgt;--ik zie er niets zondigs in, ik acht er mijnen gastheer te +humaner om, naarmate hij voor dat alles opener zin toont. Doch zult ge +mij niet toeroepen: + + "Ah! n'allez pas chercher midi + A quatorze heures!" + +zoo ik u beken, dat ik nog iets meer verlang,--iets, dat niet op den +huize Duin en Dal alleen ontbreekt,--iets, dat in ons vaderland +zeldzamer is dan rijkdom, weelde, overvloed?--eene gastvrouw, die toon +geeft,--die het gesprek levendig houdt,--die ons, door de gaven van +haren geest, de gaven der fortuin vergeten doet. + +Veroordeel mij niet, voordat ge mij gehoor hebt verleend. + +Wij hebben huiselijke, wij stoffen op vrome, wij zijn mild bedeeld met +deftige vrouwen; ik heb eerbied voor de eerste, de tweede en de derde, +schoon ik wenschte, dat alle een weinig levendiger, beminnelijker, +gezelliger waren. Er is geen onfeilbaarder gids tot onafhankelijkheid, +dan eene spaarzame, overleggende, naauwtoeziende huismoeder; maar het +leven wordt ondragelijk vervelend, wanneer men ons zijne geriefelijkheden +beknibbelt; en zoo gierigheid de wortel van alle kwaad is, zij zie toe +wat zij kweekt, die haar gezin slechts onthaalt op de schrale geneugten +van uit te winnen. Eene ongeloovige vrouw is zelfs den ongeloovige een +gruwel. Ik laak het niet, + + Dat zich door alle weer en winden. + Eenvoudige welmeenendheid + Soms driemaal 's daags ter kerk doe vinden; + +de waarlijk vrome is blijmoedig van aard; een heldere geest, een rein +hart looft den Heer in het dankbaar genot Zijner schoone wereld; slechts +zij, die zich in eene wolk van eigen heiligheid hullen, doen afstand van +het zoete voorregt vreugde te verspreiden, gebogenen op te rigten. O, de +mantel der waardigheid plooit zich statelijk om de kloeke gestalten +onzer aanzienlijke vrouwen; waar hij ruischt, deinst de ligtvaardigheid +terug, grijpt der onbedachte jeugd eene huivering van eerbied aan: ik +heb te veel zin voor decorum, om hare poses bij hoogtijden en rouwbeklag +niet te bewonderen. Doch het gaat der deftigheid als alles, wat niet in +de natuur, wat slechts het gevolg van overeenkomst is: in het gezellig +leven, in den dagelijkschen omgang lokt zij ons een "_cui bono?_" af; +wie beklaagt den echtgenoot eener altijd getabbaarde matrone niet? +Waarlijk, mijn eisch heeft minder onredelijks dan gij vermoeddet; in +iederen stand moesten de schoonen der bevalligheden ijveriger offeren. + +En zoo ik het der burgerlijke huishoudelijke niet euvel duide, dat zij +_vrieg_ in plaats van _vroeg_ zegt,--dat zij van _profester_ spreekt, +--dat zij _eindelijk_ met _eigenlijk_ verwisselt,--zoo ik niet van haar +eische, dat zij het vervelende "_En toen zei ik_," het langdradige "_Om +kort te gaan_," het babbelzieke "_Onder ons_" afleere,--mits zij van +vliering en zolder naar keuken en kelder dribbele, overal het onordelijke +herstellende. + + Denn ein geschaeftiges Weib thut keine Schritte vergebens, + +mits er welvaart en voorspoed in hare woning heersche,--ik durf +onbekrompener levensbeschouwing, veelzijdiger beschaving, gezelliger zin +wachten bij haar, die wekelijks onze redenaars hoort,--zij, wier smaak +voor alles, wat goed, edel en schoon is, de lezing van het boek der +boeken verfijnen moest. En indien ik ook deze om het vormelijke, dat +onze leerredenen aankleeft, om den ernst, die op het voorhoofd onzer +sprekers zetelt, om het stellige, dat hun oordeel kenschetst, iets +stijfs, iets ingetogens, iets wrangs ten goede houde,--zoo ik haar niet +verwijte, dat de lachjes vreemdelingen in hare woning zijn,--zoo ik het +haar niet toerekene, dat haar gade de uren, die hem van zijn beroep +overschieten, in het koffijhuis, aan de ombertafel, onder een glas en +eene pijp zoek brengt,--droef bewijs, dat Voss zich juister had kunnen +uitdrukken, dan in zijn hexameter: + + Lieblich und schoen seyn ist nichts; ein Gottesfuerchtiges Ehweib + Bringet Lob und Segen!-- + +ik eisch bij vrouwen van hoogeren stand al de geneugten van hart en +geest, opdat de verveling niet tot _maitresses_ voere. + +Hoe zoude ons leven, onze maatschappij, onze letterkunde er bij winnen, +indien vrouwen er eenen meer dan lijdelijken invloed op uitoefenden! + +En zij zelve! + +Arme Marie! die, in uwe vrijheid, eene duinroos gelijk, uwe geuren ieder +voorbijsuizend windje prijsgaaft, uwe knopjes voor iederen afzwervenden +zonnestraal ontsloot, waarom moest men u in eene broeikast verplaatsen, +uwe weelderigste loten afsnijden, uwen schilderachtigen groei +weerstreven, uwe aantrekkelijkheid in een nevel van onbeduidende, +vervelende, zoogenaamde bescheidenheid hullen? Uit milde hand deelde +de natuur u drie gaven toe; zij pleegt ze zelden in hare grootste +gunstelingen dus te vereenigen. U schiep zij schoon; u schonk zij geest; +u ontzegde zij geen hart. Ach, hoe ligt kan het eerste en het laatste +geschenk u noodlottig worden, als uwe gouvernante er in slaagt, om u van +het schild, waarmede de welwillendste aller feeen u in het tweede +voorzag, te berooven! U had zij het groote geheim aller conversatie +ingefluisterd: gij luisterdet en gij vroegt; gij hernaamt en gij +verhaaldet; gij luisterdet en gij merktet op. Hadt gij dien krans voort +mogen vlechten, bloem bij bloem ware door uwe fijne vingertoppen +aangeraakt; onwillekeurig hadt gij de verwelkte van de frissche leeren +onderscheiden, de heelende van de vergiftige. + +En nu? + +Weldra zult gij in onze wereld optreden, bekoorlijk door uwe schoonheid, +moeders zien het hare dochters gaarne;--aanlokkende door uw gevoel, het +hart ligt buiten het bereik eener gouvernante;--begeerenswaard om uwen +rijkdom o, dat gij geen bruidschat hadt! Ik zie hen in het verschiet om +u heenwemelen, de hommels--neen, de gieren onzer zedelijke maatschappij: +den bedaagde, wiens hart lang verstorven is, maar die geen weerstand kan +bieden aan de verzoeking, om drie winters lang van zich te doen spreken, +als van den gemaal der schoonste van iedere partij, ieder feest, ieder +bal;--den eerzuchtige, die weet, dat in onze dagen slechts vermogen tot +gezag voert, en, mits uw goud hem tot voetstuk strekke, u vergunnen wil +zijnen naam te dragen; elk ander beschermer zoude hem onder duurder +verpligtingen leggen dan gij;--den lichtmis, die zijn erfdeel, zijne +jonkheid, zijne geestkracht heeft verspild, en u ten echt vraagt, opdat +gij, schuldelooze, verkwijnen moogt als hij, die zijne dwaasheid boet. + +En gij zult kiezen, zonder oordeel, uit ijdelheid, naar belangzieken +raad, en later zal uw vernuft uit de asch opvlammen, zullen uwe driften +ontwaken, en gij zult strijden of vallen: u toeft een levenslange kamp. + +Weleer alleraardigste, nu beklagenswaardige Marie, hoe zou ik mij durven +vleijen, dat gij gelukkig zult zijn? + + +1839. + + + * * * * * + + + +DE EZELINNEN + +(EENE SCHETS UIT MIJN VENSTER) + + +Een korenveld, eene weide, een bosch leveren zeker streelender verschiet +op, dan eene straat of eene gracht in de stad; maar hoeveel afwisselender +en veelzijdiger poezy schuilt er in de menigte welke ik binnen de muren +dagelijks mijn venster langs zie gaan, dan in het gelaat van hemel en +aarde, buiten! + +Het was in den nazomer van het verleden jaar, dat mijne opmerkzaamheid, +uit het venster de straat op en afdolende, voor het invallen der +schemering, geboeid werd door een schouwspel, dat mij dikwijls somber +stemde. En echter leverde de groep een vroolijk tooneel op, dat bij +wijlen zelfs dartel werd,--het waren vijf, zes, zeven ezelinnen met +haren drijver. + +Vrees niet voor alweder eene beschrijving eener tering; onder de studie, +welke de krankte eischt, zou ik mij welligt verbeelden haar ter prooi +te zijn.--Integendeel, toen ik de graauwtjes voor de deur van mijnen +overbuurman zag stilhouden,--overburen, die ik wat meer kende, dan men +het gewoonlijk zijne naaste doet--toen kwam de gedachte: "Wie zou er +krank zijn, _hij_ of _zij_?" naauwelijks bij mij op, of ik zeide in mij +zelven: + +"Geen van beide." + +Oordeel, of gij een' dier jeugdige echtelingen zoo erg zoudt hebben +geacht, dat zij reeds tot ezelinnemelk hunne toetvlugt moesten nemen; +beslis, dit zeg ik, als gij de volgende bijzonderheden zult hebben +gelezen. + +Hij? hm!--Wie, als ik, de drie kruisen achter den rug heeft, smaakt de +twijfelachtige vreugde, allengs de kennissen zijner jeugd gevestigd te +zien. Twijfelachtige vreugde, voorwaar! Want bij die herschepping +verkeeren velen, helaas, van vrienden, dat men hen waande, in kennissen, +als ik ze noemde. Een andere familiekring--hoe vervreemdt die!--Een +vertrek naar elders--hoe kwijnt weldra de briefwissel, welke na verloop +van het eerste jaar geheel ophoudt!--En toch behooren deze nog tot de +minst smartelijke wijzen, waarop men de begoochelingen zijner jonkheid +ziet vervliegen. Sommige banden worden niet langzaam door den tijd los +gestrikt, gebrek aan sympathie in de beschouwing van het werkelijk leven +breekt die wel eens plotseling en voor altijd af, schoon men elkander +blijft zien, schoon men de kennis aanhoudt. Welk eene andere toekomst +achtte ik mijn' overbuurman, achtte ik Pieter beschoren, toen ik, +verscheidene jaren geleden, met hem de duinen opwandelde, en wij, op den +top van dezen of genen blinkert, het dubbele lied hoorden, dat nog +wedergalm vindt in mijn hart,--welk eene andere toekomst, dan zich voor +hem verwezenlijkte? Toen luisterden wij, opgewonden jongelui als we +waren, beurtelings naar het landschap aan onze slinke, dat ons _ijver_ +toesuisde, en naar de zee aan onze regte, die _glorie_ zong--toen +spraken wij van het verleden, van degelijkheid,--toen beloofden wij, +--ja, wat niet al! + +Voor drie, drie en een half jaar misschien, kwam Pieter mijne woning +binnen, stoof zou het woord zijn geweest, als hij mij geruimen tijd +vroeger iets dergelijks had mogen mededeelen, als hij mij op _dat_ +oogenblik wilde aankondigen. Lot en leven hadden hem, voor een half +_lustrum_, het is waar, op eene zware proef gesteld. Hij had hopeloos, +hij had vergeefs bemind. Maar de jongeling, die, na eene teleurstelling +van dien aard, niet strenger vasthoudt aan al wat hij vroeger hoog en +heilig achtte, heeft hij waarachtig lief gehad? + +"Ik wou je toch eens komen vertellen, dat ik geengageerd ben," zei hij, +dood bedaard. + +En wij waren elkaar reeds zoo vreemd geworden, dat ik verpligt was te +vragen: + +"En met--?" + +"De dochter van ----" en eenige kwaliteiten volgden. + +Ik was niet genoeg vriend meer,--vergun mij te zeggen: ik heb te strenge +begrippen van vriendschap, om in te houden, wat inij uit het hart op de +tong kwam: + +"Dat is anders dan met Elise--" + +"Och--wat--ja!" hernam hij, eene phraseologie, waartoe hij reeds +dikwijls zijne toevlugt had genomen, als ik hem sedert zijn blaauwtje, +zijn wankelen, zijn hinken op twee gedachten verweet. Hij was nog niet +zoo ver gekomen, om te beweren: "dat men transigeren moet, om in het +practische leven nuttig te zijn;" enz., enz. Hij begreep, dat hij toch +iets ter gunste van zijn meisje zeggen moest, en liet er zich +verstandiger over uit, dan hij gedaan zou hebben,--ware hij verliefd +geweest. + +En voor Pieter, die, een half jaar na zijn engagement getrouwd, mijn +overbuurman was geworden; voor hem zou de drijver daar het balsturigst +paar ezelinnen uit den hoop, ongezeggelijk en zaaemgekoppeld als het was, +aan die ijzeren leuning vastbinden? Hij zou krank zijn, hij, wien de +aanstaande schoonpapa eene geschikte partij had gevonden, al dreef hij +een beetje oppositie, "oppositie was immers tegenwoordig de weg om er te +komen?" Pieter, wiens grieven tegen onzen tijd de valkenblik van den +oude teregt niet zoo zwaar had geacht, dat een lucratieve betrekking die +niet zou kunnen genezen; Pieter de tering? bah! + +Was _zij_ dan welligt lijdende? wie het geloofde, niet ik. Het toeval, +--waarom het verheeld?--het toeval, dat door mijne nieuwsgierigheid niet +zoo heel toevallig was, had mij spoedig zijne Louise leeren kennen. +Alles wat zijne vroegere en latere geliefde gemeens hadden, was de +uitgang van den naam _en_ ise. Twee meer verscheiden meisjes zijn +naauwelijks denkbaar. Of het onderscheid louter daarin had bestaan, dat +de eerste eene brunette, de laatste eene blondine was! Maar Elise, +levenslust, plaagzieke dartelheid,--liefde--innige, vurige liefde; maar +Louise, onberispelijke vormen bij volslagen vrijheid van hart, om niet +te zeggen afwezigheid van gevoel! Ik zag haar bij het stilstaan der +graauwtjes voor mij, zoo als ik haar had gezien den dag, waarop hun +huwelijk werd voltrokken,--den dag, sedert welken ik weinig meer van +haar hield. Pieter had mij verzocht zijn getuige te willen zijn,--zoo +iets weigert men niet. + +Er was echter veel, dat haar verontschuldigde, bij de plegtigheid niet +over aangedaan te zijn geweest.--Het ware onbillijk van mij, zoo ik het +verzweeg. + +Voor alles, zij was moederloos: de weeze had de zoetste betrekking +weinig of niet gekend. Op een paar vermaarde pensionnats was zij door +haar koel temperament beveiligd voor--het woord _besmetting_ is wat +hard; en toch geve God, dat wij nooit een zachter leeren gebruiken voor +die ontreiniging der gedachten, welke het gevolg is van overprikkelde, +onmaagdelijke nieuwsgierigheid. Arm kind, dat zij voor die strenge +kuischheid van zin, welke haar van de geheimen harer gespelen afkeerig +maakte, niet in een ander opzigt, niet door de verzuimde ontwikkeling +van haar hart had geboet! Wien konde zij lief hebben, wien leerde zij +beminnen? Een' vader, dien zij zelden zag; die haar, toen zij de school +had verlaten, verzocht bij zijne gastmalen als vrouw des huizes te +ontvangen, en die haar uithuwelijkte--om zelf weer te trouwen? + +En de ceremonie! + +Het was eene dubbele, zoo als er bij alle fatsoenlijke huwelijks- +voltrekkingen te onzent plaats grijpen, sedert de invoering van den +burgerlijken stand,--die eene voortreffelijke inrigting zoude zijn, +als wij haar niet zoo _mir nichts, dir nichts_ met huid en haar hadden +geslikt; als wij haar gewijzigd hadden naar onze zeden. Een huwelijk is +in Holland nog niet louter _un contrat civil_, de hemel zij er voor +geloofd! "Dan sukkele de kerk den staat achterna!" schijnt het stelsel; +maar hoe die verdeeling den indruk verzwakt: God, in Christus onze +Vader, volgende op dat heidensche opperwezen, 't welk eigenlijk niemands +God is! + +Het formulier naar de wet had echter op Louise, op ons eenigen indruk +kunnen maken, ware het voorgelezen, zoo als onze moedertaal hoogtijden +spreekt, kernig, met nadruk, uit het gemoed. Maar al had een +afstammeling van Oud-Hollandschen huize de voordragt op zich genomen, +het was geen Hollandsch wat wij hoorden. Spreek mij niet van +Gallicismen; de Gallomanie deed de toppen der vingers tintelen van +ergernis; het was of zij ons trok bij de haren. + +En de griffier raffelde de acte over--als wenschte hij dat niemand meer +trouwen mogt,--om hem de moeite te besparen. + +De inzegening had in de Wale-kerk plaats;--daar bruidegom noch bruid +nazaten van _refugies_ waren, vergoedden geene familieherinneringen het +onhartelijke der vreemde taal. Noem dit niet bekrompen, bid ik u. De +mindere innigheid van het Fransch komt doorslaande uit, als gij de +huwelijksformulieren der hervormde gemeenten in beide talen vergelijkt. + +Zie, ik vergaf het Louise, dat er ook daar geene tranen in hare oogen +kwamen. Maar dat zij, na den afloop van het feest, zoo hartstogteloos, +zoo kalm, in het reisrijtuig stapte, als ware zij nogmaals naar het +_pensionnat_ gereden, hadt gij het haar ten goede gehouden? Ik wil uwe +beslissing niet vooruitloopen; maar ik vermoed, dat gij het er met mij +voor hadt gehouden, dat niet ten haren behoeve het graauwtje haren uijer +aan de vingers des drijvers prijs gaf; het graauwtje, welks veulen +intusschen zijn' ruigharigen kop achteloos op haren schouder +neervlijdde. + +En toch bleef ik met ongeveinsde belangstelling voortstaren; en toch +wenschte ik het glas melk, dat de dienstbode weldra naar binnen bragt, +al de heilzame, al de genezende kracht toe, welke het bleeke vocht der +ezelinnen ooit op een' kranke uitoefende. Want, nog altijd uit het +venster ziende, greep mij eene vrees aan, welke mij huiveren deed. + +Ik had Pieter en Louise, sedert zij mijne buren waren geworden, tweemaal +bezocht. Hoe anders had ik hen de eerste dan de laatste maal aangetroffen! + +Luttel weken na hunne tehuiskomst van hun speelreisje was ik het paar +gaan zien. De indruk, dien het bezoek bij mij achterliet, was verwant +aan dien, welken de schilderijen van een' negentiende-eeuwschen ter Burg +zouden maken. Het behangsel der kamer, waarin ze mij ontvingen, wedijverde +in helderheid van kleur met de rosetten van het plafond;--het lichtbruine +mahonyhout der huisraden schitterde mij tegen,--de fijngeslepen kerken +kaatsten den fonkelenden morgenwijn in het kristallen blad weder;--Louise +droeg een zijden kleed. Maar de glans der vreugde, die mij uit hare +oogen had moeten toeblinken; maar de blijdschap, welke Pieter had moeten +gevoelen, dus gevestigd, zoo gelukkig te zijn; maar de geestigheid, die +kruiderij des gespreks; maar de lach, dat zout der zamenleving, ik zag +er te hunnen huize even vergeefs naar om, ik hoorde er die even weinig, +ik smaakte ze er zoo min, als gij het op de stukken van onzen eersten +satijnschilder doet. De overeenkomst ging verder; Louise was niet minder +statelijk dan zijne slanke jonkvrouwen; maar gij hadt dat deftige +evenzeer bewonderd, zoo gij slechts haren rug, en niet haar gelaat, hadt +gezien. Pieter staarde in den wijnkelk, met denzelfden ernst, dien zijne +gemusqueerde allonge-paruiken onderscheidt, en van welken ge toch, hoe +lang gij naar de meening gist achter zulke oogen verscholen, niet meer +begrijpt, niet wijzer wordt, dan dat zij den wijn bekijken. + +"De mensch en sal by broodt alleen niet leven," zegt de Schrift. Hoe mij +die woorden invielen bij de leegte van al de pracht, voor welker +verzoeking Pieter was bezweken! + +Er waren maanden verloopen, zes, acht maanden welligt: daar verraste mij +eene heugelijke tijding, daar volgde eene uitnoodiging,--ik trad +andermaal de woning van het paar in. Hoe was alles verkeerd! Louise zat +in eene weelderige _chaise longue_; een Dou onzer dagen zou zich vermeid +hebben in de schildering der niet al te breede kant, welke haar bleek +kopje en hare bleeker handen, welke haar mutsje en haar kleed omgolfde; +hij zou regt hebben gedaan aan de stille weelde, waarin hare oogen +dreven, zwommen, zoo gij wilt. Voor het eerst was zij bezield; behoef ik +te zeggen, dat zij voor het eerst schoon was? En ook Pieter leverde eene +figuur op, het penseel van den schilder der _Kraamkamer_ waardig. Er was +niets uitgelatens in zijne verrukking; de zon der vreugde had meer +gedooid dan gezengd--ook de groote Gerard hield van eene waardigheid, +die de grenzen van het stijve naderde. Onder het roeren van den +kandeelstok werd de eerstgeborene binnengebragt; het mogt mij niet van +het hart er voor uit te komen, hoe dikwijls ik den dollen wensch voedde, +dat kinderen zoo ontwikkeld geboren werden, of zij drie jaren oud waren. +Hoe gelukkig was Louise met haren zoon--hoe hechtte zijne hulpeloosheid +haar aan het wicht! Wijze natuur! Ik zag beide trots en schroom in de +zijdelingsche ontblooting haars boezems, toen zij het kind de borst gaf; +hare oogen gingen heen en weder tusschen Pieter en de kleine--en haar +gade knikte haar toe--zij hadden nog kans op geluk. + +Ik weet niet, of het u als mij in het scheppingsverhaal van Mozes heeft +getroffen; maar ik las nooit zonder aandoening, hoe de oudervreugde de +uitdrijving uit het paradijs verzoette. Ik dacht er dat uur aan! + +Helaas, was het voor hun kind, dat de graauwtjes aan de overzijde stil +stonden? + +Den volgenden morgen was ik er zeker van;--het jongsken scheen, sedert +zijne spening, geloof ik, in eene kwijning te vervallen, tegen welke de +arts het gebruik van ezelinnemelk had aanbevolen. + +Maar, zoo mijn blik den volgenden avond, en dagen daarna en weken lang +op ongeveer hetzelfde uur getrouw het venster uitzwierf, om den drijver +met zijn zes- of zevental langs te zien komen, getrouwer nog ligtte +Louise in hare zijkamer het gordijntje op, de graauwtjes nu eens +ongeduldig te gemoet starende, dan weder door hunne niet zoo vroeg +gehoopte komst verrast. Hoe wettigde, helaas, de voortdurende +onzekerheid over den toestand haars kinds dien angst en die hoop! + +En zie hier de gedachten, door de komst dier ezelinnen opgewekt; de +mijmering, waartoe zij uitlokten: + +Een kind!--is er iets ter wereld, waarin meer poezy schuilt dan in het +van allerlei zorg afhankelijke schepseltje in den wieg,--dat welligt +bestemd is de luister van ons geslacht te worden? Het weet naauwelijks +zijne handjes te gebruiken,--handen, die later misschien het zwaard des +krijgs of de veder des vredes zullen zwaaijen of stieren, met tijdgenoot +en nakomeling verbazende kracht.--Het invallend zonnelicht doet zijne +oogjes zeer;--oogen, die ontwikkeld den afgrond zullen peilen of den +sterrenhemel meten; oogen, die de duisternis noch de schittering van de +wonderen der natuur zal verbijsteren of verblinden. Het eenvoudigst +begrip schijnt te hoog voor die trage hersenen, het instinkt des diers +leidt sneller en wisser dan de zoo hoog geroemde rede; maar wacht, en de +wetenschap zal haren stralenkrans werpen en de kunst haren lauwer vlechten +om dien nu nog naakten, schier nog weeken schedel. Een kind!--het begin +van een leven, door vreugde en smarte bont geschakeerd,--dat beurtelings +zoo groot en zoo klein schijnt,--dat der laagste togten en der edelste +driften om strijd ter prooi zal wezen,--maar dat niet eindigt in het +graf, waaraan de onsterfelijkheid is gewaarborgd, liever nog het eeuwige +leven; opdat onze zwakheid door de negatieve uitdrukking niet heen +schemere waar het onze zoetste hope geldt. Een kind!--laat ons dalen, of +rijzen misschien, want de moeder buigt zich over het wiegje heen, en er +is niets verheveners in de gedachten, welke ons de toekomst van den +jeugdigen mensch straks inboezemde, dan wat wij in deze groep aanschouwen: +liefde, liefde, het uitgedrukte beeld Gods! Zie, er was zelfzucht in de +bekommering, waarmede Louise dat schrale aangezigtje gadesloeg, de +kleine handjes drukte, haar trager dan vroeger te gemoet gestoken;--de +lipjes kuste, bleeker dan weleer;--zij gevoelde, dat met dien band,--als +hij scheuren moest--de eenige, die haar innig aan Pieter hechtte, zou +los springen. Zij had hem nooit bemind, zoo als dat vleesch van haar +vleesch, zoo als dat leven van haar leven. Maar--wordt die opmerking +voor eene mijner lezeressen wel vereischt?--hoe die zelfzucht vergoed +werd en opgewogen door de toewijding van den dag en den nacht, van de +vreugde der openbare vermaken en der gezellige geneugten; door de +volslagen ontzegging van rust zelfs na weken lange oppassing! Hoe +verloochende zij die zelfzucht geheel door de verzuchting, eindelijk aan +haren boezem ontglipt: + +"Heere, neem mijn leven in plaats van het zijne!" + +Op eenen schoonen herfstmiddag--het heugt mij nog of ik 't straks had +gezien--was het gordijntje ter zijde geschoven--de kleine lijder zat in +zijn' stoel voor het raam. Daar kwamen de graauwtjes--hoe hij gierde en +sprong, of hij hen te gemoet wou! Eene der ezelinnen, die er met hare +bleekzilverige huid en fijne ooren,--zij stak die op,--waarlijk niet +uitzag of wij regt hadden den naam der dierensoort tot een schimpwoord +te verlagen,--eene der ezelinnen werd een zonnig plekje op de straat +gewaar, wierp er zich neder, rolde er zich om en nog eens om,--het +plaveisel was pas gemaakt, en het zand nog droog. Het jongsken zag van +achter de spiegelruit de speelsche groep, want een veulen had zich bij +het moederdier gevoegd; de kleine werd rusteloos; naar buiten reikten +zijne armpjes, en Louise gaf dien wensch gehoor. Op de stoep verschenen, +daalde zij met haar kind de weinige trappen af, en liet hem zijn' wil in +het streelen der vaalbruine haren van het beest, dat voor hem gemolken +werd, en plaatste hem voor een oogenblik op den rug des diers. O, dat ik +de weelde schilderen kon, waarmede zij hem aan haar harte sloot, toen +hij, een omzien aan zich zelve overgelaten, weder in de beschermende +armen wipte, die boven en beneden hem hadden gewaakt; de weelde, zeide +ik, de huivering had ik moeten zeggen, die haar rank lijf trillen deed! +Of waren hare oogen niet afgedwaald naar de schalke vreugde van ezelinne +en veulen, die zich nog altijd omkantelden in het warme zand; die, aan +hunne weide, aan hun distelveld ontrukt, dien zweem van natuur smaakten +in de steedsche ballingschap, gezond als zij waren? + +De moeder benijdde, in den schoot der weelde, het graauwtje, dat eene +wolk van stof deed opgaan. Toen deze was weggewaaid, zag ik vergeefs +naar de overzijde: Louise en haar kind waren verdwenen. Zij was met hare +smarte haar prachtig huis weder ingetreden. + +De ezelinnen kwamen den volgenden, kwamen nog menigen avond terug; maar +eer de winter inviel, hadden de plagerijen tusschen den drijver en het +dienstmeisje uit,--want de gordijnen der zijkamer waren opgehaald, de +luiken gesloten. Pieter en Louise beweenden hun eenig kind. + +Verg mij niet, dat ik schetse, hoe het paar me bij het rouwbeklag +ontving--Louise, die luttel maanden het leven des harten had gekend, +scheen versteend; slechts van tijd tot tijd gaf zij teeken van +bewustzijn--door op te zien! + +En Pieter? Het geviel dit voorjaar, dat hij mij van eene reize naar +Zwitserland sprak; de toestand zijner gade, verzekerde hij mij, eischte +die. + +"Ook ik zelf, jongen," zeide hij, "ben niet gelukkig--de hemel heeft mij +gestraft in mijn kind!" + +Ik zou hier uitweiden in alles, wat zich tot zulk een' verslagene zeggen +laat,--hoe het mij heugde uit den mond eener waardige oude vrouw te +hebben gehoord: "Toen ik mijn' man nam, had ik hem niet lief, maar dat +kwam later door zijn gedrag,"--met andere woorden, dat Pieter de liefde +van Louise, welke hij had leeren achten, die hij thans schier beminde, +nog verdienen kon;--ik zou er bijvoegen, dat het voor niemand te laat is +zijn levensgeluk te zoeken en te vinden in de betrachting van zijnen +pligt; dat ieder, die wil, een degelijk mensch kan worden, degelijk als +de vaderen het waren in onzen roemrijksten tijd,--ik zou dit alles doen, +als mij plotseling geene vreeze bekroop, welke mij letterlijk doet +aarzelen voort te gaan. + +Welke? + +Dat gij mij een' onheusch vriend zult noemen, die vroegere innige +betrekking,--later aangehouden kennis,--eindelijk weder toegehaalde +banden prijs geeft, die.... Vaar niet voort met uwe beschuldiging, bid +ik. Ge zoudt gelijk hebben, ware het zoo. Doch als ik u gul uit bekenne, +dat ezelinnen, Pieter, Louise, het kind, nergens zoo bestonden als ik +die schetste, dat ik zelfs geene overburen heb: o, beweer dan toch op uw +beurt niet, dat de gebreken in onzen maatschappelijken en huiselijken +toestand door mij gegispt, dat de verspreide trekken, welke ik zocht te +vereenigen, dat deze niets anders zijn dan _boosheden in de lucht_, +waarvan niemand te onzent hinder heeft! + + +1842. + + + + * * * * * + + + +HANNA + +(EEN STUDIE-BEELD UIT HET VOLKSLEVEN) + + +Het was zaterdagavond voor Kersttijd, en in eene kleine woning op +Katten-, Oosten- of Wittenburg, te Amsterdam, lag, in een spaarzaam +verlicht slaapvertrek; het woord Gods opgeslagen op de tafel. Eene jonge +vrouw, die er in hare eenzaamheid opbeuring, troost, licht in zocht, +staakte onwillekeurig de lezing, toen haar blik op de woorden rustte: + +"Als sy nu de sterre sagen, verheugden sy haar met seer groote vreugde." + +Waarom schemerde het der peinzende? + +Zie, het was niet, dewijl eene door smaak noch studie bestierde +verbeelding wieken aanschoot, en zich de Oostersche Monarchen voorstelde, +in al de pracht, waarmede de Italiaansche schilderschool hen heeft +uitgedost, verbaasd, dat het schitterend luchtverschijnsel stille +bleef staan boven eene nederige woning. En echter, verre, zeer verre van +haar, en de zin voor het gemoedelijke, waarmede Bendemann ons met de +Wijzen uit het Oosten in vast vertrouwen voort doet trekken, en de zin +voor het verhevene, waarmede Vondel deze, in zijn bekend meesterstuk, +het goddelijk Kind laat aanbidden. We zijn noodeloos hoog gesteigerd. +Het was iets eenvoudigers, iets vrouwelijks, iets kinderlijks schier, +dat haar schreijen deed; iets, dat u en mij,--laat ons het bekennen--ook +is weervaren, wanneer wij, in verslagenheid des harten, der Heilige +Schrift het oor leenden, en een zweem van gelijkenis, eene flaauwe +analogie tusschen beide toestanden, de voorstelling vergeten deed, +dewijl indruk of schok ons onwillekeurig in het tegenwoordige overbragt. +We zagen op, of wij zuchtten,--een oogenblikkelijk gevoel, dat vele +woorden zou hebben vereischt, indien wij het aan een' derde hadden +willen verklaren,--een wensch, dien God verhoorde of vergaf. Om tot onze +lezeres terug te keeren, de verrassing der vreugde, in de aangehaalde +woorden zoo aandoenlijk uitgedrukt, trof haar diep: eensklaps werd zij +te moede, als zag zij, tegen de graauwe winterlucht van den oostelijken +hemel des IJstrooms, een wit zeil opdoemen, en eene diepe ademhaling +vertolkte de bede: + +"O, hoe blijde zou ik zijn!" + +Moge mijn aanhef u niet allen lust tot verdere kennismaking hebben +benomen! Immers, ik voorzie, dat ik zoo voorhoofdfronsing als +schouderophaling te tarten heb, wanneer ik u die jonge vrouw, wanneer ik +u Hanna voor twaalf of vijftien jaren voorstelle, Aalmoezeniersweeze als +zij was,--vondelinge, die in haar kleed het bewijs omdroeg, dat hare +moeder haar van zich had gestooten, zoodra zij het licht zag; dat haar +vader er zich welligt nooit over had bekreund, of zij bestond. Waarom +zou ik het uwer kieschheid euvel duiden, dat zij zich aan de figuur +ergert, schoon mij de proefneming aanlacht, u te overtuigen, hoe weinig +wat gij het gemeenste leven heet, het goede, het schoone zelfs buiten +sluit? Slechts nog een trek, welke der afzigtelijke wereld toebehoort, +die mij niet minder walgt dan u; slechts nog een trek, en ik zal uwer +verfijnde zenuwen geen geweld meer aandoen: Hanna was in het Huis +gelukkig, schier bij uitzondering gelukkig te prijzen, daar de onnoozele +ten minste in geen ziekelijk ligchaam de onverdiende straffe droeg der +uitspattingen, der losbandigheid van hen, wier lust, niet wier liefde, +haar in het leven riep. Schoonheid was haar deel. Stellig hebt gij in +dichterlijke droomen dikwijls van de onwederstaanbare heerschappij +gelezen, welke deze uitoefent, maar er in de werkelijke wereld schaars +treffender blijk van gezien, dan dat, waardoor hare lieve heldere +kijkers, haar goelijk-mooi gezigtje soms voorbijgangers of toeschouwers +verraste. Daar stoven zij aan, op gracht of plein, de knapen uit het +Diaconie-huis, de knapen, onwillekeurig nog vermetel op hunne betrekking +tot de weleer heerschende kerk;--daar ontmoetten zij haar, de +burgerweezen, de jongens, die zich thans op hunne broederschap met van +Speyk te goed doen, en wel mogen zij het;--daar omringden beiden haar, +de eersten in hunne geestelijke, de laatsten in hunne stedelijke +liverei, en deze als gene, verwaten op dien dos, zoo als alle +onderscheidende kleederdragt het maakt--daar zagen de wilden de gesmade +Aalmoezeniersweeze voor zich. Een gejoel ging op, het schimpwoord kwam +op de lippen--maar wat was het? _Hoerenkind! hoerenkind!_--waarom +bestierf het, eer het werd geuit? Geene bedenking, hoe leelijk het hun +zou staan, vader- en moederloozen als zij waren, eene nog ongelukkiger, +verlatener weeze dan zij, te smalen, geene bedenking van dien aard, +welke hen weerhield. Wat zich ook in onze weeshuizen ontwikkelt, de +kweekelingen uit dezen blijven meestal vreemd aan die teederheid des +harten, den kinderen in de nieuwjaarsversjes onzer poeten toegedicht +--ook valt zij naauwelijks te vergen, waar het lot in de prilste jeugd +zelfstandigheid tot voorwaarde van bestaan maakt. Het was dat echt- +hollandsch-mooije, die blanke wangen, waaraan de roos hare schoonste +tinten schijnt te hebben geleend, die liefelijke oogjes, wier blaauwe +helderheid vrede en vreugde verkondigt, het was de schoonheid, die overwon. + +"Eene knappe meid!" zei de oudste. + +"Het arme kind!" zei de jongste. + +En zij gingen verder,--want ge treft naauwelijks een' schalk aan onder +tien schreeuwers. + +En echter, niet minder dan of zij haar wreed hadden uitgescholden en ruw +hadden bejegend, niet minder betrok bij zulke tooneelen dat gezigtje, 't +welk slechts behoefde te zijn gezien om te worden gespaard: die kinders +hadden hunne ouders gekend,--zij wisten ten minste wie zij geweest +waren,--zij konden hunner in liefde gedenken. Zij, daarentegen!... +En waarom ook zij niet?--Voortreffelijke Hanna!--eer de jaren der +huwbaarheid aanbraken, waren de geheimen der kunnen haar ontsluijerd; +maar niet door overprikkelde nieuwsgierigheid, niet door dartelen lust, +niet door wulpschen zin. Smartende distels en weedoende doorns hadden +haar die kennis ingescherpt. Onder de schepselen welke onze beschaving, +onze zedelijkheid, ons christendom op de hoeken onzer straten en stegen +duldt, onder die schepselen kon hare moeder schuilen,--en wie weet, welk +voorbijganger haar vader was?--Voortreffelijke Hanna! herhaal ik. Vraag +mij niet, hoe zij tot die waarlijk menschelijke, tot die echt +kinderlijke, tot die vrome beschouwing van haren toestand en dien harer +moeder gekomen was; maar in het Huis werd de bijbel gelezen, en het +woord van Hem, wiens uitspraken licht en liefje zijn. Het woord: "Wie +van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!" was balsem +geweest voor haar gekrenkt gemoed; het bragt verzoening te weeg. En, +zonderlinge zegen in strafheid, in miskenning, in onregtvaardigheid +bedeeld!--de verwijten, bij welke zij de onschuld harer gedachten had +ingeboet, maar door wie zij tevens in de kennis met wapenen was +toegerust--zij behielden haar in de ure der verzoeking, toen zij +dienstbare geworden was in eene aanzienlijke woning, en de verleiding +haar aanlokte, niet slechts in den glans van goud, maar ook in den bloei +der jeugd. Hare moeder stond haar voor den geest;--hare moeder, die eens +onbevlekt was geweest als zij;--hare moeder, die misschien viel, dewijl +ze niet gewaarschuwd was;--hare moeder, die mogelijk op dat oogenblik +een leven van zonde op een leger van smarte boette. Herinnerde deze zich +harer, wenschte zij haar bij zich? O, de tranen, welke er langs Hanna's +wangen vloten, dewijl ze haar in dien jammer niet bij konde staan, +dewijl zij het kussen van de stervende niet zacht mogt schudden, dewijl +ze haar niet zeggen mogt, hoe van harte zij vergaf, dat wieg en kreb, en +bete en dronk, haar zoo hard, haar zoo karig gegund, haar zoo bitter +waren geweest, dewijl ze haar niet goeden nacht mogt kussen en vergeving +afsmeeken van Hem, wiens vergeving wij allen behoeven--die tranen, dat +haar vader ze hadde gezien! Handwerksman--winkelier--ambtenaar--beursganger +--weledelgeborene--of wat hij zij of was--God slechts kent hem--God slechts +weet het--hij had zich voor zijne onechte dochter geschaamd, en hare knieen +aangegrepen, zoo als de schuldige het die des monarchs doet, wiens woord +genade verleent. Ook ik zou wenschen, dat er voor den onmensch geen leven +na dit leven ware! + +Ziedaar, wat er soms onder een kornetje schuilt. + +Willen wij Hanna voort laten mijmeren, voort laten lezen? Harer is een +smarte, welke het toch niet in onze magt staat te verzachten. Ook heb ik +haar u als jonge vrouw voorgesteld; ook ben ik u nog de vertelling harer +vrijerij schuldig. + +Welaan dan! + +Dikwijls ben ik er getuige van geweest, dat menschen van hoogeren stand +er zich over verbaasden, hoe geringe lieden zoo spoedig kennis maken, +en in eenige oogenblikken onder elkander niet slechts gemeenzaam, maar +zelfs vertrouwelijk worden. Eilieve, wat vreemds steekt er in? Verre van +mij ditmaal uit te varen tegen het weinig toeschietelijke der zeden van +onzen fatsoenlijken kring. Het is de schaduwzijde onzer huiselijkheid, +wier zachte glans minder zou uitkomen zonder deze, al gaat het ons soms +bij haar als bij Rembrandt's schilderijen: jammer, dat die groep niet +even mooi zou zijn, zonder dat donker. Stil, geene heiligschennis! +En ten einde wij niet afdwalen, wat wagen dienstbaren met hunne +openhartigheid? armoede is aller lot. Verblijdt er u over, zoo dikwijls +u een trek uit het volksleven verrast, met een blijk, dat wederzijdsche, +belangelooze welwillendheid, onder onze mindere standen, ondanks hunne +behoeften, groot, zeer groot is,--zoo dikwijls hunne onderlinge +hulpvaardigheid mij en u beschaamt--ik heb er de Hollandsche, de +Amsterdamsche gemeente te liever om. + +Geen half jaar had Hanna nog op een der grachten van de hoofdstad +gediend, of niet alleen haar groet werd beantwoord, maar hare toespraak +uitgelokt; maar hare geschiedenis, droevig en kort als die was, +meelijdend aangehoord door eene oudere dienstmaagd, wier portret gij +zelve teekenen moogt. + +"Kind," zei Machteld, "als ge wilt, ik zal de hand aan je houden, of ik +je moeder was." + +Dat was een hartelijk woord in haren toestand; Hanna sprongen de tranen +in de oogen. Zoo was er dan iemand, die haar lief had, haar, de +verlatene! Want al was zij de sombere vlagen te boven, in welke zij al +haar godsdienst behoefde, om het lot, haar door den Hemelschen Vader +beschikt, niet hard te vinden, er kwamen oogenblikken, waarin zij +slechts al te zeer gevoelde, wat zij er in miste, "niet van eerlijk +volk" te zijn. Geene jeugd, geen vrouwelijk gemoed, geene edele ziel, of +zij voorgevoelt het geluk bemind te worden, de weelde lief te hebben! + +"Als er geene smet op die meid rustte," zei Jan, de koetsier, "dan zou +zij al lang een' flinken vrijer hebben gehad." + +"Ik zal krijgen wat mij opgelegd is," antwoordde Hanna, die de opmerking +hoorde. Maar de predestinatie was kranke troost. + +Het is waar, oude Machteld beweerde; "Hanna, ik ben nooit gehijlikt +geweest, en ik heb er nooit over gekniesd; met Mei zal ik op het Hofje +een kippetjes leven leiden, kind! wie wel doet, wel ontmoet," maar onze +kennis, zij weerlegde, noch zij beaamde die woorden. Zij beloofde +slechts hare moederlijke vriendin trouw te zullen bezoeken, als deze op +hare muiltjes zoude gaan. + +En woord hield zij, toen de tijd gekomen was, woord, iederen +uitgaansdag. Het was lief te zien, hoe langzaam zij met de vrouw, die +krukte, toen zij uit de drukte was, de binnenplaats van het gesticht om, +en nog eens omwandelde, en stoel en stoof buiten in het zonnetje zette, +den rug naar het licht, en het kussen haalde, en de steken in het +breiwerk opnam, en de luimen vierde, welke de best zoo goed had, als wij +allen die met hare jaren en kwalen hebben zouden.--Hoe wist Hanna zich, +uren lang, in de stille wereld te voegen, die wereld te onzent voor den +ouden dag geschapen: eene lieve, zindelijke woning, een bleekveld en een +tuintje,--geenerlei onbevredigde behoeften, en het genot dier weldaden +verhoogd door storelooze rust--of zoo deze wordt afgewisseld, dan +slechts door die soort van gezelligheid, welke den grijze het liefste +is, een praatje over het verledene, een praatje met een dankbare +betuiging besloten. + +Het was avond in den voorwinter, acht of negen jaren geleden; de kat +bakerde zich bij den kleinen haard, en het bestje mogt zoo zeggen, Hanna +was bij haar: + +"Kom, kind, lees mij eens wat goeds voor. Of het aan de letters, of aan +mijn' bril, of aan mijne oogen schort, ik weet het niet, maar als ik het +zelve doe, het gaat niet meer." + +En Hanna knikte de zilveren krappen open, en las ... + +Maar wie trok daar zoo hevig de klink van de voordeur des gestichts +op?--maar wie stapte daar zoo driftig over de gele klinkers van den +binnenhof?--maar wie ... ja, hij moest aan het huisje van oude Machteld +zijn, zij zelve hoorde het duidelijk, 't was als kende zij die stem! + +"Moeije! Moeije!" riep de borst, die al binnen was, eer Machteld haar +vermoeden aan Hanna had medegedeeld, en de armen van zijn kabaaitje om +de smalle schouders der oude sloeg. Poes, die verschrikt onder de +bedstede vlugtte, Poes, die hij zwaaijende langs was gestoven, Poes werd +vergeten: er schoten waterlanders van onder Machteld's grijze wimpers, +bij de tehuiskomst van den zoon eener veel jongere, vroeg verscheidene +zuster. Het bestje--ik zeide het reeds vroeger--het bestje was nooit +getrouwd geweest; zij had, zoo als zij Hanna diets wou maken, zelfs +nooit gevrijd; maar des ondanks had Machteld, zoo als Beets fraai heeft +gezegd, "de melk toch in het bloed," en haar gevoel had hare groene +jeugd overleefd. + +"Dag, mooije meid!" voer de pikbroek voort, want dat was hij, en hield +Hanna om haar middel gevat, en gaf haar een' kus, die klonk als eene +klok, eer zij het hoofdje kon alwenden. De Hollandsche jongen had zoo +lang zwarte nikkertjes gezien, dat hij gaarne ieder blank meisje zou +hebben gekust. + +"Bart! Bart!" riep Machteld. Het werd eene predicatie, als had zij geen' +zeerob maar een' wever tot neef gehad, Janmaat zou er zich geene zier om +hebben bekreund, was Hanna niet zoo spoedig opgestapt, had Hanna maar +van tehuisbrengen willen hooren! + +"Toch niet," zei ze, vrij streng; en toen hij alevel opsprong, oef! toen +had dat mooije gezigtje eene waardigheid--die Bart overtuigde, dat de +gelegenheid voor dolle grappen met de zwarte nikkers vervlogen was. + +En echter, lief meisje, dat zulke manieren onbeschaamd vindt, al ergert +gij er u aan tot kleurens toe, echter ging Bart--geen ligt matroos, maar +iemand, die na nog eene reize uitkijk had derde stuurman te worden--echter +ging Bart niet weder naar het zeeregt ter monstering, of, zonder dat +Hanna er een woord van gerept had tegen oude Machteld, werd zij op een' +Zondag avond te huis gebragt door iemand, wiens gang verkondigde, dat +het dek zijn vloer was geweest, wiens hoed op een haartje stond, wiens +halsdoek fladderde. + +"Schel nog niet aan!" bad hij; maar het handje was aan den knop, en de +schreeuwleelijkert ging over. + +"God zij met je!" snikte Hanna. + +Daar deed de kameraad haar open. + +"Wel, meid, wat is je muts verfomfaaid en wat zien je oogen rood--waait +het zoo?" vroeg de schalke deern, als had zij niemand gehoord, niemand +gezien, als wendde Hanna niet nog eens het hoofd naar die donkere +gestalte aan de waterzij, als knikte zij niet. + +En toch, lief meisje, dat mij leest, toch zoudt gij Hanna ik zeg niet de +zwakheid jegens Bart, maar de onopregtheid tegenover Machteld hebben +vergeven, als ge veertien dagen later haar door de oude de les hadt +hooren lezen over hare geheimhouding. "Waar het hart vol van is, loopt +de mond van over, kind!" zei Machteld; "het was Bart niet mogelijk te +zwijgen, dat je beloofd hebt je voor zijne terugkomst niet te zullen +verzeggen." En misschien hadt gij Machteld lief gekregen, toen zij Hanna +dochter noemde, bij de verontschuldiging van deze: + +"Wist ik dan of gij er niets tegen zoudt hebben? Machteld,--moederlief! +Bart, zeidet gij altoos, Bart had geen matroos behoeven te worden, als +een mensch zijn zin niet een mensch zijn leven was; en ik ben maar--" + +Inderdaad, ik had mijn opstel wel _het lezende vrouwtje_ mogen +betitelen, zoo weinig gang is er in--nog altijd brandt de lamp, nog +altijd staart zij voort--maar wees gerust, wij naderen het sombere heden +toch. Een woord slechts over den jongsten Sint Nicolaas, en we zijn er. + +O mijne broeders van den gilde, die, op den avond van dat feest, welligt +naar iets piquants, iets nieuws, iets schoons hoop ik gezocht hebt, +hetzij in het gewoel van de Kalverstraat, waar het weder, veroorlooft +mij de uitdrukking, _a pure perte_ een grijnend gezigt zette,--hetzij +in de woning eens vriends, wiens aanvallige kinderen door Ter Haar +verdienden te worden geschetst,--gij die luisterdet en toezaagt, maar +geen treffend onderwerp vondt, neen, alle toestanden behandeld, +versleten, afgezaagd scholdt,--het is mij dikwijls als u gegaan. Dat gij +Hanna hadt ontmoet, dat gij in hare ziel hadt kunnen lezen! Welligt zijt +gij haar roer langs het lijf gesneld, welligt merktet gij haar niet eens +op,--bovendien, wien onzer is de gave bedeeld, onder zoo armelijke +plunje den schat van waarachtig gevoel te zien, welken zij dikwijls +verheelt? Het vrouwtje--gij vermoedt reeds dat zij met Bart trouwde, +_cela va sans dire_,--het vrouwtje zocht haren weg door den mist, +terwijl hare verbeelding de weergalooze helderheid van eenen +keerkringsnacht om zich zag. + +De tegenstelling luidt sterk; maar, wat mooijer is, zij is waar ook. + +Hoe had Bart haar den luister dier gezegende luchtstreek beschreven, +toen hij, van een' derden togt naar Indie teruggekeerd, haar verraste, +een kind, een knaap aan de borst! + +Zie, ik mag haar in dien toestand niet voorbij zien, al ben ik u de +verklaring schuldig, wat hem bewoog van een' nacht onder dien +schitterenden hemel op te halen; waarom zij juist toen dat tooneel +gedacht.--Hoe beminnelijk zag zij er uit, Hanna met lot en leven +verzoend, Hanna de vrouw, Hanna de moeder, Hanna, die nu niet langer +geloofde, dat de hare heur wichtje, haar zelve van zich had gestooten! +Het te vondeling leggen was een gruwel der baker geweest, die de moeder +zeker had diets gemaakt, dat haar kind dood geboren was. En nu Bart, die +schreide, zoo als een man schreijen mag, van weelde, van verrukking, van +zaligheid, bij het zien van zijn evenbeeld, van zijn kind, dat niet bang +scheen voor zijne ruwe handen, dat niet wegkroop voor zijn' harigen kus, +die hem de armpjes toestak! + +Hanna's gemoed, zeide ik, was vol van den keerkringsnacht. Of had Bart +haar dien, in zijne kunstelooze, maar waarachtige poezij des harten, +niet beschreven, zoo als lucht en zee er uitzagen, toen hij met een' +braven ouden matroos aan den steven stond te praten? Deze had afgezien +naar de stille zee, en opgezien naar den stillen hemel, "die zoo wel bij +elkander pasten," zei Bart, in zijnen eenvoud, "licht beneden, licht +boven, licht rondom ons." + +"Stuurman," had Jaap, de oude matroos, gezegd, "is het geen afschaduwing +des hemels? Ik zou niet vreemd opzien, als mijn Guurtje mij in de +eeuwigheid in zulk een licht te gemoet kwam."-- + +Guurtje was 's mans mooije dochter, aan de tering gestorven. + +En Bart--woeste, wilde natuur als hij was, had den oude willen afschepen +met een: "Wat schort je, paai?" maar zijne stem was in zijne keel +blijven steken. Dien ganschen dag, had hij Hanna verzekerd, was hij +reeds angstig te moede geweest, al wist hij niet waarom; immers het +schip liep als een pijl uit een' boog, en aan zijn werk haperde geen +zier. Maar bij die woorden van den oude was hem het hart week in het +lijf geworden; hij had Hanna voor zich meenen te zien, stervende ... + +En het eene woord van den ouden matroos had het andere uitgelokt; maar +laat ons Bart zelven laten spreken. + +"En ik vertelde hem hoe goed wij het hadden--hoe lief ik jou heb; dat +behoefde ik hem niet te zeggen, hij had het wel gehoord, toen ik zoo +angstig uitriep: "Jaap, als haar uurtje eens geslagen is!"--want ik +maakte er voor hem geen geheim van, dat je mij, voor ik heenging, zei, +dat je geloofde ... Weet je nog, Hanna, dat de tranen jou in de oogen +kwamen, toen ik bij jou haperen een' voet van den grond sprong, en hoe +je mij zei, dat ik altijd zou mogen denken, dat ik je gelukkig had +gemaakt, als ik je eens niet weer zag? Toen wou ik er niet van hooren, +dat je sterven zoudt; toen beloofde ik jou, dat ik je hoornen en +schelpen mee zou brengen voor den kleinen Bart,--den kleinen Bart! daar +is hij waarachtig!--o wat een jongen! hij grijnt niet, als zijn vader +hem zoent! Hier, Hanna! ik moet jou ook eens kussen: het was "man!" toen +ik weg ging, nu is het: "vaertje!"--Maar in den nacht, waarvan ik sprak, +toen was die man een kind; zie, de datum heugt mij nog, het was de +vierentwintigste September--" + +"Toen ben ik bevallen, Bart!" + +"Dach ik het niet al," zei oude Jaap, "dat het bijgeloof was?" +"Stuurman," zei hij, "ik ben geen fijmelaar; maar was ik jou, ik ging +naar mijne kooi, en ik deed een gebed, dat zal je lucht geven." En, +Hanna--gelooven moet jij het, want je weet, ik geef me niet beter dan ik +ben--al kon ik in de kerk den Domine meestal in het bidden niet volgen, +ook al jookten mij geene wilde haren onder den neus, wijl die mannen +zulk een' schat van mooije woorden hebben, in dat gebed liepen mijne +gedachten mijnen woorden vooruit. "Onze Lieve Heer zal er wel wijs uit +worden," zei ik, toen ik snikkende "Amen!" sprak, "en er voor haar wel +bij zorgen," want ik had Machteld-moei in mijn gebed vergeten, de sloof, +die mij bidden heeft geleerd--ik vergat haar om jou." + +Stel u eens voor, hoe Hanna Bart bij die woorden aanzag! + +"En de Heer heeft mijn gebed verhoord; dat doet Hij altijd, als wij maar +vurig bidden," voegde de gelukkige echtgenoot en vader er bij; doch hier +ook braken Hanna's herinneringen op dien Sint-Nicolaas-avond af. De +woorden van ouden Jaap, welke Bart er, in den overmoed zijns geluks, zoo +achteloos op had laten volgen: "Tenzij het beter voor ons is, dat Hij +ons de bede weigere,--zoo als Hij mij het sterfbed van mijn Guurtje +deed, die ik niet weer zal zien, voor in de eeuwigheid--" die woorden +gingen te loor in een' zucht. + +En waarom? + +Helaas! door den mist heen zag zij in het dok hier en daar licht op de +schepen,--maar zijn schip, waar was het? Had zij dan niet vurig gebeden? + +Foei, dier verbijsterende gedachten mogt zij niet toegeven. Hare +kindertjes,--hun was sedert ook een dochtertje geboren,--hare kindertjes +verbeidden haar te huis; de bloeden moesten toch eene kleinigheid +hebben, al was haar hart meer voor rouw dan voor pret gestemd. Voort +dan, voort! Daar was zij aan het winkeltje, waarin die weeuw Sint +Nicolaasgoed verkocht. Bij wie anders zou zij het halen dan bij die +vrouw, welke zoo sober rondkwam, die weeuw ... + +Het schip was al twee maanden over den tijd uitgebleven! + +En van Sint-Nicolaas-avond tot den avond voor Kerstijd zijn negentien +dagen, negentien nachten, wier lengte _zij_ kent, die wacht. + +Lees voort, Hanna, lees voort! Wat zoudt gij beter doen? + +Een Oost-Indievaarder op de kust is een belangrijk nieuws; want aan +honderd derzulken hangt het lot van duizenden en tienduizenden, hangt +schier het lot van ons volk. Als hij Texel is binnengeloodsd, dan stort +hij zijn' hoorn des overvloeds in den schoot van het dankbare Vaderland +leeg. Welligt brengt hij de laatste vurig verbeide tijdingen uit het +gewest, waarin schier elk tegenwoordig betrekkingen of bloedverwanten +heeft, en zijne lading onderhoudt onze gemeenschap met alle deelen der +wereld. Wees geprezen, eiland der eilanden, dat rijken beschaamt! Of +verdringt niet de Java-koffij alle andere?--de tallooze soorten der +West-lndien in Europa,--de Mocka bij Tartaar en Turk?--Of kruiden, van +het eene schiereiland tot het andere, kruiden, beide Spanje en Zweden, +hunne geregten niet met onzen nageloogst? Of is er _negus_ voor den +Yankee zonder den geur onzer Molukken?--Laat Duitschland stoffen op +zijne bietekroten, en Oost-Zee en Zwarte Zee begroeten om strijd koffen +en brikken met de gelouterde suiker van Java belaan. Willen wij +voortvaren op dien toon? Het tin onzer bezittingen ziedt in al de +smeltkroezen van het vaste land, en de Java-indigo leent zoowel het +gewaad der blanke dochteren van het Noorden als dat der bruine schoonen +van het Zuiden zijne frissche kleur. Doch voltooi zelf de aangelegde +schets: voorzeker, een Oost-Indievaarder, die te huis komt, is een +verheugend, een verheffend schouwspel, door den voorspoed des lands, de +welvaart des volks er aan verknocht! + +Helaas, dat ik u de keerzijde van den penning moet laten zien; een schip +van Java verbeid, doch dat uitblijft,--langer dan andere, te gelijk +afgezeilde,--weken, maanden langer dan eenige later vertrokkene en toch +reeds aangekomene bodems,--welke geheel verschillende gewaarwordingen +wekt het op,--welk leed berokkent het! Het onthoudt,--zie eens, hoe +aller belangen zaamgeschakeld zijn in ons burgerlijk landje!--het +onthoudt zoo vele handen der smalle gemeente dagen lang werk, aan zoo +vele monden dagen lang brood! Het schijnt eene streep te zullen maken +door de rekening van de werf, waarop net zou zijn gekalefaterd,--het +dreigt eene winstderving te worden voor makelaars en kooplieden, die de +carga reeds opsomden, ieder voor zich een zooveelste. Het jaagt de +vreeze voor een aanzienlijk verlies in het hart der verzekeraars, onder +welke er zijn wier evenaar wankel genoeg staat zonder dit gewigt in de +kwade schaal,--en het is een doorn in het vleesch der directeuren van de +Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier raming er door gestoord, wier +schikking er door belemmerd wordt. We zijn er nog niet! Het ontrust tot +de ministers van kolonien en van financien, tot de hoogste ambtenaren +der kroon toe; want wie hunner mag onverschillig zijn voor iets dat op +de kaai, in het dok, aan de beurs, schrik en angst verspreidt? Den +koning der Nederlanden, zou ik schier durven zeggen, gaat het lot van +zulk een' bodem ter harte! Want de wortels der eeuwenheugende eiken, +waaruit hij is opgebouwd, schaduwden, door hun omgrijpen en uitschieten, +in de wouden en op het gebergte, slechts flaauwelijk de duizende +slagaderen des maatschappelijken levens af, waarmee het in aanraking +kwam, waarin het greep, toen het op het Y vlagge en wimpels zwierde, +--luister onzer handelsvloot, als het was!--die het zal kwetsen en +stremmen, wanneer het nooit uit den schoot der wateren weer opdaagt, +--beladen als het werd met de weelde van het Oost! + +En sla nu dat blad vol onheilspellende cijfers eens digt, en waag een' +blik op het lot van hen, die, droomende van vaderland, vrienden, vrouw +welligt, op dien bodem, onder stormen-zwangeren hemel, in stik donkeren +nacht, misschien eensklaps den dood voor oogen zien,--of uren, dagen +lang, beurtelings door hoop en vrees gefolterd, op eenen oceaan +ronddrijven, slechts verlicht, ten einde ze zijne onmetelijkheid zouden +erkennen, en het wanhopig makende ijdele gevoelen der hersenschim van +redding, waarmede een enkele hunner zich nog vleit. O, de rust in den +schoot der wateren is verkieslijk boven de verlenging van zulken +angst!--en "de barmhartigheden des Heeren gaan over alle Zijne werken!" +op het vuur en in den vloed, voor altijd en eeuwigheid,--dat staat tot +onze vertroosting geschreven. Vertroosting? Ach, hunne betrekkingen, +--ach, mijne Hanna! + +Hooger lof heb ik voor onzen volksaard, voor de ontwikkeling der weeze, +voor hare vroomheid niet, dan de betrekkelijke kalmte, waarin ik u haar +schilderen mogt. Hoe verheven schijnt ze mij! Een beeld uit den vreemde +zou de diepte des gevoels aanduiden, door den waanzin, waarin het +onderging,--en echter, hoe hoog Hanna boven die hartstogtelijkheid sta, +het ware der waarheid geweld aandoen, zoo ik het menschelijke verzweeg. +Opgerezen uit haren stoel, heeft zij den Bijbel digtgeslagen, en ging +zij naar het wiegje in gindschen hoek, en ligtte het kleed behoedzaam +ter zijde,--haar dochtertje sliep gerust. "God zal deernis hebben met +hare onschuld!" zeide zij. + +En nu, daar leunt zij tegen de kribbe van haren eerstgeborene, van haren +Bart,--wat aarzelt gij?--Eer zij het hoofd op haar slapeloos kussen neer +kan vleijen, moet zij hem toch even zien, hem, zijn vaders evenbeeld. +Verduisterd door tranen, als ze zijn, laat zij hare oogen lang op hem +rusten. Wraak het, zoo gij durft, dat de wensch haar op de lippen komt: + +"Och, dat hij klopte!" + +Hoe zij luistert! + +Vergeefs! + +"Ik zal morgen opgaan,--of God mijn geduld, mijn geloof versterken wil!" + +Doe het, Hanna! Martelaresse als ge waart in uwe geboorte, martelaresse +als gij dreigt te worden in den echt, doe het! En welke hoofden er zich +buigen mogen,--aanzienlijken en armen, gevierden en geringen--allen, die +u kennen, zullen bidden, dat op het uwe het eerst het licht dale, dat +van boven is. Want wien onzer zal het zoo zwaar vallen, zich zelven te +verloochenen, als gij het u zult doen in het berustende: + +"Uw wille geschiede!" + + +1843. + + + * * * * * + + + +INHOUD + + +LIEDEKENS VAN BONTEKOE + + I 't Passeren der Linie + II Roeltjen uit de Bontekoe + III Louw en de Waarzegster + IV De Zeilwagen van Prince Mouringh + V Machteld + VI Papegaaijen-deuntjen + VII Wijs Klaertjen op 't ijs + VIII Inkeer + IX Jan Compagnie + X Dieuwertjen + + + VERHALEN: + + Blaauw Bes, Blaauw Bes! + 't Is maar een Pennelikker! + Marie + De Ezelinnen + Hanna + + * * * * * + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Liedekens van Bontekoe en vijf novellen +by E.J. Potgieter + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LIEDEKENS VAN BONTEKOE *** + +***** This file should be named 16842.txt or 16842.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/1/6/8/4/16842/ + +Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
